KTM 790 DUKE EU 2018 Naked Bike Handleiding

KTM 790 DUKE EU 2018 Naked Bike Handleiding
BEDIENINGSHANDLEIDING 2018
790 Duke
Artikelnr. 3213749nl
BESTE KTM KLANT,
Hartelijk gefeliciteerd met de aankoop van uw KTM-motorfiets. U bent nu in het bezit van een modern en sportief
voertuig dat, mits goed onderhouden, u lang plezier zal schenken.
BESTE KTM KLANT,
We wensen u te allen tijde een goede en veilige reis toe!
Vul hieronder het serienummer van uw voertuig in.
Voertuigidentificatiennummer (
Motornummer (
Sleutelnummer (
pag. 24)
Stempel van de dealer
pag. 25)
pag. 25)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het
model. Kleine afwijkingen die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden
uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. KTM Sportmotorcycle GmbH houdt zich het recht voor technische
gegevens, prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te
annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen van
afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien
van speciale uitrustingen die niet standaard bij de leveringsomvang horen.
*3213749nl*
3213749nl
09/2018
BESTE KTM KLANT,
© 2018 KTM Sportmotorcycle GmbH, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldigingen van welke aard dan ook zijn uitsluitend toegestaan met toestemming van de auteur.
ISO 9001(12 100 6061)
KTM past kwaliteitsborgingsprocessen toe in de zin van de internationale kwaliteitsmanagementnorm ISO 9001 om een zo hoog mogelijke productkwaliteit te bereiken.
Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM Sportmotorcycle GmbH
Stallhofnerstraße 3
5230 Mattighofen, Oostenrijk
Dit document is geldig voor de volgende modellen:
790 Duke EU (F9603R5, F9603R6)
790 Duke L EU (F9603R8)
2
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE
1
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN................. 9
1.1
1.2
2
Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik.....
Onjuist gebruik ................................
Veiligheidsaanwijzingen ....................
Gevarenniveau en pictogrammen .......
Waarschuwing voor manipulaties .......
Veilig gebruik ..................................
Beschermende kleding .....................
Werkinstructies................................
Milieu .............................................
Bedieningshandleiding .....................
11
11
11
12
13
14
15
15
16
16
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN ................... 17
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
Garantie..........................................
Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen ...........
Reserveonderdelen, toebehoren .........
Service ...........................................
Afbeeldingen ...................................
Klantenservice .................................
17
17
17
18
18
18
AFBEELDING VOERTUIG ............................. 20
4.1
Gebruikte pictogrammen..................... 9
Gebruikte formatering....................... 10
4.2
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN ...................... 11
2.1
2.2
2.3
2.4
2.5
2.6
2.7
2.8
2.9
2.10
3
4
5
SERIENUMMERS........................................ 24
5.1
5.2
5.3
5.4
5.5
5.6
5.7
6
Afbeelding voertuig linksvoor
(symbolische weergave) .................... 20
Afbeelding voertuig rechtsachter
(symbolische weergave) .................... 22
Voertuigidentificatiennummer ...........
Typeplaatje .....................................
Sleutelnummer ................................
Motornummer..................................
Artikelnummer voorvork ....................
Artikelnummer schokdemper.............
Artikelnummer stuurdemper..............
24
24
25
25
26
26
27
BEDIENINGSELEMENTEN........................... 28
6.1
6.2
6.3
6.4
6.4.1
6.4.2
6.4.3
6.4.4
6.4.5
Koppelingshendel ............................
Remhendel......................................
Gashendel .......................................
Schakelaars links aan stuur...............
Combinatieschakelaar ..................
Lichtschakelaar ...........................
Menuschakelaar...........................
Richtingaanwijzerschakelaar .........
Claxonknop .................................
28
28
29
29
29
30
31
31
32
3
INHOUDSOPGAVE
6.5
6.5.1
6.6
6.7
6.8
6.9
6.10
6.11
6.12
6.13
6.14
6.15
7
33
33
34
35
37
38
38
39
39
40
41
41
GECOMBINEERD INSTRUMENT .................. 43
7.1
7.2
7.3
7.4
7.5
7.6
7.7
7.8
7.9
7.10
7.11
4
Schakelaars rechts aan stuur.............
Noodstopschakelaar/e-startknop ....
Contact- en stuurslot ........................
Tankdop openen ..............................
Tankdop sluiten ...............................
Zadelslot .........................................
Boordgereedschap............................
Greep .............................................
Voetsteun passagier..........................
Versnellingshendel ...........................
Rempedaal......................................
Zijstandaard ....................................
Gecombineerd instrument.................
Activering en test .............................
Dag-nacht-modus.............................
Waarschuwingen ..............................
Controlelampjes ...............................
Display ...........................................
TRACK-display.................................
Schakelindicator ..............................
Brandstofpeilweergave......................
Tijd ................................................
Weergave van de
koelmiddeltemperatuur.....................
43
43
44
45
46
50
52
53
54
56
56
7.12 Afstandteller....................................
7.13 Menu..............................................
7.13.1
Favorites .....................................
7.13.2
Trip 1 .........................................
7.13.3
Trip 2 .........................................
7.13.4
General Info ................................
7.13.5
Settings ......................................
7.13.6
Bluetooth® (optioneel) ..................
7.13.7
Distance .....................................
7.13.8
Temp..........................................
7.13.9
Pressure .....................................
7.13.10 Fuel Cons....................................
7.13.11 Language ....................................
7.13.12 Clock/Date ..................................
7.13.13 DRL ...........................................
7.13.14 TPMS warning .............................
7.13.15 Quick Selector 1..........................
7.13.16 Quick Selector 2..........................
7.13.17 Set Favorites ...............................
7.13.18 Service .......................................
7.13.19 Extra functions ............................
7.13.20 Warnings.....................................
7.13.21 Ride Mode ..................................
7.13.22 Track ..........................................
7.13.23 Anti‑wheelie mode .......................
7.13.24 Launch control ............................
57
58
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
72
73
74
75
76
76
77
78
79
80
81
INHOUDSOPGAVE
7.13.25
7.13.26
7.13.27
7.13.28
7.13.29
7.13.30
7.13.31
7.13.32
7.13.33
8
MTC + MSR ................................
ABS............................................
ABS Mode...................................
Quick Shift +...............................
Shift Light ..................................
KTM MY RIDE (optioneel).............
Pairing (optioneel) .......................
Audio player (optioneel)................
Telefonie (optioneel) ....................
81
82
83
84
85
86
87
90
92
ERGONOMIE .............................................. 94
8.1
8.2
8.3
8.4
8.5
8.6
8.7
Stuurstand ...................................... 94
Stuurstand instellen ..................... 94
Uitgangspositie koppelingshendel
instellen.......................................... 96
Uitgangspositie van de remhendel
instellen.......................................... 97
Uitgangspositie van het rempedaal
instellen ...................................... 97
Uitgangspositie versnellingshendel
controleren.................................... 100
Uitgangspositie van de
versnellingshendel instellen ......... 101
9
INBEDRIJFSTELLING................................ 103
9.1
9.2
9.3
Aanwijzingen voor eerste
inbedrijfstelling ............................. 103
Motor inrijden................................ 105
Voertuig beladen ............................ 106
10 RIJ-INSTRUCTIES..................................... 109
10.1
Controle en onderhoud voor iedere
inbedrijfstelling .............................
10.2 Voertuig starten .............................
10.3 Beginnen met rijden.......................
10.4 Launch‑Control ..............................
10.5 beginnen met rijden met
Launch‑Control ..............................
10.6 Quickshifter +................................
10.7 Schakelen, rijden ...........................
10.8 Motorslipmomentregeling (MSR) ......
10.9 Afremmen .....................................
10.10 Stoppen, parkeren..........................
10.11 Transporteren ................................
10.12 Brandstof tanken ...........................
109
110
112
113
113
115
116
122
123
125
127
128
11 SERVICESCHEMA ..................................... 131
11.1
11.2
Extra informatie ............................. 131
Verplichte werkzaamheden.............. 131
5
INHOUDSOPGAVE
11.3
Aanbevolen werkzaamheden............ 134
12 CHASSIS AFSTELLEN ............................... 135
12.1
Veervoorspanning schokdemper
instellen .................................... 135
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS ....... 136
13.1
13.2
13.3
13.4
13.5
13.6
13.7
13.8
13.9
13.10
13.11
13.12
13.13
6
Motorfiets met hefbok achter
opkrikken ......................................
Motorfiets van hefbok achter
nemen ..........................................
Motorfiets met hefbok voor
opkrikken ......................................
Motorfiets van hefbok voor nemen ...
Vuilschrapers vorkpoten
reinigen .....................................
Passagiersstoel verwijderen .............
Buddyseat monteren ......................
Bestuurderszadel verwijderen ..........
Bestuurderszadel monteren.............
Kettingvervuiling controleren...........
Ketting reinigen .............................
Kettingspanning controleren ...........
Kettingspanning instellen ...............
13.14 Ketting, kettingwiel,
ketting-aandrijfwiel en
kettinggeleiding controleren ............ 152
14 REMSYSTEEM .......................................... 157
14.1
14.2
14.3
136
14.4
136
14.5
137
138
139
141
142
143
144
145
146
148
150
14.6
14.7
14.8
14.9
Antiblokkeersysteem (ABS) .............
Remschijven controleren.................
Remvloeistofpeil voorwielrem
controleren....................................
Remvloeistof van de voorwielrem
bijvullen ....................................
Remplaketten voorwielrem
controleren....................................
Vrije slag rempedaal controleren ......
Remvloeistofpeil achterwielrem
controleren....................................
Remvloeistof achterwielrem
bijvullen ....................................
Remplaketten achterwielrem
controleren....................................
157
160
161
162
165
166
167
168
170
15 WIELEN, BANDEN .................................... 172
15.1
15.2
15.3
15.4
Voorwiel demonteren ..................
Voorwiel monteren ......................
Achterwiel demonteren ...............
Achterwiel monteren ...................
172
174
179
182
INHOUDSOPGAVE
15.5
15.6
15.7
15.8
Demperpakkingen van de
achterwielnaaf controleren ..........
Bandentoestand controleren............
Bandenspanning controleren ...........
Gebruik van bandenreparatiespray ...
185
187
189
191
16 ELEKTRONICA.......................................... 193
16.1
16.2
16.3
16.4
16.5
16.6
16.7
16.8
16.9
16.10
16.11
16.12
16.13
dagrijlicht (DRL) .............................
12V-accu demonteren .................
12V-accu monteren ....................
12V-accu laden ..........................
Hoofdzekering vervangen ................
ABS‑zekeringen vervangen ..............
Zekeringen afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen ...........
Koplampkap met koplamp
verwijderen....................................
Koplampkap met koplamp
monteren ......................................
Afdekking van de drager van de
koplampkap demonteren.................
Afdekking van de drager van de
koplampkap monteren ....................
Koplampinstelling controleren .........
Lichtbundelbreedte van de
koplamp instellen ..........................
193
194
197
199
202
205
207
210
212
213
215
217
16.14 Diagnosestekker............................. 219
16.15 ACC1 en ACC2 vooraan .................. 220
16.16 ACC1 en ACC2 achterzijde.............. 220
17 KOELSYSTEEM......................................... 221
17.1
17.2
17.3
17.4
17.5
17.6
Koelsysteem ..................................
Antivries en koelmiddelpeil
controleren....................................
Koelmiddelpeil in het
compensatiereservoir controleren.....
Koelmiddel aftappen ..................
Koelsysteem vullen/ontluchten .....
Koelmiddel verversen .....................
221
222
225
227
229
231
18 MOTOR AFSTELLEN ................................. 235
18.1
18.2
18.3
18.4
Ride Mode ....................................
Motorfiets-tractiecontrole (MTC) ......
slipaanpassing ...............................
Throttle response ...........................
235
236
237
237
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR ......... 239
19.1
19.2
19.3
Motoroliepeil controleren ................ 239
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen ... 240
Motorolie bijvullen ......................... 244
218
7
INHOUDSOPGAVE
19.4
19.5
Vrije slag aan de koppelingshendel
controleren.................................... 246
Vrije slag aan de koppelingshendel
instellen .................................... 248
20 REINIGING, ONDERHOUD......................... 249
20.1
20.2
Motorfiets reinigen ......................... 249
Controle en onderhoud voor rijden
in de winter ................................... 252
23.7
23.8
23.9
24 VERKLARINGEN VAN
OVEREENSTEMMING................................ 282
24.1
24.2
21 STALLING ................................................ 254
21.1
21.2
Stalling ......................................... 254
Inbedrijfname na stalling ................ 256
Voorvork........................................ 273
Schokdemper ................................ 274
Aanhaalmomenten chassis .............. 274
Verklaringen van
overeenstemming ........................... 282
Landspecifieke verklaring van
overeenstemming ........................... 284
25 GEBRUIKSSTOFFEN ................................. 285
26 HULPSTOFFEN......................................... 289
22 FOUTEN OPSPOREN................................. 257
27 NORMEN ................................................. 291
23 TECHNISCHE GEGEVENS.......................... 262
28 LIJST MET VAKBEGRIPPEN ...................... 292
23.1
23.2
23.3
23.3.1
23.3.2
23.3.3
23.4
23.5
23.6
8
Motor............................................
Aanhaalmomenten motor ................
Vulhoeveelheden............................
Motorolie ..................................
Koelmiddel ...............................
Brandstof ..................................
Chassis .........................................
Elektronica....................................
Banden .........................................
262
264
269
269
270
270
270
272
273
29 LIJST MET AFKORTINGEN ........................ 293
30 LIJST MET SYMBOLEN ............................. 294
30.1
30.2
30.3
Rode pictogrammen ....................... 294
Gele of oranje pictogrammen........... 294
Groene en blauwe pictogrammen ..... 295
INDEX ............................................................. 296
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN 1
1.1
Gebruikte pictogrammen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde pictogrammen toegelicht.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit pictogram zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch
begrip. Laat de werkzaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTMgarage! Daar wordt uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige medewerkers met het
benodigde hulpgereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Kenmerkt een aanwijzing met verdere informatie of tips.
Kenmerkt het resultaat uit een test-/controlestap.
9
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN
Kenmerkt een spanningsmeting.
Kenmerkt een stroommeting.
Kenmerkt het einde van een werkzaamheid, inclusief eventuele nabewerkingen.
1.2
Gebruikte formatering
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam
Kenmerkt een eigennaam.
Naam®
Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™
Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
Onderstreepte woorden
Verwijzen naar technische details van het voertuig of kenmerken vaktermen
die in de begrippenlijst worden uitgelegd.
10
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.1
Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik
Dit voertuig is ontworpen en gebouwd om bestand te zijn tegen de gebruikelijke belastingen van normaal weggebruik en gebruik op het circuit.
Dit voertuig is alleen geschikt voor gebruik op geasfalteerde wegen.
Info
Dit voertuig is alleen in de gehomologeerde uitvoering toegelaten voor het rijden op de openbare weg.
2.2
Onjuist gebruik
Gebruik het voertuig uitsluitend op de beoogde wijze.
Het niet op de beoogde wijze gebruiken van het voertuig kan leiden tot gevaren voor personen, materiaal en
milieu.
Elk gebruik van het voertuig anders dan op de beoogde wijze geldt als onjuist gebruik.
Als onjuist gebruik geldt ook het gebruik van bedrijfs- en hulpmiddelen die niet voldoen aan de vereiste specificaties.
2.3
Veiligheidsaanwijzingen
Voor een veilige omgang met het beschreven product dienen enkele veiligheidsaanwijzingen in acht te worden
genomen. Lees daarom deze handleiding en alle andere handleidingen in de omvang van de levering zorgvuldig door. De veiligheidsaanwijzingen zijn geaccentueerd en met links gekoppeld aan de relevante plaatsen in de
tekst.
11
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
Info
Op goed zichtbare plaatsen op het beschreven product zijn verschillende aanwijzings- en waarschuwingsstickers aangebracht. Geen stickers met aanwijzingen en waarschuwingen verwijderen. Als deze ontbreken
kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor letsel oplopen.
2.4
Gevarenniveau en pictogrammen
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg
heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
12
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.5
Waarschuwing voor manipulaties
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de componenten van de geluidsdemping. De volgende
maatregelen of de realisatie van de betreffende toestanden zijn wettelijk verboden:
1
Verwijderen of buiten werking stellen van systemen of componenten van een nieuw voertuig die de geluidsdemping dienen voordat het wordt verkocht of geleverd aan de eindklant of tijdens de gebruiksduur van het
voertuig voor andere doeleinden dan voor service, reparatie of vervanging, evenals
2
Gebruik van het voertuig nadat een dergelijk systeem of een dergelijke component verwijderd of buiten werking is gesteld.
Voorbeelden van wettelijk verboden manipulaties:
1
Verwijderen of doorboren van einddempers, geluidsdempers, bochtstukken of andere componenten die uitlaatgassen geleiden.
2
Verwijderen of doorboren van delen van het inlaatsysteem.
3
Gebruik in niet-correcte onderhoudstoestand.
4
Vervangen van bewegende onderdelen van het voertuig, onderdelen van het uitlaatsysteem of onderdelen van
het inlaatsysteem door onderdelen die niet door de fabrikant zijn toegelaten.
13
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.6
Veilig gebruik
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
–
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
–
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
–
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Het voertuig uitsluitend in technisch goede staat, op de boogde wijze, en veiligheids- en milieubewust gebruiken.
Voor het wegverkeer is het juiste rijbewijs vereist.
Storingen, die de veiligheid beperken, onmiddellijk in een geautoriseerde KTM-garage laten verhelpen.
De op het voertuig aangebrachte stickers met aanwijzingen en waarschuwingen in acht nemen.
14
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.7
Beschermende kleding
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
–
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Voor uw eigen veiligheid adviseert KTM om het voertuig uitsluitend te gebruiken met geschikte, beschermende
kleding.
2.8
Werkinstructies
Voor enkele werkzaamheden zijn hulpgereedschappen vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar
kunnen worden besteld onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: lagertrekker
(15112017000)
Onderdelen die niet kunnen worden hergebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen,
dichtringen, keerringen, splitpennen, borgplaten) tijdens de montage door nieuwe onderdelen vervangen.
Voor enkele schroefverbindingen is schroefborging (bijvoorbeeld Loctite®) vereist. Specifieke aanwijzingen van de
fabrikant bij het gebruik in acht nemen.
Onderdelen die na de demontage worden hergebruikt, reinigen en controleren op beschadiging en slijtage.
Beschadigde of versleten onderdelen vervangen.
Na een reparatie of servicebeurt controleren of het voertuig verkeersveilig is.
15
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.9
Milieu
Door op een verantwoorde manier met uw motorfiets om te gaan kunt u ervoor zorgen dat er geen problemen en
conflicten ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen mag u de motorfiets alleen legaal gebruiken, dient u milieubewust te handelen en de rechten van anderen te respecteren.
Houdt u zich bij het afvoeren van oude olie, andere verbruiks- en hulpstoffen en oude onderdelen aan de geldende wet- en regelgeving in het betreffende land.
Omdat motorfietsen niet onder de EU-richtlijn voor de afdanking van oude voertuigen vallen bestaat er geen wettelijke regeling voor het afdanken van een oude motorfiets. Uw geautoriseerde KTM-dealer is u graag van dienst.
2.10
Bedieningshandleiding
Lees de bedieningshandleiding beslist goed en volledig door voordat u voor het eerst gaat rijden. In de bedieningshandleiding vindt u veel informatie en tips die bediening, gebruik en service eenvoudiger maken. Alleen zo
komt u te weten hoe u het voertuig het beste afstelt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen.
Bewaar de bedieningshandleiding op een eenvoudig toegankelijke plaats, zodat u deze op ieder moment kunt
raadplegen wanneer dat nodig is.
Neem contact op met een geautoriseerde KTM-dealer wanneer u meer over het voertuig wilt weten of wanneer
tijdens het lezen iets niet duidelijk is.
De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van het voertuig en moet bij verkoop aan de nieuwe eigenaar worden gegeven.
De bedieningshandleiding is bovendien als download op uw geautoriseerde KTM Motorcycles-dealer en op de
KTM Motorcycles-website beschikbaar.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
16
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
3.1
Garantie
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend in een geautoriseerde KTM-garage
worden uitgevoerd en moeten in het service- en garantieboekje en op KTM Dealer.net worden bevestigd, aangezien
anders de aanspraak op garantie vervalt. Bij schade of gevolgschade die door manipulaties en/of wijzigingen aan
het voertuig zijn veroorzaakt, bestaat er geen aanspraak op garantie.
Meer informatie over de garantie en de afwikkeling ervan vindt u in het service- & garantieboekje.
3.2
Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Bedrijfsmiddelen en hulpstoffen volgens de bedieningshandleiding en specificaties gebruiken.
3.3
Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en/of aanbevolen en laat deze alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor veroorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren zijn bij de betreffende beschrijvingen tussen haakjes aangegeven. Uw
geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
17
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
3.4
Service
Voorwaarde voor storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de
bedieningshandleiding genoemde service­, onderhouds- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis.
Door een onjuist afgesteld chassis kunnen chassiscomponenten beschadigen of afbreken.
Wanneer het voertuig onder zwaardere omstandigheden wordt gebruikt zoals bij sterke regen, hoge temperaturen
of met zware bagage, kunnen componenten zoals aandrijving, remsystemen of veringscomponenten duidelijk sneller verslijten. Daarom kan het nodig zijn onderdelen reeds voor het bereiken van de volgende service-interval te
controleren of te vervangen.
Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De inachtneming
daarvan draagt in belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
3.5
Afbeeldingen
De in de handleiding weergegeven afbeeldingen tonen deels speciale uitrustingen.
Voor een betere weergave en toelichting kunnen enkele onderdelen gedemonteerd of niet afgebeeld zijn. Voor de
betreffende beschrijving is het echter niet altijd noodzakelijk dat deze onderdelen worden gedemonteerd. Houdt u
zich aan de aanwijzingen in de tekst.
3.6
Klantenservice
De geautoriseerde KTM-dealer beantwoordt graag uw vragen over uw voertuig of over KTM.
18
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
De lijst met geautoriseerde KTM-dealers vindt u op de KTM-website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
19
4 AFBEELDING VOERTUIG
4.1
Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)
V01227-10
20
AFBEELDING VOERTUIG 4
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Gecombineerd instrument (
Contact- en stuurslot (
Koppelingshendel (
pag. 43)
pag. 34)
pag. 28)
Passagiersstoel
Greep (
pag. 39)
Zadelslot (
pag. 38)
Zijstandaard (
pag. 41)
Versnellingshendel (
Motornummer (
pag. 40)
pag. 25)
21
4 AFBEELDING VOERTUIG
4.2
Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)
V01228-10
22
AFBEELDING VOERTUIG 4
1
2
3
3
3
4
5
6
7
8
Boordgereedschap (
pag. 38)
Tankdop
Lichtschakelaar (
pag. 30)
Richtingaanwijzerschakelaar (
Claxonknop (
pag. 31)
pag. 32)
Noodstopschakelaar/e-startknop (
Remhendel (
pag. 33)
pag. 28)
Kijkglas voor motorolie
Rempedaal (
pag. 41)
Voetsteun passagier (
pag. 39)
23
5 SERIENUMMERS
5.1
Voertuigidentificatiennummer
Het voertuigidentificatienummer
balhoofd gegraveerd.
1 is aan de rechterkant van het
402324-10
5.2
Typeplaatje
1 is op het balhoofd links aangebracht.
2 is aan het frame achter het balhoofd
Het typeplaatje Europa
Het typeplaatje Australië
links aangebracht.
1
0
0
V01213-10
24
SERIENUMMERS 5
5.3
Sleutelnummer
Sleutelnummer
1 staat op de KEYCODECARD.
Info
U hebt het sleutelnummer nodig voor het bestellen van
een reservesleutel. Bewaar de KEYCODECARD op een veilige
plaats.
V01200-10
5.4
Motornummer
Het motornummer
1 is op het motorhuis boven gegraveerd.
H01047-10
25
5 SERIENUMMERS
5.5
Artikelnummer voorvork
Het artikelnummer van de voorvork
de asopname gegraveerd.
1 is aan de binnenzijde van
402295-10
5.6
Artikelnummer schokdemper
Het artikelnummer van de schokdemper
van de schokdemper aangebracht.
V01201-10
26
1 is aan de linkerkant
SERIENUMMERS 5
5.7
Artikelnummer stuurdemper
Het artikelnummer van de stuurdemper
de stuurdemper gegraveerd.
1 is in de onderkant van
H02669-10
27
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.1
Koppelingshendel
De koppelingshendel
bracht.
1 is aan de linkerkant van het stuur aange-
V01187-10
6.2
Remhendel
1
De remhendel
is rechts aan het stuur aangebracht.
De voorwielrem wordt bediend met de remhendel.
V01188-10
28
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.3
Gashendel
De gashendel
aangebracht.
1 is aan de rechterzijde van het stuur
V01189-10
6.4
Schakelaars links aan stuur
6.4.1
Combinatieschakelaar
De combinatieschakelaar is links op het stuur aangebracht.
29
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Overzicht combinatieschakelaar links
Lichtschakelaar ( pag. 30)
1
2
3
4
Menuschakelaar (
pag. 31)
Richtingaanwijzerschakelaar (
Claxonknop (
pag. 31)
pag. 32)
V01190-10
6.4.2
Lichtschakelaar
De lichtschakelaar
1 is links op het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Dimlicht aan – Lichtschakelaar in stand
. In deze
stand zijn het dimlicht en het achterlicht ingeschakeld.
A
Groot licht aan – Lichtschakelaar in stand
geduwd. In deze stand zijn het groot licht en het
achterlicht ingeschakeld.
B
V01191-10
30
Seinlicht – Lichtschakelaar in stand
C trekken.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.4.3
Menuschakelaar
De menuschakelaar is in het midden van de combinatieschakelaar
links aangebracht.
Met de menutoetsen wordt het display van het gecombineerde
instrument bestuurd.
Toets
is de UP‑toets.
Toets
is de DOWN‑toets.
Toets
is de SET‑toets.
Toets
is de BACK‑toets.
1
2
3
4
V01192-10
6.4.4
Richtingaanwijzerschakelaar
De richtingaanwijzerschakelaar
stuur aangebracht.
1 is aan de linkerzijde van het
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit
Richtingaanwijzer links aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar links geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug in de middelste stand.
V01192-11
31
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Richtingaanwijzer rechts aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar rechts geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug in de middelste stand.
Voor het uitschakelen van de richtingaanwijzer moet u de richtingaanwijzerschakelaar richting de schakelaarbehuizing duwen.
6.4.5
Claxonknop
De claxonknop
1 is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Claxonknop in de uitgangspositie
• Claxonknop ingedrukt – In deze stand wordt de claxon
gebruikt.
V01192-12
32
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.5
Schakelaars rechts aan stuur
6.5.1
Noodstopschakelaar/e-startknop
De noodstopschakelaar/e-startknop
schakelaar aangebracht.
1 is rechts op de combinatie-
Mogelijke toestanden
Noodstopschakelaar/e‑startknop uit (bovenste stand)
– In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken.
Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande
motor kan niet worden gestart. Er verschijnt een melding op het display.
V01194-10
Noodstopschakelaar/e‑startknop aan (middelste stand)
– Deze stand is noodzakelijk bij het rijden, het ontstekingscircuit is gesloten.
Startmotor aan (onderste stand) – In deze stand wordt
de startmotor geactiveerd.
33
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.6
Contact- en stuurslot
Het contact- en stuurslot bevindt zich voor de bovenste kroonplaat.
Mogelijke toestanden
Ontsteking uit – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit
en een stilstaande motor schakelt niet in. De contactsleutel kan eruit worden getrokken.
Ontsteking aan – In deze stand is het ontstekingscircuit gesloten en kan de motor worden gestart.
V01195-01
34
Stuur geblokkeerd – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken en het stuur geblokkeerd. De contactsleutel kan eruit worden getrokken.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.7
Tankdop openen
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
35
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
–
1
Afdekking
op de brandstoftankdop omhoogklappen en contactsleutel in het slot steken.
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging De contactsleutel kan bij overbelasting afbreken.
Beschadigde contactsleutels moeten worden vervangen.
–
V01196-10
36
Op de brandstoftankdop drukken om de contactsleutel te
ontlasten.
–
Contactsleutel 90° met de klok mee draaien.
–
Brandstoftankdop omhoogklappen.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.8
Tankdop sluiten
–
Tankdop neerklappen.
–
Contactsleutel 90° met de klok mee draaien.
–
Brandstoftankdop indrukken en contactsleutel tegen de klok in
draaien tot het slot sluit.
Waarschuwing
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar, giftig en schadelijk voor de gezondheid.
V01197-01
–
–
De brandstoftankdop na het sluiten op correcte
vergrendeling controleren.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek
onmiddellijk met veel water afspoelen.
Contactsleutel eruit trekken en afdekking neerklappen.
37
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.9
Zadelslot
1
Het zadelslot
bevindt zich aan de linkerkant van het voertuig.
Hij kan worden vergrendeld met de contactsleutel.
V01198-10
6.10
Boordgereedschap
Het boordgereedschap
V01214-10
38
1 bevindt zich onder de buddyseat.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.11
Greep
1
De greep
is bestemd voor het rangeren van de motorfiets.
Bij het rijden met een buddyseat kan de passagier zich hieraan
vasthouden.
V01225-10
6.12
Voetsteun passagier
De voetsteunen voor de passagier kunnen worden ingeklapt.
Mogelijke toestanden
• Voetsteun passagier ingeklapt – Voor het rijden zonder passagier.
• Voetsteun passagier uitgeklapt – Voor het rijden met passagier.
V01199-01
39
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.13
Versnellingshendel
De versnellingshendel
gemonteerd.
1 is aan de linkerkant van de motor
V01271-11
De positie van de versnellingen kunnen afgelezen worden op de
afbeelding.
De neutrale of vrije stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling.
V01271-10
40
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.14
Rempedaal
1
Het rempedaal
bevindt zich voor de rechter voetsteun.
Met het rempedaal wordt de achterwielrem bediend.
402177-10
6.15
Zijstandaard
1
De zijstandaard
bevindt zich aan de linker voertuigzijde.
De zijstandaard wordt gebruikt voor het parkeren van de motorfiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard opgeklapt zijn.
De zijstandaard is gekoppeld aan het veiligheidsstartsysteem. Lees de rij-instructies.
402029-10
41
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Mogelijke toestanden
• Zijstandaard uitgeklapt – Het voertuig kan op de zijstandaard
worden neergezet. Het veiligheidsstartsysteem is actief.
• Zijstandaard ingeklapt – Deze stand is altijd nodig als u gaat
rijden. Het veiligheidsstartsysteem is niet actief.
42
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.1
Gecombineerd instrument
Het gecombineerde instrument is voor het stuur aangebracht.
Het gecombineerde instrument is ingedeeld in twee functiesegmenten.
Controlelampjes ( pag. 46)
Display
1
2
H02851-10
7.2
Activering en test
Activering
Het gecombineerde instrument wordt ingeschakeld met het contact.
Info
De helderheid van de indicaties wordt geregeld door een
omgevingslichtsensor in het gecombineerde instrument.
V01296-01
Test
Op het display verschijnt de begroetingstekst en de controlelampjes branden kort in het kader van een functiecontrole.
43
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Info
Het controlelampje storing brandt altijd, zolang de motor
niet loopt. Als de motor loopt en het controlelampje storing
brandt, volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
Het waarschuwingslampje oliedruk brandt altijd, zolang
de motor niet loopt. Wanneer de motor loopt en het waarschuwingslampje oliedruk brandt, onmiddellijk volgens de
geldende verkeersregels stoppen en de motor afzetten.
Het ABS-waarschuwingslampje en het TC-controlelampje
branden tot een snelheid van ca. 6 km/h (ca. 4 mph) of
meer is bereikt.
7.3
Dag-nacht-modus
De dagmodus wordt in lichte kleuren weergegeven.
H02852-10
44
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
De nachtmodus wordt in donkere kleuren weergegeven.
Info
H02853-01
7.4
De omgevingslichtsensor in het gecombineerde instrument
meet de helderheid van de omgeving en schakelt het display automatisch in dag- of nachtmodus. Afhankelijk van
de helderheid die de omgevingslichtsensor meet, wordt het
display lichter of donkerder of in de andere modus geschakeld.
De weergavemodus kan niet handmatig worden gewisseld.
Waarschuwingen
Als bij de controlelampjes ( pag. 46) het algemene waarschuwingslampje gaat branden, wordt de bijbehorende melding op
het display weergegeven. Door een willekeurige knop in te drukken, wordt de ontvangst van de informatie bevestigd en verdwijnt
de melding.
Alle actuele waarschuwingen worden in het menu Warnings weergegeven tot ze niet meer actief zijn.
H02619-01
45
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.5
Controlelampjes
V01293-01
46
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
De controlelampjes geven extra informatie over de toestand van de motorfiets.
Bij het inschakelen van het contact lichten alle controlelampjes kort op.
Info
Het controlelampje storing brandt altijd, zolang de motor niet loopt. Als de motor loopt en het controlelampje storing brandt, volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde
KTM-garage.
Het waarschuwingslampje oliedruk brandt altijd, zolang de motor niet loopt. Wanneer de motor loopt en
het waarschuwingslampje oliedruk brandt, onmiddellijk volgens de geldende verkeersregels stoppen en de
motor afzetten.
Het ABS-waarschuwingslampje en het TC-controlelampje branden tot een snelheid van ca. 6 km/h (ca.
4 mph) of meer is bereikt.
Mogelijke toestanden
Controlelampje voor richtingaanwijzer knippert groen in knipperritme – Richtingaanwijzer is
ingeschakeld.
Controlelampje storing brandt geel – De OBD heeft een fout in de voertuigelektronica
geconstateerd. Volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde
KTM-garage.
ABS-waarschuwingslampje brandt/knippert geel – Status- of foutmelding bij het ABS. Het
ABS-waarschuwingslampje knippert als de ABS-modus Supermoto is geactiveerd.
TC-controlelampje brandt geel – MTC ( pag. 236) is niet actief of is bezig met regelen.
Het TC-controlelampje brandt ook als er een fout wordt herkend. Contact opnemen met
geautoriseerde KTM-garage. Het TC-controlelampje knippert als MTC actief ingrijpt of als de
Launch Control ( pag. 113) is geactiveerd.
47
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Controlelampje stationair brandt groen – Versnelling is in positie vrij geschakeld.
Controlelampje wegrijblokkeringen brandt/knippert rood – Status- of foutmelding bij de alarminstallatie.
Waarschuwingslampje oliedruk brandt rood – Oliedruk is te laag. Onmiddellijk veilig stoppen
en de motor afzetten.
Controlelampje groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.
Algemeen waarschuwingslampje brandt geel – Een aanwijzing of een waarschuwing voor de
veiligheid is gedetecteerd. Dit wordt ook op het display weergegeven.
48
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
49
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.6
Display
H02854-10
50
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
De afbeelding toont het startscherm van het gecombineerde instrument. Als het menu geopend is, wordt
verder de snelheid weergegeven.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
bk
bl
bm
bm
Versnellingsindicatie
Bluetooth® (optioneel)
Ride Mode (
pag. 235)
Eenheid voor de snelheidsindicatie
Brandstofpeilweergave (
pag. 54)
Weergave van de koelmiddeltemperatuur (
pag. 56)
Bereikweergave
Snelheid
Afstandteller (
pag. 57)
Omgevingstemperatuur
Tijd (
pag. 56)
Toerenteller
Schakelindicator (
pag. 53)
De schakelindicator is in de weergave van de toerenteller geïntegreerd.
51
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.7
TRACK-display
V01299-10
52
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
De afbeelding toont het startscherm van het gecombineerde instrument bij geactiveerde rijmodus TRACK.
Als het menu geopend is, wordt verder de snelheid weergegeven.
1
2
3
4
7.8
Throttle response (
pag. 237)
slipaanpassing (
pag. 237)
Launch‑Control (
pag. 113)
Anti-wheelie-modus
Schakelindicator
De schakelindicator is in de weergave van de toerenteller geïntegreerd.
In het menu Shift Light kan het toerental voor de schakelindicator
worden ingesteld. Tijdens de inrijfase (tot 1.000 km/600 mi) is
de schakelindicator altijd actief. Pas daarna kan de schakelindicator worden gedeactiveerd en kunnen de waarden voor Lights up en
Flashes worden ingesteld. Bij Lights up brandt de schakelindicator
oranje en bij Flashes knippert hij oranje.
H02613-01
Koelmiddeltemperatuur
> 35 °C
Lights up
Schakelindicator brandt oranje
Flashes
Schakelindicator knippert oranje
53
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.9
Koelmiddeltemperatuur
≤ 35 °C
Schakelindicator
brandt altijd bij
6.500 1/min
Brandstofpeilweergave
1
De weergave van het brandstofpeil
bestaat uit balkjes. Hoe
meer balkjes er branden, hoe meer brandstof zich in de brandstoftank bevindt.
H02855-10
54
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
Als de brandstofvoorraad bijna is verbruikt, brandt het laatste balkje oranje en verschijnt bovendien de waarschuwing LOW FUEL.
Om voortdurend schommelen van de weergave tijdens het
rijden te vermijden, wordt het brandstofpeil iets vertraagd
weergegeven.
Als de zijstandaard is uitgeklapt of als de noodstopschakelaar is uitgeschakeld, wordt de brandstofpeilweergave niet
geactualiseerd.
Als de zijstandaard wordt ingeklapt en de noodstopschakelaar ingeschakeld, wordt de volgende actualisering pas na
2 minuten uitgevoerd.
Als het gecombineerde instrument geen signaal van de
brandstofpeilsensor ontvangt, knippert de brandstofpeilweergave.
55
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.10
Tijd
1
In alle talen behalve EN‑US wordt de tijd
in de 24-uursnotatie
weergegeven. De tijd
wordt weergegeven in de 12‑uursnotatie
als de taak EN‑US ingesteld is.
In het menu Clock/Date kan de tijd worden geconfigureerd.
1
Info
De tijd moet worden ingesteld als de 12V-accu losgekoppeld is geweest van het voertuig of als de zekering eruit
gehaald was.
H02856-10
7.11
Weergave van de koelmiddeltemperatuur
Aanwijzing
Motorschade Bij oververhitting raakt de motor beschadigd.
H02616-01
–
Stop onmiddellijk volgens de verkeersregels en schakel de
motor uit wanneer de waarschuwing voor de koelmiddeltemperatuur verschijnt.
–
Laat de motor en het koelsysteem afkoelen.
–
Controleer resp. corrigeer het koelmiddelpeil bij afgekoeld
koelsysteem.
De temperatuurindicatie op het display bestaat uit acht balkjes.
Hoe meer balkjes er branden, hoe warmer het koelmiddel.
56
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Bij een koelmiddeltemperatuur van 120 °C wordt de noodloop
automatisch ingeschakeld.
Info
Als alle balkjes branden, verschijnt bovendien de waarschuwing ENGINE TEMP HIGH.
Mogelijke toestanden
• Motor koud – Tot drie balkjes branden.
• Motor warm – Vier tot vijf balkjes branden.
• Motor heet – Zes tot acht balkjes branden.
• Motor zeer heet – Alle acht balkjes knipperen oranje.
7.12
Afstandteller
Als afstandteller wordt op het startscherm Trip 1 weergegeven. Dit
kan niet worden gewijzigd.
Informatie over de totale afstand kan in het menu General Info
onder het menupunt Odometer worden opgeroepen.
In het menu Trip 1 kan de afstandteller worden geconfigureerd.
Informatie over een verder traject kan in het menu Trip 2 worden
opgeroepen en geconfigureerd.
H02617-01
57
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13
Menu
Info
1
3
Om het menu te openen, op de SET‑knop
drukken.
Met de UP-knop
of der DOWN-knop
in het menu
navigeren.
Door de BACK-knop
in te drukken, wordt het actuele
menu resp. het menuoverzicht gesloten.
2
4
V01145-10
7.13.1
Favorites
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
Door de SET‑knop nog eens in te drukken, wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren en
met de SET‑knop selecteren.
In het menu Favorites kunnen vijf vrij configureerbare menu’s
direct worden aangestuurd.
In het menu Set Favorites wordt het menu Favorites geconfigureerd.
H02858-01
58
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.2
Trip 1
H02859-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trip 1 op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
Trip 1 geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld tussen twee tankstops. Trip 1 loopt mee en telt tot 9999.
ØConsumption1 toont het gemiddelde verbruik op basis van Trip 1
en Trip time 1.
ØSpeed1 toont de gemiddelde snelheid op basis van Trip 1 en
Trip time 1.
Trip time 1 toont de rijtijd op basis van Trip 1 en loopt zodra een
snelheidssignaal wordt ontvangen.
Fuel range toont de mogelijk af te leggen afstand met de brandstofreserve.
Knop 3 5 seconden
ingedrukt
houden.
In het menu Trip 1 worden alle vermeldingen,
behalve Fuel range, gewist.
59
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.3
Trip 2
H02857-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trip 2 op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
Trip 2 geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld tussen twee tankstops. Trip 2 loopt mee en telt tot 9999.
ØConsumption2 toont het gemiddelde verbruik op basis van Trip 2
en Trip time 2.
ØSpeed2 toont de gemiddelde snelheid op basis van Trip 2 en
Trip time 2.
Trip time 2 toont de rijtijd op basis van Trip 2 en loopt zodra een
snelheidssignaal wordt ontvangen.
Fuel range toont de mogelijk af te leggen afstand met de brandstofreserve.
Knop 3 5 seconden
ingedrukt
houden.
60
In het menu Trip 2 worden alle vermeldingen,
behalve Fuel range, gewist.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.4
General Info
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het controlesysteem voor de
bandenspanning vormt geen vervanging voor de controle voordat u gaat rijden.
Om valse alarmen te vermijden, worden de bandenspanningswaarde over meerdere minuten geëvalueerd.
V01111-01
–
Controleer de bandenspanning voor iedere rit.
–
Corrigeer de bandenspanning als de deze afwijkt
van de opgegeven waarde.
–
Stop ook bij correcte bandenspanningswaarden
meteen als het gedrag van het voertuig op een
drukverlies in de band wijst.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu General Info op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
Date geeft de datum aan.
Odometer geeft de totale afstand aan.
Battery geeft de accuspanning aan.
61
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Tire press fron (optioneel) geeft de bandenspanning voor aan.
Tire press rear (optioneel) geeft de bandenspanning achter aan.
7.13.5
Settings
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01139-01
62
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
In het menu Settings worden instellingen voor eenheden of verschillende waarden uitgevoerd. Enkele functies kunnen worden
geactiveerd of gedeactiveerd.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.6
Bluetooth® (optioneel)
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
•
Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Bluetooth® op het display is
gemarkeerd.
–
Met de SET-knop de Bluetooth®-functie in- of uitschakelen.
V01112-01
Info
De functie Bluetooth® kan alleen in combinatie
met KTM MY RIDE (optioneel) worden gebruikt.
Als een apparaat via het menu Pairing is gekoppeld, maar
momenteel niet is verbonden, knippert bij ingeschakelde
Bluetooth®-functie het Bluetooth®-symbool. Zodra een apparaat is verbonden, brandt het Bluetooth®-symbool.
63
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.7
Distance
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01115-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Units op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop nog eens in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Distance op het display is
gemarkeerd. Door nog een keer op de SET‑knop te drukken,
wordt de eenheid ingesteld.
Eenheid kilometer km of mijl mi voor de afstand selecteren.
64
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.8
Temp
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01116-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Units op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop nog eens in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Temp op het display is gemarkeerd. Door nog een keer op de SET‑knop te drukken, wordt de
eenheid ingesteld.
Eenheid °C of °F voor de temperatuurindicatie selecteren.
65
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.9
Pressure
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
•
Model met TPMS.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Units op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop nog eens in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Pressure op het display is
gemarkeerd. Door nog een keer op de SET‑knop te drukken,
wordt de eenheid ingesteld.
V01117-01
Eenheid bar of psi selecteren.
66
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.10 Fuel Cons
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01118-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Units op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop nog eens in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Fuel Cons op het display is
gemarkeerd. Door nog een keer op de SET‑knop te drukken,
wordt de eenheid ingesteld.
Eén van de mogelijke verbruiksindicaties selecteren.
67
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.11 Language
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01119-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Language op het display is
gemarkeerd. Door de SET‑knop nog een keer in te drukken de
taal selecteren.
De menutalen zijn Engels US, Engels UK, Duits, Italiaans, Frans
en Spaans.
68
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.12 Clock/Date
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01120-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Clock/Date op het display is
gemarkeerd. Door de SET‑knop nog eens in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop een tijd instellen en met de
SET‑knop bevestigen.
–
Met de UP- of DOWN‑knop een datum instellen en met de
SET‑knop bevestigen.
Als de 12V-accu gedemonteerd is geweest, moeten de tijd en
datum opnieuw worden ingesteld.
Info
Als de 12V-accu gedemonteerd is geweest, wordt aanvullend de softwareversie weergegeven.
69
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.13 DRL
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01140-01
70
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Dagrijlicht is bij slecht zicht
geen vervanging voor dimlicht.
Bij zeer slecht zicht door mist, sneeuw of regen kan
de automatische omschakeling tussen dagrijlicht en
dimlicht slechts beperkt ter beschikking staan.
–
–
Steeds controleren of de juiste verlichting is geselecteerd.
–
Dagrijlicht voor het rijden of bij stilstand via het
menu uitschakelen, zodat het dimlicht permanent
is ingeschakeld.
–
Houdt u zich aan de wettelijke vereisten voor het
dagrijlicht.
UP- of DOWN‑knop indrukken tot DRL op het display is gemarkeerd. Door op de SET‑knop te drukken, wordt het menu voor
dagrijlicht in- of uitgeschakeld.
71
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.14 TPMS warning
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
•
Model met TPMS.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot TPMS warning op het display
is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken de aanwijzingen bij te hoge of te lage bandenspanning in- of uitschakelen.
V01141-01
Voorgeschreven waarde
Bandenspanning solo
voor
2,3 bar
achter
2,6 bar
Bandenspanning met passagier / volledige nuttige belasting
72
voor
2,3 bar
achter
2,6 bar
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.15 Quick Selector 1
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01121-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Quick Selector 1 op
het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot de gewenste menu is gemarkeerd.
–
SET‑knop indrukken om de selectie te bevestigen.
In het menu Quick Selector 1 kan een menu voor directe selectie
worden vastgelegd.
Door op de UP-knop te drukken, wordt bij gesloten menu het
in Quick Selector 1 vastgelegde menu opgeroepen.
Info
In de rijmodus TRACK wordt met de UP-knop de slipaanpassing ingesteld.
73
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.16 Quick Selector 2
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01122-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Quick Selector 2 op
het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken,
wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot de gewenste menu is gemarkeerd.
–
SET‑knop indrukken om de selectie te bevestigen.
In het menu Quick Selector 2 kan een menu voor directe selectie
worden vastgelegd.
Door op de DOWN-knop te drukken, wordt bij gesloten menu het
in Quick Selector 2 vastgelegde menu opgeroepen.
Info
In de rijmodus TRACK wordt met de DOWN-knop de slipaanpassing ingesteld.
74
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.17 Set Favorites
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01123-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Settings op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Set Favorites op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop menu selecteren. Met de SET‑toets
het menu voor de snelkeuze instellen.
In het menu Set Favorites wordt het menu Favorites geconfigureerd.
75
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.18 Service
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01125-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Service op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
In het menu Service wordt de volgende vereiste service en de softwareversie weergegeven.
7.13.19 Extra functions
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
•
Motorfiets met optionele extra functie.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Trips/Data op het display is
gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu
geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Extra functions op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het
menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop door de extra functies navigeren.
V01126-01
76
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
In Extra functions worden de optionele extra functies
opgesomd. De actuele KTM PowerParts en de beschikbare software voor uw voertuig vindt u op de KTMwebsite.
7.13.20 Warnings
Voorwaarden
• Minstens een waarschuwing aanwezig.
V01124-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Trips/Data op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Warnings op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop door de waarschuwingen navigeren.
In het menu Warnings worden de opgetreden waarschuwingen
weergegeven en opgeslagen, totdat ze niet meer actief zijn.
77
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.21 Ride Mode
V01127-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Ride Mode op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop door het menu navigeren. Met de
SET‑knop kunnen op elkaar afgestemde instellingen van motor
en motorfiets-tractiecontrole worden geselecteerd.
SPORT – Gehomologeerd vermogen met zeer directe respons, de motorfietstractiecontrole laat een hogere slip aan
het achterwiel toe.
STREET – Gehomologeerd vermogen met evenwichtige
respons, de motorfietstractiecontrole laat een normale slip
aan het achterwiel toe.
RAIN – Gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor
betere rijbaarheid, de motorfietstractiecontrole laat een
normale slip aan het achterwiel toe.
TRACK-instelling met gehomologeerd vermogen en uiterst
directe respons. De motorfiets-tractiecontrole en de karakteristiek van de gasrespons kunnen individueel worden
ingesteld.
Info
Tijdens de selectie geen gas geven.
78
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.22 Track
Voorwaarden
• De rijmodus TRACK is geactiveerd.
V01128-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Ride Mode op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop door het menu navigeren. Met
de SET‑knop kunnen de afzonderlijke instellingen van de
TRACK PACK worden aangepast.
Info
Bij het aanpassen van de gasrespons geen gas geven.
Via Leave Track wordt de rijmodus TRACK beëindigd en
automatisch naar de rijmodus STREET gewisseld. Daarbij geen gas geven.
79
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.23 Anti‑wheelie mode
Voorwaarden
• De rijmodus TRACK is geactiveerd.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menupunt Anti‑wheelie mo
op het display is gemarkeerd.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Bij gedeactiveerde
Anti‑Wheelie‑modus wordt steigeren van het
voorwiel niet meer door de motorfietstractiecontrole
tegengegaan.
V01142-01
–
–
80
Schakel de Anti‑Wheelie‑modus alleen uit, als u
over voldoende ervaring beschikt.
Met de SET-knop de Anti‑Wheelie‑modus in- of uitschakelen.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.24 Launch control
Voorwaarden
• De rijmodus TRACK is geactiveerd.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menupunt Launch control
op het display is gemarkeerd.
–
Met de SET-knop de Launch-Control (
schakelen.
pag. 113) in- of uit-
V01143-01
7.13.25 MTC + MSR
Voorwaarden
• ABS ModeSupermoto is niet geactiveerd.
V01130-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Motorcycle op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot MTC + MSR op het display is
gemarkeerd.
–
SET‑knop 3 tot 5 seconden ingedrukt houden om MTC + MSR
in of uit te schakelen.
81
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Info
Bij het in- of uitschakelen geen gas geven.
Na het inschakelen van het contact zijn de motorfietstractiecontrole en de motorslipmomentregeling weer
actief.
7.13.26 ABS
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
Aanwijzing
Vervallen van de toelating op de openbare weg en de verzekering Als het ABS compleet wordt uitgeschakeld, vervalt de
toelating van het voertuig voor de openbare weg.
–
V01131-01
82
Gebruik het voertuig alleen op afgezette trajecten en niet
op de openbare weg als het ABS compleet wordt uitgeschakeld.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Motorcycle op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot ABS op het display is gemarkeerd.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
–
SET‑knop 3 tot 5 seconden ingedrukt houden om de ABS uit te
schakelen.
Info
Bij het uitschakelen geen gas geven.
Na het inschakelen van het contact is het ABS weer
actief.
7.13.27 ABS Mode
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
•
ABS is ingeschakeld.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Motorcycle op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot ABS Mode op het display is
gemarkeerd.
–
SET‑knop 3 tot 5 seconden ingedrukt houden om de
ABS‑modus te wijzigen.
V01132-01
83
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Info
Tijdens de selectie geen gas geven.
Als de ABS‑modus Road actief is, regelt het ABS aan
beide wielen.
Als de ABS‑modus Supermoto actief is, regelt het ABS
alleen aan het voorwiel. Het ABS‑waarschuwingslampje
knippert langzaam om aan de actieve ABS‑modus
Supermoto te herinneren. Het achterwiel wordt niet
meer via het ABS geregeld; het kan bij het remmen
blokkeren. MSR is gedeactiveerd.
Na het inschakelen van het contact is de ABS‑modus
weer op Road ingesteld.
7.13.28 Quick Shift +
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01133-01
84
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Motorcycle op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Quick Shift + op het display is
gemarkeerd.
–
Met de SET‑knop de quickshifter + (
schakelen.
pag. 115) in- of uit-
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.29 Shift Light
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
•
ODO > 1.000 km (600 mi).
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Motorcycle op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu Shift Light op het
display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop functie selecteren. Met de SET‑knop
wordt het toerental voor het schakeladvies ingesteld.
V01134-01
Als het motortoerental het bij Lights up vastgelegde motortoerental
bereikt, brandt de toerentalindicatie oranje.
Als het motortoerental het bij Flashes vastgelegde motortoerental
bereikt, knippert de toerentalindicatie oranje.
Het schakeladvies kan met de functie Shift Light aan- of uitgeschakeld worden.
85
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.30 KTM MY RIDE (optioneel)
Voorwaarden
• Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
V01135-01
•
Functie Bluetooth® (optioneel) geactiveerd.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu KTM MY RIDE op het
display is geselecteerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
In KTM MY RIDE kan een geschikte mobiele telefoon of headset
via Bluetooth® met het KTM MY RIDE‑besturingsapparaat worden
verbonden.
Info
Niet elke mobiele telefoon en niet elke headset is geschikt
om met het KTM MY RIDE‑besturingsapparaat te verbinden.
De standaard Bluetooth® 2.1 moet ondersteund worden.
86
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.31 Pairing (optioneel)
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
V01137-01
•
Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
•
Bluetooth® (optioneel) is ingeschakeld.
•
Bluetooth® op het apparaat dat moet worden gekoppeld, eveneens ingeschakeld.
•
Op het apparaat, dat moet worden verbonden, moet de Bluetooth®-zichtbaarheid zijn ingeschakeld.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu KTM MY RIDE op het
display is geselecteerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Setup op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het gewenste menupunt
Phone of Headset is gemarkeerd.
87
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Info
Er kunnen nooit twee mobiele telefoons
of twee headsets gelijktijdig met het
KTM MY RIDE‑besturingsapparaat worden verbonden.
Slechts één mobiele telefoon en één headset kunnen
gelijktijdig met het KTM MY RIDE‑besturingsapparaat
worden verbonden.
–
In het submenu Phone kan een geschikte mobiele telefoon met
het KTM MY RIDE‑besturingsapparaat worden verbonden.
–
In het submenu Headset kan een geschikte headset met het
KTM MY RIDE‑besturingsapparaat worden verbonden.
–
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
Bij de eerste koppeling van het apparaat de UP- of DOWN‑knop
indrukken tot Pairing is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te
drukken, wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN-knop naar het gewenste apparaat navigeren. De selectie met de SET-knop bevestigen.
Info
De verbinding van de headset wordt hier afgesloten.
–
88
Door bevestiging van de Passkey wordt de verbinding van de
mobiele telefoon succesvol afgesloten.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
Bij succesvolle koppeling met een geschikt apparaat
wordt de naam van de gekoppelde mobiele telefoon of
headset in het desbetreffende menu Phone of Headset
weergegeven.
UP- of DOWN-knop indrukken tot het gekoppelde apparaat is geselecteerd. Door de SET-knop in te drukken,
kan het gekoppelde apparaat worden gewist.
Het als laatste verbonden apparaat wordt bij
ingeschakelde Bluetooth® automatisch met het
KTM MY RIDE‑besturingsapparaat verbonden zodra het
zich binnen bereik en niet eerder is gewist.
Niet elke mobiele telefoon of headset is geschikt om
met het KTM MY RIDE‑besturingsapparaat te koppelen.
89
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.32 Audio player (optioneel)
Voorwaarden
• Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
•
Bluetooth® (optioneel) is ingeschakeld.
•
Bluetooth® bij gekoppelde apparaten eveneens ingeschakeld.
•
Headset met geschikt audiotoestel verbonden.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot het menu KTM MY RIDE op het
display is geselecteerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt
het menu geopend.
H02860-01
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te hoog volume van uw koptelefoon kan van het verkeer afleiden.
–
90
Stel het volume van uw koptelefoon zodanig in dat
u het overige verkeer nog kunt horen.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Audio player op het display is
gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu
geopend.
–
Ingedrukt houden van de UP‑knop verhoogt het audiovolume.
–
Ingedrukt houden van de DOWN‑knop verlaagt het audiovolume.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
–
Kort indrukken van de UP‑knop wisselt naar de volgende audiotitel.
–
Door kort drukken op de DOWN-knop worden de audiotitels
vanaf het begin afgespeeld.
–
Twee keer kort indrukken van de DOWN‑knop wisselt naar de
vorige audiotitel.
–
Drukken op de SET‑knop speelt de audiotitel af of pauzeert de
audiotitel.
Tip
Bij sommige mobiele telefoons moet de audio-player
van de mobiele telefoon worden gestart, voordat weergave mogelijk is.
Voor een eenvoudigere bediening kan de audiofunctie
aan Quick Selector 1 of aan Quick Selector 2 worden toegevoegd.
91
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.33 Telefonie (optioneel)
Voorwaarden
• Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
•
Bluetooth® (optioneel) ingeschakeld.
•
Functie Bluetooth® bij gekoppelde apparaten eveneens ingeschakeld.
•
Headset met geschikte mobiele telefoon verbonden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te hoog volume van uw koptelefoon kan van het verkeer afleiden.
–
V01138-01
92
Stel het volume van uw koptelefoon zodanig in dat
u het overige verkeer nog kunt horen.
–
Door de SET‑knop in te drukken, wordt een binnenkomende
oproep aangenomen.
–
Door de BACK‑knop in te drukken, wordt een binnenkomende
oproep afgewezen.
–
Ingedrukt houden van de UP‑knop verhoogt het audiovolume.
–
Ingedrukt houden van de DOWN‑knop verlaagt het audiovolume.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
Belduur en contactpersoon worden weergegeven.
Afhankelijk van de instelling van de mobiele telefoon
wordt de contactpersoon met naam weergegeven.
93
8 ERGONOMIE
8.1
Stuurstand
Aan de bovenste kroonplaat bevinden zich twee boringen op een
afstand
van elkaar.
A
0
A
Afstand boringen
A
15 mm
Het stuur kan in verschillende twee standen worden gemonteerd.
Daardoor is het mogelijk, het stuur in de aangenaamste positie
voor de bestuurder te zetten.
V01210-11
8.2
Info
KTM adviseert bij races de voorste stuurstand te gebruiken.
Stuurstand instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een gerepareerd stuur vormt een veiligheidsrisico.
Als het stuur werd verbogen of uitgelijnd, treedt materiaalmoeheid op. Hierdoor kan het stuur breken.
–
94
Vervang het stuur, als het stuur is verbogen of beschadigd.
ERGONOMIE 8
0
B
A
0
1
0
2
0
3
0
4
0
V01210-10
–
1
2
3
Schroeven
verwijderen. Stuurklemmen
verwijderen.
Stuur zo positioneren, dat de schroeven
toegankelijk zijn.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
Kabels en leidingen niet knikken.
–
Schroeven
–
Stuuradapters in de gewenste stand
ven
monteren en vastdraaien.
3 verwijderen. Stuuradapters 4 verwijderen.
A of B zetten. Schroe-
3
Voorgeschreven waarde
Stuuradapters links en rechts in dezelfde positie monteren.
Schroef stuuradapter
–
M10
45 Nm
Loctite®243™
Stuur positioneren.
Info
Erop letten dat de kabels en leidingen goed worden
gelegd.
–
Stuurklem positioneren. Schroeven
tig vastdraaien.
1 monteren en gelijkma-
95
8 ERGONOMIE
Voorgeschreven waarde
Schroef stuurplaat
8.3
M8
20 Nm
Uitgangspositie koppelingshendel instellen
–
Koppelingshendel naar voren drukken.
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel met de
stelschroef
aanpassen aan de grootte van de hand.
1
Info
V01187-11
96
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid,
komt de koppelingshendel verder van het stuur af te
staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid,
komt de koppelingshendel dichter bij het stuur te
staan.
Het instelbereik is beperkt.
Stelschroef alleen met de hand draaien, geen geweld
gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
ERGONOMIE 8
8.4
Uitgangspositie van de remhendel instellen
–
Handremhendel naar voren voor drukken.
–
Uitgangspositie van de remhendel met de stelschroef
de grootte van de hand aanpassen.
1 aan
Info
V01188-11
8.5
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid,
komt de remhendel verder van het stuur af te staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid,
komt de remhendel dichter bij het stuur te staan.
Het instelbereik is beperkt.
Stelschroef alleen met de hand draaien, geen geweld
gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
Uitgangspositie van het rempedaal instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem druk op de achterwielrem op.
–
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
97
8 ERGONOMIE
–
–
1 losmaken.
Moer 2 losdraaien.
Veer
Tip
Om het gemakkelijker te maken de rempedaal daarbij
naar beneden drukken.
–
V01229-10
3
Drukstang
draaien om de uitgangspositie van de rempedaal
in te stellen.
Info
Het instelbereik is beperkt.
Minimaal vijf schroefgangen moeten ingeschroefd zijn.
Door de drukstang in het kogelscharnier te draaien,
wordt het rempedaal naar beneden gebracht.
Door de drukstang uit het kogelscharnier te draaien,
wordt het rempedaal naar boven gebracht.
98
ERGONOMIE 8
–
4
5
Moer
losdraaien en schroef
zodanig draaien totdat de
vrije slag
is bereikt. Eventueel uitgangspositie van het rempedaal aanpassen.
A
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal
–
Schroef
3 … 5 mm
5 tegenhouden en moer 4 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende moeren
chassis
V01230-10
–
Moer
M6
10 Nm
M6
6 Nm
2 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer drukstang rempedaal
Tip
Om het gemakkelijker te maken de rempedaal daarbij
naar beneden drukken.
V01231-10
–
Veer
1 vasthaken.
99
8 ERGONOMIE
8.6
Uitgangspositie versnellingshendel controleren
Info
De versnellingshendel mag bij het rijden in de uitgangspositie niet tegen de laars liggen.
Als de versnellingshendel steeds tegen de laars ligt, wordt de aandrijving te veel belast en kunnen storingen van de quickshifter optreden.
–
A
In de rijpositie op het voertuig gaan zitten en de afstand
tussen de bovenkant van de laars en de versnellingshendel
meten.
Afstand versnellingshendel
tot bovenkant laars
A
0
»
400692-10
100
10 … 20 mm
Als de afstand niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen.
( pag. 101)
ERGONOMIE 8
8.7
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen
–
Moer
den.
1 losdraaien en daarbij aan draadstang 2 tegenhou-
–
Moer
den.
3 losdraaien en daarbij aan draadstang 2 tegenhouInfo
3 heeft linkse schroefdraad.
Door draaien van de draadstang 2 versnellingshendel instelMoer
H02668-10
–
len.
Info
Het instelbereik is beperkt.
De versnellingshendel mag bij het schakelen de voertuigcomponenten niet raken.
–
Moer
den.
3 vastdraaien en daarbij aan draadstang 2 tegenhou-
Voorgeschreven waarde
Moer schakelstang
–
Moer
den.
M6LH
6 Nm
1 vastdraaien en daarbij aan draadstang 2 tegenhou-
101
8 ERGONOMIE
Voorgeschreven waarde
Moer schakelstang
102
M6
6 Nm
INBEDRIJFSTELLING 9
9.1
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
–
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
–
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Verschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
–
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Niet-vrijgegeven of aanbevolen banden en wielen bemoeilijken het rijgedrag.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
103
9 INBEDRIJFSTELLING
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
200 km
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
–
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Info
Houd er bij het gebruik van het voertuig rekening mee dat andere mensen last kunnen hebben van overmatig lawaai.
–
Zorg ervoor dat de werkzaamheden van de controle voor de verkoop worden uitgevoerd door een geautoriseerde
KTM-garage.
U ontvangt het leveringsdocument en het service- en garantieboekje bij de overdracht van het voertuig.
–
Voordat u voor het eerst gaat rijden, moet u de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen.
–
Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel instellen. (
–
Uitgangspositie van de remhendel instellen. (
–
Uitgangspositie van het rempedaal instellen.
104
pag. 96)
pag. 97)
(
pag. 97)
INBEDRIJFSTELLING 9
–
Oefen voordat u een lange rit gaat maken eerst op een geschikt terrein, zodat u gewend raakt aan het besturen van de motorfiets. Probeer ook eens zo langzaam mogelijk te rijden zodat u meer gevoel voor de motorfiets
krijgt.
–
Houd tijdens het rijden het stuur met beide handen vast en laat de voeten op de voetsteunen rusten.
–
Motor inrijden. (
9.2
–
pag. 105)
Motor inrijden
Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
–
Tijdens de eerste: 1.000 km
6.500 1/min
Na de eerste: 1.000 km
9.800 1/min
Vol gas geven vermijden!
105
9 INBEDRIJFSTELLING
9.3
Voertuig beladen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Totaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de
bestuurder en passagier met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
–
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verkeerde montage van de koffer of de tanktas heeft invloed op het rijgedrag.
–
De koffer en tanktas volgens de gegevens van de fabrikant monteren en vastmaken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag bij hoge snelheid.
–
De snelheid aanpassen aan de extra belasting. Rijd langzamer als uw motorfiets is beladen met koffers of andere bagage.
Maximumsnelheid met bagage
130 km/h
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door overbelasting raakt het koffersysteeem beschadigd.
–
106
Bij het monteren van een koffer altijd de fabrikantgegevens betreffende de maximale last in acht
nemen.
INBEDRIJFSTELLING 9
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage beperkt de zichtbaarheid.
Als het achterlicht is afgedekt bent u, vooral als het donker is, slechter zichtbaar voor andere verkeerdeelnemers.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Hoge belading verandert het rijgedrag en verlengt de remweg.
–
De snelheid aan eventuele extra belading aanpassen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage heeft invloed op het rijgedrag.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor brand Een heet uitlaatsysteem kan de bagage doen verbranden.
–
De bagage zo bevestigen, dat deze niet aan het hete uitlaatsysteem kan verbranden of schroeien.
–
Als u bagage meeneemt moet deze veilig worden vastgezet, zo veel mogelijk in het midden van het voertuig,
en moet het gewicht gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
–
Houdt u zich aan het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximale asbelasting.
107
9 INBEDRIJFSTELLING
Voorgeschreven waarde
108
Maximaal toegestaan totaalgewicht
430 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor
160 kg
Maximale asbelasting achter
270 kg
RIJ-INSTRUCTIES 10
10.1
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling
Info
Voordat u gaat rijden, controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gereden.
Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
H02217-01
–
Motoroliepeil controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren.
( pag. 161)
–
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren.
( pag. 167)
–
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
–
Controleren of het remsysteem goed werkt.
–
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren.
( pag. 225)
–
Vervuiling van de ketting controleren. (
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 148)
–
Bandentoestand controleren. (
pag. 187)
–
Bandenspanning controleren. (
pag. 189)
–
Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en
soepel bewegen.
pag. 239)
pag. 165)
pag. 170)
pag. 145)
109
10 RIJ-INSTRUCTIES
10.2
–
Werking van de elektrische installatie controleren.
–
Controleren of de bagage correct is bevestigd.
–
Op de motorfiets gaan zitten en de stand van de achteruitkijkspiegel controleren.
–
Brandstofvoorraad controleren.
Voertuig starten
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Aanwijzing
Motorschade Hoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
–
Rij de motor altijd met een laag toerental warm.
110
RIJ-INSTRUCTIES 10
–
Motorfiets van de zijstandaard nemen en op de motorfiets gaan
zitten.
–
Controleer of de noodstopschakelaar/e-startknop zich in de
middelste stand bevindt.
–
Ontsteking inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand te draaien.
Na het inschakelen van het contact is gedurende ongeveer
2 seconden het geluid van de werkende brandstofpomp
te horen. Tegelijkertijd wordt de functiecontrole van het
gecombineerde instrument uitgevoerd.
B00782-10
Het ABS-waarschuwingslampje gaat branden en gaat weer
uit wanneer het voertuig begint te rijden.
–
Versnelling in stationair schakelen.
–
Noodstopschakelaar/e-startknop in de onderste stand
ken.
Het groene controlelampje stationair N brandt.
druk-
111
10 RIJ-INSTRUCTIES
Info
De noodstopschakelaar/e-startknop pas in de onderste
stand drukken, als de functiecontrole van het gecombineerde instrument is afgesloten.
Tijdens het starten GEEN gas geven. Als er tijdens het
starten gas wordt gegeven, wordt geen brandstof ingespoten door het motormanagementsysteem en daardoor
slaat de motor niet aan.
Maximaal 5 seconden lang de noodstopschakelaar/estartknop in de onderste stand drukken. Tot de volgende startpoging minimaal 5 seconden wachten.
Deze motorfiets is uitgerust met een veiligheidsstartsysteem. De motor kan alleen worden gestart als de
versnelling in vrij is geschakeld of als bij geschakelde
versnelling de koppelingshendel is getrokken. Als u met
uitgeklapte zijstandaard naar een versnelling schakelt
en de koppelingshendel loslaat, blijft de motor stilstaan.
10.3
–
Beginnen met rijden
Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gelijktijdig
voorzichtig gas geven.
112
RIJ-INSTRUCTIES 10
10.4
Launch‑Control
H02000-01
10.5
De Launch‑Control is een functie van de voertuigelektronica.
De Launch‑Control past het motortoerental aan om de optimale
acceleratie te bereiken.
De Launch‑Control kan maximaal drie keer achtereen voor beginnen met rijden worden gebruikt. Om motor, transmissie en koelsysteem te beschermen tegen overbelasting, wordt de Launch‑Control
na de derde keer beginnen met rijden tijdelijk gedeactiveerd.
De Launch‑Control wordt ook gedeactiveerd als niet meer aan alle
voorwaarden voor de activering wordt voldaan.
De Launch‑Control wordt in de volgende gevallen weer vrijgegeven:
de motor draait minstens drie minuten, de motor is 20 minuten uit
of er is een afstand van 1,5 km (0,93 mi) afgelegd.
beginnen met rijden met Launch‑Control
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen De Launch‑Control maakt zeer snelle acceleratie mogelijk die voor onervaren
bestuurders moeilijkheden kan opleveren.
–
Gebruik de Launch-Control alleen als u over voldoende ervaring beschikt.
–
Gebruik de Launch‑Control niet op de openbare weg.
113
10 RIJ-INSTRUCTIES
Voorwaarde
De rijmodus TRACK is geactiveerd.
De eerste versnelling is geschakeld.
Het TC-controlelampje brandt niet.
Koelmiddeltemperatuur: > 60 °C
Totale afgelegde afstand: > 1.000 km
–
Launch‑Control in het gecombineerde instrument activeren.
Het aantal beschikbare starts wordt op het startbeeldscherm weergegeven.
H02000-01
–
Bij aangetrokken koppelingshendel vol gas geven.
Het motortoerental wordt geregeld.
9.000 1/min
Het TC‑controlelampje knippert snel.
–
114
Koppelingshendel snel maar gedoseerd vrijgeven.
RIJ-INSTRUCTIES 10
10.6
Quickshifter +
Als de quickshifter + is geactiveerd, kan zonder bediening van de
koppeling in een hogere of lagere versnelling worden geschakeld.
Omdat de gashendel niet moet worden gesloten, kan zonder onderbrekingen worden geschakeld.
De quickshifter + herkent aan de hand van de schakelaspositie of
er moet worden geschakeld en zendt een overeenkomstig signaal
naar de motorbesturing.
Als de quickshifter + in het gecombineerde instrument is gedeactiveerd, moet bij elke keer schakelen zoals gebruikelijk de koppeling
worden bediend.
V01270-10
115
10 RIJ-INSTRUCTIES
10.7
Schakelen, rijden
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Bij een abrupte verandering van de belasting kunt u de controle over de motorfiets verliezen.
–
Abrupte lastverplaatsing en hard remmen vermijden.
–
De snelheid aan de gewijzigde rijwegsituatie aanpassen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Terugschakelen bij een hoog motortoerental blokkeert het achterwiel en overbelast de motor.
–
Schakel bij een hoog toerental niet terug naar een lagere versnelling.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde contactsleutelstand zorgt voor storingen.
–
De contactsleutelstand tijdens het rijden niet veranderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het uitvoeren van instellingen aan het voertuig leidt af van het verkeer.
–
116
Instelwerkzaamheden aan een stilstaand voertuig uitvoeren.
RIJ-INSTRUCTIES 10
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Door verkeerd gedrag kan de passagier van de motorfiets vallen.
–
Zorg ervoor dat de passagier correct op de buddyseat zit, de voeten op de buddyseatvoetsteunen van
de passagier zet en zich aan de bestuurder of grepen vasthoudt.
–
Neem hierbij ook de in uw land geldende voorschriften over de minimumleeftijd voor passagiers in
acht.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Riskant rijgedrag vormt een groot risico.
–
Volg de verkeersregels en rijd defensief en anticiperend, om gevaren zo vroeg mogelijk te herkennen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Koude banden hebben minder grip.
–
De eerste kilometers rustig en voorzichtig rijden, tot de banden op temperatuur zijn.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
200 km
117
10 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Totaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de
bestuurder en passagier met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
–
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage heeft invloed op het rijgedrag.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door een val kan het voertuig sterker beschadigd raken dan eerst het geval lijkt.
–
Het voertuig na een val op dezelfde wijze als voor ingebruikname controleren.
Aanwijzing
Motorschade Ongefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
Zonder luchtfilter dringen stof en vuil in de motor.
–
Gebruik het voertuig nooit zonder luchtfilter.
Aanwijzing
Motorschade Bij oververhitting raakt de motor beschadigd.
–
Stop onmiddellijk volgens de verkeersregels en schakel de motor uit wanneer de waarschuwing voor de koelmiddeltemperatuur verschijnt.
–
Laat de motor en het koelsysteem afkoelen.
–
Controleer resp. corrigeer het koelmiddelpeil bij afgekoeld koelsysteem.
118
RIJ-INSTRUCTIES 10
Aanwijzing
Beschadiging van de aandrijving De aandrijving raakt door verkeerd gebruik van de Quickshifter+ beschadigd.
Alleen als de functie in het gecombineerde instrument is geactiveerd, kan de Quickshifter+ worden gebruikt.
Als de koppelingshendel wordt aangetrokken, is de Quickshifter+ niet actief.
–
Gebruik de Quickshifter+ alleen in het aangegeven, toegestane toerentalbereik.
Info
Als er tijdens het rijden ongewone geluiden optreden, meteen op veilige wijze stoppen, de motor uitzetten
en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
–
Als de omstandigheden het toestaan (helling, rijsituatie e.d.),
kunt u naar hogere versnellingen schakelen.
–
Gas terugnemen, gelijktijdig koppelingshendel trekken, naar
volgende versnelling schakelen, koppelingshendel vrijgeven en
gas geven.
Info
V01271-10
De posities van de 6 voorwaartse versnellingen zijn
weergegeven op de afbeelding. De neutrale of stationaire stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling. De 1e versnelling is de start- of bergversnelling.
De rijtemperatuur is bereikt als er 5 balkjes op de temperatuurindicatie branden.
119
10 RIJ-INSTRUCTIES
120
–
Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale
snelheid is bereikt, deze tot ¾ gas terugdraaien. Pas uw snelheid aan de weggesteldheid en weersituatie aan. De snelheid
verlaagt nauwelijks, maar er wordt aanmerkelijk minder brandstof verbruikt.
–
Pas uw snelheid aan de weggesteldheid en weersituatie aan.
Vooral in bochten mag niet worden geschakeld en slechts voorzichtig gas worden gegeven.
–
Voor het terugschakelen van de motorfiets indien nodig afremmen en tegelijkertijd gas terugnemen.
–
Koppelingshendel trekken en in een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gas geven of nog
een keer schakelen.
–
Als de motor bijvoorbeeld afslaat bij een kruispunt,
hoeft u alleen de koppelingshendel te trekken en de
noodstopschakelaar/e-startknop in de onderste stand te
drukken. De versnelling hoeft niet in stationair te worden
geschakeld.
–
Zet de motor uit als het voertuig langere tijd met stationair toerental draait of stilstaat.
–
Als tijdens het rijden het waarschuwingslampje oliedruk
begint te branden, moet u meteen stoppen en de motor uitschakelen. Contact opnemen met geautoriseerde KTM-garage.
RIJ-INSTRUCTIES 10
–
Als tijdens het rijden het storinglampje gaat branden, moet
u meteen stoppen, de motor uitzetten en contact opnemen
met een geautoriseerde KTM-garage.
–
Als tijdens het rijden het algemene waarschuwingslampje
gaat branden, toont het display een melding.
Info
Bijzonder belangrijke meldingen worden in het
menu Warnings opgeslagen.
–
Als de waarschuwing glad wegdek op het gecombineerde
instrument verschijnt, is een glad wegdek mogelijk. De
snelheid aanpassen aan de gewijzigde situatie.
–
Als de quickshifter + in het gecombineerde instrument is geactiveerd, kunt u in het aangegeven toerentalbereik schakelen
zonder aan de koppelingshendel te trekken.
Info
H02699-10
Het minimale motortoerental in toeren per minuut om
in een hogere versnelling te schakelen, ziet u in de
afbeelding.
Trek de versnellingshendel snel helemaal tot de aanslag, zonder de stand van de gashendel te wijzigen.
121
10 RIJ-INSTRUCTIES
–
Als de quickshifter + in het gecombineerde instrument is geactiveerd, kunt u in het aangegeven toerentalbereik schakelen
zonder aan de koppelingshendel te trekken.
Info
Het maximale motortoerental in toeren per minuut
om in een lagere versnelling te schakelen, ziet u in de
afbeelding.
Trek de versnellingshendel snel helemaal tot de aanslag, zonder de stand van de gashendel te wijzigen.
H02700-10
10.8
Motorslipmomentregeling (MSR)
402423-01
122
De MSR is een functie van de motorregeling.
Als de motorremwerking te hoog wordt, verhindert de MSR, dat het
achterwiel tijdens het rechtuitrijden blokkeert of bij schuine stand
wegglijdt.
Om slippen van het achterwiel te voorkomen, opent de MSR de
smoorkleppen slechts zover als absoluut noodzakelijk is.
De MSR wordt ingezet op oppervlakken waar de wrijvingswaarde te
laag is om de Anti-Hopping-koppeling te openen.
Om de rijveiligheid verder te verhogen, is de MSR afhankelijk van
de schuine stand.
RIJ-INSTRUCTIES 10
Info
Bij uitgeschakelde ABS of actieve ABS‑mode Supermoto is
de MSR niet actief.
10.9
Afremmen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het remsysteem nadelig.
–
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een poreus drukpunt van voor- en/of achterwielrem vermindert de remwerking.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
–
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Hoger totaal gewicht verlengt de remweg.
–
Hou rekening met een langere remweg, als u met een passagier of met bagage rijdt.
123
10 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Strooizout op de straat belemmert het remsysteem.
–
Meerdere keren voorzichtig remmen om strooizout van de remplaketten en remschijven te verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen ABS kan de remweg in bepaalde situaties verlengen.
–
Pas de remwijze aan de rijsituatie en rijwegsituatie aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door te sterk afremmen blokkeren de wielen.
De werking van het ABS kan alleen worden gegarandeerd, indien ABS is ingeschakeld.
–
ABS ingeschakeld laten om de beschermende functie te gebruiken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het achterwiel kan door de motorremwerking blokkeren.
–
–
Trek aan de koppelingshendel wanneer u vol remt, een noodstop maakt of wanneer u op gladde ondergrond afremt.
Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.
Info
Met ABS kunt u zowel bij een volledige afremming als bij een slecht contact met de ondergrond op
zandige, natte of gladde ondergrond de volledige remkracht gebruiken, zonder het risico te lopen dat
de wielen blokkeren.
124
RIJ-INSTRUCTIES 10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Schuine stand of zijdelings afhellende ondergrond vermindert de maximaal
mogelijke vertraging.
–
Beëindig het remmen indien mogelijk voordat u een bocht inrijdt.
–
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Daarbij afhankelijk van de snelheid naar
een lagere versnelling schakelen.
–
Gebruik bij langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor. Schakel daarvoor een of twee versnellingen
terug en hierbij de motor niet op een te hoog toerental laten draaien. Zo hoeft u veel minder te remmen en
raakt het remsysteem niet oververhit.
10.10
Stoppen, parkeren
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Onbevoegd handelende personen vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Laat het voertuig nooit zonder opzicht achter, als de motor loopt.
–
Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
–
Blokkeer het stuur en verwijder de contactsleutel als u het voertuig onbeheerd achterlaat.
125
10 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
–
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
–
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Aanwijzing
Materiaalschade Een onjuiste handelwijze bij parkeren beschadigt het voertuig.
Als het voertuig wegrolt of omvalt, kan aanzienlijke schade ontstaan.
De onderdelen voor parkeren van het voertuig zijn alleen berekend op het voertuiggewicht.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Zorg ervoor dat niemand op het voertuig gaat zitten wanneer het voertuig op de standaard staat.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
–
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
–
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
–
Motorfiets afremmen.
–
Versnelling in stationair schakelen.
–
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand
126
draaien.
RIJ-INSTRUCTIES 10
Info
Als de motor uitgeschakeld werd met de noodstopschakelaar en het contact op het contactslot ingeschakeld blijft, wordt de voeding naar de meeste stroomverbruikers niet onderbroken. Daardoor raakt
de 12V-accu leeg. De motor dus altijd met het contactslot uitzetten, de noodstopschakelaar is uitsluitend bestemd voor noodsituaties.
–
Motorfiets parkeren op vaste ondergrond.
–
Zijstandaard met de voet helemaal naar voren zwenken en met het voertuig belasten.
–
Het stuur blokkeren, daarvoor het stuur naar links zetten, contactsleutel in de stand omlaag duwen en in de
stand draaien. Om het vastklikken in de stuurblokkering gemakkelijker te maken, het stuur in kleine afstanden heen en weer bewegen. Contactsleutel eruit trekken.
10.11
Transporteren
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
–
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
–
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
127
10 RIJ-INSTRUCTIES
–
Motor uitzetten.
–
Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigingsmiddelen beveiligen tegen omvallen en wegrollen.
401448-01
10.12
Brandstof tanken
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
128
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
RIJ-INSTRUCTIES 10
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Aanwijzing
Materiaalschade Door een slechte brandstofkwaliteit vervuilt het brandstoffilter.
In sommige landen en regio's is de beschikbare brandstofkwaliteit en -reinheid eventueel onvoldoende. Dit leidt
tot problemen in het brandstofsysteem.
–
Tank uitsluitend schone brandstof die aan de aangegeven norm voldoet. (De geautoriseerde KTM-garage is u
graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
129
10 RIJ-INSTRUCTIES
–
Motor uitzetten.
–
Tankdop openen. (
–
Brandstoftank tot maximaal aan de onderkant
opening met brandstof vullen.
pag. 35)
Brandstoftankvolume
totaal ca.
–
V01463-10
130
Tankdop sluiten. (
14 l
pag. 37)
A van de vul-
Brandstof super
loodvrij (ROZ 95)
( pag. 285)
SERVICESCHEMA 11
11.1
Extra informatie
Voor alle verdergaande werkzaamheden, die resulteren uit de verplichte werkzaamheden resp. de aanbevolen
werkzaamheden, moet een extra opdracht worden verstrekt, die ook apart in rekening wordt gebracht.
Afhankelijk van de lokale gebruiksomstandigheden kunnen in uw land afwijkende service-intervallen gelden.
In het kader van technische ontwikkelingen kunnen intervallen en omvang van afzonderlijke servicebeurten veranderen. Het meest recente serviceschema vindt u altijd op KTM Dealer.net. Uw geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
11.2
Verplichte werkzaamheden
om de twee jaar
ieder jaar
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
Foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen.
○
●
●
●
●
Schakelassensor programmeren.
○
●
●
●
●
Werking van de elektrische installatie controleren.
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
Remschijven controleren. (
pag. 165)
pag. 170)
pag. 160)
Remkabels controleren op beschadiging en dichtheid.
(
pag. 240)
131
11 SERVICESCHEMA
om de twee jaar
ieder jaar
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
pag. 161)
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
pag. 167)
○
●
●
●
○
●
●
●
Remvloeistof van de voorwielrem verversen.
●
Remvloeistof van de achterwielrem verversen.
●
Vrije slag aan de koppelingshendel controleren. (
Vrije slag van het rempedaal controleren. (
pag. 246)
pag. 166)
Schokdemper en voorvork controleren op lekkages. Voorvorkservice afhankelijk van
behoefte en gebruiksdoel uitvoeren.
Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen.
(
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
pag. 139)
Speling balhoofdlager controleren.
○
●
●
●
●
Bandentoestand controleren. (
pag. 187)
○
●
●
●
●
Bandenspanning controleren. (
pag. 189)
○
●
●
●
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren. (
Kettingspanning controleren. (
pag. 148)
pag. 152)
●
Bougies vervangen.
●
Klepspeling controleren.
Antivries en koelmiddelpeil controleren. (
132
pag. 222)
○
●
●
SERVICESCHEMA 11
om de twee jaar
ieder jaar
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
Kabels controleren op beschadiging en leggen zonder knikken.
●
●
Luchtfilter vervangen, luchtfilterbak reinigen.
●
●
Brandstofdruk en dempingselementen van het brandstoftanklager controleren.
●
●
○
●
●
Controleren of de radiateurventilator werkt.
○
●
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.
○
●
Na proefrit foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen.
○
Service-intervalindicatie instellen.
○
Service in KTM Dealer.net invoeren en noteren in het service- & garantieboekje.
○
Koplampinstelling controleren. (
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
pag. 217)
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
133
11 SERVICESCHEMA
11.3
Aanbevolen werkzaamheden
om de vier jaren
ieder jaar
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
Frame controleren.
●
Achterbrug controleren.
●
●
●
Achterbruglager op speling controleren.
●
●
Wiellager op speling controleren.
●
●
Olievernevelaar voor koppelingssmering controleren/reinigen.
Koelmiddel verversen. (
○
●
pag. 231)
Aftapslangen legen.
○
Alle slangen (bijv. brandstof­, radiateur­, ontluchting­, aftapslangen, ...) en manchetten controleren op scheuren, dichtheid en correcte legging.
●
●
●
●
●
●
●
●
Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, ketting, ...) smeren en controleren of ze gemakkelijk bewegen.
○
●
●
●
●
Controleren of de schroeven en moeren goed vastzitten.
○
●
●
●
●
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
134
CHASSIS AFSTELLEN 12
12.1
Veervoorspanning schokdemper instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Wijzigingen aan de instelling van het chassis kunnen het rijgedag sterk beïnvloeden.
–
Rij na wijzigingen eerst langzaam, om het rijgedrag te kunnen inschatten.
Info
De veervoorspanning bepaalt de uitgangspositie voor de vering op de schokdemper.
Een optimaal ingestelde veervoorspanning is aangepast aan het gewicht van de bestuurder eventueel met
bagage en passagier en zorgt zo voor een compromis tussen hanteerbaarheid en stabiliteit.
–
1
Door aan de insteleenheid
te draaien met de haaksleutel
uit het boordgereedschap de veervoorspanning instellen.
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning
Standaard
5 klikken
Info
V01224-10
De veervoorspanning kan in 10 verschillende standen
worden ingesteld.
135
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.1
Motorfiets met hefbok achter opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Bevestigingen van de hefbok monteren.
–
Bevestiging achter in de hefbok plaatsen.
Montageadapter (63529955000)
Achterwielmontagebok (69329955000)
–
Motorfiets rechtop zetten, hefbok uitlijnen aan de achterbrug
en de adapters. Motorfiets opkrikken.
402346-01
13.2
Motorfiets van hefbok achter nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
136
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
–
Hefbok achter verwijderen en voertuig op de zijstandaard
plaatsen.
1
402029-10
13.3
Motorfiets met hefbok voor opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 136)
137
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Stuur in de rechtuitstand zetten. Hefbok vooraan met de adapters uitlijnen op de vorkpoten.
Voorwiel-hefbok klein (61129965100)
Info
Motorfiets altijd eerst achter opkrikken.
402344-01
13.4
–
Motorfiets voor opkrikken.
Motorfiets van hefbok voor nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
138
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
–
Hefbok voor verwijderen.
312029-10
13.5
Vuilschrapers vorkpoten reinigen
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. (
Hoofdwerk
– Vuilschrapers
pag. 136)
pag. 137)
1 van beide vorkpoten naar beneden schuiven.
Info
V01241-10
De vuilschrapers schrapen stof en grof vuil van de binnenpoot af. In de loop van de tijd kan er vuil achter te
vuilschrapers terechtkomen. Als deze vervuiling niet
wordt verwijderd, kunnen de daarachter liggende oliekeerringen gaan lekken.
139
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven
vermindert de remwerking.
–
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Vuilschrapers en de binnenpoten aan beide vorkpoten reinigen
en smeren met olie.
Universele oliespray (
pag. 290)
–
Vuilschrapers terugduwen in de inbouwpositie.
–
Overtollige olie verwijderen.
Nawerk
– Motorfiets van hefbok voor nemen. (
–
140
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 138)
pag. 136)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.6
Passagiersstoel verwijderen
–
De contactsleutel in het zadelslot
mee draaien.
–
De passagiersstoel achter optillen, naar achter schuiven en
naar boven toe verwijderen.
–
De contactsleutel uit het zadelslot trekken.
1 steken en met de klok
V01232-10
141
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.7
Buddyseat monteren
–
De buddyseat met de uitsteeksels
in het opbergvak haken,
achteraan neerlaten en tegelijkertijd naar voren schuiven.
–
Buddyseat naar beneden drukken en laten vergrendelen.
1
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het verkeerd gemonteerde
zadel kan uit de verankering springen.
–
–
V01233-10
142
Controleer na de montage of het zadel goed vergrendeld is en niet omhoog kan worden getrokken.
Vervolgens controleren of de buddyseat correct gemonteerd is.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.8
Bestuurderszadel verwijderen
Voorwerk
– Passagiersstoel verwijderen. (
Hoofdwerk
– Schroeven
–
pag. 141)
1 verwijderen.
Bestuurderszadel achteraan optillen, naar achteren trekken en
naar boven toe verwijderen.
V01239-10
143
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.9
Bestuurderszadel monteren
Hoofdwerk
– Bestuurderszadel naar voren schuiven en achteraan neerlaten.
V01240-10
144
De uitsteeksels
tank.
1 klikken vast in de beugels A op de
De uitsteeksels
frame.
2 klikken vast in de beugels B op het
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Schroeven
3 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
M6
10 Nm
Vervolgens controleren of het bestuurderszadel correct is
gemonteerd.
V01239-11
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
13.10
pag. 142)
Kettingvervuiling controleren
–
Ketting controleren op grove vervuiling.
»
Als de ketting erg vuil is:
–
Ketting reinigen. (
pag. 146)
400678-01
145
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.11
Ketting reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Smeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
–
Verwijder smeermiddel met een geschikt reinigingsmiddel van de banden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
146
pag. 136)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
–
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel (
–
pag. 289)
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray Street (
pag. 289)
400725-01
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 136)
147
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.12
Kettingspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
–
Controleer de kettingspanning regelmatig.
–
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
148
pag. 136)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Versnelling in stationair schakelen.
–
De ketting achter het glijblok naar boven drukken en de kettingspanning
tussen de achterbrug en de bovenkant van de
ketting bepalen.
A
Voorgeschreven waarde
Afstand
B tot het glijblok
2,5 cm
De afstand tot het vlakke deel van de achterbrug direct
boven de ketting meten, niet aan de rand van de achterbrug.
Info
C
Het bovenste deel van de ketting
moet daarbij
gespannen zijn.
De ketting slijt niet altijd gelijkmatig. Daarom de
meting op verschillende plekken van de ketting
herhalen.
Kettingspanning
M01569-10
»
2 … 5 mm
Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Kettingspanning instellen. (
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 150)
pag. 136)
149
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.13
Kettingspanning instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
–
Controleer de kettingspanning regelmatig.
–
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
150
Kettingspanning controleren. (
pag. 148)
pag. 136)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Moer
–
–
1 losdraaien.
Moeren 2 losdraaien.
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven
links en rechts instellen.
3
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning
2 … 5 mm
3
Stelschroeven
links en rechts zo draaien, dat de markeringen aan de linker en rechter kettingspanner
in
dezelfde positie staan t.o.v. referentiemarkeringen
. Zo
is het achterwiel correct uitgelijnd.
4
A
Info
Het bovenste deel van de ketting moet daarbij gespannen zijn.
De ketting slijt niet altijd gelijkmatig. Daarom de
meting op verschillende plekken van de ketting
herhalen.
V01242-10
–
Moeren
–
Controleren of de kettingspanners
ven
liggen.
–
2 vastdraaien.
4 tegen de stelschroe-
3
Moer 1 vastdraaien.
151
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Voorgeschreven waarde
Moer steekas
achter
M25x1,5
Schroefdraad en
contactvlak van de
steekas ingevet
Nawerk
– Kettingspanning controleren. (
–
13.14
90 Nm
pag. 148)
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 136)
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 136)
Hoofdwerk
– Kettingwiel en ketting-aandrijfwiel op slijtage controleren.
»
Als kettingwiel resp. ketting-aandrijfwiel zijn ingereden:
–
Aandrijfset vervangen.
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten altijd samen worden vervangen.
100132-10
152
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Versnelling in stationair schakelen.
–
Aan het onderste deel van de ketting met het aangegeven
gewicht
trekken.
A
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor meting van de
kettingslijtage
–
15 kg
B
De afstand
van 18 kettingschakels aan het onderste deel
van de ketting meten.
Info
De ketting slijt niet altijd gelijkmatig. Daarom de
meting op verschillende plekken van de ketting
herhalen.
B
Maximale afstand
van
18 kettingschakels op het
langste stuk van de ketting
M01433-10
»
Als de afstand
–
272 mm
B groter is dan de aangegeven maat:
Aandrijfset vervangen.
153
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Info
Als een nieuwe ketting wordt gemonteerd,
moeten ook het kettingwiel en het
ketting-aandrijfwiel worden vervangen.
Nieuwe kettingen slijten op een oud, versleten
kettingwiel resp. ketting-aandrijfwiel sneller.
De ketting heeft om veiligheidsredenen geen
sluitschakel.
154
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Afdekking ketting-aandrijfwiel
»
1 controleren op slijtage.
Wanneer de afdekking van het ketting-aandrijfwiel in het
gemarkeerde bereik
sterk is afgeschuurd:
C
–
–
Afdekking ketting-aandrijfwiel vervangen.
Controleren of de afdekking van het ketting-aandrijfwiel
goed vastzit.
»
1
Als de afdekking ketting-aandrijfwiel loszit:
–
Schroeven van de afdekking ketting-aandrijfwiel vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef
afdekking
kettingaandrijfwiel
M5
5 Nm
Loctite®243™
V01264-10
155
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Glijblok op slijtage controleren.
»
D
Wanneer bij het glijblok in het gemarkeerde gebied
doorlopende slijpsporen van de ketting zichtbaar zijn:
–
»
Glijblok vervangen.
Wanneer het glijblok aan de onderzijde in het gemarkeerde
bereik
sterk is afgeschuurd:
E
–
–
Glijblok vervangen.
Controleren of het glijblok goed vastzit.
»
Als het glijblok loszit:
–
Schroeven van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende
schroeven chassis
M5
5 Nm
V01265-10
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
156
pag. 136)
REMSYSTEEM 14
14.1
Antiblokkeersysteem (ABS)
1
De ABS-module
bestaat uit een hydraulische unit,
ABS‑besturingsunit en retourpomp en is onder de brandstoftank
gemonteerd. Er bevindt zich een wieltoerentalsensor
aan het
voor- en achterwiel.
2
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Veranderingen aan het voertuig
beperken de functie van het ABS.
–
Laat het achterwiel bij vastgehouden voorwielrem
alleen doordraaien (burn out) als het ABS is
uitgeschakeld en nooit op de openbare weg.
–
Breng geen wijzigingen aan de veerweg aan.
–
Gebruik bij het remsysteem uitsluitend door KTM vrijgegeven en aanbevolen reserveonderdelen.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen
banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
–
Neem de aangegeven bandenspanning in acht.
–
Servicewerkzaamheden en reparaties moeten vakkundig worden uitgevoerd. (De geautoriseerde KTM-garage
is u graag van dienst.)
H02670-10
157
14 REMSYSTEEM
Aanwijzing
Vervallen van de toelating op de openbare weg en de verzekering
Als het ABS compleet wordt uitgeschakeld, vervalt de toelating van
het voertuig voor de openbare weg.
–
Gebruik het voertuig alleen op afgezette trajecten en niet op de
openbare weg als het ABS compleet wordt uitgeschakeld.
Het ABS is een veiligheidssysteem dat het blokkeren van de wielen
bij het rechtuit rijden zonder inwerking van zijwaartse krachten
voorkomt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Rijhulpvoorzieningen kunnen
ongevallen alleen binnen de fysieke grenzen verhinderen.
Extreme rijsituaties zoals bagage met hoog zwaartepunt,
wisselende straatoppervlakken, steile hellingen of hard
remmen zonder ontkoppelen kunnen niet altijd worden
gecompenseerd.
–
Pas het rijgedrag aan de toestand van de rijweg en uw
rijvaardigheden aan.
Het ABS werkt met twee onafhankelijk van elkaar werkende remcircuits (voorwiel- en achterwielrem). Bij normaal rijden werkt het
remsysteem als een conventioneel remsysteem zonder ABS. Pas
wanneer de ABS-besturingsunit de blokkeerneiging van een wiel
158
REMSYSTEEM 14
herkent, begint het ABS door het regelen van de remdruk te werken. De regeling is merkbaar aan een licht pulserende remhendel
resp. licht pulserend rempedaal.
Het ABS‑waarschuwingslampje
moet na het inschakelen van
de ontsteking gaan branden en uitgaan wanneer het voertuig
begint te rijden. Wanneer het lampje na het optrekken niet uitgaat
of tijdens het rijden gaat branden, dan duidt dit op een fout in
het ABS-systeem. Het ABS is dan niet meer actief en de wielen
kunnen bij het remmen blokkeren. Het remsysteem zelf blijft
gewoon werken, alleen de ABS-regeling valt uit.
Het ABS‑waarschuwingslampje kan ook gaan branden als in
extreme rijsituaties het toerental van het voor- en achterwiel
sterk van elkaar afwijken, bijvoorbeeld bij een wheelie of als het
achterwiel doordraait. Daardoor wordt het ABS uitgeschakeld.
Om het ABS weer te activeren, moet het voertuig worden
gestopt en de ontsteking uitgeschakeld. Als u weer met het
voertuig gaat rijden, wordt ook het ABS weer geactiveerd. Het
ABS‑waarschuwingslampje gaat dan uit, als het voertuig begint te
rijden.
3
159
14 REMSYSTEEM
14.2
Remschijven controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remschijven verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remschijven onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage
is u graag van dienst.)
–
Dikte van de remschijven voor en achter op meerdere plekken
van de remschijf op de maat
controleren.
A
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijf in
het bereik van het raakvlak
van de remplaketten.
1
Remschijven - slijtagegrens
100135-10
»
–
160
voor
4,5 mm
achter
4,5 mm
Als de dikte van de remschijven onder de voorgeschreven
waarde ligt.
–
Remschijven van voorwielrem vervangen.
–
Remschijf van achterwielrem vervangen.
Remschijven voor en achter op beschadiging, scheuren en vervorming controleren.
REMSYSTEEM 14
»
14.3
Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
–
Remschijven van voorwielrem vervangen.
–
Remschijf van achterwielrem vervangen.
Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
161
14 REMSYSTEEM
–
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir
»
1 controleren.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering A is
gedaald:
–
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen.
( pag. 162)
V01259-10
14.4
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
162
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
REMSYSTEEM 14
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
163
14 REMSYSTEEM
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
– Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
pag. 165)
Hoofdwerk
– Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Schroeven
–
Deksel
–
1 verwijderen.
2 met membraan 3 verwijderen.
Remvloeistof tot de MAX-markering A bijvullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
V01263-10
–
–
pag. 287)
2 met membraan 3 positioneren.
Schroeven 1 monteren en vastdraaien.
Deksel
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
164
REMSYSTEEM 14
14.5
Remplaketten voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remvoeringen verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Hierdoor vermindert de remwerking aanmerkelijk en worden de remschijven onherstelbaar beschadigd.
–
Controleer de remplaketten regelmatig.
–
Remplaketten op minimale plaketdikte
Minimale plaketdikte
»
≥ 1 mm
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
A
A controleren.
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
»
Als er beschadigingen of scheuren zijn:
–
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
V01222-10
165
14 REMSYSTEEM
14.6
Vrije slag rempedaal controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem druk op de achterwielrem op.
–
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
–
Veer
–
Rempedaal tussen eindaanslag en voetremcilinderzuiger heen
en weer bewegen en vrije slag
controleren.
1 losmaken.
A
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal
»
–
166
Als de vrije slag niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
V01223-10
3 … 5 mm
Veer
Uitgangspositie van het rempedaal instellen.
( pag. 97)
1 vasthaken.
REMSYSTEEM 14
14.7
Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Voertuig rechtop zetten.
–
Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir controleren.
»
Als het vloeistofpeil de MIN-markering
–
1 heeft bereikt:
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen.
( pag. 168)
G03319-10
167
14 REMSYSTEEM
14.8
Remvloeistof achterwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
168
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
REMSYSTEEM 14
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
– Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
pag. 170)
169
14 REMSYSTEEM
Hoofdwerk
– Voertuig rechtop zetten.
–
Schroefdop
ren.
–
Remvloeistof tot MAX-markering vullen.
1 met inzetelement en membraan 2 verwijde-
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
G03320-10
pag. 287)
Schroefdop met inzetelement en membraan monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
14.9
Remplaketten achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remvoeringen verminderen de remwerking.
–
170
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
REMSYSTEEM 14
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Hierdoor vermindert de remwerking aanmerkelijk en worden de remschijven onherstelbaar beschadigd.
–
Controleer de remplaketten regelmatig.
–
Remplaketten op minimale plaketdikte
Minimale plaketdikte
»
≥ 1 mm
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
A
A controleren.
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
»
Als er beschadigingen of scheuren zijn:
–
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
V01221-10
171
15 WIELEN, BANDEN
15.1
Voorwiel demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. (
pag. 136)
pag. 137)
Hoofdwerk
– Schroef
verwijderen en wieltoerentalsensor
boring trekken.
1
2 uit de
–
Schroeven
–
Remplaketten terugduwen op de remschijf door het linker remzadel licht naar de zijkant te kantelen. Linker remzadel voorzichtig naar achteren van de remschijf trekken en opzij hangen.
3 verwijderen.
Info
Remhendel niet bedienen als remzadel verwijderd is.
V01243-10
172
–
Schroeven
–
Remplaketten terugduwen op de remschijf door het rechter
remzadel licht naar de zijkant te kantelen. Rechter remzadel
voorzichtig naar achteren van de remschijf trekken en opzij
hangen.
4 verwijderen.
WIELEN, BANDEN 15
Info
Remhendel niet bedienen als remzadel verwijderd is.
–
–
–
5 enkele slagen losdraaien.
Schroeven 6 losdraaien.
Op de schroef 5 drukken om de steekas uit de asopname te
Schroef
schuiven.
–
Schroef
5 verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
V01244-10
–
–
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijven
niet worden beschadigd.
Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de
voorvork nemen.
173
15 WIELEN, BANDEN
–
Afstandsbussen
7 verwijderen.
V01245-10
15.2
Voorwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
174
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
WIELEN, BANDEN 15
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager voor vervangen.
1
Keerringen
en loopvlakken
nigen en invetten.
Duurzaam vet (
A van de afstandsbussen rei-
pag. 289)
V01245-11
175
15 WIELEN, BANDEN
–
–
2 in looprichting links plaatsen.
Smalle afstandsbus 3 in looprichting rechts plaatsen.
Brede afstandsbus
Info
B
De pijl
geeft de looprichting van het voorwiel aan.
Het ABS‑sensorwiel bevindt zich in de looprichting
links.
V01246-10
176
WIELEN, BANDEN 15
–
Schroef
–
Steekas licht invetten.
4 en steekas reinigen.
Duurzaam vet (
pag. 289)
–
Voorwiel in voorvork tillen, positioneren en steekas erin zetten.
–
Schroef
4 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
V01248-10
Schroef steekas
voor
M25x1,5
45 Nm
Schroefdraad ingevet
177
15 WIELEN, BANDEN
–
Beide remzadels positioneren.
De remplaketten zijn correct gepositioneerd.
–
Schroeven
draaien.
5 aan beide kanten monteren, maar nog niet vast-
Voorgeschreven waarde
Schroef remzadel voor
–
M10x1,25
45 Nm
Loctite®243™
Remhendel meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en een drukpunt aanwezig is. Remhendel ingedrukt vastzetten.
Remzadels worden uitgelijnd.
–
Schroeven
5 aan beide kanten vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remzadel voor
V01249-10
–
Wieltoerentalsensor
–
Schroef
7
M10x1,25
45 Nm
Loctite®243™
6 in de boring steken.
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
178
M6
10 Nm
–
Vastzetting van de remhendel verwijderen.
–
Motorfiets van hefbok voor nemen. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 138)
pag. 136)
WIELEN, BANDEN 15
–
Voorwielrem bedienen en voorvork enkele keren krachtig inveren.
De vorkpoten worden uitgelijnd.
–
Schroeven
8 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname
M8
15 Nm
V01268-10
15.3
Achterwiel demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 136)
179
15 WIELEN, BANDEN
Hoofdwerk
– Remzadel met de hand naar de remschijf duwen om de remzuiger naar achteren te drukken.
–
Schroef
verwijderen en wieltoerentalsensor
boring trekken.
–
Moer
–
1
3 verwijderen. Kettingspanner 4 verwijderen.
Steekas 5 slechts zo ver eruit trekken, dat het achterwiel
naar voren kan worden geschoven.
V01242-11
180
2 uit de
WIELEN, BANDEN 15
–
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven. Ketting van
het kettingwiel nemen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
–
Achterwiel vasthouden en steekas verwijderen.
–
Achterwiel naar achter trekken tot de remzadeldrager vrij tussen remschijf en velg hangt.
V01250-01
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verminderde remwerking door
beschadigde remschijven.
–
–
Het wiel altijd zeer neerleggen, dat de remschijven
niet worden beschadigd.
Achterwiel uit de achterbrug nemen.
Info
Rempedaal niet indrukken als het achterwiel is gedemonteerd.
181
15 WIELEN, BANDEN
15.4
Achterwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Na montage van het achterwiel remt de achterwielrem eerst niet.
–
Bedien de voetrem meerdere keren voor begin van de rit tot een vast drukpunt voelbaar is.
Hoofdwerk
– Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren.
( pag. 185)
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
Wiellager achter vervangen.
–
Afstandsbus verwijderen.
–
Keerring
invetten.
1 en loopvlak A van de afstandsbus reinigen en
Duurzaam vet (
V01251-10
182
–
pag. 289)
Afstandsbus erin zetten.
WIELEN, BANDEN 15
–
Schroefdraad van de steekas en moer reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
–
Steekas reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet (
–
pag. 289)
pag. 289)
Aangrijppunten van remzadeldrager en achterbrug reinigen.
183
15 WIELEN, BANDEN
–
Steunlagers van de remzadeldrager
ingrijpen.
–
Achterwiel in de achterbrug tillen, positioneren en steekas erin
steken.
B en achterbrug laten
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
–
Ketting op het kettingwiel leggen.
–
Kettingspanner
positioneren. Moer
nog niet vastdraaien.
2
3 monteren, maar
Info
Kettingspanner links en rechts in dezelfde positie monteren.
–
Controleren of de kettingspanner
liggen. Moer
vastdraaien.
2 tegen de stelschroeven
3
Voorgeschreven waarde
De markeringen op de kettingspanners moeten links en
rechts in dezelfde positie ten opzichte van de referentiemarkeringen
staan. Zo is het achterwiel correct uitgelijnd.
C
V01242-12
Moer steekas
achter
–
184
Wieltoerentalsensor
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad en
contactvlak van de
steekas ingevet
4 in de boring positioneren.
WIELEN, BANDEN 15
–
Schroef
5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
M6
Rempedaal meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
Nawerk
– Kettingspanning controleren. (
–
15.5
10 Nm
pag. 148)
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 136)
Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren
Info
De kracht van de motor wordt door het kettingwiel via 6 demperpakkingen overgebracht op het achterwiel.
Deze slijten tijdens het rijden. Als de demperpakkingen niet op tijd worden vervangen, worden de kettingwielhouder en de achterwielnaaf beschadigd.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Achterwiel demonteren.
(
pag. 136)
pag. 179)
185
15 WIELEN, BANDEN
Hoofdwerk
– Lager
1 controleren.
»
Als het lager beschadigd of versleten is:
–
–
Lager van de kettingwieldrager vervangen.
2
Demperpakkingen
van de achterwielnaaf controleren op
beschadiging en slijtage.
»
V01252-10
Als de demperpakkingen van de achterwielnaaf beschadigd
of versleten zijn:
–
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
–
Achterwiel met het kettingwiel omhoog op een werkbank leggen en de steekas in de wielnaaf steken.
–
Om de speling
te controleren, het achterwiel vasthouden
en proberen het kettingwiel met de hand te draaien.
A
Info
De speling wordt gemeten aan de buitenkant van het
kettingwiel.
V01253-10
Speling demperpakkingen
achterwiel
»
Als de speling
–
186
≤ 5 mm
A groter is dan de voorgeschreven waarde:
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
WIELEN, BANDEN 15
Nawerk
– Achterwiel monteren.
15.6
(
pag. 182)
–
Kettingspanning controleren. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 148)
pag. 136)
Bandentoestand controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Als een band tijdens de rit lek raakt, wordt het voertuig oncontroleerbaar.
–
Zorg ervoor dat beschadigde of versleten banden onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Verschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
–
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Niet-vrijgegeven of aanbevolen banden en wielen bemoeilijken het rijgedrag.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
187
15 WIELEN, BANDEN
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
200 km
Info
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rijgedrag van de motorfiets.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed op het rijgedrag.
–
Voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen
die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en beschadigingen.
»
Als er insnijdingen of beschadigingen zijn of als er voorwerpen tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten:
–
–
400602-10
Banden vervangen.
Profieldiepte controleren.
Info
Neem de minimale profieldiepte volgens de nationale
wetgeving in acht.
Minimale profieldiepte
188
≥ 2 mm
WIELEN, BANDEN 15
»
Als de profieldiepte lager is dan de minimale waarde:
–
–
Banden vervangen.
Leeftijd van de banden controleren.
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het
opschrift van de banden en wordt met de laatste vier
cijfers van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eerste
twee cijfers wijzen op de week van de productie en de
laatste twee cijfers op het productiejaar.
KTM adviseert uiterlijk na vijf jaar de banden te vervangen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slijtage.
H01144-10
»
Als de band ouder is dan vijf jaar:
–
15.7
Banden vervangen.
Bandenspanning controleren
Info
Te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en een maximale levensduur van de band.
189
15 WIELEN, BANDEN
–
Beschermkap verwijderen.
–
Bandenspanning controleren als de banden koud zijn.
Bandenspanning solo
voor
2,3 bar
achter
2,6 bar
Bandenspanning met passagier / volledige nuttige belasting
400695-01
»
190
2,3 bar
achter
2,6 bar
Als de bandenspanning niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt:
–
–
voor
Bandenspanning corrigeren.
Beschermkap monteren.
WIELEN, BANDEN 15
15.8
Gebruik van bandenreparatiespray
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Onjuist gebruik van bandenreparatiespray leidt tot drukverlies bij de gerepareerde band.
Niet elke beschadiging kan met bandenreparatiespray
worden gerepareerd.
H03319-01
–
Lees de aanwijzingen en richtlijnen van de fabrikant
van de bandenreparatiespray.
–
Rijd langzaam en voorzichtig wanneer u een band met
bandenreparatiespray hebt gerepareerd.
–
Rijd hoogstens naar de dichtstbijzijnde garage en laat
de band vervangen.
Een reparatie met bandenreparatiespray mag alleen in noodgevallen worden uitgevoerd.
Het wordt aanbevolen om het defecte voertuig naar de dichtstbijzijnde werkplaats te vervoeren in plaats van het te repareren.
191
15 WIELEN, BANDEN
(Optie: met TPMS)
Aanwijzing
Materiële schade Bandenreparatiespray beschadigt de bandspanningssensor.
–
192
Houd er rekening mee dat de bandspanningssensor mogelijk moet worden vervangen na het gebruik van de bandenreparatiespray.
ELEKTRONICA 16
16.1
dagrijlicht (DRL)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Dagrijlicht is bij slecht zicht geen
vervanging voor dimlicht.
Bij zeer slecht zicht door mist, sneeuw of regen kan de
automatische omschakeling tussen dagrijlicht en dimlicht
slechts beperkt ter beschikking staan.
–
Steeds controleren of de juiste verlichting is geselecteerd.
–
Dagrijlicht voor het rijden of bij stilstand via het menu
uitschakelen, zodat het dimlicht permanent is ingeschakeld.
–
Houdt u zich aan de wettelijke vereisten voor het dagrijlicht.
V01220-10
Het dagrijlicht (DRL) is geïntegreerd in de koplamp.
Het dagrijlicht (DRL) mag alleen bij goed zicht worden ingeschakeld.
Activeer het dagrijlicht (DRL) in het gecombineerde instrument.
De omgevingssensor in het gecombineerde instrument zorgt voor
de regeling. Als er goede zichtverhoudingen zijn, wordt het dimlicht uitgeschakeld en het dagrijlicht ingeschakeld.
193
16 ELEKTRONICA
Info
Het zijlicht
16.2
1 brandt bij elk verlichtingstype.
12V-accu demonteren
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
194
Passagiersstoel verwijderen. (
pag. 141)
ELEKTRONICA 16
Hoofdwerk
– Minkabel
–
1 van de 12V-accu loskoppelen.
Pluspoolafdekking 2 verwijderen.
V01203-11
195
16 ELEKTRONICA
V01204-10
196
–
Pluskabel
–
Minkabel uit de houders aan de accuhouder nemen.
–
Schroef
–
Accuhouder
–
12V-accu naar boven toe uit het accuvak verwijderen.
3 van de 12V-accu loskoppelen.
4 verwijderen.
5 opzij trekken.
ELEKTRONICA 16
16.3
12V-accu monteren
Hoofdwerk
– 12V‑accu in het accuvak plaatsen.
12V-accu (HTZ12A-BS) (
pag. 272)
De accupolen wijzen tegen de rijrichting in.
–
Accuhouder
–
Schroef
1 positioneren.
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
Pluskabel
M6
10 Nm
3 met de 12V-accu verbinden.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
M6x20
4,5 Nm
Info
Opletten dat de kabel zich in de voorziene uitsparing
naast het accuvak bevindt.
V01202-10
–
Minkabel in de houders aan de accuhouder hangen.
197
16 ELEKTRONICA
–
Pluspoolafdekking
–
Minkabel
4 monteren.
5 met de 12V-accu verbinden.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
M6x12
V01203-10
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
–
198
Tijd en datum instellen.
pag. 142)
4,5 Nm
ELEKTRONICA 16
16.4
12V-accu laden
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu 12V-accu’s bevatten voor het milieu schadelijke stoffen.
–
Gooi 12V-accu’s niet bij het huishoudelijk afval.
–
Geef 12V-accu’s af bij een verzamelpunt voor oude accu’s.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
199
16 ELEKTRONICA
Info
Ook als de 12V-accu niet wordt belast, verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden zijn erg belangrijk voor de levensduur van de 12V-accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als de laadstroom, laadspanning en laadtijd worden overschreden, ontsnapt er elektrolyt via de veiligheidskleppen. Daardoor verliest de 12V-accu aan capaciteit.
Als de 12V-accu leeg is gestart, moet hij meteen weer worden opgeladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treden er diepteontlading en sulfatie op, waardoor de 12V-accu wordt
vernield.
De 12V-accu is onderhoudsvrij. Het zuurniveau hoeft niet te worden gecontroleerd.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
Passagiersstoel verwijderen. (
pag. 141)
Hoofdwerk
– Minkabel
van de 12V-accu loskoppelen om schade aan de
boordelektronica te voorkomen.
1
–
V01203-11
200
Pluspoolafdekking
2 verwijderen.
ELEKTRONICA 16
–
Acculader met 12V-accu verbinden. Acculader inschakelen.
Acculader (58429074000)
Met deze acculader kunt u ook de rustspanning en het startvermogen van de 12V-accu en dynamo testen. Bovendien kan
met dit apparaat de 12V-accu niet worden overladen.
Info
12V-accu laden met maximaal 10 % van de capaciteit,
die op het accuhuis is aangegeven.
602678-01
–
Acculader na het laden uitschakelen en van de 12V-accu loskoppelen.
Voorgeschreven waarde
Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet worden
overschreden.
12V-accu regelmatig bijladen als de motorfiets niet
wordt gebruikt
3 maanden
201
16 ELEKTRONICA
–
Pluspoolafdekking
–
Minkabel
2 monteren.
1 met de 12V-accu verbinden.
V01203-11
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
–
16.5
pag. 142)
Tijd en datum instellen.
Hoofdzekering vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
202
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
ELEKTRONICA 16
Info
Met de hoofdzekering worden alle stroomverbruikers van het voertuig gezekerd. De hoofdzekering bevindt
zich onder de buddyseat.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
Passagiersstoel verwijderen. (
Hoofdwerk
– Beschermkap
pag. 141)
1 verwijderen.
V01205-10
203
16 ELEKTRONICA
–
Defecte hoofdzekering
2 verwijderen.
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken
smeltdraad
.
In het startrelais bevindt zich een reservezekering
A
–
Nieuwe hoofdzekering plaatsen.
Zekering (58011109130) (
V01206-10
pag. 272)
Tip
Nieuwe reservezekering in het startrelais plaatsen,
zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
–
V01205-10
204
Beschermkap
1 monteren.
3.
ELEKTRONICA 16
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
–
16.6
pag. 142)
Tijd en datum instellen.
ABS‑zekeringen vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Info
Twee zekeringen voor het ABS bevinden zich onder de buddyseat. Met deze twee zekeringen zijn
de retourpomp en de hydraulische unit van het ABS afgezekerd. De derde zekering, waarmee de
ABS-besturingsunit is afgezekerd bevindt zich in het zekeringenblok.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
Passagiersstoel verwijderen. (
pag. 141)
205
16 ELEKTRONICA
Zekering hydraulische ABS-unit vervangen:
– Beschermkap verwijderen en zekering
1 verwijderen.
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken smeltdraad
.
A
–
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088015) (
V01209-10
pag. 272)
Tip
2
Nieuwe reservezekering
in het zekeringenblok
plaatsen, zodat u er een bij u heeft als het nodig is.
–
Beschermkap monteren.
Zekering ABS-retourpomp vervangen:
– Beschermkap verwijderen en zekering
3 verwijderen.
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken smeltdraad
.
A
–
V01209-11
206
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088025) (
pag. 272)
ELEKTRONICA 16
Tip
4
Nieuwe reservezekering
in het zekeringenblok
plaatsen, zodat u er een bij u heeft als het nodig is.
–
Beschermkap monteren.
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
16.7
pag. 142)
Zekeringen afzonderlijke stroomverbruikers vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Info
Het zekeringenblok met de zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers bevindt zich onder het
zadel.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
207
16 ELEKTRONICA
–
Passagiersstoel verwijderen. (
Hoofdwerk
– Zekeringenblokdeksel
1 openen.
V01207-10
–
V01208-10
208
pag. 141)
Defecte zekering verwijderen.
ELEKTRONICA 16
Voorgeschreven waarde
Zekering 1 - 10 A - ontsteking
Zekering 2 - 10 A - ontsteking, motorelektronica‑besturingsunit, elektronische brandstofinspuiting,
brandstofvernevelingsysteem, lambdasonde,
wegrijblokkering/alarminstallatie
Zekering 3 - 10 A - brandstofpomp
Zekering 4 - 10 A - radiateurventilator
Zekering 5 - 10 A - claxon, gecombineerd instrument, remlicht
Zekering 6 - 10 A - groot licht, dimlicht, zijlicht, achterlicht,
nummerplaatverlichting
Zekering 7 - 10 A - ACC1
Zekering 8 - 10 A - ACC2
Zekering 9 - 10 A - ABS-besturingsunit, diagnosestekker,
5‑D‑sensor, TPMS (optioneel)
Zekering 10 - 10 A - besturingsunit koplamp
Zekering SPARE - 10 A - reservezekeringen
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken
smeltdraad
.
A
–
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
209
16 ELEKTRONICA
Zekering (75011088010) (
pag. 272)
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen,
zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
–
De werking van de stroomverbruikers controleren.
–
Zekeringenblokdeksel sluiten.
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
16.8
Koplampkap met koplamp verwijderen
–
210
pag. 142)
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
ELEKTRONICA 16
–
Stelschroef
1 compleet eruit draaien.
Info
De stelschroef is door een kogelkophouder aan de koplampkap bevestigd.
De stelschroef niet uit de kogelkophouder trekken.
V01212-10
–
Koplampkap een beetje naar voor zwenken en stekker
koppelen.
–
Koplampkap helemaal naar voren zwenken.
2 los-
V01217-10
211
16 ELEKTRONICA
16.9
Koplampkap met koplamp monteren
Hoofdwerk
– Koplampkap naar boven zwenken.
–
Stekker
–
Koplampkap positioneren.
–
Stelschroef
1 verbinden.
V01217-11
2 monteren.
V01212-11
Nawerk
– Koplampinstelling controleren. (
212
pag. 217)
ELEKTRONICA 16
16.10
Afdekking van de drager van de koplampkap demonteren
Info
De afdekking van de drager van de koplampkap moet gedemonteerd worden om de externe voeding ACC1
en ACC2 te kunnen bereiken.
Voorwerk
– Koplampkap met koplamp verwijderen. (
pag. 210)
213
16 ELEKTRONICA
Hoofdwerk
– Schroeven
–
V01218-10
214
1 verwijderen.
Schroeven 2 verwijderen.
ELEKTRONICA 16
–
Richtingaanwijzer in het gebied
tegen de rijrichting in drukken.
A vastpakken en voorzichtig
De afdekking is losgemaakt zoals op de afbeelding te zien
is.
–
Stap aan de andere kant herhalen.
–
Afdekking verwijderen.
V01219-10
16.11
Afdekking van de drager van de koplampkap monteren
Hoofdwerk
– Afdekking positioneren en ondertussen de stekkeraansluiting
van de koplamp door de opening geleiden.
–
Richtingaanwijzer in het gebied
vastpakken en voorzichtig
tegen de rijrichting in drukken, tegelijkertijd de afdekking vast
aandrukken.
–
Stap aan de andere kant herhalen.
A
Afdekking klikt hoorbaar vast.
V01219-10
215
16 ELEKTRONICA
–
Schroeven
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
Schroeven
M5
5 Nm
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef koplamp
EJOTPT®
K50x14
2 Nm
V01218-10
Nawerk
– Koplampkap met koplamp monteren. (
–
216
Koplampinstelling controleren. (
pag. 212)
pag. 217)
ELEKTRONICA 16
16.12
Koplampinstelling controleren
–
Voertuig op een horizontale ondergrond voor een lichte muur
zetten en in de hoogte van het midden van de koplamp een
markering aanbrengen.
–
Nog een markering aanbrengen op een afstand
eerste markering.
B onder de
Voorgeschreven waarde
Afstand
400726-10
–
5 cm
B
A loodrecht voor de muur zetten en
Voertuig op een afstand
het dimlicht inschakelen.
Voorgeschreven waarde
Afstand
A
5m
–
Nu gaat de bestuurder, eventueel met bagage en passagier op
de motorfiets zitten.
–
Koplampinstelling controleren.
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare
motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en passagier, precies op de onderste markering liggen.
»
Als deze grens tussen licht en donker niet overeenkomt
met de voorgeschreven waarde:
–
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen.
( pag. 218)
217
16 ELEKTRONICA
16.13
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen
Voorwerk
– Koplampinstelling controleren. (
Hoofdwerk
– Met de stelschroef
instellen.
pag. 217)
1 de lichtbundelbreedte van de koplamp
Info
V01212-10
Draaien met de klok mee verbreedt de lichtbundelbreedte en draaien tegen de klok in versmalt de lichtbundelbreedte.
Bij extra belading kan er een correctie van de lichtbundelbreedte van de koplamp nodig zijn.
Schroef
borgt ook de koplamp. Controleer of de
schroef steeds ver genoeg is ingeschroefd.
1
218
ELEKTRONICA 16
–
Koplamp op markering
B instellen.
Voorgeschreven waarde
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare
motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en passagier, precies op de onderste markering
liggen.
B
400726-11
16.14
Diagnosestekker
De diagnosestekker
1 bevindt zich onder de passagiersstoel.
H02681-10
219
16 ELEKTRONICA
16.15
ACC1 en ACC2 vooraan
Inbouwlocatie
– De voedingsspanningen ACC1
en ACC2
voor bevinden
zich onder de afdekking van de drager van de koplampkap.
1
2
V01216-10
16.16
ACC1 en ACC2 achterzijde
Inbouwlocatie
– De voedingen ACC1
en ACC2
achter bevinden zich
onder de passagiersstoel naast het accuvak.
1
V01215-10
220
2
KOELSYSTEEM 17
17.1
Koelsysteem
1
Door de waterpomp
in de motor vindt er een gedwongen circulatie van het koelmiddel plaats.
De druk die bij verwarming in het koelsysteem ontstaat wordt geregeld door een klep in de radiateurdop
. Door de uitzetting door
warmte stroomt het overtollige koelmiddel naar het compensatiereservoir
. Als de temperatuur daalt wordt dit koelmiddel weer
teruggezogen in het koelsysteem. Daardoor is de aangegeven koelmiddeltemperatuur toegestaan zonder dat er met functiestoringen
rekening moet worden gehouden.
2
3
V01254-10
115 °C
4
Koeling vindt plaats door de rijwind en een radiateurventilator
die bij hoge temperatuur wordt ingeschakeld.
Hoe lager de snelheid, hoe lager de koelwerking. Ook vervuilde
koelribben verlagen de koelwerking.
H02695-10
221
17 KOELSYSTEEM
17.2
Antivries en koelmiddelpeil controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
222
KOELSYSTEEM 17
Voorwerk
– Motorfiets rechtop zetten op een horizontaal oppervlak.
Hoofdwerk
– Radiateurdop
verwijderen.
–
1 en dop 2 van het compensatiereservoir
Antivries van het koelmiddel controleren.
Antivries
»
V01255-10
Als de antivries van het koelmiddel niet overeenkomt met
de voorgeschreven waarde:
–
–
−25 … −45 °C
Antivries van het koelmiddel corrigeren.
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren.
Het koelmiddelpeil moet tussen MIN en MAX liggen.
»
Als het koelmiddelpeil in het compensatiereservoir niet
overeenkomt met de voorgeschreven waarde, maar nog niet
leeg is:
–
Koelvloeistof vullen tot een niveau tussen MIN en MAX.
Koelmiddel (
»
pag. 285)
Als zich geen koelmiddel in het compensatiereservoir
bevindt:
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
223
17 KOELSYSTEEM
Info
Niet met de motorfiets rijden!
–
Koelsysteem vullen/ontluchten.
(
–
Dop
–
Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
pag. 229)
2 van het compensatiereservoir monteren.
De radiateur moet volledig gevuld zijn.
»
Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
»
Als er meer koelmiddel bijgevuld moest worden dan de
voorgeschreven waarde:
> 0,50 l
–
–
224
Koelmiddelpeil corrigeren en oorzaak van het verlies
vaststellen.
Koelsysteem vullen/ontluchten.
Radiateurdop
1 monteren.
(
pag. 229)
KOELSYSTEEM 17
17.3
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
Radiateur is volledig gevuld.
225
17 KOELSYSTEEM
Voorwerk
– Motorfiets op een horizontale ondergrond zetten.
Hoofdwerk
– Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren.
Het koelmiddelpeil moet tussen MIN en MAX liggen.
»
V01256-10
Als het koelmiddelpeil in het compensatiereservoir niet
overeenkomt met de voorgeschreven waarde, maar nog niet
leeg is:
–
Dop van het compensatiereservoir verwijderen.
–
Koelvloeistof vullen tot een niveau tussen MIN en MAX.
Koelmiddel (
–
»
pag. 285)
Dop van het compensatiereservoir monteren.
Als zich geen koelmiddel in het compensatiereservoir
bevindt:
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
Info
Niet met de motorfiets rijden!
–
226
Koelsysteem vullen/ontluchten.
(
pag. 229)
KOELSYSTEEM 17
17.4
Koelmiddel aftappen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
227
17 KOELSYSTEEM
–
Motorfiets rechtop zetten.
–
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
–
Schroef
–
Radiateurdop verwijderen.
–
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
–
Schroef
1 met afdichtring verwijderen.
1 met nieuwe afdichtring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef
aftapboring
waterpomp
V01254-11
–
228
EJOTALtracs®
Plus 60x14
Radiateurdop monteren.
8 Nm
Loctite®243™
KOELSYSTEEM 17
17.5
Koelsysteem vullen/ontluchten
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
–
Radiateurdop
1 verwijderen.
V01257-10
229
17 KOELSYSTEEM
–
Ontluchtingsschroef
–
Voertuig licht naar rechts kantelen.
–
Koelmiddel vullen totdat deze zonder luchtbellen
uit de ontluchtingsopening stroomt en meteen de
ontluchtingsschroef
monteren en vastdraaien.
2 verwijderen.
2
Koelmiddel
V01258-10
1,20 l
Koelmiddel
( pag. 285)
–
Radiateur helemaal met koelmiddel vullen. Radiateurdop
monteren.
–
Voertuig op zijstandaard zetten.
–
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren.
( pag. 225)
1
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
230
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
–
Motor starten en laten warmdraaien tot het vijfde balkje van de
temperatuurindicatie brandt.
–
Motor uitzetten en laten afkoelen.
KOELSYSTEEM 17
17.6
–
Na het afkoelen nog een keer het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien nodig koelmiddel bijvullen.
–
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren.
( pag. 225)
Koelmiddel verversen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
231
17 KOELSYSTEEM
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
V01254-11
232
–
Motorfiets rechtop zetten.
–
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
–
Schroef
1 met afdichtring verwijderen.
KOELSYSTEEM 17
–
Radiateurdop
–
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
–
Schroef
2 verwijderen.
1 met nieuwe afdichtring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef
aftapboring
waterpomp
EJOTALtracs®
Plus 60x14
8 Nm
Loctite®243™
V01257-11
–
Ontluchtingsschroef
–
Voertuig licht naar rechts kantelen.
–
Koelmiddel vullen totdat deze zonder luchtbellen
uit de ontluchtingsopening stroomt en meteen de
ontluchtingsschroef
monteren en vastdraaien.
3 verwijderen.
3
Koelmiddel
V01258-11
1,20 l
Koelmiddel
( pag. 285)
–
Radiateur helemaal met koelmiddel vullen. Radiateurdop
monteren.
–
Voertuig op zijstandaard zetten.
2
233
17 KOELSYSTEEM
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
234
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
–
Motor starten en laten warmdraaien tot het vijfde balkje van de
temperatuurindicatie brandt.
–
Motor uitzetten en laten afkoelen.
–
Na het afkoelen nog een keer het koelmiddelpeil in de radiateur en in het compensatiereservoir controleren en indien
nodig koelmiddel bijvullen.
MOTOR AFSTELLEN 18
18.1
Ride Mode
V01127-01
Mogelijke toestanden
• SPORT – SPORT – Gehomologeerd vermogen met zeer directe
respons, de motorfiets-tractiecontrole laat een hogere slip aan
het achterwiel toe.
• STREET – STREET – Gehomologeerd vermogen met evenwichtige respons, de motorfiets-tractiecontrole laat een normale slip aan het achterwiel toe.
• RAIN – Gehomologeerd vermogen met zeer zachte respons
voor betere rijbaarheid, de motorfiets-tractiecontrole laat een
normale slip aan het achterwiel toe.
• TRACK – Instelling met gehomologeerd vermogen en uiterst
directe respons. De motorfiets-tractiecontrole en de karakteristiek van de gasrespons kunnen individueel worden ingesteld.
In het menu Ride Mode kunnen verschillende afstellingen voor het
voertuig worden gekozen. U kunt kiezen uit SPORT, STREET, RAIN
en TRACK.
De als laatste gekozen rijmodus wordt op het display weergegeven.
De rijmodus kan ook tijdens het rijden met gesloten gashendel
worden gewisseld.
Info
De keuze van de rijmodus is niet van invloed op het ABS.
235
18 MOTOR AFSTELLEN
18.2
Motorfiets-tractiecontrole (MTC)
De motorfietstractiecontrole (MTC) verlaagt het motorkoppel bij
tractieverlies aan het achterwiel.
Info
Als de motorfietstractiecontrole uitgeschakeld is, kan het
achterwiel bij sterke acceleratie of op oppervlakken met
slechte grip doordraaien – gevaar voor vallen.
Na het inschakelen van het contact is de motorfietstractiecontrole weer actief.
V01129-01
In het gecombineerde instrument wordt de motorfietstractiecontrole via het menu Ride Mode ( pag. 235) gestuurd. In
het menu Motorcycle kan de motorfiets-tractiecontrole worden
uitgeschakeld.
Info
Als de motorfietstractiecontrole regelt, knippert het
TC‑controlelampje .
Als de motorfiets-tractiecontrole is uitgeschakeld, brandt
het TC‑controlelampje .
236
MOTOR AFSTELLEN 18
18.3
slipaanpassing
De slipaanpassing is een functie van de motorfiets-tractiecontrole.
Met de slipaanpassing kan de motorfiets-tractiecontrole in negen
niveaus op de gewenste karakteristiek worden afgesteld.
Bij niveau 1 is de meeste slip aan het achterwiel mogelijk, bij
niveau 9 de minste slip.
De slipaanpassing kan tijdens het rijden bij gesloten menu met de
UP- of DOWN‑knop worden ingesteld.
Info
402790-01
18.4
De slipaanpassing is alleen beschikbaar in de
rijmodus TRACK.
Throttle response
Mogelijke toestanden
• TRACK – Uiterst directe respons
• SPORT – Zeer directe respons.
• STREET – Uitgebalanceerde respons.
In het menu Throttle response kan de karakteristiek van de gasrespons worden aangepast.
Throttle response kan ook tijdens het rijden met gesloten gashendel
worden ingesteld.
V01144-01
237
18 MOTOR AFSTELLEN
Info
Throttle response is alleen in de rijmodus TRACK beschikbaar.
238
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
19.1
Motoroliepeil controleren
Info
Het motoroliepeil moet worden gecontroleerd bij een warme motor.
–
Motorfiets rechtop zetten op een horizontaal oppervlak.
–
Motoroliepeil controleren.
Info
Na het afzetten van de motor eerst een minuut wachten
en dan pas controleren.
De motorolie moet tussen markering
van het kijkglas staan.
V01226-10
»
Als het motoroliepeil onder de markering
–
»
A en markering B
Motorolie bijvullen. (
pag. 244)
Als het motoroliepeil boven de markering
–
B ligt:
A ligt:
motoroliepeil corrigeren.
239
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
19.2
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Motor- en cardanolie wordt tijdens bedrijf van de motorfiets zeer heet.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De motorolie bij een warme motor aftappen.
240
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
Hoofdwerk
– Motorfiets op een horizontale ondergrond op de zijstandaard
zetten.
–
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
–
Olievulschroef
wijderen.
–
Olieaftapschroeven
verwijderen.
1 met keerring van het koppelingsdeksel ver-
H01066-10
2 met magneten, keerringen en oliezeven
V01235-10
241
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Schroeven
verwijderen.
–
Oliefilter
3 verwijderen. Oliefilterdeksel 4 met keerring
5 uit het oliefilterhuis trekken.
Seegerringtang (51012011000)
–
Motorolie volledig laten uitlopen.
–
Onderdelen en afdichtvlakken grondig reinigen.
–
Nieuw oliefilter
V01236-10
5 plaatsen.
Info
Het oliefilter alleen met de hand plaatsen.
–
Keerring van het oliefilterdeksel insmeren met olie. Oliefilterdeksel
positioneren.
–
Schroeven
4
V01237-10
3 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef oliefilterdop
242
M5
6 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
–
Magneten
en oliezeven
dig reinigen.
–
Olieaftapschroeven
met magneten en nieuwe afdichtringen
monteren en vastdraaien.
A
B van de olieaftapschroeven gron-
V01238-10
2
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef oliezeef
–
20 Nm
Motorolie bij koppelingsdeksel bijvullen.
Motorolie
V01235-10
M20x1,5
2,8 l
Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 286)
243
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Olievulschroef
1 met keerring monteren en vastdraaien.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
H01066-10
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
– Motoroliepeil controleren. (
19.3
pag. 239)
Motorolie bijvullen
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
244
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
Hoofdwerk
– Olievulschroef
vullen.
–
1 met keerring verwijderen en motorolie bij-
Motorolie tot midden van kijkglas bijvullen.
Motorolie (SAE 10W/50) (
pag. 286)
Info
Voor een optimale prestatie van de motorolie wordt aangeraden geen verschillende motoroliesoorten te mengen.
Wij adviseren de motorolie te verversen, als dat nodig
is.
H01066-10
–
Olievulschroef
1 met keerring monteren en vastdraaien.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
245
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
Nawerk
– Motoroliepeil controleren. (
19.4
pag. 239)
Vrije slag aan de koppelingshendel controleren
Aanwijzing
Beschadiging koppeling Als de koppelingshendel geen vrije slag heeft, begint de koppeling te verschuiven.
–
Controleer vóór elk gebruik van de motorfiets de vrije slag van de koppelingshendel.
–
Stel de vrije slag van de koppelingshendel indien nodig volgens de voorschriften in.
–
Controleren of de koppelingshendel soepel beweegt.
–
Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Koppelingshendel tot voelbare weerstand trekken en de vrije
slag
bepalen.
A
Vrije slag aan de koppelingshendel
5 mm
A
»
V01187-12
–
–
246
Als de vrije slag aan de koppelingshendel niet met de voorgeschreven waarde overeenkomt:
Vrije slag aan de koppelingshendel instellen.
( pag. 248)
Stuur over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
De vrije slag aan de koppelingshendel mag zich niet wijzigen.
»
Als de vrije slag aan de koppelingshendel verandert:
–
Traject van de koppelingskabel controleren.
247
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
19.5
Vrije slag aan de koppelingshendel instellen
–
Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Contramoer
–
1 losdraaien.
Vrije slag A met de stelschroef 2 instellen.
Voorgeschreven waarde
Vrije slag aan de koppelingshendel
A
–
V01234-10
248
Contramoer
1 vastdraaien.
5 mm
REINIGING, ONDERHOUD 20
20.1
Motorfiets reinigen
Aanwijzing
Materiaalschade Door verkeerd gebruik van een hogedrukreiniger worden componenten beschadigd of onbruikbaar.
Het water dringt door de hoge druk in de elektrische componenten, stekkers, bowdenkabels, lagers etc.
Te hoge druk veroorzaakt storingen en maakt componenten onbruikbaar.
–
Richt de waterstraal niet direct op elektrische componenten, stekkers, bowenkabels of lagers.
–
Een minimale afstand tussen de sproeier van de hogedrukreiniger en de component aanhouden.
Minimale afstand
60 cm
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Reinig de motorfiets regelmatig, zo blijven de waarde en het uiterlijk gedurende langere tijd behouden.
Directe zonnestralen op de motorfiets tijdens het reinigen vermijden.
249
20 REINIGING, ONDERHOUD
–
Uitlaatsysteem afsluiten om het indringen van water te voorkomen.
–
Grove vervuiling eerst met een zachte waterstraal verwijderen.
–
Sterk vervuilde plekken met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger inspuiten en met een kwastje behandelen.
Motorfietsreiniger (
401061-01
pag. 290)
Info
Warm water met een in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger en een zachte spons gebruiken. Motorfietsreiniger nooit op het droge voertuig aanbrengen, altijd
eerst met water afspoelen.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden,
moet hij in koud water worden gereinigd. Warm water
versterkt de zoutwerking.
250
–
Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is
afgespoeld moet hij goed worden gedroogd.
–
Afsluiting van het uitlaatsysteem verwijderen.
REINIGING, ONDERHOUD 20
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het
remsysteem nadelig.
–
–
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Na de reiniging een kort stuk rijden, totdat de motor de rijtemperatuur heeft bereikt.
Info
Door de warmte verdampt het water ook op de niet toegankelijke plaatsen van de motor en het remsysteem.
–
Na het afkoelen van de motorfiets alle glij- en lagerpunten
smeren.
–
Ketting reinigen. (
–
Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschijven en het uitlaatsysteem) met antiroestmiddel behandelen.
pag. 146)
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
( pag. 289)
–
Alle gelakte onderdelen behandelen met een onderhoudsmiddel voor lakken.
251
20 REINIGING, ONDERHOUD
Perfect Finish en hoogglanspolitoer voor lakken
( pag. 290)
Info
In de leveringstoestand matte kunststofonderdelen
niet polijsten, omdat de materiaalkwaliteit anders sterk
beperkt wordt.
–
Alle kunststof onderdelen en geëloxeerde onderdelen behandelen met een mild reinigings- en verzorgingsmiddel.
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaalen kunststofvlakken ( pag. 290)
–
Contact- en stuurslot smeren.
Universele oliespray (
20.2
pag. 290)
Controle en onderhoud voor rijden in de winter
Info
Als de motorfiets ook in de winter wordt gebruikt, moet er rekening worden gehouden met strooizout op de
wegen. Daarom moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen tegen het agressieve strooizout.
Na het rijden op met zout bestrooide wegen moet het voertuig grondig met koud water worden gereinigd en
goed worden gedroogd. Warm water versterkt de zoutwerking.
252
REINIGING, ONDERHOUD 20
–
Motorfiets reinigen. (
–
Remsysteem reinigen.
pag. 249)
Info
Na IEDERE rit op wegen met strooizout de remzadels en
remplaketten, in afgekoelde en gemonteerde toestand,
grondig met koud water reinigen en goed laten drogen.
Na het rijden op met zout bestrooide wegen moet de
motorfiets grondig met koud water worden gereinigd en
goed worden gedroogd.
401060-01
–
Motor, achterbrug en alle overige blanke of verzinkte onderdelen (m.u.v. de remschijven) worden behandeld met een antiroestmiddel op wasbasis.
Info
Er mag geen antiroestmiddel op de remschijven
terechtkomen omdat daardoor de remwerking sterk
wordt verminderd.
–
Ketting reinigen. (
pag. 146)
253
21 STALLING
21.1
Stalling
Info
Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken, moet u volgende maatregelen nemen of laten
nemen.
Controleer voordat u de motorfiets gaat stallen eerst of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten.
Als er servicewerkzaamheden, reparaties of wijzigingen nodig zijn, kunt u dat het beste doen tijdens de
overwintering (minder drukte bij de werkplaatsen). Zo voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het
seizoen.
–
401058-01
254
Bij het laatste tanken voor het stallen van de motorfiets,
brandstofadditief bijmengen.
Brandstofadditief (
pag. 289)
–
Brandstof tanken. (
pag. 128)
–
Motorfiets reinigen. (
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen. ( pag. 240)
–
Antivries en koelmiddelpeil controleren. (
–
Bandenspanning controleren. (
–
12V-accu demonteren.
–
12V-accu laden.
(
pag. 249)
(
pag. 189)
pag. 194)
pag. 199)
pag. 222)
STALLING 21
Voorgeschreven waarde
Opslagtemperatuur van de
12V-accu zonder blootstelling aan directe zonnestralen
–
0 … 35 °C
Voertuig stallen op een droge plaats en niet blootstellen aan
grote temperatuurschommelingen.
Info
KTM adviseert de motorfiets op te krikken.
–
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. (
–
De motorfiets afdekken met een luchtdoorlatend dekzeil of een
deken.
pag. 136)
pag. 137)
Info
In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen
worden gebruikt, omdat er dan geen vocht kan ontsnappen en er roest ontstaat.
Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets
voor korte tijd te laten draaien. Aangezien de motor
daarbij niet voldoende warm wordt, condenseert de
waterdamp die bij de verbranding ontstaat en dit leidt
ertoe dat de ventielen en uitlaatsysteem gaan roesten.
255
21 STALLING
21.2
Inbedrijfname na stalling
401059-01
256
–
Motorfiets van hefbok voor nemen. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
–
12V-accu laden.
–
12V-accu monteren.
–
Tijd en datum instellen.
–
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling uitvoeren.
( pag. 109)
–
Een proefrit maken.
(
pag. 138)
pag. 136)
pag. 199)
(
pag. 197)
FOUTEN OPSPOREN 22
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor draait bij indrukken van
e-starterknop niet door
Bedieningsfouten
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren. ( pag. 110)
12V-accu ontladen
–
12V-accu laden.
–
Ruststroom controleren.
Zekering 1, 2 of 3 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 207)
Hoofdzekering gesmolten
–
Hoofdzekering vervangen.
( pag. 202)
Geen massaverbinding aanwezig
–
Massaverbinding controleren.
Motor draait alleen door als de
koppelingshendel aangetrokken
is
Versnelling is geschakeld
–
Versnelling in stationair schakelen.
Er is een versnelling geschakeld en de zijstandaard is uitgeklapt
–
Versnelling in stationair schakelen.
Motor draait door, maar springt
niet aan
Bedieningsfouten
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren. ( pag. 110)
Zekering 3 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 207)
Steekverbinding van de brandstofleiding niet verbonden
–
Steekverbinding van de brandstofleiding verbinden.
(
pag. 199)
257
22 FOUTEN OPSPOREN
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor draait door, maar springt
niet aan
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Bij starten gashendel bediend
–
Tijdens het starten GEEN gas geven.
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren. ( pag. 110)
–
Luchtfilter demonteren.
Motor heeft te weinig vermogen
Motor wordt overmatig heet
258
Luchtfilter sterk vervuild
–
Luchtfilter monteren.
Brandstoffilter sterk vervuild
–
Brandstofdruk controleren.
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Te weinig koelmiddel in koelsysteem
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
–
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren. ( pag. 225)
Radiateurlamellen sterk vervuild
–
Radiateurlamellen reinigen.
Schuimvorming in het koelsysteem
–
Koelmiddel aftappen.
–
Koelsysteem vullen/ontluchten.
( pag. 229)
Geknikte of beschadigde radiateurslang
–
Radiateurslang vervangen.
Thermostaat defect
–
Thermostaat controleren.
(
pag. 227)
FOUTEN OPSPOREN 22
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor wordt overmatig heet
Zekering 4 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 207)
Defect in het ventilatiesysteem
van de radiateur
–
Ventilatiesysteem radiateur controleren.
Controlelampje storing brandt
resp. knippert
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Controlelampje stationair N
brandt niet wanneer de versnelling in stationair staat
Versnellingssensor niet geprogrammeerd
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Motor slaat tijdens het rijden af
ABS-waarschuwingslampje
brandt
Hoog olieverbruik
Te weinig brandstof
–
Brandstof tanken. (
Zekering 1, 2 of 3 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 207)
Zekering ABS doorgesmolten
–
ABS‑zekeringen vervangen.
( pag. 205)
Wieltoerental van voor- en achterwiel wijkt sterk af
–
Stoppen, ontsteking uitschakelen,
opnieuw starten.
Fout in ABS
–
ABS-foutengeheugen uitlezen met
KTM-diagnosetool.
Slang van de motorontluchting
geknikt
–
Ontluchtingsslang knikvrij leggen en
indien nodig vervangen.
pag. 128)
259
22 FOUTEN OPSPOREN
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Hoog olieverbruik
Motoroliepeil te hoog
–
Motoroliepeil controleren.
( pag. 239)
Vloeibaarheid motorolie te dun
(viscositeit)
–
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen.
( pag. 240)
Koplamp en zijlicht werken niet
Zekering 6 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 207)
Richtingaanwijzer, remlicht en
claxon werken niet
Zekering 5 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 207)
Tijd wordt niet meer of niet correct weergegeven
Zekering 1 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 207)
–
Tijd en datum instellen.
Ontsteking bij het uitzetten van
de motorfiets niet uitgeschakeld
–
12V-accu laden.
12V-accu wordt niet opgeladen
door de dynamo
–
Laadspanning controleren.
–
Ruststroom controleren.
12V-accu ontladen
260
(
pag. 199)
FOUTEN OPSPOREN 22
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Er wordt niets weergegeven op
de display van gecombineerd
instrument
Zekering 1 of 2 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 207)
–
Tijd en datum instellen.
261
23 TECHNISCHE GEGEVENS
23.1
Motor
Bouwwijze
2-cilinder 4-takt lijnmotor, gekoeld met vloeistof
Cilinderinhoud
799 cm³
Slag
65,7 mm
Boring
88 mm
Compressie
12,7:1
Distributie
DOHC, 4 nokvolgerkleppen per cilinder aangestuurd
door nokvolger, aandrijving door ketting
Klepdiameter inlaat
36 mm
Klepdiameter uitlaat
29 mm
Klepspeling koud
Inlaat bij: 20 °C
Uitlaat bij: 20 °C
0,10 … 0,15 mm
0,15 … 0,20 mm
Krukaslagers
Glijlagers
Drijfstanglager
Glijlagers
Zuigerboutlager
Zuigerpen met keramische deklaag
Zuigers
Lichtmetaal gesmeed
Zuigerringen
1 compressiering, 1 zuigerring, 1 oliering met spiraal
Motorsmering
Semi-dry-sump smering met 2 rotorpompen
Primaire overbrenging
39:75
262
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Koppeling
Antihopping-koppeling in oliebad / mechanisch
bediend
Versnelling
6 versnellingen met klauwschakeling
Overbrengingsverhouding
1e versnelling
13:37
2e versnelling
17:34
3e versnelling
20:31
4e versnelling
22:28
5e versnelling
24:26
6e versnelling
23:22
Mengselsamenstelling
Elektronische brandstofinspuiting
Ontstekingssysteem
Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontstekingssysteem met digitale ontstekingsvertraging
Dynamo
12 V, 400 W
Bougie
NGK LMAR9AI‑10
Elektrodenafstand bougie
1,0 mm
Radiateur
Vloeistofkoeling permanente circulatie koelmiddel
door waterpomp
Stationair toerental
1.750
Starthulp
Startmotor
± 50
1/min
263
23 TECHNISCHE GEGEVENS
23.2
Aanhaalmomenten motor
Sluitschroef aftapboring waterpomp
EJOTALtracs®Plus 60x14
Slangklem aanzuigflens
M4
2,5 Nm
Olievernevelaar voor zuigerkoeling
M5
2 Nm
8 Nm
Loctite®243™
Loctite®243™
Olievernevelaars in de cilinderkop
M5
2 Nm
Loctite®243™
Overige schroeven motor
M5
6 Nm
Schroef axiale zekering nokvolger
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef drukplaat
M5
3 Nm
Loctite®243™
Schroef houderplaat schakelwals
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef krukas-toerentalsensor
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef oliefilterdop
M5
6 Nm
Schroef schakelassensor
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef thermostaathuis
M5
6 Nm
Loctite®243™
264
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef versnellingsherkenningssensor
M5
Sproeier motorontluchting
M5
6 Nm
Loctite®243™
2 Nm
Loctite®243™
Overige schroeven motor
M6
10 Nm
Schroef bobine
M6
8 Nm
Schroef cilinderkop
M6
10 Nm
Schroef distributiekettingschacht
M6
10 Nm
Schroef dynamodeksel
M6x30
10 Nm
Schroef dynamodeksel
M6x35
10 Nm
Schroef geleiderail boven
M6x20
8 Nm
Loctite®243™
Schroef houderplaat koppelingbowdenkabel
M6
10 Nm
Schroef houderplaat schakelas
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef klepdop
M6
10 Nm
Schroef koppelingsdeksel
M6
10 Nm
Schroef koppelingsveer
M6
10 Nm
Schroef lagerbrug balansaslager
M6
12 Nm
Schroef lagersteun aandrijfas
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef motorhuis
M6x30
12 Nm
265
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef motorhuis
M6x60
12 Nm
Schroef nokkenas-lagerbrug
M6
10 Nm
Schroef oliebak
M6x30
10 Nm
Schroef oliebak
M6x35
10 Nm
Schroef oliepompdeksel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef oliepomptussenwiel
M6
12 Nm
Loctite®243™
Schroef oliepompunit
M6
10 Nm
Schroef ontkoppelingshendel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef ontluchtingspijp
EJOT-schroef M6
8 Nm
Loctite®243™
Schroef startmotor
M6
10 Nm
Schroef stator
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef vastzethendel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingshendel
M6
14 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingsvastzetting
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef warmtewisselaar
266
M6
10 Nm
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
Schroef waterpompwiel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Moer uitlaatflens
M8
15 Nm
Koperpasta
Olievernevelaar voor koppelingssmering
M8
5 Nm
Overige schroeven motor
M8
20 Nm
Schroef distributiekettingspannergeleider
M8
15 Nm
Schroef drijfstanglager
M8
1e trap
5 Nm
2e niveau
15 Nm
3e niveau
90°
Kraag en schroefdraad geolied
Schroef motorhuis
M8x45
25 Nm
Schroef motorhuis
M8x55
25 Nm
Loctite®243™
Loctite®243™
Schroefcontactvlak ingevet
Schroefcontactvlak ingevet
Schroef motorhuis
M8x65
25 Nm
Schroefcontactvlak ingevet
267
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef motorhuis
M8x90
25 Nm
Schroef stationaire ring
M8
14 Nm
Schroefcontactvlak ingevet
Loctite®243™
Sluitschroef blokkeerschroef
M8
15 Nm
Tapeind uitlaatflens
M8
15 Nm
Loctite®243™
Afsluitschroef lagerbrug
M10
12 Nm
Loctite®243™
Bougie
M10
10 Nm
Koelmiddeltemperatuursensor
M10
10 Nm
Schroef cilinderkop
M10
Draaivolgorde:
Aanhaalvolgorde in acht nemen.
1e trap
5 Nm
2e niveau
15 Nm
3e niveau
90°
4e niveau
90°
Kraag ingevet / schroefdraad geolied
Sluitschroef olieboring distributiekettingschacht
M10
12 Nm
Oliedrukschakelaar
M10x1
268
Loctite®243™
10 Nm
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef ontgrendeling voor distributiekettingspanner
M10x1
10 Nm
Sluitschroef nokvolgeras
M10x1
10 Nm
Afsluitschroef olieafvoer cilinderkop
M12
15 Nm
Schroef rotor
M12x1,5
90 Nm
Loctite®243™
Afsluitschroef koelwatermantel
M16
20 Nm
Moer ketting-aandrijfwiel
M20x1,5
100 Nm
Loctite®243™
Moer koppelingsmeenemer
M20x1,5
90 Nm
Loctite®243™
Sluitschroef oliezeef
M20x1,5
20 Nm
Schroef in de dynamodeksel
M24x1,5
8 Nm
Sluitschroef distributiekettingspanner
M24x1,5
25 Nm
2,8 l
Motorolie (SAE 10W/50)
( pag. 286)
23.3
Vulhoeveelheden
23.3.1
Motorolie
Motorolie
269
23 TECHNISCHE GEGEVENS
23.3.2
Koelmiddel
Koelmiddel
23.3.3
1,20 l
Koelmiddel (
pag. 285)
Brandstof
Op markering op EU-brandstofpompen letten.
A00420-10
Brandstoftankvolume totaal ca.
23.4
14 l
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 285)
Chassis
Frame
Buisframe met staalbuizen van chroommolybdeen,
geëloxeerd
Voorvork
WP Suspension Up Side Down 4357
Schokdemper
WP Suspension 4614
270
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Veerweg
voor
140 mm
achter
150 mm
Remsysteem
voor
Dubbele schijfrem met radiaal geschroefde remzadels
met vier zuigers, remschijven vlottend gelagerd
achter
Schijfrem met remzadel met 1 zuiger, vlottend gelagerd
Remschijven - diameter
voor
300 mm
achter
240 mm
Remschijven - slijtagegrens
voor
4,5 mm
achter
4,5 mm
Bandenspanning solo
voor
2,3 bar
achter
2,6 bar
Bandenspanning met passagier / volledige nuttige belasting
voor
2,3 bar
achter
2,6 bar
Secundaire overbrenging
16:41
Ketting
5/8 x 1/4” (520) X‑ring
271
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Balhoofdhoek
66°
Wielstand
1.475 ± 15 mm
Zadelhoogte onbelast
825 mm
Afstand van bodem, onbelast
186 mm
Gewicht zonder brandstof ca.
174,6 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor
160 kg
Maximale asbelasting achter
270 kg
Maximaal toegestaan totaalgewicht
430 kg
23.5
Elektronica
12V-accu
HTZ12A-BS
Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 10 Ah
onderhoudsvrij
Zekering
75011088010
10 A
Zekering
75011088015
15 A
Zekering
75011088025
25 A
Zekering
58011109130
30 A
Dimlicht/groot licht
LED
Dagrijlicht/zijlicht
LED
Verlichting gecombineerd instrument en controlelampjes
Led
272
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Richtingaanwijzer
LED
Rem- / achterlicht
LED
Nummerplaatverlichting
LED
23.6
Banden
Band voor
Band achter
120/70 ZR 17 M/C (58W) TL (J)
Maxxis Supermaxx ST
180/55 ZR 17 M/C (73W) TL (G)
Maxxis Supermaxx ST
De aangegeven banden zijn één van de mogelijke standaardbanden. Meer informatie vindt u in het servicegedeelte onder:
http://www.ktm.com
23.7
Voorvork
Artikelnummer voorvork
05.58.6R.26
Voorvork
WP Suspension Up Side Down 4357
Veerconstante
Gemiddeld (standaard)
6,0 … 9,0 N/mm
Voorvorklengte
765 mm
Veerlengte met voorspanbus(sen)
367 mm
Lengte luchtkamer
108 mm
273
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Vorkpootolie per vorkpoot
23.8
470 ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 287)
Schokdemper
Artikelnummer schokdemper
01.58.4R.26
Schokdemper
WP Suspension 4614
Veervoorspanning
Standaard
5 klikken
Inbouwlengte
387 mm
Veerlengte
185 mm
Veerconstante
Gemiddeld (standaard)
130 … 160 N/mm
Stootdemperolie
23.9
Stootdemperolie (SAE 2,5)
(50180751S1) ( pag. 287)
Aanhaalmomenten chassis
Resterende schroeven chassis
EJOTPT® K45x12
1 Nm
Resterende schroeven chassis
EJOTPT®
K50x12
1 Nm
Resterende schroeven chassis
EJOTPT®
K50x14
1 Nm
Resterende schroeven chassis
EJOTPT® K50x16
2 Nm
274
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Resterende schroeven chassis
EJOTPT® K50x18
2 Nm
Schroef koplamp
EJOTPT® K50x14
2 Nm
Resterende moeren chassis
M4
3 Nm
Resterende schroeven chassis
M4
3 Nm
Schroef vaste handgreep links
M4
2 Nm
Resterende moeren chassis
M5
5 Nm
Resterende schroeven chassis
M5
5 Nm
Schroef afdekking
ketting-aandrijfwiel
M5
5 Nm
Schroef bekleding
M5
3 Nm
Schroef combinatieschakelaar
links
M5
2 Nm
Schroef combinatieschakelaar
rechts
M5
5 Nm
Schroef gashendel
M5
3,5 Nm
Loctite®243™
Schroef gecombineerd instrument
M5
4 Nm
Schroef hitteplaat
M5
5 Nm
Loctite®243™
Schroef kabel aan startmotor
M5
3 Nm
Schroef koplampkap
M5
5 Nm
Loctite®243™
Schroef luchtfilterbak
M5
3 Nm
275
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef remvloeistofreservoir van
achterwielrem
M5
Schroef steunrol
M5
5 Nm
Loctite®243™
4 Nm
Loctite®243™
Schroef zijstandaardschakelaar
M5
2 Nm
Loctite®243™
Moer drukstang rempedaal
M6
6 Nm
Moer remhendel
M6
Aanhaalmoment op moer toepassen.
10 Nm
Moer schakelstang
M6
6 Nm
Moer schakelstang
M6LH
6 Nm
Resterende moeren chassis
M6
10 Nm
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
Schroef accupool
M6x12
4,5 Nm
Schroef accupool
M6x20
4,5 Nm
Schroef brandstoftanklager
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef brandstoftankspoiler
M6
3 Nm
Schroef contactslot (één keer te
gebruiken)
M6
22 Nm
Schroef handremarmatuur
M6
5 Nm
Schroef klem bochtstuk
M6
8 Nm
Loctite®243™
Koperpasta
276
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef kogelgewricht drukstang
aan rempedaalcilinder
M6
10 Nm
Schroef koppelingsarmatuur
M6
5 Nm
Schroef magneethouder aan zijstandaard
M6
2 Nm
Schroef massakabel aan frame
M6
6 Nm
Schroef massakabel aan startmotor
M6
10 Nm
Schroef nummerplaathouder
M6
10 Nm
Loctite®243™
Loctite®243™
Loctite®243™
Schroef radiateurbevestiging onder
M6
5 Nm
Schroef rempedaalcilinder
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef rempedaalvlak
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef schakelaskering aan schakelas
M6
Schroef schakelstang
M6
10 Nm
Loctite®243™
10 Nm
Loctite®243™
Schroef schuinestandsensor
M6
5 Nm
Schroef versnellingshendelvlak
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef wieltoerentalsensor
M6
6 Nm
277
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef zadelslot
M6
10 Nm
Loctite® 222™
Borgbout voor remplaketten
M8
10 Nm
Bout remzadel achter
M8
22 Nm
Moer bochtstuk aan cilinderkop
M8
Aanhaalvolgorde in acht nemen.
20 Nm
Koperpasta
Resterende moeren chassis
M8
25 Nm
Resterende schroeven chassis
M8
25 Nm
Schroef asopname
M8
15 Nm
Schroef bovenste kroonplaat
M8
15 Nm
Schroef einddemper-bevestiging
M8
15 Nm
Schroef greep
M8x50
25 Nm
Loctite®243™
Schroef houder passagiersstoel
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef onderste kroonplaat
M8
12 Nm
Schroef rempedaal
M8
25 Nm
Loctite®2701™
Schroef remschijf achter
M8
30 Nm
Loctite®2701™
Schroef remschijf voor
M8
30 Nm
Loctite®2701™
278
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef stuurdemper aan houder
M8
8 Nm
Loctite®243™
Schroef stuurdemper aan kroonplaat
M8
8 Nm
Loctite®243™
Schroef stuurplaat
M8
20 Nm
Schroef traverse
M8x18
25 Nm
Loctite®243™
Schroef traverse in de achterkant
M8x35
25 Nm
Loctite®243™
Schroef veerhouderplaat aan zijstandaardconsole
M8
Schroef verbindingsdrager motorhouder voor
M8
Schroef versnellingshendel
M8
15 Nm
Loctite®2701™
25 Nm
Loctite®243™
25 Nm
Loctite®2701™
Schroef voetsteunhouder achter
M8x25
25 Nm
Loctite®243™
Schroef voetsteunhouder achter
M8x40
25 Nm
Loctite®243™
Schroef voordemper aan frame
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef vorkbuis
M8
20 Nm
Loctite®243™
279
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Motorschroef
M10
45 Nm
Loctite®243™
Resterende moeren chassis
M10
45 Nm
Resterende schroeven chassis
M10
45 Nm
Schroef arm
M10
38 Nm
Loctite®2701™
Schroef stuuradapter
M10
45 Nm
Loctite®243™
Schroef voetsteunhouder voor
M10x30
45 Nm
Loctite®243™
Schroef voetsteunhouder voor
M10x60
45 Nm
Loctite®243™
Schroef voetsteunhouder voor
M10x80
45 Nm
Loctite®243™
Schroef zijstandaard
M10
35 Nm
Loctite®243™
Holle schroef remkabel
M10x1
25 Nm
Schroef remzadel voor
M10x1,25
45 Nm
Loctite®243™
Schroef achterbrugbout
M12
100 Nm
Schroef schokdemper boven
M12
80 Nm
Loctite®2701™
Schroef schokdemper onder
M12
80 Nm
Loctite®2701™
280
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Lambdasonde
M18x1,5
50 Nm
Stelschroef achterbrug
M20LHx1,5
10 Nm
Moer steekas achter
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad en contactvlak van de
steekas ingevet
Schroef balhoofd
M25x1,5
18 Nm
Schroef steekas voor
M25x1,5
45 Nm
Schroefdraad ingevet
281
24 VERKLARINGEN VAN OVEREENSTEMMING
24.1
Verklaringen van overeenstemming
Info
De omvang van de functies en uitrusting zijn afhankelijk van het model en omvat eventueel niet alle vermelde zendinstallaties en toepassingsgebieden.
Hiermee verklaart COBO SpA dat het zendinstallatietype BT‑ROUTER overeenkomt met de relevante richtlijnen. De
volledige tekst van de verklaring van overeenstemming is beschikbaar onder de volgende URL.
Website van de certificering: http://www.ktm.com/btrouter
Hiermee verklaart KTM AG dat het zendinstallatietype Immo641 overeenkomt met de relevante richtlijnen. De volledige tekst van de verklaring van overeenstemming is beschikbaar onder de volgende URL.
Website van de certificering: http://www.ktm.com/immo641
Hiermee verklaart Schrader Electronics Ltd dat het zendinstallatietype Tyre Pressure Monitoring System overeenkomt
met de relevante richtlijnen. De volledige tekst van de verklaring van overeenstemming is beschikbaar onder de
volgende URL.
Website van de certificering: http://www.ktm.com/tpms
282
VERKLARINGEN VAN OVEREENSTEMMING 24
283
24 VERKLARINGEN VAN OVEREENSTEMMING
24.2
Landspecifieke verklaring van overeenstemming
V01421-01
284
GEBRUIKSSTOFFEN 25
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
Norm / classificatie
– DIN EN 228 (ROZ 95)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend loodvrije superbenzine die voldoet aan de aangegeven norm of van dezelfde kwaliteit is.
–
Een aandeel van maximaal 10 % ethanol (E10 brandstof) kan daarbij zonder bezwaar worden gebruikt.
Info
Gebruik geen brandstof van methanol (bijv. M15, M85, M100) of met een aandeel van meer dan
10 % ethanol (bijv. E15, E25, E85, E100).
Koelmiddel
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen hoogwaardig, silicaatvrij koelmiddel met antiroestmiddel voor aluminiummotoren. Minderwaardige en ongeschikte antivriesmiddelen veroorzaken corrosie, afzettingen en schuimvorming.
–
Gebruik geen zuiver water omdat de eisen met betrekking tot corrosiebescherming en smeereigenschappen
alleen door koelvloeistof vervuld kunnen worden.
–
Gebruik uitsluitend koelvloeistof die voldoet aan de voorwaarden (zie informatie op de verpakking) en de juiste
eigenschappen heeft.
Vorstbescherming minstens tot
−25 °C
285
25 GEBRUIKSSTOFFEN
De mengverhouding moet aan de vereiste vorstbescherming aangepast worden. Gebruik gedestilleerd water als de
koelvloeistof verdund moet worden.
Het gebruik van voorgemengde koelvloeistof wordt aanbevolen.
Neem de gegevens van de koelvloeistoffabrikant met betrekking tot vorstbescherming, verdunning en mengbaarheid (verdraagbaarheid) met andere koelvloeistoffen in acht.
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– COOLANT M3.0
Motorolie (SAE 10W/50)
Norm / classificatie
– JASO T903 MA2 (
–
SAE (
pag. 291)
pag. 291) (SAE 10W/50)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend motorolie die voldoet aan de aangegeven normen (zie informatie op de verpakking) en de
juiste eigenschappen heeft.
Volledig synthetische motorolie
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Power Synt 4T
286
GEBRUIKSSTOFFEN 25
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1
Norm / classificatie
– DOT
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend remvloeistof die voldoet aan de aangegeven norm (zie informatie op de verpakking) en die
de juiste eigenschappen heeft.
Aanbevolen leverancier
Castrol
– REACT PERFORMANCE DOT 4
MOTOREX®
– Brake Fluid DOT 5.1
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180751S1)
Norm / classificatie
– SAE ( pag. 291) (SAE 2,5)
Voorgeschreven waarde
– Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over
de geschikte eigenschappen beschikken.
Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1)
Norm / classificatie
– SAE ( pag. 291) (SAE 4)
287
25 GEBRUIKSSTOFFEN
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen olie die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op verpakking) en de juiste eigenschappen heeft.
288
HULPSTOFFEN 26
Brandstofadditief
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Fuel Stabilizer
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Protect
Duurzaam vet
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Bike Grease 2000
Kettingreinigingsmiddel
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Chain Clean
Kettingspray Street
Voorgeschreven waarde
289
26 HULPSTOFFEN
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Chainlube Road Strong
Motorfietsreiniger
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Clean
Perfect Finish en hoogglanspolitoer voor lakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Shine
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaal- en kunststofvlakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Quick Cleaner
Universele oliespray
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Joker 440 Synthetic
290
NORMEN 27
JASO T903 MA2
Meerdere technische ontwikkelingsrichtingen vereisten een eigen specificatie voor motorfietsen - de norm
JASO T903 MA2.
Vroeger werd voor motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie bestond.
Voor motoren van auto's zijn lange service-intervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermogensrendement bij hoge toerentallen op de voorgrond.
Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden versnelling en koppeling met dezelfde olie gesmeerd.
De norm JASO T903 MA2 voldoet aan deze speciale vereisten.
SAE
De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op
basis van hun viscositeit. De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de
kwaliteit.
291
28 LIJST MET VAKBEGRIPPEN
ABS
Antiblokkeersysteem
Veiligheidssysteem, dat het blokkeren van de wielen
bij het rechtuit rijden zonder inwerking van zijwaartse
krachten voorkomt
OBD
Boorddiagnose
Voertuigsysteem dat ingestelde parameters van de
voertuigelektronica bewaakt
DRL
Dagrijlicht (Daytime Running Light)
Licht dat de zichtbaarheid van het voertuig op de dag
verhoogt, maar in tegenstelling tot het dimlicht niet
gefocust is en het wegdek verlicht
-
KTM MY RIDE
Systeem voor draadloze communicatie met geschikte
mobiele telefoons en headsets voor telefonie en audio
-
Launch‑Control
Functie van de voertuigelektronica voor het bereiken
van optimale acceleratie vanuit stilstand
MTC
Motorfietstractiecontrole (Motorcycle Traction Control)
Extra functie van de motorbesturing die bij doordraaiend achterwiel het motorkoppel verlaagt
MSR
Motorslipmomentregeling
Extra functie van de motorbesturing die het blokkeren
van het achterwiel bij een te grote motorremwerking
verhindert door de regelkleppen iets te openen
-
Quickshifter +
Functie van de motorelektronica voor schakelen zonder bediening van de koppeling
292
LIJST MET AFKORTINGEN 29
Artikelnr.
Artikelnummer
bijv.
bijvoorbeeld
ca.
circa
e.d.
en dergelijke
enz.
enzovoort
etc.
et cetera
evt.
eventueel
evt.
eventueel
Nr.
Nummer
o.a.
onder andere
resp.
respectievelijk
vgl.
vergelijk
293
30 LIJST MET SYMBOLEN
30.1
Rode pictogrammen
Rode pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij meteen moet worden ingegrepen.
Controlelampje wegrijblokkeringen brandt/knippert rood – Status- of foutmelding bij de alarminstallatie.
Waarschuwingslampje oliedruk brandt rood – Oliedruk is te laag. Onmiddellijk veilig stoppen
en de motor afzetten.
30.2
Gele of oranje pictogrammen
Gele of oranje pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij binnen korte tijd moet worden ingegrepen.
Actieve rijhulpen worden eveneens met gele of oranje pictogrammen aangegeven.
Controlelampje storing brandt geel – De OBD heeft een fout in de voertuigelektronica
geconstateerd. Volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde
KTM-garage.
ABS-waarschuwingslampje brandt/knippert geel – Status- of foutmelding bij het ABS. Het
ABS-waarschuwingslampje knippert als de ABS-modus Supermoto is geactiveerd.
TC-controlelampje brandt geel – MTC ( pag. 236) is niet actief of is bezig met regelen.
Het TC-controlelampje brandt ook als er een fout wordt herkend. Contact opnemen met
geautoriseerde KTM-garage. Het TC-controlelampje knippert als MTC actief ingrijpt of als de
Launch Control ( pag. 113) is geactiveerd.
Algemeen waarschuwingslampje brandt geel – Een aanwijzing of een waarschuwing voor de
veiligheid is gedetecteerd. Dit wordt ook op het display weergegeven.
294
LIJST MET SYMBOLEN 30
30.3
Groene en blauwe pictogrammen
Groene en blauwe pictogrammen geven informatie weer.
Controlelampje voor richtingaanwijzer knippert groen in knipperritme – Richtingaanwijzer is
ingeschakeld.
Controlelampje stationair brandt groen – Versnelling is in positie vrij geschakeld.
Controlelampje groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.
295
INDEX
INDEX
1
12V-accu
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 194
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 197
A
ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
ABS‑zekeringen
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 205
ACC1
achter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 220
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 220
ACC2
achter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 220
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 220
Achterwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182
Afbeelding voertuig
linksvoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
rechtsachter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
Afbeeldingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
296
Afdekking van de drager van de koplampkap
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 215
Afremmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
Antivries
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 222
Artikelnummer schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . 26
Artikelnummer stuurdemper . . . . . . . . . . . . . . . . 27
Artikelnummer voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
B
Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
Bandenreparatiespray
gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 191
Bandenspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
Bedieningshandleiding
Bedrijfsmiddelen . . . .
Beoogd gebruik . . . .
Beschermende kleding
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
16
17
11
15
Bestuurderszadel
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 143
INDEX
Boordgereedschap
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
Brandstoftankdop
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
Buddyseat
monteren
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 142
C
Claxonknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
Combinatieschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
Controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
D
Demperpakkingen achterwielnaaf
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185
Diagnosestekker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 219
E
E-startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
F
Fouten opsporen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 257-261
G
Garantie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Gashendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
Gebruiksdefinitie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
Gecombineerd instrument . . . . . . . . . . . . . . .
ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ABS Mode . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
activering en test . . . . . . . . . . . . . . . . .
afstandteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Anti‑wheelie mode . . . . . . . . . . . . . . . . .
Audio player . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Bluetooth® . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
brandstofpeilweergave . . . . . . . . . . . . . .
Clock/Date . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . .
dag-nacht-modus . . . . . . . . . . . . . . . . .
display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Distance . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
DRL . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Extra functions . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Favorites . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Fuel Cons . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
General Info . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
KTM MY RIDE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Language . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Launch control . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
menu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
43-93
. . 82
. . 83
. . 43
. . 57
. . 80
. . 90
. . 63
. . 54
. . 69
. . 46
. . 44
. . 50
. . 64
. . 70
. . 76
. . 58
. . 67
. . 61
. . 86
. . 68
. . 81
. . 58
297
INDEX
MTC + MSR . . .
overzicht . . . . .
Pairing . . . . . .
Pressure . . . . .
Quick Shift + . .
Quick Selector 1
Quick Selector 2
Ride Mode . . . .
schakelindicator
Service . . . . . .
Set Favorites . . .
Settings . . . . . .
Shift Light . . . .
slipaanpassing .
telefonie . . . . .
Temp . . . . . . .
Throttle response
tijd . . . . . . . . .
TPMS warning . .
Track . . . . . . .
TRACK-display .
Trip 1 . . . . . . .
Trip 2 . . . . . . .
waarschuwingen
Warnings . . . . .
298
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. . . . 81
. . . . 43
. . . . 87
. . . . 66
. . . . 84
. . . . 73
. . . . 74
78, 235
. . . . 53
. . . . 76
. . . . 75
. . . . 62
. . . . 85
. . . 237
. . . . 92
. . . . 65
. . . 237
. . . . 56
. . . . 72
. . . . 79
. . . . 52
. . . . 59
. . . . 60
. . . . 45
. . . . 77
weergave van de koelmiddeltemperatuur . . . . 56
Greep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
H
Hoofdzekering
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202
Hulpstoffen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
I
Inbedrijfstelling
aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling . . . 103
controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109
na de stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 256
K
Ketting
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 152
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 146
vervuiling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . 145
Ketting-aandrijfwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 152
Kettingspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 148
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
INDEX
Kettingwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 152
Klantenservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Koelmiddel
aftappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 227
Koelmiddelpeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 222
in compensatiereservoir controleren . . . . . . 225
Koelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 221
vullen/ontluchten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 229
Koplamp
dagrijlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 193
instelling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . 217
lichtbundelbreedte instellen . . . . . . . . . . . . 218
Koplampkap met koplamp
losmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 210
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 212
Koppelingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . 96
L
Launch‑Control . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
M
Milieu
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Motor
inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
Motorfiets
met hefbok achter opkrikken
met hefbok voor opkrikken .
reinigen . . . . . . . . . . . . .
van hefbok achter nemen . .
van hefbok voor nemen . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
136
137
249
136
138
Motorfiets-tractiecontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . 236
Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
Motorolie
bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 244
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 240
Motoroliepeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 239
Motorslipmomentregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
MSR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
MTC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 236
N
Noodstopschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
299
INDEX
O
Oliefilter
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 240
Oliezeven
reinigen
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 240
Onjuist gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
Remschijven
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 160
Remsysteem
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157-171
Remvloeistof
van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . 168
van de voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . 162
Parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
Remvloeistofpeil
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . 167
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 161
Passagiersstoel
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 141
Reserveonderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Richtingaanwijzerschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . 31
Q
Rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116
beginnen met rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . 112
beginnen met rijden met Launch‑Control . . . 113
P
Quickshifter + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115
R
Remhendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . 97
Rijden in de winter
controle en onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . 252
Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
S
Rempedaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . 97
vrije slag controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . 166
Schakelaars
links aan stuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
rechts aan stuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
Remplaketten
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . 170
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 165
Schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116
300
Schokdemper
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . 135
INDEX
Service . . . . .
Serviceschema
Sleutelnummer
slipaanpassing
Stalling . . . .
Starten . . . . .
Stoppen . . . .
Stuurslot . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. . . . . 18
. 131-134
. . . . . 25
. . . . 237
. 254-256
. . . . 110
. . . . 125
. . . . . 34
Stuurstand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94
T
Tankdop
sluiten
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
Tanken
brandstof
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
Technische gegevens
aanhaalmomenten chassis
aanhaalmomenten motor .
banden . . . . . . . . . . . . .
chassis . . . . . . . . . . . . .
elektronica . . . . . . . . . .
motor . . . . . . . . . . . . . .
schokdemper . . . . . . . . .
voorvork . . . . . . . . . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. . . . 274
. . . . 264
. . . . 273
. . . . 270
. . . . 272
. 262-281
. . . . 274
. . . . 273
vulhoeveelheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 269
Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Toestand van de banden
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187
Transporteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
Typeplaatje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
V
Veilig gebruik
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Verklaringen van overeenstemming . . . . . . . . 282-284
landspecifiek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 284
Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
uitgangspositie controleren . . . . . . . . . . . . 100
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . 101
Voertuig beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
Voertuigidentificatiennummer . . . . . . . . . . . . . . . 24
Voetsteun passagier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
Voorwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 174
Vorkpoten
vuilschrapers reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . 139
Vrije slag aan de koppelingshendel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 246
301
INDEX
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 248
Vulhoeveelheid
brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130, 270
koelmiddel . . . . . . . . . . . . . . . 230, 233, 270
motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 243, 269
W
Werkinstructies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
Z
Zadelslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
Zekering
van afzonderlijke stroomverbruikers vervangen 207
Zijstandaard
302
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
*3213749nl*
3213749nl
09/2018
KTM Sportmotorcycle GmbH
5230 Mattighofen/Oostenrijk
http://www.ktm.com
Foto: Mitterbauer/KTM
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement