KTM 450 SX-F US 2020 MX Bike Handleiding

KTM 450 SX-F US 2020 MX Bike Handleiding
BEDIENINGSHANDLEIDING 2020
450 SX‑F
450 XC-F
450 SX‑F CAIROLI
450 SX‑F Factory Edition
Artikelnr. 3214032nl
BESTE KTM KLANT,
Hartelijk gefeliciteerd met de aankoop van uw KTM-motorfiets. U bent nu in het bezit van een modern en sportief
voertuig dat, mits goed onderhouden, u lang plezier zal schenken.
BESTE KTM KLANT,
We wensen u te allen tijde een goede en veilige reis toe!
Hieronder het serienummer van uw voertuig invullen.
Voertuigidentificatiennummer (
Motornummer (
pag. 14)
Stempel dealer
pag. 14)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het
model. Kleine afwijkingen die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden
uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. KTM Sportmotorcycle GmbH houdt zich het recht voor technische
gegevens, prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te
annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen van
afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien
van speciale uitrustingen die niet standaard bij de leveringsomvang horen.
© 2019 KTM Sportmotorcycle GmbH, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldigingen van welke aard dan ook zijn uitsluitend toegestaan met toestemming van de auteur.
ISO 9001(12 100 6061)
KTM past kwaliteitsborgingsprocessen toe in de zin van de internationale kwaliteitsmanagementnorm ISO 9001 om een zo hoog mogelijke productkwaliteit te bereiken.
Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM Sportmotorcycle GmbH
Stallhofnerstraße 3
5230 Mattighofen, Oostenrijk
Dit document is geldig voor de volgende modellen:
450 SX‑F EU (F8401T5)
450 SX‑F US (F8475T5)
450 XC‑F US (F8475T0)
450 SX‑F CAIROLI EU (F8401T6)
450 SX‑F Factory Edition US (F8475T1)
*3214032nl*
3214032nl
11/2019
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE
1
1.1
1.2
2
3
6
6
6
7
7
7
8
8
9
9
7.2
7.3
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN ................... 10
7.8
Garantie..........................................
Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen ...........
Reserveonderdelen, toebehoren .........
Service ...........................................
Afbeeldingen ...................................
Klantenservice .................................
10
10
10
10
10
10
7.4
7.5
7.6
7.7
7.9
8
8.2
8.3
8.4
8.5
Afbeelding voertuig linksvoor
(symbolische weergave) .................... 12
Afbeelding voertuig rechtsachter
(symbolische weergave) .................... 13
8.6
8.7
8.8
8.9
8.10
8.11
SERIENUMMERS........................................ 14
Voertuigidentificatiennummer ...........
Typeplaatje .....................................
Motornummer..................................
Artikelnummer voorvork ....................
Artikelnummer schokdemper.............
14
14
14
14
15
BEDIENINGSELEMENTEN........................... 16
6.1
6.2
6.3
6.4
6.5
6.6
6.7
6.8
6.9
6.10
6.11
6.12
6.13
6.14
6.15
Koppelingshendel ............................
Remhendel......................................
Gashendel .......................................
Uitschakelknop................................
Startknop ........................................
Combinatieschakelaar.......................
Overzicht controlelampjes .................
Bedrijfsurenteller .............................
Tankdop openen ..............................
Tankdop sluiten ...............................
Koude-startknop ..............................
Regelschroef stationair toerental........
Versnellingshendel ...........................
Rempedaal......................................
Plug-in-standaard
(Alle SX‑F-modellen) ........................
16
16
16
16
17
17
17
18
18
19
20
21
21
22
22
9
Aanwijzingen voor eerste
inbedrijfstelling ...............................
Motor inrijden..................................
Startvermogen van lithium-ionaccu's bij lage temperaturen .............
Voertuig voorbereiden op zwaardere
gebruiksomstandigheden ..................
Voertuig voor rijden op droog zand
voorbereiden....................................
Voertuig voor rijden op nat zand
voorbereiden....................................
Voertuig voor rijden op nat en
modderig circuit voorbereiden ...........
Voertuig voor hoge temperaturen of
langzaam rijden voorbereiden ............
Voertuig voor lage temperaturen of
sneeuw voorbereiden ........................
24
25
26
26
26
27
28
28
28
RIJ-INSTRUCTIES....................................... 29
8.1
AFBEELDING VOERTUIG ............................. 12
5.1
5.2
5.3
5.4
5.5
2
Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik.......
Onjuist gebruik ..................................
Veiligheidsaanwijzingen ......................
Gevarenniveau en pictogrammen .........
Waarschuwing voor manipulaties .........
Veilig gebruik ....................................
Beschermende kleding .......................
Werkinstructies..................................
Milieu ...............................................
Bedieningshandleiding .......................
Zijstandaard (XC‑F US) ..................... 22
Factory-Start (Factory Edition)........... 23
INBEDRIJFSTELLING.................................. 24
2.1
2.2
2.3
2.4
2.5
2.6
2.7
2.8
2.9
2.10
4.2
6
7
7.1
4.1
5
Gebruikte pictogrammen..................... 5
Gebruikte formatering......................... 5
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN ........................ 6
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
4
6.16
6.17
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN................. 5
Controle en onderhoud voor iedere
inbedrijfstelling ...............................
Voertuig starten ...............................
Launch‑Control activeren ..................
Tractiecontrole activeren...................
Factory-Start activeren
(Factory Edition) ..............................
Beginnen met rijden.........................
Schakelen, rijden .............................
Afremmen .......................................
Stoppen, parkeren............................
Transporteren ..................................
Brandstof tanken .............................
29
29
30
31
31
32
32
33
33
34
34
SERVICESCHEMA ....................................... 36
9.1
9.2
9.3
Extra informatie ............................... 36
Verplichte werkzaamheden................ 36
Aanbevolen werkzaamheden.............. 37
10 CHASSIS AFSTELLEN ................................. 39
10.1
10.2
10.3
10.4
10.5
10.6
10.7
Basisinstelling chassis voor
bestuurdersgewicht controleren .........
Luchtvering XACT ............................
Ingaande demping schokdemper .......
Ingaande demping lowspeed van de
schokdemper instellen......................
Ingaande demping highspeed van de
schokdemper instellen......................
Uitgaande demping van de
schokdemper instellen......................
Maat achterwiel zonder belasting
bepalen...........................................
39
39
40
40
41
42
43
INHOUDSOPGAVE
10.8
10.9
10.10
10.11
10.12
10.13
10.14
10.15
10.16
10.17
Statische veerweg schokdemper
controleren......................................
Dynamische veerweg schokdemper
controleren......................................
Veervoorspanning schokdemper
instellen ......................................
Dynamische veerweg instellen .......
Basisinstelling voorvork controleren ...
Voorvorkluchtdruk instellen ...............
Ingaande demping voorvork
instellen..........................................
Uitgaande demping voorvork
instellen..........................................
Stuurstand ......................................
Stuurstand instellen .....................
44
44
45
46
47
47
49
49
50
51
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS ......... 52
11.1
11.2
11.3
11.4
11.5
11.6
11.7
11.8
11.9
11.10
11.11
11.12
11.13
11.14
11.15
11.16
11.17
11.18
11.19
11.20
11.21
11.22
11.23
11.24
11.25
11.26
11.27
11.28
11.29
11.30
11.31
11.32
11.33
Motorfiets met hefbok opkrikken .......
Motorfiets van hefbok nemen ............
Vorkpoten ontluchten .......................
Vuilschrapers vorkpoten reinigen .......
Voorvorkprotector demonteren ...........
Voorvorkprotector monteren...............
Motorbescherming demonteren
(Alle SX‑F speciale modellen)............
Motorbescherming monteren
(Alle SX‑F speciale modellen)............
Vorkpoten demonteren ..................
Vorkpoten monteren ......................
Onderste kroonplaat demonteren ....
Onderste kroonplaat monteren .......
Speling balhoofdlager controleren......
Speling balhoofdlager instellen ......
Balhoofdlager smeren ...................
Startnummerbord demonteren...........
Startnummerbord monteren ..............
Spatbord voor demonteren ................
Spatbord voor monteren....................
Schokdemper demonteren .............
Schokdemper monteren ................
Zadel verwijderen.............................
Zadel monteren................................
Deksel luchtfilterbak demonteren ......
Deksel luchtfilterbak monteren..........
Luchtfilter demonteren .................
Luchtfilter en luchtfilterbak
reinigen .......................................
Luchtfilter monteren .....................
Luchtfilterbak-deksel op borging
voorbereiden ................................
Einddemper demonteren...................
Einddemper monteren ......................
Glasvezelvulling van einddemper
vervangen ....................................
Brandstoftank demonteren ............
52
52
53
53
54
54
55
55
56
56
57
59
62
63
64
64
64
64
65
66
67
68
69
69
70
71
72
73
73
74
74
75
76
11.34
11.35
11.36
11.37
11.38
11.39
11.40
11.41
11.42
11.43
11.44
11.45
11.46
Brandstoftank monteren ................
Kettingvervuiling controleren.............
Ketting reinigen ...............................
Kettingspanning controleren .............
Kettingspanning instellen .................
Ketting, kettingwiel,
ketting-aandrijfwiel en
kettinggeleiding controleren ..............
Frame controleren ........................
Achterbrug controleren ..................
Gaskabelplaatsing controleren ...........
Rubberen stuurcovers controleren......
Uitgangspositie koppelingshendel
instellen..........................................
Vloeistofpeil hydraulische koppeling
controleren/corrigeren.......................
Vloeistof van de hydraulische
koppeling verversen ......................
78
80
80
81
81
82
85
85
85
86
86
87
88
12 REMSYSTEEM ............................................ 90
12.1
12.2
12.3
12.4
12.5
12.6
12.7
12.8
12.9
12.10
12.11
12.12
12.13
Vrije slag remhendel controleren........
Uitgangspositie van de
handremhendel instellen ..................
Remschijven controleren...................
Remvloeistofpeil voorwielrem
controleren......................................
Remvloeistof van de voorwielrem
bijvullen ......................................
Remplaketten van de voorwielrem
controleren......................................
Remplaketten van de voorwielrem
vervangen ....................................
Vrije slag rempedaal controleren ........
Uitgangspositie van het rempedaal
instellen ......................................
Remvloeistofpeil achterwielrem
controleren......................................
Remvloeistof achterwielrem
bijvullen ......................................
Remplaketten van de achterwielrem
controleren......................................
Remplaketten van de achterwielrem
vervangen ....................................
90
90
90
91
92
93
93
96
96
97
97
99
99
13 WIELEN, BANDEN .................................... 102
13.1
13.2
13.3
13.4
13.5
13.6
13.7
Voorwiel demonteren ..................
Voorwiel monteren ......................
Achterwiel demonteren ...............
Achterwiel monteren ...................
Bandentoestand controleren............
Bandenspanning controleren ...........
Spaakspanning controleren .............
102
103
104
105
106
107
107
14 ELEKTRONICA.......................................... 109
14.1
14.2
12V-accu demonteren ................. 109
12V-accu monteren .................... 109
3
INHOUDSOPGAVE
14.3
14.4
14.5
12V-accu laden .......................... 110
Hoofdzekering vervangen ................ 111
Diagnosestekker............................. 112
15 KOELSYSTEEM......................................... 113
15.1
15.2
15.3
15.4
15.5
15.6
Koelsysteem ..................................
Antivries en koelmiddelpeil
controleren....................................
Koelmiddelpeil controleren .............
Koelmiddel aftappen ..................
Koelmiddel vullen ......................
Koelmiddel verversen .....................
113
113
114
114
115
116
16 MOTOR AFSTELLEN ................................. 118
16.1
16.2
16.3
16.4
16.5
16.6
16.7
16.8
Speling gaskabel controleren...........
Speling gaskabel instellen ...........
Eigenschappen van de gasrespons
instellen ....................................
Mapping wijzigen ...........................
Stationair toerental instellen ........
Smoorkleppositie programmeren......
Uitgangspositie versnellingshendel
controleren....................................
Uitgangspositie van de
versnellingshendel instellen .........
17.4
Brandstofzeef vervangen .............
Motoroliepeil controleren ................
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen ...
Motorolie bijvullen .........................
123
123
125
127
127
130
Motorfiets reinigen ......................... 131
Stalling ......................................... 133
Inbedrijfname na stalling ................ 134
21 KNIPPERCODE ......................................... 137
22 TECHNISCHE GEGEVENS.......................... 139
4
Motor............................................
Aanhaalmomenten motor ................
Vulhoeveelheden............................
Motorolie ..................................
Koelmiddel ...............................
Brandstof ..................................
Chassis .........................................
Elektronica....................................
Banden .........................................
Voorvork........................................
alle EU-modellen .......................
25 NORMEN ................................................. 154
28 LIJST MET SYMBOLEN ............................. 157
20 FOUTEN OPSPOREN................................. 135
22.1
22.2
22.3
22.3.1
22.3.2
22.3.3
22.4
22.5
22.6
22.7
22.7.1
24 HULPSTOFFEN......................................... 152
120
121
121
122
19 STALLING ................................................ 133
19.1
19.2
23 GEBRUIKSSTOFFEN ................................. 150
26 LIJST MET VAKBEGRIPPEN ...................... 155
18 REINIGING, ONDERHOUD......................... 131
18.1
143
144
144
145
145
145
146
147
148
118
118
17 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR ......... 125
17.1
17.2
17.3
22.7.2
SX‑F US....................................
22.7.3
XC‑F US....................................
22.7.4
Factory Edition ..........................
22.8 Schokdemper ................................
22.8.1
alle EU-modellen .......................
22.8.2
SX‑F US....................................
22.8.3
XC‑F US....................................
22.8.4
Factory Edition ..........................
22.9 Aanhaalmomenten chassis ..............
139
140
141
141
141
141
142
142
143
143
143
27 LIJST MET AFKORTINGEN ........................ 156
28.1
Gele of oranje pictogrammen........... 157
INDEX ............................................................. 158
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN 1
1.1
Gebruikte pictogrammen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde pictogrammen toegelicht.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit pictogram zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch
begrip. Laat de werkzaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTMgarage! Daar wordt uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige medewerkers met het
benodigde hulpgereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Kenmerkt een aanwijzing met verdere informatie of tips.
Kenmerkt het resultaat uit een test-/controlestap.
Kenmerkt een spanningsmeting.
Kenmerkt een stroommeting.
Kenmerkt het einde van een werkzaamheid, inclusief eventuele nabewerkingen.
1.2
Gebruikte formatering
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam
Kenmerkt een eigennaam.
Naam®
Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™
Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
Onderstreepte woorden
Verwijzen naar technische details van het voertuig of kenmerken vaktermen
die in de begrippenlijst worden uitgelegd.
5
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.1
Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik
(Alle SX‑F-modellen)
Dit voertuig is zodanig ontworpen en gebouwd dat het gangbare belastingen bij normale races kan weerstaan.
Dit voertuig voldoet aan het geldende reglement en de geldende categorieën van de hoogste internationale
motorsportbonden.
Info
Gebruik dit voertuig uitsluitend op afgesloten trajecten buiten het openbare wegennet.
(XC‑F US)
Dit voertuig is zodanig ontworpen en gebouwd dat het gangbare belastingen bij normale races kan weerstaan.
Dit voertuig voldoet aan het geldende reglement en de geldende categorieën van de hoogste internationale
motorsportbonden.
Info
Gebruik dit voertuig uitsluitend op afgesloten trajecten buiten het openbare wegennet.
Dit voertuig is speciaal ontworpen voor langeafstandsraces op het terrein en niet voor het overwegende
gebruik in de motocross.
2.2
Onjuist gebruik
Gebruik het voertuig uitsluitend op de beoogde wijze.
Het niet op de beoogde wijze gebruiken van het voertuig kan leiden tot gevaren voor personen, materiaal en
milieu.
Elk gebruik van het voertuig anders dan op de beoogde wijze geldt als onjuist gebruik.
Als onjuist gebruik geldt ook het gebruik van bedrijfs- en hulpmiddelen die niet voldoen aan de vereiste specificaties.
2.3
Veiligheidsaanwijzingen
Voor een veilige omgang met het beschreven product dienen enkele veiligheidsaanwijzingen in acht te worden
genomen. Lees daarom deze handleiding en alle andere handleidingen in de omvang van de levering zorgvuldig door. De veiligheidsaanwijzingen zijn geaccentueerd en met links gekoppeld aan de relevante plaatsen in de
tekst.
Info
Op goed zichtbare plaatsen op het beschreven product zijn verschillende aanwijzings- en waarschuwingsstickers aangebracht. Geen stickers met aanwijzingen en waarschuwingen verwijderen. Als deze ontbreken
kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor letsel oplopen.
6
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.4
Gevarenniveau en pictogrammen
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg
heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
2.5
Waarschuwing voor manipulaties
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de componenten van de geluidsdemping. De volgende
maatregelen of de realisatie van de betreffende toestanden zijn wettelijk verboden:
1
Verwijderen of buiten werking stellen van systemen of componenten van een nieuw voertuig die de geluidsdemping dienen voordat het wordt verkocht of geleverd aan de eindklant of tijdens de gebruiksduur van het
voertuig voor andere doeleinden dan voor service, reparatie of vervanging, evenals
2
Gebruik van het voertuig nadat een dergelijk systeem of een dergelijke component verwijderd of buiten werking is gesteld.
Voorbeelden van wettelijk verboden manipulaties:
1
Verwijderen of doorboren van einddempers, geluidsdempers, bochtstukken of andere componenten die uitlaatgassen geleiden.
2
Verwijderen of doorboren van delen van het inlaatsysteem.
3
Gebruik in niet-correcte onderhoudstoestand.
4
Vervangen van bewegende onderdelen van het voertuig, onderdelen van het uitlaatsysteem of onderdelen van
het inlaatsysteem door onderdelen die niet door de fabrikant zijn toegelaten.
2.6
Veilig gebruik
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
–
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
7
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
–
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
–
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Het voertuig uitsluitend in technisch goede staat, op de boogde wijze, en veiligheids- en milieubewust gebruiken.
Het voertuig mag uitsluitend door geïnstrueerde personen worden gebruikt.
Storingen die de veiligheid beperken onmiddellijk in een geautoriseerde KTM-garage laten verhelpen.
De op het voertuig aangebrachte stickers met aanwijzingen en waarschuwingen in acht nemen.
2.7
Beschermende kleding
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
–
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Voor uw eigen veiligheid adviseert KTM om het voertuig uitsluitend te gebruiken met geschikte, beschermende
kleding.
2.8
Werkinstructies
Voor zover niet anders aangegeven moet bij alle werkzaamheden het contact zijn uitgeschakeld (modellen met
contactslot, modellen met transpondersleutel) resp. de motor stilstaan (modellen zonder contactslot of transpondersleutel).
Voor enkele werkzaamheden zijn hulpgereedschappen vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar
kunnen worden besteld onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: lagertrekker
(15112017000)
Onderdelen die niet kunnen worden hergebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen,
dichtringen, keerringen, splitpennen, borgplaten) tijdens de montage door nieuwe onderdelen vervangen.
Voor enkele schroefverbindingen is schroefborging (bijvoorbeeld Loctite®) vereist. Specifieke aanwijzingen van de
fabrikant bij het gebruik in acht nemen.
Als op een nieuw onderdeel reeds schroefborgmiddel (bijv. Precote®) is aangebracht, geen extra borgmiddel aanbrengen.
Onderdelen die na de demontage worden hergebruikt, reinigen en controleren op beschadiging en slijtage.
Beschadigde of versleten onderdelen vervangen.
Na een reparatie of servicebeurt controleren of het voertuig verkeersveilig is.
8
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.9
Milieu
Door op een verantwoorde manier met uw motorfiets om te gaan kunt u ervoor zorgen dat er geen problemen en
conflicten ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen mag u de motorfiets alleen legaal gebruiken, dient u milieubewust te handelen en de rechten van anderen te respecteren.
Houdt u zich bij het afvoeren van oude olie, andere verbruiks- en hulpstoffen en oude onderdelen aan de geldende wet- en regelgeving in het betreffende land.
Omdat motorfietsen niet onder de EU-richtlijn voor de afdanking van oude voertuigen vallen bestaat er geen wettelijke regeling voor het afdanken van een oude motorfiets. Uw geautoriseerde KTM-dealer is u graag van dienst.
2.10
Bedieningshandleiding
Lees de bedieningshandleiding beslist goed en volledig door voordat u voor het eerst gaat rijden. In de bedieningshandleiding vindt u veel informatie en tips die bediening, gebruik en service eenvoudiger maken. Alleen zo
komt u te weten hoe u het voertuig het beste afstelt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen.
Bewaar de bedieningshandleiding op een eenvoudig toegankelijke plaats, zodat u deze op ieder moment kunt
raadplegen wanneer dat nodig is.
Neem contact op met een geautoriseerde KTM-dealer wanneer u meer over het voertuig wilt weten of wanneer
tijdens het lezen iets niet duidelijk is.
De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van het voertuig en moet bij verkoop aan de nieuwe eigenaar worden gegeven.
De bedieningshandleiding is bovendien als download op uw geautoriseerde KTM Motorcycles-dealer en op de
KTM Motorcycles-website beschikbaar.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
9
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
3.1
Garantie
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend door een geautoriseerde KTM-garage
worden uitgevoerd en moeten in het KTM Dealer.net worden bevestigd, omdat anders de garantie volledig vervalt.
Bij schade of gevolgschade die door manipulaties en/of wijzigingen aan het voertuig zijn veroorzaakt, bestaat er
geen aanspraak op garantie.
3.2
Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Bedrijfsmiddelen en hulpstoffen volgens de bedieningshandleiding en specificaties gebruiken.
3.3
Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en/of aanbevolen en laat deze alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor veroorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren zijn bij de betreffende beschrijvingen tussen haakjes aangegeven. Uw
geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
3.4
Service
Voorwaarde voor een storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de
bedieningshandleiding genoemde service­, onderhouds- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis.
Door een onjuist afgesteld chassis kunnen chassiscomponenten beschadigen of afbreken.
Wanneer het voertuig onder zwaardere omstandigheden wordt gebruikt zoals op zand of op een nat of modderig
traject/terrein, kunnen componenten zoals aandrijving, remsystemen of veringscomponenten duidelijk sneller verslijten. Daarom kan het nodig zijn onderdelen reeds voor het bereiken van het volgende service-interval te controleren of te vervangen.
Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De inachtneming
daarvan draagt in belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
Bij de intervallen gebaseerd op tijd of kilometerstand is het interval dat als eerste komt doorslaggevend.
3.5
Afbeeldingen
De in de handleiding weergegeven afbeeldingen tonen deels speciale uitrustingen.
Voor een betere weergave en toelichting kunnen enkele onderdelen gedemonteerd of niet afgebeeld zijn. Voor de
betreffende beschrijving is het echter niet altijd noodzakelijk dat deze onderdelen worden gedemonteerd. Houdt u
zich aan de aanwijzingen in de tekst.
3.6
Klantenservice
De geautoriseerde KTM-dealer beantwoordt graag uw vragen over uw voertuig of over KTM.
10
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
De lijst met geautoriseerde KTM-dealers vindt u op de KTM-website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
11
4 AFBEELDING VOERTUIG
4.1
Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)
F01516-10
1
2
3
4
5
6
7
8
12
Remhendel (
pag. 16)
Koppelingshendel (
pag. 16)
Tankdop
Deksel luchtfilterbak
Plug-in-standaard (
Koude-startknop (
Motornummer (
pag. 22) (Alle SX‑F-modellen)
pag. 20)
pag. 14)
Versnellingshendel (
pag. 21)
AFBEELDING VOERTUIG 4
4.2
Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)
F01517-10
1
2
3
4
5
6
6
7
8
9
bk
bl
bm
Schokdemperinstelling ingaande demping
Combinatieschakelaar (
Uitschakelknop (
Startknop (
Gashendel (
pag. 17)
pag. 16)
pag. 17)
pag. 16)
Voertuigidentificatiennummer (
Typeplaatje (
pag. 14)
pag. 14)
Artikelnummer voorvork (
pag. 14)
Regelschroef stationair toerental (
Rempedaal (
pag. 21)
pag. 22)
Kijkglas motorolie
Schokdemperinstelling uitgaande demping
Artikelnummer schokdemper (
pag. 15)
13
5 SERIENUMMERS
5.1
Voertuigidentificatiennummer
Het voertuigidentificatienummer
balhoofd gegraveerd.
1 is aan de rechterkant van het
401945-10
5.2
Typeplaatje
Het typeplaatje
bracht.
1 is aan de voorzijde van het balhoofd aange-
401946-10
5.3
Motornummer
Het motornummer
veerd.
1 is aan de linkerkant van de motor gegra-
H00940-10
5.4
Artikelnummer voorvork
Het artikelnummer van de voorvork
de asopname gegraveerd.
401947-10
14
1 is aan de binnenkant van
SERIENUMMERS 5
5.5
Artikelnummer schokdemper
1
Het artikelnummer van de schokdemper
is op het bovenste
deel van de schokdemper boven de stelring naar de motorzijde toe
gegraveerd.
401948-10
15
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.1
Koppelingshendel
1
De koppelingshendel
is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
De koppeling wordt hydraulisch bediend en automatisch bijgesteld.
S01192-10
6.2
Remhendel
1
De remhendel
is aan de rechterkant van het stuur
aangebracht.
De voorwielrem wordt bediend met de remhendel.
S01193-10
6.3
Gashendel
De gashendel
aangebracht.
1 is aan de rechterzijde van het stuur
S01193-11
6.4
Uitschakelknop
De uitschakelknop
1 is links aan het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Uitschakelknop in de uitgangspositie – In deze stand is het
ontstekingscircuit gesloten en kan de motor worden gestart.
• Uitschakelknop ingedrukt – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit
en een stilstaande motor schakelt niet in.
S01194-10
16
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.5
Startknop
De startknop
1 is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Startknop in de uitgangspositie
• Startknop ingedrukt – In deze stand wordt de startmotor
geactiveerd.
S01195-10
6.6
Combinatieschakelaar
De combinatieschakelaar is links op het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
1
STANDARD – Bij brandende led 1 is
STANDARD Mapping geactiveerd.
1TC
STANDARD met TC – Bij brandende leds 1 en TC is
STANDARD Mapping met de tractiecontrole geactiveerd.
2
ADVANCED – Bij brandende led 2 is ADVANCED Mapping geactiveerd.
2TC
ADVANCED met TC – Bij brandende leds 2 en TC is
ADVANCED Mapping met de tractiecontrole geactiveerd.
Met de knop MAP van de combinatieschakelaar kan de motorkarakteristiek worden gewijzigd.
Bovendien kunnen via de combinatieschakelaar de Launch-Control
en de tractiecontrole worden geactiveerd.
H02887-01
6.7
Overzicht controlelampjes
Mogelijke toestanden
Controlelampje storing brandt/knippert oranje – De
OBD heeft een fout in de voertuigelektronica geconstateerd.
Controlelampje storing knippert snel oranje – De
Launch‑Control is geactiveerd.
(XC‑F US)
F01577-10
Waarschuwingslampje brandstofpeil brandt oranje
– Het brandstofpeil heeft de reservemarkering
bereikt.
17
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.8
Bedrijfsurenteller
1
De bedrijfsurenteller
is voor het stuur aangebracht.
Hij geeft het totale aantal bedrijfsuren van de motor aan.
De bedrijfsurenteller begint te tellen als de motor wordt gestart en
hij stopt als de motor wordt uitgeschakeld.
Info
Op de bedrijfsurenteller kan niets worden gewist of ingesteld.
F01571-10
6.9
Tankdop openen
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
(Alle SX‑F-modellen)
– Tankdop
tegen de klok in draaien en naar boven toe
verwijderen.
1
F01518-10
18
BEDIENINGSELEMENTEN 6
(XC‑F US)
– Ontgrendelknop
indrukken, tankdop tegen de klok in
draaien en naar boven toe verwijderen.
1
F01557-10
6.10
Tankdop sluiten
(Alle SX‑F-modellen)
– Tankdop
plaatsen en met de klok mee draaien tot de
brandstoftank goed gesloten is.
1
Info
Slang van de brandstoftankontluchting
knikken leggen.
2 zonder
F01519-10
(XC‑F US)
– Tankdop plaatsen en met de klok mee draaien tot de ontgrendelknop
vergrendelt.
1
Info
Slang van de brandstoftankontluchting
knikken leggen.
2 zonder
F01556-10
19
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.11
Koude-startknop
(Alle SX‑F-modellen)
De koude-startknop
bracht.
1 is onder aan het smoorklephuis aange-
(XC‑F US)
De koude-startknop
bracht.
1 is onder aan het smoorklephuis aange-
F01520-10
Bij koude motor en lage omgevingstemperatuur verlengt de elektronische brandstofinspuiting de inspuittijd. Om de grotere hoeveelheid brandstof te verbranden, wordt er extra zuurstof aan de
motor toegevoerd door het uittrekken van de koude-startknop.
Als kort gas wordt gegeven en de gashendel dan wordt losgelaten of de gashendel naar voren wordt gedraaid, springt de koudestartknop terug in de uitgangspositie.
Info
Controleer of de koude-startknop is teruggekeerd naar de
uitgangspositie.
F01558-10
20
Mogelijke toestanden
• Koude-startknop geactiveerd – Koude-startknop is tot de aanslag ingedrukt.
• Koude-startknop gedeactiveerd – Koude-startknop staat in de
uitgangspositie.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.12
Regelschroef stationair toerental
De stationaire afstelling van de regelklep is van grote invloed op
het startgedrag, een stabiel stationair toerental en de response bij
het gas geven.
Een motor met een correct ingesteld stationair toerental start makkelijker dan een motor met een verkeerd ingesteld stationair toerental.
Het stationaire toerental wordt met de regelschroef stationair toerental
afgesteld.
Als de regelschroef stationair toerental met de klok mee wordt
gedraaid, wordt het stationaire toerental hoger.
Als de regelschroef stationair toerental tegen de klok in wordt
gedraaid, wordt het stationaire toerental lager.
1
F01521-10
6.13
Versnellingshendel
De versnellingshendel
gemonteerd.
1 is aan de linkerkant van de motor
401950-10
(alle EU-modellen)
De positie van de versnellingen kan afgelezen worden van de
afbeelding.
De neutrale of stationaire stand bevindt zich tussen de 1e en
2e versnelling.
401950-14
(Alle US-modellen)
De positie van de versnellingen kan afgelezen worden van de
afbeelding.
De neutrale of stationaire stand bevindt zich tussen de 1e en
2e versnelling.
401950-13
21
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.14
Rempedaal
1
Het rempedaal
bevindt zich voor de rechter voetsteun.
Met het rempedaal wordt de achterwielrem bediend.
401956-10
6.15
Plug-in-standaard (Alle SX‑F-modellen)
1
De opname voor de plug-in-standaard
is de linkerzijde van de
steekas.
De plug-in-standaard wordt gebruikt voor het parkeren van de
motorfiets.
Bij het transporteren van de motorfiets wordt de plug-in-standaard
als vorkblokkering gebruikt.
Info
H02629-10
6.16
De plug-in-standaard verwijderen voordat u gaat rijden.
Aan de opnamen van de plug-in-standaard kan gereedschap worden bevestigd.
Zijstandaard (XC‑F US)
De zijstandaard
1 bevindt zich aan de linker voertuigzijde.
401943-10
De zijstandaard wordt gebruikt voor het parkeren van de motorfiets.
Info
1
Tijdens het rijden moet de zijstandaard
worden opgeklapt en met de rubberband
zijn vastgezet.
2
401944-10
22
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.17
Factory-Start (Factory Edition)
De Factory-Start
bracht.
1 is aan de rechter voorvork-protector aange-
Mogelijke toestanden
•
Factory-Start gedeactiveerd – De voorvork bevindt zich in
de normale toestand.
•
Factory-Start geactiveerd – De voorvork is ingeveerd en de
voorkant van de motorfiets is verlaagd.
A
B
Door het activeren van de Factory-Start wordt de voorkant van de
motorfiets verlaagd, waardoor het voorwiel bij het versnellen later
loskomt van de bodem.
Bij het eerste inveren komt de vergrendelknop van de Factory-Start
automatisch los. De voorvork werkt vanaf dat moment als bij een
gedeactiveerde of niet-gemonteerde Factory-Start.
S02283-10
23
7 INBEDRIJFSTELLING
7.1
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
–
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
–
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Verschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
–
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een niet-aangepaste rijwijze beïnvloedt het rijgedrag.
–
Pas de rijsnelheid aan de toestand van de rijweg en uw rijvaardigheden aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het voertuig is niet geschikt voor het meenemen van een bijrijder.
–
Neem geen bijrijder mee.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
–
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Totaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
–
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor diefstal Onbevoegd handelende personen vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Laat het voertuig nooit zonder opzicht achter, als de motor loopt.
–
Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Info
Houd er bij het gebruik van de motorfiets rekening mee dat andere mensen last kunnen hebben van overmatig lawaai.
–
Controleren of de werkzaamheden van de controle voor de verkoop zijn uitgevoerd door een geautoriseerde
KTM-garage.
–
Voor de eerste rit de gehele bedieningshandleiding doorlezen.
–
Met de bedieningselementen vertrouwd maken.
U ontvangt het leveringsdocument bij de overdracht van het voertuig.
24
INBEDRIJFSTELLING 7
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel instellen. (
–
Uitgangspositie van de handremhendel instellen. (
–
Uitgangspositie van het rempedaal instellen.
–
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen.
–
Eerst op een hiervoor geschikt terrein wennen aan het rijgedrag van de motorfiets voordat u een veeleisende
tocht onderneemt.
(
pag. 86)
pag. 90)
pag. 96)
(
pag. 123)
Info
Dit voertuig is niet goedgekeurd voor het rijden op openbare wegen.
Bij het rijden op het terrein is het raadzaam iemand met een tweede voertuig mee te nemen om elkaar
te assisteren.
–
Ook eens zo langzaam mogelijk proberen te rijden en staand te rijden, zodat u meer gevoel voor de motorfiets
krijgt.
–
Geen ritten maken die te moeilijk voor u zijn.
–
Het stuur tijdens het rijden met beide handen vasthouden en de voeten op de voetsteunen laten rusten.
(Alle SX‑F-modellen)
– Geen bagage meenemen.
(XC‑F US)
– Wanneer bagage wordt meegenomen, moet deze zo veel mogelijk in het midden van het voertuig veilig
worden vastgezet en het gewicht moet gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
Info
Motorfietsen zijn gevoelig voor veranderingen in de gewichtsverdeling.
–
Het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximaal toegestane aslasten aanhouden.
Voorgeschreven waarde
–
335 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor
145 kg
Maximale asbelasting achter
190 kg
Motor inrijden. (
7.2
–
Maximaal toegestaan totaalgewicht
pag. 25)
Motor inrijden
Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental en motorvermogen niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
Tijdens het eerste rij-uur
7.000 1/min
Maximaal motorvermogen
Tijdens de eerste 3 rij-uren
–
≤ 75 %
Vol gas geven vermijden!
25
7 INBEDRIJFSTELLING
7.3
Startvermogen van lithium-ion-accu's bij lage temperaturen
Lithium-ion-accu's zijn veel lichter dan lood-zuur-accu's, hebben
een lage zelfontlading en bij temperaturen boven 15 °C (60 °F)
meer startvermogen. Het startvermogen van lithium-ion-accu's
neemt bij lage temperaturen meer af dan dat van dan loodaccu's.
Er kunnen verschillende startpogingen nodig zijn. Hiervoor 5
seconden de startknop indrukken en tussendoor 30 seconden
wachten. De onderbrekingen zijn noodzakelijk opdat de ontstane
warmte zich kan verdelen over de lithium-ion-accu en de 12V-accu
niet beschadigd raakt.
Wanneer de opgeladen lithium-ion-accu bij temperaturen onder
de 15 °C (60 °F) de starter niet of nauwelijks doortrekt, is hij niet
defect, maar moet hij inwendig worden opgewarmd om het startvermogen (stroomafgifte) te verhogen.
Het startvermogen neemt toe met de opwarming.
402555-01
7.4
Voertuig voorbereiden op zwaardere gebruiksomstandigheden
Info
Wanneer het voertuig onder zwaardere omstandigheden wordt gebruikt zoals op zand of op een nat of modderig traject/terrein, kunnen componenten zoals aandrijving, remsystemen of veringscomponenten duidelijk sneller verslijten. Daarom kan het nodig zijn onderdelen reeds voor het bereiken van het volgende
service-interval te controleren of te vervangen.
–
Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen.
(
pag. 72)
Info
Luchtfilter ca. om de 30 minuten controleren.
–
Luchtfilterbak-deksel op borging voorbereiden.
–
Elektrische stekkers controleren op vocht en roest. Controleren of ze goed vastzitten.
»
(
pag. 73)
Als ze vochtig, verroest of beschadigd zijn:
–
Stekker reinigen en drogen, indien nodig vervangen.
Zwaardere gebruiksomstandigheden zijn:
– Rijden op droog zand. ( pag. 26)
–
Rijden op nat zand. (
–
Rijden op nat en modderig circuit. (
–
Rijden bij hoge temperaturen of langzaam rijden. (
–
Rijden bij lage temperaturen of sneeuw. (
7.5
pag. 27)
pag. 28)
pag. 28)
pag. 28)
Voertuig voor rijden op droog zand voorbereiden
–
Luchtfilter-stofbescherming monteren.
Luchtfilter-stofbescherming (79006920000)
Info
Montagehandleiding voor KTM PowerParts in acht
nemen.
102136-01
26
INBEDRIJFSTELLING 7
–
Luchtfilter-zandbescherming monteren.
Luchtfilter-zandbescherming (79006922000)
Info
Montagehandleiding voor KTM PowerParts in acht
nemen.
102138-01
–
Ketting reinigen.
Kettingreinigingsmiddel (
–
Staalkettingwiel monteren.
–
Ketting smeren.
Universele oliespray (
pag. 152)
pag. 153)
–
Radiateurlamellen reinigen.
–
Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.
600868-01
7.6
Voertuig voor rijden op nat zand voorbereiden
–
Luchtfilter-waterbescherming monteren.
Luchtfilter-waterbescherming (79006921000)
Info
Montagehandleiding voor KTM PowerParts in acht
nemen.
102137-01
–
Ketting reinigen.
Kettingreinigingsmiddel (
–
Staalkettingwiel monteren.
–
Ketting smeren.
Universele oliespray (
pag. 152)
pag. 153)
–
Radiateurlamellen reinigen.
–
Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.
600868-01
27
7 INBEDRIJFSTELLING
7.7
Voertuig voor rijden op nat en modderig circuit voorbereiden
–
Luchtfilter-waterbescherming monteren.
Luchtfilter-waterbescherming (79006921000)
Info
Montagehandleiding voor KTM PowerParts in acht
nemen.
102137-01
–
Staalkettingwiel monteren.
–
Motorfiets reinigen. (
–
Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.
pag. 131)
600868-01
7.8
Voertuig voor hoge temperaturen of langzaam rijden voorbereiden
–
Secundaire overbrenging aanpassen aan het circuit.
Info
De motorolie wordt snel heet als de koppeling wegens
een te lange secundaire overbrenging vaak moet worden
bediend.
–
600868-01
7.9
Ketting reinigen.
Kettingreinigingsmiddel (
pag. 152)
–
Radiateurlamellen reinigen.
–
Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.
–
Koelmiddelpeil controleren. (
pag. 114)
Voertuig voor lage temperaturen of sneeuw voorbereiden
–
Luchtfilter-waterbescherming monteren.
Luchtfilter-waterbescherming (79006921000)
Info
Montagehandleiding voor KTM PowerParts in acht
nemen.
102137-01
28
RIJ-INSTRUCTIES 8
8.1
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling
Info
Telkens voordat u gaat rijden controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gereden.
Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
H02217-01
–
Motoroliepeil controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren.
( pag. 97)
–
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
–
Controleren of het remsysteem goed werkt.
–
Koelmiddelpeil controleren. (
–
Vervuiling van de ketting controleren. (
–
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding
controleren. ( pag. 82)
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 81)
–
Bandentoestand controleren. (
pag. 106)
–
Bandenspanning controleren. (
pag. 107)
–
Spaakspanning controleren. (
pag. 127)
pag. 91)
pag. 93)
pag. 99)
pag. 114)
pag. 80)
pag. 107)
Info
De spaakspanning moet regelmatig worden gecontroleerd, omdat bij verkeerde spaakspanning de rijveiligheid ernstig nadelig wordt beïnvloed.
8.2
–
Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen. (
–
Vorkpoten ontluchten. (
–
Luchtfilter controleren.
–
Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en
soepel bewegen.
–
Alle schroeven, moeren en slangklemmen regelmatig op goed
vastzitten controleren.
–
Brandstofvoorraad controleren.
pag. 53)
pag. 53)
Voertuig starten
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Aanwijzing
Motorschade Hoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
–
Rij de motor altijd met een laag toerental warm.
29
8 RIJ-INSTRUCTIES
(Alle SX‑F-modellen)
– Plug-in-standaard
1 verwijderen.
H02629-10
(XC‑F US)
– Motorfiets van de zijstandaard
met de rubberband
borgen.
1 nemen en zijstandaard
2
–
Versnelling in stationair schakelen.
Voorwaarde
Omgevingstemperatuur: < 20 °C
–
Koude-startknop tot de aanslag indrukken.
401944-10
–
Startknop
indrukken.
Info
400733-01
8.3
Startknop maximaal 5 seconden indrukken. Tot de volgende startpoging 30 seconden wachten.
Bij temperaturen onder 15 °C (60 °F) kunnen er verschillende startpogingen nodig zijn om de lithium-ionaccu op te warmen, waardoor het startvermogen wordt
verhoogd.
Tijdens het starten brandt het controlelampje storing.
Launch‑Control activeren
Info
De Launch-Control ondersteunt de bestuurder bij de start van een race om optimaal op te trekken. Hiervoor wordt het maximale toerental van de motor bij vol geopende smoorklep (vol gas) verlaagd en na de
start geleidelijk vrijgegeven tot aan het maximale toerental. De koppeling moet net zo nauwkeurig worden
gedoseerd als zonder actieve Launch-Control.
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
De motor draait in stationair toerental.
De versnelling staat in stationair.
30
RIJ-INSTRUCTIES 8
–
Toetsen MAP en TC gelijktijdig ingedrukt houden.
Het controlelampje storing knippert snel oranje.
Info
Enkele seconden na de start wordt de Launch-Control
automatisch gedeactiveerd.
De Launch-Control wordt ook in de volgende gevallen
gedeactiveerd (controlelampje storing knippert niet
meer): na vol gas is de smoorklep meer dan 1/3 van
de gehele weg gesloten en/of binnen 3 minuten is de
motor niet gestart.
Om de Launch-Control opnieuw te activeren, moet de
motor om veiligheidsredenen minstens 10 seconden
uitgeschakeld zijn geweest. Dit geldt zowel met als zonder uitgevoerde start.
Als de motor al enige tijd heeft gelopen, moet de
motor eerst opnieuw worden gestart voordat de
Launch-Control kan worden geactiveerd.
H02884-01
8.4
Tractiecontrole activeren
Info
De tractiecontrole reduceert overmatige slip van het achterwiel voor meer controle en tractie, vooral bij
natte omstandigheden.
Als de tractiecontrole uitgeschakeld is, kan het achterwiel bij sterke acceleratie of op oppervlakken met
een lage hechting doordraaien.
De tractiecontrole kan ook tijdens het rijden worden in- en uitgeschakeld.
De laatst geselecteerde instelling is na opnieuw starten weer actief.
–
Toets TC indrukken om de tractiecontrole in of uit te schakelen.
Voorgeschreven waarde
Motortoerental
≤ 4.000 1/min
De TC-led brandt als de tractiecontrole geactiveerd is.
H02885-01
8.5
Factory-Start activeren (Factory Edition)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Bij vorst kan de bediening van de Factory-Start bevriezen.
Als de bediening bij geactiveerde Factory-Start vastvriest, veert de voorvork niet compleet uit.
De sterk gereduceerde veerweg heeft invloed op het rijgedrag.
–
Controleer of de bediening soepel beweegt, alvorens de Factory-Start te activeren.
–
Activeer de Factory-Start pas kort voor de start.
31
8 RIJ-INSTRUCTIES
–
Controleren of de vergrendelknop
–
Op de motorfiets gaan zitten en over het stuur buigen. De velg
vasthouden en voorvork inveren.
–
Vergrendelknop
indrukken tot de vergrendelknop op de
spanring
vergrendelt.
1 soepel beweegt.
1
2
Bij het eerste inveren ontgrendelt de vergrendelknop automatisch.
S02284-10
8.6
–
Beginnen met rijden
Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gelijktijdig
voorzichtig gas geven.
8.7
Schakelen, rijden
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Terugschakelen bij een hoog motortoerental blokkeert het achterwiel en overbelast de motor.
–
Schakel bij een hoog toerental niet terug naar een lagere versnelling.
Info
Als er tijdens het rijden ongewone geluiden optreden, meteen op veilige wijze stoppen, de motor uitzetten
en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
De 1e versnelling is de start- of bergversnelling.
–
Als de omstandigheden het toestaan (helling, rijsituatie etc.) kunt u naar een hogere versnelling schakelen.
Daarvoor gas loslaten, tegelijkertijd koppelingshendel trekken, naar de volgende versnelling schakelen, koppelingshendel vrijgeven en gas geven.
–
Als u bij het starten de koude-startknop heeft bediend, kort gas geven en de gashendel loslaten of de gashendel naar voren draaien.
–
Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale snelheid is bereikt, deze tot ¾ gas
terugdraaien. Pas uw snelheid aan de weggesteldheid en weersituatie aan. De snelheid verlaagt nauwelijks,
maar er wordt aanmerkelijk minder brandstof verbruikt.
–
Slechts zoveel gas geven als de motor op dat moment aankan - het abrupt opentrekken van de gashendel verhoogt het verbruik.
–
Voor het terugschakelen de motorfiets afremmen en tegelijkertijd gas terugnemen.
–
Aan de koppelingshendel trekken en naar een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gas geven resp. nog een keer schakelen.
–
Motor uitschakelen bij langdurig stationair toerental of bij stilstand.
De koude-startknop keert terug in de uitgangspositie.
Voorgeschreven waarde
≥ 1 min
–
Regelmatig of langdurig slepen van de koppeling vermijden. Daardoor verhit de motorolie, de motor en het
koelsysteem.
–
Met een lager toerental rijden in plaats van met een hoger toerental en slepende koppeling.
32
RIJ-INSTRUCTIES 8
8.8
Afremmen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door te sterk afremmen blokkeren de wielen.
–
Pas de remwijze aan de rijsituatie en rijwegsituatie aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een poreus drukpunt van voor- en/of achterwielrem vermindert de remwerking.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het remsysteem nadelig.
–
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
–
Op een zandige, regennatte of gladde ondergrond zo veel mogelijk de achterwielrem gebruiken.
–
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Afhankelijk van de snelheid naar een
lagere versnelling schakelen.
–
Tijdens langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor gebruiken. Hiervoor een of twee versnellingen
terugschakelen, maar de motor niet overbelasten. Zo moet aanzienlijk minder worden geremd en raakt het
remsysteem niet oververhit.
8.9
Stoppen, parkeren
Waarschuwing
Gevaar voor diefstal Onbevoegd handelende personen vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Laat het voertuig nooit zonder opzicht achter, als de motor loopt.
–
Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
–
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
–
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Aanwijzing
Materiaalschade Een onjuiste handelwijze bij parkeren beschadigt het voertuig.
Als het voertuig wegrolt of omvalt, kan aanzienlijke schade ontstaan.
De onderdelen voor parkeren van het voertuig zijn alleen berekend op het voertuiggewicht.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Zorg ervoor dat niemand op het voertuig gaat zitten wanneer het voertuig op de standaard staat.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
–
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
–
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
–
Motorfiets afremmen.
–
Versnelling in stationair schakelen.
–
Uitschakelknop
bij stationair toerental van de motor indrukken, totdat de motor stilstaat.
33
8 RIJ-INSTRUCTIES
–
Motorfiets op vaste ondergrond parkeren.
8.10
Transporteren
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
–
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
–
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
(Alle SX‑F-modellen)
– Motor uitzetten.
–
Plug‑in‑standaard aan de vorkpoten monteren.
Plug-in-standaard (79029094000)
Info
De plug‑in‑standaard maakt deel uit van de levering.
Zorg ervoor dat de remkabel voor de
plug-in-standaard verloopt en niet klemt.
H02628-01
–
Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigingsmiddelen borgen tegen omvallen en wegrollen.
Info
Spanriemen samentrekken tot plug-in-standaard
stevig tegen het spatbord en de banden ligt.
Op uitlijning van de plug-in-standaard ten opzichte
van de spatbordonderzijde letten.
401475-01
(XC‑F US)
– Motor uitzetten.
–
8.11
Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigingsmiddelen borgen tegen omvallen en wegrollen.
Brandstof tanken
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
34
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
RIJ-INSTRUCTIES 8
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Aanwijzing
Materiaalschade Door een slechte brandstofkwaliteit vervuilt het brandstoffilter.
In sommige landen en regio's is de beschikbare brandstofkwaliteit en -reinheid eventueel onvoldoende. Dit leidt
tot problemen in het brandstofsysteem.
–
Tank uitsluitend schone brandstof die aan de aangegeven norm voldoet. (De geautoriseerde KTM-garage is u
graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
–
Motor uitzetten.
–
Tankdop openen. (
–
Brandstoftank met brandstof vullen tot maximaal maat
pag. 18)
A.
Voorgeschreven waarde
Maat
35 mm
A
Brandstoftankvolume totaal ca. (Alle SX‑F-modellen)
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 150)
7l
Brandstoftankvolume totaal ca. (XC‑F US)
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 150)
401522-10
–
Tankdop sluiten. (
8,5 l
pag. 19)
35
9 SERVICESCHEMA
9.1
Extra informatie
Voor alle verdergaande werkzaamheden, die resulteren uit de verplichte werkzaamheden resp. de aanbevolen
werkzaamheden, moet een extra opdracht worden verstrekt, die ook apart in rekening wordt gebracht.
Afhankelijk van de lokale gebruiksomstandigheden kunnen in uw land afwijkende service-intervallen gelden.
In het kader van technische ontwikkelingen kunnen intervallen en omvang van afzonderlijke servicebeurten veranderen. Het meest recente serviceschema vindt u altijd op KTM Dealer.net. Uw geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
9.2
Verplichte werkzaamheden
na iedere race
om de 40 bedrijfsuren
om de 30 bedrijfsuren
om de 20 bedrijfsuren
om de 10 bedrijfsuren
na 1 bedrijfsuur
○
Foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen.
12V-accu controleren en opladen.
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
pag. 93)
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
Remschijven controleren. (
pag. 99)
pag. 90)
Remkabels controleren op beschadiging en dichtheid.
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
Vrije slag van het rempedaal controleren. (
Frame controleren.
(
Achterbrug controleren.
pag. 97)
pag. 96)
pag. 85)
(
pag. 85)
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
Achterbruglager op speling controleren.
●
Zwenklager op speling controleren.
●
●
●
●
●
Schokdemperbevestiging controleren.
●
●
●
●
●
Bandentoestand controleren. (
pag. 106)
○
●
●
●
●
●
Bandenspanning controleren. (
pag. 107)
○
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
Wiellager op speling controleren.
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
Alle bewegende onderdelen (bijv. hendels, ketting enz.) smeren en controleren of ze
soepel bewegen.
●
●
●
●
●
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling controleren/corrigeren. (
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
Wielnaven controleren.
Velgslag controleren.
Spaakspanning controleren. (
pag. 107)
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren.
( pag. 82)
Kettingspanning controleren. (
○
pag. 81)
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
Vrije slag van de remhendel controleren. (
Speling balhoofdlager controleren. (
pag. 87)
pag. 91)
pag. 90)
○
pag. 62)
Koppeling controleren.
36
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
○
Klepspeling controleren.
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
●
●
(
pag. 127)
○
●
SERVICESCHEMA 9
na iedere race
om de 40 bedrijfsuren
om de 30 bedrijfsuren
om de 20 bedrijfsuren
om de 10 bedrijfsuren
na 1 bedrijfsuur
Alle slangen (bijv. brandstof­, radiateur­, ontluchting­, aftapslangen, ...) en manchetten controleren op scheuren, dichtheid en correcte legging.
○
●
●
●
●
●
Antivries en koelmiddelpeil controleren. (
○
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
pag. 113)
Kabels controleren op beschadiging en leggen zonder knikken.
Bowdenkabels controleren op beschadiging, knikken en instelling.
Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen.
(
pag. 72)
Glasvezelvulling van einddemper vervangen.
(
●
pag. 75)
●
●
Voorvorkservice uitvoeren.
●
Schokdemperservice uitvoeren.
Controleren of makkelijk toegankelijke, veiligheidsrelevante schroeven en moeren
goed vastzitten.
○
●
●
●
●
●
Brandstofzeef vervangen.
○
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
(
pag. 125)
Brandstofdruk controleren.
Stationair toerental controleren.
○
●
●
●
●
●
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.
○
●
●
●
●
●
Na proefrit foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen.
○
●
●
●
●
●
Service in het KTM Dealer.net noteren.
○
●
●
●
●
●
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
9.3
Aanbevolen werkzaamheden
om de 100 bedrijfsuren
om de 50 bedrijfsuren
na 20 bedrijfsuren
na 10 bedrijfsuren
om de 12 maanden
●
Remvloeistof van de voorwielrem verversen.
●
Remvloeistof van de achterwielrem verversen.
Vloeistof van de hydraulische koppeling verversen.
Balhoofdlager smeren.
(
(
pag. 88)
pag. 64)
Voorvorkservice uitvoeren.
Schokdemperservice uitvoeren.
●
●
○
○
●
Brandstoffilter vervangen.
Klein onderhoud aan motor uitvoeren, motor is gemonteerd. (Bougie en bougiedop vervangen. Zuiger vervangen, cilinder controleren/meten en cilinderkop controleren. Nokkenas, tuimelaar en tuimelaarassen controleren. Distributie controleren.)
●
●
37
9 SERVICESCHEMA
om de 100 bedrijfsuren
om de 50 bedrijfsuren
na 20 bedrijfsuren
na 10 bedrijfsuren
om de 12 maanden
Groot motoronderhoud uitvoeren, inclusief demontage en montage van de motor. (Kleppen, klepveren, klepveersteunen en klepveerschotels vervangen. Drijfstang, drijfstanglager en kruktap vervangen. Transmissie en versnelling controleren. Oliedrukregelklep controleren. Zuigpomp vervangen. Drukpomp en smeersysteem controleren. Distributieketting vervangen. Alle motorlagers vervangen. Radiale keerringen en lagerpakkingen van de
hoofdlagers vervangen.
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
38
●
CHASSIS AFSTELLEN 10
10.1
Basisinstelling chassis voor bestuurdersgewicht controleren
Info
Voor de basisinstelling van het chassis eerst de schokdemper en daarna de voorvork instellen.
–
Om optimale rijeigenschappen van de motorfiets te bereiken
en om beschadiging aan voorvork, schokdemper, achterbrug en
frame te voorkomen moeten de basisinstelling en veringscomponenten bij het gewicht van de bestuurder passen.
–
KTM offroad-motorfietsen zijn in de leveringstoestand ingesteld op een bestuurder met standaard gewicht (met beschermende kleding).
Voorgeschreven waarde
Standaard bestuurdersgewicht
75 … 85 kg
–
Als het gewicht van de bestuurder buiten dit bereik ligt moet
de basisinstelling van de veringscomponenten worden aangepast.
–
Kleinere afwijkingen van het gewicht kunnen door het wijzigen
van de veervoorspanning van de schokdemper worden gecompenseerd, bij grotere afwijkingen moeten aangepaste veren
worden gemonteerd.
401030-01
10.2
Luchtvering XACT
In de voorvork WP XACT wordt een luchtvering gebruikt.
Bij dit systeem bevindt de vering zich in de linker voorvorkpoot en
de demping in de rechter voorvorkpoot.
Aangezien de voorvorkveren niet nodig zijn, wordt een aanzienlijk
gewichtsvoordeel bereikt ten opzichte van conventionele voorvorken. Ook het reageren op kleine oneffenheden wordt aanzienlijk
verbeterd.
Onder normale rij-omstandigheden zorgt alleen een luchtkussen
voor de vering. Als eindslag bevindt zich een stalen veer in de linkervorkpoot.
Info
Als de voorvork regelmatig doorslaat, moet de luchtdruk
in de voorvork worden verhoogd om beschadiging van de
voorvork en het frame te voorkomen.
M01110-01
De luchtdruk in de voorvork kan met een voorvorkpomp snel worden aangepast aan het bestuurdersgewicht, de omstandigheden
van het terrein en de wens van de bestuurder. De voorvork hoeft
niet te worden gedemonteerd. De ingewikkelde montage van hardere of zachtere vorkveren kan achterwege blijven.
Als de luchtkamer als gevolg van een beschadigde pakking lucht
zou verliezen, zakt de voorvork desondanks toch niet door. De
lucht wordt in dit geval in de vork tegengehouden. De veerweg
blijft grotendeels behouden. De demping wordt harder en het rijcomfort neemt af.
39
10 CHASSIS AFSTELLEN
De demping kan net als bij een conventionele vork qua ingaand en
uitgaand niveau worden ingesteld.
De instelling van de uitgaande demping bevindt zich aan de onderzijde van de rechter vorkpoot.
De instelling van de ingaande demping bevindt zich aan de onderzijde van de rechter vorkpoot.
10.3
Ingaande demping schokdemper
De ingaande demping van de schokdemper is verdeeld in twee bereiken: highspeed en lowspeed.
High- en lowspeed hebben betrekking op de snelheid waarmee het achterwiel inveert en niet op de rijsnelheid.
De highspeed instelling voor ingaande demping is bijvoorbeeld van invloed op de landing na een sprong. Het achterwiel veert daarbij snel in.
De lowspeed instelling voor ingaande demping is bijvoorbeeld van invloed bij het rijden over lange hobbels op de
ondergrond. Het achterwiel veert daarbij langzaam in.
Beide bereiken kunnen apart worden ingesteld, de overgang tussen high- en lowspeed is echter vloeiend. Daarom
zijn wijzigingen in het highspeedbereik van de ingaande demping ook van invloed op het lowspeedbereik en
omgekeerd.
10.4
Ingaande demping lowspeed van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
–
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Info
De lowspeed instelling voor ingaande demping toont zijn effect wanneer de schokdemper langzaam tot
normaal inveert.
–
1
Stelschroef
met een schroevendraaier met de klok mee
draaien tot de laatste voelbare klik.
Info
Schroef
–
F01840-10
40
2 niet losdraaien!
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen
de klok in draaien.
CHASSIS AFSTELLEN 10
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping lowspeed (alle EU-modellen)
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Ingaande demping lowspeed (SX‑F US)
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Ingaande demping lowspeed (XC‑F US)
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Ingaande demping lowspeed (Factory Edition)
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping.
10.5
Ingaande demping highspeed van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
–
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Info
De highspeed instelling voor ingaande demping toont zijn effect wanneer de schokdemper snel inveert.
–
1 met een dopsleutel tot de aanslag met de klok
Stelschroef
mee draaien.
Info
Schroef
–
2 niet losdraaien!
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal slagen tegen
de klok in draaien.
F01840-11
41
10 CHASSIS AFSTELLEN
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping highspeed (alle EU-modellen)
Comfort
2 omw
Standaard
1,5 omw
Sport
1 omw
Ingaande demping highspeed (SX‑F US)
Comfort
2,5 omw
Standaard
2 omw
Sport
1,5 omw
Ingaande demping highspeed (XC‑F US)
Comfort
2,5 omw
Standaard
2 omw
Sport
1,5 omw
Ingaande demping highspeed (Factory Edition)
Comfort
2,5 omw
Standaard
2 omw
Sport
1,5 omw
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping.
10.6
Uitgaande demping van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
–
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
K01013-10
42
–
Stelschroef
bare klik.
–
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen
de klok in draaien.
1 met de klok mee draaien tot de laatste voel-
CHASSIS AFSTELLEN 10
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping (alle EU-modellen)
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Uitgaande demping (SX‑F US)
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Uitgaande demping (XC‑F US)
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Uitgaande demping (Factory Edition)
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.
10.7
Maat achterwiel zonder belasting bepalen
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
Hoofdwerk
– Veerwegmal in de achterwielas positioneren en de afstand tot
de markering SAG op het achterspatbord meten.
Veerwegmal (00029090000)
Veerwegmal-pen (00029990010)
–
Waarde als maat
A noteren.
402415-10
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. (
pag. 52)
43
10 CHASSIS AFSTELLEN
10.8
Statische veerweg schokdemper controleren
–
Maat
–
De motorfiets met behulp van iemand die assisteert rechtop
houden.
–
Opnieuw met de veerwegmal de afstand tussen de achterwielas
en de markering SAG op het achterspatbord meten.
–
Waarde als maat
A achterwiel zonder belasting bepalen. (
pag. 43)
B noteren.
Info
De statische veerweg is het verschil tussen maat
en
.
A
B
–
Statische veerweg controleren.
402416-10
»
Statische veerweg (alle EUmodellen)
35 mm
Statische veerweg (SX‑F US)
35 mm
Statische veerweg (XC‑F US)
35 mm
Statische veerweg (Factory Edition)
35 mm
Als de statische veerweg kleiner of groter is dan de aangegeven maat:
–
10.9
Veervoorspanning van de schokdemper instellen.
( pag. 45)
Dynamische veerweg schokdemper controleren
–
Maat
–
Met behulp van een persoon, die de motorfiets vasthoudt, gaat
de bestuurder met volledige beschermende kleding in een normale zitpositie (voeten op de voetsteunen) op de motorfiets
zitten en beweegt enkele keren op en neer.
–
Een tweede persoon meet nu opnieuw met de veerwegmal de
afstand tussen de achterwielas en de markering SAG op het
achterspatbord.
–
Waarde als maat
A achterwiel zonder belasting bepalen. (
pag. 43)
De achterwielophanging slingert zo in de juiste positie.
C noteren.
Info
De dynamische veerweg is het verschil tussen maat
en
.
C
–
402417-10
44
Dynamische veerweg controleren.
Dynamische veerweg (alle
EU-modellen)
105 mm
Dynamische veerweg
(SX‑F US)
105 mm
A
CHASSIS AFSTELLEN 10
»
Dynamische veerweg
(XC‑F US)
105 mm
Dynamische veerweg (Factory Edition)
105 mm
Als de dynamische veerweg afwijkt van de aangegeven
maat:
–
10.10
Dynamische veerweg instellen.
(
pag. 46)
Veervoorspanning schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letsel Delen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
–
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Info
Voor het wijzigen van de veervoorspanning de actuele instelling noteren - bijvoorbeeld veerlengte meten.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
–
Schokdemper demonteren.
–
Schokdemper in gedemonteerde toestand grondig reinigen.
Hoofdwerk
– Schroef
–
Stelring
(
pag. 66)
1 losdraaien.
2 draaien tot de veer volledig ontspannen is.
Haaksleutel (90129051000)
Info
Als de veer niet geheel kan worden ontspannen, moet
de veer worden gedemonteerd voor een nauwkeurige
meting van de veerlengte.
–
Totale veerlengte in ontspannen toestand meten.
–
Veer door het draaien van de stelring
maat
spannen.
2 op de aangegeven
A
Voorgeschreven waarde
402659-10
Veervoorspanning (alle EUmodellen)
8 mm
Veervoorspanning (SX‑F US)
7 mm
Veervoorspanning (XC‑F US)
8 mm
Veervoorspanning
(Factory Edition)
7 mm
Info
Afhankelijk van de statische of dynamische veerweg
kan een hogere of lagere veervoorspanning nodig zijn.
45
10 CHASSIS AFSTELLEN
–
Schroef
1 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stelring
schokdemper
M5
Nawerk
– Schokdemper monteren.
10.11
5 Nm
(
pag. 67)
–
Vrije slag van het rempedaal controleren. (
–
Motorfiets van hefbok nemen. (
pag. 52)
Dynamische veerweg instellen
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
–
Schokdemper demonteren.
–
Schokdemper in gedemonteerde toestand grondig reinigen.
(
pag. 66)
Hoofdwerk
– Een passende veer kiezen en monteren.
Voorgeschreven waarde
Veerconstante (alle EU-modellen)
B00292-10
Gewicht bestuurder: 65
… 75 kg
39 N/mm
Gewicht bestuurder: 75
… 85 kg
42 N/mm
Gewicht bestuurder: 85
… 95 kg
45 N/mm
Veerconstante (SX‑F US)
Gewicht bestuurder: 65
… 75 kg
42 N/mm
Gewicht bestuurder: 75
… 85 kg
45 N/mm
Gewicht bestuurder: 85
… 95 kg
48 N/mm
Veerconstante (XC‑F US)
Gewicht bestuurder: 65
… 75 kg
42 N/mm
Gewicht bestuurder: 75
… 85 kg
45 N/mm
Gewicht bestuurder: 85
… 95 kg
48 N/mm
Veerconstante (Factory Edition)
46
pag. 96)
Gewicht bestuurder: 65
… 75 kg
42 N/mm
Gewicht bestuurder: 75
… 85 kg
45 N/mm
Gewicht bestuurder: 85
… 95 kg
48 N/mm
CHASSIS AFSTELLEN 10
Info
De veerconstante staat vermeld op de buitenkant van
de veer.
Nawerk
– Schokdemper monteren.
10.12
(
pag. 67)
–
Vrije slag van het rempedaal controleren. (
–
Statische veerweg van de schokdemper controleren.
( pag. 44)
–
Dynamische veerweg van de schokdemper controleren.
( pag. 44)
–
Uitgaande demping van de schokdemper instellen.
( pag. 42)
–
Motorfiets van hefbok nemen. (
pag. 96)
pag. 52)
Basisinstelling voorvork controleren
Info
Bij de voorvork kan om verschillende redenen geen exacte dynamische veerweg worden vastgelegd.
–
Kleinere afwijkingen van het bestuurdersgewicht kunnen worden gecompenseerd door de vorkluchtdruk.
–
Als de voorvork echter vaker doorslaat (harde eindaanslag bij
het inveren) moet de vorkluchtdruk volgens de voorschriften
worden verhoogd om beschadiging aan voorvork en frame te
voorkomen.
–
Als de voorvork na langdurig gebruik hard aanvoelt, moeten de
vorkpoten worden ontlucht.
401000-01
10.13
Voorvorkluchtdruk instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Wijzigingen aan de instelling van het chassis kunnen het rijgedag sterk beïnvloeden.
Extreme wijzigingen in de basisinstelling van het chassis kunnen het rijgedrag aanzienlijk verslechteren
en componenten overbelasten.
–
Voer instellingen alleen binnen het aanbevolen bereik uit.
–
Rij na wijzigingen eerst langzaam, om het rijgedrag te kunnen inschatten.
Info
De luchtdruk op zijn vroegst 5 minuten na het uitzetten van de motor onder dezelfde omstandigheden controleren of instellen.
De luchtvering bevindt zich in de linker vorkpoot. De in- en uitgaande demping bevinden in de rechter
vorkpoot.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
47
10 CHASSIS AFSTELLEN
Hoofdwerk
– Beschermkap
–
Vorkpomp
1 verwijderen.
2 helemaal in elkaar schuiven.
Vorkpomp (79412966100)
Info
De vorkpomp wordt bij de motor geleverd.
F02211-10
–
Vorkpomp op de linker vorkpoot aansluiten.
Het display van de vorkpomp wordt automatisch ingeschakeld.
Bij het aansluiten ontsnapt wat lucht uit de vorkpoot.
Info
Dit komt door het volume van de slang en is geen
defect van de vorkpomp of voorvork.
De bijgevoegde KTM PowerParts-handleiding in acht
nemen.
–
Luchtdruk volgens de richtlijn instellen.
Voorgeschreven waarde
Luchtdruk (alle
EU-modellen)
10,7 bar
Luchtdruk (SX‑F US)
10,5 bar
Luchtdruk (XC‑F US)
10,1 bar
Luchtdruk (Factory Edition)
10,9 bar
Verandering in de luchtdruk
stapsgewijs met
0,2 bar
Minimale luchtdruk
7 bar
Maximale luchtdruk
12 bar
Info
Luchtdruk nooit buiten de aangegeven grenswaarden
instellen.
–
Vorkpomp van de linker vorkpoot loskoppelen.
Bij het loskoppelen ontsnapt overdruk uit de slang, niet
uit de vorkpoot.
Het display van de vorkpomp schakelt na 80 seconden
automatisch uit.
–
Beschermkap monteren.
Info
Beschermkap alleen met de hand monteren.
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. (
48
pag. 52)
CHASSIS AFSTELLEN 10
10.14
Ingaande demping voorvork instellen
Info
De hydraulische ingaande demping bepaalt het gedrag bij het inveren van de voorvork.
–
Stelelement
1 tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
1
Het stelelement
bevindt zich aan het bovenste uiteinde van de rechter vorkpoot.
–
F02212-10
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de
klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping (alle EU-modellen)
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Ingaande demping (SX‑F US)
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Ingaande demping (XC‑F US)
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Ingaande demping (Factory Edition)
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.
10.15
Uitgaande demping voorvork instellen
Info
De hydraulische uitgaande demping bepaalt het gedrag bij het uitveren van de voorvork.
49
10 CHASSIS AFSTELLEN
–
–
1 verwijderen.
Stelschroef 2 tot de aanslag met de klok mee draaien.
Beschermkap
Info
2
De stelschroef
bevindt zich aan de onderzijde van
de rechter vorkpoot.
–
M01100-10
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de
klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping (alle EU-modellen)
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Uitgaande demping (SX‑F US)
Comfort
23 klikken
Standaard
18 klikken
Sport
13 klikken
Uitgaande demping (XC‑F US)
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Uitgaande demping (Factory Edition)
Comfort
23 klikken
Standaard
18 klikken
Sport
13 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.
–
10.16
Beschermkap
1 monteren.
Stuurstand
De boringen op de stuuradapters zijn op een afstand
midden geplaatst.
Afstand boorgaten A
A van het
3,5 mm
Het stuur kan in 2 verschillende posities worden gemonteerd.
Daardoor is het mogelijk, het stuur in de aangenaamste positie
voor de bestuurder te zetten.
H01188-10
50
CHASSIS AFSTELLEN 10
10.17
Stuurstand instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een gerepareerd stuur vormt een veiligheidsrisico.
Als het stuur werd verbogen of uitgelijnd, treedt materiaalmoeheid op. Hierdoor kan het stuur breken.
–
Vervang het stuur, als het stuur is verbogen of beschadigd.
Voorwerk
– Stuurbescherming verwijderen.
Hoofdwerk
– Schroeven
verwijderen. Stuurklem demonteren. Stuur verwijderen en opzij leggen.
1
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
Kabels en leidingen niet knikken.
–
–
2 verwijderen. Stuuradapters 3 verwijderen.
Rubberen bussen 4 positioneren en moeren 5 van onderaf
Schroeven
erdoor steken.
–
Stuuradapters in de gewenste positie zetten.
Info
De stuuradapters zijn aan één zijde langer en hoger.
Stuuradapters links en rechts gelijkmatig positioneren.
–
Schroeven
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
H01189-10
Schroef stuuradapter
–
M10
40 Nm
Loctite®243™
Stuur positioneren.
Info
Erop letten dat de kabels en leidingen correct worden
gelegd.
–
Stuurklem positioneren.
–
Schroeven
–
1 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Stuurklem met schroeven 1 eerst aan de langere, hogere
zijde van de stuuradapters tegen elkaar schroeven.
–
Schroeven
1 gelijkmatig vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stuurplaat
M8
20 Nm
Nawerk
– Stuurbescherming monteren.
51
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
11.1
Motorfiets met hefbok opkrikken
Aanwijzing
Materiaalschade Een onjuiste handelwijze bij parkeren beschadigt het voertuig.
Als het voertuig wegrolt of omvalt, kan aanzienlijke schade ontstaan.
De onderdelen voor parkeren van het voertuig zijn alleen berekend op het voertuiggewicht.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Zorg ervoor dat niemand op het voertuig gaat zitten wanneer het voertuig op de standaard staat.
(Alle SX‑F standaardmodellen)
– Plug-in-standaard verwijderen en motorfiets aan het frame
onder de motor opkrikken.
Hefbok (78129955100)
Beide wielen hebben geen contact met de grond.
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Plug-in-standaard verwijderen en motorfiets aan de motorbescherming onder de motor opkrikken.
401942-01
Hefbok (78129955100)
Beide wielen hebben geen contact met de grond.
(XC‑F US)
– Zijstandaard inklappen en motorfiets aan het frame onder
de motor opkrikken.
Hefbok (78129955100)
Beide wielen hebben geen contact met de grond.
–
11.2
Motorfiets borgen tegen omvallen.
Motorfiets van hefbok nemen
Aanwijzing
Materiaalschade Een onjuiste handelwijze bij parkeren beschadigt het voertuig.
Als het voertuig wegrolt of omvalt, kan aanzienlijke schade ontstaan.
De onderdelen voor parkeren van het voertuig zijn alleen berekend op het voertuiggewicht.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Zorg ervoor dat niemand op het voertuig gaat zitten wanneer het voertuig op de standaard staat.
(Alle SX‑F-modellen)
– Motorfiets van hefbok nemen.
–
Hefbok verwijderen.
–
Voor het parkeren van de motorfiets de
plug-in-standaard
in de linkerkant van de steekas
steken.
1
Plug-in-standaard (79029094000)
H02629-10
52
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
Info
De plug‑in‑standaard maakt deel uit van de levering.
De plug-in-standaard verwijderen voordat u gaat
rijden.
(XC‑F US)
– Motorfiets van hefbok nemen.
–
Hefbok verwijderen.
–
Voor het parkeren van de motorfiets de zijstandaard
met de voet tot de bodem uitklappen en belasten met de
motorfiets.
1
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard worden
opgeklapt en met de rubberband zijn vastgezet.
401943-10
11.3
Vorkpoten ontluchten
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
Hoofdwerk
– Ontluchtingsschroeven
pag. 52)
1 losdraaien.
Als de druk te hoog is, dan verdwijnt de overtollige druk
uit de binnenruimte van de voorvork.
–
Ontluchtingsschroeven vastdraaien.
H01182-12
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. (
11.4
pag. 52)
Vuilschrapers vorkpoten reinigen
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
–
Voorvorkprotector demonteren. (
Hoofdwerk
– Vuilschrapers
pag. 52)
pag. 54)
1 aan beide vorkpoten omlaag schuiven.
Info
De vuilschrapers schrapen stof en grof vuil van de binnenpoot af. In de loop van de tijd kan er vuil achter te
vuilschrapers terechtkomen. Als deze vervuiling niet
wordt verwijderd, kunnen de daarachter liggende oliekeerringen gaan lekken.
S01207-10
53
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven
vermindert de remwerking.
–
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Vuilschrapers en de binnenpoten aan beide vorkpoten reinigen
en smeren met olie.
Universele oliespray (
pag. 153)
–
Vuilschrapers terugduwen in de inbouwpositie.
–
Overtollige olie verwijderen.
Nawerk
– Voorvorkprotector monteren. (
11.5
–
Motorfiets van hefbok nemen. (
–
Schroeven
pag. 54)
pag. 52)
Voorvorkprotector demonteren
–
1 verwijderen en klem verwijderen.
Schroeven 2 verwijderen en linker voorvorkprotector verwijderen.
–
Schroeven
deren.
–
Voorvorkprotector op linker vorkpoot positioneren. Schroeven
monteren en vastdraaien.
3 verwijderen en rechter voorvorkprotector verwij-
S01208-10
11.6
Voorvorkprotector monteren
1
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
S01208-11
M6
10 Nm
–
Remkabel en klem positioneren. Schroeven
vastdraaien.
–
Voorvorkprotector op rechter vorkpoot positioneren. Schroeven
monteren en vastdraaien.
2 monteren en
3
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
54
M6
10 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
11.7
Motorbescherming demonteren (Alle SX‑F speciale modellen)
–
Schroeven
–
Schroef
1 verwijderen.
K01029-10
2 verwijderen. Motorbescherming verwijderen.
K01030-10
11.8
Motorbescherming monteren (Alle SX‑F speciale modellen)
–
Motorbescherming op het frame positioneren.
–
Schroef
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
K01030-11
–
Schroeven
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
K01029-11
55
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
11.9
Vorkpoten demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
–
Voorwiel demonteren.
(
pag. 52)
pag. 102)
Hoofdwerk
– Schroeven
–
1 verwijderen en klem verwijderen.
Schroeven 2 verwijderen en remzadels verwijderen.
–
Remzadel met remkabel spanningsvrij opzij hangen.
Info
Remhendel niet bedienen als het voorwiel is gedemonteerd.
K01014-10
(SX‑F EU/US, XC-F US)
– Schroeven
losdraaien. Vorkpoot links verwijderen.
–
Schroeven
3
4 losdraaien. Vorkpoot rechts verwijderen.
F01559-10
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Schroeven
losdraaien. Vorkpoot links verwijderen.
–
3
Schroeven 4 losdraaien. Vorkpoot rechts verwijderen.
F01832-10
11.10
Vorkpoten monteren
Hoofdwerk
– Vorkpoten positioneren.
De ontluchtingsschroef
voren geplaatst.
De klep
1 van de rechter vorkpoot is naar
A van de linker vorkpoot wijst naar voren.
Info
H01182-10
56
Aan het bovenste einde van de vorkpoten zijn aan de
zijkant groeven ingefreesd. De tweede ingefreesde groef
(van boven) moet door de bovenkant van de bovenste
kroonplaat worden afgesloten.
De luchtvering bevindt zich in de linker vorkpoot. De inen uitgaande demping bevinden in de rechter vorkpoot.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
(SX‑F EU/US, XC-F US)
– Schroeven
vastdraaien.
2
Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste
kroonplaat
–
Schroeven
M8
17 Nm
3 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef onderste
kroonplaat
F01559-11
M8
12 Nm
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Schroeven
vastdraaien.
2
Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste
kroonplaat
–
Schroeven
M8
17 Nm
3 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef onderste
kroonplaat
F01832-11
–
M8
12 Nm
Remzadel positioneren. Schroeven
vastdraaien.
4 monteren en
Voorgeschreven waarde
Schroef remzadel voor
–
M8
25 Nm
Loctite®243™
Remkabel en klem positioneren. Schroeven
vastdraaien.
5 monteren en
K01014-11
Nawerk
– Voorwiel monteren.
11.11
(
pag. 103)
Onderste kroonplaat demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
–
Voorwiel demonteren.
–
Vorkpoten demonteren.
–
Startnummerbord demonteren. (
–
Spatbord voor demonteren. (
–
Stuurbescherming verwijderen.
(
pag. 52)
pag. 102)
(
pag. 56)
pag. 64)
pag. 64)
57
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
(SX‑F EU/US, XC-F US)
– Kabelhouder
1 links openen en kabelstreng eruit nemen.
–
Schroef
–
Schroef
–
Bovenste kroonplaat met stuur verwijderen en opzij leggen.
2
3 verwijderen.
verwijderen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
Kabels en leidingen niet knikken.
F01561-10
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Kabelhouder
links openen en kabelstreng eruit nemen.
1
–
Schroef
–
Schroef
–
Bovenste kroonplaat met stuur verwijderen en opzij leggen.
2
3 verwijderen.
verwijderen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
Kabels en leidingen niet knikken.
F01833-10
–
F01560-10
58
–
4 verwijderen.
Beschermring 5 verwijderen.
–
Onderste kroonplaat met vorkbuis verwijderen.
–
Bovenste balhoofdlager verwijderen.
Keerring
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
11.12
Onderste kroonplaat monteren
Hoofdwerk
– Lagers en afdichtelementen reinigen, op beschadiging controleren en invetten.
Smeervet met hoge viscositeit (
pag. 152)
–
Onderste kroonplaat met vorkbuis plaatsen. Bovenste balhoofdlager monteren.
–
Controleren of de balhoofdafdichting boven
gepositioneerd.
–
Beschermingsring
1 correct is
2 en O-ring 3 erop schuiven.
S02307-10
(SX‑F EU/US, XC-F US)
– Bovenste kroonplaat met stuur positioneren.
–
Schroef
–
Vorkpoten positioneren.
4 monteren, maar nog niet vastdraaien.
F01562-10
De ontluchtingsschroef
naar voren geplaatst.
De klep
5 van de rechter vorkpoot is
A van de linker vorkpoot wijst naar voren.
Info
H01182-11
Aan het bovenste einde van de vorkpoten zijn groeven in de zijkant gefreesd. De tweede ingefreesde
groef (van boven) moet door de bovenkant van de
bovenste kroonplaat worden afgesloten.
De luchtvering bevindt zich in de linker vorkpoot.
De in- en uitgaande demping bevinden in de rechter vorkpoot.
59
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroeven
6 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef onderste
kroonplaat
M8
12 Nm
F01572-10
–
Schroef
4 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef balhoofd
boven
M20x1,5
12 Nm
F01563-10
–
Schroef
7 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef vorkbuis boven
M8
20 Nm
Loctite®243™
F01563-11
–
Met een kunststofhamer zacht op de bovenste kroonplaat
kloppen om spanning te voorkomen.
–
Schroeven
8 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste
kroonplaat
–
M8
Kabelboom met kabelhouder
17 Nm
9 links vastzetten.
F01573-10
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Bovenste kroonplaat met stuur positioneren.
–
F01835-10
60
Schroef
4 monteren, maar nog niet vastdraaien.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
–
Vorkpoten positioneren.
De ontluchtingsschroef
naar voren geplaatst.
De klep
5 van de rechter vorkpoot is
A van de linker vorkpoot wijst naar voren.
Info
Aan het bovenste einde van de vorkpoten zijn groeven in de zijkant gefreesd. De tweede ingefreesde
groef (van boven) moet door de bovenkant van de
bovenste kroonplaat worden afgesloten.
De luchtvering bevindt zich in de linker vorkpoot.
De in- en uitgaande demping bevinden in de rechter vorkpoot.
H01182-11
–
Schroeven
6 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef onderste
kroonplaat
M8
12 Nm
F01836-10
–
Schroef
4 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef balhoofd
boven
M20x1,5
12 Nm
F01837-10
–
Schroef
7 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef vorkbuis boven
M8
20 Nm
Loctite®243™
F01837-11
–
Met een kunststofhamer zacht op de bovenste kroonplaat
kloppen om spanning te voorkomen.
–
Schroeven
8 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste
kroonplaat
–
M8
Kabelboom met kabelhouder
17 Nm
9 links vastzetten.
F01838-10
61
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Remzadel positioneren. Schroeven
vastdraaien.
bk monteren en
Voorgeschreven waarde
Schroef remzadel voor
–
M8
25 Nm
Loctite®243™
Remkabel en klem positioneren. Schroeven
vastdraaien.
bl monteren en
K01014-12
Nawerk
– Spatbord voor monteren. (
11.13
pag. 65)
–
Stuurbescherming monteren.
–
Startnummerbord monteren. (
–
Voorwiel monteren.
–
Controleren of kabelboom, bowdenkabels, rem- en koppelingsleiding vrij kunnen bewegen en of ze goed zijn gelegd.
–
Speling balhoofdlager controleren. (
–
Motorfiets van hefbok nemen. (
(
pag. 64)
pag. 103)
pag. 62)
pag. 52)
Speling balhoofdlager controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verkeerde speling van het balhoofdlager beïnvloedt het rijgedrag negatief en
beschadigt componenten.
–
Corrigeer verkeerde speling van het balhoofdlager onmiddellijk. (De geautoriseerde KTM-garage is u
graag van dienst.)
Info
Als er gedurende langere tijd wordt gereden met speling in de balhoofdlagers, beschadigen de lagers en
daardoor ook de lagerzittingen in het frame.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
Hoofdwerk
– Stuur in de rechtuitstand zetten. Vorkpoten in rijrichting vooren achteruit bewegen.
Er mag geen speling in de balhoofdlager te voelen zijn.
»
Als er speling voelbaar is:
–
–
(
pag. 63)
Het stuur moet eenvoudig kunnen worden bewogen over het
gehele stuurbereik. Er mogen geen blokkeringen te voelen
zijn.
H01167-01
»
62
Speling balhoofdlager instellen.
Stuur over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
Als er blokkeringen voelbaar zijn:
–
Speling balhoofdlager instellen.
–
Balhoofdlager controleren en indien nodig vervangen.
(
pag. 63)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. (
11.14
pag. 52)
Speling balhoofdlager instellen
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
–
pag. 52)
Stuurbescherming verwijderen.
Hoofdwerk
(SX‑F EU/US, XC-F US)
– Schroeven
losdraaien.
–
–
1
2 verwijderen.
Schroef 3 losdraaien en weer vastdraaien.
Schroef
Voorgeschreven waarde
Schroef balhoofd
boven
F02213-10
M20x1,5
12 Nm
–
Met een kunststofhamer zacht op de bovenste kroonplaat
kloppen om spanning te voorkomen.
–
Schroef
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef vorkbuis boven
–
Schroeven
M8
20 Nm
Loctite®243™
1 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste
kroonplaat
M8
17 Nm
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Schroeven
losdraaien.
–
–
1
2 verwijderen.
Schroef 3 losdraaien en weer vastdraaien.
Schroef
Voorgeschreven waarde
Schroef balhoofd
boven
F01841-10
M20x1,5
12 Nm
–
Met een kunststofhamer zacht op de bovenste kroonplaat
kloppen om spanning te voorkomen.
–
Schroef
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef vorkbuis boven
–
Schroeven
M8
20 Nm
Loctite®243™
1 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste
kroonplaat
–
M8
Speling balhoofdlager controleren. (
17 Nm
pag. 62)
Nawerk
– Stuurbescherming monteren.
63
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
11.15
–
Motorfiets van hefbok nemen. (
–
Onderste kroonplaat demonteren.
–
Onderste kroonplaat monteren.
pag. 52)
Balhoofdlager smeren
(
(
pag. 57)
pag. 59)
Info
Het balhoofdlager wordt bij montage en demontage van
de onderste kroonplaat gereinigd en gesmeerd.
H02387-01
11.16
Startnummerbord demonteren
–
Schroef
–
Startnummerbord van de remleiding halen en verwijderen.
–
Remkabel in de houders
neren.
–
Startnummerbord positioneren. Schroef
draaien.
1 verwijderen.
F01524-10
11.17
Startnummerbord monteren
A aan het startnummerbord positio1 monteren en vast-
De uitsteeksels grijpen in het spatbord.
F01525-10
11.18
Spatbord voor demonteren
Voorwerk
– Startnummerbord demonteren. (
64
pag. 64)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
Hoofdwerk
– Schroeven
1 en 2 verwijderen. Spatbord voor verwijderen.
F01526-10
11.19
Spatbord voor monteren
Hoofdwerk
– Spatbord voor positioneren. Schroeven
vastdraaien.
1 en 2 monteren en
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
F01526-10
Nawerk
– Startnummerbord monteren. (
pag. 64)
65
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
11.20
Schokdemper demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
Hoofdwerk
– Kabelbinders verwijderen.
–
–
1 met ringen verwijderen.
Schroef 2 verwijderen.
–
Linker framebescherming verwijderen.
–
Rechter framebescherming naar voren schuiven en naar beneden verwijderen.
–
Schroef
Schroeven
F01527-10
–
3 verwijderen.
Schroefverbinding 4 verwijderen.
Info
De achterbrug iets optillen, zodat de schroeven gemakkelijker kunnen worden verwijderd.
S01220-10
–
Schroeven
–
Voetremcilinder van de drukstang trekken.
–
Verbindingsschakel van de ketting verwijderen.
–
Ketting verwijderen.
5 verwijderen.
F01554-10
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
S01222-10
F01529-10
66
–
Moer
–
Achterbrug naar achteren schuiven en tegen omvallen beveiligen.
6 verwijderen en achterbrugbout verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
–
Schokdemper vasthouden en schroef
–
Schokdemper voorzichtig naar onder toe verwijderen.
7 verwijderen.
F01530-10
11.21
Schokdemper monteren
Hoofdwerk
– Schokdemper voorzichtig van beneden af in het voertuig positioneren.
–
Schroef
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef schokdemper boven
M10
60 Nm
Loctite®2701™
F01531-10
–
Achterbrug positioneren en achterbrugbout monteren.
Info
Op het vlakke punt
–
Moer
A letten.
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer achterbrugbout
M16x1,5
100 Nm
F01532-10
–
Ketting monteren.
–
Ketting met schakel
3 verbinden.
Voorgeschreven waarde
De gesloten zijde van de kettingslotborging moet in de looprichting wijzen.
S01222-11
–
Voetremcilinder positioneren.
De drukstang
4 grijpt in de voetremcilinder.
Info
Op juiste plaatsing van de vuilschraper letten.
–
Schroeven
5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
F01555-10
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
67
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Haakse hendel en verbindingshendel positioneren.
–
Schroefverbinding
6 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer verbindingshendel aan haakse
hendel
M14x1,5
60 Nm
Info
S01229-10
Op het vlakke punt
–
Schroef
B letten.
7 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef schokdemper onder
M10
60 Nm
Loctite®2701™
Info
De achterbrug iets optillen, zodat de schroef gemakkelijker kan worden gemonteerd.
–
Linker framebescherming positioneren.
–
Rechter framebescherming van onder plaatsen en naar achteren schuiven.
–
Schroeven
8 met ringen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef framebescherming
F01527-11
–
Schroef
M5
3 Nm
9 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef framebescherming
–
M5
3 Nm
Nieuwe kabelbinders monteren.
Nawerk
– Vrije slag van het rempedaal controleren. (
–
11.22
Motorfiets van hefbok nemen. (
pag. 96)
pag. 52)
Zadel verwijderen
Voorzichtig
Gevaar voor verbranding De spanningsregelaar wordt tijdens bedrijf van het voertuig zeer heet.
–
68
Laat de spanningsregelaar afkoelen, alvorens met de werkzaamheden te beginnen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
–
Schroef
–
Zadel achter optillen, naar achteren trekken en naar boven toe
verwijderen.
–
Zadel vooraan aan de flensbus van de brandstoftank haken,
achteraan neerlaten en naar voren schuiven.
–
Ervoor zorgen dat het zadel goed vergrendeld is.
–
Schroef
1 verwijderen.
F01533-10
H02218-10
11.23
Zadel monteren
H02218-11
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
F01533-10
11.24
Deksel luchtfilterbak demonteren
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak vastgezet.
–
Zadel verwijderen. (
pag. 68)
69
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroef
–
Deksel luchtfilterbak in bereik
naar de zijkant toe eraf
trekken en naar voren toe verwijderen.
1 verwijderen.
F01534-10
A
F01534-11
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak niet vastgezet.
–
A
Deksel luchtfilterbak in bereik
naar de zijkant toe eraf
trekken en naar voren toe verwijderen.
F01535-10
11.25
Deksel luchtfilterbak monteren
(Alle SX‑F-modellen)
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak vastgezet.
–
Deksel luchtfilterbak in bereik
bereik
vergrendelen.
A vasthaken en in
B
Info
Een luchtfilterkast-deksel met openingen voor
grotere luchtdoorvoer en directe respons bevindt
zich in de leveromvang.
F01534-12
–
Schroef
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef deksel
luchtfilterbak
–
F01534-10
70
Zadel monteren. (
EJOT PT®
K60x20-Z
pag. 69)
3 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak niet vastgezet.
–
Deksel luchtfilterbak in bereik
bereik
vergrendelen.
A vasthaken en in
B
Info
Een luchtfilterkast-deksel met openingen voor
grotere luchtdoorvoer en directe respons bevindt
zich in de leveromvang.
F01535-11
(XC‑F US)
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak vastgezet.
–
Deksel luchtfilterbak in bereik
bereik
vergrendelen.
A vasthaken en in
B
F01534-12
–
Schroef
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef deksel
luchtfilterbak
–
Zadel monteren. (
EJOT PT®
K60x20-Z
3 Nm
pag. 69)
F01534-10
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak niet vastgezet.
–
Deksel luchtfilterbak in bereik
bereik
vergrendelen.
A vasthaken en in
B
F01535-11
11.26
Luchtfilter demonteren
Aanwijzing
Motorschade Ongefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
Zonder luchtfilter dringen stof en vuil in de motor.
–
Gebruik het voertuig nooit zonder luchtfilter.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
71
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Voorwerk
– Deksel luchtfilterbak demonteren. (
Hoofdwerk
– Bevestigingslip
pag. 69)
1 losmaken.
–
Luchtfilter met luchtfilterhouder verwijderen.
–
Luchtfilter van luchtfilterhouder verwijderen.
F01536-10
11.27
Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Luchtfilter niet reinigen met brandstof of petroleum aangezien deze middelen de schuimstof aanvreten.
Voorwerk
– Deksel luchtfilterbak demonteren. (
–
Luchtfilter demonteren.
(
pag. 69)
pag. 71)
Hoofdwerk
– Luchtfilter in een speciale reinigingsvloeistof grondig wassen
en goed laten drogen.
Reinigingsmiddel voor luchtfilter (
pag. 152)
Info
Luchtfilter alleen uitdrukken, in geen geval uitwringen.
F01027-01
–
Droog luchtfilter smeren met een hoogwaardige luchtfilterolie.
Olie voor luchtfilters van schuimstof (
–
Luchtfilterbak reinigen.
–
Zuigstukken reinigen en controleren of ze niet zijn beschadigd
en goed vastzitten.
Nawerk
– Luchtfilter monteren.
–
72
pag. 152)
(
pag. 73)
Deksel luchtfilterbak monteren. (
pag. 70)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
11.28
Luchtfilter monteren
Hoofdwerk
– Schoon luchtfilter op de luchtfilterhouder monteren.
–
Luchtfilter in het bereik
Duurzaam vet (
A invetten.
pag. 152)
H02459-01
–
Luchtfilter plaatsen en borgpen
1 in bus B positioneren.
Het luchtfilter is correct gepositioneerd.
–
2 inhaken.
Borgpen 3 wordt door bevestigingslip 2 op zijn plaats
Bevestigingslip
gehouden.
Info
F01537-10
Wanneer het luchtfilter niet correct gemonteerd is, kunnen stof en vuil in de motor dringen en schade veroorzaken.
Nawerk
– Deksel luchtfilterbak monteren. (
11.29
pag. 70)
Luchtfilterbak-deksel op borging voorbereiden
Voorwerk
– Deksel luchtfilterbak demonteren. (
Hoofdwerk
– Bij de markering
pag. 69)
A een gat boren.
Voorgeschreven waarde
Diameter
6 mm
S02308-10
Nawerk
– Deksel luchtfilterbak monteren. (
pag. 70)
73
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
11.30
Einddemper demonteren
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Het uitlaatsysteem wordt bij gebruik van het voertuig zeer heet.
–
Laat het uitlaatsysteem afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
(SX‑F EU/US, XC-F US, CAIROLI)
– Veer
losmaken.
1
Veerhaak (50305017000C1)
–
Schroeven
wijderen.
2 met ringen verwijderen en einddemper ver-
F01538-10
(Factory Edition)
– Veer
losmaken.
1
Veerhaak (50305017000C1)
–
Schroeven
wijderen.
2 met ringen verwijderen en einddemper ver-
F01839-10
11.31
Einddemper monteren
(SX‑F EU/US, XC-F US, CAIROLI)
– Einddemper plaatsen.
–
Schroeven
draaien.
–
Veer
1 met ringen monteren, maar nog niet vast-
2 vasthaken.
Veerhaak (50305017000C1)
–
Schroeven
1 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
F01538-11
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
(Factory Edition)
– Einddemper plaatsen.
–
Schroeven
draaien.
–
Veer
1 met ringen monteren, maar nog niet vast-
2 vasthaken.
Veerhaak (50305017000C1)
–
F01839-11
Schroeven
1 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
74
M6
10 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
11.32
Glasvezelvulling van einddemper vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Het uitlaatsysteem wordt bij gebruik van het voertuig zeer heet.
–
Laat het uitlaatsysteem afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Info
Na enige tijd vervluchtigen de vezels van het glasvezel naar buiten, de demper "brandt" uit.
Naast een hoger geluidsniveau verandert daardoor ook de vermogenskarakteristiek.
Voorwerk
– Einddemper demonteren. (
pag. 74)
Hoofdwerk
(SX‑F EU/US, XC-F US, CAIROLI)
– Alle schroeven van de einddemper verwijderen.
–
–
–
1 en O-ring 2 verwijderen.
Glasvezelvulling 3 uit de eindkap trekken.
Glasvezelvulling 4 van de binnenpoot trekken.
Eindkap
–
Onderdelen die weer worden gemonteerd reinigen en controleren of deze beschadigd zijn.
–
Nieuwe glasvezelvulling
–
4 op de binnenpoot monteren.
Nieuwe glasvezelvulling 3 in de eindkap positioneren.
O-ring en eindkap in de buitenpoot 5 steken.
–
Alle schroeven monteren en vastdraaien.
–
Voorgeschreven waarde
Schroeven van
einddemper
M5
7 Nm
F02581-10
(Factory Edition)
– Alle klinknagels op de einddemper openboren en staalbanden
verwijderen. Klinknagels voorzichtig naar binnen
kloppen.
1
–
–
2 en buitenpijp 3 verwijderen.
Glasvezelvulling 4 van de binnenpoot 5 trekken.
Eindkap
–
Onderdelen die weer worden gemonteerd reinigen en controleren of deze beschadigd zijn.
–
Binnenpijp aan uiteinde inwikkelen met plakband.
–
Nieuwe glasvezelvulling
–
Plakband van binnenpijp verwijderen.
–
Buitenpoot
–
–
4 op de binnenpoot monteren.
3 over de glasvezelvulling schuiven.
Eindkap 2 in de buitenpoot steken.
Staalbanden 1 positioneren en klinknagels monteren.
H03387-10
75
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Nawerk
– Einddemper monteren. (
11.33
pag. 74)
Brandstoftank demonteren
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Voorwerk
– Zadel verwijderen. (
pag. 68)
Hoofdwerk
– Slang van de brandstoftankontluchting van de brandstoftankdop trekken.
(Alle SX‑F-modellen)
– Stekker
van brandstofpomp loskoppelen.
1
–
Snelsluitkoppeling
2 grondig met perslucht reinigen.
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding
terechtkomen. Binnengedrongen vuil verstopt de
inspuitklep!
F01539-10
–
Snelsluitkoppeling loskoppelen.
Info
Uit de brandstofslang kan nog wat resterende
brandstof stromen.
–
Wasdopset
3 monteren.
Waskappenset (81212016100)
F01540-10
76
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
–
Schroef
4 met rubberbus verwijderen.
K01034-10
(XC‑F US)
– Stekker
–
1 van brandstofpomp loskoppelen.
Snelsluitkoppeling 2 grondig met perslucht reinigen.
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding
terechtkomen. Binnengedrongen vuil verstopt de
inspuitklep!
F01564-10
–
Snelsluitkoppeling loskoppelen.
Info
Uit de brandstofslang kan nog wat resterende
brandstof stromen.
–
Wasdopset
3 monteren.
Waskappenset (81212016100)
F01567-10
–
Schroef
4 met rubberbus verwijderen.
F01565-10
–
Schroeven
5 met flensbussen verwijderen.
F01541-10
77
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Beide spoilers naar de zijkant van de radiateur trekken en
brandstoftank naar boven toe verwijderen.
F01542-10
11.34
Brandstoftank monteren
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Hoofdwerk
– Gaskabelplaatsing controleren. (
pag. 85)
–
Brandstoftank positioneren en beide spoilers aan de zijkant
van de radiateur vasthaken.
–
Erop letten dat er geen kabels of bowdenkabels klem raken of
worden beschadigd.
–
Schroeven
1 met flensbussen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
F01541-11
78
–
M6
10 Nm
Slang van de brandstoftankontluchting van de brandstoftankdop aanbrengen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
(Alle SX‑F-modellen)
– Schroef
met rubberbus monteren en vastdraaien.
2
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
K01034-11
–
Stekker
–
Waskappenset verwijderen. Snelsluitkoppeling grondig met
perslucht reinigen.
3 van de brandstofpomp verbinden.
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding
terechtkomen. Binnengedrongen vuil verstopt de
inspuitklep!
F01539-11
–
O-ring smeren en snelsluitkoppeling
4 in elkaar steken.
Info
Kabels en brandstofleiding op een veilige afstand
van het uitlaatsysteem leggen.
(XC‑F US)
– Schroef
2 met rubberbus monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
F01565-11
–
Stekker
–
Waskappenset verwijderen. Snelsluitkoppeling grondig met
perslucht reinigen.
3 van de brandstofpomp verbinden.
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding
terechtkomen. Binnengedrongen vuil verstopt de
inspuitklep!
F01564-11
–
O-ring smeren en snelsluitkoppeling
4 in elkaar steken.
Info
Kabels en brandstofleiding op een veilige afstand
van het uitlaatsysteem leggen.
Nawerk
– Zadel monteren. (
pag. 69)
79
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
11.35
Kettingvervuiling controleren
–
Ketting controleren op grove vervuiling.
»
Als de ketting erg vuil is:
–
Ketting reinigen. (
pag. 80)
400678-01
11.36
Ketting reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Smeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
–
Verwijder smeermiddel met een geschikt reinigingsmiddel van de banden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
Hoofdwerk
– Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
–
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel (
–
pag. 152)
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray offroad (
pag. 152)
400725-01
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. (
80
pag. 52)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
11.37
Kettingspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
–
Controleer de kettingspanning regelmatig.
–
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
Hoofdwerk
– Ketting aan het einde van het onderste glijblok omhoog trekken en de kettingspanning
bepalen.
A
Info
1
Het onderste deel van de ketting
moet daarbij
gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet
de meting op verschillende plekken van de ketting worden herhaald.
K01044-10
Kettingspanning
»
Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Kettingspanning instellen. (
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. (
11.38
55 … 58 mm
pag. 81)
pag. 52)
Kettingspanning instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
–
Controleer de kettingspanning regelmatig.
–
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 52)
pag. 81)
81
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Moer
–
–
1 losdraaien.
Moeren 2 losdraaien.
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven
links en rechts instellen.
3
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning
55 … 58 mm
3
Stelschroeven
links en rechts zodanig draaien dat de
markeringen aan de linker en rechter kettingspanner in
dezelfde positie staan t.o.v. de referentiemarkeringen
.
Zo is het achterwiel correct uitgelijnd.
A
–
Moeren
–
Controleren of de kettingspanners
ven
liggen.
–
2 vastdraaien.
4 tegen de stelschroe-
3
Moer 1 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter
F00167-10
M25x1,5
80 Nm
Info
Door het grote instelbereik van de kettingspanner
(32 mm) kunnen bij gelijke kettinglengte verschillende
secundaire overbrengingen worden gereden.
De kettingspanners
kunnen 180° worden gedraaid.
4
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. (
11.39
pag. 52)
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
Hoofdwerk
– Versnelling in stationair schakelen.
–
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel op slijtage controleren.
»
Als ketting, kettingwiel of ketting-aandrijfwiel versleten
zijn:
–
400227-01
82
Aandrijfset vervangen.
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten altijd samen worden vervangen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
–
Aan het bovenste deel van de ketting met het aangegeven
gewicht
trekken.
A
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor meting van de
kettingslijtage
–
10 … 15 kg
B
De afstand
van 18 kettingschakels aan het onderste deel
van de ketting meten.
Info
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet
de meting op verschillende plekken van de ketting worden herhaald.
B
Maximale afstand
van
18 kettingschakels op het
langste stuk van de ketting
»
Als de afstand
–
400987-10
272 mm
B groter is dan de aangegeven maat:
Aandrijfset vervangen.
Info
Als een nieuwe ketting wordt gemonteerd,
moeten ook het kettingwiel en het
ketting-aandrijfwiel worden vervangen.
Nieuwe kettingen slijten sneller op een oud,
versleten kettingwiel of ketting-aandrijfwiel.
–
Glijblok op slijtage controleren.
»
Als de onderkant van de bout aan de ketting zich op
dezelfde hoogte of onder het bovenste glijblok bevindt:
–
–
Bovenste glijblok vervangen.
Controleren of het glijblok goed vastzit.
»
Als het glijblok loszit:
–
Schroeven van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef
bovenste
glijblok
M6
6 Nm
Loctite®243™
S01249-01
83
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Onderste glijblok op slijtage controleren.
»
Als de onderkant van de bout aan de ketting zich op
dezelfde hoogte of onder onderste glijblok bevindt:
–
–
Onderste glijblok vervangen.
Controleren of het onderste glijblok goed vastzit.
»
Als het onderste glijblok loszit:
–
Schroef van het onderste glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef onderste
glijblok
M8
15 Nm
S01250-01
–
Kettinggeleiding met een schuifmaat op maat
6 mm
C van de
Minimale dikte
kettinggeleiding
»
C controleren.
Als de voorgeschreven waarde niet wordt bereikt:
–
Kettinggeleiding vervangen.
402421-10
–
Controleren of de kettinggeleiding goed vastzit.
»
Als de kettinggeleiding loszit:
–
Schroeven van de kettinggeleiding vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende
schroeven chassis
M6
10 Nm
F01553-01
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. (
84
pag. 52)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
11.40
Frame controleren
–
Controleren of het frame scheuren heeft of vervormd is.
»
Als het frame door een mechanische krachtinwerking
scheuren of vervormingen heeft:
–
Frame vervangen.
Info
Een frame dat door een mechanische krachtinwerking is beschadigd, altijd vervangen. KTM
staat niet toe dat frames worden gerepareerd.
S02306-01
11.41
Achterbrug controleren
–
Achterbrug op beschadiging, scheurvorming en vervorming
controleren.
»
Als de achterbrug beschadigd, gescheurd of vervormd is:
–
Achterbrug vervangen.
Info
Een beschadigde achterbrug altijd vervangen.
Reparatie van de achterbrug staat KTM niet toe.
S02305-01
11.42
Gaskabelplaatsing controleren
Voorwerk
– Zadel verwijderen. (
–
pag. 68)
Brandstoftank demonteren.
(
pag. 76)
Hoofdwerk
– Gaskabelplaatsing controleren.
Beide gaskabels moeten naast elkaar aan de achterkant van
het stuur, boven het brandstoftanklager, naar het smoorklephuis gelegd zijn. Beide gasbowdenkabels moeten achter de
rubberband van de brandstoftankhouder geborgd zijn.
»
Als de gasbowdenkabel niet op de voorgeschreven wijze is
gelegd:
–
Gaskabelplaatsing corrigeren.
F01566-01
Nawerk
– Brandstoftank monteren.
(
pag. 78)
85
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
11.43
Zadel monteren. (
pag. 69)
Rubberen stuurcovers controleren
–
Rubberen stuurcovers aan stuur controleren op beschadiging
en slijtage. Controleren of de stuurcovers goed vastzitten.
Info
De rubberen stuurcovers zijn links op een huls
en rechts op de handgreep van de gashendel
gevulkaniseerd. De linker huls is op het stuur
vastgeklemd.
De rubberen stuurcover kan alleen worden vervangen
met de huls of de gasbuis.
401197-01
»
Als een rubberen stuurcover beschadigd of versleten is:
–
–
Rubberen stuurcover vervangen.
Schroef
1 op goede bevestiging controleren.
Voorgeschreven waarde
Schroef vaste
handgreep
De ruit
M4
5 Nm
Loctite®243™
A moet zoals op de afbeelding zijn gepositioneerd.
F02582-10
11.44
Uitgangspositie koppelingshendel instellen
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel met de
stelschroef
aanpassen aan de grootte van de hand.
1
Info
F00157-10
86
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid,
komt de koppelingshendel dichter bij het stuur te
staan.
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid,
komt de koppelingshendel verder van het stuur af te
staan.
Het instelbereik is beperkt.
Stelschroef alleen met de hand draaien, geen geweld
gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
11.45
Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Info
Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingplaten zijn versleten.
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en koppelingsleidingen zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Zorg ervoor dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
–
Het aan het stuur gemonteerde reservoir van de hydraulische
koppeling in een horizontale positie zetten.
–
Schroeven
–
Deksel
–
Vloeistofpeil controleren.
1 verwijderen.
2 met membraan 3 verwijderen.
Vloeistofpeil lager dan
bovenkant van reservoir
»
F00158-10
4 mm
Als het vloeistofpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
pag. 151)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en
vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
87
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
11.46
Vloeistof van de hydraulische koppeling verversen
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingsplaten zijn versleten.
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en koppelingskabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
–
Het aan het stuur gemonteerde voorraadreservoir van de
hydraulische koppeling in een horizontale positie zetten.
–
Schroeven
–
Deksel
1 verwijderen.
2 met membraan 3 verwijderen.
F00158-10
(Alle SX‑F-modellen)
– Ontluchtingsspuit
4 met de juiste vloeistof vullen.
Spuit (50329050000)
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
pag. 151)
De beschermkap van de koppelingsnemercilinder verwijderen en ontluchtingsspuit
met passend stuk slang aan
de ontluchtingsschroef
monteren.
4
5
F01543-10
88
–
Aan de koppelingsnemercilinder de ontluchtingsschroef
slechts zover losdraaien, totdat deze gevuld
kan worden.
5
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking
komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof
lak aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten
verpakking gebruiken.
(XC‑F US)
– Ontluchtingsspuit
4 met de juiste vloeistof vullen.
Spuit (50329050000)
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
pag. 151)
De beschermkap van de koppelingsnemercilinder verwijderen en ontluchtingsspuit
met passend stuk slang aan
de ontluchtingsschroef
monteren.
4
5
–
F01575-10
Aan de koppelingsnemercilinder de ontluchtingsschroef
slechts zover losdraaien, totdat deze gevuld
kan worden.
5
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking
komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof
lak aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten
verpakking gebruiken.
–
Nu zo lang de vloeistof in het systeem spuiten tot deze zonder luchtbellen uit de boring
van de koppelingscilinder
stroomt.
6
–
Tussendoor vloeistof uit het reservoir van de koppelingscilinder
afzuigen om overstromen te voorkomen.
–
Ontluchtingsschroef vastdraaien, ontluchtingsspuit met slang
verwijderen. Beschermkap monteren.
–
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Voorgeschreven waarde
F00166-10
Vloeistofpeil lager dan
bovenkant van reservoir
–
4 mm
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en
vastdraaien.
89
12 REMSYSTEEM
12.1
Vrije slag remhendel controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de voorwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem
druk op de voorwielrem op.
–
Stel de vrije slag aan de handremhendel op de voorgeschreven wijze in.
–
Remhendel naar voren duwen en vrije slag
Vrije slag remhendel
»
A controleren.
≥ 3 mm
Als de vrije slag niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
Uitgangspositie van de handremhendel instellen.
( pag. 90)
F00153-11
12.2
Uitgangspositie van de handremhendel instellen
Voorwerk
– Vrije slag van de remhendel controleren. (
pag. 90)
Hoofdwerk
– Uitgangspositie van de handremhendel met de stelschroef
aan de grootte van de hand aanpassen.
1
Info
F00153-10
12.3
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid,
komt de remhendel verder van het stuur af te staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid,
komt de remhendel dichter bij het stuur te staan.
Het instelbereik is beperkt.
Stelschroef alleen met de hand draaien, geen geweld
gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
Remschijven controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remschijven verminderen de remwerking.
–
90
Zorg ervoor dat versleten remschijven onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage
is u graag van dienst.)
REMSYSTEEM 12
–
Dikte van de remschijven voor en achter op meerdere plekken
van de remschijf op de maat
controleren.
A
Info
Door slijtage kan de dikte van de remschijf in
het bereik van het raakvlak van de remplaketten
verminderen.
Remschijven - slijtagegrens
402404-10
»
–
2,5 mm
achter
3,5 mm
Als de dikte van de remschijf minder is dan de voorgeschreven waarde:
–
Remschijf van voorwielrem vervangen.
–
Remschijf van achterwielrem vervangen.
Remschijven voor en achter op beschadiging, scheuren en vervorming controleren.
»
12.4
voor
Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
–
Remschijf van voorwielrem vervangen.
–
Remschijf van achterwielrem vervangen.
Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Voorwerk
– Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
pag. 93)
Hoofdwerk
– Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
1.
Als het remvloeistofpeil onder de markering A is gedaald:
Remvloeistofpeil controleren op het kijkglas
»
–
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen.
( pag. 92)
F00150-10
91
12 REMSYSTEEM
12.5
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
– Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
pag. 93)
Hoofdwerk
– Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
F00149-10
92
–
Schroeven
–
Deksel
1 verwijderen.
2 met membraan 3 verwijderen.
REMSYSTEEM 12
–
Remvloeistof tot maat
A bijvullen.
Voorgeschreven waarde
A
Maat
(remvloeistofpeil
lager dan bovenkant reservoir)
5 mm
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
pag. 151)
400379-12
–
2
Deksel
met membraan
monteren en vastdraaien.
3 positioneren. Schroeven 1
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
F00149-10
12.6
Remplaketten van de voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remvoeringen verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Remplaketten op minimale plaketdikte
Minimale plaketdikte
»
12.7
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
( pag. 93)
Remplaketten op beschadiging en scheuren controleren.
»
H01333-10
≥ 1 mm
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
A
A controleren.
Als er beschadigingen of scheuren te zien zijn:
–
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
( pag. 93)
Remplaketten van de voorwielrem vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door ondeskundig onderhoud valt het remsysteem uit.
–
Zorg ervoor dat servicewerkzaamheden en reparaties vakkundig worden uitgevoerd. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
93
12 REMSYSTEEM
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
F00149-10
94
–
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Schroeven
–
Deksel
1 verwijderen.
2 met membraan 3 verwijderen.
REMSYSTEEM 12
–
Remzadel met de hand naar de remschijf duwen, om de remzuigers terug te duwen en erop letten, dat er geen remvloeistof
uit het remvloeistofreservoir stroomt, indien nodig afzuigen.
Info
Voorkomen dat bij het naar achteren drukken van
de remzuigers het remzadel tegen de spaken wordt
geduwd.
F00142-11
–
De splitpennen
verwijderen, de bouten
remplaketten verwijderen.
–
Remzadel en remzadeldrager reinigen.
–
Controleren of het veerblad
in het remzadel en de glijplaat
in de remzadeldrager correct gemonteerd zijn.
4
5 eruit trekken en
6
7
100397-01
–
Nieuwe remplaketten plaatsen, bouten
splitpennen
monteren.
5 erin steken en de
4
Info
Remplaketten altijd per set vervangen.
–
Remhendel meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
–
Remvloeistofpeil corrigeren tot maat
F00154-10
A.
Voorgeschreven waarde
A
Maat
(remvloeistofpeil
lager dan bovenkant reservoir)
5 mm
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
–
pag. 151)
2 met membraan 3 positioneren.
Schroeven 1 monteren en vastdraaien.
Deksel
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
F00148-10
95
12 REMSYSTEEM
12.8
Vrije slag rempedaal controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem druk op de achterwielrem op.
–
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
–
Veer
–
Rempedaal tussen eindaanslag en voetremcilinderzuiger heen
en weer bewegen en vrije slag
controleren.
1 losmaken.
A
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal
»
–
12.9
Als de vrije slag niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
402026-10
3 … 5 mm
Veer
Uitgangspositie van het rempedaal instellen.
( pag. 96)
1 vasthaken.
Uitgangspositie van het rempedaal instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem druk op de achterwielrem op.
–
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
–
–
1 losmaken.
Moer 4 losdraaien en met drukstang 5 terugdraaien totdat
Veer
de maximale vrije slag is bereikt.
–
Voor de individuele aanpassing van de uitgangspositie van het
rempedaal moer
losdraaien en schroef
draaien.
2
3
Info
Het instelbereik is beperkt.
–
5
A
Drukstang
zoveel draaien tot de vrije slag
bereikt is.
Eventueel uitgangspositie van het rempedaal aanpassen.
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal
–
Drukstang
3 … 5 mm
5 tegenhouden en moer 4 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende moeren
chassis
F01544-10
96
–
Schroef
M6
10 Nm
3 tegenhouden en moer 2 vastdraaien.
REMSYSTEEM 12
Voorgeschreven waarde
Moer rempedaalbevestiging
–
12.10
Veer
M8
20 Nm
1 vasthaken.
Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Voorwerk
– Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
pag. 99)
Hoofdwerk
– Voertuig verticaal zetten.
–
1.
Als het remvloeistofpeil onder de markering A is gedaald:
Remvloeistofpeil controleren op het kijkglas
»
–
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen.
( pag. 97)
F01545-10
12.11
Remvloeistof achterwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
97
12 REMSYSTEEM
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Zorg ervoor dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
– Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
pag. 99)
Hoofdwerk
– Voertuig rechtop zetten.
–
–
1 met membraan 2 en keerring verwijderen.
Remvloeistof tot de markering A vullen.
Schroefdop
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
F01546-10
98
pag. 151)
Schroefdop met membraan en O-ring monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
REMSYSTEEM 12
12.12
Remplaketten van de achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remvoeringen verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Remplaketten op minimale plaketdikte
Minimale plaketdikte
»
12.13
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
( pag. 99)
Remplaketten op beschadiging en scheuren controleren.
»
M01180-10
≥ 1 mm
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
A
A controleren.
Als er beschadigingen of scheuren te zien zijn:
–
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
( pag. 99)
Remplaketten van de achterwielrem vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door ondeskundig onderhoud valt het remsysteem uit.
–
Zorg ervoor dat servicewerkzaamheden en reparaties vakkundig worden uitgevoerd. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
99
12 REMSYSTEEM
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
–
Voertuig rechtop zetten.
–
Schroefdop
–
Remzadel met de hand naar de remschijf duwen, om de remzuigers terug te duwen en erop letten, dat er geen remvloeistof
uit het remvloeistofreservoir stroomt, indien nodig afzuigen.
1 met membraan 2 en keerring verwijderen.
F01547-10
Info
Voorkomen dat bij het naar achteren drukken van de
remzuiger het remzadel tegen de spaken wordt geduwd.
–
De splitpennen
verwijderen, de bouten
remplaketten verwijderen.
–
Remzadel en remzadeldrager reinigen.
–
Controleren of het veerblad
in het remzadel en de glijplaat
in de remzadeldrager correct gemonteerd zijn.
F00155-10
3
4 eruit trekken en
5
6
Info
De pijl op het veerblad wijst in de draairichting van de
remschijf.
S01251-10
–
Nieuwe remplaketten plaatsen, bouten
splitpennen
monteren.
4 erin steken en de
3
Info
Remplaketten altijd per set vervangen.
Erop letten dat de ontkoppelingsplaat
aan het remplaket aan de zuigerzijde gemonteerd is.
7
–
H00025-10
100
Rempedaal meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
REMSYSTEEM 12
–
Remvloeistofpeil tot markering
A corrigeren.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
Schroefdop
vastdraaien.
pag. 151)
1 met membraan 2 en keerring monteren en
Info
F01546-10
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
101
13 WIELEN, BANDEN
13.1
Voorwiel demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
Hoofdwerk
– Remzadel met de hand naar de remschijf duwen om de remzuigers naar achteren te drukken.
Info
Voorkomen dat bij het naar achteren drukken van
de remzuigers het remzadel tegen de spaken wordt
geduwd.
F00142-10
–
–
–
1 enkele slagen losdraaien.
Schroeven 2 losdraaien.
Op de schroef 1 drukken om de steekas uit de asopname te
Schroef
schuiven.
–
Schroef
1 verwijderen.
F00141-10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
–
–
F00140-10
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijf
niet wordt beschadigd.
Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de
voorvork nemen.
Info
Remhendel niet bedienen als het voorwiel is gedemonteerd.
(SX‑F EU/US, XC-F US)
– Afstandsbussen
H00934-10
102
3 verwijderen.
WIELEN, BANDEN 13
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Afstandsbus
en remschijfbescherming
3
4 verwijderen.
H01890-10
13.2
Voorwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
(SX‑F EU/US, XC-F US)
– Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager voor vervangen.
1
Radiale keerringen
en loopvlakken
bussen reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
H00935-10
pag. 152)
–
Afstandsbussen erin zetten.
–
Steekas reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet (
–
A van de afstands-
pag. 152)
Voorwiel positioneren en steekas erin zetten.
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager voor vervangen.
1
Radiale keerringen
en loopvlakken
bussen reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
S01631-10
A van de afstands-
pag. 152)
–
Afstandsbus en remschijfbescherming aanbrengen.
–
Steekas reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet (
–
pag. 152)
Voorwiel positioneren en steekas erin zetten.
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
103
13 WIELEN, BANDEN
–
Remschijfbescherming zo afstellen dat de afstand
en
dezelfde grootte hebben.
B
C
S01633-10
–
Schroef
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef steekas voor
M20x1,5
35 Nm
–
Remhendel meerdere keren indrukken tot remplaketten tegen
de remschijf liggen.
–
Motorfiets van hefbok nemen. (
–
Voorwielrem bedienen en voorvork enkele keren krachtig inveren.
–
Schroeven
F00141-11
pag. 52)
Vorkpoten worden uitgelijnd.
3 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname
13.3
M8
15 Nm
Achterwiel demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
Hoofdwerk
– Remzadel met de hand naar de remschijf duwen om de remzuiger naar achteren te drukken.
Info
Voorkomen dat bij het naar achteren drukken van de
remzuiger het remzadel tegen de spaken wordt geduwd.
–
–
1 verwijderen.
Kettingspanner 2 verwijderen. Steekas 3 slechts zo ver
Moer
eruit trekken, dat het achterwiel naar voren kan worden
geschoven.
–
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven. Ketting van
het kettingwiel nemen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
V00296-10
104
WIELEN, BANDEN 13
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
–
–
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijf
niet wordt beschadigd.
Achterwiel vasthouden en steekas verwijderen. Achterwiel uit
de achterbrug nemen.
Info
Rempedaal niet indrukken als het achterwiel is gedemonteerd.
–
Afstandsbussen
4 verwijderen.
H03002-10
13.4
Achterwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Hoofdwerk
– Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager achter vervangen.
1
Radiale keerringen
en loopvlakken
sen reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
H03001-10
pag. 152)
–
Afstandsbussen erin zetten.
–
Steekas reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet (
–
A van de afstandsbus-
pag. 152)
Achterwiel positioneren en steekas
2 erin zetten.
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
–
Ketting erop leggen.
V00297-10
105
13 WIELEN, BANDEN
–
Kettingspanner
positioneren. Moer
nog niet vastdraaien.
–
Controleren of de kettingspanners
ven
liggen.
3
4 monteren, maar
3 tegen de stelschroe-
5
–
Kettingspanning controleren. (
–
Moer
pag. 81)
4 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter
M25x1,5
80 Nm
Info
Door het grote instelbereik van de kettingspanner
(32 mm) kunnen bij gelijke kettinglengte verschillende
secundaire overbrengingen worden gereden.
De kettingspanners
kunnen 180° worden gedraaid.
3
–
Rempedaal meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
V00298-10
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. (
13.5
pag. 52)
Bandentoestand controleren
Info
Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden monteren.
Andere banden kunnen het rijgedrag negatief beïnvloeden.
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rijgedrag van de motorfiets.
Het profiel van de banden voor het voor- en achterwiel moet altijd gelijk zijn.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed op het rijgedrag.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok opkrikken. (
pag. 52)
Hoofdwerk
– Voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen
die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en beschadigingen.
»
Als er insnijdingen of beschadigingen zijn of als er voorwerpen tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten:
–
400602-10
106
Banden vervangen.
WIELEN, BANDEN 13
–
Leeftijd van de banden controleren.
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het
opschrift van de banden en wordt met de laatste vier
cijfers van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eerste
twee cijfers wijzen op de week van de productie en de
laatste twee cijfers op het productiejaar.
KTM adviseert uiterlijk na vijf jaar de banden te vervangen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slijtage.
H01144-01
»
Als de band ouder is dan vijf jaar:
–
Banden vervangen.
Nawerk
– Motorfiets van hefbok nemen. (
13.6
pag. 52)
Bandenspanning controleren
Info
Te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en een maximale levensduur van de band.
–
Beschermkap verwijderen.
–
Bandenspanning controleren als de banden koud zijn.
Bandenspanning terrein
»
–
13.7
1,0 bar
achter
1,0 bar
Als de bandenspanning niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt:
–
400695-01
voor
Bandenspanning corrigeren.
Beschermkap monteren.
Spaakspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verkeerd gespannen spaken beïnvloeden het rijgedrag nadelig en leiden tot
gevolgschade.
Als de spaken te vast zijn gespannen, barsten de spaken door overbelasting. Als de spaken te los zijn
gespannen, ontstaat een zij- of hoogteslag in het wiel. Hierdoor komen andere spaken ook los te zitten.
–
Controleer de spaakspanning regelmatig, in het bijzonder bij een nieuw voertuig. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
107
13 WIELEN, BANDEN
–
Kort met het handvat van een schroevendraaier op elke spaak
slaan.
Info
De toonfrequentie is afhankelijk van de spaaklengte en
van de spaakdiameter.
Wanneer er verschillende toonfrequenties hoorbaar zijn
bij spaken met gelijke lengte en dikte, duidt dat op verschillende spaakspanningen.
400694-01
De toon moet helder zijn.
»
Wanneer de spaakspanning verschillend is:
–
–
Spaakspanning corrigeren.
Aanhaalmoment van de spaken controleren.
Voorgeschreven waarde
Spaaknippel voorwiel
M4,5
6 Nm
Spaaknippel achterwiel
M4,5
6 Nm
(Factory Edition)
Eerst de in de fabriek aangebrachte schroefdraadborging
doordraaien en vervolgens het koppel instellen. Geen
nieuw schroefborgingsmiddel aanbrengen.
Momentsleutelset (58429094000)
108
ELEKTRONICA 14
14.1
12V-accu demonteren
Voorzichtig
Gevaar voor verbranding De spanningsregelaar wordt tijdens bedrijf van het voertuig zeer heet.
–
Laat de spanningsregelaar afkoelen, alvorens met de werkzaamheden te beginnen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu 12V-accu’s bevatten voor het milieu schadelijke stoffen.
–
Gooi 12V-accu’s niet bij het huishoudelijk afval.
–
Geef 12V-accu’s af bij een verzamelpunt voor oude accu’s.
Voorwerk
– Uitschakelknop bij stationair toerental van de motor indrukken, totdat de motor stilstaat.
–
Zadel verwijderen. (
pag. 68)
Hoofdwerk
– Spanningsregelaar opzij hangen.
–
–
1 van de 12V-accu loskoppelen.
Pluspoolafdekking 2 naar achteren trekken en pluskabel van
Minkabel
de 12V-accu loskoppelen.
–
Schroef
–
Bevestigingsbeugel
naar voren trekken en 12V-accu naar
boven toe verwijderen.
3 verwijderen.
4
F00138-10
14.2
12V-accu monteren
Hoofdwerk
– 12V-accu met de polen naar voren in het accuvak plaatsen en
met de bevestigingsbeugel
vastzetten.
1
12V-accu (HJTZ5S-FP-C) (
–
Schroef
pag. 142)
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
Pluskabel
M6
10 Nm
3 met de 12V-accu verbinden.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
–
Minkabel
M5
2,5 Nm
4 met de 12V-accu verbinden.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
M5
2,5 Nm
A moeten onder de schroeven 5 en de
6 met de klauwen naar de accupool wor-
De contactringen
kabelschoenen
den gemonteerd.
H00386-10
–
Pluspoolafdekking
–
Spanningsregelaar positioneren.
7 over pluspool schuiven.
109
14 ELEKTRONICA
Nawerk
– Zadel monteren. (
14.3
pag. 69)
12V-accu laden
Waarschuwing
Gevaar voor letsel 12V-accu’s bevatten schadelijke stoffen.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Houd vonken of open vuur uit de buurt van 12V-accu’s.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Houd een minimale afstand tot ontvlambare stoffen als u 12V-accu’s oplaadt.
Minimale afstand
–
1m
Laad volledig lege 12V-accu’s niet op als de minimumspanning al is onderschreden.
Minimumspanning voor laden
–
9V
Voer 12V-accu’s waarvan de minimumspanning werd onderschreden volgens de voorschriften af.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu 12V-accu’s bevatten voor het milieu schadelijke stoffen.
–
Gooi 12V-accu’s niet bij het huishoudelijk afval.
–
Geef 12V-accu’s af bij een verzamelpunt voor oude accu’s.
Info
Ook als de 12V-accu niet wordt belast verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden zijn erg belangrijk voor de levensduur van de 12V-accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als laadstroom, laadspanning of laadtijd worden overschreden, dan vernielt dit de 12V-accu.
Als de 12V-accu leeg is gestart, de 12V-accu meteen opladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treden er diepteontlading en capaciteitsverlies op, waardoor de 12Vaccu wordt vernield.
De 12V-accu is onderhoudsvrij.
Voorwerk
– Uitschakelknop bij stationair toerental van de motor indrukken, totdat de motor stilstaat.
–
Zadel verwijderen. (
–
12V-accu demonteren.
pag. 68)
(
pag. 109)
Hoofdwerk
– Accuspanning controleren.
»
»
F01568-10
110
Accuspanning: < 9 V
–
12V-accu niet opladen.
–
12V-accu vervangen en oude 12V-accu op de juiste
manier afvoeren.
Als de voorgeschreven waarde is bereikt:
Accuspanning: ≥ 9 V
–
Acculader met 12V-accu verbinden. Acculader inschakelen.
ELEKTRONICA 14
Voorgeschreven waarde
Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet
worden overschreden.
Maximale laadspanning
14,4 V
Maximale laadstroom
3,0 A
Maximale laadduur
24 h
12V-accu regelmatig bijladen als de motorfiets
niet wordt gebruikt
6 maanden
Acculader (EU) (79629974000)
Alternatief 1
Acculader (US) (79629974500)
Deze laders testen of de 12V-accu de spanning vasthoudt. Bovendien kan met deze laders de 12V-accu
niet worden overladen. De oplaadtijd kan bij lage temperaturen langer zijn.
Deze laders zijn uitsluitend voor LFP-accu's bedoeld.
De bijgevoegde KTM PowerParts-handleiding in acht
nemen.
Info
Deksel
–
Acculader na het laden uitschakelen en van de 12V-accu loskoppelen.
Nawerk
– 12V-accu monteren.
–
14.4
1 nooit verwijderen.
Zadel monteren. (
(
pag. 109)
pag. 69)
Hoofdzekering vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Voorzichtig
Gevaar voor verbranding De spanningsregelaar wordt tijdens bedrijf van het voertuig zeer heet.
–
Laat de spanningsregelaar afkoelen, alvorens met de werkzaamheden te beginnen.
Info
Met de hoofdzekering worden alle stroomverbruikers van het voertuig gezekerd. Deze bevindt zich in het
startrelaishuis onder het zadel.
Voorwerk
– Uitschakelknop bij stationair toerental van de motor indrukken, totdat de motor stilstaat.
–
Zadel verwijderen. (
pag. 68)
111
14 ELEKTRONICA
Hoofdwerk
– Startrelais
1 uit houder trekken.
S02303-10
–
–
2 verwijderen.
Defecte hoofdzekering 3 verwijderen.
Beschermkappen
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken
smeltdraad
.
In het startrelais bevindt zich een reservezekering
A
–
Nieuwe hoofdzekering plaatsen.
Zekering (58011109110) (
–
4.
pag. 142)
Werking van de elektrische installatie controleren.
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen,
zodat u er een bij u heeft als het nodig is.
–
Beschermkappen erop steken.
–
Startrelais op de houder steken en kabels leggen.
S02304-10
Nawerk
– Zadel monteren. (
14.5
Diagnosestekker
De diagnosestekker
H00933-12
112
pag. 69)
1 bevindt zicht onder het zadel.
KOELSYSTEEM 15
15.1
Koelsysteem
1
Door de waterpomp
in de motor vindt er een gedwongen circulatie van het koelmiddel plaats.
De druk die bij verwarming in het koelsysteem ontstaat wordt geregeld door een klep in de radiateurdop
. Daardoor is de aangegeven koelmiddeltemperatuur toegestaan zonder dat er met functiestoringen rekening moet worden gehouden.
2
120 °C
F01548-10
15.2
De koeling vindt plaats via de rijwind.
Hoe lager de snelheid, hoe lager de koelwerking. Ook vervuilde
koelribben verlagen de koelwerking.
Antivries en koelmiddelpeil controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
–
Motorfiets rechtop zetten op een horizontaal oppervlak.
–
Radiateurdop verwijderen.
–
Antivries van het koelmiddel controleren.
−25 … −45 °C
»
Als de antivries van het koelmiddel niet overeenkomt met
de voorgeschreven waarde:
–
400243-10
–
Antivries van het koelmiddel corrigeren.
Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
A boven de
Koelmiddelpeil
radiateurlamellen
»
10 mm
Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Koelmiddelpeil corrigeren.
113
15 KOELSYSTEEM
Koelmiddel (
–
15.3
pag. 150)
Radiateurdop monteren.
Koelmiddelpeil controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
–
Motorfiets rechtop zetten op een horizontaal oppervlak.
–
Radiateurdop verwijderen.
–
Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
A boven de
Koelmiddelpeil
radiateurlamellen
»
Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
400243-10
Koelmiddelpeil corrigeren.
Koelmiddel (
–
15.4
10 mm
pag. 150)
Radiateurdop monteren.
Koelmiddel aftappen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
114
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
KOELSYSTEEM 15
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
Voorwerk
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Motorbescherming demonteren. (
pag. 55)
Hoofdwerk
– Motorfiets rechtop zetten.
–
Geschikt reservoir onder de waterpompdeksel plaatsen.
–
Schroef
–
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
–
Schroef
1 verwijderen. Radiateurdop 2 verwijderen.
1 met nieuwe pakkingring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef waterpompdeksel
F01548-11
15.5
M6
10 Nm
Koelmiddel vullen
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Hoofdwerk
– Ervoor zorgen dat schroef
–
Motorfiets rechtop zetten.
–
Koelmiddel tot maat
1 is vastgedraaid.
A boven de radiateurlamellen bijvullen.
Voorgeschreven waarde
A
Maat
boven de radiateurlamellen
Koelmiddel
F01549-10
–
1,20 l
10 mm
Koelmiddel
( pag. 150)
Radiateurdop monteren.
115
15 KOELSYSTEEM
–
Korte proefrit maken.
–
Koelmiddelpeil controleren. (
pag. 114)
Nawerk
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Motorbescherming monteren. (
15.6
pag. 55)
Koelmiddel verversen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
Voorwerk
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Motorbescherming demonteren. (
pag. 55)
Hoofdwerk
– Motorfiets rechtop zetten.
–
Geschikt reservoir onder de waterpompdeksel plaatsen.
–
Schroef
–
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
–
Schroef
1 verwijderen. Radiateurdop 2 verwijderen.
F01548-11
1 met nieuwe pakkingring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef waterpompdeksel
–
Koelmiddel tot maat
M6
10 Nm
A boven de radiateurlamellen bijvullen.
Voorgeschreven waarde
A
F01549-10
116
Maat
boven de radiateurlamellen
10 mm
KOELSYSTEEM 15
Koelmiddel
1,20 l
–
Radiateurdop monteren.
–
Korte proefrit maken.
–
Koelmiddelpeil controleren. (
Koelmiddel
( pag. 150)
pag. 114)
Nawerk
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Motorbescherming monteren. (
pag. 55)
117
16 MOTOR AFSTELLEN
16.1
Speling gaskabel controleren
–
Controleren of de gashendel soepel beweegt.
–
Stuur in de rechtuitstand zetten. Gashendel licht heen en weer
bewegen en de speling van de gaskabel
bepalen.
A
Speling van gasbowdenkabel
»
Als de speling van de gaskabel niet overeenkomt met de
voorgeschreven waarde:
–
400192-11
–
3 … 5 mm
Speling gaskabel instellen.
(
pag. 118)
Koude-startknop tot de aanslag indrukken.
Als de gashendel naar voren wordt gedraaid, springt de
koude-startknop terug in de uitgangspositie.
»
Als de koude-startknop niet in de uitgangspositie terugspringt:
–
Speling gaskabel instellen.
(
pag. 118)
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en met stationair toerental laten draaien. Stuur
over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
Het stationair toerental mag niet veranderen.
»
Wanneer het stationaire toerental verandert:
–
16.2
Speling gaskabel instellen.
(
pag. 118)
Speling gaskabel instellen
Info
Als de gasbowdenkabels correct zijn gelegd, hoeft de brandstoftank niet te worden gedemonteerd.
Voorwerk
– Zadel verwijderen. (
118
pag. 68)
–
Brandstoftank demonteren.
–
Gaskabelplaatsing controleren. (
(
pag. 76)
pag. 85)
MOTOR AFSTELLEN 16
Hoofdwerk
(Alle SX‑F-modellen)
– Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Manchet
–
Moer
–
–
–
–
1 terugschuiven.
2 losdraaien.
Stelschroef 3 helemaal indraaien.
Moer 4 losdraaien.
Koude-startknop 6 tot aan de aanslag indrukken.
Stelschroef 5 zo draaien dat de koude-startknop terug
naar de uitgangspositie beweegt wanneer de gashendel
naar voren wordt gedraaid.
–
–
4 vastdraaien.
Stelschroef 3 zodanig draaien dat bij de gashendel de
Moer
speling van de gasbowdenkabel aanwezig is.
Voorgeschreven waarde
Speling van gasbowdenkabel
F01550-10
–
3 … 5 mm
–
2 vastdraaien.
Manchet 1 erop schuiven.
–
Controleren of de gashendel soepel beweegt.
Moer
(XC‑F US)
– Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Manchet
–
Moer
–
–
–
–
1 terugschuiven.
2 losdraaien.
Stelschroef 3 helemaal indraaien.
Moer 4 losdraaien.
Koude-startknop 6 tot aan de aanslag indrukken.
Stelschroef 5 zo draaien dat de koude-startknop terug
naar de uitgangspositie beweegt wanneer de gashendel
naar voren wordt gedraaid.
–
–
4 vastdraaien.
Stelschroef 3 zodanig draaien dat bij de gashendel de
Moer
speling van de gasbowdenkabel aanwezig is.
Voorgeschreven waarde
Speling van gasbowdenkabel
F01569-10
3 … 5 mm
–
Moer
–
Manchet
–
Controleren of de gashendel soepel beweegt.
2 vastdraaien.
1 erop schuiven.
Nawerk
– Speling gaskabel controleren. (
pag. 118)
119
16 MOTOR AFSTELLEN
16.3
Eigenschappen van de gasrespons instellen
Info
Op de gashendel kunnen de eigenschappen van de gasrespons door de vervanging van de gaskabelschijf
worden veranderd.
Een gaskabelschijf met een andere karakteristiek is inbegrepen.
Hoofdwerk
– Manchet
–
1 terugschuiven.
Schroeven 2 en halve schalen 3 verwijderen.
–
Gaskabels losmaken en handgreep verwijderen.
–
Gaskabelschijf
–
Gewenste gaskabelschijf op de handgreep positioneren.
F00130-10
4 van de handgreep 5 verwijderen.
Voorgeschreven waarde
De aanduiding OUTSIDE moet zichtbaar zijn. De
markering
moet bij de markering
gepositioneerd
zijn.
A
B
Gaskabelschijf grijs (79002014000)
Alternatief 1
Gaskabelschijf zwart (79002014100)
Info
De grijze gaskabelschijf opent de smoorklep langzaam.
De grijze gaskabelschijf opent de smoorklep snel.
De grijze gaskabelschijf is bij levering gemonteerd.
102246-10
–
Stuur aan buitenzijde en handgreep aan binnenzijde reinigen.
Handgreep op het stuur schuiven.
–
Gaskabels in de gaskabelschijf bevestigen en op hun plaats
brengen.
–
Halve schalen
vastdraaien.
3 positioneren, schroeven 2 monteren en
Voorgeschreven waarde
Schroef gashendel
F01576-01
–
M6
1
Manchet
erop schuiven en gashendel controleren op soepele werking.
Nawerk
– Speling gaskabel controleren. (
120
5 Nm
pag. 118)
MOTOR AFSTELLEN 16
16.4
Mapping wijzigen
Info
De gewenste motoreigenschap kan via de toets MAP van de combinatieschakelaar worden geactiveerd.
De laatst geselecteerde instelling is na opnieuw starten weer actief.
Bovendien kan via de toets TC in elke Mapping de tractiecontrole worden geactiveerd.
De Mapping kan ook tijdens rijden worden gewijzigd.
STANDARD Mapping activeren:
– Toets MAP indrukken tot led 1 brandt.
Voorgeschreven waarde
Motortoerental
< 4.000 1/min
STANDARD – gecompenseerde respons
H02889-01
ADVANCED Mapping activeren:
– Toets MAP indrukken tot led 2 brandt.
Voorgeschreven waarde
Motortoerental
< 4.000 1/min
ADVANCED – directe respons
H02886-01
16.5
Stationair toerental instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen De motor kan bij een te laag stationair toerental plotseling uitvallen.
–
Stel het stationair toerental op de aangegeven waarde in. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag
van dienst.)
121
16 MOTOR AFSTELLEN
–
Motor warmrijden.
Koude-startknop gedeactiveerd – Koude-startknop staat in
de uitgangspositie. ( pag. 20)
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Door het verdraaien van de regelschroef stationair toerental
het stationaire toerental instellen.
1
Voorgeschreven waarde
Stationair toerental
F01521-10
2.250 … 2.350 1/min
Toerenteller (45129075000)
Info
Draaien tegen de klok in verlaagt het stationaire toerental.
Draaien met de klok mee verhoogt het stationaire toerental.
16.6
Smoorkleppositie programmeren
Info
Als de besturingsunit herkent dat de smoorkleppositie bij stationair toerental opnieuw moet worden geprogrammeerd, knippert het controlelampje storing 2x per seconde.
122
MOTOR AFSTELLEN 16
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Voertuig met stationair toerental laten draaien.
Het controlelampje storing knippert niet meer zodra het
programmeren is afgesloten.
Info
Als de motor te warm wordt, een afkoelrit bij gemiddeld
toerental maken.
De motor vervolgens niet uitschakelen, maar stationair
verder laten draaien tot het programmeren afgesloten
is.
H02263-10
16.7
Uitgangspositie versnellingshendel controleren
Info
De versnellingshendel mag bij het rijden in de uitgangspositie niet tegen de laars liggen.
Als de versnellingshendel steeds tegen de laars ligt, wordt de versnelling teveel belast.
–
A
In de rijpositie op het voertuig gaan zitten en de afstand
tussen de bovenkant van de laars en de versnellingshendel
meten.
Afstand versnellingshendel
tot bovenkant laars
»
16.8
Als de afstand niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
400692-10
10 … 20 mm
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen.
( pag. 123)
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen
–
1
Schroef
met ringen verwijderen en versnellingshendel
eraf halen.
2
401950-12
123
16 MOTOR AFSTELLEN
–
Vertanding
–
Versnellingshendel in de gewenste positie op de schakelas steken en de tanden laten grijpen.
A van versnellingshendel en schakelas reinigen.
Info
Het instelbereik is beperkt.
De versnellingshendel mag bij het schakelen de voertuigcomponenten niet raken.
401951-10
–
Schroef
1 met ringen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef versnellingshendel
124
M6
14 Nm
Loctite®243™
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 17
17.1
Brandstofzeef vervangen
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
(Alle SX‑F-modellen)
– Snelsluitkoppeling
1 grondig met perslucht reinigen.
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding
terechtkomen. Binnengedrongen vuil verstopt de
inspuitklep!
–
Snelsluitkoppeling loskoppelen.
Info
Uit de brandstofslang kan nog wat resterende
brandstof stromen.
–
Brandstofzeef
–
Nieuwe brandstofzeef tot de aanslag in het aansluitstuk
schuiven.
–
O-ring smeren en snelsluitkoppeling in elkaar steken.
2 uit het aansluitstuk trekken.
F01551-10
125
17 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot
gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als
u de motor in een gesloten ruimte start of laat
draaien.
Motor starten en respons controleren.
(XC‑F US)
– Snelsluitkoppeling
1 grondig met perslucht reinigen.
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding
terechtkomen. Binnengedrongen vuil verstopt de
inspuitklep!
–
Snelsluitkoppeling loskoppelen.
Info
Uit de brandstofslang kan nog wat resterende
brandstof stromen.
–
Brandstofzeef
–
Nieuwe brandstofzeef tot de aanslag in het aansluitstuk
schuiven.
–
O-ring smeren en snelsluitkoppeling in elkaar steken.
2 uit het aansluitstuk trekken.
Gevaar
F01570-10
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot
gevolg hebben.
–
126
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als
u de motor in een gesloten ruimte start of laat
draaien.
Motor starten en respons controleren.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 17
17.2
Motoroliepeil controleren
Info
Het motoroliepeil kan worden gecontroleerd bij een koude en warme motor.
Voorwerk
– Motorfiets rechtop zetten op een horizontaal oppervlak.
Voorwaarde
Motor is koud.
–
Motoroliepeil controleren.
De motorolie komt tot het midden van het kijkglas
»
Als de motorolie niet tot het midden van het kijkglas
komt:
–
F01552-10
A.
Motorolie bijvullen. (
pag. 130)
Voorwaarde
Motor is warm.
–
Motoroliepeil controleren.
Info
Na het afzetten van de motor eerst een minuut
wachten en dan pas controleren.
De motorolie staat tussen het midden
kant
van het kijkglas.
A en de boven-
B
»
Als de motorolie niet tot het midden van het
kijkglas
komt:
A
–
17.3
Motorolie bijvullen. (
pag. 130)
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Motor- en cardanolie wordt tijdens bedrijf van de motorfiets zeer heet.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De motorolie bij een warme motor aftappen.
Voorwerk
– Motorfiets op horizontaal oppervlak zetten.
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Motorbescherming demonteren. (
pag. 55)
127
17 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
Hoofdwerk
– Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
–
Olieaftapschroef
–
Sluitschroef
1 met magneet en afdichtring verwijderen.
S02287-10
2 met korte oliezeef en keerringen verwijderen.
Info
Schroef
A niet verwijderen.
S02288-10
–
Sluitschroef
ren.
–
Motorolie volledig laten uitlopen.
–
Onderdelen en afdichtvlakken grondig reinigen.
–
Sluitschroef
vastdraaien.
3 met lange oliezeef 4 en keerringen verwijde-
S02289-10
2 met korte oliezeef en keerringen monteren en
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef oliezeef
M20x1,5
15 Nm
S02290-10
S02291-10
128
–
Lange oliezeef
ren.
–
Pijpsleutel door de boring van de sluitschroef in de tegenoverliggende motorhuishelft positioneren.
–
Oliezeef tot de aanslag in het motorhuis schuiven.
4 met keerringen op een pijpsleutel positione-
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 17
–
Sluitschroef
3 met keerring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef oliezeef
–
M20x1,5
15 Nm
1
Olieaftapschroef
met magneet en nieuwe afdichtring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Olieaftapschroef met
magneet
S02292-10
–
Schroeven
wijderen.
–
Oliefilter
M12x1,5
20 Nm
5 verwijderen. Oliefilterdeksel met keerring ver-
S02293-10
6 uit het oliefilterhuis trekken.
Seegerringtang (51012011000)
–
Motorolie volledig laten uitlopen.
–
Onderdelen en afdichtvlakken grondig reinigen.
–
Motorfiets op zijkant leggen en oliefilterhuis ongeveer ⅓ vullen
met motorolie.
–
Oliefilter in oliefilterhuis positioneren.
–
Keerring van oliefilterdeksel smeren en met oliefilterdeksel
monteren.
–
Schroeven monteren en vastdraaien.
S02294-10
7
Voorgeschreven waarde
Schroef oliefilterdop
S02295-10
–
Motorfiets opstellen.
–
Olievulschroef
vullen.
Motorolie
M6
10 Nm
8 met keerring verwijderen en motorolie bij1,20 l
Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 150)
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit
leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
401955-12
–
Olievulschroef met keerring monteren en vastdraaien.
129
17 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
(Alle SX‑F speciale modellen)
– Motorbescherming monteren. (
–
17.4
Motoroliepeil controleren. (
pag. 55)
pag. 127)
Motorolie bijvullen
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
–
Olievulschroef
–
Dezelfde motorolie bijvullen, die ook bij de motorolieverversing
is gebruikt.
1 met keerring verwijderen.
Motorolie (SAE 10W/50) (
pag. 150)
Info
Het mengen van verschillende soorten motorolie wordt
afgeraden omdat de motorolie dan niet de volle werking
bereikt.
We adviseren de motorolie te vervangen als dat nodig
is.
401955-10
–
Olievulschroef met keerring monteren en vastdraaien.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
130
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
REINIGING, ONDERHOUD 18
18.1
Motorfiets reinigen
Aanwijzing
Materiaalschade Door verkeerd gebruik van een hogedrukreiniger worden componenten beschadigd of onbruikbaar.
Het water dringt door de hoge druk in de elektrische componenten, stekkers, bowdenkabels, lagers etc.
Te hoge druk veroorzaakt storingen en maakt componenten onbruikbaar.
–
Richt de waterstraal niet direct op elektrische componenten, stekkers, bowenkabels of lagers.
–
Een minimale afstand tussen de sproeier van de hogedrukreiniger en de component aanhouden.
Minimale afstand
60 cm
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De motorfiets regelmatig reinigen. Daardoor blijven de waarde en het uiterlijk voor een lange tijd behouden.
Voorkomen dat de motorfiets tijdens het reinigen wordt blootgesteld aan directe zonnestralen.
–
Uitlaatsysteem afsluiten, om het indringen van water te voorkomen.
–
Grove vervuiling eerst met een zachte waterstraal verwijderen.
–
Sterk vervuilde plekken met een in de handel verkrijgbare
motorfietsreiniger inspuiten en daarna behandelen met een
kwastje.
Motorfietsreiniger (
pag. 152)
Info
401061-01
Warm water met een in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger en een zachte spons gebruiken.
Motorfietsreiniger nooit op het droge voertuig aanbrengen, altijd eerst met water afspoelen.
–
Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is
afgespoeld moet hij goed worden gedroogd.
–
Afsluiting van het uitlaatsysteem verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het
remsysteem nadelig.
–
–
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Na de reiniging een kort stuk rijden, totdat de motor de rijtemperatuur heeft bereikt.
131
18 REINIGING, ONDERHOUD
Info
Door de warmte verdampt het water ook op de niet toegankelijke plaatsen van de motor en het remsysteem.
–
Beschermkappen van de stuurarmaturen terugschuiven, zodat
het ingedrongen water kan verdampen.
–
Na het afkoelen van de motorfiets alle glij- en lagerpunten
smeren.
–
Ketting reinigen. (
–
Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschijven en het uitlaatsysteem) met antiroestmiddel behandelen.
pag. 80)
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
( pag. 152)
–
Alle kunststof onderdelen en geëloxeerde onderdelen behandelen met een mild reinigings- en verzorgingsmiddel.
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaalen kunststofvlakken ( pag. 153)
132
STALLING 19
19.1
Stalling
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Info
Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken, moet u volgende maatregelen nemen of laten
nemen.
Controleer voordat u de motorfiets gaat stallen eerst of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten.
Als er servicewerkzaamheden, reparaties of wijzigingen nodig zijn, kunt u dat het beste doen tijdens de
overwintering (minder drukte bij de werkplaatsen). Zo voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het
seizoen.
–
Bij het laatste tanken voor het stallen van de motorfiets,
brandstofadditief bijmengen.
Brandstofadditief (
401058-01
pag. 152)
–
Brandstof tanken. (
–
Motorfiets reinigen. (
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen. ( pag. 127)
–
Antivries en koelmiddelpeil controleren. (
–
Bandenspanning controleren. (
–
12V-accu demonteren.
–
12V-accu laden.
pag. 34)
(
pag. 131)
(
pag. 113)
pag. 107)
pag. 109)
pag. 110)
Voorgeschreven waarde
Optimale laad- en opslagtemperatuur van de lithiumion-accu
–
10 … 20 °C
Voertuig stallen op een droge plaats en niet blootstellen aan
grote temperatuurschommelingen.
Info
KTM adviseert de motorfiets op te krikken.
–
Motorfiets met hefbok opkrikken. (
–
Voertuig met een luchtdoorlatend zeil of een deken afdekken.
pag. 52)
133
19 STALLING
Info
In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen
worden gebruikt, omdat er dan geen vocht kan ontsnappen en er roest ontstaat.
Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets
voor korte tijd te laten draaien. Aangezien de motor
daarbij niet voldoende warm wordt, condenseert de
waterdamp die bij de verbranding ontstaat en dit leidt
ertoe dat de ventielen en uitlaatsysteem gaan roesten.
19.2
Inbedrijfname na stalling
401059-01
134
–
12V-accu monteren.
–
Motorfiets van hefbok nemen. (
–
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling uitvoeren.
( pag. 29)
–
Proefrit maken.
(
pag. 109)
pag. 52)
FOUTEN OPSPOREN 20
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor draait bij het indrukken
van de startknop niet door
Bedieningsfouten
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren. ( pag. 29)
12V-accu ontladen
–
12V-accu laden.
–
Laadspanning controleren.
–
Ruststroom controleren.
–
Statorwikkeling van dynamo controleren.
Hoofdzekering doorgesmolten
–
Hoofdzekering vervangen.
( pag. 111)
Startrelais defect
–
Startrelais controleren.
Startmotor defect
–
Startmotor controleren.
Snelsluitkoppeling niet in
elkaar gestoken
–
Snelsluitkoppeling in elkaar steken.
Brandstofzeef in de snelsluitkoppeling verstopt
–
Brandstofzeef vervangen.
( pag. 125)
Stationaire toerental verkeerd
ingesteld
–
Stationair toerental instellen.
( pag. 121)
Bougie verzopen of nat
–
Bougie reinigen en drogen, indien
nodig vervangen.
Elektrodenafstand van de bougie te groot
–
Elektrodenafstand instellen.
Kortsluitkabel in de kabelboom
geschuurd, uitschakelknop
defect
–
Kabelboom controleren. (visuele controle)
–
Elektrische installatie controleren.
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Motor start niet
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Motor heeft te weinig vermogen
Luchtfilter sterk vervuild
–
Luchtfilter en luchtfilterbak
reinigen. ( pag. 72)
Brandstoffilter sterk vervuild
–
Brandstoffilter vervangen.
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Uitlaatsysteem lekt, is vervormd of heeft te weinig glasvezelvulling in de einddemper
–
Controleren of het uitlaatsysteem
beschadigd is.
–
Glasvezelvulling van einddemper vervangen. ( pag. 75)
Motor draait door, maar springt
niet aan
(
pag. 110)
Voorgeschreven waarde
Elektrodenafstand bougie
0,8 mm
Te weinig klepspeling
–
Klepspeling instellen.
Motor slaat tijdens het rijden af
Te weinig brandstof
–
Brandstof tanken. (
Motor wordt overmatig heet
Te weinig koelmiddel in koelsysteem
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
–
Koelmiddelpeil controleren.
( pag. 114)
Te weinig rijwind
–
Motor afzetten als hij stilstaat.
Radiateurlamellen sterk vervuild
–
Radiateurlamellen reinigen.
pag. 34)
135
20 FOUTEN OPSPOREN
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor wordt overmatig heet
Schuimvorming in het koelsysteem
–
Koelmiddel aftappen.
–
Koelmiddel vullen.
Radiateurslang geknikt
–
Radiateurslang vervangen.
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Bedrading op beschadiging en de elektrische steekverbindingen op roestvorming en beschadiging controleren.
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Slang van de motorontluchting
geknikt
–
Ontluchtingsslang knikvrij leggen en
indien nodig vervangen.
Motoroliepeil te hoog
–
Motoroliepeil controleren.
( pag. 127)
Vloeibaarheid motorolie te dun
(viscositeit)
–
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen.
( pag. 127)
Zuigers of cilinders versleten
–
Zuiger/cilinder - inbouwspeling bepalen.
12V-accu wordt niet opgeladen
–
Laadspanning controleren.
–
Statorwikkeling van dynamo controleren.
–
Ruststroom controleren.
Controlelampje storing brandt
resp. knippert
Hoog olieverbruik
12V-accu ontladen
Ongewilde stroomverbruikers
136
(
(
pag. 114)
pag. 115)
KNIPPERCODE 21
Knippercode controlelampje storing
02 Controlelampje storing knippert 2x kort
Voorwaarde voor fout
Toerentalsensor krukas – storing in schakelcircuit
Knippercode controlelampje storing
06 Controlelampje storing knippert 6x kort
Voorwaarde voor fout
Smoorklep-positiesensor circuit A – storing in het schakelcircuit
Smoorklep-positiesensor circuit A – ingangssignaal te hoog
Knippercode controlelampje storing
09 Controlelampje storing knippert 9x kort
Voorwaarde voor fout
Druksensor inlaatluchtbuis – storing in schakelcircuit
Druksensor inlaatluchtbuis – ingangssignaal te laag
Knippercode controlelampje storing
12 Controlelampje storing knippert 1x lang, 2x kort
Voorwaarde voor fout
Koelmiddeltemperatuursensor – storing in schakelcircuit
Koelmiddeltemperatuursensor – ingangssignaal te laag
Knippercode controlelampje storing
13 Controlelampje storing knippert 1x lang, 3x kort
Voorwaarde voor fout
Temperatuursensor inlaatlucht – storing in schakelcircuit
Temperatuursensor inlaatlucht – ingangssignaal te laag
Knippercode controlelampje storing
15 Controlelampje storing knippert 1x lang, 5x kort
Voorwaarde voor fout
Kantelsensor – ingangsignaal te laag
Kantelsensor – ingangsignaal te hoog
Knippercode controlelampje storing
21 Controlelampje storing knippert 2x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Accuspanning - ingangsspanning te hoog
Knippercode controlelampje storing
22 Controlelampje storing knippert 2x lang, 2x kort
Voorwaarde voor fout
Versnellingsherkenningssensor - fout in schakelcircuit
Versnellingsherkenningssensor - ingangssignaal te hoog
Versnellingsherkenningssensor - fout
Knippercode controlelampje storing
33 Controlelampje storing knippert 3x lang, 3x kort
Voorwaarde voor fout
Inspuitventiel cilinder 1 – storing in schakelcircuit
137
21 KNIPPERCODE
Knippercode controlelampje storing
37 Controlelampje storing knippert 3x lang, 7x kort
Voorwaarde voor fout
Bobine – storing in schakelcircuit
Knippercode controlelampje storing
41 Controlelampje storing knippert 4x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout
Brandstofpompregeling - onderbreking/kortsluiting met massa
Brandstofpompregeling - onderbreking/kortsluiting met plus
Knippercode controlelampje storing
65 Controlelampje storing knippert 6x lang, 5x kort
Voorwaarde voor fout
EEPROM - fout
Knippercode controlelampje storing
Controlelampje storing knippert permanent
Voorwaarde voor fout
138
THREF - fout
TECHNISCHE GEGEVENS 22
22.1
Motor
Bouwwijze
1-cilinder 4-takt benzinemotor, vloeistofgekoeld
Cilinderinhoud
449,9 cm³
Slag
63,4 mm
Boorgat
95 mm
Compressie
12,75:1
Stationair toerental
2.250 … 2.350 1/min
Distributie
OHC, 4 kleppen door tuimelaar aangestuurd
Klepdiameter inlaat
40 mm
Klepdiameter uitlaat
33 mm
Klepspeling
Inlaat bij: 20 °C
0,10 … 0,15 mm
Uitlaat bij: 20 °C
0,12 … 0,17 mm
Krukaslagers
2 cilinderrollager
Drijfstanglager
Glijlager
Zuigerboutlager (SX‑F EU/US, XC-F US, CAIROLI)
Geen lagerbus - zuigerpen met DLC-coating
Zuigerboutlager (Factory Edition)
Lagerbus
Zuigers
Lichtmetaal gesmeed
Zuigerveren
1 compressiering, 1 olieschraapveer
Motorsmering
Drukcirculatiesmering met 2 trochoïde pompen
Primaire overbrenging
31:76
Koppeling
Meerplaatskoppeling in oliebad, hydraulisch bediend
Versnelling (alle EU-modellen)
4 versnellingen met klauwschakeling
Versnelling (Alle US-modellen)
5 versnellingen met klauwschakeling
Overbrengingsverhouding (alle EU-modellen)
1e versnelling
16:32
2e versnelling
18:30
3e versnelling
20:28
4e versnelling
22:26
Overbrengingsverhouding (Alle US-modellen)
1e versnelling
16:32
2e versnelling
18:30
3e versnelling
20:28
4e versnelling
22:26
5e versnelling
24:24
Dynamo
12 V, 70 W
Ontstekingssysteem
Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontstekingssysteem met digitale ontstekingsvertraging
Bougie
NGK LMAR9AI-8
Elektrodenafstand bougie
0,8 mm
Radiateur
Vloeistofkoeling, permanente circulatie van het koelmiddel door waterpomp
Starthulp
Startmotor
139
22 TECHNISCHE GEGEVENS
22.2
Aanhaalmomenten motor
Schroef olievernevelaar voor zuiger- M4
koeling
2 Nm
Olievernevelaar voor de distributiekettingspanner
M5
2 Nm
Olievernevelaar voor tuimelaarsmering
M5
Olievernevelaar voor zuigerkoeling
M5
Loctite®243™
Loctite®243™
2 Nm
Loctite®243™
2 Nm
Loctite®243™
Olievernevelaars voor koppelingsmering
M5
Schroef lagerborging
M5
2 Nm
Loctite®243™
6 Nm
Loctite®243™
Schroef stator
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef toerentalsensor krukas en
kabelhouderplaat
M5
Schroef vastzethendel
M5
6 Nm
Loctite®243™
6 Nm
Loctite®243™
Schroef veerschotel koppeling
M5
6 Nm
Schroef versnellingssensor
M5
5 Nm
Loctite®243™
Schroef zuigpompdeksel
M5
6 Nm
Loctite®243™
Bout koppelingscilinder
M6
10 Nm
Moer waterpompwiel
M6
6 Nm
Loctite®243™
Schroef cilinderkop
M6
10 Nm
Schroef distributiekettingspanner
M6
10 Nm
Schroef distributiekettinguitvalbescherming
M6
10 Nm
Schroef drukpompdeksel
M6
Loctite®243™
10 Nm
Loctite®243™
Schroef dynamodeksel
M6
10 Nm
Schroef klepdeksel
M6
10 Nm
Schroef koppelbegrenzer
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef koppelingsdeksel
M6
10 Nm
Schroef motorhuis
M6
10 Nm
Schroef oliefilterdop
M6
10 Nm
Schroef spanrail
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef startmotor
M6
10 Nm
Schroef uitlaatflens
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingshendel
M6
14 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingsvastzetting
M6
10 Nm
Loctite®243™
140
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Schroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
Olievernevelaar voor drijfstanglagersmering
M6x0,75
2 Nm
Sluitschroef oliekanaal
M7
9 Nm
Loctite®243™
Schroef tuimelaarlager
M7x1
15 Nm
Afsluitschroef krukasborgschroef
M8
10 Nm
Sluitschroef distributiekettingspanner
M8
8 Nm
Schroef ketting-aandrijfwiel
M10
60 Nm
Loctite®2701™
Sluitschroef oliekanaal
M10
15 Nm
Loctite®243™
Bougie
M10x1
10 … 12 Nm
Koelmiddeltemperatuursensor
M10x1,25
12 Nm
Schroef cilinderkop
M10x1,25
1e niveau
10 Nm
2e niveau
30 Nm
3e niveau
50 Nm
Kraag en schroefdraad geolied
Moer rotor
M12x1
60 Nm
Schroefdraad met motorolie
ingesmeerd / conus ingevet
Olieaftapschroef met magneet
M12x1,5
20 Nm
Sluitschroef oliedrukregelklep
M12x1,5
20 Nm
Moer koppelingmeenemer
M18x1,5
80 Nm
Moer primair tandwiel
M20LHx1,5
100 Nm
Loctite®243™
Sluitschroef oliezeef
22.3
Vulhoeveelheden
22.3.1
Motorolie
Motorolie
22.3.2
15 Nm
1,20 l
Motorolie (SAE 10W/50)
( pag. 150)
1,20 l
Koelmiddel (
Koelmiddel
Koelmiddel
22.3.3
M20x1,5
pag. 150)
Brandstof
Brandstoftankvolume totaal ca. (Alle SX‑F-modellen)
Brandstof super loodvrij (ROZ 95) (
pag. 150)
7l
Brandstoftankvolume totaal ca. (XC‑F US)
Brandstof super loodvrij (ROZ 95) (
Brandstofreserve ca. (XC‑F US)
pag. 150)
8,5 l
1,5 l
141
22 TECHNISCHE GEGEVENS
22.4
Chassis
Frame
Brugframe van chroommolybdeen stalen buizen
Voorvork (SX‑F EU/US, XC-F US, CAIROLI)
WP XACT 5548
Voorvork (Factory Edition)
WP XACT 5448
Veerweg
voor
310 mm
achter
300 mm
Vorksprong
22 mm
Schokdemper
WP XACT 5750
Remsysteem
Schijfremmen, remzadels vlottend gelagerd
Remschijven - diameter
voor
260 mm
achter
220 mm
Remschijven - slijtagegrens
voor
2,5 mm
achter
3,5 mm
Bandenspanning terrein
voor
1,0 bar
achter
1,0 bar
Secundaire overbrenging (Alle SX‑F-modellen)
13:49
Secundaire overbrenging (XC‑F US)
13:48
Ketting
5/8 x 1/4"
Leverbare kettingwielen
45, 47, 48, 49, 50, 51, 52
Balhoofdhoek
63,9°
Wielstand
1.485 ± 10 mm
Bodemvrijheid onbelast
370 mm
Zadelhoogte onbelast
950 mm
Gewicht zonder brandstof ca. (SX‑F EU)
100 kg
Gewicht zonder brandstof ca. (SX‑F US, CAIROLI)
100,5 kg
Gewicht zonder brandstof ca. (XC‑F US)
101 kg
Gewicht zonder brandstof ca. (Factory Edition)
101,5 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor
145 kg
Maximale asbelasting achter
190 kg
Maximaal toegestaan totaalgewicht
335 kg
22.5
Elektronica
12V-accu
HJTZ5S-FP-C
Lithium-ion-accu
Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 2,0 Ah
onderhoudsvrij
Zekering
58011109110
10 A
Storing-controlelampje
LED
Overige controlelampjes (XC‑F US)
W2,3W / sokkel W2x4,6d
142
12 V
2,3 W
TECHNISCHE GEGEVENS 22
22.6
Banden
Geldigheid
Band voor
Band achter
(alle EU-modellen)
80/100 - 21 51M TT
Dunlop GEOMAX MX3SF
110/90 - 19 62M TT
Dunlop GEOMAX MX3S
(SX‑F US)
80/100 - 21 51M TT
Dunlop GEOMAX MX3SF
120/80 - 19 63M TT
Dunlop GEOMAX MX3S
(XC‑F US)
80/100 - 21 51M TT
Dunlop GEOMAX AT81F
110/100 - 18 64M TT
Dunlop GEOMAX AT81
(Factory Edition)
80/100 - 21 51M TT
Dunlop GEOMAX MX33F
120/80 - 19 63M TT
Dunlop GEOMAX MX33
De aangegeven banden zijn één van de mogelijke standaardbanden. Meer informatie vindt u in het servicegedeelte onder:
http://www.ktm.com
22.7
Voorvork
22.7.1
alle EU-modellen
Artikelnummer voorvork
34.18.8T.09
Voorvork
WP XACT 5548
Ingaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Luchtdruk
10,7 bar
Vorklengte
950 mm
Hoeveelheid olie buitenwerk rechts
220
+ 20
− 40
ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Hoeveelheid olie buitenwerk links
220
+ 20
− 40
ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Oliehoeveelheid cartridge rechts
380 ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Vethoeveelheid cartridge links
5g
Speciaal vet (00062010053)
( pag. 153)
22.7.2
SX‑F US
Artikelnummer voorvork
34.18.8T.59
Voorvork
WP XACT 5548
Ingaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Uitgaande demping
143
22 TECHNISCHE GEGEVENS
Comfort
23 klikken
Standaard
18 klikken
Sport
13 klikken
Luchtdruk
10,5 bar
Vorklengte
950 mm
Hoeveelheid olie buitenwerk rechts
200
+ 40
− 20
ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Hoeveelheid olie buitenwerk links
200
+ 40
− 20
ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Oliehoeveelheid cartridge rechts
380 ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Vethoeveelheid cartridge links
5g
Speciaal vet (00062010053)
( pag. 153)
22.7.3
XC‑F US
Artikelnummer voorvork
34.18.8T.79
Voorvork
WP XACT 5548
Ingaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Luchtdruk
10,1 bar
Vorklengte
950 mm
Hoeveelheid olie buitenwerk rechts
200
+ 40
− 20
ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Hoeveelheid olie buitenwerk links
200
+ 40
− 20
ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Oliehoeveelheid cartridge rechts
380 ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Vethoeveelheid cartridge links
5g
Speciaal vet (00062010053)
( pag. 153)
22.7.4
Factory Edition
Artikelnummer voorvork
34.18.8U.99
Voorvork
WP XACT 5448
Ingaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
12 klikken
Sport
7 klikken
Uitgaande demping
Comfort
144
23 klikken
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Standaard
18 klikken
Sport
13 klikken
Luchtdruk
10,9 bar
Vorklengte
950 mm
Hoeveelheid olie buitenwerk rechts
220
+ 20
− 40
ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Hoeveelheid olie buitenwerk links
220
+ 20
− 40
ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Oliehoeveelheid cartridge rechts
380 ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 151)
Vethoeveelheid cartridge links
5g
Speciaal vet (00062010053)
( pag. 153)
22.8
Schokdemper
22.8.1
alle EU-modellen
Artikelnummer schokdemper
18.18.7T.09
Schokdemper
WP XACT 5750
Ingaande demping lowspeed
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Ingaande demping highspeed
Comfort
2 omw
Standaard
1,5 omw
Sport
1 omw
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Veervoorspanning
8 mm
Veerconstante
Gewicht bestuurder: 65 … 75 kg
39 N/mm
Gewicht bestuurder: 75 … 85 kg
42 N/mm
Gewicht bestuurder: 85 … 95 kg
45 N/mm
Veerlengte
260 mm
Gasdruk
10 bar
Statische veerweg
35 mm
Dynamische veerweg
105 mm
Inbouwlengte
477 mm
Stootdemperolie
22.8.2
Stootdemperolie (SAE 2,5)
(50180751S1) ( pag. 151)
SX‑F US
Artikelnummer schokdemper
18.18.7T.59
145
22 TECHNISCHE GEGEVENS
Schokdemper
WP XACT 5750
Ingaande demping lowspeed
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Ingaande demping highspeed
Comfort
2,5 omw
Standaard
2 omw
Sport
1,5 omw
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Veervoorspanning
7 mm
Veerconstante
Gewicht bestuurder: 65 … 75 kg
42 N/mm
Gewicht bestuurder: 75 … 85 kg
45 N/mm
Gewicht bestuurder: 85 … 95 kg
48 N/mm
Veerlengte
260 mm
Gasdruk
10 bar
Statische veerweg
35 mm
Dynamische veerweg
105 mm
Inbouwlengte
477 mm
Stootdemperolie
22.8.3
Stootdemperolie (SAE 2,5)
(50180751S1) ( pag. 151)
XC‑F US
Artikelnummer schokdemper
18.18.7T.79
Schokdemper
WP XACT 5750
Ingaande demping lowspeed
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Ingaande demping highspeed
Comfort
2,5 omw
Standaard
2 omw
Sport
1,5 omw
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Veervoorspanning
8 mm
Veerconstante
146
Gewicht bestuurder: 65 … 75 kg
42 N/mm
Gewicht bestuurder: 75 … 85 kg
45 N/mm
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Gewicht bestuurder: 85 … 95 kg
48 N/mm
Veerlengte
260 mm
Gasdruk
10 bar
Statische veerweg
35 mm
Dynamische veerweg
105 mm
Inbouwlengte
477 mm
Stootdemperolie
22.8.4
Stootdemperolie (SAE 2,5)
(50180751S1) ( pag. 151)
Factory Edition
Artikelnummer schokdemper
18.18.7U.99
Schokdemper
WP XACT 5750
Ingaande demping lowspeed
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Ingaande demping highspeed
Comfort
2,5 omw
Standaard
2 omw
Sport
1,5 omw
Uitgaande demping
Comfort
17 klikken
Standaard
15 klikken
Sport
13 klikken
Veervoorspanning
7 mm
Veerconstante
Gewicht bestuurder: 65 … 75 kg
42 N/mm
Gewicht bestuurder: 75 … 85 kg
45 N/mm
Gewicht bestuurder: 85 … 95 kg
48 N/mm
Veerlengte
260 kg
Gasdruk
10 bar
Statische veerweg
35 mm
Dynamische veerweg
105 mm
Inbouwlengte
477 mm
Stootdemperolie
Stootdemperolie (SAE 2,5)
(50180751S1) ( pag. 151)
147
22 TECHNISCHE GEGEVENS
22.9
Aanhaalmomenten chassis
Schroef aanzuigluchttemperatuursensor
EJOT DELTA PT® 45x12‑Z
0,7 Nm
Schroef combinatieschakelaar
EJOT PT® K50x18 T20
2 Nm
PT®
Schroef deksel luchtfilterbak
EJOT
Schroefverbinding startknop
M3
0,4 Nm
Schroefverbinding uitschakelknop
M3
0,4 Nm
K60x20-Z
3 Nm
Schroef bedrijfsurenteller
M4
0,8 Nm
Schroef vaste handgreep
M4
5 Nm
Loctite®243™
Schroefverbinding inlaatmanchet
naar smoorklephuis
M4
5 Nm
Spaaknippel achterwiel
M4,5
6 Nm
Spaaknippel voorwiel
M4,5
6 Nm
Resterende moeren chassis
M5
5 Nm
Resterende schroeven chassis
M5
5 Nm
Schroef accupool
M5
2,5 Nm
Schroef framebescherming
M5
3 Nm
Schroef stelring schokdemper
M5
5 Nm
Moer kabel aan startmotor
M6
4 Nm
Resterende moeren chassis
M6
10 Nm
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
Schroef bovenste glijblok
M6
6 Nm
Loctite®243™
Schroef controlelamphouder
M6
5 Nm
Schroef gashendel
M6
5 Nm
Schroef kogelgewricht drukstang
aan rempedaalcilinder
M6
10 Nm
Schroef remschijf achter
M6
Loctite®243™
14 Nm
Loctite®243™
Schroef remschijf voor
M6
14 Nm
Loctite®243™
Brandstofaansluiting op brandstoftank
M8
15 Nm
Moer bandenhouder
M8
12 Nm
Moer kettingwielschroef
M8
35 Nm
Loctite®2701™
Moer rempedaalbevestiging
M8
20 Nm
Resterende moeren chassis
M8
25 Nm
Resterende schroeven chassis
M8
25 Nm
Schroef asopname
M8
15 Nm
Schroef bochtstuk op cilinderkopsteun
M8
15 Nm
Schroef bovenste kroonplaat
M8
17 Nm
Schroef console boven
M8
35 Nm
Loctite®2701™
148
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Schroef console onder
M8
30 Nm
Loctite®2701™
Schroef motorsteun aan chassis
M8x15
25 Nm
Loctite®2701™
Schroef motorsteun aan motor
M8x20
25 Nm
Loctite®243™
Schroef onderste glijblok
M8
15 Nm
Schroef onderste kroonplaat
M8
12 Nm
Schroef remzadel voor
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef stuurplaat
M8
20 Nm
Schroef vorkbuis boven
M8
20 Nm
Loctite®243™
Schroef zijstandaardbevestiging
(XC‑F US)
M8
33 Nm
Motordraagschroef
M10
60 Nm
Resterende moeren chassis
M10
45 Nm
Resterende schroeven chassis
M10
45 Nm
Schroef schokdemper boven
M10
60 Nm
Loctite®2701™
Loctite®2701™
Schroef schokdemper onder
M10
60 Nm
Loctite®2701™
Schroef stuuradapter
M10
40 Nm
Loctite®243™
Moer brandstofpomp
M12
15 Nm
Moer frame aan verbindingshendel
M14x1,5
60 Nm
Moer haakse hendel aan achterbrug
M14x1,5
60 Nm
Moer verbindingshendel aan
haakse hendel
M14x1,5
60 Nm
Moer achterbrugbout
M16x1,5
100 Nm
Schroef balhoofd boven
M20x1,5
12 Nm
Schroef steekas voor
M20x1,5
35 Nm
Schroefkoppelingen koelsysteem
M24x1,5
15 Nm
Loctite®243™
Moer steekas achter
M25x1,5
80 Nm
149
23 GEBRUIKSSTOFFEN
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
Norm / classificatie
– DIN EN 228 (ROZ 95)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend loodvrije superbenzine die voldoet aan de aangegeven norm of van dezelfde kwaliteit is.
–
Een aandeel van maximaal 10 % ethanol (E10 brandstof) kan daarbij zonder bezwaar worden gebruikt.
Info
Gebruik geen brandstof van methanol (bijv. M15, M85, M100) of met een aandeel van meer dan
10 % ethanol (bijv. E15, E25, E85, E100).
Koelmiddel
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen hoogwaardig, silicaatvrij koelmiddel met antiroestmiddel voor aluminiummotoren. Minderwaardige en ongeschikte antivriesmiddelen veroorzaken corrosie, afzettingen en schuimvorming.
–
Gebruik geen zuiver water omdat de eisen met betrekking tot corrosiebescherming en smeereigenschappen
alleen door koelvloeistof vervuld kunnen worden.
–
Gebruik uitsluitend koelvloeistof die voldoet aan de voorwaarden (zie informatie op de verpakking) en de juiste
eigenschappen heeft.
Vorstbescherming minstens tot
−25 °C
De mengverhouding moet aan de vereiste vorstbescherming aangepast worden. Gebruik gedestilleerd water als de
koelvloeistof verdund moet worden.
Het gebruik van voorgemengde koelvloeistof wordt aanbevolen.
Neem de gegevens van de koelvloeistoffabrikant met betrekking tot vorstbescherming, verdunning en mengbaarheid (verdraagbaarheid) met andere koelvloeistoffen in acht.
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– COOLANT M3.0
Motorolie (SAE 10W/50)
Norm / classificatie
– JASO T903 MA2 (
–
SAE (
pag. 154)
pag. 154) (SAE 10W/50)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend motorolie die voldoet aan de aangegeven normen (zie informatie op de verpakking) en de
juiste eigenschappen heeft.
Volledig synthetische motorolie
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Cross Power 4T
150
GEBRUIKSSTOFFEN 23
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1
Norm / classificatie
– DOT
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend remvloeistof die voldoet aan de aangegeven norm (zie informatie op de verpakking) en die
de juiste eigenschappen heeft.
Aanbevolen leverancier
Castrol
– REACT PERFORMANCE DOT 4
MOTOREX®
– Brake Fluid DOT 5.1
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180751S1)
Norm / classificatie
– SAE ( pag. 154) (SAE 2,5)
Voorgeschreven waarde
– Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over
de geschikte eigenschappen beschikken.
Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1)
Norm / classificatie
– SAE ( pag. 154) (SAE 4)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen olie die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op verpakking) en de juiste eigenschappen heeft.
151
24 HULPSTOFFEN
Brandstofadditief
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Fuel Stabilizer
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Protect
Duurzaam vet
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Bike Grease 2000
Kettingreinigingsmiddel
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Chain Clean
Kettingspray offroad
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Chainlube Offroad
Motorfietsreiniger
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Clean
Olie voor luchtfilters van schuimstof
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Racing Bio Liquid Power
Reinigingsmiddel voor luchtfilter
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Racing Bio Dirt Remover
Smeervet met hoge viscositeit
Aanbevolen leverancier
SKF®
– LGHB 2
152
HULPSTOFFEN 24
Speciaal vet (00062010053)
Aanbevolen leverancier
Klüber Lubrication®
– KLÜBERFOOD NH1 34‑401
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaal- en kunststofvlakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Quick Cleaner
Universele oliespray
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Joker 440 Synthetic
153
25 NORMEN
JASO T903 MA2
Meerdere technische ontwikkelingsrichtingen vereisten een eigen specificatie voor motorfietsen - de norm
JASO T903 MA2.
Vroeger werd voor motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie bestond.
Voor motoren van auto's zijn lange service-intervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermogensrendement bij hoge toerentallen op de voorgrond.
Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden versnelling en koppeling met dezelfde olie gesmeerd.
De norm JASO T903 MA2 voldoet aan deze speciale vereisten.
SAE
De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op
basis van hun viscositeit. De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de
kwaliteit.
154
LIJST MET VAKBEGRIPPEN 26
OBD
Boorddiagnose
Voertuigsysteem dat ingestelde parameters van de
voertuigelektronica bewaakt
-
Launch‑Control
Functie van de voertuigelektronica voor het bereiken
van optimale acceleratie vanuit stilstand
155
27 LIJST MET AFKORTINGEN
Artikelnr.
Artikelnummer
bijv.
bijvoorbeeld
ca.
circa
e.d.
en dergelijke
enz.
enzovoort
etc.
et cetera
evt.
eventueel
evt.
eventueel
Nr.
Nummer
o.a.
onder andere
resp.
respectievelijk
vgl.
vergelijk
156
LIJST MET SYMBOLEN 28
28.1
Gele of oranje pictogrammen
Gele of oranje pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij binnen korte tijd moet worden ingegrepen.
Actieve rijhulpen worden eveneens met gele of oranje pictogrammen aangegeven.
Controlelampje storing brandt/knippert oranje – De OBD heeft een fout in de voertuigelektronica geconstateerd.
Controlelampje storing knippert snel oranje – De Launch‑Control is geactiveerd.
Waarschuwingslampje brandstofpeil brandt oranje – Het brandstofpeil heeft de reservemarkering bereikt.
157
INDEX
Dynamische veerweg
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
INDEX
1
12V-accu
demonteren .
laden . . . . .
monteren . .
startvermogen
E
....
....
....
...
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
109
110
109
. 26
A
Achterbrug
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 85
Eigenschappen van de gasrespons
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 120
Einddemper
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
glasvezelvulling vervangen . . . . . . . . . . . . . . 75
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
F
Achterwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
Factory-Start . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
activeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
Afbeelding voertuig
linksvoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
rechtsachter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
Frame
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 85
Fouten opsporen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 135-136
Afbeeldingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
G
Antivries
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Garantie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
Gashendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Artikelnummer schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . 15
Artikelnummer voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Gaskabelplaatsing
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 85
Gebruiksdefinitie
B
Balhoofdlager
smeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
Bandenspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107
Basisinstelling van het chassis
voor bestuurdersgewicht controleren . . . . . . . 39
Bedieningshandleiding
Bedrijfsmiddelen . . . .
Bedrijfsurenteller . . .
Beoogd gebruik . . . .
Beschermende kleding
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. 9
10
18
. 6
. 8
Brandstoftank
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
Brandstofzeef
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
........................ 6
H
Hoofdzekering
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
Hulpstoffen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
I
Inbedrijfname
na stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
Inbedrijfstelling
aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling . . . . 24
controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
Ingaande demping
van voorvork instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
Ingaande demping highspeed
van schokdemper instellen . . . . . . . . . . . . . . 41
C
Ingaande demping lowspeed
van schokdemper instellen . . . . . . . . . . . . . . 40
Controlelampjes
overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
K
D
Deksel luchtfilterbak
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
voor borging voorbereiden . . . . . . . . . . . . . . 73
Diagnosestekker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 112
158
Ketting
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80
Ketting-aandrijfwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82
Kettinggeleiding
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82
INDEX
Kettingspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81
Kettingwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82
Klantenservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
Knippercode . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137-138
Koelmiddel
aftappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
antivries en koelmiddelpeil controleren
peil controleren . . . . . . . . . . . . . . .
vullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
..
.
..
..
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
114
113
114
115
O
Oliefilter
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
Oliezeven
reinigen
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
Onderste kroonplaat
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59
Onjuist gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6
P
Plug-in-standaard . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
Koelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
R
Koppeling
vloeistof verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
vloeistofpeil controleren/corrigeren . . . . . . . . 87
Regelschroef stationair toerental . . . . . . . . . . . . . 21
Koppelingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . 86
Koude-startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
L
Launch‑Control
activeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
Luchtfilter
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
Luchtfilterbak
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
Luchtvering XACT . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
M
Remhendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . 90
vrije slag controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
Rempedaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . 96
vrije slag controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96
Remplaketten
van achterwielrem controleren .
van de achterwielrem vervangen
van de voorwielrem vervangen .
van voorwielrem controleren . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
99
99
93
93
Remschijven
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
Remvloeistof
van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . 97
van de voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . 92
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Remvloeistofpeil
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . 97
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . 91
............................... 9
Reserveonderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
Motor
inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
Rubberen stuurcovers
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
Motorbescherming
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55
S
Mapping
wijzigen
Milieu
Motorfiets
met hefbok opkrikken . . . . . . . . . . . . . . . . . 52
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 131
van hefbok nemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52
Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Motorolie
bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
Motoroliepeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
Schokdemper
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . .
dynamische veerweg controleren . . . .
ingaande demping algemeen . . . . . .
ingaande demping highspeed instellen
ingaande demping lowspeed instellen
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
statische veerweg controleren . . . . . .
uitgaande demping instellen . . . . . .
veervoorspanning instellen . . . . . . . .
....
....
....
...
....
....
....
....
....
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
66
44
40
41
40
67
44
42
45
Service . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
Serviceschema . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36-38
159
INDEX
Smoorkleppositie
programmeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
Spaakspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107
Spatbord voor
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
Speling balhoofdlager
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63
Speling van gasbowdenkabel
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118
Speling van gaskabel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118
Stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133
Starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
Startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Startnummerbord
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
Startvermogen van lithium-ion-accu's bij lage temperaturen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
Stationair toerental
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Stuurstand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
T
Tankdop
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Tanken
brandstof
Uitgaande demping
van schokdemper instellen . . . . . . . . . . . . . . 42
van voorvork instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
Uitschakelknop
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
V
Veilig gebruik
.......................... 7
Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
uitgangspositie controleren . . . . . . . . . . . . 123
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . 123
Voertuigidentificatiennummer . . . . . . . . . . . . . . . 14
Voorvorkprotector
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54
Voorwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103
Vorkpoten
basisinstelling controleren .
demonteren . . . . . . . . . . .
ingaande demping instellen
luchtdruk instellen . . . . . .
monteren . . . . . . . . . . . .
ontluchten . . . . . . . . . . . .
uitgaande demping instellen
vuilschrapers reinigen . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
..
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
47
56
49
47
56
53
49
53
Vulhoeveelheid
brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35, 141
koelmiddel . . . . . . . . . . . . . . . 115, 117, 141
motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129, 141
W
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
Technische gegevens
aanhaalmomenten chassis
aanhaalmomenten motor .
banden . . . . . . . . . . . . .
chassis . . . . . . . . . . . . .
elektronica . . . . . . . . . .
motor . . . . . . . . . . . . . .
schokdemper . . . . . . . . .
voorvork . . . . . . . . . . . .
vulhoeveelheden . . . . . . .
Werkinstructies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Z
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
148
140
143
142
142
139
145
143
141
Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
Toestand van de banden
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
Tractiecontrole
activeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
Transporteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
Typeplaatje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
160
U
Zadel
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
Zekering
hoofdzekering vervangen . . . . . . . . . . . . . . 111
Zijstandaard
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
Zwaardere gebruiksomstandigheden . . . . . . . . . . .
droog zand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
hoge temperaturen . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
lage temperaturen . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
langzaam rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
modderig circuit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
nat circuit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
nat zand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
sneeuw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
26
26
28
28
28
28
28
27
28
*3214032nl*
3214032nl
11/2019
KTM Sportmotorcycle GmbH
5230 Mattighofen/Oostenrijk
http://www.ktm.com
Foto: Mitterbauer/KISKA/KTM
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement