KTM 990 Supermoto T AU GB 2010 Supermoto Bike Handleiding

KTM 990 Supermoto T AU GB 2010 Supermoto Bike Handleiding
BEDIENINGSHANDLEIDING 2010
990 Supermoto R EU
990 Supermoto R FR
990 Supermoto R AUS/UK
990 Supermoto T EU
990 Supermoto T FR
990 Supermoto T AUS/UK
Artikelnr. 3211519nl
BESTE KTM KLANT
1
We wensen u veel geluk met uw keuze voor een KTM motorfiets. U bent nu in het bezit van een moderne sportieve motorfiets en we zijn er
zeker van dat u er veel plezier mee zult beleven, als u de motorfiets goed onderhoudt.
BESTE KTM KLANT
We wensen u veel rijplezier!
Vul hieronder het serienummer van uw het voertuig in.
Chassisnummer/typeplaatje (
Motornummer (
Sleutelnummer (
pag. 16)
Stempel van de dealer
pag. 17)
pag. 17)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het model. Kleine afwijkingen
die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. De KTM-Sportmotorcycle AG houdt zich het recht voor technische gegevens, prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder
opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van
een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen
van afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien van speciale uitrustingen die niet standaard bij de leveromvang horen.
BESTE KTM KLANT
© 2009 by KTM-Sportmotorcycle AG, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Reproductie, ook gedeeltelijk, is alleen geoorloofd met schriftelijke toestemming van de schrijver.
ISO 9001(12 100 6061)
KTM past processen voor kwaliteitsbewaking toe, zoals bedoeld in de internationale norm voor kwaliteitsmanagement ISO
9001, die tot een zo hoog mogelijke productkwaliteit leiden.
Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM-Sportmotorcycle AG
5230 Mattighofen, Oostenrijk
2
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN .......................................... 7
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN............................................... 8
AFBEELDING VOERTUIG ...................................................... 12
Afbeelding voertuig linksvoor (symboolweergave) ................. 12
Afbeelding voertuig rechtsachter (symboolweergave) ............ 14
POSITIE SERIENUMMERS.................................................... 16
Chassisnummer/typeplaatje ............................................... 16
Sleutelnummer ................................................................ 17
Motornummer .................................................................. 17
Artikelnummer voorvork..................................................... 18
Artikelnummer schokdemper ............................................. 18
BEDIENINGSELEMENTEN .................................................... 19
Koppelingshendel ............................................................. 19
Remhendel ...................................................................... 19
Lichtschakelaar ................................................................ 20
Seinlichtschakelaar .......................................................... 20
Richtingaanwijzerschakelaar .............................................. 21
Claxonknop ...................................................................... 21
Contact-/stuurslot ............................................................. 22
Wegrijblokkering............................................................... 22
Noodstopschakelaar.......................................................... 23
E-startknop ...................................................................... 24
Gecombineerd instrument ................................................. 24
Gecombineerd instrument - functietoetsen.......................... 25
Gecombineerd instrument - toerenteller .............................. 25
Gecombineerd instrument - controlelampjes........................ 26
Gecombineerd instrument - display .................................... 27
Gecombineerd instrument - snelheidsweergave.................... 28
Kilometer of mijl instellen ................................................. 28
3
Gecombineerd instrument - tijd .........................................
Tijd instellen....................................................................
Gecombineerd instrument - weergave ODO..........................
Gecombineerd instrument - weergave TRIP 1
instellen/terugzetten .........................................................
Gecombineerd instrument - weergave TRIP 2
instellen/terugzetten .........................................................
Gecombineerd instrument - weergave TRIP F ......................
Gecombineerd instrument - weergave
omgevingstemperatuur ......................................................
Temperatuureenheid instellen............................................
Gecombineerd instrument - waarschuwing voor glad
wegdek............................................................................
Gecombineerd instrument - weergave
koelmiddeltemperatuur .....................................................
Tankdop openen...............................................................
Tankdop sluiten ...............................................................
Handgrepen .....................................................................
Zadelslot .........................................................................
Boordgereedschap ............................................................
Helmbeveiliging ...............................................................
Voetsteunen bijrijder.........................................................
Versnellingshendel............................................................
Rempedaal ......................................................................
Zijstandaard.....................................................................
ALGEMENE TIPS EN AANWIJZINGEN VOOR
INBEDRIJFNAME .................................................................
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfname ..............................
Motor inrijden ..................................................................
Voertuig beladen ..............................................................
29
29
30
30
31
32
32
33
33
34
34
35
35
36
36
37
37
38
39
39
40
40
41
42
INHOUDSOPGAVE
4
RIJ-INSTRUCTIES ................................................................
Controleren voor iedere inbedrijfname.................................
Starten ............................................................................
Beginnen met rijden .........................................................
Schakelen, rijden .............................................................
Afremmen........................................................................
Stoppen, parkeren ............................................................
Brandstof tanken ..............................................................
SERVICESCHEMA ................................................................
Serviceschema .................................................................
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR ...............................
Motorfiets voor op montagebok plaatsen .............................
Motorfiets voor van montagebok nemen ..............................
Motorfiets achter op montagebok plaatsen ..........................
Motorfiets achter van montagebok nemen ...........................
Voorvork/schokdemper ......................................................
Ingaande demping voorvork instellen ..................................
Uitgaande demping voorvork instellen.................................
Veervoorspanning voorvork instellen....................................
Vorkpoten ontluchten ........................................................
Ingaande demping schokdemper ........................................
Ingaande demping low speed van schokdemper instellen......
Ingaande demping high speed van schokdemper instellen ....
Uitgaande demping schokdemper instellen .........................
Veervoorspanning schokdemper instellen
.......................
Vervuiling ketting controleren ............................................
Ketting reinigen ...............................................................
Kettingspanning controleren ..............................................
Kettingspanning instellen..................................................
x
44
44
45
46
47
50
51
53
56
56
59
59
59
60
60
61
61
63
64
65
66
66
68
69
70
72
72
74
75
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren ........ 77
Remschijven van voorwielrem controleren ........................... 79
Remschijf achterwielrem controleren .................................. 80
Uitgangspositie remhendel instellen ................................... 81
Vrije slag rempedaal controleren ........................................ 81
Remvloeistofpeil voorwielrem controleren............................ 82
Remvloeistof voorwielrem bijvullen
................................ 83
Remplaketten .................................................................. 84
Remplaketten voorwielrem controleren................................ 84
Remvloeistofpeil achterwielrem controleren......................... 86
Remvloeistof achterwielrem bijvullen
............................. 86
Remplaketten achterwielrem controleren ............................ 88
Voorwiel uitbouwen
...................................................... 89
Voorwiel inbouwen
....................................................... 90
Achterwiel uitbouwen
................................................... 92
Achterwiel inbouwen
.................................................... 93
Achterdempers achterwielnaaf controleren
..................... 95
Toestand banden controleren............................................. 96
Bandenspanning controleren ............................................. 98
Zadel afnemen ................................................................. 99
Zadel monteren .............................................................. 100
Helmbeveiliging op het voertuig monteren......................... 100
Accu uitbouwen
........................................................ 101
Accu inbouwen
.......................................................... 103
Accu laden
............................................................... 104
Hoofdzekering vervangen................................................. 106
Zekeringen afzonderlijke stroomverbruikers vervangen ........ 108
Lamp koplamp vervangen ................................................ 109
Zijlichtlamp vervangen .................................................... 113
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
INHOUDSOPGAVE
5
Knipperlichtlamp vervangen ............................................
Remlichtlamp vervangen .................................................
Achterlichtlampen vervangen ...........................................
Kentekenplaatverlichting vervangen..................................
Stand koplamp controleren..............................................
Lichtbundelbreedte koplamp instellen ..............................
Contactsleutel activeren/deactiveren.................................
Koelsysteem...................................................................
Antivries en koelmiddelpeil controleren.............................
Koelmiddelpeil in vast reservoir controleren ......................
Koelmiddel aftappen
..................................................
Koelsysteem vullen/ontluchten
....................................
Brandstoftank terugzetten ...............................................
Brandstoftank positioneren..............................................
Maskerspoiler demonteren (Supermoto T) .........................
Maskerspoiler inbouwen (Supermoto T).............................
Uitgangspositie koppelingshendel instellen .......................
Vloeistofpeil hydraulische koppeling
controleren/corrigeren .....................................................
Speling gaskabel controleren ...........................................
Speling gaskabel instellen
..........................................
Motoroliepeil controleren.................................................
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven
reinigen
....................................................................
Motorolie aftappen, oliefilter vervangen en oliezeven
reinigen
....................................................................
Motorolie vullen
........................................................
Motorolie bijvullen ..........................................................
Stekkerverbinding ontstekingscurve..................................
x
x
x
x
x
x
116
117
121
125
126
127
128
132
132
134
136
137
139
140
142
143
144
145
146
147
147
148
148
153
154
155
Ontstekingscurve aanpassen aan brandstofkwaliteit ...........
KNIPPERCODE WEGRIJBLOKKERING .................................
KNIPPERCODE MOTORBESTURING ....................................
OPSPOREN VAN FOUTEN...................................................
REINIGING ........................................................................
Motorfiets reinigen .........................................................
CONSERVEREN VOOR DE WINTER......................................
Conserveren voor de winter ..............................................
STALLING .........................................................................
Stalling .........................................................................
Inbedrijfname na stalling ................................................
TECHNISCHE GEGEVENS - MOTOR.....................................
Vulhoeveelheid - motorolie ..............................................
Vulhoeveelheid - koelmiddel ............................................
AANHAALMOMENTEN MOTOR............................................
TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS ..................................
Lampen .........................................................................
Banden .........................................................................
Vulhoeveelheid - brandstof ..............................................
TECHNISCHE GEGEVENS - VOORVORK ...............................
Supermoto R..................................................................
Supermoto T ..................................................................
TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER ........................
Supermoto R..................................................................
Supermoto T ..................................................................
TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN
CHASSIS ...........................................................................
GEBRUIKSSTOFFEN ..........................................................
HULPSTOFFEN ..................................................................
156
157
159
165
168
168
170
170
171
171
172
173
174
174
175
178
179
180
180
181
181
182
183
183
184
186
189
193
INHOUDSOPGAVE
NORMEN........................................................................... 195
INDEX ............................................................................... 196
6
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN
Gebruikte symbolen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde symbolen verklaard.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een bepaalde handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een bepaalde handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit symbool zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch begrip. Laat de werkzaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTM-garage! Daar wordt uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige personen met het benodigde speciale gereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Gebruikte formatering
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam
Kenmerkt een eigennaam.
Naam®
Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™
Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
7
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
8
Gebruiksdefinitie
KTM-sportmotorfietsen zijn zodanig ontworpen en gebouwd, dat ze bestand zijn tegen de gangbare belastingen in het normale wegverkeer.
Ze zijn echter niet geschikt voor het rijden op circuits en niet geasfalteerde wegen.
Info
De motorfiets is alleen in de gehomologeerde versie toegelaten voor het rijden op de openbare weg.
Onderhoud
Voorwaarde voor storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is, dat u zich houdt aan de in de bedieningshandleiding
genoemde onderhouds- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis. Slechte afstelling van het chassis kan leiden tot beschadiging en breken van de chassiscomponenten.
Het gebruik van de motorfietsen bij extreme omstandigheden zoals modderige en vochtige wegen kan leiden tot verhoogde slijtage van
componenten zoals de aandrijving of remmen. Daarom kan het nodig zijn onderhoud uit te voeren of slijtageonderdelen te vervangen voordat de slijtagegrens volgens het serviceschema is bereikt.
Neem beslist de voorgeschreven inrijtijden en inspectie- en onderhoudsintervallen in acht. De precieze inachtneming daarvan draagt in
belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
Garantie
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend door een geautoriseerde KTM-garage worden uitgevoerd en
moeten in het serviceboekje worden bevestigd, omdat anders de garantie volledig vervalt. Bij schade of gevolgschade, die door manipulaties en/of wijzigingen aan het voertuig zijn veroorzaakt bestaat er geen aanspraak op garantie.
Bedrijfsmiddelen
U moet de in de bedieningshandleiding gespecificeerde brand- en smeerstoffen resp. bedrijfsmiddelen gebruiken.
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
9
Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en laat deze alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor veroorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren worden tussen haakjes vermeld bij de betreffende beschrijvingen. Uw KTM-dealer adviseert u
graag.
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
Werkinstructies
Voor enkele werkzaamheden is speciaal gereedschap vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar kunnen worden besteld
onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: klepveerheffer (59029019000)
Bij de montage moeten onderdelen die niet meer kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen,
pakkingen, keerringen, splitpennen of borgplaten) door nieuwe onderdelen worden vervangen.
Als voor schroefverbindingen een schroevenlijm (bijv. Loctite®) wordt gebruikt, moet u de specifieke aanwijzingen van de fabrikant over het
gebruik ervan in acht nemen.
Onderdelen die na de demontage weer worden gebruikt, moeten worden gereinigd en gecontroleerd op beschadiging en slijtage. Beschadigde en versleten onderdelen moeten worden vervangen.
Na een reparatie en/of onderhoudsbeurt moet worden gecontroleerd of het voertuig verkeersveilig is.
Transport
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
10
Aanwijzing
Gevaar voor brand Sommige onderdelen van de motorfiets worden bij gebruik van de motorfiets zeer heet.
–
Motorfiets niet op plaatsen laten staan met licht brandbare en/of ontvlambare materialen. Geen voorwerpen over het bedrijfswarme
voertuig leggen. Het voertuig altijd eerst laten afkoelen.
–
Motor uitzetten en contactsleutel uittrekken.
–
Motorfiets met spanbanden of andere geschikte bevestigingsmiddelen beveiligen tegen omvallen en wegrollen.
Milieu
Motorrijden is een fantastische sport en we hopen natuurlijk dat u er volledig van kunt genieten. Maar motorfietsen kunnen ook milieuproblemen en conflicten met andere personen veroorzaken. Door op een verantwoordelijke manier met de motorfiets om te gaan kunt u
ervoor zorgen dat deze problemen en conflicten niet ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen moet u zich houden aan
de wettelijke regels, milieubewust handelen en de rechten van andere mensen respecteren.
Aanwijzingen/waarschuwingen
U moet beslist de gegeven aanwijzingen/waarschuwingen in acht nemen.
Info
Op het voertuig zijn verschillende stickers met aanwijzingen en waarschuwingen aangebracht. Deze stickers met aanwijzingen en
waarschuwingen mag u nooit verwijderen. Als deze ontbreken kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor
letsel oplopen.
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
11
Gevarenniveaus
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste
voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen
neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Bedieningshandleiding
–
Deze bedieningshandleiding beslist helemaal goed doorlezen voordat u voor het eerst gaat rijden. Daarin vindt u veel informatie en tips
die de bediening en het onderhoud van de motorfiets eenvoudiger maken. Alleen zo komt u te weten hoe u uw motorfiets het beste
afstemt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen. Bovendien staat in de bedieningshandleiding belangrijke informatie over het onderhoud van de motorfiets.
–
De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van de motorfiets en moet bij doorverkoop aan de nieuwe eigenaar worden gegeven.
AFBEELDING VOERTUIG
12
Afbeelding voertuig linksvoor (symboolweergave)
3.1
B00143-10
AFBEELDING VOERTUIG
1
Gecombineerd instrument
2
Tankdop
3
Achteruitkijkspiegel
4
Koppelingshendel
5
Zadel
6
Handgrepen
7
Ingaande demping schokdemper
8
Veervoorspanning schokdemper
9
Motornummer
10
Versnellingshendel
11
Oliekijkglas
13
AFBEELDING VOERTUIG
14
Afbeelding voertuig rechtsachter (symboolweergave)
3.2
B00142-10
AFBEELDING VOERTUIG
1
Zadelslot
2
Lichtschakelaar, seinlichtschakelaar, richtingaanwijzerschakelaar, claxonknop
3
Noodstopschakelaar, e-startknop
4
Remhendel
5
Veervoorspanning voorvork, uitgaande demping voorvork
6
Framenummer
7
Ingaande demping voorvork
8
Typeplaatje
9
Rempedaal
10
Voetsteunen bijrijder
11
Uitgaande demping schokdemper
15
POSITIE SERIENUMMERS
Chassisnummer/typeplaatje
4.1
Het framenummer  is in de rechterzijde van het balhoofd gegraveerd.
Het typeplaatje  bevindt zich aan de rechterzijde van de onderste framebuis.
B00146-10
16
POSITIE SERIENUMMERS
17
Sleutelnummer
4.2
Het sleutelnummer Code number  staat op de KEYCODECARD.
Info
U hebt het sleutelnummer nodig om een reservesleutel te bestellen. Bewaar
de KEYCODECARD op een veilig plek.
Met de oranje programmeersleutel activeert of deactiveert u de contactsleutel. De
oranje programmeersleutel op een veilige plek bewaren. Hij mag alleen worden
gebruikt voor leer- en programmeerfuncties.
700563-01
Motornummer
4.3
Het motornummer  is in de linkerzijde van de motor onder het ketting-aandrijfwiel gegraveerd.
B00120-10
POSITIE SERIENUMMERS
18
Artikelnummer voorvork
4.4
Het artikelnummer van de voorvork  is aan de binnenzijde van de asopname gegraveerd.
700546-01
Artikelnummer schokdemper
4.5
Het artikelnummer van de schokdemper  is in het bovenste gedeelte van de schokdemper
aan motorzijde boven de stelring gegraveerd.
700547-01
BEDIENINGSELEMENTEN
19
Koppelingshendel
5.1
De koppelingshendel  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
De koppeling wordt hydraulisch bediend en automatisch bijgesteld.
700548-01
Remhendel
5.2
De remhendel  is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.
De voorwielrem wordt geschakeld met de remhendel.
700549-01
BEDIENINGSELEMENTEN
20
Lichtschakelaar
5.3
De lichtschakelaar  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Dimlicht aan – Lichtschakelaar naar beneden geschakeld. In deze stand is
het dimlicht en achterlicht ingeschakeld.
Groot licht aan – Lichtschakelaar naar boven geschakeld. In deze stand is
het groot licht en achterlicht ingeschakeld.
700550-10
Seinlichtschakelaar
5.4
De seinlichtschakelaar  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Seinlichtschakelaar in de uitgangspositie
• Seinlichtschakelaar ingedrukt – In deze stand wordt het seinlicht (groot licht) gebruikt.
700551-01
BEDIENINGSELEMENTEN
21
Richtingaanwijzerschakelaar
5.5
De richtingaanwijzerschakelaar  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit
Richtingaanwijzer links aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar links
geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug
in de middelste stand.
700550-11
Richtingaanwijzer rechts aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar rechts
geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug
in de middelste stand.
Voor het uitschakelen van de richtingaanwijzer moet u de richtingaanwijzerschakelaar richting het schakelaarhuis duwen.
Claxonknop
5.6
De claxonknop  is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Claxonknop in de uitgangspositie
• Claxonknop ingedrukt – In deze stand wordt de claxon gebruikt.
700550-12
BEDIENINGSELEMENTEN
22
Contact-/stuurslot
5.7
Het contact-/stuurslot bevindt zich voor de bovenste kroonplaat.
Info
Voor het inschakelen van de ontsteking mag uitsluitend een zwarte contactsleutel
worden gebruikt.
Met de oranje programmeersleutel activeert of deactiveert u de contactsleutel.
Mogelijke toestanden
600825-01
Ontsteking uit OFF – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken.
Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor schakelt niet in.
De contactsleutel kan worden uitgetrokken.
Contact ingeschakeld ON – In deze stand is het ontstekingscircuit gesloten
en kan de motor worden gestart.
Stuur geblokkeerd – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken en
het stuur geblokkeerd. De contactsleutel kan worden uitgetrokken.
Wegrijblokkering
5.8
De elektronische wegrijblokkering beveiligt het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Door het uittrekken van de contactsleutel wordt de wegrijblokkering automatisch geactiveerd en de motorelektronica geblokkeerd.
Het rode waarschuwingslampje knippert na 1 minuut in een interval van 15 secondenl.
Het rode waarschuwingslampje kan ook door knipperen fouten aangeven.
400887-01
BEDIENINGSELEMENTEN
23
Info
De contactsleutels zijn uitgerust met elektronische componenten. Nooit meerdere
contactsleutels in één sleutelbos dragen, aangezien ze elkaar dan kunnen storen en
problemen kunnen veroorzaken.
Een verloren zwarte contactsleutel moet worden gedeactiveerd om te voorkomen dat onbevoegden met het voertuig gaan rijden.
In de afleveringstoestand is de tweede zwarte contactsleutel geactiveerd.
Bij een geautoriseerde KTM-garage kunnen nog twee extra reservesleutels (sleutelnummer
op de KEYCODECARD) worden besteld, deze moeten echter voor gebruik worden geactiveerd.
Noodstopschakelaar
5.9
De noodstopschakelaar  is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Noodstopschakelaar aan – Deze stand is noodzakelijk bij het rijden, het
ontstekingscircuit is gesloten.
Noodstopschakelaar uit – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor kan niet
worden gestart.
700552-10
BEDIENINGSELEMENTEN
24
E-startknop
5.10
De e-startknop  is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• E-startknop in de uitgangspositie
• E-startknop ingedrukt – In deze stand wordt de e-starter gebruikt.
700552-11
Gecombineerd instrument
5.11
Het gecombineerde instrument is voor het stuur aangebracht.
Het gecombineerde instrument is onderverdeeld in 4 functiebereiken.
 Functietoetsen
 Toerenteller
 Controlelampjes
 Display
400920-10
BEDIENINGSELEMENTEN
25
Gecombineerd instrument - functietoetsen
5.12
Met de knop MODE  wisselt u tussen de weergavemodi.
Mogelijke weergavemodi zijn de afgelegde afstand (ODO), Tripmaster 1 (TRIP 1), Tripmaster 2 (TRIP 2) en omgevingstemperatuur.
Met de SET knop  wordt de functie Tripmaster 1 (TRIP 1) en Tripmaster 2 (TRIP 2) op 0.0
teruggezet.
Knop  heeft geen functie.
400921-10
Gecombineerd instrument - toerenteller
5.13
De toerenteller  geeft het motortoerental aan in omwentelingen per minuut.
De rode markering  markeert een te hoog toerental van de motor.
400922-10
BEDIENINGSELEMENTEN
26
Gecombineerd instrument - controlelampjes
5.14
De controlelampjes geven extra informatie over de toestand van de motorfiets.
Mogelijke toestanden
Controlelampje voor de richtingaanwijzer knippert groen in het knipperritme
– Richtingaanwijzer is ingeschakeld.
Controlelampje voor neutraal brandt groen – Versnelling in vrij geschakeld.
Controlelampje voor groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.
400923-01
Waarschuwingslampje voor temperatuur brandt rood – Koelmiddel heeft
een kritische waarde bereikt.
Waarschuwingslampje voor brandstofpeil brandt oranje – Brandstofpeil
heeft de reservemarkering bereikt. Display wordt overgeschakeld naar weergave TRIP F.
Oliecontrolelampje brandt rood – Oliedruk is te laag.
FI waarschuwingslampje (MIL) brandt/knippert oranje – De OBD heeft een
voor de emissie of veiligheid kritische fout gedetecteerd.
Controlelampje wegrijblokkering brandt/knippert rood – Status- of foutmelding bij de wegrijblokkering/alarminstallatie.
Waarschuwingslampje voor accu brandt rood – Spanning in het boordnet te
laag.
BEDIENINGSELEMENTEN
27
Gecombineerd instrument - display
5.15
Bij het inschakelen van de ontsteking lichten alle displaysegmenten één seconde op om de
functies te testen.
400892-01
LEnGth
Na deze functietest wordt kort de wielomtrek LEnGth op de display weergegeven.
Info
Het getal 1870 mm komt overeen met de afmeting van het 17" voorwiel met standaardbanden.
Vervolgens gaat de weergave naar de laatste geselecteerde modus.
400837-01
BEDIENINGSELEMENTEN
28
Gecombineerd instrument - snelheidsweergave
5.16
Snelheid  wordt aangegeven in kilometer per uur km/h of in mijl per uur mph.
400838-10
Kilometer of mijl instellen
5.17
Info
Als de eenheid wordt gewisseld blijft de waarde ODO bewaard en wordt omgerekend naar de geselecteerde eenheid.
Landspecifieke instellingen instellen.
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
BEDIENINGSELEMENTEN
29
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
–
De MODE knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus ODO is geactiveerd.
–
De MODE knop ingedrukt houden tot de weergavemodus van km/h naar mph of van mph
naar km/h is gewisseld.
draaien.
400893-10
Gecombineerd instrument - tijd
5.18
De tijd wordt weergegeven in bereik  van de display.
Info
De tijd moet worden ingesteld als de accu afgesloten is geweest of als er een zekering was uitgebouwd.
400893-11
Tijd instellen
5.19
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
BEDIENINGSELEMENTEN
30
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
–
De MODE knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus ODO is geactiveerd.
–
De MODE knop en de SET knop tegelijkertijd ingedrukt houden.
draaien.
De klok begint te knipperen.
–
Met de MODE knop de uren instellen.
–
Met de SET knop de minuten instellen.
–
De MODE knop en de SET knop tegelijkertijd ingedrukt houden.
De tijd is ingesteld.
400893-12
Gecombineerd instrument - weergave ODO
5.20
In de weergavemodus ODO wordt de totale afgelegde afstand weergegeven in kilometer of
mijl.
Info
Deze waarde blijft ook bewaard als de accu is afgesloten en/of de zekering is
gesmolten.
400839-01
Gecombineerd instrument - weergave TRIP 1 instellen/terugzetten
5.21
Info
De teller voor de dagafstand TRIP 1 loopt altijd mee en telt tot 999.9.
Met deze teller kan de lengte van het traject tijdens ritten of de afstand tussen twee tankstops worden gemeten. Als de waarde
999.9 wordt overschreden begint de teller voor de dagafstand weer bij 0.0.
BEDIENINGSELEMENTEN
31
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
–
De MODE knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus TRIP 1 is geactiveerd.
–
De SET knop ingedrukt houden.
draaien.
De weergave TRIP 1 staat op 0.0.
400840-01
Gecombineerd instrument - weergave TRIP 2 instellen/terugzetten
5.22
Info
De teller voor de dagafstand TRIP 2 loopt altijd mee en telt tot 999.9.
Met deze teller kan de lengte van het traject tijdens ritten of de afstand tussen twee tankstops worden gemeten. Als de waarde
999.9 wordt overschreden begint de teller voor de dagafstand weer bij 0.0.
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
–
De MODE-knop zo vaak indrukken tot de weergavemodus TRIP 2 is geactiveerd.
–
De SET-knop ingedrukt houden.
De weergave TRIP 2 staat op 0.0.
400841-01
draaien.
BEDIENINGSELEMENTEN
32
Gecombineerd instrument - weergave TRIP F
5.23
Als het brandstofpeil de reservemarkering bereikt, wisselt de weergave automatisch
naar TRIP F en begint vanaf 0.0 te tellen, onafhankelijk van de op dat moment geactiveerde
weergavemodus.
Info
Als de weergave TRIP F actief is begint tegelijkertijd ook het waarschuwingslampje
voor de brandstof te branden.
400842-01
Gecombineerd instrument - weergave omgevingstemperatuur
5.24
De omgevingstemperatuur  wordt weergegeven in °C of °F.
400893-13
BEDIENINGSELEMENTEN
33
Temperatuureenheid instellen
5.25
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
–
De MODE knop zo vaak indrukken tot de omgevingstemperatuur is geactiveerd.
–
De MODE knop ingedrukt houden tot de weergavemodus van °C naar °F of van °F naar °C
is gewisseld.
draaien.
400893-14
Gecombineerd instrument - waarschuwing voor glad wegdek
5.26
Als het vorstsymbool verschijnt bestaat er een verhoogd gevaar door een glad wegdek.
Het vorstsymbool verschijnt op de display als de omgevingstemperatuur onder de aangegeven waarde is gedaald.
Temperatuur
3 °C
Het vorstsymbool verdwijnt van de display als de omgevingstemperatuur weer boven de
aangegeven waarde is gestegen.
Temperatuur
400894-10
4 °C
BEDIENINGSELEMENTEN
34
Gecombineerd instrument - weergave koelmiddeltemperatuur
5.27
De temperatuur op de display wordt weergegeven met twaalf balkjes. Hoe hoger het aantal
brandende balkjes, hoe heter het koelmiddel. Als het bovenste balkje brandt beginnen tegelijkertijd alle balkjes te knipperen en het waarschuwingslampje voor de temperatuur gaat
branden.
Mogelijke toestanden
• Motor koud – Maximaal vijf balkjes branden.
• Warme motor – Zes tot elf balkjes branden.
• Hete motor – Alle twaalf balkjes knipperen.
700124-01
Tankdop openen
5.28
–
Klep op de tankdop  openklappen en contactsleutel insteken.
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Breken van de contactsleutel.
–
–
302079-10
Voor de ontlasting van de contactsleutel op de tankdop duwen. Beschadigde contactsleutels moeten worden vervangen.
Contactsleutel 90° tegen de klok in draaien en tankdop verwijderen.
Info
De tankdop is voorzien van een ontluchtingssysteem.
BEDIENINGSELEMENTEN
35
Tankdop sluiten
5.29
–
Tankdop opzetten en contactsleutel 90° met de klok mee draaien.
–
Contactsleutel uittrekken en kap dichtklappen.
700554-01
Handgrepen
5.30
Met de handgrepen  kan de motorfiets worden gerangeerd.
Als u een bijrijder meeneemt kan deze zich tijdens het rijden hieraan vasthouden.
600923-10
BEDIENINGSELEMENTEN
36
Zadelslot
5.31
Het zadelslot  bevindt aan de achterzijde onder het achterlicht.
Hij kan worden vergrendeld met de contactsleutel.
600922-10
Boordgereedschap
5.32
Het boordgereedschap  bevindt zich onder het zadel.
600924-10
BEDIENINGSELEMENTEN
37
Helmbeveiliging
5.33
Met de staalkabel uit het boordgereedschap kan de helm op het voertuig worden beveiligd
tegen diefstal.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beperking van het rijgedrag en de bediening van de motorfiets door gemonteerde helmbeveiliging en/of helm.
–
700561-01
De helmbeveiliging niet gebruiken voor de bevestiging van de helm of andere
voorwerpen tijdens het rijden. De helmbeveiliging moet altijd worden verwijderd
voordat u gaat rijden.
Voetsteunen bijrijder
5.34
De voetsteunen voor de bijrijder kunnen worden ingeklapt.
Mogelijke toestanden
• Voetsteunen bijrijder ingeklapt – Voor het rijden zonder bijrijder.
• Voetsteunen bijrijder uitgeklapt – Voor het rijden met bijrijder.
B00127-01
BEDIENINGSELEMENTEN
38
Versnellingshendel
5.35
De versnellingshendel  is aan de linkerzijde van de motor gemonteerd.
B00120-11
De posities van de versnellingen zijn weergegeven op de afbeelding.
De neutrale of vrije stand  bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling.
B00121-10
BEDIENINGSELEMENTEN
39
Rempedaal
5.36
Het rempedaal  bevindt zich voor de rechter voetsteun.
De achterwielrem wordt geschakeld met het rempedaal.
B00122-10
Zijstandaard
5.37
De zijstandaard  is gekoppeld aan het veiligheidsstartsysteem, neem de rijaanwijzingen in
acht.
Mogelijke toestanden
• Zijstandaard uitgeklapt – Het voertuig kan worden neergezet op de zijstandaard. Het
veiligheidsstartsysteem is actief.
• Zijstandaard ingeklapt – Deze stand is altijd vereist bij het rijden. Het veiligheidsstartsysteem is niet actief.
B00123-10
ALGEMENE TIPS EN AANWIJZINGEN VOOR INBEDRIJFNAME
40
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfname
6.1
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Gevaar door onvoldoende rijvaardigheid.
–
Het voertuig niet gebruiken bij onvoldoende rijvaardigheid door bijv. het gebruik van alcohol, medicijnen of drugs.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Tijdens het rijden altijd beschermende kleding (helm, laarzen, handschoenen, broek en jack met bescherming) dragen. Erop
letten dat de beschermende kleding zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Beperking van het rijgedrag door verschillende bandprofielen aan voor- en achterwiel.
–
Voor- en achterwiel moeten altijd zijn uitgerust met banden met een gelijksoortig profiel, anders kan de motor oncontroleerbaar
worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Ongecontroleerd rijgedrag door niet vrijgegeven en/of aanbevolen banden/wielen.
–
Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex gebruiken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij nieuwe banden.
–
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingereden wordt de volledige wegligging bereikt.
ALGEMENE TIPS EN AANWIJZINGEN VOOR INBEDRIJFNAME
41
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken. De achterwielrem kan door oververhitting uitvallen. Neem de voet van het rempedaal als u niet wilt remmen.
Info
Houd er bij het gebruik van het voertuig rekening mee, dat andere mensen last kunnen hebben van overmatig lawaai.
–
Verzeker u ervan dat de afleveringsinspectie is uitgevoerd in een geautoriseerde KTM-garage.
–
Voordat u voor het eerst gaat rijden de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen.
–
Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel instellen. (
–
Uitgangspositie van de remhendel instellen. (
–
Oefen voordat u een lange rit gaat maken eerst op geschikt terrein, zodat u gewend raakt aan het besturen van het voertuig. Probeer
ook eens zo langzaam mogelijk te rijden zodat u meer gevoel voor de motorfiets krijgt.
–
Tijdens het rijden het stuur met beide handen vasthouden en de voeten op de voetsteunen laten rusten.
–
Motor inrijden. (
U ontvangt het afleveringsdocument en serviceboekje bij de overdracht van het voertuig.
pag. 144)
pag. 81)
pag. 41)
Motor inrijden
6.2
–
Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental en motorvermogen niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
Tijdens de eerste: 1.000 km
6.500 1/min
Na de eerste: 1.000 km
9.500 1/min
ALGEMENE TIPS EN AANWIJZINGEN VOOR INBEDRIJFNAME
–
42
Vol gas geven vermijden!
Voertuig beladen
6.3
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag.
–
Het maximale totaalgewicht en asbelasting nooit overschrijden. Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de
gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de bestuurder en bijrijder met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag door ondeskundige montage van een bagagedrager of tanktas.
–
Bagagedrager en tanktas volgens de aanwijzingen van de producent monteren en borgen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag bij hoge snelheid.
–
De snelheid aanpassen aan eventuele extra belading. Rij langzamer, als uw motorfiets is beladen met bagage.
Maximumsnelheid met bagage
130 km/h
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vernietiging van het koffersysteem.
–
Als u bagagekoffers op uw motorfiets hebt gemonteerd, moet u ook de aanwijzingen van de fabrikant over de maximale belading
in acht nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door verschoven bagage bent u slecht zichtbaar voor andere verkeersdeelnemers.
–
Als het achterlicht bedekt is, bent u moeilijk te zien voor de verkeersdeelnemers achter u, vooral als het donker is. Controleer
regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
ALGEMENE TIPS EN AANWIJZINGEN VOOR INBEDRIJFNAME
43
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschillend rijgedrag en langere remweg bij hoge extra belasting door bagage.
–
De snelheid aanpassen aan de extra belasting.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag door verschoven bagage.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Een heet uitlaatsysteem kan de bagage verbranden.
–
De bagage zo bevestigen, dat deze niet aan het hete uitlaatsysteem kan verbranden of schroeien.
–
Als u bagage meeneemt moet deze veilig worden vastgezet, zo veel mogelijk in het midden van het voertuig en het gewicht moet gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
–
Rekening houden met het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximale asbelasting.
Voorgeschreven waarde
Maximaal toegestaan totaalgewicht
400 kg
Maximaal toegestane asbelasting voor (Supermoto T)
190 kg
Maximaal toegestane asbelasting voor (Supermoto R)
160 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
250 kg
RIJ-INSTRUCTIES
44
Controleren voor iedere inbedrijfname
7.1
Info
Voor het rijden moet de motorfiets technisch in een onberispelijke staat zijn.
Voor de veiligheid tijdens het rijden moet u er een gewoonte van maken de motorfiets iedere keer voordat u hem gebruikt aan een
algemene controle te onderwerpen.
–
Motoroliepeil controleren. (
–
Controleren of de motor olie verliest.
–
Brandstofvoorraad controleren.
–
Kettingspanning controleren. (
–
Ketting reinigen. (
–
Toestand van de banden controleren. (
–
Bandenspanning controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
–
Controleren of het remsysteem goed werkt.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (
–
Instelling en soepelheid van alle bedieningselementen controleren.
–
Werking van de elektrische installatie controleren.
–
Controleren of de bagage correct is bevestigd.
–
Op de motorfiets gaan zitten en de stand van de achteruitkijkspiegel controleren.
pag. 147)
pag. 74)
pag. 72)
pag. 96)
pag. 98)
pag. 82)
pag. 86)
pag. 84)
pag. 88)
pag. 134)
RIJ-INSTRUCTIES
45
Starten
7.2
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten
draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Als de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en veiligheidsvoorzieningen worden beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.
Aanwijzing
Beschadiging aan de motor Hoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
–
Motor altijd met een laag toerental warmrijden.
RIJ-INSTRUCTIES
46
–
Noodstopschakelaar in stand
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
schakelen.
draaien.
Na het inschakelen van het contact is er gedurende ongeveer twee seconden het
geluid van de werkende brandstofpomp te horen. Tegelijkertijd wordt de functietest
van het gecombineerde instrument uitgevoerd.
–
Versnelling in neutraal schakelen.
–
E-startknop
Het groene controlelampje voor neutraal N  brandt.
indrukken.
Info
E-startknop pas indrukken als de functietest van het gecombineerde instrument
is afgerond.
Tijdens het starten GEEN gas geven. Als er tijdens het starten gas wordt gegeven, wordt er geen brandstof ingespoten door het motormanagement en de motor
slaat dan niet aan.
Maximaal 5 seconden ononderbroken starten. Ten minste 5 seconden wachten
tot de volgende startpoging.
Deze motorfiets is uitgerust met een veiligheidsstartsysteem. De motor
kan alleen worden gestart, als de versnelling in vrij is geschakeld of als bij
geschakelde versnelling de koppelingshendel is getrokken. Als u met uitgeklapte
zijstandaard naar een versnelling schakelt en de koppelingshendel loslaat blijft
de motor stilstaan.
600920-10
–
Zijstandaard ontlasten en met de voet tot de aanslag naar boven zwenken.
Beginnen met rijden
7.3
–
Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam vrijgeven en tegelijkertijd voorzichtig gas geven.
RIJ-INSTRUCTIES
47
Schakelen, rijden
7.4
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Bij een abrupte verandering van de belasting kunt u de controle over de motorfiets verliezen.
–
Abrupte veranderingen in belasting en hard remmen vermijden en de snelheid aanpassen aan de rijwegsituatie.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Terugschakelen bij hoog motortoerental leidt tot blokkeren van het achterwiel.
–
Niet bij hoog motortoerental terugschakelen naar een lagere versnelling. De motor wordt overbelast en het achterwiel kan blokkeren.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Storingen veroorzaken door een verkeerde stand van de contactsleutel.
–
De contactsleutel niet in een andere stand zetten tijdens het rijden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Afleiding van het verkeer door het instellen van de motorfiets tijdens het rijden.
–
Instellingen mogen alleen worden gewijzigd als de motorfiets stilstaat.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel De bijrijder moet in staat zijn, om zich zoals voorgeschreven op het bijrijderzadel vast te houden.
–
De bijrijder moet zich vasthouden aan de bestuurder of de daarvoor bestemde riem. De voeten moeten op de voetsteunen voor
bijrijder worden geplaatst. Neem hierbij ook de in uw land geldende voorschriften over de minimumleeftijd in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gevaar voor ongevallen door gevaarlijk rijgedrag.
–
Houd u aan de verkeersregels, rij defensief en anticiperend om gevaren zo vroeg mogelijk te herkennen.
RIJ-INSTRUCTIES
48
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij koude banden.
–
Iedere keer dat u gaat rijden moeten de eerste kilometers voorzichtig en met gematigde snelheid worden gereden, totdat de
banden hun rijtemperatuur hebben bereikt en zo een optimale wegligging garandeerd is.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij nieuwe banden.
–
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingereden wordt de volledige wegligging bereikt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag.
–
Het maximale totaalgewicht en asbelasting nooit overschrijden. Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de
gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de bestuurder en bijrijder met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag door verschoven bagage.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Ontbrekende verkeersveiligheid.
–
Als u met het voertuig bent gevallen moet hij daarna worden gecontroleerd, zoals altijd voordat u gaat rijden.
Aanwijzing
Beschadiging van de motor Ongefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
–
Voertuig nooit zonder luchtfilter gebruiken omdat er dan stof en vervuiling in de motor terecht kunnen komen en dat heeft een hogere
slijtage tot gevolg.
RIJ-INSTRUCTIES
49
Aanwijzing
Beschadiging van de motor Oververhitting van de motor.
–
Als de waarschuwingsindicator voor de koelmiddeltemperatuur brandt, moet u de motorfiets stoppen en de motor uitzetten. Motor laten
afkoelen en het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien nodig corrigeren. Wanneer u toch doorrijdt als de waarschuwingsindicator voor de koelmiddeltemperatuur brandt kan de motor beschadigen.
Info
Als u tijdens het rijden ongewone geluiden hoort, moet u meteen stoppen, de motor uitzetten en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
–
Als de verhoudingen het toestaan (helling, rijsituatie e.d.) kunt u naar hogere versnellingen schakelen.
–
Gas terug nemen, gelijktijdig koppelingshendel trekken, naar volgende versnelling schakelen, koppelingshendel vrijgeven en gas geven.
Info
De posities van de zes voorwaartse versnellingen zijn weergegeven op de afbeelding. De neutrale of vrije stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling. De
1e versnelling is de start- of bergversnelling.
B00121-10
–
Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale snelheid is bereikt, moet
u deze op ¾ gas terugdraaien. De snelheid verlaagt nauwelijks, maar er wordt aanmerkelijk minder brandstof verbruikt.
–
Uw snelheid aanpassen aan de weggesteldheid en weersituatie. Vooral in bochten mag
er niet worden geschakeld en slechts voorzichtig gas worden gegeven.
–
Voor het terugschakelen van de motorfiets indien nodig afremmen en tegelijkertijd gas
terugnemen.
–
Koppelingshendel trekken en naar een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel
langzaam vrijgeven en gas geven of nog een keer schakelen.
RIJ-INSTRUCTIES
50
–
Als de motor bijvoorbeeld afslaat bij een kruising hoeft u alleen de koppelingshendel te
trekken en de e-startknop in te drukken. De versnelling hoeft niet in neutraal te worden
geschakeld.
–
De motor uitzetten als het voertuig langere tijd stationair draait of stilstaat.
–
Als tijdens het rijden het FI waarschuwingslampje (MIL) gaat branden moet u meteen
stoppen. Op het moment dat de versnelling in vrij staat begint het FI waarschuwingslampje (MIL) te knipperen.
Info
Via het knipperritme kunt een tweecijferig getal ontcijferen. Dit wordt de knippercode genoemd. De knippercode geeft aan, welk component een storing heeft.
–
Als het vorstsymbool op het gecombineerde instrument verschijnt moet u rekening
houden met een glad wegdek. De snelheid aanpassen aan de gewijzigde rijwegsituatie.
Afremmen
7.5
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te sterk afremmen leidt tot blokkering van de wielen.
–
De wijze van remmen aanpassen aan de rijsituatie en rijwegsituatie.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door natte of vervuilde remmen.
–
Vervuilde of natte remmen voorzichtig schoon- resp. droogremmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door poreus drukpunt van de voor- en/of achterwielrem.
–
Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
RIJ-INSTRUCTIES
51
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken. De achterwielrem kan door oververhitting uitvallen. Neem de voet van het rempedaal als u niet wilt remmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Langere remweg door hoger totaalgewicht.
–
Houd rekening met een langere remweg, als u met een bijrijder of bagage rijdt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vertraagde remwerking op wegen met strooizout.
–
Strooizout kan zich afzetten op de remschijven. Om de normale remwerking weer te herstellen moeten de remschijven eerst
schoon geremd worden.
–
Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.
–
Op natte of gladde ondergrond moet overwegend de achterwielrem worden gebruikt.
–
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Daarbij afhankelijk van de snelheid naar een lagere versnelling
schakelen.
–
Bij lange afdalingen de remwerking van de motor gebruiken. Daarvoor een of twee versnellingen terugschakelen en hierbij de motor
niet op een te hoog toerental laten draaien. Zo hoeft u veel minder te remmen en raken de remmen niet oververhit.
Stoppen, parkeren
7.6
Waarschuwing
Gevaar voor diefstal Gebruik door onbevoegde personen.
–
Het voertuig nooit onbeheerd laten staan als de motor draait. Het voertuig tegen onbevoegd gebruik beveiligen. Bij het verlaten
van het voertuig het stuur op slot zetten en contactsleutel uittrekken.
RIJ-INSTRUCTIES
52
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer heet.
–
Hete onderdelen zoals uitlaatsysteem, radiateur, motor, schokdempers en remmen niet aanraken. De onderdelen eerst laten
afkoelen voordat u met werkzaamheden aan deze onderdelen begint.
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Sommige onderdelen van de motorfiets worden bij gebruik van de motorfiets zeer heet.
–
Motorfiets niet op plaatsen laten staan met licht brandbare en/of ontvlambare materialen. Geen voorwerpen over het bedrijfswarme
voertuig leggen. Het voertuig altijd eerst laten afkoelen.
Aanwijzing
Schade aan materiaal Beschadiging en vernietiging van componenten door overmatige belasting.
–
De zijstandaard is alleen geschikt voor het gewicht van de motorfiets. Ga niet op de motorfiets zitten als hij op de zijstandaard staat.
De zijstandaard of het frame kunnen beschadigen en de motorfiets kan omvallen.
–
Motorfiets afremmen.
–
Versnelling in neutraal schakelen.
–
Contact uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand OFF
draaien.
Info
Als de motor met de noodstopschakelaar is uitgeschakeld en op het contactslot de ontsteking ingeschakeld blijft, wordt de
stroomvoeding van de meeste stroomverbruikers niet onderbroken en ontlaadt de accu. Motor daarom altijd met het contactslot uitzetten, de noodstopschakelaar is alleen bestemd voor noodgevallen.
–
Motorfiets parkeren op vaste ondergrond.
RIJ-INSTRUCTIES
53
–
Zijstandaard met de voet helemaal naar voren zwenken en met de motorfiets belasten.
–
Het stuur blokkeren. Daarvoor het stuur naar links zetten, contactsleutel in de stand OFF omlaag duwen en in de stand draaien.
Om het vastklikken in de stuurblokkering gemakkelijker te maken, het stuur in kleine afstanden heen en weer bewegen. Contactsleutel
uittrekken.
Brandstof tanken
7.7
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
–
Tank het voertuig nooit in de buurt van open vuur of brandende sigaretten en schakel de motor bij het tanken altijd uit. Let er
vooral op dat er geen brandstof wordt gemorst op de hete onderdelen van het voertuig. Gemorste brandstof meteen afvegen.
–
Als de brandstof wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uitstromen als de tank te vol zit. Neem de aanwijzingen voor het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat brandstof niet in aanraking komt met de huid, ogen en kleding. Adem brandstofdampen niet in. Bij contact met
de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als brandstof
is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Kleding die in aanraking is gekomen met brandstof meteen uittrekken.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Info
Deze motorfiets is uitgerust met een gecontroleerde katalysator. Loodhoudende brandstof vernietigt de katalysator. Daarom alleen
loodvrije brandstof gebruiken.
RIJ-INSTRUCTIES
54
–
Motor uitzetten.
–
Tankdop openen. (
–
Brandstoftank tot maximaal de onderzijde  van de vulopening met brandstof bijvullen.
Brandstoftankvolume totaal ca.
(Supermoto T)
19 l
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 189)
Brandstoftankvolume totaal ca.
(Supermoto R)
15 l
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 189)
Tankdop sluiten. (
pag. 35)
700637-01
–
pag. 34)
bij brandstof met laag octaangetal
Aanwijzing
Beschadiging van de motor Slechte brandstofkwaliteit is nadelig voor de motor.
–
–
Het voertuig maximaal één brandstoftankvulling laten rijden met een octaangetal lager dan 95 (ROZ 95 / RON 95 / PON 91).
–
De ontstekingscurve moet worden ingesteld op brandstof met een laag octaangetal.
Ontstekingscurve aanpassen aan de brandstofkwaliteit. (
pag. 156)
RIJ-INSTRUCTIES
55
–
De SET knop  twee seconden indrukken.
Het waarschuwingslampje voor het brandstofpeil  verdwijnt. TRIP F wordt op 0.0
gezet en de vorige weergavemodus verschijnt.
Info
Als de SET  knop niet wordt ingedrukt, wordt de waarde na ca. 3 minuten
automatisch teruggezet.
400913-12
SERVICESCHEMA
56
Serviceschema
8.1
K10N
K75A
K150A
K300A
Werking van de elektrische installatie controleren.
•
•
•
•
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
x
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
Olievernevelaars naar koppelingsmering controleren.
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
Remschijven van de voorwielrem controleren. (
pag. 148)
•
pag. 84)
pag. 79)
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
Remschijf van de achterwielrem controleren. (
x(
x
pag. 88)
pag. 80)
Remkabels op beschadiging en dichtheid controleren.
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
Vrije slag van het rempedaal controleren. (
pag. 86)
pag. 81)
Schokdemper en voorvork controleren op dichtheid. Voorvorkservice en schokdemperservice op
basis van behoefte en beoogd gebruik.
Achterbruglagers controleren.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
x
x
Speling wiellagers controleren.
Toestand van de banden controleren. (
Bandenspanning controleren. (
pag. 96)
pag. 98)
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren. (
Kettingspanning controleren. (
pag. 77)
pag. 74)
Alle bewegende onderdelen (zoals zijstandaard, hendels, ketting, ...) insmeren en controleren of ze
gemakkelijk kunnen bewegen.
x
Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen.
SERVICESCHEMA
57
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
Vorkpoten ontluchten. (
pag. 82)
K75A
K150A
K300A
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
pag. 65)
Speling balhoofdlager controleren.
Bougies vervangen.
K10N
•
x
Klepspeling controleren.
•
x
Alle slangen van het voertuig (bijv. brandstof-, koel-, ontluchting-, aftapslangen, ..) en manchetten
controleren op scheuren, dichtheid en correcte legging.
x
Antivries en koelmiddelpeil controleren. (
pag. 132)
•
Kabelboom van de regelklep controleren op beschadiging en correcte legging.
Kabels controleren op beschadiging en knikvrije legging.
x
x
Bowdenkabels controleren op beschadiging, knikvrije legging en instelling.
Luchtfilter vervangen. Luchtfilterbak reinigen.
•
•
x
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling controleren/corrigeren. (
Controleren of de schroeven en moeren goed vastzitten.
Koelmiddel verversen.
•
•
pag. 145)
x
•
•
x
Remvloeistof voorwielrem verversen.
x
Remvloeistof achterwielrem verversen. x
Koppeling controleren. x
Stand van de koplamp controleren. (
pag. 126)
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.
•
•
•
•
Foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen na een proefrit.
•
•
•
•
•
•
•
•
Werking van de radiateurventilator controleren.
x
x
Service op KTM DEALER.NET en in het serviceboekje vermelden. x
SERVICESCHEMA
K10N: eenmalig na 1.000 km
K75A: om de 7.500 km of jaarlijks
K150A: om de 15.000 km of om de 2 jaar
K300A: om de 30.000 km of om de 4 jaar
58
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
59
Motorfiets voor op montagebok plaatsen
9.1
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
–
Motorfiets achter op montagebok plaatsen. (
–
Stuur in rechtuitstand zetten. Montagebok vooraan met de adapters uitlijnen op de
vorkpoten.
pag. 60)
Montagebok aan voorzijde (61029055300)
Info
Motorfiets altijd eerst aan achterzijde op de montagebok plaatsen.
–
Motorfiets voor op montagebok plaatsen.
B00128-01
Motorfiets voor van montagebok nemen
9.2
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
–
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
–
Montagebok vooraan verwijderen.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
60
Motorfiets achter op montagebok plaatsen
9.3
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
–
Montagebokadapter in de montagebok achter plaatsen.
Montagebokadapter (61029055120)
Montagebok achter (61029055100)
–
Motorfiets verticaal zetten, montagebok uitlijnen aan de achterbrug en de adapters en
motorfiets op de bok plaatsen.
B00129-01
Motorfiets achter van montagebok nemen
9.4
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
–
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
–
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
–
Montagebok achteraan verwijderen en voertuig op de zijstandaard plaatsen.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
61
Voorvork/schokdemper
9.5
Voorvork en schokdemper bieden veel mogelijkheden, om het chassis aan te passen aan uw
rijstijl en eventuele extra belading.
Info
700587-01
Om deze aanpassing voor u te vereenvoudigen, hebben we onze ervaringsgegevens
in tabel  samengevat. U vindt de tabel op de luchtfilterbak, nadat u het zadel hebt
verwijderd. Bij vrijwel alle instellingen, met uitzondering van de veervoorspanning
van de schokdemper, wordt vanuit de maximaal ingedraaide positie op de aangegeven waarden afgesteld. De stelschroeven niet met kracht tegen de aanslag draaien.
De laatste voelbare klik als laatste positie nemen.
Deze instelwaarden zijn richtwaarden en vormen altijd slechts de basis voor uw eigen persoonlijke afstelling van het chassis. De instellingen niet willekeurig wijzigen (maximaal ±
40%), aangezien anders de rijeigenschappen vooral tijdens hoge snelheden kunnen verslechteren.
Ingaande demping voorvork instellen
9.6
Info
De hydraulische ingaande demping bepaalt het gedrag bij het inveren van de voorvork.
Een optimale ingaande demping garandeert, dat de voorvork bij hard remmen en snelle wijziging van de belasting niet te ver en te
snel inveert. De bestuurder krijgt hierdoor een goede feedback over de weggesteldheid.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
62
Stelschroeven  met de klok mee draaien tot de aanslag.
Info
De stelschroeven bevinden zich aan het onderste uiteinde van de vorkpoten.
De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.
–
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
(Supermoto R)
700564-01
Ingaande demping
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige belasting
10 klikken
(Supermoto T)
Ingaande demping
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping bij het inveren.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
63
Uitgaande demping voorvork instellen
9.7
Info
De hydraulische uitgaande demping bepaalt het gedrag bij het uitveren van de voorvork.
Een optimaal ingestelde uitgaande demping remt de opgewekte veerenergie, waardoor de vorkpoten snel en zonder schommelingen
kunnen worden teruggezet in de nulpositie.
–
Stelschroeven  met de klok mee draaien tot de aanslag.
Info
De stelschroeven bevinden zich aan het bovenste uiteinde van de vorkpoten.
De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.
–
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
(Supermoto R)
B00124-10
Uitgaande demping
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige belasting
10 klikken
(Supermoto T)
Uitgaande demping
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
64
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping bij het uitveren.
Veervoorspanning voorvork instellen
9.8
Info
De veervoorspanning bepaalt de uitgangspositie bij het veren van de voorvork.
Een optimaal ingestelde veervoorspanning is aangepast aan het gewicht van de bestuurder eventueel met bagage en bijrijder en
zorgt zo voor een compromis tussen hanteerbaarheid en stabiliteit.
–
Stelschroeven  met de klok mee draaien tot de aanslag.
Info
De stelschroeven bevinden zich aan het bovenste uiteinde van de vorkpoten.
De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.
–
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal slagen tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
(Supermoto R)
B00124-11
Veervoorspanning - Preload Adjuster
Comfort
5 omwentelingen
Standaard
5 omwentelingen
Sport
3 omwentelingen
Volledige nuttige belasting
3 omwentelingen
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
65
(Supermoto T)
Veervoorspanning - Preload Adjuster
Comfort
5 omwentelingen
Standaard
5 omwentelingen
Sport
3 omwentelingen
Volledige nuttige belasting
3 omwentelingen
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de voorspanning, draaien tegen de klok in
verlaagt de voorspanning van de veren.
Een verandering van de veervoorspanning is niet van invloed op de uitgaande
demping, hoewel de stelschroeven bij het instellen meedraaien. Toch moet bij
verandering van de veervoorspanning altijd ook de uitgaande demping worden
aangepast.
Vorkpoten ontluchten
9.9
–
Motorfiets op zijstandaard zetten.
–
Ventilatieschroeven  even verwijderen.
Als de druk te hoog is, dan verdwijnt de overtollige druk uit de binnenruimte van de
voorvork.
–
Ventilatieschroeven monteren en vastdraaien.
Info
Aan beide vorkpoten uitvoeren.
B00125-10
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
66
Ingaande demping schokdemper
9.10
De schokdemper beschikt over de mogelijkheid om voor het low en high speed-bereik de
ingaande demping afzonderlijk af te stemmen (Dual Compression Control).
De aanduiding low en high speed heeft betrekking op de beweging van de schokdemper bij
het inveren en niet op de rijsnelheid van de motorfiets.
Wijzigingen van de instellingen in het low speed-bereik zijn van invloed op het high speedbereik en omgekeerd.
700567-01
Ingaande demping low speed van schokdemper instellen
9.11
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.
–
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Info
De low speed-instelling toont haar werking bij het langzaam tot normaal inveren van de schokdemper.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
67
Stelschroef  met een schroevendraaier met de klok mee draaien tot de laatste voelbare klik.
Info
Schroef  niet losdraaien!
–
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
(Supermoto R)
700567-11
Ingaande demping low speed
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
(Supermoto T)
Ingaande demping low speed
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
68
Ingaande demping high speed van schokdemper instellen
9.12
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.
–
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Info
De high speed-instelling toont haar werking bij het snel inveren van de schokdemper.
–
Stelschroef  met een steeksleutel met de klok mee draaien tot de aanslag.
Info
Schroef  niet losdraaien!
–
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal slagen tegen de klok in terugdraaien.
Voorgeschreven waarde
(Supermoto R)
Ingaande demping high speed
700567-10
Comfort
2 omwentelingen
Standaard
1,5 omwentelingen
Sport
1 omwenteling
Volledige nuttige belasting
1 omwenteling
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
69
(Supermoto T)
Ingaande demping high speed
Comfort
2 omwentelingen
Standaard
1,5 omwentelingen
Sport
1 omwenteling
Volledige nuttige belasting
1 omwenteling
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping.
Uitgaande demping schokdemper instellen
9.13
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Het demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.
–
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
B00126-10
–
Stelschroef  met de klok mee draaien tot de laatste voelbare klik.
–
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen de klok in terugdraaien.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
70
Voorgeschreven waarde
(Supermoto R)
Uitgaande demping
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige belasting
10 klikken
(Supermoto T)
Uitgaande demping
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige belasting
10 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping bij het uitveren.
Veervoorspanning schokdemper instellen
9.14
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Wijzigingen aan het chassis kunnen het rijgedrag van het voertuig sterk veranderen.
–
Na wijzigingen eerst langzaam rijden om het rijgedrag te kunnen beoordelen.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
71
Info
De veervoorspanning bepaalt de uitgangspositie voor de vering op de schokdemper.
Een optimaal ingestelde veervoorspanning is aangepast aan het gewicht van de bestuurder eventueel met bagage en bijrijder en
zorgt zo voor een compromis tussen hanteerbaarheid en stabiliteit.
Voordat u de veervoorspanning wijzigt, wordt aanbevolen de actuele instelling noteren - bijvoorbeeld door de veerlengte te meten.
–
Achterwiel en achterbrug ontlasten.
Info
De veervoorspanning kan alleen correct worden ingesteld als het achterwiel en
de achterbrug volledig ontlast zijn.
–
Contraring  losdraaien.
–
Stelring  draaien totdat de veer volledig ontspannen is.
Haaksleutel (T106S)
–
Totale Veerlengte in ontspannen toestand meten.
–
Veer door het draaien van de stelring  op de voorgeschreven maat spannen.
Voorgeschreven waarde
(Supermoto R)
700651-01
Veervoorspanning
Comfort
11 mm
Standaard
11 mm
Sport
11 mm
Volledige nuttige belasting
13 mm
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
72
(Supermoto T)
Veervoorspanning
Comfort
11 mm
Standaard
11 mm
Sport
11 mm
Volledige nuttige belasting
13 mm
–
Contraring  vastdraaien.
–
Ketting controleren op grove vervuiling.
Vervuiling ketting controleren
9.15
»
Als de ketting erg vuil is:
–
Ketting reinigen. (
pag. 72)
400678-01
Ketting reinigen
9.16
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Smeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
–
Smeermiddel verwijderen met een geschikt reinigingsmiddel.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
–
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig behandelen met een remmenreiniger.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
–
Ketting regelmatig reinigen.
–
Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
–
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel (
–
pag. 193)
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray onroad (
pag. 193)
73
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
74
Kettingspanning controleren
9.17
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gevaar door verkeerde kettingspanning.
–
Als de ketting te strak is gespannen worden de componenten van de secundaire krachtoverbrenging (ketting,
ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en lager in de aandrijving en het achterwiel) extra belast. Dit kan leiden tot vroegtijdige slijtage
en in het uiterste geval kunnen ook de ketting of de uitgaande as van de aandrijving breken. Als de ketting echter te los zit kan
deze van het ketting-aandrijfwiel resp. het kettingwiel vallen en het achterwiel blokkeren of de motor beschadigen. Op een
correcte kettingspanning letten en indien nodig bijstellen.
–
Motorfiets op zijstandaard zetten.
–
Versnelling in neutraal schakelen.
–
De ketting in het deel achter het glijblok omhoog trekken in de richting van de achterbrug en de kettingspanning  bepalen.
Info
Het bovenste deel van de ketting  moet daarbij gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, de meting daarom op verschillende plekken van de ketting herhalen.
700570-01
Kettingspanning
»
7 mm
Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Kettingspanning instellen. (
pag. 75)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
75
Kettingspanning instellen
9.18
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Gevaar door verkeerde kettingspanning.
–
Als de ketting te strak is gespannen worden de componenten van de secundaire krachtoverbrenging (ketting,
ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en lager in de aandrijving en het achterwiel) extra belast. Dit kan leiden tot vroegtijdige slijtage
en in het uiterste geval kunnen ook de ketting of de uitgaande as van de aandrijving breken. Als de ketting echter te los zit kan
deze van het ketting-aandrijfwiel resp. het kettingwiel vallen en het achterwiel blokkeren of de motor beschadigen. Op een
correcte kettingspanning letten en indien nodig bijstellen.
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 74)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
76
–
Moer  losdraaien.
–
Moeren  losdraaien.
–
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven  links en rechts instellen.
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning
7 mm
Stelschroeven  links en rechts zo draaien, dat de markeringen aan de linker en
rechter kettingspanner  in dezelfde positie staan ten opzichte van de referentiemarkeringen . Zo wordt het achterwiel correct uitgelijnd.
Info
Het bovenste deel van de ketting moet daarbij gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig. Daarom de instelling op verschillende
plekken van de ketting controleren.
–
Moeren  vastdraaien.
–
Controleren of de kettingspanners  tegen de stelschroeven  liggen.
–
Moer  vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
B00130-10
Moer steekas achter
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad ingevet
Info
Door een groter verstelbereik van de kettingspanner (32 mm) kan bij gelijke kettinglengte met verschillende secundaire overbrengingen worden gereden.
De kettingspanners  kunnen 180° worden gedraaid.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
77
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren
9.19
–
Kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren op slijtage.
»
Als kettingwiel en ketting-aandrijfwiel ingesleten zijn:
–
Kettingwiel en/of ketting-aandrijfwiel vervangen.
x
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten altijd samen worden
vervangen.
100132-10
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
78
Versnelling in vrij schakelen en aan het onderste deel van de ketting trekken met het
aangegeven gewicht .
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor meting van de kettingslijtage
–
15 kg
De afstand  van 18 kettingschakels aan het onderste deel van de ketting meten.
Info
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, de meting daarom op verschillende plekken van de ketting herhalen.
Maximale afstand  op het langste deel
van de ketting
»
272 mm
Als de afstand  groter is dan de aangegeven maat:
–
Ketting vervangen.
x
Info
700572-01
Als er een nieuwe ketting wordt gemonteerd, moeten ook het kettingwiel
en Ketting-aandrijfwiel worden vervangen.
Nieuwe kettingen slijten sneller op een oud en versleten kettingwiel en/of
ketting-aandrijfwiel.
De ketting heeft om veiligheidsredenen geen kettingslot.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Glijblok controleren op slijtage.
»
Wanneer het glijblok ingesleten is.
–
–
79
Glijblok vervangen.
x
Controleren of het glijblok goed vastzit.
»
Wanneer het glijblok los zit.
–
Glijblok vastzetten.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
B00113-01
M6
10 Nm
Remschijven van voorwielrem controleren
9.20
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remschijf/remschijven.
–
Versleten remschijf/remschijven meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Op meerdere plekken van de remschijven controleren of de dikte van de remschijven
overeenkomt met maat .
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijven in het bereik van het raakvlak  van de remplaketten.
Remschijven - slijtagegrens
voor
100135-10
»
4,5 mm
Als de dikte van de remschijf onder de voorgeschreven waarde ligt:
–
Remschijven vervangen.
x
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
80
Remschijven controleren op beschadiging, scheuren en vervorming.
»
Als de remschijven beschadigd, gescheurd of vervormd zijn:
–
Remschijven vervangen.
x
Remschijf achterwielrem controleren
9.21
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remschijf/remschijven.
–
Versleten remschijf/remschijven meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Op meerdere plekken van de remschijf controleren of de dikte van de remschijf overeenkomt met maat .
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijf in het bereik van het raakvlak  van de remplaketten.
Remschijf - slijtagegrens
achter
400480-10
»
Als de dikte van de remschijf onder de voorgeschreven waarde ligt:
–
–
4,5 mm
Remschijf vervangen.
x
Remschijf controleren op beschadiging, scheuren en vervorming.
»
Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
–
Remschijven vervangen.
x
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
81
Uitgangspositie remhendel instellen
9.22
–
Remhendel naar voren trekken.
–
Uitgangspositie van de remhendel met het stelwiel  aan de grootte van de hand aanpassen.
Info
Niet instellen tijdens het rijden.
700549-10
Vrije slag rempedaal controleren
9.23
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als er geen vrije slag aan het rempedaal aanwezig is bouwt er zich druk op in het remsysteem op de achterwielrem. De achterwielrem kan door oververhitting uitvallen. Vrije slag van het rempedaal instellen volgens de standaard waarden.
–
Rempedaal tussen eindaanslag en tot aan de aanzet richting zuigerstang heen en weer
bewegen en vrije slag  controleren.
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal
3… 5 mm
Info
De zuigerstang mag daarbij niet bewegen.
600921-10
»
Als de vrije slag niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
82
Vrije slag weer tot stand brengen.
Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
9.24
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem verversen volgens het serviceschema. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
–
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir in horizontale positie zetten.
–
Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir  controleren.
»
Als het remvloeistofpeil onder de MIN markering is gedaald:
–
700577-10
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen.
x(
pag. 83)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
Remvloeistof voorwielrem bijvullen
9.25
83
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof kan bij aanraking huidirritaties veroorzaken.
–
Niet in aanraking laten komen met huid of ogen en uit de buurt van kinderen houden.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Als er remvloeistof in de ogen is gekomen, deze spoelen met water en meteen een arts raadplegen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem verversen volgens het serviceschema. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
In geen geval remvloeistof DOT 5 gebruiken! Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Pakkingen en remkabels zijn
niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Erop letten dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen. Remvloeistof vreet lak aan!
Alleen schone remvloeistof gebruiken uit een gesloten verpakking!
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir in horizontale positie zetten.
–
Schroeven verwijderen.
–
Deksel  met membraan  afnemen.
–
Remvloeistof tot markering MAX vullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
700578-01
84
pag. 191)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afwassen.
Remplaketten
9.26
De door KTM gemonteerde remplaketten zijn lang getest en garanderen optimale remeigenschappen. De typeaanduidingen van de remplaketten zijn opgenomen in de homologatiedocumenten.
Info
De remplaketten, die in de normale handel voor reserveonderdelen verkrijgbaar zijn, zijn vaak niet voor gebruik met KTM-voertuigen
getest en vrijgegeven. De constructie en wrijvingswaarde van de remplaketten en daarmee het remvermogen kunnen sterk afwijken
van de originele KTM-remplaketten. Als er remplaketten worden gebruikt die afwijken van de originele uitrusting, kan niet worden
gegarandeerd, dat deze voldoen aan de originele vrijgave. Het voertuig komt dan niet meer overeen met de afleveringstoestand en
de garantie vervalt.
Remplaketten voorwielrem controleren
9.27
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remplaketten.
–
Versleten remplaketten meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
85
Aanwijzing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Daardoor vermindert de remwerking
aanmerkelijk en de remschijven beschadigen onherstelbaar. Remplaketten regelmatig controleren.
(Supermoto T)
– Controleren of alle remplaketten aan beide remklauwen de minimale plaketdikte 
hebben.
Minimale plaketdikte 
»
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
x
Alle remplaketten aan beide remklauwen controleren op beschadiging en scheuren.
»
700579-01
≥ 1 mm
Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn:
–
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
x
(Supermoto R)
– Controleren of alle remplaketten aan beide remklauwen de minimale plaketdikte 
hebben.
Minimale plaketdikte 
»
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
700638-01
≥ 1 mm
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
x
Alle remplaketten aan beide remklauwen controleren op beschadiging en scheuren.
»
Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn:
–
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
x
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
86
Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
9.28
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem verversen volgens het serviceschema. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
–
Het voertuig verticaal zetten.
–
Remvloeistofpeil in het remvloeistofreservoir controleren.
»
Als het vloeistofpeil de MIN markering  heeft bereikt:
–
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen.
x(
pag. 86)
B00131-10
Remvloeistof achterwielrem bijvullen
9.29
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Uitvallen van het remsysteem.
–
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versleten remplaketten. Remsysteem controleren, niet meer verder rijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
87
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof kan bij aanraking huidirritaties veroorzaken.
–
Niet in aanraking laten komen met huid of ogen en uit de buurt van kinderen houden.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Als er remvloeistof in de ogen is gekomen, deze spoelen met water en meteen een arts raadplegen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door oude remvloeistof.
–
Remvloeistof van voor- en achterwielrem verversen volgens het serviceschema. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
In geen geval remvloeistof DOT 5 gebruiken! Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remslangen
zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Erop letten dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen. Remvloeistof vreet lak aan!
Alleen schone remvloeistof gebruiken uit een gesloten verpakking!
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
88
–
Schroeven  verwijderen.
–
Deksel  met membraan  afnemen.
–
Remvloeistof tot markering  vullen.
B00132-10
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
pag. 191)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afwassen.
B00133-10
Remplaketten achterwielrem controleren
9.30
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door versleten remplaketten.
–
Versleten remplaketten meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
89
Aanwijzing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Daardoor vermindert de remwerking
aanmerkelijk en de remschijven beschadigen onherstelbaar. Remplaketten regelmatig controleren.
–
Controleren of de remplaketten de minimale plaketdikte  hebben.
Minimale plaketdikte 
»
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
≥ 1 mm
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
x
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
»
Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn:
–
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
x
B00140-01
Voorwiel uitbouwen
9.31
x
–
Motorfiets achter op montagebok plaatsen. (
–
Motorfiets voor op montagebok plaatsen. (
–
Schroeven  aan beide remklauwen verwijderen.
–
Remplaketten terugduwen op de remschijf door de remklauw licht naar de zijkant te
kantelen. Remklauwen voorzichtig naar achteren van de remschijven trekken en opzij
hangen.
pag. 60)
pag. 59)
Info
Remhendel niet gebruiken als de remklauwen verwijderd zijn.
700639-10
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Schroef  en schroeven  losdraaien.
–
Schroef  ca. 6 slagen uitschroeven en met de hand op de schroef drukken, om de
steekas uit de asopname te schuiven. Schroef  verwijderen.
90
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
–
Het wiel altijd zo neerleggen, dat de remschijven niet worden beschadigd.
Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de voorvork nemen.
700640-10
Voorwiel inbouwen
9.32
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
–
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig behandelen met een remmenreiniger.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Wanneer de wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
91
Wiellager vervangen.
x
Linker en rechter afstandsbus en de keerringen reinigen, invetten en monteren.
Duurzaam vet (
pag. 193)
–
Schroef  en steekas  reinigen.
–
Voorwiel in voorvork tillen, positioneren en steekas erin plaatsen.
–
Schroef  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef steekas voor
M24x1,5
45 Nm
700641-01
–
Remklauwen positioneren en daarbij letten op correcte plaatsing van de remplaketten.
–
Schroeven  aan beide remklauwen monteren, niet vastdraaien.
–
Remhendel meerdere keren indrukken tot de remplaketten tegen de remschijf liggen en
er een drukpunt aanwezig is. Remhendel ingedrukt vastzetten.
Remklauwen worden uitgelijnd.
–
Schroeven  aan beide remklauwen vastschroeven.
Voorgeschreven waarde
700639-11
Schroef remklauw voor
M10x1,25
45 Nm
Loctite® 243™
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
92
–
Remhendel weer losmaken.
–
Motorfiets vooraan van de montagebok nemen. (
–
Motorfiets achter van montagebok nemen. (
–
Voorwielrem indrukken en voorvork enkele keren krachtig inveren.
–
Schroeven  vastdraaien.
pag. 59)
pag. 60)
Vorkpoten worden uitgelijnd.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname
M8
15 Nm
700640-11
Achterwiel uitbouwen
9.33
x
B00134-10
–
Motorfiets achter op montagebok plaatsen. (
–
Moer  verwijderen. Kettingspanner  afnemen.
–
Steekas  zover uittrekken, dat de kettingspanner niet meer tegen de stelschroef ligt.
pag. 60)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
93
–
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven en ketting van het kettingwiel afnemen.
–
Steekas uittrekken.
–
Achterwiel naar achteren trekken tot de remklauwhouder vrij tussen remschijf en velg
hangt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door beschadigde remschijven.
–
B00135-01
–
Het wiel altijd zo neerleggen, dat de remschijven niet worden beschadigd.
Achterwiel voorzichtig uit de achterbrug nemen zonder de velg en/of remschijf te
beschadigen.
Info
Rempedaal niet intrappen als het achterwiel is uitgebouwd.
Achterwiel inbouwen
9.34
x
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
–
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig behandelen met een remmenreiniger.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Geen remwerking bij het intrappen van de achterwielrem.
–
Na het inbouwen van het achterwiel altijd het rempedaal intrappen totdat er een drukpunt aanwezig is.
–
Achterdempers van de achterwielnaaf controleren.
x(
pag. 95)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Wanneer de wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager vervangen.
x
Bus  en bus  verwijderen. Loopvlakken van bussen en askeerringen reinigen en
invetten.
Duurzaam vet (
700661-01
94
pag. 193)
–
Bussen monteren.
–
Schroefdraad van de steekas en moer reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
–
pag. 193)
Aangrijppunten aan de remklauwhouder en achterbrug reinigen.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
95
–
Steunlagers van remklauwhouder  en achterbrug laten ingrijpen. Ketting op het kettingwiel leggen en de steekas monteren.
–
Kettingspanner  en moer  monteren.
Info
Kettingspanner links en rechts in dezelfde positie monteren.
–
Het achterwiel naar voren duwen, zodat de kettingspanners tegen de spanschroeven
liggen en moer vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
De markeringen op de kettingspanners moeten links en rechts in dezelfde positie ten
opzichte van de referentiemarkering  staan, zodat het achterwiel correct is uitgelijnd.
Moer steekas achter
B00130-11
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad ingevet
–
Rempedaal meerdere keren indrukken tot de remplaketten tegen de remschijf liggen en
een drukpunt aanwezig is.
–
Motorfiets achter van montagebok nemen. (
–
Kettingspanning controleren. (
Achterdempers achterwielnaaf controleren
9.35
pag. 60)
pag. 74)
x
Info
De kracht van de motor wordt door het kettingwiel met 5 achterdempers overgebracht op het achterwiel. Deze slijten tijdens het
rijden. Als de achterdempers niet op tijd worden vervangen, beschadigen de kettingwielhouder en de achterwielnaaf.
–
Achterwiel uitbouwen.
x(
pag. 92)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
96
–
Kettingwieldrager afnemen.
–
Achterdempers van de achterwielnaaf controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als de achterdempers van de achterwielnaaf zijn beschadigd of versleten:
–
–
Achterdemper vervangen.
x
Kettingwieldrager positioneren.
Info
Een zoveel mogelijk spelingsvrij paar bout-achterdemper verhoogt de levensduur
van de achterdempers.
700274-01
–
Achterwiel inbouwen.
x(
pag. 93)
Toestand banden controleren
9.36
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Controleverlies door een lekke band.
–
Beschadigde banden voor uw eigen veiligheid meteen laten vervangen.
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Beperking van het rijgedrag door verschillende bandprofielen aan voor- en achterwiel.
–
Voor- en achterwiel moeten altijd zijn uitgerust met banden met een gelijksoortig profiel, anders kan de motor oncontroleerbaar
worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Ongecontroleerd rijgedrag door niet vrijgegeven en/of aanbevolen banden/wielen.
–
Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex gebruiken.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
97
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde wegligging bij nieuwe banden.
–
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingereden wordt de volledige wegligging bereikt.
Info
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rijgedrag van de motorfiets.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed op het rijgedrag.
–
De voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen die tijdens het rijden
in de band zijn gaan zitten en andere beschadigingen.
»
Als er insnijdingen, voorwerpen die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en
andere beschadigingen aan de banden te zien zijn:
–
–
Banden wisselen.
Profieldiepte controleren.
Info
De minimale profieldiepte volgens de nationale wetgeving in acht nemen.
400602-10
Minimale profieldiepte
»
Als de minimale profieldiepte lager is dan de minimale waarde:
–
–
≥ 2 mm
Banden wisselen.
Leeftijd van de banden controleren.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
98
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het opschrift van de banden
en wordt met de laatste vier cijfers van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eerste twee cijfers wijzen op de week van productie en de laatste twee cijfers op het
jaar van productie.
KTM adviseert de banden te wisselen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slijtage van de banden, uiterlijk echter na 5 jaar.
»
Als de band ouder is dan vijf jaar:
–
Banden vervangen.
Bandenspanning controleren
9.37
Info
Een te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en maximale levensduur van de band.
–
Ventieldopje verwijderen.
–
Bandenspanning controleren bij koude banden.
Bandenspanning Solo
voor
2,2 bar
achter
2,2 bar
Bandenspanning met bijrijder / volledige nuttige belasting
400695-01
»
voor
2,4 bar
achter
2,5 bar
Als de bandenspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
–
Bandenspanning corrigeren.
Ventieldopje monteren.
Info
De rubberpakking in het ventieldopje voorkomt het uitstromen van de lucht uit
de banden als het ventiel defect is.
Zadel afnemen
9.38
600922-10
–
De contactsleutel in het zadelslot  steken en met de klok mee draaien.
–
Het zadel achter optillen, naar de achteren schuiven en naar boven toe afnemen.
–
De contactsleutel uit het zadelslot trekken.
99
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
100
Zadel monteren
9.39
–
De voorste inkepingen  van het zadel op de bolkopschroeven op de brandstoftank
positioneren, achter omlaag brengen en tegelijkertijd naar voren schuiven. Daarbij moeten de beide uitsteeksels  op het frame inhangen en de vergrendelingsbout  in het
slothuis worden gevoerd.
Het zadel klikt hoorbaar vast.
–
Vervolgens controleren of het zadel correct is gemonteerd.
B00136-01
Helmbeveiliging op het voertuig monteren
9.40
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beperking van het rijgedrag en de bediening van de motorfiets door gemonteerde helmbeveiliging en/of
helm.
–
De helmbeveiliging niet gebruiken voor de bevestiging van de helm of andere voorwerpen tijdens het rijden. De helmbeveiliging
moet altijd worden verwijderd voordat u gaat rijden.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
101
–
Zadel afnemen. (
–
De staalkabel uit het boordgereedschap met een van de lussen op de pen  positioneren.
pag. 99)
Staalkabel (60012015000)
700561-10
Accu uitbouwen
9.41
–
De staalkabel door de helmopening halen.
–
De vrije lus van de staalkabel ook op de pen positioneren.
–
Helm voorzichtig aan de zijkant van het voertuig positioneren.
–
Zadel monteren. (
pag. 100)
x
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Houd accu's buiten bereik van kinderen.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Voorkom contact met accuzuur en accugassen.
–
Houd vonken of open vuur uit de buurt van de accu. Laad de accu alleen in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen
en een arts raadplegen.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Als de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en veiligheidsvoorzieningen worden beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Zadel afnemen. (
–
Minkabel  van de accu losklemmen.
–
Pluspoolafdekking  verwijderen.
–
Pluskabel  van de accu losklemmen.
–
Rubberband  naar buiten hangen.
–
Accu naar boven toe uit de accuhouder trekken.
pag. 99)
700582-01
700583-01
102
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
Accu inbouwen
9.42
x
–
Accu in de accuhouder positioneren.
Info
De accupolen moeten in de rijrichting wijzen.
–
Rubberband  inhangen.
–
Pluskabel  op de accu klemmen.
–
Pluspoolafdekking  positioneren.
–
Minkabel  op de accu klemmen.
–
Zadel monteren. (
–
Tijd instellen. (
700583-10
700582-10
pag. 100)
pag. 29)
103
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
Accu laden
9.43
104
x
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Houd accu's buiten bereik van kinderen.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Voorkom contact met accuzuur en accugassen.
–
Houd vonken of open vuur uit de buurt van de accu. Laad de accu alleen in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen
en een arts raadplegen.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Componenten en zuren van de accu zijn schadelijk voor het milieu.
–
Accu's nooit bij het huisvuil gooien. Voer een defecte accu op milieuvriendelijke wijze af. Geef de accu af bij uw KTM-dealer of
bij een inzamelpunt voor oude accu's.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
105
Info
Ook als de accu niet wordt belast verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden is erg belangrijk voor de levensduur van de accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als de laadstroom, laadspanning en laadtijd worden overschreden ontsnapt er elektrolyt via de veiligheidskleppen. Daardoor verliest
de accu aan capaciteit.
Als de accu leeg is gestart moet hij meteen weer worden geladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treedt er diepteontlading en sulftatie op en dat kan leiden tot vernietiging van de accu.
De accu is onderhoudsvrij, dat betekent dat het zuurniveau niet hoeft te worden gecontroleerd.
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Zadel afnemen. (
–
Minkabel van de accu losklemmen om beschadiging van de boordelektronica te voorkomen.
pag. 99)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
106
Acculader op de accu klemmen. Acculader inschakelen.
Acculader (58429074000)
Met deze acculader kunt u ook de rustspanning en het startvermogen van de accu en
dynamo testen. Bovendien kan met deze lader de accu niet worden overladen.
Info
Verwijder nooit het deksel .
Accu laden met maximaal 10% van de capaciteit, dat op het accuhuis  is aangegeven.
–
Acculader na het laden uitschakelen. Accu opklemmen.
Voorgeschreven waarde
Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet worden overschreden.
Accu regelmatig bijladen als de motorfiets niet wordt gebruikt
–
Zadel monteren. (
3 maanden
pag. 100)
700588-01
Hoofdzekering vervangen
9.44
Waarschuwing
Gevaar voor brand Door het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.
–
Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
107
Info
Met de hoofdzekering worden alle stroomverbruikers van het voertuig beveiligd. De hoofdzekering bevindt zicht onder het bestuurderszadel.
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Zadel afnemen. (
–
Schermkappen  afnemen.
–
Defecte hoofdzekering  verwijderen.
pag. 99)
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad .
In het startrelais bevindt zich een reservezekering .
–
Nieuwe hoofdzekering inzetten.
Zekering (58011109130) (
pag. 179)
Tip
Nieuwe reservezekering in het startrelais plaatsen, zodat u er een bij u hebt als
het nodig is.
700589-01
–
Schermkappen  opsteken.
–
Zadel monteren. (
pag. 100)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
Zekeringen afzonderlijke stroomverbruikers vervangen
9.45
Waarschuwing
Gevaar voor brand Door het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.
–
Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
Info
Het zekeringenblok met de zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers bevindt zich onder het zadel.
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
–
Zadel afnemen. (
–
Deksel van het zekeringenblok  openen.
–
Zekeringen controleren.
pag. 99)
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad .
Ook de reserverzekeringen  bevinden zich in het opbergvak.
–
700584-01
Defecte zekering verwijderen.
108
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
109
Voorgeschreven waarde
Zekering IGNITION, FUEL PUMP - 10A - ontsteking, brandstofpomp, wegrijblokkering,
alarminstallatie (optioneel)
Zekering H/L BEAM, POSITION - 15A - groot licht, dimlicht, zijlicht, nummerplaatverlichting
Zekering HORN, BRAKE LIGHT - 10A - claxon, remlicht, waarschuwingsknipperlichten
Zekering FAN - 10A - radiateurventilator
Zekering POWER RELAY - 10A - ontsteking (EFI-besturingsunit)
Zekering ACC1, CLOCK - 10A - gecombineerd instrument, extra apparatuur (constant
plus), alarminstallatie (optioneel)
Zekering ACC2 - 10A - extra apparatuur (met contactschakelaar geschakelde plus)
Zekering ABS, OPTIONAL - geen functie
–
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (58011109110) (
pag. 179)
Zekering (58011109115) (
pag. 179)
Tip
Nieuwe reservezekering plaatsen, zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
–
Deksel van zekeringenblok sluiten.
–
Zadel monteren. (
pag. 100)
Lamp koplamp vervangen
9.46
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Verminderde werking van de verlichting.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
110
Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
(Supermoto R)
– Schroeven  verwijderen.
B00137-10
700591-10
–
Spatbord met een doek afdekken.
–
Koplampkap naar voren zwenken en naar boven toe uit de uitsteeksels  hangen.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
111
(Supermoto T)
– Afdekking verwijderen.
Info
De volgende stappen voor dit model zijn voor de duidelijkheid met gedemonteerde koplampkap weergegeven. Het is niet nodig om deze te demonteren.
700604-01
–
Stekkerverbinding  verbreken.
–
Rubberkap  verwijderen.
–
Beugel  aan beide zijden omlaagdrukken, indrukken en naar onderen klappen.
–
Lamp van koplamp  verwijderen.
–
Nieuwe lamp in het koplamphuis positioneren.
700592-10
Dimlicht/groot licht (H4 / sokkel P43t) (
pag. 179)
Info
Lamp van de koplamp zo plaatsen, dat de uitsteeksels in de groeven grijpen.
700593-01
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Beugel positioneren.
–
Rubberkap  monteren.
–
Stekkerverbinding  positioneren.
700592-11
(Supermoto R)
– De boringen  op de uitsteeksels  positioneren.
700591-11
112
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
113
Koplampkap positioneren. Schroeven  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
M6
10 Nm
B00137-11
(Supermoto T)
– Afdekking monteren.
–
De werking van de lampen controleren.
700604-01
Zijlichtlamp vervangen
9.47
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Verminderde werking van de verlichting.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
–
Alle verbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
114
(Supermoto R)
– Schroeven  verwijderen.
B00137-10
–
Spatbord met een doek afdekken.
–
Koplampkap naar voren zwenken en naar boven toe uit de uitsteeksels  hangen.
700591-10
(Supermoto T)
– Afdekking verwijderen.
Info
De volgende stappen voor dit model zijn voor de duidelijkheid met gedemonteerde koplampkap weergegeven. Het is niet nodig om deze te demonteren.
700604-01
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
115
–
Zijlicht  voorzichtig uit de houder trekken.
–
Lamp verwijderen.
–
Nieuwe lamp in de fitting positioneren.
Zijlicht (W5W / sokkel W2,1x9,5d) (
–
pag. 179)
Fitting met lamp voorzichtig in de houder in de koplamp positioneren.
700594-01
(Supermoto R)
– De boringen  op de uitsteeksels  positioneren.
700591-12
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
116
Koplampkap positioneren. Schroeven  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
M6
10 Nm
B00137-12
(Supermoto T)
– Afdekking monteren.
–
De werking van de lampen controleren.
700604-01
Knipperlichtlamp vervangen
9.48
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Verminderde werking van de verlichting.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Schroef aan achterzijde van het knipperlichthuis verwijderen.
–
Diffusorplaat  voorzichtig afnemen.
–
Lamp  zacht tegen de fitting duwen, ca. 30° tegen de klok in draaien en uit de fitting
trekken.
–
Nieuwe lamp zachtjes in de fitting duwen en met de klok mee draaien tot de aanslag.
Richtingaanwijzer (RY10W / sokkel BAU15s) (
700596-01
117
pag. 180)
–
Richtingaanwijzer controleren op goede werking.
–
Diffusorplaat positioneren.
–
Schroef inzetten en eerst tegen de klok in draaien, tot de schroef met een kleine ruk
vastklikt in schroefgang. Schroef licht vastdraaien.
Remlichtlamp vervangen
9.49
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Verminderde werking van de verlichting.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
700597-10
–
Schroeven  verwijderen.
–
Grepen afnemen.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Schroeven  verwijderen.
–
Schroeven  aan het linker en rechter deel van de achterzijde verwijderen.
–
Zijdeel van achterzijde afnemen.
–
Schroeven  verwijderen.
–
Bovenste deel achterzijde afnemen.
B00138-10
700599-10
118
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
119
–
Lampfitting  tot de aanslag tegen de klok in draaien en uit het achterlicht nemen.
–
Lamp zacht tegen de fitting duwen, tegen de klok in draaien en uit de fitting trekken.
–
Nieuwe lamp zachtjes in de fitting duwen en met de klok mee draaien tot de aanslag.
Remlicht (PR21W / sokkel BAW15s) (
pag. 180)
–
Lampfitting in het achterlicht steken en met de klok mee draaien tot de aanslag.
–
Bovenste deel achterzijde positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
700600-10
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
700599-11
M6
10 Nm
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Zijdelen achterzijde positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
120
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
–
M5
5 Nm
Schroeven  aan het linker en rechter deel van de achterzijde monteren en
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef zijdeel achterkant (Supermoto T)
EJOT
Eerste schroefverbinding
3,3 Nm
Latere schroefverbindingen
2 Nm
M8
25 Nm
B00138-11
–
Grepen positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
700597-11
–
Zadel monteren. (
–
De werking van het remlichtsysteem controleren.
pag. 100)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
121
Achterlichtlampen vervangen
9.50
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Verminderde werking van de verlichting.
–
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
700597-10
–
Schroeven  verwijderen.
–
Grepen afnemen.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Schroeven  verwijderen.
–
Schroeven  aan het linker en rechter deel van de achterzijde verwijderen.
–
Zijdeel van achterzijde afnemen.
–
Schroeven  verwijderen.
–
Bovenste deel achterzijde afnemen.
B00138-10
700599-10
122
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
123
–
Lampfitting  voorzichtig uit de houder trekken.
–
Lamp verwijderen.
–
Nieuwe lamp in de fitting positioneren.
Achterlicht (WR5W / sokkel W2,1x9,5d) (
pag. 180)
–
Fitting met lampen voorzichtig in de houder in het achterlicht positioneren.
–
Bovenste deel achterzijde positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
700601-10
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
700599-11
M6
10 Nm
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Zijdelen achterzijde positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
124
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
–
M5
5 Nm
Schroeven  aan het linker en rechter deel van de achterzijde monteren en
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef zijdeel achterkant (Supermoto T)
EJOT
Eerste schroefverbinding
3,3 Nm
Latere schroefverbindingen
2 Nm
M8
25 Nm
B00138-11
–
Grepen positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
700597-11
–
Zadel monteren. (
–
De werking van de achterlichten controleren.
pag. 100)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
125
Kentekenplaatverlichting vervangen
9.51
–
Schroeven  verwijderen.
–
Afdekking kentekenplaatverlichting verwijderen.
–
Fitting  voorzichtig uit de houder trekken.
–
Lamp verwijderen.
–
Nieuwe lamp in de fitting positioneren.
700602-01
Kentekenplaatverlichting (W5W / sokkel W2,1x9,5d) (
–
700603-01
Fitting met lamp voorzichtig in de houder positioneren.
pag. 180)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
126
–
Afdekking positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
–
De werking van de kentekenplaatverlichting controleren.
–
Voertuig op een horizontale ondergrond voor een lichte muur zetten en in de hoogte van
het midden van de koplamp een markering aanbrengen.
–
Nog een markering aanbrengen op een afstand  onder de eerste markering.
700602-10
Stand koplamp controleren
9.52
A
0
Voorgeschreven waarde
0
B
Afstand 
–
5 cm
Voertuig op afstand  loodrecht voor de muur zetten en het dimlicht inschakelen.
Voorgeschreven waarde
Afstand 
400726-10
5m
–
Nu gaat de bestuurder, eventueel met bagage en bijrijder op de motorfiets zitten.
–
Stand van de koplamp controleren.
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en bijrijder, precies op de onderste markering liggen.
»
Als deze grens tussen licht en donker niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen. (
pag. 127)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
127
Lichtbundelbreedte koplamp instellen
9.53
–
Stand van de koplamp controleren. (
pag. 126)
(Supermoto R)
– Door schroef  te draaien de lichtbundelbreedte van de koplamp instellen.
Voorgeschreven waarde
De grens tussen licht en donker moet bij de rijklare motorfiets met bestuurder,
eventueel met bagage en bijrijder, precies op de onderste markering liggen (aangebracht bij: koplampinstelling controleren).
Info
700595-01
Draaien met de klok mee verbreedt de lichtbundel en draaien tegen de klok
in versmalt de lichtbundel.
(Supermoto T)
– Door het stelwiel  te draaien de lichtbundelbreedte van de koplamp instellen.
Voorgeschreven waarde
De grens tussen licht en donker moet bij de rijklare motorfiets met bestuurder,
eventueel met bagage en bijrijder, precies op de onderste markering liggen (aangebracht bij: koplampinstelling controleren).
Info
B00139-10
Door naar boven te draaien verbreedt de lichtbundel en door naar beneden te
draaien versmalt de lichtbundel.
Niet instellen tijdens het rijden.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
128
Contactsleutel activeren/deactiveren
9.54
Info
De oranje programmeersleutel mag uitsluitend worden gebruikt voor het activeren/deactiveren!
Bij verlies of vervanging van een zwarte contactsleutel moeten de afzonderlijke zwarte contactsleutels met de oranje programmeersleutel worden geactiveerd of gedeactiveerd. Daardoor wordt ook voorkomen dat een onbevoegde de verloren zwarte contactsleutel
gebruikt om te gaan rijden met het voertuig.
Er kunnen maximaal vier zwarte contactsleutels worden geactiveerd/gedeactiveerd. Alleen de tijdens het activeren
geprogrammeerde zwarte contactsleutels zijn geldig. Alle zwarte sleutels die niet tijdens het activeren zijn geprogrammeerd, zijn
ongeldig, maar kunnen achteraf nog worden geprogrammeerd.
Verlies van een zwarte contactsleutel (tweede zwarte contactsleutel is aanwezig):
Door de volgende handelingen worden alle geactiveerde zwarte contactsleutels gedeactiveerd, die niet bij deze handelingen zijn betrokken.
–
Noodstopschakelaar in stand
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Ontsteking inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
B00144-10
schakelen.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering
gaat branden.
–
Ontsteking uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Oranje programmeersleutel uittrekken.
–
Zwarte contactsleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
FI waarschuwingslampje
peren.
draaien.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
129
Controlelampje wegrijblokkering
gaat branden, gaat kort uit en brandt weer.
–
Contact uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand OFF
–
Zwarte contactsleutel uittrekken.
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Ontsteking inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
draaien.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering gaat branden, gaat kort uit en knippert
afhankelijk van het aantal werkende zwarte contactsleutels, inclusief de oranje
programmeersleutel. In dit geval twee keer.
–
Ontsteking uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Oranje programmeersleutel uittrekken.
De verloren zwarte contactsleutel is gedeactiveerd.
De aanwezige zwarte contactsleutel is opnieuw geactiveerd.
Verlies van beide zwarte contactsleutels (geen zwarte contactsleutel meer aanwezig):
Deze handelingen zijn nodig om misbruik met de verloren zwarte contactsleutel te voorkomen.
–
Noodstopschakelaar in stand
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Ontsteking inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
schakelen.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering
gaat branden.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
130
–
Ontsteking uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Ontsteking inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering gaat branden, gaat kort uit en knippert
afhankelijk van het aantal werkende zwarte contactsleutels, inclusief de
oranje programmeersleutel. In dit geval maar een keer, aangezien alle zwarte
contactsleutels zijn gedeactiveerd.
–
Ontsteking uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Oranje programmeersleutel uittrekken.
Alle zwarte contactsleutels zijn gedeactiveerd.
–
Nieuwe zwarte contactsleutels bestellen met het sleutelnummer op de
KEYCODECARD en activeren.
Contactsleutel activeren:
– Noodstopschakelaar in stand
schakelen.
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Ontsteking inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering
gaat branden.
–
Ontsteking uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Oranje programmeersleutel uittrekken.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
131
–
Zwarte contactsleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand ON
FI waarschuwingslampje
peren.
draaien.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering
gaat branden, gaat kort uit en brandt weer.
–
Contact uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand OFF
–
Zwarte contactsleutel uittrekken.
–
Als er meerdere contactsleutels moeten worden geactiveerd dienen de laatste vier
stappen met de betreffende contactsleutel te worden herhaald.
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Ontsteking inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON
draaien.
FI waarschuwingslampje
peren.
draaien.
(MIL) gaat branden, gaat weer uit en begint te knip-
Controlelampje wegrijblokkering gaat branden, gaat kort uit en knippert
afhankelijk van het aantal werkende zwarte contactsleutels, inclusief de oranje
programmeersleutel.
–
Ontsteking uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF
draaien.
–
Oranje programmeersleutel uittrekken.
Alle zwarte contactsleutels, waarvoor deze stappen zijn genomen, zijn geactiveerd.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
132
Koelsysteem
9.55
Door de waterpomp  in de motor is er een gedwongen circulatie van het koelmiddel.
De druk die bij verwarming in het koelsysteem ontstaat wordt geregeld door een klep in de
radiateurdop. Daardoor is de aangegeven koelmiddeltemperatuur toegestaan zonder dat er
met functiestoringen rekening moet worden gehouden.
125 °C
700620-10
Koeling vindt plaats door de rijwind en een radiateurventilator die door een thermoschakelaar wordt aangestuurd.
Hoe lager de snelheid, hoe lager de koelwerking. Ook vervuilde radiateurribben verlagen de
koelwerking.
Door de uitzetting van de warmte stroomt het overtollige koelmiddel naar het vaste reservoir . Als de temperatuur daalt wordt dit koelmiddel weer teruggezogen in het koelsysteem.
700621-10
Antivries en koelmiddelpeil controleren
9.56
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koelsysteem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
133
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelvloeistof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat koelvloeistof niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelvloeistof is ingeslikt meteen een arts
raadplegen. Kleding die met koelvloeistof in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelvloeistof buiten bereik van kinderen.
Voorwaarden
Motor is koud.
–
Motorfiets verticaal zetten op een horizontale ondergrond.
–
Brandstoftank terugzetten. (
–
Radiateurdop  en dop  van het vaste reservoir verwijderen.
–
Antivries van het koelmiddel controleren.
pag. 139)
−25… −45 °C
»
Als de antivries van het koelmiddel niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
–
Antivries van het koelmiddel corrigeren.
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren.
Het koelmiddelpeil moet tussen de bovenste  en onderste  markering liggen.
700626-10
»
Als het koelmiddelpeil in het vaste reservoir niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt, maar nog niet leeg is:
–
Koelmiddel tot de bovenste markering vullen.
Alternatief 1
Koelmiddel (
pag. 189)
Alternatief 2
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
pag. 189)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
»
134
Als er zich geen koelmiddel in het vaste reservoir bevindt:
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
x
Info
Niet met de motorfiets rijden!
–
Koelsysteem vullen/ontluchten.
x(
–
Dop  op het vaste reservoir monteren.
–
Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
pag. 137)
De radiateur moet volledig gevuld zijn.
»
Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Koelmiddelpeil corrigeren en oorzaak van het verlies vaststellen.
Alternatief 1
Koelmiddel (
pag. 189)
Alternatief 2
700625-10
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
»
Als meer koelmiddel moet worden bijgevuld dan de voorgeschreven waarde:
> 0,50 l
–
–
pag. 189)
Koelsysteem vullen/ontluchten.
x(
pag. 137)
Radiateurdop  monteren.
Koelmiddelpeil in vast reservoir controleren
9.57
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koelsysteem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
135
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelvloeistof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat koelvloeistof niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelvloeistof is ingeslikt meteen een arts
raadplegen. Kleding die met koelvloeistof in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelvloeistof buiten bereik van kinderen.
Voorwaarden
Motor is koud.
Radiateur is volledig gevuld.
–
Motorfiets op een horizontale ondergrond zetten.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir  controleren.
Het koelmiddelpeil moet tussen de bovenste  en onderste  markering liggen.
»
Als het koelmiddelpeil in het vaste reservoir niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt, maar nog niet leeg is:
–
Dop van het vaste reservoir verwijderen.
–
Koelmiddel tot de bovenste markering vullen.
Alternatief 1
Koelmiddel (
700622-10
pag. 189)
Alternatief 2
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
–
»
pag. 189)
Dop op het vaste reservoir monteren.
Als er zich geen koelmiddel in het vaste reservoir bevindt:
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
Info
Niet met de motorfiets rijden!
x
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Koelmiddel aftappen
9.58
136
Koelsysteem vullen/ontluchten.
x(
pag. 137)
x
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Radiateur, radiateurslangen en de overige componenten van het koelsysteem niet openen bij een warme motor. Motor en koelsysteem laten afkoelen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelvloeistof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat koelvloeistof niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelvloeistof is ingeslikt meteen een arts
raadplegen. Kleding die met koelvloeistof in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelvloeistof buiten bereik van kinderen.
–
Brandstoftank terugzetten. (
–
Geschikte bak onder de radiateur klaarzetten.
–
Radiateurdop  afnemen.
–
Schroef  verwijderen.
–
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
–
Schroef  met nieuwe keerring monteren en vastdraaien.
pag. 139)
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
700627-10
M6
10 Nm
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
137
–
Geschikte bak onder de motor klaarzetten.
–
Schroef  verwijderen.
–
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
–
Schroef  met nieuwe keerring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
700628-10
Koelsysteem vullen/ontluchten
9.59
x
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelvloeistof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Erop letten dat koelvloeistof niet in aanraking komt met huid, ogen of kleding. Bij contact met de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Huid bij contact meteen reinigen met water en zeep. Als koelvloeistof is ingeslikt meteen een arts
raadplegen. Kleding die met koelvloeistof in aanraking is gekomen uittrekken. Houd koelvloeistof buiten bereik van kinderen.
700629-10
–
Brandstoftank terugzetten. (
–
Controleren of de aftapschroeven op de radiateur en waterpompdeksel vastgedraaid zijn.
–
Ontluchtingsschroef  verwijderen.
pag. 139)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
138
Het voertuig in de afgebeelde positie zetten en beveiligen tegen wegrollen. Er moet een
hoogteverschil van  moet worden bereikt.
Voorgeschreven waarde
Hoogteverschil 
50 cm
Info
Om alle lucht uit het koelsysteem te laten ontsnappen moet het voertuig vooraan
iets worden opgetild. Een slechts ontlucht koelsysteem heeft een lager koelvermogen waardoor de motor oververhit kan raken.
A
0
400677-10
–
Radiateurdop afnemen en koelmiddel vullen totdat deze zonder luchtbellen uit de
ontluchtingsopening stroomt en meteen de ontluchtingsschroef  monteren en
vastdraaien.
Alternatief 1
Koelmiddel (
pag. 189)
Alternatief 2
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
700630-10
pag. 189)
–
Radiateur volledig vullen met koelmiddel. Radiateurdop monteren.
–
Voertuig op zijstandaard zetten.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (
pag. 134)
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
139
Motor starten en laten warmlopen totdat de rijtemperatuur is bereikt.
6 balkjes van de temperatuurindicator branden.
–
Motor uitzetten en laten afkoelen.
–
Na het afkoelen nog een keer het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien
nodig koelmiddel bijvullen.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (
–
Brandstoftank positioneren. (
–
Zadel afnemen. (
pag. 140)
Brandstoftank terugzetten
9.60
pag. 99)
(Supermoto T)
– Maskerspoiler demonteren. (
–
B00141-10
pag. 142)
Schroeven  en spoiler aan beide zijden verwijderen.
pag. 134)
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Schroef  aan beide zijden verwijderen.
Info
De brandstofslangen hoeven niet te worden afgenomen.
B00147-10
(Supermoto R)
– Schroef  verwijderen.
–
Brandstoftank voorzichtig naar achteren schuiven.
–
Brandstoftank voorzichtig naar voren schuiven.
700652-11
Brandstoftank positioneren
9.61
(Supermoto T)
De bevestigingen van de brandstoftank moeten in de uitsparingen grijpen.
140
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
141
(Supermoto R)
– Schroef  met flensbus monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
M6
10 Nm
700652-10
–
Schroef  met lagerhuls en rubberen bus aan beide zijden monteren en vastdraaien.
Controleren of de brandstoftank goed vastzit.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis
M8
25 Nm
–
Legging van de brandstofslangen controleren.
–
Spoiler aan beide zijden positioneren. Schroeven  monteren en vastdraaien.
B00147-10
Voorgeschreven waarde
Schroef spoiler
M6
(Supermoto T)
– Maskerspoiler inbouwen. (
–
B00141-11
Zadel monteren. (
pag. 100)
pag. 143)
8 Nm
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
Maskerspoiler demonteren (Supermoto T)
9.62
–
Schroeven  verwijderen.
–
Schroeven  verwijderen.
–
Maskerspoiler afnemen.
700632-01
700634-01
142
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Schroeven  verwijderen.
–
Binnenbekleding van de maskerspoiler afnemen.
–
Deze stappen aan de tegenoverliggende zijde herhalen.
–
Binnenbekleding van de maskerspoiler positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
700633-01
Maskerspoiler inbouwen (Supermoto T)
9.63
700633-10
143
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Maskerspoiler positioneren.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
–
Schroeven  monteren en vastdraaien.
–
Deze stappen aan de tegenoverliggende zijde herhalen.
700632-10
700634-10
Uitgangspositie koppelingshendel instellen
9.64
Info
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid komt de koppelingshendel verder van het stuur af te staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid komt de koppelingshendel dichter bij het stuur te staan.
Het instelbereik is beperkt.
De stelschroef alleen met de hand draaien en geen geweld gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
144
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
145
(Supermoto R)
– Uitgangspositie van de koppelingshendel met de stelschroef  aan de grootte van
de hand aanpassen.
700548-10
(Supermoto T)
– Uitgangspositie van de koppelingshendel met de stelschroef  aan de grootte van
de hand aanpassen.
–
Bij het instellen van de koppelingshendel een minimale afstand aanhouden tot de
overige het voertuigonderdelen.
Voorgeschreven waarde
Minimale afstand
5 mm
700653-01
Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren
9.65
Info
Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingsplaten zijn versleten.
Geen remvloeistof gebruiken.
–
Het aan het stuur gemonteerde reservoir van de hydraulische koppeling in horizontale
positie zetten.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
146
–
Schroeven  verwijderen.
–
Deksel  met membraan  afnemen.
–
Vloeistofpeil controleren.
Vloeistofpeil lager dan bovenzijde van het
reservoir
»
4 mm
Als het vloeistofpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Hydraulische olie (15) (
700606-01
pag. 189)
–
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
–
Stuur in rechtuitstand zetten. Gashendel licht heen en weer bewegen en de speling van
de gaskabel bepalen.
Speling gaskabel controleren
9.66
Speling gaskabel
»
3… 5 mm
Als de speling van de gaskabel niet met de voorgeschreven waarde overeenkomt:
–
Speling gaskabel instellen.
x(
pag. 147)
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
400192-10
–
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
Motor starten en stationair laten draaien. Stuur over het gehele stuurbereik heen en
weer bewegen.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
147
Het stationaire toerental mag daarbij niet veranderen.
»
Als het stationair toerental verandert:
–
Speling gaskabel instellen
9.67
Speling gaskabel instellen.
x(
pag. 147)
x
–
Stuur in rechtuitstand zetten.
–
Regelklepsteller met KTM-diagnosetool in de uitgangspositie zetten.
–
Contramoer  losdraaien.
–
Speling gaskabel met de stelschroef  instellen.
Voorgeschreven waarde
Speling gaskabel
–
3… 5 mm
Contramoer  vastdraaien.
700608-01
Motoroliepeil controleren
9.68
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
Motor starten en laten warmlopen totdat de rijtemperatuur is bereikt.
6 balkjes van de temperatuurindicator branden.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
148
–
Motor uitzetten.
–
Motorfiets op een horizontaal oppervlak verticaal neerzetten (niet op de zijstandaard).
–
Motoroliepeil op het oliekijkglas  aflezen.
Het motoroliepeil moet tussen de bovenste  en onderste  markering liggen.
»
Als het motoroliepeil niet in het aangegeven bereik ligt:
–
Motorolie bijvullen. (
pag. 154)
700619-11
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
9.69
x
–
Motorolie aftappen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
–
Motorolie vullen.
x(
x(
pag. 148)
pag. 153)
B00119-01
Motorolie aftappen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
9.70
x
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Tijdens het rijden worden de motor- en transmissieolie in de motorfiets zeer heet.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidshandschoenen dragen. Verbrande huid meteen onder lauw water houden.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
De motorolie moet worden afgetapt als de motor warm is.
–
Geschikte bak onder de motor klaarzetten.
–
Olieaftapschroef  met magneet en keerring verwijderen.
–
Motorolie volledig uit de motor laten stromen.
–
Schroeven  verwijderen en deksel  afnemen.
700611-10
700610-10
149
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
Oliezeef  met een tang uit het motorhuis trekken.
–
Geschikte bak onder de motor klaarzetten.
–
Olie-aftapschroef  verwijderen.
–
Motorolie volledig uit de olietank laten stromen.
–
Schroeven  verwijderen en olieleiding  opzij zwenken.
–
Oliezeef  uit de olietank trekken.
700612-10
700613-10
700615-10
150
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
151
–
Schroefverbinding  losdraaien en olieleiding opzij zwenken.
–
Schroeven verwijderen. Oliefilterdeksel  met keerring verwijderen.
–
Oliefilter  uit het oliefilterhuis trekken.
Seegerringtang verkeerd (51012011000)
–
Motorolie volledig laten uitlopen.
–
Alle oliezeven en olie-aftapschroeven met magneet grondig reinigen.
–
Alle afdichtvlakken reinigen.
–
Oliefilter  inzetten.
–
Keerring van het oliefilterdeksel insmeren met olie.
–
Oliefilterdeksel  monteren. Schroeven monteren en vastdraaien.
700617-10
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven motor
–
M5
6 Nm
Olieleiding positioneren. Schroefverbinding  monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
700618-10
Schroefverbinding aanzuigleiding
M14x1,5
45 Nm
Loctite® 577
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
152
–
Pakkingring  van de oliezeef controleren op beschadigingen en goed vastzitten.
–
Oliezeef  in de olietank steken.
–
Olieleiding  positioneren. Schroeven  monteren en vastdraaien.
700614-10
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven motor
–
M6
10 Nm
Olieaftapschroef  met magneet en nieuwe pakking monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Olieaftapschroef met magneet
M12x1,5
25 Nm
700613-10
–
Olieaftapschroef  met magneet en nieuwe pakkingring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Olieaftapschroef met magneet
700611-10
M22x1,5
35 Nm
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
153
–
Oliezeef  met de markering TOP naar boven in het motorhuis schuiven.
–
Vormring in deksel  controleren op beschadigingen en correct vastzitten.
–
Deksel positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef koppelingsdeksel
M6
10 Nm
700616-10
Motorolie vullen
9.71
x
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
–
De hoeveelheid olie moet in twee stappen worden gevuld.
Motorolie
700619-10
3,80 l
Buitentemperatuur:
≥ 0 °C
Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 190)
Buitentemperatuur:
< 0 °C
Motorolie
(SAE 5W/40)
( pag. 190)
–
Afsluitschroef  verwijderen en motorolie tot de bovenste markering  vullen.
–
Afsluitschroef monteren.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
154
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid
en/of de dood tot gevolg hebben.
–
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen,
de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten draaien zonder een
geschikte afzuiginstallatie.
–
Motor starten en laten warmlopen totdat de rijtemperatuur is bereikt.
–
Smeersysteem controleren op lekkage.
–
Motor uitzetten.
–
Motorfiets op een horizontaal oppervlak verticaal neerzetten (niet op de zijstandaard).
–
Afsluitschroef verwijderen.
–
Motorolie tot bovenste markering  vullen.
–
Afsluitschroef monteren.
6 balkjes van de temperatuurindicator branden.
Motorolie bijvullen
9.72
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
Het motoroliepeil moet bij een warme motor worden gecorrigeerd.
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
–
155
Afsluitschroef  verwijderen en motorolie tot de bovenste markering  vullen.
Voorwaarden
Buitentemperatuur: ≥ 0 °C
Motorolie (SAE 10W/50) (
pag. 190)
Voorwaarden
Buitentemperatuur: < 0 °C
Motorolie (SAE 5W/40) (
700619-10
pag. 190)
Info
Voor een optimale prestatie van de motorolie wordt aangeraden geen verschillende motoroliesoorten te mengen.
We raden aan indien nodig de motorolie te verversen.
–
Afsluitschroef monteren.
Stekkerverbinding ontstekingscurve
9.73
De stekkerverbinding bevindt zich onder het zadel voor het zekeringenblok.
Door het verbreken van de stekkerverbinding wordt een ontstekingscurve voor brandstof met
een octaangetal lager dan 95 (ROZ 95 / RON 95 / PON 91) geactiveerd. De motor verliest
daardoor slechts weinig vermogen, maar er wordt voorkomen dat er door slechte brandstof
vonkontstekingen plaatsvinden die de motor kunnen beschadigen.
Mogelijke toestanden
• Stekkerverbinding los – Voor het vullen van de brandstoftank kan brandstof met 80 tot
94 octaan (ROZ) worden gebruikt.
• Stekkerverbinding aangesloten – Er kan brandstof vanaf 95 octaan worden gebruikt.
700607-01
ONDERHOUD AAN CHASSIS EN MOTOR
156
Ontstekingscurve aanpassen aan brandstofkwaliteit
9.74
–
Contact uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand OFF
–
Zadel afnemen. (
draaien.
pag. 99)
Ontstekingscurve voor brandstof met laag octaangetal activeren:
Aanwijzing
Beschadiging van de motor Slechte brandstofkwaliteit is nadelig voor de motor.
–
–
Het voertuig maximaal één brandstoftankvulling laten rijden met een octaangetal lager dan 95 (ROZ 95 / RON 95 / PON 91).
–
De ontstekingscurve moet worden ingesteld op brandstof met een laag octaangetal.
Stekkerverbinding verbreken.
Stekkerverbinding los – Voor het vullen van de brandstoftank kan brandstof met 80 tot 94 octaan (ROZ) worden gebruikt.
( pag. 155)
Ontstekingscurve voor brandstof met een octaangetal vanaf 95 (ROZ 95 / RON 95 / PON 91) activeren:
– Stekkerverbinding aansluiten.
Stekkerverbinding aangesloten – Er kan brandstof vanaf 95 octaan worden gebruikt. (
–
Zadel monteren. (
pag. 100)
pag. 155)
KNIPPERCODE WEGRIJBLOKKERING
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
12 Controlelampje wegrijblokkering knippert 1x kort, 1 seconde pauze, 2x kort
Voorwaarde voor fout
Geen enkele contactsleutel geactiveerd
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
13 Controlelampje wegrijblokkering knippert 1x kort, 1 seconde pauze, 3x kort
Voorwaarde voor fout
Antenne EWS-besturingsunit werkt niet goed
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
14 Controlelampje wegrijblokkering knippert 1x kort, 1 seconde pauze, 4x kort
Voorwaarde voor fout
Verkeerde werking in transponder van zwarte contactsleutel
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
15 Controlelampje wegrijblokkering knippert 1x kort, 1 seconde pauze, 5x kort
Voorwaarde voor fout
Zwarte contactsleutel niet geactiveerd
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
16 Controlelampje wegrijblokkering knippert 1x kort, 1 seconde pauze, 6x kort
Voorwaarde voor fout
Versleuteling EWS-besturingunit naar zwarte contactsleutel werkt niet goed
157
KNIPPERCODE WEGRIJBLOKKERING
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
21 Controlelampje wegrijblokkering knippert 2x kort, 1 seconde pauze, 1x kort
Voorwaarde voor fout
EWS-besturingsunit niet geactiveerd
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
31 Controlelampje wegrijblokkering knippert 3x kort, 1 seconde pauze, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Versleutelingsaanvraag van EFI-besturingsunit naar EWS-besturingsunit werkt niet goed
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
32 Controlelampje wegrijblokkering knippert 3x kort, 1 seconde pauze, 2x kort
Voorwaarde voor fout
Verkeerde werking CAN-bus communicatie
Knippercode controlelampje wegrijblokkering
60 Controlelampje wegrijblokkering knippert 6x kort
Voorwaarde voor fout
Verkeerde werking E²PROM
158
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
02 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 2x kort
Voorwaarde voor fout
Schakelcircuit impulsgever - Fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
06 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 6x kort
Voorwaarde voor fout
Regelklepsensor circuit A - ingangssignaal te laag
Regelklepsensor circuit A - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
07 FI waarschuwingslamp (MIL) knippert 7x kort
Voorwaarde voor fout
Regelklepsensor circuit B - ingangssignaal te laag
Regelklepsensor circuit B - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
09 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 9x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor‑aanzuigbuis cilinder 1 - ingangssignaal te laag
Druksensor‑aanzuigbuis cilinder 1 - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
11 FI waarschuwingslamp (MIL) knippert 1x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor‑aanzuigbuis cilinder 2 - ingangssignaal te laag
Druksensor‑aanzuigbuis cilinder 2 - ingangssignaal te hoog
159
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
12 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, twee 2x kort
Voorwaarde voor fout
Temperatuursensor koelmiddel - ingangssignaal te laag
Temperatuursensor koelmiddel - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
13 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 3x kort
Voorwaarde voor fout
Temperatuursensor aanzuiglucht - ingangssignaal te laag
Temperatuursensor aanzuiglucht - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
14 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 4x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor omgevingslucht - ingangssignaal te laag
Druksensor omgevingslucht - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
15 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 5x kort
Voorwaarde voor fout
Hellingshoeksensor (A/D type) - ingangssignaal te laag
Hellingshoeksensor (A/D type) - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
17 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 1x lang, 7x kort
Voorwaarde voor fout
Lambdasonde cilinder 1, sonde 1 - fout in schakelcircuit
160
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
18 FI waarschuwingslamp (MIL) knippert 1x lang, 8x kort
Voorwaarde voor fout
Lambdasonde cilinder 2, sonde 1 - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
24 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 2x lang, 4x kort
Voorwaarde voor fout
Voedingsspanning - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
25 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 2x lang, 5x kort
Voorwaarde voor fout
Zijstandaard (A/D type) - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
33 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 3x lang, 3x kort
Voorwaarde voor fout
Inspuitklep cilinder 1 - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
34 FI waarschuwingslamp (MIL) knippert 3x lang, 4x kort
Voorwaarde voor fout
Inspuitklep cilinder 2 - fout in schakelcircuit
161
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
37 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 3x lang, 7x kort
Voorwaarde voor fout
Bobine cilinder 1 - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
38 FI waarschuwingslamp (MIL) knippert 3x lang, 8x kort
Voorwaarde voor fout
Bobine cilinder 2 - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
41 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 4x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Besturing brandstofpomp - onderbreking/kortsluiting met massa
Besturing brandstofpomp - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
45 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 4x lang, 5x kort
Voorwaarde voor fout
Lambdasonde verwarming cilinder 1, sonde 1 - onderbreking/kortsluiting met massa
Lambdasonde verwarming cilinder 1, sonde 1 - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
46 FI waarschuwingslamp (MIL) knippert 4x lang, 6x kort
Voorwaarde voor fout
Lambdasonde verwarming cilinder 2, sonde 1 - onderbreking/kortsluiting met massa
Lambdasonde verwarming cilinder 2, sonde 1 - ingangssignaal te hoog
162
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
49 FI waarschuwingslamp (MIL) knippert 4x lang, 9x kort
Voorwaarde voor fout
Smoorklepsteller circuit A - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
50 FI waarschuwingslamp (MIL) knippert 5x kort
Voorwaarde voor fout
Smoorklepsteller circuit B - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
54 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 5x lang, 4x kort
Voorwaarde voor fout
Secundaire luchtklep - onderbreking/kortsluiting met massa
Secundaire luchtklep - ingangssignaal te hoog
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
68 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 6x lang, 8x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor aanzuigbuis cilinder 1 - aansluiting niet dicht
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
69 FI waarschuwingslamp (MIL) knippert 6x lang, 9x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor aanzuigbuis cilinder 2 - aansluiting niet dicht
163
KNIPPERCODE MOTORBESTURING
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
81 FI waarschuwingslamp (MIL) knippert 8x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Besturingsapparaat wegrijblokkering - fout in schakelcircuit
Knippercode FI waarschuwingslampje (MIL)
91 FI waarschuwingslampje (MIL) knippert 9x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Fout CAN-bus communicatie
164
OPSPOREN VAN FOUTEN
165
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor draait niet door bij het indrukken van de e-startknop
Bedieningsfouten
–
Stappen voor de startprocedure uitvoeren.
( pag. 45)
Accu leeg
–
Accu laden.
–
Ruststroom controleren.
Zekering IGNITION, FUEL PUMP of
POWER RELAY doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 108)
Hoofdzekering doorgesmolten
–
Hoofdzekering vervangen. (
Contact-/stuurslot en/of noodstopschakelaar defect
–
Noodstopschakelaar controleren.
–
Contact-/stuurslot controleren.
Veiligheidsstartsysteem defect
–
EWS-besturingsunit niet geactiveerd
–
Fout CAN-bus communicatie
–
Gecombineerd instrument defect
–
Besturingsapparaat e-startblokkering
defect
–
Motor draait alleen door, als de koppelingshendel is getrokken
Er is een versnelling geschakeld
–
Veiligheidsstartsysteem defect
–
Motor draait door, hoewel er een versnelling is geschakeld
Veiligheidsstartsysteem defect
–
x
x
Veiligheidsstartsysteem controleren. x
EWS-besturingsunit activeren. x
CAN-bus communicatie controleren. x
Gecombineerd instrument controleren. x
Besturingsapparaat e-startblokkering controleren. x
Versnelling in neutraal schakelen.
Veiligheidsstartsysteem controleren. x
Veiligheidsstartsysteem controleren. x
Motor draait door, maar springt niet
aan
Koppeling brandstofslangverbinding
niet verbonden
–
Koppeling brandstofslangverbinding verbinden.
Stekkerverbinding van kabelboom verroest
–
Stekkerverbinding reinigen en met contactspray
behandelen.
Fout in het brandstofinspuitsysteem
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
x
x(
pag. 104)
x
pag. 106)
OPSPOREN VAN FOUTEN
166
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor heeft te weinig vermogen
Luchtfilter sterk vervuild
–
Luchtfilter vervangen.
Fout in het brandstofinspuitsysteem
–
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
x
x
Motor wordt overmatig heet
Ontstekingscurve voor brandstof met
laag octaangetal geactiveerd
–
Brandstof vanaf 95 octaan tanken.
–
Stekkerverbinding aansluiten.
Te weinig koelmiddel in koelsysteem
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
x
–
Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
Radiateurlamellen sterk vervuild
–
Radiateurlamellen reinigen.
Schuimvorming in het koelsysteem
–
Koelmiddel aftappen.
–
Koelsysteem vullen/ontluchten.
Geknikte of beschadigde radiateurslang –
x(
Radiateurslang vervangen.
pag. 136)
x(
pag. 137)
x
Zekering FAN doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 108)
Thermostaat defect
–
Thermostaat controleren.
Defect aan het ventilatiesysteem van
radiateur
–
Radiateurventilator controleren.
x
x
Koelsysteem vullen/ontluchten. x ( pag. 137)
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen. x
Lucht in het koelsysteem
–
FI waarschuwingslampje (MIL) brandt
of knippert
Fout in het brandstofinspuitsysteem
–
Motor slaat tijdens het rijden af
Onvoldoende brandstof
–
Brandstof tanken. (
Zekering IGNITION, FUEL PUMP of
POWER RELAY doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 108)
Motoroliepeil te hoog
–
Motoroliepeil controleren. (
Vloeibaarheid motorolie te dun (viscositeit)
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
( pag. 148)
Hoog olieverbruik
x
pag. 53)
pag. 147)
OPSPOREN VAN FOUTEN
167
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Koplampen en parkeerlicht werken niet
Zekering H/L BEAM, POSITION doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 108)
Richtingaanwijzer, waarschuwingsknipperlichten, remlicht en claxon werken
niet
Zekering HORN, BRAKE LIGHT, SPEEDO
doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 108)
Accu leeg
Ontsteking bij het uitzetten van het
voertuig niet uitgeschakeld
–
Accu laden.
Accu wordt niet geladen door de
dynamo
–
Laadspanning controleren.
Er wordt niets weergegeven op de display van het gecombineerde instrument
Zekering ACC1, CLOCK doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers vervangen. ( pag. 108)
Snelheidsindicator in het gecombineerde instrument werkt niet
Kabelboom van de wieltoerentalsensor
en/of stekkerverbinding verroest
–
Wieltoerentalsensor controleren.
x(
pag. 104)
x
x
REINIGING
168
Motorfiets reinigen
13.1
Aanwijzing
Materiële schade Beschadiging en vernietiging van componenten door hogedrukreiniger.
–
Het voertuig nooit met een hogedrukreiniger of een harde waterstraal reinigen. De te hoge druk kan in de elektrische componenten,
steekverbindingen, bowdenkabels, lagers dringen en storingen veroorzaken en/of deze onderdelen vernietigen.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
De motorfiets regelmatig reinigen, zo blijven de waarde en het uiterlijk gedurende langere tijd behouden.
Directe zonnestralen op de motorfiets tijdens het reinigen vermijden.
–
Uitlaatsysteem afsluiten, om te voorkomen dat er water indringt.
–
Grove vervuiling met een zachte waterstraal verwijderen.
–
Sterk vervuilde plekken met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger inspuiten en met een kwastje behandelen.
Motorfietsreiniger (
pag. 194)
Info
Warm water met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger en een spons gebruiken voor het reinigen van het
voertuig.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden, moet hij in koud water worden gereinigd. Warm water versterkt de zoutwerking.
–
Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is afgespoeld, moet deze met perslucht en een doek worden gedroogd.
REINIGING
169
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door natte of vervuilde remmen.
–
–
Vervuilde of natte remmen voorzichtig schoon- resp. droogremmen.
Na de reiniging een korte rit rijden, totdat de motor de rijtemperatuur heeft bereikt en daarbij ook de remmen gebruiken.
Info
Door de warmte verdampt het water ook op de ontoegankelijk plekken van de motor en de remmen.
–
Na het afkoelen van de motorfiets moeten alle glij- en lagerplekken met worden ingesmeerd.
–
Ketting reinigen. (
–
Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschijven en het uitlaatsysteem) met antiroestmiddel behandelen.
pag. 72)
Reinigings- en conserveringsmiddel voor metaal en rubber (
–
Alle gelakte onderdelen behandelen met een onderhoudsmiddel voor lakken.
Hoogglans-politoer voor lak (
–
pag. 194)
pag. 193)
Contact-/stuurslot, tankslot en zadelslot insmeren met olie.
Universele oliespray (
pag. 194)
CONSERVEREN VOOR DE WINTER
170
Conserveren voor de winter
14.1
Info
Als de motorfiets ook in de winter wordt gebruikt, moet rekening worden gehouden met strooizout op de wegen. Daarom moeten er
voorzorgsmaatregelen worden genomen tegen het agressieve strooizout.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden, moet hij in koud water worden gereinigd. Warm water versterkt de zoutwerking.
–
Motorfiets reinigen. (
–
Motor, achterbrug en alle overige blanke of verzinkte onderdelen (met uitzondering van de remschijven) met antiroestmiddel op wasbasis behandelen.
pag. 168)
Info
Er mag geen antiroestmiddel op de remschijven terechtkomen, aangezien daardoor de remwerking sterk wordt verminderd.
Na het rijden op wegen met strooizout moet de motorfiets grondig met koud water gereinigd en goed gedroogd worden.
–
Ketting reinigen. (
pag. 72)
STALLING
171
Stalling
15.1
Info
Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken moet u volgende maatregelen nemen of laten nemen.
Voordat u de motorfiets gaat stallen eerst controleren of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten. Als er servicewerkzaamheden, reparaties of wijzigingen nodig zijn kunt u dat het beste doen tijdens de overwintering (minder drukte bij de garages). Zo
voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het seizoen.
–
Probeer de brandstoftank zoveel mogelijk leeg te rijden, zodat u hem met verse brandstof kunt vullen als u weer gaat rijden.
–
Motorfiets reinigen. (
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
–
Antivries controleren.
–
Bandenspanning controleren. (
–
Accu uitbouwen.
–
Accu laden.
x(
pag. 168)
x(
pag. 148)
x
x(
pag. 98)
pag. 101)
pag. 104)
Voorgeschreven waarde
Opslagtemperatuur van de accu zonder directe blootstelling aan
zonnestralen
–
0… 35 °C
De opslagplaats moet droog zijn en er mogen geen grote temperatuurschommelingen zijn.
Info
KTM adviseert om de motorfiets op de montagebok te plaatsen.
–
Motorfiets achter op montagebok plaatsen. (
–
Motorfiets voor op montagebok plaatsen. (
–
De motorfiets afdekken met een luchtdoorlatend dekzeil of een deken.
pag. 60)
pag. 59)
STALLING
172
Info
In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen worden gebruikt, omdat er dan geen vocht kan ontsnappen en er corrosie
ontstaat.
Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets voor korte tijd te laten draaien. Aangezien de motor daarbij niet voldoende warm wordt, condenseert de waterdamp die bij de verbranding ontstaat en leidt ertoe dat de kleppen en uitlaat gaan
roesten.
Inbedrijfname na stalling
15.2
–
Motorfiets vooraan van de montagebok nemen. (
–
Motorfiets achter van montagebok nemen. (
–
Accu laden.
pag. 59)
pag. 60)
–
x ( pag. 104)
Accu inbouwen. x ( pag. 103)
–
Tijd instellen. (
–
Brandstof tanken. (
–
Voordat u gaat rijden de nodige controles uitvoeren. (
–
Een proefrit maken.
pag. 29)
pag. 53)
pag. 44)
TECHNISCHE GEGEVENS - MOTOR
173
Bouwwijze
2-cilinder 4-takt ottomotor, 75° V-indeling, gekoeld met vloeistof
Cilinderinhoud
999 cm³
Slag
62,4 mm
Boring
101 mm
Compressie
11,5:1
Besturing
DOHC, 4 kleppen per cilinder, aandrijving via ketting
Klep - diameter
Afvoer
33 mm
Invoer
38 mm
Klepspeling
Afvoer bij: 20 °C
0,25… 0,30 mm
Invoer bij: 20 °C
0,10… 0,15 mm
Krukaslager
Glijlager
Drijfstanglager
Glijlager
Zuigers
Lichtmetaal gesmeed
Zuigerveer
1 L-ring, 1 conische ring, 1 olieschraapveer
Motorsmering
Dry-sump smering met 2 rotorpompen
Primaire overbrenging
35:67
Koppeling
Meerplaats-koppeling in oliebad / hydraulisch bediend
Aandrijving
6 versnellingen met klauwschakeling
Overbrengingsverhouding
1e versnelling
12:35
2e versnelling
15:32
3e versnelling
18:30
4e versnelling
20:27
TECHNISCHE GEGEVENS - MOTOR
174
5e versnelling
24:27
6e versnelling
27:26
Mengselbehandeling
Elektronisch aangestuurde brandstofinspuiting
Ontstekingssysteem
Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontstekingssysteem
met digitale ontstekingsvertraging
Dynamo
12 V, 450 W
Bougie
NGK DCPR8E
Elektrodenafstand bougie
0,8 mm
Koeling
Vloeistofkoeling, permanente circulatie koelmiddel door waterpomp
Starthulp
E-starter
Vulhoeveelheid - motorolie
16.1
Motorolie
3,80 l
Buitentemperatuur: ≥ 0 °C
Motorolie (SAE 10W/50)
( pag. 190)
Buitentemperatuur: < 0 °C
Motorolie (SAE 5W/40)
( pag. 190)
Vulhoeveelheid - koelmiddel
16.2
Koelmiddel
2,30 l
Koelmiddel (
pag. 189)
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd) (
pag. 189)
AANHAALMOMENTEN MOTOR
175
Olievernevelaar
M4
6 Nm
Loctite® 243™
Slangklem aanzuigflens
M4
1,5 Nm
–
Overige schroeven motor
M5
6 Nm
–
Schroef hoekaansluiting aan klepdeksel
M5
3 Nm
Loctite® 243™
Schroef lagerborging
M5
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef sensor versnellingsherkenning
M5
3 Nm
Loctite® 243™
Schroef vergrendelingshendel
M5
6 Nm
Loctite® 243™
Afsluitschroef onderdrukaansluiting
M6
5 Nm
Loctite® 243™
Moer cilinderkop
M6
8 Nm
–
Onderdrukaansluiting
M6
5 Nm
Loctite® 243™
Overige schroeven motor
M6
10 Nm
–
Penschroef cilinderkop in cilinder
M6
Penschroef cilinderkop in motorhuis
M6
10 Nm
–
Schroef dynamodeksel
M6
10 Nm
–
Schroef impulsgever
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef klepdeksel
M6
10 Nm
–
Schroef koppelingsdeksel
M6
10 Nm
–
Schroef koppelingsveer
M6
10 Nm
–
Schroef lagerbout in dynamodeksel
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef motorhuis
M6
10 Nm
–
Schroef nokkenaslagerplaat
M6
10 Nm
–
Schroef oliepomphuis
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef startmotor
M6
10 Nm
–
Schroef stationaire ring
M6
13 Nm
Loctite® 648™
Loctite® 243™
AANHAALMOMENTEN MOTOR
176
Schroef stationairhouder
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef stator
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef versnellingshendel
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef versnellingsvergrendeling
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
–
Schroef waterpompwiel
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Olievernevelaar
M6x0,75
4 Nm
Loctite® 243™
Lagerbout distributiekettinggeleider
M8
15 Nm
Loctite® 243™
Lagerbout distributiekettingspannergeleider
M8
20 Nm
Loctite® 243™
Schroef cilinderkop
M8
1e niveau
18 Nm
2e niveau
23 Nm
Loctite® 243™
Schroef koppelingsdeksel
M8
15 Nm
–
Schroef nokkenaslagerplaat
M8
1e niveau
10 Nm
2e niveau
18 Nm
–
Tapeind uitlaatflens
M8
15 Nm
–
Afsluitschroef koppelingssmering
M10
15 Nm
–
Lagerbout dubbel distributiewiel
M10
30 Nm
–
Moer cilinderkop (buitenliggend)
M10
1e niveau
23 Nm
2e niveau
34 Nm
Geldt alleen bij gebruik van:
Ringsleutelelement 13mm
(60029081000)
Geolied met motorolie
AANHAALMOMENTEN MOTOR
177
Moer cilinderkop aan kettingkast
M10
1e niveau
25 Nm
2e niveau
38 Nm
Geolied met motorolie
Penschroef cilinderkop in motorhuis
M10
20 Nm
–
Oliedrukschakelaar
M10x1
10 Nm
–
Schroef drijfstanglager
M10x1
1e niveau
25 Nm
2e niveau
30 Nm
3e niveau
60°
–
Afsluitschroef cilinderkop (2e cilinder)
M12x1,5
25 Nm
–
Bougie
M12x1,5
12 Nm
–
Temperatuursensor koelmiddel
M12x1,5
12 Nm
–
Afsluitschroef oliefilterhuis
M14x1,5
15 Nm
Loctite® 243™
Afsluitschroef distributiekettingspanner
M16x1,5
20 Nm
–
Ontluchtingsaansluiting dynamodeksel
M16x1,5
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef rotor
M16x1,5
150 Nm
Loctite® 243™
Inschroefaansluitingen koelsysteem
M20x1,5
10 Nm
Loctite® 577
Moer balansas
M20x1,5
120 Nm
Loctite® 243™
Moer ketting-aandrijfwiel
M20x1,5
100 Nm
Loctite® 243™
Moer koppelingmeenemer
M22x1,5
130 Nm
Loctite® 243™
Olieaftapschroef met magneet
M22x1,5
35 Nm
–
Schroef in dynamodeksel
M24x1,5
8 Nm
–
Moer primair tandwiel
M33LHx1,5
130 Nm
Loctite® 243™
TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS
178
Frame
Buisframe van chroommolybdeen staalbuizen, geëloxeerd
Voorvork
WP Suspension Up Side Down 4860 ROMA PA
Schokdemper
WP Suspension 4618 BAVP DCC
Veerweg
voor
160 mm
achter
180 mm
Remsysteem
voor
Dubbele schijfrem met radiaal gemonteerde remklauwen met vier
zuigers, remschijven vlottend gelagerd
achter
Enkele schijfrem met remklauw met twee zuigers, remschijf vast
gelagerd
Remschijven - diameter
voor
305 mm
achter
240 mm
Remschijven - slijtagegrens
voor
4,5 mm
Remschijf - slijtagegrens
achter
4,5 mm
Bandenspanning Solo
voor
2,2 bar
achter
2,2 bar
Bandenspanning met bijrijder / volledige nuttige belasting
voor
2,4 bar
achter
2,5 bar
Secundaire overbrenging
17:41
TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS
179
Ketting
5/8 x 5/16” X‑ring
Balhoofdhoek
65,6°
Wielstand
1.505±15 mm
Zithoogte onbelast (Supermoto R)
875 mm
Zithoogte onbelast (Supermoto T)
855 mm
Afstand van bodem, onbelast
195 mm
Gewicht zonder brandstof ca. (Supermoto R)
189 kg
Gewicht zonder brandstof ca. (Supermoto T)
196 kg
Maximaal toegestane asbelasting voor (Supermoto T)
190 kg
Maximaal toegestane asbelasting voor (Supermoto R)
160 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
250 kg
Maximaal toegestaan totaalgewicht
400 kg
Accu
YTZ14S
Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 11,2 Ah
Onderhoudsvrij
Zekering
58011109110
10 A
Zekering
58011109115
15 A
Zekering
58011109130
30 A
Dimlicht/groot licht
H4 / sokkel P43t
12 V
60/55 W
Zijlicht
W5W / sokkel W2,1x9,5d
12 V
5W
Instrumentverlichting en controlelampjes
LED
Lampen
18.1
TECHNISCHE GEGEVENS - CHASSIS
180
Richtingaanwijzer
RY10W / sokkel BAU15s
12 V
10 W
Achterlicht
WR5W / sokkel W2,1x9,5d
12 V
5W
Remlicht
PR21W / sokkel BAW15s
12 V
21 W
Kentekenplaatverlichting
W5W / sokkel W2,1x9,5d
12 V
5W
Geldigheid
Banden voor
Banden achter
(Supermoto R)
120/70 ZR 17 M/C 58W TL
Pirelli Dragon Supercorsa Pro
180/55 ZR 17 M/C 73W TL
Pirelli Dragon Supercorsa Pro
(Supermoto T)
120/70 ZR 17 M/C 58W TL
Continental ContiSportAttack
180/55 ZR 17 M/C 73W TL
Continental ContiSportAttack
Banden
18.2
Meer informatie vindt u in het servicegedeelte onder:
http://www.ktm.com
Vulhoeveelheid - brandstof
18.3
Brandstoftankvolume totaal ca.
(Supermoto T)
19 l
Brandstof super loodvrij (ROZ 95) (
pag. 189)
Brandstoftankvolume totaal ca.
(Supermoto R)
15 l
Brandstof super loodvrij (ROZ 95) (
pag. 189)
Brandstofreserve ca. (Supermoto T)
3,7 l
Brandstofreserve ca. (Supermoto R)
3,5 l
TECHNISCHE GEGEVENS - VOORVORK
181
Supermoto R
19.1
Artikelnummer voorvork
14.18.7E.21
Voorvork
WP Suspension Up Side Down 4860 ROMA PA
Ingaande demping
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige belasting
10 klikken
Uitgaande demping
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige belasting
10 klikken
Veervoorspanning - Preload Adjuster
Comfort
5 omwentelingen
Standaard
5 omwentelingen
Sport
3 omwentelingen
Volledige nuttige belasting
3 omwentelingen
Veerlengte met voorspanbus(sen)
386 mm
Veerconstante
Gemiddeld (standaard)
7,5 N/mm
Lengte voorvork
877 mm
Lengte luchtkamer
100±20 mm
Voorvorkolie per vorkpoot
750 ml
Voorvorkolie (SAE 5) (
pag. 191)
TECHNISCHE GEGEVENS - VOORVORK
182
Supermoto T
19.2
Artikelnummer voorvork
14.18.7E.43
Voorvork
WP Suspension Up Side Down 4860 ROMA PA
Ingaande demping
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Uitgaande demping
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Veervoorspanning - Preload Adjuster
Comfort
5 omwentelingen
Standaard
5 omwentelingen
Sport
3 omwentelingen
Volledige nuttige belasting
3 omwentelingen
Veerlengte met voorspanbus(sen)
384 mm
Veerconstante
Gemiddeld (standaard)
7,0 N/mm
Lengte voorvork
877 mm
Lengte luchtkamer
110+10
−30 mm
Voorvorkolie per vorkpoot
742 ml
Voorvorkolie (SAE 5) (
pag. 191)
TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER
Supermoto R
20.1
Artikelnummer schokdemper
15.18.7E.03
Schokdemper
WP Suspension 4618 BAVP DCC
Ingaande demping low speed
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Ingaande demping high speed
Comfort
2 omwentelingen
Standaard
1,5 omwentelingen
Sport
1 omwenteling
Volledige nuttige belasting
1 omwenteling
Uitgaande demping
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige belasting
10 klikken
Veervoorspanning
Comfort
11 mm
Standaard
11 mm
Sport
11 mm
Volledige nuttige belasting
13 mm
Veerconstante
183
TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER
Gemiddeld (standaard)
184
140 N/mm
Veerlengte
200 mm
Gasdruk
10 bar
Statische veerweg
20 mm
Inbouwlengte
372 mm
Stootdemperolie
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180342S1) (
Supermoto T
20.2
Artikelnummer schokdemper
15.18.7E.43
Schokdemper
WP Suspension 4618 BAVP DCC
Ingaande demping low speed
Comfort
25 klikken
Standaard
20 klikken
Sport
15 klikken
Volledige nuttige belasting
15 klikken
Ingaande demping high speed
Comfort
2 omwentelingen
Standaard
1,5 omwentelingen
Sport
1 omwenteling
Volledige nuttige belasting
1 omwenteling
Uitgaande demping
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
pag. 191)
TECHNISCHE GEGEVENS - SCHOKDEMPER
Volledige nuttige belasting
185
10 klikken
Veervoorspanning
Comfort
11 mm
Standaard
11 mm
Sport
11 mm
Volledige nuttige belasting
13 mm
Veerconstante
Gemiddeld (standaard)
140 N/mm
Veerlengte
200 mm
Gasdruk
10 bar
Statische veerweg
20 mm
Inbouwlengte
372 mm
Stootdemperolie
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180342S1) (
pag. 191)
TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS
186
Schroef zijdeel achterkant
(Supermoto T)
EJOT
Eerste schroefverbinding
3,3 Nm
Latere schroefverbindingen
2 Nm
–
Schroef zijstandaardschakelaar
M4
2 Nm
Loctite® 243™
Overige schroeven chassis
M5
5 Nm
–
Schroef dopflens brandstoftank
M5
3,3 Nm
–
Schroef glijblok
M5
5 Nm
–
Schroef maskerspoiler (Supermoto T)
M5
1,2 Nm
–
Schroef rempedaalvlak
M5
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef windscherm (Supermoto T)
M5
3,3 Nm
–
Moer achterlicht
M6
8 Nm
–
Overige moeren chassis
M6
15 Nm
–
Overige schroeven chassis
M6
10 Nm
–
Overige schroeven op brandstoftank
M6
3,3 Nm
–
Schroef brandstofkraan
M6
6 Nm
–
Schroef brandstofpomp
M6
6 Nm
–
Schroef glijblok
M6
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef kabelgeleiding (Supermoto T)
M6
2 Nm
–
Schroef magneethouder aan zijstandaard
M6
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef rempedaalcilinder
M6
10 Nm
Loctite® 243™
Schroef spatbescherming
M6
6 Nm
Loctite® 243™
Schroef spoiler
M6
8 Nm
–
Schroef zadelbevestiging brandstoftank
M6
3,3 Nm
–
TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS
187
Overige moeren chassis
M8
30 Nm
–
Overige schroeven chassis
M8
25 Nm
–
Schroef adapter zijstandaard
M8
25 Nm
Loctite® 243™
Schroef asopname
M8
15 Nm
–
Schroef bagagedrager (Supermoto T)
M8
15 Nm
Loctite® 243™
Schroef bovenste kroonplaat
M8
20 Nm
–
Schroef contactslot (een keer te gebruiken)
M8
Schroef handgreep
M8
20 Nm
–
Schroef lampenkaphouder
(Supermoto T)
M8
15 Nm
Loctite® 243™
Schroef onderste kroonplaat
M8
15 Nm
–
Schroef remschijf achter
M8
30 Nm
Loctite® 243™
Schroef remschijf voor
M8
30 Nm
Loctite® 243™
Schroef stuurklemmen
M8
20 Nm
–
Schroef uitlaatklem aan bochtstuk
M8
35 Nm
–
Schroef uitlaatklem aan einddemper
M8
20 Nm
–
Schroef voetsteunhouder achter
M8
25 Nm
Loctite® 243™
Schroef vorkbuis
M8
20 Nm
–
Motorschroef
M10
45 Nm
–
Overige moeren chassis
M10
50 Nm
–
Schroef stuuradapter
M10
20 Nm
–
Schroef zijstandaard
M10
35 Nm
Loctite® 243™
Schroef zijstandaardconsole
M10
45 Nm
Loctite® 243™
Schroef bovenste framearm
M10x1,25
45 Nm
Loctite® 243™
Loctite® 243™
TECHNISCHE GEGEVENS - AANHAALMOMENTEN CHASSIS
188
Schroef onderste framearm
M10x1,25
45 Nm
Loctite® 243™
Schroef remklauw voor
M10x1,25
45 Nm
Loctite® 243™
Olieaftapschroef met magneet
M12x1,5
25 Nm
–
Schroef schokdemper boven
M14x1,5
80 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroef schokdemper onder
M14x1,5
80 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroefverbinding aanzuigleiding
M14x1,5
45 Nm
Loctite® 577
Moer achterbrugbout
M19x1,5
130 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroef balhoofd
M20x1,5
12 Nm
–
Schroef steekas voor
M24x1,5
45 Nm
–
Moer steekas achter
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad ingevet
GEBRUIKSSTOFFEN
189
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
Volgens
– DIN EN 228 (ROZ 95)
Hydraulische olie (15)
Volgens
– ISO VG (15)
Voorgeschreven waarde
– Alleen hydraulische olie gebruiken die voldoet aan de aangegeven norm (zie gegevens op verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Hydraulic Fluid 75
Koelmiddel
Voorgeschreven waarde
– Alleen geschikt koelmiddel gebruiken (ook in landen met hoge temperaturen). Minderwaardig antivries kan leiden tot roestvorming en
schuimvorming. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Mengverhouding
Antivries: −25… −45 °C
50 % antiroest/antivries
50 % gedestilleerd water
Koelmiddel (gebruiksklaar gemengd)
Antivries
Leverancier
Motorex®
– Anti Freeze
−40 °C
GEBRUIKSSTOFFEN
190
Motorolie (SAE 10W/50)
Volgens
– JASO T903 MA (
–
SAE (
pag. 195)
pag. 195) (SAE 10W/50)
Voorgeschreven waarde
– Alleen motorolie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Volledig synthetische motorolie
Leverancier
Motorex®
– Power Synt 4T
Motorolie (SAE 5W/40)
Volgens
– JASO T903 MA (
–
SAE (
pag. 195)
pag. 195) (SAE 5W/40)
Voorgeschreven waarde
– Alleen motorolie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen beschikt. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Volledig synthetische motorolie
Leverancier
Motorex®
– Power Synt 4T
GEBRUIKSSTOFFEN
191
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1
Volgens
– DOT
Voorgeschreven waarde
– Alleen remvloeistof gebruiken die voldoet aan de aangegeven norm (zie gegevens op verpakking) en over de geschikte eigenschappen
beschikt. KTM adviseert producten van Castrol en Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Castrol
– RESPONSE BRAKE FLUID SUPER DOT 4
Motorex®
– Brake Fluid DOT 5.1
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180342S1)
Volgens
– SAE (
pag. 195) (SAE 2,5)
Voorgeschreven waarde
– Alleen olie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen
beschikt.
Voorvorkolie (SAE 5)
Volgens
– SAE (
pag. 195) (SAE 5)
Voorgeschreven waarde
– Alleen olie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de geschikte eigenschappen
beschikt. KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
GEBRUIKSSTOFFEN
Leverancier
Motorex®
– Racing Fork Oil
192
HULPSTOFFEN
Duurzaam vet
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Fett 2000
Hoogglans-politoer voor lak
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Moto Polish
Kettingreinigingsmiddel
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Chain Clean 611
Kettingspray onroad
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Chain Lube 622 Strong
193
HULPSTOFFEN
Motorfietsreiniger
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Moto Clean 900
Reinigings- en conserveringsmiddel voor metaal en rubber
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Protect & Shine 645
Universele oliespray
Voorgeschreven waarde
– KTM adviseert producten van Motorex® te gebruiken.
Leverancier
Motorex®
– Joker 440 Universal
194
NORMEN
195
JASO T903 MA
Door verschillende technische ontwikkelingsrichtingen is een eigen specificatie voor 4-takt motorfietsen nodig - de JASO T903 MA norm.
Vroeger werd voor 4-takt motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie was. Bij motoren van auto's
zijn lange onderhoudsintervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermogensrendement bij hoge toerentallen op de
voorgrond. Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden ook de versnelling en de koppeling met dezelfde olie ingevet. De JASO MA
norm voldoet aan deze speciale vereisten.
SAE
De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op basis van hun viscositeit.
De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de kwaliteit.
INDEX
196
A
Boordgereedschap
Accu
inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101
Brandstoftank
positioneren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140
terugzetten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 139
Achterdempers achterwielnaaf
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95
Claxonknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Conserveren voor de winter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170
Achterlichtlampen
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Contactsleutel
activeren/deactiveren
Achterwiel
inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93
uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
Controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
Afbeelding voertuig
linksvoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
rechtsachter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27
INDEX
Afremmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Antivries
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
Artikelnummer schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Artikelnummer voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
B
Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
Bandenspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98
Bedieningshandleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
Bedrijfsmiddelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36
C
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
D
E
E-startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
F
Framenummer
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
G
Garantie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Gebruiksdefinitie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Gecombineerd instrument . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
functietoetsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
kilometer of mijl instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
24
. 26
. 27
. 25
. 28
INDEX
snelheidsweergave . . . . . . . . . . . . . .
temperatuureenheid instellen . . . . . . .
tijd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
tijd instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . .
toerenteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
waarschuwing voor gladde wegen . . . .
weergave omgevingstemperatuur . . . . .
weergave van de koelmiddeltemperatuur
weergave ODO . . . . . . . . . . . . . . . . . .
weergave TRIP 1 instellen/terugzetten .
weergave TRIP 2 instellen/terugzetten .
weergave TRIP F . . . . . . . . . . . . . . . .
197
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. 28
. 33
. 29
. 29
. 25
. 33
. 32
. 34
. 30
. 30
. 31
. 32
H
Handgrepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
Helmbeveiliging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
op het voertuig monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
Hoofdzekering
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
I
Inbedrijfname
aanwijzingen voor eerste inbedrijfname . . . . . . . . . . . . . . 40
controleren voor iedere inbedrijfname . . . . . . . . . . . . . . . 44
na de stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172
K
Kentekenplaatverlichting
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
Ketting
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
vervuiling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
Ketting-aandrijfwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77
Kettingspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75
Kettingwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77
Knippercode
motorbesturing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159-164
wegrijblokkering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157-158
Knipperlichtlamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116
Koelmiddel
aftappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
Koelmiddelpeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
in vast reservoir controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
Koelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 132
vullen/ontluchten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137
Koppeling
vloeistofpeil controleren/corrigeren . . . . . . . . . . . . . . . . 145
INDEX
198
Koppelingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
Motoroliepeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147
L
N
Lamp van koplamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109
Noodstopschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
Lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Oliefilter
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 148
M
O
Maskerspoiler
inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 143
uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 142
Oliezeven
reinigen
Milieu
Ontstekingscurve
aanpassen aan brandstofkwaliteit . . . . . . . . . . . . . . . . . 156
stekkerverbinding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
Motor
inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
Motorfiets
achter op montagebok plaatsen
achter van montagebok nemen
reinigen . . . . . . . . . . . . . . .
voor op montagebok plaatsen .
voor van montagebok nemen .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Opsporen van fouten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165-167
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. 60
. 60
168
. 59
. 59
Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Motorolie
aftappen .
bijvullen .
vervangen
vullen . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 148
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
148
154
148
153
P
Parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
R
Reiniging
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 168-169
Remhendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
Remlichtlamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117
Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Rempedaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
vrije slag controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
INDEX
199
Remplaketten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84
Serviceschema . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56-58
Sleutelnummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Remschijf van de achterwielrem
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80
Speling gaskabel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 146
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 147
Remschijven van de voorwielrem
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
Stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
Stand koplamp controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 126
Remvloeistof
van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
van voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 83
Stand van de koplamp
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
Remvloeistofpeil
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82
Reserveonderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
Richtingaanwijzerschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
beginnen met rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
S
Schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
Schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ingaande demping algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ingaande demping high speed instellen . . . . . . . . . . . . .
ingaande demping low speed instellen . . . . . . . . . . . . . .
uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Seinlichtschakelaar
61
. 66
. 68
. 66
. 69
. 70
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45
Stoppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
Stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
T
Tankdop
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
Tanken
brandstof
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
Technische gegevens
aanhaalmomenten chassis
aanhaalmomenten motor .
chassis . . . . . . . . . . . . .
motor . . . . . . . . . . . . . .
schokdemper . . . . . . . . .
voorvork . . . . . . . . . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
186-188
175-177
178-180
173-174
183-185
181-182
Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
INDEX
200
Toerenteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
Toestand van de banden
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
Transport . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
Typeplaatje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
V
Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
Voertuig beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
Voetsteunen bijrijder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
Voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ingaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
vorkpoten ontluchten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
61
. 61
. 63
. 64
. 65
Voorwiel
inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
uitbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 89
W
Waarschuwing voor glad wegdek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
Wegrijblokkering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
Werkinstructies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
Z
Zadel
afnemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
Zadelslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36
Zekering
van afzonderlijke stroomverbruikers vervangen . . . . . . . . 108
Zijlichtlamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Zijstandaard
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
*3211519nl*
3211519nl
10/2009
KTM-Sportmotorcycle AG
5230 Mattighofen/Oostenrijk
http://www.ktm.com
Foto: Mitterbauer
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement