Simrad NSS evo3 Handleiding

Simrad NSS evo3 Handleiding
NSS evo3
Gebruikershandleiding
NEDERLANDS
www.simrad-yachting.com
Voorwoord
Afstandverklaring
Omdat Navico continu werkt aan het verbeteren van zijn producten, behouden wij ons het
recht voor om op elk gewenst moment wijzigingen in het product aan te brengen, die
mogelijk niet in deze versie van de handleiding worden beschreven. Neem contact op met
uw dealer als u hulp of meer informatie nodig hebt.
Alleen de eigenaar is verantwoordelijk voor het installeren en gebruiken van de uitrusting op
een manier die geen ongevallen, persoonlijk letsel of schade aan eigendommen veroorzaakt.
Alleen de gebruiker van dit product is verantwoordelijk voor het in acht nemen van veilige
vaarpraktijken.
NAVICO HOLDING AS EN ZIJN DOCHTERMAATSCHAPPIJEN, FILIALEN EN GELIEERDE
BEDRIJVEN WIJZEN ELKE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE HAND VOOR ELK GEBRUIK VAN DIT
PRODUCT OP EEN WIJZE DIE ONGEVALLEN OF SCHADE KAN VEROORZAKEN OF EEN
OVERTREDING VAN DE WET INHOUDT.
Officiële taal: deze verklaring, eventuele instructieboeken, gebruikershandleidingen en
andere informatie met betrekking tot het product (Documentatie) kan worden vertaald in, of
is vertaald uit een andere taal (Vertaling). In geval van een conflict tussen een Vertaling van
de Documentatie en de Engelstalige versie van de Documentatie is de Engelstalige versie
van de Documentatie de officiële versie.
Deze handleiding beschrijft het product ten tijde van het ter perse gaan. Navico Holding AS
en zijn dochtermaatschappijen, filialen en gelieerde bedrijven behouden zich het recht voor
wijzigingen in de specificaties aan te brengen zonder mededeling vooraf.
Handelsmerken
Navico® is een gedeponeerd handelsmerk van Navico.
Simrad® wordt gebruikt onder licentie van Kongsberg.
Navionics® is een gedeponeerd handelsmerk van Navionics, Inc.
NMEA® en NMEA 2000® zijn gedeponeerde handelsmerken van de National Marine
Electronics Association.
SiriusXM® is een gedeponeerd handelsmerk van SiriusXM Radio, Inc.
SimNet® is een gedeponeerd handelsmerk van Navico.
Fishing Hot Spots® is een gedeponeerd handelsmerk van Fishing Hot Spots, Inc. Copyright©
2012 Fishing Hot Spots.
FUSION-Link™ Marine Entertainment Standard™ is een gedeponeerd handelsmerk van
FUSION Electronics Ltd.
C-MAP® is een gedeponeerd handelsmerk van C-MAP.
FLIR® is een gedeponeerd handelsmerk van FLIR.
Mercury® is een gedeponeerd handelsmerk van Mercury.
SmartCraft VesselView® is een gedeponeerd handelsmerk van Mercury.
Suzuki® is een gedeponeerd handelsmerk van Suzuki.
SD™ en microSD™ zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van SD-3C, LLC in de
Verenigde Staten en/of andere landen.
Wi-Fi® is een gedeponeerd handelsmerk van de Wi-Fi Alliance®.
Aanvullende kaartgegevens: Copyright© 2012 NSI, Inc.: Copyright© 2012 Richardson's
Maptech.
Bluetooth® is een gedeponeerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc.
HDMI® en HDMI™, het HDMI-logo en High-Definition Multimedia Interface zijn handelsmerken
of gedeponeerde handelsmerken van HDMI Licensing LLC in de Verenigde Staten en andere
landen.
Productreferenties Navico
Deze handleiding kan betrekking hebben op de volgende producten van Navico:
Voorwoord | NSS evo3 Gebruikershandleiding
3
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Broadband Radar™ (Broadband Radar)
Broadband 3G™ Radar (Broadband 3G Radar)
Broadband 4G™ Radar (Broadband 4G Radar)
Broadband Sounder™ (Broadband Sounder)
DownScan Imaging™ (DownScan)
DownScan Overlay™ (Overlay)
ForwardScan™ (ForwardScan)
GoFree™ (GoFree)
Halo™ Pulse Compression Radar (Halo Radar)
INSIGHT GENESIS® (Insight Genesis)
SonicHub® (SonicHub)
StructureMap™ (StructureMap)
StructureScan® (StructureScan)
StructureScan® HD (StructureScan HD)
Copyright
Copyright © 2016 Navico Holding AS.
Garantie
De garantiekaart is als afzonderlijk document meegeleverd.
In geval van vragen bezoekt u de website van uw merk display of systeem: www.simradyachting.com.
Complianceverklaringen
Deze apparatuur voldoet aan:
• CE volgens richtlijn 2014/53/EU
• De eisen voor niveau 2-apparatuur van de Radiocommunicatienorm 2008
(elektromagnetische compatibiliteit)
• Deel 15 van de FCC-regels. Gebruik is onderworpen aan de volgende voorwaarden: (1) dit
toestel mag geen schadelijke interferentie veroorzaken, en (2) dit toestel moet alle
ontvangen interferentie accepteren, ook als dat ten koste gaat van de werking van het
toestel.
De relevante conformiteitsverklaring is beschikbaar in de relevante productsectie op de
volgende website: www.simrad-yachting.com.
Internetgebruik
Sommige functies van dit product hebben een internetverbinding nodig om gegevens te
kunnen uploaden en downloaden. Bij gebruik van een internetverbinding via een mobiele
telefoon of een verbinding die per MB wordt betaald dient u er rekening mee te houden dat
het dataverbruik hoog kan zijn. Uw internetprovider kan kosten in rekening brengen voor de
hoeveelheid gegevens die u overbrengt. Neem bij twijfel contract op met uw
internetprovider voor de geldende tarieven en beperkingen.
Over deze handleiding
Deze handleiding is een referentiehandleiding voor de bediening van de NSS evo3. Er wordt
vanuit gegaan dat alle apparatuur is geïnstalleerd en geconfigureerd en dat het systeem
gereed is voor gebruik.
De handleiding gaat ervan uit dat de gebruiker fundamentele kennis heeft van navigatie,
nautische terminologie en praktijk.
Belangrijke tekst die speciale aandacht van de lezer behoeft, wordt als volgt aangegeven:
Ú Notitie: Wordt gebruikt om de aandacht van de lezer op een opmerking of belangrijke
informatie te richten.
4
Voorwoord | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Waarschuwing: Wordt gebruikt als het noodzakelijk is personen te
waarschuwen voorzichtig te werk te gaan om letsel en/of schade aan
personen/apparatuur te voorkomen.
Handleidingversie
Deze handleiding is geschreven voor softwareversie 1.0. De handleiding wordt telkens bij het
verschijnen van een nieuwe softwareversie bijgewerkt. De meest recente versie van de
handleiding kan gedownload worden van www.simrad-yachting.com.
De handleiding op het scherm weergeven
Met de PDF-viewer in de unit kunt u de handleidingen en andere PDF-bestanden op het
scherm lezen. U kunt handleidingen downloaden van www.simrad-yachting.com.
De handleidingen kunnen gelezen worden vanaf een kaart die in de kaartlezer is geplaatst of
u kunt ze kopiëren naar het interne geheugen van de unit.
Gebruik de menu-opties of de toetsen en de knoppen op het scherm voor navigatie door
het PDF-bestand, zoals hieronder staat beschreven:
• Zoeken, Ga naar pagina, Pagina omhoog en omlaag
Selecteer de relevante paneelknop.
• Door pagina's bladeren
Draai aan de draaiknop.
• Pannen op de pagina
Sleep uw vinger in de gewenste richting op het scherm.
• In-/uitzoomen
Maak knijp- of spreidbewegingen.
• De PDF viewer afsluiten
Druk op de toets X of selecteer de X in de rechterbovenhoek van het paneel.
De softwareversie
De huidige softwareversie op deze unit is te vinden in het dialoogvenster Info. Het
dialoogvenster Info is beschikbaar in Systeeminstellingen.
Voor informatie over het upgraden van de software raadpleegt u "Software-upgrades" op pagina
134.
Voorwoord | NSS evo3 Gebruikershandleiding
5
Inhoud
10 Inleiding
10
10
11
13
14
Bediening voorpaneel
De Home pagina
Applicatiepagina's
Integratie van apparaten van derden
Externe bedieningsunits
15 Bediening, basis
15
15
15
16
16
16
16
17
18
18
18
19
Dialoogvenster Systeem regelingen
De unit in- en uitschakelen
Displayverlichting
Draadloos
Het touchscreen vergrendelen
Instrumentenbalk
Bediening van het touchscreen
Menu's en dialoogvensters gebruiken
Pagina's en panelen selecteren
Het favorietenpaneel als pop-up weergeven op een pagina
Een Man Overboord-waypoint aanmaken
Schermafdruk
20 Het systeem aanpassen
20
20
20
20
21
21
22
22
23
Wallpaper van de Home pagina aanpassen
De WheelKey configureren
De lange druk configureren
Paneelformaat aanpassen
Wachtwoordbeveiliging
Nieuwe favoriete pagina's toevoegen
Favoriete pagina's bewerken
Weergave van de instrumentenbalk instellen
Brug bediening
26 Kaarten
26
26
27
27
27
27
27
28
28
29
29
29
30
30
30
33
37
Het kaartpaneel
Kaartgegevens
Twee kaarttypen tonen
De kaart verschuiven
Kaartschaal
Vaartuigsymbool
Het vaartuig op het kaart paneel positioneren
Informatie over kaartitems weergeven
De cursor gebruiken op het kaartpaneel
Waypoints opslaan
Routes maken
Panelen voor het zoeken van objecten op de kaart
3D-kaarten
Kaart-overlay
Insight- en C-MAP-kaarten
Navionics-kaarten
Kaartinstellingen
39 Waypoints, routes en tracks
39
40
43
44
6
Waypoints
Routes
Tracks
Dialoogvensters Waypoints, routes, en Tracks
Inhoud | NSS evo3 Gebruikershandleiding
45 Navigeren
45
46
46
47
47
Navigatiepanelen
Navigeren naar cursorpositie
Een route navigeren
Navigeren met de stuurautomaat
Navigatie-instellingen
49 TripIntel
49
49
50
50
50
50
51
51
Huidige tripstatistieken
Trip automatisch opnemen
Opname van trip starten en stoppen
Langetermijnstatistieken
Ring met geschat brandstofbereik
Brandstofmeter
Getij-meter
Tripopnamen weergeven
53 Stuurautomaat
53
53
53
53
54
55
55
55
55
55
56
56
58
58
61
61
61
64
Veilige bediening met de stuurautomaat
De stuurautomaat activeren
Overschakelen van automodus naar handmatig sturen
Indicatie stuurautomaat op de pagina's
Het stuurautomaatpaneel
Stuurautomaatmodi
Standby-modus
NFU-besturing (Non-Follow-Up)
FU-besturing (Follow-Up)
Modus AUTO (autokompas)
De modus Geen drift
De modus NAV
WIND-modus
Sturen met wendpatroon
Gebruik van de NSS evo3 in een AP24/AP28-systeem
De stuurautomaat gebruiken in een EVC-systeem
Gebruik van de NSS evo3 in een AP70/AP80-systeem
Stuurautomaat instellen
67 Radar
67
67
68
68
69
69
69
70
70
72
73
74
75
76
77
77
Het radarpaneel
Dubbele radar
Radar-overlay
Operationele modi radar
Radarbereik
Gebruik van de cursor op een radar paneel
Waypoints opslaan
Radarsectoren leeglaten
Het radarbeeld aanpassen
Geavanceerde radaropties
Opties radar weergave
EBL/VRM-markering
Een bewakingszone rond uw vaartuig instellen
MARPA doelen
Radargegevens opnemen
Radarinstellingen
79
Echosounder
79
79
Het Echosounder-beeld
Meervoudige Echosounder
Inhoud | NSS evo3 Gebruikershandleiding
7
80
80
81
81
81
82
83
84
84
85
86
Het beeld zoomen
Gebruik van de cursor op het beeld
Waypoints opslaan
Historie weergeven
Het beeld instellen
Geavanceerde opties
Opname van loggegevens starten
Opname van loggegevens stoppen
De vastgelegde echogegevens weergeven
Opties echosounderweergave
Echosounder-instellingen
88 StructureScan
88
88
89
89
90
90
91
Het StructureScan beeld
Het StructureScan-beeld zoomen
Gebruik van de cursor op het paneel StructureScan
Waypoints opslaan
StructureScan-historie weergeven
Het StructureScan-beeld instellen
Geavanceerde instellingen StructureScan
92 StructureMap
92
92
92
93
93
93
94
Het StructureMap-beeld
Structuur overlay activeren
StructureMap-bronnen
Tips voor StructureMap
StructureScan-gegevens opnemen
Gebruik van StructureMap met cartografie kaarten
Structuuropties
95 ForwardScan
95
96
96
96
97
Het ForwardScan-beeld
Het ForwardScan-beeld instellen
Weergaveopties ForwardScan
Voorl. koers verlenging
Installatie ForwardScan
100 Draadloze verbinding
100
100
100
102
102
Verbinding met een draadloze hotspot tot stand brengen en verbreken
GoFree Shop
GoFree Link
Logbestanden uploaden naar Insight Genesis
Draadloze instellingen
104 AIS
104
104
105
105
107
107
Symbolen AIS-doelen
Informatie over individuele AIS doelen bekijken
Een AIS-vaartuig oproepen
AIS SART
Vaartuigalarmen
Vaartuiginstellingen
110 Instrumentpanelen
110 Dashboards
110 Het Instrumentspaneel aanpassen
112 Audio
112 Activeren audio
8
Inhoud | NSS evo3 Gebruikershandleiding
112
114
115
116
116
116
SonicHub 2
Het audiopaneel
Het audio systeem instellen
Het audiosysteem bedienen
Favoriete kanalen
Sirius radio (alleen Noord-Amerika)
117 Weer
117
117
117
119
122
Windveren
Weerdetails weergeven
GRIB weer
SiriusXM-weer
Weeralarmen
124 Video
124 Het videopaneel
124 Het videopaneel instellen
124 Bediening FLIR-camera
126 Tijd plot
126 Het paneel Tij dplot
126 Data selecteren
127 Alarmen
127
127
127
127
127
127
Alarmsysteem
Type berichten
Enkelvoudige alarmen
Meervoudige alarmen
Een melding bevestigen
Dialoogvenster Alarmen
129 Tools
129
129
129
129
129
129
129
130
130
Waypoints
Waterstanden
Alarmen
Vaartuigen
TripIntel
Zon, maan
Bestanden
Zoeken
GoFree Shop
131 Simulator
131 Demomodus
131 Simulator bronbestanden
131 Geavanceerde simulatorinstellingen
133 Onderhoud
133
133
133
133
133
133
134
135
Preventief onderhoud
Reinigen van de display-unit
De klep van de kaartlezer schoonmaken
De toetsen controleren
Controleren van de connectoren
Registratie van NMEA-gegevens
Software-upgrades
Back-up maken van uw systeemgegevens
Inhoud | NSS evo3 Gebruikershandleiding
9
1
Inleiding
Bediening voorpaneel
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
1
12
13
1
Touchscreen
2
Pages/Home: indrukken om de Home pagina te openen voor paginaselectie en
instelopties
3
WheelKey: Een knop die de gebruiker kan instellen. Voor meer informatie
raadpleegt u "De WheelKey configureren" op pagina 20.
Standaardinstelling wanneer er geen stuurautomaat op het systeem is
aangesloten:
• Kort indrukken: schakelen tussen de panelen op het gesplitste scherm
• Lang indrukken: het actieve paneel op het gesplitste scherm maximaliseren
Standaardinstelling wanneer er een stuurautomaat op het systeem is aangesloten:
• Kort indrukken: de stuurautomaatcontroller wordt geopend en de
stuurautomaat wordt in de standby-modus gezet
• Lang indrukken: schakelen tussen de panelen op het gesplitste scherm
4
Menu-knop: indrukken om het menu van het actieve paneel weer te geven
5
Draaiknop: draaien om te zoomen of door het menu te scrollen, indrukken om
een optie te selecteren
6
Enter-knop: indrukken om een optie te selecteren of instellingen op te slaan
7
Knop Afsluiten: indrukken om een dialoogvenster te sluiten, terug te keren naar
het vorige menuniveau en de cursor uit het paneel te verwijderen
8
MOB: druk tegelijkertijd op de knoppen Enter en Afsluiten om een MOB (Manover-boord) te maken op de positie van het vaartuig
9
Pijlknoppen: indrukken om de cursor te activeren of te verplaatsen
Menubediening: indrukken om door de menu-items te navigeren en een waarde
aan te passen
10
Markeren-knop: indrukken om een waypoint te plaatsen op de positie van het
vaartuig of de plek waar de cursor staat wanneer deze actief is
11
Aan/uit-knop: ingedrukt houden om het apparaat aan of uit te zetten
Eén keer indrukken om het dialoogvenster Systeem regelingen te openen.
Wanneer u vaker drukt, wordt geschakeld tussen drie helderheidsniveaus
12
Klepje van de kaartlezer
13
Twee sleuven voor kaartlezers
De Home pagina
U kunt de Home pagina openen vanuit elk scherm door kort op de knop Home te drukken
of op de knop Home linksboven in een paneel.
10
Inleiding | NSS evo3 Gebruikershandleiding
1
Applicaties
Selecteer een knop om de applicatie weer te geven als paneel op volledig
paginaformaat.
Houd een knop ingedrukt om vooraf geconfigureerde opties voor gesplitste
pagina's weer te geven voor de applicatie.
2
Knop Instellingen
Druk hierop om het dialoogvenster Instellingen te openen.
3
Tools
Selecteer een knop voor toegang tot dialoogvensters waar u een taak kunt
uitvoeren of waar u naar opgeslagen informatie kunt bladeren.
4
Favorieten
Selecteer een knop om de paneelcombinatie weer te geven.
Houd een favorietenknop ingedrukt om de bewerkingsmodus voor het
favorietenpaneel te openen.
5
Knop Sluiten
Druk hierop om de Home pagina te verlaten en terug te keren naar de vorige
actieve pagina.
6
Aan/uit-knop
Druk hierop om de unit uit te schakelen.
7
Knop Man overboord (MOB)
Selecteer deze knop om een waypoint Man overboord (MOB) op te slaan op de
huidige vaartuigpositie.
Applicatiepagina's
Alle applicaties die met het systeem zijn verbonden worden weergegeven op panelen. De
applicatie kan worden weergegeven als een volledige pagina, of in combinatie met andere
panelen op meerdere paneelpagina's.
Inleiding | NSS evo3 Gebruikershandleiding
11
Alle applicatiepagina's zijn toegankelijk vanaf de Home pagina.
1
Home-knop
2
Applicatiepaneel
3
Instrumentenbalk
Navigatie- en sensorinformatie. De balk kan worden in- en uitgeschakeld en door
de gebruiker worden geconfigureerd.
4
Menuknop
5
Zoom-knoppen
6
Dialoogvenster Systeem regelingen
Snelle toegang tot de basisinstellingen van het systeem.
Druk kort op de Aan/uit-knop of veeg van boven naar beneden over het scherm
om het dialoogvenster weer te geven.
7
Statusbalk
8
Dialoogvenster
Informatie voor of invoer van de gebruiker.
9
Alarmbericht
Wordt weergegeven als zich gevaarlijke situaties of systeemfouten voordoen.
10
Menu
Specifieke paneelmenu's.
Gesplitste pagina's
Elke pagina kan maximaal 4 panelen bevatten.
Pagina met 2 panelen
Pagina met 3 panelen
Pagina met 4 panelen
Paneelformaten in een gesplitste pagina kunnen worden aangepast in het dialoogvenster
Systeem regelingen.
Vooraf geconfigureerde gesplitste pagina's
Elke applicatie met volledig beeld beschikt over diverse vooraf geconfigureerde gesplitste
pagina's, waarbij de geselecteerde applicatie wordt gecombineerd met elk van de andere
panelen.
Ú Notitie: Het aantal vooraf geconfigureerde gesplitste pagina's kan niet worden
gewijzigd. De pagina's kunnen ook niet worden aangepast of verwijderd.
U krijgt toegang tot een vooraf geconfigureerde gesplitste pagina door de knop op het
hoofdpaneel ingedrukt te houden.
Favoriete pagina's
Alle vooraf ingestelde favoriete pagina's kunnen worden aangepast of verwijderd. U kunt ook
uw eigen favorieten aanmaken. U kunt in totaal 12 favoriete pagina's opgeven.
Ga voor meer informatie naar "Nieuwe favoriete pagina's toevoegen" op pagina 21.
12
Inleiding | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Integratie van apparaten van derden
Apparaten die met het NMEA 2000-netwerk worden verbonden, worden automatisch
geïdentificeerd door het systeem. Als dat niet het geval is, kunt u deze functie inschakelen
onder geavanceerde opties in het dialoogvenster Systeeminstellingen.
U kunt een apparaat van derden bedienen via menu's en dialoogvensters, net zoals op de
ander panelen.
Deze handleiding geeft geen specifieke bedieningsinstructies voor apparaten van derden.
Raadpleeg de documentatie van het apparaat voor informatie over functies en
functionaliteit.
Integratie SmartCraft VesselView
SmartCraft-gegevens kunnen worden weergegeven en interactie is mogelijk via de unit
wanneer een Mercury VesselView® 4, 7, 403, 502, 702, 703 of Link zich in het netwerk bevindt.
Wanneer de functies zijn ingeschakeld, wordt de gebruiker mogelijk gevraagd om informatie
over basisinstellingen op te geven. Voor meer informatie raadpleegt u de VesselView®handleiding of neemt u contact op met de motorleverancier.
Als een apparaat beschikbaar is, verschijnt het pictogram van de motorleverancier op de
Home pagina.
Paneel Suzuki-motor
Als er een Suzuki C10-meter beschikbaar is op het netwerk, wordt een pictogram voor de
Suzuki-motor toegevoegd op de Home pagina. Er wordt ook een pictogram toegevoegd
aan de Pagina editor. U kunt aangeven of u het paneel Suzuki-motor als paneel op volledig
paginaformaat wilt zien of als deel van een pagina met meerdere panelen.
De lay-out en inhoud van het motorpaneel zijn afhankelijk van het geselecteerde
paneelformaat. De digitale meters kunnen aangepast worden. Raadpleeg "Het paneel aanpassen"
op pagina 110.
Integratie FUSION-Link
De FUSION-Link-apparaten verschijnen als aanvullende bronnen wanneer de audiofunctie
wordt gebruikt. Er zijn geen aanvullende pictogrammen beschikbaar.
Ga naar "Audio" op pagina 112 voor meer informatie.
Integratie van FLIR-camera
Als er een camera uit de FLIR M-serie beschikbaar is in het Ethernet-netwerk, kunt u de video
weergeven en de camera bedienen vanaf de NSS evo3.
De FLIR-camera wordt bediend vanaf het videopaneel en op de Home pagina verschijnen
geen andere pictogrammen.
Zie "Video" op pagina 124 voor meer informatie.
Integratie BEP CZone
De NSS evo3 is geïntegreerd met het BEP CZone-systeem, dat wordt gebruikt voor beheer en
controle van een gedistribueerd vermogenssysteem.
Het CZone-pictogram is beschikbaar op het paneel Tools op de Home pagina wanneer een
CZone-systeem beschikbaar is op het netwerk.
CZone- dashboard
Als de CZone is geïnstalleerd en geconfigureerd, wordt een CZone-dashboard aan de
Instrumentspanelen toegevoegd.
Inleiding | NSS evo3 Gebruikershandleiding
13
Vaartuig-dashboard
Navigatie-dashboard
Vissers-dashboard
CZone-dashboard
U schakelt tussen de dashboards van een paneel door de pijlsymbolen naar links en rechts te
selecteren, of door het dashboard in het menu te selecteren.
Een CZone-dashboard wijzigen
U kunt een CZone-dashboard aan uw wensen aanpassen door de gegevens voor elk van de
meters te wijzigen. Beschikbare bewerkingsopties zijn afhankelijk van het type meter en de
gegevensbronnen die op het systeem aangesloten zijn.
Raadpleeg voor meer informatie "Instrumentenpanelen" op pagina 110.
Externe bedieningsunits
U kunt een externe bedieningsunit verbinden met het netwerk en de unit op afstand
bedienen. Om te zien welke externe bedieningsunits gebruikt kunnen worden, raadpleegt u
de webpagina van het product op:
www.simrad-yachting.com.
De externe bedieningsunit wordt geleverd met een afzonderlijke handleiding.
14
Inleiding | NSS evo3 Gebruikershandleiding
2
Bediening, basis
Dialoogvenster Systeem regelingen
Het dialoogvenster Systeem regelingen biedt snelle toegang tot basisinstellingen van het
systeem. U kunt het dialoogvenster openen door kort op de toets Aan/uit te drukken of
door omlaag te vegen vanaf de bovenkant van het scherm.
De getoonde pictogrammen op het dialoogvenster kunnen variëren. De optie Spitsing
aanpassen is bijvoorbeeld alleen beschikbaar als u een gesplitste pagina bekijkt wanneer u
het dialoogvenster Systeem regelingen opent.
Functies activeren
De unit in- en uitschakelen
U schakelt het systeem uit door op de toets Aan/uit te drukken of door de optie Aan/uit op
de Home pagina of in het dialoogvenster Systeem regelingen te selecteren.
Als de toets Aan/uit wordt losgelaten voordat de apparatuur is uitgeschakeld, wordt de
uitschakeling geannuleerd.
Ú Notitie: Als de unit is geconfigureerd als slave, kunt u de unit niet uitschakelen met de
knop Aan/uit en wordt de uitschakeloptie niet getoond in het dialoogvenster Systeem
regelingen.
Voor de eerste keer opstarten
Wanneer het apparaat voor de eerste keer wordt opgestart of na het terugzetten van de
fabrieksinstellingen start het apparaat een installatiewizard. Volg de instructies van de
installatiewizard om een aantal belangrijke instellingen te selecteren.
U kunt de installatie voltooien met de opties voor systeeminstellingen. De instellingen die u
met de wizard heeft gedaan kunt u later wijzigen.
Standby-modus
In de standby-modus wordt het achtergrondlicht voor het touchscreen en de toetsen
uitgeschakeld om energie te besparen. Het systeem blijft op de achtergrond actief.
U kunt de standby-modus selecteren in het dialoogvenster Systeem regelingen.
Displayverlichting
Helderheid
De achtergrondverlichting van het display kan op elk gewenst moment aangepast worden in
het dialoogvenster Systeem regelingen.
U kunt ook de vooraf ingestelde verlichtingsniveaus doorlopen door telkens kort op de toets
Aan/uit te drukken.
Bediening, basis | NSS evo3 Gebruikershandleiding
15
Nachtmodus
De optie Nachtmodus zorgt voor een optimaal kleurpalet en achtergrondverlichting in
omstandigheden met weinig licht.
Ú Notitie: Als de nachtmodus is geselecteerd, kunnen details op de kaart minder zichtbaar
zijn!
Draadloos
Biedt opties voor draadloze verbinding, afhankelijk van de status van het draadloze netwerk.
U kunt bijvoorbeeld verbinding maken met een hotspot of overschakelen naar een
toegangspunt. Voor uitleg van de opties raadpleegt u "Draadloze verbinding" op pagina 100.
Het touchscreen vergrendelen
U kunt een touchscreen tijdelijk vergrendelen om te voorkomen dat het per ongeluk wordt
bediend. Vergrendel het touchscreen als er grote hoeveelheden water op het scherm te zien
zijn, bijvoorbeeld bij zware zee of zwaar weer. Deze functie is bovendien handig om het
scherm te reinigen als de unit aanstaat.
Als de aanraakvergrendeling actief is, kunt u de unit alleen met de knoppen bedienen.
U vergrendelt het touchscreen in het dialoogvenster Systeem regelingen.
U heft de vergrendeling op door kort op de aan/uit-knop te drukken.
Instrumentenbalk
Hiermee schakelt u de instrumentenbalk in/uit voor alleen de huidige pagina.
Bediening van het touchscreen
De basisbediening van het touchscreen op de verschillende panelen wordt getoond in de
onderstaande tabel.
De paragrafen over panelen in deze handleiding bevatten meer informatie over de specifieke
touchscreenfuncties op elk van de panelen.
Pictogram
Beschrijving
Tik om:
Een paneel te activeren op een pagina met meerdere panelen
De cursor op een paneel te plaatsen
Een menu en een dialoogvensteroptie te selecteren
Een selectievakje in of uit te schakelen
Basisinformatie over een geselecteerd item weer te geven
•
•
•
•
•
Ingedrukt houden:
• Op elk paneel met een cursor om de cursorondersteuningsfunctie te
activeren of het menu te openen. Zie "De lange druk configureren" op
pagina 20
• Op het instrumentenpaneel om het dialoogvenster Kies gegevens
te openen
• Op een paneelknop om de beschikbare opties voor gesplitste
schermen te bekijken
• Op een favorietenknop om de bewerkingsmodus te openen
Blader door een lijst met beschikbare opties zonder een van de opties
te activeren.
16
Bediening, basis | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Pictogram
Beschrijving
Veeg om snel door een lijst te scrollen, bijvoorbeeld door de lijst met
waypoints. Tik op het scherm om te stoppen met scrollen.
Pan om een kaart of Echosounder-beeld op het paneel te
positioneren.
Knijp om uit te zoomen op de kaart of op een beeld.
Spreid om in te zoomen op de kaart of op een beeld.
Menu's en dialoogvensters gebruiken
Menu's
U kunt een paginamenu tonen door de knop MENU in de rechterbovenhoek van de pagina
te selecteren.
• Activeer een menu-item en schakel een optie in/uit door deze te selecteren
• Pas een schuifbalk aan door:
- de schuifbalk te verslepen
- het pictogram + of - te selecteren
U kunt menu's ook instellen met behulp van de draaiknop:
• Draai aan de knop om door menu-items te scrollen
• Druk op de knop om een gemarkeerd item te selecteren
• Draai aan de knop om de waarde van een geselecteerd item aan te passen
Selecteer de menu-optie Terug of de toets X om terug te keren naar het vorige
menuniveau. Verlaat vervolgens het menu.
De status van de cursor (actief of niet-actief) wijzigt de menu-opties.
Dialoogvensters
U kunt invoervelden en toetsen in een dialoogvenster selecteren door op het scherm te
tikken of door de draaiknop te gebruiken.
Numerieke en alfanumerieke toetsenborden worden automatisch getoond als er
gebruikersinformatie in dialoogvensters moet worden ingevoerd. U kunt het toetsenbord
bedienen door de virtuele toetsen te selecteren en u kunt uw invoer bevestigen door de
virtuele toets Enter te selecteren of door op de draaiknop te drukken.
U kunt een dialoogvenster sluiten door de invoer op te slaan of te annuleren.
U kunt een dialoogvenster ook sluiten door de X te selecteren in de rechterbovenhoek van
het dialoogvenster of door op de toets X te drukken.
Bediening, basis | NSS evo3 Gebruikershandleiding
17
Pagina's en panelen selecteren
Een pagina selecteren
• Selecteer een paneel op volledig paginaformaat door de relevante applicatieknop te
selecteren op de Home pagina
• Selecteer een favoriete pagina door de relevante favorietenknop te selecteren
• Selecteer een vooraf gedefinieerd paneel door het relevante applicatiepictogram
ingedrukt te houden
Actief paneel selecteren
Op een pagina met meerdere panelen kan er slechts een paneel tegelijk actief zijn. Het
actieve paneel heeft een rand.
U hebt alleen toegang tot het paginamenu van het actieve paneel.
U kunt een paneel activeren door erop te tikken.
Het favorietenpaneel als pop-up weergeven op een pagina
U kunt het favorietenpaneel op elke pagina als pop-up laten weergeven door de toets
Home ingedrukt te houden.
Selecteer een favoriete pagina in de pop-up om deze weer te geven. Het paneel schakelt na
3 seconden over op de geselecteerde favoriet.
Een Man Overboord-waypoint aanmaken
In een noodsituatie kunt u een Man Overboord (MOB)-waypoint aanmaken op de huidige
positie van het vaartuig door de knop MOB te selecteren op de Home pagina.
U kunt ook een MOB-waypoint (Man overboord) opslaan op de huidige positie van het
vaartuig door de knoppen Enter en Afsluiten gelijktijdig in te drukken. Als u de knoppen
Enter en Afsluiten gelijktijdig indrukt, wordt er een MOB gemaakt op de locatie van het
vaartuig
Als u de MOB-functie activeert, wordt automatisch één van de volgende acties uitgevoerd:
• op de positie van het vaartuig wordt een MOB-waypoint geplaatst
• het display schakelt over naar een ingezoomd kaartpaneel, gecentreerd op de positie van
het vaartuig
• het systeem toont navigatie-informatie terug naar het MOB-waypoint
U kunt meerdere MOB-waypoints opslaan door herhaaldelijk op de knoppen MOB te
drukken. Het vaartuig blijft navigatie-informatie terug naar het initiële MOB-waypoint tonen.
De navigatie naar daaropvolgende MOB-waypoints dient handmatig plaats te vinden.
Navigatie naar MOB annuleren
Het systeem blijft navigatiegegevens naar het MOB-waypoint weergeven totdat de navigatie
in het menu wordt geannuleerd.
Een MOB-waypoint verwijderen
1. Selecteer het MOB-waypoint om het te activeren
2. Tik op de pop-up van het MOB-waypoint of druk op de toets Enter of op de draaiknop
om het dialoogvenster MOB-waypoint weer te geven
3. Selecteer de optie Verwijderen in het dialoogvenster.
U kunt een MOB-waypoint ook uit het menu verwijderen als het is geactiveerd.
18
Bediening, basis | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Schermafdruk
Druk tegelijk op de toetsen Home en Aan/uit om een schermafdruk te maken.
Schermafdrukken worden in het interne geheugen opgeslagen.
Schakel de optie Schermafdruk in het dialoogvenster Systeem regelingen in om een
schermafdruk op een touchscreen te maken. Als de functie is ingeschakeld, kunt u een
schermafdruk op een touchscreen maken door de titelbalk van een open dialoogvenster
tweemaal te selecteren, of door de statusbalk tweemaal te selecteren als er geen
dialoogvenster open is.
Om bestanden weer te geven, raadpleegt u "Bestanden" op pagina 129.
Bediening, basis | NSS evo3 Gebruikershandleiding
19
3
Het systeem aanpassen
Wallpaper van de Home pagina aanpassen
U kunt de wallpaper van de Home pagina aanpassen. U kunt een foto uit het systeem
selecteren of uw eigen foto in .jpg- of .png-indeling gebruiken.
De beelden kunnen zich op elke gewenste locatie bevinden die zichtbaar is in de
bestandsbrowser. Als u een foto kiest als wallpaper, wordt deze automatische gekopieerd
naar de map Wallpaper.
De WheelKey configureren
U kunt instellen wat er gebeurt na het kort of lang indrukken van de WheelKey op de
voorzijde van de unit.
Als u de Wheelkey wilt configureren, drukt u op Instellen WheelKey in het dialoogvenster
Systeeminstellingen.
Selecteer de optie Korte druk of Lange druk in het dialoogvenster INSTELLEN WHEELKEY
en kies vervolgens een optie uit de lijst.
De lange druk configureren
In het dialoogvenster Geavanceerde instellingen kunt u instellen of met een lange druk
op het paneel het menu wordt geopend of de cursorondersteuning op het paneel wordt
getoond.
Paneelformaat aanpassen
U kunt het paneelformaat voor een actieve gesplitste pagina wijzigen. Het paneelformaat
kan zowel voor favoriete pagina's als voor vooraf gedefinieerde gesplitste pagina's aangepast
worden.
1. Activeer het dialoogvenster Systeem regelingen
2. Selecteer de aanpassingsoptie voor gesplitste pagina's in het dialoogvenster
20
Het systeem aanpassen | NSS evo3 Gebruikershandleiding
3. Pas het paneelformaat aan door het aanpassingspictogram te verslepen
4. Bevestig uw wijzigingen door op een van de panelen te tikken, door op de draaiknop te
drukken of door op de toets Enter te drukken.
De wijzigingen worden opgeslagen voor de actieve favoriete of gesplitste pagina.
Wachtwoordbeveiliging
U kunt een pincode instellen om ongeoorloofde toegang tot uw systeeminstellingen te
voorkomen.
Notitie: We raden aan de pincode (wachtwoord) te noteren en op een veilige plaats te
bewaren voor het geval u deze in de toekomst nodig hebt.
Als u wachtwoordbeveiliging instelt, moet de pincode worden ingevoerd wanneer een van
de volgende opties wordt geselecteerd. Als de juiste pincode is ingevoerd, zijn deze allemaal
toegankelijk zonder de pincode opnieuw te hoeven invoeren.
• Instellingen, geactiveerd op het paneel Tools of het dialoogvenster Systeem regelingen
• Alarmen, geactiveerd op het paneel Tools
• Bestanden, geactiveerd op het paneel Tools
• GoFree Shop, geactiveerd op het paneel Tools
• Instellingen, geactiveerd in het menu Kaart in Kaartopties
U kunt wachtwoordbeveiliging instellen en verwijderen in het dialoogvenster
Systeeminstellingen.
Nieuwe favoriete pagina's toevoegen
1. Selecteer het pictogram Nieuw op het favorietenpaneel op de Home pagina om het
dialoogvenster Pagina editor te openen
2. U kunt paginapictogrammen slepen en neerzetten om een nieuwe pagina op te zetten
3. Wijzig desgewenst de paneelindeling (alleen mogelijk voor 2 of 3 panelen)
4. Sla de pagina-layout op.
Het systeem toont de nieuwe favoriete pagina en de nieuwe pagina wordt toegevoegd aan
de lijst met favoriete pagina's op de Home pagina.
Het systeem aanpassen | NSS evo3 Gebruikershandleiding
21
Favoriete pagina's bewerken
1. Selecteer het pictogram Wijzigen in het paneel Favorieten:
- Selecteer het pictogram X op een pictogram onder Favorieten om de pagina te
verwijderen
- Selecteer het toolpictogram op een van de pictogrammen onder Favorieten om het
dialoogvenster Pagina editor weer te geven
2. Panelen toevoegen of verwijderen In het dialoogvenster Pagina editor
3. Sla uw wijzigingen op of doe ze weg om de modus Favorieten bewerken te verlaten.
Weergave van de instrumentenbalk instellen
Gegevensbronnen die met het systeem zijn verbonden, kunnen in de instrumentenbalk
worden weergegeven.
U kunt de instrumentenbalk configureren voor weergave van een of twee balken. Als u de
weergave van twee balken opgeeft, kunt u instellen dat de balken automatisch worden
afgewisseld. U kunt opgeven welke informatie in de instrumentenbalken getoond wordt.
Gebruik het menu om een vooraf gedefinieerde activiteit voor een of beide balken te
selecteren. Als u een activiteitenbalk selecteert, worden vooraf gedefinieerde
instrumentmeters getoond op de instrumentenbalk.
U kunt de instrumentenbalk uitzetten in het dialoogvenster Systeem regelingen.
Ú Notitie: Hiermee schakelt u alleen de instrumentenbalk voor de huidige pagina uit.
De instrumentenbalk in-/uitschakelen
1. Activeer het dialoogvenster Systeem regelingen
2. Schakel het pictogram van de instrumentenbalk in/uit om de balk aan/uit te zetten.
Een vooraf gedefinieerde activiteitenbalk selecteren
1. Activeer de instrumentenbalk door deze te selecteren
2. Selecteer de knop MENU om het menu te openen
3. Selecteer Balk 1 of Balk 2 en vervolgens een vooraf gedefinieerde activiteitenbalk.
In de instrumentenbalk worden vooraf gedefinieerde meters getoond. U kunt een meter in
de instrumentenbalk van een activiteit wijzigen. Raadpleeg De inhoud van de
instrumentenbalk wijzigen hieronder.
De inhoud van de instrumentenbalk wijzigen
1. Activeer de instrumentenbalk door deze te selecteren
2. Selecteer de MENU-knop om het menu te openen
3. Wanneer u een instrumentmeter wilt wijzigen, selecteert u eerst Wijzigen en vervolgens
de meter die u wilt wijzigen
4. Selecteer de inhoud die u wilt weergeven in het dialoogvenster Kies gegevens
5. Selecteer Menu en vervolgens Wijzigen beëindigen om uw wijzigingen op te slaan.
22
Het systeem aanpassen | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Brandstofzuinigheidsmeter
U kunt de brandstofzuinigheidsmeter weergeven in de instrumentenbalk op
applicatiepagina's (Kaart, Radar, Echo, Nav, enzovoort). Selecteer de vooraf gedefinieerde
Brandstofactiviteitbalk, of wijzig de meterbron naar Brandstofzuinigheid. Ga naar "Instellen van de
instrumentenbalk" op pagina 22 om de meterbron te wijzigen.
1
Digitaal aflezen van het huidige verbruik
2
Eenheden waarin brandstofzuinigheid wordt gemeten
3
100% efficiëntie, dit komt neer op het 'nominale verbruik'
4
120% efficiëntie
5
Gemiddelde brandstofzuinigheid
6
Verbruik op dit moment
7
Huidig brandstofniveau
De brandstofzuinigheidsmeter laat het huidige en het historisch gemiddelde
brandstofverbruik zien. Het begin van de groene zone stelt de ‘nominale
brandstofzuinigheid’ voor, en er is nog een extra gebied van 20% zichtbaar. Hierin wordt uw
brandstofefficiëntie weergegeven als deze hoger dan nominaal is.
Hoe efficiënter uw brandstofverbruik, hoe verder de buitenste blauwe ring opschuift in de
richting van het groene deel van de schaal. Wanneer u met uw vaartuig nominale efficiëntie
bereikt, bevindt u zich in de groene zone. Als het u lukt om een hogere efficiëntie te bereiken
dan uw nominale efficiëntie, dan bevindt u zich ergens in het bovenste deel van de groene
zone.
De nominale brandstofzuinigheid kan worden ingevoerd in het dialoogvenster
Vaartuiginstellingen dat toegankelijk is vanuit het dialoogvenster Brandstofinstellingen.
U kunt uw gemiddelde brandstofzuinigheid resetten met de knop Reset brandstofzuinigheid
in het dialoogvenster Brandstofinstellingen. Wanneer u deze instelling reset begint het
systeem opnieuw met het berekenen van het gemiddelde.
De eenheden voor de brandstofzuinigheidsmeter kunt u instellen in het veld Zuinigheid in
het dialoogvenster Eenheden.
Brug bediening
De functie Brug bediening biedt de mogelijkheid te bepalen welke pagina's op meerdere
displays tegelijkertijd worden weergegeven. Deze functie wordt gebruikt op vaartuigen met
meerdere displays op dezelfde plaats gemonteerd, om snel te configureren welke informatie
wordt weergegeven.
Er kunnen maximaal vier verschillende bruggen in uw systeem aanwezig zijn en maximaal
vier displays in één brug gegroepeerd. Elke display kan maar voor één brug worden
geconfigureerd.
Als de displays in een brug zijn opgenomen, kunt u twaalf pagina configuraties configureren
(voorinstellingen) voor elke brug.
Het systeem aanpassen | NSS evo3 Gebruikershandleiding
23
Displays toevoegen aan een brug
Ú Notitie: Alle displays moeten ingeschakeld zijn om beschikbaar te zijn voor
brugconfiguratie.
1. Open het dialoogvenster Brug configuratie
2. Selecteer of u een nieuwe brug wilt configureren of een bestaande wilt bewerken
- De Brug configuratie voor de geselecteerde brug wordt weergegeven, met alle
displays die nog niet zijn toegewezen aan een brug
3. Selecteer het display dat u wilt toevoegen aan de brug
- Rangschik de displays van links naar rechts in dezelfde fysieke opstelling als de displays
op uw huidige brug/dashboard/roer
4. Wijzig de naam van de brug, indien gewenst
5. Sla de configuratie op
Brug bediening wordt weergegeven op de Home pagina van alle units die voor een brug
zijn geconfigureerd.
De vooraf ingestelde pagina's voor displays in een brug configureren
1. Activeer het paneel Brug bediening door Brug bediening op de Home pagina omlaag
te vegen
2. Activeer de bewerkingsmodus door op het bewerkingspictogram te drukken
3. Selecteer het display waarvoor u de vooraf ingestelde pagina wilt definiëren
- De pagina-indeling voor het geselecteerde display wordt opgehaald vanaf het netwerk
en bevat de belangrijkste functies en de geconfigureerde favoriete pagina's
4. Selecteer de voorkeurspagina
- Selecteer een lege pagina als u niet wilt dat het display wordt toegevoegd aan de
geselecteerde Voorinstellingen brug
5. Herhaal stap 3 en 4 tot er een pagina is geconfigureerd voor alle displays in alle
Voorinstellingen brug
6. Druk nogmaals op het bewerkingspictogram om de bewerkingsmodus te verlaten en de
configuratie op te slaan
24
Het systeem aanpassen | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Brugvoorinstellingen selecteren
U kunt een overzicht van beschikbare Brugvoorinstellingen weergeven door omlaag te
vegen in Brug bediening op de Home pagina.
Wanneer u een van de vooraf ingestelde configuraties selecteert, schakelen alle apparaten in
die brug over naar de vooraf geconfigureerde pagina's.
Het systeem aanpassen | NSS evo3 Gebruikershandleiding
25
4
Kaarten
De kaartfunctie toont de positie van uw vaartuig relatief ten opzichte van land en andere
kaartobjecten. Op het kaartpaneel kunt u routes plannen en navigeren, waypoints plaatsen
en AIS-doelen weergeven.
Het kaartpaneel
1
Waypoint*
2
Vaartuig met verlengingslijn (verlengingslijn is optioneel)
3
Route*
4
Noordindicator
5
Rasterlijnen*
6
Afstandsringen*
7
Track*
8
Kaartschaal
9
Interval bereikringen (wordt alleen getoond als Bereikringen is ingeschakeld)
* Optionele kaartitems. U kunt de optionele kaartitems individueel in-/uitschakelen in het
dialoogvenster Kaartinstellingen.
Kaartgegevens
Het systeem wordt geleverd met verschillende ingebouwde cartografie, afhankelijk van de
regio.
Alle units ondersteunen Insight-kaarten van Navico, waaronder Insight Genesis. Het systeem
ondersteunt ook kaarten van Navionics en C-MAP, en inhoud die is aangemaakt door diverse
externe kaartleveranciers in AT5-indeling. Voor een uitgebreide selectie beschikbare kaarten
gaat u naar www.gofreeshop.com, www.c-map.com of www.navionics.com.
Ú Notitie: In deze handleiding worden alle mogelijke menu-opties beschreven. Deze
opties hangen af van de kaart die u gebruikt.
Kaarten die op een elektronische kaart staan, worden gedeeld via het Ethernet-netwerk. Er is
dus meer een elektronische kaart per vaartuig nodig.
Ú Notitie: Als de elektronische kaart verwijderd wordt, schakelt het systeem niet
automatisch over op de ingebouwde cartografie. Er wordt een lage-resolutiekaart
getoond tot u de elektronische kaart weer invoert of handmatig terugschakelt naar de
ingebouwde cartografie.
26
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Twee kaarttypen tonen
Als u over verschillende kaarttypen beschikt (ingebouwd, in de kaartsleuf of op het Ethernetnetwerk), kunt u twee verschillende kaarttypen tegelijk op een pagina met twee
kaartpanelen tonen.
U kunt een paneel met twee kaarten selecteren door de applicatieknop Kaart op de Home
pagina ingedrukt te houden, of door een favoriete pagina aan te maken met twee
kaartpanelen.
Kaarttype selecteren
U kunt het kaarttype op het kaartpaneel opgeven door een van de beschikbaar kaarttypen te
selecteren in de menuoptie Kaart bron.
Als u een paneel met meerdere kaarten hebt, wordt het kaarttype individueel ingesteld voor
elk kaartpaneel. Activeer een van de kaartpanelen en selecteer vervolgens een van de
beschikbare kaarttypen in de menu-optie Kaart bron. Herhaal het proces voor het tweede
kaartpaneel en selecteer een ander kaarttype voor dit paneel.
Als u over identieke kaarten beschikt (ingebouwd, in de kaartsleuf of op het Ethernetnetwerk), selecteert het systeem automatisch de kaart met de meeste kaartdetails voor uw
getoonde regio.
De kaart verschuiven
U kunt de kaart in alle richtingen verschuiven door met uw vinger in de gewenste richting
over het scherm te slepen.
Selecteer de menu-optie Cursor verwijderen of druk op de X-knop om de cursor en het
cursorvenster van het paneel te verwijderen. Hiermee centreert u ook de kaart op de
vaartuigpositie.
Kaartschaal
U kunt in- en uitzoomen op de kaart met behulp van de pictogrammen op het zoompaneel,
de draaiknop of door 2 vingers samen te knijpen (uitzoomen) en te spreiden (inzoomen).
Rechtsonder op het kaartpaneel worden bereikschalen en bereikringen getoond (indien
ingeschakeld).
Vaartuigsymbool
Als het systeem over een geldige GPS-positievergrendeling beschikt, geeft het
vaartuigsymbool de vaartuigpositie aan. Als er geen GPS-positie beschikbaar is, staat er een
vraagteken in het vaartuigsymbool.
Het vaartuig op het kaart paneel positioneren
Kaartoriëntatie
Er zijn verschillende opties beschikbaar om de kaart op het paneel te roteren. Het
kaartoriëntatiesymbool in de rechterbovenhoek van het paneel geeft het noorden aan.
Noord boven
Vaarrichting boven
Koers boven
Noord boven
Toont de kaart met het noorden naar boven.
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
27
Vaarrichting boven
Toont de kaart met de vaarrichting van het vaartuigna arboven. Vaarrichtingsinformatie
wordt ontvangen van een kompas. Als er geen vaarrichting beschikbaar is, wordt de COG
van de GPS gebruikt.
Koers boven
Toont de kaart met de richting waarin het vaartuig DAADWERKELIJK vaart naar boven. In
sommige gevallen is dat niet de vaarrichting van het vaartuig.
Vooruit kijken
Hiermee plaatst u het vaartuig symbool dichter bij de onderkant van het scherm, zodat het
'zicht' vooruit maximaal is.
Informatie over kaartitems weergeven
Wanneer u een kaartitem, waypoint, route of doel selecteert, wordt de basisinformatie voor
het geselecteerde item getoond. Selecteer het pop-upvenster van het kaartitem om alle
beschikbare informatie voor dat item weer te geven. U kunt het dialoogvenster met
gedetailleerde informatie ook vanuit het menu openen.
Ú Notitie: Als u geschikte C-MAP-kaarten bekijkt op uw systeem kunt u objecten op zee
selecteren en informatie over diensten en multimedia (foto's) weergeven die
beschikbaar zijn voor de locatie van het object.
Ú Notitie: Pop-upinformatie moet ingeschakeld zijn in de kaartinstellingen om de
basisinformatie van een item te kunnen bekijken.
De cursor gebruiken op het kaartpaneel
De cursor wordt niet standaard getoond op het kaartpaneel.
Als u de cursor activeert, verschijnt een venster met de cursorpositie. Als de cursor actief is,
pant of roteert de kaart niet om het vaartuig te volgen.
Druk op de toets X of selecteer de menu-optie Cursor wissen om de cursor en het
cursorvenster van het paneel te verwijderen. Hiermee centreert u ook de kaart op de
vaartuigpositie.
Selecteer de menu-optie Cursor herstellen om de cursor op de vorige locatie weer te
geven. De opties Cursor wissen en Cursor herstellen zijn handige functies om te wisselen
tussen de huidige locatie van het vaartuig en de cursorpositie.
Ga naar cursor
U kunt naar een geselecteerde positie op het beeld navigeren, door de cursor op het paneel
te plaatsen en vervolgens de optie Ga naar cursor in het menu te selecteren.
De cursorondersteuningsfunctie
Ú Notitie: Cursorondersteuning is beschikbaar wanneer deze functie is ingeschakeld. Zie
"De lange druk configureren" op pagina 20.
Met de cursorondersteuningsfunctie kunt u de cursor nauwkeurig gebruiken en plaatsen
zonder gegevens met uw vinger te bedekken.
Activeer de cursor op het paneel en houd uw vinger vervolgens ingedrukt op het scherm om
het cursorsymbool te veranderen in een selectiecirkel, die boven uw vinger verschijnt.
28
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Sleep de selectiecirkel zonder uw vinger van het scherm te halen naar de gewenste positie.
Als u uw vinger van het scherm haalt, keert de cursor terug naar de gewone cursorfunctie.
Afstand meten
De cursor kan worden gebruikt voor het meten van de afstand tussen uw vaartuig en een
geselecteerde positie, of tussen 2 punten op het kaartpaneel.
1. Plaats de cursor op het punt van waaraf u de afstand wilt meten. Start de meetfunctie in
het menu
- De meetsymbolen verschijnen met een lijn die loopt van het midden van het vaartuig
naar de cursorpositie. De afstand wordt getoond in het cursorinformatievenster.
2. Zolang de meetfunctie actief is, kunt u de meetpunten verplaatsen door de
pictogrammen te verslepen
Ú Notitie: De vaarrichting wordt altijd gemeten van het grijze pictogram naar het blauwe
pictogram.
U kunt de meetfunctie ook gebruiken zonder actieve cursor. Beide meetpictogrammen zijn
dan in eerste instantie op de positie van het vaartuig geplaatst. Het grijze pictogram volgt
het vaartuig als dat in beweging is, en het blauwe pictogram blijft op de positie die u hebt
opgegeven toen u de functie activeerde.
U beëindigt de meetfunctie door de optie Meten beëindigen te selecteren of door op de
X-knop te drukken.
Waypoints opslaan
Een waypoint wordt opgeslagen op de cursorpositie als de cursor actief is, of wordt
opgeslagen op de positie van het vaartuig als de cursor niet actief is op het paneel. Hiertoe
doet u het volgende:
• Druk op de draaiknop
• Druk op de knop Markeren
• Gebruik de optie Nieuwe waypoint in het menu
Routes maken
U kunt als volgt routes aanmaken op het kaartpaneel.
1. Plaats de cursor op het kaartpaneel
2. Selecteer Nieuw, gevolgd door Nieuwe route in het menu
3. Tik op het kaartpaneel om het eerste routepuntte plaatsen
4. Plaats de overige routepunten
5. Sla de route op door de optie Opslaan te selecteren in het menu.
Ú Notitie: Ga voor meer informatie naar "Waypoints, routes en tracks" op pagina 39.
Panelen voor het zoeken van objecten op de kaart
Hier kunt u in een kaartpaneel zoeken naar andere vaartuigen en verschillende items op de
kaart.
Activeer de cursor in het paneel om vanaf de cursorpositie te zoeken. Als de cursor niet actief
is, zoekt het systeem naar items vanaf de positie van het vaartuig.
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
29
Ú Notitie: U hebt een abonnement op een SIRIUS-datapakket nodig om tankstations te
kunnen zoeken en er moet een AIS-ontvanger aangesloten zijn om vaartuigen te
kunnen zoeken.
3D-kaarten
De 3D-optie geeft een driedimensionale grafische weergave van land- en zeecontouren.
Ú Notitie: Alle kaarttypen werken in de 3D-modus, maar zonder 3D-cartografie voor het
betreffende gebied lijkt de kaart vlak.
Als de optie voor 3D-kaarten is geselecteerd verschijnen de pictogrammen Pannen en
Draaien in het kaartpaneel.
De 3D-kaart verschuiven
U kunt de kaart in een willekeurige richting bewegen door het pictogram Pannen te
selecteren en in de gewenste richting te draaien.
Druk op de X-knop of selecteer de menuoptie Terug naar vaartuig om te stoppen met
pannen en de kaart op de vaartuigpositie te centreren.
De weergavehoek bepalen
U kunt de weergavehoek bepalen door het pictogram Roteren te selecteren en het
kaartpaneel vervolgens te pannen.
• Om de weergegeven richting te wijzigen, pant u horizontaal
• Om de kantelingshoek van de weergave te wijzigen, pant u verticaal
Ú Notitie: Als op de vaartuigpositie gecentreerd is, kan alleen de kantelingshoek
aangepast worden. De weergaverichting wordt bepaald via de instelling Kaartoriëntatie.
Raadpleeg "Het vaartuig op het kaartpaneel positioneren" op pagina 27.
In- en uitzoomen op een 3D-kaart
U kunt in- en uitzoomen op een 3D-kaart met behulp van de pictogrammen op het
zoompaneel of met behulp van de draaiknop.
Kaart-overlay
Gegevens over de radar, structuur, SonarChart Live (alleen Navionics-kaarten) en het weer
kunnen worden weergegeven als overlay op het kaartpaneel.
Als u een overlay selecteert, wordt het kaartmenu uitgebreid met basisfuncties voor de
geselecteerde overlay.
Radar-, structuur- en weerfuncties worden in afzonderlijke paragrafen in deze handleiding
beschreven. Voor meer informatie over SonarChart Live raadpleegt u sectie "SonarChart Live" op
pagina 34.
Insight- en C-MAP-kaarten
Hieronder worden alle mogelijk menuopties van Insight- en C-MAP-kaarten beschreven. De
beschikbare functies en menuopties kunnen per gebruikte kaart verschillen. In dit hoofdstuk
ziet u de menu's van een Insight-kaart.
30
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Ú Notitie: Menu-opties die niet beschikbaar zijn voor de getoonde kaart worden in grijs
weergegeven. Rasterkaarten zijn bijvoorbeeld niet beschikbaar voor Insight, dus de
menu-optie Rasterkaarten is grijs wanneer een Insight-kaart wordt weergegeven.
Getijden en stromingen Insight en C-MAP
Het systeem kan getijden en stromingen van Insight en C-MAP weergeven. Met deze
informatie is het mogelijk om de tijd, het niveau, de richting en de kracht van stromingen en
getijden te bepalen. Dit is een belangrijk hulpmiddel bij de planning en navigatie van een
trip.
Bij een groter zoombereik worden de getijden en stromingen weergegeven als vierkante
pictogrammen met de letter T (Tides/getijden) of C (Current/stroming). Als u een van de
pictogrammen selecteert, wordt informatie over het getijde of de stroming getoond.
Dynamische gegevens over de stroming kunt u bekijken door te zoomen binnen een
zoombereik van 1 nautische mijl. Bij dat bereik veranderen de stromingspictogrammen in
geanimeerde dynamische pictogrammen die de snelheid en richting van de stroming laten
zien. Dynamische pictogrammen zijn zwart (meer dan 6 knopen), rood (meer dan 2 knopen
en minder of gelijk aan 6 knopen), geel (meer dan 1 knoop en minder of gelijk aan 2 knopen)
of groen (gelijk aan of minder dan 1 knoop), afhankelijk van de stroming op die locatie.
Als er geen stroming is (0 knopen) wordt dit weergegeven als een vierkant wit pictogram.
Statische stromings- en getijdenpictogrammen
Dynamische stromingspictogrammen
Kaartopties voor Insight en C-MAP
Oriëntatie, Kijk vooruit, 3D en Kaartbron (eerder in dit hoofdstuk beschreven) komen veel
voor bij alle typen kaarten.
Presentatie
De kaarten kunnen in verschillende stijlen getoond worden.
Schaduwreliëf
Geen contouren
Rasterkaarten
Hoge res. bathymetrie
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
31
Schaduwreliëf
Geeft de zeebodem in reliëf weer.
Geen contouren
Verwijdert de contourlijnen van de kaart.
Rasterkaarten
Wijzigt de weergave in die van een traditionele papieren kaart.
Rastertransparantie
Regelt de transparantie van rasterbeelden.
Hoge res. bathymetrie
Bepaalt of een hogere of lagere concentratie van contourlijnen wordt getoond.
Weergaveopties Insight en C-MAP
Kaart detail
• Volledig
Alle informatie die beschikbaar is voor de gebruikte kaart.
• Medium
Minimale informatie, voldoende voor navigatie.
• Laag
Basisniveau van informatie die niet verwijderd kan worden, en bevat informatie die in alle
geografische gebieden vereist is. Het is niet bedoeld als informatie die volstaat voor
veilige navigatie.
Categorieën Insight en C-MAP
Insight- en C-MAP-kaarten bevatten diverse categorieën en subcategorieën die u afzonderlijk
kunt in- en uitschakelen, afhankelijk van de informatie die u wilt zien.
Foto-overlay
Met deze optie kunt u satellietfoto's van een gebied als overlay weergeven op de kaart. De
beschikbaarheid van dergelijke foto's is beperkt tot bepaalde gebieden en kaartversies.
U kunt foto-overlays in 2D of 3D weergeven.
Geen foto-overlay
32
Foto-overlay, alleen land
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Volledige foto-overlay
Fototransparantie
Met deze optie stelt u de doorzichtigheid van de foto-overlay in. Met minimale transparantie
zijn de kaartdetails vrijwel verborgen door de foto.
Minimale transparantie
Transparantie op 80
Dieptepalet
Regelt het dieptepalet dat op de kaart wordt gebruikt.
Papieren kaart
Hiermee wijzigt u de weergave van de kaart in die van een papieren kaart.
Veiligheidsdiepte
Insight- en C-MAP-kaarten maken gebruik van verschillende tinten blauw voor onderscheid
tussen ondiep water (lichtere tinten) en diep water (donkerder tinten). Na inschakeling van
Veiligheidsdiepte geeft u de gewenste limiet voor de veiligheidsdiepte op. De
Veiligheidsdiepte bepaalt de limiet waarbij diepten niet meer blauw worden weergegeven.
Dieptefilter
Filtert dieptewaarden uit die minder diep zijn dan de geselecteerde dieptefilterlimiet.
Arcering
Geeft verschillende delen van de zeebodem een andere kleurtint, afhankelijk van de gekozen
arceringscategorie.
Ú Notitie: De arceringsopties Samenstelling en Begroeiing zijn niet van toepassing op CMAP-kaarten.
Diepte 1 en diepte 2
Vooraf ingestelde diepten die de verschillende diepten in verschillende kleuren arceren.
Aangepast
U kunt de dieptedrempel, kleur en ondoorzichtigheid (transparantie) van kleurarcering
aanpassen voor diepte 1 en diepte 2.
3D-vergroting
Deze grafische instellingen zijn alleen beschikbaar in de modus 3D. Overdrijving kan worden
toegepast op de getekende hoogte van heuvels op het land en op troggen in het water om
deze hoger of dieper te laten lijken.
Ú Notitie: Deze optie wordt in grijs weergegeven als deze gegevens niet beschikbaar zijn
voor de geplaatste kaart.
Navionics-kaarten
Voor sommige Navionics-functies zijn de recentste gegevens van Navionics vereist. Voor
deze functies wordt een bericht weergegeven dat de functie niet beschikbaar is als niet de
juiste Navionics-kaart(en) of het juiste kaartgeheugen zijn geplaatst. Voor meer informatie
over de vereisten voor deze functies raadpleegt u www.navionics.com
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
33
Speciale kaartopties Navionics
Oriëntatie, Kijk vooruit, 3D en Kaartbron (eerder in dit hoofdstuk beschreven) komen veel
voor bij alle typen kaarten.
Community wijzigingen
Hiermee schakelt u de kaartlaag met de Navionics-wijzigingen in. Dit zijn
gebruikerswijzigingen of -informatie die door gebruikers zijn geüpload naar Navionics
Community en die op Navionics-kaarten beschikbaar gemaakt worden.
Raadpleeg voor meer informatie de Navionics-informatie bij uw kaart of ga naar de website
van Navionics: www.navionics.com.
SonarChart Live
SonarChart Live is een livefunctie waarbij het apparaat een overlay maakt van
dieptecontouren op basis van uw eigen sonargeluiden.
Druk in het Navionics-kaartmenu op Overlay en vervolgens op SonarChart Live om dit als
overlay op de kaart weer te geven.
Wanneer u SonarChart Live Overlay selecteert, wordt het menu uitgevouwen en worden de
opties van SonarChart Live weergegeven. Gebruik de optie om de transparantie en minimale
diepte in te stellen.
Transparantie
De SonarChart Live-overlay wordt weergegeven boven op andere kaartgegevens. Bij
minimale transparantie zijn de kaartgegevens volledig bedekt. Pas de transparantie aan zodat
de kaartdetails zichtbaar zijn.
Minimum diepte
Hiermee past u aan wat SonarChart Live beschouwt als veiligheidsdiepte. Dit is van invloed
op het kleurgebruik in het SonarChart Live-gebied. Wanneer het vaartuig de
veiligheidsdiepte nadert, verandert het SonarChart Live-gebied geleidelijk van eenvoudig
grijs/wit in rood.
Weergaveopties Navionics
Kaartarcering
Deze functie voegt terreininformatie toe aan de kaart.
Navionics dynamische pictogrammen voor getijden en stromingen
Getijden en stromingen worden met een meter en een pijl weergegeven in plaats van met
de ruitvormige pictogrammen die worden gebruikt voor statische informatie over getijden
en stromingen.
De gegevens over getijden en stromingen die beschikbaar zijn voor Navionics-kaarten zijn
gerelateerd aan een bepaalde datum en tijd. Het systeem maakt een animatie van de pijlen
en/of meters om de ontwikkeling van getijden en stromingen over een bepaalde
tijdsperiode te laten zien.
Dynamische getijdeninformatie
Dynamische stromingsinformatie
De volgende pictogrammen en symbolen worden gebruikt:
34
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Huidige snelheid
De lengte van de pijl is afhankelijk van de snelheid, en het symbool draait
mee met de richting van de stroming. De stromingssnelheid wordt in
het pictogram getoond. Het rode pictogram wordt gebruikt als de
huidige stromingssnelheid toeneemt, en het blauwe pictogram als deze
afneemt.
Hoogte getij
De meter heeft 8 labels en is ingesteld op absolute minimale of
maximale waarde van de geëvalueerde dag. De rode pijl geeft aan dat
het getij opkomt en de blauwe pijl dat het getij afgaat.
Ú Notitie: Alle numerieke waarden worden getoond in de door de gebruiker ingestelde
maateenheid.
Eenvoudige weergave
Met deze functie vergroot u de weergave van kaartitems en tekst.
Ú Notitie: Op de kaart kunt u niet zien of deze functie geactiveerd is.
Foto-overlay
Met deze optie kunt u satellietfoto's van een gebied als overlay weergeven op de kaart. De
beschikbaarheid van dergelijke foto's is beperkt tot bepaalde gebieden en kaartversies.
U kunt foto-overlays in 2D of 3D weergeven.
Geen foto-overlay
Foto-overlay, alleen land
Volledige foto-overlay
Fototransparantie
Met deze optie stelt u de doorzichtigheid van de foto-overlay in. Met minimale transparantie
zijn de kaartdetails vrijwel verborgen door de foto.
Minimale transparantie
Maximale transparantie
SonarChart
Het systeem biedt ondersteuning voor de functie Navionics SonarChart.
SonarChart toont een bathymetrische kaart met contourdetails op hoge resolutie en
standaardnavigatiegegevens. Raadpleeg voor meer informatie www.navionics.com.
SC Density
Hiermee beheert u de dichtheid van de contouren in SonarChart en SonarChart Live.
Vis afstand
Selecteer het bereik van de diepten die Navionics met een andere kleur moet vullen.
Zo kunt u een bepaald dieptebereik markeren als u wilt vissen. Dit bereik is net zo
nauwkeurig als de gegevens op de onderliggende kaart. Dat betekent dat als de kaart een
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
35
interval van 5 meter heeft voor contourlijnen, ook de arcering wordt afgerond naar de
dichtstbijzijnde beschikbare contourlijn.
Geen dieptemarkering
Bereik dieptemarkering: 6 tot 12 meter
Markering van ondiep water
Markeert gebieden met ondiep water.
Hiermee kunt u gebieden met ondiep water tussen 0 en de geselecteerde diepte (max. 10
meter) markeren.
Geen ondiep water gemarkeerd
Markering van ondiep water: 0 m - 3 m
Instellingen Navionics-kaarten
Gekleurde zeebodemgebieden
Wordt gebruikt om verschillende dieptegebieden in verschillende tinten blauw weer te
geven.
Presentatietype
Verschaft maritieme kaartinformatie zoals symbolen, kleuren van de navigatiekaart en
benamingen voor internationale of USA- presentatietypen.
Aantekening
Bepaalt welke gebiedsinformatie, zoals namen van locaties en aantekeningen over gebieden,
voor weergave beschikbaar is.
Kaartdetails
Geeft u verschillende niveaus van informatie met betrekking tot geografische lagen.
Veiligheidsdiepte
De Navionics-kaarten gebruiken verschillende schakeringen blauw om onderscheid te
maken tussen ondiep en diep water.
Veiligheidsdiepte, op basis van een geselecteerde limiet, wordt zonder blauwe schakeringen
getekend.
Ú Notitie: De ingebouwde Navionics-database bevat gegevens tot een diepte van 20 m.
Daarna is alles wit.
Contourdiepte
Bepaalt welke contouren u op de kaart ziet, tot aan de geselecteerde dieptewaarde.
Rotsfilter
Hiermee wordt rotsherkenning beneden een bepaalde diepte verborgen op de kaart.
36
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Zo kunt u kaarten opschonen in gebieden waar rotsen liggen op diepten ver onder de
diepgang van uw vaartuig.
Kaartinstellingen
Instellingen en weergaveopties die op de pagina Kaartinstellingen worden gekozen, gelden
voor alle kaartpanelen.
3D-bootselectie
Bepaalt welk pictogram wordt gebruikt op 3D-kaarten.
Bootinstellingen
De bootinstellingen worden gebruikt bij het berekenen van een automatische route. De
diepgang, breedte en hoogte van de boot moeten worden ingevoerd voor de functies Dockto-dock Autorouting en Easy Routing.
Ú Notitie: Dock-to-doc Autorouting is niet beschikbaar op units die worden gebruikt in de
Amerikaanse territoriale wateren.
Bereikringen
De bereikringen kunnen worden gebruikt om de afstand weer te geven tussen uw vaartuig
en andere kaartobjecten.
De bereikschaal wordt automatisch door het systeem ingesteld zodat deze overeenkomt
met de kaartschaal.
Verlengingslijnen
Stelt de lengte van de verlengingslijnen in voor uw vaartuig en voor andere vaartuigen die
als AIS-doelen worden getoond.
A: Koers
B: Koers over de grond (COG)
De lengte van de verlengingslijnen wordt ingesteld als vaste afstand, of als de afstand die het
vaartuig binnen een geselecteerde tijd aflegt. Als voor een vaartuig geen opties worden
ingeschakeld, dan worden er geen verlengingslijnen getoond voor uw vaartuig.
De koers van uw vaartuig wordt gebaseerd op informatie van de actieve koerssensor, en de
COG wordt gebaseerd op informatie van de actieve GPS-sensor.
Voor andere vaartuigen worden de COG-gegevens opgenomen in de meldingen die worden
ontvangen van het AIS-systeem.
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
37
ForwardScan
Als u over ForwardScan beschikt en deze optie is geselecteerd, wordt de ForwardScanvaarrichtingsverlenging getoond op de kaart. Raadpleeg "Vaarrichtingsverlenging" op pagina 96.
SonarChart Live getijde correctie
Wanneer deze functie geselecteerd is, gebruikt de getijdecorrectie informatie van
getijdestations in de buurt (indien beschikbaar) om de diepte aan te passen die SonarChart
Live gebruikt wanneer de sonar wordt vastgelegd.
2D/3D-kaart synchroniseren
Koppelt de positie die op de ene kaart getoond wordt aan de positie op de andere kaart
wanneer een 2D- en 3D-kaart naast elkaar getoond worden.
Pop-upinformatie
Hiermee wordt bepaald of basisinformatie voor kaartitems wordt getoond als u dat item
selecteert.
Rasterlijnen
Schakelt de weergave van rasterlijnen voor lengte- en breedtegraad op de kaart in of uit.
Waypoints, Routes, Tracks
Hiermee schakelt u de weergave van deze items op kaartpanelen in/uit. Hiermee opent u
ook de dialoogvensters Waypoints, Routes en Tracks waarmee u de items kunt beheren.
38
Kaarten | NSS evo3 Gebruikershandleiding
5
Waypoints, routes en tracks
Waypoints
Een waypoint is een door de gebruiker gegenereerde markering op een kaart, radarbeeld of
Echosounder-beeld. Elk waypoint heeft een exacte positie met lengte- en
breedtecoördinaten. Een waypoint dat op het Echosounder-beeld is gepositioneerd, heeft
naast positie-informatie ook een dieptewaarde. Waypoints worden gebruikt om posities te
markeren waarnaar u later mogelijk wilt terugkeren. Twee of meer waypoints kunnen ook
worden gecombineerd om een route te creëren.
Waypoints opslaan
Een waypoint wordt opgeslagen op de cursorpositie als de cursor actief is, of wordt
opgeslagen op de positie van het vaartuig als de cursor niet actief is op het paneel. Hiertoe
doet u het volgende:
• Druk op de draaiknop
• Druk op de knop Markeren
• Gebruik de optie Nieuwe waypoint in het menu
Een waypoint verplaatsen
1. Selecteer de waypoint die u wilt verplaatsen. Het waypoint-pictogram wordt
uitgevouwen om aan te geven dat het actief is.
2. Activeer het menu en selecteer de waypoint in het menu
3. Selecteer de optie Verplaatsen
4. Selecteer de nieuwe positie van de waypoint
5. Druk op de Enter-knop of de draaiknop om de nieuwe positie te bevestigen.
De waypoint wordt nu automatisch opgeslagen op de nieuwe positie.
Waypoints wijzigen
U kunt alle informatie over een waypoint wijzigen in het dialoogvenster Waypoints
wijzigen .
U activeert dit dialoogvenster door het pop-upvenster van de waypoint te selecteren, op de
draaiknop te drukken, of vanuit het menu als de waypoint geactiveerd is.
Dit dialoogvenster is ook toegankelijk vanuit het hulpprogramma voor Waypoints op de
Home pagina.
Waypoint alarminstellingen
U kunt voor elk individueel waypoint een alarmradius inestellen. U kunt het alarm instellen in
het dialoogvenster Waypoint wijzigen.
Waypoints, routes en tracks | NSS evo3 Gebruikershandleiding
39
Ú Notitie: De alarmradius voor het waypoint moet in het alarmdialoogvenster op ON
gezet worden om een alarm te activeren op het moment dat uw vaartuig binnen de
gedefinieerde radius komt. Raadpleeg voor meer informatie "Dialoogvenster Alarmen" op
pagina 127.
Routes
Een route bestaat uit een serie routepunten die worden ingevoerd in de volgorde waarin u
wilt navigeren.
Als u ee n route selecteert op het kaartpaneel, wordt de route groen, en wordt de naam van
de route getoond.
Het systeem biedt ondersteuning voor Navionics Autorouting en C-MAP Easy Routing. Deze
functie maakt automatisch suggesties voor routepunten tussen het eerste en het laatste
routepunt van een route of tussen geselecteerde routepunten in een complexe route. U kunt
de functie gebruiken om een nieuwe route aan te maken of om reeds bestaande routes te
wijzigen.
Een nieuwe route aanmaken op het kaartpaneel
1.
2.
3.
4.
Activeer de cursor op het kaartpaneel
Selecteer de optie Nieuwe route in het menu
Plaats het eerste waypoint op het kaartpaneel
Ga door met het plaatsen van nieuwe routepunten op het kaartpaneel totdat de route af
is
5. Sla de route op door de optie Opslaan te selecteren in het menu.
Een route bewerken in het kaartpaneel
1. Selecteer de route om deze te activeren
2. Selecteer de optie Route bewerken in het menu
3. Plaats het nieuwe routepunt op het kaartpaneel:
- Als u het nieuwe routepunt binnen een etappe plaatst, dan wordt het nieuwe punt
toegevoegd aan de bestaande routepunten
- Als u het nieuwe routepunt buiten de route plaatst, dan wordt het nieuwe punt achter
het laatste punt in de route geplaatst
4. U kunt routepunten naar een nieuwe positie slepen
5. Sla de route op door Opslaan te kiezen in het menu.
Ú Notitie: De opties in het menu zijn afhankelijk van de geselecteerde bewerkingsoptie.
Alle bewerkingen kunnen in het menu worden bevestigd of geannuleerd.
Dock-to-dock Autorouting en Easy Routing
Dock-to-dock Autorouting en Easy Routing doen suggesties voor nieuwe routepuntposities,
gebaseerd op informatie op de kaart en de omvang van uw boot. Voor u deze functie kunt
gebruiken moeten de diepgang, hoogte en breedte van uw boot in het systeem worden
ingevoerd. Het dialoogvenster voor de instellingen van uw boot verschijnt automatisch als
deze informatie ontbreekt bij het opstarten van de functie.
Ú Notitie: Units die zijn bedoeld voor verkoop in de VS beschikken niet over Autorouting.
Autorouting-functies zijn uitgeschakeld op alle niet-Amerikaanse units wanneer deze
worden gebruikt in de Amerikaanse territoriale wateren.
Ú Notitie: U kunt Dock-to-dock Autorouting of Easy Routing niet starten als een van de
geselecteerde routepunten in een onveilig gebied ligt. Er verschijnt een
waarschuwingsvenster en u moet de betreffende routepunt(en) naar een veilig gebied
verplaatsen voordat u kunt doorgaan.
Ú Notitie: Als er geen compatibele kaarten zijn, is de menu-optie Dock-to-dock
Autorouting of Easy Routing niet beschikbaar. Compatibele kaarten zijn onder meer CMAP MAX-N+, Navionics+ en Navionics Platinum. Ga naar www.gofreemarine.com,
www.c-map.com of www.navionics.com voor de volledige selectie beschikbare kaarten.
1. Plaats ten minste twee routepunten op een nieuwe route of open een bestaande route
en pas deze aan.
40
Waypoints, routes en tracks | NSS evo3 Gebruikershandleiding
2. Druk op Dock-to-dock Autorouting en vervolgens op:
- Gehele route als u wilt dat het systeem nieuwe routepunten toevoegt tussen het
eerste en het laatst routepunt van een open route.
- Selectie als u met de hand de routepunten wilt selecteren die het begin- en eindpunt
voor Autorouting bepalen. Selecteer de gewenste routepunten. De geselecteerde
routepunten zijn rood. U kunt maar twee routepunten selecteren. Het systeem negeert
eventuele routepunten tussen uw begin- en eindpunt.
3. Selecteer Accepteren om de automatische routebepaling te starten.
- Als de automatische routebepaling is voltooid, wordt een preview van de route
weergegeven. De veilige en onveilige gebieden van de etappes worden met
verschillende kleuren aangeduid. Navionics gebruikt rood (onveilig) en groen (veilig),
en C-MAP gebruikt rood (onveilig), geel (gevaarlijk) en groen (veilig).
4. Als het nodig is, kunt u in de previewmodus de routepunten verplaatsen.
5. Selecteer Behouden om de positie van de routepunten te accepteren.
6. Herhaal eventueel stap 2 (Selectie) en stap 3 als u wilt dat het systeem automatisch
routepunten plaatst voor andere delen van de route.
7. Selecteer Opslaan om de automatische routebepaling te voltooien en de route op te
slaan.
Voorbeelden van Dock-to-dock Autorouting en Easy Routing
• De optie Hele route is gebruikt nadat het eerste en laatste routepunt zijn geselecteerd.
Eerste en laatste routepunt
Resultaat na automatische routebepaling
• De optie Selectie is gebruikt voor automatische routebepaling voor een deel van de
route.
Twee routepunten zijn geselecteerd
Resultaat na automatische routebepaling
Routes aanmaken met behulp van bestaande waypoints
U kunt een nieuwe route maken door bestaande waypoints te combineren in het
dialoogvenster Routes. U opent het dialoogvenster met de tool Waypoints op de Home
pagina. Vervolgens drukt u op de tab Routes.
Waypoints, routes en tracks | NSS evo3 Gebruikershandleiding
41
Tracks omzetten in routes
U kunt een track omzetten in een route in het dialoogvenster Track wijzigen. U kunt dit
dialoogvenster activeren door de track te activeren en vervolgens de pop-up van de track te
selecteren, aan de draaiknop te draaien of de Track-optie in het menu te selecteren.
Het dialoogvenster Tracks wijzigen is ook toegankelijk door de tool Waypoints te selecteren
op de Home pagina.
Het dialoogvensterRoute wijzigen
U kunt routepunten toevoegen en verwijderen in het dialoogvenster Route wijzigen. U
kunt dit dialoogvenster activeren door de popup van een actieve route te selecteren, door
op de draaiknop te drukken, of vanuit het menu.
Het dialoogvenster is ook toegankelijk via de tool Waypoints op de Home pagina.
42
Waypoints, routes en tracks | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Tracks
Tracks vormen een grafische weergave van het historische pad van een vaartuig, zodat u
kunt achterhalen welke route u hebt afgelegd. Tracks kunnen omgezet worden in routes in
het dialoogvenster Wijzigen.
Het systeem is in de fabriek zo ingesteld dat de beweging van het vaartuig automatisch
wordt gevolgd en getoond op het kaartpaneel. Het systeem blijft de Tracks opnemen totdat
het maximumaantal punten wordt bereikt. Daarna worden de oudste punten overschreven.
De automatisch volgfunctie kan uitgeschakeld worden in het dialoogvenster Tracks .
Nieuwe Tracks aanmaken
U kunt een nieuwe trail starten in het dialoogvenster Tracks, dat u opent met behulp van de
tool Waypoints op de Home pagina.
Tracks-instellingen
Tracks worden samengesteld uit een serie punten die verbonden worden door
lijnsegmenten, afhankelijk van de frequentie van de opname.
U kunt zelf trackpunten positioneren op basis van tijd of afstand, of automatisch een
waypoint door het systeem laten positioneren als er een koerswijziging geregistreerd wordt.
Ú Notitie: Ook moet de optie Tracks zijn ingeschakeld in de kaartinstellingen om zichtbaar
te zijn.
Waypoints, routes en tracks | NSS evo3 Gebruikershandleiding
43
Dialoogvensters Waypoints, routes, en Tracks
De dialoogvensters Waypoints, Routes, en Tracks bieden toegang tot geavanceerde
bewerkingsfuncties en instellingen voor deze items.
U opent de dialoogvensters door op de knop Waypoints te drukken op het paneel Tools
op de Home pagina.
44
Waypoints, routes en tracks | NSS evo3 Gebruikershandleiding
6
Navigeren
Met behulp van de navigatiefunctie van het systeem kunt u naar de cursorpositie, een
waypoint of langs een eerder opgegeven route navigeren.
Als uw systeem over een stuurautomaat beschikt, kan deze worden ingesteld om het
vaartuig automatisch te besturen.
Ga naar "Waypoints, routes en tracks" op pagina 39 voor meer informatie over het plaatsen van
waypoints en het uitzetten van routes.
Navigatiepanelen
De Nav- en Positiepanelen kunnen worden gebruikt om informatie te tonen tijdens het
navigeren.
Het navigatiepaneel
U kunt het navigatiepaneel activeren op de Home pagina, ofwel als paneel op volledig
paginaformaat, ofwel als deel van een pagina met meerdere panelen.
1
Datavelden
2
Route-informatie
3
Vaartuigrichting
4
Peiling tot volgende routepunt
5
Peilingslijn met toegestane limiet voor koersafwijking
Bij het volgen van een route toont de peilingslijn de gewenste koers van het ene
waypoint naar het volgende. Tijdens het navigeren naar een waypoint
(cursorpositie, MOB of een ingevoerde lengte/breedtepositie), toont de peilingslijn
de gewenste koers vanaf het startpunt van de navigatie naar het waypoint.
6
Vaartuigsymbool
Geeft de afstand en peiling aan, relatief ten opzichte van de gewenste koers. Als de
XTE (koersafwijking) de gedefinieerde XTE-limiet overschrijdt, wordt dit
aangegeven met een rode pijl en de afstand vanaf de tracklijn. Raadpleeg "XTE-limiet"
op pagina 48.
7
Informatie over routepunten
Positiepanelen
U kunt wisselen tussen weergave van het navigatiepaneel en het positiepaneel. U kunt het
positiepaneel activeren in het menu.
Navigeren | NSS evo3 Gebruikershandleiding
45
Standaard is er een positiepaneel beschikbaar waarop de GPS-positie wordt getoond.
Als Loran is ingeschakeld, zijn er twee positiepanelen. Dit wordt aangegeven met
pijlsymbolen aan de linker- en rechterkant van het paneel.
U kunt wisselen tussen de panelen door de pijlsymbolen naar links of rechts te selecteren, of
door de pijltoetsen te gebruiken.
Informatie over GPS-positie
Informatie over Loran-positie
Gegevensvelden wijzigen
Zo wijzigt u de gegevensvelden die worden weergegeven in de navigatiepanelen:
1. Activeer het menu
2. Selecteer de optie Wijzig in het menu
3. Activeer het veld dat u wilt wijzigen
4. Selecteer het type informatie
5. Sla uw wijzigingen op.
Navigeren naar cursorpositie
U kunt navigeren naar een cursorpositie op iedere kaart, radar, ofEchosounder-paneel.
Plaats de cursor op de geselecteerde bestemming op het paneel, en selecteer vervolgens de
optie Ga naar cursor in het menu.
Ú Notitie: De optie Ga naar cursor is niet beschikbaar als u al aan het navigeren bent.
Een route navigeren
U kunt een route navigeren vanuit het kaartpaneel of vanuit het dialoogvenster Route.
Wanneer een routenavigatie is gestart, wordt het menu uitgevouwen en ziet u opties voor
het annuleren van de navigatie, het overslaan van een waypoint en het opnieuw starten van
de route vanaf de huidige positie van het vaartuig.
Een route starten op het kaartpaneel
Activeer een route op het paneel en selecteer vervolgens de optie voor routenavigatie in het
menu.
U kunt een routepunt selecteren om de navigatie vanaf een geselecteerde positie te starten.
Navigatie van een route starten in het dialoogvenster Route
U kunt de navigatie starten in het dialoogvenster Route dat u activeert door:
• De tool Waypoint te selecteren op de Home pagina en vervolgens het tabblad Routes
te kiezen
• De routedetails te selecteren in het menu
46
Navigeren | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Afbreken navigatie
Als u navigeert, bevat het menu een optie waarmee u de navigatie kunt annuleren.
Navigeren met de stuurautomaat
Wanneer u begint met navigeren op een systeem met een stuurautomaat, wordt u gevraagd
om de stuurautomaat in de navigatiemodus te zetten.
Ú Notitie: De vraag of u de stuurautomaat in de navigatiemodus wilt zetten, wordt niet
weergegeven als het boottype is ingesteld op Zeilboot in het dialoogvenster
Stuurautomaat in bedrijf stellen.
Als u ervoor kiest om de stuurautomaat niet te gebruiken of als de boot is ingesteld op
Zeilen, kunt u de stuurautomaat later in de navigatiemodus zetten met de
stuurautomaatcontroller. Ga voor meer informatie over de stuurautomaatfunctionaliteit naar
"Stuurautomaat" op pagina 53.
Navigatie-instellingen
Navigatiemethode
Er zijn verschillende methoden voor het berekenen van de afstand en peiling tussen twee
punten op een kaart.
De grootcirkel route is het kortste traject tussen twee punten. Als u echter zo'n route volgt, is
het moeilijk om handmatig te sturen omdat de koers constant verandert (behalve in geval
van pal naar het noorden, zuiden of langs de evenaar).
Loxodromen zijn tracks met een constante vaarrichting. Het is mogelijk tussen twee locaties
te reizen met behulp van loxodroomberekening, maar de afstand is gewoonlijk groter dan
wanneer grootcirkel wordt gebruikt.
Navigeren | NSS evo3 Gebruikershandleiding
47
Aankomst radius
Stelt een onzichtbare cirkel rond het bestemming waypoint in.
Het vaartuig wordt beschouwd als aangekomen bij het waypoint wanneer het zich binnen
deze radius bevindt.
XTE limiet
Met deze instelling bepaalt u hoe ver de boot mag afwijken van de geselecteerde route; als
de boot voorbij deze limiet gaat, wordt er een alarm geactiveerd.
Aankomstalarm
Wanneer het aankomstalarm is ingeschakeld, gaat er een alarm af wanneer het vaartuig de
waypoint bereikt of zich binnen de opgegeven aankomstradius bevindt.
Magnetische variatie
Magnetische variatie is het verschil tussen ware en magnetische peilingen, veroorzaakt door
verschillende locaties van de geografische en de magnetische Noordpool. Lokale verschillen
zoals ijzerafzettingen kunnen de magnetische peilingen ook beïnvloeden.
Indien op Auto ingesteld, converteert het systeem automatisch het magnetische noorden
naar het ware noorden. Selecteer de handmatige modus wanneer u zelf een lokale
magnetische variatie moet invoeren.
Referentievlak
De meeste papieren kaarten worden gemaakt in het WGS84-formaat, dat ook door NSS evo3
gebruikt wordt.
Als uw papieren kaarten een ander formaat hebben, kunt u de instellingen voor het
referentievlak zo wijzigen dat deze overeenkomen met uw papieren kaarten.
Coördinatensysteem
Er kunnen diverse coördinatensystemen worden gebruikt om het formaat te bepalen voor
lengte- en breedtegraad coördinaten die in het kaart paneel worden weergegeven.
Fantoom Loran
Gebruik van het Fantoom Loran positionering systeem inschakelen.
Loran instellingen
Definieert Loran ketens (GRI) en voorkeursstation voor waypoint invoer, cursorpositie en
positiepaneel.
De afbeelding toont een cursorpositie venster met Loran positie informatie.
Voor meer informatie raadpleegt u de documentatie van uw Loran systeem.
48
Navigeren | NSS evo3 Gebruikershandleiding
7
TripIntel
Met TripIntel kunt u informatie over trips opslaan en ophalen. U kunt de informatie gebruiken
om weloverwogen beslissingen te nemen voordat u aan een trip begint, of terwijl een trip
gaande is.
Ú Notitie: Voor deze functie moeten de brandstofinstellingen van het vaartuig
geconfigureerd zijn. Raadpleeg de installatiehandleiding van de unit.
Ú Notitie: Voor de beste prestaties wordt aangeraden dat u de software met versie 2.4.0 of
later uitvoert in uw EP-85R-opslagapparaat of de nieuwste software uitvoert in Beheer
brandstofgegevens.
Selecteer de knop TripIntel op het paneel Tools om de pagina TripIntel te tonen.
Huidige tripstatistieken
Het tabblad Informatie op de pagina TripIntel toont de huidige tripstatistieken:
• Afgelegde afstand
• Afgelegde tijd
• Gemiddelde snelheid
• Maximumsnelheid
• Brandstofbesparing
• Gebruikte brandstof
Trip automatisch opnemen
Er is een functie voor automatische tripdetectie. Als u gaat navigeren, wordt u gevraagd om
de trip op te nemen als er momenteel geen trip gaande is en uw snelheid gedurende 20
seconden meer dan 2 knopen is geweest. U wordt gevraagd om een trip voort te zetten of
een nieuwe trip te starten als de trip niet expliciet is opgeslagen voordat het systeem is
uitgeschakeld.
U kunt de opname later handmatig starten vanaf de pagina TripIntel.
U kunt de functie voor automatische tripdetectie uitschakelen in het instellingenvenster voor
Tracks en Trips.
TripIntel | NSS evo3 Gebruikershandleiding
49
Opname van trip starten en stoppen
Als u in de prompt voor automatische tripdetectie hebt gekozen om geen opname van de
trip te starten, kunt u de opname handmatig starten op de pagina TripIntel.
Met de tripopties Start en Stop kunt u een tripopname opgeven. U kunt de opties
gebruiken om een enkele vaartocht te verdelen in meerdere trips, zodat u meer controle
hebt over de informatie die voor een tocht wordt gelogd.
Langetermijnstatistieken
Selecteer Langetermijnstatistieken om tripinformatie per seizoen te bekijken, zoals
bedrijfsuren van de motor, totale afgelegde afstand en brandstofzuiningheid.
Totale afstand aanpassen
Selecteer de knop Totale afstand aanpassen om de totale afstand te wijzigen. Gebruik deze
optie als u een afgelegde trip of een deel van een afgelegde trip niet hebt opgenomen en de
afstand wilt opnemen in de statistieken voor Totale afstand.
Brandstofzuinigheid resetten
Selecteer Brandstofzuinigheid resetten om de brandstofbesparing te resetten in de
meter Brandstofbesparing op de instrumentenbalk.
Ring met geschat brandstofbereik
De ring met het geschatte brandstofbereik op de TripIntel-pagina geeft de geschatte totale
afstand weer die de boot kan afleggen, gebaseerd op historisch verbruik en de resterende
hoeveelheid brandstof in de tank.
Ú Notitie: De ring met het geschatte brandstofbereik geeft alleen het brandstofverbruik
voor de heenreis aan. De benodigde hoeveelheid brandstof voor de terugreis vanaf uw
huidige locatie wordt niet geschat. De ring geeft weer hoeveel afstand uw boot kan
afleggen tot de brandstof helemaal op is.
Ú Notitie: De ring met het geschatte brandstofbereik wordt uitsluitend berekend op basis
van gegevens onder Vaartuig resterende brandstof, en niet op basis van de
niveausensoren. Registreer dat u hebt bijgetankt door 'Op vol zetten' of 'Brandstof
toevoegen' te selecteren. Zo zorgt u dat de ring het bereik accuraat weergeeft.
Brandstofmeter
De brandstofmeter is zichtbaar op de TripIntel-pagina en op de verbruiksmeter wanneer dit
is ingesteld op de pagina Vaartuiginstellingen. Selecteer de meetmethode Resterende
brandstof.
• Brandstof verbruikt door de motor(en)
• Sensor(en) brandstoftankniveau
Ú Notitie: Dit geldt alleen voor de TripIntel-pagina en de zuinigheidsgrafiek.
50
TripIntel | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Getankte brandstof vastleggen
Selecteer de knop Brandstof om de hoeveelheid getankte brandstof vast te leggen. De
brandstofinformatie wordt gebruikt om de hoeveelheid resterende vaartuigbrandstof te
berekenen.
Getij-meter
De Getij-meter op de TripIntel-pagina toont de hoogte van het getij op het geselecteerd
getij-station.
Getij-grafieken en -stations
Getij-stations of kaarten verschaffen informatie over het getij. Selecteer de knop Getij om
getij-grafieken weer te geven en om op te geven door welk getij-station de getij-informatie
wordt verstrekt. Als u geen getij-station kiest, wordt de getij-informatie van het
dichtstbijzijnde getij-station gebruikt.
Tripopnamen weergeven
Opgenomen trips staan op het tabblad Historie op de pagina TripIntel. Om uitgebreide
tripinformatie weer te geven, selecteert u een trip in de lijst.
TripIntel | NSS evo3 Gebruikershandleiding
51
Namen van tripopnamen wijzigen
Bij het aanmaken van trips worden generieke namen toegekend. U kunt de tripnaam
wijzigen in een betekenisvollere naam. Selecteer de naam in de historielijst en selecteer
vervolgens de naam in het gedetailleerde dialoogvenster Triphistorie. Hiermee opent u het
dialoogvenster Tripnaam, waar u de tripnaam kunt wijzigen.
52
TripIntel | NSS evo3 Gebruikershandleiding
8
Stuurautomaat
Indien een compatibele stuurautomaatcomputer op het systeem is aangesloten, is het
systeem voorzien van stuurautomaatfunctionaliteit.
Het systeem staat niet toe dat meer dan één stuurautomaatcomputer op het netwerk wordt
aangesloten.
De display-unit herkent de stuurautomaatcomputer die op het netwerk is aangesloten
automatisch en biedt instellingen, configuratie en gebruikersopties voor de aangesloten
computer.
Voor meer informatie over het installeren en configureren van een stuurautomaatcomputer
kunt u de met de stuurprogrammacomputer meegeleverde documentatie raadplegen.
Veilige bediening met de stuurautomaat
Waarschuwing: Een stuurautomaat is een handig hulpmiddel bij het
navigeren, maar kan een menselijke navigator NIET vervangen.
De stuurautomaat activeren
U kunt de stuurautomaat vanaf elk willekeurig paneel activeren door de tegel Autopilot in de
instrumentenbalk te selecteren, en vervolgens een modus te selecteren de
Stuurautomaatcontroller.
Overschakelen van automodus naar handmatig sturen
U kunt de stuurautomaat overschakelen naar de STBY-modus vanuit elke automatische
besturingsmodus in de pop-up Autopilot of door een fysieke stand-bysleutel te gebruiken.
Ú Notitie: Als de unit via de SG05 is verbonden met een EVC-systeem, kunt u handmatig
sturen, ongeacht de modus waarin de stuurautomaat zich bevindt. Zie "De stuurautomaat
gebruiken in een EVC-systeem" op pagina 61.
Indicatie stuurautomaat op de pagina's
1
Indicatie stuurautomaat in statusbalk
2
Pop-up Autopilot
3
Tegel Autopilot in instrumentenbalk
Indicatie van stuurautomaat modus op de Statusbalk
De Statusbalk toont stuurautomaat informatie zolang er een stuurautomaat computer op het
netwerk aangesloten is.
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
53
Symbolen geven aan of de stuurautomaat passief of vanaf een andere bedieningseenheid
vergrendeld is.
Pop-up Autopilot
U kunt de stuurautomaat beheren in de pop-up Autopilot.
De pop-up heeft een vaste plek op de pagina en is beschikbaar op alle pagina's, behalve
wanneer een stuurautomaatpaneel actief is.
Zolang de pop-up Autopilot actief is, kunt u het achtergrondpaneel of het bijbehorende
menu niet bedienen.
U kunt het pop-upvenster van een pagina verwijderen door op de X in de rechterbovenhoek
of op de knop X te drukken. U kunt de pop-up weer inschakelen door de tegel Autopilot te
selecteren in de instrumentenbalk.
De volgende pop-ups zijn beschikbaar:
• Stuurautomaatcontroller - toont informatie over de actieve modus, vaarrichting, roer
en sturen, afhankelijk van de actieve stuurautomaatmodus. Handmatige aanpassingen
van de ingestelde vaarrichting kunnen alleen gemaakt worden als de pijlindicatoren voor
bakboord en stuurboord rood en groen verlicht zijn.
• Modusselectie- biedt onder meer toegang tot de selectie van draaipatronen.
• Wendpatroonselectie
Ú Notitie: De draaifunctie is niet beschikbaar als het boottype is ingesteld op Zeilboot in
het dialoogvenster Stuurautomaat in bedrijf stellen. In plaats daarvan is de functie
Overstag/gijpen geïmplementeerd. Zie "Overstag gaan in AUTO-modus" op pagina 56. Zie ook
"Overstag gaan in WIND-modus" op pagina 58.
Stuurautomaatcontroller
Modusselectie
Wendpatroonselectie
Stuurautomaat vakje op Instrumentenbalk
U kunt selecteren om het stuurautomaat vakje op de Instrumentenbalk weer te geven.
Als het stuurautomaat pop-up venster uitgeschakeld is, kunt u het inschakelen door het vakje
op de Instrumentenbalk te selecteren.
Het stuurautomaatpaneel
Het stuurautomaatpaneel wordt gebruikt voor weergave van navigatiegegevens. Het paneel
kan getoond worden op volledig schermformaat of op een pagina met meerdere panelen.
Het aantal datavelden dat in het stuurautomaatpaneel is opgenomen, hangt af het
beschikbare paneelformaat.
Datavelden
De volgende afkortingen worden gebruikt op het stuurautomaatpaneel:
54
CTS
Te sturen koers
DTD
Afstand tot bestemming
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
DTW
Afstand tot volgend waypoint
SOG
Snelheid over de grond
COG
Koers over de grond
XTE
Koersafwijking (L: links of R: rechts)
Stuurautomaatmodi
De stuurautomaat heeft verschillende stuurmodi. Het aantal modi en functies binnen een
bepaalde modus is afhankelijk van de stuurautomaatcomputer, het boottype en de
beschikbare ingangen, zoals uitgelegd in de beschrijving van de volgende besturingsmodi.
Standby-modus
De modus Standby wordt gebruikt wanneer de boot met de hand aan het roer wordt
bestuurd. U kunt de stuurautomaat op elk moment overschakelen op de standby-modus
door op de knop Standby te drukken in het pop-upvenster Autopilot of door op een fysieke
standby-knop te drukken.
NFU-besturing (Non-Follow-Up)
In de modus NFU kunt u het roer bedienen met de pijlknoppen Bakboord en Stuurboord in
het pop-upvenster van de stuurautomaat. Het roer blijft bewegen zolang u de knop
ingedrukt houdt.
• Activeer de modus NFU met de pijlknoppen Bakboord en Stuurboord in het popupvenster als de stuurautomaat in de modus Standby of FU staat.
U keert terug naar de standby-modus door op de knop Standby te drukken in het popupvenster van de stuurautomaat of door op de fysieke standby-knop te drukken.
FU-besturing (Follow-Up)
In de modus FU kunt u de roerhoek met de draaiknop bedienen. Druk op de draaiknop en
draai vervolgens om de roerhoek in te stellen. Het roer beweegt naar de ingestelde hoek en
stopt dan.
• U kunt de modus FU selecteren in het pop-upvenster van de stuurautomaat
Ú Notitie: Als het pop-upvenster van de stuurautomaat gesloten is of als er een
alarmdialoogvenster actief is op de unit die de stuurautomaat in de FU-modus bedient,
dan schakelt de stuurautomaat automatisch over naar de standby-modus.
Waarschuwing: In de FU-modus kunt u het stuurwiel niet handmatig
bedienen.
Modus AUTO (autokompas)
In de modus AUTO stuurt de stuurautomaat opdrachten naar het roer om het vaartuig
automatisch op een ingestelde vaarrichting te houden.
• U kunt de modus AUTO selecteren in de pop-up Autopilot. Wanneer de modus wordt
geactiveerd, selecteert de stuurautomaat de huidige vaarrichting van de boot als
ingestelde vaarrichting.
Ingestelde vaarrichting wijzigen in de modus AUTO
U kunt de ingestelde vaarrichting aanpassen via de draaiknop, de pijlknoppen Bakboord/
Stuurboord in de pop-up Autopilot of door de tegel Vaarrichting te selecteren in de pop-up
Autopilot en vervolgens de gewenste waarde voor de vaarrichting in te voeren.
Er vindt direct een wijziging van de vaarrichting plaats. De nieuwe vaarrichting wordt
aangehouden totdat er een nieuwe vaarrichting wordt ingesteld.
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
55
Koers vasthouden
Als de boot wendt in AUTO modus, wordt bij direct resetten van de modus de functie Koers
vasthouden geactiveerd. Hiermee wordt de wending automatisch geannuleerd en de boot
blijft op de koers die van het kompas is afgelezen op het moment dat u de modus opnieuw
activeerde.
Overstag gaan in AUTO-modus
Ú Notitie: De overstagfunctie is alleen beschikbaar als het systeem is ingesteld op het
boottype Zeilboot in het dialoogvenster Stuurautomaat in bedrijf stellen en is niet
beschikbaar voor NAC-1-stuurautomaatcomputers.
Overstag wordt alleen voor de wind uitgevoerd en moet worden uitgeprobeerd op rustige
zee bij zwakke wind om te onderzoeken hoe dit werkt op uw boot. Door het grote aantal
bootkarakteristieken (van pleziervaart- tot raceboten) kan het gedrag van de overstagfunctie
van boot tot boot verschillen.
Overstag gaan in AUTO-modus verschilt van overstag gaan in WIND-modus. In AUTO-modus
is de overstaghoek vast en gedefinieerd door de gebruiker. Raadpleeg "Overstag gaan in WINDmodus" op pagina 58 voor meer informatie.
U kunt de overstagfunctie starten vanuit de AUTO-modus.
Als de overstagrichting is geselecteerd, wijzigt de stuurautomaat de huidige ingestelde koers
volgens de ingestelde vaste overstaghoek.
U kunt de overstagfunctie onderbreken door de tegenovergestelde overstagrichting te
selecteren, zolang de het dialoogvenster voor overstag open is. Als de functie onderbroken
wordt, gaat de boot terug naar de vorige ingestelde vaarrichting.
De modus Geen drift
De modus Geen drift combineert de stuurautomaat- en de positie-informatie van de GPS.
In de modus Geen drift wordt de boot langs een berekende tracklijn in een door de
gebruiker ingestelde vaarrichting gestuurd. Als het vaartuig van de oorspronkelijke koerslijn
afdrijft ten gevolge van stroming en/of wind, volgt het de lijn als een krab.
1. Keer het vaartuig in de gewenste richting
2. Activeer de modus Geen drift. De stuurautomaat tekent een onzichtbare peillijn op basis
van de huidige vaarrichting vanuit de positie van de boot
Anders dan in AUTO (kompas)modus, gebruikt de stuurautomaat de positie-informatie nu
om de koersafwijking te berekenen en uw track automatisch recht te houden.
Gebruik de draaiknop of de pijlknoppen Bakboord en Stuurboord op het paneel in het popupvenster van de stuurautomaat om de koerslijn opnieuw in te stellen in de modus Geen
drift.
Ontwijken
Als u een obstakel moet ontwijken in de modus Geen drift, kunt u de stuurautomaat in de
modus Standby zetten en stuurbekrachtiging of het roer gebruiken totdat het obstakel is
gepasseerd.
Als u binnen 60 seconden teruggaat naar de modus Geen drift, kunt u kiezen of u verder gaat
op de vorige ingestelde peillijn.
Als u niet reageert, verdwijnt het dialoogvenster en volgt de stuurautomaat de huidige koers
als ingestelde peillijn in de modus Geen drift.
De modus NAV
Waarschuwing: De modus NAV mag alleen in open water gebruikt
worden.
U kunt de boot met de stuurautomaat automatisch naar een bepaalde waypoint-locatie of
langs een vooraf gedefinieerde route sturen. De positie-informatie van het GPS wordt
56
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
gebruikt voor het wijzigen van de te varen koers om de boot op de track-lijn te houden en
naar het bestemmings-waypoint te leiden.
Ú Notitie: Voor een juiste navigatie moet de NSS evo3 beschikken over geldige positieinvoer. De automatische besturing moet worden getest en goedgekeurd voordat u de
navigatiemodus gaat gebruiken.
Automatische navigatie starten
Wanneer u begint met navigeren van een route of naar een waypoint vanaf het kaartpaneel,
wordt u gevraagd de stuurautomaat in de modus NAV te zetten. Als u dit verzoek weigert,
kunt u de modus NAV starten met de stuurautomaatcontroller.
Ú Notitie: De vraag of u de stuurautomaat in de navigatiemodus wilt zetten, wordt niet
weergegeven als het boottype is ingesteld op Zeilboot in het dialoogvenster
Stuurautomaat in bedrijf stellen. Als u het navigeren wilt starten, moet u de modus NAV
selecteren in de stuurautomaatcontroller.
Wanneer de navigatiemodus wordt gestart, zorgt de stuurautomaat ervoor dat het vaartuig
automatisch koers blijft houden.
Wanneer het vaartuig de aankomstcirkel van een routepunt bereikt, geeft de stuurautomaat
een geluidssignaal en wordt er een dialoogvenster weergegeven met de nieuwe
koersinformatie. Als de vereiste koerswijziging naar het volgende waypoint kleiner is dan de
wijzigingsgrens, wijzigt de stuurautomaat de koers automatisch. Als de vereiste
koerswijziging naar het volgende waypoint groter is dan de ingestelde grens, wordt u
gevraagd te controleren of de aankomende koerswijziging acceptabel is.
Ú Notitie: Voor informatie over navigatie-instellingen raadpleegt u "Navigatie-instellingen" op
pagina 47.
De aankomstcirkel van het waypoint
De aankomstradius definieert het punt waarop een draai wordt ingezet bij het afvaren van
een route.
De aankomstcirkel (1) dient te worden ingesteld op de snelheid van de boot. Hoe hoger de
snelheid, des te groter de cirkel. De bedoeling is de stuurautomaat de koerswijziging op tijd
te laten inzetten om een soepele draai naar de volgende etappe te maken.
Onderstaande illustratie kan worden gebruikt om bij het aanmaken van de route de juiste
waypoint-cirkel te kiezen.
X-as = bootsnelheid in knopen
Y-as = aankomstcirkel, radius in 1/100 nm
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
57
Voorbeeld: met een snelheid van 20 knopen dient u een waypoint-cirkel te gebruiken met
een radius van 0,09 nm.
Ú Notitie: De afstand tussen waypoints in een route mag niet kleiner zijn dan de radius
van de aankomstcirkel.
WIND-modus
Ú Notitie: De WIND-modus is alleen beschikbaar als het systeem is ingesteld op Zeilboot
in het dialoogvenster Stuurautomaat in bedrijf stellen. Deze modus is niet beschikbaar
voor NAC-1-stuurautomaatcomputers.
Voor de WIND-modus wordt gestart, dient u te controleren of er geldige informatie van de
windtransducer beschikbaar is.
Begin het sturen op de windvaan als volgt:
1. Wijzig de stuurautomaat in AUTO-modus
2. Pas de koers aan tot de windhoek overeenkomt met de hoek die u wilt houden
3. Selecteer de modus die in de stuurautomaatcontroller wordt aangegeven om het
stuurautomaatmenu te activeren. Selecteer vervolgens de WIND-modus
Op het moment dat de WIND-modus wordt geselecteerd, worden de ingestelde stuurkoers
(CTS) en windhoek ingevoerd vanuit de kompaskoers en de windtransducer. Vanaf dat punt
wijzigt de stuurautomaat de koers om de windhoek te handhaven, mocht de windrichting
veranderen.
Overstag gaan in WIND-modus
Ú Notitie: De overstagfunctie is alleen beschikbaar als het systeem is ingesteld op het
boottype Zeilboot in het dialoogvenster Stuurautomaat in bedrijf stellen en is niet
beschikbaar voor NAC-1-stuurautomaatcomputers
Overstag wordt alleen voor de wind uitgevoerd en moet worden uitgeprobeerd op rustige
zee bij zwakke wind om te onderzoeken hoe dit werkt op uw boot. Door het grote aantal
bootkarakteristieken (van pleziervaart- tot raceboten) kan het gedrag van de overstagfunctie
van boot tot boot verschillen.
Overstag gaan in de WIND-modus wordt, in tegenstelling tot AUTO-modus, uitgevoerd
tijdens varen met schijnbare of ware wind als referentie. De warewindhoek moet kleiner zijn
dan 90 graden.
De draaisnelheid tijdens de overstag wordt bepaald door de overstagtijd die in de
vaarparameters is gedefinieerd. De overstagtijd wordt ook bestuurd door de snelheid van de
boot, om snelheidsverlies tijdens een overstag te voorkomen.
U kunt de overstagfunctie starten vanuit de WIND-modus.
Als u de overstag begint, spiegelt de stuurautomaat onmiddellijk de ingestelde windhoek
naar de andere kant van de boeg.
U kunt de overstagfunctie onderbreken door de tegenovergestelde overstagrichting te
selecteren, zolang de het dialoogvenster voor overstag open is. Als de functie onderbroken
wordt, gaat de boot terug naar de vorige ingestelde vaarrichting.
Gijpen
Gijpen is mogelijk als de ware windhoek groter is dan 120°.
De tijd om te gijpen wordt bepaald door de snelheid van de boot, om het zo snel mogelijk
gecontroleerd uit te voeren.
Sturen met wendpatroon
De stuurautomaat beschikt over een aantal automatische draaifuncties wanneer de
stuurautomaat in de modus AUTO staat.
58
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Ú Notitie: De draaifunctie is niet beschikbaar als het boottype is ingesteld op Zeilboot in
het dialoogvenster Stuurautomaat in bedrijf stellen. In plaats daarvan is de functie
Overstag/gijpen geïmplementeerd.
Beginnen van een draai
U begint de draai door het relevante draaipictogram te selecteren. Vervolgens selecteert u de
bakboord- of stuurboordopties in het dialoogvensterDraaiom de draairichting te selecteren.
Stoppen van de draai
U kunt de draai stoppen in het dialoogvenster voor wenden.
Tijdens een draai kunt u op elk moment op Stuurautomaat standby drukken in het
dialoogvenster Systeem regelingen. De standby-modus wordt dan weer geactiveerd en u
moet handmatig sturen.
U kunt een draai ook stoppen door op een fysieke standby-knop te drukken. De standbymodus wordt dan weer geactiveerd en u moet handmatig sturen.
Draaipatronen
De draaiopties, behalve de C-draai, hebben instellingen die u kunt aanpassen voordat u een
draai start, of op elk gewenst moment wanneer de boot aan het draaien is.
U-bocht
Bij een U-bocht wordt de huidige ingestelde vaarrichting 180° in tegenovergestelde richting
gewijzigd.
De draaisnelheid is gelijk aan de instellingen voor de snelheidslimiet. Deze kan tijdens het
draaien niet worden gewijzigd.
Ú Notitie: Raadpleeg de afzonderlijke installatiehandleiding van NSS evo3 voor informatie
over de instellingen voor de snelheidslimiet.
C-turn
Met deze optie gaat de boot in een cirkel varen.
U kunt de draaisnelheid aanpassen in het dialoogvenster Draai voordat de draai wordt
ingezet en tijdens de draai. Als u de draaisnelheid verhoogt, maakt het vaartuig een kleinere
cirkel.
Spiraal
Met Spiraaldraai maakt het vaartuig een spiraalvormige draai met een toenemende of
afnemende radius. U kunt de initiële radius instellen voordat de draai wordt ingezet, en de
wijziging per draai tijdens de draai. Als u de wijziging per draai instelt op nul, draait het
voertuig in een cirkel rond. Negatieve waarde geven een afnemende radius aan; positieve
waarden geven een toenemende radius aan.
Zigzag
Met deze optie zorgt u ervoor dat de boot in een zigzagpatroon gaat varen.
Voor navigeren in een zigzagpatroon stelt u de initiële wijziging van de vaarrichting in
voordat de draai gestart wordt.
Tijdens de draai kunt u de hoofdvaarrichting, de wijziging van de vaarrichting en de
etappeafstand wijzigen.
Vierkant
Hiermee maakt het vaartuig na het afleggen van een bepaalde etappeafstand automatisch
een draai van 90°.
U kunt tijdens de draai op elk gewenst moment de hoofdvaarrichting en de afstand van de
etappe wijzigen totdat het vaartuig een draai van 90° maakt.
Langzame S-draai
Met deze optie giert het vaartuig langs de hoofdkoers.
Stel de gewenste koerswijziging in voordat de draai wordt gestart.
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
59
Tijdens het draaien kunt u de hoofdkoers, de koerswijziging en draairadius aanpassen in het
dialoogvenster Richting.
Dieptecontour volgen, DCTTM
Als het systeem input krijgt van een Echosounder, kan de stuurautomaat zo worden
ingesteld dat een dieptecontour wordt gevolgd.
Waarschuwing: Gebruik deze functie alleen bij een daarvoor geschikte
zeebodem. Gebruik de functie niet in onrustig water waarbij de diepte
binnen een klein gebied sterk verschilt.
Gebruik de volgende procedure om DCT te starten:
1. Zorg dat de diepte-indicatie op het paneel of op een afzonderlijk diepte-instrument
wordt weergegeven.
2. Stuur de boot naar de diepte die u wilt volgen, in de richting van de dieptecontour.
3. Activeer de modus AUTO, selecteer DCT en volg de diepte-indicatie.
4. Selecteer Bakboord of Stuurboord in het dialoogvenster Draai om DCT te starten en de
helling op de bodem aan stuurboordzijde of bakboordzijde te volgen:
Bakboordoptie
(diepte neemt af aan bakboordzijde)
Stuurboordoptie
(diepte neemt af aan stuurboordzijde)
De volgende parameters zijn beschikbaar voor DCT:
Depth gain
Deze parameter bepaalt de ratio tussen ingesteld roer en de afwijking van de geselecteerde
dieptecontour. Hoe hoger de Depth gain-waarde, hoe meer roer er gegeven wordt.
Als de waarde te klein is , duurt hetlang voordat het afdrijven van de ingestelde
dieptecontour gecompenseerd wordt en kan de stuurautomaat de boot niet op de
geselecteerde diepte houden.
Als de waarde te hoog is, neemt de oversturing toe en is het sturen instabiel.
Contour Cross Angle (CCA)
De CCA is hoek die wordt opgeteld bij of afgetrokken van de ingestelde koers.
Met deze parameter kunt u de boot met langzame S-bewegingen rond de referentiediepte
laten gieren.
Hoe groter de CCA, hoer meer er gegierd mag worden. Als u de CCA instelt op nul, zijn er
geen langzame S-bewegingen.
60
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Gebruik van de NSS evo3 in een AP24/AP28-systeem
Overdracht van besturing
Als uw NSS evo3 is aangesloten op een stuurautomaat met een AP24- of AP28besturingssysteem, kan slechts één bedieningsunit tegelijk actief zijn. Een niet-actieve
bedieningsunit wordt aangegeven met een vierkant symbool met een kruisje in de pop-up
Stuurautomaatcontroller.
Stations op afstand vergrendelen
De AP24/AP28 beschikt over een vergrendelingsfunctie op afstand, waardoor de
stuurautomaat niet vanaf andere units bestuurd kan worden. Een vergrendelde bedienings
unit wordt aangegeven met een sleutelsymbool in de pop-up Stuurautomaatcontroller.
Als de functie voor vergrendeling op afstand is ingeschakeld op een AP24/AP28bedieningsunit, ligt de controle enkel bij de actieve bedieningsunit. De controle kan niet
worden overgedragen aan NSS evo3 of andere stuurautomaat -bedieningsunits op het
systeem.
U kunt de andere stations alleen ontgrendelen vanaf de besturende AP24/AP28-unit.
De stuurautomaat gebruiken in een EVC-systeem
Als de NSS evo3 via de SG05 is verbonden op een EVC-systeem, kunt u handmatig sturen,
ongeacht de modus waarin de stuurautomaat zich bevindt.
De modusindicator op de pop-up Autopilot wordt vervangen door een streepje om
overname van de EVC aan te geven.
Het systeem keert terug naar de NSS evo3-besturing in de standby-modus, als er binnen een
bepaalde vooraf gedefinieerde periode geen roeropdracht van het EVC-systeem is
ontvangen.
Gebruik van de NSS evo3 in een AP70/AP80-systeem
Als uw MFD is aangesloten op een AP70-/AP80-stuurautomaat, kunt u met het MFD de
stuurautomaat bedienen.
Bij een AP70-/AP80-stuurautomaat kan slechts één bedieningsunit gelijktijdig actief zijn.
Ú Notitie: U kunt met het MFD geen AP70-/AP80-systeem configureren of activeren.
Met het schroefsymbool op de modusknop van het MFD wordt aangegeven dat er
in de AP70-/AP80-stuurautomaat schroeven zijn gedefinieerd.
Voor meer informatie over de AP70-/AP80-stuurautomaat raadpleegt u de documentatie van
de AP70/AP80.
Detectie van stuurautomaat
Het AP70-/AP80-systeem heeft eigen brongroepen. Als het MFD zal worden gebruikt voor
het uitvoeren van het AP70-/AP80-systeem, moet het MFD vanwege compatibiliteit dezelfde
groepen gebruiken als het AP70-/AP80-systeem.
Wanneer een MFD is aangesloten op een AP70-/AP80-systeem, detecteert het MFD het
AP70-/AP80-systeem en wordt de gebruiker gevraagd of het MFD opnieuw moet worden
gestart en de brongroepen van het AP70-/AP80-systeem moet gebruiken (opnieuw
opstarten in de modus Professionele stuurautomaat compatibiliteit).
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
61
Als u Ja kiest, wordt het MFD opnieuw gestart en worden dezelfde brongroepen gebruikt als
die het AP70-/AP80-systeem gebruikt. Als u Nee kiest, wordt de vraag niet nogmaals gesteld
en kunt u het MFD niet gebruiken voor het bedienen van het AP70-/AP80-systeem.
U kunt deze instelling wijzigen door Professionele stuurautomaat compatibiliteit te
selecteren in het dialoogvenster Geavanceerde instellingen.
Symbolen voor actieve schroef
Wanneer schroeven in bedrijf zijn in een AP70-/AP80-systeem, worden schroefsymbolen
weergegeven in het pop-upvenster Stuurautomaatcontroller van het MFD.
Schroef draait met de klok mee.
Schroef draait tegen de klok in.
Overdracht van besturing
Een AP70-/AP80-systeem kan worden opgezet als een mastersysteem of open systeem.
Bij een masterconfiguratie geeft de mastercontroller de controle over aan andere
bedieningsunits. Een MFD kan niet de mastercontroller in een masterconfiguratie zijn. In een
masterconfiguratie kan het MFD verzoeken de stuurautomaat te bedienen en moet het MFD
de controle door de mastercontroller accepteren nadat de mastercontroller de overdracht
van de controle aan het MFD heeft goedgekeurd. Nadat de controle is geaccepteerd, is het
MFD actief en kan het worden gebruikt voor het bedienen van de stuurautomaat.
Bij een open systeem kan het MFD de controle krijgen over de stuurautomaat wanneer u op
de modusknop drukt in het pop-upvenster Stuurautomaatcontroller en vervolgens Neem
Cmd selecteert in het dialoogvenster CMD overdracht. Wanneer dit gebeurt, wordt het MFD
actief en worden de andere bedieningsunits passief.
In een open systeem kunnen bedieningsstations tijdelijk worden vergrendeld om
abusievelijke bediening vanaf een andere bedieningsunit te voorkomen. Wanneer het MFD
de controle heeft over een open systeem, kan het MFD alle passieve bedieningsunits
vergrendelen en ontgrendelen. Als het MFD passief en vergrendeld is, kan het de controle
over de stuurautomaat vragen aan de actieve bedieningsunit. Het MFD moet de controle van
de actieve controller accepteren nadat de actieve controller de overdracht van de controle
aan het MFD heeft goedgekeurd.
De volgende indicatoren worden weergegeven in de modusknop van het pop-upvenster
Stuurautomaatcontroller:
Passief: MFD heeft niet de controle over de stuurautomaat. Als alleen het
pictogram voor passief wordt weergegeven, betekent dit dat het een
open en niet-vergrendeld systeem is en dat u met de modusknop de
controle over de stuurautomaat overneemt.
62
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Vergrendeld systeem: Met het sleutelpictogram wordt aangegeven dat
het systeem een mastersysteem of een open systeem kan zijn.
Als het sleutelpictogram wordt weergegeven en de knoppen <10, <1,
10>, 1> zijn ingeschakeld (rode of groenen pijlen en witte cijfers), is het
MFD actief en heeft het de controle over de stuurautomaat.
Als het sleutelpictogram wordt weergegeven en de knoppen <10, <1,
10>, 1> zijn uitgeschakeld (zwarte pijlen en cijfers), is het MFD actief en
heeft het geen controle over de stuurautomaat. Druk op de modusknop
om aan de actieve bedieningsunit te vragen de controle over te nemen
bij een open systeem, of aan de mastercontroller in het geval van een
mastersysteem.
Geen
Actief in open systeem: het MFD heeft geen controle over de
stuurautomaat in een open systeem.
Andere bedieningsunits vergrendelen en ontgrendelen
Druk op Cmd/Thrusters in het pop-upvenster Modusselectie om het pop-upvenster Cmd/
Thrusters te openen.
Andere units ontgrendelen: hiermee kunt u andere bedieningsunits de controle laten
overnemen van de stuurautomaat zonder hiervoor toestemming te vragen.
Andere units vergrendelen: hiermee vergrendelt u andere bedieningsunits zodat deze
niet de controle over de stuurautomaat kunnen overnemen. Wanneer andere
bedieningsunits zijn vergrendeld, moeten deze aan het MFD goedkeuring vragen om de
controle over de stuurautomaat over te nemen. Wanneer een andere bedieningsunit vraagt
om de controle over de stuurautomaat over te nemen, wordt in u het MFD gevraagd de
overdracht te accepteren of te weigeren.
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
63
Het werkprofiel selecteren
U kunt de AP70/AP80 instellen met 6 verschillende werkprofielen die gerelateerd zijn aan
verschillende werkmodi of voorkeuren. Gebruik de controller van de AP70/AP80 om de
verschillende werkprofielen in te stellen. In het MFD wordt het actieve werkprofiel
weergegeven met de modusknop in het pop-upvenster Stuurautomaatcontroller en het
pop-upvenster Modusselectie. Als het MFD de controle heeft over de stuurautomaat, kunt u
hiermee instellen welk werkprofiel actief is.
Als u het werkprofiel wilt wijzigen met behulp van het MFD, moet de stuurautomaat in de
standby-modus staan.
1. Druk op de modusknop in het pop-upvenster Stuurautomaatcontroller om het popupvenster Modusselectie weer te geven
2. Druk op de knop Werkprofielen om gedefinieerde werkprofielen weer te geven in het
pop-upvenster Werkprofielen selecteren
3. Selecteer het werkprofiel dat u wilt activeren
4. Druk op Sluiten om het pop-upvenster Werkprofielen selecteren te sluiten.
Schroeven in-/uitschakelen
Druk op de knop Cmd/Thrusters in het pop-upvenster Modusselectie om het pop-upvenster
Cmd/Thrusters te openen.
In het pop-upvenster Cmd/Thrusters staan opties voor het in-/uitschakelen van schroeven.
Stuurautomaat instellen
De stuurautomaatinstellingen kunnen worden gesplitst in instellingen die door de gebruiker
kunnen worden aangepast en instellingen die tijdens de installatie en inbedrijfstelling van
het stuurautomaatsysteem worden opgegeven.
• Gebruikersinstellingen kunnen worden gewijzigd voor verschillende
gebruiksomstandigheden en gebruikersvoorkeuren
• Installatie-instellingen worden opgegeven tijdens de inbedrijfstelling van het
stuurautomaatsysteem. Deze instellingen mogen niet meer worden gewijzigd
Zowel de gebruikersinstellingen als de installatie-instellingen zijn afhankelijk van welke
stuurautomaat-computer op het systeem is aangesloten.
64
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
In de volgende hoofdstukken vindt u informatie over instellingen die kunnen worden
gewijzigd door de gebruiker. De instellingen worden beschreven per
stuurautomaatcomputer.
Installatie-instellingen zijn beschikbaar in de documentatie in het gedeelte na de
stuurautomaatcomputers.
Kaartkompas
U kunt ervoor kiezen om op het kaartpaneel een kompassymbool rond uw boot te tonen.
Het kompassymbool staat uit als de cursor actief is op het paneel.
De stuurautomaatbediening vanaf een unit vergrendelen
U kunt een unit tijdelijk vergrendelen om te voorkomen dat de stuurautomaat per ongeluk
wordt bediend. Als de unit vergrendeld is, wordt dit aangegeven door een symbooltje en
een tekst in het pop-upvenster. Op een vergrendeld display kunnen geen automatische
modi worden geselecteerd.
Ú Notitie: De vergrendelingsfunctie is niet beschikbaar voor de unit waarmee de
stuurautomaat wordt bediend!
Als de NSS evo3 deel uitmaakt van een AP24/AP28-systeem, dan kan de stuurautomaat van
alle andere stuurautomaatunits worden vergrendeld door de AP24/AP28-bedieningsunit.
Stuurautomaatcomputer NAC-2/NAC-3
Besturing (NAC-2/NAC-3)
Met deze opties is het mogelijk om de parameters die tijdens de ingebruikname van de
stuurautomaat zijn ingesteld handmatig te wijzigen. Raadpleeg de documentatie van de
stuurautomaatcomputer voor meer informatie.
• Draaisnelheid: gewenste draaisnelheid in graden per minuut
• Roerversterking: deze parameter bepaalt de verhouding tussen het opgegeven roer en de
koersfout. Hoe hoger deze waarde, hoe meer roer er wordt gebruikt. Als de waarde te laag
is, duurt het lang om een koersfout te compenseren en kan de stuurautomaat geen
stabiele koers aanhouden. Als de waarde te groot is, neemt de overschrijding toe en
wordt de sturing instabiel.
• Tegenroer: verhouding tussen wijziging in koersfout en roerkracht. Een hoger tegenroer
zorgt ervoor dat de roerkracht bij het naderen van de ingestelde koers sneller afneemt
• Autotrim: bepaalt de roerkracht van de stuurautomaat om te compenseren voor een
constante koersafwijking, bijvoorbeeld veroorzaakt door externe krachten, zoals wind of
stroming. Hoe lager de automatische koerscorrectie, hoe sneller een constante
koersafwijking wordt tenietgedaan
Ú Notitie: In VRF modus regelt deze parameter de tijdconstante van de roerschatting. Bij
een lagere waarde maakt het roer een snellere schatting en wordt het roer sneller
afgestemd op de bewegingen van de boot.
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
65
• Roer init.: hiermee bepaalt u hoe het roer door het systeem wordt gestuurd bij het
overschakelen van handmatig sturen naar een automatische modus.
- Centreer (Midscheeps): zet het roer in de nulstand
- Werkelijk: handhaaft de roercorrectie
• Roerlimiet: bepaalt de maximale roeruitslag in graden vanuit de midscheepse positie in de
automatische modus. De instelling voor de roerlimiet is alleen actief tijdens de
automatische besturing op rechte koersen en NIET tijdens koerswijzigingen. De roerlimiet
is niet van invloed op de non-follow-up-besturing
• Uit-koers limiet: hiermee wordt de alarmlimiet voor koersafwijkingen ingesteld. Er gaat
een alarm af wanneer de werkelijke koers meer dan de geselecteerde limiet afwijkt van de
ingestelde koers
• Track-reactie: bepaalt hoe snel de stuurautomaat reageert na het registreren van een
koersafwijkingsafstand
• Track-naderingshoek: bepaalt de hoek die wordt gebruikt wanneer de boot een etappe
nadert. Deze instelling wordt zowel gebruikt wanneer u begint met navigeren als
wanneer u de track-offset gebruikt
• Koerswijzigingbevestigingshoek: bepaalt de limieten voor de koerswijziging naar het
volgende waypoint in een route. Als de vereiste koerswijziging groter is dan de ingestelde
limiet, wordt u gevraagd te bevestigen dat de aankomende koerswijziging acceptabel is.
Varend (NAC-2/NAC-3)
Ú Notitie: De parameterinstellingen voor Varend zijn alleen beschikbaar als het boottype is
ingesteld op Zeilen.
• Wind functie: selecteer welke windmodus door de stuurautomaat in de modus Wind
wordt gebruikt
- Auto:
Als TWA is <70º: Wind-modus gebruikt AWA
Als TWA is ≥ 70º: Wind-modus gebruikt TWA
- Schijnbaar
- Waar
• Overstag tijd: regelt de snelheid van de draai (overstagtijd) in de modus Wind.
• Overstag hoek: regelt de hoek van de draai tussen 50º - 150º in de modus AUTO
• Handmatige snelheid: indien er geen (betrouwbare) gegevens voor de bootsnelheid of
SOG-gegevens beschikbaar zijn, kan een handmatige waarde als snelheidsbron worden
ingevoerd en ter beschikking worden gesteld aan de stuurautomaat ter ondersteuning
van de stuurberekeningen
Stuurreactie
Ú Notitie: Alleen beschikbaar voor NAC-1-stuurautomaatcomputers.
Hiermee verhoogt of verlaagt u de stuurgevoeligheid. Een laag responsniveau vermindert de
roeractiviteit en geeft een wat lossere sturing. Een hoog responsniveau verhoogt de
roeractiviteit en geeft een wat stevigere sturing. Bij een te hoog responsniveau zal de boot Svormige bewegingen gaan maken.
Installatie
Deze optie wordt gebruikt voor de installatie en ingebruikname van de stuurautomaat.
Raadpleeg de afzonderlijke installatiehandleiding van de NSS evo3.
Inbedrijfstelling
Ú Notitie: Alleen beschikbaar voor NAC-1-stuurautomaatcomputers.
Wordt gebruikt voor het in bedrijf stellen van het roer of virtuele feedback over het roer.
Raadpleeg de afzonderlijke installatiehandleiding van NSS evo3.
66
Stuurautomaat | NSS evo3 Gebruikershandleiding
9
Radar
Het radarpaneel kan worden ingesteld als een schermweergave of kan worden
gecombineerd met andere panelen.
Het radarbeeld kan ook getoond worden als een overlay op een kaartpaneel. Raadpleeg voor
meer informatie, "Kaartoverlay" op pagina 30.
Ú Notitie: Voor een radaroverlay zijn gegevens nodig van een vaarrichtingssensor of een
kompas, voor een juiste oriëntatie op de kaart.
Het radarpaneel
1
Bereik
2
Oriëntatie
3
Bewegingscorrectie
4
Kompas*
5
Vaarrichtingslijn*
6
Draaiknoppen
7
Bereikringen*
8
Afstandsmarkeringen*
9
Databalk
* Optionele radarsymbolen
Radarsymbolen kunnen in het radarmenu collectief in-/uitgeschakeld worden, of individueel
zoals beschreven in "Paneel Radarinstellingen" op pagina 77.
Dubbele radar
U kunt verbinding maken met twee willekeurige ondersteunde radars en beide radarbeelden
tegelijkertijd bekijken.
Ú Notitie: Op Broadband Radar zal bij de meeste bereiken interferentie te zien zijn als een
puls- of Halo-radar en een Broadband-radar tegelijkertijd uitzenden vanaf dezelfde boot.
We raden u aan om met één radar tegelijk uit te zenden. Zend bijvoorbeeld met
Broadband-radar uit voor navigatiegebruik, en met een puls- of Halo-radar om buien en
bepaalde kustlijnen op afstand te lokaliseren en Racons te activeren.
U selecteert de optie voor dubbele radarpanelen door de knop van de radarapplicatie
ingedrukt te houden op de Home pagina, of door onder favorieten een pagina met twee
radarpanelen aan te maken.
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
67
De radarbron selecteren
U kunt de radar op het radarpaneel opgeven door een van de beschikbaar radars te
selecteren in de menuoptie Radar bron. Als u een paneel met meerdere radars hebt, wordt
de radar individueel ingesteld voor elk radarpaneel. Activeer een van de radarpanelen en
selecteer vervolgens een van de beschikbare radars in de menuoptie Radar bron. Herhaal het
proces voor het tweede radarpaneel en selecteer een andere radar voor dit paneel.
Ú Notitie: Het 3-cijferige radarbronnummer bestaat uit de laatste 3 cijfers van het
serienummer van de radar.
Radar-overlay
U kunt de overlay van het radarbeeld op de kaart plaatsen. Dit kan u helpen het radarbeeld
eenvoudig te interpreteren door de radardoelen op één lijn te brengen met de objecten op
de kaart.
Ú Notitie: Voor radaroverlay moet het systeem zijn uitgerust met een koerssensor.
Wanneer u kiest voor radar-overlay, zijn de basisradarfuncties beschikbaar in het
kaartpaneelmenu.
Bron radar-overlay selecteren op kaartpanelen
Om de radarbron te selecteren van de radar-overlay die op het kaartpaneel verschijnt,
gebruikt u de opties in het menu Radaropties en vervolgens in Bron op het kaartpaneel
om de radarbron te selecteren.
Voor kaartpagina's met meer dan een kaart met radar-overlay kunt u verschillende
radarbronnen instellen voor elk kaartpaneel. Activeer een van de kaartpanelen en selecteer
vervolgens een van de beschikbare radars in de menuoptie Radar bron. Herhaal het proces
voor het tweede kaartpaneel met radar-overlay en selecteer een andere radar voor dit
paneel.
Operationele modi radar
U bedient de operationele modi van de radar vanuit het menu Radar. De volgende modi zijn
beschikbaar:
Uit
De voeding voor de radarscanner is uitgeschakeld. Uitschakelen is alleen beschikbaar
wanneer de radar in de standby-modus staat.
Standby
De spanning naar de radarscanner is aan, maar de radar zendt niet.
Ú Notitie: U kunt de radar ook in de standby-modus zetten vanuit het dialoogvenster
Systeem regelingen.
Halo-licht
Bepaalt het niveau van de blauwe accentverlichting van de pedestal van de Halo Radar. De
verlichting heeft vier standen. De accentverlichting kan alleen worden aangepast als de radar
in de stand-bymodus staat.
Ú Notitie: De blauwe accentverlichting van de pedestal is mogelijk niet in alle jachthavens
toegestaan. Raadpleeg het reglement van de lokale jachthaven voordat u de
accentverlichting inschakelt.
Zenden
De scanner is aan en zendt. Ontdekte doelen worden op de PPI (Plan Position Indicator) van
de radar getekend.
Ú Notitie: U kunt de radar ook in de verzendmodus zetten vanuit het dialoogvenster
Systeem regelingen.
68
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Radarbereik
U kunt het radarbereik aanpassen door aan de draaiknop te draaien of door de
zoompictogrammen op het radarpaneel te selecteren.
Dubbel bereik
(Alleen Broadband 4G- en Halo-radar)
Wanneer het apparaat is aangesloten op een Broadband 4G- of Halo-radar kunt u de radar in
de modus Dubbel bereik gebruiken.
De radar verschijnt in het radarbronnenmenu als twee virtuele radarbronnen, A en B. Het
bereik en de bediening van iedere virtuele radarbron is volledig onafhankelijk. De bron voor
dubbele radar kan op dezelfde manier worden geselecteerd voor een bepaalde kaart of een
bepaald radarpaneel zoals wordt beschreven in "De radarbron selecteren" op pagina 68.
Ú Notitie: Sommige bedieningselementen die verband houden met de fysieke
eigenschappen van de radar zelf zijn niet onafhankelijk van de bron. Het gaat daarbij om
Fast scan, Antennehoogte en Peilingsuitlijning.
MARPA is volledig onafhankelijk en er kunnen tot 10 doelen worden gevolgd door iedere
virtuele radarbron.
Voor iedere individuele radarbron kunnen tot twee onafhankelijke bewakingszones worden
gedefinieerd.
Gebruik van de cursor op een radar paneel
De cursor wordt standaard niet in een radar paneel weergegeven.
Wanneer u de cursor op het radar paneel plaatst, wordt het cursorpositie venster geactiveerd
en worden de opties van het cursor menu weergegeven.
Om de cursor en cursor elementen uit het paneel te verwijderen, selecteert u Cursor
wissen, of drukt u op de X toets.
Ga naar cursor
U kunt naar een geselecteerde positie op het beeld navigeren, door de cursor op het paneel
te plaatsen en vervolgens de optie Ga naar cursor in het menu te selecteren.
De cursorondersteuningsfunctie
Ú Notitie: Cursorondersteuning is beschikbaar wanneer deze functie is ingeschakeld. Zie
"De lange druk configureren" op pagina 20.
Met de cursorondersteuningsfunctie kunt u de cursor nauwkeurig gebruiken en plaatsen
zonder gegevens met uw vinger te bedekken.
Activeer de cursor op het paneel en houd uw vinger vervolgens ingedrukt op het scherm om
het cursorsymbool te veranderen in een selectiecirkel, die boven uw vinger verschijnt.
Sleep de selectiecirkel zonder uw vinger van het scherm te halen naar de gewenste positie.
Als u uw vinger van het scherm haalt, keert de cursor terug naar de gewone cursorfunctie.
Waypoints opslaan
Een waypoint wordt opgeslagen op de cursorpositie als de cursor actief is, of wordt
opgeslagen op de positie van het vaartuig als de cursor niet actief is op het paneel. Hiertoe
doet u het volgende:
• Druk op de draaiknop
• Druk op de knop Markeren
• Gebruik de optie Nieuwe waypoint in het menu
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
69
Radarsectoren leeglaten
(alleen Halo-radar)
U kunt maximaal vier sectoren op de PPI definiëren waarin geen radargegevens worden
verzonden. Zo kunt u storing voorkomen die veroorzaakt wordt door functies op uw boot of
door een secundaire radar. De lege sectoren verschijnen op het beeld van de hoofdradar en
op de radaroverlay op een kaart. Een ingeschakelde sector heeft een magenta rand met 3
bogen over het leeggelaten gebied. Raadpleeg de installatiehandleiding van de Halo-radar
voor het instellen van lege radarsectoren.
Ú Notitie: Het leeglaten van radarsectoren is alleen beschikbaar voor Halo-radars.
Hoofdradar-PPI
Radaroverlay op een kaart
Het radarbeeld aanpassen
U kunt eventueel het radarbeeld verbeteren door de gevoeligheid van de radar aan te
passen en door achtergrondecho's van zee-en weercondities te filteren.
De radarinstellingsbeelden zijn te vinden in de rechterbovenhoek van het radarpaneel. U
kunt de beeldinstellingen aanpassen door het radarinstellingsbeeld te selecteren of door op
de draaiknop te drukken. De geselecteerde instelling wordt uitgebreid, de volledige naam
wordt getoond en er verschijnt een schuifbalk. U kunt de waarde vervolgens aanpassen door
aan de draaiknop te draaien of door de schuifbalk te gebruiken.
U kunt de beeldinstellingen ook aanpassen in het radarmenu.
Gebruiksmodi radar
Radarmodi zijn beschikbaar met standaard optimale besturingsinstellingen voor
verschillende omgevingen. De volgende modi zijn beschikbaar:
• Aangepast - in deze modus kunnen alle radarinstellingen worden aangepast en blijven
deze bewaard nadat een modus is gewijzigd of de radar opnieuw is ingeschakeld. De
standaardinstellingen van de radar zijn ingesteld voor algemeen gebruik.
• Haven - in deze modus worden de radarinstellingen aangepast aan gebieden zoals
drukke waterwegen en grote kunstmatige structuren, waar een goed onderscheid tussen
doelen en tevens snelle beeldbijwerking nodig zijn.
• Offshore - in deze modus worden de radarinstellingen geoptimaliseerd voor offshore
zeecondities en zijn geïsoleerde doelen groter en beter zichtbaar.
• Weer - in deze modus worden de radarinstellingen geoptimaliseerd voor de beste
detectie en weergave van regenecho. Het beeld wordt minder snel bijgewerkt en de
kleurdiepte is verhoogd.
• Vogel - in deze modus worden de radarinstellingen geoptimaliseerd voor de beste
detectie van vogels. De radar is ingesteld op maximale gevoeligheid. Het gebruik van deze
modus wordt afgeraden in drukke havenomgevingen.
70
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Niet alle besturingselementen zijn aanpasbaar in elke modus. In de volgende lijst staan de
vooraf ingestelde besturingselementen en de aanpasbaarheid van elk besturingselement.
Bereik
Aangepast: aanpasbaar
Haven: volledig*
Offshore: volledig*
Weer: volledig*
Vogel: tot 24nm
Drempel
Aangepast: aanpasbaar
Haven: 30%
Offshore: 30%
Weer: 0%
Vogel: 0%
Gain
Aangepast: aanpasbaar
Haven: aanpasbaar
Offshore: aanpasbaar
Weer: aanpasbaar
Vogel: aanpasbaar
Target Expansion
Aangepast: aanpasbaar
Haven: laag
Offshore: medium
Weer: UIT
Vogel: UIT
Zee
Aangepast: aanpasbaar
Haven: aanpasbaar
Offshore: aanpasbaar
Weer: aanpasbaar
Vogel: aanpasbaar
Storing onderdrukken
Aangepast: aanpasbaar
Haven: aanpasbaar
Offshore: aanpasbaar
Weer: aanpasbaar
Vogel: aanpasbaar
Regen
Aangepast: aanpasbaar
Haven: aanpasbaar
Offshore: aanpasbaar
Weer: aanpasbaar
Vogel: aanpasbaar
Target separation
Aangepast: aanpasbaar
Haven: medium
Offshore: UIT
Weer: UIT
Vogel: UIT
Ruisonderdrukking
Aangepast: aanpasbaar
Haven: medium
Offshore: hoog
Weer: medium
Vogel: hoog
Fast scan
Aangepast: aanpasbaar
Haven: hoog
Offshore: hoog
Weer: UIT
Vogel: UIT
* Het maximale bereik hangt af van de lengte van de antenne.
Modi bij dubbel bereik
(Alleen voor Halo-radar)
De modi kunnen onafhankelijk van elkaar worden ingesteld voor ieder bereik. U kunt
bijvoorbeeld de modus Zee instellen voor bereik A en de modus Weer voor bereik B. In
sommige gevallen kan interactie tussen beide bereiken ontstaan:
• Wanneer u voor beide bereiken de modus Vogel gebruikt, dan is het maximale bereik
beperkt tot 24 NM en wordt de resolutie van het bereik beperkt.
• Fast scan - De rotatiesnelheid van de antenne wordt ingesteld voor de traagste van beide
modi. Fast scan wordt bijvoorbeeld uitgeschakeld als u de modi Haven en Weer gebruikt,
omdat Fast scan uitstaat in de modus Weer.
• De instellingen voor interferentieonderdrukking kunnen invloed hebben op de
interferentie die in beide bereiken wordt waargenomen en verwijderd.
Directionele echo-onderdrukking
(alleen Broadband 4G-radar)
Deze modus is automatisch actief als GAIN = AUTO en SEA = HARBOR of OFFSHORE. Het doel
is om kleinere vaartuigen zichtbaar te maken in de benedenwindse richting van de zee-echo.
De GAIN (versterking) van de radarontvanger wordt dynamische in benedenwindse richting
vergroot tijdens de sweep, voor verhoogde doelgevoeligheid in zwaardere zeecondities.
Als GAIN of SEA = MANUAL, staat de modus Directionele echo-onderdrukking UIT (nietdirectioneel).
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
71
Daarnaast zijn de curve-instellingen CALM, MODERATE of ROUGH STC beschikbaar in het
menu Radaropties om het radarbeeld nog beter naar uw wensen te optimaliseren.
Gain
De versterking regelt de gevoeligheid van de radarontvanger.
Door een hogere versterking wordt de radar gevoeliger voor radarecho's, zodat er zwakkere
doelen getoond worden. Als de versterking te hoog staat, kan het beeld vollopen met
achtergrondruis.
De versterking heeft een handmatige en een automatische modus. U wisselt tussen de
automatische en de handmatige modus met de schuifbalk of door de draaiknop ingedrukt te
houden.
Zee-echo
De functie Zee-echo wordt gebruikt om het effect van achtergrondecho van golfslag of ruwe
zee rond het vaartuig te filteren.
Als u de filtering van Zee-echo verhoogt, worden de echo's op het scherm ten gevolge van
de echo's van de golfslag verminderd.
Het systeem beschikt over vooraf gedefinieerde instellingen voor Zee-echo in havens en
offshore voor alle radarsystemen behalve Halo. Daarnaast is er een handmatige modus
waarin u de instellingen kunt aanpassen. Voor alle radarsystemen behalve Halo kunt u modi
voor Zee-echo selecteren in het menu of door lang op de draaiknop te drukken. U kunt de
waarde voor Zee-echo alleen in de handmatige modus aanpassen.
Automatische offset voor zee
(alleen Halo-radar)
Om de instelling Zee aan te passen in de modus Auto (Auto maakt gebruikt van aanpasbare
directionele echo-onderdrukking), kan een offset worden ingesteld voor Auto.
Rain clutter
Rain clutter wordt gebruikt om de effecten van regen, sneeuw of andere
weersomstandigheden op het radarbeeld te verminderen.
Deze waarde moet niet te hoog worden gezet, omdat echte doelen dan mogelijk ook
worden uitgefilterd.
Geavanceerde radaropties
Ruisonderdrukking
(Alleen voor Broadband 4G- en Halo-radar)
Met Ruisonderdrukking bepaalt u hoeveel ruis wordt gefilterd door de radar. De
doelgevoeligheid voor de lange afstand wordt groter wanneer deze instelling op Laag of
Hoog staat, maar dit veroorzaakt wat verlies in doelonderscheiding.
Tip: Voor een maximaal bereik laat u de Broadband 4G-radar op één bereik uitzenden, stelt u
Ruisonderdrukking in op Hoog en kiest u voor een zo laag mogelijke drempel. De
standaardwaarde is 30% voor minder ruis op het scherm. Als UIT is geselecteerd, is het bereik
van de NSS evo3 ongeveer gelijk aan dat van 3G-radar. In sommige gebieden met
ongewoon veel interferentie levert UIT mogelijk het beste radarbeeld op.
Radar drempel
Met de drempelwaarde stelt u de vereiste signaalsterkte voor de zwakste radarsignalen in.
Radar echo's onder deze limiet worden uitgefilterd en niet weergegeven.
Standaard waarde: 30%.
Doelvergroting
Met Doelvergroting wordt de lengte van doelen in het bereik vergroot, zodat ze beter te zien
zijn.
72
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Radarstoring onderdrukken
Storing kan veroorzaakt worden door radarsignalalen van andere radarunits die op dezelfde
frequentieband opereren.
Een hoge instelling vermindert de storing door andere radars.
Om geen zwakke doelen te missen, dient de storingsonderdrukking laag gezet te worden als
er geen storing is.
Target separation
(Alleen Broadband 4G- en Halo-radar)
Met de functie Target separation kunt u de doelonderscheiding van de radar regelen
(onderscheid tussen objecten is duidelijker).
Snelle scan
(Alleen voor Broadband- en Halo-radar.)
Stelt de rotatiesnelheid van de antenne in. Met deze optie krijgt u sneller een update van
doelen.
Ú Notitie: Of de maximale snelheid wordt bereikt is afhankelijk van de instellingen, de
modus en het bereik die voor de radar zijn geselecteerd. De radar draait zo snel als de
huidige bedieningsinstellingen toelaten.
Zeeconditie
Pas de instelling voor Zeeconditie aan de huidige zeecondities aan voor de beste
onderdrukking van zee-echo.
Target boost
(alleen 3G- en 4G-breedband en pulsradar)
De functie Target boost vergroot de pulslengte en verkleint de bandbreedte van de radar,
zodat doelen groter lijken in het bereik en de radargevoeligheid wordt vergroot.
Opties radar weergave
Radar symbolen
Radarsymbolen gedefinieerd in het Radar instellingen paneel kunnen allemaal aan/uit
worden gezet. Zie de afbeelding van het radar paneel met optionele radar items.
Doel sporen
U kunt instellen hoe lang de sporen gegenereerd vanaf elk doel op het radar paneel blijven.
U kunt de doel sporen ook UIT zetten.
Ú Notitie: Ware beweging wordt aanbevolen bij gebruik van Doel sporen.
Doel sporen uit het paneel verwijderen
Als er doel sporen op het paneel worden weergegeven, wordt het radar menu uitgebreid
met een optie waarmee u de doel sporen op het paneel tijdelijk kunt wissen. De sporen
beginnen daarna weer te verschijnen, tenzij u ze uitschakelt zoals hierboven beschreven.
Het radar palet
U kunt verschillende kleuren (paletten) gebruiken om details op het radar paneel aan te
duiden.
Radar oriëntatie
De radar oriëntatie wordt in de linker bovenhoek van het radarpaneel weergegeven als HU
(vaarrichting boven (UP)), NU (noord boven) of CU (koers boven).
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
73
Vaarrichting boven
Draait het radarbeeld zo dat de vaarrichting recht omhoog op het radarbeeld wordt
weergegeven.
Noord boven
Draait het radarbeeld zo dat het noorden recht naar boven wijst.
Koers boven
Draait het radarbeeld zo dat de huidige navigatiekoers recht omhoog wordt weergegeven.
Deze optie werkt alleen als het systeem op een actieve route navigeert. Als dat niet zo is,
wordt de vaarrichting boven oriëntatie gebruikt totdat de navigatiefunctie is gestart.
Het midden van de radar positioneren
U kunt het midden van de radar-PPI (Plan Position Indicator) verplaatsen naar verschillende
posities op het radarpaneel en selecteren hoe uw vaartuig zich over het radarbeeld beweegt.
Radarbeweging wordt linksboven op het radarpaneel aangegeven als TM (True motion Ware beweging) of RM (Relative motion - Relatieve beweging).
De radarpositie kan alleen veranderd worden als de radar aan het zenden is.
Centrum
Vooruit kijken
Aangepaste offset
Centrum
Standaardinstelling. De midden van de radarPPI is gecentreerd op het radarpaneel.
Look Ahead
Beweegt het midden van de radar-PPI naar de onderkant van het paneel om u maximaal
zicht naar voren te geven.
Offset
Hiermee kunt u het midden van de PPI naar elke plaats op het radarpaneel bewegen.
1. Selecteer de optie Offset in het menu.
2. Verplaats de cursor naar de positie waar u het midden van de radar wilt plaatsen
3. Bevestig de instelling door op de knop Offset opslaan te drukken, rechtsonder in het
paneel.
Ware beweging
Bij Ware beweging (True motion) bewegen uw boot en bewegende doelen zich over het
radarscherm terwijl u vaart. Alle stilstaande objecten blijven op een vaste positie. Als het
vaartuig symbool de rand van het scherm bereikt, wordt het radarbeeld opnieuw getekend,
met het vaartuig symbool in het midden van het scherm.
Als Ware beweging geselecteerd is, is het menu uitgebreid met een optie om de ware
beweging te resetten. Hiermee kunt u het radarbeeld handmatig resetten en het vaartuig
symbool weer in het midden van het scherm plaatsen.
EBL/VRM-markering
Met de elektronische peillijn (EBL) en de variabele afstandsmarkering (VRM) kunnen snel
afstandsmetingen en peilingen worden gedaan naar vaartuigen en landmassa's binnen
radarbereik. Op het radarbeeld kunnen twee verschillende EBL/VRM's geplaatst worden.
De EBL/VRM's worden standaard gepositioneerd vanuit het midden van het vaartuig. Het is
echter mogelijk het referentiepunt te verschuiven naar een andere geselecteerde positie op
het radarbeeld.
74
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Na plaatsing kunt u de EBL/VRM snel aan- of uitzetten door de relevante markeringen op de
databalk te selecteren, of de markering te deselecteren in het menu.
Een EBL/VRM-markering definiëren
1. Zorg dat de cursor niet actief is
2. Activeer het menu, druk op EBL/VRM en vervolgens op EBL/VRM 1 of EBL/VRM 2
- De EBL/VRM bevindt zich nu op het radarbeeld
3. Selecteer de aanpassingsoptie in het menu als u de positie van de markering wilt wijzigen
en pas vervolgens de markering aan door deze naar de gewenste positie op het
radarbeeld te slepen
4. Kies Opslaan om uw instellingen op te slaan
EBL/VRM markeringen plaatsen m.b.v. de cursor
1. Plaats de cursor op het het radarbeeld.
2. Activeer het menu.
3. Selecteer een van de EBL/VRM markeringen.
- De EBL lijn en de VRM cirkel worden aan de hand van de cursorpositie gepositioneerd.
EBL-/VRM-markering verplaatsen
1. Zorg dat de cursor niet actief is
2. Activeer het menu, druk op EBL/VRM en selecteer vervolgens de markering die u wilt
verplaatsen
3. Druk op Offset instellen
4. Plaats de cursor in het radarpaneel om de offsetpositie in te stellen
5. Kies Opslaan om uw instellingen op te slaan.
U kunt het EBL/VRM-middelpunt ten opzichte van de vaartuigpositie opnieuw instellen in
het menu.
Een bewakingszone rond uw vaartuig instellen
Een bewakingszone is een gebied (een cirkel of een sector) die u op het radarbeeld kunt
definiëren. Indien geactiveerd, wordt u door een alarm gewaarschuwd wanneer een
radardoel de zone binnenkomt of verlaat.
Een veiligheidszone definiëren
1. Zorg dat de cursor niet actief is
2. Activeer het menu, selecteer Veiligheidszones en selecteer vervolgens een van de
veiligheidszones
3. Selecteer de vorm van de zone
- De aanpassingsopties hangen af van de vorm van de veiligheidszone
4. Selecteer Aanpassen om de instellingen voor de veiligheidszone te definiëren. De
waarden kunnen ingesteld worden in het menu of door te slepen op het radarpaneel.
- A: Peiling, relatief ten opzichte van de vaarrichting van het vaartuig
- B: Diepte
- C: Bereik, relatief ten opzichte van het midden van het vaartuig
- D: Breedte
5. Kies Opslaan om uw instellingen op te slaan.
Na plaatsing kunt u de veiligheidszones in-/uitschakelen doorde relevante sectie op de
gegevensbalk te selecteren.
D
C A
C
B
B
Vorm: sector
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Vorm: cirkel
75
Alarm instellingen
Er wordt een alarm geactiveerd wanneer een radar doel de grens van het veiligheidsgebied
overschrijdt. U kunt selecteren of het alarm wordt geactiveerd wanneer het doel de zone
binnengaat of verlaat.
Gevoeligheid
De gevoeligheid van de veiligheidszone kan worden ingesteld, om alarmen voor kleine
doelen te voorkomen.
MARPA doelen
Als het systeem een koerssensor heeft, kan de MARPA functie (Mini Automatic Radar Plotting
Aid) worden gebruikt om maximaal tien radar doelen te volgen.
U kunt alarmen instellen om u te waarschuwen als een doel te dicht bij komt. Zie "Radar
instellingen" op pagina 77.
De MARPA volgfunctie is een belangrijk hulpmiddel om aanvaringen te voorkomen.
Ú Notitie: MARPA vereist koersdata voor de radar en de NSS evo3.
MARPA-doelsymbolen
Het systeem maakt gebruik van de volgende symbolen voor doelen:
Verkrijgen MARPA-doel. In het algemeen duurt het maximaal 10 volledige
rotaties van de scanner.
Volgen van MARPA-doel, niet bewegend of voor anker.
Volgen van een veilig MARPA-doel met extensielijnen.
Gevaarlijk MARPA-doel
Een doel wordt als gevaarlijk gezien wanneer het de bewakingszone binnengaat
die op het radarpaneel is aangegeven.
Als er binnen een tijdslimiet geen signalen zijn ontvangen, wordt een doel
gedefinieerd als verloren.
Het doelsymbool vertegenwoordigt de laatste geldige positie van het doel
voordat de gegevensontvangst verloren ging.
Geselecteerd MARPA-doel, geactiveerd door de cursor op het doelpictogram te
plaatsen.
Zodra de cursor wordt verwijderd, keert het doel terug naar het
standaarddoelsymbool.
MARPA-doelen volgen
1. Plaats de cursor op het doel op het radarbeeld
2. Selecteer Doelen verkrijgen in het menu
3. Herhaal het proces als u nog meer doelen wilt volgen
Als uw doelen geïdentificeerd zijn, kunnen er tot 10 radar-sweeps nodig zijn om het doel te
verkrijgen en dan te volgen.
Volgen van MARPA-doelen annuleren
Als doelen gevolgd worden, wordt het radarmenu uitgebreid met opties voor het annuleren
van individuele doelen of het stoppen van de volgfunctie.
Stop het volgen van individuele doelen door het doelpictogram te selecteren voordat u het
menu activeert.
76
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
MARPA-doelinformatie weergeven
Als de pop-up is geactiveerd, kunt u een MARPA-doel selecteren voor weergave van
basisinformatie over het doel. Informatie over de dichtstbijzijnde 3 MARPA-doelen bij het
vaartuig wordt ook in de databalk getoond.
Als een doel is geselecteerd, kan gedetailleerde informatie over het doel getoond worden via
het menu.
U kunt informatie over alle MARPA-doelen laten tonen via de optie Vaartuigen op de Home
pagina.
MARPA-alarminstellingen
U kunt de volgende MARPA-alarmen instellen:
• MARPA-doel verloren
Bepaalt of er een alarm geactiveerd zal worden als een MARPA-doel verloren is.
• MARPA niet beschikbaar
Bepaalt of er een alarm geactiveerd is als u niet de vereiste invoer hebt om MARPA te
laten werken (geldige GPS-positie en koerssensor aangesloten op de radarserver).
Radargegevens opnemen
U kunt radargegevens opnemen en het bestand intern opslaan in de NSS evo3-unit of op
een geheugenkaart die in kaartlezer van de unit is geplaatst.
Een opgenomen radarbestand kan gebruikt worden om een voorval of een operationele fout
te documenteren. Een gelogd radarbestand kan ook gebruikt worden door de simulator.
Als er meer dan één radar beschikbaar is, kunt u selecteren welke bron u wilt opnemen.
Radarinstellingen
Radarsymbolen
U kunt selecteren welke optionele radaronderdelen u collectief wilt in-/uitschakelen in het
radarmenu. Raadpleeg de afbeelding van het radarpaneel.
Peilingen
Hiermee kunt u selecteren of de radarpeiling gemeten moet worden in verhouding tot waar/
magnetisch noorden (°T/°M) of tot uw relatieve vaarrichting (°R).
Databalk
Hiermee schakelt u de databalk van de radar in/uit. Raadpleeg de afbeelding van het
radarpaneel.
De databalk kan maximaal 3 doelen tonen, waarbij de gevaarlijkste doelen bovenaan staan. U
kunt kiezen voor weergave van MARPA-doelen bovenaan, vóór eventuele AIS-doelen, zelfs
als de AIS-doelen dichter bij uw vaartuig liggen.
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
77
MARPA-instellingen
U kunt de lengte van het MARPA-spoor definiëren. Dit maakt het makkelijker om de
beweging van het doel te volgen.
Er kan een cirkel worden getrokken rondom het vaartuig om een gevarenzone aan te duiden.
De radius van de cirkel komt overeen met het dichtstbijzijnde naderingspunt dat is ingesteld
in het dialoogvenster Gevaarlijke vaartuigen. Raadpleeg "Gevaarlijke vaartuigen definiëren" op pagina
108. Als een vaartuig uw veilige zone binnengaat, gaat er een alarm af.
Installatie
De optie Installatie wordt gebruikt voor de radarinstallatie. Dit wordt in de afzonderlijke radarof NSS evo3-installatiehandleiding beschreven.
78
Radar | NSS evo3 Gebruikershandleiding
10
Echosounder
De functieEchosounder biedt een weergave van het water en de bodem onder uw vaartuig
waardoor u vis kunt detecteren en de structuur van de zeebodem kunt bestuderen.
De unit is voorzien van CHRIP, Broadband, StructureScan, TotalScan en ForwardScan
Echosounder.
Het Echosounder-beeld
1
Diepte
2
Temperatuur
3
Frequentie/zoom
4
Gain-/kleuraanpassingspictogrammen
5
Visbogen
6
Hoog en laag bereik
7
A-scope*
8
Temperatuurgrafiek*
9
Zoombalken*
10
Bereikschaal
11
Dieptelijn*
12
Bodem
* Optionele Echosounder-items.
Ú Notitie: U kunt de optionele echosounderitems individueel in-/uitschakelen. Zie "Opties
echosounderweergave" op pagina 85.
Meervoudige Echosounder
U kunt de bron van de Echosounder voor het beeld opgeven in het Echosounder-paneel. U
kunt twee bronnen tegelijkertijd weergeven middels een gesplitst paneel. Voor meer
informatie over het selecteren van de bron voor een paneel raadpleegt u "Bron" op pagina
82.
Echosounder | NSS evo3 Gebruikershandleiding
79
Het beeld zoomen
U kunt het beeld zoomen door:
• aan de draaiknop te draaien
• de zoompictogrammen op het paneel te gebruiken
• uw vingers samen te knijpen of te spreiden op het scherm
Het zoomniveau wordt linksboven op het beeld getoond.
Als u inzoomt, wordt de zeebodem onder aan het scherm gehouden, ongeacht of dit binnen
het auto-bereik of het handmatig bereik valt.
Als het bereik aanmerkelijk lager is ingesteld dan de werkelijke diepte, is de unit niet in staat
tijdens het zoomen de bodem te vinden.
Als de cursor actief is, zoomt de unit in op de cursorpositie.
Zoombalk
De zoombalk wordt getoond als u het beeld zoomt.
Versleep de zoombalk verticaal om verschillende delen van de waterkolom weer te geven.
Gebruik van de cursor op het beeld
De cursor kan worden gebruikt om een afstand tot een doel te meten, om een positie te
markeren en om doelen te selecteren.
De cursor wordt niet standaard getoond op het beeld.
Als u de cursor op het beeld plaatst, pauzeert het scherm, wordt de diepte op de
cursorpositie getoond en worden het informatievenster en de historiebalk geactiveerd.
Om de cursor en de cursorelementen van het paneel te verwijderen, selecteert u Cursor
wissen of drukt u op de toets X.
Ga naar cursor
U kunt naar een geselecteerde positie op het beeld navigeren, door de cursor op het paneel
te plaatsen en vervolgens de optie Ga naar cursor in het menu te selecteren.
De cursorondersteuningsfunctie
Ú Notitie: Cursorondersteuning is beschikbaar wanneer deze functie is ingeschakeld. Zie
"De lange druk configureren" op pagina 20.
Met de cursorondersteuningsfunctie kunt u de cursor nauwkeurig gebruiken en plaatsen
zonder gegevens met uw vinger te bedekken.
Activeer de cursor op het paneel en houd uw vinger vervolgens ingedrukt op het scherm om
het cursorsymbool te veranderen in een selectiecirkel, die boven uw vinger verschijnt.
Sleep de selectiecirkel zonder uw vinger van het scherm te halen naar de gewenste positie.
Als u uw vinger van het scherm haalt, keert de cursor terug naar de gewone cursorfunctie.
Afstand meten
De cursor kan worden gebruikt om de afstand te meten tussen twee meetpunten op het
beeld.
1. Plaats de cursor op het punt van waaraf u de afstand wilt meten
2. Start de meetfunctie in het menu
3. Plaats de cursor op het tweede meetpunt
- Tussen de meetpunten wordt een lijn getrokken, en de afstand wordt weergegeven in
het informatiepaneel van de cursor
4. Indien nodig kunt u nu meer meetpunten kiezen
Zolang de meetfunctie actief is, kunt u het start- en eindpunt steeds opnieuw bepalen via
het menu.
Selecteer Meten beëindigen of druk op de X-knop om het beeld weer op de normale
manier te laten scrollen.
80
Echosounder | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Waypoints opslaan
U kunt een waypoint op een geselecteerde locatie opslaan door de cursor op het paneel te
positioneren en vervolgens een van de volgende handelingen uit te voeren:
• Druk op de draaiknop
• Druk op de knop Markeren
• Gebruik de optie Nieuwe waypoint in het menu
Historie weergeven
Als de cursor op het paneel Echosounder wordt getoond, wordt de schuifbalk boven aan het
paneel getoond. De schuifbalk toont het beeld dat u op dat moment bekijkt ten opzichte
van de gehele opgeslagen Echosounder-beeldhistorie.
Als de schuifbalk helemaal rechts staat, geeft dat aan dat u de meest recente echo's bekijkt.
Als u de cursor naar de linkerkant van het scherm verplaatst, schuift de historiebalk naar links.
Het automatisch scrollen als er nieuwe echo's worden ontvangen, wordt uitgeschakeld.
U kunt de echosounderhistorie weergeven door het beeld te pannen.
Om terug te gaan naar normaal scrollen, selecteert u Cursor wissen of drukt u op de toets
X.
Het beeld instellen
Gebruik de menu-opties van Echosounder om het beeld in te stellen. Als de cursor actief is,
worden sommige opties in het Echosounder-menu vervangen door functies in de
cursormodus. Selecteer Cursor wissen om terug te gaan naar het normale Echosoundermenu.
Bereik
De bereikinstelling bepaalt de waterdiepte die zichtbaar is op het scherm.
Frequentie
De unit ondersteunt meerdere transducerfrequenties. Beschikbare frequenties hangen af van
het model van de aangesloten transducer.
U kunt twee frequenties tegelijk bekijken door op de Home pagina te kiezen voor dubbele
Echosounder-panelen.
De frequentie is de 'toon' die de transducer uitzendt. De transducers zijn ontworpen om met
meerdere frequenties te werken, omdat deze frequenties hun eigen voordelen hebben.
• Lage frequenties, bijvoorbeeld 50 kHz, gaan diep. Ze genereren een brede kegel, maar zijn
iets gevoeliger voor ruis. Ze zijn geschikt voor bodemonderscheiding en het doorzoeken
van een groot gebied.
Echosounder | NSS evo3 Gebruikershandleiding
81
• Met hoge frequenties, bijvoorbeeld 200 kHz, is meer te onderscheiden. Ze zijn minder
gevoelig voor ruis. Ze zijn geschikt om doelen te onderscheiden en voor vaartuigen met
een hogere snelheid.
Instellingen voor kleur en versterking
U kunt de beeldinstellingen ook aanpassen in het Echosounder-menu.
Gain
Met de gain (versterking) bepaalt u de gevoeligheid van Echosounder.
Hoe meer u de gain verhoogt, hoe meer details er op het beeld worden getoond. Een
hogere gain-instelling kan echter meer achtergrondecho's op het beeld veroorzaken. Als de
gain te laag wordt ingesteld, worden zwakke echo's mogelijk niet weergegeven.
Auto gain
De optie Auto gain houdt de gevoeligheid op een niveau dat in het algemeen het beste
werkt.
Met de gain op automodus, kunt u een positieve of negatieve offset instellen voor de
automatische gain.
Kleur
Sterke en zwakke echosignalen hebben verschillende kleuren om de verschillende
signaalsterktes aan te geven. De kleuren die gebruikt worden zijn afhankelijk van het palet
dat u selecteert.
Hoe meer u de kleurinstelling verhoogt, hoe meer echo's er getoond worden in de kleur aan
het sterkste uiteinde van de schaal.
Structuuropties
Wanneer een StructureScan-bron is aangesloten op uw systeem, kunt u een DownScanbeeld weergeven als overlay op het normale echobeeld.
Opties voor het DownScan-beeld. Deze menu-optie is beschikbaar als Overlay DownScan
is geselecteerd in het dialoogvenster Echo-instellingen. For more information see "Echosounderinstellingen" op pagina 86.
Bron
Druk hierop om in het geselecteerde paneel de bron voor het beeld op te geven.
U kunt twee bronnen tegelijkertijd weergeven middels een gesplitst paneel. De menu-items
voor elk paneel werken onafhankelijk van elkaar.
De bron kan de interne Echosounder, een ander MFD in het Ethernet- netwerk of een
module van Echosounder zijn. Raadpleeg de installatiehandleiding van NSS evo3 voor meer
informatie over het definiëren van bronnen.
Ú Notitie: Bij gebruik van twee transducers op hetzelfde frequentiebereik kan er
interferentie ontstaan tussen de twee transducers en worden deze in het beeld mogelijk
weergegeven als verticale lijnen. U kunt dit voorkomen door een transducer in te stellen
op een frequentiebereik (bijvoorbeeld Medium CHIRP) en de andere transducer op een
ander frequentiebereik (bijvoorbeeld High CHIRP) met de menuoptie Frequentie.
Het beeld pauzeren
U kunt het beeld pauzeren, zodat u het goed kunt bekijken.
Deze functie is handig als u een waypoint precies op het beeld moet positioneren en als u de
cursor gebruikt om de afstand tussen 2 elementen op het beeld te meten.
Met de pauzefunctie stopt de Echosounder met het pingen van de transducer. Het systeem
verzamelt geen Echosounder-gegevens als het beeld op deze manier wordt gepauzeerd.
Geavanceerde opties
De optie Geavanceerd is alleen beschikbaar als de cursor niet actief is.
82
Echosounder | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Ruisonderdrukking
Signaalinterferentie van lenspompen, motortrillingen en luchtbellen kunnen echo's
veroorzaken op het beeld.
De optie ruisonderdrukking filtert de signaalstoring en vermindert de echo's op het scherm.
TVG
De weergave nabij het oppervlak kan vertroebeld raken door golfbewegingen en kielzog van
de boot. De optie TVG (Time Variable Gain) reduceert oppervlakte-echo's door de
gevoeligheid van de ontvanger in de buurt van de oppervlakte te verminderen.
Ú Notitie: Voor een optimaal beeld en helderheid onder de meeste omstandigheden is de
standaardwaarde ingesteld op de maximale waarde 3 (het bereik is 0-3).
Verschuifsnelheid
U kunt de scrolsnelheid van het beeld op het scherm selecteren. Bij een hoge scrolsnelheid
wordt het beeld snel bijgewerkt, terwijl een lage scrolsnelheid een langere historie
presenteert.
Ú Notitie: In bepaalde omstandigheden moet u de scrolsnelheid wellicht aanpassen voor
een bruikbaarder beeld. U kunt de scrolsnelheid van het beeld bijvoorbeeld verhogen als
u verticaal vist zonder verplaatsing.
Pingsnelheid
De pingsnelheid bepaalt de snelheid waarmee de transducer het signaal in het water
verzendt. De pingsnelheid is standaard ingesteld op max. Mogelijk moet de pingsnelheid
worden gewijzigd om storing te beperken of om deze aan te passen aan specifieke
viscondities.
Opname van loggegevens starten
U kunt de opname van loggegevens starten en het bestand intern opslaan in de unit, of op
een kaart die in de kaartlezer van de unit is geplaatst.
U kunt de opnamefunctie activeren via de menu-optie Geavanceerd .
Wanneer de gegevens worden opgenomen, knippert er in de linkerbovenhoek een rood
symbool en verschijnt er regelmatig een bericht onder in het scherm.
Bestandsnaam
Geef de opname (log) een naam.
Bestandsformaat
Selecteer een bestandsindeling in de vervolgkeuzelijst: slg (alleen Echosounder), xtf (alleen
Structure*), sl2 (Echosounder en Structure) of sl3 (inclusief StructureScan 3D).
Echosounder | NSS evo3 Gebruikershandleiding
83
Ú Notitie: Het xtf-formaat kan alleen gebruikt worden met bepaalde Echosounderweergavehulpmiddelen van derden.
Opslaan in
Select of de opname intern opgeslagen moet worden, of op een geheugenkaart in de
kaartlezer.
Bytes per peiling
Selecteer hoeveel bytes per seconde gebruikt moeten worden bij het opslaan van het
logbestand. Meer bytes geven een betere resolutie, maar zorgen dat het bestand groter
wordt in vergelijking met het gebruik van een lagere byte-instelling.
StructureMap aanmaken
Als StructureScan beschikbaar is op het netwerk, kunt u de .sl2 logs converteren naar
StructureMap-indeling (.smf) als de opname klaar is. Het logbestand kan ook geconverteerd
worden naar StructureMap-indeling via de optie Bestanden.
Uploaden naar Insight Genesis
Als de opname klaar is, worden de bestanden verzonden naar Insight Genesis als u bent
verbonden met een draadloze hotspot. Raadpleeg "Draadloze verbinding" op pagina 100 voor
informatie over draadloze hotspots.
Privacy
Als uw geselecteerde Insight Genesis-account dit toestaat, kunt u de opgenomen
logbestanden instellen als Privé of Openbaar in Insight Genesis.
Resterende tijd
Toont de resterende toegewezen tijd die beschikbaar is voor opnamen.
Opname van loggegevens stoppen
Selecteer Stop in het dialoogvenster Sonarlog opnemen om de opname van alle
echosoundergegevens te stoppen.
Ú Notitie: Als u de optie Uploaden naar Insight Genesis hebt geselecteerd en bent
verbonden met een draadloze hotspot, worden uw opgenomen bestanden verzonden
naar Insight Genesis, waar u Stop kunt selecteren.
De vastgelegde echogegevens weergeven
U kunt zowel intern als extern opgeslagen echogegevens bekijken als de optie Sonarlog
weergeven is geselecteerd in het dialoogvenster Echo-instellingen. Raadpleeg
"Echosounderinstellingen" op pagina 86.
Het logbestand wordt getoond als een gepauzeerd beeld. U regelt het scrollen en de
weergave vanuit de menu-optie Nogmaals afspelen.
84
Echosounder | NSS evo3 Gebruikershandleiding
U kunt de cursor gebruiken op het beeld dat nogmaals wordt afgespeeld, en het beeld
pannen als een normaal echobeeld.
Als er meer dan één kanaal is opgenomen in het geselecteerde echobestand, kunt u
selecteren welk kanaal u wilt weergeven.
U kunt de modus Nogmaals afspelen afsluiten door op de knop X te drukken of door het
symbool X te selecteren in de rechterbovenhoek van het beeld dat nogmaals wordt
afgespeeld.
Opties echosounderweergave
Opties voor gesplitst scherm
Zoomen
De Zoom-modus presenteert aan de linkerkant van het paneel een vergrote weergave van
het echobeeld.
Standaard staat het zoomniveau op 2x. U kunt kiezen voor maximaal 8x zoomen in het
vervolgkeuzemenu, via de knoppen +/-, of de zoomknoppen (+ of -).
De zoom-balken voor het bereik aan de rechterkant van het display tonen het vergrote
bereik. Als u de zoomfactor vergroot, wordt het bereik verkleind. U ziet dit als een verkleinde
afstand tussen de zoombalken.
Bodemvergrendeling
De bodemvergrendelingsmodus is handig als u echo's dicht bij de bodem wilt weergeven. In
deze modus toont de linkerkant van het paneel een beeld waar de bodem vlakker wordt. De
bereikschaal wordt veranderd zodat deze vanaf de zeebodem (0) naar boven meet. De
bodem en de nullijn worden altijd op het linkerpaneel getoond, ongeacht de bereikschaal.
De schaalfactor voor het beeld aan de linkerkant van het paneel wordt ingesteld zoals
beschreven voor de zoom-optie.
Paletten
U kunt kiezen uit verschillende displaypaletten die zijn geoptimaliseerd voor een
verscheidenheid aan viscondities.
Temperatuur grafiek
De temperatuur grafiek wordt gebruikt om veranderingen in de watertemperatuur te
illustreren.
Indien ingeschakeld, worden een gekleurde lijn en temperatuurwaarden op het beeld van de
Echosounder weergegeven.
Dieptelijn
Er kan een dieptelijn op het bodemoppervlak worden weergegeven, zodat de bodem
gemakkelijker van vis en structuren te onderscheiden is.
A-scope
De A-scope is een weergave van de realtime echo's die op het paneel verschijnen. De sterkte
van de werkelijke echo wordt aangegeven door de breedte en kleurintensiteit.
Zoombalken
De zoombalken tonen het bereik dat wordt vergroot op een gesplitst paneel met
zoomweergaven.
De zoombalken voor het bereik aan de rechterkant van het display tonen het vergrote bereik
dat aan de linkerkant wordt getoond. Als u de zoomfactor vergroot, wordt het bereik
verkleind. U ziet dit als een verkleinde afstand tussen de zoombalken.
U kunt de zoombalken aan de rechterkant omhoog of omlaag bewegen, zodat het beeld aan
de linkerkant verschillende diepten van de waterkolom toont.
Echosounder | NSS evo3 Gebruikershandleiding
85
Vis aanduiding
U kunt de manier selecteren waarop de echo's op het beeld moeten verschijnen. U kunt
bovendien aangeven of u een waarschuwing wilt krijgen als er een visaanduiding verschijnt
op het paneel.
Traditionele visecho's
Vissymbolen
Vissymbolen en diepte-indicatie
Ú Notitie: Niet alle vissymbolen zijn ook echt vissen.
Echosounder-instellingen
Interne Echosounder
Druk hierop om de interne Echosounder beschikbaar te maken voor selectie in het
Echosounder-menu. Voor meer informatie over het selecteren van de paneelbron raadpleegt
u de Bedieningshandleiding.
Wanneer dit is uitgeschakeld, wordt de interne Echosounder in de unit uitgeschakeld. Deze
wordt niet weergegeven als Echosounder-bron voor een unit in het netwerk. Selecteer deze
optie op een unit zonder transducer.
Netwerk Echosounder
U kunt de Echosounder-beelden van deze unit delen met andere units die zijn verbonden
met het Ethernet-netwerk.
Raadpleeg voor informatie over het instellen van Echosounder de aparte
Installatiehandleiding van NSS evo3.
Overlay DownScan
Wanneer een DownScan-bron is aangesloten op uw systeem, kunt u DownScan-beelden
weergeven als overlay op het normale Echosounder-beeld.
Wanneer Echosounder-menu is geactiveerd, wordt het aangevuld met een aantal basisopties
voor DownScan.
Echosounder-log weergeven
Wordt gebruikt om Echosounder-opnamen weer te geven. Het logbestand wordt getoond
als een gepauzeerd beeld. U regelt het scrollen en de weergave vanuit het menu.
86
Echosounder | NSS evo3 Gebruikershandleiding
U kunt de cursor op het beeld gebruiken, afstanden meten en weergaveopties instellen zoals
op een live Echosounder-beeld. Als er meer dan één kanaal is opgenomen in het
geselecteerde Echosounder-bestand, kunt u selecteren welk kanaal u wilt weergeven.
U kunt de weergavefunctie afsluiten door de X in de rechterbovenhoek te selecteren.
Structure diepte offset
Instelling voor structuurtransducers.
Alle transducers meten de waterdiepte van de transducer tot de bodem. Daardoor zijn de
gemeten waterdiepten exclusief de afstand tussen de transducer en het laagste punt van de
boot in het water of de afstand van de transducer tot het wateroppervlak.
Doe het volgende om de diepte vanaf het laagtepunt van de boot tot aan de bodem weer te
gegeven. Voordat u de structuur-offset instelt, meet u de afstand vanaf de
structuurtransducer tot aan het laagste punt van de boot in het water. Als die afstand
bijvoorbeeld 0,3 m (1 ft) is, dan wordt de invoer (minus) -0,3 m (-1 ft).
Doe het volgende om de diepte vanaf het wateroppervlak tot aan de bodem weer te
gegeven. Voordat u de structuur-offset instelt, meet u de afstand vanaf de
structuurtransducer tot het wateroppervlak. Als die afstand bijvoorbeeld 0,3 m (1 ft) is, wordt
de invoer (plus ) 0,3 m (1 ft).
Bij een instelling van 0 (nul) wordt de diepte weergegeven als de afstand vanaf de transducer
tot aan de bodem.
Installatie
Wordt gebruikt om te definiëren welke Echosounder-bronnen beschikbaar zijn om te
selecteren in de menu-optie Bron. Raadpleeg voor informatie over het definiëren van
bronnen de afzonderlijke installatiehandleiding van NSS evo3. Voor informatie over het
selecteren van de bron raadpleegt u "Bron" op pagina 82.
Installatie ForwardScan
Voor het installeren en instellen van ForwardScan. Ga naar "Installatie ForwardScan" op pagina
97.
Echosounder | NSS evo3 Gebruikershandleiding
87
11
StructureScan
StructureScan gebruikt hoge frequenties om een fotoachtig beeld met hoge resolutie van de
zeebodem te maken.
De unit heeft een ingebouwde StructureScan.
Ú Notitie: Er dient een StructureScan HD-, TotalScan- of StructureScan 3D-transducer
geïnstalleerd te zijn om de StructureScan-functies te kunnen gebruiken.
Ú Notitie: Sluit StructureScan-transducers alleen aan op de Sonar2-poort.
Het StructureScan beeld
De weergave
Het paneel StructureScan kan worden ingesteld als DownScan-beeld of als links/rechtsscanner.
Het DownScan-beeld kan ook worden toegevoegd als overlay over het traditionele
Echosounder-beeld.
1
Diepte
Ú Notitie: De dieptemeting is afhankelijk van de instelling van Structure
diepte offset. Zie voor meer informatie "Structure diepte offset" op pagina 87
2
Temperatuur
3
Frequentie
4
Bodem
5
Zoompictogrammen (DownScan) / Bereikpictogrammen (SideScan)
6
Bereikschaal
Het StructureScan-beeld zoomen
U kunt een StructureScan-beeld zoomen door:
• aan de draaiknop te draaien als de cursor niet actief is
• de zoompictogrammen op het paneel te gebruiken
• uw vingers samen te knijpen of te spreiden op het scherm
Het zoomniveau wordt linksboven op het paneel getoond.
88
StructureScan | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Gebruik van de cursor op het paneel StructureScan
De cursor wordt standaard niet getoond op het StructureScan-beeld.
Als u de cursor op het beeld plaatst, pauzeert het scherm, wordt de diepte op de
cursorpositie getoond en worden het cursorinformatievenster en de historiebalk geactiveerd.
Op een DownScan-beeld wordt de diepte op de cursorpositie getoond.
Als u de cursor op een SideScan-beeld plaatst, pauzeert het scherm en wordt het
cursorinformatievenster geactiveerd. Op een SideScan-beeld wordt de afstand links/rechts
van het vaartuig tot de cursor op de cursorpositie getoond.
Ga naar cursor
U kunt naar een geselecteerde positie op het beeld navigeren, door de cursor op het paneel
te plaatsen en vervolgens de optie Ga naar cursor in het menu te selecteren.
De cursorondersteuningsfunctie
Ú Notitie: Cursorondersteuning is beschikbaar wanneer deze functie is ingeschakeld. Zie
"De lange druk configureren" op pagina 20.
Met de cursorondersteuningsfunctie kunt u de cursor nauwkeurig gebruiken en plaatsen
zonder gegevens met uw vinger te bedekken.
Activeer de cursor op het paneel en houd uw vinger vervolgens ingedrukt op het scherm om
het cursorsymbool te veranderen in een selectiecirkel, die boven uw vinger verschijnt.
Sleep de selectiecirkel zonder uw vinger van het scherm te halen naar de gewenste positie.
Als u uw vinger van het scherm haalt, keert de cursor terug naar de gewone cursorfunctie.
Afstand meten
De cursor kan worden gebruikt om de afstand te meten tussen twee meetpunten op het
beeld.
1. Plaats de cursor op het punt van waaraf u de afstand wilt meten
2. Start de meetfunctie in het menu
3. Plaats de cursor op het tweede meetpunt
- Tussen de meetpunten wordt een lijn getrokken, en de afstand wordt weergegeven in
het informatiepaneel van de cursor
4. Indien nodig kunt u nu meer meetpunten kiezen
Zolang de meetfunctie actief is, kunt u het start- en eindpunt steeds opnieuw bepalen via
het menu.
Selecteer Meten beëindigen of druk op de X-knop om het beeld weer op de normale
manier te laten scrollen.
Waypoints opslaan
U kunt een waypoint op een geselecteerde locatie opslaan door de cursor op het paneel te
positioneren en vervolgens een van de volgende handelingen uit te voeren:
• Druk op de draaiknop
• Druk op de knop Markeren
• Gebruik de optie Nieuwe waypoint in het menu
StructureScan | NSS evo3 Gebruikershandleiding
89
StructureScan-historie weergeven
Als de cursor actief is op een Structure Scan-paneel, wordt de schuifbalk op het paneel
getoond. De schuifbalk toont het beeld dat u op dat moment bekijkt ten opzichte van de
opgeslagen StructureScan-beeldhistorie. Afhankelijk van de geselecteerde weergaven,
bevindt de schuifbalk zich helemaal rechts (SideScan) of boven aan het scherm (DownScan).
U kunt de beeldhistorie pannen door uw vinger over het scherm omhoog/omlaag te
bewegen (SideScan) of links/rechts (DownScan).
Om terug te gaan naar normaal StructureScan scrollen, drukt u op Cursor wissen.
Het StructureScan-beeld instellen
Bereik
De bereikinstelling bepaalt de waterdiepte en het SideScan-bereik dat zichtbaar is op het
scherm.
Auto-bereik
Wanneer het bereik is ingesteld op Auto, stelt het systeem het bereik automatisch in
afhankelijk van de waterdiepte.
Vooraf ingestelde bereikniveaus
U kunt kiezen tussen verschillende vooraf ingestelde bereikniveaus.
Aangepast range
Met deze optie kunt u de boven- en ondergrens handmatig instellen.
StructureScan frequenties
StructureScan ondersteunt twee frequenties. 455 kHz geeft in de meeste situaties een ideaal
bereik en beeldkwaliteit, terwijl 800 kHz wordt gebruikt voor meer details in ondiep water.
Contrast
Bepaalt de helderheidsverhouding tussen lichte en donkere gebieden op het scherm.
Om de instelling voor contrast aan te passen:
1. Selecteer het pictogram Contrastpictogram of activeer de optie Contrast in het menu om
de kleuraanpassingsbalk weer te geven
2. Sleep de balk of gebruik de draaiknop om de waarde in te stellen.
Paletten
U kunt kiezen uit verschillende displaypaletten die zijn geoptimaliseerd voor een
verscheidenheid aan viscondities.
Bekijken
U kunt de StructureScan-pagina instellen als DownScan-beeld, alleen links, alleen rechts of
als links/rechts-scanner.
Het StructureScan beeld pauzeren
U kunt het StructureScan beeld pauzeren, zodat u structuren en andere beelden
diepgaander en gedetailleerder kunt bestuderen.
90
StructureScan | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Deze functie is handig wanneer u een waypoint precies in het StructureScan beeld wilt
plaatsen en wanneer u de cursor gebruikt om de afstand tussen twee elementen op het
beeld te meten.
Geavanceerde instellingen StructureScan
TVG
De weergave nabij het oppervlak kan vertroebeld raken door golfbewegingen en kielzog van
de boot. De optie TVG (Time Variable Gain) reduceert oppervlakte-echo's door de
gevoeligheid van de ontvanger in de buurt van de oppervlakte te verminderen.
Ú Notitie: Voor een optimaal beeld en helderheid onder de meeste omstandigheden is de
standaardwaarde ingesteld op de maximale waarde 3 (het bereik is 0-3).
Het StructureScan-beeld naar links/rechts omkeren
Indien nodig kunnen de links/rechts-beelden van StructureScan worden omgekeerd zodat
ze overeenkomen met richting van de transducerinstallatie.
Bereiklijnen
Bereiklijnen kunnen aan het beeld worden toegevoegd om het schatten van diepte
(Downscan) en afstand (SideScan) te vergemakkelijken.
StructureScan-gegevens opnemen
U kunt StructureScan-gegevens opnemen en het bestand intern opslaan in de NSS evo3-unit
of op een geheugenkaart, zoals beschreven in "Opname van echosoundergegevens starten" op pagina
83.
StructureScan | NSS evo3 Gebruikershandleiding
91
12
StructureMap
De StructureMap functie projecteert SideScan beelden van een StructureScan bron als
overlay op de kaart. Dit maakt het gemakkelijker om de onderwater omgeving ten opzichte
van uw positie te visualiseren en helpt bij het interpreteren van SideScan beelden.
Het StructureMap-beeld
In het onderstaande voorbeeld ziet u een kaartpaneel met een structuuroverlay,
gecombineerd met een traditioneel SideScan-paneel.
Met een structuuroverlay kunt u net als gewoonlijk over de kaart bewegen door:
• zoom de kaart en het gescande beeld met behulp vande draaiknop, de
zoompictogrammen of door uw vingers samen te knijpen of te spreiden op het scherm
• verplaats de kaart om het gescande beeld weer te geven door het in de gewenste richting
te slepen
Als u op de toets X drukt of de optie Cursor wissen selecteert, wordt de cursor van het
paneel verwijderd en wordt het vaartuig in het midden van de kaart gepositioneerd.
Structuur overlay activeren
1. Schakel de Structuur overlay via het kaart menu in.
- Het kaart menu wordt uitgebreid met Structuur opties
- Er begint Structuur data op het kaartscherm te verschijnen zodra de Structuur overlay
ingeschakeld is.
2. Selecteer de Structuur bron.
- Live data is standaard.
Ú Notitie: Structuur overlay kan ook worden geactiveerd door een opgeslagen
StructureMap bestand via de bestanden browser te selecteren.
StructureMap-bronnen
Er kunnen twee bronnen gebruikt worden om Structure-logs als overlay op de kaarten weer
te geven, maar er kan slechts een tegelijk bekeken worden:
• Live data - wordt gebruikt als er StructureScan -gegevens beschikbaar zijn op het systeem.
• Opgeslagen bestanden - dit zijn opgenomen StructureScan-gegevens (*.sl2) die zijn
geconverteerd naar StructureMap-indeling (*.smf). Zelfs als er geen StructureScanbronnen verbonden zijn, kunnen opgeslagen *.smf-bestanden gebruikt worden.
Live bron
Als live data zijn geselecteerd, wordt de SideScan-beeldhistorie getoond als een spoor achter
het vaartuigpictogram. De lengte van dit spoor hangt af van het beschikbare geheugen in de
unit en de bereikinstellingen. Als het geheugen vol raakt, worden de oudste gegevens
automatisch verwijderd en nieuwe gegevens toegevoegd. Als u het zoekbereik vergroot,
wordt de pingsnelheid van de StructureScan-transducer verlaagd, maar worden de breedte
en lengte van de beeldhistorie verhoogd.
92
StructureMap | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Ú Notitie: In Live-modus worden geen gegevens opgeslagen. Als de unit wordt
uitgeschakeld, worden alle recente gegevens gewist.
Opgeslagen bestanden
Als u Opgeslagen bestanden selecteert, wordt het StructureMap-bestand als overlay op de
kaart getoond, op basis van de positie-informatie in het bestand.
Als de kaartschaal groot is, wordt het StructureMap-gebied afgebakend aangegeven totdat
het bereik groot genoeg is om structuurgegevens weer te geven.
De modus Opgeslagen wordt gebruikt om StructureMap-bestanden te bekijken en te
controleren, en om het vaartuig op specifieke interessante locaties op een eerder gescand
gebied te positioneren.
Ú Notitie: Als opgeslagen bestanden worden gebruikt als bron, worden alle StructureMapbestanden op de geheugenkaart en in het interne systeemgeheugen getoond. Als er
meer dan een StructureMap van hetzelfde gebied bestaat, overlappen de beelden elkaar
en is de kaart minder overzichtelijk. Als er meerdere logs van hetzelfde gebied nodig zijn,
moeten de kaarten op aparte geheugenkaarten worden geplaatst.
Tips voor StructureMap
• Om een goed beeld van hoge structuren (bijv. een wrak) te krijgen, vaart u er niet
overheen, maar stuurt u de boot zo dat de structuur zich aan de linker- of rechterkant van
uw boot bevindt.
• Gebruik Auto bereik niet wanneer u StructureScan gebruikt. Zet het bereik op een
aanzienlijk hogere stand (twee tot driemaal hoger) dan de waterdiepte, om een volledige
scan te verzekeren en de nauwkeurigheid van de conversie te maximaliseren.
• Laat historie sporen niet overlappen wanneer u een dubbelzijdige scan van een gebied
uitvoert.
StructureScan-gegevens opnemen
StructureScan-gegevens kunnen opgenomen worden vanaf een kaartpaneel waarbij
structuuroverlay is ingeschakeld.
De opname van StructureScan-gegevens kan ook gestart worden vanaf een StructureScanpaneel.
Wanneer StructureScan-gegevens worden opgenomen, knippert er een rood symbool en
verschijnt er regelmatig een bericht onder in het scherm.
Ú Notitie: Het bericht bevat informatie over de bestandsgrootte. Houd de omvang van uw
logs onder de 100MB, zodat bestanden sneller geconverteerd kunnen worden.
De opname wordt gestopt als de opnamefunctie opnieuw geselecteerd wordt.
StructureScan-gegevens converteren naar StructureMap-indeling
Een StructureScan-logbestand (.sl2) wordt geconverteerd naar StructureMap-indeling (.smf)
na de opname vanuit het opnamevenster of vanuit de bestandsbrowser.
U kunt bestanden aanmaken met een standaardresolutie of hoge resolutie. In .smfbestanden met een hoge resolutie worden meer details vastgelegd, maar deze duren langer
om te converteren en zijn groter dan bestanden met een standaardresolutie.
Om schijfruimte te besparen wordt aangeraden om de StructureScan-bestanden (.sl2) na het
converteren te verwijderen.
Gebruik van StructureMap met cartografie kaarten
StructureMap biedt de mogelijkheid alle kaartfuncties te benutten en kan worden gebruikt
met interne cartografie en Navionics, Insight en cartografie van andere merken die
compatibel is met het systeem.
Wanneer u StructureMap in combinatie met cartografie kaarten (cards) gebruikt, kopieert u
de StructureMap (.smf ) bestanden naar het interne geheugen van het apparaat. Wij
adviseren kopieën van de StructureMap bestanden op afzonderlijke cartografie kaarten te
bewaren.
StructureMap | NSS evo3 Gebruikershandleiding
93
Structuuropties
U kunt de StructureMap-instellingen aanpassen in het menu Structuuropties. Het menu is
beschikbaar als Structuuroverlay is ingeschakeld.
Niet alle opties zijn beschikbaar als opgeslagen StructureMap-bestanden worden gebruikt als
bron. Niet-beschikbare opties worden grijs weergegeven.
Bereik
Hiermee stelt u het zoekbereik in.
Transparantie
Hiermee stelt u de doorzichtigheid van de structuuroverlay in. Met minimale transparantie
zullen de kaartdetails vrijwel verborgen zijn door de StructureMap-overlay.
Palet
Selecteert een Structure-palet.
Contrast
Bepaalt de helderheidsverhouding tussen lichte en donkere gebieden op het scherm.
Waterkolom
Toont/verbergt de waterkolom in de Live-modus.
Indien uitgeschakeld, zijn scholen aasvissen mogelijk niet zichtbaar op het SideScan-beeld.
Indien ingeschakeld, kan de nauwkeurigheid van het SideScan-beeld op de kaart beïnvloed
worden door de waterdiepte.
Frequentie
Stelt de transducerfrequentie in die wordt gebruikt door de unit. 800 kHz geeft de beste
resolutie, maar 455 kHz heeft meer dieptewerking en een groter bereik.
Ruisonderdrukking
Signaalstoringen van lenspompen, motortrillingen en luchtbellen kunnen ruis op het
fishfinder scherm veroorzaken. De ruisonderdrukking optie filter de signaalstoringen uit en
zorgt daardoor voor minder ruis op het scherm.
Live historie wissen
Hiermee worden de bestaande live historiegegevens van het scherm gewist en worden
alleen de meest recent gegevens getoond.
Gegevens opnemen
Hiermee worden StructureScan-gegevens opgenomen.
Bron
Selecteert de StructureMap-bron.
94
StructureMap | NSS evo3 Gebruikershandleiding
13
ForwardScan
ForwardScan-sonar is een navigatiehulpmiddel waarmee u de onderwateromgeving vóór
uw vaartuig kunt weergeven terwijl u manoeuvres op lage snelheid uitvoert.
U kunt de functie ForwardScan alleen gebruiken als er een ForwardScan-transducer op uw
vaartuig is bevestigd. Raadpleeg voor installatie-instructies de installatiehandleiding van de
ForwardScan-transducer.
De ForwardScan-transducer kan worden verbonden met een SonarHub en gedeeld via het
ethernetnetwerk. U kunt de ForwardScan-transducer ook aansluiten op de Sonar2-poort van
uw NSS evo3-unit, waardoor de sonarpoort beschikbaar blijft voor een CHIRP-transducer.
Ú Notitie: Wanneer een ForwardScan-transducer in gebruik is die is verbonden met de
NSS evo3, worden transducers die zijn verbonden met de Sonar1-poort onderbroken.
Waarschuwing: Vertrouw niet uitsluitend op deze apparatuur als
hoofdbron voor navigatie of het detecteren van gevaren.
Waarschuwing: Gebruik deze apparatuur niet om diepte of andere
omstandigheden voor zwemmen of duiken te meten.
Het ForwardScan-beeld
1
Transducerlocatie weergegeven als de oorsprong op de pagina
2
Diepteschaal en vaartuigpositie
3
Schaal vooruitafstand
4
Puntdata
5
Bodem
6
Dieptehistorie
ForwardScan | NSS evo3 Gebruikershandleiding
95
Het ForwardScan-beeld instellen
Diepte
Regelt het dieptebereik. Het dieptebereik is standaard ingesteld op automodus.
Vooruit afstand
Bepaalt het bereik waarover vooruit gekeken en gezocht kan worden. Het maximale
voorwaartse bereik is 91 meter (300 voet).
Ruisonderdrukking
Filtert signaalinterferentie en vermindert ruis op het scherm.
Vastleggen
Hiermee worden ForwardScan-sonarlogs opgenomen.
Pauze
Hiermee worden Echosounder-vooruittransmissies gepauzeerd.
Weergaveopties ForwardScan
Palet
U kunt kiezen uit een aantal displaypaletten voor diverse wateromstandigheden.
Historieratio
Bepaalt hoeveel Echosounder-historie achter de boot wordt getoond. Hoe hoger de ratio,
hoe meer historie wordt getoond.
Puntdata
ForwardScan geeft standaard alleen de bodem weer. Selecteer de menu-optie Puntdata en
kies voor weergave van: geen sonardatapunten, alle sonardatapunten of alleen punten
(objecten) in de waterkolom.
Zones tonen
Toont waarschuwingszones (geel) en kritieke zones (rood) op het scherm. Raadpleeg "Kritieke
vooruitafstand en Kritieke diepte" op pagina 98.
Dieptelijnen
Toont lijnen op het scherm, waardoor het makkelijker is om snel de diepte en
onderwaterobjecten in te schatten.
Voorl. koers verlenging
Met koersverlenging kunt u ForwardScan weergeven op het kaartpaneel. De kleuren van de
koersverlenging zijn gebaseerd op de alarmwaarden van ForwardScan.
96
ForwardScan | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Verlenging ForwardScan
1
Rood - kritiek
2
Geel - waarschuwing
3
Groen - veilig
Selecteer ForwardScan in het dialoogvenster Kaartinstellingen om de koersverlenging van
ForwardScan op het kaartpaneel te bekijken.
Installatie ForwardScan
Geef de instellingen op in het dialoogvenster Installatie ForwardScan .
ForwardScan | NSS evo3 Gebruikershandleiding
97
Kritieke afstand vooruit en Kritieke diepte
Kritieke afstand vooruit en Kritieke diepte zijn door de gebruiker ingestelde drempelwaarden
waarmee u een kritieke zone vooruit kunt definiëren.
Als u in water vaart dat ondiep genoeg is om in de kritieke zone te belanden, wordt het
alarm Kritieke zone geactiveerd. U kunt de kritieke waarschuwingszones weergeven door de
menuoptie Zones tonen te activeren.
ForwardScan-beeld met geactiveerde weergave van zones
1
Kritieke zone
2
Kritieke zone
De waarden voor Waarschuwing afstand vooruit en Waarschuwing diepte zijn gebaseerd op
de geselecteerde waarden voor Kritieke afstand vooruit en Kritieke diepte.
Ú Notitie: Om waarschuwingen over kritieke zones te krijgen, schakelt u het ForwardScanalarm in het dialoogvenster Alarminstellingen in. Voor meer informatie over het
inschakelen van alarmen raadpleegt u Alarmen.
Transducerhoek
We raden u aan om de transducer verticaal op de waterlijn te installeren. Mocht dit niet
mogelijk zijn, dan kunt u het verschil tussen de transducerhoek en de waterlijn aanpassen via
de instelling Transducerhoek.
De hoek kan worden aangepast van 0 (verticaal) tot 20 graden.
Waarschuwing: Aanpassingen aan de transducerhoek dienen met zorg te
worden uitgevoerd. Grote variaties in de transducerhoek kunnen de
dieptegegevens vervormen, waardoor obstakels onderwater sneller geraakt
kunnen worden.
Diepte-offset
Alle transducers meten de waterdiepte van de transducer tot de bodem. Daardoor tellen de
waterdieptewaarden voor de afstand tussen de transducer en het laagste punt van de boot
(bijvoorbeeld: de onderkant van de kiel, het roer of de scheg) in het water of vanaf de
transducer tot het wateroppervlak niet mee.
Meet voorafgaand aan het instellen van de offset de afstand van de transducer naar het
laagste punt van de boot in het water, of van de transducer naar het wateroppervlak.
98
ForwardScan | NSS evo3 Gebruikershandleiding
B
A
A
Laagste punt van de offset van het vaartuig: stel de afstand in van de transducer tot
het laagste punt van de boot in het water. Dit moet worden ingesteld als een
negatieve waarde. Bijvoorbeeld -0,3 m (-1 ft).
B
Voor de offset van de diepte onder het wateroppervlak (de waterlijn): stel de
afstand van de transducer naar het wateroppervlak in. Dit moet worden ingesteld
als een positieve waarde. Bijvoorbeeld +0,5 m (+1,77 ft).
Zet de offset op 0 voor de diepte onder de transducer.
ForwardScan | NSS evo3 Gebruikershandleiding
99
14
Draadloze verbinding
Met de draadloze connectiviteit van GoFree kunt u:
• Een draadloos apparaat kunt gebruiken om het systeem op afstand te bekijken
(smartphone en tablet) en bedienen (alleen tablet).
• Ga naar de GoFree Shop.
• Uw Echosounder uploaden om aangepaste kaarten aan te maken in Insight Genesis.
• Download software-updates
• Maak verbinding met applicaties van derden
Ú Notitie: Kaarten, software-updates en andere gegevensbestanden kunnen groot zijn.
Uw dataprovider kan u kosten in rekening brengen op basis van de hoeveelheid
gegevens die u overdraagt. Neem bij twijfel contact op met de serviceprovider voor
informatie.
De unit beschikt over ingebouwde functies voor verbinding met het internet en draadloze
apparaten zoals smartphones en tablets.
De initiële configuratie en instellingen van de ingebouwde draadloze functionaliteit staan
beschreven in de installatiehandleiding van uw systeem.
Verbinding met een draadloze hotspot tot stand brengen
en verbreken
Om een verbinding met een draadloze hotspot tot stand te brengen, selecteert u de optie
Draadloos in het dialoogvenster Systeem regelingen en selecteert u Niet verbonden.
Hiermee wordt het dialoogvenster Draadloze apparaten geopend. Selecteer in dit
dialoogvenster de gewenste hotspot selecteren, voer de aanmeldingsgegevens in en
selecteer Verbinden. Als u een verbinding met een draadloze hotspot tot stand brengt,
verandert de draadloze modus in Clientmodus. In deze modus hebt u toegang tot de
GoFree Shop.
Om een verbinding met een draadloze hotspot te verbreken, selecteert u de optie Draadloos
in het dialoogvenster Systeem regelingen, selecteert u Verbonden hotspot_naam en selecteert u
vervolgens Verbreken. Hiermee wordt de draadloze modus gewijzigd in Toegangspunt. In
deze modus kunt u een draadloos apparaat verbinden, zodat apps zoals GoFree Link
toegang krijgen tot de navigatie-informatie van het vaartuig.
GoFree Shop
Het draadloze apparaat moet verbonden zijn met een externe draadloze hotspot om
toegang te hebben tot de GoFree Shop.
In de GoFree Shop kunt u compatibele content voor uw systeem bekijken, aanschaffen en
downloaden, waaronder navigatiekaarten en Insight Genesis-kaarten. Tijdens het inloggen
krijgt u automatisch een melding als er een nieuwe softwareversie beschikbaar is voor uw
systeem. Als een nieuwe update beschikbaar is, kunt u deze downloaden naar een kaartlezer.
U kunt het downloaden ook tot een later moment uitstellen. Als u het downloaden uitstelt,
blijft de melding beschikbaar in het dialoogvenster Info, dat te bereiken is vanuit de
systeeminstellingen.
GoFree Link
Door de draadloze functionaliteit kunt u een draadloos apparaat gebruiken om het systeem
op afstand te bekijken (smartphone en tablet) en bedienen (alleen tablet). U bekijkt en
bedient het systeem vanaf het draadloze apparaat met de GoFree Link-apps die u kunt
downloaden in de betreffende applicatie-store. Als bediening op afstand is geaccepteerd,
wordt de actieve pagina ook weergegeven op het draadloze apparaat.
100
Draadloze verbinding | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Ú Notitie: Als u een smartphone of tablet wilt gebruiken om het systeem te bekijken en te
bedienen moet de draadloze functionaliteit worden losgekoppeld van de draadloze
hotspot (in de modus Toegangspunt).
Ú Notitie: Om veiligheidsredenen kunnen de stuurautomaat- en CZone-functies niet vanaf
een draadloos apparaat worden bediend.
Verbinding maken met een tablet
Installeer de GoFree-app op de tablet voor u deze procedure volgt.
1. Zet de interne draadloze module in de modus Toegangspunt. Selecteer de pagina
Draadloze apparaten in het dialoogvenster Draadloos en selecteer de interne
draadloze module van de unit. Selecteer vervolgens de optie Modus en daarna Intern
toegangspunt.
2. Selecteer een apparaat op de pagina Draadloze apparaten om de netwerksleutel van
dat apparaat te bekijken.
3. Navigeer op de tablet naar de pagina waar u verbinding kunt maken met een draadloos
netwerk en zoek de unit of het GoFree draadloze xxxx netwerk. Kijk op de pagina
Draadloze apparaten om te controleren welk draadloos apparaat met de unit is
verbonden als er meer dan één unit binnen bereik is.
4. Voer de netwerksleutel in op de tablet om verbinding te maken met het netwerk.
5. Open de GoFree-applicatie – de unit wordt automatisch gedetecteerd. De naam die
wordt weergegeven is de standaardnaam of de naam die is ingevoerd bij de instelling
Apparaatnaam. Volg de instructies op het scherm om de unit handmatig te zoeken als
deze niet verschijnt.
6. Selecteer het pictogram van de unit. Deze toont een venster zoals het onderstaande:
7. Selecteer Ja voor een eenmalige verbinding of Altijd als de unit het apparaat moet
onthouden om vaker verbinding te maken. Deze instelling kan indien nodig worden
gewijzigd.
Ú Notitie: De interne draadloze module ondersteunt alleen de GoFree-verbinding naar
zichzelf. Andere units op het netwerk zijn niet zichtbaar.
Verbinding maken met een smartphone
Installeer de GoFree-app op de smartphone voor u deze procedure volgt.
1. Zet de interne draadloze module in de modus Toegangspunt. Selecteer de pagina
Draadloze apparaten in het dialoogvenster Draadloos en selecteer de interne
draadloze module van de unit. Selecteer vervolgens de optie Modus en daarna Intern
toegangspunt.
2. Selecteer een apparaat op de pagina Draadloze apparaten om de netwerksleutel van dat
apparaat te bekijken.
3. Navigeer op de smartphone naar de pagina waar u verbinding kunt maken met een
draadloos netwerk en zoek de unit of het GoFree draadloze xxxx netwerk. Ga naar het
dialoogvenster Draadloos en kijk op de pagina Draadloze apparaten om te controleren
welk draadloos apparaat met de unit is verbonden als er meer dan één unit binnen bereik
is.
4. Voer de netwerksleutel in op de smartphone om verbinding te maken met het netwerk.
5. Open de GoFree-applicatie op de smartphone - de unit wordt automatisch gedetecteerd.
De naam die wordt weergegeven is de standaardnaam of de naam die is ingevoerd bij de
instelling Apparaatnaam. Volg de instructies op het scherm om de unit handmatig te
zoeken als deze niet verschijnt.
De display van de MFD wordt getoond op de smartphone. Gebruik de MFD om de display
van de MFD te wijzigen als u een andere MFD-display op uw smartphone wilt. De wijziging
van de display van de MFD wordt overgenomen op de smartphone.
Draadloze verbinding | NSS evo3 Gebruikershandleiding
101
Logbestanden uploaden naar Insight Genesis
Om een opgenomen Echosounder-logbestand te uploaden naar Insight Genesis, selecteert u
het bestand dat u wilt uploaden op het paneel Bestanden en selecteert u de optie Uploaden
naar Insight Genesis.
Ú Notitie: U moet verbonden zijn met een draadloze hotspot om opgenomen
logbestanden te uploaden naar Insight Genesis.
Ú Notitie: U kunt opgenomen logbestanden ook uploaden naar Insight Genesis als u
Uploaden naar Insight Genesis hebt opgegeven in het dialoogvenster Echo
opnemen. Raadpleeg voor meer informatie "Opname van loggegevens starten" op pagina 83.
Draadloze instellingen
Biedt configuratie- en instellingsopties voor de draadloze functionaliteit.
Raadpleeg voor meer informatie de installatiehandleiding van de NSS evo3.
Verbinden met draadloze hotspot
Toont het dialoogvenster Draadloos apparaat, waar u de draadloze functionaliteit kunt
verbinden met een draadloze hotspot.
Externe bedieningsunits
Als een draadloos apparaat (smartphone of tablet) is verbonden, verschijnt deze in de lijst
Externe bedieningsunits. Selecteer Altijd toestaan als u wilt dat het apparaat automatisch
verbinding maakt zonder iedere keer een wachtwoord nodig te hebben. In dit menu kunt u
ook de verbinding verbreken met apparaten die geen toegang meer nodig hebben.
Draadloze apparaten
In dit dialoogvenster ziet u de interne draadloze (en eventueel verbonden) WIFI-1-apparaten
met hun IP- en kanaalnummer. Als u het interne draadloze (of WIFI-1) apparaat selecteert,
worden aanvullende details weergegeven.
Als u de details (netwerknaam (SSID), netwerksleutel of kanaal) van het interne draadloze
apparaat wilt weergeven en wijzigen, dient het interne draadloze apparaat zich in de modus
Toegangspunt (interne WiFi) te bevinden. Om een netwerk (hotspot) te selecteren voor
verbinding, dient het interne draadloze apparaat zich in de Clientmodus te bevinden.
Gebruik de optie Modus om van modus te veranderen.
102
Draadloze verbinding | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Client-instellingen
Toont informatie over de draadloze hotspot waarmee uw unit verbonden is, of de hotspot
waarmee uw unit het laatste verbonden was. U kunt de hotspot in het dialoogvenster
selecteren om deze in te stellen als hotspot waarmee u altijd verbinding wilt maken als u
binnen het bereik bent. U kunt de hotspot selecteren en verwijderen.
Geavanceerd
Start de hulpmiddelen Iperf en DHCP Probe voor het opsporen van fouten en het instellen
van het draadloze netwerk.
Ú Notitie: Iperf en DHCP Probe zijn hulpmiddelen voor diagnostische doeleinden, bedoeld
voor gebruikers die bekend zijn met de terminologie en configuratie van netwerken.
Navico is niet de ontwikkelaar van deze hulpmiddelen en biedt geen ondersteuning bij
het gebruik.
Draadloze verbinding | NSS evo3 Gebruikershandleiding
103
15
AIS
Als er een compatibele AIS-bron (automatisch identificatiesysteem) is aangesloten op het
systeem, kunnen doelen die deze apparaten detecteren worden weergegeven en gevolgd. U
kunt ook meldingen en posities zien voor DSC-uitzendende apparatuur binnen bereik.
AIS-doelen kunnen worden getoond als overlay op radar- en kaartbeelden. Hierdoor is deze
functie een belangrijke tool voor veilige navigatie en het voorkomen van aanvaringen.
U kunt alarmen zo instellen dat u wordt gewaarschuwd als een AIS-doel te dichtbij komt of
verloren raakt.
AIS-vaartuigen op een kaartpaneel
AIS-vaartuigen op een radarpaneel
Symbolen AIS-doelen
Het systeem maakt gebruik van de volgende symbolen voor AIS-doelen:
Slapend AIS-doel (niet bewegend of voor anker).
Bewegend en veilig AIS-doel met koersverlengingslijn.
Gevaarlijk AIS-doel, aangegeven met vette lijn.
Een doel wordt gedefinieerd als gevaarlijk op basis van de CPA en TCPA
afstandsinstellingen. Raadpleeg "Gevaarlijke vaartuigen definiëren" op pagina 108.
Verloren AIS-doel.
Als er binnen een tijdslimiet geen signalen zijn ontvangen, wordt een doel
als verloren beschouwd.
Het doelsymbool vertegenwoordigt de laatste geldige positie van het doel
voordat de gegevensontvangst verloren ging.
Geselecteerd AIS-doel, geactiveerd door een doelsymbool te selecteren.
Zodra de cursor uit het symbool wordt verwijderd, keert het doel terug naar
het standaarddoelsymbool.
AIS SART (AIS Search And Rescue Transmitter).
Informatie over individuele AIS doelen bekijken
Zoeken naar AIS-items
U kunt naar AIS-doelen zoeken met behulp van de optie Zoeken op het paneel Tools.
U kunt op een kaartpaneel zoeken naar AIS-doelen met behulp van de optie Zoeken in het
menu. Als de cursor actief is, zoekt het systeem naar vaartuigen nabij de cursorpositie. Als de
cursor niet actief is, zoekt het systeem naar vaartuigen nabij de positie van uw vaartuig.
104
AIS | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Informatie over afzonderlijke AIS-doelen weergeven
Als u een AIS-pictogram selecteert op het kaart- of radarpaneel, verandert het symbool in het
symbool van het geselecteerde doel en wordt de naam van het vaartuig getoond.
U kunt gedetailleerde informatie over een doel laten tonen door de pop-up AIS te selecteren,
of in het menu als het doel is geselecteerd.
AIS-informatie op radarpanelen
Op de balk met radargegevens staat informatie over maximaal 3 AIS-doelen.
De doelen worden weergegeven met het dichtstbijzijnde doel bovenaan en met
verschillende kleuren wordt de doelstatus aangeduid.
Een AIS-vaartuig oproepen
Als het systeem over een VHF-radio beschikt die DSC-oproepen (Digital Select Calling) via
NMEA 2000 ondersteunt, kunt u een DSC-oproep naar andere vaartuigen plaatsen vanaf de
NSS evo3.
De oproepoptie is beschikbaar in het dialoogvenster AIS Vaartuig Details en in het
statusdialoogvenster Vaartuig die u op het paneel Tools kunt activeren.
Via het dialoogvenster Oproep kunt u een ander kanaal kiezen of de oproep annuleren. Het
dialoogvenster Oproep wordt gesloten zodra de verbinding tot stand is gebracht.
AIS SART
Wanneer een AIS SART (Search And Rescue beacon, zoek- en reddingsbaken) geactiveerd
wordt, begint het direct zijn positie- en identiteitsgegevens uit te zenden. Deze data wordt
dan door uw AIS apparaat ontvangen.
Als uw AIS ontvanger niet geschikt is voor AIS SART, kan het de ontvangen AIS SART
informatie als een signaal van een standaard AIS zender interpreteren. Er wordt dan wel een
symbool op de kaart geplaatst, maar dit is een AIS vaartuig symbool.
AIS | NSS evo3 Gebruikershandleiding
105
Is uw AIS ontvanger wel compatibel met AIS SART, dan gebeurt het volgende wanneer er AIS
SART data is ontvangen:
• Er word een AIS SART symbool op de kaart geplaatst op de positie die van het AIS SART is
ontvangen
• Er wordt een alarmbericht weergegeven
Als u de sirene ingeschakeld hebt, wordt het alarmbericht gevolgd door een alarmgeluid.
Ú Notitie: Het symbool is groen als de ontvangen AIS SART data een test en geen actief
bericht is.
AIS SART-alarmbericht
Wanneer gegevens worden ontvangen van een AIS SART wordt een alarmbericht getoond.
Dit bericht bevat het unieke MMSI-nummer van de AIS SART, en de positie, afstand en
vaarrichting van de AIS SART ten opzichte van uw vaartuig.
U hebt de volgende opties:
• Het alarm negeren
- Het alarm wordt gedempt en het bericht gesloten. Het alarm verschijnt niet opnieuw
Ú Notitie: Als u het alarm negeert blijft het AIS SART-pictogram zichtbaar op uw kaart, en
de AIS SART blijft in de lijst met vaartuigen staan.
• De waypoint opslaan
- De waypoint wordt opgeslagen in uw lijst met waypoints. De naam van deze waypoint
wordt voorafgegaan door MOB AIS SART - gevolgd door het unieke MMSI-nummer van
de SART. Bijvoorbeeld: MOB AIS SART - 12345678.
• De MOB-functie activeren
- De display schakelt over naar een ingezoomd kaartpaneel, gecentreerd op de positie
van de AIS SART
- Het systeem maakt een actieve route naar de positie van de AIS SART
Ú Notitie: Als de MOB-functie al actief is, wordt deze beëindigd en vervangen door de
nieuwe route naar de positie van de AIS SART!
Ú Notitie: Als de AIS stopt met het ontvangen van het AIS SART-bericht blijft de AIS SART
nog 10 minuten nadat het laatste signaal is ontvangen in de lijst met vaartuigen staan.
Als u het AIS SART-pictogram op het kaartpaneel selecteert, kunt u de details van de AIS MOB
zien.
106
AIS | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Vaartuigalarmen
U kunt verschillende alarmen instellen om u te waarschuwen als er een doel binnen vooraf
gedefinieerde limieten komt, of als een eerder gedefinieerd doel verloren is gegaan.
Gevaarlijk vaartuig
Controleert of er een alarm wordt geactiveerd wanneer een boot dichterbij komt dan de
afstand voor CPA binnen de tijdlimiet voor de TCPA. Raadpleeg "Gevaarlijke vaartuigen definiëren" op
pagina 108.
AIS-vaartuig verloren
Stelt de afstand in voor verloren vaartuigen. Indien een boot binnen een bepaald bereik
verloren gaat, gaat er een alarm af.
Ú Notitie: Via het selectievakje kunt u aangeven of het alarmpop-upbericht wordt
weergegeven en of de sirene afgaat. De CPA en TCPA bepalen wanneer een vaartuig
gevaarlijk is, ongeacht de geactiveerde/gedeactiveerde status.
Vaartuigbericht
Bepaalt of er een alarm wordt geactiveerd als er een bericht wordt ontvangen van een AISdoel.
Vaartuiginstellingen
Het MMSI nummer van uw boot
U moet uw eigen MMSI (Maritime Mobile Service Identity) nummer in het systeem invoeren
om geadresseerde berichten van AIS en DSC vaartuigen te ontvangen.
Het is ook belangrijk dat u het MMSI nummer invoert om te voorkomen dat uw eigen boot
als AIS doel op de kaart wordt weergegeven.
AIS | NSS evo3 Gebruikershandleiding
107
Ú Notitie: De optie Vaartuig bericht in de alarm instellingen moet ingeschakeld zijn om te
zorgen dat MMSI berichten worden weergegeven.
Symboolfilters
Alle doelen worden standaard weergegeven op het paneel als er een AIS-apparaat op het
systeem is aangesloten.
U kunt ervoor kiezen om geen enkel doel te tonen, of om de symbolen te filteren op basis
van veiligheidsinstellingen, afstand en vaartuigsnelheid.
Verlengingslijnen
De lengte van de verlengingslijnen voor uw vaartuig en voor andere vaartuigen kunnen
worden ingesteld door de gebruiker.
• A: Koers
• B: Koers over de grond (COG)
De lengte van de verlengingslijnen wordt ingesteld als vaste afstand, of om de afstand aan te
geven die het vaartuig zal afleggen binnen een geselecteerde tijd. Als voor Dit vaartuig geen
opties worden ingeschakeld, dan worden er geen verlengingslijnen getoond voor uw
vaartuig.
Voor uw eigen vaartuig wordt de koersinformatie uitgelezen uit de actieve koerssensor; de
COG-informatie wordt ontvangen van de actieve GPS.
Voor andere vaartuigen worden de COG-gegevens opgenomen in de meldingen die worden
ontvangen van het AIS-systeem.
Definiëren van gevaarlijke vaartuigen
U kunt een onzichtbare veiligheidszone rond uw vaartuig definiëren. Wanneer een doel
binnen de ingestelde limieten komt, verandert het symbool in het symbool Gevaarlijk doel.
Indien geactiveerd in het alarmpaneel, gaat er een alarm af.
108
AIS | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Snelheid- en koersindicatie
De verlengingslijn kan worden gebruikt om de snelheid en koers voor doelen aan te geven,,
als absolute (ware) beweging op de kaart of relatief ten opzichte van de boot.
Voor de verlengingslijnen wordt een andere lijnstijl gebruikt om beweging aan te geven,
zoals hieronder getoond.
AIS-vaartuigen, getoond met absolute beweging
AIS-vaartuigen, getoond met relatieve beweging
AIS symbool oriëntatie
Hiermee stelt u de oriëntatie van het AIS symbool in - gebaseerd op vaarrichting of COG
informatie.
AIS | NSS evo3 Gebruikershandleiding
109
16
Instrumentpanelen
De Instrumentsinstrumentpanelen bestaan uit meerdere meters – analoog, digitaal en balk –
die kunnen worden aangepast om geselecteerde gegevens te tonen. Het Instrumentspaneel toont gegevens op dashboards. U kunt maximaal tien dashboards instellen binnen
het Instruments-paneel.
Ú Notitie: Als u informatie over brandstof/motor wilt weergeven, moet informatie over de
motor en brandstoftank zijn ingesteld in het paneel Instellingen.
Dashboards
Er is een set dashboardstijlen vooraf gedefinieerd voor de weergave van vaartuig-, navigatieen vissersinformatie.
U kunt wisselen tussen de dashboards van het paneel door de pijlknoppen naar links en naar
rechts te selecteren op het paneel. U kunt het dashboard ook selecteren in het menu.
Vaartuig-dashboard
Navigatie-dashboard
Vissers-dashboard
Ú Notitie: U kunt aanvullende dashboards activeren in het menu als er andere systemen
(bijv. CZone) aanwezig zijn op het netwerk.
Het Instrumentspaneel aanpassen
U kunt het Instrumentspaneel aanpassen door de gegevens voor elke meter op het
dashboard te wijzigen, door de layout van het dashboard te wijzigen en door nieuwe
dashboards toe te voegen. U kunt ook limieten voor de analoge meters instellen.
Alle bewerkingsopties zijn beschikbaar in het Instrumentspaneelmenu.
Beschikbare bewerkingsopties zijn afhankelijk van de gegevensbronnen die op het systeem
aangesloten zijn.
Een dashboard wijzigen
Activeer het dashboard dat u wilt bewerken. Houd vervolgens de meter die u wilt bewerken
ingedrukt en selecteer de informatie die u wilt weergeven, of doe het volgende:
1. Activeer het menu
2. Selecteer de optie Wijzigen
3. Selecteer de meter die u wilt wijzigen. De geselecteerde meter wordt weergegeven met
een gekleurde achtergrond
4. Selecteer de informatie die moet worden weergegeven, configureer limieten,, en
verander eventueel de bron van de informatie
5. Sla de wijzigingen op door Opslaan te kiezen in het menu
110
Instrumentpanelen| NSS evo3 Gebruikershandleiding
Instrumentpanelen| NSS evo3 Gebruikershandleiding
111
17
Audio
Als een SonicHub- server, een FUSION Marine Entertainment System of NMEA 2000audiosysteem is verbonden met het NMEA 2000-netwerk, kunt u NSS evo3 gebruiken om het
audiosysteem op uw vaartuig te bedienen en aan te passen.
Als u bent verbonden met een WM-3-satellietmodule met een actief abonnement, kunt u
SiriusXM-producten op uw systeem gebruiken. U kunt ook een SiriusXM-radio verbinden met
een FUSION-systeem. De Sirius-audio- en -weerfunctie geldt voor wateren op het vasteland
en de kustgebieden van de V.S. en de Atlantische en Stille Oceaan, de Golf van Mexico en de
Caribische Zee. De SiriusXM-producten die u ontvangt hangen af van het pakket waarop u
bent geabonneerd. Raadpleeg voor meer informatie www.siriusXM.com.
Voordat u uw audioapparatuur kunt gebruiken, moet deze geïnstalleerd worden volgens de
installatiehandleiding van NSS evo3 en de documentatie die bij het audioapparaat is
geleverd.
Activeren audio
Een compatibel audioapparaat dat wordt verbonden met het NMEA 2000-netwerk wordt
automatisch geïdentificeerd door het systeem. Als dat niet het geval is, kunt u deze functie
inschakelen in het dialoogvenster Geavanceerde instellingen.
SonicHub 2
Een SonicHub 2 verbonden met het NMEA 2000-netwerk wordt ondersteund.
Apparaatinformatie SonicHub 2
Open het dialoogvenster Netwerkinstellingen en selecteer het apparaat SonicHub 2 in de lijst
met apparaten. Hiermee wordt het dialoogvenster SonicHub 2 0 - Device Information
geopend.
Configureren
Selecteer deze optie om het apparaat te configureren.
112
Audio| NSS evo3 Gebruikershandleiding
Upgrade
Hiermee wordt de apparaatsoftware bijgewerkt.
Ú Notitie: Hiervoor dient een USB-geheugenstick met de software-upgrade in het
apparaat worden geplaatst. Periodieke software-updates zijn beschikbaar op de website
van het product. De upgrade-bestanden bevatten gedetailleerde instructies voor het
installeren van de software.
Factory Reset
Herstelt de fabrieksinstellingen van het apparaat.
SonicHub 2 ondersteunt Bluetooth
De SonicHub 2 is een apparaat met Bluetooth-ondersteuning. U kunt de ingebouwde
draadloze Bluetooth van SonicHub 2 gebruiken voor verbinding met Bluetoothaudioapparaten.
Om de SonicHub 2 te koppelen aan een Bluetooth-apparaat, selecteert u het pictogram
Bluetooth-apparaten in het menu Systeem regelingen. Kies het Bluetooth-apparaat dat u
wilt koppelen in de lijst met beschikbare apparaten en selecteer vervolgens Pair.
De SonicHub 2 maakt verbinding met het gekoppelde apparaat.
Verbinding met gekoppelde apparaten tot stand brengen en verbreken
De SonicHub 2 brengt automatisch een verbinding met een apparaat tot stand bij de
koppelfunctie. U kunt meerdere apparaten koppelen, maar er kan slechts één apparaat
tegelijk verbonden zijn.
U kunt de verbinding tussen de SonicHub 2 en gekoppelde apparaten handmatig verbreken
en tot stand brengen.
Om de verbinding met een gekoppeld apparaat te verbreken, selecteert u het gekoppelde
apparaat in de lijst met apparaten en selecteert u vervolgens Disconnect.
Audio| NSS evo3 Gebruikershandleiding
113
Om de verbinding met een gekoppeld apparaat tot stand te brengen, selecteert u het
gekoppelde apparaat in de lijst met apparaten en selecteert u vervolgens Connect.
Pandora
De SonicHub 2 ondersteunt het streamen van muziek van Pandora vanaf een Androidapparaat (via Bluetooth) of IOS-apparaat (via USB en Bluetooth).
Ú Notitie: U moet op een geschikte locatie zijn om Pandora te kunnen gebruiken. Ga naar
de website van Pandora voor meer informatie.
Gebruik de menubediening op uw apparaat om Pandora te starten.
Het audiopaneel
U kunt het audiopaneel activeren door de audiotegel in de instrumentenbalk te activeren.
De besturingsknoppen, tools en opties verschille n per audiobron, zoals verderop in dit
hoofdstuk staat beschreven.
114
1
Audiobron
2
Afstelknoppen audio
3
Audiotegel
4
Audiotools
Audio| NSS evo3 Gebruikershandleiding
Audio regelknoppen
Symbool
Tuner
MARIFOON
DVD
Afspelen
Selecteren om de lijst van beschikbare bronnen weer te geven
Selecteren om vorige/volgende
frequentie te kiezen
Ingedrukt houden om op een
zender af te stemmen
Selecteren om
terug/vooruit te
spoelen
Selecteren om
vorige/volgende
nummer te
kiezen
Selecteren om vorige/volgende
favoriete zender te kiezen
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Selecteren om te starten
n.v.t.
n.v.t.
Selecteren om afspelen te
pauzeren
Selecteren om de volume schuifbalk te tonen
Audio functies
Symbool
Tuner
MARIFOON
Signaalsterkte
n.v.t.
n.v.t.
Afspelen
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Selecteren om
herhaalfunctie
aan/uit te zetten. Het
symbool is gekleurd
als de functie actief is.
n.v.t.
Selecteren om
willekeurige volgorde
aan/uit te zetten. Het
symbool is gekleurd
als de functie actief is.
Selecteren om menu's voor instellen van zones en master regeling
weer te geven.
Selecteren om de
Selecteren om de
favoriete stations van favoriete kanalen van
de tuner weer te
de marifoon weer te
geven.
geven.
Selecteren om het
eigen menu van de
actieve bron weer te
geven.
Selecteren om optionele instellingen voor de actieve bron weer te
geven.
Het audio systeem instellen
De luidsprekers
Luidsprekerzones
De NSS evo3 kan worden ingesteld voor het regelen van verschillende audiozones. Het
aantal zones hangt af van de audioserver die met uw systeem is verbonden.
Audio| NSS evo3 Gebruikershandleiding
115
U kunt balans, volume en volumebegrenzing voor elke zone afzonderlijk instellen.
Aanpassingen van bas- en treble-instellingen hebben invloed op alle zones.
Hoofdregeling volume
Als u het volume aanpast, wordt het volume voor alle luidsprekerzones standaard aangepast.
U kunt definiëren welke zones worden aangepast als u het volume verhoogt/verlaagt.
Tunerregio selecteren
Voordat u FM- of AM-radio kunt afspelen en een VHF-radio kunt gebruiken, moet u de juiste
regio voor uw locatie selecteren.
Sirius van de AUX bron afkoppelen
Als er een Sirius radio met de FUSION radio/server verbonden is, wordt de AUX bron
automatisch aan de Sirius invoer gekoppeld. Sirius wordt dan in de bronnenlijst
weergegeven als de FUSION server actief is.
Om de AUX bron voor een ander apparaat te gebruiken, moet u Sirius dan eerst afkoppelen
van de AUX bron.
Ú Notitie: Om SiriusXM te gebruiken, moet er een optionele SiriusXM tuner met de
FUSION server verbonden zijn.
Het audiosysteem bedienen
1. Selecteer Audio in de instrumentenbalk om de audio-overlay te activeren
2. Selecteer het pictogram Opties en selecteer vervolgens de audioserver
3. Selecteer het pictogram Opties en selecteer vervolgens de audiobron
- Het aantal bronnen is afhankelijk van de actieve audioserver
4. U kunt het audiosysteem bedienen met de instrumentenbalk
Voor een overzicht van knoppen en hulpmiddelen voor het bedienen van audio gaat u naar
"Audio regelknoppen" op pagina 115. Zie ook "Audiotools" op pagina 115.
Raadpleeg de documentatie van uw audioapparatuur voor de beschikbare opties.
Favoriete kanalen
Wanneer u op een tuner of VHF-kanaal hebt afgestemd, kunt u dat kanaal aan uw
favorietenlijst toevoegen. De favoriete kanalen kunnen worden bekeken, geselecteerd en
verwijderd in de favorietenlijst.
Met de knoppen omhoog/omlaag van het audiopaneel bladert u door uw favoriete kanalen.
Sirius radio (alleen Noord-Amerika)
Kanalenlijst
De kanalenlijst toont alle beschikbare Sirius kanalen, ongeacht of u een abonnement voor die
kanalen hebt.
Favorietenlijst
U kunt een lijst van uw favoriete Sirius kanalen uit de kanalenlijst aanmaken. U kunt alleen
kanalen toevoegen waarvoor u een abonnement hebt.
Kanalen vergrendelen
U kunt geselecteerde Sirius kanalen vergrendelen, zodat die niet worden uitgezonden. U
moet een code van 4 cijfers invoeren om kanalen te vergrendelen en dezelfde code
gebruiken om die kanalen weer te ontgrendelen.
116
Audio| NSS evo3 Gebruikershandleiding
18
Weer
Het systeem beschikt over weerfuncties waarmee de gebruiker weersverwachtingsgegevens
als overlay op de kaart kan weergeven. Dit geeft een beter inzicht in de
weersomstandigheden die naar verwachting zullen optreden.
Het systeem ondersteunt weersgegevens in GRIB-indeling. U kunt deze downloaden van
diverse weerkundige dienstverleners.
Het systeem ondersteunt ook weersgegevens van SIRIUS Marine Weather Service. Deze
service is alleen beschikbaar in Noord-Amerika.
Windveren
De draaiing van de windveren geeft de relatieve windrichting aan. De staart laat zien uit
welke richting de wind komt. In de tekening hieronder komt de wind uit het noordwesten.
De windsnelheid wordt aangegeven door een combinatie van korte en lange strepen aan
het eind van de windbalk.
Nul knopen / Onbepaalde windrichting
Korte windveer = 5 knopen
Lange windveer = 10 knopen
Pijlvormige windveer = 50 knopen
Als de staart een combinatie van windveren van 5 en 10 knopen laat zien, telt u deze bij
elkaar op voor de totale windsnelheid. In het voorbeeld hieronder ziet u 3 x grote windveer +
1 x keer kleine windveer = 35 knopen, en is 60 knopen aangegeven met 1 x pijlvormige
windveer + 1 x grote windveer.
Windsnelheid: 35 knopen
Windsnelheid: 60 knopen
Weerdetails weergeven
Als pop-up weergave ingeschakeld is, kunt u een weersymbool selecteren om de identiteit
van de waarneming aan te duiden. Wanneer u de pop-up selecteert, wordt er gedetailleerde
informatie over de waarneming getoond. U kunt de gedetailleerde informatie ook via het
menu weergegeven als het weersymbool geselecteerd is.
GRIB weer
Een GRIB bestand bevat weervoorspellingen voor een ingesteld aantal dagen. De weerdata
kan van animaties worden voorzien, die aangeven hoe de weersystemen zich ontwikkelen.
GRIB-gegevens importeren
U kunt naar het geheugen geïmporteerde GRIB-gegevens weergeven als kaartoverlay. Zie
"GRIB-weer als overlay weergeven" op pagina 118. Het bestand kan worden geïmporteerd vanaf
iedere locatie die zichtbaar is in het bestandsbeheer.
Ú Notitie: De in het geheugen aanwezige GRIB-gegevens worden door de geïmporteerde
GRIB-gegevens overschreven.
U kunt een weerbestand importeren vanuit het bestandsbeheer, vanuit het paneel Tools of
via de menu-optie Voorspelling in het paneel Kaart.
Weer| NSS evo3 Gebruikershandleiding
117
• Als u een GRIB-bestand selecteert in het bestandsbeheer is de optie Importeren
beschikbaar. Hiermee kunt u een GRIB-bestand in het geheugen importeren.
Selecteer het GRIB-bestand om de gegevens te importeren.
• Als u de menuoptie Voorspelling in het paneel Kaart kiest, wordt het dialoogvenster GRIBweer geopend. De optie Bestand importeren in dit dialoogvenster opent het
bestandsbeheer, van waaruit u een GRIB-bestand in het geheugen kunt importeren.
In dit dialoogvenster kunt u de beschikbare GRIB-bestanden selecteren. Door een
beschikbaar GRIB-bestand te selecteren, importeert u het in het geheugen. Beschikbare
GRIB-bestanden worden van een leverancier van weerdiensten gedownload naar de map
GRIB (in het bestandsbeheer).
GRIB-weer als overlay weergeven
Geïmporteerde GRIB-weergegevens kunnen als overlay op uw kaartpaneel getoond worden.
Wanneer de GRIB-weeroverlay is geselecteerd, wordt het kaartmenu uitgebreid met de
beschikbare weeropties. In dit menu selecteert u de weersymbolen die u wilt tonen.
Bovendien kunt u hier de afstand tussen de windveren instellen en de doorzichtigheid van
de weersymbolen aanpassen.
In dit menu kunt u ook de weersvoorspelling animeren. Zie "Animatie van GRIB weervoorspellingen" op
pagina 119.
De menuoptie Forecast toont het GRIB-bestand dat zich op dat moment in het geheugen
bevindt en dat als overlay op de kaart wordt weergegeven. Selecteer de menuoptie Forecast
om een nieuw GRIB-bestand in het geheugen te importeren. Door het importeren van een
nieuw bestand worden de GRIB-gegevens in het geheugen overschreven.
118
Weer| NSS evo3 Gebruikershandleiding
1
Windveren
2
Drukcontouren
3
GRIB-informatievenster
GRIB informatievenster
Het GRIB informatievenster toont de datum en tijd van de GRIB weersvoorspelling en de
geselecteerde tijd voor de voorspelling tussen haakjes. Een negatieve waarde tussen de
haakjes geeft historische weerinformatie aan.
Wanneer u een positie op de kaart selecteert, wordt het informatievenster uitgebreid met
weerinformatie voor de geselecteerde positie.
Animatie van GRIB weervoorspellingen
De GRIB data bevat weervoorspellingen voor een ingesteld aantal dagen. De weerdata kan
van animaties worden voorzien en er kan een voorspelling voor een specifieke datum en tijd
worden weergegeven. De tijdschalen verschillen afhankelijk van het bestand dat u gebruikt.
De tijdverschuiving wordt tussen haakjes in het GRIB informatievenster getoond. De tijd is
relatief t.o.v. de huidige tijd, zoals aangeleverd door een GPS apparaat dat met het systeem
verbonden is.
U kunt de tijd en animatiesnelheid via het menu selecteren.
SiriusXM-weer
Als er een Navico-weermodule is aangesloten, kunt u zich abonneren op Sirius-audio en
Sirius Marine Weather Service op uw systeem (alleen Noord-Amerika).
Afhankelijk van het abonnement dat u hebt geselecteerd, beslaat de audio- en weerservice
van Sirius diverse binnenwateren en kustgebieden van Noord-Amerika. Raadpleeg voor meer
informatie www.siriusxm.com/marineweather
Sirius-statusvenster
Als de weermodule op het systeem is aangesloten, krijgt u toegang tot het Siriusstatuspaneel.
Op het statuspaneel wordt de signaalsterkte aangeduid met 1/3 (zwak), 2/3 (goed) of 3/3
(voorkeur). Hierin staan ook de antennestatus, het serviceniveau en het elektronische
serienummer voor de weermodule.
Weer| NSS evo3 Gebruikershandleiding
119
Sirius-weerdisplay
Het Sirius-weerdisplay kan als overlay op uw kaartpaneel worden weergegeven.
Als de weer-overlay geselecteerd is, wordt het kaartmenu uitgebreid met de beschikbare
weeropties.
1
Kleurnuances voor neerslag
2
Stadsverwachtingssymbool
3
Windveer
4
Stormpictogram
5
SST-kleurenbalk
6
SST-kleurnuances
Gebruik het menu met de weeropties van Sirius om te selecteren welke weersymbolen
worden weergegeven en hoe deze worden weergegeven op het kaartpaneel.
Sirius weergave opties
Neerslag
Kleurnuances worden gebruikt om het type en de intensiteit van de neerslag te tonen. Hoe
donkerder de kleur, hoe hoger de intensiteit.
Regen
Van lichtgroen (lichte regen) - geel - oranje - tot donkerrood (zware
regen)
Sneeuw
Blauw
Gemengd
Roze
Zeewater oppervlakte temperatuur (SST)
U kunt de zeewater oppervlakte temperatuur als gekleurde arcering of tekst weergeven.
Wanneer u kleur arcering selecteert, wordt de SST kleurenbalk aan de linkerant van het
scherm weergegeven.
U kunt instellen hoe de kleurcodes worden gebruikt om de zeewater oppervlakte
temperatuur aan te geven. Zie "Kleurcodes instellen" op pagina 122.
Golfhoogte indicatie
Er worden kleuren gebruikt om de voorspelde golfhoogten aan te duiden. De hoogste
golven zijn donkerrood en de laagste zijn blauw.
U kunt instellen hoe de kleurcodes worden gebruikt om de goflhoogte aan te geven. Zie
"Kleurcodes instellen" op pagina 122.
120
Weer| NSS evo3 Gebruikershandleiding
Oppervlakfuncties
Hiermee schakelt u oppervlakfuncties in of uit. Oppervlakfuncties zijn onder andere fronten,
isobaren en drukpunten. Oppervlakfuncties kunnen niet gelijktijdig met wind worden
weergegeven.
Wolktoppen
Hiermee schakelt u Wolktoppen in/uit. Met wolktoppen wordt de hoogte van de bovenzijde
van wolken aangegeven. Het kleurenpalet is grijs met donkere tinten grijs, waarmee lagere
wolken worden aangeduid. Wolktoppen kunnen niet gelijktijdig met neerslag of echotoppen
worden weergegeven.
Ú Notitie: Deze functie is alleen beschikbaar voor bepaalde SiriusXM-abonnementen.
Echotop
Hiermee schakelt u Echotop in/uit. Met echotops worden de toppen van stormen
aangegeven. Het kleurenpalet is hetzelfde als dat wordt gebruikt voor Neerslag. Echotoppen
kunnen niet gelijktijdig met neerslag of wolktoppen worden weergegeven.
Ú Notitie: Deze functie is alleen beschikbaar voor bepaalde SiriusXM-abonnementen.
Weerpictogrammen
Er zijn verschillende weersymbolen beschikbaar om de huidige of verwachte
weersomstandigheden te tonen. U kunt op een pictogram tikken om gedetailleerde
weerinformatie te tonen.
Stadsverwachting
Oppervlakteobservatie
Volgen van tropische storm: verleden (grijs) - heden (rood) - toekomst
(geel)
Volgen van orkaan (categorie 1-5): verleden (grijs) - heden (rood) toekomst (geel)
Volgen van tropische storing/depressie: verleden (grijs) - heden (rood) toekomst (geel)
Stormeigenschappen
Bliksem
Plaats en waarschuwing watchbox
Locatie maritieme zone
Lokaal weer
Druk op de menu-optie Lokaal weer om het dialoogvenster Lokaal weer te openen. In dit
dialoogvenster worden de weersvoorspelling en weerswaarschuwingen voor dit gebied
weergegeven.
Selecteer een tab voor een tijdsperiode om de voorspelling hiervoor weer te geven.
Weer| NSS evo3 Gebruikershandleiding
121
Maritieme zones
Afhankelijk van uw geselecteerde abonnement bevat SiriusXM-services toegang tot
weerrapporten voor maritieme zones in de Verenigde Staten en Canada, met uitzondering
van de gebieden op volle zee.
U kunt op een kaart een maritieme zone selecteren en vervolgens de weersverwachting
bekijken. U kunt ook een maritieme zone selecteren als uw huidige favoriete zone. U wordt
dan geïnformeerd over weerswaarschuwingen in die zone.
Tropische berichten
U kunt Tropische berichten lezen, die informatie bevatten over tropische
weersomstandigheden. Deze berichten zijn beschikbaar voor de gehele Atlantische oceaan
en de oostelijke Stille oceaan.
Kleurcodes aanpassen
U kunt de kleurcodes voor de temperatuur van het zeeoppervlak en de golfhoogte
definiëren.
De temperaturen boven de warmte- en onder de koudewaarden worden getoond als
toenemend donkerder rood en blauw.
Golven hoger dan de maximumwaarde worden getoond als steeds donkerder rood. Golven
lager dan de minimumwaarde hebben geen kleurcodering.
Sirius weer animaties
De NSS evo3 legt de weerinformatie vast die u hebt ingeschakeld en deze informatie kan
worden gebruikt voor animaties van weer in het verleden of de toekomst. Hoeveel
informatie in het systeem beschikbaar is, hangt af van de hoeveelheid weeractiviteit. Hoe
complexer het weer, des te minder tijd voor animaties beschikbaar is.
U kunt animaties voor het verleden of de toekomst instellen, afhankelijk van welke weer
weergave u hebt ingeschakeld:
• Bij neerslag overlay kunt u animaties voor het verleden instellen en alleen voor
aangenomen weersomstandigheden in de directe toekomst.
• Bij gekleurde golfhoogte overlay kunt u animaties voor de toekomst instellen
(voorspellingen).
Indien geactiveerd, wordt de tijd voor de huidige grafische animatie in de linker
benedenhoek van het kaart paneel weergegeven.
Weeralarmen
U kunt de onweer- of stormalarmen instellen wanneer deze omstandigheden zich voordoen
binnen een bepaald bereik van uw vaartuig.
U kunt ook een alarm instellen als er een waarschuwing voor zwaar weer wordt afgegeven
voor het door u ingestelde zeegebied.
122
Weer| NSS evo3 Gebruikershandleiding
Door de National Weather Service is een watchbox gedefinieerd. Wanneer het alarm voor
watchbox is ingeschakeld, gaat er een alarm af wanneer uw vaartuig een watchbox
binnengaat of zich hierin bevindt.
Weer| NSS evo3 Gebruikershandleiding
123
19
Video
Met de videofunctie kunt u video's of camerabronnen op het scherm van uw systeem
weergeven.
Ú Notitie: De videobeelden worden niet gedeeld vanaf het Ethernet-netwerk. U kunt de
videobeelden alleen weergeven op de unit waarop de videobron is aangesloten.
Als er een camera uit de FLIR M-serie beschikbaar is in het Ethernet-netwerk, kunt u de video
weergeven en de camera bedienen vanaf het systeem.
Raadpleeg voor informatie over het aansluiten van de camera de aparte
installatiehandleiding van NSS evo3.
Het videopaneel
U kunt een videopaneel instellen als een enkelvoudig paneel of als een van de panelen op
een pagina met meerdere panelen.
Het videobeeld wordt proportioneel aangepast zodat het in het videopaneel past. Gebieden
die niet worden bedekt door het beeld zijn zwart.
Het videopaneel instellen
Videobron
NSS evo3 ondersteunt twee video-ingangskanalen. U kunt selecteren of u één
videokanaal wilt zien, of dat u het beeld tussen beschikbare videocamera's wilt laten
rondgaan.
De periode kan worden ingesteld van 5 tot 120 seconden.
Videostandaard
NSS evo3 ondersteunt de videostandaarden NTSC en PAL. Ga na wat de plaatselijke
videostandaard of de standaard van uw camera's is.
Aanpassen van het videobeeld
U kunt het videobeeld optimaliseren door het aanpassen van de videoinstellingen. De
instellingen worden afzonderlijk aangepast voor elke videobron. Standaard voor alle
instellingen: 50%
Bediening FLIR-camera
Wanneer de verbinding met een FLIR camera tot stand is gebracht, wordt het menu
aangepast zodat u de FLIR-camera kunt bedienen.
Ú Notitie: U kunt de camerabesturing overnemen van elke NSS evo3 die is aangesloten op
het Ethernet-netwerk.
Verbinden met de FLIR videocamera
Als er een video paneel actief is, herkent de NSS evo3 automatisch een FLIR camera als die in
het netwerk aanwezig is.
Ú Notitie: Als er een DHCP server in het ethernet netwerk aanwezig is, moet de FLIR
camera worden geconfigureerd en op een statisch IP-adres worden ingesteld voordat de
verbinding tot stand kan worden gebracht. Voor instructies voor het configureren van
uw specifieke FLIR camera model raadpleegt u de FLIR documentatie.
124
Video| NSS evo3 Gebruikershandleiding
Ú Notitie: Er kan maar één FLIR camera op het ethernet netwerk worden aangesloten.
Wanneer u een video paneel activeert, begint het systeem in het netwerk te zoeken naar een
FLIR camera.
Een verbroken verbinding wordt aangegeven door een paneel knop. Selecteer deze knop
om de verbinding opnieuw tot stand te brengen.
Zodra de verbinding tot stand is gekomen, bevat het menu opties voor bediening van de
FLIR camera.
Ú Notitie: U kunt de camera bediening overnemen vanaf elke NSS evo3 die met het
ethernet netwerk verbonden is.
De FLIR camera draaien en kantelen
Als de verbinding met de FLIR camera tot stand is gebracht, verschijnen er draai- en
kantelknoppen op het video paneel. Met de pijlknoppen links en rechts kunt u de camera
draaien. Met de pijlknoppen op en neer kunt u de camera kantelen.
Selecteer een van de pijlknoppen op het paneel om de camera te bedienen. De camera blijft
bewegen zolang u de knop ingedrukt houdt.
Zoomen op het FLIR-videobeeld
U kunt het videobeeld zoomen met de knoppen op het zoompaneel.
Er zijn twee zoomopties beschikbaar, afhankelijk van de bronoptie die u hebt geselecteerd
voor de FLIR-camera:
• Digitale zoom
Alleen beschikbaar als op de camera de infraroodmodus is geactiveerd. In deze modus
wordt de zoom voorgesteld in niveaus (0, 2 en 4 keer zoom). Met elke druk op een
zoomknop wordt het zoomniveau verhoogd of verlaagd.
• Optische zoom
Beschikbaar in daglichtmodus. In deze modus zoomt de camera verder in/uit zo lang u
een knop op het zoompaneel ingedrukt houdt.
De opties voor de FLIR-camerabron
De FLIR-camera heeft videobronnen met zowel daglicht als infrarood.
Wanneer infrarood is geselecteerd als bron, zijn de volgende opties beschikbaar:
• Kleurenschema wisselen
Hiermee navigeert u door het kleurenschema van de FLIR-video-uitvoer. Met elk van deze
schema's wordt een andere kleur gekoppeld aan een andere temperatuur.
• Polariteit wisselen
Hiermee keert u het kleurenschema om. De waarden worden omgedraaid, bijvoorbeeld:
Wit = Warm en Zwart = Koud wordt Zwart = Warm en Wit = Koud.
De Home positie van de FLIR camera
U kunt de huidige draai- en kantelpositie als Home positie van de camera instellen.
Later kunt u de camera dan weer snel in deze positie terugbrengen.
Video| NSS evo3 Gebruikershandleiding
125
20
Tijd plot
De NSS evo3 kan datahistorie in een of meer plots weergeven. De plots kunnen op een
volledige pagina worden weergegeven, of gecombineerd met andere panelen.
Het paneel Tij dplot
Het paneel Tijdplot bestaat uit twee vooraf gedefinieerde layouts. U kunt tussen de layouts
schakelen door de linker- en rechter paneelpijlen te selecteren. U kunt de layout ook in het
menu selecteren.
U kunt kiezen welke gegevens op een tijdplotpaneel getoond moeten worden, en u kunt het
tijdsbereik voor elke plot opgeven.
Layout 1
Layout 2
Ontbrekende gegevens
Als er gegevens ontbreken, verandert de desbetreffende plot in een stippellijn en wordt vlak
vanaf het punt waar de gegevens verloren zijn gegaan. Als er weer gegevens beschikbaar
komen, wordt er een stippellijn getoond bij de twee punten die op de plaats van de
ontbrekende gegevens een gemiddelde trendlijn tonen.
Data selecteren
Elke dataveld kan worden gewijzigd, zodat 't het gewenste type data en de periode toont.
1. Selecteer de optie wijzigen in het menu.
2. Activeer het veld dat u wilt wijzigen.
3. Wijzig het type informatie en eventueel de periode.
4. Sla de wijzigingen op.
De data die voor tijd plots beschikbaar is, zijn standaard de bronnen die door het systeem
worden gebruikt. Als er voor een bepaald type data meer dan één bron beschikbaar is, kunt u
een andere databron voor de tijd plot selecteren. U wijzigt het data type met behulp van de
databron optie in het menu.
126
Tijd plot| NSS evo3 Gebruikershandleiding
21
Alarmen
Alarmsysteem
Het systeem controleert terwijl het actief is continu op gevaarlijke situaties en
systeemstoringen. Als zich een alarmsituatie voordoet, verschijnt er een alarmbericht op het
scherm.
Er verschijnt een alarm symbool op de statusbalk en de kleur van het alarm pulseert.
Als u de sirene ingeschakeld hebt, wordt het alarmbericht gevolgd door een alarmgeluid en
wordt de schakelaar voor het externe alarm actief.
Het alarm wordt in de lijst van alarmen opgenomen, zodat u de details kunt bekijken en de
benodigde corrigerende maatregelen kunt nemen.
Type berichten
De berichten worden geclassificeerd naar de manier waarop de gemelde situatie invloed
heeft op uw boot. De volgende kleurcodes worden gebruikt:
Kleur
Belangrijkheid
Rood
Kritiek
Oranje
Belangrijk
Geel
Standaard
Blauw
Waarschuwing
Groen
Lichte waarschuwing
Enkelvoudige alarmen
Een enkelvoudig alarm wordt getoond met de naam van het alarm als de titel en met details
voor het alarm.
Meervoudige alarmen
Als er meer dan één alarm tegelijk wordt geactiveerd, toont de alarmmelding een overzicht
van maximaal 3 alarmen. De alarmen staan op volgorde van gebeurtenis, met bovenaan het
alarm dat het eerst geactiveerd is. De overige alarmen staan in het dialoogvenster Alarmen.
Een melding bevestigen
Voor het bevestigen van een melding zijn in de alarmdialoog de volgende opties
beschikbaar:
• Sluiten
Zet de alarmstatus op bevestigd, wat betekent dat u weet dat er een alarmtoestand is. De
sirene/zoemer stopt en het dialoogvenster Alarmen wordt verwijderd.
Het alarm blijft echter actief in het alarmoverzicht totdat de reden voor het alarm is
verdwenen.
• Deactiveren
Deactiveert de huidige alarminstelling. Het alarm wordt niet meer getoond tenzij u dit
weer inschakelt in het dialoogvenster Alarmen.
Er is geen time-out voor de alarmmelding of sirene. Deze blijven actief totdat u het alarm
bevestigt of totdat de reden voor het alarm is verdwenen.
Dialoogvenster Alarmen
Alle alarmen worden ingesteld in het dialoogvenster Alarmen.
Alarmen| NSS evo3 Gebruikershandleiding
127
Het dialoogvenster Alarmen kan ook worden geactiveerd vanuit het paneel Tools. Dit
dialoogvenster bevat informatie over actieve alarmen en de alarmgeschiedenis.
128
Alarmen| NSS evo3 Gebruikershandleiding
22
Tools
Het paneel Tools bevat standaard pictogrammen voor toegang tot opties en tools die niet
specifiek voor een bepaald paneel zijn.
Als externe apparatuur in de unit is geïntegreerd, kunnen er nieuwe pictogrammen op het
paneel Tools verschijnen. Deze pictogrammen worden gebruikt voor toegang tot de functies
van de externe apparatuur.
Waypoints
Overzicht van waypoints, routes en tracks met details.
Selecteer het waypoint, de route of de track die u wilt wijzigen of verwijderen.
Waterstanden
Toont informatie voor het getijden station dat het dichtst bij uw boot is.
Selecteer de knoppen in het pijlenpaneel om de datum te veranderen, of selecteer het
datumveld om de kalenderfunctie te gebruiken.
Beschikbare getijden stations kunnen via het menu worden geselecteerd.
Alarmen
Actieve alarmen
Lijst van actieve alarmen.
Alarm historie
Lijst van alle alarmen met tijdmarkering.
Alarm instellingen
Lijst van alle beschikbare alarm opties in het systeem, met huidige instellingen.
Vaartuigen
Statusoverzicht
Overzicht van alle AIS-, MARPA- en DSC-vaartuigen met beschikbare informatie.
Meldingenoverzicht
Overzicht van alle meldingen van AIS-vaartuigen met time stamp.
TripIntel
Biedt functionaliteit voor tripbeheer en tripinformatie. Raadpleeg voor meer informatie
"TripIntel" op pagina 49.
Zon, maan
Toont zonsopgang, zonsondergang, maansopgang en maansondergang voor een positie,
op basis van de ingevoerde datum en de lengte/breedtegraad van de positie.
Bestanden
Via het bestandsbeheersysteem kunt u het interne geheugen van de unit en de geplaatste
SD-kaart bekijken.
Bestanden weergeven
Selecteer een bestand op het paneel Bestanden en vervolgens de optie voor
bestandsweergave in het dialoogvenster Details.
Tools| NSS evo3 Gebruikershandleiding
129
Bestanden kopiëren naar een kaart in de kaartlezer
U kunt schermafdrukken en logs kopiëren naar een kaart in de kaartlezer. U kunt ook
systeeminstellingen, waypoints, routes en Tracks naar een kaart kopiëren. Het exporteren van
bestanden wordt behandeld in de paragraaf "Onderhoud" op pagina 133.
Zoeken
Zoekfunctie voor kaartitems (waypoints, routes, tracks enz.).
GoFree Shop
Ú Notitie: De ingebouwde draadloze voorziening moet verbonden zijn met een externe
draadloze hotspot om toegang te hebben tot de GoFree Shop. Zie "Verbinding met een
draadloze hotspot tot stand brengen en verbreken" op pagina 100.
Opent de website van de GoFree Shop. In de GoFree Shop kunt u compatibele kaarten voor
uw systeem bekijken, aanschaffen en downloaden. U kunt bovendien uw Echosounderlogbestanden uploaden en deze delen op Social Map-kaarten. Tijdens het inloggen krijgt u
automatisch een melding als er een nieuwe softwareversie beschikbaar is voor uw systeem.
Als een nieuwe update beschikbaar is, kunt u deze downloaden naar een kaartlezer. U kunt
het downloaden ook tot een later moment uitstellen.
130
Tools| NSS evo3 Gebruikershandleiding
23
Simulator
Met de simulatiefunctie kunt u zien hoe de unit stationair werkt, zonder verbinding met
sensoren of andere apparaten.
De statusbalk geeft aan of de simulator ingeschakeld is.
Demomodus
In deze modus doorloopt de unit automatisch de hoofdfuncties van het product; de unit zal
automatisch pagina's wijzigen, instellingen aanpassen, menu's openen enz.
Als u op een touchscreen tikt of op een toets druk als de demomodus actief is, wordt de
demonstratie gepauzeerd. Na een time-outperiode wordt de demomodus weer hervat en
worden gewijzigde instellingen teruggezet op de standaardinstellingen.
Ú Notitie: De demomodus is ontworpen voor demonstraties in de detailhandel/
showroom.
Simulator bronbestanden
U kunt selecteren welke databestanden de simulator gebruikt. In uw systeem is een set
bronbestanden opgenomen en u kunt bestanden importeren met behulp van een kaart die
in de kaartlezer is geschoven. U kunt in de simulator ook uw eigen bestanden met
opgenomen loggegevens gebruiken.
Geavanceerde simulatorinstellingen
Via de instellingen voor de geavanceerde simulator kunt u de simulator handmatig
bedienen.
Simulator| NSS evo3 Gebruikershandleiding
131
GPS-bron
Selecteert van waaruit de GPS-gegevens gegenereerd worden.
Snelheid, koers en route
Wordt gebruikt voor het handmatig invoeren van waarden als de GPS-bron is ingesteld op
Simulated course of Simulated route. Anders worden GPS-gegevens, waaronder snelheid en
koers, opgehaald uit het geselecteerde bronbestand.
Startpositie instellen
Hiermee verplaatst u het vaartuig naar de huidige cursorpositie.
Ú Notitie: Deze optie is alleen beschikbaar wanneer de GPS-bron is ingesteld op
Gesimuleerde koers.
132
Simulator| NSS evo3 Gebruikershandleiding
24
Onderhoud
Preventief onderhoud
De unit heeft geen onderdelen die in het veld kunnen worden onderhouden. Daarom is
hoeft de gebruiker slechts zeer beperkt preventief onderhoud uit te voeren.
Er wordt aanbevolen altijd het meegeleverde zonnescherm te plaatsen als de unit niet in
gebruik is.
Reinigen van de display-unit
Gebruik waar mogelijk een geschikte schoonmaakdoek om het scherm schoon te maken.
Gebruik voldoende water om achtergebleven zoutresten op te lossen en weg te spoelen.
Gekristalliseerd zout kan de coating beschadigen als er een vochtige doek wordt gebruikt.
Oefen zo weinig mogelijk druk op het scherm uit.
Wanneer vlekken op het scherm niet verwijderd kunnen worden met alleen de doek,
gebruikt u een 50/50-mengsel van warm water en isopropylalcohol om het scherm te
reinigen. Gebruik geen oplosmiddelen (aceton, minerale terpentine enzovoort) en
reinigingsproducten op ammoniakbasis, omdat deze de antireflectiecoating en de kunststof
omlijsting kunnen beschadigen.
Om UV-schade aan de kunststof omlijsting te voorkomen, wordt aanbevolen het
zonnescherm te plaatsen als de unit voor langere tijd niet gebruikt wordt.
De klep van de kaartlezer schoonmaken
Maak de klep van de kaartlezer regelmatig schoon, om zoutkristallen op het oppervlak,
waardoor water in de kaartsleuf zou kunnen gaan lekken, te voorkomen.
De toetsen controleren
Controleer of er geen toetsen in ingedrukte positie vastzitten. Als er een vastzit, deze heen en
weer bewegen om hem los te maken.
Controleren van de connectoren
De connectoren mogen alleen visueel gecontroleerd worden.
Duw de stekkers in de connector. Als de stekkers zijn voorzien van een vergrendeling, moet u
ervoor zorgen dat deze in de juiste stand staat.
Registratie van NMEA-gegevens
Alle seriële uitvoerzinnen die worden verzonden via de NMEA TCP-verbinding worden
vastgelegd in een intern bestand. U kunt dit bestand exporteren en bekijken voor onderhoud
en het zoeken van storingen.
De maximale bestandsgrootte is vooraf gedefinieerd. Als u diverse andere bestanden hebt
toegevoegd aan het systeem (bestanden met opnamen, muziek, foto's, PDF-bestanden), kan
hierdoor de maximale bestandsgrootte van het logbestand kleiner zijn.
Het systeem registreert zo veel mogelijk gegevens tot de maximale bestandsgrootte is
bereikt, en gaat vervolgens de oudste gegevens overschrijven.
Onderhoud| NSS evo3 Gebruikershandleiding
133
Het logbestand exporteren
U kunt het logbestand exporteren vanuit het bestandsdialoogvenster.
Wanneer u de logdatabase selecteert, wordt u gevraagd een doelmap en een bestandsnaam
op te geven. Na acceptatie wordt het logbestand naar de gekozen locatie geschreven.
Uitvoer van RSD-zinnen
U kunt de uitvoer van het RSD NMEA 0183-bericht inschakelen (is standaard uitgeschakeld)
om informatie over de cursorpositie door te geven aan een extern apparaat. De informatie
over de cursorpositie kan worden gebruikt door apparaten zoals infraroodcamera's die
kunnen pannen en kantelen, evenals externe radardisplays.
Ú Notitie: De zinsnotatie (gedefinieerd in NMEA 0183) is niet opgesteld voor systemen
met twee radars en verzendt geen identificatiegegevens om onderscheid te maken
tussen bronnen. Wanneer op het scherm gelijktijdig twee radar-PPI's worden
weergegeven, biedt alleen de eerste radar (aan linkerzijde) RSD-informatie. Op de radarPPI wordt RSD weergeven om aan te geven dat deze functie is ingeschakeld.
Software-upgrades
De nieuwste software kunt u downloaden van onze website www.simrad-yachting.com.
Zorg dat u eerst een back-up maakt van mogelijk waardevolle gebruikersgegevens voordat u
een update op de unit uitvoert. Zie "Back-up maken van uw systeemgegevens" op pagina 135.
Het systeem of de Network Analyzer en Service Assistant kunnen advies geven over
beschikbare software-updates.
Network Analyzer en Service Assistant
Het systeem heeft een ingebouwde Service Assistant die een rapport opstelt van de
apparaten die zijn geïnstalleerd op het NMEA 2000- en ethernetnetwerk. Dit bevat informatie
over softwareversies, serienummers en informatie uit het instellingenbestand, als hulpmiddel
bij vragen op het gebied van technische ondersteuning.
134
Onderhoud| NSS evo3 Gebruikershandleiding
Ga naar de Analyzer, open de pagina Over van het dialoogvenster Systeeminstellingen en
selecteer Ondersteuning. De volgende twee opties worden weergegeven:
Rapport opstellen
Maakt een analyse van uw netwerk en verzoekt u om informatie te geven die nodig is voor
ondersteuning. Het rapport bevat informatie die automatisch op het netwerk is verzameld. U
kunt screenshots en logbestanden aan het rapport toevoegen. De bijlagen van het rapport
mogen maximaal 20 MB groot zijn. U kunt het rapport opslaan op een geheugenkaart en het
e-mailen naar ondersteuning, of het direct uploaden als u over een internetverbinding
beschikt. Als u eerst de technische ondersteuning belt, kunt u een incidentnummer invoeren
om het incident te volgen.
Zoeken naar systeemupdates
Analyseert uw netwerk en controleert of er updates zijn voor compatibele apparaten.
Ú Notitie: Laat uw unit verbinding maken met het internet om te controleren of u over de
nieuwste softwareversies beschikt. De softwareversies zijn up-to-date tot het moment
dat u uw unit voor het laatst heeft bijgewerkt of verbinding heeft laten maken met
internet.
Software bijwerken
Ú Notitie: Verwijder de cartografische kaarten uit uw unit en plaats een geheugenkaart
met voldoende vrije ruimte voordat u software-updates downloadt of rapporten opstelt
en opslaat op de geheugenkaart.
Ú Notitie: Schakel het MFD of het apparaat niet uit tot de update is voltooid of tot u wordt
gevraagd de unit of het apparaat opnieuw op te starten.
1. Als uw MFD is verbonden met internet, kunt u de software-update vanuit het
dialoogvenster Updates downloaden naar een geheugenkaart. U kunt de softwareupdate ook vanaf www.simrad-yachting.com downloaden naar een geheugenkaart die is
geplaatst in een smart apparaat of een pc die verbonden is met internet.
2. Plaats de kaart waarop de software-updates staan in uw MFD.
3. Selecteer in het dialoogvenster Updates het item dat u wilt bijwerken en volg de
instructies.
Nadat u de instructies hebt opgevolgd, wordt de update uitgevoerd. U wordt mogelijk
gevraagd het apparaat opnieuw op te starten om de update te voltooien. U kunt apparaten
ook later, op een geschikter moment opnieuw opstarten om de update te voltooien.
Back-up maken van uw systeemgegevens
Door u aangemaakte waypoints, routes en Tracks zijn opgeslagen op uw systeem. Het wordt
aanbevolen deze bestanden en uw instellingsbestanden regelmatig te kopiëren, als
onderdeel van uw back-upprocedure. U kunt de bestanden kopiëren naar een kaart die in de
kaartlezer is geplaatst.
Er zijn geen indelingsopties voor de export van het systeeminstellingsbestand. De volgende
uitvoerindelingen zijn beschikbaar voor het exporteren van waypoints, routes en Tracksbestanden:
• Gebruikersgegevensbestand versie 5
Wordt gebruikt voor het importeren en exporteren van waypoints en routes met een
gestandaardiseerde, universeel unieke identificatie (UUID) en is een zeer betrouwbare en
gebruiksvriendelijke methode. De gegevens bestaan onder meer uit informatie over de
tijd en datum waarop een route is aangemaakt.
• Gebruikersgegevensbestand versie 4
Dit kan het beste gebruikt worden bij de overdracht van gegevens van het ene naar het
andere systeem, omdat hierin alle extra gegevens staan die deze systemen vastleggen.
• Gebruikersgegevensbestand 3 (zonder diepte)
Dient gebruikt te worden bij de overdracht van gebruikersgegevens van het ene systeem
naar een verouderd product (Lowrance LMS, LCX)
• Gebruikersgegevensbestand 2 (zonder diepte)
Kan gebruikt worden bij de overdracht van gebruikersgegevens van het ene systeem naar
een verouderd product (Lowrance LMS, LCX)
Onderhoud| NSS evo3 Gebruikershandleiding
135
• GPX (GPS Exchange, zonder diepte)
Dit is het meest gebruikte formaat op het web en wordt wereldwijd door de meeste GPSsystemen gebruikt. Gebruik dit formaat als u gegevens overzet naar de unit van een
concurrent.
• Northstar.dat (zonder tracks)
Wordt gebruikt voor de overdracht van gegevens naar een verouderd Northstar-apparaat.
Alle waypoints, routes en Tracks exporteren
Gebruik de exportoptie als u een back-up wilt maken van alle waypoints, routes, tracks en
trips op uw systeem.
Regio exporteren
Met de optie Regio exporteren kunt u het gebied selecteren waarvan u de gegevens wilt
exporteren.
1. Het te exporteren gebied selecteren
2. Markeer het gebied dat u wilt exporteren door het kader te slepen
3. Selecteer de optie Exporteren in het menu
4. Selecteer het juiste bestandsformaat
5. Selecteer het veld Seriële poort om de export te starten
Waypoints, routes en Tracks wissen
Verwijderde waypoints, routes en Tracks blijven bewaard in het geheugen van de displayunit totdat de gegevens worden gewist. Dit is nodig om gebruikersgegevens op meerdere
units op een Ethernet-netwerk met elkaar te kunnen synchroniseren. Als u talloze
verwijderde, niet-gewiste waypoints hebt, kunt u de systeemprestaties verbeteren door deze
te wissen.
Ú Notitie: Gebruikersgegevens die uit het geheugen zijn gewist, kunnen niet meer
hersteld worden.
136
Onderhoud| NSS evo3 Gebruikershandleiding
Index
A
Aankomst radius 48
Aankomstalarm 48
Achtergrond Home pagina 20
Actief paneel 18
Afstand meten 29, 80, 89
AIS 104
Doelinformatie weergeven 105
Doelsymbolen 104
DSC 105
Een vaartuig oproepen 105
Informatie op radarpanelen 105
Informatie over doelen bekijken 104
Symbool oriëntatie 109
Symboolfilters 108
Zoeken naar AIS-items 104
AIS SART 105
Alarmbericht 106
Alarm Kritieke zone 98
Alarmen
Alarminstellingsdialoog 127
Bevestigen 127
Enkelvoudig alarm 127
Meervoudige alarmen 127
Type berichten 127
Alarm
Kritieke zone 98
Alarmsysteem 127
App
GoFree Link 100
Applicatiepagina's 11
Audio 112
Activeren 112
Bedrijfstemperatuur 116
Favoriete kanalen 116
Het audio systeem instellen 115
Hoofdregeling volume 116
Luidsprekers 115
Luidsprekerzones 115
Regelknoppen 115
Sirius afkoppelen 116
Sirius radio 116
Tunerregio selecteren 116
Audio functies 115
Audio
Paneel 114
Autorouting, zie Dock-to-dock
Autorouting 40
Autorouting
Dock-to-dock 40
B
Back-up maken van uw
systeemgegevens 135
Bediening
Touch 16
Bereik 81
Bestanden naar een kaart, kopiëren 130
Index | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Bestanden weergeven 129
Bestanden, beheer 129
Bestanden
Weergave 129
Bodemvergrendeling 85
Brandstofzuinigheidsmeter 23
Brug bediening 23
Brugvoorinstellingen 25
De vooraf ingestelde pagina's
configureren 24
Displays toevoegen 24
Pagina configuraties 23
C
Controller en viewer-app
GoFree Link 100
Coördinatensysteem 48
Cursorondersteuning 28, 69, 80, 89
De lange druk configureren 20
CZone 13
D
Dashboards 110
DCT 60
De unit in- en uitschakelen 15
Demomodus 131
Dialoogvenster Systeem regelingen 15
Dialoogvensters 17
Diepte-offset 98
Dieptelijn 85
Displayverlichting 15
Dock-to-dock Autorouting
Gehele route 41
Selectie 41
Voorbeeld: 41
Draadloos
Apparaatdetails 102
Verbinden smartphone 101
Verbinden tablet 101
Draadloze hotspot
Verbinding tot stand brengen en
verbreken 100
Dubbel bereik, radar 69
Dubbele radar 67
E
Easy Routing 40
Voorbeeld: 41
EBL/VRM-markering 74
Echosounder 79
A-scope 85
Beeld 79
Diepte-offset 98
Gebruik van de cursor 80
Gesplitst scherm 85
Historie weergeven 81
Opgenomen gegevens weergeven 85
137
Opname van echosoundergegevens
starten 83
Opname van loggegevens stoppen 84
Pauzeren 82
Pingsnelheid 83
Structuuropties 82
Verschuifsnelheid 83
Vis aanduiding 86
Weergaveopties 85
Zoombalk 80
Zoombalken 85
Zoomen 80
Echosounder
Splits zoom 85
Echosoundergegevens opnemen 91
Echosounderlog weergeven 87
F
Fantoom Loran 48
Instellingen 48
Favoriete pagina's 12
Bewerken 22
Nieuwe toevoegen 21
Favorieten 18
FLIR camera
Draaien en kantelen 125
Home positie 125
Verbinding tot stand brengen 124
FLIR-camera
Bediening 124
Bronopties 125
Digitale zoom 125
Integratie 13
Optische zoom 125
Zoomen 125
ForwardScan 95
Alarm Kritieke zone 98
Beeld 95
Installatie 87
Instellen 97
Kritieke afstand vooruit 98
Kritieke diepte 98
Transducerhoek 98
Voorl. koers verlenging 96
Frequentie 81
Functie lange druk
Aanpassen 20
FUSION-Link 112
G
Ga naar cursor 28, 69, 80, 89
Garantie 4
Gesplitst scherm
Echosounder 85
Gesplitste pagina's 12
Vooraf geconfigureerd 12
Gevaarlijke vaartuigen 108
GoFree
Draadloze verbinding 100
138
Index | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Shop 100
GoFree
Link 100
Verbinden smartphone 101
Verbinden tablet 101
GRIB weer 117
Gegevens importeren 117
Informatievenster 119
Overlay op kaartpaneel 118
Weervoorspellingen met animaties 119
Grootcirkel 47
H
Handleidingen, weergeven 5
Handleiding
Info over 4
Handmatig
Versie 5
Het systeem aanpassen 20
Het touchscreen vergrendelen 16
I
Insight-kaartopties 31
Instrumentenbalk 22
Activiteitenbalk 22
Brandstofzuinigheidsmeter 23
De inhoud aanpassen 22
In-/uitschakelen 22
Weergave 22
Instrumentpanelen 110
Internetgebruik 4
K
Kaart
Bestanden kopiëren naar 130
Kaarten 26
3D-kaarten 30
Afstand meten 29
Bron radar-overlay 68
C-MAP-kaartopties 30
Gebruik van de cursor 28
Het vaartuig op het kaart paneel
positioneren 27
Ingebouwde cartografie 26
Insight-kaartopties 30
Instellingen 37
Kaartgegevens 26
Kaartkompas 65
Kaartpaneel 26
Kaartschaal 27
Kaarttype selecteren 27
Koers boven 28
Navionics-kaartopties 34
Noord boven 27
Objecten zoeken op de kaart 29
Oriëntatie 27
Overlay 30
Routes maken 29
Twee kaarten 27
Vaarrichting boven 28
Vaartuigsymbool 27
Verschuiven 27
Vooruit kijken 28
Zoomen 27
Kaarten
Symbool 27
Kaartopties voor C-MAP 31
Kopiëren van bestanden naar een
kaart 130
Kritieke afstand vooruit 98
Kritieke diepte 98
L
Loxodromen 47
Luidsprekers 115
Luidsprekerzones 115
M
Magnetische variatie 48
Man overboord
Een MOB aanmaken 18
Een MOB-waypoint verwijderen 18
Navigatie naar MOB annuleren 18
Menu's 17
MMSI nummer 107
N
Navigatie-instellingen 47
Navigeer
Aankomstalarm 48
Methoden 47
Grootcirkel 47
Loxodromen 47
Nav-paneel 45
Positiepaneel 45
Referentievlak 48
Navigeren 45
Aankomst radius 48
Een route annuleren 47
Met stuurautomaat 47
Naar cursorpositie 46
Panelen 45
Routes 46
Navionics-kaartopties 34
NMEA
Exporteren logbestand 134
O
Opnemen
Opname van echosoundergegevens
starten 83
Opname van loggegevens starten 83
Overlay DownScan 86
P
Pagina's
Een pagina selecteren 18
Index | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Selecteren actief paneel 18
Paletten 85, 90
Paneel Tijdplot 126
Ontbrekende gegevens 126
Paneelformaat aanpassen 20
Panelen
Paneelformaat aanpassen 20
PDF, bestanden weergeven 5
Pincode
Wachtwoordbeveiliging 21
Pingsnelheid 83
PPI 74
Preventief onderhoud 133
R
Radar 67
Alarm instellingen 76
Bereik 69
Bewakingszone 75
Bron 68
Bron radar-overlay 68
Doel sporen 73
Doelvergroting 72
Drempel 72
Dubbel 67
Dubbel bereik 69
EBL/VRM
Plaatsen 75
EBL/VRM-markering 74, 75
EBL/VRM
Gain 72
Gegevens opnemen 77
Gevoeligheid 76
Instellingen 77
Koers boven 74
MARPA
Alarminstellingen 77
Doelen 76
Doelen volgen 76
Doelinfo weergeven 77
Doelsymbolen 76
Midden van radar positioneren 74
Noord boven 74
Offset 74, 75
Operationele modi 68
Oriëntatie 73
Overlay 68
Palet 73
PPI 74
Radarpaneel 67
Rain clutter 72
Snelle scan 73
Storing 73
Target boost 73
Vaarrichting boven 74
Veiligheidszone 75
Ware beweging 74
Zee-echo 72
Zeeconditie 73
Referentievlak 48
139
Regio exporteren 136
Registratie van NMEA-gegevens 133
Routes 40
Bewerken in het kaartpaneel 40
Dialoogvenster 44
Dialoogvenster Route wijzigen 42
Dock-to-dock Autorouting 40
Easy Routing 40
Een nieuwe route aanmaken op het
kaartpaneel 40
Een route aanmaken op basis van
bestaande waypoints 41
Navigeren 46
Tracks omzetten in routes 42
Ruisonderdrukking 83
S
Schermafdruk 19
Setup wizard
Voor de eerste keer opstarten 15
Simulator 131
Bronbestanden 131
Demomodus 131
Sirius radio 116
Favorietenlijst 116
Kanalen vergrendelen 116
Kanalenlijst 116
Sirius weer
Golfhoogte indicatie 120
Kleurcodes 122
Maritieme zones 122
Neerslag 120
Overlay op kaartpaneel 120
Statuspaneel 119
Tropische berichten 122
Weer animaties 122
Weersymbolen 121
Zeewater oppervlakte temperatuur
(SST) 120
SiriusXM-weer 119
SL2-formaat 83
SL3-formaat 83
SLG-formaat 83
SmartCraft VesselView 13
Snelheid- en koersindicatie 109
Software bijwerken 135
Software-upgrade 134
Software
Een update uitvoeren 135
Softwareversie 5
SonicHub 112
Split zoom
Echosounder 85
StructureMap 84, 92
Activeren 92
Beeld 92
Bronnen 92
Cartografie kaarten 93
Live bron 92
Opgeslagen bestanden 93
140
Index | NSS evo3 Gebruikershandleiding
Opties 94
Tips 93
StructureScan 88
Aangepast range 90
Auto-bereik 90
Beeld 88
Bereik 90
Bereiklijnen 91
Contrast 90
DownScan of SideScan bekijken 90
Frequenties 90
Geavanceerde instellingen 91
Gebruik van de cursor 89
Gegevens converteren naar
StructureMap-indeling 93
Gegevens opnemen 93
Het beeld omkeren 91
Het beeld pauzeren 90
Historie weergeven 90
Ruisonderdrukking 94
Vooraf ingestelde bereikniveaus 90
Weergaveopties 88
Zoomen 88
Sturen met wendpatroon
Stuurautomaat 59
Stuurautomaat 53
Activeren 53
AP24/28-systemen 61
Autopilot-paneel 54
De aankomstcirkel van het waypoint 57
De modus AUTO 55
Dieptecontour volgen 60
EVC-systeem 61
Follow-Up-besturing 55
Gijpen 58
Indicatie op de Statusbalk 53
Indicatie op pagina's 53
Kaartkompas 65
Modi 55
Modus Non-Follow-Up (NFU) 55
Ontwijken 56
Overschakelen naar handmatig
sturen 53
Overstag gaan in AUTO-modus 56
Overstag gaan in WIND-modus 58
Pop-up Autopilot 54
Standby-modus (STBY) 55
Stations op afstand vergrendelen 61
Sturen met wendpatroon 59
Stuurautomaat vakje op
Instrumentenbalk 54
WIND-modus 58
Systeem instellingen
Coördinatensysteem 48
Magnetische variatie 48
Systeeminstellingen
Referentievlak 48
Systeemprestaties verbeteren 136
T
Temperatuur grafiek 85
Tijd plot 126
Tijd plots
Data selecteren 126
Tools 129
Tools
Zoeken 130
Touch
Bediening 16
Touchscreen
Vergrendelen 16
Tracks
Dialoogvenster 44
Tracks omzetten in routes 42
Tracks
Instellingen 43
Nieuwe aanmaken 43
Transducerhoek, ForwardScan 98
Tripbeheer 49
TripIntel 49
TVG 83, 91
Exporteren 136
Waypoints 39
Alarminstellingen 39
Bewegen 39
Bewerken 39
Dialoogvenster 44
Opslaan 29, 39, 69
Weer 117
Alarmen 122
Weerdetails weergeven 117
WheelKey
Configureren 20
Windveren 117
Wissen 136
X
XTE limiet 48
XTF-formaat 83
Z
Zeeconditie 73
Zoeken 130
U
Unit
Controleren van de connectoren 133
V
Vaartuigalarmen 107
Vaartuiginstellingen 107
Verbinden smartphone 101
Verbinden tablet
GoFree, draadloos 101
Verbinden
Draadloze hotspot 100
Smartphone en tablet 100
Verbinding verbreken
Draadloze hotspot 100
Verlengingslijnen 108
Verlichting 15
Verschuifsnelheid 83
Video 124
Bron 124
Het beeld aanpassen 124
Het paneel instellen 124
Standaard 124
Video
Videopaneel 124
Voor de eerste keer opstarten
Setup wizard 15
W
Wachtwoordbeveiliging 21
Wallpaper, aanpassen 20
Waypoints opslaan 29, 39, 69
Waypoints, routes en tracks
Wissen 136
Waypoints, routes, trails en trips
Index | NSS evo3 Gebruikershandleiding
141
0980
*988-11360-001*
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement