KTM 790 Adventure PH 2020 Travel Bike Handleiding

KTM 790 Adventure PH 2020 Travel Bike Handleiding
BEDIENINGSHANDLEIDING 2020
790 Adventure
Artikelnr. 3214098nl
BESTE KTM KLANT,
Hartelijk gefeliciteerd met de aankoop van uw KTM-motorfiets. U bent nu in het bezit van een modern en sportief
voertuig dat, mits goed onderhouden, u lang plezier zal schenken.
BESTE KTM KLANT,
We wensen u te allen tijde een goede en veilige reis toe!
Vul hieronder het serienummer van uw voertuig in.
Voertuigidentificatiennummer (
Motornummer (
Sleutelnummer (
pag. 28)
Stempel van de dealer
pag. 30)
pag. 30)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het
model. Kleine afwijkingen die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden
uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. KTM Sportmotorcycle GmbH houdt zich het recht voor technische
gegevens, prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te
annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen van
afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien
van speciale uitrustingen die niet standaard bij de leveringsomvang horen.
*3214098nl*
3214098nl
01/2020
BESTE KTM KLANT,
© 2020 KTM Sportmotorcycle GmbH, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldigingen van welke aard dan ook zijn uitsluitend toegestaan met toestemming van de auteur.
ISO 9001(12 100 6061)
KTM past kwaliteitsborgingsprocessen toe in de zin van de internationale kwaliteitsmanagementnorm ISO 9001 om een zo hoog mogelijke productkwaliteit te bereiken.
Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM Sportmotorcycle GmbH
Stallhofnerstraße 3
5230 Mattighofen, Oostenrijk
Dit document is geldig voor de volgende modellen:
790 Adventure EU (F9603T1, F9603T2)
790 Adventure ASEAN (F9688T1)
790 Adventure CN (F9687T1, F9687TA)
790 Adventure IN (F9691TA)
790 Adventure PH (F9682TA)
2
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE
1
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN............... 11
1.1
1.2
2
Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik.....
Onjuist gebruik ................................
Veiligheidsaanwijzingen ....................
Gevarenniveau en pictogrammen .......
Waarschuwing voor manipulaties .......
Veilig gebruik ..................................
Beschermende kleding .....................
Werkinstructies................................
Milieu .............................................
Bedieningshandleiding .....................
13
13
13
15
16
17
18
18
19
19
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN ................... 20
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
Garantie..........................................
Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen ...........
Reserveonderdelen, toebehoren .........
Service ...........................................
Afbeeldingen ...................................
Klantenservice .................................
20
20
20
21
21
21
AFBEELDING VOERTUIG ............................. 24
4.1
Gebruikte pictogrammen................... 11
Gebruikte formatering....................... 12
4.2
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN ...................... 13
2.1
2.2
2.3
2.4
2.5
2.6
2.7
2.8
2.9
2.10
3
4
5
SERIENUMMERS........................................ 28
5.1
5.2
5.3
5.4
5.5
5.6
5.7
6
Afbeelding voertuig linksvoor
(symbolische weergave) .................... 24
Afbeelding voertuig rechtsachter
(symbolische weergave) .................... 26
Voertuigidentificatiennummer ...........
Typeplaatje .....................................
Sleutelnummer ................................
Motornummer..................................
Artikelnummer voorvork ....................
Artikelnummer schokdemper.............
Artikelnummer stuurdemper..............
28
29
30
30
31
31
32
BEDIENINGSELEMENTEN........................... 33
6.1
6.2
6.3
6.4
6.4.1
6.4.2
6.4.3
6.4.4
Koppelingshendel ............................
Remhendel......................................
Gashendel .......................................
Schakelaars links aan stuur...............
Combinatieschakelaar ..................
Lichtschakelaar ...........................
Schakelaar van cruisecontrol
(optioneel) ..................................
Menutoetsen ...............................
33
33
34
34
34
35
36
39
3
INHOUDSOPGAVE
6.4.5
6.4.6
6.5
6.5.1
6.6
6.7
6.8
6.9
6.10
6.11
6.12
6.13
6.14
6.15
6.16
6.17
6.18
6.19
6.20
6.21
6.22
6.23
6.24
4
Richtingaanwijzerschakelaar .........
Claxonknop .................................
Schakelaars rechts aan stuur.............
Noodstopschakelaar/e-startknop ....
Contact- en stuurslot ........................
Stuur vergrendelen...........................
Stuur ontgrendelen ..........................
Stopcontact voor elektrisch
toebehoren ......................................
Tankdop openen ..............................
Tankdop sluiten ...............................
Brandstofkranen ..............................
Opbergvak onder de buddyseat
openen ...........................................
Opbergvak onder de buddyseat
sluiten ............................................
Opbergvak links openen....................
Opbergvak links sluiten.....................
Opbergvak rechts openen..................
Opbergvak rechts sluiten...................
Boordgereedschap............................
Grepen............................................
Bagagedragerplaat ...........................
Zadelslot .........................................
Voetsteun passagier..........................
Versnellingshendel ...........................
39
40
41
41
42
42
43
44
44
46
47
48
50
51
53
54
56
57
58
58
59
60
60
6.25
6.26
7
Rempedaal...................................... 61
Zijstandaard .................................... 62
GECOMBINEERD INSTRUMENT .................. 63
7.1
7.2
7.3
7.4
7.5
7.6
7.7
7.8
7.9
7.10
7.11
7.12
7.13
7.14
7.15
7.16
7.17
7.18
7.19
Gecombineerd instrument.................
Activering en test .............................
Dag‑nacht-modus.............................
Waarschuwingen ..............................
Waarschuwing voor glad wegdek ........
Controlelampjes ...............................
Display ...........................................
RALLY display (optioneel) .................
Toerental.........................................
Schakelindicator ..............................
Snelheidsindicator ...........................
Weergave van de cruisecontrol
(optioneel).......................................
Ride‑weergave .................................
ABS‑weergave..................................
MTC‑weergave .................................
Weergave van de
koelmiddeltemperatuur.....................
Brandstofpeilweergave......................
Omgevingsluchttemperatuurindicator........................
Tijd ................................................
63
63
64
65
66
68
72
74
75
76
77
78
79
79
80
80
82
83
83
INHOUDSOPGAVE
7.20 Favorites‑weergave ........................... 84
7.21 Quick Selector 1‑weergave ................ 84
7.22 Quick Selector 2‑weergave ................ 85
7.23 Navigation‑weergave (optioneel) ........ 85
7.24 Menu.............................................. 86
7.24.1
KTM MY RIDE (optioneel)............. 87
7.24.2
Audio (optioneel) ......................... 88
7.24.3
Navigation (optioneel) .................. 90
7.24.4
Navigatie setup (optioneel) ........... 91
7.24.5
Volume (optioneel)....................... 93
7.24.6
Pairing (optioneel) ....................... 94
7.24.7
Phone (optioneel) ........................ 95
7.24.8
Headset (optioneel)...................... 98
7.24.9
Telefonie (optioneel) .................. 100
7.24.10 Trips/Data ................................. 101
7.24.11 General Info .............................. 102
7.24.12 Trip 1 ....................................... 103
7.24.13 Trip 2 ....................................... 104
7.24.14 TPMS (functie optioneel)............ 105
7.24.15 Warning .................................... 106
7.24.16 Ride Mode ................................ 107
7.24.17 Ride Mode ................................ 108
7.24.18 Rally (optioneel) ........................ 109
7.24.19 Throttle Response (optioneel)...... 110
7.24.20 Leave Rally (optioneel) ............... 111
7.24.21 Motorcycle ................................ 112
7.24.22
7.24.23
7.24.24
7.24.25
7.24.26
7.24.27
7.24.28
7.24.29
7.24.30
7.24.31
7.24.32
7.24.33
7.24.34
7.24.35
7.24.36
7.24.37
7.24.38
7.24.39
7.24.40
7.24.41
7.24.42
7.24.43
8
MTC .........................................
ABS..........................................
Quick Shift+ (optioneel) .............
Settings ....................................
Favorites ...................................
Quick Selector 1........................
Quick Selector 2........................
Bluetooth (optioneel)..................
Display Theme...........................
Shift Light ................................
Lights up ..................................
Flashes .....................................
Shift Light ................................
Tijd en datum instellen ..............
DRL .........................................
Units ........................................
Distance ...................................
Temperature..............................
Fuel Cons..................................
Language ..................................
Service .....................................
Extra Functions .........................
112
113
115
115
116
117
118
119
120
121
121
122
123
123
126
127
127
128
129
130
131
132
ERGONOMIE ............................................ 133
8.1
8.2
Bestuurderszadel instellen .............. 133
Stuurpositie................................... 134
5
INHOUDSOPGAVE
8.3
8.4
8.5
8.6
8.7
8.8
8.9
8.10
9
Stuurpositie instellen ..................
Windscherm instellen .....................
Uitgangspositie koppelingshendel
instellen........................................
Uitgangspositie van de remhendel
instellen........................................
Rempedaalvlak instellen .................
Uitgangspositie van het rempedaal
instellen ....................................
Uitgangspositie versnellingshendel
controleren....................................
Uitgangspositie van de
versnellingshendel instellen .........
134
137
139
140
141
142
144
145
9.2
9.3
Aanwijzingen voor eerste
inbedrijfstelling ............................. 147
Motor inrijden................................ 149
Voertuig beladen ............................ 150
10 RIJ-INSTRUCTIES..................................... 153
10.1
10.2
10.3
10.4
Controle en onderhoud voor iedere
inbedrijfstelling .............................
Voertuig starten .............................
Optrekken .....................................
Quickshifter + (optioneel) ...............
153
154
156
157
Schakelen, rijden ...........................
Afremmen .....................................
Stoppen, parkeren..........................
Transporteren ................................
Brandstof tanken ...........................
158
164
167
169
170
11 SERVICESCHEMA ..................................... 173
11.1
11.2
11.3
Extra informatie ............................. 173
Verplichte werkzaamheden.............. 173
Aanbevolen werkzaamheden............ 176
12 CHASSIS AFSTELLEN ............................... 177
12.1
INBEDRIJFSTELLING................................ 147
9.1
6
10.5
10.6
10.7
10.8
10.9
Veervoorspanning schokdemper
instellen .................................... 177
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS ....... 179
13.1
13.2
13.3
13.4
13.5
13.6
13.7
Motorfiets met hefbok achter
opkrikken ......................................
Motorfiets van hefbok achter
nemen ..........................................
Motorfiets met hefbok voor
opkrikken ......................................
Motorfiets van hefbok voor nemen ...
Buddyseat verwijderen....................
Buddyseat monteren ......................
Bestuurderszadel verwijderen ..........
179
179
180
182
183
184
184
INHOUDSOPGAVE
13.8
13.9
13.10
13.11
13.12
13.13
13.14
13.15
13.16
13.17
13.18
13.19
13.20
13.21
13.22
13.23
13.24
13.25
13.26
Bestuurderszadel monteren.............
Kettingvervuiling controleren...........
Ketting reinigen .............................
Kettingspanning controleren ...........
Kettingspanning instellen ...............
Ketting, kettingwiel,
ketting-aandrijfwiel en
kettinggeleiding controleren ............
Zijbekleding links demonteren.........
Zijbekleding links monteren ............
Zijbekleding rechts demonteren.......
Zijbekleding rechts monteren ..........
Accuafdekking demonteren .............
Accuafdekking monteren ................
Brandstoftankspoiler links
demonteren ...................................
Brandstoftankspoiler links
monteren ......................................
Brandstoftankspoiler rechts
demonteren ...................................
Brandstoftankspoiler rechts
monteren ......................................
Spatbord voor demonteren ..............
Spatbord voor monteren..................
Vuilschrapers vorkpoten
reinigen .....................................
185
186
186
188
190
192
197
198
199
200
201
202
203
13.27 Windscherm demonteren ................
13.28 Windscherm monteren....................
13.29 Brandstoftankbekleding links
demonteren ...................................
13.30 Brandstoftankbekleding links
monteren ......................................
13.31 Brandstoftankbekleding rechts
demonteren ...................................
13.32 Brandstoftankbekleding rechts
monteren ......................................
13.33 Motorbescherming demonteren .......
13.34 Motorbescherming monteren ...........
218
219
221
222
223
225
14 REMSYSTEEM .......................................... 228
14.1
14.2
14.3
206
14.4
208
14.5
211
213
213
216
217
14.6
14.7
Antiblokkeersysteem (ABS) .............
Remschijven controleren.................
Remvloeistofpeil voorwielrem
controleren....................................
Remvloeistof van de voorwielrem
bijvullen ....................................
Remplaketten van de voorwielrem
controleren....................................
Vrije slag rempedaal controleren ......
Remvloeistofpeil achterwielrem
controleren....................................
228
231
232
233
236
237
238
214
7
INHOUDSOPGAVE
14.8
14.9
Remvloeistof achterwielrem
bijvullen .................................... 239
Remplaketten achterwielrem
controleren.................................... 241
15 WIELEN, BANDEN .................................... 243
15.1
15.2
15.3
15.4
15.5
Voorwiel demonteren ..................
Voorwiel monteren ......................
Achterwiel demonteren ...............
Achterwiel monteren ...................
Demperpakkingen van de
achterwielnaaf controleren ..........
15.6 Bandentoestand controleren............
15.7 Bandenspanning controleren ...........
15.8 Spaakspanning controleren .............
15.9 Bandensysteem zonder
binnenbanden ...............................
15.10 Gebruik van bandenreparatiespray ...
243
245
249
252
255
257
259
261
262
263
16 ELEKTRONICA.......................................... 264
16.1
16.2
16.3
16.4
16.5
16.6
8
dagrijlicht (DRL) .............................
12V-accu demonteren .................
12V-accu monteren ....................
12V-accu laden ..........................
Hoofdzekering vervangen ................
ABS‑zekeringen vervangen ..............
264
265
269
272
276
278
16.7
Zekeringen afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen ...........
16.8 Koplampinstelling controleren .........
16.9 Lichtbundelbreedte van de
koplamp instellen ..........................
16.10 Diagnosestekker.............................
16.11 ACC1 en ACC2 vooraan ..................
16.12 ACC1 en ACC2 achterzijde..............
281
285
286
288
288
289
17 KOELSYSTEEM......................................... 290
17.1
17.2
17.3
Koelsysteem .................................. 290
Koelmiddelpeil in het
compensatiereservoir controleren..... 291
Koelmiddelpeil in
compensatiereservoir corrigeren....... 293
18 MOTOR AFSTELLEN ................................. 295
18.1
18.2
18.3
18.4
"Ride Mode" ..................................
Motorfietstractiecontrole (BochtenMTC) ............................................
Slipaanpassing (optioneel) ..............
Throttle Response (optioneel)..........
295
296
297
297
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR ......... 299
19.1
Motoroliepeil controleren ................ 299
INHOUDSOPGAVE
19.2
19.3
19.4
19.5
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen ...
Motorolie bijvullen .........................
Vrije slag aan de koppelingshendel
controleren....................................
Vrije slag aan de koppelingshendel
instellen ....................................
300
304
306
308
20 REINIGING, ONDERHOUD......................... 309
20.1
20.2
Motorfiets reinigen ......................... 309
Controle en onderhoud voor rijden
in de winter ................................... 313
23.4
23.5
23.6
23.7
23.8
23.9
Stalling ......................................... 315
Inbedrijfstelling na stalling ............. 317
331
333
334
334
335
336
24 VERKLARINGEN VAN
OVEREENSTEMMING................................ 344
24.1
24.2
21 STALLING ................................................ 315
21.1
21.2
Chassis .........................................
Elektronica....................................
Banden .........................................
Voorvork........................................
Schokdemper ................................
Aanhaalmomenten chassis ..............
Verklaringen van
overeenstemming ........................... 344
Landspecifieke verklaring van
overeenstemming ........................... 346
25 GEBRUIKSSTOFFEN ................................. 347
26 HULPSTOFFEN......................................... 351
22 FOUTEN OPSPOREN................................. 318
27 NORMEN ................................................. 353
23 TECHNISCHE GEGEVENS.......................... 322
28 LIJST MET VAKBEGRIPPEN ...................... 354
23.1 motor............................................ 322
23.2 Aanhaalmomenten motor ................ 324
23.3 Vulhoeveelheden............................ 330
23.3.1
Motorolie .................................. 330
23.3.2
Koelmiddel ............................... 330
23.3.3
Brandstof .................................. 330
29 LIJST MET AFKORTINGEN ........................ 355
30 LIJST MET SYMBOLEN ............................. 356
30.1
30.2
30.3
Rode pictogrammen ....................... 356
Gele of oranje pictogrammen........... 356
Groene en blauwe pictogrammen ..... 357
9
INHOUDSOPGAVE
INDEX ............................................................. 358
10
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN 1
1.1
Gebruikte pictogrammen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde pictogrammen toegelicht.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit pictogram zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch
begrip. Laat de werkzaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTMgarage! Daar wordt uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige medewerkers met het
benodigde hulpgereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Kenmerkt een aanwijzing met verdere informatie of tips.
Kenmerkt het resultaat uit een test-/controlestap.
11
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN
Kenmerkt een spanningsmeting.
Kenmerkt een stroommeting.
Kenmerkt het einde van een werkzaamheid, inclusief eventuele nabewerkingen.
1.2
Gebruikte formatering
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam
Kenmerkt een eigennaam.
Naam®
Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™
Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
Onderstreepte woorden
Verwijzen naar technische details van het voertuig of kenmerken vaktermen
die in de begrippenlijst worden uitgelegd.
12
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.1
Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik
Het voertuig is zo ontworpen en gebouwd, dat het kan worden gebruikt bij normale belastingen tijdens het rijden
over de weg en op eenvoudig terrein (niet-geasfalteerde wegen). Dit voertuig is niet geschikt voor gebruik op racecircuits.
Info
Dit voertuig is alleen in de gehomologeerde uitvoering toegelaten voor het rijden op de openbare weg.
2.2
Onjuist gebruik
Gebruik het voertuig uitsluitend op de beoogde wijze.
Het niet op de beoogde wijze gebruiken van het voertuig kan leiden tot gevaren voor personen, materiaal en
milieu.
Elk gebruik van het voertuig anders dan op de beoogde wijze geldt als onjuist gebruik.
Als onjuist gebruik geldt ook het gebruik van bedrijfs- en hulpmiddelen die niet voldoen aan de vereiste specificaties.
2.3
Veiligheidsaanwijzingen
Voor een veilige omgang met het beschreven product dienen enkele veiligheidsaanwijzingen in acht te worden
genomen. Lees daarom deze handleiding en alle andere handleidingen in de omvang van de levering zorgvuldig door. De veiligheidsaanwijzingen zijn geaccentueerd en met links gekoppeld aan de relevante plaatsen in de
tekst.
13
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
Info
Op goed zichtbare plaatsen op het beschreven product zijn verschillende aanwijzings- en waarschuwingsstickers aangebracht. Geen stickers met aanwijzingen en waarschuwingen verwijderen. Als deze ontbreken
kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor letsel oplopen.
14
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.4
Gevarenniveau en pictogrammen
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg
heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
15
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
2.5
Waarschuwing voor manipulaties
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de componenten van de geluidsdemping. De volgende
maatregelen of de realisatie van de betreffende toestanden zijn wettelijk verboden:
1
Verwijderen of buiten werking stellen van systemen of componenten van een nieuw voertuig die de geluidsdemping dienen voordat het wordt verkocht of geleverd aan de eindklant of tijdens de gebruiksduur van het
voertuig voor andere doeleinden dan voor service, reparatie of vervanging, evenals
2
Gebruik van het voertuig nadat een dergelijk systeem of een dergelijke component verwijderd of buiten werking is gesteld.
Voorbeelden van wettelijk verboden manipulaties:
1
Verwijderen of doorboren van einddempers, geluidsdempers, bochtstukken of andere componenten die uitlaatgassen geleiden.
2
Verwijderen of doorboren van delen van het inlaatsysteem.
3
Gebruik in niet-correcte onderhoudstoestand.
4
Vervangen van bewegende onderdelen van het voertuig, onderdelen van het uitlaatsysteem of onderdelen van
het inlaatsysteem door onderdelen die niet door de fabrikant zijn toegelaten.
16
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.6
Veilig gebruik
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
–
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
–
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
–
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Het voertuig uitsluitend in technisch goede staat, op de boogde wijze, en veiligheids- en milieubewust gebruiken.
Het voertuig mag uitsluitend door geïnstrueerde personen worden gebruikt. Voor het wegverkeer is het juiste rijbewijs vereist.
17
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
Storingen, die de veiligheid beperken, onmiddellijk in een geautoriseerde KTM-garage laten verhelpen.
De op het voertuig aangebrachte stickers met aanwijzingen en waarschuwingen in acht nemen.
2.7
Beschermende kleding
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
–
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Voor uw eigen veiligheid adviseert KTM om het voertuig uitsluitend te gebruiken met geschikte, beschermende
kleding.
2.8
Werkinstructies
Voor enkele werkzaamheden zijn hulpgereedschappen vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar
kunnen worden besteld onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: lagertrekker
(15112017000)
Onderdelen die niet kunnen worden hergebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen,
dichtringen, keerringen, splitpennen, borgplaten) tijdens de montage door nieuwe onderdelen vervangen.
Voor enkele schroefverbindingen is schroefborging (bijvoorbeeld Loctite®) vereist. Specifieke aanwijzingen van de
fabrikant bij het gebruik in acht nemen.
Onderdelen die na de demontage worden hergebruikt, reinigen en controleren op beschadiging en slijtage.
Beschadigde of versleten onderdelen vervangen.
Na een reparatie of servicebeurt controleren of het voertuig verkeersveilig is.
18
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
2.9
Milieu
Door op een verantwoorde manier met uw motorfiets om te gaan kunt u ervoor zorgen dat er geen problemen en
conflicten ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen mag u de motorfiets alleen legaal gebruiken, dient u milieubewust te handelen en de rechten van anderen te respecteren.
Houdt u zich bij het afvoeren van oude olie, andere verbruiks- en hulpstoffen en oude onderdelen aan de geldende wet- en regelgeving in het betreffende land.
Omdat motorfietsen niet onder de EU-richtlijn voor de afdanking van oude voertuigen vallen bestaat er geen wettelijke regeling voor het afdanken van een oude motorfiets. Uw geautoriseerde KTM-dealer is u graag van dienst.
2.10
Bedieningshandleiding
Lees de bedieningshandleiding beslist goed en volledig door voordat u voor het eerst gaat rijden. In de bedieningshandleiding vindt u veel informatie en tips die bediening, gebruik en service eenvoudiger maken. Alleen zo
komt u te weten hoe u het voertuig het beste afstelt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen.
Bewaar de bedieningshandleiding op een eenvoudig toegankelijke plaats, zodat u deze op ieder moment kunt
raadplegen wanneer dat nodig is.
Neem contact op met een geautoriseerde KTM-dealer wanneer u meer over het voertuig wilt weten of wanneer
tijdens het lezen iets niet duidelijk is.
De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van het voertuig en moet bij verkoop aan de nieuwe eigenaar worden gegeven.
De bedieningshandleiding is bovendien als download op uw geautoriseerde KTM Motorcycles-dealer en op de
KTM Motorcycles-website beschikbaar.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
19
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
3.1
Garantie
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend door een geautoriseerde KTM-garage
worden uitgevoerd en moeten in het KTM Dealer.net worden bevestigd, omdat anders de garantie volledig vervalt.
Bij schade of gevolgschade die door manipulaties en/of wijzigingen aan het voertuig zijn veroorzaakt, bestaat er
geen aanspraak op garantie.
3.2
Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Bedrijfsmiddelen en hulpstoffen volgens de bedieningshandleiding en specificaties gebruiken.
3.3
Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en/of aanbevolen en laat deze alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor veroorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren zijn bij de betreffende beschrijvingen tussen haakjes aangegeven. Uw
geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
20
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
3.4
Service
Voorwaarde voor een storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de
bedieningshandleiding genoemde service­, onderhouds- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis.
Door een onjuist afgesteld chassis kunnen chassiscomponenten beschadigen of afbreken.
Wanneer het voertuig onder zwaardere omstandigheden wordt gebruikt, zoals bij sterke regen, hoge temperaturen
of met zware bagage, kunnen componenten zoals aandrijving, remsystemen of veringscomponenten duidelijk sneller verslijten. Daarom kan het nodig zijn onderdelen reeds voor het bereiken van het volgende service-interval te
controleren of te vervangen.
Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De inachtneming
daarvan draagt in belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
3.5
Afbeeldingen
De in de handleiding weergegeven afbeeldingen tonen deels speciale uitrustingen.
Voor een betere weergave en toelichting kunnen enkele onderdelen gedemonteerd of niet afgebeeld zijn. Voor de
betreffende beschrijving is het echter niet altijd noodzakelijk dat deze onderdelen worden gedemonteerd. Houdt u
zich aan de aanwijzingen in de tekst.
3.6
Klantenservice
De geautoriseerde KTM-dealer beantwoordt graag uw vragen over uw voertuig of over KTM.
21
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
De lijst met geautoriseerde KTM-dealers vindt u op de KTM-website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
22
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
23
4 AFBEELDING VOERTUIG
4.1
Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)
A00620-10
24
AFBEELDING VOERTUIG 4
1
2
3
4
5
6
7
8
9
bk
Stopcontact voor elektrisch toebehoren (
Koppelingshendel (
Zadelslot (
pag. 44)
pag. 33)
pag. 59)
Opbergvak links
Grepen (
pag. 58)
Bagagedragerplaat (
pag. 58)
Voetsteun passagier (
pag. 60)
Bestuurdersvoetsteunen
Versnellingshendel (
Zijstandaard (
pag. 60)
pag. 62)
25
4 AFBEELDING VOERTUIG
4.2
Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)
A00621-10
26
AFBEELDING VOERTUIG 4
1
2
3
4
4
4
4
5
6
7
8
Opbergvak onder de buddyseat
Opbergvak rechts
Tankdop
Lichtschakelaar (
Menutoetsen (
pag. 35)
pag. 39)
Richtingaanwijzerschakelaar (
Claxonknop (
pag. 39)
pag. 40)
Noodstopschakelaar/e-startknop (
Remhendel (
pag. 41)
pag. 33)
Kijkglas motorolie
Rempedaal (
pag. 61)
27
5 SERIENUMMERS
5.1
Voertuigidentificatiennummer
Het voertuigidentificatienummer
balhoofd gegraveerd.
402324-10
28
1 is aan de rechterkant van het
SERIENUMMERS 5
5.2
Typeplaatje
1
Het typeplaatje
is op het frame links aangebracht.
Het typeplaatje Australië
is op het frame rechts aangebracht.
2
F01880-10
29
5 SERIENUMMERS
5.3
Sleutelnummer
Sleutelnummer
1 staat op de KEYCODECARD.
Info
U heeft het sleutelnummer nodig om een reservesleutel te
bestellen. De KEYCODECARD op een veilig plaats bewaren.
V01200-10
5.4
Motornummer
Het motornummer
H01047-10
30
1 is op het motorhuis boven gegraveerd.
SERIENUMMERS 5
5.5
Artikelnummer voorvork
Het artikelnummer van de voorvork
de asopname gegraveerd.
1 is aan de binnenzijde van
402295-10
5.6
Artikelnummer schokdemper
Het artikelnummer van de schokdemper
van de schokdemper aangebracht.
1 is aan de linkerkant
V01201-10
31
5 SERIENUMMERS
5.7
Artikelnummer stuurdemper
Het artikelnummer van de stuurdemper
de stuurdemper gegraveerd.
F01881-10
32
1 is in de onderkant van
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.1
Koppelingshendel
De koppelingshendel
bracht.
1 is aan de linkerkant van het stuur aange-
F01882-10
6.2
Remhendel
1
De remhendel
is aan de rechterkant van het stuur
aangebracht.
De voorwielrem wordt geschakeld met de remhendel.
F01883-10
33
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.3
Gashendel
De gashendel
1 is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
F01884-10
6.4
Schakelaars links aan stuur
6.4.1
Combinatieschakelaar
De combinatieschakelaar is aan de linkerkant van het stuur aangebracht.
34
BEDIENINGSELEMENTEN 6
Overzicht combinatieschakelaar links
Lichtschakelaar ( pag. 35)
1
2
3
4
Menutoetsen (
pag. 39)
Richtingaanwijzerschakelaar (
Claxonknop (
pag. 39)
pag. 40)
F01885-10
6.4.2
Lichtschakelaar
1
De lichtschakelaar
is aan de linkerkant van de combinatieschakelaar aangebracht.
Mogelijke toestanden
Dimlicht aan – Lichtschakelaar in stand
. In deze
stand zijn het dimlicht en achterlicht ingeschakeld.
A
Groot licht aan – Lichtschakelaar in stand
geduwd. In deze stand zijn het groot licht en het
achterlicht ingeschakeld.
B
F01886-10
Seinlicht – Lichtschakelaar naar stand
C trekken.
35
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.4.3
Schakelaar van cruisecontrol (optioneel)
De schakelaar van de cruisecontrol
schakelaar aangebracht.
V01193-10
36
1 is links op de combinatie-
Mogelijke toestanden
• Schakelaar van cruisecontrol in de uitgangspositie.
• Schakelaar van cruisecontrol naar links gedrukt. – In
deze stand wordt de cruisecontrol in- en uitgeschakeld. De
bedrijfstoestand wordt op het gecombineerde instrument
weergegeven.
• Schakelaar van cruisecontrol kort omhoog gedrukt. – De als
laatste opgeslagen snelheid wordt weer bereikt en aangehouden. Elke keer dat de schakelaar wordt aangetikt, wordt de
doelsnelheid met 1 km/h of 1 mph verhoogd.
• Schakelaar van cruisecontrol omhoog gedrukt gehouden.
– De doelsnelheid neemt stapsgewijs toe met 5 km/h of
5 mph.
• Schakelaar van cruisecontrol kort omlaag gedrukt. – De
cruisecontrol wordt geactiveerd en de actuele snelheid wordt
aangehouden. Elke keer dat de schakelaar wordt aangetikt,
wordt de doelsnelheid met 1 km/h of 1 mph verlaagd.
• Schakelaar van cruisecontrol omlaag gedrukt gehouden.
– De doelsnelheid neemt stapsgewijs af met 5 km/h of
5 mph.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
Info
Na activering van de cruisecontrol kan de gashendel in de
uitgangspositie teruggedraaid worden. De gekozen snelheid
blijft behouden.
Als de doelsnelheid door verdraaien van de gashendel voor
minder dan 30 seconden wordt overschreden, blijft de cruisecontrol geactiveerd.
Om de cruisecontrol uit te schakelen, schakelaar van cruisecontrol naar links drukken.
De cruisecontrol wordt bovendien in de onderstaande situaties
gedeactiveerd:
–
bediening van de remhendel
–
bediening van het rempedaal
–
bediening van de koppelingshendel
–
dichtdraaien van de gashendel tot voorbij de uitgangspositie
–
regeling van de motorfietstractiecontrole (MTC)
–
slip aan het achterwiel of omhoog komend voorwiel
–
optreden van een fout die de werking van de cruisecontrol
beperkt
–
overschrijden van de doelsnelheid bij een inhaalmanoeuvre
gedurende meer dan 30 seconden
37
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het snelheidsregelsysteem is niet
voor alle rijsituaties geschikt.
De gekozen doelsnelheid wordt onderschreden als op een
helling het motorvermogen niet voldoende is.
De gekozen doelsnelheid wordt overschreden als op een
helling het motorremwerking niet voldoende is.
–
Gebruik het snelheidsregelsysteem niet op wegen met
veel bochten.
–
Gebruik het snelheidsregelsysteem niet op een glad
wegdek (bijvoorbeeld regen, ijs, sneeuw) of op een
niet verharde ondergrond (bijvoorbeeld zand, stenen,
grind).
–
Gebruik het snelheidsregelsysteem niet als de verkeerssituatie geen constante snelheid toelaat.
De functie cruisecontrol is alleen beschikbaar wanneer de motorfietstractiecontrole (MTC) is geactiveerd.
Wanneer de tractiecontrole van de motorfiets (MTC) wordt uitgeschakeld, wordt ook de cruisecontrol uitgeschakeld.
De cruisecontrol kan tijdens een sterke acceleratie niet worden
geactiveerd.
De functie cruisecontrol kan alleen in de 2e, 3e, 4e, 5e en 6e versnelling worden geactiveerd.
Het regelbereik loopt van 30 tot 160 km/h of van 18 tot 98 mph.
38
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.4.4
Menutoetsen
De menuknoppen zijn centraal op de gecombineerde schakelaar
links aangebracht.
Met de menutoetsen wordt het display van het gecombineerde
instrument bestuurd.
Toets
is de UP‑toets.
Toets
is de DOWN‑toets.
Toets
is de SET‑toets.
Toets
is de BACK‑toets.
1
2
3
4
F01887-10
6.4.5
Richtingaanwijzerschakelaar
De richtingaanwijzerschakelaar
links aangebracht.
1 is op de combinatieschakelaar
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit
Richtingaanwijzer links aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar links geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug in de middelste stand.
F01887-11
39
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Richtingaanwijzer rechts aan – Richtingaanwijzerschakelaar naar rechts geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug in de middelste stand.
Voor het uitschakelen van de richtingaanwijzer moet u de richtingaanwijzerschakelaar richting het schakelaarhuis duwen.
6.4.6
Claxonknop
De claxonknop
gebracht.
1 is op de gecombineerde schakelaar links aan-
Mogelijke toestanden
• Claxonknop in de uitgangspositie
• Claxonknop ingedrukt – In deze stand wordt de claxon
bediend.
F01887-12
40
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.5
Schakelaars rechts aan stuur
6.5.1
Noodstopschakelaar/e-startknop
De noodstopschakelaar/e-startknop
schakelaar aangebracht.
1 is rechts op de combinatie-
Mogelijke toestanden
Noodstopschakelaar/e‑startknop uit (bovenste stand)
– In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken.
Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande
motor kan niet worden gestart. Er verschijnt een melding op het display.
F01888-10
Noodstopschakelaar/e‑startknop aan (middelste stand)
– Deze stand is noodzakelijk bij het rijden, het ontstekingscircuit is gesloten.
Startmotor aan (onderste stand) – In deze stand wordt
de startmotor geactiveerd.
41
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.6
Contact- en stuurslot
Het contact- en stuurslot bevindt zich voor de bovenste kroonplaat.
Mogelijke toestanden
Ontsteking uit – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit
en een stilstaande motor schakelt niet in. De contactsleutel kan eruit worden getrokken.
Ontsteking aan – In deze stand is het ontstekingscircuit gesloten en kan de motor worden gestart.
F01889-01
6.7
Stuur geblokkeerd – In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken en het stuur geblokkeerd. De contactsleutel kan eruit worden getrokken.
Stuur vergrendelen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
42
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
–
Voertuig parkeren.
–
Het stuur helemaal naar links draaien.
–
Contactsleutel in het contact- en stuurslot steken, indrukken
en naar links draaien. Contactsleutel eruit trekken.
Het stuur kan niet meer worden bewogen.
400732-01
6.8
Stuur ontgrendelen
–
Contactsleutel in het contact- en stuurslot steken, indrukken
en naar rechts draaien. Contactsleutel eruit trekken.
Het stuur kan weer worden bewogen.
400731-01
43
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.9
Stopcontact voor elektrisch toebehoren
1
Het stopcontact
voor elektrisch toebehoren is voor de bovenste
kroonplaat aangebracht.
Het is aangesloten op constant plus en gezekerd.
Stopcontact elektrische toebehoren
Spanning
12 V
Maximale
stroomopname
10 A
F01922-10
6.10
Tankdop openen
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
44
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
–
1
Afdekking
op de brandstoftankdop omhoogklappen en contactsleutel in het slot steken.
F01890-10
45
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging De contactsleutel kan bij overbelasting afbreken.
Beschadigde contactsleutels moeten worden vervangen.
–
6.11
–
Contactsleutel 90° met de klok mee draaien.
–
Brandstoftankdop omhoogklappen.
–
Tankdop neerklappen.
–
Contactsleutel 90° met de klok mee draaien.
–
Brandstoftankdop indrukken en contactsleutel tegen de klok in
draaien tot het slot sluit.
Tankdop sluiten
F01891-01
46
Op de brandstoftankdop drukken om de contactsleutel te
ontlasten.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
Waarschuwing
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar, giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
6.12
–
De brandstoftankdop na het sluiten op correcte
vergrendeling controleren.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek
onmiddellijk met veel water afspoelen.
Contactsleutel eruit trekken en afdekking neerklappen.
Brandstofkranen
Er bevindt zich een brandstofkraan
brandstoftank.
1 aan iedere kant van de
Info
F02115-10
De brandstofkranen bevinden zich achter de brandstoftankbekledingen.
De brandstofkranen moeten tijdens het rijden altijd zijn
geopend.
De brandstofkranen worden alleen gesloten voor het verwijderen van de brandstoftank.
47
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Mogelijke toestanden
• Brandstofkranen gesloten – Er kan geen niveaucompensatie
plaatsvinden en de brandstoftoevoer naar het smoorklephuis
is gesloten.
• Brandstofkranen geopend – Er kan een niveaucompensatie
plaatsvinden en de brandstoftoevoer naar het smoorklephuis
is geopend.
6.13
Opbergvak onder de buddyseat openen
Werkzaamheden vooraf
– Buddyseat verwijderen. (
48
pag. 183)
BEDIENINGSELEMENTEN 6
Hoofdwerkzaamheden
– Vergrendeling
in pijlrichting indrukken en in het bereik
losmaken.
1
–
A
Opbergvak openen.
F01892-10
49
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.14
Opbergvak onder de buddyseat sluiten
Hoofdwerkzaamheden
– Opbergvak sluiten.
–
Vergrendeling
ting drukken.
1 in het bereik A bevestigen en in pijlrich-
F01893-10
Werkzaamheden achteraf
– Buddyseat monteren. (
50
pag. 184)
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.15
Opbergvak links openen
Werkzaamheden vooraf
– Buddyseat verwijderen. (
pag. 183)
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
–
Zijbekleding links demonteren. (
pag. 184)
pag. 197)
51
6 BEDIENINGSELEMENTEN
Hoofdwerkzaamheden
– Afsluitrubber
optillen en in het bereik
1
–
F01898-10
52
Opbergvak openen.
A losmaken.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
6.16
Opbergvak links sluiten
Hoofdwerkzaamheden
– Opbergvak sluiten.
–
Afsluitrubber
1 optillen en in het bereik A bevestigen.
F01899-10
Werkzaamheden achteraf
– Zijbekleding links monteren. (
pag. 198)
–
pag. 185)
Bestuurderszadel monteren. (
53
6 BEDIENINGSELEMENTEN
–
6.17
Buddyseat monteren. (
Opbergvak rechts openen
Werkzaamheden vooraf
– Buddyseat verwijderen. (
54
pag. 184)
pag. 183)
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
–
Zijbekleding rechts demonteren. (
pag. 184)
pag. 199)
BEDIENINGSELEMENTEN 6
Hoofdwerkzaamheden
– Afsluitrubber
optillen en in het bereik
1
–
A losmaken.
Opbergvak openen.
F01900-10
55
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.18
Opbergvak rechts sluiten
Hoofdwerkzaamheden
– Opbergvak sluiten.
–
Afsluitrubber
1 optillen en in het bereik A bevestigen.
F01901-10
Werkzaamheden achteraf
– Zijbekleding rechts monteren. (
–
56
Bestuurderszadel monteren. (
pag. 200)
pag. 185)
BEDIENINGSELEMENTEN 6
–
6.19
Buddyseat monteren. (
pag. 184)
Boordgereedschap
In het opbergvak links of rechts bevindt zich het boordgereedschap
.
1
F01905-10
57
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.20
Grepen
1
De grepen
zijn bestemd voor het rangeren van de motorfiets.
Bij het rijden met een passagier kan deze zich hieraan vasthouden.
F01903-10
6.21
Bagagedragerplaat
1
De bagagedragerplaat
bevindt zich achter de buddyseat.
Op de bagagedragerplaat kan de basisplaat van een koffersysteem
(optioneel) worden bevestigd.
De bagagedragerplaat mag maximaal met het aangegeven gewicht
worden belast.
Maximaal toegestane
belasting van de
bagagedragerplaat
F01903-11
58
5 kg
BEDIENINGSELEMENTEN 6
Info
Op de aanwijzingen van de kofferfabrikant letten.
6.22
Zadelslot
1
Het zadelslot
bevindt zich aan de linkerkant van het voertuig.
Hij kan met de contactsleutel ontgrendeld worden.
F01902-10
59
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.23
Voetsteun passagier
De voetsteunen voor de passagier kunnen worden ingeklapt.
Mogelijke toestanden
• Voetsteun passagier ingeklapt – Voor het rijden zonder passagier.
• Voetsteun passagier uitgeklapt – Voor het rijden met passagier.
F01904-10
6.24
Versnellingshendel
De versnellingshendel
gemonteerd.
V01271-11
60
1 is aan de linkerkant van de motor
BEDIENINGSELEMENTEN 6
De positie van de versnellingen kan afgelezen worden van de
afbeelding.
De neutrale of stationaire stand bevindt zich tussen de 1e en 2e
versnelling.
V01271-10
6.25
Rempedaal
1
Het rempedaal
bevindt zich voor de rechter voetsteun.
De achterwielrem wordt geschakeld met het rempedaal.
402177-10
61
6 BEDIENINGSELEMENTEN
6.26
Zijstandaard
1
De zijstandaard
bevindt zich aan de linker voertuigzijde.
De zijstandaard wordt gebruikt voor het parkeren van de motorfiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard opgeklapt zijn.
De zijstandaard is gekoppeld aan het veiligheidsstartsysteem. Lees de rij-instructies.
402029-10
62
Mogelijke toestanden
• Zijstandaard uitgeklapt – Het voertuig kan op de zijstandaard
worden neergezet. Het veiligheidsstartsysteem is actief.
• Zijstandaard ingeklapt – Deze stand is altijd nodig als u gaat
rijden. Het veiligheidsstartsysteem is niet actief.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.1
Gecombineerd instrument
Het gecombineerde instrument is voor het stuur aangebracht.
Het gecombineerde instrument is ingedeeld in twee functiesegmenten.
Controlelampjes ( pag. 68)
Display
1
2
F01763-10
7.2
Activering en test
Activering
Het gecombineerde instrument wordt ingeschakeld met het contact.
Info
De helderheid van de indicaties wordt geregeld door een
omgevingslichtsensor in het gecombineerde instrument.
F01764-01
Test
Op het display verschijnt de begroetingstekst en alle controlelampjes branden kort in het kader van een functiecontrole.
63
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Info
Het controlelampje storing brandt altijd, zolang de motor
niet draait. Als de motor draait en het controlelampje storing brandt, volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
Het waarschuwingslampje oliedruk brandt altijd, zolang
de motor niet draait. Wanneer de motor draait en het waarschuwingslampje oliedruk brandt, onmiddellijk volgens
de geldende verkeersregels stoppen en de motor afzetten.
Het ABS-waarschuwingslampje en het
TC-controlelampje branden tot een snelheid van ca.
6 km/h (ca. 4 mph) of meer is bereikt.
7.3
Dag‑nacht-modus
De dagmodus wordt in lichte kleuren weergegeven.
F01765-01
64
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
De nachtmodus wordt in donkere kleuren weergegeven.
Info
F01765-02
7.4
De omgevingslichtsensor in het gecombineerde instrument
meet de lichtsterkte van de omgeving. Afhankelijk van de
lichtsterkte die de omgevingslichtsensor meet, wordt het
display lichter of donkerder en wordt afhankelijk van de
instelling in de andere modus geschakeld.
De weergavemodus kan in het submenu Display Theme worden geconfigureerd. Hier kan de automatische dag-nachtmodus of permanente nachtmodus worden geselecteerd.
Waarschuwingen
Waarschuwingen verschijnen aan de bovenste en/of onderste displayrand, afhankelijk van de relevantie hebben ze een gele of rode
achtergrond.
Gele waarschuwingen
tonen fouten of informatie die een snelle
interventie of aanpassing van de rijstijl vereisen.
Rode waarschuwingen
tonen fouten of informatie die een
onmiddellijke interventie vereisen.
1
2
F01766-10
65
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Info
Waarschuwingen worden verborgen door op een willekeurige knop te drukken.
Alle bestaande waarschuwingen worden in het
submenu Warning weergegeven tot ze niet meer actief zijn.
7.5
Waarschuwing voor glad wegdek
Het verschijnen van de waarschuwing voor glad wegdek wijst op
een verhoogd risico op gladde wegen.
De waarschuwing voor glad wegdek verschijnt op het display
wanneer de omgevingstemperatuur onder de aangegeven waarde is
gedaald.
Temperatuur
F01767-01
≤ 4 °C
De waarschuwing voor glad wegdek verdwijnt weer van het display wanneer de omgevingstemperatuur weer boven de aangegeven
waarde is gestegen.
Temperatuur
≥ 6 °C
Info
Wanneer de waarschuwing voor glad wegdek
schijnt ook de waarschuwing ICE WARNING.
66
oplicht, ver-
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
67
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.6
Controlelampjes
F01768-01
68
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
De controlelampjes geven extra informatie over de toestand van de motorfiets.
Bij het inschakelen van het contact gaan alle controlelampjes behalve het TC-controlelampje
kort branden.
Info
Het controlelampje storing brandt altijd, zolang de motor niet draait. Als de motor draait en het controlelampje storing brandt, volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde
KTM-garage.
Het waarschuwingslampje oliedruk brandt altijd, zolang de motor niet draait. Wanneer de motor draait
en het waarschuwingslampje oliedruk brandt, onmiddellijk volgens de geldende verkeersregels stoppen
en de motor afzetten.
Het ABS-waarschuwingslampje en het TC-controlelampje branden tot een snelheid van ca. 6 km/h
(ca. 4 mph) of meer is bereikt.
Mogelijke toestanden
Controlelampje voor richtingaanwijzer knippert groen in knipperritme – Richtingaanwijzer is
ingeschakeld.
Controlelampje storing brandt geel – De OBD heeft een fout in de voertuigelektronica
geconstateerd. Volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde
KTM-garage.
ABS-waarschuwingslampje brandt/knippert geel – Status- of foutmelding bij het ABS. Het
ABS-waarschuwingslampje knippert als de ABS-modus Offroad is geactiveerd.
Controlelampje stationair brandt groen – Versnelling is in positie vrij geschakeld.
69
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
TC-controlelampje brandt/knippert geel – MTC ( pag. 296) is niet actief of is bezig met
regelen. Het TC-controlelampje brandt ook als er een fout wordt herkend. Contact opnemen
met geautoriseerde KTM-garage. Het TC-controlelampje knippert als MTC actief ingrijpt.
Waarschuwingslampje oliedruk brandt rood – Oliedruk is te laag. Onmiddellijk veilig stoppen
en de motor afzetten.
Controlelampje alarminstallatie brandt/knippert rood – Status- of foutmelding bij de alarminstallatie.
Controlelampje cruisecontrol (optioneel) brandt geel – De functie cruisecontrol is ingeschakeld, maar de cruisecontrol is niet actief.
Controlelampje cruisecontrol (optioneel) brandt groen – De functie cruisecontrol is ingeschakeld en de cruisecontrol is actief.
Controlelampje groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.
Algemeen waarschuwingslampje brandt geel – Een aanwijzing/waarschuwing voor de veiligheid
is gedetecteerd. Dit wordt ook op het display weergegeven.
70
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
71
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.7
Display
F01769-10
72
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
1
1
2
3
4
5
6
7
8
9
bk
bl
bm
bn
bo
bp
bq
br
bs
Toerental (
pag. 75)
Schakelindicator (
pag. 76)
De schakelindicator is in de weergave van de toerenteller geïntegreerd.
Versnellingsindicatie
Eenheid voor de toerentalindicatie
Snelheidsindicator (
pag. 77)
Eenheid voor de snelheidsindicatie
Weergave van de cruisecontrol (optioneel) (
Ride‑weergave (
pag. 79)
ABS‑weergave (
pag. 79)
MTC‑weergave (
pag. 80)
Weergave van de koelmiddeltemperatuur (
Brandstofpeilweergave (
pag. 78)
pag. 80)
pag. 82)
Omgevingslucht-temperatuurindicator (
Waarschuwing voor glad wegdek (
pag. 83)
pag. 66)
Bluetooth® (optioneel)
GPS (optioneel)
Tijd (
pag. 83)
SET
Wordt alleen bij gesloten menu weergegeven.
Favorites‑weergave (
pag. 84)
73
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.8
RALLY display (optioneel)
F01770-10
74
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
De afbeelding toont het startscherm van het gecombineerde instrument bij geactiveerde rijmodus RALLY.
Als het menu geopend is, wordt verder de snelheid weergegeven.
1
2
3
4
7.9
Rijmodus RALLY (optioneel)
ABS‑modus
Throttle Response (optioneel) (
Slipaanpassing (optioneel) (
pag. 297)
pag. 297)
Toerental
Het toerental wordt in omwentelingen per minuut weergegeven.
F01771-01
75
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.10
Schakelindicator
De schakelindicator is in de weergave van de toerenteller geïntegreerd.
In het submenu Shift Light kan het toerental voor de schakelindicator worden ingesteld. Tijdens de inrijfase (tot 1000 km/621 mi) is
de schakelindicator altijd actief. Pas daarna kan de schakelindicator worden gedeactiveerd en kunnen de waarden voor Lights up en
Flashes worden ingesteld. Bij Lights up knippert de schakelindicator en bij Flashes knippert deze en de kleur verandert.
Info
F01772-01
In de 6e versnelling is de schakelindicator bij warme motor
na de eerste service gedeactiveerd.
76
Koelmiddeltemperatuur
≤ 35 °C
ODO
< 1.000 km
Schakelindicator
knippert altijd bij
6.500 1/min
Koelmiddeltemperatuur
> 35 °C
ODO
> 1.000 km
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.11
Lights upschakelindicator
knippert
Flashesschakelindicator
knippert en verandert van kleur
Snelheidsindicator
De snelheid wordt in kilometer per uur km/h of in mijl per uur mph
weergegeven.
De eenheid van de snelheid kan in het submenu Distance worden
geconfigureerd.
F01773-01
77
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.12
Weergave van de cruisecontrol (optioneel)
Bij geactiveerde cruisecontrol wordt de bedrijfstoestand op het
display van het gecombineerde instrument weergegeven.
De cruisecontrol wordt bestuurd met de
schakelaar van de cruisecontrol ( pag. 36).
Info
F01774-01
78
Als de functie cruisecontrol is ingeschakeld maar de cruisecontrol niet actief is, brandt het controlelampje cruisecontrol geel.
Als de functie cruisecontrol is ingeschakeld en de cruisecontrol actief is, brandt het controlelampje cruisecontrol
groen.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.13
Ride‑weergave
1
De ingestelde Ride Mode ( pag. 295) wordt in het bereik
van
het display weergegeven.
In het submenu Ride Mode kan de rijmodus worden geconfigureerd.
F01775-10
7.14
ABS‑weergave
1
De ingestelde ABS-modus wordt in het gedeelte
van het display weergegeven.
In het submenu ABS kan het ABS worden geconfigureerd.
F01775-11
79
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.15
MTC‑weergave
1
In het bereik
van het display wordt weergegeven of MTC
( pag. 296) is in- of uitgeschakeld.
In het submenu MTC kan de motorfietstractiecontrole worden inof uitgeschakeld.
F01775-12
7.16
Weergave van de koelmiddeltemperatuur
De weergave van de koelmiddeltemperatuur bestaat uit balkjes.
Hoe meer balkjes er branden, hoe warmer het koelmiddel.
Bij een koelmiddeltemperatuur van 120 °C wordt de noodloopmodus automatisch ingeschakeld.
F01776-01
80
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Aanwijzing
Motorschade Bij oververhitting raakt de motor beschadigd.
–
Stop onmiddellijk volgens de verkeersregels en schakel de
motor uit wanneer de waarschuwing voor de koelmiddeltemperatuur verschijnt.
–
Laat de motor en het koelsysteem afkoelen.
–
Controleer resp. corrigeer het koelmiddelpeil bij afgekoeld
koelsysteem.
Info
Bij het knipperen van alle balkjes verschijnt ook de waarschuwing ENGINE TEMP HIGH.
Als het koelsysteem oververhit raakt, wordt het maximale
motortoerental begrensd.
Mogelijke toestanden
• Motor koud – Tot drie balkjes branden.
• Motor warm – Vier balkjes branden.
• Motor heet – Vijf tot acht balkjes branden.
• Motor zeer heet – Alle acht balkjes branden rood.
81
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.17
Brandstofpeilweergave
De brandstofpeilweergave bestaat uit balkjes. Hoe meer balkjes er
branden, hoe meer brandstof zich in de brandstoftank bevindt.
Info
F01777-01
82
De meting van de brandstofvoorraad wordt pas vanaf het
bereiken van de helft van de brandstoftankinhoud actief.
Tot de helft van de brandstoftankinhoud wordt de brandstofpeilweergave als vol weergegeven.
Als de brandstofvoorraad bijna is verbruikt, knippert het
laatste segment rood en verschijnt bovendien de waarschuwing LOW FUEL.
Om voortdurend schommelen van de weergave tijdens het
rijden te vermijden, wordt het brandstofpeil iets vertraagd
weergegeven.
Als de zijstandaard is uitgeklapt of als de noodstopschakelaar is uitgeschakeld, wordt de brandstofpeilweergave niet
geactualiseerd.
Als de zijstandaard wordt ingeklapt en de noodstopschakelaar ingeschakeld, wordt de volgende actualisering pas na
2 minuten uitgevoerd.
Als het gecombineerde instrument geen signaal van de
brandstofpeilsensor ontvangt, knippert de brandstofpeilweergave.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.18
Omgevingslucht-temperatuurindicator
De omgevingstemperatuur wordt in °C of °F weergegeven.
In het submenu Temperature kan de eenheid van de omgevingstemperatuur worden geconfigureerd.
F01778-01
7.19
Tijd
In alle talen behalve EN-US wordt de tijd in de 24‑uursnotatie
weergegeven. Als de taal EN-US ingesteld is, wordt de tijd weergegeven in de 12-uursnotatie.
In het submenu Clock/Date kan de tijd worden geconfigureerd.
Info
De tijd moet worden ingesteld als de 12V-accu losgekoppeld is geweest van het voertuig of als de zekering eruit is
gehaald.
F01779-01
83
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.20
Favorites‑weergave
In de Favorites‑weergave worden tot acht informatieteksten weergegeven.
In het submenu Favorites kan de Favorites‑weergave vrij worden
geconfigureerd.
Info
Eén tot vier geselecteerde informatieteksten worden op
twee regels weergegeven. Vijf tot acht geselecteerde informatieteksten worden op één regel weergegeven.
F01780-01
7.21
Quick Selector 1‑weergave
Door op de UP-knop te drukken, wordt bij gesloten menu
de Quick Selector 1-weergave opgeroepen.
Door op de BACK‑knop te drukken, wordt de Quick Selector 1weergave gesloten.
Info
In het submenu Quick Selector 1 kan de Quick Selector 1‑weergave worden geconfigureerd. Er kan een
willekeurige informatietekst worden geselecteerd.
F01781-01
84
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.22
Quick Selector 2‑weergave
Door op de DOWN-knop te drukken, wordt bij gesloten menu
de Quick Selector 2-weergave opgeroepen.
Door op de BACK‑knop te drukken, wordt de Quick Selector 2weergave gesloten.
Info
In het submenu Quick Selector 2 kan de Quick Selector 2‑weergave worden geconfigureerd. Er kan een
willekeurige informatietekst worden geselecteerd.
F01782-01
7.23
Navigation‑weergave (optioneel)
De Navigation-weergave verschijnt bij geactiveerde navigatiefunctie.
In de Navigation‑weergave worden de richtingspijl, de afstand tot
de bestemming, de geschatte aankomsttijd van de mobiele telefoon, de afstand tot het volgende wegpunt en de straatnaam weergegeven.
In het submenu Navigation kan de Navigation‑weergave worden
geconfigureerd.
F01783-01
85
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Info
Als de visuele navigatie is geactiveerd, wordt de Favorites‑weergave verborgen.
7.24
Menu
Info
Om het menu te openen op het startscherm op
de SET‑knop
drukken.
Met de UP-knop
of de DOWN-knop
in het menu
navigeren.
Door de BACK-knop
in te drukken springt de menustructuur een stap terug resp. wordt het menu gesloten.
1
2
4
F01784-10
86
3
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.1
KTM MY RIDE (optioneel)
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01785-01
•
Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
•
Functie Bluetooth® (optioneel) geactiveerd.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot KTM MY RIDE is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
In het menu KTM MY RIDE kan een geschikte mobiele telefoon of
geschikte headset via Bluetooth® met het gecombineerde instrument worden verbonden en kunnen de audiofunctie en de navigatiefunctie worden geconfigureerd.
Info
Niet elke mobiele telefoon en niet elke headset is geschikt
om met het gecombineerde instrument te verbinden.
De standaard Bluetooth® 2.1 moet ondersteund worden.
87
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.2
Audio (optioneel)
Voorwaarden
• Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
F01786-01
•
Functie Bluetooth® (optioneel) geactiveerd.
•
Het gecombineerde instrument is met een geschikte mobiele
telefoon verbonden.
•
Het gecombineerde instrument is met een geschikte headset
verbonden.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot KTM MY RIDE is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te hoog volume van uw koptelefoon kan van het verkeer afleiden.
–
88
Stel het volume van uw koptelefoon zodanig in dat
u het overige verkeer nog kunt horen.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Audio is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Ingedrukt houden van de UP‑knop verhoogt het audiovolume.
–
Ingedrukt houden van de DOWN‑knop verlaagt het audiovolume.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
–
Kort indrukken van de UP‑knop wisselt naar de volgende audiotitel.
–
Door kort of twee keer kort drukken op de DOWN-knop wordt
afhankelijk van het telefoonmodel naar de vorige audiotitel
gewisseld of de actuele audiotitel opnieuw van voren afgespeeld.
–
Drukken op de SET‑knop speelt de audiotitel af of pauzeert de
audiotitel.
Info
Bij sommige mobiele telefoons moet de audioplayer van
de mobiele telefoon worden gestart, voordat de weergave mogelijk is.
Voor een eenvoudigere bediening kan de audiofunctie
aan Quick Selector 1 of aan Quick Selector 2 worden toegevoegd.
89
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.3
Navigation (optioneel)
Voorwaarden
• Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
F01787-01
•
Functie Bluetooth® (optioneel) geactiveerd.
•
De KTM MY RIDE-app (optioneel) is op een geschikte mobiele
telefoon (Android®-apparaten vanaf versie 6.0, iOS-apparaten
vanaf versie 10) geïnstalleerd en geopend.
•
Het gecombineerde instrument is met een geschikte mobiele
telefoon verbonden.
•
De GPS-functie is geactiveerd op de verbonden telefoon.
•
Voor spraaknavigatie: het gecombineerde instrument is met
een geschikte headset verbonden en een geschikt taalpakket
werd in de KTM MY RIDE-app gedownload.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot KTM MY RIDE is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Navigation is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
In het submenu Navigation kan de navigatiefunctie worden geconfigureerd.
90
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
De audiofunctie kan gelijktijdig met de navigatiefunctie
worden gebruikt.
Een binnenkomende oproep wordt bij actieve navigatiefunctie in een klein venster in de bovenste displayrand van
het gecombineerde instrument weergegeven.
Bij ingeschakelde navigatiefunctie en verbonden apparaat
verschijnt het GPS-symbool op het display van het gecombineerde instrument.
7.24.4
Navigatie setup (optioneel)
Voorwaarden
• Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
F01788-01
•
De KTM MY RIDE-app (optioneel) is op een geschikte mobiele
telefoon (Android®-apparaten vanaf versie 6.0, iOS-apparaten
vanaf versie 10) geïnstalleerd en geopend.
•
Het gecombineerde instrument is met een geschikte mobiele
telefoon verbonden.
•
De GPS-functie is geactiveerd op de verbonden telefoon.
•
Voor spraaknavigatie: het gecombineerde instrument is met
een geschikte headset verbonden en een geschikt taalpakket
werd in de KTM MY RIDE-app gedownload.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
91
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot KTM MY RIDE is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Navigation is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Navigation Setup is geselecteerd. Door de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET-knop in te drukken de visuele navigatie in- of uitschakelen.
Info
Een geactiveerde spraaknavigatie blijft verder ingeschakeld.
92
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.5
Volume (optioneel)
Voorwaarden
• Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
F01863-01
•
De KTM MY RIDE-app (optioneel) is op een geschikte mobiele
telefoon (Android®-apparaten vanaf versie 6.0, iOS-apparaten
vanaf versie 10) geïnstalleerd en geopend.
•
Het gecombineerde instrument is met een geschikte mobiele
telefoon verbonden.
•
De GPS-functie is geactiveerd op de verbonden telefoon.
•
Voor spraaknavigatie: het gecombineerde instrument is met
een geschikte headset verbonden en een passend taalpakket is
in de KTM MY RIDE-app gedownload.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot KTM MY RIDE is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Navigation is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te hoog volume van uw koptelefoon kan van het verkeer afleiden.
–
Stel het volume van uw koptelefoon zodanig in dat
u het overige verkeer nog kunt horen.
93
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.6
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Volume is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
Door de UP‑knop in te drukken wordt het volume van de geactiveerde spraaknavigatie verhoogd.
–
Door de DOWN‑knop in te drukken wordt het volume van de
geactiveerde spraaknavigatie verlaagd.
Pairing (optioneel)
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01791-01
•
Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
•
Functie Bluetooth® (optioneel) geactiveerd.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot KTM MY RIDE is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Pairing is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
In het submenu Pairing kan een geschikte mobiele telefoon of
headset via Bluetooth® met het gecombineerde instrument worden
verbonden.
94
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
De functie Bluetooth® kan alleen in combinatie met
KTM MY RIDE (optioneel) worden gebruikt.
Bij ingeschakelde Bluetooth®-functie en verbonden apparaat
verschijnt het Bluetooth®-symbool op het display van het
gecombineerde instrument.
Niet elke mobiele telefoon en niet elke headset is geschikt
om met het gecombineerde instrument te verbinden.
7.24.7
Phone (optioneel)
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
•
Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
•
Functie Bluetooth (optioneel) geactiveerd.
•
Functie Bluetooth® op het apparaat dat moet worden gekoppeld
eveneens geactiveerd.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot KTM MY RIDE is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Pairing is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Phone is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
F01792-01
95
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Info
Er kunnen nooit twee mobiele telefoons tegelijkertijd
met het gecombineerde instrument worden verbonden.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Pairing is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
Het gecombineerde instrument start het zoeken naar een
geschikte mobiele telefoon. Als het zoeken succesvol is, wordt
de naam van de mobiele telefoon in het submenu Pairing
weergegeven. Door de SET‑knop in te drukken, wordt de
verbinding gestart.
Info
De mobiele telefoon moet via Bluetooth® zichtbaar zijn,
zodat deze door het gecombineerde instrument kan
worden gevonden.
–
96
Op het gecombineerde instrument verschijnt een melding, dat
dit gereed is voor de verbinding. Door bevestiging van Passkey
op de mobiele telefoon en op het gecombineerde instrument
wordt de verbinding succesvol afgesloten.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
Bij succesvolle verbinding wordt de naam van de verbonden mobiele telefoon in het submenu Phone weergegeven.
UP- of DOWN-knop indrukken tot het gekoppelde apparaat is geselecteerd. Door de SET-knop in te drukken,
kan het gekoppelde apparaat worden gewist.
Niet elke mobiele telefoon is geschikt om met het
gecombineerde instrument te verbinden.
–
Het reeds eerder verbonden apparaat bij geactiveerde Bluetooth®-functie binnen het bereik van het gecombineerde instrument brengen.
Het apparaat wordt automatisch met het gecombineerde
instrument verbonden.
Als het apparaat niet automatisch na ca. 30 seconden met
het gecombineerde instrument wordt verbonden:
–
gecombineerd instrument opnieuw opstarten of Pairing-procedure herhalen.
In het submenu Phone kan een geschikte mobiele telefoon met het
gecombineerde instrument worden verbonden.
97
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.8
Headset (optioneel)
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
•
Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
•
Functie Bluetooth (optioneel) geactiveerd.
•
Functie Bluetooth® op het apparaat dat moet worden gekoppeld
eveneens geactiveerd.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot KTM MY RIDE is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Pairing is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Headset is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Pairing is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
Het gecombineerde instrument start het zoeken naar
een geschikte headset. Als het zoeken succesvol is,
wordt de naam van de headset in het submenu Pairing
weergegeven. Door de SET‑knop in te drukken het apparaat
selecteren. Door de SET‑knop nog een keer in te drukken
het submenupunt Confirm bevestigen. De verbinding van
een headset met het gecombineerde instrument wordt hier
succesvol afgesloten.
F01793-01
98
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
De headset moet zich in de pairing-modus bevinden,
zodat de headset door het gecombineerde instrument
kan worden gevonden. Bedieningshandleiding van de
headset in acht nemen.
Bij succesvolle verbinding wordt de naam van de verbonden headset in het submenu Headset weergegeven.
UP- of DOWN-knop indrukken tot het gekoppelde apparaat is geselecteerd. Door de SET-knop in te drukken,
kan het gekoppelde apparaat worden gewist.
Niet elke headset is geschikt om met het gecombineerde instrument te verbinden.
–
Het reeds eerder verbonden apparaat bij geactiveerde Bluetooth®-functie binnen het bereik van het gecombineerde instrument brengen.
Het apparaat wordt automatisch met het gecombineerde
instrument verbonden.
Als het apparaat niet automatisch na ca. 30 seconden met
het gecombineerde instrument wordt verbonden:
–
gecombineerd instrument opnieuw opstarten of Pairing-procedure herhalen.
In het submenu Headset kan een geschikte headset met het
gecombineerde instrument worden verbonden.
99
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.9
Telefonie (optioneel)
Voorwaarden
• Functie KTM MY RIDE (optioneel) geactiveerd.
•
Functie Bluetooth® (optioneel) geactiveerd.
•
Functie Bluetooth® op het apparaat dat moet worden gekoppeld
eveneens geactiveerd.
•
Het gecombineerde instrument is met een geschikte mobiele
telefoon verbonden.
•
Het gecombineerde instrument is met een geschikte headset
verbonden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te hoog volume van uw koptelefoon kan van het verkeer afleiden.
–
F01794-01
100
Stel het volume van uw koptelefoon zodanig in dat
u het overige verkeer nog kunt horen.
–
Door de SET‑knop in te drukken, wordt een binnenkomende
oproep aangenomen.
–
Door de BACK‑knop in te drukken, wordt een binnenkomende
oproep afgewezen.
–
Ingedrukt houden van de UP‑knop verhoogt het audiovolume.
–
Ingedrukt houden van de DOWN‑knop verlaagt het audiovolume.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
De wijziging van het audiovolume met de gecombineerde schakelaar kan niet met elke mobiele telefoon
worden uitgevoerd.
Belduur en contactpersoon worden weergegeven.
Afhankelijk van de instelling van de mobiele telefoon
wordt de contactpersoon met naam weergegeven.
Een binnenkomende oproep wordt bij actieve navigatiefunctie in een klein venster in de bovenste displayrand
van het gecombineerde instrument weergegeven.
Bij actieve telefonie kan niet in het menu worden genavigeerd.
7.24.10 Trips/Data
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Trips/Data is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
In het menu Trips/Data kan algemene informatie worden opgeroepen.
F01795-01
101
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.11 General Info
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Trips/Data is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot General Info is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
In het submenu General Info kunnen datum, afgelegde totale
afstand en accuspanning van de12V‑accu worden opgeroepen.
F01796-01
102
Info
Date geeft de datum aan.
ODO geeft de totale afstand aan.
Battery toont de accuspanning van de 12V‑accu.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.12 Trip 1
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Trips/Data is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Trip 1 is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
In het submenu Trip 1 kan informatie over Trip 1 worden opgeroepen.
F01797-01
Info
Trip geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset,
bijvoorbeeld tussen twee tankstops. Trip loopt mee en telt
tot 9999.
ØCons toont het gemiddelde verbruik op basis van Trip.
ØSpeed toont de gemiddelde snelheid op basis van Trip
en Trip Time.
Trip Time toont de rijtijd op basis van Trip en loopt zodra
een snelheidssignaal wordt ontvangen.
Fuel Range toont de mogelijk af te leggen afstand met de
brandstofreserve.
SET‑knop
3‑5 seconden ingedrukt
houden.
Alle items in het submenu Trip 1 worden gereset.
103
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.13 Trip 2
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Trips/Data is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Trip 2 is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
In het submenu Trip 2 kan informatie over Trip 2 worden opgeroepen.
F01798-01
Info
Trip geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset,
bijvoorbeeld tussen twee tankstops. Trip loopt mee en telt
tot 9999.
ØCons toont het gemiddelde verbruik op basis van Trip.
ØSpeed toont de gemiddelde snelheid op basis van Trip
en Trip Time.
Trip Time toont de rijtijd op basis van Trip en loopt zodra
een snelheidssignaal wordt ontvangen.
Fuel Range toont de mogelijk af te leggen afstand met de
brandstofreserve.
SET‑knop
3‑5 seconden ingedrukt
houden.
104
Alle items in het submenu Trip 2 worden gereset.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.14 TPMS (functie optioneel)
Voorwaarden
• Model met TPMS.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Trips/Data is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het controlesysteem voor de
bandenspanning vormt geen vervanging voor de controle voordat u gaat rijden.
F01799-01
Om valse alarmen te vermijden, worden de bandenspanningswaarde over meerdere minuten geëvalueerd.
–
–
Controleer de bandenspanning voor iedere rit.
–
Corrigeer de bandenspanning als de deze afwijkt
van de opgegeven waarde.
–
Stop ook bij correcte bandenspanningswaarden
meteen als het gedrag van het voertuig op een
drukverlies in de band wijst.
UP- of DOWN‑knop indrukken tot TPMS is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
105
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
Voorgeschreven waarde
Bandendruk solo / met passagier / volledig laadvermogen
voor: bij koude band
2,4 bar
achter: bij koude band
2,9 bar
In het submenu TPMS kan de bandenspanning van de voor- en
achterbanden worden opgeroepen.
Info
FW geeft de bandenspanning voor aan.
RW geeft de bandenspanning achter aan.
7.24.15 Warning
Voorwaarden
• Melding of waarschuwing aanwezig.
F01800-01
106
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Trips/Data is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Warning is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop door de waarschuwingen navigeren.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
De opgetreden waarschuwingen worden weergegeven en
opgeslagen tot ze niet meer actief zijn.
7.24.16 Ride Mode
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Ride Mode is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
In het menu Ride Mode kan de rijmodus van het voertuig worden
geconfigureerd.
F01831-01
107
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.17 Ride Mode
Voorwaarden
• Noodstopschakelaar gedeactiveerd.
•
Functie cruisecontrol (optioneel) gedeactiveerd.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Ride Mode is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Ride Mode op het display is
gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET‑knop in te drukken, kunnen op elkaar afgestemde
instellingen van motorfiets en motorfietstractiecontrole worden
geselecteerd.
F01801-01
STREET – Gehomologeerd vermogen met evenwichtige
respons, de motorfietstractiecontrole laat een normale slip
aan het achterwiel toe. De antiwheeliemodus is actief.
RAIN – Gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor
betere rijbaarheid, de motorfietstractiecontrole laat een
normale slip aan het achterwiel toe. De antiwheeliemodus
is actief.
108
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
OFFROAD – Gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor
betere rijbaarheid, de motorfietstractiecontrole laat een
hogere slip aan het achterwiel toe. De antiwheeliemodus
is gedeactiveerd.
RALLY (optioneel) – Instelling met gehomologeerd vermogen en uiterst directe respons. De motorfietstractiecontrole en de karakteristiek van de gasrespons kunnen individueel worden ingesteld. De antiwheeliemodus is gedeactiveerd.
Info
Tijdens de selectie geen gas geven.
7.24.18 Rally (optioneel)
Voorwaarden
• De rijmodus RALLY (optioneel) is geactiveerd.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Rally op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
In het menu Rally kunnen de afzonderlijke instellingen van de
RALLY PACK worden aangepast.
F01802-01
109
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.19 Throttle Response (optioneel)
Voorwaarden
• De rijmodus RALLY (optioneel) is geactiveerd.
F01803-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Rally op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Throttle Response op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken wordt het
submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET-knop in te drukken kan de karakteristiek van de
gasrepons worden aangepast.
STREET - Uitgebalanceerde respons.
RALLY - Uiterst directe respons.
OFFROAD - Zeer directe respons.
Info
Bij het aanpassen van de gasrespons geen gas geven.
110
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.20 Leave Rally (optioneel)
Voorwaarden
• De rijmodus RALLY (optioneel) is geactiveerd.
F01804-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Rally op het display is gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Leave Rally op het display is
gemarkeerd. Door de SET‑knop in te drukken wordt de rijmodus RALLY beëindigd en wordt automatisch naar de rijmodus
STREET gewisseld.
Info
Bij de deactivering van de rijmodus RALLY geen gas
geven.
111
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.21 Motorcycle
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Motorcycle is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
In het menu Motorcycle kunnen de motorfietstractiecontrole en de
quickshifter + (optioneel) worden in- of uitgeschakeld en het ABS
worden geconfigureerd.
F01805-01
7.24.22 MTC
F01806-01
112
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Motorcycle is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot MTC is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET-knop in te drukken MTC in- of uitschakelen.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
Bij het in- of uitschakelen geen gas geven.
Na het inschakelen van het contact is de motorfietstractiecontrole weer actief.
SET‑knop
3‑5 seconden ingedrukt
houden.
Activering van de motorfietstractiecontrole.
7.24.23 ABS
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Motorcycle is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
Aanwijzing
Vervallen van de toelating op de openbare weg en de verzekering Als het ABS compleet wordt uitgeschakeld, vervalt de
toelating van het voertuig voor de openbare weg.
–
F01807-01
Gebruik het voertuig alleen op afgezette trajecten en niet
op de openbare weg als het ABS compleet wordt uitgeschakeld.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot ABS is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
113
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
–
Door de SET-knop in te drukken ABS uitschakelen of de
gewenste ABS-modus selecteren.
Info
De ABS‑modus kan tijdens het rijden worden gewisseld,
maar niet worden gedeactiveerd.
Tijdens de selectie geen gas geven.
Het ABS kan alleen weer worden geactiveerd door het
contact opnieuw in te schakelen.
Als de ABS‑modus Road actief is, regelt het ABS aan
beide wielen.
Als de ABS‑modus Offroad actief is, regelt het ABS
alleen aan het voorwiel. Het achterwiel wordt niet meer
via het ABS geregeld; het kan bij het remmen blokkeren.
114
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.24 Quick Shift+ (optioneel)
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Motorcycle is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Quick Shift+ is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET-knop in te drukken de quickshifter +
( pag. 157) in- of uitschakelen.
F01808-01
7.24.25 Settings
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01809-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
In het menu Settings kunnen favorieten, snelkeuzes en de weergave van het gecombineerde instrument worden geconfigureerd.
Er kunnen instellingen voor eenheden of verschillende waarden
worden uitgevoerd. Enkele functies kunnen worden geactiveerd of
gedeactiveerd.
115
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.26 Favorites
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01810-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Favorites is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren en
met de SET‑knop de geselecteerde informatie aan de Favorites‑weergave toevoegen.
In het menu Favorites kunnen tot acht informatieteksten worden
geselecteerd.
116
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.27 Quick Selector 1
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01811-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Quick Selector 1 is geselecteerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET‑knop in te drukken kan voor Quick Selector 1 een
submenu voor directe selectie worden vastgelegd.
Info
Door de UP-knop in te drukken, wordt bij gesloten
menu het in Quick Selector 1 vastgelegde submenu
opgeroepen.
117
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.28 Quick Selector 2
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01812-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Quick Selector 2 is geselecteerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET‑knop in te drukken kan voor Quick Selector 2 een
submenu voor directe selectie worden vastgelegd.
Info
Door de DOWN-knop in te drukken, wordt bij gesloten
menu het in Quick Selector 2 vastgelegde submenu
opgeroepen.
118
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.29 Bluetooth (optioneel)
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01813-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Bluetooth is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Met de SET-knop de Bluetooth®-functie in- of uitschakelen.
Info
De functie Bluetooth® kan alleen in combinatie
met KTM MY RIDE (optioneel) worden gebruikt.
Als een apparaat via het submenu Pairing werd verbonden,
maar momenteel niet verbonden is, knippert bij ingeschakelde Bluetooth®-functie het Bluetooth®-symbool. Zodra een
apparaat is verbonden, brandt het Bluetooth®-symbool.
119
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.30 Display Theme
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01864-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Display Theme is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door op de SET-knop te drukken de automatische dag-nachtmodus of permanente nachtmodus instellen.
Info
Afhankelijk van de omgevingslichtsterkte wordt het display
in beide modi lichter of donkerder.
120
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.31 Shift Light
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01814-01
•
ODO > 1000 km (621 mi).
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Shift Light is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
In het submenu Shift Light kan de schakelindicator worden geconfigureerd.
7.24.32 Lights up
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01815-01
•
ODO > 1000 km (621 mi).
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Shift Light is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Lights up is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
121
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
–
Door de SET-knop in te drukken de waarde voor Lights up
instellen.
Info
Als het motortoerental de ingestelde waarde Lights up
bereikt, knippert de schakelindicator.
7.24.33 Flashes
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01816-01
122
•
ODO > 1000 km (621 mi).
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Shift Light is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Flashes is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET-knop in te drukken de waarde voor Flashes instellen.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Info
Als het motortoerental de ingestelde waarde Flashes
bereikt, knippert de schakelindicator en verandert de
kleur.
7.24.34 Shift Light
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01817-01
•
ODO > 1000 km (621 mi).
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Shift Light is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Shift Light is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET-knop in te drukken schakelindicator in- of uitschakelen.
7.24.35 Tijd en datum instellen
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
123
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings verschijnt. Door de
SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Clock/Date is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
F01818-01
Tijd instellen
– UP- of DOWN‑knop indrukken tot de gewenste tijd is gemarkeerd.
–
SET-knop indrukken.
Het uur wordt met een liggend streepje knipperend
gemarkeerd.
F01819-01
–
UP- of DOWN‑knop indrukken totdat het actuele uur ingesteld is.
–
SET-knop indrukken.
De minuut wordt met een liggend streepje knipperend
gemarkeerd.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken totdat de actuele minuut
ingesteld is.
–
SET-knop indrukken.
Tijd wordt opgeslagen.
124
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
Datum instellen
– UP- of DOWN‑knop indrukken tot de datum is gemarkeerd.
–
SET-knop indrukken.
De dag wordt met een liggend streepje knipperend
gemarkeerd.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken totdat de actuele dag ingesteld is.
–
SET-knop indrukken.
De maand wordt met een liggend streepje knipperend
gemarkeerd.
F01820-01
–
UP- of DOWN‑knop indrukken totdat de actuele maand
ingesteld is.
–
SET-knop indrukken.
Het jaar wordt met een liggend streepje knipperend
gemarkeerd.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken totdat het actuele jaar ingesteld is.
–
SET-knop indrukken.
Datum wordt opgeslagen.
125
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.36 DRL
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot DRL is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
Waarschuwing
F01821-01
Gevaar voor ongevallen Dagrijlicht is bij slecht zicht
geen vervanging voor dimlicht.
Bij zeer slecht zicht door mist, sneeuw of regen kan
de automatische omschakeling tussen dagrijlicht en
dimlicht slechts beperkt ter beschikking staan.
126
–
Steeds controleren of de juiste verlichting is geselecteerd.
–
Dagrijlicht voor het rijden of bij stilstand via het
menu uitschakelen, zodat het dimlicht permanent
is ingeschakeld.
–
Houdt u zich aan de wettelijke vereisten voor het
dagrijlicht.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET-knop in te drukken dagrijlicht in- of uitschakelen.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.37 Units
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01822-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Units is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
In het submenu Units kunnen instellingen voor eenheden of verschillende waarden worden uitgevoerd.
7.24.38 Distance
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Units is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Distance is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
F01823-01
127
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
–
Door de SET‑knop in te drukken, wordt de gewenste eenheid
bevestigd.
7.24.39 Temperature
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Units is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Temperature is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET‑knop in te drukken, wordt de gewenste eenheid
bevestigd.
F01824-01
128
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.40 Fuel Cons
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Units is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Fuel Cons is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET‑knop in te drukken, wordt de gewenste eenheid
bevestigd.
F01825-01
129
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.41 Language
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01826-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Language is geselecteerd.
Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop naar het menupunt navigeren.
–
Door de SET‑knop in te drukken, wordt de gewenste taal bevestigd.
Info
De menutalen zijn Engels US, Engels UK, Duits, Italiaans, Frans en Spaans.
130
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
7.24.42 Service
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
F01827-01
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Service is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop door de informatie navigeren.
Info
De resterende kilometers resp. de tijdsduur tot de volgende service en de actueel geïnstalleerde softwareversie worden weergegeven.
131
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
7.24.43 Extra Functions
Voorwaarden
• De motorfiets staat stil.
•
Motorfiets met optionele extra functie.
–
Bij gesloten menu de SET‑knop indrukken.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Settings is geselecteerd. Door
de SET‑knop in te drukken, wordt het menu geopend.
–
UP- of DOWN‑knop indrukken tot Extra Functions is geselecteerd. Door de SET‑knop in te drukken, wordt het submenu
geopend.
–
Met de UP- of DOWN‑knop door de extra functies navigeren.
F01828-01
Info
De optionele extra functies worden opgesomd.
De actuele KTM PowerParts en de beschikbare software
voor uw voertuig vindt u op de KTM-website.
132
ERGONOMIE 8
8.1
Bestuurderszadel instellen
Voorwerk
– Buddyseat verwijderen. (
–
pag. 183)
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 184)
Alternatief 1
– Het bestuurderszadel met de uitsparingen
aan de
brandstoftank vasthaken, omlaag en tegelijkertijd naar
voren schuiven.
1
401678-10
Alternatief 2
– Het bestuurderszadel met de uitsparingen
aan de
brandstoftank vasthaken, omhoog en tegelijkertijd naar
voren schuiven.
1
–
Vervolgens controleren of het bestuurderszadel correct is
gemonteerd.
401679-10
133
8 ERGONOMIE
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
8.2
pag. 184)
Stuurpositie
Op de bovenste kroonplaat bevinden zich drie boringen op
afstand
van elkaar.
De boringen op de stuuradapter zijn op afstand
van het midden geplaatst.
A
B
A
Afstand boringen B
Afstand boringen
F01906-10
8.3
15 mm
3,5 mm
Het stuur kan in zes verschillende posities worden gemonteerd.
Daardoor is het mogelijk het stuur in de aangenaamste positie voor
de bestuurder te zetten.
Stuurpositie instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een gerepareerd stuur vormt een veiligheidsrisico.
Als het stuur werd verbogen of uitgelijnd, treedt materiaalmoeheid op. Hierdoor kan het stuur breken.
–
134
Vervang het stuur, als het stuur is verbogen of beschadigd.
ERGONOMIE 8
–
1
2
3
Schroeven
verwijderen. Stuurklemmen
verwijderen.
Stuur zo positioneren, dat de schroeven
toegankelijk zijn.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
Kabels en leidingen niet knikken.
–
Schroeven
–
Stuuradapters in de gewenste positie
,
Schroeven
monteren en vastdraaien.
3 verwijderen. Stuuradapters 4 verwijderen.
A B of C zetten.
3
Voorgeschreven waarde
Stuuradapters links en rechts in dezelfde positie monteren.
Schroef stuuradapter
–
M10
45 Nm
Loctite®243™
Stuur positioneren.
Info
F01907-10
Erop letten dat de kabels en leidingen goed worden
gelegd.
–
Stuurklem positioneren. Schroeven
tig vastdraaien.
1 monteren en gelijkma-
135
8 ERGONOMIE
Voorgeschreven waarde
Schroef stuurklemmen
136
M8
20 Nm
ERGONOMIE 8
8.4
Windscherm instellen
Alternatief 1
– Schroef
–
1 verwijderen en windscherm 2 verwijderen.
Windscherm 2 in de onderste uitsparing A positioneren.
–
Schroef
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M5
5 Nm
F01926-10
137
8 ERGONOMIE
Alternatief 2
– Schroef
–
1 verwijderen en windscherm 2 verwijderen.
Windscherm 2 in de bovenste uitsparing B positioneren.
–
Schroef
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
F01923-10
138
M5
5 Nm
ERGONOMIE 8
8.5
Uitgangspositie koppelingshendel instellen
–
Koppelingshendel naar voren drukken.
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel met de
stelschroef
aanpassen aan de grootte van de hand.
1
Info
F01882-11
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid,
komt de koppelingshendel dichter bij het stuur te
staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid,
komt de koppelingshendel verder van het stuur af te
staan.
Het instelbereik is beperkt.
Stelschroef alleen met de hand draaien, geen geweld
gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
139
8 ERGONOMIE
8.6
Uitgangspositie van de remhendel instellen
–
Handremhendel naar voren voor drukken.
–
Uitgangspositie van de remhendel met de stelschroef
de grootte van de hand aanpassen.
1 aan
Info
F01883-11
140
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid,
komt de remhendel dichter bij het stuur te staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid,
komt de remhendel verder van het stuur af te staan.
Het instelbereik is beperkt.
Stelschroef alleen met de hand draaien, geen geweld
gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
ERGONOMIE 8
8.7
Rempedaalvlak instellen
–
–
1 met rempedaalvlak verwijderen.
Rempedaalvlak in de gewenste positie A of B zetten.
Schroeven 1 monteren en vastdraaien.
Schroeven
Voorgeschreven waarde
Schroef rempedaalvlak
M5
5 Nm
Loctite®243™
F01946-10
141
8 ERGONOMIE
8.8
Uitgangspositie van het rempedaal instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem druk op de achterwielrem op.
–
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
–
–
1 losmaken.
Moer 2 losdraaien.
Veer
Tip
Om het gemakkelijker te maken de rempedaal daarbij
naar beneden drukken.
–
F02003-10
142
3
Drukstang
draaien om de uitgangspositie van de rempedaal
in te stellen.
ERGONOMIE 8
Info
Het instelbereik is beperkt.
Minimaal vijf schroefgangen moeten ingeschroefd zijn.
Door de drukstang in het kogelscharnier te draaien,
wordt het rempedaal naar beneden gebracht.
Door de drukstang uit het kogelscharnier te draaien,
wordt het rempedaal naar boven gebracht.
–
4
5
Moer
losdraaien en schroef
zodanig draaien totdat de
vrije slag
is bereikt. Eventueel uitgangspositie van het rempedaal aanpassen.
A
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal
–
Schroef
3 … 5 mm
5 tegenhouden en moer 4 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
F01921-10
Resterende moeren
chassis
M6
10 Nm
143
8 ERGONOMIE
–
Moer
2 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer drukstang rempedaal
M6
6 Nm
Tip
Om het gemakkelijker te maken de rempedaal daarbij
naar beneden drukken.
F02003-11
8.9
–
Veer
1 vasthaken.
Uitgangspositie versnellingshendel controleren
Info
De versnellingshendel mag bij het rijden in de uitgangspositie niet tegen de laars liggen.
Als de versnellingshendel steeds tegen de laars ligt, wordt de aandrijving te veel belast en kunnen er storingen van de quickshifter + (optioneel) optreden.
144
ERGONOMIE 8
–
A
In de rijpositie op het voertuig gaan zitten en de afstand
tussen de bovenkant van de laars en de versnellingshendel
meten.
Afstand versnellingshendel
tot bovenkant laars
»
8.10
Als de afstand niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
400692-10
10 … 20 mm
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen.
( pag. 145)
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen
–
Moer
den.
1 losdraaien en daarbij aan draadstang 2 tegenhou-
–
Moer
den.
3 losdraaien en daarbij aan draadstang 2 tegenhouInfo
3 heeft linkse schroefdraad.
Door draaien van de draadstang 2 versnellingshendel instelMoer
H02668-10
–
len.
145
8 ERGONOMIE
Info
Het instelbereik is beperkt.
De versnellingshendel mag bij het schakelen de voertuigcomponenten niet raken.
–
Moer
den.
3 vastdraaien en daarbij aan draadstang 2 tegenhou-
Voorgeschreven waarde
Moer schakelstang
–
Moer
den.
M6LH
6 Nm
1 vastdraaien en daarbij aan draadstang 2 tegenhou-
Voorgeschreven waarde
Moer schakelstang
146
M6
6 Nm
INBEDRIJFSTELLING 9
9.1
Aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling
Gevaar
Gevaar voor ongevallen Bestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
–
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Geen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
–
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
–
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Verschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
–
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Niet-vrijgegeven of aanbevolen banden en wielen bemoeilijken het rijgedrag.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
147
9 INBEDRIJFSTELLING
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
200 km
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
–
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Info
Houd er bij het gebruik van het voertuig rekening mee dat andere mensen last kunnen hebben van overmatig lawaai.
–
Zorg ervoor dat de werkzaamheden van de controle voor de verkoop worden uitgevoerd door een geautoriseerde
KTM-garage.
U ontvangt het leveringsdocument en het service- en garantieboekje bij de overdracht van het voertuig.
–
Voordat u voor het eerst gaat rijden, moet u de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen.
–
Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.
–
Uitgangspositie van de koppelingshendel instellen. (
–
Uitgangspositie van de remhendel instellen. (
–
Uitgangspositie van het rempedaal instellen.
148
pag. 139)
pag. 140)
(
pag. 142)
INBEDRIJFSTELLING 9
–
Raak gewend aan het rijgedrag van de motorfiets op een geschikte ondergrond voordat u een langere rit
maakt. Probeer ook eens zo langzaam mogelijk te rijden zodat u meer gevoel voor de motorfiets krijgt.
–
Houd tijdens het rijden het stuur met beide handen vast en laat de voeten op de voetsteunen rusten.
–
Motor inrijden. (
9.2
–
pag. 149)
Motor inrijden
Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
–
Tijdens de eerste: 1.000 km
6.500 1/min
Na de eerste: 1.000 km
9.800 1/min
Vol gas geven vermijden!
Info
Als het maximale motortoerental voor de eerste servicebeurt wordt overschreden, gaat de schakelindicator knipperen.
149
9 INBEDRIJFSTELLING
9.3
Voertuig beladen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Totaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de
bestuurder en passagier met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
–
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verkeerde montage van de koffer of de tanktas heeft invloed op het rijgedrag.
–
De koffer en tanktas volgens de gegevens van de fabrikant monteren en vastmaken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Instabiel rijgedrag bij hoge snelheid.
–
De snelheid aanpassen aan de extra belasting. Rijd langzamer als uw motorfiets is beladen met koffers of andere bagage.
Maximumsnelheid met bagage
150 km/h
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door overbelasting raakt het koffersysteeem beschadigd.
–
150
Bij het monteren van een koffer altijd de fabrikantgegevens betreffende de maximale last in acht
nemen.
INBEDRIJFSTELLING 9
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage beperkt de zichtbaarheid.
Als het achterlicht is afgedekt bent u, vooral als het donker is, slechter zichtbaar voor andere verkeerdeelnemers.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Hoge belading verandert het rijgedrag en verlengt de remweg.
–
De snelheid aan eventuele extra belading aanpassen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage heeft invloed op het rijgedrag.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor brand Een heet uitlaatsysteem kan de bagage doen verbranden.
–
De bagage zo bevestigen, dat deze niet aan het hete uitlaatsysteem kan verbranden of schroeien.
–
Als u bagage meeneemt moet deze veilig worden vastgezet, zo veel mogelijk in het midden van het voertuig,
en moet het gewicht gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
–
Houdt u zich aan het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximale asbelasting.
151
9 INBEDRIJFSTELLING
Voorgeschreven waarde
152
Maximaal toegestaan totaalgewicht
450 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor
175 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
275 kg
RIJ-INSTRUCTIES 10
10.1
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling
Info
Voordat u gaat rijden, controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gereden.
Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
H02217-01
–
Motoroliepeil controleren. (
–
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren.
( pag. 232)
–
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren.
( pag. 238)
–
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
–
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
–
Controleren of het remsysteem goed werkt.
–
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren.
( pag. 291)
–
Vervuiling van de ketting controleren. (
–
Kettingspanning controleren. (
pag. 188)
–
Bandentoestand controleren. (
pag. 257)
–
Bandenspanning controleren. (
pag. 259)
–
Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en
soepel bewegen.
pag. 299)
pag. 236)
pag. 241)
pag. 186)
153
10 RIJ-INSTRUCTIES
10.2
–
Werking van de elektrische installatie controleren.
–
Controleren of de bagage correct is bevestigd.
–
Op de motorfiets gaan zitten en de stand van de achteruitkijkspiegel controleren.
–
Brandstofvoorraad controleren.
Voertuig starten
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Aanwijzing
Motorschade Hoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
–
Rij de motor altijd met een laag toerental warm.
154
RIJ-INSTRUCTIES 10
–
Motorfiets van de zijstandaard nemen en op de motorfiets gaan
zitten.
–
Controleer of de noodstopschakelaar/e-startknop zich in de
middelste stand bevindt.
–
Ontsteking inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand te draaien.
Na het inschakelen van het contact is gedurende ongeveer
2 seconden het geluid van de werkende brandstofpomp
te horen. Tegelijkertijd wordt de functiecontrole van het
gecombineerde instrument uitgevoerd.
B00782-10
Het ABS-waarschuwingslampje gaat branden en gaat weer
uit wanneer het voertuig begint te rijden.
–
Versnelling in stationair
–
Noodstopschakelaar/e-startknop in de onderste stand
ken.
schakelen.
Het groene controlelampje stationair N brandt.
druk-
155
10 RIJ-INSTRUCTIES
Info
De noodstopschakelaar/e-startknop pas in de onderste
stand drukken, als de functiecontrole van het gecombineerde instrument is afgesloten.
Bij het starten geen gas geven.
Maximaal 5 seconden lang de noodstopschakelaar/estartknop in de onderste stand drukken. Tot de volgende startpoging minimaal 5 seconden wachten.
Deze motorfiets is uitgerust met een veiligheidsstartsysteem. De motor kan alleen worden gestart als de
versnelling in vrij is geschakeld of als bij geschakelde
versnelling de koppelingshendel is getrokken. Als met
uitgeklapte zijstandaard naar een versnelling wordt
geschakeld en de koppelingshendel wordt losgelaten,
blijft de motor stilstaan.
10.3
–
Optrekken
Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam vrijgeven en tegelijkertijd
voorzichtig gas geven.
156
RIJ-INSTRUCTIES 10
10.4
Quickshifter + (optioneel)
Als de quickshifter + is geactiveerd, kan zonder bediening van de
koppeling in een hogere of lagere versnelling worden geschakeld.
Omdat de gashendel niet moet worden gesloten, kan zonder onderbrekingen worden geschakeld.
De quickshifter + herkent aan de hand van de schakelaspositie of
er moet worden geschakeld en zendt een overeenkomstig signaal
naar de motorbesturing.
Als de quickshifter + in het gecombineerde instrument is gedeactiveerd, moet bij elke keer schakelen zoals gebruikelijk de koppeling
worden bediend.
V01270-10
157
10 RIJ-INSTRUCTIES
10.5
Schakelen, rijden
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Bij een abrupte verandering van de belasting kunt u de controle over de motorfiets verliezen.
–
Abrupte lastverplaatsing en hard remmen vermijden.
–
De snelheid aan de gewijzigde rijwegsituatie aanpassen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Terugschakelen bij een hoog motortoerental blokkeert het achterwiel en overbelast de motor.
–
Schakel bij een hoog toerental niet terug naar een lagere versnelling.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde contactsleutelstand zorgt voor storingen.
–
De contactsleutelstand tijdens het rijden niet veranderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het uitvoeren van instellingen aan het voertuig leidt af van het verkeer.
–
158
Instelwerkzaamheden aan een stilstaand voertuig uitvoeren.
RIJ-INSTRUCTIES 10
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Door verkeerd gedrag kan de passagier van de motorfiets vallen.
–
Zorg ervoor dat de passagier correct op de buddyseat zit, de voeten op de buddyseatvoetsteunen van
de passagier zet en zich aan de bestuurder of grepen vasthoudt.
–
Neem hierbij ook de in uw land geldende voorschriften over de minimumleeftijd voor passagiers in
acht.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Riskant rijgedrag vormt een groot risico.
–
Volg de verkeersregels en rijd defensief en anticiperend, om gevaren zo vroeg mogelijk te herkennen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Koude banden hebben minder grip.
–
De eerste kilometers rustig en voorzichtig rijden, tot de banden op temperatuur zijn.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
200 km
159
10 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Totaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de
bestuurder en passagier met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
–
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verschoven bagage heeft invloed op het rijgedrag.
–
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door een val kan het voertuig sterker beschadigd raken dan eerst het geval lijkt.
–
Het voertuig na een val op dezelfde wijze als voor ingebruikname controleren.
Aanwijzing
Motorschade Ongefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
Zonder luchtfilter dringen stof en vuil in de motor.
–
Gebruik het voertuig nooit zonder luchtfilter.
Aanwijzing
Motorschade Bij oververhitting raakt de motor beschadigd.
–
Stop onmiddellijk volgens de verkeersregels en schakel de motor uit wanneer de waarschuwing voor de koelmiddeltemperatuur verschijnt.
–
Laat de motor en het koelsysteem afkoelen.
–
Controleer resp. corrigeer het koelmiddelpeil bij afgekoeld koelsysteem.
160
RIJ-INSTRUCTIES 10
Aanwijzing
Beschadiging van de aandrijving De aandrijving raakt door verkeerd gebruik van de Quickshifter+ beschadigd.
Alleen als de functie in het gecombineerde instrument is geactiveerd, kan de Quickshifter+ worden gebruikt.
Als de koppelingshendel wordt aangetrokken, is de Quickshifter+ niet actief.
–
Gebruik de Quickshifter+ alleen in het aangegeven, toegestane toerentalbereik.
Info
Als er tijdens het rijden ongewone geluiden optreden, meteen op veilige wijze stoppen, de motor uitzetten
en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
–
Als de omstandigheden het toestaan (helling, rijsituatie e.d.),
kunt u naar hogere versnellingen schakelen.
–
Gas terugnemen, gelijktijdig koppelingshendel trekken, naar
volgende versnelling schakelen, koppelingshendel vrijgeven en
gas geven.
Info
V01271-10
De posities van de 6 voorwaartse versnellingen zijn
weergegeven op de afbeelding. De neutrale of stationaire stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling. De 1e versnelling is de start- of bergversnelling.
De rijtemperatuur is bereikt als er 5 balkjes op de temperatuurindicatie branden.
161
10 RIJ-INSTRUCTIES
162
–
Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale
snelheid is bereikt, deze tot ¾ gas terugdraaien. Pas uw snelheid aan de weggesteldheid en weersituatie aan. De snelheid
verlaagt nauwelijks, maar er wordt aanmerkelijk minder brandstof verbruikt.
–
Pas uw snelheid aan de weggesteldheid en weersituatie aan.
Vooral in bochten mag niet worden geschakeld en slechts voorzichtig gas worden gegeven.
–
Voor het terugschakelen van de motorfiets indien nodig afremmen en tegelijkertijd gas terugnemen.
–
Koppelingshendel trekken en in een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gas geven of nog
een keer schakelen.
–
Als de motor bijvoorbeeld afslaat bij een kruispunt,
hoeft u alleen de koppelingshendel te trekken en de
noodstopschakelaar/e-startknop in de onderste stand te
drukken. De versnelling hoeft niet in stationair te worden
geschakeld.
–
Zet de motor uit als het voertuig langere tijd met stationair toerental draait of stilstaat.
–
Als tijdens het rijden het waarschuwingslampje oliedruk
begint te branden, moet u meteen stoppen en de motor uitschakelen. Contact opnemen met een geautoriseerde KTMgarage.
RIJ-INSTRUCTIES 10
–
Als tijdens het rijden het controlelampje storing gaat branden, moet u meteen stoppen, de motor uitzetten en contact
opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
–
Als tijdens het rijden het algemene waarschuwingslampje
gaat branden, toont het display een melding.
Info
Bijzonder belangrijke meldingen worden in het
menu Warning opgeslagen.
–
Als de waarschuwing glad wegdek op het gecombineerde
instrument verschijnt, is een glad wegdek mogelijk. De
snelheid aanpassen aan de gewijzigde situatie.
–
Als de quickshifter + (optioneel) in het gecombineerde instrument is geactiveerd, kunt u in het aangegeven toerentalbereik
schakelen zonder aan de koppelingshendel te trekken.
Info
H02699-10
Het minimale motortoerental in toeren per minuut om
in een hogere versnelling te schakelen, ziet u in de
afbeelding.
Trek de versnellingshendel snel helemaal tot de aanslag, zonder de stand van de gashendel te wijzigen.
163
10 RIJ-INSTRUCTIES
–
Als de quickshifter + (optioneel) in het gecombineerde instrument is geactiveerd, kunt u in het aangegeven toerentalbereik
schakelen zonder aan de koppelingshendel te trekken.
Info
H02700-10
10.6
Het maximale motortoerental in toeren per minuut
om in een lagere versnelling te schakelen, ziet u in de
afbeelding.
Trek de versnellingshendel snel helemaal tot de aanslag, zonder de stand van de gashendel te wijzigen.
Afremmen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het remsysteem nadelig.
–
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een poreus drukpunt van voor- en/of achterwielrem vermindert de remwerking.
–
164
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
RIJ-INSTRUCTIES 10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
–
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Hoger totaal gewicht verlengt de remweg.
–
Hou rekening met een langere remweg, als u met een passagier of met bagage rijdt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Strooizout op de straat belemmert het remsysteem.
–
Meerdere keren voorzichtig remmen om strooizout van de remplaketten en remschijven te verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen ABS kan de remweg in bepaalde situaties verlengen.
–
Pas de remwijze aan de rijsituatie en rijwegsituatie aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Door te sterk afremmen blokkeren de wielen.
De werking van het ABS kan alleen worden gegarandeerd, indien ABS is ingeschakeld.
–
ABS ingeschakeld laten om de beschermende functie te gebruiken.
165
10 RIJ-INSTRUCTIES
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het achterwiel kan door de motorremwerking blokkeren.
–
Trek aan de koppelingshendel wanneer u vol remt, een noodstop maakt of wanneer u op gladde ondergrond afremt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Rijhulpvoorzieningen kunnen ongevallen alleen binnen de fysieke grenzen verhinderen.
Extreme rijsituaties zoals bagage met hoog zwaartepunt, wisselende straatoppervlakken, steile hellingen
of hard remmen zonder ontkoppelen kunnen niet altijd worden gecompenseerd.
–
–
Pas het rijgedrag aan de toestand van de rijweg en uw rijvaardigheden aan.
Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.
Info
Met ABS kan zowel bij een volledige afremming als bij een slecht contact met de ondergrond op zandige, natte of gladde ondergrond de volledige remkracht worden gebruikt, zonder het risico te lopen
dat de wielen blokkeren.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Schuine stand of zijdelings afhellende ondergrond vermindert de maximaal
mogelijke vertraging.
–
166
Beëindig het remmen indien mogelijk voordat u een bocht inrijdt.
RIJ-INSTRUCTIES 10
–
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Afhankelijk van de snelheid naar een
lagere versnelling schakelen.
–
Tijdens langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor gebruiken. Daarvoor een of twee versnellingen
terugschakelen, maar daarbij de motor niet overbelasten. Zo moet aanzienlijk minder worden geremd en raakt
het remsysteem niet oververhit.
10.7
Stoppen, parkeren
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Onbevoegd handelende personen vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
–
Laat het voertuig nooit zonder opzicht achter, als de motor loopt.
–
Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
–
Blokkeer het stuur en verwijder de contactsleutel als u het voertuig onbeheerd achterlaat.
Waarschuwing
Gevaar voor verbranding Sommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
–
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
–
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Aanwijzing
Materiaalschade Een onjuiste handelwijze bij parkeren beschadigt het voertuig.
167
10 RIJ-INSTRUCTIES
Als het voertuig wegrolt of omvalt, kan aanzienlijke schade ontstaan.
De onderdelen voor parkeren van het voertuig zijn alleen berekend op het voertuiggewicht.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Zorg ervoor dat niemand op het voertuig gaat zitten wanneer het voertuig op de standaard staat.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
–
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
–
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
–
Motorfiets afremmen.
–
Versnelling in stationair
–
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand
schakelen.
draaien.
Info
Als de motor met de noodstopschakelaar is uitgeschakeld en op het contactslot het contact ingeschakeld blijft, wordt de stroomvoeding van de meeste stroomverbruikers niet onderbroken. Daardoor raakt
de 12V-accu leeg. De motor dus altijd met het contactslot uitzetten, de noodstopschakelaar is uitsluitend bestemd voor noodsituaties.
–
Motorfiets parkeren op vaste ondergrond.
–
Zijstandaard met de voet helemaal naar voren zwenken en met het voertuig belasten.
–
Het stuur blokkeren, daarvoor het stuur naar links zetten, contactsleutel in de stand omlaag duwen en in de
stand draaien. Om het vastklikken in de stuurblokkering gemakkelijker te maken, het stuur in kleine afstanden heen en weer bewegen. Contactsleutel eruit trekken.
168
RIJ-INSTRUCTIES 10
10.8
Transporteren
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Aanwijzing
Gevaar voor brand Hete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
–
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
–
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
–
Motor uitzetten.
–
Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigingsmiddelen beveiligen tegen omvallen en wegrollen.
401475-01
169
10 RIJ-INSTRUCTIES
10.9
Brandstof tanken
Gevaar
Gevaar voor brand Brandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
–
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
–
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
–
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
–
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
–
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Brandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
–
Adem geen brandstofdampen in.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Aanwijzing
Materiaalschade Door een slechte brandstofkwaliteit vervuilt het brandstoffilter.
170
RIJ-INSTRUCTIES 10
In sommige landen en regio's is de beschikbare brandstofkwaliteit en -reinheid eventueel onvoldoende. Dit leidt
tot problemen in het brandstofsysteem.
–
Tank uitsluitend schone brandstof die aan de aangegeven norm voldoet. (De geautoriseerde KTM-garage is u
graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Ondeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
–
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
171
10 RIJ-INSTRUCTIES
–
Motor uitzetten.
–
Tankdop openen. (
–
Brandstoftank tot maximaal aan de onderkant
opening met brandstof vullen.
pag. 44)
Brandstoftankvolume
totaal ca.
20 l
A van de vul-
Brandstof super
loodvrij (ROZ 95)
( pag. 347)
Info
Een optioneel flash-bestand maakt het gebruik van
brandstof van lagere kwaliteit mogelijk.
Meer informatie, bijvoorbeeld over het octaangehalte, is
beschikbaar bij een geautoriseerde KTM-dealer.
–
F01912-10
172
Tankdop sluiten. (
pag. 46)
SERVICESCHEMA 11
11.1
Extra informatie
Voor alle verdergaande werkzaamheden, die resulteren uit de verplichte werkzaamheden resp. de aanbevolen
werkzaamheden, moet een extra opdracht worden verstrekt, die ook apart in rekening wordt gebracht.
Afhankelijk van de lokale gebruiksomstandigheden kunnen in uw land afwijkende service-intervallen gelden.
In het kader van technische ontwikkelingen kunnen intervallen en omvang van afzonderlijke servicebeurten veranderen. Het meest recente serviceschema vindt u altijd op KTM Dealer.net. Uw geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
11.2
Verplichte werkzaamheden
om de 24 maanden
om de 12 maanden
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
Foutengeheugen met KTM‑diagnosetool uitlezen.
○
●
●
●
●
Schakelassensor programmeren.
○
●
●
●
●
Werking van de elektrische installatie controleren.
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen.
Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
Remschijven controleren. (
pag. 236)
pag. 241)
pag. 231)
Remkabels controleren op beschadiging en dichtheid.
(
pag. 300)
173
11 SERVICESCHEMA
om de 24 maanden
om de 12 maanden
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. (
pag. 232)
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. (
pag. 238)
○
●
●
●
○
●
●
●
Remvloeistof van de voorwielrem verversen.
●
Remvloeistof van de achterwielrem verversen.
●
Vrije slag aan de koppelingshendel controleren. (
Vrije slag van het rempedaal controleren. (
pag. 306)
pag. 237)
Schokdemper en voorvork controleren op dichtheid. Voorvorkservice afhankelijk van
behoefte en gebruiksdoel uitvoeren.
Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen.
(
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
pag. 214)
Speling balhoofdlager controleren.
○
●
●
●
●
Bandentoestand controleren. (
pag. 257)
○
●
●
●
●
Bandenspanning controleren. (
pag. 259)
○
●
●
●
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
●
●
●
●
○
●
●
●
●
○
Spaken bijdraaien.
Spaakspanning controleren. (
pag. 261)
Velgslag controleren.
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren. (
Kettingspanning controleren. (
174
pag. 188)
pag. 192)
SERVICESCHEMA 11
om de 24 maanden
om de 12 maanden
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
●
Bougies vervangen.
●
Klepspeling controleren.
●
●
●
●
Kabels controleren op beschadiging en leggen zonder knikken.
●
●
●
●
Luchtfilter vervangen, luchtfilterbak reinigen.
●
●
Brandstofdruk controleren.
●
●
●
●
Koelmiddelpeil en antivries controleren.
○
○
●
●
Controleren of de radiateurventilator werkt.
○
●
●
●
●
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.
○
●
●
●
●
Na proefrit foutgeheugen uitlezen met KTM-diagnosetool.
○
●
●
●
●
Serviceweergave met KTM-diagnosetool instellen.
○
●
●
●
●
Service in het KTM Dealer.net noteren.
○
●
●
●
●
Koplampinstelling controleren. (
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
pag. 285)
175
11 SERVICESCHEMA
11.3
Aanbevolen werkzaamheden
om de 48 maanden
om de 12 maanden
alle 30.000 km
alle 15.000 km
na 1.000 km
Frame controleren.
●
Achterbrug controleren.
●
●
●
Achterbruglager op speling controleren.
●
●
Wiellager op speling controleren.
●
●
Olievernevelaar voor koppelingssmering controleren/reinigen.
○
●
Koelmiddel verversen.
Aftapslangen legen.
○
Alle slangen (bijv. brandstof­, radiateur­, ontluchting­, aftapslangen, ...) en manchetten controleren op scheuren, dichtheid en correcte legging.
●
●
●
●
●
●
●
●
Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, ketting, ...) smeren en controleren of ze gemakkelijk bewegen.
○
●
●
●
●
Controleren of makkelijk toegankelijke, veiligheidsrelevante schroeven en moeren goed
vastzitten.
○
●
●
●
●
○
Eenmalig interval
●
Periodiek interval
176
CHASSIS AFSTELLEN 12
12.1
Veervoorspanning schokdemper instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Wijzigingen aan de instelling van het chassis kunnen het rijgedag sterk beïnvloeden.
–
Rij na wijzigingen eerst langzaam, om het rijgedrag te kunnen inschatten.
Info
De veervoorspanning bepaalt de uitgangspositie voor de vering op de schokdemper.
Een optimaal ingestelde veervoorspanning is aangepast aan het gewicht van de bestuurder eventueel met
bagage en passagier en zorgt zo voor een compromis tussen hanteerbaarheid en stabiliteit.
–
1
Door het draaien van de stelring
met de haaksleutel uit het
boordgereedschap de veervoorspanning instellen.
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning (EU/CN/IN)
Standaard
3 klikken
Volledige nuttige last
10 klikken
Veervoorspanning (ASEAN/PH)
F01913-10
Standaard
3 klikken
Volledige nuttige last
10 klikken
177
12 CHASSIS AFSTELLEN
Info
De veervoorspanning kan in 10 verschillende standen
worden ingesteld.
178
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.1
Motorfiets met hefbok achter opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
–
Montageadapter op de achterbrug monteren.
–
Bevestiging achter in de hefbok plaatsen.
Montageadapter (61029955144)
Achterwielmontagebok (69329955000)
–
Motorfiets rechtop zetten, hefbok uitlijnen aan de achterbrug
met de adapters. Motorfiets opkrikken.
402346-01
13.2
Motorfiets van hefbok achter nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
179
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Motorfiets borgen tegen omvallen.
–
Hefbok achter verwijderen en voertuig op de zijstandaard
plaatsen.
–
Montageadapter van de achterbrug verwijderen.
402029-10
13.3
Motorfiets met hefbok voor opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
180
pag. 179)
1
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Schroeven
–
1 verwijderen.
Steunplaat 2 verwijderen.
–
Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Hefbok voor met de adapters bij de vorkbuis aanbrengen.
F01914-10
Opnamebout (69329965040)
Voorwielmontagebok groot (69329965100)
–
Hefbok vooraan met de vorkpoten uitlijnen.
Info
Motorfiets altijd eerst achter opkrikken.
402345-01
–
Motorfiets voor opkrikken.
181
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.4
Motorfiets van hefbok voor nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadiging Het geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
–
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
312029-10
182
–
Motorfiets borgen tegen omvallen.
–
Hefbok voor verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
–
1 positioneren.
Schroeven 2 monteren en vastdraaien.
Houderplaat
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
F01914-11
13.5
Buddyseat verwijderen
–
De contactsleutel in het zadelslot
mee draaien.
–
Buddyseat voor optillen, richting de tank trekken en naar
boven verwijderen.
–
De contactsleutel uit het zadelslot trekken.
1 steken en met de klok
F01915-10
183
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.6
Buddyseat monteren
–
De buddyseat met de uitsteeksels in de bussen van de console
haken, vooraan neerlaten en tegelijkertijd naar achteren schuiven.
–
Vergrendelingsbout
in het slothuis steken en de buddyseat
vooraan naar beneden duwen, totdat de vergrendelingsbout
met een hoorbare klik vergrendelt.
1
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het verkeerd gemonteerde
zadel kan uit de verankering springen.
401680-10
–
–
13.7
Controleer na de montage of het zadel goed vergrendeld is en niet omhoog kan worden getrokken.
Vervolgens controleren of de buddyseat correct gemonteerd is.
Bestuurderszadel verwijderen
Voorwerk
– Buddyseat verwijderen. (
184
pag. 183)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Bestuurderszadel achter optillen en in het deel
A losmaken.
M00856-10
13.8
Bestuurderszadel monteren
Hoofdwerk
– Uitsparingen in het bestuurderszadel aan de brandstoftank op
de gewenste zitpositie
of
inhangen, tegelijkertijd het
bestuurderszadel naar voor schuiven en achter laten zakken.
A B
–
Vervolgens controleren of het bestuurderszadel correct is
gemonteerd.
401704-10
Nawerk
– Buddyseat monteren. (
pag. 184)
185
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.9
Kettingvervuiling controleren
–
Ketting controleren op grove vervuiling.
»
Als de ketting erg vuil is:
–
Ketting reinigen. (
pag. 186)
400678-01
13.10
Ketting reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Smeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
–
Verwijder smeermiddel met een geschikt reinigingsmiddel van de banden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
186
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 179)
Hoofdwerk
– Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
–
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel (
–
pag. 351)
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray Street (
pag. 351)
400725-01
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 179)
187
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.11
Kettingspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
–
Controleer de kettingspanning regelmatig.
–
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
188
pag. 179)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Versnelling in stationair
–
schakelen.
De ketting achter het glijblok naar boven drukken en de kettingspanning
tussen de achterbrug en de bovenkant van de
ketting bepalen.
A
Voorgeschreven waarde
Afstand
B tot het glijblok
2,5 cm
De afstand tot het vlakke deel van de achterbrug direct
boven de ketting meten, niet aan de rand van de achterbrug.
Info
C
Het bovenste deel van de ketting
moet daarbij
gespannen zijn.
De ketting slijt niet altijd gelijkmatig. Daarom de
meting op verschillende plekken van de ketting
herhalen.
Kettingspanning
F01916-10
»
Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
–
–
2 … 5 mm
Kettingspanning instellen. (
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 190)
pag. 179)
189
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.12
Kettingspanning instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Een verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
–
Controleer de kettingspanning regelmatig.
–
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
190
Kettingspanning controleren. (
pag. 188)
pag. 179)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Moer
–
–
1 losdraaien.
Moeren 2 losdraaien.
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven
links en rechts instellen.
3
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning
2 … 5 mm
3
Stelschroeven
links en rechts zo draaien, dat de markeringen aan de linker en rechter kettingspanner
in
dezelfde positie staan t.o.v. referentiemarkeringen
. Zo
is het achterwiel correct uitgelijnd.
4
A
Info
Het bovenste deel van de ketting moet daarbij gespannen zijn.
De ketting slijt niet altijd gelijkmatig. Daarom de
meting op verschillende plekken van de ketting
herhalen.
F01917-10
–
Moeren
–
Controleren of de kettingspanners
ven
liggen.
–
2 vastdraaien.
4 tegen de stelschroe-
3
Moer 1 vastdraaien.
191
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Voorgeschreven waarde
Moer steekas
achter
M25x1,5
Schroefdraad en
contactvlak van de
steekas ingevet
Nawerk
– Kettingspanning controleren. (
13.13
90 Nm
pag. 188)
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 179)
Hoofdwerk
– Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel op slijtage controleren.
»
Als ketting, kettingwiel of ketting-aandrijfwiel versleten
zijn:
–
Aandrijfset vervangen.
Info
100132-10
192
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten altijd samen worden vervangen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Versnelling in stationair
–
Aan het onderste deel van de ketting met het aangegeven
gewicht
trekken.
schakelen.
A
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor meting van de
kettingslijtage
–
15 kg
B
De afstand
van 18 kettingschakels aan het onderste deel
van de ketting meten.
Info
De ketting slijt niet altijd gelijkmatig. Daarom de
meting op verschillende plekken van de ketting
herhalen.
B
Maximale afstand
van
18 kettingschakels op het
langste stuk van de ketting
M01433-10
»
Als de afstand
–
272 mm
B groter is dan de aangegeven maat:
Aandrijfset vervangen.
193
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Info
Als een nieuwe ketting wordt gemonteerd,
moeten ook het kettingwiel en het
ketting-aandrijfwiel worden vervangen.
Nieuwe kettingen slijten op een oud, versleten
kettingwiel resp. ketting-aandrijfwiel sneller.
De ketting heeft om veiligheidsredenen geen
sluitschakel.
194
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Afdekking ketting-aandrijfwiel
»
1 controleren op slijtage.
Wanneer de afdekking van het ketting-aandrijfwiel in het
gemarkeerde bereik
sterk is afgeschuurd:
C
–
–
Afdekking ketting-aandrijfwiel vervangen.
Controleren of de afdekking van het ketting-aandrijfwiel
goed vastzit.
»
1
Als de afdekking ketting-aandrijfwiel loszit:
–
Schroeven van de afdekking ketting-aandrijfwiel vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef
afdekking
kettingaandrijfwiel
M5
5 Nm
Loctite®243™
F01918-10
195
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Glijblok op slijtage controleren.
»
D
Wanneer bij het glijblok in het gemarkeerde gebied
doorlopende slijpsporen van de ketting zichtbaar zijn:
–
»
Glijblok vervangen.
Wanneer het glijblok aan de onderzijde in het gemarkeerde
bereik
sterk is afgeschuurd:
E
–
–
Glijblok vervangen.
Controleren of het glijblok goed vastzit.
»
Als het glijblok loszit:
–
Schroeven van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende
schroeven chassis
M5
5 Nm
V01265-10
Nawerk
– Motorfiets van hefbok achter nemen. (
196
pag. 179)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.14
Zijbekleding links demonteren
Voorwerk
– Buddyseat verwijderen. (
–
pag. 183)
Bestuurderszadel verwijderen. (
Hoofdwerk
– Linker zijbekleding in de bereiken
bussen trekken.
–
pag. 184)
A en B uit de rubberen
Linker zijbekleding naar de zijkant toe eraf trekken en naar
voren toe verwijderen.
F01894-10
197
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.15
Zijbekleding links monteren
Hoofdwerk
– Linker zijbekleding met het uitsteeksel
positioneren en naar achteren schuiven.
1 tegen de bus 2
De linker zijbekleding grijpt onder het achterdeel in.
–
A
Linker zijbekleding in het bereik
in de rubberen bus
in het bereik
in de rubberen bus
duwen.
B
4
F01895-10
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
–
198
Buddyseat monteren. (
pag. 185)
pag. 184)
3 en
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.16
Zijbekleding rechts demonteren
Voorwerk
– Buddyseat verwijderen. (
–
pag. 183)
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 184)
Hoofdwerk
– Rechter zijbekleding in de bereiken
bussen trekken.
–
A en B uit de rubberen
Rechter zijbekleding naar de zijkant toe eraf trekken en naar
voren toe verwijderen.
F01896-10
199
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.17
Zijbekleding rechts monteren
Hoofdwerk
– Rechter zijbekleding met het uitsteeksel
positioneren en naar achteren schuiven.
1 tegen de bus 2
De rechter zijbekleding grijpt onder het achterdeel in.
–
A
Rechter zijbekleding in het bereik
in de rubberen bus
en in het bereik
in de rubberen bus
duwen.
B
4
F01897-10
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
–
200
Buddyseat monteren. (
pag. 185)
pag. 184)
3
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.18
Accuafdekking demonteren
Voorwerk
– Buddyseat verwijderen. (
–
Hoofdwerk
– Schroeven
–
pag. 183)
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 184)
1 met bussen verwijderen.
Accuafdekking naar boven verwijderen.
F01932-10
201
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.19
Accuafdekking monteren
Hoofdwerk
– Accuafdekking met de uitsteeksels
tegen de bussen
positioneren en naar beneden schuiven.
1
2
De accuafdekking grijpt links en rechts onder de brandstofspoiler in.
–
Schroeven
3 met bussen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef zadelbevestiging
M6
5 Nm
F01933-10
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
–
202
Buddyseat monteren. (
pag. 185)
pag. 184)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.20
Brandstoftankspoiler links demonteren
Voorwerk
– Buddyseat verwijderen. (
pag. 183)
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
–
Zijbekleding links demonteren. (
–
Accuafdekking demonteren. (
pag. 184)
pag. 197)
pag. 201)
203
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Hoofdwerk
– Schroef
–
F01934-10
204
1 verwijderen.
Schroeven 2 verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Linker brandstoftankspoiler in het bereik
bus trekken.
–
Linker brandstoftankspoiler naar de zijkant toe eraf trekken en
naar voren toe verwijderen.
A uit de rubberen
F01935-10
205
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.21
Brandstoftankspoiler links monteren
Hoofdwerk
– Linker brandstoftankspoiler met het uitsteeksel
tegen de
bus
positioneren en zijdelings naar achteren schuiven.
1
2
–
Linker brandstoftankspoiler in het bereik
bus
drukken.
3
F01936-10
206
A in de rubberen
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Schroeven
4 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
Schroef
M5
5 Nm
5 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef brandstoftankspoiler
M6
5 Nm
De voorzijde van de linker brandstoftankspoiler is gelijkmatig uitgelijnd.
–
Alle schroeven van de linker brandstoftankspoiler vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M5
5 Nm
Schroef brandstoftankspoiler
M6
5 Nm
F01944-10
Nawerk
– Accuafdekking monteren. (
pag. 202)
–
Zijbekleding links monteren. (
pag. 198)
–
Bestuurderszadel monteren. (
pag. 185)
–
Buddyseat monteren. (
pag. 184)
207
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.22
Brandstoftankspoiler rechts demonteren
Voorwerk
– Buddyseat verwijderen. (
208
pag. 183)
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
–
Zijbekleding rechts demonteren. (
–
Accuafdekking demonteren. (
pag. 184)
pag. 199)
pag. 201)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Schroef
–
1 verwijderen.
Schroeven 2 verwijderen.
F01941-10
209
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
F01942-10
210
–
Rechter brandstoftankspoiler in het bereik
bus trekken.
–
Rechter brandstoftankspoiler naar de zijkant toe eraf trekken
en naar voren toe verwijderen.
A uit de rubberen
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.23
Brandstoftankspoiler rechts monteren
Hoofdwerk
– Rechter brandstoftankspoiler met het uitsteeksel
tegen de
bus
positioneren en zijdelings naar achteren schuiven.
1
2
–
Rechter brandstoftankspoiler in het bereik
bus
drukken.
A in de rubberen
3
F01943-10
211
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroeven
4 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
–
Schroef
M5
5 Nm
5 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef brandstoftankspoiler
M6
5 Nm
De voorzijde van de rechter brandstoftankspoiler is gelijkmatig uitgelijnd.
–
Alle schroeven van de rechter brandstoftankspoiler vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M5
5 Nm
Schroef brandstoftankspoiler
M6
5 Nm
F01945-10
Nawerk
– Accuafdekking monteren. (
212
pag. 202)
–
Zijbekleding rechts monteren. (
–
Bestuurderszadel monteren. (
–
Buddyseat monteren. (
pag. 200)
pag. 185)
pag. 184)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.24
Spatbord voor demonteren
–
–
1 verwijderen.
Schroeven 2 verwijderen.
–
Spatbord naar voren verwijderen.
Schroeven
Info
Op de remkabels en de kabel letten.
F01924-10
13.25
Spatbord voor monteren
–
Spatbord positioneren.
Info
Op de plaatsing van de remleidingen en de kabel letten.
–
Schroeven
1 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
F01924-11
Schroef spatbord
–
Schroeven
M5x12
5 Nm
2 monteren, maar nog niet vastdraaien.
213
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Voorgeschreven waarde
Schroef spatbord
M5x17
5 Nm
Het spatbord is gelijkmatig naar voren uitgelijnd.
–
Alle schroeven van het spatbord vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
13.26
Schroef spatbord
M5x12
5 Nm
Schroef spatbord
M5x17
5 Nm
Vuilschrapers vorkpoten reinigen
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
214
–
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. (
–
Spatbord voor demonteren. (
pag. 213)
pag. 179)
pag. 180)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Hoofdwerk
– Vuilschrapers
1 van beide vorkpoten naar beneden schuiven.
Info
De vuilschrapers schrapen stof en grof vuil van de binnenpoot af. In de loop van de tijd kan er vuil achter te
vuilschrapers terechtkomen. Als deze vervuiling niet
wordt verwijderd, kunnen de daarachter liggende oliekeerringen gaan lekken.
F01925-10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven
vermindert de remwerking.
–
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Vuilschrapers en de binnenpoten aan beide vorkpoten reinigen
en smeren met olie.
Universele oliespray (
pag. 352)
–
Vuilschrapers terugduwen in de inbouwpositie.
–
Overtollige olie verwijderen.
215
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Nawerk
– Spatbord voor monteren. (
13.27
Motorfiets van hefbok voor nemen. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
–
Schroef
pag. 182)
pag. 179)
Windscherm demonteren
F01927-10
216
pag. 213)
–
1 verwijderen en windscherm 2 verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.28
Windscherm monteren
–
Windscherm
ste uitsparing
–
Schroef
1 in de onderste uitsparing A of in de bovenB positioneren.
2 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M5
5 Nm
F01911-10
217
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.29
Brandstoftankbekleding links demonteren
F01937-10
218
–
Schroefverbinding
–
Schroeven
1 verwijderen.
–
2 verwijderen.
Schroef 3 verwijderen.
–
Linker brandstoftankbekleding verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.30
Brandstoftankbekleding links monteren
–
Linker brandstoftankbekleding positioneren.
–
Schroef
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef brandstoftankbekleding
–
Schroeven
M6x12
8 Nm
2 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef brandstoftankbekleding
–
Schroefverbinding
M6x18
5 Nm
Loctite®243™
3 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroefverbinding brandstoftankbekleding
M6
5 Nm
Loctite®243™
De linker brandstoftankbekleding is gelijkmatig naar voren
uitgelijnd.
F01938-10
–
Alle schroeven van de linker brandstoftankbekleding vastdraaien.
219
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
Voorgeschreven waarde
220
Schroef brandstoftankbekleding
M6x12
8 Nm
Schroef brandstoftankbekleding
M6x18
5 Nm
Schroefverbinding brandstoftankbekleding
M6
Loctite®243™
5 Nm
Loctite®243™
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
13.31
Brandstoftankbekleding rechts demonteren
–
–
1 uit hoekstuk trekken.
Schroefverbinding 2 verwijderen.
Schroeven 3 verwijderen.
Schroef 4 verwijderen.
–
Rechter brandstoftankbekleding verwijderen.
–
–
Slang
F01939-10
221
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
13.32
Brandstoftankbekleding rechts monteren
–
Rechter brandstoftankbekleding positioneren.
–
Schroef
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef brandstoftankbekleding
–
Schroeven
M6x12
8 Nm
2 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef brandstoftankbekleding
–
Schroefverbinding
M6x18
5 Nm
Loctite®243™
3 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroefverbinding brandstoftankbekleding
5 Nm
Loctite®243™
De rechter brandstoftankbekleding is gelijkmatig naar
voren uitgelijnd.
F01940-10
–
222
M6
Alle schroeven van de rechter brandstoftankbekleding vastdraaien.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
Voorgeschreven waarde
–
13.33
Schroef brandstoftankbekleding
M6x12
8 Nm
Schroef brandstoftankbekleding
M6x18
5 Nm
Schroefverbinding brandstoftankbekleding
M6
Loctite®243™
Slang
4 op het hoekstuk steken.
Slang
1 uit hoekstuk trekken.
5 Nm
Loctite®243™
Motorbescherming demonteren
–
F01928-10
223
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroeven
2 verwijderen.
–
Schroeven
3 verwijderen.
F01929-10
F01930-10
224
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Schroeven
ren.
–
Motorbescherming
–
Schroeven
4 verwijderen en motorbescherming 5 verwijde-
F01931-10
13.34
Motorbescherming monteren
1 positioneren.
2 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef motorbescherming
M6x10
10 Nm
Loctite®243™
F01931-11
225
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
–
Schroeven
3 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef motorbescherming
M6x8
8 Nm
F01930-10
–
Schroeven
4 monteren, maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef brandstoftankbekleding
M6x12
8 Nm
De motorbescherming is gelijkmatig naar voren uitgelijnd.
–
Alle schroeven van de motorbescherming vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
F01929-11
226
Schroef motorbescherming
M6x8
8 Nm
Schroef motorbescherming
M6x10
10 Nm
Schroef brandstoftankbekleding
M6x12
Loctite®243™
8 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 13
–
Slang
5 op het hoekstuk steken.
F01928-11
227
14 REMSYSTEEM
14.1
Antiblokkeersysteem (ABS)
1
De ABS-module
bestaat uit een hydraulische unit,
ABS‑besturingsunit en retourpomp en is onder de brandstoftank
gemonteerd. Er bevindt zich een wieltoerentalsensor
aan het
voor- en achterwiel.
2
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Veranderingen aan het voertuig
beperken de functie van het ABS.
H03497-10
228
–
Laat het achterwiel bij vastgehouden voorwielrem
alleen doordraaien (burn out) als het ABS is
uitgeschakeld en nooit op de openbare weg.
–
Breng geen wijzigingen aan de veerweg aan.
–
Gebruik bij het remsysteem uitsluitend door KTM vrijgegeven en aanbevolen reserveonderdelen.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen
banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
–
Neem de aangegeven bandenspanning in acht.
–
Zorg ervoor dat servicewerkzaamheden en reparaties
vakkundig worden uitgevoerd. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
REMSYSTEEM 14
Aanwijzing
Vervallen van de toelating op de openbare weg en de verzekering
Als het ABS compleet wordt uitgeschakeld, vervalt de toelating van
het voertuig voor de openbare weg.
–
Gebruik het voertuig alleen op afgezette trajecten en niet op de
openbare weg als het ABS compleet wordt uitgeschakeld.
Het ABS is een veiligheidssysteem dat het blokkeren en wegglijden van de wielen tijdens het remmen binnen de fysische grenzen
verhindert.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Rijhulpvoorzieningen kunnen
ongevallen alleen binnen de fysieke grenzen verhinderen.
Extreme rijsituaties zoals bagage met hoog zwaartepunt,
wisselende straatoppervlakken, steile hellingen of hard
remmen zonder ontkoppelen kunnen niet altijd worden
gecompenseerd.
–
Pas het rijgedrag aan de toestand van de rijweg en uw
rijvaardigheden aan.
Het ABS heeft twee modi: de ABS‑modus Road en de ABS‑modus
Offroad.
In de ABS-modus Road regelt het ABS beide wielen.
229
14 REMSYSTEEM
In de ABS‑modus Offroad vindt aan het achterwiel geen
ABS-regeling plaats. Het ABS‑waarschuwingslampje
knippert
langzaam om aan de actieve ABS‑modus Offroad te herinneren.
3
Info
In de ABS-modus Offroad kan het achterwiel blokkeren –
gevaar voor vallen.
Het ABS werkt met twee onafhankelijk van elkaar werkende remcircuits (voorwiel- en achterwielrem). Bij normaal rijden werkt het
remsysteem als een conventioneel remsysteem zonder ABS. Pas
wanneer de ABS-besturingsunit de blokkeerneiging van een wiel
herkent, begint het ABS door het regelen van de remdruk te werken. De regeling is merkbaar aan een licht pulserende remhendel
resp. licht pulserend rempedaal.
Het ABS‑waarschuwingslampje
moet na het inschakelen van
het contact gaan branden en uitgaan wanneer het voertuig begint
te rijden. Wanneer het lampje na het optrekken niet uitgaat of
tijdens het rijden gaat branden, dan duidt dit op een fout in het
ABS-systeem. Het ABS is dan niet meer actief en de wielen kunnen bij het remmen blokkeren. Het remsysteem zelf blijft gewoon
werken, alleen de ABS-regeling valt uit.
Het ABS‑waarschuwingslampje kan ook gaan branden als in
extreme rijsituaties het toerental van het voor- en achterwiel
sterk van elkaar afwijken, bijvoorbeeld bij een wheelie of als het
achterwiel doordraait. Daardoor wordt het ABS uitgeschakeld.
3
230
REMSYSTEEM 14
Om het ABS weer te activeren, moet het voertuig worden
gestopt en de ontsteking uitgeschakeld. Als u weer met het
voertuig gaat rijden, wordt ook het ABS weer geactiveerd. Het
ABS‑waarschuwingslampje gaat dan uit, als het voertuig begint te
rijden.
14.2
Remschijven controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remschijven verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remschijven onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage
is u graag van dienst.)
–
Dikte van de remschijven voor en achter op meerdere plekken
van de remschijf op de maat
controleren.
A
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijf in
het bereik van het raakvlak
van de remplaketten.
1
Remschijven - slijtagegrens
F01998-10
voor
4,5 mm
achter
4,5 mm
231
14 REMSYSTEEM
»
–
–
Remschijven van voorwielrem vervangen.
–
Remschijf van achterwielrem vervangen.
Remschijven voor en achter op beschadiging, scheuren en vervorming controleren.
»
14.3
Als de dikte van de remschijven onder de voorgeschreven
waarde ligt.
Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
–
Remschijven van voorwielrem vervangen.
–
Remschijf van achterwielrem vervangen.
Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
232
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
REMSYSTEEM 14
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir
»
1 controleren.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering A is
gedaald:
–
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen.
( pag. 233)
F01947-10
14.4
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
233
14 REMSYSTEEM
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
234
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
REMSYSTEEM 14
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
– Remplaketten van de voorwielrem controleren. (
pag. 236)
Hoofdwerk
– Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
–
Schroeven
–
Deksel
–
1 verwijderen.
2 met membraan 3 verwijderen.
Remvloeistof tot de markering A vullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
F01948-10
–
–
pag. 349)
2 met membraan 3 positioneren.
Schroeven 1 monteren en vastdraaien.
Deksel
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
235
14 REMSYSTEEM
14.5
Remplaketten van de voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remvoeringen verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Hierdoor vermindert de remwerking aanmerkelijk en worden de remschijven onherstelbaar beschadigd.
–
Controleer de remplaketten regelmatig.
–
Alle remplaketten aan beide remzadels op minimale minimale
voeringdikte
controleren.
A
Minimale voeringdikte
»
F01949-10
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
Alle remplaketten aan beide remzadels controleren op beschadiging en scheuren.
»
Als er beschadigingen of scheuren zijn:
–
236
≥ 1 mm
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
A
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
REMSYSTEEM 14
14.6
Vrije slag rempedaal controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem druk op de achterwielrem op.
–
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
–
Veer
–
Rempedaal tussen eindaanslag en voetremcilinderzuiger heen
en weer bewegen en vrije slag
controleren.
1 losmaken.
A
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal
»
Als de vrije slag niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
–
F02000-10
–
3 … 5 mm
Veer
Uitgangspositie van het rempedaal instellen.
( pag. 142)
1 vasthaken.
237
14 REMSYSTEEM
14.7
Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Voertuig rechtop zetten.
–
Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir
»
Als het vloeistofpeil de MIN-markering
–
F01950-10
238
1 controleren.
A heeft bereikt:
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen.
( pag. 239)
REMSYSTEEM 14
14.8
Remvloeistof achterwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Het remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
–
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTMgarage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Huidirritaties Remvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
–
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
239
14 REMSYSTEEM
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Te oude remvloeistof vermindert de remwerking.
–
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
– Remplaketten van de achterwielrem controleren. (
240
pag. 241)
REMSYSTEEM 14
Hoofdwerk
– Voertuig rechtop zetten.
–
Schroefdop
ren.
–
Remvloeistof tot de MAX-markering
1 met inzetelement en membraan 2 verwijde-
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 (
–
F01951-10
1
A bijvullen.
pag. 349)
Schroefdop
met inzetelement en membraan
en vastdraaien.
2 monteren
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
14.9
Remplaketten achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Versleten remvoeringen verminderen de remwerking.
–
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
241
14 REMSYSTEEM
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Hierdoor vermindert de remwerking aanmerkelijk en worden de remschijven onherstelbaar beschadigd.
–
Controleer de remplaketten regelmatig.
–
Controleren of de remplaketten de minimale plaketdikte
hebben.
Minimale plaketdikte
»
242
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
»
F01952-10
≥ 1 mm
Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
–
–
A
A
Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn:
–
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
WIELEN, BANDEN 15
15.1
Voorwiel demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. (
pag. 179)
pag. 180)
Hoofdwerk
– Schroef
verwijderen en wieltoerentalsensor
boring trekken.
1
2 uit de
–
Schroeven
–
Remplaketten terug op de remschijf duwen door het linker en
rechter remzadel licht naar de zijkant te kantelen. Linker en
rechter remzadel voorzichtig naar achteren van de remschijf
trekken en opzij hangen.
3 en 4 verwijderen.
Info
Remhendel bij verwijderde remzadels niet bedienen.
F01961-10
243
15 WIELEN, BANDEN
–
–
–
5 enkele slagen losdraaien.
Schroeven 6 losdraaien.
Op de schroef 5 drukken om de steekas uit de asopname te
Schroef
schuiven.
–
Schroef
5 verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
F01963-10
–
F01964-10
244
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijven
niet worden beschadigd.
–
Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de
voorvork nemen.
–
Afstandsbussen
7 verwijderen.
WIELEN, BANDEN 15
15.2
Voorwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
–
Wiellager voor vervangen.
1
Radiale keerringen
en loopvlakken
sen reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
A van de afstandsbus-
pag. 351)
F01964-11
245
15 WIELEN, BANDEN
–
–
2 in looprichting rechts plaatsen.
Brede afstandsbus 3 in looprichting links plaatsen.
Smalle afstandsbus
Info
B
De pijl
geeft de looprichting van het voorwiel aan.
Het wieltoerentalsensor-wiel bevindt zich in de looprichting links.
F01965-10
246
WIELEN, BANDEN 15
–
Schroef
–
Steekas licht invetten.
4 en steekas reinigen.
Duurzaam vet (
pag. 351)
–
Voorwiel in voorvork tillen, positioneren en steekas erin zetten.
–
Schroef
4 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
F01966-10
Schroef steekas
voor
M25x1,5
45 Nm
Schroefdraad ingevet
247
15 WIELEN, BANDEN
–
Beide remzadels positioneren.
De remplaketten zijn correct gepositioneerd.
–
Schroeven
draaien.
5 aan beide kanten monteren, maar nog niet vast-
Voorgeschreven waarde
Schroef remzadel voor
–
M10x1,25
45 Nm
Loctite®243™
Remhendel meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
Remhendel ingedrukt vastzetten.
Remzadels worden uitgelijnd.
–
Schroeven
5 aan beide kanten vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remzadel voor
F01962-10
–
Wieltoerentalsensor
–
Schroef
7
M10x1,25
45 Nm
Loctite®243™
6 in de boring positioneren.
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef wieltoerentalsensor voor
248
M6
10 Nm
–
Vastzetting van de remhendel verwijderen.
–
Motorfiets van hefbok voor nemen. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 182)
pag. 179)
WIELEN, BANDEN 15
–
Voorwielrem bedienen en voorvork enkele keren krachtig inveren.
De vorkpoten worden uitgelijnd.
–
Schroeven
8 vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname
M8
15 Nm
F01963-11
15.3
Achterwiel demonteren
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
pag. 179)
249
15 WIELEN, BANDEN
Hoofdwerk
– Remzadel met de hand naar de remschijf duwen om de remzuiger naar achteren te drukken.
–
Schroef
verwijderen en wieltoerentalsensor
boring trekken.
–
Moer
–
1
3 verwijderen. Kettingspanner 4 verwijderen.
Steekas 5 slechts zo ver eruit trekken, dat het achterwiel
naar voren kan worden geschoven.
F01953-10
250
2 uit de
WIELEN, BANDEN 15
–
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven. Ketting van
kettingwiel nemen en op de kettingsteun
leggen.
6
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
–
Achterwiel vasthouden en steekas verwijderen.
–
Achterwiel naar achter trekken tot de remzadelhouder vrij tussen remschijf en velg hangt.
F01954-10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Beschadigde remschijven verminderen de remwerking.
–
–
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijf
niet wordt beschadigd.
Achterwiel uit de achterbrug nemen.
Info
Rempedaal niet indrukken als het achterwiel is gedemonteerd.
251
15 WIELEN, BANDEN
15.4
Achterwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Olie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
–
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
–
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Na montage van het achterwiel remt de achterwielrem eerst niet.
–
Bedien de voetrem meerdere keren voor begin van de rit tot een vast drukpunt voelbaar is.
Hoofdwerk
– Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren.
( pag. 255)
–
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
»
Als het wiellager beschadigd of versleten is:
–
Wiellager achter vervangen.
–
Afstandsbus verwijderen.
–
Radiale asafdichtingsring
bus reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
F02059-10
252
–
1 en loopvlak A van de afstands-
pag. 351)
Afstandsbus erin zetten.
WIELEN, BANDEN 15
–
Schroefdraad van de steekas en moer reinigen en invetten.
Duurzaam vet (
–
Steekas reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet (
–
pag. 351)
pag. 351)
Aangrijppunten van remzadelhouder en achterbrug reinigen.
253
15 WIELEN, BANDEN
–
Steunlagers van de remzadelhouder
ingrijpen.
–
Achterwiel in de achterbrug tillen, positioneren en steekas erin
steken.
B en achterbrug laten
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
–
Ketting op het kettingwiel leggen.
–
Kettingspanner
positioneren. Moer
nog niet vastdraaien.
2
3 monteren, maar
Info
Kettingspanner links en rechts in dezelfde positie monteren.
–
Controleren of de kettingspanner
liggen. Moer
vastdraaien.
2 tegen de stelschroeven
3
Voorgeschreven waarde
De markeringen op de kettingspanners moeten links en
rechts in dezelfde positie ten opzichte van de referentiemarkeringen
staan. Zo is het achterwiel correct uitgelijnd.
C
F02060-10
Moer steekas
achter
–
254
Wieltoerentalsensor
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad en
contactvlak van de
steekas ingevet
4 in de boring positioneren.
WIELEN, BANDEN 15
–
Schroef
5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef wieltoerentalsensor achter
–
M6
Rempedaal meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
Nawerk
– Kettingspanning controleren. (
–
15.5
6 Nm
pag. 188)
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 179)
Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren
Info
De kracht van de motor wordt door het kettingwiel via 6 demperpakkingen overgebracht op het achterwiel.
Deze slijten tijdens het rijden. Als de demperpakkingen niet op tijd worden vervangen, worden de kettingwielhouder en de achterwielnaaf beschadigd.
Voorwerk
– Motorfiets met hefbok achter opkrikken. (
–
Achterwiel demonteren.
(
pag. 179)
pag. 249)
255
15 WIELEN, BANDEN
Hoofdwerk
– Lager
1 controleren.
»
Als het lager beschadigd of versleten is:
–
–
Lager van de kettingwieldrager vervangen.
2
Demperpakkingen
van de achterwielnaaf controleren op
beschadiging en slijtage.
»
F01967-10
Als de demperpakkingen van de achterwielnaaf beschadigd
of versleten zijn:
–
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
–
Achterwiel met het kettingwiel omhoog op een werkbank leggen en de steekas in de wielnaaf steken.
–
Om de speling
te controleren, het achterwiel vasthouden
en proberen het kettingwiel met de hand te draaien.
A
Info
De speling wordt gemeten aan de buitenkant van het
kettingwiel.
F01968-10
Speling demperpakkingen
achterwiel
»
Als de speling
–
256
≤ 5 mm
A groter is dan de voorgeschreven waarde:
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
WIELEN, BANDEN 15
Nawerk
– Achterwiel monteren.
15.6
(
pag. 252)
–
Kettingspanning controleren. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
pag. 188)
pag. 179)
Bandentoestand controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Als een band tijdens de rit lek raakt, wordt het voertuig oncontroleerbaar.
–
Zorg ervoor dat beschadigde of versleten banden onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor vallen Verschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
–
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Niet-vrijgegeven of aanbevolen banden en wielen bemoeilijken het rijgedrag.
–
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
257
15 WIELEN, BANDEN
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Nieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
–
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase
200 km
Info
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rem- en rijgedrag van het
voertuig.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed op het rijgedrag.
–
Voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen
die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en beschadigingen.
»
Als er insnijdingen of beschadigingen zijn of als er voorwerpen tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten:
–
–
400602-10
258
Banden vervangen.
Profieldiepte controleren.
Info
Neem de minimale profieldiepte volgens de nationale
wetgeving in acht.
WIELEN, BANDEN 15
Minimale profieldiepte
»
Als de profieldiepte lager is dan de minimale waarde:
–
–
≥ 2 mm
Banden vervangen.
Leeftijd van de banden controleren.
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het
opschrift van de banden en wordt met de laatste vier
cijfers van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eerste
twee cijfers wijzen op de week van de productie en de
laatste twee cijfers op het productiejaar.
KTM adviseert uiterlijk na vijf jaar de banden te vervangen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slijtage.
H01144-10
»
Als de band ouder is dan vijf jaar:
–
15.7
Banden vervangen.
Bandenspanning controleren
Info
Te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en een maximale levensduur van de band.
259
15 WIELEN, BANDEN
–
Beschermkap verwijderen.
–
Bandenspanning controleren als de banden koud zijn.
Bandenspanning solo / met passagier
voor
2,4 bar
achter
2,4 bar
Bandenspanning volledige belasting
400695-01
»
260
2,6 bar
achter
2,9 bar
Als de bandenspanning niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt:
–
–
voor
Bandenspanning corrigeren.
Beschermkap monteren.
WIELEN, BANDEN 15
15.8
Spaakspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Verkeerd gespannen spaken beïnvloeden het rijgedrag nadelig en leiden tot
gevolgschade.
Als de spaken te vast zijn gespannen, barsten de spaken door overbelasting. Als de spaken te los zijn
gespannen, ontstaat een zij- of hoogteslag in het wiel. Hierdoor komen andere spaken ook los te zitten.
–
Controleer de spaakspanning regelmatig, in het bijzonder bij een nieuw voertuig. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
–
Kort met het handvat van een schroevendraaier op elke spaak
slaan.
Info
De toonfrequentie is afhankelijk van de spaaklengte en
van de spaakdiameter.
Wanneer er verschillende toonfrequenties hoorbaar zijn
bij spaken met gelijke lengte en dikte, duidt dat op verschillende spaakspanningen.
400694-01
De toon moet helder zijn.
»
Wanneer de spaakspanning verschillend is:
–
Spaakspanning corrigeren.
261
15 WIELEN, BANDEN
15.9
Bandensysteem zonder binnenbanden
Dit voertuig maakt gebruik van een bandensysteem zonder binnenbanden waarbij de velgafdichtrubber
de conventionele binnenband vervangt.
De voordelen van een systeem zonder binnenbanden is dat er geen
risico bestaat op een defecte binnenband. Daarmee is ook het
risico op een plotseling spanningsverlies sterk verminderd.
De massatraagheidsmomenten zijn kleiner dan bij conventionele
draadspaakwielen met binnenband. Dat resulteert in een verbetering van de hanteerbaarheid en het comfort.
Het draadspaakwiel is door de stijve velgconstructie vrijwel onderhoudsvrij.
KTM adviseert om de velgafdichtrubber ten laatste na 5 jaar te
vervangen, ongeacht de daadwerkelijke slijtage.
1
F01999-10
262
WIELEN, BANDEN 15
15.10
Gebruik van bandenreparatiespray
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Onjuist gebruik van bandenreparatiespray leidt tot drukverlies bij de gerepareerde band.
Niet elke beschadiging kan met bandenreparatiespray
worden gerepareerd.
H03319-01
–
Lees de aanwijzingen en richtlijnen van de fabrikant
van de bandenreparatiespray.
–
Rijd langzaam en voorzichtig wanneer u een band met
bandenreparatiespray hebt gerepareerd.
–
Rijd hoogstens naar de dichtstbijzijnde garage en laat
de band vervangen.
Een reparatie met bandenreparatiespray mag alleen in noodgevallen worden uitgevoerd.
Het wordt aanbevolen om het defecte voertuig naar de dichtstbijzijnde werkplaats te vervoeren in plaats van het te repareren.
263
16 ELEKTRONICA
16.1
dagrijlicht (DRL)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Dagrijlicht is bij slecht zicht geen
vervanging voor dimlicht.
Bij zeer slecht zicht door mist, sneeuw of regen kan de
automatische omschakeling tussen dagrijlicht en dimlicht
slechts beperkt ter beschikking staan.
–
Steeds controleren of de juiste verlichting is geselecteerd.
–
Dagrijlicht voor het rijden of bij stilstand via het menu
uitschakelen, zodat het dimlicht permanent is ingeschakeld.
–
Houdt u zich aan de wettelijke vereisten voor het dagrijlicht.
F01982-10
Het dagrijlicht (DRL) is geïntegreerd in de koplamp.
Het dagrijlicht (DRL) mag alleen bij goed zicht worden ingeschakeld.
Het dagrijlicht (DRL) wordt in het gecombineerde instrument geactiveerd.
De omgevingssensor in het gecombineerde instrument zorgt voor
de regeling. Als er goede zichtverhoudingen zijn, wordt het dimlicht uitgeschakeld en het dagrijlicht ingeschakeld.
264
ELEKTRONICA 16
Info
Het zijlicht
16.2
1 brandt bij elk verlichtingstype.
12V-accu demonteren
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Elektrische componenten en veiligheidsvoorzieningen raken bij lege of ontbrekende 12V-accu beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege 12V-accu of zonder 12V-accu gebruiken.
265
16 ELEKTRONICA
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
266
–
Buddyseat verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
–
Accuafdekking demonteren. (
pag. 183)
pag. 184)
pag. 201)
ELEKTRONICA 16
Hoofdwerk
– Diagnosestekker
–
–
1 uit de houder trekken en opzij hangen.
2 verwijderen.
Accuhouderbeugel 3 achter optillen en naar boven toe verSchroef
wijderen.
F01994-10
267
16 ELEKTRONICA
–
–
4 van de 12V-accu loskoppelen.
Pluspoolafdekking 5 verwijderen.
Pluskabel 6 van de 12V-accu loskoppelen.
–
12V-accu naar boven toe uit het accuvak verwijderen.
–
F01986-10
268
Minkabel
ELEKTRONICA 16
16.3
12V-accu monteren
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallen Elektrische componenten en veiligheidsvoorzieningen raken bij lege of ontbrekende 12V-accu beschadigd.
–
Motorfiets nooit met een lege 12V-accu of zonder 12V-accu gebruiken.
269
16 ELEKTRONICA
Hoofdwerk
– 12V‑accu in het accuvak plaatsen.
12V-accu (HTZ12A-BS) (
pag. 333)
De accupolen wijzen tegen de rijrichting in.
–
Pluskabel
1 met de 12V-accu verbinden.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
–
Pluspoolafdekking
–
Minkabel
M6
4,5 Nm
2 monteren.
3 met de 12V-accu verbinden.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
F01987-10
270
M6
4,5 Nm
ELEKTRONICA 16
–
Accuhouderbeugel
links en rechts in de uitsteeksels haken
en achter naar beneden drukken.
–
Schroef
4
5 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef accuhouderbeugel
–
Diagnosestekker
M6
4,5 Nm
6 in de houder positioneren.
F01995-10
Nawerk
– Accuafdekking monteren. (
–
Bestuurderszadel monteren. (
–
Buddyseat monteren. (
–
Tijd en datum instellen.
pag. 202)
pag. 185)
pag. 184)
271
16 ELEKTRONICA
16.4
12V-accu laden
Waarschuwing
Gevaar voor letsel Accuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
–
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
–
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
–
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
–
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
–
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu 12V-accu’s bevatten voor het milieu schadelijke stoffen.
–
Gooi 12V-accu’s niet bij het huishoudelijk afval.
–
Geef 12V-accu’s af bij een verzamelpunt voor oude accu’s.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
272
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
ELEKTRONICA 16
Info
Ook als de 12V-accu niet wordt belast, verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden zijn erg belangrijk voor de levensduur van de 12V-accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als de laadstroom, laadspanning en laadtijd worden overschreden, ontsnapt er elektrolyt via de veiligheidskleppen. Daardoor verliest de 12V-accu aan capaciteit.
Als de 12V-accu leeg is gestart, moet hij meteen weer worden opgeladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treden er diepteontlading en sulfatie op, waardoor de 12V-accu wordt
vernield.
De 12V-accu is onderhoudsvrij. Het zuurniveau hoeft niet te worden gecontroleerd.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
Buddyseat verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
–
Accuafdekking demonteren. (
pag. 183)
pag. 184)
pag. 201)
273
16 ELEKTRONICA
Hoofdwerk
– Minkabel
van de 12V-accu loskoppelen om schade aan de
boordelektronica te voorkomen.
1
–
Pluspoolafdekking
–
Acculader met 12V-accu verbinden. Acculader inschakelen.
2 verwijderen.
F01988-10
Acculader (58429074000)
Met deze acculader kunnen ook de rustspanning, het startvermogen van de 12V-accu en de dynamo worden getest. Bovendien kan met dit apparaat de 12V-accu niet worden overladen.
Info
12V-accu laden met maximaal 10% van de capaciteit
die op het accuhuis is aangegeven.
M00775-01
–
274
Acculader na het laden uitschakelen en van de 12V-accu loskoppelen.
ELEKTRONICA 16
Voorgeschreven waarde
Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet worden
overschreden.
12V-accu regelmatig bijladen als de motorfiets niet
wordt gebruikt
–
Pluspoolafdekking
–
Minkabel
3 maanden
2 monteren.
1 met de 12V-accu verbinden.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool
M6
4,5 Nm
F01988-10
Nawerk
– Accuafdekking monteren. (
–
Bestuurderszadel monteren. (
–
Buddyseat monteren. (
–
Tijd en datum instellen.
pag. 202)
pag. 185)
pag. 184)
275
16 ELEKTRONICA
16.5
Hoofdzekering vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Info
Met de hoofdzekering worden alle stroomverbruikers van het voertuig gezekerd. De hoofdzekering bevindt
zich onder de buddyseat.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
276
Buddyseat verwijderen. (
pag. 183)
ELEKTRONICA 16
Hoofdwerk
– Beschermkap
1 verwijderen.
F01989-10
–
Defecte hoofdzekering
2 verwijderen.
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken
smeltdraad
.
In het startrelais bevindt zich een reservezekering
A
–
F01990-10
3.
Nieuwe hoofdzekering plaatsen.
Zekering (58011109130) (
pag. 333)
Tip
Nieuwe reservezekering in het startrelais plaatsen,
zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
277
16 ELEKTRONICA
–
Beschermkap
1 monteren.
F01989-10
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
16.6
–
Buddyseat monteren. (
–
Tijd en datum instellen.
pag. 185)
pag. 184)
ABS‑zekeringen vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
278
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
ELEKTRONICA 16
Info
Twee zekeringen voor het ABS bevinden zich onder de buddyseat. Met deze twee zekeringen zijn
de retourpomp en de hydraulische unit van het ABS afgezekerd. De derde zekering, waarmee de
ABS-besturingsunit is afgezekerd bevindt zich in het zekeringenblok.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
Buddyseat verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 183)
pag. 184)
Zekering hydraulische ABS-unit vervangen:
– Beschermkap verwijderen en zekering
1 verwijderen.
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken smeltdraad
.
A
–
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088015) (
F01991-10
pag. 333)
Tip
2
Nieuwe reservezekering
in het zekeringenblok
plaatsen, zodat u er een bij u heeft als het nodig is.
–
Beschermkap monteren.
279
16 ELEKTRONICA
Zekering ABS-retourpomp vervangen:
– Beschermkap verwijderen en zekering
3 verwijderen.
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken smeltdraad
.
A
–
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088025) (
F01991-11
pag. 333)
Tip
4
Nieuwe reservezekering
in het zekeringenblok
plaatsen, zodat u er een bij u heeft als het nodig is.
–
Beschermkap monteren.
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
–
280
Buddyseat monteren. (
pag. 185)
pag. 184)
ELEKTRONICA 16
16.7
Zekeringen afzonderlijke stroomverbruikers vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brand Verkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
–
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
–
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Info
Het zekeringenblok met de zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers bevindt zich onder het
zadel.
Voorwerk
– Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
–
Buddyseat verwijderen. (
–
Bestuurderszadel verwijderen. (
pag. 183)
pag. 184)
281
16 ELEKTRONICA
Hoofdwerk
– Zekeringenblokdeksel
1 openen.
F01983-10
–
F02111-10
282
Defecte zekering verwijderen.
ELEKTRONICA 16
Voorgeschreven waarde
Zekering 1 - 10 A - ontsteking, alarminstallatie (optioneel)
Zekering 2 - 10 A - ontsteking, motorelektronica‑besturingsunit, elektronische brandstofinspuiting,
brandstofvernevelingsysteem, lambdasonde,
wegrijblokkering
Zekering 3 - 10 A - brandstofpomp
Zekering 4 - 15 A - radiateurventilator
Zekering 5 - 10 A - claxon, gecombineerd instrument, remlicht
Zekering 6 - 10 A - groot licht, dimlicht, zijlicht, achterlicht,
nummerplaatverlichting
Zekering 7 - 10 A - ACC1
Zekering 8 - 10 A - ACC2
Zekering 9 - 10 A - ABS-besturingsunit, diagnosestekker,
5‑D‑sensor, TPMS (optioneel)
Zekering 10 - 10 A - besturingsunit koplamp
Zekering SPARE - 10 A - reservezekeringen
Zekering SPARE - 15 A - reservezekeringen
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken
smeltdraad
.
A
283
16 ELEKTRONICA
–
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088010) (
pag. 333)
Zekering (75011088015) (
pag. 333)
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen,
zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
–
De werking van de stroomverbruikers controleren.
–
Zekeringenblokdeksel sluiten.
Nawerk
– Bestuurderszadel monteren. (
–
284
Buddyseat monteren. (
pag. 185)
pag. 184)
ELEKTRONICA 16
16.8
Koplampinstelling controleren
–
Voertuig op een horizontale ondergrond voor een lichte muur
zetten en in de hoogte van het midden van de koplamp een
markering aanbrengen.
–
Nog een markering aanbrengen op een afstand
eerste markering.
B onder de
Voorgeschreven waarde
Afstand
400726-10
–
5 cm
B
A loodrecht voor de muur zetten en
Voertuig op een afstand
het dimlicht inschakelen.
Voorgeschreven waarde
Afstand
A
5m
–
Nu gaat de bestuurder, eventueel met bagage en passagier op
de motorfiets zitten.
–
Koplampinstelling controleren.
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare
motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en passagier, precies op de onderste markering liggen.
»
Als deze grens tussen licht en donker niet overeenkomt
met de voorgeschreven waarde:
–
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen.
( pag. 286)
285
16 ELEKTRONICA
16.9
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen
Voorwerk
– Koplampinstelling controleren. (
Hoofdwerk
– Schroeven
pag. 285)
1 verwijderen.
–
Maskerspoiler links verwijderen.
–
Met de stelschroef
instellen.
F01992-10
2 de lichtbundelbreedte van de koplamp
Info
F01993-10
286
Draaien met de klok mee verkleint de
lichtbundelbreedte, draaien tegen de klok in vergroot
de lichtbundelbreedte.
Bij extra belading kan er een correctie van de lichtbundelbreedte van de koplamp nodig zijn.
ELEKTRONICA 16
–
Koplamp op markering
B instellen.
Voorgeschreven waarde
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare
motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en passagier, precies op de onderste markering
liggen.
B
400726-11
–
Maskerspoiler links positioneren.
–
Schroeven
1 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven chassis
M5
5 Nm
F01992-10
287
16 ELEKTRONICA
16.10
Diagnosestekker
De diagnosestekker
1 bevindt zich onder de accuafdekking.
(790 Adventure CN)
Af fabriek is een diagnoseadapter voor de verbinding met een
diagnose-interface voor verschillende fabrikanten aangebracht.
Info
F01981-10
16.11
Voor gebruik van de KTM-diagnosetool de diagnoseadapter verwijderen.
Na afronden van de diagnose de diagnoseadapter weer
aanbrengen.
ACC1 en ACC2 vooraan
Inbouwlocatie
– De voedingen ACC1
achter de koplamp.
1 en ACC2 2 vooraan bevinden zich
Info
De voedingsspanningen ACC1 en ACC2 vooraan zijn onder
de kabelafdekking van de koplampkap bereikbaar.
F01979-10
288
ELEKTRONICA 16
16.12
ACC1 en ACC2 achterzijde
Inbouwlocatie
– De voedingsspanningen ACC1
den zich onder de buddyseat.
1 en ACC2 2 achter bevin-
F01980-10
289
17 KOELSYSTEEM
17.1
Koelsysteem
1
Door de waterpomp
in de motor vindt er een gedwongen circulatie van het koelmiddel plaats.
De druk die bij verwarming in het koelsysteem ontstaat wordt geregeld door een klep in de radiateurdop
. Door de uitzetting door
warmte stroomt het overtollige koelmiddel naar het compensatiereservoir
. Als de temperatuur daalt wordt dit koelmiddel weer
teruggezogen in het koelsysteem. Daardoor is de aangegeven koelmiddeltemperatuur toegestaan zonder dat er met functiestoringen
rekening moet worden gehouden.
2
3
F01970-10
115 °C
Koeling vindt plaats door de rijwind en twee radiateurventilators
die bij hoge temperatuur wordt ingeschakeld.
Hoe lager de snelheid, hoe lager de koelwerking. Ook vervuilde
koelribben verlagen de koelwerking.
4
F01969-10
290
KOELSYSTEEM 17
17.2
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
Radiateur is volledig gevuld.
–
Motorfiets op een horizontale ondergrond zetten.
291
17 KOELSYSTEEM
–
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren.
Het koelmiddelpeil moet tussen MIN en MAX liggen.
»
Als zich geen koelmiddel in het compensatiereservoir
bevindt:
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
Info
Niet met de motorfiets rijden!
F01971-11
–
»
Als het koelmiddelpeil in het compensatiereservoir niet
overeenkomt met de voorgeschreven waarde, maar nog niet
leeg is:
–
292
Koelsysteem vullen/ontluchten.
Koelmiddelpeil in compensatiereservoir corrigeren.
( pag. 293)
KOELSYSTEEM 17
17.3
Koelmiddelpeil in compensatiereservoir corrigeren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Koelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
–
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
–
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van het koelsysteem te openen.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftiging Koelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
–
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
–
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
–
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
–
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
–
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof in de ogen is gekomen.
–
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
Radiateur is volledig gevuld.
293
17 KOELSYSTEEM
Voorwerk
– Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren.
( pag. 291)
Hoofdwerk
– Deksel
1 van het compensatiereservoir verwijderen.
F01972-10
–
Koelmiddel bijvullen tot het koelmiddelpeil overeenkomt met
de voorgeschreven waarde.
Voorgeschreven waarde
Het koelmiddelpeil moet tussen MIN en MAX liggen.
Koelmiddel (
–
F01971-11
294
pag. 347)
Deksel van het compensatiereservoir monteren.
MOTOR AFSTELLEN 18
18.1
"Ride Mode"
F01801-01
Mogelijke toestanden
• STREET – STREET – Gehomologeerd vermogen met evenwichtige respons, de motorfiets-tractiecontrole laat een normale slip aan het achterwiel toe. De antiwheeliemodus is
actief.
• RAIN – Gereduceerd gehomologeerd vermogen voor betere
rijbaarheid, de motorfietstractiecontrole laat een normale slip
aan het achterwiel toe. De antiwheeliemodus is actief.
• OFFROAD – Gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor
betere rijbaarheid, de motorfietstractiecontrole laat een
hogere slip aan het achterwiel toe. De antiwheeliemodus is
gedeactiveerd.
• RALLY (optioneel) – Instelling met gehomologeerd vermogen
en uiterst directe respons. De motorfietstractiecontrole en de
karakteristiek van de gasrespons kunnen individueel worden
ingesteld. De antiwheeliemodus is gedeactiveerd.
In het gecombineerde instrument kunnen via het
submenu "Ride Mode" verschillende afstellingen voor het voertuig
worden gekozen. Beschikbaar zijn "STREET", "RAIN", "OFFROAD" en
"RALLY" (optioneel).
De als laatste gekozen rijmodus wordt op het display weergegeven.
De rijmodus kan ook tijdens het rijden met gesloten gashendel
worden gewisseld.
295
18 MOTOR AFSTELLEN
Info
De keuze van de rijmodus is niet van invloed op het ABS.
18.2
Motorfietstractiecontrole (Bochten-MTC)
De motorfietstractiecontrole (MTC) verlaagt het motorkoppel bij
tractieverlies aan het achterwiel.
Info
Als de motorfietstractiecontrole uitgeschakeld is, kan het
achterwiel bij sterke acceleratie of op oppervlakken met
slechte grip doordraaien – gevaar voor vallen.
Na het inschakelen van het contact is de motorfietstractiecontrole weer actief.
F01806-01
In het gecombineerde instrument kan via het submenu MTC de
motorfietstractiecontrole worden in- of uitgeschakeld.
Info
Als de motorfietstractiecontrole regelt, knippert het
TC‑controlelampje .
Als de motorfietstractiecontrole is uitgeschakeld, brandt
het TC‑controlelampje .
296
MOTOR AFSTELLEN 18
18.3
Slipaanpassing (optioneel)
De slipaanpassing is een functie van de motorfietstractiecontrole.
Met de slipaanpassing kan de motorfiets-tractiecontrole in negen
niveaus op de gewenste karakteristiek worden afgesteld.
Bij niveau 1 is de meeste slip aan het achterwiel mogelijk, bij
niveau 9 de minste slip.
De slipaanpassing kan tijdens het rijden bij gesloten menu met de
UP- of DOWN‑knop worden ingesteld.
Info
402790-01
18.4
De slipaanpassing is alleen beschikbaar in de rijmodus
RALLY (optioneel).
Throttle Response (optioneel)
Mogelijke toestanden
• STREET – Uitgebalanceerde respons.
• RALLY – Uiterst directe respons
• OFFROAD – Zeer directe respons.
F01803-01
In het gecombineerde instrument kan via het
submenu Throttle response de karakteristiek van de gasrespons
worden aangepast.
Throttle response kan ook tijdens het rijden met gesloten gashendel
worden ingesteld.
297
18 MOTOR AFSTELLEN
Info
Throttle response is alleen in de rijmodus RALLY (optioneel)
beschikbaar.
298
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
19.1
Motoroliepeil controleren
Info
Het motoroliepeil moet worden gecontroleerd bij een warme motor.
–
Motorfiets rechtop zetten op een horizontaal oppervlak.
–
Motoroliepeil controleren.
Info
Na het afzetten van de motor eerst een minuut wachten
en dan pas controleren.
De motorolie moet tussen markering
van het kijkglas staan.
F01973-10
»
Als het motoroliepeil onder de markering
–
»
A en markering B
Motorolie bijvullen. (
pag. 304)
Als het motoroliepeil boven de markering
–
B ligt:
A ligt:
motoroliepeil corrigeren.
299
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
19.2
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwonden Motor- en cardanolie wordt tijdens bedrijf van de motorfiets zeer heet.
–
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
–
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De motorolie bij een warme motor aftappen.
Voorwerk
– Motorbescherming demonteren. (
300
pag. 223)
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
Hoofdwerk
– Motorfiets op een horizontale ondergrond op de zijstandaard
zetten.
–
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
–
Olievulschroef
–
Olieaftapschroeven
verwijderen.
1 met keerring verwijderen.
H01066-10
2 met magneten, keerringen en oliezeven
F01974-10
301
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Schroeven
verwijderen.
–
Oliefilter
3 verwijderen. Oliefilterdeksel 4 met keerring
5 uit het oliefilterhuis trekken.
Seegerringtang (51012011000)
–
Motorolie volledig laten uitlopen.
–
Onderdelen en afdichtvlakken grondig reinigen.
–
Nieuw oliefilter
F01975-10
5 plaatsen.
Info
Het oliefilter alleen met de hand plaatsen.
–
Nieuwe keerring van het oliefilterdeksel oliën. Oliefilterdeksel
positioneren.
–
Schroeven
4
F01976-10
3 monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef oliefilterdop
302
M5
6 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
–
Magneten
en oliezeven
dig reinigen.
–
Olieaftapschroeven
met magneten en nieuwe afdichtringen
monteren en vastdraaien.
A
B van de olieaftapschroeven gron-
V01238-10
2
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef oliezeef
–
20 Nm
Motorolie bij koppelingsdeksel bijvullen.
Motorolie
F01974-10
M20x1,5
2,8 l
Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 348)
303
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
–
Olievulschroef
1 met keerring monteren en vastdraaien.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
H01066-10
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
– Motoroliepeil controleren. (
–
19.3
pag. 299)
Motorbescherming monteren. (
pag. 225)
Motorolie bijvullen
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
304
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
Hoofdwerk
– Olievulschroef
–
1 met keerring verwijderen.
Motorolie tot midden van kijkglas bijvullen.
Motorolie (SAE 10W/50) (
pag. 348)
Info
Voor een optimale prestatie van de motorolie wordt aangeraden geen verschillende motoroliesoorten te mengen.
Wij adviseren de motorolie te verversen, als dat nodig
is.
H01066-10
–
Olievulschroef
1 met keerring monteren en vastdraaien.
Gevaar
Gevaar voor vergiftiging Uitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
–
–
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
–
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
305
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
Nawerk
– Motoroliepeil controleren. (
19.4
pag. 299)
Vrije slag aan de koppelingshendel controleren
Aanwijzing
Beschadiging koppeling Als de koppelingshendel geen vrije slag heeft, begint de koppeling te verschuiven.
–
Controleer vóór elk gebruik van de motorfiets de vrije slag van de koppelingshendel.
–
Stel de vrije slag van de koppelingshendel indien nodig volgens de voorschriften in.
–
Controleren of de koppelingshendel soepel beweegt.
–
Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Koppelingshendel tot voelbare weerstand trekken en de vrije
slag
bepalen.
A
A aan de koppe-
Vrije slag
lingshendel
»
F01977-10
306
Als de vrije slag aan de koppelingshendel niet met de voorgeschreven waarde overeenkomt:
–
–
5 mm
Vrije slag aan de koppelingshendel instellen.
( pag. 308)
Stuur over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 19
De vrije slag aan de koppelingshendel mag zich niet wijzigen.
»
Als de vrije slag aan de koppelingshendel verandert:
–
Traject van de koppelingskabel controleren.
307
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
19.5
Vrije slag aan de koppelingshendel instellen
–
Stuur in de rechtuitstand zetten.
–
Contramoer
–
1 losdraaien.
Vrije slag A met de stelschroef 2 instellen.
Voorgeschreven waarde
A aan de koppe-
Vrije slag
lingshendel
–
F01978-10
308
Contramoer
1 vastdraaien.
5 mm
REINIGING, ONDERHOUD 20
20.1
Motorfiets reinigen
Aanwijzing
Materiaalschade Door verkeerd gebruik van een hogedrukreiniger worden componenten beschadigd of onbruikbaar.
Het water dringt door de hoge druk in de elektrische componenten, stekkers, bowdenkabels, lagers etc.
Te hoge druk veroorzaakt storingen en maakt componenten onbruikbaar.
–
Richt de waterstraal niet direct op elektrische componenten, stekkers, bowenkabels of lagers.
–
Een minimale afstand tussen de sproeier van de hogedrukreiniger en de component aanhouden.
Minimale afstand
60 cm
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu Probleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
–
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Reinig de motorfiets regelmatig, zo blijven de waarde en het uiterlijk gedurende langere tijd behouden.
Directe zonnestralen op de motorfiets tijdens het reinigen vermijden.
309
20 REINIGING, ONDERHOUD
–
Uitlaatsysteem afsluiten om het indringen van water te voorkomen.
–
Grove vervuiling eerst met een zachte waterstraal verwijderen.
–
Sterk vervuilde plekken met een normale in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger inspuiten en met een kwastje behandelen.
Motorfietsreiniger (
401061-01
pag. 352)
Info
Warm water met een in de handel verkrijgbare motorfietsreiniger en een zachte spons gebruiken.
Motorfietsreiniger nooit op het droge voertuig aanbrengen, altijd eerst met water afspoelen.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden,
moet hij in koud water worden gereinigd. Warm water
versterkt de zoutwerking.
310
–
Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is
afgespoeld moet hij goed worden gedroogd.
–
Afsluiting van het uitlaatsysteem verwijderen.
REINIGING, ONDERHOUD 20
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallen Vocht en vuil beïnvloeden het
remsysteem nadelig.
–
–
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Na de reiniging een kort stuk rijden, totdat de motor de rijtemperatuur heeft bereikt.
Info
Door de warmte verdampt het water ook op de niet toegankelijke plaatsen van de motor en het remsysteem.
–
Na het afkoelen van de motorfiets alle glij- en lagerpunten
smeren.
–
Ketting reinigen. (
–
Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschijven en het uitlaatsysteem) met antiroestmiddel behandelen.
pag. 186)
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
( pag. 351)
–
Gelakte onderdelen behandelen met een onderhoudsmiddel
voor lakken.
311
20 REINIGING, ONDERHOUD
Perfect Finish en hoogglanspolitoer voor lakken
( pag. 352)
Info
In de leveringstoestand matte kunststofonderdelen
niet polijsten, omdat de materiaalkwaliteit anders sterk
beperkt wordt.
–
Kunststofonderdelen en geëloxeerde onderdelen behandelen
met een mild reinigings- en verzorgingsmiddel.
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaalen kunststofvlakken ( pag. 352)
–
Contact- en stuurslot, slot van de benzinetank en slot van de
zitbank oliën.
Universele oliespray (
312
pag. 352)
REINIGING, ONDERHOUD 20
20.2
Controle en onderhoud voor rijden in de winter
Info
Als de motorfiets ook in de winter wordt gebruikt, moet er rekening worden gehouden met strooizout op de
wegen. Daarom moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen tegen het agressieve strooizout.
Na het rijden op met zout bestrooide wegen moet het voertuig grondig met koud water worden gereinigd en
goed worden gedroogd. Warm water versterkt de zoutwerking.
–
Motorfiets reinigen. (
–
Remsysteem reinigen.
pag. 309)
Info
Na IEDERE rit op wegen met strooizout de remzadels en
remplaketten, in afgekoelde en gemonteerde toestand,
grondig met koud water reinigen en goed laten drogen.
Na het rijden op met zout bestrooide wegen moet de
motorfiets grondig met koud water worden gereinigd en
goed worden gedroogd.
401060-01
–
Motor, achterbrug en alle overige blanke of verzinkte onderdelen (m.u.v. de remschijven) worden behandeld met een antiroestmiddel op wasbasis.
313
20 REINIGING, ONDERHOUD
Info
Er mag geen antiroestmiddel op de remschijven
terechtkomen omdat daardoor de remwerking sterk
wordt verminderd.
–
314
Ketting reinigen. (
pag. 186)
STALLING 21
21.1
Stalling
Info
Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken, moet u volgende maatregelen nemen of laten
nemen.
Controleer voordat u de motorfiets gaat stallen eerst of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten.
Als er servicewerkzaamheden, reparaties of wijzigingen nodig zijn, kunt u dat het beste doen tijdens de
overwintering (minder drukte bij de werkplaatsen). Zo voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het
seizoen.
–
401058-01
Bij het laatste tanken voor het stallen van de motorfiets,
brandstofadditief bijmengen.
Brandstofadditief (
pag. 351)
–
Brandstof tanken. (
pag. 170)
–
Motorfiets reinigen. (
–
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen. ( pag. 300)
–
Koelmiddelpeil en antivries controleren.
–
Bandenspanning controleren. (
–
12V-accu demonteren.
pag. 309)
(
pag. 259)
pag. 265)
315
21 STALLING
Voorgeschreven waarde
Opslagtemperatuur van de
12V-accu zonder blootstelling aan directe zonnestralen
0 … 35 °C
–
12V-accu laden.
–
Voertuig stallen op een droge plaats en niet blootstellen aan
grote temperatuurschommelingen.
–
De motorfiets afdekken met een luchtdoorlatend dekzeil of een
deken.
(
pag. 272)
Info
In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen
worden gebruikt, omdat er dan geen vocht kan ontsnappen en er roest ontstaat.
Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets
voor korte tijd te laten draaien. Aangezien de motor
daarbij niet voldoende warm wordt, condenseert de
waterdamp die bij de verbranding ontstaat en dit leidt
ertoe dat de ventielen en uitlaatsysteem gaan roesten.
316
STALLING 21
21.2
Inbedrijfstelling na stalling
–
Motorfiets van hefbok voor nemen. (
–
Motorfiets van hefbok achter nemen. (
–
12V-accu monteren.
–
Tijd en datum instellen.
–
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling uitvoeren.
( pag. 153)
–
Een proefrit maken.
(
pag. 182)
pag. 179)
pag. 269)
401059-01
317
22 FOUTEN OPSPOREN
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor draait bij het indrukken
van de startknop niet door
Bedieningsfouten
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren. ( pag. 154)
12V-accu ontladen
–
12V-accu laden.
–
Ruststroom controleren.
Zekering 1, 2 of 3 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 281)
Hoofdzekering doorgesmolten
–
Hoofdzekering vervangen.
( pag. 276)
Geen massaverbinding aanwezig
–
Massaverbinding controleren.
Er is een versnelling geschakeld
–
Versnelling in stationair
schakelen.
Er is een versnelling geschakeld en de zijstandaard is uitgeklapt
–
Versnelling in stationair
schakelen.
Bedieningsfouten
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren. ( pag. 154)
Zekering 3 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 281)
Motor draait alleen door als de
koppelingshendel is getrokken
Motor draait door, maar springt
niet aan
318
(
pag. 272)
FOUTEN OPSPOREN 22
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor draait door, maar springt
niet aan
Snelsluitkoppeling niet in
elkaar gestoken
–
Snelsluitkoppeling in elkaar steken.
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
Bij starten gashendel bediend
–
Tijdens het starten GEEN gas geven.
–
Werkstappen voor het starten uitvoeren. ( pag. 154)
–
Luchtfilter demonteren.
–
Luchtfilter monteren.
Brandstoffilter sterk vervuild
–
Brandstofdruk controleren.
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
Te weinig koelmiddel in koelsysteem
–
Koelsysteem controleren op lekkage.
–
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren. ( pag. 291)
Radiateurlamellen sterk vervuild
–
Radiateurlamellen reinigen.
Schuimvorming in het koelsysteem
–
Koelmiddel aftappen.
–
Koelsysteem vullen/ontluchten.
Geknikte of beschadigde radiateurslang
–
Radiateurslang vervangen.
Thermostaat defect
–
Thermostaat controleren.
Motor heeft te weinig vermogen
Motor wordt overmatig heet
Luchtfilter sterk vervuild
319
22 FOUTEN OPSPOREN
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Motor wordt overmatig heet
Zekering 4 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 281)
Defect aan het ventilatiesysteem van radiateur
–
Radiateurventilator controleren.
Controlelampje storing brandt
resp. knippert
Fout in elektronische brandstofinspuiting
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
N Controlelampje stationair
brandt niet wanneer de versnelling in stationair staat
Versnellingsherkenningssensor
niet geprogrammeerd
–
Foutengeheugen met
KTM‑diagnosetool uitlezen.
Motor slaat tijdens het rijden af
ABS-waarschuwingslampje
brandt
Hoog olieverbruik
320
Onvoldoende brandstof
–
Brandstof tanken. (
Zekering 1, 2 of 3 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 281)
Zekering ABS gesmolten
–
ABS‑zekeringen vervangen.
( pag. 278)
Wieltoerental van voor- en achterwiel wijkt sterk af
–
Stoppen, ontsteking uitschakelen,
opnieuw starten.
Fout in ABS
–
ABS-foutgeheugen uitlezen met KTMdiagnosetool.
Slang van de motorontluchting
geknikt
–
Ontluchtingsslang zonder knikken leggen en indien nodig vervangen.
pag. 170)
FOUTEN OPSPOREN 22
Fout
Mogelijke oorzaak
Maatregel
Hoog olieverbruik
Motoroliepeil te hoog
–
Motoroliepeil controleren.
( pag. 299)
Vloeibaarheid motorolie te dun
(viscositeit)
–
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen.
( pag. 300)
Koplamp en zijlicht werken niet
Zekering 6 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 281)
Richtingaanwijzer, remlicht en
claxon werken niet
Zekering 5 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 281)
Tijd wordt niet meer of niet correct weergegeven
Zekering 1 gesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 281)
12V-accu ontladen
Ontsteking bij het uitzetten van
het voertuig niet uitgeschakeld
–
12V-accu laden.
12V-accu wordt niet opgeladen
door de dynamo
–
Laadspanning controleren.
Zekering 1 of 2 doorgesmolten
–
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 281)
–
Tijd en datum instellen.
Er wordt niets weergegeven op
het display van gecombineerd
instrument
(
pag. 272)
321
23 TECHNISCHE GEGEVENS
23.1
motor
Bouwwijze
2-cilinder 4-takt lijnmotor, gekoeld met vloeistof
Cilinderinhoud
799 cm³
Slag
65,7 mm
Boring
88 mm
Compressie
12,7:1
Distributie
DOHC, 4 nokvolgerkleppen per cilinder aangestuurd
door nokvolger, aandrijving door ketting
Klepdiameter inlaat
36 mm
Klepdiameter uitlaat
29 mm
Klepspeling koud
Inlaat bij: 20 °C
Uitlaat bij: 20 °C
0,10 … 0,15 mm
0,15 … 0,20 mm
Krukaslagers
Glijlagers
Drijfstanglager
Glijlagers
Zuigers
Lichtmetaal gesmeed
Zuigerringen
1 compressiering, 1 zuigerring, 1 oliering met spiraal
Motorsmering
Semi-dry-sump smering met 2 tandwielpompen
Primaire overbrenging
39:75
Koppeling
Antihopping-koppeling in oliebad / mechanisch
bediend
322
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Versnelling
6 versnellingen met klauwschakeling
Overbrengingsverhouding
1e versnelling
13:37
2e versnelling
17:34
3e versnelling
20:31
4e versnelling
22:28
5e versnelling
24:26
6e versnelling
23:22
Mengselsamenstelling
Elektronische brandstofinspuiting
Ontstekingssysteem
Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontstekingssysteem met digitale ontstekingsvertraging
Dynamo
12 V, 400 W
Bougie
NGK LMAR9AI‑10
Elektrodenafstand bougie
1,0 mm
Radiateur
Vloeistofkoeling permanente circulatie koelmiddel
door waterpomp
Stationair toerental
1.400 1/min
Starthulp
Startmotor
323
23 TECHNISCHE GEGEVENS
23.2
Aanhaalmomenten motor
Schroef ontluchtingspijp
EJOTALtracs® M6x12
8 Nm
Loctite®243™
Sluitschroef aftapboring waterpomp
EJOTALtracs®Plus 60x14
8 Nm
Loctite®243™
Slangklem aanzuigflens
M4
2,5 Nm
Olievernevelaar voor zuigerkoeling
M5
2 Nm
Loctite®243™
Olievernevelaars in de cilinderkop
M5
2 Nm
Loctite®243™
Overige schroeven motor
M5
6 Nm
Schroef axiale zekering nokvolger
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef drukplaat
M5
3 Nm
Loctite®243™
Schroef houderplaat schakelwals
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef krukas-toerentalsensor
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef oliefilterdop
M5
6 Nm
Schroef schakelassensor
M5
6 Nm
Loctite®243™
324
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef thermostaathuis
M5
6 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingsherkenningssensor
M5
Sproeier motorontluchting
M5
6 Nm
Loctite®243™
2 Nm
Loctite®243™
Moer kabel aan startmotor
M6
5 Nm
Overige schroeven motor
M6
10 Nm
Schroef bobine
M6
8 Nm
Schroef cilinderkop
M6
10 Nm
Schroef distributiekettingschacht
M6
10 Nm
Schroef dynamodeksel
M6x30
10 Nm
Schroef dynamodeksel
M6x35
10 Nm
Schroef geleiderail boven
M6
8 Nm
Loctite®243™
Schroef houderplaat koppelingskabel
M6
Schroef houderplaat schakelas
M6
10 Nm
Loctite®243™
10 Nm
Loctite®243™
Schroef klepdop
M6
10 Nm
Schroef koppelingsdeksel
M6
10 Nm
Schroef koppelingsveer
M6
10 Nm
Schroef lagerbrug balansaslager
M6
12 Nm
325
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef lagersteun aandrijfas
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef motorhuis
M6x30
12 Nm
Schroef motorhuis
M6x60
12 Nm
Schroef nokkenas-lagerbrug
M6
10 Nm
Schroef oliebak
M6x30
10 Nm
Schroef oliebak
M6x35
10 Nm
Schroef oliepompdeksel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef oliepompunit
M6
10 Nm
Schroef ontkoppelingshendel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef startmotor
M6
10 Nm
Schroef stator
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef vastzethendel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingshendel
M6
14 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingsvastzetting
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef vrijlooptandwiel
M6
14 Nm
Loctite®243™
326
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef warmtewisselaar
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef waterpompdeksel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef waterpompwiel
M6
10 Nm
Loctite®243™
Moer uitlaatflens
M8
15 Nm
Olievernevelaar voor koppelingssmering
M8
5 Nm
Overige schroeven motor
M8
20 Nm
Schroef drijfstanglager
M8
1e trap
5 Nm
2e niveau
15 Nm
3e niveau
90°
Kraag en schroefdraad geolied
Schroef motorhuis
M8x45
25 Nm
Koperpasta
Loctite®243™
Schroefcontactvlak ingevet
Schroef motorhuis
M8x55
25 Nm
Schroef motorhuis
M8x65
25 Nm
Schroefcontactvlak ingevet
Schroefcontactvlak ingevet
327
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef motorhuis
M8x90
25 Nm
Schroef oliepomptussenwiel
M8
15 Nm
Schroefcontactvlak ingevet
Loctite®243™
Schroef spanrail
M8
15 Nm
Loctite®243™
Sluitschroef blokkeerschroef
M8
15 Nm
Tapeind uitlaatflens
M8
15 Nm
Loctite®243™
Bougie
M10
11 Nm
Oliedrukschakelaar
M10x1
10 Nm
Schroef ontgrendeling voor distributiekettingspanner
M10x1
10 Nm
Sluitschroef lagerbrug
M10x1
12 Nm
Loctite®243™
Sluitschroef nokvolgeras
M10x1
10 Nm
Sluitschroef olieboring distributiekettingschacht
M10x1
12 Nm
Koelmiddeltemperatuursensor
M10x1,25
328
Loctite®243™
10 Nm
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef cilinderkop
M10x1,25
Draaivolgorde:
Aanhaalvolgorde in acht nemen.
1e niveau
5 Nm
2e niveau
15 Nm
3e niveau
90°
4e niveau
90°
Kraag ingevet / schroefdraad geolied
Schroef rotor
M12x1,5
90 Nm
Sluitschroef olieafvoer cilinderkop
M12x1,5
15 Nm
Sluitschroef koelwatermantel
M16x1,5
20 Nm
Moer ketting-aandrijfwiel
M20x1,5
100 Nm
Schroefdraad ingevet
Loctite®243™
Moer koppelingsmeenemer
M20x1,5
120 Nm
Loctite®243™
Sluitschroef oliezeef
M20x1,5
20 Nm
Sluitschroef distributiekettingspanner
M24x1,5
25 Nm
Sluitschroef dynamodeksel
M24x1,5
8 Nm
329
23 TECHNISCHE GEGEVENS
23.3
Vulhoeveelheden
23.3.1
Motorolie
Motorolie
23.3.2
Motorolie (SAE 10W/50)
( pag. 348)
1,60 l
Koelmiddel (
Koelmiddel
Koelmiddel
23.3.3
2,8 l
pag. 347)
Brandstof
Op markering op EU-brandstofpompen letten.
A00420-10
Brandstofreserve ca.
330
3l
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Brandstoftankvolume totaal ca.
23.4
20 l
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 347)
Chassis
Frame
Buisframe van chroommolybdeen staalbuizen, geëloxeerd
Voorvork
WP Suspension APEX 3043 Split
Schokdemper
WP Suspension APEX 3146
Veerweg (EU/CN/IN)
voor
200 mm
achter
200 mm
Veerweg (ASEAN/PH)
voor
175 mm
achter
175 mm
Remsysteem
voor
Dubbele schijfrem met radiaal geschroefde remzadels
met vier zuigers, remschijven vlottend gelagerd
achter
Eenschijfsrem met 2-zuigerremklauwen, remschijf met
zwemmende lagers
Remschijven - diameter
voor
320 mm
achter
260 mm
331
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Remschijven - slijtagegrens
voor
4,5 mm
achter
4,5 mm
Bandenspanning solo / met passagier
voor
2,4 bar
achter
2,4 bar
Bandenspanning volledige belasting
voor
2,6 bar
achter
2,9 bar
Secundaire overbrenging
16:45
Ketting
5/8 x 1/4” (520) X‑ring
Balhoofdhoek
64,1°
Wielstand (EU/CN/IN)
1.509 mm
Wielstand (ASEAN/PH)
1.500 mm
Zithoogte onbelast (EU/CN/IN)
onderste positie
830 mm
bovenste positie
850 mm
Zithoogte onbelast (ASEAN/PH)
onderste positie
805 mm
bovenste positie
825 mm
Afstand van bodem, onbelast (EU/CN/IN)
332
233 mm
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Afstand van bodem, onbelast (ASEAN/PH)
208 mm
Gewicht zonder brandstof ca.
196 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor
175 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter
275 kg
Maximaal toegestaan totaalgewicht
450 kg
23.5
Elektronica
12V-accu
HTZ12A-BS
Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 10 Ah
onderhoudsvrij
Zekering
75011088010
10 A
Zekering
75011088015
15 A
Zekering
75011088025
25 A
Zekering
58011109130
30 A
Dimlicht/groot licht
Led
Dagrijlicht/zijlicht
Led
Verlichting gecombineerd instrument en controlelampjes
Led
Richtingaanwijzer
Led
Rem-/achterlicht
Led
Nummerplaatverlichting
LED
333
23 TECHNISCHE GEGEVENS
23.6
Banden
Geldigheid
Band voor
Band achter
(790 Adventure EU/ASEAN/IN/PH)
90/90 - 21 M/C 54V M+S TL
Avon TrailRider
150/70 R 18 M/C 70V M+S TL
Avon TrailRider
De aangegeven banden zijn één van de mogelijke standaardbanden. Meer informatie vindt u in het servicegedeelte onder:
http://www.ktm.com
23.7
Voorvork
Artikelnummer voorvork (EU/CN/IN)
05.58.6S.29
Artikelnummer voorvork (ASEAN/PH)
0635C129T301112
Voorvork
WP Suspension APEX 3043 Split
Veerconstante
Gemiddeld (standaard)
6,5 N/mm
Voorvorklengte (EU/CN/IN)
855 mm
Veerlengte met voorspanbus(sen) (EU/CN/IN)
485,5 mm
Voorvorklengte (ASEAN/PH)
828 mm
Veerlengte met voorspanbus(sen) (ASEAN/PH)
458,5 mm
Vorkpootolie per vorkpoot
334
480 ± 5 ml
Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 349)
TECHNISCHE GEGEVENS 23
23.8
Schokdemper
Artikelnummer schokdemper (EU/CN/IN)
01.58.4S.29
Artikelnummer schokdemper (ASEAN/PH)
01.58.4S.36
Schokdemper
WP Suspension APEX 3146
Veervoorspanning
Standaard
3 klikken
Volledige nuttige last
10 klikken
Inbouwlengte (EU/CN/IN)
364 mm
Veerlengte (EU/CN/IN)
200 mm
Veerconstante (EU/CN/IN)
Gemiddeld (standaard)
115 N/mm
Gasdruk
20 bar
Inbouwlengte (ASEAN/PH)
355,5 mm
Veerlengte (ASEAN/PH)
193,5 mm
Veerconstante (ASEAN/PH)
Gemiddeld (standaard)
Stootdemperolie
130 N/mm
Stootdemperolie (SAE 2,5)
(50180751S1) ( pag. 349)
335
23 TECHNISCHE GEGEVENS
23.9
Aanhaalmomenten chassis
Moer klep
ISO 10V2
12 Nm
Loctite®2701™
Resterende schroeven chassis
EJOTPT® K45x12
1 Nm
Resterende schroeven chassis
EJOTPT®
K50x12
1 Nm
Resterende schroeven chassis
EJOTPT® K50x14
1 Nm
Resterende schroeven chassis
EJOTPT®
K50x16
2 Nm
Resterende schroeven chassis
EJOTPT®
K50x18
Schroef achterlicht
EJOT DELTA PT® 45x12‑Z
2 Nm
1,5 Nm
Resterende moeren chassis
M4
3 Nm
Resterende schroeven chassis
M4
3 Nm
Schroef vaste handgreep links
M4
3 Nm
Resterende moeren chassis
M5
5 Nm
Resterende schroeven chassis
M5
5 Nm
Schroef afdekking
ketting-aandrijfwiel
M5
5 Nm
Schroef bekleding
M5
3 Nm
Schroef combinatieschakelaar
links
M5
2 Nm
Schroef combinatieschakelaar
rechts
M5
5 Nm
336
Loctite®243™
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef gashendel
M5
3,5 Nm
Schroef gecombineerd instrument
M5
4 Nm
Schroef hitteplaat
M5
5 Nm
Loctite®243™
Schroef kabel aan startmotor
M5
3 Nm
Schroef luchtfilterbak
M5
3 Nm
Schroef nummerplaathouder
M5
5 Nm
Loctite®243™
Schroef onderste deel achterkant
M5
3 Nm
Schroef remkabelhouder aan voorvork
M5
1 Nm
Schroef rempedaalvlak
M5
5 Nm
Loctite®243™
Schroef remvloeistofreservoir van
achterwielrem
M5
Schroef spatbord
M5x12
5 Nm
Loctite®243™
5 Nm
Schroef spatbord
M5x17
5 Nm
Schroef zijstandaardsensor
M5
2 Nm
Loctite®243™
Moer drukstang rempedaal
M6
6 Nm
Moer remhendel
M6
Aanhaalmoment op moer toepassen.
10 Nm
Moer schakelstang
M6
6 Nm
337
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Moer schakelstang
M6LH
6 Nm
Resterende moeren chassis
M6
10 Nm
Resterende schroeven chassis
M6
10 Nm
Schroef accuhouderbeugel
M6
4,5 Nm
Schroef accupool
M6
4,5 Nm
Schroef actievekoolfilter aan houderplaat
M6
8 Nm
Schroef bevestiging accuafdekking
M6
3 Nm
Schroef bevestiging brandstoftankspoiler
M6
3 Nm
Schroef brandstoftankbekleding
M6x12
8 Nm
Schroef brandstoftankbekleding
M6x18
5 Nm
Loctite®243™
Schroef brandstoftankspoiler
M6
5 Nm
Schroef contactslot (één keer te
gebruiken)
M6
Tot het afscheuren van de kop aandraaien.
Loctite®243™
Schroef handremarmatuur
M6
5 Nm
Schroef klem bochtstuk
M6
8 Nm
Schroef koelerhouder onder
M6
5 Nm
Koperpasta
338
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef koplampkap
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef koppelingsarmatuur
M6
5 Nm
Schroef magneethouder aan zijstandaard
M6
2 Nm
Schroef massakabel aan frame
M6
6 Nm
Schroef massakabel aan startmotor
M6
10 Nm
Schroef motorbescherming
M6x8
8 Nm
Schroef motorbescherming
M6x10
10 Nm
Loctite®243™
Loctite®243™
Schroef rempedaalcilinder
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroef remschijf achter
M6
14 Nm
Loctite®243™
Schroef remschijf voor
M6
14 Nm
Loctite®243™
Schroef schakelaskering aan schakelas
M6
Schroef schakelstang
M6
10 Nm
Loctite®243™
10 Nm
Loctite®243™
Schroef schuinestandsensor
M6
5 Nm
Schroef traverse in de achterkant
M6x13
10 Nm
Loctite®243™
339
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef traverse in de achterkant
M6x12
6 Nm
Loctite®243™
Schroef voetsteunhouder achter
M6
9 Nm
Loctite®243™
Schroef wieltoerentalsensor achter
M6
6 Nm
Schroef wieltoerentalsensor voor
M6
6 Nm
Schroef zadelbevestiging
M6
5 Nm
Schroef zadelslot
M6
10 Nm
Loctite®243™
Schroefverbinding brandstoftankbekleding
M6
5 Nm
Borgbout voor remplaketten
M8
10 Nm
Bout remzadel achter
M8
22 Nm
Loctite®243™
Loctite®243™
Moer bochtstuk aan cilinderkop
M8
Moeren gelijkmatig vastdraaien.
Plaat niet buigen.
20 Nm
Koperpasta
Moer kettingwielschroef
M8
35 Nm
Loctite®2701™
Resterende moeren chassis
M8
25 Nm
Resterende schroeven chassis
M8
25 Nm
Schroef asopname
M8
15 Nm
340
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Schroef bovenste kroonplaat
M8
15 Nm
Schroef console
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef einddemperbevestiging
M8
15 Nm
Schroef frame motorbescherming
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef greep
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef houder buddyseat
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef onderste kroonplaat
M8
12 Nm
Schroef stuurdemper aan houder
M8
8 Nm
Loctite®243™
Schroef stuurdemper aan kroonplaat
M8
8 Nm
Schroef stuurklemmen
M8
20 Nm
Schroef veer rempedaal
M8
12 Nm
Loctite®243™
Loctite®2701™
Schroef veerhouderplaat aan zijstandaardconsole
M8
Schroef verbindingsdrager motorhouder
M8
Schroef versnellingshendel
M8
15 Nm
Loctite®2701™
25 Nm
Loctite®243™
25 Nm
Loctite®2701™
341
23 TECHNISCHE GEGEVENS
Schroef voetsteunhouder achter
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef voordemper aan frame
M8
25 Nm
Loctite®243™
Schroef vorkbuis
M8
20 Nm
Loctite®243™
Schroefverbinding rempedaalvlak
M8
25 Nm
Loctite®2701™
Motordraagschroef
M10
45 Nm
Loctite®243™
Resterende moeren chassis
M10
45 Nm
Resterende schroeven chassis
M10
45 Nm
Schroef console
M10
50 Nm
Loctite®243™
Schroef stuuradapter
M10
45 Nm
Loctite®243™
Schroef voetsteunhouder voor
M10x30
45 Nm
Loctite®243™
Schroef voetsteunhouder voor
M10x40
45 Nm
Loctite®243™
Schroef voetsteunhouder voor
M10x65
45 Nm
Loctite®243™
Schroef zijstandaard
M10
40 Nm
Loctite®243™
342
TECHNISCHE GEGEVENS 23
Holle schroef remkabel
M10x1
25 Nm
Schroef remzadel voor
M10x1,25
45 Nm
Loctite®243™
Schroef achterbrugbout
M12
100 Nm
Schroef schokdemper boven
M12
80 Nm
Loctite®2701™
Schroef schokdemper onder
M12
80 Nm
Loctite®2701™
Lambdasonde
M18x1,5
50 Nm
Stelschroef achterbrug
M20LHx1,5
10 Nm
Moer steekas achter
M25x1,5
90 Nm
Schroefdraad en contactvlak van de
steekas ingevet
Schroef balhoofd
M25x1,5
18 Nm
Schroef steekas voor
M25x1,5
45 Nm
Schroefdraad ingevet
343
24 VERKLARINGEN VAN OVEREENSTEMMING
24.1
Verklaringen van overeenstemming
Info
De omvang van de functies en uitrusting zijn afhankelijk van het model en omvat eventueel niet alle vermelde zendinstallaties en toepassingsgebieden.
Hiermee verklaart JNS Instruments Ltd. dat het zendinstallatietype 252M1100 overeenkomt met de relevante richtlijnen. De volledige tekst van de verklaring van overeenstemming is beschikbaar onder de volgende URL.
Website van de certificering: http://www.ktm.com/252m1100
Hiermee verklaart KTM AG dat het zendinstallatietype Immo641 overeenkomt met de relevante richtlijnen. De volledige tekst van de verklaring van overeenstemming is beschikbaar onder de volgende URL.
Website van de certificering: http://www.ktm.com/immo641
Hiermee verklaart Schrader Electronics Ltd dat het zendinstallatietype Tyre Pressure Monitoring System overeenkomt
met de relevante richtlijnen. De volledige tekst van de verklaring van overeenstemming is beschikbaar onder de
volgende URL.
Website van de certificering: http://www.ktm.com/tpms
344
VERKLARINGEN VAN OVEREENSTEMMING 24
345
24 VERKLARINGEN VAN OVEREENSTEMMING
24.2
Landspecifieke verklaring van overeenstemming
V01514-01
346
GEBRUIKSSTOFFEN 25
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
Norm / classificatie
– DIN EN 228 (ROZ 95)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend loodvrije superbenzine die voldoet aan de aangegeven norm of van dezelfde kwaliteit is.
–
Een aandeel van maximaal 10 % ethanol (E10 brandstof) kan daarbij zonder bezwaar worden gebruikt.
Info
Gebruik geen brandstof van methanol (bijv. M15, M85, M100) of met een aandeel van meer dan
10 % ethanol (bijv. E15, E25, E85, E100).
Koelmiddel
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen hoogwaardig, silicaatvrij koelmiddel met antiroestmiddel voor aluminiummotoren. Minderwaardige en ongeschikte antivriesmiddelen veroorzaken corrosie, afzettingen en schuimvorming.
–
Gebruik geen zuiver water omdat de eisen met betrekking tot corrosiebescherming en smeereigenschappen
alleen door koelvloeistof vervuld kunnen worden.
–
Gebruik uitsluitend koelvloeistof die voldoet aan de voorwaarden (zie informatie op de verpakking) en de juiste
eigenschappen heeft.
Vorstbescherming minstens tot
−25 °C
347
25 GEBRUIKSSTOFFEN
De mengverhouding moet aan de vereiste vorstbescherming aangepast worden. Gebruik gedestilleerd water als de
koelvloeistof verdund moet worden.
Het gebruik van voorgemengde koelvloeistof wordt aanbevolen.
Neem de gegevens van de koelvloeistoffabrikant met betrekking tot vorstbescherming, verdunning en mengbaarheid (verdraagbaarheid) met andere koelvloeistoffen in acht.
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– COOLANT M3.0
Motorolie (SAE 10W/50)
Norm / classificatie
– JASO T903 MA2 (
–
SAE (
pag. 353)
pag. 353) (SAE 10W/50)
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend motorolie die voldoet aan de aangegeven normen (zie informatie op de verpakking) en de
juiste eigenschappen heeft.
Volledig synthetische motorolie
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Power Synt 4T
348
GEBRUIKSSTOFFEN 25
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1
Norm / classificatie
– DOT
Voorgeschreven waarde
– Gebruik uitsluitend remvloeistof die voldoet aan de aangegeven norm (zie informatie op de verpakking) en die
de juiste eigenschappen heeft.
Aanbevolen leverancier
Castrol
– REACT PERFORMANCE DOT 4
MOTOREX®
– Brake Fluid DOT 5.1
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180751S1)
Norm / classificatie
– SAE ( pag. 353) (SAE 2,5)
Voorgeschreven waarde
– Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over
de geschikte eigenschappen beschikken.
Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1)
Norm / classificatie
– SAE ( pag. 353) (SAE 4)
349
25 GEBRUIKSSTOFFEN
Voorgeschreven waarde
– Gebruik alleen olie die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op verpakking) en de juiste eigenschappen heeft.
350
HULPSTOFFEN 26
Brandstofadditief
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Fuel Stabilizer
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Protect
Duurzaam vet
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Bike Grease 2000
Kettingreinigingsmiddel
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Chain Clean
Kettingspray Street
Voorgeschreven waarde
351
26 HULPSTOFFEN
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Chainlube Road Strong
Motorfietsreiniger
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Clean
Perfect Finish en hoogglanspolitoer voor lakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Moto Shine
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaal- en kunststofvlakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Quick Cleaner
Universele oliespray
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
– Joker 440 Synthetic
352
NORMEN 27
JASO T903 MA2
Meerdere technische ontwikkelingsrichtingen vereisten een eigen specificatie voor motorfietsen - de norm
JASO T903 MA2.
Vroeger werd voor motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie bestond.
Voor motoren van auto's zijn lange service-intervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermogensrendement bij hoge toerentallen op de voorgrond.
Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden versnelling en koppeling met dezelfde olie gesmeerd.
De norm JASO T903 MA2 voldoet aan deze speciale vereisten.
SAE
De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op
basis van hun viscositeit. De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de
kwaliteit.
353
28 LIJST MET VAKBEGRIPPEN
ABS
Antiblokkeersysteem
Veiligheidssysteem, dat het blokkeren van de wielen
bij het rechtuit rijden zonder inwerking van zijwaartse
krachten voorkomt
TPMS
Bandenspanning-controlesysteem
(Tire Pressure Monitoring System)
Veiligheidsstartsysteem dat met behulp van sensoren
in de banden de bandenspanning bewaakt en aangeeft
OBD
Boorddiagnose
Voertuigsysteem dat ingestelde parameters van de
voertuigelektronica bewaakt
DRL
Dagrijlicht (Daytime Running Light)
Licht dat de zichtbaarheid van het voertuig op de dag
verhoogt, maar in tegenstelling tot het dimlicht niet
gefocust is en het wegdek verlicht
-
KTM MY RIDE
Systeem voor draadloze communicatie met geschikte
mobiele telefoons en headsets voor telefonie en audio
Bochten-MTC
Motorfietstractiecontrole (Motorcycle Traction Control)
Extra functie van de motorbesturing die bij doordraaiend achterwiel het motorkoppel verlaagt
-
Quickshifter +
Functie van de motorelektronica voor schakelen zonder bediening van de koppeling
354
LIJST MET AFKORTINGEN 29
Artikelnr.
Artikelnummer
bijv.
bijvoorbeeld
ca.
circa
e.d.
en dergelijke
enz.
enzovoort
etc.
et cetera
evt.
eventueel
evt.
eventueel
Nr.
Nummer
o.a.
onder andere
resp.
respectievelijk
vgl.
vergelijk
355
30 LIJST MET SYMBOLEN
30.1
Rode pictogrammen
Rode pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij meteen moet worden ingegrepen.
Waarschuwingslampje oliedruk brandt rood – Oliedruk is te laag. Onmiddellijk veilig stoppen
en de motor afzetten.
30.2
Gele of oranje pictogrammen
Gele of oranje pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij binnen korte tijd moet worden ingegrepen.
Actieve rijhulpen worden eveneens met gele of oranje pictogrammen aangegeven.
Controlelampje storing brandt geel – De OBD heeft een fout in de voertuigelektronica
geconstateerd. Volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde
KTM-garage.
ABS-waarschuwingslampje brandt/knippert geel – Status- of foutmelding bij het ABS. Het
ABS-waarschuwingslampje knippert als de ABS-modus Offroad is geactiveerd.
TC-controlelampje brandt/knippert geel – MTC ( pag. 296) is niet actief of is bezig met
regelen. Het TC-controlelampje brandt ook als er een fout wordt herkend. Contact opnemen
met geautoriseerde KTM-garage. Het TC-controlelampje knippert als MTC actief ingrijpt.
Controlelampje cruisecontrol (optioneel) brandt geel – De functie cruisecontrol is ingeschakeld, maar de cruisecontrol is niet actief.
Algemeen waarschuwingslampje brandt geel – Een aanwijzing/waarschuwing voor de veiligheid
is gedetecteerd. Dit wordt ook op het display weergegeven.
356
LIJST MET SYMBOLEN 30
30.3
Groene en blauwe pictogrammen
Groene en blauwe pictogrammen geven informatie weer.
Controlelampje voor richtingaanwijzer knippert groen in knipperritme – Richtingaanwijzer is
ingeschakeld.
Controlelampje stationair brandt groen – Versnelling is in positie vrij geschakeld.
Controlelampje cruisecontrol (optioneel) brandt groen – De functie cruisecontrol is ingeschakeld en de cruisecontrol is actief.
Controlelampje groot licht brandt blauw – Groot licht is ingeschakeld.
357
INDEX
INDEX
1
12V-accu
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 265
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 272
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 269
A
ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228
ABS‑zekeringen
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 278
ACC1
achter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288
ACC2
achter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288
Accuafdekking
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 201
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202
Achterwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 252
358
Afbeelding voertuig
linksvoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
rechtsachter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
Afbeeldingen . . . . . . . . . .
Afremmen . . . . . . . . . . . .
Antiblokkeersysteem . . . . .
Artikelnummer schokdemper
Artikelnummer stuurdemper
Artikelnummer voorvork . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. 21
164
228
. 31
. 32
. 31
B
Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
Bagagedragerplaat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58
Bandenreparatiespray
gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 263
Bandenspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 259
Bandensysteem zonder binnenbanden
Bedieningshandleiding . . . . . . . . . .
Bedrijfsmiddelen . . . . . . . . . . . . . .
Beoogd gebruik . . . . . . . . . . . . . .
Beschermende kleding . . . . . . . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
262
. 19
. 20
. 13
. 18
Bestuurderszadel
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133
INDEX
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
Combinatieschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
Bochten-MTC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 296
Boordgereedschap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
Brandstofkranen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
Controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68
Brandstoftankbekleding links
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 219
Brandstoftankbekleding rechts
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 221
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 222
Cruisecontrol
bediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36
D
Demperpakkingen achterwielnaaf
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 255
Diagnosestekker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 288
F
Brandstoftankspoiler links
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 203
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206
Fouten opsporen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 318-321
Brandstoftankspoiler rechts
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 208
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 211
Garantie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Gashendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
Gebruiksdefinitie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
Buddyseat
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 183
Gecombineerd instrument . . . . . . . . . . . . . . .
ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ABS‑weergave . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
activering en test . . . . . . . . . . . . . . . . .
Audio . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Bluetooth (optioneel) . . . . . . . . . . . . . . .
brandstofpeilweergave . . . . . . . . . . . . . .
C
Claxonknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
G
63-132
. . 113
. . . 79
. . . 63
. . . 88
. . 119
. . . 82
359
INDEX
controlelampjes . . . . . . . . . . . . . .
dag-nacht-modus . . . . . . . . . . . . .
display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Display Theme . . . . . . . . . . . . . . . .
Distance . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
DRL . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Extra Functions . . . . . . . . . . . . . . .
Favorites . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Favorites‑weergave . . . . . . . . . . . .
Fuel Cons . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
General Info . . . . . . . . . . . . . . . . .
Headset . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
KTM MY RIDE . . . . . . . . . . . . . . . .
Language . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Leave Rally (optioneel) . . . . . . . . . .
menu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Motorcycle . . . . . . . . . . . . . . . . . .
MTC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
MTC‑weergave . . . . . . . . . . . . . . .
navigatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
navigatie setup . . . . . . . . . . . . . . .
Navigation‑weergave . . . . . . . . . . .
omgevingslucht-temperatuurindicator
overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Pairing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
360
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
..
..
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. 68
. 64
. 72
120
127
126
132
116
. 84
129
102
. 98
. 87
130
111
. 86
112
112
. 80
. 90
. 91
. 85
. 83
. 63
. 94
Phone . . . . . . . . . . . . . . .
Quick Selector 1 . . . . . . . .
Quick Selector 1‑weergave .
Quick Selector 2 . . . . . . . .
Quick Selector 2‑weergave .
Quick Shift+ (optioneel) . . .
Rally (optioneel) . . . . . . . .
RALLY display (optioneel) .
Ride Mode . . . . . . . . . . . .
Ride‑weergave . . . . . . . . .
schakelindicator . . . . . . . .
Service . . . . . . . . . . . . . .
Settings . . . . . . . . . . . . . .
slipaanpassing (optioneel) .
Snelheidsindicator . . . . . .
telefonie . . . . . . . . . . . . .
Temperature . . . . . . . . . . .
Throttle Response (optioneel)
tijd . . . . . . . . . . . . . . . . .
toerental . . . . . . . . . . . . .
TPMS . . . . . . . . . . . . . . .
Trip 1 . . . . . . . . . . . . . . .
Trip 2 . . . . . . . . . . . . . . .
Trips/Data . . . . . . . . . . . .
Units . . . . . . . . . . . . . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. . . . . . . . 95
. . . . . . . 117
. . . . . . . . 84
. . . . . . . 118
. . . . . . . . 85
. . . . . . . 115
. . . . . . . 109
. . . . . . . . 74
107-108, 295
. . . . . . . . 79
. . . . . . . . 76
. . . . . . . 131
. . . . . . . 115
. . . . . . . 297
. . . . . . . . 77
. . . . . . . 100
. . . . . . . 128
. . . 110, 297
. . . . . . . . 83
. . . . . . . . 75
. . . . . . . 105
. . . . . . . 103
. . . . . . . 104
. . . . . . . 101
. . . . . . . 127
INDEX
volume . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
waarschuwing voor glad wegdek . . . . . .
waarschuwingen . . . . . . . . . . . . . . . . .
Warning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
weergave van de cruisecontrol (optioneel)
weergave van de koelmiddeltemperatuur
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. 93
. 66
. 65
106
. 78
. 80
Ketting-aandrijfwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 192
Kettingspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 188
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190
Grepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58
Kettingwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 192
H
Klantenservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Hoofdzekering
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
Hulpstoffen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Koelmiddelpeil
in compensatiereservoir controleren . . . . . . 291
in compensatiereservoir corrigeren . . . . . . . 293
I
Koelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 290
Inbedrijfstelling
aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling . . . 147
controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
na de stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 317
K
Ketting
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 192
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186
vervuiling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . 186
Koplamp
dagrijlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 264
instelling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . 285
lichtbundelbreedte instellen . . . . . . . . . . . . 286
Koppelingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . 139
L
Lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
M
Milieu
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
361
INDEX
Motor
inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
Oliezeven
reinigen
Motorbescherming
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 223
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 225
Onjuist gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
Motorfiets
met hefbok achter opkrikken
met hefbok voor opkrikken .
reinigen . . . . . . . . . . . . .
van hefbok achter nemen . .
van hefbok voor nemen . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
179
180
309
179
182
Motorfietstractiecontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . 296
Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
Motorolie
bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 304
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
Opbergvak links
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
Opbergvak onder de buddyseat
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Opbergvak rechts
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56
P
Parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 167
Q
Motoroliepeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 299
Quickshifter + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
N
Noodstopschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
Remhendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . 140
O
Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 164
Oliefilter
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
Rempedaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . 142
362
R
INDEX
vrije slag controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . 237
Rempedaalvlak
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 141
Remplaketten
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . 241
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 236
Remschijven
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 231
Remsysteem
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228-242
Remvloeistof
van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . 239
van de voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . 233
S
Schakelaars
links aan stuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
rechts aan stuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
Schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158
Schokdemper
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . 177
Service . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Serviceschema . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173-176
Sleutelnummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
Spaakspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 261
Remvloeistofpeil
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . 238
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 232
Spatbord voor
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
Reserveonderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Richtingaanwijzerschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . 39
Stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Stopcontact voor elektrisch toebehoren
Stoppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158
optrekken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 156
Rijden in de winter
controle en onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . 313
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
315
154
. 41
. 44
167
Stuur
ontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43
vergrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
363
INDEX
Stuurpositie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
Toestand van de banden
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 257
Stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
Transporteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 169
Typeplaatje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
T
Tankdop
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
Tanken
brandstof
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170
Technische gegevens
aanhaalmomenten chassis
aanhaalmomenten motor .
banden . . . . . . . . . . . . .
chassis . . . . . . . . . . . . .
elektronica . . . . . . . . . .
motor . . . . . . . . . . . . . .
schokdemper . . . . . . . . .
voorvork . . . . . . . . . . . .
vulhoeveelheden . . . . . . .
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
. . . . 336
. . . . 324
. . . . 334
. . . . 331
. . . . 333
. 322-343
. . . . 335
. . . . 334
. . . . 330
Tijd
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
364
V
Veilig gebruik
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Verklaringen van overeenstemming . . . . . . . . 344-346
landspecifiek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 346
Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60
uitgangspositie controleren . . . . . . . . . . . . 144
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . 145
Voertuig beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150
Voertuigidentificatiennummer . . . . . . . . . . . . . . . 28
Voetsteun passagier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60
Voorwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 243
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 245
Vorkpoten
vuilschrapers reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Vrije slag aan de koppelingshendel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 306
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 308
INDEX
Vulhoeveelheid
brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172, 331
koelmiddel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 330
motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 303, 330
W
Waarschuwing voor glad wegdek . . . . . . . . . . . . . 66
Werkinstructies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Windscherm
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 216
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217
Z
Zadelslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59
Zekering
van afzonderlijke stroomverbruikers vervangen 281
Zijbekleding links
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 197
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198
Zijbekleding rechts
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
Zijstandaard
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62
365
*3214098nl*
3214098nl
01/2020
KTM Sportmotorcycle GmbH
5230 Mattighofen/Oostenrijk
http://www.ktm.com
Foto: Mitterbauer/KISKA/KTM
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement