KTM 1090 Adventure R EU 2019 Travel Bike Handleiding

KTM 1090 Adventure R EU 2019 Travel Bike Handleiding
BEDIENINGSHANDLEIDING 2019
1090 Adventure R
Artikelnr. 3213916nl
BESTE KTM KLANT,
Hartelijk gefeliciteerd met de aankoop van uw KTM-motorfiets. U bent nu in het bezit van een modern en sportief
voertuig dat, mits goed onderhouden, u lang plezier zal schenken.
BESTE KTM KLANT,
We wensen u te allen tijde een goede en veilige reis toe!
Vul hieronder het serienummer van uw voertuig in.
Voertuigidentificatiennummer (
Motornummer (
Sleutelnummer (
pag. 28)
Stempel van de dealer
pag. 29)
pag. 29)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het
model. Kleine afwijkingen die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden
uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. KTM Sportmotorcycle GmbH houdt zich het recht voor technische
gegevens, prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te
annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen van
afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien
van speciale uitrustingen die niet standaard bij de leveringsomvang horen.
*3213916nl*
3213916nl
09/2018
BESTE KTM KLANT,
© 2018 KTM Sportmotorcycle GmbH, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldigingen van welke aard dan ook zijn uitsluitend toegestaan met toestemming van de auteur.
ISO 9001(12 100 6061)
KTM past kwaliteitsborgingsprocessen toe in de zin van de internationale kwaliteitsmanagementnorm ISO 9001 om een zo hoog mogelijke productkwaliteit te bereiken.
Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM Sportmotorcycle GmbH
Stallhofnerstraße 3
5230 Mattighofen, Oostenrijk
Dit document is geldig voor de volgende modellen:
1090 Adventure R EU (F9903SD)
2
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE
1
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN............... 10
1.1
1.2
2
Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik.....
Onjuist gebruik ................................
Veiligheidsaanwijzingen ....................
Gevarenniveau en pictogrammen .......
Waarschuwing voor manipulaties .......
Veilig gebruik ..................................
Beschermende kleding .....................
Werkinstructies................................
Milieu .............................................
Bedieningshandleiding .....................
12
12
12
14
15
16
17
17
18
18
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN ................... 20
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
Garantie..........................................
Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen ...........
Reserveonderdelen, toebehoren .........
Service ...........................................
Afbeeldingen ...................................
Klantenservice .................................
20
20
20
21
21
21
AFBEELDING VOERTUIG ............................. 24
4.1
Gebruikte pictogrammen................... 10
Gebruikte formatering....................... 11
4.2
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN ...................... 12
2.1
2.2
2.3
2.4
2.5
2.6
2.7
2.8
2.9
2.10
3
4
5
SERIENUMMERS........................................ 28
5.1
5.2
5.3
5.4
5.5
5.6
6
Afbeelding voertuig linksvoor
(symbolische weergave) .................... 24
Afbeelding voertuig rechtsachter
(symbolische weergave) .................... 26
Voertuigidentificatiennummer ...........
Typeplaatje .....................................
Sleutelnummer ................................
Motornummer..................................
Artikelnummer voorvork ....................
Artikelnummer schokdemper.............
28
28
29
29
30
30
BEDIENINGSELEMENTEN........................... 31
6.1
6.2
6.3
6.4
6.4.1
6.4.2
6.4.3
6.4.4
6.4.5
6.4.6
Koppelingshendel ............................
Remhendel......................................
Gashendel .......................................
Schakelaars links aan stuur...............
Combinatieschakelaar ..................
Lichtschakelaar ...........................
Noodknipperlichtschakelaar ..........
Menuschakelaar...........................
Richtingaanwijzerschakelaar .........
Claxonknop .................................
31
31
32
32
32
33
34
35
35
37
3
INHOUDSOPGAVE
6.5
6.5.1
6.5.2
6.6
6.7
6.8
6.9
6.10
6.11
6.12
6.13
6.14
6.15
6.16
6.17
6.18
6.19
6.20
6.21
6.22
7
37
37
38
39
40
41
42
42
44
46
47
47
48
48
49
50
51
51
52
53
GECOMBINEERD INSTRUMENT .................. 54
7.1
7.2
7.3
7.4
4
Schakelaars rechts aan stuur.............
Noodstopschakelaar .....................
E-startknop .................................
Contact- en stuurslot ........................
Wegrijblokkering ..............................
Stuur vergrendelen...........................
Stuur ontgrendelen ..........................
Tankdop openen ..............................
Tankdop sluiten ...............................
Brandstofkranen ..............................
Opbergvak openen............................
Opbergvak sluiten ............................
Zadelslot .........................................
Grepen............................................
Bagagedrager...................................
Kofferdragers...................................
Voetsteun passagier..........................
Versnellingshendel ...........................
Rempedaal......................................
Zijstandaard ....................................
Overzicht.........................................
Activering en test .............................
Matrixdisplay ...................................
Segmentendisplay............................
54
54
56
56
7.5
Brandstofpeilweergave......................
7.6
Controlelampjes ...............................
7.7
melding op matrixdisplay ..................
7.8
Schakelindicator ..............................
7.9
Service-indicatie ..............................
7.10 Matrixdisplaymenu ...........................
7.10.1
"Favorites"...................................
7.10.2
"Trip 1" .......................................
7.10.3
"Trip 2" .......................................
7.10.4
"General Info" ..............................
7.10.5
"Set Favorites" .............................
7.10.6
"Settings" ....................................
7.10.7
"Warning" ....................................
7.10.8
"Heating" (optioneel) ....................
7.10.9
"MTC/ABS" ..................................
7.10.10 "Drive Mod" .................................
7.10.11 Menu-overzicht ............................
7.10.12 "Language" ..................................
7.10.13 "Distance" ...................................
7.10.14 "Temp" .......................................
7.10.15 "Pressure" ...................................
7.10.16 "Fuel Cons" .................................
7.10.17 "Clock/Date" ................................
7.10.18 "Shift Light" ................................
7.10.19 "Heat Grip"..................................
7.10.20 "DRL" .........................................
57
58
60
61
62
63
63
64
65
66
66
67
67
68
68
69
72
74
74
75
75
76
76
77
78
78
INHOUDSOPGAVE
8
ERGONOMIE .............................................. 80
8.1
8.2
8.3
8.4
8.5
8.6
8.7
8.8
8.9
8.10
9
Stuurstand ......................................
Stuurstand instellen .....................
Windscherm instellen .......................
Uitgangspositie koppelingshendel
instellen..........................................
Uitgangspositie van de
handremhendel instellen ..................
Bestuurdersvoetsteunen....................
Voetsteunen instellen ....................
Uitgangspositie versnellingshendel
controleren......................................
Uitgangspositie van de
versnellingshendel instellen ...........
Uitgangspositie van het rempedaal
instellen ......................................
80
80
82
84
85
85
86
89
90
92
INBEDRIJFSTELLING.................................. 93
9.1
9.2
9.3
Aanwijzingen voor eerste
inbedrijfstelling ............................... 93
Motor inrijden.................................. 95
Voertuig beladen .............................. 96
10 RIJ-INSTRUCTIES....................................... 99
10.1
10.2
10.3
10.4
10.5
10.6
10.7
10.8
Controle en onderhoud voor iedere
inbedrijfstelling ............................... 99
Voertuig starten ............................. 100
Optrekken ..................................... 102
Schakelen, rijden ........................... 103
Afremmen ..................................... 108
Stoppen, parkeren.......................... 111
Transporteren ................................ 113
Brandstof tanken ........................... 114
11 SERVICESCHEMA ..................................... 117
11.1
11.2
11.3
Extra informatie ............................. 117
Verplichte werkzaamheden.............. 117
Aanbevolen werkzaamheden............ 120
12 CHASSIS AFSTELLEN ............................... 121
12.1
12.2
12.3
12.4
12.5
Voorvork/schokdemper ....................
Ingaande demping voorvork
instellen........................................
Uitgaande demping voorvork
instellen........................................
Veervoorspanning voorvork
instellen........................................
Ingaande demping schokdemper .....
121
121
123
124
125
5
INHOUDSOPGAVE
12.6
12.7
12.8
12.9
Ingaande demping lowspeed van
de schokdemper instellen ...............
Ingaande demping highspeed van
de schokdemper instellen ...............
Uitgaande demping van de
schokdemper instellen....................
Veervoorspanning schokdemper
instellen........................................
126
127
129
130
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS ....... 131
13.1
Motorfiets met hefbok achter
opkrikken ......................................
13.2 Motorfiets van hefbok achter
nemen ..........................................
13.3 Motorfiets met hefbok voor
opkrikken ......................................
13.4 Motorfiets van hefbok voor nemen ...
13.5 Motorfiets met montagestandaard
(ingestoken) opkrikken ................
13.6 Motorfiets van montagestandaard
(ingestoken) nemen ....................
13.7 Zadel verwijderen...........................
13.8 Zadel monteren..............................
13.9 Kettingvervuiling controleren...........
13.10 Ketting reinigen .............................
13.11 Kettingspanning controleren ...........
6
131
131
132
133
134
136
138
138
139
139
141
13.12 Kettingspanning instellen ...............
13.13 Ketting, kettingwiel en
ketting-aandrijfwiel controleren .......
13.14 Vloeistofpeil hydraulische
koppeling controleren/corrigeren ......
13.15 Speling balhoofdlager controleren....
13.16 Kroonplaat onder demonteren .........
13.17 Kroonplaat onder monteren .............
13.18 Zijbekleding voor demonteren..........
13.19 Zijbekleding voor monteren .............
13.20 Maskerspoiler demonteren ...........
13.21 Maskerspoiler monteren ..............
13.22 Spatbord voor demonteren ..............
13.23 Spatbord voor monteren..................
13.24 Vuilschrapers vorkpoten
reinigen .....................................
13.25 Brandstoftankbekleding
demonteren ...................................
13.26 Brandstoftankbekleding monteren ...
13.27 Windscherm demonteren ................
13.28 Windscherm monteren....................
13.29 Motorbescherming demonteren .......
13.30 Motorbescherming monteren ...........
13.31 Valbeugel demonteren ................
13.32 Valbeugel monteren ....................
143
145
149
151
153
154
155
156
157
161
164
164
165
166
169
171
171
172
172
173
175
INHOUDSOPGAVE
14 REMSYSTEEM .......................................... 179
14.1
14.2
14.3
14.4
14.5
14.6
14.7
14.8
Antiblokkeersysteem (ABS) .............
Remschijven controleren.................
Remvloeistofpeil voorwielrem
controleren....................................
Remvloeistof van de voorwielrem
bijvullen ....................................
Remplaketten van de voorwielrem
controleren....................................
Remvloeistofpeil achterwielrem
controleren....................................
Remvloeistof achterwielrem
bijvullen ....................................
Remplaketten achterwielrem
controleren....................................
179
182
183
184
187
188
189
192
15.8 Spaakspanning controleren ............. 210
15.9 Gebruik van bandenreparatiespray ... 212
15.10 Bandensysteem zonder
binnenbanden ............................... 213
16 ELEKTRONICA.......................................... 214
16.1
16.2
16.3
16.4
16.5
16.6
16.7
16.8
15 WIELEN, BANDEN .................................... 193
15.1
15.2
15.3
15.4
15.5
15.6
15.7
Voorwiel demonteren ..................
Voorwiel monteren ......................
Achterwiel demonteren ...............
Achterwiel monteren ...................
Demperpakkingen van de
achterwielnaaf controleren ..........
Bandentoestand controleren............
Bandenspanning controleren ...........
193
195
199
202
205
207
209
16.9
16.10
16.11
16.12
16.13
16.14
16.15
dagrijlicht .....................................
12V-accu demonteren .................
12V-accu monteren ....................
12V-accu laden ..........................
Hoofdzekering vervangen ................
Zekeringen in zekeringenblok
vervangen......................................
Koplampkap met koplamp
demonteren ...................................
Koplampkap met koplamp
monteren ......................................
Dimlichtlamp vervangen .................
Lamp groot licht vervangen .............
Knipperlichtlamp vervangen ............
Koplampinstelling controleren .........
Lichtbundelbreedte van de
koplamp instellen ..........................
Contactsleutel
activeren/deactiveren......................
Diagnosestekker.............................
214
215
217
220
225
228
231
232
234
236
238
239
240
242
248
7
INHOUDSOPGAVE
16.16 ACC1 en ACC2 vooraan .................. 249
16.17 ACC1 en ACC2 achterzijde.............. 249
17 KOELSYSTEEM......................................... 250
17.1
17.2
Koelmiddelpeil vast reservoir
controleren.................................... 250
Koelmiddelpeil in vast reservoir
corrigeren...................................... 252
18 MOTOR AFSTELLEN ................................. 255
18.1
18.2
"Drive Mod" ................................... 255
Tractiecontrole (TC)........................ 256
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR ......... 257
19.1
19.2
21.2
Inbedrijfstelling na stalling ............. 276
22 FOUTEN OPSPOREN................................. 277
23 TECHNISCHE GEGEVENS.......................... 280
23.1
23.2
23.3
23.3.1
23.3.2
23.3.3
23.4
23.5
23.6
23.7
23.8
23.9
Motor............................................
Aanhaalmomenten motor ................
Vulhoeveelheden............................
Motorolie ..................................
Koelmiddel ...............................
Brandstof ..................................
Chassis .........................................
Elektronica....................................
Banden .........................................
Voorvork........................................
Schokdemper ................................
Aanhaalmomenten chassis ..............
280
282
287
287
287
287
288
289
291
291
292
294
Motoroliepeil controleren ................ 257
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen ... 258
Motorolie bijvullen ......................... 265
24 GEBRUIKSSTOFFEN ................................. 300
20 REINIGING, ONDERHOUD......................... 268
25 HULPSTOFFEN......................................... 304
19.3
20.1
20.2
Motorfiets reinigen ......................... 268
Controle en onderhoud voor rijden
in de winter ................................... 272
26 NORMEN ................................................. 306
21 STALLING ................................................ 274
28 LIJST MET AFKORTINGEN ........................ 308
21.1
8
Stalling ......................................... 274
27 LIJST MET VAKBEGRIPPEN ...................... 307
INHOUDSOPGAVE
29 LIJST MET SYMBOLEN ............................. 309
29.1
29.2
29.3
Rode pictogrammen ....................... 309
Gele of oranje pictogrammen........... 309
Groene en blauwe pictogrammen ..... 310
INDEX ............................................................. 311
9
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN
1.1
Gebruikte pictogrammen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde pictogrammen toegelicht.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit pictogram zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch
begrip. Laat de werkzaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTMgarage! Daar wordt uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige medewerkers met het
benodigde hulpgereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Kenmerkt een aanwijzing met verdere informatie of tips.
Kenmerkt het resultaat uit een test-/controlestap.
10
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN 1
Kenmerkt een spanningsmeting.
Kenmerkt een stroommeting.
Kenmerkt het einde van een werkzaamheid, inclusief eventuele nabewerkingen.
1.2
Gebruikte formatering
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam
Kenmerkt een eigennaam.
Naam®
Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™
Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
Onderstreepte woorden
Verwijzen naar technische details van het voertuig of kenmerken vaktermen
die in de begrippenlijst worden uitgelegd.
11
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.1
Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik
Het voertuig is zo ontworpen en gebouwd, dat het kan worden gebruikt bij normale belastingen tijdens het rijden
over de weg en op eenvoudig terrein (niet-geasfalteerde wegen). Dit voertuig is niet geschikt voor gebruik op racecircuits.
Info
Dit voertuig is alleen in de gehomologeerde uitvoering toegelaten voor het rijden op de openbare weg.
2.2
Onjuist gebruik
Gebruik het voertuig uitsluitend op de beoogde wijze.
Het niet op de beoogde wijze gebruiken van het voertuig kan leiden tot gevaren voor personen, materiaal en
milieu.
Elk gebruik van het voertuig anders dan op de beoogde wijze geldt als onjuist gebruik.
Als onjuist gebruik geldt ook het gebruik van bedrijfs- en hulpmiddelen die niet voldoen aan de vereiste specificaties.
2.3
Veiligheidsaanwijzingen
Voor een veilige omgang met het beschreven product dienen enkele veiligheidsaanwijzingen in acht te worden
genomen. Lees daarom deze handleiding en alle andere handleidingen in de omvang van de levering zorgvuldig door. De veiligheidsaanwijzingen zijn geaccentueerd en met links gekoppeld aan de relevante plaatsen in de
tekst.
12
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
Info
Op goed zichtbare plaatsen op het beschreven product zijn verschillende aanwijzings- en waarschuwingsstickers aangebracht. Geen stickers met aanwijzingen en waarschuwingen verwijderen. Als deze ontbreken
kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor letsel oplopen.
13
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.4
Gevarenniveau en pictogrammen
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg
heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
14
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.5
Waarschuwing voor manipulaties
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de componenten van de geluidsdemping. De volgende
maatregelen of de realisatie van de betreffende toestanden zijn wettelijk verboden:
1
Verwijderen of buiten werking stellen van systemen of componenten van een nieuw voertuig die de geluidsdemping dienen voordat het wordt verkocht of geleverd aan de eindklant of tijdens de gebruiksduur van het
voertuig voor andere doeleinden dan voor service, reparatie of vervanging, evenals
2
Gebruik van het voertuig nadat een dergelijk systeem of een dergelijke component verwijderd of buiten werking is gesteld.
Voorbeelden van wettelijk verboden manipulaties:
1
Verwijderen of doorboren van einddempers, geluidsdempers, bochtstukken of andere componenten die uitlaatgassen geleiden.
2
Verwijderen of doorboren van delen van het inlaatsysteem.
3
Gebruik in niet-correcte onderhoudstoestand.
4
Vervangen van bewegende onderdelen van het voertuig, onderdelen van het uitlaatsysteem of onderdelen van
het inlaatsysteem door onderdelen die niet door de fabrikant zijn toegelaten.
15
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.6
Veilig gebruik
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
–
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
–
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
–
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Het voertuig uitsluitend in technisch goede staat, op de boogde wijze, en veiligheids- en milieubewust gebruiken.
Het voertuig mag uitsluitend door geïnstrueerde personen worden gebruikt. Voor het wegverkeer is het juiste rijbewijs vereist.
16
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
Storingen, die de veiligheid beperken, onmiddellijk in een geautoriseerde KTM-garage laten verhelpen.
De op het voertuig aangebrachte stickers met aanwijzingen en waarschuwingen in acht nemen.
2.7
Beschermende kleding
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
–
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Voor uw eigen veiligheid adviseert KTM om het voertuig uitsluitend te gebruiken met geschikte, beschermende
kleding.
2.8
Werkinstructies
Voor enkele werkzaamheden zijn hulpgereedschappen vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar
kunnen worden besteld onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: Kleplichter
(59029019000)
Bij de montage moeten onderdelen die niet meer kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven
en moeren, afdichtingen, pakkingen, keerringen, splitpennen of borgplaten) door nieuwe onderdelen worden vervangen.
Indien bij schroefverbindingen een schroevenlijm (bijv. Loctite®) wordt gebruikt, moeten de specifieke gebruiksaanwijzingen van de fabrikant in acht worden genomen.
17
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
Onderdelen die na de demontage weer worden gebruikt, moeten worden gereinigd en gecontroleerd op beschadiging en slijtage. Beschadigde of versleten onderdelen vervangen.
Na voltooiing van de reparatie of het onderhoud dient de verkeersveiligheid van het voertuig te worden gewaarborgd.
2.9
Milieu
Door op een verantwoorde manier met uw motorfiets om te gaan kunt u ervoor zorgen dat er geen problemen en
conflicten ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen mag u de motorfiets alleen legaal gebruiken, dient u milieubewust te handelen en de rechten van anderen te respecteren.
Houdt u zich bij het afvoeren van oude olie, andere verbruiks- en hulpstoffen en oude onderdelen aan de geldende wet- en regelgeving in het betreffende land.
Omdat motorfietsen niet onder de EU-richtlijn voor de afdanking van oude voertuigen vallen bestaat er geen wettelijke regeling voor het afdanken van een oude motorfiets. Uw geautoriseerde KTM-dealer is u graag van dienst.
2.10
Bedieningshandleiding
Lees de bedieningshandleiding beslist goed en volledig door voordat u voor het eerst gaat rijden. In de bedieningshandleiding vindt u veel informatie en tips die bediening, gebruik en service eenvoudiger maken. Alleen zo
komt u te weten hoe u het voertuig het beste afstelt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen.
Bewaar de bedieningshandleiding op een eenvoudig toegankelijke plaats, zodat u deze op ieder moment kunt
raadplegen wanneer dat nodig is.
Neem contact op met een geautoriseerde KTM-dealer wanneer u meer over het voertuig wilt weten of wanneer
tijdens het lezen iets niet duidelijk is.
De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van het voertuig en moet bij verkoop aan de nieuwe eigenaar worden gegeven.
18
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
De bedieningshandleiding is bovendien als download op uw geautoriseerde KTM Motorcycles-dealer en op de
KTM Motorcycles-website beschikbaar.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
19
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
3.1
Garantie
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend in een geautoriseerde KTM-garage
worden uitgevoerd en moeten in het service- en garantieboekje en op KTM Dealer.net worden bevestigd, aangezien
anders de aanspraak op garantie vervalt. Bij schade of gevolgschade die door manipulaties en/of wijzigingen aan
het voertuig zijn veroorzaakt, bestaat er geen aanspraak op garantie.
Meer informatie over de garantie en de afwikkeling ervan vindt u in het service- & garantieboekje.
3.2
Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Bedrijfsmiddelen en hulpstoffen volgens de bedieningshandleiding en specificaties gebruiken.
3.3
Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en/of aanbevolen en laat deze alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor veroorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren zijn bij de betreffende beschrijvingen tussen haakjes aangegeven. Uw
geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
20
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
3.4
Service
Voorwaarde voor een storingsvrije werking en het voorkomen van vroegtijdige slijtage is het in acht nemen van de
in de gebruiksaanwijzing vermelde service­, onderhouds- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis.
Slechte afstelling van het chassis kan leiden tot beschadiging en breken van de chassiscomponenten.
Het gebruik van de motorfietsen onder extreme omstandigheden zoals op modderige en vochtige wegen of in stoffige en droge omgevingen kan leiden tot verhoogde belasting van componenten zoals de aandrijving, remmen of
luchtfilter. Daarom kan het nodig zijn een service uit te voeren of slijtageonderdelen te vervangen al voordat het
interval volgens het serviceschema is bereikt.
Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De inachtneming
daarvan draagt in belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
3.5
Afbeeldingen
De in de handleiding weergegeven afbeeldingen tonen deels speciale uitrustingen.
Voor een betere weergave en toelichting kunnen enkele onderdelen gedemonteerd of niet afgebeeld zijn. Voor de
betreffende beschrijving is het echter niet altijd noodzakelijk dat deze onderdelen worden gedemonteerd. Houdt u
zich aan de aanwijzingen in de tekst.
3.6
Klantenservice
De geautoriseerde KTM-dealer beantwoordt graag uw vragen over uw voertuig of over KTM.
21
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
De lijst met geautoriseerde KTM-dealers vindt u op de KTM-website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
22
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
23
4 AFBEELDING VOERTUIG
4.1
Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)
A00458-10
24
AFBEELDING VOERTUIG 4
1
2
3
4
5
6
7
8
9
bk
Koppelingshendel (
Zadelslot (
Grepen (
pag. 31)
pag. 48)
pag. 48)
Bagagedrager (
pag. 49)
Voetsteun passagier (
pag. 51)
Bestuurdersvoetsteunen (
Versnellingshendel (
Zijstandaard (
pag. 85)
pag. 51)
pag. 53)
Kijkglas motorolie
Brandstofkranen (
pag. 46)
25
4 AFBEELDING VOERTUIG
4.2
Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)
A00459-10
26
AFBEELDING VOERTUIG 4
1
2
3
4
4
5
6
7
8
9
Schokdemperinstelling ingaande demping
Combinatieschakelaar (
pag. 32)
Voorvorkinstelling ingaande demping
E-startknop (
pag. 38)
Noodstopschakelaar (
Remhendel (
pag. 37)
pag. 31)
Opbergvak
Compensatiereservoir koelsysteem
Rempedaal (
pag. 52)
Schokdemperinstelling uitgaande demping
27
5 SERIENUMMERS
5.1
Voertuigidentificatiennummer
1
Het voertuigidentificatienummer
is in het frame achter de
bedieningskop rechtsonder in reliëf aangebracht.
Het voertuigidentificatienummer staat ook op het typeplaatje.
402294-10
5.2
Typeplaatje
1 is aan het frame achter het balhoofd linksbo-
Het typeplaatje
ven aangebracht.
402293-10
28
SERIENUMMERS 5
5.3
Sleutelnummer
Het sleutelnummer Code number
1 staat op de KEYCODECARD.
Info
402771-10
5.4
U hebt het sleutelnummer nodig om een reservesleutel te
bestellen. Bewaar de KEYCODECARD op een veilig plek.
Met de oranje programmeersleutel activeert of deactiveert
u de contactsleutel. De oranje programmeersleutel op een
veilige plek bewaren. Hij mag alleen worden gebruikt voor
leer- en programmeerfuncties.
Motornummer
Het motornummer
1 is aan rechterkant van de motor gegraveerd.
402296-10
29
5 SERIENUMMERS
5.5
Artikelnummer voorvork
Het artikelnummer van de voorvork
de asopname gegraveerd.
1 is aan de binnenzijde van
402295-10
5.6
Artikelnummer schokdemper
Het artikelnummer van de schokdemper
deel van de schokdemper gegraveerd.
402339-10
30
1 is in het bovenste
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.1
Koppelingshendel
1
De koppelingshendel
is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
De koppeling wordt hydraulisch bediend en automatisch bijgesteld.
M00546-10
6.2
Remhendel
1
De remhendel
is rechts aan het stuur aangebracht.
De voorwielrem wordt bediend met de remhendel.
S01749-10
31
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.3
Gashendel
De gashendel
1 is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
S01749-11
6.4
Schakelaars links aan stuur
6.4.1
Combinatieschakelaar
De combinatieschakelaar is aan de linkerkant van het stuur aangebracht.
32
BEDIENINGSELEMENTEN 6
Overzicht combinatieschakelaar links
Lichtschakelaar ( pag. 33)
1
2
3
4
5
Noodknipperlichtschakelaar (
Menuschakelaar (
Richtingaanwijzerschakelaar (
Claxonknop (
pag. 34)
pag. 35)
pag. 35)
pag. 37)
M00547-10
6.4.2
Lichtschakelaar
1
De lichtschakelaar
is aan de linkerkant van de combinatieschakelaar aangebracht.
Mogelijke toestanden
Dimlicht aan – Lichtschakelaar in stand
. In deze
stand zijn het dimlicht en achterlicht ingeschakeld.
A
Groot licht aan – Lichtschakelaar in stand
geduwd. In deze stand zijn het groot licht en het
achterlicht ingeschakeld.
B
M00548-10
Seinlicht – Lichtschakelaar naar stand
C trekken.
33
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.4.3
Noodknipperlichtschakelaar
1
De noodknipperlichtschakelaar
is aan de combinatieschakelaar
links aangebracht.
De noodknipperlichten worden gebruikt voor het aangeven van
noodsituaties.
Info
602606-10
De noodknipperlichten kunnen bij ingeschakeld contact
of tot 60 seconden na het uitschakelen van het contact
worden in- of uitgeschakeld.
Noodknipperlichten slechts zo lang gebruiken als beslist
nodig is, aangezien dit de 12V-accu ontlaadt.
Mogelijke toestanden
Noodknipperlichten aan – Alle vier knipperlichten
en de groene controlelampjes op het gecombineerde
instrument knipperen.
34
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.4.4
Menuschakelaar
De menuschakelaar is in het midden van de combinatieschakelaar
links aangebracht.
Met de menutoetsen wordt het matrixdisplay op het gecombineerde instrument bestuurd.
Toets
is de UP‑toets.
Toets
is de DOWN‑toets.
Toets
is de SET‑toets.
Toets
is de BACK‑toets.
1
2
3
4
S00224-11
6.4.5
Richtingaanwijzerschakelaar
De richtingaanwijzerschakelaar
links aangebracht.
1 is aan de combinatieschakelaar
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit – Richtingaanwijzerschakelaar
naar het schakelaarhuis duwen.
S00217-10
Richtingaanwijzer links aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar links geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug in de middelste stand.
35
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Richtingaanwijzer rechts aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar rechts geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug in de middelste stand.
Info
Als optionele softwarefunctie is een automatische
richtingaanwijzer-uitschakelaar (ATIR) beschikbaar.
De ATIR-functie gebruikt een tijdklok en een rijafstandsmeter.
Als de richtingaanwijzer gedurende minimaal 10 seconden
en 150 meter rijafstand ingeschakeld is geweest, wordt de
richtingaanwijzer uitgeschakeld.
Als het voertuig stilstaat, worden de beide meters gestopt.
Als de richtingaanwijzerschakelaar opnieuw wordt bediend,
worden beide meters gereset.
36
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.4.6
Claxonknop
1
De claxonknop
is aan de linkerkant van de combinatieschakelaar aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Claxonknop in de uitgangspositie.
• Claxonknop ingedrukt – In deze stand wordt de claxon
geactiveerd.
S00218-10
6.5
Schakelaars rechts aan stuur
6.5.1
Noodstopschakelaar
De noodstopschakelaar
aangebracht.
1 is aan de rechterkant van het stuur
Mogelijke toestanden
Noodstopschakelaar uit – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor
schakelt uit en een stilstaande motor kan niet worden
gestart. Er verschijnt een melding in het matrixdisplay.
S01750-10
37
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Noodstopschakelaar aan – Deze stand is noodzakelijk
bij het rijden, het ontstekingscircuit is gesloten.
6.5.2
E-startknop
De e-startknop
bracht.
1 is aan de rechterkant van het stuur aange-
Mogelijke toestanden
• E-startknop in de uitgangspositie.
• E-startknop ingedrukt – In deze stand wordt de startmotor
geactiveerd.
S01750-11
38
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.6
Contact- en stuurslot
Het contact- en stuurslot
plaat.
1 bevindt zich voor de bovenste kroon-
Info
Voor het inschakelen van het contact mag uitsluitend een
zwarte contactsleutel worden gebruikt.
Met de oranje programmeersleutel activeert of deactiveert u
de zwarte contactsleutel.
S01751-10
Mogelijke toestanden
Contact uitgeschakeld OFF – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor
schakelt uit en een stilstaande motor schakelt niet in.
De zwarte contactsleutel kan eruit worden getrokken.
Contact ingeschakeld ON – In deze stand is het
ontstekingscircuit gesloten en kan de motor worden
gestart.
Stuur geblokkeerd – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken en het stuur geblokkeerd. De
zwarte contactsleutel kan eruit worden getrokken.
39
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.7
Wegrijblokkering
De elektronische wegrijblokkering beveiligt het voertuig tegen
gebruik door onbevoegden.
Door het eruit trekken van de contactsleutel wordt de wegrijblokkering automatisch geactiveerd en de motorelektronica geblokkeerd.
Het controlelampje wegrijblokkering
kan door knipperen fouten
aangeven.
Als de optionele alarminstallatie is ingebouwd, knippert het controlelampje wegrijblokkering
als de alarminstallatie is ingeschakeld.
1
1
401815-10
Info
De contactsleutels zijn uitgerust met elektronische componenten. Nooit meerdere contactsleutels in één sleutelbos
dragen, aangezien ze elkaar dan kunnen storen.
Een verloren zwarte contactsleutel moet worden gedeactiveerd om
te voorkomen dat onbevoegden met het voertuig gaan rijden.
De zwarte contactsleutels zijn in de leveringstoestand geactiveerd.
Bij een geautoriseerde KTM-garage kunnen nog twee extra sleutels
(sleutelnummer op de KEYCODECARD) worden besteld; deze moeten
echter voor gebruik worden geactiveerd.
40
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.8
Stuur vergrendelen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Voertuig parkeren.
–
Het stuur helemaal naar links draaien.
–
Contactsleutel in het contact- en stuurslot steken, indrukken
en naar links draaien. Contactsleutel eruit trekken.
Het stuur kan niet meer worden bewogen.
400732-01
41
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.9
Stuur ontgrendelen
–
Contactsleutel in het contact- en stuurslot steken, indrukken
en naar rechts draaien. Contactsleutel eruit trekken.
Het stuur kan weer worden bewogen.
400731-01
6.10
Tankdop openen
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
42
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
–
1
Afdekking
op de tankdop omhoogklappen en contactsleutel
in het slot van de brandstoftank steken.
2
S01752-10
43
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging De contactsleutel kan bij overbelasting afbreken.
Beschadigde contactsleutels moeten worden vervangen.
–
S01753-10
6.11
–
Contactsleutel
–
Tankdop
–
Tankdop
2 met de klok mee draaien.
3 omhoogklappen.
Tankdop sluiten
–
S01754-10
44
Op de brandstoftankdop drukken om de contactsleutel te
ontlasten.
1 omlaag klappen.
Contactsleutel 2 met de klok mee draaien.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
–
2
Tankdop indrukken en contactsleutel
tegen de klok in
draaien tot het slot van de brandstoftank sluit.
Waarschuwing
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar, giftig en schadelijk voor de gezondheid.
S01755-10
–
–
De brandstoftankdop na het sluiten op correcte
vergrendeling controleren.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek
onmiddellijk met veel water afspoelen.
Contactsleutel
pen.
2 eruit trekken en afdekking 3 omlaag klap-
45
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.12
Brandstofkranen
Er bevindt zich een brandstofkraan
brandstoftank.
1 aan iedere kant van de
Info
De brandstofkranen moeten tijdens het rijden altijd zijn
geopend.
De brandstofkranen worden alleen gesloten voor het verwijderen van de brandstoftank.
D03209-10
46
Mogelijke toestanden
• Brandstofkranen gesloten – Er kan geen niveaucompensatie
plaatsvinden en de brandstoftoevoer naar het smoorklephuis
is gesloten.
• Brandstofkranen geopend – Er kan een niveaucompensatie
plaatsvinden en de brandstoftoevoer naar het smoorklephuis
is geopend.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.13
Opbergvak openen
–
Vergrendeling
deksel optillen.
–
Deksel
1 in pijlrichting duwen en tegelijkertijd het
S01757-10
6.14
Opbergvak sluiten
1 naar beneden duwen.
Vergrendeling klikt hoorbaar vast.
S01757-11
47
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.15
Zadelslot
1
Het zadelslot
bevindt zich aan de linkerkant van het voertuig.
Hij kan met de contactsleutel ontgrendeld worden.
S01764-10
6.16
Grepen
De passagier kan zich tijdens het rijden aan de handgrepen
vasthouden.
S01765-10
48
1
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.17
Bagagedrager
1
De bagagedragerplaat
bevindt zich achter het zadel.
Op de bagagedragerplaat kan de basisplaat van een koffersysteem
(optioneel) worden bevestigd.
De bagagedragerplaat mag maximaal met het aangegeven gewicht
worden belast.
Maximaal toegestane
belasting van de
bagagedragerplaat
S01766-10
5 kg
Info
Opletten op de aanwijzingen van de kofferfabrikant.
49
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.18
Kofferdragers
1
De kofferdragers
bevinden zich elk zijdelings naast het zadel.
Aan de kofferdragers kan een koffersysteem (optioneel) worden
bevestigd.
Gebruik de door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen koffersystemen.
De gegevens van de bijgeleverde KTM PowerParts montagehandleiding in acht nemen.
Info
E01057-10
Gebruik van andere koffersystemen wordt niet aanbevolen.
Bij gebruik van andere koffersystemen de maximale belasting van de kofferopnames niet overschrijden.
Hoogst toegestane
belasting van de
kofferopnames per
zijde bij gebruik van
andere koffersystemen
50
7 kg
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.19
Voetsteun passagier
De voetsteunen voor de passagier kunnen worden ingeklapt.
Mogelijke toestanden
• Voetsteun passagier ingeklapt – Voor het rijden zonder passagier.
• Voetsteun passagier uitgeklapt – Voor het rijden met passagier.
S01767-10
6.20
Versnellingshendel
De versnellingshendel
1 is aan de motor links aangebracht.
402299-10
51
6 BEDIENINGSELEMENTEN
De positie van de versnellingen kan afgelezen worden van de
afbeelding.
De vrije stand bevindt zich tussen 1e en 2e versnelling.
402299-11
6.21
Rempedaal
1
Het rempedaal
bevindt zich voor de rechter voetsteun.
De achterwielrem wordt geschakeld met het rempedaal.
402301-10
52
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.22
Zijstandaard
1
De zijstandaard
bevindt zich aan de linker voertuigzijde.
De zijstandaard wordt gebruikt voor het parkeren van de motorfiets.
Info
402029-10
Tijdens het rijden moet de zijstandaard ingeklapt zijn.
De zijstandaard is gekoppeld aan het veiligheidsstartsysteem. Neem de aanwijzingen in het hoofdstuk Stoppen,
parkeren in acht.
Mogelijke toestanden
• Zijstandaard uitgeklapt – Het voertuig kan op de zijstandaard
worden neergezet. Het veiligheidsstartsysteem is actief.
• Zijstandaard ingeklapt – Deze stand is altijd nodig als u gaat
rijden. Het veiligheidsstartsysteem is niet actief.
53
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.1
Overzicht
1
2
3
4
5
Matrixdisplay (
pag. 56)
Toerenteller
Schakelindicator (
pag. 61)
Segmentendisplay
Controlelampjes (
pag. 58)
402341-10
7.2
Activering en test
Activering
Het gecombineerde instrument wordt ingeschakeld met het contact.
Test
Het segmentendisplay, de controlelampjes en de toerenteller worden voor een functietest kort aangestuurd.
Op het matrixdisplay verschijnt een welkomsttekst en een aanwijzing over de volgende servicebeurt ( pag. 62).
402342-01
54
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
Als de 12V-accu losgekoppeld was, moeten tijd en datum
opnieuw worden ingesteld.
De helderheid van de indicaties wordt geregeld door een
omgevingslichtsensor in het gecombineerde instrument.
Het controlelampje storing brandt altijd, zolang de motor
niet draait. Als de motor loopt en het controlelampje storing brandt, volgens de verkeersregels stoppen en contact
opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
Het waarschuwingslampje oliedruk brandt altijd, zolang
de motor niet loopt. Wanneer de motor loopt en het waarschuwingslampje oliedruk brandt, onmiddellijk volgens de
geldende verkeersregels stoppen en de motor afzetten.
Het ABS-waarschuwingslampje en het TC-controlelampje
branden tot een snelheid van ca. 6 km/h (ca. 4 mph) of
meer is bereikt.
55
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.3
Matrixdisplay
De indicatie op het matrixdisplay wordt bestuurd met de
menuschakelaar ( pag. 35).
Na het inschakelen van het contact, wordt aangegeven wanneer de
volgende servicebeurt ( pag. 62) moet worden uitgevoerd.
Als bij de controlelampjes ( pag. 58) het algemene waarschuwingslampje gaat branden, wordt de bijbehorende melding op
het matrixdisplay weergegeven. Met de SET‑knop wordt de ontvangst van de informatie bevestigd en de melding verdwijnt.
S01595-01
7.4
10 s
Segmentendisplay
L02903-10
56
Meldingen verschijnen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Brandstofpeilweergave (
pag. 57)
Tijdsymbool
Eenheid voor de snelheidsindicatie
Versnellingsindicatie
Snelheid
"Drive Mod" (
pag. 255)
Tijd
Koelmiddeltemperatuur
Geen functie
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
bk
7.5
Waarschuwing voor glad wegdek
Brandstofpeilweergave
De brandstofpeilweergave toont de vulstand van de brandstoftank.
Info
402710-01
Om voortdurend schommelen van de weergave tijdens rijden te vermijden, wordt het brandstofpeil iets vertraagd
weergegeven.
Als de zijstandaard is uitgeklapt of als de noodstopschakelaar is uitgeschakeld, wordt de brandstofpeilweergave niet
geactualiseerd.
Als de zijstandaard wordt ingeklapt en de noodstopschakelaar ingeschakeld, wordt de volgende actualisering pas na
2°minuten uitgevoerd.
Als het gecombineerde instrument geen signaal van de
brandstofpeilsensor ontvangt, knippert de brandstofpeilweergave.
57
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.6
Controlelampjes
De controlelampjes geven extra informatie over de toestand van de
motorfiets.
Bij het inschakelen van het contact lichten alle controlelampjes
kort op.
Info
402343-01
Het controlelampje storing brandt altijd, zolang de motor
niet draait. Als de motor loopt en het controlelampje storing brandt, volgens de verkeersregels stoppen en contact
opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
Het waarschuwingslampje oliedruk brandt altijd, zolang
de motor niet loopt. Wanneer de motor loopt en het waarschuwingslampje oliedruk brandt, onmiddellijk volgens de
geldende verkeersregels stoppen en de motor afzetten.
Het ABS-waarschuwingslampje en het TC-controlelampje
branden tot een snelheid van ca. 6 km/h (ca. 4 mph) of
meer is bereikt.
Mogelijke toestanden
Controlelampje groot licht brandt blauw – Groot licht
is ingeschakeld.
Controlelampje wegrijblokkering brandt/knippert
rood – Status- of foutmelding bij de
wegrijblokkering/alarminstallatie.
58
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Waarschuwingslampje oliedruk brandt rood – Oliedruk
is te laag. Onmiddellijk veilig stoppen en de motor
afzetten.
Algemeen waarschuwingslampje brandt geel – Een
aanwijzing/waarschuwing voor de veiligheid is gedetecteerd. Dit wordt ook op het matrixdisplay weergegeven.
Linker richtingaanwijzer knippert groen in het knipperritme – Richtingaanwijzer links is ingeschakeld.
Controlelampje stationair brandt groen – Versnelling is
in positie vrij geschakeld.
Rechter richtingaanwijzer knippert groen in het knipperritme – Richtingaanwijzer rechts is ingeschakeld.
Controlelampje storing brandt geel – De motorbesturingsunit heeft een fout herkend.
ABS-waarschuwingslampje brandt/knippert
geel – Het ABS is niet actief. Het
ABS-waarschuwingslampje brandt ook als er een fout
wordt herkend.
TC-controlelampje brandt/knippert geel – De tractiecontrole is niet actief of is bezig met regelen. Het
TC-controlelampje brandt ook als er een fout wordt
herkend.
59
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.7
melding op matrixdisplay
Mogelijke toestanden
Motorstoring – De motorbesturingsunit heeft een fout
herkend. Naar een geautoriseerde KTM-garage gaan.
Algemene melding – Algemene melding over de rijveiligheid. Naar een geautoriseerde KTM-garage gaan.
ABS-waarschuwing – ABS-functie is niet beschikbaar.
Naar een geautoriseerde KTM-garage gaan.
401850-01
Tractiecontrole – De tractiecontrole is niet beschikbaar. Naar een geautoriseerde KTM-garage gaan.
Oliedruk – Oliedruk is te laag. Onmiddellijk veilig
stoppen en de motor afzetten. Contact opnemen met
geautoriseerde KTM-garage.
Lichtsysteem – Een element van het lichtsysteem is
uitgevallen. Defecte lamp vervangen of naar een geautoriseerde KTM-garage gaan.
Koelmiddeltemperatuur – Koelmiddeltemperatuur is
te hoog. Motor uitzetten. Contact opnemen met geautoriseerde KTM-garage.
Brandstofreserve – Brandstoftank bijna leeg. Zo snel
mogelijk tanken.
60
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Waarschuwing voor glad wegdek – Glad wegdek is
mogelijk. De snelheid aanpassen aan de gewijzigde
situatie.
Accuspanning – Accuspanning is te laag. 12V-accu
met geschikte acculader opladen.
Service – Er moet een servicebeurt worden uitgevoerd.
Contact opnemen met geautoriseerde KTM-garage.
Noodstopschakelaar – De noodstopschakelaar is uit.
De meldingen worden in het menu "Warning" weergegeven.
7.8
Schakelindicator
De schakelindicator knippert of brandt wanneer er moet worden
geschakeld.
In het menu "Shift Light" kan het toerental voor de schakelindicator
worden ingesteld. Bij "RMP1" knippert de schakelindicator en bij
"RPM2" brandt hij.
Info
401855-01
In de 6e versnelling is de schakelindicator bij warme motor
na de eerste service gedeactiveerd.
De schakelindicator kan in het menu "Settings" worden inen uitgeschakeld.
61
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9
"ODO"
> 1.000 km
Schakellicht knippert
> "RPM1"
Schakelindicator
brandt
> "RPM2"
"ODO"
< 1.000 km
Schakelindicator
brandt altijd bij
6.500 1/min
Service-indicatie
Na het inschakelen van het contact wordt kort de service-indicatie
weergegeven.
De service-intervallen zijn afhankelijk van afstand en tijd. De
gebeurtenis die als eerste optreedt heeft voorrang.
De precieze service-intervallen staan in het serviceschema.
S01595-01
62
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.10
Matrixdisplaymenu
7.10.1
"Favorites"
401988-01
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Favorites"
op het matrixdisplay verschijnt. Door het indrukken van de
SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP of DOWN‑toets menupunt selecteren en met de
SET‑toets aansturen.
–
Door twee keer op de BACK‑toets te drukken gaat u weer naar
het menu "Favorites".
In het menu "Favorites" kunnen vijf menu's direct worden aangestuurd.
In het menu "Set Favorites" wordt het menu "Favorites" geconfigureerd.
63
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.10.2
"Trip 1"
–
L02906-01
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Trip 1" op het
matrixdisplay verschijnt.
"Trip 1" geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld tussen twee tankstops. "Trip 1" loopt mee en telt tot
9999.
"Ø Speed 1" geeft de gemiddelde snelheid aan op basis van "Trip 1"
en "Trip Time 1".
"Ø Cons 1" geeft het gemiddelde verbruik aan op basis van "Trip 1"
en "Trip Time 1".
"Trip Time 1" geeft de rijtijd op basis van "Trip 1" aan en begint te
lopen op het moment dat een snelheidssignaal wordt ontvangen.
"Fuel Range" geeft de mogelijke reikwijdte van de brandstofreserve
aan.
SET‑knop
3‑5 seconden ingedrukt
houden.
64
Alle items in het menu "Trip 1" worden gewist.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.10.3
"Trip 2"
–
L02907-01
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Trip 2" op het
matrixdisplay verschijnt.
"Trip 2" geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld tussen twee tankstops. "Trip 2" loopt mee en telt tot
9999.
"Ø Speed 2" geeft de gemiddelde snelheid aan op basis van "Trip 2"
en "Trip Time 2".
"Ø Cons 2" geeft het gemiddelde verbruik aan op basis van "Trip 2"
en "Trip Time 2".
"Trip Time 2" geeft de rijtijd op basis van "Trip 2" aan en begint te
lopen op het moment dat een snelheidssignaal wordt ontvangen.
"Fuel Range" geeft de mogelijke reikwijdte van de brandstofreserve
aan.
SET‑knop
3‑5 seconden ingedrukt
houden.
Alle items in het menu "Trip 2" worden gewist.
65
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.10.4
"General Info"
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "General Info" op
het matrixdisplay verschijnt.
"Air Temp" geeft de omgevingsluchttemperatuur aan.
"Date" geeft de datum aan.
"ODO" geeft de totale gereden afstand aan.
"Battery" geeft de accuspanning aan.
"Oil Temp" - geen functie
F00705-01
7.10.5
"Set Favorites"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
401991-01
66
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Set Favorites "
op het matrixdisplay verschijnt. Door het indrukken van de
SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP of DOWN‑toets menu selecteren. Met de SET‑toets
het menu voor de snelkeuze instellen.
In het menu "Set Favorites" wordt het menu "Favorites" geconfigureerd.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.10.6
"Settings"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op
het matrixdisplay verschijnt. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
In het menu "Settings" worden instellingen voor eenheden of verschillende waarden uitgevoerd. Enkele functies kunnen worden
geactiveerd of gedeactiveerd.
402431-10
7.10.7
"Warning"
Voorwaarden
• Melding of waarschuwing
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Warning"
op het matrixdisplay verschijnt. Door het indrukken van de
SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑toets door de waarschuwingen navigeren.
In het menu "Warning" worden de opgetreden waarschuwingen
weergegeven en opgeslagen, totdat ze niet meer actief zijn.
L01435-10
67
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.10.8
"Heating" (optioneel)
–
UP of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Heating" op het
matrixdisplay verschijnt. Door het indrukken van de SET‑toets
wordt het menu geopend.
–
Met de SET‑toets kunt u een verwarmingsstand selecteren of
de handgreepverwarming uitschakelen.
402434-02
7.10.9
"MTC/ABS"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
Aanwijzing
Vervallen van de toelating op de openbare weg en de verzekering Als het ABS compleet wordt uitgeschakeld, vervalt de
toelating van het voertuig voor de openbare weg.
–
L01436-10
68
Gebruik het voertuig alleen op afgezette trajecten en niet
op de openbare weg als het ABS compleet wordt uitgeschakeld.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "MTC/ABS" op
het matrixdisplay verschijnt.
In het menu "MTC/ABS" kunnen de tractiecontrole "TC" en het
"ABS" worden uitgeschakeld.
In de "ABS Mode" kan tussen "Road" en "Offroad" worden gekozen.
Info
Na het inschakelen van het contact zijn de tractiecontrole
en het ABS weer actief.
Als de ABS‑mode "Offroad" actief is, regelt het ABS alleen
aan het voorwiel. Het achterwiel wordt niet meer via het
ABS geregeld; het kan bij het remmen blokkeren.
7.10.10 "Drive Mod"
402432-01
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Drive Mod"
op het matrixdisplay verschijnt. Door het indrukken van de
SET‑toets wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑toets door het menu navigeren. Met de
SET‑toets kunnen op elkaar afgestemde instellingen van motor
en tractiecontrole worden geselecteerd.
SPORT – gehomologeerd vermogen met zeer directe respons, de tractiecontrole laat een hogere slip aan het achterwiel toe
69
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
STREET – gehomologeerd vermogen met evenwichtige
respons, de tractiecontrole laat een normale slip aan het
achterwiel toe
RAIN – gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor betere
rijbaarheid, de tractiecontrole laat een normale slip aan
het achterwiel toe
OFFROAD – gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor
betere rijbaarheid, de tractiecontrole laat een hogere slip
aan het achterwiel toe
70
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
71
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.10.11 Menu-overzicht
F00707-01
72
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
"KTM"-startscherm
Menutoetsen
"Favorites"
"Trip 1"
"Trip 2"
"General Info"
"Set Favorites"
"Settings"
"Warning" (alleen actief als er meldingen zijn)
"Heating" (optioneel)
"MTC/ABS"
"Drive Mod"
73
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.10.12 "Language"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
402431-10
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op
het matrixdisplay verschijnt. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
–
Door de SET‑knop nog een keer in te drukken de taal selecteren.
De menutalen zijn Engels US, Engels UK, Duits, Italiaans, Frans
en Spaans.
7.10.13 "Distance"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
402431-11
74
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op
het matrixdisplay verschijnt. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Distance" het matrixdisplay met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door nog
een keer op de SET‑knop te drukken, wordt de eenheid ingesteld.
De eenheid kilometer "km" of mijl "mi" voor de afstand selecteren.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.10.14 "Temp"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
402431-12
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op
het matrixdisplay verschijnt. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Temp" het matrixdisplay
met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door nog een
keer op de SET‑knop te drukken, wordt de eenheid ingesteld.
De eenheid "°C" of "°F" voor de temperatuurindicatie selecteren.
7.10.15 "Pressure"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
402431-13
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op
het matrixdisplay verschijnt. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Pressure" het matrixdisplay met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door nog
een keer op de SET‑knop te drukken, wordt de eenheid ingesteld.
De eenheid "bar" of "psi" selecteren.
75
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.10.16 "Fuel Cons"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
402431-14
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op
het matrixdisplay verschijnt. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Fuel Cons" op het matrixdisplay met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door
nog een keer op de SET‑knop te drukken, wordt de eenheid
ingesteld.
Eén van de mogelijke verbruiksindicaties selecteren.
7.10.17 "Clock/Date"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
401990-01
76
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op
het matrixdisplay verschijnt. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Clock/Date" op het matrixdisplay met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door
de SET‑knop nog eens in te drukken, wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop door het menu navigeren. Met de
SET‑knop wordt de tijd of de datum ingesteld.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Als de 12V-accu gedemonteerd was, moeten tijd en datum op het
matrixdisplay opnieuw worden ingesteld.
7.10.18 "Shift Light"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
L01433-10
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op
het matrixdisplay verschijnt. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Shift Light" op het matrixdisplay met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door
de SET‑knop nog eens in te drukken, wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop functie selecteren. Met de SET‑knop
wordt het toerental voor de schakelindicator ingesteld.
Als het motortoerental "RPM 1" bereikt, knippert de schakelindicator.
Als het motortoerental "RPM 2" bereikt, brandt het schakellicht.
Functie "Shift Light" in- of uitschakelen.
77
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.10.19 "Heat Grip"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
L01439-15
–
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op
het matrixdisplay verschijnt. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "Heat Grip" op het matrixdisplay met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door
nog een keer op de SET‑knop te drukken, wordt het menu voor
handgreepverwarming in- of uitgeschakeld.
Menu voor handgreepverwarming in- of uitschakelen.
7.10.20 "DRL"
Voorwaarden
• Voertuig staat stil.
–
L01439-16
78
UP- of DOWN‑toets indrukken, totdat het menu "Settings" op
het matrixdisplay verschijnt. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Dagrijlicht is bij slecht zicht
geen vervanging voor dimlicht.
Bij zeer slecht zicht door mist, sneeuw of regen kan
de automatische omschakeling tussen dagrijlicht en
dimlicht slechts beperkt ter beschikking staan.
–
–
Steeds controleren of de juiste verlichting is geselecteerd.
–
Dagrijlicht voor het rijden of bij stilstand via het
menu uitschakelen, zodat het dimlicht permanent
is ingeschakeld.
–
Houdt u zich aan de wettelijke vereisten voor het
dagrijlicht.
UP- of DOWN‑toets indrukken totdat "DRL" het matrixdisplay
met een zwarte achtergrond wordt weergegeven. Door nog een
keer op de SET‑knop te drukken, wordt het dagrijlicht in- of
uitgeschakeld.
Dagrijlicht in- of uitschakelen.
79
8 ERGONOMIE
8.1
Stuurstand
De boringen op de stuuradapter zijn op een afstand
midden geplaatst.
Afstand boringen
A
A van het
3,5 mm
Het stuur kan in verschillende twee standen worden gemonteerd.
Daardoor kan het stuur in de voor de bestuurder meest aangename
stand worden gezet.
401666-11
8.2
Stuurstand instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een gerepareerd stuur vormt een veiligheidsrisico.
Als het stuur werd verbogen of uitgelijnd, treedt materiaalmoeheid op. Hierdoor kan het stuur breken.
–
80
Vervang het stuur, als het stuur is verbogen of beschadigd.
ERGONOMIE 8
–
1
Schroeven
verwijderen. Stuurplaten verwijderen. Stuur verwijderen en opzij leggen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
Kabels en leidingen niet knikken.
308080-01
–
Schroeven
–
Stuuradapters in de gewenste stand zetten. Schroeven
monteren en vastdraaien.
2 verwijderen. Stuuradapters verwijderen.
2
Voorgeschreven waarde
Schroef stuuradapter
M10
40 Nm
Loctite®243™
Info
Stuuradapters links en rechts gelijkmatig positioneren.
–
Stuur positioneren.
Info
Erop letten dat de kabels en leidingen correct worden
gelegd.
–
Stuurplaten positioneren. Schroeven
matig vastdraaien.
1 monteren en gelijk-
81
8 ERGONOMIE
Voorgeschreven waarde
Schroef stuurklemmen
M8
20 Nm
Info
Op gelijkmatige spleetmaten letten.
8.3
Windscherm instellen
–
De spanhendel
1 in richting van de pijl trekken.
Het windscherm is ontgrendeld.
S01768-10
82
ERGONOMIE 8
–
Windscherm in de gewenste stand zetten.
–
De spanhendel
S01769-10
1 in richting van de pijl duwen.
Het windscherm is vergrendeld.
S01768-11
83
8 ERGONOMIE
8.4
Uitgangspositie koppelingshendel instellen
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel met de
stelschroef
aanpassen aan de grootte van de hand.
1
Info
M00551-10
84
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid,
komt de koppelingshendel dichter bij het stuur te
staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid,
komt de koppelingshendel verder van het stuur af te
staan.
Het instelbereik is beperkt.
Stelschroef alleen met de hand draaien, geen geweld
gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
ERGONOMIE 8
8.5
Uitgangspositie van de handremhendel instellen
–
Uitgangspositie van de remhendel met het stelwiel
grootte van de hand aanpassen.
1 aan de
Info
Remhendel naar voren duwen en stelwiel draaien.
Niet instellen tijdens het rijden.
S01770-10
8.6
Bestuurdersvoetsteunen
De bestuurdersvoetsteunen kunnen in twee standen worden
gemonteerd.
Mogelijke toestanden
• Bestuurdersvoetsteunen laag
• Bestuurdersvoetsteunen hoog
A
B
M00621-10
85
8 ERGONOMIE
8.7
Voetsteunen instellen
Info
De werkstappen aan de voetsteunhouders zijn links en rechts gelijk.
–
Schroef
1 verwijderen.
Rempedaal zwenkt tot de aanslag naar boven.
M00622-10
–
–
2 met schijf 3 verwijderen.
Pen 4 voorzichtig van de bestuurdersvoetsteun verwijderen.
Splint
Info
De veer staat onder hoge spanning en kan bij het verwijderen van de pen eruit springen.
–
M00640-10
86
Bestuurdersvoetsteun met veer
5 eraf halen.
ERGONOMIE 8
–
Schroeven
–
Voetsteunhouder op de gewenste stand instellen.
6 verwijderen.
M00641-10
M00623-01
87
8 ERGONOMIE
–
Schroeven
6 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef voetsteunhouder
voor
M8
25 Nm
Loctite®243™
M00641-10
–
Bestuurdersvoetsteun met veer
5 en bout 4 monteren.
Tang voor voetsteunveer (58429083000)
–
M00642-10
88
Schijf
3 en splint 2 monteren.
ERGONOMIE 8
–
Rempedaal positioneren.
–
Schroef
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef kogelscharnier drukstang op rempedaalcilinder
M6
10 Nm
Loctite®243™
M00622-10
8.8
Uitgangspositie versnellingshendel controleren
Info
De versnellingshendel mag bij het rijden in de uitgangspositie niet tegen de laars liggen.
Als de versnellingshendel steeds tegen de laars ligt, wordt de versnelling teveel belast.
89
8 ERGONOMIE
–
A
In de rijpositie op het voertuig gaan zitten en de afstand
tussen de bovenkant van de laars en de versnellingshendel
meten.
Afstand versnellingshendel
tot bovenkant laars
A
0
»
8.9
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen.
( pag. 90)
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen
–
402299-12
90
Als de afstand niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
400692-10
10 … 20 mm
1
Schroef
met ringen verwijderen en versnellingshendel
eraf halen.
2
ERGONOMIE 8
–
Vertanding
–
Versnellingshendel in de gewenste positie op de schakelas steken en de tanden laten grijpen.
A van versnellingshendel en schakelas reinigen.
Info
Het instelbereik is beperkt.
De versnellingshendel mag bij het schakelen de voertuigcomponenten niet raken.
A
0
402300-10
–
Schroef
1 met ringen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef versnellingshendel
M6
15 Nm
Loctite®243™
91
8 ERGONOMIE
8.10
Uitgangspositie van het rempedaal instellen
–
–
–
–
1 losmaken.
Moer 2 losdraaien.
Schroef 3 verwijderen.
Veer
Voor de individuele aanpassing van de uitgangspositie van het
rempedaal kogelscharnier
draaien.
4
Info
Het instelbereik is beperkt.
Minimaal 5 schroefgangen moeten in het kogelscharnier ingeschroefd zijn.
S00283-10
–
Kogelscharnier
4 tegenhouden en moer 2 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende moeren
chassis
–
Schroef
M6
10 Nm
3 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef kogelscharnier drukstang op rempedaalcilinder
–
92
Veer
1 vasthaken.
M6
10 Nm
Loctite®243™
INBEDRIJFSTELLING 9
9.1
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
–
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
–
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Verschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
–
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Niet-vrijgegeven of aanbevolen banden en wielen bemoeilijken het rijgedrag.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
93
9 INBEDRIJFSTELLING
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
200 km
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
–
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Info
Houd er bij het gebruik van het voertuig rekening mee dat andere mensen last kunnen hebben van overmatig lawaai.
–
Zorg ervoor dat de werkzaamheden van de controle voor de verkoop worden uitgevoerd door een geautoriseerde
KTM-garage.
U ontvangt het leveringsdocument en het service- en garantieboekje bij de overdracht van het voertuig.
–
Voordat u voor het eerst gaat rijden, moet u de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen.
–
Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.
–
Stel de motorfiets in op uw behoeften zoals beschreven in het hoofdstuk Ergonomie.
94
INBEDRIJFSTELLING 9
–
Raak gewend aan het rijgedrag van de motorfiets op een geschikte ondergrond voordat u een langere rit
maakt. Probeer ook eens zo langzaam mogelijk te rijden en staand te rijden, zodat u meer gevoel voor de
motorfiets krijgt.
–
Houd tijdens het rijden het stuur met beide handen vast en laat de voeten op de voetsteunen rusten.
–
Motor inrijden. (
9.2
–
pag. 95)
Motor inrijden
Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
–
Tijdens de eerste: 1.000 km
6.500 1/min
Na de eerste: 1.000 km
10.050 1/min
Vol gas geven vermijden!
Info
Als het maximale motortoerental voor de eerste servicebeurt wordt overschreden, gaat het schakellicht
knipperen.
95
9 INBEDRIJFSTELLING
9.3
Voertuig beladen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Totaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de
bestuurder en passagier met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
–
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verkeerde montage van de koffer of de tanktas heeft invloed op het rijgedrag.
–
De koffer en tanktas volgens de gegevens van de fabrikant monteren en vastmaken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag bij hoge snelheid.
–
De snelheid aanpassen aan de extra belasting. Rijd langzamer als uw motorfiets is beladen met koffers of andere bagage.
Maximumsnelheid met bagage
150 km/h
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door overbelasting raakt het koffersysteeem beschadigd.
–
96
Bij het monteren van een koffer altijd de fabrikantgegevens betreffende de maximale last in acht
nemen.
INBEDRIJFSTELLING 9
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage beperkt de zichtbaarheid.
Als het achterlicht is afgedekt bent u, vooral als het donker is, slechter zichtbaar voor andere verkeerdeelnemers.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Hoge belading verandert het rijgedrag en verlengt de remweg.
–
De snelheid aan eventuele extra belading aanpassen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage heeft invloed op het rijgedrag.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor brand Een heet uitlaatsysteem kan de bagage doen verbranden.
–
De bagage zo bevestigen, dat deze niet aan het hete uitlaatsysteem kan verbranden of schroeien.
–
Wanneer bagage wordt meegenomen, moet deze zo veel mogelijk in het midden van het voertuig veilig worden
vastgezet en het gewicht moet gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
–
Het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximaal toegestane aslasten aanhouden.
97
9 INBEDRIJFSTELLING
Voorgeschreven waarde
98
Maximaal toegestaan totaalgewicht
450 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor
165 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
285 kg
RIJ-INSTRUCTIES 10
10.1
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling
Info
Voordat u gaat rijden, controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gereden.
Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
H02217-01
–
Motoroliepeil controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren.
( pag. 183)
–
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren.
( pag. 188)
–
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
–
Controleren of het remsysteem goed werkt.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren.
( pag. 250)
–
Vervuiling van de ketting controleren. (
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 141)
–
Bandentoestand controleren. (
pag. 207)
–
Bandenspanning controleren. (
pag. 209)
–
Spaakspanning controleren. (
pag. 257)
pag. 187)
pag. 192)
pag. 139)
pag. 210)
99
10 RIJ-INSTRUCTIES
10.2
–
Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en
soepel bewegen.
–
Werking van de elektrische installatie controleren.
–
Controleren of de bagage correct is bevestigd.
–
Instelling achteruitkijkspiegel controleren.
–
Brandstofvoorraad controleren.
Voertuig starten
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Elektrische componenten en veiligheidsvoorzieningen raken bij lege of ontbrekende 12V-accu beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege 12V-accu of zonder 12V-accu gebruiken.
Aanwijzing
Motorschade Hoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
–
Rij de motor altijd met een laag toerental warm.
100
RIJ-INSTRUCTIES 10
–
Noodstopschakelaar in stand ON
–
Contact inschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de
stand ON draaien.
schakelen.
Na het inschakelen van het contact is gedurende ongeveer
2 seconden het geluid van de werkende brandstofpomp
te horen. Tegelijkertijd wordt de functiecontrole van het
gecombineerde instrument uitgevoerd.
S01777-01
Het ABS‑controlelampje gaat branden en gaat na het
beginnen met rijden weer uit.
–
Versnelling in stationair
schakelen.
Het groene stationair-controlelampje
–
E-startknop
brandt.
indrukken.
S01776-01
101
10 RIJ-INSTRUCTIES
Info
E-startknop pas indrukken als de functiecontrole van
het gecombineerde instrument is afgerond.
Tijdens het starten GEEN gas geven. Als er tijdens het
starten gas wordt gegeven, wordt geen brandstof ingespoten door het motormanagementsysteem en daardoor
slaat de motor niet aan.
Maximaal 5 seconden de e-startknop indrukken. Tot
de volgende startpoging minimaal 5 seconden wachten.
Deze motorfiets is uitgerust met een veiligheidsstartsysteem. De motor kan alleen worden gestart als de
versnelling in vrij is geschakeld of als bij geschakelde
versnelling de koppelingshendel is getrokken. Als u met
uitgeklapte zijstandaard naar een versnelling schakelt,
blijft de motor stilstaan.
–
10.3
–
Motorfiets van de zijstandaard nemen.
Optrekken
Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam vrijgeven en tegelijkertijd
voorzichtig gas geven.
102
RIJ-INSTRUCTIES 10
10.4
Schakelen, rijden
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Bij een abrupte verandering van de belasting kunt u de controle over de motorfiets verliezen.
–
Abrupte lastverplaatsing en hard remmen vermijden.
–
De snelheid aan de gewijzigde rijwegsituatie aanpassen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Terugschakelen bij een hoog motortoerental blokkeert het achterwiel en overbelast de motor.
–
Schakel bij een hoog toerental niet terug naar een lagere versnelling.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde contactsleutelstand zorgt voor storingen.
–
De contactsleutelstand tijdens het rijden niet veranderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het uitvoeren van instellingen aan het voertuig leidt af van het verkeer.
–
Instelwerkzaamheden aan een stilstaand voertuig uitvoeren.
103
10 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Door verkeerd gedrag kan de passagier van de motorfiets vallen.
–
Zorg ervoor dat de passagier correct op de buddyseat zit, de voeten op de buddyseatvoetsteunen van
de passagier zet en zich aan de bestuurder of grepen vasthoudt.
–
Neem hierbij ook de in uw land geldende voorschriften over de minimumleeftijd voor passagiers in
acht.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Riskant rijgedrag vormt een groot risico.
–
Volg de verkeersregels en rijd defensief en anticiperend, om gevaren zo vroeg mogelijk te herkennen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Koude banden hebben minder grip.
–
De eerste kilometers rustig en voorzichtig rijden, tot de banden op temperatuur zijn.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
104
200 km
RIJ-INSTRUCTIES 10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Totaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de
bestuurder en passagier met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
–
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage heeft invloed op het rijgedrag.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door een val kan het voertuig sterker beschadigd raken dan eerst het geval lijkt.
–
Het voertuig na een val op dezelfde wijze als voor ingebruikname controleren.
Aanwijzing
Motorschade Ongefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
Zonder luchtfilter dringen stof en vuil in de motor.
–
Gebruik het voertuig nooit zonder luchtfilter.
105
10 RIJ-INSTRUCTIES
Aanwijzing
Motorschade Bij oververhitting raakt de motor beschadigd.
–
Stop onmiddellijk volgens de verkeersregels en schakel de motor uit wanneer de waarschuwing voor de koelmiddeltemperatuur verschijnt.
–
Laat de motor en het koelsysteem afkoelen.
–
Controleer resp. corrigeer het koelmiddelpeil bij afgekoeld koelsysteem.
Info
Als er tijdens het rijden ongewone geluiden optreden, meteen stoppen, de motor uitzetten en contact
opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
–
Als de omstandigheden het toestaan (helling, rijsituatie e.d.),
kunt u naar hogere versnellingen schakelen.
–
Gas terugnemen, gelijktijdig koppelingshendel trekken, naar
volgende versnelling schakelen, koppelingshendel vrijgeven en
gas geven.
Info
De posities van de 6 voorwaartse versnellingen zijn
weergegeven op de afbeelding. De vrije stand bevindt
zich tussen de 1e en 2e versnelling. De 1e versnelling
is de start- of bergversnelling.
402299-11
–
106
Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale
snelheid is bereikt, deze tot ¾ gas terugdraaien. Pas uw snel-
RIJ-INSTRUCTIES 10
heid aan de weggesteldheid en weersituatie aan. De snelheid
verlaagt nauwelijks, maar er wordt aanmerkelijk minder brandstof verbruikt.
–
Slechts zo veel gas geven als de rijbaan en de weersomstandigheden toestaan. Vooral in bochten mag niet worden geschakeld
en slechts voorzichtig gas worden gegeven.
–
Voor het terugschakelen van de motorfiets indien nodig afremmen en tegelijkertijd gas terugnemen.
–
Koppelingshendel trekken en in een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gas geven of nog
een keer schakelen.
–
Als de motor bijvoorbeeld afslaat bij een kruising, hoeft u
alleen de koppelingshendel te trekken en de e-startknop in
te drukken. De versnelling hoeft niet in stationair te worden
geschakeld.
–
Zet de motor uit als het voertuig langere tijd met stationair toerental draait of stilstaat.
–
Als tijdens het rijden het waarschuwingslampje oliedruk
begint te branden, moet u meteen stoppen en de motor uitschakelen. Contact opnemen met geautoriseerde KTM-garage.
–
Als tijdens het rijden het storinglampje gaat branden, moet
u meteen stoppen, de motor uitzetten en contact opnemen
met een geautoriseerde KTM-garage.
107
10 RIJ-INSTRUCTIES
Info
Via het knipperritme kan een tweecijferig getal ontcijferd worden. Dit wordt de knippercode genoemd. De
knippercode geeft aan welke component een storing
heeft.
–
Als tijdens het rijden het algemene waarschuwingslampje
gaat branden, toont het matrixdisplay 10 seconden een melding.
Info
Bijzonder belangrijke meldingen worden in het
menu "Warning" opgeslagen.
–
10.5
Verschijnt de waarschuwing voor glad wegdek op het gecombineerde instrument, dan is ijzel mogelijk. De snelheid aanpassen aan de gewijzigde situatie.
Afremmen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het remsysteem nadelig.
–
108
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
RIJ-INSTRUCTIES 10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een poreus drukpunt van voor- en/of achterwielrem vermindert de remwerking.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
–
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Hoger totaal gewicht verlengt de remweg.
–
Hou rekening met een langere remweg, als u met een passagier of met bagage rijdt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Strooizout op de straat belemmert het remsysteem.
–
Meerdere keren voorzichtig remmen om strooizout van de remplaketten en remschijven te verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen ABS kan de remweg in bepaalde situaties verlengen.
–
Pas de remwijze aan de rijsituatie en rijwegsituatie aan.
109
10 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door te sterk afremmen blokkeren de wielen.
De werking van het ABS kan alleen worden gegarandeerd, indien ABS is ingeschakeld.
–
ABS ingeschakeld laten om de beschermende functie te gebruiken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Rijhulpvoorzieningen kunnen ongevallen alleen binnen de fysieke grenzen verhinderen.
Extreme rijsituaties zoals bagage met hoog zwaartepunt, wisselende straatoppervlakken, steile hellingen
of hard remmen zonder ontkoppelen kunnen niet altijd worden gecompenseerd.
–
–
Pas het rijgedrag aan de toestand van de rijweg en uw rijvaardigheden aan.
Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.
Info
Met ABS kan zowel bij een volledige afremming als bij een slecht contact met de ondergrond op zandige, natte of gladde ondergrond de volledige remkracht worden gebruikt, zonder het risico te lopen
dat de wielen blokkeren.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het achterwiel kan door de motorremwerking blokkeren.
–
110
Trek aan de koppelingshendel wanneer u vol remt, een noodstop maakt of wanneer u op gladde
ondergrond afremt.
RIJ-INSTRUCTIES 10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Schuine stand of zijdelings afhellende ondergrond vermindert de maximaal
mogelijke vertraging.
–
Beëindig het remmen indien mogelijk voordat u een bocht inrijdt.
–
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Afhankelijk van de snelheid naar een
lagere versnelling schakelen.
–
Tijdens langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor gebruiken. Daarvoor een of twee versnellingen
terugschakelen, maar daarbij de motor niet overbelasten. Zo moet aanzienlijk minder worden geremd en raakt
het remsysteem niet oververhit.
10.6
Stoppen, parkeren
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Onbevoegd handelende personen vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Laat het voertuig nooit zonder opzicht achter, als de motor loopt.
–
Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
–
Blokkeer het stuur en verwijder de contactsleutel als u het voertuig onbeheerd achterlaat.
111
10 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
–
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
–
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
–
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
–
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
Aanwijzing
Materiaalschade Een onjuiste handelwijze bij parkeren beschadigt het voertuig.
Als het voertuig wegrolt of omvalt, kan aanzienlijke schade ontstaan.
De onderdelen voor parkeren van het voertuig zijn alleen berekend op het voertuiggewicht.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Zorg ervoor dat niemand op het voertuig gaat zitten wanneer het voertuig op de standaard staat.
–
Motorfiets afremmen.
–
Versnelling in stationair
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de stand OFF
112
schakelen.
draaien.
RIJ-INSTRUCTIES 10
Info
Als de motor met de noodstopschakelaar is uitgeschakeld en op het contactslot het contact ingeschakeld blijft, wordt de stroomvoeding van de meeste stroomverbruikers niet onderbroken. Daardoor raakt
de 12V-accu leeg. De motor dus altijd met het contactslot uitzetten, de noodstopschakelaar is uitsluitend bestemd voor noodsituaties.
–
Motorfiets parkeren op vaste ondergrond.
–
Zijstandaard met de voet helemaal naar voren zwenken en met het voertuig belasten.
–
Het stuur blokkeren. Daarvoor het stuur naar links draaien, de zwarte contactsleutel in de stand OFF indrukken en in de stand LOCK draaien. Om het vergrendelen in de stuurblokkering gemakkelijker te maken, het
stuur iets heen en weer bewegen. Zwarte contactsleutel eruit trekken.
10.7
Transporteren
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
–
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
–
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
113
10 RIJ-INSTRUCTIES
–
Motor uitzetten.
–
Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigingsmiddelen beveiligen tegen omvallen en wegrollen.
401475-01
10.8
Brandstof tanken
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
114
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
RIJ-INSTRUCTIES 10
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Aanwijzing
Materiaalschade Door een slechte brandstofkwaliteit vervuilt het brandstoffilter.
In sommige landen en regio's is de beschikbare brandstofkwaliteit en -reinheid eventueel onvoldoende. Dit leidt
tot problemen in het brandstofsysteem.
–
Tank uitsluitend schone brandstof die aan de aangegeven norm voldoet. (De geautoriseerde KTM-garage is u
graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
115
10 RIJ-INSTRUCTIES
–
Motor uitzetten.
–
Tankdop openen. (
–
Brandstoftank tot maximaal aan de onderkant
opening met brandstof vullen.
pag. 42)
Brandstoftankvolume
totaal ca.
–
A00465-10
116
Tankdop sluiten. (
23 l
pag. 44)
A van de vul-
Brandstof super
loodvrij (ROZ 95)
( pag. 300)
SERVICESCHEMA 11
11.1
Extra informatie
Voor alle verdergaande werkzaamheden, die resulteren uit de verplichte werkzaamheden resp. de aanbevolen
werkzaamheden, moet een extra opdracht worden verstrekt, die ook apart in rekening wordt gebracht.
Afhankelijk van de lokale gebruiksomstandigheden kunnen in uw land afwijkende service-intervallen gelden.
In het kader van technische ontwikkelingen kunnen intervallen en omvang van afzonderlijke servicebeurten veranderen. Het meest recente serviceschema vindt u altijd op KTM Dealer.net. Uw geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
11.2
Verplichte werkzaamheden
om de twee jaar
ieder jaar
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
Werking van de elektrische installatie controleren.
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
Remschijven controleren. (
pag. 187)
pag. 192)
pag. 182)
Remkabels controleren op beschadiging en dichtheid.
Remvloeistof van de voorwielrem verversen.
(
pag. 258)
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
117
11 SERVICESCHEMA
om de twee jaar
ieder jaar
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
●
Remvloeistof van de achterwielrem verversen.
●
Vloeistof van de hydraulische koppeling verversen.
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
pag. 183)
pag. 188)
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling controleren/corrigeren. (
Speling balhoofdlager controleren. (
(
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
pag. 149)
Schokdemper en voorvork controleren op lekkages. Service afhankelijk van behoefte en
gebruiksdoel uitvoeren.
Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen.
○
pag. 165)
pag. 151)
Bandentoestand controleren. (
pag. 207)
○
●
●
●
●
Bandenspanning controleren. (
pag. 209)
○
●
●
●
●
○
Spaken bijdraaien.
Spaakspanning controleren. (
pag. 210)
○
Velgslag controleren.
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren. (
Kettingspanning controleren. (
pag. 141)
Bougies vervangen (luchtfilter gedemonteerd).
118
pag. 145)
○
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
SERVICESCHEMA 11
om de twee jaar
ieder jaar
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
●
Klepspeling controleren (luchtfilter en bougies gedemonteerd).
●
SLS-membraankleppen vervangen.
●
●
●
●
●
●
●
●
Luchtfilter vervangen, luchtfilterbak reinigen.
●
●
Brandstofdruk controleren.
●
●
●
●
Kabels controleren op beschadiging en legging zonder knikken. (brandstoftank gedemonteerd)
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. (
pag. 250)
○
○
●
●
Controleren of de radiateurventilator werkt.
○
●
●
●
●
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.
○
●
●
●
●
Na proefrit foutgeheugen uitlezen met KTM-diagnosetool.
○
●
●
●
●
Serviceweergave met KTM-diagnosetool resetten.
○
●
●
●
●
Service in KTM Dealer.net invoeren en noteren in het service- & garantieboekje.
○
●
●
●
●
Koplampinstelling controleren. (
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
pag. 239)
119
11 SERVICESCHEMA
11.3
Aanbevolen werkzaamheden
om de vier jaren
ieder jaar
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
Frame controleren.
●
Achterbrug controleren.
●
Olievernevelaar voor koppelingssmering controleren/reinigen.
○
Achterbruglager op speling controleren.
●
●
●
●
●
●
Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, ketting, ...) smeren en controleren of ze gemakkelijk bewegen.
○
●
●
●
●
Aftapslangen legen.
○
●
●
●
●
●
●
●
●
●
Wiellager op speling controleren.
Alle slangen (bijv. brandstof­, radiateur­, ontluchting­, aftapslangen, ...) en manchetten controleren op scheuren, dichtheid en correcte legging.
Controleren of de schroeven en moeren goed vastzitten.
○
●
●
●
Antivries controleren.
○
●
●
●
Koelmiddel verversen.
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
120
●
CHASSIS AFSTELLEN 12
12.1
Voorvork/schokdemper
Voorvork en schokdemper bieden veel mogelijkheden, om het
chassis aan te passen aan de rijstijl en eventuele extra belading.
Info
De aanbevelingen voor de chassisafstelling zijn samengevat
in tabel
. De tabel bevindt aan de linker binnenbekleding van de brandstoftank.
1
S01772-10
12.2
Deze instelwaarden zijn richtwaarden en vormen altijd slechts
de basis voor de afstelling van het chassis. Als van de richtwaarden wordt afgeweken, kunnen de rijeigenschappen verslechteren,
vooral bij hoge snelheden.
Ingaande demping voorvork instellen
Info
De hydraulische ingaande demping bepaalt het gedrag bij het inveren van de voorvork.
121
12 CHASSIS AFSTELLEN
–
Witte stelschroef
1 tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
1
De stelschroef
bevindt zich aan het bovenste uiteinde van de linker vorkpoot.
De ingaande demping bevindt zich in de linker
vorkpoot COMP (witte stelschroef). De uitgaande
demping bevindt zich in de rechter vorkpoot REB (rode
stelschroef).
S01773-10
–
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de
klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Volledige nuttige last
7 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.
122
CHASSIS AFSTELLEN 12
12.3
Uitgaande demping voorvork instellen
Info
De hydraulische uitgaande demping bepaalt het gedrag bij het uitveren van de voorvork.
–
Rode stelschroef
1 tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
1
De stelschroef
bevindt zich aan het bovenste uiteinde van de rechter vorkpoot.
De uitgaande demping bevindt zich in de rechter
vorkpoot REB (rode stelschroef). De ingaande demping
bevindt zich in de linker vorkpoot COMP (witte
stelschroef).
S01774-10
–
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de
klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Volledige nuttige last
7 klikken
123
12 CHASSIS AFSTELLEN
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.
12.4
Veervoorspanning voorvork instellen
–
Stelschroeven
1 tot de aanslag tegen de klok in draaien.
Info
De instelling van beide vorkpoten moet gelijk zijn.
–
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal slagen met de klok
mee draaien.
Voorgeschreven waarde
S01775-10
124
Veervoorspanning - Preload Adjuster
Comfort
2 omw
Standaard
5 omw
Sport
5 omw
Volledige nuttige last
8 omw
CHASSIS AFSTELLEN 12
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de veervoorspanning,
draaien tegen de klok in verlaagt de veervoorspanning.
Het instellen van de veervoorspanning heeft geen
invloed op de instelling van de uitgaande demping.
Toch moet bij een verhoging van de veervoorspanning
altijd ook de uitgaande demping worden verhoogd.
12.5
Ingaande demping schokdemper
De ingaande demping van de schokdemper is verdeeld in twee bereiken: highspeed en lowspeed.
De high‑ en lowspeed hebben betrekking op de compressiesnelheid van het achterwiel en niet op de rijsnelheid.
De highspeedinstelling is bijvoorbeeld van invloed bij het rijden over een asfaltrand. Het achterwiel veert daarbij
snel in.
De lowspeedinstelling is bijvoorbeeld van invloed bij het rijden over lange hobbels op de ondergrond. Het achterwiel veert daarbij langzaam in.
Deze twee bereiken kunnen afzonderlijk worden ingesteld, maar de overgang tussen high‑ en lowspeed is soepel.
Daarom zijn wijzigingen in het highspeedbereik van de ingaande demping ook van invloed op het lowspeedbereik
en omgekeerd.
125
12 CHASSIS AFSTELLEN
12.6
Ingaande demping lowspeed van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
–
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Info
De lowspeedinstelling toont zijn effect wanneer de schokdemper normaal inveert.
–
1
Stelschroef
met een schroevendraaier met de klok mee
draaien tot de laatste voelbare klik.
Info
Schroef
–
S01778-10
126
2 niet losdraaien!
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen
de klok in draaien.
CHASSIS AFSTELLEN 12
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping lowspeed
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige last
10 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping.
12.7
Ingaande demping highspeed van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
–
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Info
De highspeedinstelling toont zijn effect wanneer de schokdemper snel inveert.
127
12 CHASSIS AFSTELLEN
–
1 met een dopsleutel tot de aanslag met de klok
Stelschroef
mee draaien.
Info
Schroef
–
S01779-10
2 niet losdraaien!
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal slagen tegen
de klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping highspeed
Comfort
1,5 omw
Standaard
1,5 omw
Sport
1 omw
Volledige nuttige last
1 omw
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping.
128
CHASSIS AFSTELLEN 12
12.8
Uitgaande demping van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
–
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Stelschroef
bare klik.
–
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen
de klok in draaien.
1 met de klok mee draaien tot de laatste voel-
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
S01780-10
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige last
10 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.
129
12 CHASSIS AFSTELLEN
12.9
Veervoorspanning schokdemper instellen
–
Handwiel
–
Afhankelijk van het schokdempertype en het gebruik een aantal slagen met de klok mee draaien.
1 tot de aanslag tegen de klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning
S01781-10
Comfort
2 omw
Standaard
2 omw
Sport
2 omw
Volledige nuttige last
18 omw
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de veervoorspanning,
draaien tegen de klok in verlaagt de veervoorspanning.
130
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.1
Motorfiets met hefbok achter opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Montageadapter op de achterbrug monteren.
–
Bevestiging achter in de hefbok plaatsen.
Montageadapter (61029955144)
Achterwielmontagebok (69329955000)
–
Motorfiets rechtop zetten, hefbok uitlijnen aan de achterbrug
met de adapters. Motorfiets opkrikken.
402346-01
13.2
Motorfiets van hefbok achter nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
131
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Motorfiets borgen tegen omvallen.
–
Hefbok achter verwijderen en motorfiets op de zijstandaard
zetten.
–
Montageadapter van de achterbrug verwijderen.
402029-10
13.3
Motorfiets met hefbok voor opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
132
Kroonplaat onder demonteren. (
pag. 131)
pag. 153)
1
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Hefbok vooraan met de adapter bij de vorkbuis aanbrengen.
Opnamebout (69329965040)
Voorwielmontagebok groot (69329965000)
–
Hefbok vooraan met de vorkpoten uitlijnen.
Info
402345-01
Motorfiets altijd eerst achter opkrikken.
–
13.4
Motorfiets voor opkrikken.
Motorfiets van hefbok voor nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
133
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
–
Hefbok voor verwijderen.
402777-01
Nawerk
– Kroonplaat onder monteren. (
13.5
Motorfiets met montagestandaard (ingestoken) opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
134
pag. 154)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Bestuurdersvoetsteunen omhoog klappen en vastzetten.
–
Montagestandaard
met kunststofbus in de opening van de
achterbrugbout laten grijpen.
1
Montagebok (62529055200)
Info
Passende hoogte en breedte van de montagestandaard
instellen.
–
Motorfiets opkrikken.
–
Controleren of de montagestandaard goed zit.
D03115-10
135
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.6
Motorfiets van montagestandaard (ingestoken) nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
136
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Motorfiets borgen tegen omvallen.
–
Speciaal gereedschap
1 verwijderen.
Montagebok (62529055200)
Info
Om geen componenten te beschadigen, de motorfiets
langzaam van de montagebok nemen.
De hulp van een tweede persoon kan handig zijn.
–
Motorfiets op zijstandaard zetten.
–
Vastzetting bestuurdersvoetsteunen verwijderen.
D03116-10
137
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.7
Zadel verwijderen
–
De contactsleutel in het zadelslot
klok mee draaien.
–
Zadel achter optillen, naar achteren trekken en naar boven toe
verwijderen.
–
De contactsleutel eruit trekken.
–
Zadel met uitsteeksel
aan de brandstoftank vasthaken,
naar achteren neerlaten en naar voren schuiven.
–
De vergrendelingsbout
in het slothuis steken en het zadel
achter omlaag drukken tot de vergrendelingsbout hoorbaar
vastklikt.
–
Controleren of het zadel correct is gemonteerd.
1 steken en 45 ° met de
S01782-10
13.8
Zadel monteren
2
0
1
0
401677-10
138
1
2
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.9
Kettingvervuiling controleren
–
Ketting controleren op grove vervuiling.
»
Als de ketting erg vuil is:
–
Ketting reinigen. (
pag. 139)
400678-01
13.10
Ketting reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Smeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
–
Verwijder smeermiddel met een geschikt reinigingsmiddel van de banden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
139
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 131)
Hoofdwerk
– Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
–
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel (
–
pag. 304)
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray Street (
pag. 304)
400725-01
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
140
pag. 131)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.11
Kettingspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
–
Controleer de kettingspanning regelmatig.
–
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
Hoofdwerk
– Versnelling in stationair
–
pag. 131)
schakelen.
In het bereik vóór de kettinggeleiding de ketting omhoog
duwen en de kettingspanning
bepalen.
A
401664-10
141
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Info
B
Het bovenste deel van de ketting
moet daarbij
gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet
de meting op verschillende plekken van de ketting worden herhaald.
Kettingspanning
»
40 … 45 mm
Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Kettingspanning instellen. (
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
142
pag. 143)
pag. 131)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.12
Kettingspanning instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
–
Controleer de kettingspanning regelmatig.
–
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 131)
pag. 141)
143
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Moer
–
–
1 losdraaien.
Moeren 2 losdraaien.
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven
links en rechts instellen.
3
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning
40 … 45 mm
3
Stelschroeven
links en rechts zo draaien, dat de markeringen aan de linker en rechter kettingspanner
in
dezelfde positie staan t.o.v. referentiemarkeringen
. Zo
is het achterwiel correct uitgelijnd.
4
A
Info
Het bovenste deel van de ketting moet daarbij gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet
de instelling op verschillende plekken van de ketting
worden gecontroleerd.
S01783-10
–
Moeren
–
Controleren of de kettingspanners
ven
liggen.
–
144
2 vastdraaien.
3
Moer 1 vastdraaien.
4 tegen de stelschroe-
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Voorgeschreven waarde
Moer steekas
achter
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad ingevet
Info
De kettingspanners
4 kunnen 180° worden gedraaid.
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
13.13
pag. 131)
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 131)
Hoofdwerk
– Kettingwiel en ketting-aandrijfwiel op slijtage controleren.
»
Als kettingwiel resp. ketting-aandrijfwiel zijn ingereden:
–
Aandrijfset vervangen.
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten altijd samen worden vervangen.
100132-10
145
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Versnelling in stationair
–
Aan het onderste deel van de ketting met het aangegeven
gewicht
trekken.
schakelen.
A
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor meting van de
kettingslijtage
–
15 kg
B
De afstand
van 18 kettingschakels op het bovenste stuk
van de ketting meten.
Info
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet
de meting op verschillende plekken van de ketting worden herhaald.
0
B
Maximale afstand
van
18 kettingschakels op het
langste stuk van de ketting
402479-10
146
»
Als de afstand
–
272 mm
B groter is dan de aangegeven maat:
Aandrijfset vervangen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Info
Als een nieuwe ketting wordt gemonteerd,
moeten ook het kettingwiel en het
ketting-aandrijfwiel worden vervangen.
Nieuwe kettingen slijten op een oud, versleten
kettingwiel resp. ketting-aandrijfwiel sneller.
De ketting heeft om veiligheidsredenen geen
sluitschakel.
–
Glijblok aan de uitsparing op slijtage controleren.
Info
In de nieuwe toestand van het glijblok zijn de klinknagels
tot de helft aan de onderkant
van de uitsparingen zichtbaar.
1
»
Als de klinknagels van de ketting niet meer aan de onderkant van de uitsparing te zien zijn:
–
S01784-10
–
C
Glijblok vervangen.
Controleren of het glijblok goed vastzit.
»
Als het glijblok loszit:
–
Schroeven van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef glijblok
M5
5 Nm
147
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Kettinggeleiding controleren op slijtage.
»
Als de kettinggeleiding is ingesleten:
–
–
Kettinggeleiding vervangen.
Controleren of de kettinggeleiding goed vastzit.
»
Als de kettinggeleiding loszit:
–
Schroeven van de kettinggeleiding vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
401670-01
Schroef kettinggeleiding
M6
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
148
5 Nm
pag. 131)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.14
Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
149
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Info
Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingplaten zijn versleten.
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en koppelingskabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
–
Het aan het stuur gemonteerde voorraadreservoir van de
hydraulische koppeling in een horizontale positie zetten.
–
Schroeven
–
Deksel
–
Vloeistofpeil controleren.
1 verwijderen.
2 met membraan 3 verwijderen.
Vloeistofpeil lager dan
bovenkant van reservoir
»
S01785-10
4 mm
Als het vloeistofpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
150
pag. 302)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en
vastdraaien.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
13.15
Speling balhoofdlager controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verkeerde speling van het balhoofdlager beïnvloedt het rijgedrag negatief en
beschadigt componenten.
–
Corrigeer verkeerde speling van het balhoofdlager onmiddellijk. (De geautoriseerde KTM-garage is u
graag van dienst.)
Info
Als er gedurende langere tijd wordt gereden met speling in de balhoofdlagers, beschadigen de lagers en
daardoor ook de lagerzittingen in het frame.
Voorwerk
– Motorfiets met montagestandaard (ingestoken) opkrikken.
( pag. 134)
151
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Voertuig aan de achterkant belasten.
Het voorwiel heeft geen contact met de bodem.
–
Stuur in de rechtuitstand zetten. Vorkpoten in rijrichting heen
en weer bewegen.
Er mag geen speling in de balhoofdlager te voelen zijn.
»
400738-11
Als er speling voelbaar is:
–
–
Speling balhoofdlager instellen.
Stuur over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
Het stuur moet eenvoudig kunnen worden bewogen over het
gehele stuurbereik. Er mogen geen blokkeringen te voelen
zijn.
»
Als er blokkeringen voelbaar zijn:
–
Speling balhoofdlager instellen.
–
Balhoofdlager controleren en indien nodig vervangen.
Nawerk
– Motorfiets van montagestandaard (ingestoken) nemen.
( pag. 136)
152
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.16
Kroonplaat onder demonteren
–
–
1 verwijderen.
Kroonplaatafdekking 2 iets neerlaten.
–
De stekkers
Schroeven
M00557-10
–
3 van de claxon loskoppelen.
Temperatuursensor 4 losmaken.
–
Kroonplaat verwijderen.
M00558-10
153
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.17
Kroonplaat onder monteren
–
–
1 van de claxon koppelen.
Temperatuursensor 2 vasthaken.
–
Kroonplaat
De stekkers
M00558-11
–
3 positioneren.
Schroeven 4 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M00557-11
154
M6
10 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.18
Zijbekleding voor demonteren
–
Schroef
–
Schroeven
1 verwijderen.
S01786-10
–
2 verwijderen.
Zijbekleding 3 verwijderen.
–
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
S01787-10
155
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.19
Zijbekleding voor monteren
–
Zijbekleding in het gebied
ding positioneren.
–
Zijbekleding met het uitsteeksel
in de houder
en op de brandstoftank positioneren.
A onder de brandstoftankbekle-
S01788-10
1
Uitsteeksel
S01789-10
156
3 grijpt in de boring 4.
2 hangen
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Schroef
5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
M5
3,5 Nm
S01786-11
–
Schroeven
6 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
–
M5
3,5 Nm
Stappen aan de tegenoverliggende kant herhalen.
S01790-10
13.20
Maskerspoiler demonteren
Voorwerk
– Zadel verwijderen. (
pag. 138)
–
Zijbekleding voor demonteren. (
–
Brandstoftankbekleding demonteren. (
pag. 155)
pag. 166)
157
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Schroef
1 verwijderen.
–
2 verwijderen.
S01791-10
S01792-10
158
Schroef
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Uitsteeksel
–
Maskerspoiler naar de zijkant tot uit de bevestigingen trekken.
3 van de binnenbekleding losmaken.
S01793-10
S01794-10
159
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Maskerspoiler naar boven toe uit de houder
–
Stekkerverbinding
–
Maskerspoiler met richtingaanwijzer verwijderen.
–
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
4 trekken.
S01795-10
S01796-10
160
5 loskoppelen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.21
Maskerspoiler monteren
Hoofdwerk
– Stekkerverbinding
1 verbinden.
S01796-11
–
Maskerspoiler in houder
2 positioneren.
Info
Erop letten dat de kabel van de richtingaanwijzer correct wordt gelegd.
S01795-11
161
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Maskerspoiler vanaf de zijkant in de bevestigingen duwen.
–
Uitsteeksel
S01794-11
S01793-10
162
3 in boring positioneren.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Schroef
4 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef maskerspoiler
M5x17
3,5 Nm
S01792-11
–
Schroef
5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef maskerspoiler
–
M5x17
3,5 Nm
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
S01791-11
Nawerk
– Brandstoftankbekleding monteren. (
–
Zijbekleding voor monteren. (
–
Zadel monteren. (
pag. 169)
pag. 156)
pag. 138)
163
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.22
Spatbord voor demonteren
–
–
1 openen, remkabels en kabel losmaken.
Schroeven 2 verwijderen.
–
Spatbord naar voren verwijderen.
Houder
Info
Op de remkabels en de kabel letten.
S01797-10
13.23
Spatbord voor monteren
–
Spatbord positioneren.
Info
Op de plaatsing van de remleidingen en de kabel letten.
–
Schroeven
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
S01797-11
164
Schroef spatbord
–
M5x12
Remleidingen en kabels in houder
der sluiten.
3,5 Nm
2 aanbrengen en de hou-
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.24
Vuilschrapers vorkpoten reinigen
Voorwerk
– Spatbord voor demonteren. (
pag. 164)
–
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Kroonplaat onder demonteren. (
–
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. (
Hoofdwerk
– Vuilschrapers
pag. 131)
pag. 153)
pag. 132)
1 van beide vorkpoten naar beneden schuiven.
Info
S01860-10
De vuilschrapers schrapen stof en grof vuil van de binnenpoot af. In de loop van de tijd kan er vuil achter te
vuilschrapers terechtkomen. Als deze vervuiling niet
wordt verwijderd, kunnen de daarachter liggende oliekeerringen gaan lekken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven
vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
165
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Vuilschrapers en de binnenpoten aan beide vorkpoten reinigen
en smeren met olie.
Universele oliespray (
pag. 305)
–
Vuilschrapers terugduwen in de inbouwpositie.
–
Overtollige olie verwijderen.
Nawerk
– Motorfiets van hefbok voor nemen. (
13.25
–
Kroonplaat onder monteren. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
–
Spatbord voor monteren. (
pag. 131)
pag. 164)
Brandstoftankbekleding demonteren
Voorwerk
– Zadel verwijderen. (
–
166
pag. 133)
pag. 154)
pag. 138)
Zijbekleding voor demonteren. (
pag. 155)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Schroef
–
1 verwijderen.
Schroef 2 verwijderen.
–
Schroef
S01798-10
–
3 verwijderen.
Schroef 4 verwijderen.
S01799-10
167
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroef
–
Til de brandstoftankbekleding aan de achterzijde op en verwijder deze naar voren.
5 verwijderen.
S01800-10
S01801-01
168
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.26
Brandstoftankbekleding monteren
Hoofdwerk
– Brandstoftankbekleding positioneren.
De lip
1 grijpt in onder de tank 2.
Info
Op de afdichtlip en de ontluchtingsslangen letten.
S01802-10
–
Schroef
3 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
M5
3,5 Nm
S01800-11
169
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroef
4 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
–
Schroef
M6
6 Nm
5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
S01799-11
–
Schroef
M5
3,5 Nm
6 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
–
Schroef
M6
6 Nm
7 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
S01798-11
M5
Nawerk
– Zijbekleding voor monteren. (
–
170
Zadel monteren. (
pag. 138)
3,5 Nm
pag. 156)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.27
Windscherm demonteren
–
Schroeven
miet rubberen bussen verwijderen en het windscherm
verwijderen.
–
Windscherm
1
2
S01803-10
13.28
Windscherm monteren
–
1 positioneren.
Schroeven 2 met rubberen bussen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef windscherm
M5
3,5 Nm
A00225-10
171
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.29
Motorbescherming demonteren
–
1
Schroeven
met bussen verwijderen en
motorbescherming
verwijderen.
2
S01804-10
13.30
Motorbescherming monteren
–
1
Motorbescherming
positioneren, schroeven
monteren en vastdraaien.
2 met bussen
Voorgeschreven waarde
Schroef motorbescherming
S01804-11
172
M6
10 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.31
Valbeugel demonteren
–
Schroefverbindingen
–
Schroeven
1 verwijderen.
D03196-10
2 en klembruggen verwijderen.
D03197-10
173
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
–
3 verwijderen.
Schroef 4 verwijderen.
–
Linker valbeugel verwijderen.
–
Schroeven
Schroef
D03198-10
D03199-10
174
5 en klembruggen verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
–
6 verwijderen.
Schroef 7 verwijderen.
–
Rechter valbeugel verwijderen.
–
Rechter valbeugel met framebescherming positioneren.
Schroef
D03200-10
13.32
Valbeugel monteren
Tankbevestigingsrubber is correct op de brandstoftank
gepositioneerd.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
–
D03200-11
Schroef
1 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
Schroef
M10
45 Nm
2 monteren, maar nog niet vastdraaien.
175
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
Schroeven
draaien.
M6
10 Nm
3 met klembruggen monteren, maar nog niet vast-
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
D03199-11
–
Linker valbeugel met framebescherming positioneren.
Tankbevestigingsrubber is correct op de brandstoftank
gepositioneerd.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
–
D03198-11
176
Schroef
4 monteren, maar nog niet vastdraaien.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
Schroef
M10
45 Nm
5 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
Schroeven
draaien.
M6
10 Nm
6 met klembruggen monteren, maar nog niet vast-
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
D03197-11
177
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroefverbindingen
7 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
Valbeugels zijn gelijkmatig ten opzichte van elkaar uitgelijnd.
–
D03196-11
178
Alle schroeven van de valbeugel vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
Resterende schroeven chassis
M10
45 Nm
REMSYSTEEM 14
14.1
Antiblokkeersysteem (ABS)
1
3
0
2
0
De ABS-module
bestaande uit hydraulische eenheid, ABSbesturingsunit en retourpomp is onder het zadel geïnstalleerd. Er
bevindt zich een wieltoerentalsensor
aan het voor- en achterwiel.
2
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Veranderingen aan het voertuig
beperken de functie van het ABS.
0
1
0
2
–
Laat het achterwiel bij vastgehouden voorwielrem
alleen doordraaien (burn out) als het ABS is
uitgeschakeld en nooit op de openbare weg.
–
Breng geen wijzigingen aan de veerweg aan.
–
Gebruik bij het remsysteem uitsluitend door KTM vrijgegeven en aanbevolen reserveonderdelen.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen
banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
–
Neem de aangegeven bandenspanning in acht.
–
Servicewerkzaamheden en reparaties moeten vakkundig worden uitgevoerd. (De geautoriseerde KTM-garage
is u graag van dienst.)
401662-01
179
14 REMSYSTEEM
Aanwijzing
Vervallen van de toelating op de openbare weg en de verzekering
Als het ABS compleet wordt uitgeschakeld, vervalt de toelating van
het voertuig voor de openbare weg.
–
Gebruik het voertuig alleen op afgezette trajecten en niet op de
openbare weg als het ABS compleet wordt uitgeschakeld.
Het ABS is een veiligheidssysteem, dat het blokkeren van de wielen bij het rechtuitrijden zonder inwerking van zijwaartse krachten
voorkomt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Rijhulpvoorzieningen kunnen
ongevallen alleen binnen de fysieke grenzen verhinderen.
Extreme rijsituaties zoals bagage met hoog zwaartepunt,
wisselende straatoppervlakken, steile hellingen of hard
remmen zonder ontkoppelen kunnen niet altijd worden
gecompenseerd.
–
Pas het rijgedrag aan de toestand van de rijweg en uw
rijvaardigheden aan.
Het ABS heeft twee modi, de ABS‑modus Road en de ABS‑modus
Offroad.
In de ABS-modus Road regelt het ABS beide wielen.
180
REMSYSTEEM 14
In de ABS-modus Offroad vindt geen ABS-regeling aan het achterwiel plaats. Het ABS‑waarschuwingslampje
knippert langzaam
om aan de actieve ABS‑modus Offroad te herinneren.
3
Info
In de ABS‑modus Offroad kan het achterwiel blokkeren –
gevaar voor vallen.
Het ABS werkt met twee onafhankelijk van elkaar werkende remcircuits (voorwiel- en achterwielrem). Als de ABS-besturingsunit
de blokkeerneiging van een wiel herkent, begint het ABS door het
regelen van de remdruk te werken. De regeling is merkbaar aan
een licht pulserende remhendel resp. licht pulserend rempedaal.
Het ABS‑waarschuwingslampje
moet na het inschakelen van
het contact gaan branden en uitgaan wanneer het voertuig begint
te rijden. Als het lampje na het optrekken niet uitgaat of tijdens
het rijden brandt, duidt dit op een fout in het ABS-systeem. Het
ABS is dan niet meer actief en de wielen kunnen bij het remmen
blokkeren. Het remsysteem zelf blijft gewoon werken, alleen de
ABS-regeling valt uit.
Het ABS‑waarschuwingslampje kan ook gaan branden als, in
extreme rijsituaties het toerental van het voor- en achterwiel
sterk van elkaar afwijkt, bijvoorbeeld bij een wheelie of als het
achterwiel doordraait. Daardoor wordt het ABS uitgeschakeld.
Om het ABS weer te activeren, moet het voertuig worden gestopt
en het contact worden uitgeschakeld. Als u weer met het
3
181
14 REMSYSTEEM
voertuig gaat rijden, wordt ook het ABS weer geactiveerd. Het
ABS‑waarschuwingslampje gaat dan uit, als het voertuig begint te
rijden.
14.2
Remschijven controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remschijven verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remschijven onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage
is u graag van dienst.)
–
Dikte van de remschijven voor en achter op meerdere plekken
van de remschijf op de maat
controleren.
A
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijf in
het bereik van het raakvlak
van de remplaketten.
1
Remschijven - slijtagegrens
400618-10
»
182
voor
4 mm
achter
4,5 mm
Als de dikte van de remschijven onder de voorgeschreven
waarde ligt.
–
Remschijven van voorwielrem vervangen.
–
Remschijf van achterwielrem vervangen.
REMSYSTEEM 14
–
Remschijven voor en achter op beschadiging, scheuren en vervorming controleren.
»
14.3
Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
–
Remschijven van voorwielrem vervangen.
–
Remschijf van achterwielrem vervangen.
Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
183
14 REMSYSTEEM
–
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir
»
Wanneer bij de markering
–
1 controleren.
A een luchtbel zichtbaar is:
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen.
( pag. 184)
S01805-10
14.4
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
184
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
REMSYSTEEM 14
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
185
14 REMSYSTEEM
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
– Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
pag. 187)
Hoofdwerk
– Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Schroeven
–
Deksel
–
1 verwijderen.
2 met membraan 3 verwijderen.
Remvloeistof tot maat A bijvullen.
Voorgeschreven waarde
Maat
S01806-10
A
7 mm
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
–
186
pag. 302)
2 met membraan 3 positioneren.
Schroeven 1 monteren en vastdraaien.
Deksel
REMSYSTEEM 14
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
14.5
Remplaketten van de voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remvoeringen verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Hierdoor vermindert de remwerking aanmerkelijk en worden de remschijven onherstelbaar beschadigd.
–
Controleer de remplaketten regelmatig.
187
14 REMSYSTEEM
–
Alle remplaketten aan beide remzadels op minimale minimale
voeringdikte
controleren.
A
Minimale voeringdikte
»
S00957-10
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
Alle remplaketten aan beide remzadels controleren op beschadiging en scheuren.
»
Als er beschadigingen of scheuren zijn:
–
14.6
≥ 1 mm
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
A
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
188
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
REMSYSTEEM 14
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir
»
Als het vloeistofpeil de MIN-markering
–
1 controleren.
A heeft bereikt:
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen.
( pag. 189)
S01807-10
14.7
Remvloeistof achterwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
189
14 REMSYSTEEM
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
190
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
REMSYSTEEM 14
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Zorg ervoor dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
– Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
pag. 192)
Hoofdwerk
– Schroefdop
–
1 met membraan 2 verwijderen.
Remvloeistof tot de MAX-markering A bijvullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
Schroefdop
pag. 302)
1 met membraan 2 monteren en vastdraaien.
Info
S01808-10
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
191
14 REMSYSTEEM
14.8
Remplaketten achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remvoeringen verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Hierdoor vermindert de remwerking aanmerkelijk en worden de remschijven onherstelbaar beschadigd.
–
Controleer de remplaketten regelmatig.
–
Controleren of de remplaketten de minimale plaketdikte
hebben.
Minimale plaketdikte
»
192
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
»
S01809-10
≥ 1 mm
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
A
A
Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn:
–
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
WIELEN, BANDEN 15
15.1
Voorwiel demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Kroonplaat onder demonteren. (
–
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. (
pag. 131)
pag. 153)
pag. 132)
Hoofdwerk
– Voertuig aan de achterkant belasten.
Het voorwiel heeft geen contact met de bodem.
–
1
Schroef
verwijderen en wieltoerentalsensor
boring trekken.
2 uit de
V00006-10
193
15 WIELEN, BANDEN
–
Schroeven
–
Remplaketten terugduwen op de remschijf door de remzadels
licht naar de zijkant te kantelen.
–
Remzadel voorzichtig naar achter van de remschijven trekken
en spanningsvrij aan de zijkant hangen.
3 aan beide remzadels verwijderen.
Info
Remhendel bij verwijderde remzadels niet bedienen.
S00959-10
–
–
–
4 enkele slagen losdraaien.
Schroeven 5 losdraaien.
Op de schroef 4 drukken om de steekas uit de asopname te
Schroef
schuiven.
–
Schroef
4 verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
K00540-10
–
–
194
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijven
niet worden beschadigd.
Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de
voorvork nemen.
WIELEN, BANDEN 15
Info
Remhendel niet bedienen als het voorwiel is gedemonteerd.
–
Afstandsbussen
6 verwijderen.
H02027-10
15.2
Voorwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
195
15 WIELEN, BANDEN
Hoofdwerk
– Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager voor vervangen.
1
Keerringen
en loopvlakken
nigen en invetten.
Duurzaam vet (
A van de afstandsbussen rei-
pag. 304)
H02026-10
–
De brede afstandsbus
2 in looprichting links plaatsen.
Info
B
De pijl
geeft de looprichting van het voorwiel aan.
Het ABS‑sensorwiel bevindt zich in de looprichting
links.
De positie van de looprichtingindicatie op de banden
kan variëren.
S01829-10
196
–
De smalle afstandsbus in looprichting rechts plaatsen.
WIELEN, BANDEN 15
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven
vermindert de remwerking.
S00962-10
–
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Schroef
3 en steekas 4 reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet (
pag. 304)
–
Voorwiel in voorvork tillen, positioneren en steekas erin zetten.
–
Schroef
3 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef steekas
voor
M25x1,5
45 Nm
Schroefdraad ingevet
197
15 WIELEN, BANDEN
–
Remzadels positioneren.
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
–
Schroeven
aan beide remzadels monteren, maar nog niet
vast aandraaien.
–
Remhendel meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en een drukpunt aanwezig is. Remhendel ingedrukt vastzetten.
5
Remzadels worden uitgelijnd.
S00959-11
–
Schroeven
5 aan beide remzadels vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remzadel voor
M10
45 Nm
Loctite®243™
–
Vastzetting van de remhendel verwijderen.
–
Wieltoerentalsensor
–
Schroef
6 in de boring positioneren.
7 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef wieltoerentalsensor voor
V00006-11
198
M6
–
Motorfiets van hefbok voor nemen. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
10 Nm
pag. 133)
pag. 131)
WIELEN, BANDEN 15
–
Voorwielrem bedienen en voorvork enkele keren krachtig inveren.
Vorkpoten worden uitgelijnd.
–
Schroeven
8 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname
M8
15 Nm
K00540-11
Nawerk
– Kroonplaat onder monteren. (
15.3
pag. 154)
Achterwiel demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 131)
199
15 WIELEN, BANDEN
Hoofdwerk
– Remzadel met de hand naar de remschijf duwen om de remzuigers naar achteren te drukken.
S01832-10
–
S01830-10
200
1
Schroef
verwijderen en wieltoerentalsensor
boring trekken.
2 uit de
WIELEN, BANDEN 15
–
Moer
–
Steekas
slechts zo ver eruit trekken, dat het achterwiel
naar voren kan worden geschoven.
–
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven. Ketting van
kettingwiel nemen en op kettingkast
wegleggen.
3 verwijderen. Kettingspanner 4 verwijderen.
S01831-10
5
6
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
–
S01833-10
–
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijf
niet wordt beschadigd.
Achterwiel vasthouden en steekas verwijderen. Achterwiel uit
de achterbrug nemen.
201
15 WIELEN, BANDEN
Info
Rempedaal niet intrappen als het achterwiel is gedemonteerd.
–
15.4
Afstandsbus
7 verwijderen.
Achterwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Na montage van het achterwiel remt de achterwielrem eerst niet.
–
Bedien de voetrem meerdere keren voor begin van de rit tot een vast drukpunt voelbaar is.
Hoofdwerk
– Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren.
( pag. 205)
202
WIELEN, BANDEN 15
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager achter vervangen.
Keerring
invetten.
1 en loopvlak A van de afstandsbus reinigen en
Duurzaam vet (
–
D03109-10
pag. 304)
Steekas en moer reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet (
pag. 304)
–
Demperpakkingen en kettingwieldragers aan het achterwiel
monteren.
–
Achterwiel in de achterbrug tillen en de remschijf in het remzadel laten grijpen.
–
Steekas
–
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven en ketting op
het kettingwiel leggen.
2 monteren, maar niet tot de aanslag erin schuiven.
S01834-10
203
15 WIELEN, BANDEN
–
Steekas tot de aanslag erin schuiven, kettingspanner
moer
monteren.
4 en
5
Info
Kettingspanners
ren.
–
S01835-10
3 en 4 in dezelfde stand monte-
Controleren of de kettingspanners tegen de stelschroeven liggen.
Voorgeschreven waarde
De markeringen op de kettingspanners moeten links en
rechts in dezelfde positie ten opzichte van de referentiemarkeringen
staan. Zo is het achterwiel correct uitgelijnd.
B
–
Moer
5 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer steekas
achter
204
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad ingevet
WIELEN, BANDEN 15
–
Wieltoerentalsensor
–
Schroef
6 in de boring positioneren.
7 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef wieltoerentalsensor achter
–
M6
10 Nm
Rempedaal meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
S01830-11
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
15.5
pag. 131)
Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren
Info
De kracht van de motor wordt door het kettingwiel via 6 demperpakkingen overgebracht op het achterwiel.
De demperpakkingen slijten tijdens het gebruik. Als de demperpakkingen niet op tijd worden vervangen,
raken de kettingwielhouder en de achterwielnaaf beschadigd.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Achterwiel demonteren.
(
pag. 131)
pag. 199)
205
15 WIELEN, BANDEN
Hoofdwerk
– Demperpakkingen
van de achterwielnaaf controleren op
beschadiging en slijtage.
1
»
Als de demperpakkingen van de achterwielnaaf beschadigd
of versleten zijn:
–
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
S01836-10
–
Achterwiel met het kettingwiel naar boven toe op een werkbank
leggen en de steekas in de naaf steken.
–
Kettingwielspeling
A controleren.
Info
De speling wordt gemeten aan de buitenkant van het
kettingwiel.
Speling demperpakkingen
achterwiel
S01837-10
»
Als de speling
–
A groter is dan de voorgeschreven waarde:
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
Nawerk
– Achterwiel monteren.
206
≤ 5 mm
(
pag. 202)
WIELEN, BANDEN 15
–
15.6
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 131)
Bandentoestand controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Als een band tijdens de rit lek raakt, wordt het voertuig oncontroleerbaar.
–
Zorg ervoor dat beschadigde of versleten banden onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Verschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
–
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Niet-vrijgegeven of aanbevolen banden en wielen bemoeilijken het rijgedrag.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
207
15 WIELEN, BANDEN
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
200 km
Info
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rem- en rijgedrag van het
voertuig.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed.
–
Voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen
die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en beschadigingen.
»
Als er insnijdingen of beschadigingen zijn of als er voorwerpen tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten:
–
–
400602-10
208
Banden vervangen.
Profieldiepte controleren.
Info
Neem de minimale profieldiepte volgens de nationale
wetgeving in acht.
WIELEN, BANDEN 15
Minimale profieldiepte
»
Als de profieldiepte lager is dan de minimale waarde:
–
–
≥ 2 mm
Banden vervangen.
Leeftijd van de banden controleren.
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het
opschrift van de banden en wordt met de laatste vier
cijfers van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eerste
twee cijfers wijzen op de week van de productie en de
laatste twee cijfers op het productiejaar.
KTM adviseert uiterlijk na vijf jaar de banden te vervangen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slijtage.
H01144-10
»
Als de band ouder is dan vijf jaar:
–
15.7
Banden vervangen.
Bandenspanning controleren
Info
Te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en een maximale levensduur van de band.
209
15 WIELEN, BANDEN
–
Beschermkap verwijderen.
–
Bandenspanning controleren als de banden koud zijn.
Bandendruk solo / met passagier / volledig laadvermogen
»
–
15.8
2,6 bar
achter: bij koude band
2,9 bar
Als de bandenspanning niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt:
–
400695-01
voor: bij koude band
Bandenspanning corrigeren.
Beschermkap monteren.
Spaakspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verkeerd gespannen spaken beïnvloeden het rijgedrag nadelig en leiden tot
gevolgschade.
Als de spaken te vast zijn gespannen, barsten de spaken door overbelasting. Als de spaken te los zijn
gespannen, ontstaat een zij- of hoogteslag in het wiel. Hierdoor komen andere spaken ook los te zitten.
–
210
Controleer de spaakspanning regelmatig, in het bijzonder bij een nieuw voertuig. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
WIELEN, BANDEN 15
–
Kort met het handvat van een schroevendraaier op elke spaak
slaan.
Info
De toonfrequentie is afhankelijk van de spaaklengte en
van de spaakdiameter.
Wanneer er verschillende toonfrequenties hoorbaar zijn
bij spaken met gelijke lengte en dikte, duidt dat op verschillende spaakspanningen.
400694-01
De toon moet helder zijn.
»
Wanneer de spaakspanning verschillend is:
–
Spaakspanning corrigeren.
211
15 WIELEN, BANDEN
15.9
Gebruik van bandenreparatiespray
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Onjuist gebruik van bandenreparatiespray leidt tot drukverlies bij de gerepareerde band.
Niet elke beschadiging kan met bandenreparatiespray
worden gerepareerd.
H03319-01
–
Lees de aanwijzingen en richtlijnen van de fabrikant
van de bandenreparatiespray.
–
Rijd langzaam en voorzichtig wanneer u een band met
bandenreparatiespray hebt gerepareerd.
–
Rijd hoogstens naar de dichtstbijzijnde garage en laat
de band vervangen.
Een reparatie met bandenreparatiespray mag alleen in noodgevallen worden uitgevoerd.
Het wordt aanbevolen om het defecte voertuig naar de dichtstbijzijnde werkplaats te vervoeren in plaats van het te repareren.
212
WIELEN, BANDEN 15
15.10
Bandensysteem zonder binnenbanden
Dit voertuig maakt gebruik van een bandensysteem zonder binnenbanden waarbij de velgafdichtrubber
de conventionele binnenband vervangt.
De voordelen van een systeem zonder binnenbanden is dat er geen
risico bestaat op een defecte binnenband. Daarmee is ook het
risico op een plotseling spanningsverlies sterk verminderd.
De massa's of de massatraagheidsmomenten zijn lager dan bij
conventionele spaakwielen met binnenband. Dat resulteert in een
verbetering van de hanteerbaarheid en het comfort.
Het spaakwiel is door de stijve velgconstructie vrijwel onderhoudsvrij.
KTM raadt aan de velgafdichtrubber ten laatste na 5 jaar te vervangen, ongeacht de daadwerkelijke slijtage.
1
310767-10
213
16 ELEKTRONICA
16.1
dagrijlicht
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Dagrijlicht is bij slecht zicht geen
vervanging voor dimlicht.
Bij zeer slecht zicht door mist, sneeuw of regen kan de
automatische omschakeling tussen dagrijlicht en dimlicht
slechts beperkt ter beschikking staan.
–
Steeds controleren of de juiste verlichting is geselecteerd.
–
Dagrijlicht voor het rijden of bij stilstand via het menu
uitschakelen, zodat het dimlicht permanent is ingeschakeld.
–
Houdt u zich aan de wettelijke vereisten voor het dagrijlicht.
S01810-01
Het dagrijlicht/zijlicht is geïntegreerd in de hoofdkoplamp.
Het dagrijlicht (DRL) kan bij goede zichtverhoudingen worden
ingeschakeld. Activeer het dagrijlicht in het gecombineerde
instrument. De omgevingssensor in het gecombineerde instrument
zorgt voor de regeling. Als er goede zichtverhoudingen zijn, wordt
het dimlicht uitgeschakeld en het dagrijlicht ingeschakeld. Deze
brandt vier keer helderder dan het zijlicht. Als het dagrijlicht
uitgeschakeld is, neemt het de functie van zijlicht over.
214
ELEKTRONICA 16
16.2
12V-accu demonteren
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Elektrische componenten en veiligheidsvoorzieningen raken bij lege of ontbrekende 12V-accu beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege 12V-accu of zonder 12V-accu gebruiken.
Voorwerk
– Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de
stand OFF draaien.
–
Zadel verwijderen. (
pag. 138)
215
16 ELEKTRONICA
Hoofdwerk
– Vergrendeling
1 in pijlrichting trekken.
–
Afdekking
–
Beide minkabels
2 openklappen.
S01811-10
–
–
S01812-10
216
3 van de 12V-accu loskoppelen.
Beide pluskabels 4 van de 12V-accu loskoppelen.
12V-accu met accuhouder 5 uit het accuvak verwijderen.
ELEKTRONICA 16
16.3
12V-accu monteren
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Elektrische componenten en veiligheidsvoorzieningen raken bij lege of ontbrekende 12V-accu beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege 12V-accu of zonder 12V-accu gebruiken.
217
16 ELEKTRONICA
Hoofdwerk
– 12V-accu in de accuhouder
1 positioneren.
Voorgeschreven waarde
De vlakke zijde van de accumantel moet tegenover de polen
liggen.
–
12V-accu met accuhouder in het accuvak positioneren.
–
Beide pluskabels
draaien.
S01812-11
2 positioneren, schroef monteren en vast-
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
–
Beide minkabels
draaien.
M6
4,5 Nm
3 positioneren, schroef monteren en vast-
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
218
M6
4,5 Nm
ELEKTRONICA 16
–
Afdekking
4 dichtklappen en iets naar onderen drukken.
Afdekking klikt hoorbaar vast.
S01813-10
Nawerk
– Zadel monteren. (
–
pag. 138)
Tijd en datum instellen.
219
16 ELEKTRONICA
16.4
12V-accu laden
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu 12V-accu’s bevatten voor het milieu schadelijke stoffen.
–
Gooi 12V-accu’s niet bij het huishoudelijk afval.
–
Geef 12V-accu’s af bij een verzamelpunt voor oude accu’s.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
220
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
ELEKTRONICA 16
Info
Ook als de 12V-accu niet wordt belast verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden zijn erg belangrijk voor de levensduur van de 12V-accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als de laadstroom, laadspanning en laadtijd worden overschreden, ontsnapt er elektrolyt via de veiligheidskleppen. Daardoor verliest de 12V-accu aan capaciteit.
Als de 12V-accu leeg is gestart, moet hij meteen weer worden opgeladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treden er diepteontlading en sulfatie op, waardoor de 12V-accu wordt
vernield.
De 12V-accu is onderhoudsvrij, dat betekent dat het zuurniveau niet hoeft te worden gecontroleerd.
Wanneer de 12V-accu niet opgeladen wordt met het KTM‑acculader, dient de 12V-accu om op te laden
verwijderd te worden. Anders kunnen componenten beschadigd raken door overspanning. De 12V-accu
laden volgens de gegevens op het accuhuis.
Voorwerk
– Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de
stand OFF draaien.
–
Zadel verwijderen. (
pag. 138)
221
16 ELEKTRONICA
Hoofdwerk
– Vergrendeling
1 in pijlrichting trekken.
–
Afdekking
–
Beide minkabels
van de 12V-accu halen om schade aan de
boordelectronica te voorkomen.
2 openklappen.
S01811-10
S01814-10
222
3
ELEKTRONICA 16
–
Acculader met 12V-accu verbinden. Acculader inschakelen.
Acculader (58429074000)
Info
Met deze acculader kunt u ook de rustspanning en het
startvermogen van de 12V-accu en dynamo testen.
Bovendien kan met dit apparaat de 12V-accu niet worden overladen.
12V-accu laden met maximaal 10 % van de capaciteit,
die op het accuhuis is aangegeven.
M00775-01
–
Acculader na het laden uitschakelen en van de 12V-accu loskoppelen.
Voorgeschreven waarde
Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet worden
overschreden.
12V-accu regelmatig bijladen als de motorfiets niet
wordt gebruikt
3 maanden
223
16 ELEKTRONICA
–
Beide minkabels
3 aan de 12V-accu koppelen.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
M6
4,5 Nm
S01814-10
–
Afdekking
4 dichtklappen en iets naar onderen drukken.
Afdekking klikt hoorbaar vast.
S01813-10
Nawerk
– Zadel monteren. (
–
224
pag. 138)
Tijd en datum instellen.
ELEKTRONICA 16
16.5
Hoofdzekering vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Voorwerk
– Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de
stand OFF draaien.
–
Zadel verwijderen. (
pag. 138)
Hoofdwerk
– Schroeven
–
1 verwijderen.
Achterbekleding 2 iets optillen.
S01815-10
225
16 ELEKTRONICA
–
Beschermkappen
–
Defecte hoofdzekering
3 verwijderen.
S01816-10
4 verwijderen.
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad
.
In het startrelais bevindt zich een reservezekering
.
Met de hoofdzekering worden alle stroomverbruikers
van het voertuig gezekerd.
A
5
A00221-10
–
Nieuwe hoofdzekering plaatsen.
Zekering (58011109130) (
226
pag. 290)
–
Werking van de elektrische installatie controleren.
–
Beschermkappen monteren.
ELEKTRONICA 16
Tip
Nieuwe reservezekering in het startrelais plaatsen,
zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
–
Achterbekleding
–
Schroeven
2 positioneren.
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel
M5
3,5 Nm
S01815-10
Nawerk
– Zadel monteren. (
–
pag. 138)
Tijd en datum instellen.
227
16 ELEKTRONICA
16.6
Zekeringen in zekeringenblok vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Info
Het zekeringenblok met de zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers bevindt zich onder het
zadel.
Voorwerk
– Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de
stand OFF draaien.
–
228
Zadel verwijderen. (
pag. 138)
ELEKTRONICA 16
Hoofdwerk
– Zekeringenblokdeksel
1 openen.
S01818-10
–
Zekeringen controleren.
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad
.
A
–
Defecte zekering verwijderen.
S01819-10
229
16 ELEKTRONICA
Voorgeschreven waarde
Zekering res - 10 A - reservezekeringen
Zekering 1 - 10 A - voedingsspanning besturingsunits en
componenten
Zekering 2 - 10 A - constant plus voor extra apparatuur
(ACC1)
Zekering 3 - 15 A - hydraulische ABS‑unit
Zekering 4 - 25 A - ABS‑retourpomp
Zekering 5 - geen functie
–
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (58011109110) (
pag. 289)
Zekering (58011109115) (
pag. 290)
Zekering (58011109125) (
pag. 290)
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen,
zodat u er een bij u heeft als het nodig is.
–
De werking van de stroomverbruikers controleren.
–
Zekeringenblokdeksel sluiten.
Nawerk
– Zadel monteren. (
230
pag. 138)
ELEKTRONICA 16
16.7
Koplampkap met koplamp demonteren
Voorwerk
– Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de
stand OFF draaien.
–
Zadel verwijderen. (
–
Zijbekleding voor demonteren. (
–
Brandstoftankbekleding demonteren. (
–
Maskerspoiler demonteren.
(
–
Windscherm demonteren. (
pag. 171)
Hoofdwerk
– Schroeven
–
pag. 138)
pag. 155)
pag. 166)
pag. 157)
1 verwijderen.
Koplampkap naar voren toe verwijderen.
S01820-10
231
16 ELEKTRONICA
–
Stekkerverbinding
–
Koplampkap op een zachte doek leggen, zodat de koplamp
niet wordt beschadigd.
2 loskoppelen.
S01821-10
16.8
Koplampkap met koplamp monteren
Hoofdwerk
– Stekkerverbinding
S01821-11
232
1 van de koplamp verbinden.
–
Controleren of het licht werkt.
–
Koplampkap positioneren.
ELEKTRONICA 16
–
Schroeven
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef koplamp
M6
5 Nm
S01820-11
Nawerk
– Windscherm monteren. (
pag. 171)
–
Maskerspoiler monteren.
(
–
Brandstoftankbekleding monteren. (
–
Zijbekleding voor monteren. (
–
Zadel monteren. (
–
Koplampinstelling controleren. (
pag. 161)
pag. 169)
pag. 156)
pag. 138)
pag. 239)
233
16 ELEKTRONICA
16.9
Dimlichtlamp vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Vet op de reflector vermindert de lichtsterkte.
Vet op het lichtpeertje van de gloeilamp verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector.
–
Reinig en ontvet het lichtpeertje voor de montage.
–
Het lichtpeertje niet met blote handen aanraken.
Voorwerk
– Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de
stand OFF draaien.
234
–
Zadel verwijderen. (
–
Zijbekleding voor demonteren. (
–
Brandstoftankbekleding demonteren. (
–
Maskerspoiler demonteren.
(
–
Windscherm demonteren. (
pag. 171)
–
Koplampkap met koplamp demonteren. (
pag. 138)
pag. 155)
pag. 166)
pag. 157)
pag. 231)
ELEKTRONICA 16
Hoofdwerk
– Kabelbinder
–
1 verwijderen.
Lamp van de koplamp 2 licht in de lampfitting duwen tot de
aanslag tegen de klok in draaien en eruit trekken.
–
Stekker
3 loskoppelen.
–
Stekker
3 op de nieuwe lamp van de koplamp aansluiten.
S01822-10
Dimlicht (H11 / sokkel PGJ19-2) (
–
pag. 290)
2
Lamp van de koplamp
in de lampfitting positioneren en tot
de aanslag met de klok mee draaien.
Lamp van koplamp vergrendelt in de lampfitting.
–
Kabelbinder
1 monteren.
S01823-10
Nawerk
– Koplampkap met koplamp monteren. (
–
Windscherm monteren. (
pag. 171)
–
Maskerspoiler monteren.
(
–
Brandstoftankbekleding monteren. (
–
Zijbekleding voor monteren. (
pag. 232)
pag. 161)
pag. 169)
pag. 156)
235
16 ELEKTRONICA
16.10
–
Zadel monteren. (
–
Koplampinstelling controleren. (
pag. 138)
pag. 239)
Lamp groot licht vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Vet op de reflector vermindert de lichtsterkte.
Vet op het lichtpeertje van de gloeilamp verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector.
–
Reinig en ontvet het lichtpeertje voor de montage.
–
Het lichtpeertje niet met blote handen aanraken.
Voorwerk
– Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de
stand OFF draaien.
236
–
Zadel verwijderen. (
–
Zijbekleding voor demonteren. (
–
Brandstoftankbekleding demonteren. (
–
Maskerspoiler demonteren.
(
–
Windscherm demonteren. (
pag. 171)
–
Koplampkap met koplamp demonteren. (
pag. 138)
pag. 155)
pag. 166)
pag. 157)
pag. 231)
ELEKTRONICA 16
Hoofdwerk
– Lamp van de koplamp
licht in de lampfitting duwen tot de
aanslag tegen de klok in draaien en eruit trekken.
1
–
Stekker
2 loskoppelen.
–
Stekker
2 op de nieuwe lamp van de koplamp aansluiten.
S01824-10
Groot licht (H11 / sokkel PGJ19-2) (
–
pag. 290)
1
Lamp van de koplamp
in de lampfitting positioneren en tot
de aanslag met de klok mee draaien.
Lamp van koplamp vergrendeld in de lampfitting.
S01825-10
Nawerk
– Koplampkap met koplamp monteren. (
–
Windscherm monteren. (
pag. 171)
–
Maskerspoiler monteren.
(
–
Brandstoftankbekleding monteren. (
–
Zijbekleding voor monteren. (
pag. 232)
pag. 161)
pag. 169)
pag. 156)
237
16 ELEKTRONICA
16.11
–
Zadel monteren. (
–
Koplampinstelling controleren. (
pag. 138)
pag. 239)
Knipperlichtlamp vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Vet op de reflector vermindert de lichtsterkte.
Vet op het lichtpeertje van de gloeilamp verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector.
–
Reinig en ontvet het lichtpeertje voor de montage.
–
Het lichtpeertje niet met blote handen aanraken.
–
Schroef aan voorzijde van het knipperlichthuis verwijderen.
–
Knipperlichtglas
–
Gloeilamp
zacht tegen de fitting duwen, ca. 30° tegen de
klok in draaien en uit de fitting trekken.
1 voorzichtig verwijderen.
2
Info
Reflector niet met de vingers aanraken en vetvrij houden.
S01858-10
–
Nieuwe gloeilamp zachtjes in de fitting duwen en met de klok
mee draaien tot de aanslag.
Richtingaanwijzer (RY10W/sokkel BAU15s) (
–
238
Richtingaanwijzer controleren op goede werking.
pag. 290)
ELEKTRONICA 16
–
Knipperlichtglas positioneren.
Info
Het uitsteeksel
16.12
A in de uitsparing B haken.
–
Schroef erin steken en eerst tegen de klok in draaien, tot de
schroef met een kleine ruk vergrendelt in schroefgang. Schroef
licht vastdraaien.
–
Voertuig op een horizontale ondergrond voor een lichte muur
zetten en ter hoogte van het midden van de dimlichtlamp een
markering aanbrengen.
–
Nog een markering aanbrengen op een afstand
eerste markering.
Koplampinstelling controleren
B onder de
Voorgeschreven waarde
Afstand
400726-10
–
5 cm
B
A loodrecht voor de muur zetten en
Voertuig op een afstand
het dimlicht inschakelen.
Voorgeschreven waarde
Afstand
A
5m
239
16 ELEKTRONICA
–
Nu gaat de bestuurder, eventueel met bagage en passagier op
de motorfiets zitten.
–
Koplampinstelling controleren.
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare
motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en passagier, precies op de onderste markering liggen.
»
Als deze grens tussen licht en donker niet overeenkomt
met de voorgeschreven waarde:
–
16.13
240
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen.
( pag. 240)
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen
Voorwerk
– Koplampinstelling controleren. (
pag. 239)
–
pag. 153)
Kroonplaat onder demonteren. (
ELEKTRONICA 16
Hoofdwerk
– Met de stelschroef
instellen.
1 de lichtbundelbreedte van de koplamp
Info
Draaien met de klok mee verbreedt de lichtbundelbreedte en draaien tegen de klok in versmalt de lichtbundelbreedte.
Bij extra belading kan er een correctie van de lichtbundelbreedte van de koplamp nodig zijn.
S01826-10
–
Koplamp op markering
B instellen.
Voorgeschreven waarde
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare
motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en passagier, precies op de onderste markering
liggen.
B
400726-11
Nawerk
– Kroonplaat onder monteren. (
pag. 154)
241
16 ELEKTRONICA
16.14
Contactsleutel activeren/deactiveren
Info
De oranje programmeersleutel mag uitsluitend worden gebruikt voor het activeren/deactiveren!
Bij verlies of vervanging van een zwarte contactsleutel moeten de afzonderlijke zwarte contactsleutels met
de oranje programmeersleutel worden geactiveerd of gedeactiveerd. Daardoor wordt ook voorkomen dat een
onbevoegde de verloren zwarte contactsleutel gebruikt om te gaan rijden met het voertuig.
Er kunnen maximaal vier zwarte contactsleutels worden geactiveerd/gedeactiveerd. Alleen de tijdens het
activeren geprogrammeerde zwarte contactsleutels zijn geldig. Alle zwarte contactsleutels die niet tijdens
het activeren zijn geprogrammeerd, zijn ongeldig, maar kunnen achteraf nog worden geprogrammeerd.
Verlies van een zwarte contactsleutel (meer zwarte contactsleutels zijn
aanwezig):
Door de volgende handelingen worden alle geactiveerde zwarte
contactsleutels gedeactiveerd, die niet bij deze handelingen
zijn betrokken.
–
401114-10
242
Noodstopschakelaar in stand ON
schakelen.
ELEKTRONICA 16
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON draaien.
Controlelampje
den.
F00694-01
van de wegrijblokkering gaat bran-
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF draaien.
–
Oranje programmeersleutel eruit trekken.
–
Zwarte contactsleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in
de stand ON draaien.
Controlelampje
den.
van de wegrijblokkering gaat bran-
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in
de stand OFF draaien.
–
Zwarte contactsleutel eruit trekken.
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON draaien.
Controlelampje wegrijblokkering knippert afhankelijk van het aantal werkende zwarte contactsleutels,
inclusief de oranje programmeersleutel. In dit geval
twee keer.
243
16 ELEKTRONICA
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF draaien.
–
Oranje programmeersleutel eruit trekken.
De verloren zwarte contactsleutel is gedeactiveerd.
De aanwezige zwarte contactsleutel is opnieuw geactiveerd.
Verlies van alle zwarte contactsleutels (geen zwarte contactsleutel
meer aanwezig):
Deze handelingen zijn nodig om misbruik met de verloren
zwarte contactsleutel te voorkomen.
–
401114-11
244
Noodstopschakelaar in stand ON
schakelen.
ELEKTRONICA 16
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON draaien.
Controlelampje
den.
van de wegrijblokkering gaat bran-
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF draaien.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON draaien.
F00694-01
Controlelampje wegrijblokkering knippert afhankelijk van het aantal werkende zwarte contactsleutels,
inclusief de oranje programmeersleutel. In dit geval
maar een keer, aangezien alle zwarte contactsleutels
zijn gedeactiveerd.
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF draaien.
–
Oranje programmeersleutel eruit trekken.
–
Nieuwe zwarte contactsleutels bestellen met het sleutelnummer op de KEYCODECARD en activeren.
Alle zwarte contactsleutels zijn gedeactiveerd.
Tot drie zwarte contactsleutels activeren:
– Noodstopschakelaar in stand ON
–
schakelen.
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
245
16 ELEKTRONICA
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON draaien.
Controlelampje
den.
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF draaien.
–
Oranje programmeersleutel eruit trekken.
–
Zwarte contactsleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in
de stand ON draaien.
Controlelampje
den.
246
van de wegrijblokkering gaat bran-
van de wegrijblokkering gaat bran-
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in
de stand OFF draaien.
–
Zwarte contactsleutel eruit trekken.
–
Als er twee zwarte contactsleutels meer moeten worden
geactiveerd, dienen de laatste vier werkstappen met de
betreffende contactsleutel te worden herhaald.
–
Als de laatste zwarte contactsleutel is geactiveerd, de
oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON draaien.
ELEKTRONICA 16
Controlelampje wegrijblokkering knippert afhankelijk van het aantal werkende zwarte contactsleutels,
inclusief de oranje programmeersleutel.
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF draaien.
–
Oranje programmeersleutel eruit trekken.
Info
De contactsleutels zijn geactiveerd.
Vier zwarte contactsleutels activeren:
– Noodstopschakelaar in stand ON
schakelen.
–
Oranje programmeersleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand ON draaien.
Controlelampje
den.
van de wegrijblokkering gaat bran-
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de oranje programmeersleutel in de stand OFF draaien.
–
Oranje programmeersleutel eruit trekken.
–
Zwarte contactsleutel in het contactslot steken.
–
Contact inschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in
de stand ON draaien.
Controlelampje
den.
van de wegrijblokkering gaat bran-
247
16 ELEKTRONICA
–
Contact uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in
de stand OFF draaien.
–
Zwarte contactsleutel eruit trekken.
–
Als er drie zwarte contactsleutels meer moeten worden
geactiveerd, moeten de laatste vier werkstappen met de
betreffende contactsleutel worden herhaald.
Info
Zodra de vierde zwarte contactsleutel geactiveerd
is, is het programmeren afgesloten.
16.15
Diagnosestekker
De diagnosestekker
F00730-10
248
1 bevindt zicht onder het zadel.
ELEKTRONICA 16
16.16
ACC1 en ACC2 vooraan
Inbouwlocatie
– De voedingen ACC1
achter de koplamp.
1 en ACC2 2 vooraan bevinden zich
Info
A00223-10
16.17
De voedingsspanningen zijn met een zekering beveiligd.
Deze zekering beveiligt echter ook nog andere verbruikers.
De maximale continue belasting is daarom duidelijk geringer dan de waarde van de zekering.
In geen geval een sterkere zekering gebruiken.
ACC1 en ACC2 achterzijde
Inbouwlocatie
– De voedingsspanningen ACC1
en ACC2
den zich onder de bagagedragerplaat.
1
2 achter bevin-
Info
A00224-10
De voedingsspanningen zijn met een zekering beveiligd.
Deze zekering beveiligt echter ook nog andere verbruikers.
De maximale continue belasting is daarom duidelijk geringer dan de waarde van de zekering.
In geen geval een sterkere zekering gebruiken.
249
17 KOELSYSTEEM
17.1
Koelmiddelpeil vast reservoir controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
Radiateur is volledig gevuld.
250
KOELSYSTEEM 17
–
Motorfiets op een horizontale ondergrond zetten.
–
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir
1 controleren.
Het koelmiddelpeil moet tussen MIN en MAX liggen.
»
Als er zich geen koelmiddel in het vaste reservoir bevindt:
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
Info
Niet met de motorfiets rijden!
S01827-10
–
»
Koelmiddel vullen / koelsysteem ontluchten.
Als het koelmiddelpeil in het vaste reservoir niet met de
voorgeschreven waarde overeenkomt, maar nog niet leeg is:
–
Koelmiddelpeil in vast reservoir corrigeren.
( pag. 252)
251
17 KOELSYSTEEM
17.2
Koelmiddelpeil in vast reservoir corrigeren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
Radiateur is volledig gevuld.
252
KOELSYSTEEM 17
Voorwerk
– Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren.
( pag. 250)
–
Zijbekleding voor demonteren. (
pag. 155)
Info
Alleen de rechter zijkant demonteren.
Hoofdwerk
– Dop
1 van vast reservoir verwijderen.
S01828-10
253
17 KOELSYSTEEM
–
Koelmiddel vullen totdat het koelmiddelpeil overeenkomt met
de voorgeschreven waarde.
Voorgeschreven waarde
Het koelmiddelpeil moet tussen MIN en MAX liggen.
Koelmiddel (
–
pag. 300)
Dop op het vaste reservoir monteren.
S01827-01
Nawerk
– Zijbekleding voor monteren. (
254
pag. 156)
MOTOR AFSTELLEN 18
18.1
"Drive Mod"
402432-01
Mogelijke toestanden
• SPORT – Gehomologeerd vermogen met zeer directe respons,
de tractiecontrole laat een hogere slip aan het achterwiel toe
• STREET – Gehomologeerd vermogen met evenwichtige respons, de tractiecontrole laat een normale slip aan het achterwiel toe
• RAIN – Gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor betere
rijbaarheid, de tractiecontrole laat een normale slip aan het
achterwiel toe
• OFFROAD – Gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor
betere rijbaarheid, de tractiecontrole laat een hogere slip aan
het achterwiel toe
In het menu "Drive Mod" kunnen verschillende afstellingen voor
het voertuig worden gekozen. Beschikbaar zijn "SPORT", "STREET",
"RAIN" en "OFFROAD".
De als laatste gekozen rijmodus wordt rechts op het segmentendisplay weergegeven.
Info
De geselecteerde rijmodus is niet van invloed op het ABS.
255
18 MOTOR AFSTELLEN
18.2
Tractiecontrole (TC)
De tractiecontrole (TC) verlaagt het motorkoppel bij tractieverlies
aan het achterwiel. Afhankelijk van de instelling van de motorfietstractiecontrole is een lichte slip aan het achterwiel zelfs gewenst.
Bijvoorbeeld: offroad.
Info
L01436-10
Als de tractiecontrole uitgeschakeld is, kan het achterwiel bij sterke acceleratie of op oppervlakken met een lage
hechting doordraaien – gevaar voor vallen.
Na het inschakelen van het contact is de tractiecontrole
weer actief.
Op het gecombineerde instrument wordt de tractiecontrole via het
menu "Drive Mod" ( pag. 255) geregeld. In het menu "MTC/ABS"
kan de tractiecontrole worden uitgeschakeld.
Info
Als de motorfietstractiecontrole regelt, knippert het
TC‑lampje .
Als de motorfietstractiecontrole is uitgeschakeld, brandt
het TC‑lampje .
256
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
19.1
Motoroliepeil controleren
Info
Het olieverbruik is afhankelijk van het rijgedrag en de gebruiksomstandigheden.
Voorwaarden
Motor is warm.
Voorwerk
– Motorfiets rechtop zetten op een horizontale ondergrond.
Hoofdwerk
– Motoroliepeil in het kijkglas voor motorolie controleren.
Info
Na het afzetten van de motor eerst een minuut wachten
en dan pas controleren.
401696-11
Het motoroliepeil moet in het bovenste deel
kijkglas voor de motorolie liggen.
»
Als de motoroliepeil in het kijkglas voor motorolie bij
ligt:
–
»
B van het
Geen motorolie bijvullen.
Als de motoroliepeil in het kijkglas voor motorolie bij
ligt:
–
A
B
Motorolie kan bijgevuld worden.
257
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
»
Als de motoroliepeil in het kijkglas voor motorolie bij
ligt:
–
19.2
Motorolie bijvullen. (
C
pag. 265)
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Motor- en cardanolie wordt tijdens bedrijf van de motorfiets zeer heet.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Voorwerk
– Motorbescherming demonteren. (
258
pag. 172)
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
Hoofdwerk
– Motorfiets op een horizontale ondergrond op de zijstandaard
zetten.
–
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
–
Olieaftapschroeven
verwijderen.
–
Schroeven
verwijderen.
1 met magneten, keerringen en oliezeven
S00333-10
2 verwijderen. Oliefilterdeksel 3 met keerring
S00334-10
259
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Oliefilter
4 uit het oliefilterhuis trekken.
Seegerringtang (51012011000)
–
Motorolie volledig laten uitlopen.
–
Onderdelen en afdichtvlak grondig reinigen.
–
Nieuw oliefilter
S01838-10
4 plaatsen.
Info
Het oliefilter alleen met de hand plaatsen.
–
Keerring van het oliefilterdeksel insmeren met olie. Oliefilterdeksel
monteren.
3
S01839-10
260
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
–
Schroeven
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven
motor
M5
6 Nm
S00334-11
–
A
Magneten
en oliezeven
dig reinigen.
B van de olieaftapschroeven gron-
100773-12
261
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
1
Olieaftapschroeven
met magneten, keerringen en oliezeven
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Olieaftapschroef
M20x1,5
20 Nm
S00333-10
–
Totale vulhoeveelheid klaarzetten.
Motorolie
Omgevingstemperatuur: ≥ 0 °C
3,60 l
Motorolie
Omgevingstemperatuur: < 0 °C
S01840-10
Motorolie
(SAE 5W/40)
( pag. 302)
–
Oliehoeveelheid in twee werkstappen vullen.
–
Sluitschroef
5 verwijderen en eerste deel bijvullen.
Motorolie (1e deel)
ca.
Omgevingstemperatuur: ≥ 0 °C
262
Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 301)
3,0 l
Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 301)
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
Motorolie (1e deel)
ca.
Omgevingstemperatuur: < 0 °C
–
Sluitschroef
3,0 l
Motorolie
(SAE 5W/40)
( pag. 302)
5 monteren.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
–
Motor starten en controleren op lekkage.
–
Motor uitzetten.
263
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Sluitschroef verwijderen en het tweede deel tot de bovenste
markering
op het kijkglas voor de motorolie vullen.
A
Motorolie (2e deel)
ca.
Omgevingstemperatuur: ≥ 0 °C
0,60 l
Motorolie (2e deel)
ca.
Omgevingstemperatuur: < 0 °C
S01857-10
–
Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 301)
Motorolie
(SAE 5W/40)
( pag. 302)
Sluitschroef monteren.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
– Motoroliepeil controleren. (
264
pag. 257)
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
–
19.3
Motorbescherming monteren. (
pag. 172)
Motorolie bijvullen
Info
Te weinig motorolie of motorolie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
Te hoog motoroliepeil kan leiden tot motorschade.
Voorwaarden
Motor is warm.
Voorwerk
– Motorfiets rechtop zetten op een horizontale ondergrond.
–
Motoroliepeil controleren. (
Hoofdwerk
– Sluitschroef
pag. 257)
1 verwijderen.
S01840-11
265
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Motorolie tot de bovenste markering
motorolie vullen.
A op het kijkglas voor de
Voorwaarden
Omgevingstemperatuur: ≥ 0 °C
Motorolie (SAE 10W/50) (
pag. 301)
Voorwaarden
Omgevingstemperatuur: < 0 °C
Motorolie (SAE 5W/40) (
S00329-10
pag. 302)
Info
Voor een optimale prestatie van de motorolie wordt aangeraden geen verschillende motoroliesoorten te mengen.
KTM raadt aan de motorolie te verversen als dat nodig
is.
–
266
Sluitschroef monteren.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
– Motoroliepeil controleren. (
pag. 257)
267
20 REINIGING, ONDERHOUD
20.1
Motorfiets reinigen
Aanwijzing
Materiaalschade Door verkeerd gebruik van een hogedrukreiniger worden componenten beschadigd of onbruikbaar.
Het water dringt door de hoge druk in de elektrische componenten, stekkers, bowdenkabels, lagers etc.
Te hoge druk veroorzaakt storingen en maakt componenten onbruikbaar.
–
Richt de waterstraal niet direct op elektrische componenten, stekkers, bowenkabels of lagers.
–
Een minimale afstand tussen de sproeier van de hogedrukreiniger en de component aanhouden.
Minimale afstand
60 cm
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Reinig de motorfiets regelmatig, zo blijven de waarde en het uiterlijk gedurende langere tijd behouden.
Directe zonnestralen op de motorfiets tijdens het reinigen vermijden.
268
REINIGING, ONDERHOUD 20
–
Uitlaatsysteem afsluiten om het indringen van water te voorkomen.
–
Grove vervuiling eerst met een zachte waterstraal verwijderen.
–
Sterk vervuilde plekken met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger inspuiten en met een kwastje behandelen.
Motorfietsreiniger (
401061-01
pag. 305)
Info
Warm water met een in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger en een zachte spons gebruiken.
Motorfietsreiniger nooit op het droge voertuig aanbrengen, altijd eerst met water afspoelen.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden,
moet hij in koud water worden gereinigd. Warm water
versterkt de zoutwerking.
–
Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is
afgespoeld moet hij goed worden gedroogd.
–
Afsluiting van het uitlaatsysteem verwijderen.
269
20 REINIGING, ONDERHOUD
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het
remsysteem nadelig.
–
–
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Na de reiniging een kort stuk rijden, totdat de motor de rijtemperatuur heeft bereikt.
Info
Door de warmte verdampt het water ook op de niet toegankelijke plaatsen van de motor en het remsysteem.
–
Beschermkappen van de stuurarmaturen terugschuiven, zodat
het ingedrongen water kan verdampen.
–
Na het afkoelen van de motorfiets alle glij- en lagerpunten
smeren.
–
Ketting reinigen. (
–
Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschijven en het uitlaatsysteem) met antiroestmiddel behandelen.
pag. 139)
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
( pag. 304)
270
REINIGING, ONDERHOUD 20
–
Gelakte onderdelen behandelen met een onderhoudsmiddel
voor lakken.
Perfect Finish en hoogglanspolitoer voor lakken
( pag. 305)
Info
In de leveringstoestand matte kunststofonderdelen
niet polijsten, omdat de materiaalkwaliteit anders sterk
beperkt wordt.
–
Kunststofonderdelen en geëloxeerde onderdelen behandelen
met een mild reinigings- en verzorgingsmiddel.
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaalen kunststofvlakken ( pag. 305)
–
Contact- en stuurslot, slot van de benzinetank en slot van de
zitbank oliën.
Universele oliespray (
pag. 305)
271
20 REINIGING, ONDERHOUD
20.2
Controle en onderhoud voor rijden in de winter
Info
Als de motorfiets ook in de winter wordt gebruikt, moet rekening worden gehouden met strooizout op de
wegen. Daarom moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen tegen het agressieve strooizout.
Als het voertuig in strooizout is gebruikt, na elke rit koud water voor de reiniging gebruiken. Warm water
versterkt de zoutwerking.
–
Motorfiets reinigen. (
–
Remmen reinigen.
pag. 268)
Info
Na IEDERE rit op wegen met strooizout de remzadels en
remplaketten, in afgekoelde en gemonteerde toestand,
grondig met koud water reinigen en goed laten drogen.
Na het rijden op met zout bestrooide wegen moet de
motorfiets grondig met koud water worden gereinigd en
goed worden gedroogd.
401060-01
–
272
Motor, achterbrug en alle overige blanke of verzinkte onderdelen (m.u.v. de remschijven) worden behandeld met een antiroestmiddel op wasbasis.
REINIGING, ONDERHOUD 20
Info
Er mag geen antiroestmiddel op de remschijven
terechtkomen. Daardoor wordt de remwerking sterk
verminderd.
–
Ketting reinigen. (
pag. 139)
273
21 STALLING
21.1
Stalling
Info
Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken, moet u volgende maatregelen nemen of laten
nemen.
Controleer voordat u de motorfiets gaat stallen eerst of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten.
Als er servicewerkzaamheden, reparaties of wijzigingen nodig zijn, kunt u dat het beste doen tijdens de
overwintering (minder drukte bij de werkplaatsen). Zo voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het
seizoen.
–
401058-01
274
Bij het laatste tanken voor het stallen van de motorfiets,
brandstofadditief bijmengen.
Brandstofadditief (
pag. 304)
–
Brandstof tanken. (
pag. 114)
–
Motorfiets reinigen. (
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen. ( pag. 258)
–
Koelmiddelpeil en antivries controleren.
–
Bandenspanning controleren. (
–
12V-accu demonteren.
pag. 268)
(
pag. 209)
pag. 215)
STALLING 21
Voorgeschreven waarde
Opslagtemperatuur van de
12V-accu zonder blootstelling aan directe zonnestralen
0 … 35 °C
–
12V-accu laden.
–
Voertuig stallen op een droge plaats en niet blootstellen aan
grote temperatuurschommelingen.
–
De motorfiets afdekken met een luchtdoorlatend dekzeil of een
deken.
(
pag. 220)
Info
In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen
worden gebruikt, omdat er dan geen vocht kan ontsnappen en er roest ontstaat.
Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets
voor korte tijd te laten draaien. Aangezien de motor
daarbij niet voldoende warm wordt, condenseert de
waterdamp die bij de verbranding ontstaat en dit leidt
ertoe dat de ventielen en uitlaatsysteem gaan roesten.
275
21 STALLING
21.2
Inbedrijfstelling na stalling
–
12V-accu monteren.
(
pag. 217)
Info
Als de 12V-accu gedemonteerd is geweest, moeten de
tijd en datum opnieuw worden ingesteld.
401059-01
276
–
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling uitvoeren.
( pag. 99)
–
Een proefrit maken.
FOUTEN OPSPOREN 22
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Er wordt niets weergegeven op
het display van gecombineerd
instrument
Zekering 1 gesmolten
–
Zekeringen in zekeringenblok vervangen. ( pag. 228)
Hoofdzekering doorgesmolten
–
Hoofdzekering vervangen.
( pag. 225)
12V-accu ontladen
–
12V-accu laden.
–
Ruststroom controleren.
Contact- en stuurslot defect
–
Contact- en stuurslot controleren.
Noodstopschakelaar is uit
–
Noodstopschakelaar in stand ON
schakelen.
Bedieningsfouten
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren. ( pag. 100)
12V-accu ontladen
–
12V-accu laden.
Motor draait bij indrukken van
e-starterknop niet door
(
(
pag. 220)
pag. 220)
–
Ruststroom controleren.
Veiligheidsstartsysteem defect
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
E-Lock niet geactiveerd
–
E-Lock activeren.
Fout in CAN-bus communicatie
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
De motorelektronische besturingsunit heeft een fout.
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
MCZ-besturingsunit heeft een
fout.
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
277
22 FOUTEN OPSPOREN
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor draait alleen door, als de
koppelingshendel is getrokken
Er is een versnelling geschakeld
–
Versnelling in stationair
Veiligheidsstartsysteem defect
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
Motor draait door, hoewel er
een versnelling is geschakeld
Veiligheidsstartsysteem defect
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
Motor draait door, maar springt
niet aan
Steekverbinding van de brandstofleiding niet verbonden
–
Steekverbinding van de brandstofleiding verbinden.
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
Brandstofkwaliteit onvoldoende
–
Geschikte brandstof vullen.
Onvoldoende brandstof
–
Brandstof tanken. (
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
Controlelampje storing brandt
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
ABS-waarschuwingslampje
brandt
Zekering ABS gesmolten
–
Zekeringen in zekeringenblok vervangen. ( pag. 228)
Wieltoerental van voor- en achterwiel wijkt sterk af
–
Stoppen, ontsteking uitschakelen,
opnieuw starten.
Fout in ABS
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
Motor slaat tijdens het rijden af
278
schakelen.
pag. 114)
FOUTEN OPSPOREN 22
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Hoog olieverbruik
Motoroliepeil te hoog
–
Motoroliepeil controleren.
( pag. 257)
Vloeibaarheid motorolie te dun
(viscositeit)
–
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen.
( pag. 258)
Een stroomverbruiker is aangesloten op stopcontact/ACC1.
–
Stroomverbruiker loskoppelen van stopcontact/ACC1.
–
12V-accu laden.
Noodknipperlichten zijn ingeschakeld
–
Noodknipperlichten uitschakelen.
–
12V-accu laden.
12V-accu wordt niet opgeladen
door de dynamo
–
Laadspanning controleren.
Ontsteking bij het uitzetten van
het voertuig niet uitgeschakeld
–
12V-accu laden.
12V-accu ontladen
(
(
(
pag. 220)
pag. 220)
pag. 220)
279
23 TECHNISCHE GEGEVENS
23.1
Motor
Bouwwijze
2-cilinder 4-takt benzinemotor, 75° V-indeling,
gekoeld met vloeistof
Cilinderinhoud
1.050 cm³
Slag
63 mm
Boring
103 mm
Compressie
13,0:1
Stationair toerental
1.280 … 1.480 1/min
Besturing
DOHC, 4 kleppen per cilinder, aandrijving via ketting
Ventiel – diameter ventielschijf
Invoer
42 mm
Afvoer
34 mm
Klepspeling
Uitlaat bij: 20 °C
0,25 … 0,30 mm
Inlaat bij: 20 °C
0,10 … 0,15 mm
Krukaslager
Glijlager
Drijfstanglager
Glijlager
Zuigers
Lichtmetaal gesmeed
Zuigerveer
1 rechthoekige ring, 1 zuigerring, 1 olieschraapveer
Motorsmering
Drukcirculatiesmering met 3 rotorpompen
Primaire overbrenging
40:76
280
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Koppeling
Antihopping-koppeling in oliebad / hydraulisch
bediend
Aandrijving
6 versnellingen met klauwschakeling
Overbrengingsverhouding
1e versnelling
12:35
2e versnelling
15:32
3e versnelling
18:30
4e versnelling
20:27
5e versnelling
24:27
6e versnelling
27:26
Mengselbehandeling
Elektronische brandstofinspuiting
Ontstekingssysteem
Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontstekingssysteem met digitale ontstekingsvertraging
Dynamo
12 V, 450 W
Bougie
bougie binnen
NGK LKAR9BI‑10
bougie buiten
NGK LMAR7DI-10
Elektrodenafstand bougie
1,0 mm
Koeling
Vloeistofkoeling, permanente circulatie koelmiddel
door waterpomp
Starthulp
Startmotor
281
23 TECHNISCHE GEGEVENS
23.2
Aanhaalmomenten motor
Schroef dempingplaat
EJOT ALtracs® M6x14
10 Nm
Loctite®243™
Schroef steunplaat ventieldeksel
achter
EJOT ALtracs® M6x10
10 Nm
Slangklem aanzuigflens
M4
1,5 Nm
Olievernevelaar
M5
2 Nm
Loctite®243™
Overige schroeven motor
M5
6 Nm
Schroef kijkglas motorolie
M5
4 Nm
Schroef krukas-toerentalsensor
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef lagerborging
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef lagerschaal-steunplaat
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef sensor versnellingsherkenning
M5
Afsluitschroef onderdrukaansluiting
M6
Moer cilinderkop
M6
9 Nm
Onderdrukaansluiting
M6
5 Nm
282
6 Nm
Loctite®243™
5 Nm
Loctite®243™
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Ontluchtingsschroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
Overige schroeven motor
M6
10 Nm
Schroef klepdeksel
M6
10 Nm
Schroef koelmiddelaansluiting op
cilinderkop
M6
8 Nm
Schroef koppelingsdeksel
M6
10 Nm
Schroef koppelingsveer
M6
12 Nm
Schroef motorbehuizing
M6x60
10 Nm
Schroef motorbehuizing
M6x80
10 Nm
Schroef motorbehuizing
M6x90
10 Nm
Schroef nokkenas-lagerbrug
M6 – 10.9
10 Nm
Schroef oliepompdeksel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Loctite®243™
Schroef startmotor
M6
10 Nm
Schroef stationaire ring
M6 – 10.9
15 Nm
Loctite® 648™
Schroef stationairhouder
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef stator
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef vergrendelingshendel
M6
10 Nm
Loctite®243™
283
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef versnellingshendel
M6
15 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingsvastzetting
M6 – 12.9
18 Nm
Loctite®243™
Schroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
Schroef waterpompwiel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Tapeinden distributiekettingschacht
M6
8 Nm
Sproeier 100
M6x0,75
4 Nm
Loctite®243™
Afsluitschroef krukasbevestiging
M8
15 Nm
Schroef distributiekettinggeleider
M8
15 Nm
Loctite®243™
Schroef distributiekettingspannergeleider
M8
Schroef motorhuis
Expansiebout M8
18 Nm
Schroef nokkenas-lagerbrug
M8 – 10.9
1e niveau
10 Nm
2e niveau
18 Nm
284
15 Nm
Loctite®243™
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef nokkenas-lagerbrug
M8 – 10.9
1e niveau
8,5 Nm
2e niveau
14,5 Nm
Geldt alleen bij gebruik van:
Opzetelement inbus
(61229025000)
Schroef warmtewisselaar
M8
15 Nm
Tapeind uitlaatflens
M8
10 Nm
Schroef motorhouder
M10
45 Nm
Afsluitschroef koppelingssmering
M10x1
10 Nm
Afsluitschroef sleperas
M10x1
15 Nm
Bougie
M10x1
11 Nm
Oliedrukschakelaar
M10x1
10 Nm
Schroef drijfstanglager
M10x1
1e niveau
25 Nm
2e niveau
30 Nm
3e niveau
90°
Schroef ontgrendeling voor distributiekettingspanner
M10x1
10 Nm
285
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef cilinderkop
M11x1,5
Draaivolgorde:
kruislings
1e niveau
15 Nm
2e niveau
30 Nm
3e niveau
90°
4e niveau
90°
Bougie
M12x1,5
18 Nm
Koelmiddeltemperatuursensor
M12x1,5
12 Nm
Schroef rotor
Expansiebout M12x1,5
115 Nm
Moer ketting-aandrijfwiel
M20x1,5
100 Nm
Geolied met motorolie
Loctite®243™
Olieaftapschroef
M20x1,5
20 Nm
Moer koppelingsmeenemer
M22x1,5
120 Nm
Loctite®243™
Afsluitschroef distributiekettingspanner
M24x1,5
25 Nm
Sluitschroef dynamodeksel
M24x1,5
8 Nm
Moer primair tandwiel
M33LHx1,5
130 Nm
Loctite®243™
286
TECHNISCHE GEGEVENS 23
23.3
Vulhoeveelheden
23.3.1
Motorolie
Motorolie
Omgevingstemperatuur: ≥ 0 °C
3,60 l
Motorolie
Omgevingstemperatuur: < 0 °C
23.3.2
Motorolie (SAE 5W/40)
( pag. 302)
Koelmiddel
Koelmiddel
23.3.3
Motorolie (SAE 10W/50)
( pag. 301)
2,40 l
Koelmiddel (
pag. 300)
Brandstof
Op markering op EU-brandstofpompen letten.
A00420-10
287
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Brandstoftankvolume totaal ca.
Brandstofreserve ca.
23.4
23 l
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 300)
3,5 l
Chassis
Frame
Buisframe van chroommolybdeen staalbuizen, geëloxeerd
Voorvork
WP Suspension 4860 ROTA SPLIT
Schokdemper
WP Suspension 4618 DCC PA
Veerweg
voor
220 mm
achter
220 mm
Remsysteem
voor
Dubbele schijfrem met radiaal geschroefde remzadels
met vier zuigers, remschijven vlottend gelagerd
achter
Eenschijfsrem met 2-zuigerremklauwen, remschijf met
zwemmende lagers
Remschijven - diameter
voor
320 mm
achter
267 mm
Remschijven - slijtagegrens
288
TECHNISCHE GEGEVENS 23
voor
4 mm
achter
4,5 mm
Bandendruk solo / met passagier / volledig laadvermogen
voor: bij koude band
2,6 bar
achter: bij koude band
2,9 bar
Secundaire overbrenging
17:42
Ketting
5/8 x 5/16” (525) X‑ring
Balhoofdhoek
64°
Wielstand
1.580 ± 15 mm
Zithoogte onbelast
890 mm
Afstand van bodem, onbelast
250 mm
Gewicht zonder brandstof ca.
214 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor
165 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
285 kg
Maximaal toegestaan totaalgewicht
450 kg
23.5
Elektronica
12V-accu
YTZ14S
Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 11,2 Ah
onderhoudsvrij
Zekering
58011109110
10 A
289
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Zekering
58011109115
15 A
Zekering
58011109125
25 A
Zekering
58011109130
30 A
Dimlicht
H11 / sokkel PGJ19-2
12 V
55 W
Groot licht
H11 / sokkel PGJ19-2
12 V
55 W
Zijlicht
LED
Verlichting gecombineerd instrument en controlelampjes
Led
Richtingaanwijzer
RY10W/sokkel BAU15s
Achterlicht
LED
Remlicht
LED
Nummerplaatverlichting
LED
290
12 V
10 W
TECHNISCHE GEGEVENS 23
23.6
Banden
Band voor
Band achter
90/90 - 21 M/C 54T M+S TL
Continental TKC 80 Twinduro
150/70 B 18 M/C 70Q M+S TL
Continental TKC 80 Twinduro
De aangegeven banden zijn één van de mogelijke standaardbanden. Meer informatie vindt u in het servicegedeelte onder:
http://www.ktm.com
23.7
Voorvork
Artikelnummer voorvork
14.18.8Q.25
Voorvork
WP Suspension 4860 ROTA SPLIT
Ingaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Volledige nuttige last
7 klikken
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Volledige nuttige last
7 klikken
291
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Veervoorspanning - Preload Adjuster
Comfort
2 omw
Standaard
5 omw
Sport
5 omw
Volledige nuttige last
8 omw
Veerlengte met voorspanbus(sen)
577 mm
Veerconstante
Zacht
5,9 N/mm
Gemiddeld (standaard)
6,5 N/mm
Hard
7,0 N/mm
Vorklengte
920 mm
Lengte luchtkamer
85
Vorkpootolie per vorkpoot
23.8
+ 35
−0
mm
715 ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 303)
Schokdemper
Artikelnummer schokdemper
15.18.7Q.25
Schokdemper
WP Suspension 4618 DCC PA
Ingaande demping lowspeed
292
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Sport
10 klikken
Volledige nuttige last
10 klikken
Ingaande demping highspeed
Comfort
1,5 omw
Standaard
1,5 omw
Sport
1 omw
Volledige nuttige last
1 omw
Uitgaande demping
Comfort
20 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
10 klikken
Volledige nuttige last
10 klikken
Veervoorspanning
Comfort
2 omw
Standaard
2 omw
Sport
2 omw
Volledige nuttige last
18 omw
Veerconstante
Zacht
170 N/mm
Gemiddeld (standaard)
180 N/mm
Hard
190 N/mm
293
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Veerlengte
205 mm
Gasdruk
10 bar
Dynamische veerweg
55 mm
Statische veerweg
25 mm
Inbouwlengte
408 mm
Stootdemperolie (
23.9
pag. 303)
SAE 2,5
Aanhaalmomenten chassis
Moer klep
ISO 10V2
12 Nm
Loctite®2701™
Schroef combinatieschakelaar
links
M4
2 Nm
Schroef zijstandaardschakelaar
M4
2 Nm
Resterende moeren chassis
M5
5 Nm
Resterende schroeven chassis
M5
5 Nm
Schroef achterbekleding
M5x12
3,5 Nm
Schroef achterbekleding
M5x17
3,5 Nm
Schroef bekledingsdeel
M5
3,5 Nm
Schroef brandstoftanksensor
M5
3 Nm
Schroef combinatieschakelaar
rechts
M5
3,5 Nm
294
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef glijblok
M5
5 Nm
Schroef kabelgeleider wielsnelheidssensor achter
M5
3 Nm
Schroef kabelkanaal
M5
5 Nm
Schroef remkabelhouder aan achterbrug
M5
5 Nm
Schroef remkabelhouder aan frame
M5
2 Nm
Schroef rempedaalvlak
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef tankdop
M5
3 Nm
Schroef warmtebeschermingsplaat
op de achterste geluidsdemper
M5
4 Nm
Schroef windscherm
M5
3,5 Nm
Spaaknippels
M5
5 Nm
Massaschroefverbinding frame
M6
6 Nm
Moer bevestiging ABS-module
M6
8 Nm
Resterende moeren chassis
M6
10 Nm
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
Schroef accupool
M6
4,5 Nm
Schroef bekledingsdeel
M6
6 Nm
Schroef brandstofkraan
M6
6 Nm
Schroef brandstofpomp
M6
6 Nm
295
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef brandstoftank
M6
10 Nm
Schroef houderplaat schuinestandsensor
M6
10 Nm
Schroef kabelkanaal
M6
5 Nm
Schroef kettinggeleiding
M6
5 Nm
Schroef kogelscharnier drukstang
op rempedaalcilinder
M6
10 Nm
Schroef koplamp
M6
5 Nm
Schroef koppelingsarmatuur
M6
5 Nm
Schroef magneethouder aan zijstandaard
M6
6 Nm
Schroef motorbescherming
M6
10 Nm
Schroef onderste deel achterkant
M6
6 Nm
Schroef radiateurhouder
M6
7 Nm
Schroef rempedaalcilinder
M6
10 Nm
Loctite®243™
Loctite®243™
Loctite®243™
Schroef remschijf achter
M6
14 Nm
Loctite®243™
Schroef remschijf voor
M6
14 Nm
Loctite®243™
Schroef schuinestandsensor
M6
6 Nm
Loctite®243™
Schroef spanningsregelaar
296
M6
6 Nm
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef uitlaatklem
M6
8 Nm
Schroef wieltoerentalsensor achter
M6
10 Nm
Schroef wieltoerentalsensor voor
M6
10 Nm
Resterende moeren chassis
M8
25 Nm
Resterende schroeven chassis
M8
25 Nm
Schroef asopname
M8
15 Nm
Schroef bovenste kroonplaat
M8
20 Nm
Schroef contactslot (een keer te
gebruiken)
M8
25 Nm
Schroef handbescherming stuureinde
M8
25 Nm
Schroef kofferhaak
M8
20 Nm
Loctite®243™
Loctite®243™
Schroef onderste kroonplaat
M8
12 Nm
Schroef rempedaal
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef stuurdemper
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef stuurdemperklem
M8
12 Nm
Schroef stuurklemmen
M8
20 Nm
Schroef uitlaatklem
M8
25 Nm
Schroef voetsteunhouder achter
M8
25 Nm
Loctite®243™
297
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef voetsteunhouder voor
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef vorkbuis
M8
20 Nm
Resterende moeren chassis
M10
45 Nm
Resterende schroeven chassis
M10
45 Nm
Schroef remzadel voor
M10
45 Nm
Loctite®243™
Schroef stuuradapter
M10
40 Nm
Loctite®243™
Schroef zijstandaard
M10
35 Nm
Loctite®243™
Schroef zijstandaardconsole
M10
45 Nm
Loctite®243™
Holle schroef remkabel
M10x1
25 Nm
Moer kettingwielschroef
M10x1,25
50 Nm
Loctite®243™
Lambdasonde
M12x1,25
25 Nm
Schroef schokdemper boven
M14x1,5
80 Nm
Schroef schokdemper onder
M14x1,5
80 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroefdraad ingevet
Moer achterbrugbout
M19x1,5
130 Nm
Schroefdraad ingevet
298
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Moer zadelslot
M22x1,5
4 Nm
Schroef balhoofd boven
M22x1,5
18 Nm
Moer steekas achter
M25x1,5
90 Nm
Schroef steekas voor
M25x1,5
45 Nm
Schroefdraad ingevet
Schroefdraad ingevet
299
24 GEBRUIKSSTOFFEN
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
Norm / classificatie
– DIN EN 228 (ROZ 95)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend loodvrije superbenzine die voldoet aan de aangegeven norm of van dezelfde kwaliteit is.
–
Een aandeel van maximaal 10 % ethanol (E10 brandstof) kan daarbij zonder bezwaar worden gebruikt.
Info
Gebruik geen brandstof van methanol (bijv. M15, M85, M100) of met een aandeel van meer dan
10 % ethanol (bijv. E15, E25, E85, E100).
Koelmiddel
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen hoogwaardig, silicaatvrij koelmiddel met antiroestmiddel voor aluminiummotoren. Minderwaardige en ongeschikte antivriesmiddelen veroorzaken corrosie, afzettingen en schuimvorming.
–
Gebruik geen zuiver water omdat de eisen met betrekking tot corrosiebescherming en smeereigenschappen
alleen door koelvloeistof vervuld kunnen worden.
–
Gebruik uitsluitend koelvloeistof die voldoet aan de voorwaarden (zie informatie op de verpakking) en de juiste
eigenschappen heeft.
Vorstbescherming minstens tot
300
−25 °C
GEBRUIKSSTOFFEN 24
De mengverhouding moet aan de vereiste vorstbescherming aangepast worden. Gebruik gedestilleerd water als de
koelvloeistof verdund moet worden.
Het gebruik van voorgemengde koelvloeistof wordt aanbevolen.
Neem de gegevens van de koelvloeistoffabrikant met betrekking tot vorstbescherming, verdunning en mengbaarheid (verdraagbaarheid) met andere koelvloeistoffen in acht.
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– COOLANT M3.0
Motorolie (SAE 10W/50)
Norm / classificatie
– JASO T903 MA2 (
–
SAE (
pag. 306)
pag. 306) (SAE 10W/50)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend motorolie die voldoet aan de aangegeven normen (zie informatie op de verpakking) en de
juiste eigenschappen heeft.
Volledig synthetische motorolie
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Power Synt 4T
301
24 GEBRUIKSSTOFFEN
Motorolie (SAE 5W/40)
Norm / classificatie
– JASO T903 MA2 (
–
SAE (
pag. 306)
pag. 306) (SAE 5W/40)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend motorolie die voldoet aan de aangegeven normen (zie informatie op de verpakking) en de
juiste eigenschappen heeft.
Volledig synthetische motorolie
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Power Synt 4T
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1
Norm / classificatie
– DOT
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend remvloeistof die voldoet aan de aangegeven norm (zie informatie op de verpakking) en die
de juiste eigenschappen heeft.
Aanbevolen leverancier
Castrol
– REACT PERFORMANCE DOT 4
MOTOREX®
– Brake Fluid DOT 5.1
302
GEBRUIKSSTOFFEN 24
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180751S1)
Norm / classificatie
– SAE ( pag. 306) (SAE 2,5)
Voorgeschreven waarde
– Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over
de geschikte eigenschappen beschikken.
Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1)
Norm / classificatie
– SAE ( pag. 306) (SAE 4)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen olie die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op verpakking) en de juiste eigenschappen heeft.
303
25 HULPSTOFFEN
Brandstofadditief
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Fuel Stabilizer
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Protect
Duurzaam vet
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Bike Grease 2000
Kettingreinigingsmiddel
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Chain Clean
Kettingspray Street
Voorgeschreven waarde
304
HULPSTOFFEN 25
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Chainlube Road Strong
Motorfietsreiniger
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Clean
Perfect Finish en hoogglanspolitoer voor lakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Shine
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaal- en kunststofvlakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Quick Cleaner
Universele oliespray
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Joker 440 Synthetic
305
26 NORMEN
JASO T903 MA2
Meerdere technische ontwikkelingsrichtingen vereisten een eigen specificatie voor motorfietsen - de norm
JASO T903 MA2.
Vroeger werd voor motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie bestond.
Voor motoren van auto's zijn lange service-intervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermogensrendement bij hoge toerentallen op de voorgrond.
Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden versnelling en koppeling met dezelfde olie gesmeerd.
De norm JASO T903 MA2 voldoet aan deze speciale vereisten.
SAE
De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op
basis van hun viscositeit. De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de
kwaliteit.
306
LIJST MET VAKBEGRIPPEN 27
ABS
Antiblokkeersysteem
Veiligheidssysteem, dat het blokkeren van de wielen
bij het rechtuit rijden zonder inwerking van zijwaartse
krachten voorkomt
ATIR
Automatische uitschakeling van richtingaanwijzer (Automatic Turn Indicator Reset)
Software die na afloop van een timer of een rijafstandsmeter de richtingaanwijzers automatisch uitschakelt
DRL
Dagrijlicht (Daytime Running Light)
Licht dat de zichtbaarheid van het voertuig op de dag
verhoogt, maar in tegenstelling tot het dimlicht niet
gefocust is en het wegdek verlicht
TC
Tractiecontrole (Traction Control)
Extra functie van de motorbesturing die bij doordraaiend achterwiel het motorkoppel verlaagt
307
28 LIJST MET AFKORTINGEN
Artikelnr.
Artikelnummer
bijv.
bijvoorbeeld
ca.
circa
e.d.
en dergelijke
enz.
enzovoort
etc.
et cetera
evt.
eventueel
evt.
eventueel
Nr.
Nummer
o.a.
onder andere
resp.
respectievelijk
vgl.
vergelijk
308
LIJST MET SYMBOLEN 29
29.1
Rode pictogrammen
Rode pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij meteen moet worden ingegrepen.
Controlelampje wegrijblokkering brandt/knippert rood – Status- of foutmelding bij de wegrijblokkering/alarminstallatie.
Waarschuwingslampje oliedruk brandt rood – Oliedruk is te laag. Onmiddellijk veilig stoppen
en de motor afzetten.
29.2
Gele of oranje pictogrammen
Gele of oranje pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij binnen korte tijd moet worden ingegrepen.
Actieve rijhulpen worden eveneens met gele of oranje pictogrammen aangegeven.
Algemeen waarschuwingslampje brandt geel – Een aanwijzing/waarschuwing voor de veiligheid
is gedetecteerd. Dit wordt ook op het matrixdisplay weergegeven.
Controlelampje storing brandt geel – De motorbesturingsunit heeft een fout herkend.
ABS-waarschuwingslampje brandt/knippert geel – Het ABS is niet actief. Het
ABS-waarschuwingslampje brandt ook als er een fout wordt herkend.
TC-controlelampje brandt/knippert geel – De tractiecontrole is niet actief of is bezig met regelen. Het TC-controlelampje brandt ook als er een fout wordt herkend.
309
29 LIJST MET SYMBOLEN
29.3
Groene en blauwe pictogrammen
Groene en blauwe pictogrammen geven informatie weer.
Controlelampje groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.
Linker richtingaanwijzer knippert groen in het knipperritme – Richtingaanwijzer links is ingeschakeld.
Controlelampje stationair brandt groen – Versnelling is in positie vrij geschakeld.
Rechter richtingaanwijzer knippert groen in het knipperritme – Richtingaanwijzer rechts is
ingeschakeld.
310
INDEX
INDEX
1
12V-accu
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 215
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 220
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217
A
ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179
ACC1
achter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249
Artikelnummer schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . 30
Artikelnummer voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
B
Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
Bagagedrager . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
Bandenreparatiespray
gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 212
Bandenspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209
Achterwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202
Bandensysteem zonder binnenbanden
Bedieningshandleiding . . . . . . . . . .
Bedrijfsmiddelen . . . . . . . . . . . . . .
Beoogd gebruik . . . . . . . . . . . . . .
Beschermende kleding . . . . . . . . . .
Bestuurdersvoetsteunen . . . . . . . . .
Brandstofkranen . . . . . . . . . . . . . .
Brandstofpeilweergave . . . . . . . . . .
Afbeelding voertuig
linksvoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
rechtsachter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
Brandstoftankbekleding
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 166
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 169
Afbeeldingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Afremmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179
C
ACC2
achter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
213
. 18
. 20
. 12
. 17
. 85
. 46
. 57
Chassis afstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121-130
Claxonknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
311
INDEX
Combinatieschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
Contactsleutel
activeren/deactiveren
. . . . . . . . . . . . . . . . 242
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
D
Demperpakkingen achterwielnaaf
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 205
Diagnosestekker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 248
Dimlichtlamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 234
E
E-startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
F
Fouten opsporen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 277-279
G
Garantie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Gashendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
Gebruiksdefinitie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
Gecombineerd instrument . . . . . . . . . . . . . . . 54-79
"ABS" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
activering en test . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54
312
"Clock/Date" . . . . . . . . .
controlelampjes . . . . . .
"Distance" . . . . . . . . . .
"Drive Mod" . . . . . . . . .
"DRL" . . . . . . . . . . . . .
"Favorites" . . . . . . . . . .
"Fuel Cons" . . . . . . . . . .
"General Info" . . . . . . . .
"Heat Grips" . . . . . . . . .
"Heating"-menu . . . . . . .
"Language" . . . . . . . . . .
matrixdisplay . . . . . . . .
melding op matrixdisplay
menu-overzicht . . . . . .
"MTC" . . . . . . . . . . . . .
overzicht . . . . . . . . . . .
"Pressure" . . . . . . . . . .
schakelindicator . . . . . .
segmentendisplay . . . . .
service-indicatie . . . . . .
"Set Favorites" . . . . . . . .
"Settings" . . . . . . . . . . .
"Shift Light" . . . . . . . . .
"Temp" . . . . . . . . . . . .
"Trip 1" . . . . . . . . . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. . . . 76
. . . . 58
. . . . 74
69, 255
. . . . 78
. . . . 63
. . . . 76
. . . . 66
. . . . 78
. . . . 68
. . . . 74
. . . . 56
. . . . 60
. . . . 72
. . . . 68
. . . . 54
. . . . 75
. . . . 61
. . . . 56
. . . . 62
. . . . 66
. . . . 67
. . . . 77
. . . . 75
. . . . 64
INDEX
"Trip 2" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
"Warning" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 143
Grepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
Kettingwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
H
Klantenservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Hoofdzekering
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 225
Knipperlichtlamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 238
Hulpstoffen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Koelmiddelpeil
in vast reservoir controleren . . . . . . . . . . . . 250
in vast reservoir corrigeren . . . . . . . . . . . . . 252
I
Inbedrijfstelling
aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling . . . . 93
controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99
na de stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
Kofferdragers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Koplamp
dagrijlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
lichtbundelbreedte instellen . . . . . . . . . . . . 240
K
Koplampinstelling
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 239
Ketting
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 139
vervuiling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . 139
Koplampkap met koplamp
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 231
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 232
Ketting-aandrijfwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
Kettingspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 141
Koppeling
vloeistofpeil controleren/corrigeren . . . . . . . 149
Koppelingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . 84
313
INDEX
met montagestandaard (ingestoken) opkrikken
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
van hefbok achter nemen . . . . . . . . . . . . . .
van hefbok voor nemen . . . . . . . . . . . . . . .
van montagestandaard (ingestoken) nemen .
Kroonplaat onder
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 154
L
Lamp groot licht
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 236
Lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
M
134
268
131
133
136
Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
Motorolie
bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 265
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 258
Maskerspoiler
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 161
Motoroliepeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 257
Matrixdisplay
menu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63
Noodknipperlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
Noodknipperlichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . 34
Noodstopschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
Milieu
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Motor
inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95
Motorbescherming
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172
Motorfiets
met hefbok achter opkrikken . . . . . . . . . . . 131
met hefbok voor opkrikken . . . . . . . . . . . . . 132
314
N
O
Oliefilter
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 258
Oliezeven
reinigen
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 258
Onjuist gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
Opbergvak
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
INDEX
sluiten
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
Richtingaanwijzerschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . 35
Parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
Rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103
optrekken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102
P
R
Remhendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . 85
Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
Rempedaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . 92
Remplaketten
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . 192
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 187
Remschijven
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182
Remsysteem
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179-192
Rijden in de winter
controle en onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . 272
S
Schakelaars
links aan stuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
rechts aan stuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
Schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103
Schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Ingaande demping . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ingaande demping highspeed instellen . . . .
ingaande demping lowspeed instellen . . . . .
uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . .
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . .
121
125
127
126
129
130
Remvloeistof
van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . 189
van de voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . 184
Service . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Serviceschema . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117-120
Sleutelnummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
Remvloeistofpeil
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . 188
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 183
Spaakspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 210
Reserveonderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Spatbord voor
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
315
INDEX
monteren
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
chassis . . . . . .
elektronica . . .
motor . . . . . . .
schokdemper . .
voorvork . . . . .
vulhoeveelheden
Speling balhoofdlager
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151
Stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 274
Starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
Stoppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
Stuur
ontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
vergrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
Stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
Stuurstand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80
T
Tankdop
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
Tanken
brandstof
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
TC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 256
Technische gegevens
aanhaalmomenten chassis . . . . . . . . . . . . . 294
aanhaalmomenten motor . . . . . . . . . . . . . . 282
banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 291
316
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. . . . 288
. . . . 289
. 280-299
. . . . 292
. . . . 291
. . . . 287
Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Toestand van de banden
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 207
Tractiecontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 256
Transporteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Typeplaatje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
V
Valbeugel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 175
Veilig gebruik
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
uitgangspositie controleren . . . . . . . . . . . . . 89
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . 90
Voertuig
beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
Voertuigidentificatiennummer . . . . . . . . . . . . . . . 28
INDEX
Voetsteun passagier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
Z
Voetsteunen
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
Zadel
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 138
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 138
Voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ingaande demping instellen . . . . . . . . . . . .
uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . .
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . .
vuilschrapers reinigen . . . . . . . . . . . . . . . .
121
121
123
124
165
Voorwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 193
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 195
Vulhoeveelheid
brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116, 288
koelmiddel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 287
motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 262, 287
Zadelslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
Zekeringen
in zekeringenblok vervangen . . . . . . . . . . . . 228
Zijbekleding voor
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 156
Zijstandaard
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
W
Wegrijblokkering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
Werkinstructies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Windscherm
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
317
*3213916nl*
3213916nl
09/2018
KTM Sportmotorcycle GmbH
5230 Mattighofen/Oostenrijk
http://www.ktm.com
Foto: Mitterbauer/KTM
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement