KTM 250 Duke 2020 ASEA Naked Bike Handleiding

KTM 250 Duke 2020 ASEA Naked Bike Handleiding
BEDIENINGSHANDLEIDING 2020
250 Duke
Artikelnr. 3214121nl
BESTE KTM KLANT,
Hartelijk gefeliciteerd met de aankoop van uw KTM-motorfiets. U bent nu in het bezit van een modern en sportief
voertuig dat, mits goed onderhouden, u lang plezier zal schenken.
BESTE KTM KLANT,
We wensen u te allen tijde een goede en veilige reis toe!
Vul hieronder het serienummers van uw voertuig in.
Voertuigidentificatiennummer (
Motornummer (
Sleutelnummer (
pag. 26)
Stempel dealer
pag. 27)
pag. 27)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het
model. Kleine afwijkingen die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden
uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. KTM Sportmotorcycle GmbH houdt zich het recht voor technische
gegevens, prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te
annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen van
afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien
van speciale uitrustingen die niet standaard bij de leveringsomvang horen.
*3214121nl*
3214121nl
12/2019
BESTE KTM KLANT,
© 2019 KTM Sportmotorcycle GmbH, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldigingen van welke aard dan ook zijn uitsluitend toegestaan met toestemming van de auteur.
ISO 9001(12 100 6061)
KTM past kwaliteitsborgingsprocessen toe in de zin van de internationale kwaliteitsmanagementnorm ISO 9001 om een zo hoog mogelijke productkwaliteit te bereiken.
Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM Sportmotorcycle GmbH
Stallhofnerstraße 3
5230 Mattighofen, Oostenrijk
Dit document is geldig voor de volgende modellen:
250 Duke B.D. EU (F4203T1, F4203T2)
250 Duke B.D. 3 ASEAN (F4288T1L, F4288T2L)
250 Duke B.D. 2 EU (F4203T3, F4203T4)
250 Duke B.D. 4 ASEAN (F4288T3L, F4288T4L)
250 Duke B.D 3 EU (F4203T1L, F4203T2L)
250 Duke BR (F4240T1, F4240T2)
250 Duke B.D. 4 EU (F4203T3L, F4203T4L)
250 Duke CN (F4287T1, F4287T2)
250 Duke JP (F4286T1, F4286T2)
250 Duke CO (F4241T1, F4241T2)
250 Duke AR (F4242T1, F4242T2)
250 Duke MY (F4289T1, F4289T2)
250 Duke B.D. ASEAN (F4288T1, F4288T2)
250 Duke PH (F4282T1, F4282T2)
250 Duke B.D. 2 ASEAN (F4288T3, F4288T4)
250 Duke TH (F4283T1, F4283T2)
2
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE
1
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN................. 8
1.1
1.2
2
Gebruiksdefinitie .............................
Onjuist gebruik ................................
Veiligheidsaanwijzingen ....................
Gevarenniveau en pictogrammen .......
Waarschuwing voor manipulaties .......
Veilig gebruik ..................................
Beschermende kleding .....................
Werkinstructies................................
Milieu .............................................
Bedieningshandleiding .....................
10
10
10
12
13
14
15
15
16
16
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN ................... 18
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
Garantie..........................................
Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen ...........
Reserveonderdelen, toebehoren .........
Service ...........................................
Afbeeldingen ...................................
Klantenservice .................................
18
18
18
19
19
20
AFBEELDING VOERTUIG ............................. 22
4.1
Gebruikte pictogrammen..................... 8
Gebruikte formatering......................... 9
4.2
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN ...................... 10
2.1
2.2
2.3
2.4
2.5
2.6
2.7
2.8
2.9
2.10
3
4
5
SERIENUMMERS........................................ 26
5.1
5.2
5.3
5.4
6
Afbeelding voertuig linksvoor
(symbolische weergave) .................... 22
Afbeelding voertuig rechtsachter
(symbolische weergave) .................... 24
Voertuigidentificatiennummer ...........
Typeplaatje .....................................
Motornummer..................................
Sleutelnummer ................................
26
26
27
27
BEDIENINGSELEMENTEN........................... 28
6.1
6.2
6.3
6.4
6.5
6.6
6.7
6.8
6.9
6.10
6.11
6.12
Koppelingshendel ............................
Remhendel......................................
Gashendel .......................................
Claxonknop .....................................
Lichtschakelaar ...............................
Seinlichtschakelaar ..........................
Richtingaanwijzerschakelaar .............
Noodstopschakelaar .........................
Startknop ........................................
Contact- en stuurslot ........................
Stuur vergrendelen...........................
Stuur ontgrendelen ..........................
28
28
29
29
30
30
31
32
32
33
33
34
3
INHOUDSOPGAVE
6.13
6.14
6.15
6.16
6.17
6.18
6.19
6.20
6.21
7
Tankdop openen ..............................
Tankdop sluiten ...............................
Zadelslot .........................................
Boordgereedschap............................
Grepen............................................
Voetsteun passagier..........................
Versnellingshendel ...........................
Rempedaal......................................
Zijstandaard ....................................
7.12.3
7.13
7.13.1
7.13.2
7.13.3
7.14
7.14.1
7.14.2
7.14.3
7.15
7.16
7.17
7.18
GECOMBINEERD INSTRUMENT .................. 43
7.1
7.2
7.3
7.4
7.5
7.6
7.7
7.8
Gecombineerd instrument.................
Activering en test .............................
Waarschuwingen ..............................
Controlelampjes ...............................
Schakelindicator ..............................
Display ...........................................
Brandstofpeilweergave......................
Weergave van de
koelmiddeltemperatuur.....................
7.9
Functietoetsen.................................
7.10 TRIP F‑weergave ..............................
7.11 Info‑weergave ..................................
7.12 ODO‑weergave .................................
7.12.1
Fuel Range..................................
7.12.2
Service .......................................
4
35
37
38
38
39
39
40
41
41
43
44
45
50
52
54
55
56
57
58
59
60
60
61
8
62
63
63
64
65
66
66
67
68
68
70
71
72
INBEDRIJFSTELLING.................................. 74
8.1
8.2
8.3
9
Actual F.C...................................
TRIP 1‑weergave..............................
Time Trip 1 .................................
Average Speed Trip1 ....................
Avg F.C. Trip 1 ............................
TRIP 2‑weergave..............................
Time Trip 2 .................................
Average Speed Trip2 ....................
Avg F.C. Trip 2 ............................
Eenheden instellen ..........................
Tijd instellen ...................................
Schakeltoerental RPM1 instellen .......
Schakeltoerental RPM2 instellen .......
Aanwijzingen voor eerste
inbedrijfstelling ............................... 74
Motor inrijden.................................. 76
Voertuig beladen .............................. 76
RIJ-INSTRUCTIES....................................... 79
9.1
9.2
9.3
9.4
Controle en onderhoud voor iedere
inbedrijfstelling ...............................
Starten ...........................................
Beginnen met rijden.........................
Schakelen, rijden .............................
79
80
82
83
INHOUDSOPGAVE
9.5
9.6
9.7
9.8
Afremmen .......................................
Stoppen, parkeren............................
Transport ........................................
Brandstof tanken .............................
87
90
92
93
10 SERVICESCHEMA ....................................... 96
10.1
10.2
10.3
Extra informatie ............................... 96
Verplichte werkzaamheden................ 96
Aanbevolen werkzaamheden.............. 98
11 CHASSIS AFSTELLEN ............................... 100
11.1
11.2
Veervoorspanning schokdemper
instellen .................................... 100
Versnellingshendel instellen ............ 101
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS ....... 104
12.1
12.2
12.3
12.4
12.5
12.6
12.7
Motorfiets met hefbok achter
opkrikken ......................................
Motorfiets van hefbok achter
nemen ..........................................
Motorfiets met hefbok voor
opkrikken ......................................
Motorfiets van hefbok voor nemen ...
Vuilschrapers vorkpoten reinigen .....
Buddyseat verwijderen....................
Buddyseat monteren ......................
12.8
12.9
12.10
12.11
12.12
12.13
12.14
Bestuurderszadel verwijderen ..........
Bestuurderszadel monteren.............
Kettingvervuiling controleren...........
Ketting reinigen .............................
Kettingspanning controleren ...........
Kettingspanning instellen ...............
Ketting, kettingwiel en
ketting-aandrijfwiel controleren .......
12.15 Bugspoiler demonteren...................
12.16 Bugspoiler monteren ......................
111
112
113
113
115
117
119
123
124
13 REMSYSTEEM .......................................... 125
13.1
13.2
13.3
104
13.4
104
13.5
105
107
108
110
111
13.6
13.7
13.8
Antiblokkeersysteem (ABS) (Optie:
Met ABS) ......................................
Remschijven controleren.................
Remvloeistofpeil voorwielrem
controleren....................................
Remvloeistof van de voorwielrem
bijvullen ....................................
Remplaketten voorwielrem
controleren....................................
Vrije slag rempedaal controleren ......
Vrije slag van het rempedaal
instellen ....................................
Remvloeistofpeil achterwielrem
controleren....................................
125
127
129
130
133
134
136
138
5
INHOUDSOPGAVE
13.9
Remvloeistof achterwielrem
bijvullen .................................... 139
13.10 Remplaketten achterwielrem
controleren.................................... 142
14 WIELEN, BANDEN .................................... 144
14.1
14.2
14.3
14.4
14.5
14.6
14.7
Voorwiel demonteren ..................
Voorwiel monteren ......................
Achterwiel demonteren ...............
Achterwiel monteren ...................
Demperpakkingen van de
achterwielnaaf controleren ..........
Bandentoestand controleren............
Bandenspanning controleren ...........
144
145
148
150
153
155
157
15 ELEKTRONICA.......................................... 159
15.1
15.2
15.3
15.4
15.5
15.6
15.7
6
12V-accu demonteren .................
12V-accu monteren ....................
12V-accu laden ..........................
Zekeringen ABS vervangen (Optie:
Met ABS) ......................................
Zekeringen afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen ...........
Lamp koplamp vervangen ...............
Koplampinstelling controleren .........
159
161
162
15.8
Lichtbundelbreedte van de
koplamp instellen .......................... 177
15.9 Diagnosestekker............................. 178
15.10 ACC1 en ACC2 vooraan .................. 179
16 KOELSYSTEEM......................................... 180
16.1
16.2
16.3
16.4
16.5
16.6
180
182
185
187
189
191
17 MOTOR AFSTELLEN ................................. 195
17.1
17.2
17.3
17.4
165
168
173
176
Koelsysteem ..................................
Antivries en koelmiddelpeil
controleren....................................
Koelmiddelpeil controleren .............
Koelmiddel aftappen ..................
Koelsysteem vullen/ontluchten .....
Koelmiddel verversen ..................
Speling gaskabel controleren...........
Speling gaskabel instellen ...........
Koppelingshendelspeling
controleren....................................
Koppelingshendelspeling
instellen ....................................
195
196
196
198
18 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR ......... 199
18.1
18.2
Motoroliepeil controleren ................ 199
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen ... 200
INHOUDSOPGAVE
18.3
Motorolie bijvullen ......................... 204
19 REINIGING, ONDERHOUD......................... 206
19.1
19.2
Motorfiets reinigen ......................... 206
Controle en onderhoud voor rijden
in de winter ................................... 210
20 STALLING ................................................ 212
22.7 Voorvork........................................ 229
22.7.1
Standaardchassis....................... 229
22.7.2
Laag chassis.............................. 230
22.8 Schokdemper ................................ 230
22.8.1
Standaardchassis....................... 230
22.8.2
Laag chassis.............................. 230
22.9 Aanhaalmomenten chassis .............. 231
Stalling ......................................... 212
Inbedrijfname na stalling ................ 214
23 GEBRUIKSSTOFFEN ................................. 238
21 FOUTEN OPSPOREN................................. 215
25 NORMEN ................................................. 244
22 TECHNISCHE GEGEVENS.......................... 219
26 LIJST MET VAKBEGRIPPEN ...................... 245
20.1
20.2
22.1
22.2
22.3
22.3.1
22.3.2
22.3.3
22.4
22.4.1
22.4.2
22.5
22.6
Motor............................................
Aanhaalmomenten motor ................
Vulhoeveelheden............................
Motorolie ..................................
Koelmiddel ...............................
Brandstof ..................................
Chassis .........................................
Standaardchassis.......................
Laag chassis..............................
Elektronica....................................
Banden .........................................
219
220
225
225
225
225
226
226
226
228
229
24 HULPSTOFFEN......................................... 242
27 LIJST MET AFKORTINGEN ........................ 246
28 LIJST MET SYMBOLEN ............................. 247
28.1
28.2
28.3
Rode pictogrammen ....................... 247
Gele of oranje pictogrammen........... 247
Groene en blauwe pictogrammen ..... 247
INDEX ............................................................. 249
7
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN
1.1
Gebruikte pictogrammen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde pictogrammen toegelicht.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit pictogram zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch
begrip. Laat de werkzaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTMgarage! Daar wordt uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige medewerkers met het
benodigde hulpgereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Kenmerkt een aanwijzing met verdere informatie of tips.
Kenmerkt het resultaat uit een test-/controlestap.
8
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN 1
Kenmerkt een spanningsmeting.
Kenmerkt een stroommeting.
Kenmerkt het einde van een werkzaamheid, inclusief eventuele nabewerkingen.
1.2
Gebruikte formatering
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam
Kenmerkt een eigennaam.
Naam®
Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™
Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
Onderstreepte woorden
Verwijzen naar technische details van het voertuig of kenmerken vaktermen
die in de begrippenlijst worden uitgelegd.
9
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.1
Gebruiksdefinitie
KTM-sportmotorfietsen zijn zodanig ontworpen en gebouwd, dat ze bestand zijn tegen de gangbare belastingen in
het normale wegverkeer. Ze zijn echter niet geschikt voor het rijden op circuits en niet geasfalteerde wegen.
Info
De motorfiets is alleen in de gehomologeerde versie toegelaten voor het rijden op de openbare weg.
2.2
Onjuist gebruik
Gebruik het voertuig uitsluitend op de beoogde wijze.
Het niet op de beoogde wijze gebruiken van het voertuig kan leiden tot gevaren voor personen, materiaal en
milieu.
Elk gebruik van het voertuig anders dan op de beoogde wijze geldt als onjuist gebruik.
Als onjuist gebruik geldt ook het gebruik van bedrijfs- en hulpmiddelen die niet voldoen aan de vereiste specificaties.
2.3
Veiligheidsaanwijzingen
Voor een veilige omgang met het beschreven product dienen enkele veiligheidsaanwijzingen in acht te worden
genomen. Lees daarom deze handleiding en alle andere handleidingen in de omvang van de levering zorgvuldig door. De veiligheidsaanwijzingen zijn geaccentueerd en met links gekoppeld aan de relevante plaatsen in de
tekst.
10
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
Info
Op goed zichtbare plaatsen op het beschreven product zijn verschillende aanwijzings- en waarschuwingsstickers aangebracht. Geen stickers met aanwijzingen en waarschuwingen verwijderen. Als deze ontbreken
kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor letsel oplopen.
11
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.4
Gevarenniveau en pictogrammen
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg
heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
12
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.5
Waarschuwing voor manipulaties
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de componenten van de geluidsdemping. De volgende
maatregelen of de realisatie van de betreffende toestanden zijn wettelijk verboden:
1
Verwijderen of buiten werking stellen van systemen of componenten van een nieuw voertuig die de geluidsdemping dienen voordat het wordt verkocht of geleverd aan de eindklant of tijdens de gebruiksduur van het
voertuig voor andere doeleinden dan voor service, reparatie of vervanging, evenals
2
Gebruik van het voertuig nadat een dergelijk systeem of een dergelijke component verwijderd of buiten werking is gesteld.
Voorbeelden van wettelijk verboden manipulaties:
1
Verwijderen of doorboren van einddempers, geluidsdempers, bochtstukken of andere componenten die uitlaatgassen geleiden.
2
Verwijderen of doorboren van delen van het inlaatsysteem.
3
Gebruik in niet-correcte onderhoudstoestand.
4
Vervangen van bewegende onderdelen van het voertuig, onderdelen van het uitlaatsysteem of onderdelen van
het inlaatsysteem door onderdelen die niet door de fabrikant zijn toegelaten.
13
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.6
Veilig gebruik
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
–
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
–
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
–
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Het voertuig uitsluitend in technisch goede staat, op de boogde wijze, en veiligheids- en milieubewust gebruiken.
Voor het wegverkeer is het juiste rijbewijs vereist.
Storingen, die de veiligheid beperken, onmiddellijk in een geautoriseerde KTM-garage laten verhelpen.
De op het voertuig aangebrachte stickers met aanwijzingen en waarschuwingen in acht nemen.
14
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.7
Beschermende kleding
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
–
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Voor uw eigen veiligheid adviseert KTM om het voertuig uitsluitend te gebruiken met geschikte, beschermende
kleding.
2.8
Werkinstructies
Voor zover niet anders aangegeven moet bij alle werkzaamheden het contact zijn uitgeschakeld (modellen met
contactslot, modellen met transpondersleutel) resp. de motor stilstaan (modellen zonder contactslot of transpondersleutel).
Voor enkele werkzaamheden zijn hulpgereedschappen vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar
kunnen worden besteld onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: lagertrekker
(15112017000)
Onderdelen die niet kunnen worden hergebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen,
dichtringen, keerringen, splitpennen, borgplaten) tijdens de montage door nieuwe onderdelen vervangen.
Voor enkele schroefverbindingen is schroefborging (bijvoorbeeld Loctite®) vereist. Specifieke aanwijzingen van de
fabrikant bij het gebruik in acht nemen.
15
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
Als op een nieuw onderdeel reeds schroefborgmiddel (bijv. Precote®) is aangebracht, geen extra borgmiddel aanbrengen.
Onderdelen die na de demontage worden hergebruikt, reinigen en controleren op beschadiging en slijtage.
Beschadigde of versleten onderdelen vervangen.
Na een reparatie of servicebeurt controleren of het voertuig verkeersveilig is.
2.9
Milieu
Door op een verantwoorde manier met uw motorfiets om te gaan kunt u ervoor zorgen dat er geen problemen en
conflicten ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen mag u de motorfiets alleen legaal gebruiken, dient u milieubewust te handelen en de rechten van anderen te respecteren.
Houdt u zich bij het afvoeren van oude olie, andere verbruiks- en hulpstoffen en oude onderdelen aan de geldende wet- en regelgeving in het betreffende land.
Omdat motorfietsen niet onder de EU-richtlijn voor de afdanking van oude voertuigen vallen bestaat er geen wettelijke regeling voor het afdanken van een oude motorfiets. Uw geautoriseerde KTM-dealer is u graag van dienst.
2.10
Bedieningshandleiding
Lees de bedieningshandleiding beslist goed en volledig door voordat u voor het eerst gaat rijden. In de bedieningshandleiding vindt u veel informatie en tips die bediening, gebruik en service eenvoudiger maken. Alleen zo
komt u te weten hoe u het voertuig het beste afstelt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen.
Bewaar de bedieningshandleiding op een eenvoudig toegankelijke plaats, zodat u deze op ieder moment kunt
raadplegen wanneer dat nodig is.
Neem contact op met een geautoriseerde KTM-dealer wanneer u meer over het voertuig wilt weten of wanneer
tijdens het lezen iets niet duidelijk is.
De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van het voertuig en moet bij verkoop aan de nieuwe eigenaar worden gegeven.
16
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
De bedieningshandleiding is bovendien als download op uw geautoriseerde KTM Motorcycles-dealer en op de
KTM Motorcycles-website beschikbaar.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
17
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
3.1
Garantie
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend in een geautoriseerde KTM-garage
worden uitgevoerd en moeten in het service- en garantieboekje en op KTM Dealer.net worden bevestigd, aangezien
anders de aanspraak op garantie vervalt. Bij schade of gevolgschade die door manipulaties en/of wijzigingen aan
het voertuig zijn veroorzaakt, bestaat er geen aanspraak op garantie.
Meer informatie over de garantie en de afwikkeling ervan vindt u in het service- & garantieboekje.
3.2
Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Bedrijfsmiddelen en hulpstoffen volgens de bedieningshandleiding en specificaties gebruiken.
3.3
Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en/of aanbevolen en laat deze alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor veroorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren zijn bij de betreffende beschrijvingen tussen haakjes aangegeven. Uw
geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
18
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
3.4
Service
Voorwaarde voor een storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de
bedieningshandleiding genoemde service­, onderhouds- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis.
Door een onjuist afgesteld chassis kunnen chassiscomponenten beschadigen of afbreken.
Wanneer het voertuig onder zwaardere omstandigheden wordt gebruikt, zoals bij sterke regen, hoge temperaturen
of met zware bagage, kunnen componenten zoals aandrijving, remsystemen of veringscomponenten duidelijk sneller verslijten. Daarom kan het nodig zijn onderdelen reeds voor het bereiken van het volgende service-interval te
controleren of te vervangen.
Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De inachtneming
daarvan draagt in belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
Bij de intervallen gebaseerd op tijd of kilometerstand is het interval dat als eerste komt doorslaggevend.
3.5
Afbeeldingen
De in de handleiding weergegeven afbeeldingen tonen deels speciale uitrustingen.
Voor een betere weergave en toelichting kunnen enkele onderdelen gedemonteerd of niet afgebeeld zijn. Voor de
betreffende beschrijving is het echter niet altijd noodzakelijk dat deze onderdelen worden gedemonteerd. Houdt u
zich aan de aanwijzingen in de tekst.
19
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
3.6
Klantenservice
De geautoriseerde KTM-dealer beantwoordt graag uw vragen over uw voertuig of over KTM.
De lijst met geautoriseerde KTM-dealers vindt u op de KTM-website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
20
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
21
4 AFBEELDING VOERTUIG
4.1
Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)
V01278-10
22
AFBEELDING VOERTUIG 4
1
2
3
4
5
6
7
8
9
bk
Gecombineerd instrument
Achteruitkijkspiegel
Koppelingshendel (
pag. 28)
Zadel
Zadelslot (
pag. 38)
Buddyseat
Grepen (
pag. 39)
Versnellingshendel (
Zijstandaard (
Motornummer (
pag. 40)
pag. 41)
pag. 27)
23
4 AFBEELDING VOERTUIG
4.2
Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)
V01279-10
24
AFBEELDING VOERTUIG 4
1
2
2
2
2
3
4
4
5
6
7
7
8
9
bk
Boordgereedschap (
Lichtschakelaar (
pag. 38)
pag. 30)
Seinlichtschakelaar (
pag. 30)
Richtingaanwijzerschakelaar (
Claxonknop (
Contact- en stuurslot (
pag. 33)
Noodstopschakelaar (
Startknop (
Gashendel (
Remhendel (
pag. 31)
pag. 29)
pag. 32)
pag. 32)
pag. 29)
pag. 28)
Voertuigidentificatiennummer (
Typeplaatje (
pag. 26)
pag. 26)
Kijkglas motorolie
Rempedaal (
pag. 41)
Voetsteun passagier (
pag. 39)
25
5 SERIENUMMERS
5.1
Voertuigidentificatiennummer
Het voertuigidentificatienummer
balhoofd gegraveerd.
1 is aan de rechterkant van het
402408-10
5.2
Typeplaatje
Het typeplaatje
balhoofd.
402174-10
26
1 bevindt zich aan het frame rechts naast het
SERIENUMMERS 5
5.3
Motornummer
1
Het motornummer
is aan de linker kant van de motor onder
het ketting-aandrijfwiel gegraveerd.
402486-10
5.4
Sleutelnummer
Sleutelnummer
1 staat op de KEYCODECARD.
Info
402245-10
U heeft het sleutelnummer nodig om een reservesleutel te
bestellen. De KEYCODECARD op een veilig plaats bewaren.
Als nog minstens een contactsleutel aanwezig is, kan een
reservesleutel worden gemaakt. Als er geen contactsleutel
meer aanwezig is, moet het complete slotsysteem worden
vervangen.
27
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.1
Koppelingshendel
De koppelingshendel
bracht.
1 is aan de linkerkant van het stuur aange-
K00721-10
6.2
Remhendel
1
De remhendel
is aan de rechterkant van het stuur
aangebracht.
De voorwielrem wordt geschakeld met de remhendel.
K00722-10
28
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.3
Gashendel
De gashendel
1 is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
K00723-10
6.4
Claxonknop
De claxonknop
1 is links aan het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Claxonknop in de uitgangspositie
• Claxonknop ingedrukt – In deze stand wordt de claxon
bediend.
K00730-10
29
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.5
Lichtschakelaar
De lichtschakelaar
bracht.
1 is aan de linkerkant van het stuur aange-
Mogelijke toestanden
Dimlicht aan – Lichtschakelaar is omlaag gezwenkt. In
deze stand zijn het dimlicht en het achterlicht ingeschakeld.
K00721-11
6.6
Groot licht aan – Lichtschakelaar naar boven geschakeld. In deze stand zijn het groot licht en het achterlicht ingeschakeld.
Seinlichtschakelaar
Het seinlichtschakelaar
1 is links aan het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Seinlichtschakelaar in uitgangspositie
• Seinlichtschakelaar ingedrukt – In deze stand wordt het seinlicht (groot licht) gebruikt.
K00721-12
30
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.7
Richtingaanwijzerschakelaar
De richtingaanwijzerschakelaar
stuur aangebracht.
1 is aan de linkerkant van het
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit
Richtingaanwijzer links aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar links gedrukt. De richtingaanwijzerschakelaar gaat na het indrukken weer terug naar de middelste stand.
K00730-11
Richtingaanwijzer rechts aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar rechts gedrukt. De richtingaanwijzerschakelaar gaat na het indrukken weer terug naar de middelste stand.
Voor uitschakelen van de richtingaanwijzer de richtingaanwijzerschakelaar naar de schakelaarbehuizing drukken.
31
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.8
Noodstopschakelaar
De noodstopschakelaar
aangebracht.
1 is aan de rechterkant van het stuur
Mogelijke toestanden
Noodstopschakelaar uit – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor schakelt niet worden
gestart.
K00723-11
6.9
Noodstopschakelaar aan – Deze stand is nodig voor
het rijden. Het ontstekingscircuit is gesloten.
Startknop
De startknop
1 is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
• Startknop in de uitgangspositie
• Startknop ingedrukt – In deze stand wordt de startmotor
geactiveerd.
K00723-12
32
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.10
Contact- en stuurslot
Het contact- en stuurslot bevindt zich voor de bovenste kroonplaat.
Mogelijke toestanden
Contact uitgeschakeld OFF – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor
schakelt uit en een stilstaande motor schakelt niet
in. De contactsleutel kan eruit worden getrokken.
A00632-10
Contact ingeschakeld ON – In deze stand is het
ontstekingscircuit gesloten en kan de motor worden
gestart.
Stuur geblokkeerd – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken en het stuur geblokkeerd. De contactsleutel kan eruit worden getrokken.
6.11
Stuur vergrendelen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
33
6 BEDIENINGSELEMENTEN
–
Voertuig parkeren.
–
Het stuur helemaal naar links draaien.
–
Contactsleutel in het contact- en stuurslot steken, indrukken
en naar links draaien. Contactsleutel eruit trekken.
Het stuur kan niet meer worden bewogen.
400732-01
6.12
Stuur ontgrendelen
–
Contactsleutel in het contact- en stuurslot steken, indrukken
en naar rechts draaien. Contactsleutel eruit trekken.
Het stuur kan weer worden bewogen.
400731-01
34
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.13
Tankdop openen
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
35
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
–
1
Afdekking
op de brandstoftankdop omhoogklappen en contactsleutel in het slot steken.
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging De contactsleutel kan bij overbelasting afbreken.
Beschadigde contactsleutels moeten worden vervangen.
–
K00724-10
36
Op de brandstoftankdop drukken om de contactsleutel te
ontlasten.
–
Contactsleutel 90° met de klok mee draaien.
–
Brandstoftankdop omhoogklappen.
–
Contactsleutel eruit trekken.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.14
Tankdop sluiten
Waarschuwing
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar, giftig en schadelijk voor de gezondheid.
M01496-01
–
De brandstoftankdop na het sluiten op correcte
vergrendeling controleren.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek
onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Tankdop dichtklappen.
–
Tankdop indrukken, totdat het slot vergrendelt.
37
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.15
Zadelslot
1
Het zadelslot
bevindt zich links naast het zadel.
Het zadelslot kan met de contactsleutel ontgrendeld worden.
K00732-10
6.16
Boordgereedschap
Het boordgereedschap
B00758-10
38
1 bevindt zich onder de buddyseat.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.17
Grepen
1
De grepen
zijn bestemd voor het rangeren van de motorfiets.
Bij het rijden met een buddyseat kan de passagier zich hieraan
vasthouden.
K00726-10
6.18
Voetsteun passagier
De voetsteunen voor de passagier kunnen worden ingeklapt.
Mogelijke toestanden
• Voetsteun passagier ingeklapt – Voor het rijden zonder passagier.
• Voetsteun passagier uitgeklapt – Voor het rijden met passagier.
K00725-10
39
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.19
Versnellingshendel
De versnellingshendel
gemonteerd.
1 is aan de linkerkant van de motor
401950-10
De positie van de versnellingen kan worden afgelezen op de
afbeelding.
De neutrale of vrije stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling.
401950-11
40
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.20
Rempedaal
1
Het rempedaal
bevindt zich voor de rechter voetsteun.
De achterwielrem wordt geschakeld met het rempedaal.
402177-10
6.21
Zijstandaard
1
De zijstandaard
bevindt zich aan de linker voertuigzijde.
De zijstandaard wordt gebruikt voor het parkeren van de motorfiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard opgeklapt zijn.
De zijstandaard is gekoppeld aan het veiligheidsstartsysteem. Lees de rij-instructies.
402029-10
41
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Mogelijke toestanden
• Zijstandaard uitgeklapt – Het voertuig kan op de zijstandaard
worden neergezet. Het veiligheidsstartsysteem is actief.
• Zijstandaard ingeklapt – Deze stand is altijd nodig als u gaat
rijden. Het veiligheidsstartsysteem is niet actief.
42
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.1
Gecombineerd instrument
Het gecombineerde instrument is voor het stuur aangebracht.
Controlelampjes ( pag. 50)
Display ( pag. 54)
Functietoetsen ( pag. 57)
1
2
3
S03387-10
43
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.2
Activering en test
Activering
Het gecombineerde instrument wordt ingeschakeld met het contact.
Info
De helderheid van de indicaties wordt geregeld door een
omgevingslichtsensor in het gecombineerde instrument.
Test
Bij het inschakelen van het contact lichten alle controlelampjes
behalve het controlelampje voor de richtingaanwijzer en het controlelampje voor de wegrijblokkering kort op.
De segmenten van de toerentalmeter en de versnellingsindicatie
gaan één voor één aan en weer uit.
De snelheidsindicatie tel van 0 tot 199 en weer terug.
De overige indicatiesegmenten van het display gaan kort branden.
Op het display verschijnen de letters READY TO >> RACE.
Vervolgens wordt de laatste geselecteerde modus weergegeven.
F01431-01
44
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
Het controlelampje storing brandt altijd, zolang de motor
niet draait. Als de motor draait en het controlelampje storing brandt, volgens de verkeersregels stoppen en contact
opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
Het ABS-waarschuwingslampje brandt bij modellen met
ABS tot een snelheid van ca. 6 km/h (ca. 4 mph) of meer is
bereikt.
7.3
Waarschuwingen
Info
Alle actuele waarschuwingen worden in de weergave Info
weergegeven tot ze niet meer actief zijn.
Zodra zich een fout voordoet, gaan de betreffende controlelampjes branden, waardoor wordt aangegeven dat een
aanwijzing/waarschuwing voor de bedrijfsveiligheid werd
gedetecteerd.
Zodra een waarschuwing voor de bedrijfsveiligheid werd
herkend, knippert ook de algemene waarschuwingslamp .
45
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Wanneer er een fout in de CAN‑bus is opgetreden, kunnen verschillende waarschuwingen op het display verschijnen:
Er kunnen CAN FAILURE, CAN ABS FAILURE (bij modellen met ABS)
en CAN EMS FAILURE optreden.
S03384-01
Transport Lock verschijnt op het display als de transportmodus is
geactiveerd.
Side Stand Down verschijnt op het display als de zijstandaard is
uitgeklapt.
S03385-01
46
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Kill Switch verschijnt op het display als de noodstopschakelaar is
bediend.
Not Legal! verschijnt op het display als door modificaties de toelating voor de openbare weg is vervallen.
S03385-02
ABS Failure verschijnt op het display als ABS niet meer actief is
(bij modellen met ABS).
Clutch Switch Failure verschijnt op het display als de koppelingsschakelaar defect is.
S03385-03
47
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Low Oil Pressure verschijnt op het display als de oliedruk te laag is.
Low Battery verschijnt op het display als de accuspanning onder de
aangegeven waarde valt.
Accuspanning
≤ 10,5 V
S03385-04
Coolant Sensor Failure verschijnt op het display als de temperatuursensor van het koelmiddel defect is.
High Coolant Temperature verschijnt op het display als de koelmiddeltemperatuur tot boven de aangegeven waarde stijgt.
Koelmiddeltemperatuur
S03385-05
48
≥ 110 °C
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Fuel Level Sensor Failure verschijnt op het display als de brandstofpeilsensor defect is.
Low Fuel Level verschijnt op het display als het brandstofpeil de
reservemarkering heeft bereikt.
S03385-06
49
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.4
Controlelampjes
De controlelampjes geven extra informatie over de toestand van de
motorfiets.
Bij het inschakelen van het contact lichten alle controlelampjes
behalve het controlelampje voor de richtingaanwijzer en het controlelampje voor de wegrijblokkering kort op.
Zodra een waarschuwing voor de bedrijfsveiligheid werd herkend,
knippert ook de algemene waarschuwingslamp .
Info
Het controlelampje storing brandt altijd, zolang de motor
niet draait. Als de motor draait en het controlelampje storing brandt, volgens de verkeersregels stoppen en contact
opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
Het ABS-waarschuwingslampje brandt bij modellen met
ABS tot een snelheid van ca. 6 km/h (ca. 4 mph) of meer is
bereikt.
Mogelijke toestanden
F01432-01
Controlelampje voor richtingaanwijzer knippert groen
in knipperritme – Richtingaanwijzer is ingeschakeld.
Controlelampje storing brandt geel – De OBD heeft
een fout in de voertuigelektronica geconstateerd.
50
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Schakelindicator brandt/knippert rood – De schakelindicator knippert rood wanneer het ingestelde schakeltoerental RPM1 werd bereikt. De schakelindicator
blijft rood branden wanneer het ingestelde schakeltoerental RPM2 werd bereikt.
Controlelampje stationair brandt groen – Versnelling is
in positie vrij geschakeld.
Controlelampje groot licht brandt blauw – Groot licht
is ingeschakeld.
Controlelampje wegrijblokkeringen brandt rood
– Status- of foutmelding bij de wegrijblokkering.
Algemeen waarschuwingslampje knippert geel – Een
aanwijzing/waarschuwing voor de veiligheid is gedetecteerd. Dit wordt ook op het display weergegeven.
(Optie: Met ABS)
ABS-waarschuwingslampje brandt geel – Status- of
foutmelding bij het ABS.
51
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.5
Schakelindicator
De schakelindicator
play.
1 bevindt zich in het midden boven het dis-
Info
De schakelindicator kan in de Trip 1‑weergave en de
Trip 2‑weergave door het ingedrukt houden van de
MODE-knop geconfigureerd worden.
Tijdens de inrijfase (tot 1000 km/621 mijl) is de schakelindicator
altijd actief. Pas daarna kan de schakelindicator worden gedeactiveerd en kunnen de waarden voor RPM1 en RPM2 worden ingesteld. Bij RPM1 knippert de schakelflits rood en bij RPM2 brandt
de schakelflits rood.
Info
In de 6e versnelling is de schakelindicator bij warme motor
na de eerste service gedeactiveerd.
F01433-10
52
Koelmiddeltemperatuur
≤ 35 °C
ODO
< 1.000 km
Schakelindicator
brandt altijd bij
6.500 1/min
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Koelmiddeltemperatuur
> 35 °C
ODO
> 1.000 km
RPM1schakelindicator
knippert
RPM2schakelindicator
brandt
53
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.6
Display
1
De toerentalmeter
geeft het motortoerental in toeren per
minuut aan.
De versnellingsindicatie
geeft de met de versnellingsbak
geschakelde versnelling aan.
De snelheid
wordt aangegeven in kilometer per uur km/h of in
mijl per uur mph.
Het brandstofpeil wordt in het gedeelte
aangegeven.
Op het display
wordt extra informatie weergegeven.
De tijd wordt in het gedeelte
aangegeven.
De aanduiding van de koelmiddeltemperatuur wordt in het
gedeelte
aangegeven.
2
3
4
5
6
7
Info
De tijd moet worden ingesteld als de 12V-accu losgekoppeld is geweest van het voertuig of als de zekering eruit is
gehaald.
De helderheid van de indicaties wordt geregeld door een
omgevingslichtsensor in het gecombineerde instrument.
F01434-10
54
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.7
Brandstofpeilweergave
1
De inhoud van de brandstoftank wordt in het gedeelte
van het
display weergegeven.
De weergave van het brandstofpeil bestaat uit balkjes. Hoe meer
balkjes er branden, hoe meer brandstof zich in de brandstoftank
bevindt.
Info
F01435-10
Als het brandstofpeil laag is, wordt op het display ook de
waarschuwing Low Fuel Level weergegeven.
Om voortdurend schommelen van de weergave tijdens het
rijden te vermijden, wordt het brandstofpeil iets vertraagd
weergegeven.
Als de zijstandaard is uitgeklapt of als de noodstopschakelaar is uitgeschakeld, wordt de brandstofpeilweergave niet
geactualiseerd.
Als de zijstandaard wordt ingeklapt en de noodstopschakelaar ingeschakeld, wordt de volgende actualisering pas na
2 minuten uitgevoerd.
Als het gecombineerde instrument geen signaal van de
brandstofpeilsensor ontvangt, knippert de brandstofpeilweergave.
55
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.8
Weergave van de koelmiddeltemperatuur
De aanduiding van de koelmiddeltemperatuur wordt in het
gedeelte
van het display aangegeven.
De weergave van de koelmiddeltemperatuur bestaat uit balkjes.
Hoe meer balkjes er branden, hoe warmer het koelmiddel.
1
Aanwijzing
Motorschade Bij oververhitting raakt de motor beschadigd.
–
Stop onmiddellijk volgens de verkeersregels en schakel de
motor uit wanneer de waarschuwing voor de koelmiddeltemperatuur verschijnt.
–
Laat de motor en het koelsysteem afkoelen.
–
Controleer resp. corrigeer het koelmiddelpeil bij afgekoeld
koelsysteem.
Info
F01435-11
Als alle balkjes branden, verschijnt er op het display bovendien de waarschuwing High Coolant Temperature.
Als het koelsysteem oververhit raakt, wordt het maximale
motortoerental begrensd.
Mogelijke toestanden
• Motor koud – Tot drie balkjes branden.
• Motor warm – Vier tot tien balkjes branden.
56
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
•
•
7.9
Motor heet – Elf tot dertien balkjes branden.
Motor zeer heet – Alle dertien balkjes branden.
Functietoetsen
1
Met de MODE‑knop
wisselt u tussen de weergavemodi.
Mogelijk weergavemodi zijn TRIP F (vanaf het bereiken van
de brandstofreserve), Info, afgelegde totale afstand (ODO),
afstand 1 (TRIP 1) en afstand 2 (TRIP 2).
Met de SET‑knop
wisselt u tussen de menu’s binnen een weergavemodus.
2
S03386-10
57
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.10
TRIP F‑weergave
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP Fop het
display verschijnt.
TRIP F toont de afgelegde afstand sinds het bereiken van de brandstofreserve.
Info
F01453-01
58
Als het brandstofpeil de reservemarkering bereikt, verschijnt op het display de waarschuwing Low Fuel Level. Door
kort indrukken van de MODE‑knop wisselt de weergavemodus naar TRIP F en begint bij 0.0 te tellen, onafhankelijk
van de weergavemodus die daarvoor was geactiveerd.
In de TRIP F‑weergave kunnen ook de menu’s Fuel Range en
Actual F.C. worden weergegeven.
Zodra een waarschuwing voor de bedrijfsveiligheid werd
herkend, knippert ook de algemene waarschuwingslamp .
Kort indrukken van de SET‑knop wisselt naar het volgende
menu op het display.
Kort indrukken van de MODE‑knop wisselt naar de volgende
weergavemodus op het display.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.11
Info‑weergave
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie Infoop het
display verschijnt.
Info geeft meldingen of waarschuwingen weer die zich hebben
voorgedaan.
Info
M01584-01
De Info‑aanduiding wordt alleen weergegeven als er een
melding of waarschuwing aanwezig is.
De opgetreden waarschuwingen worden in de weergave Info
opgeslagen tot ze niet meer actief zijn.
Alle opgetreden waarschuwingen worden in de weergave
Info na elkaar automatisch weergegeven.
Kort indrukken van de SET‑knop wisselt naar de volgende
waarschuwing op het display.
Kort indrukken van de MODE‑knop wisselt naar de volgende
weergavemodus op het display.
59
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.12
ODO‑weergave
MODE‑knop zo vaak kort indrukken tot de indicatie ODO op het display verschijnt.
Info
ODO geeft de totale afstand aan.
Deze waarde blijft ook opgeslagen als de 12V-accu van het
voertuig losgekoppeld wordt en/of de zekering is gesmolten.
Kort indrukken van de SET‑knop wisselt naar het volgende
menu op het display.
Kort indrukken van de MODE‑knop wisselt naar de volgende
weergavemodus op het display.
F01440-01
7.12.1
Fuel Range
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie ODOop het
display verschijnt.
–
SET-knop meerdere keren kort indrukken totdat het gewenste
menu op het display verschijnt.
Het Fuel Range menu is in de TRIP F‑weergave, ODO‑weergave, de
TRIP 1‑weergave en de TRIP 2‑weergave identiek.
In dit menu wordt de reikwijdte weergegeven.
F01440-02
60
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
De reikwijdte is afhankelijk van het gemiddelde verbruik en
de hoeveelheid brandstof in de brandstoftank.
De reikwijdte wordt na het inschakelen van het contact pas
na enkele 100 meter aangegeven.
7.12.2
SET-knop kort
indrukken.
Volgend menu op het display
MODE-knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus op het display
Service
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie ODOop het
display verschijnt.
–
SET-knop meerdere keren kort indrukken totdat het gewenste
menu op het display verschijnt.
In dit menu wordt de resterende tijd tot de volgende servicebeurt
aangegeven.
SET-knop kort
indrukken.
Volgend menu op het display
F01441-01
61
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
MODE-knop
kort indrukken.
7.12.3
Volgende weergavemodus op het display
Actual F.C.
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie ODOop het
display verschijnt.
–
SET-knop meerdere keren kort indrukken totdat het gewenste
menu op het display verschijnt.
Het Actual F.C. menu is in de TRIP F‑weergave en de ODO‑weergave
identiek.
In dit menu wordt het actuele verbruik weergegeven.
F01442-01
62
Info
Het actuele verbruik wordt na het inschakelen van het contact pas na enkele 100 meter aangegeven.
SET-knop kort
indrukken.
Volgend menu op het display
MODE-knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus op het display
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13
TRIP 1‑weergave
MODE‑knop zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP 1 op het
display verschijnt.
Info
TRIP 1 geeft de gereden afstand sinds de laatste reset aan,
bijvoorbeeld de afstand tussen twee tankstops. TRIP 1 loopt
altijd mee tot 9999.9.
Kort indrukken van de SET‑knop wisselt naar het volgende
menu op het display.
Kort indrukken van de MODE‑knop wisselt naar de volgende
weergavemodus op het display.
F01443-01
7.13.1
Time Trip 1
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP 1op
het display verschijnt.
–
SET-knop meerdere keren kort indrukken totdat het gewenste
menu op het display verschijnt.
In dit menu wordt de rijtijd 1 op basis van TRIP 1 weergegeven.
SET-knop kort
indrukken.
Volgend menu op het display
F01444-01
63
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.13.2
SET-knop 3
seconden
indrukken.
Indicatie TRIP 1 wordt gereset
MODE-knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus op het display
Average Speed Trip1
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP 1op
het display verschijnt.
–
SET-knop meerdere keren kort indrukken totdat het gewenste
menu op het display verschijnt.
In dit menu wordt de gemiddelde snelheid 1 op basis van TRIP 1
weergegeven.
F01445-01
64
SET-knop kort
indrukken.
Volgend menu op het display
SET-knop 3
seconden
indrukken.
Indicatie TRIP 1 wordt gereset
MODE-knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus op het display
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13.3
Avg F.C. Trip 1
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP 1op
het display verschijnt.
–
SET-knop meerdere keren kort indrukken totdat het gewenste
menu op het display verschijnt.
In dit menu wordt het gemiddelde verbruik 1 op basis van TRIP 1
weergegeven.
F01446-01
SET-knop kort
indrukken.
Volgend menu op het display
SET-knop 3
seconden
indrukken.
Indicatie TRIP 1 wordt gereset
MODE-knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus op het display
65
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.14
TRIP 2‑weergave
MODE‑knop zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP 2 op het
display verschijnt.
Info
TRIP 2 geeft de gereden afstand sinds de laatste reset aan,
bijvoorbeeld de afstand tussen twee tankstops. TRIP 2 loopt
altijd mee tot 9999.9.
Kort indrukken van de SET‑knop wisselt naar het volgende
menu.
Kort indrukken van de MODE‑knop wisselt naar de volgende
weergavemodus op het display.
F01447-01
7.14.1
Time Trip 2
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP 2op
het display verschijnt.
–
SET-knop meerdere keren kort indrukken totdat het gewenste
menu op het display verschijnt.
In dit menu wordt de rijtijd 2 op basis van TRIP 2 weergegeven.
SET-knop kort
indrukken.
F01448-01
66
Volgend menu op het display
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.14.2
SET-knop 3
seconden
indrukken.
Indicatie TRIP 2 wordt gereset
MODE-knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus op het display
Average Speed Trip2
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP 2op
het display verschijnt.
–
SET-knop meerdere keren kort indrukken totdat het gewenste
menu op het display verschijnt.
In dit menu wordt de gemiddelde snelheid 2 op basis van TRIP 2
weergegeven.
F01449-01
SET-knop kort
indrukken.
Volgend menu op het display
SET-knop 3
seconden
indrukken.
Indicatie TRIP 2 wordt gereset
MODE-knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus op het display
67
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.14.3
Avg F.C. Trip 2
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP 2op
het display verschijnt.
–
SET-knop meerdere keren kort indrukken totdat het gewenste
menu op het display verschijnt.
In dit menu wordt het gemiddelde verbruik 2 op basis van TRIP 2
weergegeven.
F01450-01
7.15
SET-knop kort
indrukken.
Volgend menu op het display
SET-knop 3
seconden
indrukken.
Indicatie TRIP 2 wordt gereset
MODE-knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus op het display
Eenheden instellen
Info
Landspecifieke instelling aanpassen.
Als de eenheid wordt gewisseld, blijft de waarde ODO bewaard en wordt omgerekend naar de geselecteerde
eenheid.
68
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie ODOop het
display verschijnt.
–
MODE-knop 5 seconden indrukken.
De indicatie van de eenheden verschijnt.
Info
De indicatie van de eenheden verschijnt op de
ODO‑weergave bij elk menu door de toets MODE
ingedrukt te houden.
–
SET-toets meerdere keren kort indrukken totdat de gewenste
eenheid op het display verschijnt.
–
De MODE‑toets en de SET‑toets gedurende ca. 5 seconden niet
indrukken.
De weergave van de eenheden verdwijnt en de geselecteerde eenheid van de eerste regel wordt overgenomen en
opgeslagen.
Info
F01454-01
Als eenheid van lengte kan km of miles worden ingesteld.
Als eenheid van volume kan l, USga of UKga worden
ingesteld.
69
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.16
Tijd instellen
Info
De tijd wordt weergegeven in 24‑uurs formaat.
De tijd moet worden ingesteld als de 12V-accu losgekoppeld is geweest van het voertuig of als de zekering
eruit is gehaald.
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie ODOop het
display verschijnt.
–
MODE‑toets en SET‑toets gelijktijdig 5 seconden indrukken.
De tijd begint te knipperen.
Info
De tijd kan in de ODO‑weergave bij elk menu door het
gelijktijdig ingedrukt houden van de MODE‑knop en
SET‑knop worden ingesteld.
F01455-10
–
Urenweergave instellen met de MODE-knop.
–
Minutenweergave instellen met de SET-knop.
–
MODE‑knop en SET‑knop gelijktijdig indrukken.
De ingestelde tijd wordt overgenomen en opgeslagen.
70
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.17
Schakeltoerental RPM1 instellen
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
ODO > 1000 km (621 mi).
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP 1op
het display verschijnt.
–
MODE-knop 5 seconden indrukken.
De weergave RPM1 verschijnt.
Info
De RPM1‑weergave verschijnt in de TRIP 1‑weergave bij
elk menu door de toets MODE ingedrukt te houden.
RPM1 is het toerental vanaf het moment dat de schakelindicator activeert en knippert.
Het toerental kan in stappen van 50 worden ingesteld.
Het schakeltoerental RPM1 kan maar tot maximaal 50
omwentelingen per minuut onder het schakeltoerental
RPM2 worden ingesteld.
F01456-01
–
Het toerental met de MODE‑toets en SET‑toets instellen.
Info
De MODE-toets verhoogt de waarde.
De SET-toets verlaagt de waarde.
71
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
–
MODE‑toets en SET‑toets gelijktijdig indrukken.
De RPM1‑weergave verdwijnt en het ingestelde schakeltoerental RPM1 wordt overgenomen en opgeslagen.
7.18
Schakeltoerental RPM2 instellen
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
ODO > 1000 km (621 mi).
–
MODE‑toets zo vaak kort indrukken tot de indicatie TRIP 2op
het display verschijnt.
–
MODE-knop 5 seconden indrukken.
De weergave RPM2 verschijnt.
Info
De RPM2‑weergave verschijnt in de TRIP 2‑weergave bij
elk menu door de toets MODE ingedrukt te houden.
RPM2 is het toerental vanaf het moment dat de schakelindicator brandt.
Het toerental kan in stappen van 50 worden ingesteld.
Het schakeltoerental RPM2 kan vanaf ten minste 50
omwentelingen per minuut boven het schakeltoerental
RPM1 worden ingesteld.
F01457-01
–
72
Het toerental met de MODE‑toets en SET‑toets instellen.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
De MODE-toets verhoogt de waarde.
De SET-toets verlaagt de waarde.
–
MODE‑toets en SET‑toets gelijktijdig indrukken.
De RPM2‑weergave verdwijnt en het ingestelde schakeltoerental RPM2 wordt overgenomen en opgeslagen.
73
8 INBEDRIJFSTELLING
8.1
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
–
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
–
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Verschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
–
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Niet-vrijgegeven of aanbevolen banden en wielen bemoeilijken het rijgedrag.
–
74
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
INBEDRIJFSTELLING 8
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
200 km
Info
Houd er bij het gebruik van het voertuig rekening mee dat andere mensen last kunnen hebben van overmatig lawaai.
–
Controleren of de werkzaamheden van de controle voor de verkoop zijn uitgevoerd door een geautoriseerde
KTM-garage.
Het leveringsdocument en het service- en garantieboekje worden samen met het voertuig overhandigd.
–
Voor de eerste rit de gehele bedieningshandleiding doorlezen.
–
Met de bedieningselementen vertrouwd maken.
–
Eerst op een hiervoor geschikt terrein wennen aan het rijgedrag van de motorfiets voordat u een veeleisende
tocht onderneemt. Ook eens zo langzaam mogelijk proberen te rijden zodat u meer gevoel voor de motorfiets
krijgt.
–
Het stuur tijdens het rijden met beide handen vasthouden en de voeten op de voetsteunen laten rusten.
–
Motor inrijden. (
pag. 76)
75
8 INBEDRIJFSTELLING
8.2
–
Motor inrijden
Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
Tijdens de eerste: 1.000 km
7.500 1/min
Info
Tijdens de inrijperiode is de schakelindicator op een vaste waarde ingesteld en kan niet worden gewijzigd.
–
Vol gas geven vermijden!
8.3
Voertuig beladen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Totaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de
bestuurder en passagier met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
–
76
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
INBEDRIJFSTELLING 8
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verkeerde montage van de koffer of de tanktas heeft invloed op het rijgedrag.
–
De koffer en tanktas volgens de gegevens van de fabrikant monteren en vastmaken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door overbelasting raakt het koffersysteeem beschadigd.
–
Bij het monteren van een koffer altijd de fabrikantgegevens betreffende de maximale last in acht
nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage beperkt de zichtbaarheid.
Als het achterlicht is afgedekt bent u, vooral als het donker is, slechter zichtbaar voor andere verkeerdeelnemers.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Hoge belading verandert het rijgedrag en verlengt de remweg.
–
De snelheid aan eventuele extra belading aanpassen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage heeft invloed op het rijgedrag.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
77
8 INBEDRIJFSTELLING
–
Wanneer bagage wordt meegenomen, moet deze zo veel mogelijk in het midden van het voertuig veilig worden
vastgezet en het gewicht moet gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
–
Het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximaal toegestane aslasten aanhouden.
Voorgeschreven waarde
78
Maximaal toegestaan totaalgewicht
355 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor
125 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
210 kg
RIJ-INSTRUCTIES 9
9.1
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling
Info
Voordat u gaat rijden, controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gereden.
Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
H02217-01
–
Motoroliepeil controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren.
( pag. 129)
–
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren.
( pag. 138)
–
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
–
Controleren of het remsysteem goed werkt.
–
Koelmiddelpeil controleren. (
–
Vervuiling van de ketting controleren. (
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 115)
–
Bandentoestand controleren. (
pag. 155)
–
Bandenspanning controleren. (
pag. 157)
–
Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en
soepel bewegen.
–
Werking van de elektrische installatie controleren.
–
Controleren of de bagage correct is bevestigd.
pag. 199)
pag. 133)
pag. 142)
pag. 185)
pag. 113)
79
9 RIJ-INSTRUCTIES
9.2
–
Op de motorfiets gaan zitten en de stand van de achteruitkijkspiegel controleren.
–
Brandstofvoorraad controleren.
Starten
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Elektrische componenten en veiligheidsvoorzieningen raken bij lege of ontbrekende 12V-accu beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege 12V-accu of zonder 12V-accu gebruiken.
Aanwijzing
Motorschade Ongefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
Zonder luchtfilter dringen stof en vuil in de motor.
–
80
Gebruik het voertuig nooit zonder luchtfilter.
RIJ-INSTRUCTIES 9
Aanwijzing
Motorschade Hoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
–
Rij de motor altijd met een laag toerental warm.
–
Stuur ontgrendelen. (
–
Op het voertuig gaan zitten, zijstandaard ontlasten en met de
voet helemaal naar boven zwenken.
–
Noodstopschakelaar in de stand
–
Ontsteking inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand te draaien.
pag. 34)
drukken.
Na het inschakelen van het contact is gedurende ongeveer
2 seconden het geluid van de werkende brandstofpomp
te horen. Tegelijkertijd wordt de functiecontrole van het
gecombineerde instrument uitgevoerd.
B00782-10
–
Versnelling in stationair schakelen.
Het groene controlelampje stationair N brandt.
(Optie: Met ABS)
Het ABS-waarschuwingslampje gaat branden en gaat
weer uit wanneer het voertuig begint te rijden.
–
Startknop
indrukken.
81
9 RIJ-INSTRUCTIES
Info
E-startknop pas indrukken als de functiecontrole van
het gecombineerde instrument is afgerond.
Bij het starten geen gas geven.
Maximaal 5 seconden ononderbroken starten. Tot de
volgende startpoging minimaal 5 seconden wachten.
Deze motorfiets is uitgerust met een veiligheidsstartsysteem. De motor kan alleen worden gestart als de
versnelling in vrij is geschakeld of als bij geschakelde
versnelling de koppelingshendel is getrokken. Als met
uitgeklapte zijstandaard een versnelling wordt gekozen
en de koppelingshendel wordt losgelaten, dan blijft de
motor stilstaan.
9.3
–
Beginnen met rijden
Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling schakelen, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gelijktijdig voorzichtig gasgeven.
Tip
Als de motor afslaat tijdens het starten, alleen de koppelingshendel trekken en e-starterknop indrukken. De versnelling hoeft niet stationair te worden geschakeld.
82
RIJ-INSTRUCTIES 9
9.4
Schakelen, rijden
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Bij een abrupte verandering van de belasting kunt u de controle over de motorfiets verliezen.
–
Abrupte lastverplaatsing en hard remmen vermijden.
–
De snelheid aan de gewijzigde rijwegsituatie aanpassen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Terugschakelen bij een hoog motortoerental blokkeert het achterwiel en overbelast de motor.
–
Schakel bij een hoog toerental niet terug naar een lagere versnelling.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde contactsleutelstand zorgt voor storingen.
–
De contactsleutelstand tijdens het rijden niet veranderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het uitvoeren van instellingen aan het voertuig leidt af van het verkeer.
–
Instelwerkzaamheden aan een stilstaand voertuig uitvoeren.
83
9 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Door verkeerd gedrag kan de passagier van de motorfiets vallen.
–
Zorg ervoor dat de passagier correct op de buddyseat zit, de voeten op de buddyseatvoetsteunen van
de passagier zet en zich aan de bestuurder of grepen vasthoudt.
–
Neem hierbij ook de in uw land geldende voorschriften over de minimumleeftijd voor passagiers in
acht.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Riskant rijgedrag vormt een groot risico.
–
Volg de verkeersregels en rijd defensief en anticiperend, om gevaren zo vroeg mogelijk te herkennen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Koude banden hebben minder grip.
–
De eerste kilometers rustig en voorzichtig rijden, tot de banden op temperatuur zijn.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
200 km
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage heeft invloed op het rijgedrag.
–
84
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
RIJ-INSTRUCTIES 9
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door een val kan het voertuig sterker beschadigd raken dan eerst het geval lijkt.
–
Het voertuig na een val op dezelfde wijze als voor ingebruikname controleren.
Aanwijzing
Motorschade Bij oververhitting raakt de motor beschadigd.
–
Stop onmiddellijk volgens de verkeersregels en schakel de motor uit wanneer de waarschuwing voor de koelmiddeltemperatuur verschijnt.
–
Laat de motor en het koelsysteem afkoelen.
–
Controleer resp. corrigeer het koelmiddelpeil bij afgekoeld koelsysteem.
Info
Als er tijdens het rijden ongewone geluiden optreden, meteen op veilige wijze stoppen, de motor uitzetten
en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
–
Als de omstandigheden het toestaan (helling, rijsituatie etc.)
kunt u naar een hogere versnelling schakelen.
–
Gas terugnemen, gelijktijdig koppelingshendel trekken, naar
volgende versnelling schakelen, koppelingshendel vrijgeven en
gas geven.
401950-11
85
9 RIJ-INSTRUCTIES
Info
De positie van de versnellingen kan afgelezen worden
van de afbeelding. De neutrale of stationaire stand
bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling. De 1e versnelling is de start- of bergversnelling.
De rijtemperatuur is bereikt als er 4 balkjes op de temperatuurindicatie branden.
86
–
Slechts zoveel gas geven als de motor op dat moment aankan
- het abrupt opentrekken van de gashendel verhoogt het verbruik. Slechts zo veel gas geven als de rijbaan en de weersomstandigheden toestaan. Vooral in bochten mag niet worden
geschakeld en slechts voorzichtig gas worden gegeven.
–
Voor het terugschakelen van de motorfiets indien nodig afremmen en tegelijkertijd gas terugnemen.
–
Koppelingshendel trekken en in een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gas geven of nog
een keer schakelen.
–
Motor uitschakelen bij langdurig stationair toerental of bij stilstand.
–
Als tijdens het rijden het controlelampje storing gaat
branden, meteen volgens de verkeersregels stoppen, de
motor afzetten en contact opnemen met een geautoriseerde
KTM-garage.
RIJ-INSTRUCTIES 9
9.5
Afremmen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het remsysteem nadelig.
–
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een poreus drukpunt van voor- en/of achterwielrem vermindert de remwerking.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
–
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Hoger totaal gewicht verlengt de remweg.
–
Hou rekening met een langere remweg, als u met een passagier of met bagage rijdt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Strooizout op de straat belemmert het remsysteem.
–
Meerdere keren voorzichtig remmen om strooizout van de remplaketten en remschijven te verwijderen.
87
9 RIJ-INSTRUCTIES
(Optie: Met ABS)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen ABS kan de remweg in bepaalde situaties verlengen.
–
Pas de remwijze aan de rijsituatie en rijwegsituatie aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door te sterk afremmen blokkeren de wielen.
De werking van het ABS kan alleen worden gegarandeerd, indien ABS is ingeschakeld.
–
–
ABS ingeschakeld laten om de beschermende functie te gebruiken.
Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.
Info
Met ABS kan zowel bij een volledige afremming als bij een slecht contact met de ondergrond op
zandige, natte of gladde ondergrond de volledige remkracht worden gebruikt, zonder het risico te
lopen dat de wielen blokkeren.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het achterwiel kan door de motorremwerking blokkeren.
–
88
Trek aan de koppelingshendel wanneer u vol remt, een noodstop maakt of wanneer u op
gladde ondergrond afremt.
RIJ-INSTRUCTIES 9
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Schuine stand of zijdelings afhellende ondergrond vermindert de maximaal mogelijke vertraging.
–
Beëindig het remmen indien mogelijk voordat u een bocht inrijdt.
–
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Afhankelijk van de snelheid naar een
lagere versnelling schakelen.
–
Tijdens langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor gebruiken. Hiervoor een of twee versnellingen
terugschakelen, maar de motor niet overbelasten. Zo moet aanzienlijk minder worden geremd en raakt het
remsysteem niet oververhit.
(Optie: Zonder ABS)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door te sterk afremmen blokkeren de wielen.
–
Pas de remwijze aan de rijsituatie en rijwegsituatie aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het achterwiel kan door de motorremwerking blokkeren.
–
Trek aan de koppelingshendel wanneer u vol remt, een noodstop maakt of wanneer u op
gladde ondergrond afremt.
89
9 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Schuine stand of zijdelings afhellende ondergrond vermindert de maximaal mogelijke vertraging.
–
Beëindig het remmen indien mogelijk voordat u een bocht inrijdt.
–
Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.
–
Op zandige, natte of gladde ondergrond moet overwegend de achterwielrem worden gebruikt.
–
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Afhankelijk van de snelheid naar een
lagere versnelling schakelen.
–
Tijdens langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor gebruiken. Hiervoor een of twee versnellingen
terugschakelen, maar de motor niet overbelasten. Zo moet aanzienlijk minder worden geremd en raakt het
remsysteem niet oververhit.
9.6
Stoppen, parkeren
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Onbevoegd handelende personen vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
90
–
Laat het voertuig nooit zonder opzicht achter, als de motor loopt.
–
Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
–
Blokkeer het stuur en verwijder de contactsleutel als u het voertuig onbeheerd achterlaat.
RIJ-INSTRUCTIES 9
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
–
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
–
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Aanwijzing
Materiaalschade Een onjuiste handelwijze bij parkeren beschadigt het voertuig.
Als het voertuig wegrolt of omvalt, kan aanzienlijke schade ontstaan.
De onderdelen voor parkeren van het voertuig zijn alleen berekend op het voertuiggewicht.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Zorg ervoor dat niemand op het voertuig gaat zitten wanneer het voertuig op de standaard staat.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
–
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
–
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
–
Motorfiets afremmen.
–
Versnelling in stationair schakelen.
–
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand
draaien.
91
9 RIJ-INSTRUCTIES
Info
Als de motor uitgeschakeld werd met de noodstopschakelaar en het contact op het contactslot ingeschakeld blijft, wordt de voeding naar de meeste verbruikers niet onderbroken en ontlaadt de 12Vaccu. De motor dus altijd met het contactslot uitzetten, de noodstopschakelaar is uitsluitend bestemd
voor noodsituaties.
–
Motorfiets parkeren op vaste ondergrond.
–
Zijstandaard met de voet helemaal naar voren zwenken en met het voertuig belasten.
–
Stuur vergrendelen. (
9.7
pag. 33)
Transport
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
–
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
–
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
92
RIJ-INSTRUCTIES 9
–
Motor uitzetten en contactsleutel eruit trekken.
–
Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigingsmiddelen beveiligen tegen omvallen en wegrollen.
401448-01
9.8
Brandstof tanken
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
93
9 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Aanwijzing
Materiaalschade Door een slechte brandstofkwaliteit vervuilt het brandstoffilter.
In sommige landen en regio's is de beschikbare brandstofkwaliteit en -reinheid eventueel onvoldoende. Dit leidt
tot problemen in het brandstofsysteem.
–
Tank uitsluitend schone brandstof die aan de aangegeven norm voldoet. (De geautoriseerde KTM-garage is u
graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
94
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
RIJ-INSTRUCTIES 9
–
Motor uitzetten.
–
Tankdop openen. (
–
Brandstoftank tot maximaal aan de onderkant
opening met brandstof bijvullen.
pag. 35)
Brandstoftankvolume
totaal ca.
M01585-10
–
13,4 l
1 van de vul-
Brandstof super
loodvrij (ROZ 95)
( pag. 238)
(EU/JP/AR/ASEAN,
CN/CO/MY/PH)
Brandstoftankvolume
totaal ca.
Gasohol 95 E20
(ROZ 95)
( pag. 238)
(250 Duke TH)
Brandstoftankvolume
totaal ca.
Super loodvrij type
C (ROZ 95/RON
95/PON 91)
( pag. 240)
(250 Duke BR)
Tankdop sluiten. (
pag. 37)
95
10 SERVICESCHEMA
10.1
Extra informatie
Voor alle verdergaande werkzaamheden, die resulteren uit de verplichte werkzaamheden resp. de aanbevolen
werkzaamheden, moet een extra opdracht worden verstrekt, die ook apart in rekening wordt gebracht.
Afhankelijk van de lokale gebruiksomstandigheden kunnen in uw land afwijkende service-intervallen gelden.
In het kader van technische ontwikkelingen kunnen intervallen en omvang van afzonderlijke servicebeurten veranderen. Het meest recente serviceschema vindt u altijd op KTM Dealer.net. Uw geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
10.2
Verplichte werkzaamheden
om de 24 maanden
om de 12 maanden
alle 15.000 km
alle 7.500 km
na 1.000 km
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
Remkabels controleren op beschadiging en dichtheid.
○
●
●
●
●
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
○
●
●
●
Foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen.
Werking van de elektrische installatie controleren.
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
Remschijven controleren. (
pag. 127)
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
96
pag. 133)
pag. 142)
pag. 129)
(
pag. 200)
SERVICESCHEMA 10
om de 24 maanden
om de 12 maanden
alle 15.000 km
alle 7.500 km
na 1.000 km
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
pag. 138)
○
●
●
●
Bandentoestand controleren. (
pag. 155)
○
●
●
●
●
Bandenspanning controleren. (
pag. 157)
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
Bowdenkabels controleren op beschadiging, knikken en instelling.
○
●
●
●
●
Kabels controleren op beschadiging en knikken.
○
●
●
●
●
Schokdemper en voorvork controleren op lekkages.
Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen. (
pag. 108)
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren. (
Kettingspanning controleren. (
Koelmiddelpeil controleren. (
pag. 119)
pag. 115)
pag. 185)
Controleren of de radiateurventilator werkt.
Luchtfilter vervangen, luchtfilterbak reinigen.
●
Klepspeling controleren, bougie vervangen.
●
Remvloeistof van de voorwielrem verversen.
●
Remvloeistof van de achterwielrem verversen.
Speling balhoofdlager controleren.
Koplampinstelling controleren. (
pag. 176)
○
●
●
○
●
●
●
●
97
10 SERVICESCHEMA
om de 24 maanden
om de 12 maanden
alle 15.000 km
alle 7.500 km
na 1.000 km
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.
○
●
●
●
●
Na proefrit foutgeheugen uitlezen met KTM-diagnosetool.
○
●
●
●
●
Service-intervalindicatie resetten.
○
●
●
●
●
Service in het KTM Dealer.net noteren.
○
●
●
●
●
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
10.3
Aanbevolen werkzaamheden
om de 48 maanden
om de 12 maanden
alle 30.000 km
alle 7.500 km
na 1.000 km
●
Frame controleren.
●
Achterbrug controleren.
Achterbruglager op speling controleren.
98
●
●
SERVICESCHEMA 10
om de 48 maanden
om de 12 maanden
alle 30.000 km
alle 7.500 km
na 1.000 km
Wiellager op speling controleren.
○
Antivries controleren.
Koelmiddel verversen.
(
●
●
●
●
●
●
pag. 191)
Aftapslangen legen.
○
●
●
●
●
Alle slangen (bijv. brandstof­, radiateur­, ontluchtings­, aftapslangen, ...) en manchetten controleren op scheuren, lekkages en controleren of ze goed zijn gelegd.
○
●
●
●
●
Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, kettingen, ...) smeren en controleren of ze soepel bewegen.
○
●
●
●
●
Controleren of makkelijk toegankelijke, veiligheidsrelevante schroeven en moeren goed
vastzitten.
○
●
●
●
●
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
99
11 CHASSIS AFSTELLEN
11.1
Veervoorspanning schokdemper instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Wijzigingen aan de instelling van het chassis kunnen het rijgedag sterk beïnvloeden.
–
Rij na wijzigingen eerst langzaam, om het rijgedrag te kunnen inschatten.
Info
De veervoorspanning bepaalt de uitgangspositie voor de vering op de schokdemper.
Een optimaal ingestelde veervoorspanning is aangepast aan het gewicht van de bestuurder eventueel met
bagage en passagier en zorgt zo voor een compromis tussen hanteerbaarheid en stabiliteit.
–
Door aan de stelring
len.
1 te draaien de veervoorspanning instel-
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning
Standaard
3 klikken
Haaksleutel schokdemper (90529077000)
Verlenging voor haaksleutel (90129099025)
K00728-10
100
CHASSIS AFSTELLEN 11
Info
De veervoorspanning kan in 10 verschillende standen
worden ingesteld.
11.2
Versnellingshendel instellen
Info
Het instelbereik van de versnellingshendel is beperkt.
101
11 CHASSIS AFSTELLEN
–
Moeren
–
Versnellingshendel door het draaien van de schakelstang
instellen.
1 losdraaien.
2
Voorgeschreven waarde
Instelbereik
stang
A schakel-
110 … 122 mm
Info
De verstelling moet aan beide kanten gelijkmatig worden uitgevoerd.
Ten minste 5 schroefgangen moeten in de lagers zijn
geschroefd.
–
Instelhoek
B controleren.
Voorgeschreven waarde
B
Instelhoek
schakelstang
omkering versnellingshendel
K00796-10
–
Moeren
90°
1 vastdraaien.
Info
De lagers van de schakelstang moeten na het tegenhouden van de moeren in het midden en identiek ten
opzichte van elkaar zijn uitgelijnd, om een vrije beweging in de lagerschalen te kunnen garanderen.
102
CHASSIS AFSTELLEN 11
–
Controleren of de versnellingshendel werkt en soepel kan schakelen.
103
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
12.1
Motorfiets met hefbok achter opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Bevestigingen van de hefbok monteren.
–
Bevestiging achter in de hefbok plaatsen.
Montageadapter (61029955244)
Achterwielmontagebok (69329955000)
–
Motorfiets rechtop zetten, hefbok uitlijnen aan de achterbrug
en de adapters. Motorfiets opkrikken.
402346-01
12.2
Motorfiets van hefbok achter nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
104
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
–
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
–
Hefbok achter verwijderen en voertuig op de zijstandaard
plaatsen.
–
Bussenkit verwijderen.
1
402029-10
12.3
Motorfiets met hefbok voor opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 104)
105
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Voorwaarde
– Beschermkap
1 verwijderen.
K00729-10
–
Stuur in de rechtuitstand zetten. Hefbok positioneren.
Opnamebout (69329965030)
Voorwielmontagebok groot (69329965100)
Info
Motorfiets altijd eerst achter opkrikken.
–
402345-01
106
Motorfiets voor opkrikken.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
12.4
Motorfiets van hefbok voor nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Hoofdwerk
– Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
–
Hefbok voor verwijderen.
402777-01
107
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Beschermkap
1 monteren.
K00729-10
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
12.5
pag. 104)
Vuilschrapers vorkpoten reinigen
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
108
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. (
pag. 104)
pag. 105)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
Hoofdwerk
– Vuilschrapers
1 van beide vorkpoten naar beneden schuiven.
Info
De vuilschrapers schrapen stof en grof vuil van de binnenpoot af. In de loop van de tijd kan er vuil achter te
vuilschrapers terechtkomen. Als deze vervuiling niet
wordt verwijderd, kunnen de daarachter liggende oliekeerringen gaan lekken.
E00735-10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven
vermindert de remwerking.
–
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Vuilschrapers en de binnenpoten aan beide vorkpoten reinigen
en smeren met olie.
Universele oliespray (
pag. 243)
–
Vuilschrapers terugduwen in de inbouwpositie.
–
Overtollige olie verwijderen.
109
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Nawerk
– Motorfiets van hefbok voor nemen. (
12.6
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
–
De contactsleutel in het zadelslot
mee draaien.
–
Het zadel achter optillen, naar de achteren schuiven en naar
boven toe verwijderen.
–
De contactsleutel uit het zadelslot trekken.
pag. 104)
Buddyseat verwijderen
H01991-10
110
pag. 107)
–
1 steken en met de klok
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
12.7
Buddyseat monteren
–
De haken
aan de buddyseat in de beugels
aan de console haken, achteraan neerlaten en naar voren schuiven.
–
Buddyseat naar beneden drukken en laten vergrendelen.
1
2
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het verkeerd gemonteerde
zadel kan uit de verankering springen.
–
H01992-01
–
12.8
Controleer na de montage of het zadel goed vergrendeld is en niet omhoog kan worden getrokken.
Vervolgens controleren of de buddyseat correct gemonteerd is.
Bestuurderszadel verwijderen
Voorwerk
– Buddyseat verwijderen. (
pag. 110)
111
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Het bestuurderszadel achter optillen, naar de achteren trekken
en naar boven toe verwijderen.
H01993-01
12.9
Bestuurderszadel monteren
Hoofdwerk
– Het bestuurderszadel in het bereik
laten zakken.
–
A inhaken en achterkant
Vervolgens controleren of het bestuurderszadel correct is
gemonteerd.
H01994-01
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
112
pag. 111)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
12.10
Kettingvervuiling controleren
–
Ketting controleren op grove vervuiling.
»
Als de ketting erg vuil is:
–
Ketting reinigen. (
pag. 113)
400678-01
12.11
Ketting reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Smeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
–
Verwijder smeermiddel met een geschikt reinigingsmiddel van de banden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
113
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 104)
Hoofdwerk
– Ketting regelmatig reinigen.
–
Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
–
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel (
–
pag. 242)
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray Street (
pag. 242)
400725-01
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
114
pag. 104)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
12.12
Kettingspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
–
Controleer de kettingspanning regelmatig.
–
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 104)
Hoofdwerk
– Versnelling in stationair schakelen.
–
In het bereik na het glijblok de ketting naar boven richting
achterbrug duwen en kettingspanning
bepalen.
A
M00714-10
115
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Info
B
Het bovenste deel van de ketting
moet daarbij
gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet
de meting op verschillende plekken van de ketting worden herhaald.
Kettingspanning
»
Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
–
116
5 … 7 mm
Kettingspanning instellen. (
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 117)
pag. 104)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
12.13
Kettingspanning instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
–
Controleer de kettingspanning regelmatig.
–
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 104)
pag. 115)
117
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Moer
–
–
1 losdraaien.
Moeren 2 losdraaien.
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven
links en rechts instellen.
3
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning
5 … 7 mm
3
Stelschroeven
links en rechts zo draaien, dat de markeringen aan de linker en rechter kettingspanner
in
dezelfde positie staan t.o.v. referentiemarkeringen
. Zo
is het achterwiel correct uitgelijnd.
4
A
Info
Het bovenste deel van de ketting moet daarbij gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet
de instelling op verschillende plekken van de ketting
worden gecontroleerd.
F00745-10
–
Moeren
–
Controleren of de kettingspanners
ven
liggen.
–
118
2 vastdraaien.
3
Moer 1 vastdraaien.
4 tegen de stelschroe-
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter
M14x1,5
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
12.14
98 Nm
pag. 104)
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 104)
Hoofdwerk
– Kettingwiel en ketting-aandrijfwiel op slijtage controleren.
»
Als kettingwiel resp. ketting-aandrijfwiel zijn ingereden:
–
Aandrijfset vervangen.
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten altijd samen worden vervangen.
100132-10
119
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Versnelling in stationair schakelen.
–
Aan het onderste deel van de ketting met het aangegeven
gewicht
trekken.
A
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor meting kettingslijtage
–
15 kg
B
De afstand
van 20 kettingschakels aan het onderste deel
van de ketting meten.
Info
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet
de meting op verschillende plekken van de ketting worden herhaald.
B
Maximale afstand
van
20 kettingschakels op het
langste stuk van de ketting
401288-10
120
»
Als de afstand
–
301,6 mm
B groter is dan de aangegeven maat:
Aandrijfset vervangen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
Info
Als een nieuwe ketting wordt gemonteerd,
moeten ook het kettingwiel en het
ketting-aandrijfwiel worden vervangen.
Nieuwe kettingen slijten op een oud, versleten
kettingwiel resp. ketting-aandrijfwiel sneller.
121
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Glijblok op slijtage controleren.
»
Als bij het glijblok in het bereik
schroef
zichtbaar wordt:
C vanaf boven gezien de
1
–
–
Glijblok vervangen.
Controleren of het glijblok goed vastzit.
»
Als het glijblok loszit:
–
Schroef van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef kettingbescherming
M5
7 Nm
Loctite®243™
F00752-10
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
122
pag. 104)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
12.15
Bugspoiler demonteren
–
Schroeven
1 verwijderen.
–
Schroeven
2 verwijderen.
–
Bugspoiler verwijderen.
K00734-10
K00735-10
123
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
12.16
Bugspoiler monteren
–
Bugspoiler positioneren. Schroeven
niet vastdraaien.
–
Schroeven
1 monteren, maar nog
K00734-10
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bugspoiler
achter
–
Schroeven
M6x9
9 Nm
1 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
K00735-10
124
Schroef bugspoiler
voor
M6x13
9 Nm
REMSYSTEEM 13
13.1
Antiblokkeersysteem (ABS) (Optie: Met ABS)
1
De ABS-module
bestaande uit hydraulische unit,
ABS-besturingsunit en retourpomp is onder de tank gemonteerd.
Er bevindt zich een wieltoerentalsensor
aan het voor- en
achterwiel.
2
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Veranderingen aan het voertuig
beperken de functie van het ABS.
–
Laat het achterwiel bij vastgehouden voorwielrem
alleen doordraaien (burn out) als het ABS is
uitgeschakeld en nooit op de openbare weg.
–
Breng geen wijzigingen aan de veerweg aan.
–
Gebruik bij het remsysteem uitsluitend door KTM vrijgegeven en aanbevolen reserveonderdelen.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen
banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
–
Neem de aangegeven bandenspanning in acht.
–
Zorg ervoor dat servicewerkzaamheden en reparaties
vakkundig worden uitgevoerd. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
401687-11
125
13 REMSYSTEEM
Het ABS is een veiligheidssysteem dat het blokkeren van de wielen bij het rechtuitrijden zonder inwerking van zijwaartse krachten
voorkomt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Rijhulpvoorzieningen kunnen
ongevallen alleen binnen de fysieke grenzen verhinderen.
Extreme rijsituaties zoals bagage met hoog zwaartepunt,
wisselende straatoppervlakken, steile hellingen of hard
remmen zonder ontkoppelen kunnen niet altijd worden
gecompenseerd.
–
Pas het rijgedrag aan de toestand van de rijweg en uw
rijvaardigheden aan.
Het ABS werkt met twee onafhankelijk van elkaar werkende remcircuits (voorwiel- en achterwielrem). Bij normaal rijden werkt het
remsysteem als een conventioneel remsysteem zonder ABS. Pas
wanneer de ABS-besturingsunit de blokkeerneiging van een wiel
herkent, begint het ABS door het regelen van de remdruk te werken. De regeling is merkbaar aan een licht pulserende remhendel
resp. licht pulserend rempedaal.
Het ABS‑waarschuwingslampje
moet na het inschakelen van
de ontsteking gaan branden en uitgaan wanneer het voertuig
begint te rijden. Als het lampje na het beginnen met rijden niet
uitgaat of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een fout in
3
126
REMSYSTEEM 13
het ABS. Het ABS is dan niet meer actief en de wielen kunnen bij
het remmen blokkeren. Het remsysteem zelf blijft gewoon werken,
alleen de ABS-regeling valt uit.
Het ABS‑waarschuwingslampje kan ook gaan branden als in
extreme rijsituaties het toerental van het voor- en achterwiel
sterk van elkaar afwijken, bijvoorbeeld bij een wheelie of als het
achterwiel doordraait. Daardoor wordt het ABS uitgeschakeld.
Om het ABS weer te activeren, moet het voertuig worden
gestopt en de ontsteking uitgeschakeld. Als u weer met het
voertuig gaat rijden, wordt ook het ABS weer geactiveerd. Het
ABS‑waarschuwingslampje gaat dan uit, als het voertuig begint te
rijden.
13.2
Remschijven controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remschijven verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remschijven onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage
is u graag van dienst.)
127
13 REMSYSTEEM
–
Dikte van de remschijven voor en achter op meerdere plekken
van de remschijf op de maat
controleren.
A
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijf in
het bereik van het raakvlak
van de remplaketten.
1
Remschijven - slijtagegrens
400480-10
»
–
3,6 mm
achter
3,6 mm
Als de dikte van de remschijven onder de voorgeschreven
waarde ligt.
–
Remschijf van voorwielrem vervangen.
–
Remschijf van achterwielrem vervangen.
Remschijven voor en achter op beschadiging, scheuren en vervorming controleren.
»
128
voor
Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
–
Remschijf van voorwielrem vervangen.
–
Remschijf van achterwielrem vervangen.
REMSYSTEEM 13
13.3
Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Remvloeistofpeil controleren op het kijkglas
»
1.
Wanneer het remvloeistofpeil onder de MIN‑markering is
gedaald:
–
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen.
( pag. 130)
K00736-10
129
13 REMSYSTEEM
13.4
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
130
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
REMSYSTEEM 13
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
– Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
pag. 133)
131
13 REMSYSTEEM
Hoofdwerk
– Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Schroeven
–
Deksel
–
1 verwijderen.
2 met membraan 3 verwijderen.
Remvloeistof tot maat A bijvullen.
Voorgeschreven waarde
Maat
K00737-10
A
5 mm
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
pag. 240)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en
vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
132
REMSYSTEEM 13
13.5
Remplaketten voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remvoeringen verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Hierdoor vermindert de remwerking aanmerkelijk en worden de remschijven onherstelbaar beschadigd.
–
Controleer de remplaketten regelmatig.
–
Remplaketten op minimale plaketdikte
Minimale plaketdikte
»
≥ 1 mm
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
A
A controleren.
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
»
Als er beschadigingen of scheuren zijn:
–
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
M00720-10
133
13 REMSYSTEEM
13.6
Vrije slag rempedaal controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem druk op de achterwielrem op.
–
134
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
REMSYSTEEM 13
–
Veer
–
Rempedaal tussen eindaanslag en rempedaalcilinderzuiger
heen en weer bewegen en vrije slag
controleren.
1 losmaken.
A
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal
»
Als de vrije slag niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
–
3 … 5 mm
Veer
Vrije slag van het rempedaal instellen.
1
(
pag. 136)
vasthaken.
K00738-10
135
13 REMSYSTEEM
13.7
Vrije slag van het rempedaal instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem druk op de achterwielrem op.
–
136
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
REMSYSTEEM 13
–
–
1 losmaken.
Moer 2 losdraaien en met de schroef 3 de aangegeven vrije
slag A instellen.
Veer
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal
3 … 5 mm
Info
Het instelbereik is beperkt.
–
–
3 tegenhouden en moer 2 vastdraaien.
Veer 1 vasthaken.
Schroef
K00738-11
137
13 REMSYSTEEM
13.8
Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Voertuig rechtop zetten.
–
Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir controleren.
»
Als het vloeistofpeil de MIN-markering
–
K00791-10
138
1 heeft bereikt:
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen.
( pag. 139)
REMSYSTEEM 13
13.9
Remvloeistof achterwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
139
13 REMSYSTEEM
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
– Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
140
pag. 142)
REMSYSTEEM 13
Voorwaarde
Schroefdop geborgd.
–
Schroef
1 verwijderen en schroefdopborging verwijderen.
H01142-10
–
Voertuig rechtop zetten.
–
Schroefdop
–
2 met membraan 3 verwijderen.
Remvloeistof tot de markering A vullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
pag. 240)
Schroefdop met membraan monteren.
Info
K00739-10
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
141
13 REMSYSTEEM
Voorwaarde
Schroefdop geborgd.
–
Schroefdopborging positioneren, schroef
vastdraaien.
1 monteren en
Voorgeschreven waarde
H01142-10
13.10
Schroef dekselborging compensatiereservoir achterwielrem
M5
9 Nm
Remplaketten achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remvoeringen verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Hierdoor vermindert de remwerking aanmerkelijk en worden de remschijven onherstelbaar beschadigd.
–
142
Controleer de remplaketten regelmatig.
REMSYSTEEM 13
–
Remplaketten op minimale plaketdikte
Minimale plaketdikte
»
≥ 1 mm
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
A
A controleren.
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
»
Als er beschadigingen of scheuren zijn:
–
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
F00753-10
143
14 WIELEN, BANDEN
14.1
Voorwiel demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. (
Hoofdwerk
(Optie: Met ABS)
– Schroeven
duwen.
–
–
–
–
pag. 104)
pag. 105)
1 met ringen verwijderen en spatbord opzij
2
Schroef
verwijderen en wieltoerentalsensor
boring trekken.
3 uit de
4 enkele slagen losdraaien.
Schroeven 5 losdraaien.
Op de schroef 4 drukken om de steekas uit de asopname te
Schroef
schuiven.
–
Schroef
4 verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
–
F00754-10
144
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijf
niet wordt beschadigd.
WIELEN, BANDEN 14
–
Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de
voorvork nemen.
Info
Remhendel niet bedienen als het voorwiel is gedemonteerd.
14.2
Voorwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
145
14 WIELEN, BANDEN
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager voor vervangen.
1
Keerringen
en loopvlakken
nigen en invetten.
Duurzaam vet (
–
F00755-10
146
pag. 242)
Afstandsbussen erin zetten.
A van de afstandsbussen rei-
WIELEN, BANDEN 14
–
Schroefdraad van de steekas en schroef
–
Steekas reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
–
2 reinigen.
pag. 242)
Voorwiel positioneren en steekas erin zetten.
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
–
Schroef
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef steekas voor
(Optie: Met ABS)
– Wieltoerentalsensor
–
Schroef
M8
25 Nm
3 in de boring positioneren.
4 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef houder
wieltoerentalsensor
–
F00754-11
Schroeven
M6
8 Nm
5 met ringen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef spatbord
voor
M6
7 Nm
–
Remhendel meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
–
Motorfiets van hefbok voor nemen. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 107)
pag. 104)
147
14 WIELEN, BANDEN
–
Voorwielrem bedienen en voorvork enkele keren krachtig inveren.
Vorkpoten worden uitgelijnd.
–
Schroeven
6 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname
14.3
M8
Achterwiel demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
Hoofdwerk
– Schroef
F00776-10
148
15 Nm
1 verwijderen.
pag. 104)
WIELEN, BANDEN 14
(Optie: Met ABS)
– Schroef
verwijderen en wieltoerentalsensor
boring trekken.
2
–
–
–
3 uit de
4 en ring verwijderen.
Kettingspanner 5 verwijderen.
Moer
Achterwiel vasthouden en steekas
ner
eruit trekken.
6 met ring en kettingspan-
5
–
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven en ketting van
het kettingwiel verwijderen.
–
Kettingbescherming opzij duwen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
–
F00745-11
–
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijf
niet wordt beschadigd.
Achterwiel naar achteren trekken en uit de achterbrug nemen.
Info
Rempedaal niet indrukken als het achterwiel is gedemonteerd.
149
14 WIELEN, BANDEN
14.4
Achterwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Na montage van het achterwiel remt de achterwielrem eerst niet.
–
Bedien de voetrem meerdere keren voor begin van de rit tot een vast drukpunt voelbaar is.
Hoofdwerk
– Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren.
( pag. 153)
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager achter vervangen.
1
Keerringen
en loopvlakken
nigen en invetten.
Duurzaam vet (
M00726-10
150
A van de afstandsbussen rei-
pag. 242)
–
Schroefdraad van steekas en asmoer reinigen.
–
Steekas reinigen en invetten.
WIELEN, BANDEN 14
Duurzaam vet (
pag. 242)
–
Aangrijppunten op remzadelhouder en achterbrug reinigen.
–
Demperpakking en kettingwieldrager aan het achterwiel monteren.
–
Achterwiel positioneren.
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
–
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven en ketting op
het kettingwiel leggen.
151
14 WIELEN, BANDEN
–
Achterwiel naar achteren trekken en steekas
kettingspanner
monteren.
3 met ring en
4
Voorgeschreven waarde
Kettingspanners
teren.
4 links en rechts in dezelfde positie mon-
–
Moer
–
Het achterwiel naar voren duwen, zodat de kettingspanners
tegen de schroeven zitten en moer
vastdraaien.
2 en ring monteren.
2
Voorgeschreven waarde
De markeringen op de kettingspanners moeten links en
rechts in dezelfde positie ten opzichte van de referentiemarkeringen
staan. Zo is het achterwiel correct uitgelijnd.
B
Moer steekas achter
(Optie: Met ABS)
– Wieltoerentalsensor
–
F00745-12
Schroef
6
98 Nm
5 in de boring positioneren.
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef houder
wieltoerentalsensor
152
M14x1,5
M6
8 Nm
WIELEN, BANDEN 14
–
Schroef
7 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef kettingbescherming
EJOT PT®
K60x30
7 Nm
F00776-11
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
–
14.5
Kettingspanning controleren. (
pag. 104)
pag. 115)
Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren
Info
De kracht van de motor wordt door het kettingwiel via 6 demperpakkingen overgebracht op het achterwiel.
Deze slijten tijdens het rijden. Als de demperpakkingen niet op tijd worden vervangen, raken de kettingwielhouder en de achterwielnaaf beschadigd.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Achterwiel demonteren.
(
pag. 104)
pag. 148)
153
14 WIELEN, BANDEN
Hoofdwerk
– Lager
1 controleren.
»
Als het lager beschadigd of versleten is:
–
–
Lagers vervangen.
2
Demperpakkingen
van de achterwielnaaf controleren op
beschadiging en slijtage.
»
F00756-10
Als de demperpakkingen van de achterwielnaaf beschadigd
of versleten zijn:
–
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
–
Achterwiel met het kettingwiel naar boven toe op een werkbank
leggen en de steekas in de naaf steken.
–
Om de speling
te controleren, achterwiel vasthouden en
proberen het kettingwiel te draaien.
A
Info
De speling wordt gemeten aan de buitenkant van het
kettingwiel.
S00678-10
Speling demperpakkingen
achterwiel
»
Als de speling
–
154
≤ 5 mm
A groter is dan de voorgeschreven waarde:
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
WIELEN, BANDEN 14
Nawerk
– Achterwiel monteren.
14.6
(
pag. 150)
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 104)
pag. 115)
Bandentoestand controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Als een band tijdens de rit lek raakt, wordt het voertuig oncontroleerbaar.
–
Zorg ervoor dat beschadigde of versleten banden onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Verschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
–
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Niet-vrijgegeven of aanbevolen banden en wielen bemoeilijken het rijgedrag.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
155
14 WIELEN, BANDEN
Info
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rijgedrag van de motorfiets.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed op het rijgedrag.
–
Voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen
die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en beschadigingen.
»
Als er insnijdingen of beschadigingen zijn of als er voorwerpen tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten:
–
–
Banden vervangen.
Profieldiepte controleren.
Info
400602-10
Wettelijke landspecifieke minimale profieldiepte in acht
nemen.
Minimale profieldiepte
»
Als de profieldiepte lager is dan de minimale waarde:
–
156
≥ 2 mm
Banden vervangen.
WIELEN, BANDEN 14
–
Leeftijd van de banden controleren.
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het
opschrift van de banden en wordt met de laatste vier
cijfers van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eerste
twee cijfers wijzen op de week van de productie en de
laatste twee cijfers op het productiejaar.
KTM adviseert uiterlijk na vijf jaar de banden te vervangen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slijtage.
H01144-10
»
Als de band ouder is dan vijf jaar:
–
14.7
Banden vervangen.
Bandenspanning controleren
Info
Te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en een maximale levensduur van de band.
157
14 WIELEN, BANDEN
–
Beschermkap verwijderen.
–
Bandenspanning controleren als de banden koud zijn.
Bandenspanning solo
voor
2,0 bar
achter
2,0 bar
Bandenspanning met passagier/volledige nuttige belasting
400695-01
»
158
2,0 bar
achter
2,2 bar
Als de bandenspanning niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt:
–
–
voor
Bandenspanning corrigeren.
Beschermkap monteren.
ELEKTRONICA 15
15.1
12V-accu demonteren
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
Buddyseat verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 110)
pag. 111)
159
15 ELEKTRONICA
Hoofdwerk
– Minkabel
1 van de 12V-accu loskoppelen.
V01273-10
–
Pluspoolafdekking
–
Pluskabel
2 naar achteren trekken.
–
3 van de 12V-accu loskoppelen.
Rubberband 4 loshaken.
–
12V-accu naar boven toe uit het accuvak verwijderen.
Info
V01274-10
160
Motorfiets nooit met een lege 12V-accu of zonder 12Vaccu gebruiken. In beide gevallen kunnen elektrische
componenten en veiligheidsvoorzieningen beschadigd
raken. Het voertuig is dan niet meer verkeersveilig.
ELEKTRONICA 15
15.2
12V-accu monteren
Hoofdwerk
– 12V‑accu in het accuvak plaatsen.
12V-accu (ETZ‑9‑BS) (
–
pag. 228)
–
1 inhaken.
Pluskabel 2 positioneren, schroef monteren en vastdraaien.
Pluspoolafdekking 3 positioneren.
–
Minkabel
–
Rubberband
V01274-11
4 positioneren, schroef monteren en vastdraaien.
V01273-11
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
–
Buddyseat monteren. (
pag. 112)
pag. 111)
161
15 ELEKTRONICA
–
15.3
Tijd instellen. (
pag. 70)
12V-accu laden
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu 12V-accu’s bevatten voor het milieu schadelijke stoffen.
162
–
Gooi 12V-accu’s niet bij het huishoudelijk afval.
–
Geef 12V-accu’s af bij een verzamelpunt voor oude accu’s.
ELEKTRONICA 15
Info
Ook als de 12V-accu niet wordt belast, verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden zijn erg belangrijk voor de levensduur van de 12V-accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als de laadstroom, laadspanning en laadtijd worden overschreden, ontsnapt er elektrolyt via de veiligheidskleppen. Daardoor verliest de 12V-accu aan capaciteit.
Als de 12V-accu leeg is gestart, de 12V-accu meteen opladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treden er diepteontlading en sulfatie op, waardoor de 12V-accu wordt
vernield.
De 12V-accu is onderhoudsvrij. Het zuurniveau hoeft niet te worden gecontroleerd.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
Buddyseat verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
–
Minkabel van de 12V-accu loskoppelen om schade aan de
boordelektronica te voorkomen.
pag. 110)
pag. 111)
163
15 ELEKTRONICA
Hoofdwerk
– Acculader met 12V-accu verbinden. Acculader inschakelen.
Acculader (58429074000)
Met deze acculader kunnen ook de rustspanning, het startvermogen van de 12V-accu en de dynamo worden getest. Met dit
apparaat is het overladen van de 12V-accu onmogelijk.
Info
1
Deksel
nooit verwijderen.
12V-accu laden met maximaal 10 % van de capaciteit,
die op het accuhuis
is aangegeven.
2
–
Acculader na het laden uitschakelen en van de 12V-accu loskoppelen.
Voorgeschreven waarde
Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet worden
overschreden.
12V-accu regelmatig bijladen als de motorfiets niet
wordt gebruikt
M00729-10
–
Minkabel positioneren, schroef monteren en vastdraaien.
–
Minuspoolafdekking positioneren.
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
–
164
3 maanden
Buddyseat monteren. (
pag. 112)
pag. 111)
ELEKTRONICA 15
–
15.4
Tijd instellen. (
pag. 70)
Zekeringen ABS vervangen (Optie: Met ABS)
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Info
Twee zekeringen voor het ABS bevinden zich onder de buddyseat. Met deze beide zekeringen zijn
de retourpomp en de hydraulische unit van de ABS afgezekerd. De derde zekering, waarmee de
ABS-besturingsunit is afgezekerd bevindt zich in het zekeringenblok.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
Buddyseat verwijderen. (
pag. 110)
165
15 ELEKTRONICA
Zekering hydraulische ABS-unit vervangen:
– Beschermkapje verwijderen en zekering
1 verwijderen.
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken smeltdraad
.
A
Waarschuwing
V01277-10
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088015) (
pag. 228)
Tip
2
Nieuwe reservezekering
in het zekeringenblok
plaatsen, zodat u er een bij u heeft als het nodig is.
–
166
Beschermkap monteren.
ELEKTRONICA 15
Zekering ABS-retourpomp vervangen:
– Beschermkapje verwijderen en zekering
3 verwijderen.
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken smeltdraad
.
A
Waarschuwing
V01277-11
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (90111088025) (
pag. 228)
Tip
4
Nieuwe reservezekering
in het zekeringenblok
plaatsen, zodat u er een bij u heeft als het nodig is.
–
Beschermkap monteren.
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
pag. 111)
167
15 ELEKTRONICA
15.5
Zekeringen afzonderlijke stroomverbruikers vervangen
Info
Het zekeringenblok met de hoofdzekering en de zekeringen voor de afzonderlijke stroomverbruikers bevindt
zich onder de buddyseat.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
168
Buddyseat verwijderen. (
pag. 110)
ELEKTRONICA 15
Hoofdwerk
(Optie: Zonder ABS)
– Zekeringenblokdeksel
–
1 openen.
Defecte zekering verwijderen.
Voorgeschreven waarde
Zekering 1 - 30 A - hoofdzekering
Zekering 2 - 10 A - gecombineerd instrument, alarminstallatie (optioneel)
Zekering 3 - 10 A - motorelektronica‑besturingsunit,
hoofdrelais
Zekering 4 - 15 A - bobine, startrelais, brandstofpomp
Zekering 5 - 10 A - radiateurventilator
Zekering 6 - 15 A - claxon, remlicht, richtingaanwijzer,
groot licht, dimlicht, zijlicht, achterlicht, nummerplaatverlichting
Zekering 7 - 10 A - gecombineerd instrument, diagnosestekker
F00849-10
Zekering 8 - 10 A - alarminstallatie (optioneel)
Zekering 9 - 10 A - constant plus voor extra apparaten
(ACC1 voor)
Zekering 10 - 10 A - ontstekingsplus voor extra apparaten (ACC2 voor)
169
15 ELEKTRONICA
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken smeltdraad
.
A
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088010) (
pag. 228)
Zekering (75011088015) (
pag. 228)
Zekering (75011088030) (
pag. 228)
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen, zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
170
–
De werking van de stroomverbruikers controleren.
–
Zekeringenblokdeksel
1 sluiten.
ELEKTRONICA 15
(Optie: Met ABS)
– Zekeringenblokdeksel
–
1 openen.
Defecte zekering verwijderen.
Voorgeschreven waarde
Zekering 1 - 30 A - hoofdzekering
Zekering 2 - 10 A - gecombineerd instrument, alarminstallatie (optioneel)
Zekering 3 - 10 A - motorelektronica‑besturingsunit,
hoofdrelais
Zekering 4 - 15 A - bobine, startrelais, brandstofpomp
Zekering 5 - 10 A - radiateurventilator
Zekering 6 - 15 A - claxon, remlicht, richtingaanwijzer,
groot licht, dimlicht, zijlicht, achterlicht, nummerplaatverlichting
Zekering 7 - 10 A - ABS-besturingsunit, gecombineerd
instrument, diagnosestekker
Zekering 8 - 10 A - alarminstallatie (optioneel)
Zekering 9 - 10 A - constant plus voor extra apparaten
(ACC1 voor)
Zekering 10 - 10 A - ontstekingsplus voor extra apparaten (ACC2 voor)
171
15 ELEKTRONICA
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken smeltdraad
.
A
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088010) (
pag. 228)
Zekering (75011088015) (
pag. 228)
Zekering (75011088030) (
pag. 228)
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen, zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
172
–
De werking van de stroomverbruikers controleren.
–
Zekeringenblokdeksel
1 sluiten.
ELEKTRONICA 15
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
15.6
pag. 111)
Lamp koplamp vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflector Vet op de reflector vermindert de lichtsterkte.
Vet op het lichtpeertje van de gloeilamp verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector.
–
Reinig en ontvet het lichtpeertje voor de montage.
–
Het lichtpeertje niet met blote handen aanraken.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
Hoofdwerk
– Schroef
–
1 verwijderen.
Koplampkap iets optillen en naar voren zwenken.
K00792-10
173
15 ELEKTRONICA
–
Beschermkap
–
Stekker
–
Beugel
2 verwijderen.
3 loskoppelen.
K00793-10
–
4 losmaken.
Lamp koplamp 5 verwijderen.
–
Nieuwe lamp in het koplamphuis positioneren.
Voorgeschreven waarde
Lamp van de koplamp zo plaatsen, dat de uitsteeksels in de
uitsparingen grijpen.
Koplamp (H4 / sokkel P43t) (
K00794-10
174
–
Beugel
4 vastzetten.
pag. 228)
ELEKTRONICA 15
–
–
3 verbinden.
Beschermkap 2 monteren.
–
Koplampkap naar boven zwenken.
–
Schroef
Stekker
K00793-10
1 monteren.
Voorgeschreven waarde
Schroef koplamp
–
M6
8 Nm
Controleren of de verlichting werkt.
K00792-10
Nawerk
– Koplampinstelling controleren. (
pag. 176)
175
15 ELEKTRONICA
15.7
Koplampinstelling controleren
–
Voertuig op een horizontale ondergrond voor een lichte muur
zetten en in de hoogte van het midden van de koplamp een
markering aanbrengen.
–
Nog een markering aanbrengen op een afstand
eerste markering.
B onder de
Voorgeschreven waarde
Afstand
400726-10
–
5 cm
B
A loodrecht voor de muur zetten en
Voertuig op een afstand
het dimlicht inschakelen.
Voorgeschreven waarde
Afstand
A
5m
–
Nu gaat de bestuurder, eventueel met bagage en passagier op
de motorfiets zitten.
–
Koplampinstelling controleren.
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare
motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en passagier, precies op de onderste markering liggen.
»
Als deze grens tussen licht en donker niet overeenkomt
met de voorgeschreven waarde:
–
176
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen.
( pag. 177)
ELEKTRONICA 15
15.8
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen
Hoofdwerk
– Schroef
1 verwijderen.
–
Koplampkap iets optillen en naar voren zwenken.
–
Door schroef
lamp instellen.
K00792-10
2 te draaien de lichtbundelbreedte van de kop-
Voorgeschreven waarde
De grens tussen licht en donker moet bij de rijklare motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en bijrijder,
precies op de onderste markering liggen (aangebracht bij:
koplampinstelling controleren).
K00795-10
Info
Draaien met de klok mee verkleint de
lichtbundelbreedte, draaien tegen de klok in vergroot
de lichtbundelbreedte.
177
15 ELEKTRONICA
–
Koplampkap naar boven zwenken.
–
Schroef
1 monteren.
Voorgeschreven waarde
Schroef koplamp
M6
8 Nm
K00792-10
Nawerk
– Koplampinstelling controleren. (
15.9
Diagnosestekker
De diagnosestekker
H01906-10
178
pag. 176)
1 bevindt zich onder de buddyseat.
ELEKTRONICA 15
15.10
ACC1 en ACC2 vooraan
Inbouwlocatie
– De voedingsspanningen ACC1
en ACC2
voorzijde
bevinden zich aan de linker voertuigzijde achter de afdekking
onder de brandstoftank.
1
2
E01189-10
179
16 KOELSYSTEEM
16.1
Koelsysteem
1
Door de waterpomp
in de motor vindt er een gedwongen circulatie van het koelmiddel plaats.
De druk die bij verwarming in het koelsysteem ontstaat wordt geregeld door een klep in de radiateurdop
. Door de uitzetting door
warmte stroomt het overtollige koelmiddel naar het compensatiereservoir
. Als de temperatuur daalt wordt dit koelmiddel weer
teruggezogen in het koelsysteem. Daardoor is de aangegeven koelmiddeltemperatuur toegestaan zonder dat er met functiestoringen
rekening moet worden gehouden.
2
3
K00740-10
180
110 °C
KOELSYSTEEM 16
4
Koeling vindt plaats door de rijwind en een radiateurventilator
die bij hoge temperatuur wordt ingeschakeld.
Hoe lager de snelheid, hoe lager de koelwerking. Ook vervuilde
koelribben verlagen de koelwerking.
Info
Als het koelsysteem oververhit raakt, wordt het maximale
motortoerental begrensd.
101922-10
181
16 KOELSYSTEEM
16.2
Antivries en koelmiddelpeil controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
182
KOELSYSTEEM 16
–
Motorfiets rechtop zetten op een horizontaal oppervlak.
–
Dop
–
Antivries van het koelmiddel controleren.
1 van het compensatiereservoir verwijderen.
−25 … −45 °C
»
Als de antivries van het koelmiddel niet overeenkomt met
de voorgeschreven waarde:
–
K00741-10
–
Antivries van het koelmiddel corrigeren.
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren.
Het koelmiddelpeil moet zich tussen de twee markeringen
bevinden.
»
Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Koelmiddelpeil corrigeren.
Koelmiddel (
–
pag. 239)
Dop van het compensatiereservoir monteren.
183
16 KOELSYSTEEM
–
Radiateurdop
–
Antivries van het koelmiddel controleren.
2 verwijderen.
−25 … −45 °C
»
Als de antivries van het koelmiddel niet overeenkomt met
de voorgeschreven waarde:
–
–
Antivries van het koelmiddel corrigeren.
Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
K00742-10
De radiateur moet volledig gevuld zijn.
»
Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Koelmiddelpeil corrigeren en oorzaak van het verlies
vaststellen.
Koelmiddel (
»
Als er meer koelmiddel bijgevuld moest worden dan de
voorgeschreven waarde:
> 0,20 l
–
–
184
pag. 239)
Koelsysteem vullen/ontluchten.
Radiateurdop monteren.
(
pag. 189)
KOELSYSTEEM 16
16.3
Koelmiddelpeil controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
185
16 KOELSYSTEEM
–
Motorfiets rechtop zetten op een horizontaal oppervlak.
–
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir
1 controleren.
Het koelmiddelpeil moet zich tussen de twee markeringen
bevinden.
»
Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
Koelmiddelpeil corrigeren.
Koelmiddel (
K00741-10
–
pag. 239)
2
Radiateurdop
verwijderen en koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
De radiateur moet volledig gevuld zijn.
»
Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
»
K00742-10
Als er meer koelmiddel bijgevuld moest worden dan de
voorgeschreven waarde:
> 0,20 l
–
–
186
Koelmiddelpeil corrigeren en oorzaak van het verlies
vaststellen.
Koelsysteem vullen/ontluchten.
Radiateurdop monteren.
(
pag. 189)
KOELSYSTEEM 16
16.4
Koelmiddel aftappen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
187
16 KOELSYSTEEM
Voorwerk
– Bugspoiler demonteren. (
pag. 123)
Hoofdwerk
– Motorfiets rechtop zetten.
K00743-10
188
–
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
–
Schroef
–
Radiateurdop verwijderen.
–
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
–
Schroef
1 verwijderen.
1 met nieuwe pakkingring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef aftapboring waterpomp
M6
10 Nm
KOELSYSTEEM 16
16.5
Koelsysteem vullen/ontluchten
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Hoofdwerk
– Radiateurdop
1 verwijderen.
K00742-11
189
16 KOELSYSTEEM
–
Ontluchtingsschroef
2 losdraaien.
Voorgeschreven waarde
3 omw
–
Voertuig licht naar rechts kantelen.
–
Koelmiddel bijvullen totdat dit zonder luchtbellen uit de ontluchtingsschroef stroomt en de ontluchtingsschroef meteen
vastdraaien.
Koelmiddel (
K00744-10
pag. 239)
–
Radiateur helemaal met koelmiddel vullen. Radiateurdop monteren.
–
Voertuig op zijstandaard zetten.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
190
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en warm laten draaien.
KOELSYSTEEM 16
–
Motor uitzetten en laten afkoelen.
–
Na het afkoelen nog een keer het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien nodig koelmiddel bijvullen.
–
Dop
van het compensatiereservoir verwijderen en koelmiddelpeil tot de MAX-markering vullen.
–
Dop van het compensatiereservoir monteren.
3
K00741-11
Nawerk
– Bugspoiler monteren. (
16.6
pag. 124)
Koelmiddel verversen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
191
16 KOELSYSTEEM
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
Voorwerk
– Bugspoiler demonteren. (
pag. 123)
Hoofdwerk
– Motorfiets rechtop zetten.
K00743-10
192
–
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
–
Schroef
1 met pakkingring verwijderen.
KOELSYSTEEM 16
–
Radiateurdop
–
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
–
Schroef
2 verwijderen.
1 met nieuwe pakkingring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef aftapboring waterpomp
M6
10 Nm
K00742-10
–
Ontluchtingsschroef
3 losdraaien.
Voorgeschreven waarde
3 omw
–
Voertuig licht naar rechts kantelen.
–
Koelmiddel bijvullen totdat dit zonder luchtbellen uit de ontluchtingsschroef stroomt en de ontluchtingsschroef meteen
vastdraaien.
Koelmiddel (
K00744-11
pag. 239)
–
Radiateur helemaal met koelmiddel vullen. Radiateurdop monteren.
–
Voertuig op zijstandaard zetten.
193
16 KOELSYSTEEM
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
–
Motor starten en warm laten draaien.
–
Motor uitzetten en laten afkoelen.
–
Na het afkoelen nog een keer het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien nodig koelmiddel bijvullen.
–
Dop
van het compensatiereservoir verwijderen en koelmiddelpeil tot de MAX-markering vullen.
–
Dop van het compensatiereservoir monteren.
4
K00741-12
Nawerk
– Bugspoiler monteren. (
194
pag. 124)
MOTOR AFSTELLEN 17
17.1
Speling gaskabel controleren
–
Controleren of de gashendel soepel beweegt.
–
Stuur in de rechtuitstand zetten. Gashendel licht heen en weer
bewegen en de speling van de gaskabel
bepalen.
A
Speling van gaskabel
»
3 … 5 mm
Als de speling van de gaskabel niet overeenkomt met de
voorgeschreven waarde:
–
400192-11
A
Speling gaskabel instellen.
(
pag. 196)
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en met stationair toerental laten draaien. Stuur
over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
Het stationair toerental mag niet veranderen.
»
Wanneer het stationaire toerental verandert:
195
17 MOTOR AFSTELLEN
–
17.2
Gaskabelplaatsing controleren.
Speling gaskabel instellen
–
Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Manchet
–
1 terugschuiven.
Contramoer 2 losdraaien.
–
Speling van gaskabel met de stelschroef
3 instellen.
Voorgeschreven waarde
Speling van gaskabel
–
F00773-10
17.3
–
3 … 5 mm
2 vastdraaien.
Manchet 1 erop schuiven.
Contramoer
Koppelingshendelspeling controleren
Aanwijzing
Beschadiging koppeling Als de koppelingshendel geen vrije slag heeft, begint de koppeling te verschuiven.
–
Controleer vóór elk gebruik van de motorfiets de vrije slag van de koppelingshendel.
–
Stel de vrije slag van de koppelingshendel indien nodig volgens de voorschriften in.
196
MOTOR AFSTELLEN 17
–
Controleren of de koppelingshendel soepel beweegt.
–
Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Koppelingshendel tot voelbare weerstand trekken en de koppelingshendelspeling
bepalen.
A
Koppelingshendelspeling
»
–
1 … 3 mm
Als de koppelingshendelspeling niet overeenkomt met de
voorgeschreven waarde:
–
K00721-13
A
Koppelingshendelspeling instellen.
(
pag. 198)
Stuur over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
De koppelingshendelspeling mag niet veranderen.
»
Als de koppelingshendelspeling verandert:
–
Traject van de koppelingskabel controleren.
197
17 MOTOR AFSTELLEN
17.4
Koppelingshendelspeling instellen
–
Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Manchet
–
–
1 terugschuiven.
Contramoer 2 losdraaien.
Koppelingshendelspeling A met de stelschroef 3 instellen.
Voorgeschreven waarde
Koppelingshendelspeling
–
–
K00745-10
198
A
2 vastdraaien.
Manchet 1 positioneren.
Contramoer
1 … 3 mm
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 18
18.1
Motoroliepeil controleren
Voorwaarden
Motor is warm.
Voorwerk
– Motorfiets rechtop zetten op een horizontale ondergrond.
Hoofdwerk
– Motoroliepeil controleren.
Info
Na het uitzetten van de motor een minuut wachten en
dan pas controleren.
A en B liggen.
Als de motorolie onder de markering A ligt:
De motorolie moet tussen de markeringen
K00746-10
»
–
»
Motorolie bijvullen. (
pag. 204)
Als de motorolie boven de markering
–
B ligt:
Motoroliepeil corrigeren.
199
18 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
18.2
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Motor- en cardanolie wordt tijdens bedrijf van de motorfiets zeer heet.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De motorolie bij een warme motor aftappen.
Voorwerk
– Bugspoiler demonteren. (
–
200
pag. 123)
Motorfiets op een horizontale ondergrond op de zijstandaard
zetten.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 18
Hoofdwerk
– Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
–
Olieaftapschroef
–
Oliezeef
1 met keerring verwijderen.
–
2 met keerring verwijderen.
Sluitschroef 3 met oliezeef 4 verwijderen.
–
Motorolie volledig laten uitlopen.
–
Olieaftapschroeven en oliezeven grondig reinigen.
–
Oliezeef
positioneren en olieaftapschroef
monteren en vastdraaien.
2
1 met keerring
Voorgeschreven waarde
Olieaftapschroef
–
Sluitschroef
vastdraaien.
M24x1,5
15 Nm
3 met oliezeef 4 en keerring monteren en
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef oliezeef
klein
M17x1,5
12 Nm
K00747-10
201
18 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Schroeven
verwijderen.
–
Oliefilter
–
Motorolie volledig laten uitlopen.
–
Onderdelen en afdichtvlak grondig reinigen.
–
Oliefilter
–
Keerring van het oliefilterdeksel insmeren met olie. Oliefilterdeksel
monteren.
–
Schroeven
5 verwijderen. Oliefilterdeksel 6 met keerring
7 uit het oliefilterhuis trekken.
E00665-10
7 erin zetten.
6
5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef oliefilterdop
E00666-10
202
M6
10 Nm
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit
leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 18
–
Olievulschroef
vullen.
8 met keerring verwijderen en motorolie bij-
Motorolie
–
1,7 l
Motorolie
(SAE 15W/50)
( pag. 239)
Olievulschroef met keerring monteren en vastdraaien.
Gevaar
401955-12
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
– Bugspoiler monteren. (
–
pag. 124)
Motoroliepeil controleren. (
pag. 199)
203
18 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
18.3
Motorolie bijvullen
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
Hoofdwerk
– Olievulschroef
vullen.
1 met keerring verwijderen en motorolie bij-
Motorolie (SAE 15W/50) (
pag. 239)
Info
Voor een optimale prestatie van de motorolie wordt aangeraden geen verschillende motoroliesoorten te mengen.
Wij adviseren de motorolie te verversen, als dat nodig
is.
401955-10
–
204
Olievulschroef met keerring monteren en vastdraaien.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 18
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
– Motoroliepeil controleren. (
pag. 199)
205
19 REINIGING, ONDERHOUD
19.1
Motorfiets reinigen
Aanwijzing
Materiaalschade Door verkeerd gebruik van een hogedrukreiniger worden componenten beschadigd of onbruikbaar.
Het water dringt door de hoge druk in de elektrische componenten, stekkers, bowdenkabels, lagers etc.
Te hoge druk veroorzaakt storingen en maakt componenten onbruikbaar.
–
Richt de waterstraal niet direct op elektrische componenten, stekkers, bowenkabels of lagers.
–
Een minimale afstand tussen de sproeier van de hogedrukreiniger en de component aanhouden.
Minimale afstand
60 cm
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Reinig de motorfiets regelmatig om zijn waarde en uitzicht gedurende lange tijd te behouden.
Directe zonnestralen op de motorfiets tijdens het reinigen vermijden.
206
REINIGING, ONDERHOUD 19
–
Uitlaatsysteem afsluiten om het indringen van water te voorkomen.
–
Grove vervuiling eerst met een zachte waterstraal verwijderen.
–
Sterk vervuilde plekken met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger inspuiten en met een kwastje behandelen.
Motorfietsreiniger (
401061-01
pag. 243)
Info
Warm water met een in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger en een zachte spons gebruiken.
Motorfietsreiniger nooit op de droge motorfiets aanbrengen, altijd eerst met water afspoelen.
Reinig de motorfiets met koud water als de motorfiets
in strooizout is gebruikt. Warm water versterkt de zoutwerking.
–
Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is
afgespoeld moet hij goed worden gedroogd.
–
Afsluiting van het uitlaatsysteem verwijderen.
207
19 REINIGING, ONDERHOUD
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het
remsysteem nadelig.
–
–
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Na de reiniging een kort stuk rijden, totdat de motor de rijtemperatuur heeft bereikt.
Info
Door de warmte verdampt het water ook op de niet toegankelijke plaatsen van de motor en het remsysteem.
–
Manchetten van de stuurarmaturen terugschuiven, zodat het
ingedrongen water kan verdampen.
–
Na het afkoelen van de motorfiets alle glij- en lagerpunten
smeren.
–
Ketting reinigen. (
–
Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschijven en het uitlaatsysteem) met antiroestmiddel behandelen.
pag. 113)
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
( pag. 242)
208
REINIGING, ONDERHOUD 19
–
Alle gelakte onderdelen behandelen met een onderhoudsmiddel voor lakken.
Perfect Finish en hoogglanspolitoer voor lakken
( pag. 243)
Info
In de leveringstoestand matte kunststofonderdelen
niet polijsten, omdat de materiaalkwaliteit anders sterk
beperkt wordt.
–
Alle kunststof onderdelen en geëloxeerde onderdelen behandelen met een mild reinigings- en verzorgingsmiddel.
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaalen kunststofvlakken ( pag. 243)
–
Contact- en stuurslot smeren.
Universele oliespray (
pag. 243)
209
19 REINIGING, ONDERHOUD
19.2
Controle en onderhoud voor rijden in de winter
Info
Als de motorfiets ook in de winter wordt gebruikt, moet rekening worden gehouden met strooizout op de
wegen. Daarom moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen tegen het agressieve strooizout.
Reinig de motorfiets met koud water als de motorfiets in strooizout is gebruikt. Warm water versterkt de
zoutwerking.
–
Motorfiets reinigen. (
–
Remmen reinigen.
pag. 206)
Info
Na IEDERE rit op wegen met strooizout de motorfiets en
vooral de remzadels en remplaketten in afgekoelde en
gemonteerde toestand, grondig met koud water reinigen
en goed drogen.
401060-01
–
Motor, achterbrug en alle overige blanke of verzinkte onderdelen (m.u.v. de remschijven) worden behandeld met een antiroestmiddel op wasbasis.
Info
Er mag geen antiroestmiddel op de remschijven
terechtkomen omdat daardoor de remwerking sterk
wordt verminderd.
210
REINIGING, ONDERHOUD 19
–
Ketting reinigen. (
pag. 113)
211
20 STALLING
20.1
Stalling
Info
Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken, moet u volgende maatregelen nemen of laten
nemen.
Controleer voordat u de motorfiets gaat stallen eerst of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten.
Als er servicewerkzaamheden, reparaties of wijzigingen nodig zijn, kunt u dat het beste doen tijdens de
overwintering (minder drukte bij de werkplaatsen). Zo voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het
seizoen.
–
Bij het laatste tanken voor het stallen van de motorfiets,
brandstofadditief bijmengen.
Brandstofadditief (
401058-01
212
pag. 242)
–
Brandstof tanken. (
–
Motorfiets reinigen. (
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen. ( pag. 200)
–
Antivries en koelmiddelpeil controleren. (
–
Bandenspanning controleren. (
–
12V-accu demonteren.
–
12V-accu laden.
pag. 93)
(
pag. 206)
(
pag. 157)
pag. 159)
pag. 162)
pag. 182)
STALLING 20
Voorgeschreven waarde
Opslagtemperatuur van de
12V-accu zonder blootstelling aan directe zonnestralen
–
0 … 35 °C
Voertuig stallen op een droge plaats en niet blootstellen aan
grote temperatuurschommelingen.
Info
KTM adviseert de motorfiets op te krikken.
–
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. (
–
De motorfiets afdekken met een luchtdoorlatend dekzeil of een
deken.
pag. 104)
pag. 105)
Info
In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen
worden gebruikt, omdat er dan geen vocht kan ontsnappen en er roest ontstaat.
Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets
voor korte tijd te laten draaien. Aangezien de motor
daarbij niet voldoende warm wordt, condenseert de
waterdamp die bij de verbranding ontstaat en dit leidt
ertoe dat de ventielen en uitlaatsysteem gaan roesten.
213
20 STALLING
20.2
Inbedrijfname na stalling
401059-01
214
–
Motorfiets van hefbok voor nemen. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
–
12V-accu monteren.
–
Tijd instellen. (
–
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling uitvoeren.
( pag. 79)
–
Een proefrit maken.
(
pag. 107)
pag. 104)
pag. 161)
pag. 70)
FOUTEN OPSPOREN 21
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor draait bij het indrukken
van de startknop niet door
Bedieningsfouten
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren. ( pag. 80)
12V-accu ontladen
–
12V-accu laden.
Zekering 1, 3 of 4 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 168)
Geen massaverbinding aanwezig
–
Massaverbinding controleren.
Er is een versnelling geschakeld
–
Versnelling in stationair schakelen.
Er is een versnelling geschakeld en de zijstandaard is uitgeklapt
–
Versnelling in stationair schakelen.
Bedieningsfouten
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren. ( pag. 80)
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Luchtfilter sterk vervuild
–
Luchtfilter vervangen.
Brandstoffilter sterk vervuild
–
Brandstofdruk controleren.
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Motor draait alleen door bij
getrokken koppelingshendel
Motor draait door, maar springt
niet aan
Motor heeft te weinig vermogen
(
pag. 162)
215
21 FOUTEN OPSPOREN
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor wordt overmatig heet
Te weinig koelmiddel in koelsysteem
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
–
Koelmiddelpeil controleren.
( pag. 185)
Radiateurlamellen sterk vervuild
–
Radiateurlamellen reinigen.
Schuimvorming in het koelsysteem
–
Koelmiddel aftappen.
–
Koelsysteem vullen/ontluchten.
( pag. 189)
Thermostaat defect
–
Thermostaat controleren.
Zekering 5 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 168)
Defect aan het ventilatiesysteem van de radiateur
–
Radiateursysteem controleren.
Controlelampje storing brandt
rood
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Motor slaat af tijdens het rijden
Te weinig brandstof
–
Brandstof tanken. (
Zekering 1, 3 of 4 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 168)
216
(
pag. 187)
pag. 93)
FOUTEN OPSPOREN 21
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
ABS-waarschuwingslampje
brandt
(Optie: Met ABS)
ABS-zekering doorgesmolten
–
Zekeringen ABS vervangen.
( pag. 165)
Wieltoerental van voor- en achterwiel wijkt sterk af
–
Stoppen, ontsteking uitschakelen,
opnieuw starten.
Fout in ABS
–
Foutgeheugen uitlezen met
KTM-diagnosetool.
Slang van de motorontluchting
geknikt
–
Ontluchtingsslang knikvrij leggen en
indien nodig vervangen.
Motoroliepeil te hoog
–
Motoroliepeil controleren.
( pag. 199)
Vloeibaarheid motorolie te dun
(viscositeit)
–
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen.
( pag. 200)
Koplamp en zijlicht werken niet
Zekering 6 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 168)
Richtingaanwijzers, remlicht en
claxon werken niet
Zekering 6 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 168)
Tijd wordt niet meer of niet correct weergegeven
Zekering 2 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 168)
–
Tijd instellen. (
Hoog olieverbruik
pag. 70)
217
21 FOUTEN OPSPOREN
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Tijd wordt niet meer of niet correct weergegeven
Zekering 7 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 168)
–
Tijd instellen. (
12V-accu ontladen
Contact bij het parkeren van
het voertuig niet uitgeschakeld
–
12V-accu laden.
12V-accu wordt niet opgeladen
door de dynamo
–
Laadspanning controleren.
–
Ruststroom controleren.
Zekering 2 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 168)
–
Tijd instellen. (
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 168)
–
Tijd instellen. (
–
Kabelboom en steekverbinding controleren.
Er wordt niets weergegeven op
het display van het gecombineerd instrument
Zekering 7 gesmolten
Snelheidsindicatie op gecombineerd instrument werkt niet
218
Kabelboom voor de snelheidsindicatie of stekkerverbinding
verroest
pag. 70)
(
pag. 162)
pag. 70)
pag. 70)
TECHNISCHE GEGEVENS 22
22.1
Motor
Constructie
1-cilinder 4-takt bezinemotor, gekoeld met vloeistof
Cilinderinhoud
249 cm³
Slag
61,1 mm
Boring
72 mm
Compressie
12,5:1
Distributie
DOHC, 4 nokvolger kleppen aangestuurd door nokvolger, aandrijving door ketting
Diameter inlaatklep
29 mm
Diameter uitlaatklep
24 mm
Klepspeling inlaat koud
0,10 … 0,15 mm
Klepspeling uitlaatklep koud
0,15 … 0,20 mm
Krukaslagers
2 glijlagers
Drijfstanglager
Glijlager
Zuigers
Lichtmetaal gegoten
Zuigerveren
1 compressiering, 1 zuigerring, 1 olieschraapring
Motorsmering
Drukcirculatiesmering met 2 trochoïde pompen
Primaire overbrenging
30:80
Koppeling
Koppeling oliebad / mechanisch bediend
Versnelling
6 versnellingen met klauwschakeling
Overbrengingsverhouding
219
22 TECHNISCHE GEGEVENS
1e versnelling
12:32
2e versnelling
14:26
3e versnelling
19:27
4e versnelling
21:24
5e versnelling
23:22
6e versnelling
25:21
Mengselbewerking
Elektronische brandstofinspuiting
Ontstekingssysteem
Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontstekingssysteem met digitale ontstekingsvertraging
Dynamo
12 V, 230 W
Bougie
BOSCHVR5NEU
Elektrodenafstand bougie
1 mm
Radiateur
Vloeistofkoeling, permanente circulatie van het koelmiddel door waterpomp
Stationair toerental
1.450 … 1.550 1/min
Starthulp
Startmotor
22.2
Aanhaalmomenten motor
Olievernevelaar
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef krukas-toerentalsensor
M5
6 Nm
Loctite®243™
220
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Schroef stator
M5
8 Nm
Loctite®243™
Schroef steunplaat
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef steunplaat statorkabel
M5
8 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingssensor
M5
6 Nm
Loctite®243™
Moer waterpompwiel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Olievernevelaar
M6
6 Nm
Loctite®243™
Schroef bevestigingsplaat keerring
koppelingsdeksel
M6
12 Nm
Schroef borgplaat
ketting-aandrijfwiel
M6
Schroef cilinderkop
M6
12 Nm
Schroef distributieketting - spanrail
M6
12 Nm
Schroef distributiekettingspanner
M6
12 Nm
Schroef dynamodeksel
M6
12 Nm
Schroef houderplaat koppelingbowdenkabel
M6
6 Nm
Loctite®243™
12 Nm
Loctite®243™
Loctite®243™
Loctite®243™
221
22 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef ketting-aandrijfwiel
M6
12 Nm
Schroef kettinguitvalbescherming
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef klepdeksel
M6
12 Nm
Schroef koppelingsdeksel
M6
12 Nm
Schroef koppelingsveer
M6
10 Nm
Schroef lagerborging
M6
12 Nm
Loctite®243™
Schroef motorhuis
M6x35
12 Nm
Schroef motorhuis
M6x75
12 Nm
Loctite®243™
Schroef motorontluchtingsplaat
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef nokkenas decompressie-as
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef nokkenas-lagerbrug
M6
10 Nm
Schroef oliefilterdop
M6
10 Nm
Schroef oliepomp
M6
12 Nm
Loctite®243™
Schroef ontgrendeling voor distributiekettingspanner
M6
6 Nm
Schroef startmotor
M6
12 Nm
222
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Schroef steunplaat
M6
12 Nm
Loctite®243™
Schroef steunplaat vrijloopwiel
M6
12 Nm
Loctite®243™
Schroef vastzethendel
M6
12 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingsvastzetting
M6
12 Nm
Loctite®243™
Schroef waterpompdeksel
M6
12 Nm
Sluitschroef aftapboring waterpomp
M6
10 Nm
Moer uitlaatflens
M8
8 Nm
Schroef balansassen-Tandwiel
M8
40 Nm
Loctite®243™
Schroef veer-tegenlager van de
schakelas
M8
Sluitschroef
M8
20 Nm
Loctite®243™
12 Nm
Loctite®243™
Tapeind uitlaatflens
M8
22 Nm
Schroef drijfstanglager
M8x1
34 Nm
Koelmiddeltemperatuursensor
M10
14 Nm
Oliedrukschakelaar
M10
14 Nm
223
22 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef cilinderkop
M10
1e niveau
30 Nm
2e niveau
60 Nm
Schroefdraad gesmeerd met olie,
hoofdsteun ingevet
Schroef nokkenas-tandwiel
M10
36 Nm
Loctite®243™
Schroef rotor
M10
105 Nm
Loctite®243™
Sluitschroef nokvolgeras
M10x1
10 Nm
Bougie
M12
15 Nm
Moer hulpcilinder
M16LHx1,5
120 Nm
Loctite®243™
Moer primair tandwiel / distributiekettingrondsel
M16x1,5
Sluitschroef oliezeef klein
M17x1,5
12 Nm
Sluitschroef dynamodeksel
M18x1,5
10 Nm
Olieaftapschroef
M24x1,5
15 Nm
Sluitschroef dynamodeksel
M24x1,5
10 Nm
224
120 Nm
Loctite®243™
TECHNISCHE GEGEVENS 22
22.3
Vulhoeveelheden
22.3.1
Motorolie
Motorolie
22.3.2
Motorolie (SAE 15W/50)
( pag. 239)
1,2 l
Koelmiddel (
Koelmiddel
Koelmiddel
22.3.3
1,7 l
pag. 239)
Brandstof
Op markering op EU-brandstofpompen letten.
A00420-10
Brandstoftankvolume totaal ca.
13,4 l
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 238) (EU/JP/AR/ASEAN,
CN/CO/MY/PH)
225
22 TECHNISCHE GEGEVENS
Brandstoftankvolume totaal ca.
13,4 l
Gasohol 95 E20 (ROZ 95)
( pag. 238) (250 Duke TH)
Brandstoftankvolume totaal ca.
Brandstofreserve ca.
22.4
1,5 l
Chassis
Frame
22.4.1
Super loodvrij type C (ROZ 95/RON
95/PON 91) ( pag. 240)
(250 Duke BR)
Buisframe van staalbuis, geëloxeerd
Standaardchassis
Voorvork
WP Suspension
Schokdemper
WP Suspension
22.4.2
Laag chassis
Voorvork
WP Suspension
Schokdemper
WP Suspension
Remsysteem
voor
226
Schijfrem met remzadel met 4 zuigers
TECHNISCHE GEGEVENS 22
achter
Schijfrem met remzadel met enkele zuiger, vlottend
gelagerd
Veerweg
voor
142 mm
achter
150 mm
Remschijven - diameter (Optie: Met ABS)
voor
300 mm
achter
230 mm
Remschijven - slijtagegrens
voor
3,6 mm
achter
3,6 mm
Bandenspanning solo
voor
2,0 bar
achter
2,0 bar
Bandenspanning met passagier/volledige nuttige belasting
voor
2,0 bar
achter
2,2 bar
Secundaire overbrenging
15:46
Ketting
5/8 x 1/4” (520) X‑ring
Balhoofdhoek
65°
Wielstand
1.357 ± 15,5 mm
Zadelhoogte onbelast
227
22 TECHNISCHE GEGEVENS
Standaard
830 mm
Laag
805 mm
Droog gewicht
149 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor
125 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
210 kg
Maximaal toegestaan totaalgewicht
355 kg
22.5
Elektronica
12V-accu
ETZ‑9‑BS
Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 8 Ah
onderhoudsvrij
Zekering
75011088010
10 A
Zekering
75011088015
15 A
Zekering
90111088025
25 A
Zekering
75011088030
30 A
Koplamp
H4 / sokkel P43t
12 V
60/55 W
Zijlicht
W5W / sokkel W2,1x9,5d
12 V
5W
Verlichting gecombineerd instrument en controlelampjes
Led
Richtingaanwijzer
LED
228
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Rem- / achterlicht
LED
Nummerplaatverlichting
LED
22.6
Banden
Band voor
Band achter
110/70 R 17 M/C 54H TL
Metzeler Sportec M5 Interact
150/60 R 17 M/C 66H TL
Metzeler Sportec M5 Interact
110/70 R 17 M/C 54H TL
MRF revz FC
150/60 R 17 M/C 66H TL
MRF revz C
110/70 R 17 M/C 54H TL
Michelin Pilot Street Radial
150/60 R 17 M/C 66H TL
Michelin Pilot Street Radial
De aangegeven banden zijn één van de mogelijke standaardbanden. Meer informatie vindt u in het servicegedeelte onder:
http://www.ktm.com
22.7
Voorvork
22.7.1
Standaardchassis
Artikelnummer voorvork
93001000144
Voorvork
WP Suspension
Voorvorklengte
744 mm
229
22 TECHNISCHE GEGEVENS
Voorvorkolie
22.7.2
450 ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 241)
Laag chassis
Artikelnummer voorvork
05.58.6S.03
Voorvork
WP Suspension
Voorvorklengte
736 mm
Voorvorkolie
22.8
Schokdemper
22.8.1
Standaardchassis
450 ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 241)
Artikelnummer schokdemper
93104010144
Schokdemper
WP Suspension
Veervoorspanning
Standaard
22.8.2
3 klikken
Laag chassis
Artikelnummer schokdemper
93104110000
Schokdemper
WP Suspension
230
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Veervoorspanning
Standaard
22.9
3 klikken
Aanhaalmomenten chassis
Schroef kettingbescherming
EJOT PT® K60x30
7 Nm
Resterende schroeven chassis
M4
4 Nm
Resterende moeren chassis
M5
5 Nm
Resterende schroeven chassis
M5
5 Nm
Schroef achterlicht
M5
5 Nm
Schroef brandstoftankdop
M5
4 Nm
Schroef dekselborging compensatiereservoir achterwielrem
M5
9 Nm
Schroef kettingbescherming
M5
7 Nm
Loctite®243™
Schroef koppelingskabelgeleiding
M5
5 Nm
Loctite®243™
Schroef zijstandaardsensor
M5
5 Nm
Loctite®243™
Moer instelling rempedaal
M6
9 Nm
Resterende moeren chassis
M6
10 Nm
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
231
22 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef ABS slangklem (Optie:
Met ABS)
M6
7 Nm
Schroef ABS-module (Optie: Met
ABS)
M6
10 Nm
Schroef afdekking
ketting-aandrijfwiel
M6
8 Nm
Schroef beschermplaat
M6
8 Nm
Schroef bevestigingsplaat ABSmodule aan frame
M6
7 Nm
Schroef bevestigingsplaat einddemper
M6
9 Nm
Schroef bobine
M6
8 Nm
Schroef brandstofpomp
M6
10 Nm
Schroef brandstoftankbekleding
M6
5 Nm
Schroef brandstoftankbekleding
M6
7 Nm
Schroef bugspoiler achter
M6x9
9 Nm
Schroef bugspoiler voor
M6x13
9 Nm
Schroef compensatiereservoir
M6
5 Nm
Schroef contactslot (één keer te
gebruiken)
M6
13 Nm
Schroef dempingsblok
M6
8 Nm
Schroef einddemper
M6
12 Nm
232
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Schroef gecombineerd instrument
M6
7 Nm
Schroef glijblok
M6
7 Nm
Schroef hellingshoeksensor
M6
8 Nm
Loctite®243™
Schroef houder brandstofvernevelingsklep
M6
9 Nm
Schroef houder wieltoerentalsensor
(Optie: Met ABS)
M6
8 Nm
Schroef kabelhouder zijstandaardsensor
M6
9 Nm
Schroef koplamp
M6
Loctite®243™
8 Nm
Schroef luchtfilterbak
M6
6 Nm
Schroef magneethouder zijstandaard
M6
5 Nm
Schroef nummerplaatdrager
M6
Loctite®243™
12 Nm
Loctite®243™
Schroef onderste deel achterkant
M6
7 Nm
Schroef radiateurafdekking
M6
7 Nm
Schroef radiateurhouder
M6
10 Nm
Schroef rempedaalcilinder
M6
9 Nm
Loctite®243™
Schroef remslangklem
M6
7 Nm
233
22 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef remvloeistofreservoir van
achterwielrem
M6
Schroef spatbord achter
M6
8 Nm
Loctite®243™
9 Nm
Schroef spatbord voor
M6
7 Nm
Schroef versnellingshendel omkering
M6
11 Nm
Schroef wieltoerentalsensor achter
(Optie: Met ABS)
M6
Schroef zadelbevestiging vooraan
M6
6 Nm
Moer kettingwiel
M8
27 Nm
Loctite®243™
8 Nm
Loctite®243™
Resterende moeren chassis
M8
25 Nm
Resterende schroeven chassis
M8
25 Nm
Schroef asopname
M8
15 Nm
Schroef bovenste kroonplaat
M8
15 Nm
Schroef claxon
M8
12 Nm
Schroef console
M8
25 Nm
Loctite®620™
Schroef einddemper
M8
23 Nm
Schroef greep
M8
22 Nm
Schroef motorhouder
M8
22 Nm
Schroef onderste kroonplaat
M8
12 Nm
234
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Schroef passagiersvoetsteunhouder
M8
Schroef rempedaal
M8
22 Nm
Loctite®243™
16 Nm
Loctite®243™
Schroef remschijf achter
M8
21 Nm
Loctite®243™
Schroef remschijf voor
M8
30 Nm
Loctite®243™
Schroef remzadel voor
M8
30 Nm
Loctite® 204™
Schroef steekas voor
M8
25 Nm
Schroef steunplaat zadelbevestiging
M8
18 Nm
Schroef stuurklem
M8
20 Nm
Loctite®243™
Schroef tank
M8
20 Nm
Schroef zadelbevestiging achter
M8
18 Nm
Schroef zadelbevestiging vooraan
M8
25 Nm
Holle schroef remkabel
M10
24 Nm
Resterende moeren chassis
M10
45 Nm
Resterende schroeven chassis
M10
45 Nm
Schroef motorhouder
M10
49 Nm
Loctite®243™
235
22 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef zijstandaard
M10
35 Nm
Loctite®243™
Moer achteruitkijkspiegel links
M10x1,25
16 Nm
Moer achteruitkijkspiegel rechts
M10LHx1,25
16 Nm
Moer zijstandaardconsole
M10x1,25
35 Nm
Schroef schokdemper boven
M10x1,25
51 Nm
Loctite®243™
Schroef stuuradapter
M10x1,25
20 Nm
Schroef voetsteunhouder voor
M10x1,25
44 Nm
Loctite®243™
Schroef voetsteunhouder voor /
motorhouder
M10x1,25
49 Nm
Schroefverbinding schokdemper
onder
M10x1,25
51 Nm
Tapeind kettingwiel
M10x1,25
50 Nm
Moer achterbrugbout
M14x1,5
98 Nm
Moer steekas achter
M14x1,5
98 Nm
Schroef balhoofd boven
M16x1,5
49 Nm
Loctite®243™
Loctite®243™
Lambdasonde
M18x1,5
19 Nm
Stelring achterbruglagering
M22x1
Spelingvrij vastdraaien
236
TECHNISCHE GEGEVENS 22
Moer balhoofd
M30x1
1e trap
45 Nm
2e trap (losdraaien, tegen de klok
in)
2 omw
3e trap
5 Nm
237
23 GEBRUIKSSTOFFEN
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
Norm / classificatie
– DIN EN 228 (ROZ 95)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend loodvrije superbenzine die voldoet aan de aangegeven norm of van dezelfde kwaliteit is.
–
Een aandeel van maximaal 10 % ethanol (E10 brandstof) kan daarbij zonder bezwaar worden gebruikt.
Info
Gebruik geen brandstof van methanol (bijv. M15, M85, M100) of met een aandeel van meer dan
10 % ethanol (bijv. E15, E25, E85, E100).
Gasohol 95 E20 (ROZ 95)
Norm / classificatie
– Gasohol 95 E20 (ROZ 95)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend loodvrije superbenzine die voldoet aan de volgende gegevens of die van dezelfde kwaliteit
is.
–
Loodvrije superbenzine met een gehalte van 19 tot 20 % ethanol is daarbij toegelaten.
Info
Gebruik geen brandstof van methanol (bijv. M15, M85, M100).
Gebruik geen brandstof met minder dan 19 % ethanol (bijv. E10).
Gebruik geen brandstof met meer dan 20 % ethanol (bijv. E25, E30, E85, E100).
238
GEBRUIKSSTOFFEN 23
Koelmiddel
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen hoogwaardig, silicaatvrij koelmiddel met antiroestmiddel voor aluminiummotoren. Minderwaardige en ongeschikte antivriesmiddelen veroorzaken corrosie, afzettingen en schuimvorming.
–
Gebruik geen zuiver water omdat de eisen met betrekking tot corrosiebescherming en smeereigenschappen
alleen door koelvloeistof vervuld kunnen worden.
–
Gebruik uitsluitend koelvloeistof die voldoet aan de voorwaarden (zie informatie op de verpakking) en de juiste
eigenschappen heeft.
Vorstbescherming minstens tot
−25 °C
De mengverhouding moet aan de vereiste vorstbescherming aangepast worden. Gebruik gedestilleerd water als de
koelvloeistof verdund moet worden.
Het gebruik van voorgemengde koelvloeistof wordt aanbevolen.
Neem de gegevens van de koelvloeistoffabrikant met betrekking tot vorstbescherming, verdunning en mengbaarheid (verdraagbaarheid) met andere koelvloeistoffen in acht.
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– COOLANT M3.0
Motorolie (SAE 15W/50)
Norm / classificatie
– JASO T903 MA2 (
–
SAE (
pag. 244)
pag. 244) (SAE 15W/50)
239
23 GEBRUIKSSTOFFEN
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend motorolie die voldoet aan de aangegeven normen (zie informatie op de verpakking) en de
juiste eigenschappen heeft.
Gedeeltelijk synthetische motorolie
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Formula 4T
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1
Norm / classificatie
– DOT
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend remvloeistof die voldoet aan de aangegeven norm (zie informatie op de verpakking) en die
de juiste eigenschappen heeft.
Aanbevolen leverancier
Castrol
– REACT PERFORMANCE DOT 4
MOTOREX®
– Brake Fluid DOT 5.1
Super loodvrij type C (ROZ 95/RON 95/PON 91)
Norm / classificatie
– ANP (Agência Nacional do Petróleo) #57 (ROZ 95/RON 95/PON 91)
240
GEBRUIKSSTOFFEN 23
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend loodvrije superbenzine die voldoet aan de volgende gegevens of die van dezelfde kwaliteit
is.
–
Loodvrije superbenzine met een gehalte van 19 tot 27% ethanol is daarbij toegelaten.
Info
Gebruik geen brandstof van methanol (bijv. M15, M85, M100).
Gebruik geen brandstof met minder dan 19 % ethanol (bijv. E10).
Gebruik geen brandstof met meer dan 27% ethanol (bijv. E30, E85, E100).
Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1)
Norm / classificatie
– SAE ( pag. 244) (SAE 4)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen olie die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op verpakking) en de juiste eigenschappen heeft.
241
24 HULPSTOFFEN
Brandstofadditief
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Fuel Stabilizer
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Protect
Duurzaam vet
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Bike Grease 2000
Kettingreinigingsmiddel
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Chain Clean
Kettingspray Street
Voorgeschreven waarde
242
HULPSTOFFEN 24
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Chainlube Road Strong
Motorfietsreiniger
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Clean
Perfect Finish en hoogglanspolitoer voor lakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Shine
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaal- en kunststofvlakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Quick Cleaner
Universele oliespray
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Joker 440 Synthetic
243
25 NORMEN
JASO T903 MA2
Meerdere technische ontwikkelingsrichtingen vereisten een eigen specificatie voor motorfietsen - de norm
JASO T903 MA2.
Vroeger werd voor motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie bestond.
Voor motoren van auto's zijn lange service-intervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermogensrendement bij hoge toerentallen op de voorgrond.
Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden versnelling en koppeling met dezelfde olie gesmeerd.
De norm JASO T903 MA2 voldoet aan deze speciale vereisten.
SAE
De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op
basis van hun viscositeit. De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de
kwaliteit.
244
LIJST MET VAKBEGRIPPEN 26
ABS
Antiblokkeersysteem
Veiligheidssysteem, dat het blokkeren van de wielen
bij het rechtuit rijden zonder inwerking van zijwaartse
krachten voorkomt
OBD
Boorddiagnose
Voertuigsysteem dat ingestelde parameters van de
voertuigelektronica bewaakt
245
27 LIJST MET AFKORTINGEN
Artikelnr.
Artikelnummer
bijv.
bijvoorbeeld
ca.
circa
e.d.
en dergelijke
enz.
enzovoort
etc.
et cetera
evt.
eventueel
evt.
eventueel
Nr.
Nummer
o.a.
onder andere
resp.
respectievelijk
vgl.
vergelijk
246
LIJST MET SYMBOLEN 28
28.1
Rode pictogrammen
Rode pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij meteen moet worden ingegrepen.
Controlelampje wegrijblokkeringen brandt rood – Status- of foutmelding bij de wegrijblokkering.
28.2
Gele of oranje pictogrammen
Gele of oranje pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij binnen korte tijd moet worden ingegrepen.
Actieve rijhulpen worden eveneens met gele of oranje pictogrammen aangegeven.
Controlelampje storing brandt geel – De OBD heeft een fout in de voertuigelektronica geconstateerd.
Algemeen waarschuwingslampje knippert geel – Een aanwijzing/waarschuwing voor de veiligheid is gedetecteerd. Dit wordt ook op het display weergegeven.
ABS-waarschuwingslampje brandt geel – Status- of foutmelding bij het ABS.
28.3
Groene en blauwe pictogrammen
Groene en blauwe pictogrammen geven informatie weer.
Controlelampje voor richtingaanwijzer knippert groen in knipperritme – Richtingaanwijzer is
ingeschakeld.
247
28 LIJST MET SYMBOLEN
Controlelampje stationair brandt groen – Versnelling is in positie vrij geschakeld.
Controlelampje groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.
248
INDEX
INDEX
1
12V-accu
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 162
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 161
A
ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
ACC1
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179
ACC2
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179
Achterwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 148
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
Afbeelding voertuig
linksvoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
rechtsachter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
Afbeeldingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Afremmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87
Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
B
Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
Bandenspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
Bedieningshandleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Bedrijfsmiddelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Beschermende kleding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
Bestuurderszadel
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 112
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
Boordgereedschap
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
Buddyseat
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110
Bugspoiler
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 124
C
Claxonknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
Controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Antivries
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182
249
INDEX
Fuel Range . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
functietoetsen . . . . . . . . . . . . . . . . .
Info‑weergave . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ODO‑weergave . . . . . . . . . . . . . . . . . .
overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
schakelindicator . . . . . . . . . . . . . . . .
Service . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Time Trip 1 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Time Trip 2 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
TRIP 1‑weergave . . . . . . . . . . . . . . . .
TRIP 2‑weergave . . . . . . . . . . . . . . . .
TRIP F‑weergave . . . . . . . . . . . . . . . .
waarschuwingen . . . . . . . . . . . . . . . .
weergave van de koelmiddeltemperatuur
D
Demperpakkingen achterwielnaaf
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
Diagnosestekker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178
E
Eenheden
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
F
Fouten opsporen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 215-218
G
Garantie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Gashendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
Gebruiksdefinitie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
Gecombineerd instrument
activering en test . . .
Actual F.C. . . . . . . . .
Average Speed Trip1 .
Average Speed Trip2 .
Avg F.C. Trip 1 . . . . .
Avg F.C. Trip 2 . . . . .
brandstofpeilweergave
controlelampjes . . . .
display . . . . . . . . . .
250
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
60
57
59
60
43
52
61
63
66
63
66
58
45
56
Grepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
H
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
44
62
64
67
65
68
55
50
54
Hulpstoffen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
I
Inbedrijfname
controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
na stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Inbedrijfstelling
aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling . . . . 74
INDEX
K
Koppelingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
Ketting
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
vervuiling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Koppelingshendelspeling
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 196
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198
Ketting-aandrijfwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
Lamp koplamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173
Kettingspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 117
Lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
Kettingwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
Klantenservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Koelmiddel
aftappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 191
Koelmiddelpeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182, 185
Koelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 180
vullen/ontluchten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
Koplampinstelling
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 176
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 177
L
M
Milieu
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Motor
inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
Motorfiets
met hefbok achter opkrikken
met hefbok voor opkrikken .
reinigen . . . . . . . . . . . . .
van hefbok achter nemen . .
van hefbok voor nemen . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
104
105
206
104
107
Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27
Motorolie
bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 204
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
251
INDEX
Motoroliepeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
Remschijven
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
N
Remvloeistof
van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . 139
van de voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . 130
Noodstopschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
O
Oliefilter
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
Remvloeistofpeil
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . 138
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 129
Oliezeven
reinigen
Reserveonderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Richtingaanwijzerschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . 31
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
Onjuist gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
P
Parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
R
Remhendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87
Rempedaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
vrije slag controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
vrije slag instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
Remplaketten
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . 142
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 133
Rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 83
beginnen met rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82
Rijden in de winter
controle en onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . 210
S
Schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 83
Schakeltoerental RPM1
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
Schakeltoerental RPM2
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
Schokdemper
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . 100
Seinlichtschakelaar
252
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
INDEX
banden . . . . . .
chassis . . . . . .
elektronica . . .
motor . . . . . . .
schokdemper . .
voorvork . . . . .
vulhoeveelheden
Service . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Serviceschema . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96-99
Sleutelnummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27
Speling van gaskabel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 195
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 196
Stalling
Starten .
Startknop
Stoppen
...
...
..
...
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
212
. 80
. 32
. 90
Stuur
ontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
vergrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
Stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
229
226
228
219
230
229
225
Tijd
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Toestand van de banden
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155
Transport . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
Typeplaatje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
T
V
Tankdop
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
Veilig gebruik
Tanken
brandstof
Voertuig beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
Voertuigidentificatiennummer . . . . . . . . . . . . . . . 26
Voetsteun passagier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93
Technische gegevens
aanhaalmomenten chassis . . . . . . . . . . . . . 231
aanhaalmomenten motor . . . . . . . . . . . . . . 220
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101
Voorwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
253
INDEX
monteren
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
Vorkpoten
vuilschrapers reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . 108
Vulhoeveelheid
brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95, 225-226
koelmiddel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 225
motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 225
W
Werkinstructies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
Z
Zadelslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
Zekering
van afzonderlijke stroomverbruikers vervangen 168
Zekeringen ABS
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165
Zijstandaard
254
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
*3214121nl*
3214121nl
12/2019
KTM Sportmotorcycle GmbH
5230 Mattighofen/Oostenrijk
http://www.ktm.com
Foto: Mitterbauer/KISKA/KTM
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement