Toro Z Master Professional 6000 Series Riding Mower, Riding Product Handleiding

Toro Z Master Professional 6000 Series Riding Mower, Riding Product Handleiding
Form No. 3424-730 Rev A
Z Master® professionele 6000
serie zitmaaiers
Met een TURBO FORCE® maaidek van
122 cm, 132 cm of 152 cm
Modelnr.:
Modelnr.:
Modelnr.:
Modelnr.:
Modelnr.:
Registreer uw product op www.Toro.com.
Vertaling van de oorspronkelijke tekst (NL)
74902TE—Serienr.:
74919TE—Serienr.:
74925TE—Serienr.:
74942TE—Serienr.:
75969TE—Serienr.:
403138033 en hoger
403227085 en hoger
403138045 en hoger
402364843 en hoger
403100000 en hoger
*3424-730* A
Dit product voldoet aan alle relevante Europese
richtlijnen; zie voor details de aparte productspecifieke
conformiteitsverklaring.
en onderhouden en om schade aan de machine en
letsel te voorkomen. U bent verantwoordelijk voor het
juiste en veilige gebruik van de machine.
Bruto- en nettokoppel: Het bruto- en nettokoppel
van deze motor is door de motorfabrikant in
laboratoriumomstandigheden gemeten volgens
standaard J1940 of J2723 van de Society of
Automotive Engineers (SAE). Omdat bij de
configuratie rekening is gehouden met de veiligheids-,
emissie- en gebruiksvoorschriften, zal de motor van
dit type maaiers in de praktijk veel minder koppel
hebben.
Neem rechtstreeks contact op met Toro via
www.toro.com voor trainingsmaterialen over
productveiligheid en -bediening, informatie over
accessoires, om een verdeler te zoeken of om uw
product rechtstreeks te registreren.
Voor de Gebruikershandleiding, alle informatie over
de garantie of het registreren van uw product kunt u
de QR-code gebruiken of www.Toro.com raadplegen.
Als u een gedrukt exemplaar van de garantie wilt
ontvangen, bel ons dan op 00 1 888 384 9939.
Raadpleeg de meegeleverde documentatie van de
motorfabrikant.
Als u service, originele Toro onderdelen of aanvullende
informatie nodig hebt, kunt u contact opnemen met
een erkende servicedealer of met de klantenservice
van Toro. U dient hierbij altijd het modelnummer en
het serienummer van het product te vermelden. De
locatie van het plaatje met het modelnummer en
het serienummer van het product is aangegeven op
Figuur 1. U kunt de nummers noteren in de ruimte
hieronder.
WAARSCHUWING
CALIFORNIË
Proposition 65 Waarschuwing
De uitlaatgassen van de motor van
dit product bevatten chemische
stoffen waarvan bekend is dat ze
kanker, geboorteafwijkingen of andere
schade aan de voortplantingsorganen
kunnen veroorzaken.
Accuklemmen, accupolen en dergelijke
onderdelen bevatten lood en
loodverbindingen. Van deze stoffen
is bekend dat ze kanker en schade aan
de voortplantingsorganen veroorzaken.
Was altijd uw handen nadat u met deze
onderdelen in aanraking bent geweest.
Gebruik van dit product kan leiden tot
blootstelling aan chemische stoffen
waarvan de Staat Californië weet dat ze
kanker, geboorteafwijkingen en andere
schade aan het voortplantingssysteem
veroorzaken.
Belangrijk: U kunt met uw mobiel apparaat
de QR-code (indien aanwezig) op het plaatje
met het serienummer scannen om toegang te
krijgen tot de garantie, onderdelen en andere
productinformatie.
Inleiding
g233771
Figuur 1
Deze maaitractor met draaiende messen is
bedoeld voor professioneel gebruik. De machine is
voornamelijk ontworpen voor het maaien van gras
op goed onderhouden particuliere of commerciële
gazons. De machine is niet ontworpen voor het
maaien van struikgewas of voor gebruik in de
landbouw.
1. Plaats van modelnummer en serienummer
Modelnr.:
Serienr.:
Lees deze informatie zorgvuldig door, zodat u weet
hoe u de machine op de juiste wijze moet gebruiken
© 2018—The Toro® Company
8111 Lyndale Avenue South
Bloomington, MN 55420
2
U kunt contact met ons opnemen op www.Toro.com.
Gedrukt in de VS
Alle rechten voorbehouden
Antiscalpeerrollen afstellen............................... 32
Antiscalpeerrollen afstellen............................... 33
De glijder(s) afstellen ........................................ 34
De sluitnokken van de afvoerplaat
instellen......................................................... 34
Stand van afvoerplaat instellen ......................... 35
Tips voor bediening en gebruik ......................... 36
Na gebruik ........................................................... 37
Veiligheid na het werk ....................................... 37
De brandstofafsluitklep gebruiken..................... 37
De vrijgavehendels van de aandrijfwielen
gebruiken ...................................................... 37
De machine transporteren ................................ 38
De Z StandTM gebruiken ................................... 40
Onderhoud .............................................................. 42
Aanbevolen onderhoudsschema ......................... 42
Procedures voorafgaande aan onderhoud ........... 43
Veiligheid bij onderhoud.................................... 43
De afdekking van het maaidek
losmaken ...................................................... 43
Het plaatmetaalscherm verwijderen.................. 44
Smering ............................................................... 44
De machine smeren.......................................... 44
Dunvloeibare olie of sproeismering
gebruiken ...................................................... 44
Maaidek smeren met vet................................... 45
Zwenkwielnaven smeren .................................. 46
Onderhoud motor ................................................ 47
Veiligheid van de motor..................................... 47
Onderhoud van het luchtfilter ............................ 47
Motorolie verversen .......................................... 48
Onderhoud van de bougie ................................ 51
Vonkenvanger controleren................................ 52
Onderhoud brandstofsysteem ............................. 53
Brandstoffilter vervangen ................................. 53
Onderhoud van de brandstoftank...................... 53
Onderhoud elektrisch systeem ............................ 54
Veiligheid van het elektrisch systeem................ 54
Onderhoud van de accu.................................... 54
Onderhoud van de zekeringen.......................... 56
Onderhoud aandrijfsysteem ................................ 56
Veiligheidsgordel controleren ........................... 56
De knoppen van de rolbeugel
controleren.................................................... 56
De sporing afstellen .......................................... 57
De bandenspanning controleren....................... 58
De wielmoeren controleren............................... 58
De sleufmoer van de wielnaaf
controleren.................................................... 58
Lager van draaipunt van zwenkwiel
afstellen ........................................................ 58
Opvulstuk van de koppeling gebruiken.............. 59
Onderhoud koelsysteem ..................................... 61
Motorscherm en oliekoeler van de motor
reinigen ......................................................... 61
De koelribben en schermen reinigen................. 61
Schermen van hydraulische eenheid
controleren en reinigen. ................................ 62
Deze handleiding wijst u op mogelijke gevaren
en bevat veiligheidswaarschuwingen die u kunt
herkennen aan het waarschuwingspictogram (Figuur
2), dat wijst op een gevaar dat ernstig letsel of de dood
kan veroorzaken indien u nalaat de voorgeschreven
maatregelen te treffen.
g000502
Figuur 2
Waarschuwingspictogram
Er worden in deze handleiding twee woorden gebruikt
om uw aandacht op bijzondere informatie te vestigen.
Belangrijk attendeert u op bijzondere technische
informatie en Opmerking duidt algemene informatie
aan die bijzondere aandacht verdient.
Inhoud
Veiligheid .................................................................. 4
Algemene veiligheid ........................................... 4
Hellingsindicator ................................................ 5
Veiligheids- en instructiestickers ........................ 6
Algemeen overzicht van de machine ....................... 15
Bedieningsorganen .......................................... 15
Specificaties .................................................... 17
Machines met zijafvoer ..................................... 17
Machines met achterafvoer .............................. 18
Voor gebruik ........................................................ 18
Veiligheidsinstructies voorafgaand aan het
werk .............................................................. 18
Dagelijks onderhoud uitvoeren ......................... 20
Een nieuwe machine inrijden ............................ 20
De omkantelbeveiliging (rolbeugel)
gebruiken ...................................................... 20
Het veiligheidssysteem gebruiken .................... 21
Bestuurdersstoel instellen ................................ 22
Bestuurdersstoel ontgrendelen......................... 22
De stoelophanging verstellen ........................... 23
Instellen van de MyRide™ vering ..................... 23
Tijdens gebruik .................................................... 24
Veiligheid tijdens het werk................................. 24
Plaatsnemen in de bestuurderspositie .............. 26
Parkeerrem gebruiken ...................................... 26
De messchakelaar (aftakas) bedienen.............. 27
De gashendel bedienen.................................... 27
De choke bedienen .......................................... 27
Starten van de motor ........................................ 28
De motor afzetten ............................................. 28
De rijhendels gebruiken .................................... 29
Met de machine rijden....................................... 29
Zijafvoer gebruiken ........................................... 30
De maaihoogte instellen ................................... 31
3
Veiligheid
Onderhouden remmen ........................................ 62
Parkeerrem afstellen ........................................ 62
Onderhoud riemen .............................................. 63
Riemen controleren .......................................... 63
Drijfriem van maaidek vervangen voor
maaidekken met zijuitworp............................ 63
De aandrijfriem van het maaidek vervangen
voor maaidekken met achterafvoer ............... 64
Aandrijfriem van de hydraulische pomp
vervangen ..................................................... 66
Onderhoud bedieningsysteem ............................ 67
De stand van de bedieningshendel
afstellen ........................................................ 67
Rijhendelmechanisme afstellen........................ 68
De rijhendeldemper afstellen ............................ 69
Het scharnierpunt van de neutraalstand van
de rijhendel afstellen ..................................... 69
Onderhoud hydraulisch systeem ......................... 70
Veiligheid van het hydraulische systeem........... 70
Het hydraulische systeem een
onderhoudsbeurt geven ................................ 70
Onderhoud van het maaidek ................................ 73
Maaidek horizontaal stellen .............................. 73
Onderhoud van de maaimessen ....................... 75
Maaidek verwijderen......................................... 78
Grasgeleider vervangen ................................... 80
Reiniging ............................................................. 81
De onderkant van het maaidek reinigen ............ 81
De vering reinigen ............................................ 81
Afval afvoeren .................................................. 81
Stalling .................................................................... 81
Veiligheid tijdens opslag ................................... 81
Reinigen en opslaan ......................................... 81
Problemen, oorzaak en remedie ............................. 83
Schema's ................................................................ 86
Deze machine is ontworpen in overeenstemming met
de EN-norm ISO 5395:2013.
Algemene veiligheid
Dit product kan handen of voeten afsnijden
en voorwerpen uitwerpen. Volg altijd alle
veiligheidsinstructies op om ernstig letsel te
voorkomen.
Dit product gebruiken voor andere doeleinden dan het
bedoelde gebruik kan gevaarlijk zijn voor u of voor
omstanders.
• Houd de rolbeugel altijd in de volledig omhoog
geklapte en vergrendelde stand en doe de
veiligheidsgordel om.
• Gebruik de machine niet in de buurt van steile
hellingen, greppels, oevers, water of andere
gevaren, of op hellingen steiler dan 15 graden.
• Lees deze Gebruikershandleiding en zorg ervoor
dat u deze begrijpt voordat u de motor start.
• Houd handen en voeten uit de buurt van de
bewegende onderdelen van de machine.
• Gebruik de machine enkel als de nodige schermen
en andere beveiligingsmiddelen aanwezig zijn en
naar behoren werken.
• Laat geen kinderen of omstanders het werkgebied
betreden. Laat kinderen nooit de machine
bedienen.
• Stop de machine, schakel de motor uit
en verwijder het sleuteltje voordat u
onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan
de machine, brandstof bijvult of verstoppingen
verwijdert.
Onjuist gebruik of onderhoud van deze machine
kan letsel tot gevolg hebben. Om het risico op
letsel te vermijden, dient u zich aan de volgende
veiligheidsinstructies te houden en altijd op het
veiligheidssymbool te letten, dat betekent Voorzichtig,
Waarschuwing of Gevaar – instructie voor persoonlijke
veiligheid. Niet-naleving van deze instructies kan
leiden tot lichamelijk of dodelijk letsel.
U vindt bijkomende veiligheidsinformatie op de
betreffende plaatsen in deze handleiding.
4
Hellingsindicator
g011841
Figuur 3
U mag deze pagina kopiëren voor persoonlijk gebruik.
1. De maximale hellingshoek waarbij u de machine mag gebruiken is 15 graden. Gebruik het hellingsschema om de hellingshoek
te bepalen voordat u de machine bedient. Gebruik de machine niet op hellingen van meer dan 15 graden. Langs de
betreffende lijn van de aanbevolen hellingshoek vouwen.
2. Lijn deze rand uit met een verticaal oppervlak, bijvoorbeeld een boom, gebouw of hek.
3. Voorbeeld van het vergelijken van de hellingshoek met de gevouwen rand
5
Veiligheids- en instructiestickers
Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en
bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen
stickers.
decal93-7818
93-7818
decalbatterysymbols
1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding voor
instructies om de mesbout/moer vast te zetten met een
torsie van 115 tot 149 N·m.
Symbolen op accu
Sommige of alle symbolen staan op de accu
1. Risico van explosie
2. Niet roken. Geen open
vuur of vonken
3. Risico van bijtende
vloeistof/chemische
brandwonden
4. Draag oogbescherming.
5. Lees de
Gebruikershandleiding.
6. Houd omstanders op een
veilige afstand van de
accu.
7. Draag oogbescherming;
explosieve gassen kunnen
blindheid en ander letsel
veroorzaken.
8. Accuzuur kan blindheid
of ernstige brandwonden
veroorzaken.
9. Ogen direct met water
spoelen en snel arts
raadplegen.
10. Bevat lood; niet
weggooien
decal99-8936
99-8936
1. Snelheid van de machine
2. Snel
3. Langzaam
decaloemmarkt
Merkteken van fabrikant
4. Neutraalstand
5. Achteruit
1. Geeft aan dat het mes onderdeel van een originele Toro
maaimachine is.
decal106-2655
106-2655
decal58-6520
58-6520
1. Waarschuwing – Blijf uit de weg van bewegende riemen
en raak deze niet aan. Verwijder het sleuteltje uit het
contact en raadpleeg de instructies vóór u service- of
onderhoudswerkzaamheden uitvoert.
1. Smeervet
6
decal107-3969
107-3969
decal106-5517
106-5517
1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding.
1. Waarschuwing – Raak het hete oppervlak niet aan.
2. Ledematen kunnen bekneld raken, maaimachine – Stel de
parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het
sleuteltje uit het contact voordat u werkzaamheden onder
de maaimachine gaat verrichten.
decal109-6036
109-6036
Uitsluitend voor machines met achterafvoer
1. Lees de Gebruikershandleiding.
2. Neem het sleuteltje uit de contactschakelaar en lees de
instructies voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden
uitvoert.
3. Maaihoogte
decal107-3069
107-3069
1. Waarschuwing – Er is geen omkantelbeveiliging als de
rolbeugel omlaag is geklapt.
2. Om lichamelijk of dodelijk letsel te voorkomen als
de machine omkantelt, moet u de rolbeugel in de
omhoog geklapte en vergrendelde positie houden en de
veiligheidsgordel omdoen. Klap de rolbeugel uitsluitend
omlaag als dit absoluut noodzakelijk is; als de rolbeugel
omlaag is geklapt, mag u de veiligheidsgordel niet omdoen.
3. Lees de Gebruikershandleiding; rij langzaam en voorzichtig.
decal110-2067
110-2067
7
decal110-2068
110-2068
1. Lees de Gebruikershandleiding.
decal114-4470
114-4470
decal112-9028
112-9028
1. Waarschuwing – Blijf uit de buurt van bewegende
onderdelen; laat alle beschermplaten op hun plaats.
1. Lees de
Gebruikershandleiding.
3. Vergrendeld
2. Maaihoogte
4. Ontgrendeld
decal114-4466
114-4466
1. Hoofdstroom (25 A)
3. Laden (25 A)
2. Aftakas (10 A)
4. Hulpaggregaat (15 A)
decal115-9625
115-9625
Uitsluitend voor machines met MyRide™
1. Parkeerrem: vrijgesteld
2. Parkeerrem: ingeschakeld
decal116-1716
116-1716
1. Brandstof
2. Leeg
3. Half
4. Vol
5. Accu
8
6. Urenteller
7. Aftakas
8. Parkeerrem
9. Neutraalstand
10. Dodemansknop
decal116-5988
116-5988
Uitsluitend voor machines zonder MyRide™
1. Parkeerrem: ingeschakeld
decal117-3848
117-3848
1. De machine kan voorwerpen uitwerpen – Houd omstanders
op een veilige afstand van de machine.
2. Parkeerrem: vrijgesteld
2. Maaier kan voorwerpen uitwerpen – Gebruik de machine
niet zonder dat de grasgeleider, de afsluiter van de afvoer
of het grasopvangsysteem is gemonteerd.
3. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd
– Blijf uit de buurt van bewegende delen; houd alle
beschermende delen op hun plaats.
decal116-8726
116-8726
1. Lees de Gebruikershandleiding voor de aanbevolen
hydraulische vloeistof.
decal120-5897
120-5897
decal117-0346
117-0346
1. Risico op brandstoflekkage – Lees de Gebruikershandleiding. Probeer de rolbeugel niet te verwijderen. U mag
de rolbeugel niet lassen, boren of op welke wijze dan ook
aanpassen.
9
1. Chokeklep
4. Langzaam
2. Snel
3. Continu snelheidsregeling
5. Aftakas, messchakelaar
decal120-5898
120-5898
1. Choke
4. Langzaam
2. Snel
3. Continu snelheidsregeling
5. Aftakas, messchakelaar
decal127-0326
127-0326
1. Lees de
Gebruikershandleiding.
3. Verwijder het sleuteltje
uit het contact en lees
de Gebruikershandleiding
voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden
uitvoert.
2. Maaihoogte
decal126-2055
126-2055
1. Torsie van wielmoeren 129 N·m (4x)
2. Torsie van wielnaaf 319 N·m
3. Lees de Gebruikershandleiding voordat u
onderhoudswerkzaamheden uitvoert en zorg ervoor dat u
de inhoud begrijpt. Controleer de torsie na de eerste 100
bedrijfsuren en vervolgens elke 500 bedrijfsuren.
decal126-4659
126-4659
1. Waarschuwing – hete poelie; laat deze afkoelen.
decal127-6662
127-6662
Uitsluitend voor maaiers met achterafvoer
1. Opgelet – Lees de
Gebruikershandleiding.
2. Verwijder de moer door
deze rechtsom te draaien.
10
3. Verwijder de bout door
deze linksom te draaien.
decal136-5522
136-5522
Uitsluitend voor machines met achterafvoer
decal132-5063
1. Geleiding van drijfriem; lees de Gebruikershandleiding voor
informatie over smering.
132-5063
Alleen voor machines met MyRide™
1. Vergrendeld
2. Ontgrendeld
decal136-5508
136-5508
1. Geleiding van drijfriem
11
decal114-4468
114-4468
5. Kans dat de wielen grip verliezen en de bestuurder de macht
over de machine verliest, hellingen – Op een helling kunnen
de wielen grip verliezen en kan de bestuurder de macht over
de machine verliezen, schakel de aftakas uit en rij langzaam
de helling af.
1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding.
2. Waarschuwing – Bedien deze machine uitsluitend als u daarin 6. Ledematen van omstanders kunnen bekneld
bent getraind.
raken/afgesneden worden – Neem geen passagiers
mee en kijk naar voren en naar beneden tijdens het gebruik
van de machine; kijk achterom en naar beneden tijdens het
achteruitrijden.
3. Waarschuwing – Stel de parkeerrem in werking, zet de motor
af en verwijder het contactsleuteltje; lees de instructies
voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert.
7. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd
– Blijf uit de buurt van bewegende delen en houd alle
beschermende delen op hun plaats.
4. De machine kan voorwerpen uitwerpen – Zet de motor af
en verwijder obstakels voordat u begint te maaien. Houd
omstanders op een veilige afstand van de machine en zorg
ervoor dat de grasgeleider op zijn plaats zit.
decal125-9383
125-9383
1. Controleer de hydraulische vloeistof om de 50 bedrijfsuren.
3. Controleer de bandenspanning om de 50 bedrijfsuren.
2. Lees de Gebruikershandleiding voor informatie over het
smeren van de machine.
4. Lees de Gebruikershandleiding voordat u service- of
onderhoudswerkzaamheden uitvoert.
12
decal132-0871
132-0871
Opmerking: Deze machine voldoet aan de tests die de statische breedte- en lengtestabiliteit meten en die standaard zijn in de
sector. De maximale aanbevolen hellingshoek wordt vermeld op de sticker. Raadpleeg de instructies voor gebruik van de machine op
hellingen in de Gebruikershandleiding en de omstandigheden waarin u de machine zou gebruiken om na te gaan of u de machine op
een bepaalde dag en op het terrein in kwestie kunt gebruiken. Veranderingen in het terrein kunnen tot gevolg hebben dat de machine
anders reageert op hellingen. Laat de maai-eenheden indien mogelijk neer op de grond wanneer u de machine op een helling gebruikt.
Als u de maai-eenheden omhoog brengt op hellingen, kan de machine onstabiel worden.
1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding, gebruik
deze machine uitsluitend als u hierin getraind bent; draag
gehoorbescherming.
4. Gevaar, oprijplaat – Gebruik geen dubbele oprijplaat bij het
laden op een aanhanger. Gebruik een enkele oprijplaat die
breed genoeg is voor de machine en die een hellingshoek
heeft van minder dan 15°. Rij achteruit de oprijplaat op en rij
vooruit de oprijplaat af.
2. Ledematen kunnen worden gesneden/geamputeerd en
worden gegrepen – Houd uw handen uit de buurt van
bewegende onderdelen; laat alle beveiligingen op hun plaats.
5. Risico op lichamelijk letsel – Vervoer geen passagiers; kijk
achterom als u achteruit maait.
3. Gevaar op weggeslingerde objecten – Houd omstanders op
een afstand.
6. Kantelgevaar op hellingen – Gebruik de machine niet op
hellingen in de buurt van water of op hellingen van meer dan
15°.
decal132-5067
132-5067
Alleen voor machines met MyRide™
13
decal133-8062
133-8062
14
Algemeen overzicht
van de machine
Bedieningspaneel
g008951
Figuur 5
1. Aftakasschakelaar
4. Urenteller/ display
veiligheidssysteem
2. Chokeknop
5. Contactschakelaar
3. Gashendel
6. Zekeringen
g029631
Figuur 4
1. Grasgeleider voor
zijafvoer
8. Achterste schokdemper
(alleen voor machines met
MyRide™)
2. Hefpedaal maaihoogtedek
9. Veiligheidsgordel
3. Parkeerremhendel
Urenteller
De urenteller registreert het aantal uren dat de
motor in bedrijf is geweest. De urenteller werkt als
de motor loopt. Gebruik deze tijden om regelmatig
onderhoudswerkzaamheden te plannen (Figuur 6).
10. Brandstoftankdop
4. Transportvergrendeling
11. Maaidek
5. Bedieningsorganen
12. Zwenkwiel
6. Rijhendels
13. Voorste schokdemper
(alleen voor machines met
MyRide™)
Brandstofmeter
De brandstofmeter bevindt zich in de urenteller en de
streepjes worden verlicht als de contactschakelaar
AAN staat (Figuur 6).
7. Rolbeugel
Het indicatielampje gaat branden als het brandstofpeil
te laag is (er bevindt zich dan nog ongeveer 3,8 liter
brandstof in de brandstoftank).
Bedieningsorganen
Zorg ervoor dat u vertrouwd bent met alle
bedieningsorganen voordat u de motor start en de
machine gebruikt (Figuur 4 en Figuur 5).
Indicators veiligheidssysteem
Er staan symbolen op de urenteller die met een
zwarte driehoek aangeven dat het veiligheidssysteem
juist aangebracht is (Figuur 6).
Accu-indicatielampje
Als u het contactsleuteltje gedurende een paar
seconden in de stand AAN zet, wordt de accuspanning
weergeven in het gebied waar normaal de uren
worden weergegeven.
Het acculampje wordt ingeschakeld wanneer het
contact is ingeschakeld en wanneer de lading zich
onder het juiste bedrijfsniveau bevindt (Figuur 6).
15
Brandstofafsluitklep
Sluit de brandstofafsluitklep wanneer u de machine
transporteert of stalt; zie De brandstofafsluitklep
gebruiken (bladz. 37).
Werktuigen/accessoires
Een selectie van door Toro goedgekeurde werktuigen
en accessoires is verkrijgbaar voor gebruik met de
machine om de mogelijkheden daarvan te verbeteren
en uit te breiden. Neem contact op met een erkende
servicedealer of een erkende Toro distributeur,
of bezoek www.Toro.com voor een lijst van alle
goedgekeurde werktuigen en accessoires.
g008950
Figuur 6
1. Symbolen
veiligheidssysteem
4. Symbolen
veiligheidssysteem
2. Urenteller
5. Indicatielampje
brandstofpeil
Om de beste prestaties te verkrijgen en er zeker
van te zijn dat de machine altijd veilig kan worden
gebruikt, moet u ter vervanging uitsluitend originele
Toro onderdelen en accessoires gebruiken. Gebruik
ter vervanging nooit onderdelen en accessoires van
andere fabrikanten, omdat dit gevaarlijk kan zijn. Dit
kan ertoe leiden dat de garantie op het product komt
te vervallen.
3. Acculampje
Gashendel
De gashendel regelt het motortoerental en zorgt voor
een continu verstelbare regeling van LANGZAAM tot
SNEL (Figuur 5).
Chokeknop
Gebruik de chokeknop om een koude motor te starten.
Maaimesschakelaar (aftakas, PTO)
Met de maaimesschakelaar, aangeduid met het
aftakassymbool (PTO), schakelt u de aandrijving naar
de maaimessen aan of uit (Figuur 5).
Contactschakelaar
De contactschakelaar, waarmee u de motor start en
afzet, heeft 3 standen: UIT, LOPEN en START . Zie
Starten van de motor (bladz. 28).
Rijhendels
De rijhendels worden gebruikt om de motor vooruit en
achteruit te laten rijden en om bochten naar links of
naar rechts te maken (Figuur 4).
Vergrendelde neutraalstand
Gebruik de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND samen
met het veiligheidssysteem om de NEUTRAALSTAND in
te schakelen en te bepalen.
16
Specificaties
Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.
Machines met zijafvoer
Breedte
Zonder maaidek
Geleider omhoog
Geleider omlaag
122 cm maaidek
132 cm maaidek
152 cm maaidek
183 cm maaidek
116 cm
116 cm
135 cm
150 cm
(46")
(46")
(53")
(59")
137 cm
146 cm
157 cm
187 cm
(54")
(58")
(62")
(74")
161 cm
172 cm
192 cm
222 cm
(64")
(68")
(76")
(88")
122 cm maaidek
132 cm maaidek
152 cm maaidek
183 cm maaidek
201 cm
201 cm
211 cm
219 cm
(79")
(79")
(83")
(86")
206 cm
206 cm
215 cm
223 cm
(81")
(81")
(85")
(88")
122 cm maaidek
132 cm maaidek
152 cm maaidek
183 cm maaidek
179 cm
179 cm
179 cm
179 cm
(71")
(71")
(71")
(71")
119 cm
119 cm
119 cm
119 cm
(47")
(47")
(47")
(47")
Lengte
Rolbeugel omhoog
Rolbeugel omlaag
Hoogte
Rolbeugel omhoog
Rolbeugel omlaag
Gewicht
model
Gewicht
74902TE
556 kg
74919TE
537 kg
74925TE
590 kg
75969TE
583 kg
17
Machines met achterafvoer
Gebruiksaanwijzing
Breedte
Opmerking: Bepaal vanuit de normale
152 cm maaidek
Zonder maaidek
Met maaidek
bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de
machine.
135 cm
(53")
Voor gebruik
168 cm
(66")
Veiligheidsinstructies
voorafgaand aan het werk
Lengte
152 cm maaidek
Rolbeugel omhoog
Rolbeugel omlaag
222 cm
(87")
Algemene veiligheid
226 cm
• Laat kinderen of personen die geen instructie
(89")
Hoogte
152 cm maaidek
Rolbeugel omhoog
Rolbeugel omlaag
179 cm
•
(71")
119 cm
•
(47")
•
Gewicht
model
Gewicht
74942TE
590 kg
•
•
•
hebben ontvangen, de machine nooit gebruiken of
onderhoudswerkzaamheden daaraan verrichten.
Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen
stellen aan de leeftijd van degene die met de
machine werkt. De eigenaar is verantwoordelijk
voor de instructie van alle bestuurders en technici.
Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de
bedieningsorganen en de veiligheidssymbolen, en
weet hoe u de machine veilig kunt gebruiken.
Zorg ervoor dat u weet hoe u de machine en de
motor snel kunt stoppen.
Controleer of de dodemansknoppen, de
veiligheidsschakelaars en de veiligheidsschermen
zijn bevestigd en naar behoren werken. Gebruik
de machine uitsluitend als deze naar behoren
werkt.
Controleer voordat u begint te maaien altijd de
machine om zeker te zijn dat de messen, de
mesbouten en het maaimechanisme in goede
staat zijn. Vervang versleten of beschadigde
messen en bouten altijd als complete set om een
goede balans te behouden.
Inspecteer het terrein waarop u de machine
gaat gebruiken en verwijder voorwerpen die de
machine kan uitwerpen.
Inspecteer het terrein om na te gaan welke
accessoires en werktuigen nodig zijn om de
machine veilig en goed te gebruiken.
Brandstofveiligheid
• Wees uiterst voorzichtig bij het omgaan met
•
•
18
benzine om persoonlijk letsel en materiële schade
te voorkomen. Brandstofdampen zijn ontvlambaar
en explosief.
Doof alle sigaretten, sigaren, pijpen en andere
ontstekingsbronnen.
Gebruik uitsluitend een goedgekeurd vat of blik
voor de brandstof.
• Wanneer de motor loopt of heet is, mag u de
stoffen. Benzine met 15% ethanol (E15) per
volume is niet goedgekeurd voor gebruik. Gebruik
nooit benzine die meer dan 10% ethanol per
volume bevat, zoals E15 (bevat 15% ethanol),
E20 (bevat 20% ethanol), of E85 (bevat tot 85%
ethanol). Het gebruik van niet-goedgekeurde
benzine kan leiden tot verminderde prestaties
en/of motorschade die mogelijk niet gedekt wordt
door de garantie.
brandstofdop niet verwijderen of geen brandstof
toevoegen.
• Vul de machine niet binnen een gebouw bij met
brandstof.
• Sla de machine en de brandstofhouder niet op
op plaatsen waar open vlammen, vonken of
waakvlammen (b.v. van een boiler of andere
toestellen) aanwezig kunnen zijn.
• Geen benzine gebruiken die methanol bevat.
• Vul brandstofvaten niet in een voertuig,
• Tijdens de winter geen brandstof bewaren
vrachtwagen of op een aanhanger met kunststof
beplating. Plaats vaten die u wilt vullen altijd op de
grond, uit de buurt van uw voertuig.
in de brandstoftank of in vaten, tenzij u een
brandstofstabilisator gebruikt.
• Meng nooit olie door benzine.
• Laad de machine uit de vrachtwagen of aanhanger
en vul deze bij met brandstof wanneer ze op
de grond staat. Als dit niet mogelijk is, vul dan
brandstof bij met een draagbaar vat in plaats van
met een vulpistool van een pomp.
Gebruik van stabilizer/conditioner
Gebruik van stabilizer/conditioner in de machine biedt
de volgende voordelen:
• Gebruik de machine uitsluitend als het complete
• Houdt brandstof langer vers wanneer deze wordt
uitlaatsysteem is gemonteerd en naar behoren
werkt.
gebruikt volgens de voorschriften van de fabrikant
van de stabilisator.
• Houd het vulpistool in contact met de rand van de
benzinetank of het vat tot het tanken voltooid is.
Gebruik geen vergrendeling voor het vulpistool.
• Houdt de motor tijdens het gebruik schoon.
• Voorkomt harsachtige afzettingen in het
• Als u brandstof morst op uw kleding dient u zich
brandstofsysteem, die tot startproblemen kunnen
leiden
onmiddellijk om te kleden. Eventueel gemorste
brandstof opnemen.
Belangrijk: Gebruik nooit brandstofadditieven
• Doe de brandstoftank nooit te vol. Plaats de
die methanol of ethanol bevatten.
brandstofdop terug en maak hem stevig vast.
Voeg de juiste hoeveelheid stabilizer/conditioner
aan de brandstof toe.
• Brandstof in een goedgekeurd vat of blik en buiten
bereik van kinderen bewaren. Koop nooit meer
benzine dan u in 30 dagen kunt opmaken.
Opmerking: Stabilizer/conditioner werkt
het best als deze met verse benzine wordt
gemengd. Gebruik altijd stabilizer/conditioner
om het risico van harsachtige afzettingen in het
brandstofsysteem zo klein mogelijk te houden.
• Vul de brandstoftank niet helemaal. Vul de
brandstoftank totdat het peil 6 mm tot 13 mm van
de onderkant van de vulbuis staat. Deze geeft de
brandstof in de tank ruimte om uit te zetten.
– Voorkom dat u dampen lange tijd inademt.
Brandstoftank vullen
– Houd uw gezicht uit de buurt van het vulpistool
en de opening van de brandstoftank.
– Vermijd contact met de huid; spoel gemorste
vloeistof af met water en zeep.
Brandstof bijvullen
Aanbevolen brandstof
• Gebruik voor de beste resultaten uitsluitend
schone, verse (minder dan 30 dagen oud),
loodvrije benzine met een octaangetal van 87 of
hoger (indelingsmethode (R+M)/2).
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak.
2.
Stel de parkeerrem in werking.
3.
Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het
contact.
4.
Reinig het gebied rond de dop van de
brandstoftank.
5.
Vul de tank tot aan de onderkant van de vulbuis
(Figuur 7).
Opmerking: Vul de brandstoftank niet
helemaal vol. Dit geeft de brandstof in de tank
ruimte om uit te zetten.
• Ethanol: benzine met maximaal 10 vol.% ethanol
of 15 vol.% MTBE (methyl tertiaire butylether) is
geschikt. Ethanol en MTBE zijn verschillende
19
Dagelijks onderhoud
uitvoeren
Voer elke dag, voordat u de machine start, de
dagelijkse procedures uit beschreven in Onderhoud
(bladz. 42).
Een nieuwe machine
inrijden
Een nieuwe motor heeft tijd nodig om vol vermogen
te ontwikkelen. Maai-eenheden en aandrijfsystemen
hebben meer wrijving als zij nieuw zijn, waardoor
de motor extra wordt belast. Houd er rekening mee
dat een nieuwe machine een inrijperiode van 40
tot 50 bedrijfsuren nodig heeft om vol vermogen te
ontwikkelen voor de beste prestaties.
De omkantelbeveiliging
(rolbeugel) gebruiken
WAARSCHUWING
Om lichamelijk of dodelijk letsel te voorkomen
als de machine omkantelt: laat de rolbeugel
volledig omhoog geklapt en vergrendeld, en
doe de veiligheidsgordel om.
g027726
Figuur 7
Controleer of de stoel goed op de machine
is bevestigd.
WAARSCHUWING
Er is geen omkantelbeveiliging als de
rolbeugel omlaag is geklapt.
• Klap de rolbeugel uitsluitend omlaag als
dit absoluut noodzakelijk is.
• Doe de veiligheidsgordel niet om als de
rolbeugel omlaag is geklapt.
• Rij langzaam en voorzichtig.
• Klap de rolbeugel omhoog zodra de ruimte
dit toelaat.
• Let goed op dat er voldoende ruimte
boven de machine is (denk aan takken,
deuropeningen, elektrische kabels)
voordat u onder een object rijdt en zorg
ervoor dat u dit niet raakt.
20
De rolbeugel omlaag klappen
De rolbeugel omhoog klappen
Belangrijk: Klap de rolbeugel uitsluitend omlaag
Belangrijk: Doe altijd de veiligheidsgordel om als
de rolbeugel omhoog is geklapt.
als dit absoluut noodzakelijk is.
1.
Om de rolbeugel omlaag te brengen, moet u
voorwaartse druk uitoefenen op het bovenste
gedeelte van de rolbeugel.
1.
Klap de rolbeugel uit naar de bedrijfsstand en
draai aan de knoppen tot ze gedeeltelijk in de
groeven gaan (Figuur 8).
2.
Trek de beide knoppen uit en draai ze 90° zodat
ze niet meer ingeschakeld zijn (Figuur 8).
2.
3.
Klap de rolbeugel omlaag (Figuur 8).
Breng de rolbeugel volledig omhoog terwijl u
tegen het bovenste gedeelte van de rolbeugel
duwt. Hierdoor klikken de pennen op hun
plaats zodra de openingen met de pennen zijn
uitgelijnd (Figuur 8).
3.
Druk op de rolbeugel en controleer of beide
pennen op de hun plaats zitten.
Het veiligheidssysteem
gebruiken
WAARSCHUWING
Niet-aangesloten of beschadigde
interlockschakelaars kunnen onverwachte
gevolgen hebben op de werking van
de machine. Dit kan lichamelijk letsel
veroorzaken.
• Laat de interlockschakelaars ongemoeid.
• Controleer elke dag de werking van
de interlockschakelaars en vervang
beschadigde schakelaars voordat u de
machine weer in gebruik neemt.
Werking van het veiligheidssysteem
Het veiligheidssysteem is bedoeld om starten van de
motor alleen mogelijk te maken wanneer:
• de parkeerrem in werking is gesteld;
• de messchakelaar (aftakas) is uitgeschakeld;
• de rijhendels in de vergrendelde NEUTRAALSTAND
staan;
g228804
Figuur 8
1. Rolbeugel omhoog
4. Draai de knop van de
rolbeugel 90 graden.
2. Knop van de rolbeugel
vergrendeld
5. Knop van de rolbeugel
ontgrendeld
3. Trek de knop van de
rolbeugel naar buiten.
6. Rolbeugel ingeklapt
Het veiligheidssysteem zorgt ervoor dat de motor
wordt uitgeschakeld wanneer de rijhendels uit
de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND worden gezet
als de parkeerrem in werking is gesteld of als u
de bestuurdersstoel verlaat terwijl de aftakas is
ingeschakeld.
De urenteller is voorzien van symbolen om
de gebruikers op de hoogte te stellen als het
veiligheidssysteem in de juiste stand staat. Als het
veiligheidssysteem zich in de juiste stand bevindt,
wordt er een driehoekje verlicht in het betreffende
hokje.
21
Bestuurdersstoel instellen
U kunt de stoel naar voren en naar achteren
verschuiven. De stand van de stoel moet zo zijn
dat u de machine het best kunt bedienen en dat u
comfortabel zit (Figuur 10).
g009181
Figuur 9
1. De driehoekjes worden verlicht als het veiligheidssysteem
zich in de juiste stand bevindt
g019754
Figuur 10
Het veiligheidssysteem testen
Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks
Bestuurdersstoel
ontgrendelen
Controleer de werking van het veiligheidssysteem
telkens voordat u de machine in gebruik neemt. Als
het veiligheidssysteem niet werkt zoals hieronder
wordt beschreven, moet u het direct laten repareren
door een erkende servicedealer.
1.
Neem plaats op de stoel, stel de parkeerrem in
werking en schakel de messchakelaar (aftakas)
IN. Probeer de motor te starten; de motor mag
nu niet gaan draaien.
2.
Neem plaats op de stoel, stel de parkeerrem in
werking en schakel de messchakelaar (aftakas)
UIT. Beweeg een van beide rijhendels uit de
VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND . Probeer de
motor te starten; de motor mag nu niet gaan
draaien. Herhaal voor de andere rijhendel.
3.
Neem plaats op de stoel, stel de parkeerrem in
werking, schakel de messchakelaar UIT en zet de
rijhendels in de vergrendelde NEUTRAALSTAND .
Start nu de motor. Laat de motor lopen en zet
de parkeerrem vrij, schakel de messchakelaar
(aftakas) in en kom iets overeind uit de
bestuurdersstoel. De motor moet afslaan.
4.
Neem plaats op de stoel, stel de parkeerrem in
werking, schakel de messchakelaar (aftakas)
UIT en zet de rijhendels in de VERGRENDELDE
NEUTRAALSTAND . Start nu de motor. Als de motor
loopt, centreert u een van beide rijhendels en
beweegt u deze (vooruit of achteruit). De motor
moet nu stoppen. Herhaal deze procedure bij de
andere rijhendel.
5.
Machines met MyRide™
ophangingssysteem
g204507
Figuur 11
Neem plaats op de stoel, schakel de parkeerrem
uit, schakel de messchakelaar (aftakas) UIT
en zet de rijhendels in de VERGRENDELDE
NEUTRAALSTAND . Probeer de motor te starten; de
motor mag nu niet gaan draaien.
22
Instellen van de MyRide™
vering
Machines zonder MyRide™
ophangingssysteem
Druk de stoelvergrendeling naar voren om de stoel te
ontgrendelen (Figuur 12).
Uitsluitend voor machines met
MyRide™ ophangingssysteem
U kunt de MyRide™ vering naar uw voorkeur instellen
zodat u prettig en comfortabel kunt rijden. U kunt de
2 achterste schokbrekers verstellen en zo de vering
snel en eenvoudig instellen. Stel de vering in zodat
die voor u het meest comfortabel is.
De achterste schokdempers
instellen
g008956
Figuur 12
1. Stoelvergrendeling
De sleuven voor de achterste schokdempers hebben
inklikpunten om de instelling aan te geven. U kunt de
achterste schokdempers echter overal in de sleuven
zetten, niet alleen in de inklikpunten.
2. Stoel
De stoelophanging
verstellen
De onderstaande tekening toont de posities voor een
harde of zachte veringinstelling, en de bijbehorende
inklikpunten Figuur 14
Uitsluitend voor machines zonder
MyRide™ ophangingssysteem
De stoel kan worden versteld zodat u prettig en
comfortabel kunt rijden. Zet de stoel in een stand die
voor u het meest comfortabel is.
Om de stoel te verstellen, draait u de knop in een van
beide richtingen om de meest comfortabele positie
te verkrijgen (Figuur 13).
g030065
Figuur 14
1. Hardste vering
3. Inklikpunten in de sleuven
2. Zachtse vering
g024881
Opmerking: Zorg ervoor dat de achterste
Figuur 13
schokdempers links en rechts altijd hetzelfde zijn
ingesteld.
1. Knop voor stoelophanging
23
Tijdens gebruik
Stel de achterste schokdempers in (Figuur 15).
Veiligheid tijdens het werk
Algemene veiligheid
• De eigenaar/gebruiker is verantwoordelijk voor
g030024
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
g030019
•
Figuur 15
•
•
24
ongelukken die persoonlijk letsel of materiële
schade kunnen veroorzaken, en hij dient zulke
ongelukken te voorkomen.
Draag geschikte kleding, zoals een veiligheidsbril,
lange broek, gripvaste, stevige schoenen en
gehoorbescherming. Draag lang haar niet los en
draag geen losse juwelen.
Geef uw volledige aandacht als u de machine
gebruikt. Zorg ervoor dat u met niets anders bezig
bent waardoor u kunt worden afgeleid, anders
kunnen er letsels ontstaan of kan eigendom
worden beschadigd.
Gebruik de machine niet als u ziek, moe of onder
de invloed van alcohol of drugs bent.
Vervoer nooit passagiers op de machine en houd
omstanders en huisdieren weg van de machine
terwijl deze wordt gebruikt.
Gebruik de machine uitsluitend bij een goede
zichtbaarheid zodat u kuilen en verborgen gevaren
kunt vermijden.
Gebruik de machine niet op nat gras. Als de wielen
hun grip verliezen, kan de machine gaan glijden.
Controleer of alle aandrijvingen in de neutraalstand
zijn, de parkeerrem in werking is gesteld en u
zich in de bestuurderspositie bevindt voordat u de
motor start.
Houd uw handen en voeten uit de buurt van
de maaidekken. Blijf altijd uit de buurt van de
afvoeropening.
Kijk achterom en omlaag voordat u achteruitrijdt
om er zeker van te zijn dat de weg vrij is.
Wees voorzichtig bij het naderen van blinde
hoeken, struiken, bomen, en andere objecten die
uw zicht kunnen belemmeren.
Maai niet in de buurt van steile hellingen, greppels
of dijken. De machine kan plotseling omslaan als
een wiel over de rand komt, of als de rand instort.
Stop de maaimessen als u niet daadwerkelijk
maait.
Stop de machine, zet de motor af, verwijder het
sleuteltje en controleer de messen als u een
voorwerp heeft geraakt of de machine abnormaal
begint te trillen. Voer alle noodzakelijke reparaties
uit voordat u de machine weer in gebruik neemt.
Verminder uw snelheid en wees voorzichtig
als u een bocht maakt of wegen en voetpaden
•
•
•
•
•
•
•
•
•
• Houd de rolbeugel in deugdelijke staat door deze
oversteekt met de machine. Verleen altijd
voorrang.
Schakel de aandrijving van de maai-eenheid
uit, zet de motor af en verwijder het sleuteltje
voordat u de maaihoogte wijzigt (tenzij u deze kunt
aanpassen vanuit de bestuurderspositie).
Laat de motor nooit lopen in een ruimte waar
uitlaatgassen zich kunnen verzamelen.
Als u de machine verlaat, laat deze dan niet
draaien.
Doe het volgende voordat u de bestuurderspositie
verlaat (inclusief het legen van de grasvangers of
deblokkeren van het kanaal):
– Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak.
– Schakel de aftakas uit en laat de werktuigen
zakken.
– Stel de parkeerrem in werking.
– Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het
contact.
– Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot
stilstand zijn gekomen.
Gebruik de machine niet als het kan bliksemen.
Gebruik de machine enkel als sleepvoertuig als ze
voorzien is van een trekhaak.
Verander de snelheid van de toerenregelaar niet
en laat de motor het maximale toerental niet
overschrijden.
Gebruik alleen door Toro goedgekeurde
accessoires en werktuigen.
Deze machine stelt de gebruiker bloot aan
geluidsniveaus van meer dan 85 dBA. Bij
langdurige blootstelling kan dit leiden tot
gehoorbeschadiging.
regelmatig grondig te controleren op beschadiging,
en zorg dat alle bevestigingsmateriaal stevig is
vastgedraaid.
• Vervang een beschadigde rolbeugel. Probeer niet
om deze te repareren of aan te passen.
De machine veilig gebruiken op
hellingen
• Het maaien op hellingen is een belangrijke
factor bij ongelukken waarbij de controle over de
machine wordt verloren of deze omkantelt. Dit
kan ernstig of dodelijk letsel veroorzaken. De
bestuurder is verantwoordelijk voor een veilig
gebruik van de machine op hellingen. Gebruik
van de machine op hellingen vereist altijd extra
voorzichtigheid. Doe het volgende voordat u de
machine op een helling gaat gebruiken:
– Lees de instructies voor gebruik op een helling
in de handleiding en op de machine, en zorg
dat u deze instructies begrijpt.
– Gebruik een hellingsindicator om de
hellingshoek bij benadering te bepalen.
– Gebruik de maaimachine nooit op hellingen
van meer dan 15 graden.
– Onderzoek de toestand van het werkgebied
op die dag om te bepalen of de machine
veilig kan worden gebruikt op de helling.
Gebruik uw gezond verstand en uw
beoordelingsvermogen wanneer u dit
onderzoek uitvoert. Veranderingen in het
terrein, zoals de vochtigheidsgraad, kunnen
snel van invloed zijn op de manier waarop de
machine reageert op een helling.
• Spoor gevaren onderaan de helling op. Gebruik
de machine niet in de buurt van steile hellingen,
greppels, oevers, water of andere gevaren.
De machine kan plotseling omslaan als een
wiel over de rand komt of als de rand instort.
Houd een veilige afstand (tweemaal de breedte
van de machine) tussen de machine en
landschapselementen die gevaarlijk kunnen zijn.
Gebruik een loopmaaier of een handtrimmer om
gras te maaien op deze plaatsen.
g229846
Figuur 16
1. Draag gehoorbescherming.
• Vermijd starten, stoppen of bochten maken op
hellingen. Vermijd plotse veranderingen van
snelheid of richting; verander traag en geleidelijk
van richting.
Bescherming van de rolbeugel
• Verwijder de rolbeugel niet van de machine.
• Zorg dat u de veiligheidsgordel draagt en deze in
•
•
• Gebruik een machine nooit in omstandigheden
een noodgeval snel kunt losmaken.
Draag altijd uw veiligheidsgordel als de rolbeugel
omhoog is geklapt.
Controleer aandachtig of er obstakels zijn waar u
onderdoor moet rijden, en zorg dat u ze niet raakt.
waarbij u twijfelt over tractie, sturen of stabiliteit.
Denk eraan dat de machine tractie kan verliezen
doordat u bergafwaarts, op nat gras of dwars op
een helling maait. Als de aandrijfwielen tractie
verliezen, kunnen ze gaan slippen en kunt u
25
niet meer remmen of sturen. De machine kan
schuiven, zelfs als de aandrijfwielen niet draaien.
• Verwijder of let op obstakels als sloten, gaten,
geulen, hobbels, stenen of andere verborgen
gevaren. In hoog gras zijn obstakels niet
altijd zichtbaar. De machine kan omslaan op
oneffenheden in het terrein.
• Wees extra voorzichtig wanneer u de machine
gebruikt met accessoires of werktuigen zoals
grasopvangsystemen. Deze kunnen de machine
minder stabiel maken, waardoor u de controle over
de machine kunt verliezen. Volg de instructies
voor gebruik van contragewichten op.
g029797
• Laat het maaidek indien mogelijk neer op de grond
Figuur 18
wanneer u de machine op een helling gebruikt.
Als u het maaidek omhoog brengt op hellingen,
kan de machine onstabiel worden.
Parkeerrem gebruiken
Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de
machine stopt of deze onbeheerd achterlaat.
De handrem inschakelen
Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.
g221745
Figuur 17
1. Veilige zone – Gebruik
de machine in deze zone
op hellingen van minder
dan 15 graden of vlakke
gebieden.
4. W = breedte van de
machine
2. Gevarenzone – Gebruik
een loopmaaier en/of een
handtrimmer op hellingen
van meer dan 15 graden
en in de buurt van steile
hellingen of water.
5. Houd een veilige afstand
(tweemaal de breedte
van de machine)
tussen de machine en
landschapselementen die
gevaarlijk kunnen zijn.
g027334
Figuur 19
De handrem uitschakelen
3. Water
Plaatsnemen in de
bestuurderspositie
Gebruik het maaidek als opstapje om de
bestuurderspositie te bereiken (Figuur 18).
g027335
Figuur 20
26
De messchakelaar (aftakas)
bedienen
De messchakelaar (aftakas) start en stopt de
maaimessen en eventuele bekrachtigde werktuigen.
Messchakelaar (aftakas)
inschakelen
g008946
Figuur 23
Opmerking: De messchakelaar (aftakas)
inschakelen met half gas of minder zorgt voor
overmatige slijtage aan de aandrijfriemen.
De choke bedienen
Gebruik de choke om een koude motor te starten.
g008945
1.
Trek de knop van de choke omhoog om deze
in te schakelen voordat u de contactschakelaar
inschakelt (Figuur 24).
2.
Druk de knop van de choke omlaag om deze
weer uit te schakelen nadat de motor is gestart
(Figuur 24).
Figuur 21
Messchakelaar (aftakas)
uitschakelen
g009174
Figuur 22
De gashendel bedienen
g008959
Figuur 24
De gashendel heeft twee standen: SNEL en LANGZAAM
(Figuur 23).
1. AAN
Gebruik altijd de stand SNEL wanneer u de aftakas
inschakelt.
27
2. UIT
Starten van de motor
De motor afzetten
Belangrijk: Stel de startmotor telkens niet langer
VOORZICHTIG
dan 5 seconden in werking. Als de motor niet
wil starten, moet u na elke poging 15 seconden
wachten. Indien u deze instructies niet opvolgt,
kan de startmotor doorbranden.
Kinderen of omstanders kunnen letsel
oplopen als zij de machine verplaatsen of
proberen te bedienen terwijl deze onbeheerd
staat.
Opmerking: Mogelijk moet u meerdere pogingen
doen om de motor voor het eerst te starten
nadat u brandstof hebt toegevoegd aan een leeg
brandstofsysteem.
Verwijder altijd het sleuteltje en stel de
parkeerrem in werking wanneer u de machine
onbeheerd achterlaat.
g032328
g027337
Figuur 25
Figuur 26
Belangrijk: Zorg ervoor dat de brandstofafsluitklep is gesloten voordat u de machine
transporteert of stalt omdat er brandstof kan
lekken uit de machine. Stel de parkeerrem in
werking voordat u de machine transporteert. Zorg
ervoor dat u het sleuteltje verwijdert omdat de
kans bestaat dat de brandstofpomp in werking
blijft waardoor de accu kan ontladen.
28
De rijhendels gebruiken
WAARSCHUWING
De machine kan zeer snel ronddraaien. De
bestuurder kan de controle over de machine
verliezen. Dit kan leiden tot lichamelijk letsel
en schade aan de machine.
• Wees voorzichtig als u een bocht maakt.
• Verminder de snelheid van de machine
voordat u een scherpe bocht maakt.
Vooruitrijden
Opmerking: De motor slaat af als u de
tractiebediening beweegt terwijl de parkeerrem in
werking is gesteld.
Om de machine te stoppen, duwt u de rijhendels naar
de NEUTRAAL-stand.
1.
Schakel de parkeerrem uit; zie De handrem
uitschakelen (bladz. 26).
2.
Zet de hendels in de middelste, ontgrendelde
stand.
3.
Om vooruit te rijden, duwt u de rijhendels
langzaam naar voren (Figuur 28).
g004532
Figuur 27
1. Rijhendel – vergrendelde
NEUTRAALSTAND
2. Centrale ontgrendelde
stand
3. Vooruit
4. Achteruit
5. Voorkant van de machine
Met de machine rijden
De aandrijfwielen draaien onafhankelijk en worden
aangedreven door hydraulische motoren op elke as. U
kunt de wielen aan de ene zijde achteruit laten draaien
en tegelijk die aan de andere zijde vooruit, waardoor
de machine om zijn as draait in plaats van een bocht
te maken. Zo is de machine veel wendbaarder, maar
het kan wat tijd vergen eer u gewend bent aan de
manier waarop de machine beweegt.
Met de gashendel regelt u de snelheid van de motor,
oftewel het toerental (in omwentelingen per minuut).
Zet de gashendel op SNEL om de beste prestaties te
verkrijgen. Laat de motor tijdens het maaien altijd vol
gas draaien.
g008952
Figuur 28
29
Achteruitrijden
Zijafvoer gebruiken
1.
Zet de hendels in de middelste, ontgrendelde
stand.
2.
Om achteruit te rijden, trekt u de rijhendels
langzaam naar achteren (Figuur 29).
Uitsluitend voor machines met
zijafvoer
Het maaidek is uitgerust met een scharnierende
grasgeleider, die het maaisel zijwaarts en omlaag
naar het gazon afvoert.
GEVAAR
Als de grasgeleider, afsluiter van de afvoer
of de grasvanger niet op de juiste plaats
zijn gemonteerd, kunnen u of anderen
in aanraking komen met het maaimes of
uitgeworpen voorwerpen. Contact met
het draaiende maaimes en uitgeworpen
voorwerpen kan lichamelijk of dodelijk letsel
veroorzaken.
• Verwijder de grasgeleider nooit van het
maaidek omdat hiermee het maaisel
wordt afgevoerd naar het gazon. Een
beschadigde grasgeleider moet direct
worden vervangen.
g008953
• Steek nooit uw handen of voeten onder het
maaidek.
Figuur 29
• Probeer nooit het afvoersysteem of de
maaimessen te reinigen zonder eerst de
messchakelaar (aftakas) UIT te schakelen,
het contactsleuteltje op UIT te draaien en
het sleuteltje uit het contact te nemen.
• Controleer of de grasgeleider omlaag staat.
30
De maaihoogte instellen
De transportvergrendeling
gebruiken
De transportvergrendeling heeft 2 standen en wordt
gebruikt in combinatie met het maaidekpedaal. Er
is een VERGRENDELDE en een ONTGRENDELDE stand
voor de transportstand van het maaidek (Figuur 30).
g229103
Figuur 30
Standen transportvergrendeling
1. Transportvergrendeling
knop
2. VERGRENDELDE stand
– Het maaidek is
vergrendeld in de
transportstand.
31
3. ONTGRENDELDE stand
– Het maaidek is
niet vergrendeld in de
transportstand.
De pen voor de maaihoogte
instellen
Antiscalpeerrollen afstellen
Voor machines met zijafvoer
De maaihoogte kan worden afgesteld van 25 tot
140 mm in stappen van 6 mm door de gaffelpen in
verschillende openingen te plaatsen.
1.
Zet de transportvergrendeling in de vergrendelde
stand.
2.
Trap het maaidekpedaal in en breng het maaidek
omhoog tot de transportstand (dit is tevens de
maaihoogtestand van 140 mm), zie Figuur 31.
3.
Om dit aan te passen, draait u de pen 90 graden
en verwijdert u de pen uit de maaihoogtebeugel
(Figuur 31).
4.
Kies de opening in de maaihoogtebeugel
die overeenkomt met de gewenste
maaihoogtestand, en steek de pen daarin
(Figuur 31).
5.
Trap het maaidekpedaal in, trek de
transportvergrendeling terug en laat het maaidek
langzaam zakken.
Als u de maaihoogte wijzigt, stel dan de hoogte van
de antiscalpeerrollen in.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Stel de antiscalpeerrollen af zoals wordt getoond
in Figuur 32, Figuur 33 en Figuur 34.
g029955
Figuur 32
1. Antiscalpeerrol
4. Flensmoer
2. Afstandsstuk
3. Lagerbus
5. Bout
g027343
Figuur 31
1. Maaidekpedaal
g029956
3. Transportvergrendeling
Figuur 33
2. Pen voor de maaihoogte
32
1. Antiscalpeerrol
3. Flensmoer
2. Lagerbus
4. Bout
g029957
Figuur 34
1. Antiscalpeerrol
4. Flensmoer
2. Afstandsstuk
3. Lagerbus
5. Bout
g024242
Figuur 35
Antiscalpeerrollen afstellen
1. Flensmoer
3. Lagerbus
2. Antiscalpeerrol
4. Bout
Voor machines met achterafvoer
Als u de maaihoogte wijzigt, verdient het de
aanbeveling de hoogte van de antiscalpeerrollen in
te stellen.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Stel de antiscalpeerrollen af zoals wordt getoond
in Figuur 35 en Figuur 36.
g024243
Figuur 36
33
1. Bout
3. Antiscalpeerrol
2. Lagerbus
4. Flensmoer
De sluitnokken van de
afvoerplaat instellen
De glijder(s) afstellen
Voor machines met achterafvoer
Voor machines met zijafvoer
Monteer de glijders in de laagste stand als de machine
wordt gebruikt bij een maaihoogte van meer dan
64 mm en in de hoogste stand als de machine wordt
gebruikt bij een maaistand van minder dan 64 mm.
Deze procedure is alleen van toepassing op machines
met afvoerplaatvergrendeling. Bepaalde modellen
zijn voorzien van bouten en moeren in plaats van
deze vergrendelnokken en kunnen op dezelfde wijze
worden aangepast.
Opmerking: Als de glijders slijten, kunt u versleten
glijders omdraaien en op de andere kant van het
maaidek monteren. Hierdoor kunt u de glijders langer
gebruiken voordat u deze moet vervangen.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
U kunt de afvoer van de maaimachine aanpassen aan
verschillende maaiomstandigheden. Zorg ervoor dat
u de sluitnokken en de plaat zodanig plaatst dat u het
beste maairesultaat verkrijgt.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Om de sluitnokken te verstellen, draait u de
hendel omhoog om ze los te maken (Figuur 38).
4.
Plaats de plaat en de sluitnokken op zodanige
wijze in de sleuven dat de machine de gewenste
afvoer heeft.
5.
Draai de hendel terug om de plaat en de
sluitnokken vast te zetten (Figuur 38).
6.
Als de sluitnokken de plaat niet goed
vergrendelen of te strak zijn, draait u de hendel
los en draait u de sluitnok.
Verwijder de slotbouten en de moeren van de
glijders (Figuur 37).
Opmerking: Draai aan de sluitnok totdat u de
gewenste sluitdruk hebt verkregen.
g024244
Figuur 37
1. Slotbout
2. Glijder
4.
3. Moer
Zet de glijders in de gewenste stand en zet ze
vast met de slotbouten en de moeren.
Opmerking: Gebruik uitsluitend de bovenste
of middelste openingen om de glijders af
te stellen. De onderste openingen worden
gebruikt als de glijders op een maaidek worden
omgewisseld, waarbij zij de bovenste openingen
op de andere kant van het maaidek worden.
5.
g027727
Figuur 38
Om beschadiging van de glijder te voorkomen,
dient u de slotbouten en moeren van elke glijder
vast te draaien tot 12,4 - 14,7 N·m.
34
Stand B
Stand van afvoerplaat
instellen
Zet de plaat in deze stand als u het maaisel opvangt.
Altijd uitlijnen met de opening van de blazer.
Voor machines met zijafvoer
De volgende figuren zijn uitsluitend bedoeld als
aanbeveling voor gebruik. De instelling is afhankelijk
van de grassoort, het vochtgehalte en de hoogte van
het gras.
Opmerking: Als het motorvermogen afneemt en de
rijsnelheid van de maaimachine hetzelfde blijft, opent
u de plaat.
Stand A
Dit is de volledig achterwaartse stand. Deze stand
wordt aanbevolen in de volgende gevallen:
g005833
• Maaiomstandigheden met kort, licht gras
Figuur 40
• Droge omstandigheden
• Kleiner maaisel
• Werpt maaisel verder weg van de maaimachine
Stand C
Dit is de volledig open stand. Deze stand wordt
aanbevolen in de volgende gevallen:
• Maaiomstandigheden met hoog, dicht gras
• Natte omstandigheden
• Vermindert het energieverbruik van de motor
• Maakt hogere rijsnelheid mogelijk in zware
omstandigheden
g005832
Figuur 39
35
Maairichting afwisselen
Maai afwisselend in verschillende richtingen, zodat
het gras rechtop blijft staan. Dit zorgt ook voor een
betere verspreiding van het maaisel, wat de vertering
en bemesting ten goede komt.
Met de juiste regelmaat maaien
Het tempo waarmee het gras groeit, varieert per
jaargetijde. Om dezelfde maaihoogte te behouden,
moet u in het vroege voorjaar vaker maaien. Als de
groeisnelheid in de zomer afneemt, maait u minder
vaak. Als u langere tijd niet hebt kunnen maaien,
maait u eerst op een hoge maaihoogte. Maai 2 dagen
later op een lagere maaihoogte.
g005834
Figuur 41
Een lagere maaisnelheid
gebruiken
Tips voor bediening en
gebruik
Om de maairesultaten te verbeteren, moet u in
bepaalde omstandigheden bij een lagere rijsnelheid
maaien.
Gebruik van de snel-stand van de
gashendel
Gras niet te kort afmaaien
Wanneer u op oneffenheden maait, moet u de
maaihoogte hoger zetten om een golvend gazon te
voorkomen.
Voor een optimaal maairesultaat en een maximale
luchtcirculatie moet u de gashendel op SNEL zetten.
Om het gras goed te maaien is lucht nodig; zet
de maaihoogte dus niet te laag en zorg ervoor dat
het maaidek niet helemaal door ongemaaid gras is
omgeven. Probeer altijd één zijkant van het maaidek
vrij van ongemaaid gras te houden, zodat lucht in het
maaidek kan worden gezogen.
De machine stoppen
Als u de machine tijdens het maaien moet stoppen,
kan er een kluit maaisel op uw gazon achterblijven.
Om dit te voorkomen kunt u naar een reeds gemaaid
oppervlak gaan met de messen ingeschakeld, of u
kunt het maaidek uitschakelen terwijl u vooruitgaat.
Wanneer u een gazon voor de
eerste keer maait
Onderkant van het maaidek
schoonhouden
Laat het gras iets langer dan normaal om te
voorkomen dat oneffenheden in het gras volledig
worden weggemaaid. In het algemeen kan het best
de voorheen gebruikte maaihoogte worden gekozen.
Als u gras van meer dan 15 cm lang gaat maaien,
kunt u het best in twee keer maaien om een goed
maairesultaat te verkrijgen.
Verwijder na elk gebruik maaisel en vuil van de
onderkant van het maaidek. Als zich gras en vuil in
het maaidek ophopen, leidt dat uiteindelijk tot een
onbevredigend maairesultaat.
Onderhoud van de maaimessen
Eén derde van de lengte van het
gras afmaaien
Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor een
scherp maaimes. Een scherp mes snijdt het gras
goed af zonder het te scheuren of te kwetsen.
Door scheuren en kwetsen wordt het gras bruin
aan de randen, waardoor het langzamer groeit en
gevoeliger is voor ziekten. Controleer na elk gebruik
Aanbevolen wordt niet meer dan ongeveer één derde
van de lengte van het gras af te maaien. Meer
afmaaien wordt afgeraden, tenzij het gras dun is, of in
de late herfst, wanneer het gras langzamer groeit.
36
of de maaimessen scherp zijn en of ze versleten of
beschadigd zijn. Vijl regelmatig kerven en inkepingen
weg en slijp de messen indien dit nodig is. Als een
mes beschadigd of versleten is, moet u dit onmiddellijk
vervangen door een origineel Toro mes.
Na gebruik
Veiligheid na het werk
Algemene veiligheid
• Verwijder gras en vuil van de maai-eenheden,
g008948
Figuur 42
de geluiddempers en het motorcompartiment
om brand te voorkomen. Veeg gemorste olie en
brandstof op.
1. AAN
2. UIT
• Sluit de brandstoftoevoer af en verwijder
het sleuteltje voordat u de machine stalt of
transporteert.
De vrijgavehendels van de
aandrijfwielen gebruiken
• Schakel de aandrijving van het werktuig uit als u
de machine transporteert of niet gebruikt.
• Laat de motor afkoelen voordat u de machine in
WAARSCHUWING
een afgesloten ruimte stalt.
Handen kunnen klem raken in de draaiende
onderdelen onder het maaidek. Dit kan tot
ernstig letsel leiden.
• Stal de machine of het brandstofvat nooit in de
buurt van een open vuur, vonken of een waakvlam
zoals die van een boiler of een ander apparaat.
Zet de motor af, verwijder het sleuteltje
en laat alle bewegende delen tot stilstand
komen voordat u de vrijgaveventielen van de
aandrijfwielen aanraakt.
De brandstofafsluitklep
gebruiken
De brandstofafsluitklep bevindt zich onder de stoel.
Beweeg de stoel naar voren om erbij te kunnen.
WAARSCHUWING
Sluit de brandstofafsluitklep tijdens transport,
onderhoud en opslag.
De aandrijfeenheden van de motor en de
hydrauliek kunnen zeer heet worden. Een
hete motor of hydraulische aandrijfeenheid
aanraken kan ernstige brandwonden
veroorzaken.
Controleer of de brandstofafsluitklep geopend is als u
de motor start.
Laat de motor en de hydraulische
aandrijfeenheden volledig afkoelen voordat
u de vrijgavehendels van de aandrijfwielen
aanraakt.
De vrijgavehendels van de aandrijfwielen bevinden
zich achterin de hydraulische aandrijfeenheden, onder
de stoel.
Opmerking: Zorg ervoor dat de vrijgavehendels
volledig horizontaal staan tijdens het gebruik van de
machine, omdat er anders ernstige schade aan het
hydraulische systeem kan optreden.
37
1.
De machine transporteren
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Draai de vrijgavehendels verticaal om de
machine te duwen (Figuur 43).
Gebruik een aanhanger of vrachtwagen voor zwaar
vervoer om de machine te transporteren. Gebruik
altijd een oprijplaat over de volledige breedte.
Zorg ervoor dat de aanhanger of vrachtwagen is
voorzien van alle benodigde remmen, verlichting
en aanduidingen die wettelijk vereist zijn. Lees
aandachtig alle veiligheidsinstructies. Met behulp van
deze informatie kunt u voorkomen dat omstanders of
uzelf letsel oplopen. Raadpleeg de lokale vereisten
inzake aanhangwagens en de bevestiging van
machines.
Opmerking: Hierdoor kan de hydraulische
vloeistof langs de pomp worden geleid zodat de
wielen kunnen draaien.
4.
Zet de parkeerrem vrij voordat u de machine
gaat duwen.
WAARSCHUWING
Rijden op de weg zonder richtingaanwijzers,
verlichting, reflectoren of een bord met de
aanduiding 'Langzaam rijdend voertuig' is
gevaarlijk en kan leiden tot ongelukken die
lichamelijk letsel veroorzaken.
Rijd niet met de machine op de openbare weg.
Een aanhanger kiezen
WAARSCHUWING
Als een machine wordt geladen op een
aanhanger of een vrachtwagen, wordt de
kans vergroot dat de machine kantelt. Dit
kan ernstig lichamelijk letsel of de dood
veroorzaken (Figuur 44).
g015123
Figuur 43
1. Verticaal om de machine
te duwen
5.
2. Horizontaal om de
machine te gebruiken
• Gebruik één oprijplaat over de volledige
breedte. Gebruik geen afzonderlijke
oprijplaten voor elke kant van de machine.
Draai de vrijgavehendels horizontaal om de
machine te gebruiken (Figuur 43).
• Zorg ervoor dat de hoek van de oprijplaat
en de grond of van de oprijplaat en de
aanhanger of vrachtwagen niet groter is
dan 15 graden.
• Zorg ervoor dat de oprijplaat minstens
4 keer zo lang is als de afstand van de
laadbak van de vrachtwagen of aanhanger
tot de grond. Hierdoor is de hoek die de
oprijplaat maakt niet groter dan 15 graden
op een vlakke ondergrond.
38
De machine laden
WAARSCHUWING
Als een machine wordt geladen op een
aanhanger of een vrachtwagen, wordt de
kans vergroot dat de machine kantelt. Dit
kan ernstig lichamelijk letsel of de dood
veroorzaken.
• Ga zeer voorzichtig te werk als u een
machine een hellingbaan op-/afrijdt.
• Rij de machine achteruit op de oprijplaat
en rij er vooruit af.
• U mag niet abrupt versnellen of vertragen
als u de machine een hellingbaan opof afrijdt, omdat anders de machine kan
kantelen of u de controle over de machine
kunt verliezen.
1.
Als u een aanhanger gebruikt, bevestig
deze dan aan het sleepvoertuig en sluit de
veiligheidskettingen aan.
2.
Sluit indien van toepassing de remmen en
verlichting van de aanhanger aan.
3.
Laat de oprijplaat zakken; zorg dat de
hellingshoek van de oprijplaat ten opzichte van
de grond niet groter is dan 15 graden (Figuur
44).
4.
Rij de machine achteruit op de oprijplaat (Figuur
45).
g027996
Figuur 44
1. Oprijplaat over volledige
breedte in opslagstand.
4. De hellingbaan is minstens
4 keer zo lang als
de afstand van de
aanhangwagen of de
laadbak tot de grond
2. Zijaanzicht van oprijplaat
over volledige breedte in
laadstand
5. H = Afstand van
de laadbak van de
vrachtwagen of aanhanger
tot de grond.
3. Niet groter dan 15 graden
6. Aanhanger
g028043
Figuur 45
1. Rij de machine achteruit
op de oprijplaat.
39
2. Rij de machine vooruit de
oprijplaat af.
5.
Zet de motor af, verwijder het sleuteltje en stel
de parkeerrem in werking.
6.
Zet de machine vast bij de voorste zwenkwielen
en de achterbumper; gebruik hierbij
spanbanden, kettingen, kabels of touwen
(Figuur 46). Raadpleeg de lokale vereisten
inzake de bevestiging van machines.
De machine de Z Stand oprijden
Belangrijk: Rij de machine naar een horizontaal
oppervlak en plaats deze op de Z Stand.
1.
Breng het maaidek omhoog in de transportstand.
2.
Verwijder de pen van de beugel (Figuur 47).
g027338
Figuur 46
g001811
1. Bindogen
Figuur 47
1. Z Stand
2. Pen van beugel
De machine van de aanhanger
rijden
1.
2.
4. Onderkant van sleuf
5. Vergrendeling
3. Beugel
Laat de oprijplaat zakken; zorg dat de
hellingshoek van de oprijplaat ten opzichte van
de grond niet groter is dan 15 graden (Figuur
44).
3.
Zet de vergrendeling omhoog.
4.
Draai het voetstuk van de Z Stand aan de
voorkant naar buiten en schuif de Z Stand in de
richting van de machine, in de onderkant van de
sleuf (Figuur 47 en Figuur 48).
Rij de machine vooruit de oprijplaat af (Figuur
45).
De Z StandTM gebruiken
De Z Stand wordt gebruikt om de voorkant van de
machine omhoog te zetten zodat u het maaidek kunt
reinigen en de maaimessen kunt verwijderen.
WAARSCHUWING
g001812
Figuur 48
De machine kan op iemand neervallen en
ernstig lichamelijk of de dood veroorzaken.
1. Z Stand (in sleuf geplaatst) 3. Vergrendeling, op draailip
rustend
2. Spleet in voetpad of gazon
• Ga zeer voorzichtig te werk als u de
machine op de Z Stand hebt geplaatst.
• Gebruik de Z Stand uitsluitend om
de maaier te reinigen en messen te
verwijderen.
5.
Plaats het voetstuk op de grond en laat de
vergrendeling op de draailip rusten (Figuur 48).
6.
Start de motor en laat deze op halfgas lopen.
Opmerking: Om de beste resultaten te
• Plaats de machine nooit lange tijd op de
Z Stand.
verkrijgen, moet u het voetstuk in spleten in een
voetpad of een gazon plaatsen (Figuur 48).
• U moet altijd de motor afzetten, de
parkeerrem in werking stellen en het
contactsleuteltje verwijderen voordat u
onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan
de maaimachine.
40
7.
Rij de machine de Z Stand op. Stop de
machine als de vergrendeling boven de lip in de
vergrendelde stand valt (Figuur 48).
8.
Stel de parkeerrem in werking en zet de motor
af.
9.
De machine van de Z Stand
afrijden
Zorg ervoor dat de aandrijfwielen zijn
geblokkeerd of vastgezet.
WAARSCHUWING
De kans bestaat dat de parkeerrem
de machine niet houdt als deze op de
Z Stand staat; hierdoor kan lichamelijk
letsel of schade aan eigendommen
ontstaan.
1.
Verwijder de blokjes.
2.
Zet de vergrendeling omhoog in de ontgrendelde
stand (Figuur 49).
Plaats de machine alleen op de Z Stand
met de wielen vastgezet of geblokkeerd.
10.
Voer onderhoudswerkzaamheden uit.
g001813
Figuur 49
41
1. Z Stand
3. Vergrendelde stand
2. Vergrendeling
4. Ontgrendelde stand
3.
Start de motor en laat deze op halfgas lopen.
Zet de parkeerrem vrij.
4.
Rij langzaam achterwaarts van de Z Stand af.
5.
Zet de Z Stand terug in de ruststand (Figuur 47).
Onderhoud
Aanbevolen onderhoudsschema
Onderhoudsinterval
Na de eerste 8 bedrijfsuren
Onderhoudsprocedure
• Motorolie verversen.
Na de eerste 100
bedrijfsuren
• Het koppel van de wielmoeren controleren.
• Controleer de torsie van de sleufmoer van de wielnaaf.
• Controleer de afstelling van de parkeerrem.
Na de eerste 250
bedrijfsuren
• Vervang de hydraulische filters en alle types hydraulische vloeistof.
Bij elk gebruik of dagelijks
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Het veiligheidssysteem controleren.
Oliepeil controleren.
Controleer de veiligheidsgordel
De knoppen van de rolbeugel controleren.
Reinig het motorscherm en de oliekoeler.
Controleer en reinig het scherm van de hydraulische eenheid.
Controleer de maaimessen.
Het maaidek reinigen.
Reinig de vering.
Om de 50 bedrijfsuren
•
•
•
•
Controleer de vonkenvanger (indien aanwezig).
De bandenspanning controleren.
Alle riemen op slijtage en scheurtjes controleren.
Controleer het peil van de hydraulische vloeistof.
Om de 100 bedrijfsuren
• Smeer de scharnierpunten van de hefinrichting van het maaidek.
• Motorolie verversen (dit moet vaker gebeuren als de machine wordt gebruikt in
stoffige of vuile omstandigheden).
• De bougie vervangen, reinigen en afstellen.
• Controleer en reinig de koelribben en schermen.
Om de 200 bedrijfsuren
• Voor Kawasaki motoren — Het motoroliefilter vervangen (dit moet vaker gebeuren
als de machine wordt gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden).
• Voor Kohler motoren — Het brandstoffilter vervangen (vaker in stoffige, vuile
omstandigheden).
Om de 250 bedrijfsuren
• Vervang het voorfilter (Vaker in stoffige, vuile omstandigheden).
• Controleer het veiligheidsfilter. (Vaker in stoffige, vuile omstandigheden).
• Vervang de hydraulische filters en de vloeistof als u Mobil® 1 vloeistof gebruikt
(vaker als de machine wordt gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden).
Om de 500 bedrijfsuren
• Vervang het veiligheidsfilter. (Vaker in stoffige, vuile omstandigheden).
• Voor Kawasaki motoren — Het brandstoffilter vervangen (vaker in stoffige, vuile
omstandigheden).
• Het koppel van de wielmoeren controleren.
• Controleer de torsie van de sleufmoer van de wielnaaf.
• Stel de lager van het draaipunt van het zwenkwiel af.
• Controleer de afstelling van de parkeerrem.
• Vervang de hydraulische filters en de vloeistof als u Toro® HYPR-OIL™ 500 olie
gebruikt (vaker als de machine wordt gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden).
Maandelijks
• Controleer of de accu opgeladen is.
Jaarlijks
• De arm van de riemspanpoelie smeren.
• Smeer de draaipunten van de voorste zwenkwielen (dit moet vaker gebeuren als de
machine wordt gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden).
• Smeer de lagers van de voorste zwenkwielen opnieuw (vaker als de machine wordt
gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden).
• Smeer de zwenkwielnaven.
Jaarlijks of vóór stalling
• Werk beschadigde oppervlakken bij.
• Controleer alle bovenstaande onderhoudsprocedures voordat u de machine opslaat.
42
Belangrijk: Raadpleeg de Gebruikershandleiding van de motor voor verdere onderhoudsprocedures.
VOORZICHTIG
Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start
waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen.
Verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de
machine.
Procedures
voorafgaande aan
onderhoud
• Zorg ervoor dat alle onderdelen in goede staat
verkeren en alle bevestigingselementen stevig
vastzitten, in het bijzonder de bevestigingen
van de maaimessen. Vervang versleten of
beschadigde stickers.
• Doe nooit iets wat de functie van een
veiligheidsvoorziening belemmert of wat ervoor
zorgt dat een veiligheidsvoorziening minder
bescherming biedt. Controleer regelmatig of ze
goed werken.
Veiligheid bij onderhoud
• Doe het volgende voordat u de machine gaat
repareren:
• Controleer de werking van de parkeerrem
– Schakel de aandrijvingen uit.
regelmatig. Indien nodig moet u deze afstellen en
een onderhoudsbeurt geven.
– Stel de parkeerrem in werking.
– Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het
contact.
De afdekking van het
maaidek losmaken
– Maak de bougiekabels los.
• Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.
• Verwijder gras en vuil van het maaidek, de
Zet de onderste bout van de afdekking los om de
afdekking van het maaidek los te maken en toegang
te krijgen tot de bovenkant van het maaidek (Figuur
50). Draai na de onderhoudswerkzaamheden de bout
vast om de afdekking opnieuw te monteren.
aandrijvingen, de geluiddempers en de motor om
brand te voorkomen.
• Veeg gemorste olie en brandstof op.
• Laat personeel dat niet bekend is met de
instructies, nooit onderhoudswerkzaamheden aan
de machine uitvoeren.
• Plaats de machine en/of onderdelen ervan op
assteunen indien dit nodig is.
• Haal voorzichtig de druk van onderdelen met
opgeslagen energie.
• Maak de accukabel los of verwijder de bougiekabel
voordat u reparatiewerkzaamheden gaat
verrichten Maak eerst de minpool van de accu los
en daarna de pluspool. Sluit eerst de pluspool van
de accu aan en daarna de minpool.
• Wees voorzichtig als u de messen controleert.
g027945
Omwikkel de maaimessen of draag handschoenen
met een dikke voering en wees voorzichtig als u
er onderhoudswerkzaamheden aan verricht. De
maaimessen mogen alleen worden vervangen,
probeer ze nooit recht te maken of er aan te
lassen.
Figuur 50
1. Bout
• Houd uw handen en voeten uit de buurt van
bewegende onderdelen. Stel indien mogelijk de
machine niet af terwijl de motor loopt.
43
2. Afdekking
Het plaatmetaalscherm
verwijderen
Smering
De machine smeren
Zet de 2 voorste bouten los en verwijder het
plaatmetaalscherm om bij de maaierriemen en
de spilassen te komen (Figuur 51). Monteer het
plaatmetaalscherm en draai de bouten vast na de
onderhoudswerkzaamheden.
De machine moet vaker worden gesmeerd bij gebruik
in zeer stoffige of zanderige omstandigheden.
Type vet: nr. 2 vet op lithium- of molybdeenbasis
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Reinig de smeernippels met een doek.
Opmerking: Krab indien nodig de verf van de
voorkant van de nippel(s).
g027946
Figuur 51
1. Plaatmetaalscherm
4.
Zet een smeerpistool op de nippel.
5.
Spuit vet in de nippels totdat er nieuw vet bij de
lagers naar buiten komt.
6.
Veeg overtollig vet weg.
2. Bout
Dunvloeibare olie of
sproeismering gebruiken
Onderhoudsinterval: Om de 100 bedrijfsuren
Smeer de scharnierpunten van de hefinrichting van
het maaidek.
g017050
Figuur 52
44
Maaidek smeren met vet
Onderhoudsinterval: Jaarlijks—De arm van de
riemspanpoelie smeren.
Jaarlijks—Smeer de draaipunten van de voorste
zwenkwielen (dit moet vaker gebeuren als
de machine wordt gebruikt in stoffige of vuile
omstandigheden).
Jaarlijks—Smeer de lagers van de voorste
zwenkwielen opnieuw (vaker als de
machine wordt gebruikt in stoffige of vuile
omstandigheden).
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Draai de onderste bout los waarmee de
afdekking van het maaidek is bevestigd aan het
maaidek. Zie De afdekking van het maaidek
losmaken (bladz. 43).
4.
Verwijder het plaatmetaalscherm. Zie Het
plaatmetaalscherm verwijderen (bladz. 44).
5.
Smeer het scharnierpunt van de spanpoelie van
het maaidek tot het smeer er aan de onderzijde
uitkomt (Figuur 53 of Figuur 54).
g192516
Figuur 54
Machine met achterafvoer afgebeeld
6.
Smeer de armen van de spanpoelie van de
drijfriem (Figuur 55).
g009030
Figuur 55
7.
g185957
Figuur 53
Machine met zijafvoer afgebeeld
45
Smeer de armen van de spanpoelie van
de maaidekriem (alleen voor machines met
achterafvoer) zoals getoond in Figuur 56.
Zwenkwielnaven smeren
Onderhoudsinterval: Jaarlijks
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
g024207
Figuur 56
Uitsluitend voor machines met achterafvoer
8.
Plaats het plaatmetaalscherm. Zie De afdekking
van het maaidek losmaken (bladz. 43).
9.
Draai de bout vast waarmee de afdekking van
het maaidek is bevestigd. Zie De afdekking van
het maaidek losmaken (bladz. 43).
10.
g006115
Figuur 58
1. Afdichtinghouder
Verwijder de stofkap en stel de draaipunten van
de zwenkwielen bij.
Opmerking: Plaats de stofkap pas terug als u
klaar bent met smeren.
11.
Verwijder de zeskantige plug.
12.
Draai een smeernippel in de opening.
13.
Pomp smeervet in de smeernippel totdat er vet
bij het bovenste lager naar buiten komt.
14.
Trek de smeernippel uit de opening.
15.
Plaats de zeskantige plug en de stofkap (Figuur
57).
2. Afstandsmoer
3.
Breng de maaier omhoog om eenvoudig
toegang te krijgen.
4.
Verwijder het zwenkwiel uit de zwenkwielvorken.
5.
Verwijder de afdichtinghouders uit de wielnaaf.
6.
Verwijder een afstandsmoer van de as van het
zwenkwiel.
Opmerking: Er is afdichtkit aangebracht
tussen de afstandsmoeren en de as.
7.
Verwijder de as (terwijl de andere afstandsmoer
er nog aan bevestigd is) van de wielconstructie.
8.
Wrik de afdichtingen los en inspecteer de lagers
op slijtage of beschadigingen. Vervangen indien
nodig.
9.
Smeer de lagers met smeervet voor algemene
doeleinden.
10.
Plaats 1 lager en 1 nieuwe afdichting in het wiel.
Opmerking: Vervang de pakkingen.
11.
Als beide afstandsmoeren ontbreken op de
as, breng dan afdichtkit aan op 1 van de
afstandsmoeren en draai deze op de as met de
afgeplatte kanten aan de buitenzijde.
g027339
Opmerking: Draai de afstandsmoer niet
volledig tot het einde van de as. Laat een
afstand van ongeveer 3 mm vrij tussen het
buitenste oppervlak van de afstandsmoer en het
einde van de as binnen de moer.
Figuur 57
16.
Smeer de lagers van de zwenkwielen (Figuur
57).
46
12.
13.
14.
15.
16.
Opmerking: Zorg ervoor dat de as niet buiten
Plaats de as met de moer in het wiel aan de
zijde van het wiel met de nieuwe afdichting en
het nieuwe lager.
Laat het open uiteinde van het wiel omhoog
wijzen en vul het gebied rond de as aan de
binnenzijde van het wiel met smeervet voor
algemene doeleinden.
Plaats het tweede lager en een nieuwe
afdichting in het wiel.
Breng een afdichtkit aan op de tweede
afstandsmoer en draai deze op de as met de
afgeplatte kanten aan de buitenzijde.
Draai de moer aan met een torsie van 8 tot
9 N·m, draai de moer los en draai deze opnieuw
vast met een torsie van 2 tot 3 N·m.
de moeren steekt.
17.
Plaats de afdichtinghouders op de wielnaaf en
steek het wiel in de zwenkwielvork.
18.
Monteer de zwenkwielbout en draai de moer
volledig vast.
Belangrijk: Controleer de afstelling van het
lager regelmatig om schade aan de afdichting
en het lager te voorkomen. Draai het zwenkwiel
rond. Het wiel mag niet vrij ronddraaien (meer
dan 1 of 2 omwentelingen) of zijspeling hebben.
Als het wiel blijft doordraaien, moet u de torsie
van de afstandsmoer afstellen totdat het wiel
lichte weerstand ondervindt. Breng nog een laag
afdichtkit aan.
Onderhoud motor
Veiligheid van de motor
3.
• U moet de motor afzetten voordat u het oliepeil
controleert of het carter bijvult met olie.
Maak de sluitingen op het luchtfilter los en trek
het luchtfilterdeksel van de luchtfilterbehuizing
(Figuur 59).
• Houd uw kleding, gezicht, handen, voeten
en andere lichaamsdelen uit de buurt van de
geluiddemper en andere hete oppervlakken.
Onderhoud van het
luchtfilter
Onderhoudsinterval: Om de 250 bedrijfsuren—Vervang het voorfilter (Vaker
in stoffige, vuile omstandigheden).
Om de 250 bedrijfsuren—Controleer het
veiligheidsfilter. (Vaker in stoffige, vuile
omstandigheden).
g001883
Figuur 59
Om de 500 bedrijfsuren—Vervang het
veiligheidsfilter. (Vaker in stoffige, vuile
omstandigheden).
de machine wordt gebruikt in buitengewoon stoffige of
zanderige omstandigheden.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
5. Veiligheidsfilter
4.
5.
Filters verwijderen
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
4. Luchtfilterdeksel
2. Voorfilter
3. Vergrendeling
Opmerking: U moet de filters vaker controleren als
1.
1. Luchtfilterbehuizing
6.
Reinig de binnenkant van het luchtfilterdeksel
met perslucht.
Schuif het voorfilter voorzichtig uit de
luchtfilterbehuizing (Figuur 59).
Opmerking: Zorg ervoor dat u niet met het
filter tegen de zijkant van de luchtfilterbehuizing
stoot.
Verwijder het veiligheidsfilter uitsluitend als u dit
gaat vervangen.
Belangrijk: Probeer het veiligheidsfilter niet
te reinigen. Als het veiligheidsfilter vuil is,
47
7.
betekent dit dat het voorfilter is beschadigd.
Vervang beide filters.
Motorolie verversen
Inspecteer het filterelement op beschadiging
door een felle lichtbron op de buitenkant van het
filter te richten en er doorheen te kijken.
Motorolietype
Type olie: Reinigingsolie (API onderhoudsclassificatie
SF, SG, SH, SJ of SL)
Opmerking: Gaten in het filter zijn herkenbaar
Motoroliecapaciteit:
• Model 74902TE, 74919TE, 75969TE: 2,0 liter met
het filter; 1,8 liter zonder het filter
• Model 74925TE, 74942TE: 2,3 liter met vervanging
van filter; 2,1 liter zonder vervanging van filter
als lichte plekken. Als het filter is beschadigd,
moet u dit weggooien.
De filters controleren
1.
Controleer het veiligheidsfilter. Als het vuil is,
vervangt u het veiligheids- en het voorfilter.
Viscositeit: zie onderstaande tabel.
Belangrijk: Probeer het veiligheidsfilter niet
te reinigen. Als het veiligheidsfilter vuil is,
betekent dit dat het voorfilter is beschadigd.
2.
Inspecteer het filterelement op beschadiging
door een felle lichtbron op de buitenkant van het
filter te richten en er doorheen te kijken. Als het
voorfilter vuil, verbogen of beschadigd is, moet
u het vervangen.
Opmerking: Gaten in het filter zijn herkenbaar
als lichte plekken. U mag het voorfilter niet
reinigen.
Filters monteren
g037096
Figuur 60
Belangrijk: U mag de motor nooit laten lopen
zonder dat beide luchtfilters en het deksel zijn
gemonteerd om beschadiging van de motor te
voorkomen.
1.
Het motoroliepeil controleren
Als u nieuwe filters plaatst, moet u elk filter
controleren op transportschade.
Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks
Opmerking: Een beschadigd filter mag niet
Opmerking: Controleer het oliepeil als de motor
worden gebruikt.
koud is.
2.
Als u het binnenste filter vervangt, schuif het
dan voorzichtig in de filterbehuizing (Figuur 59).
3.
Schuif het voorfilter op het veiligheidsfilter
(Figuur 59).
Belangrijk: Als er te veel of te weinig olie zit in
het carter van de motor en u laat de motor toch
draaien, kunt u deze beschadigen.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
Opmerking: Zorg ervoor dat het voorfilter
volledig op zijn plaats zit door op de buitenrand
te duwen tijdens de montage.
Belangrijk: Druk niet op het zachte midden
van het filter.
4.
Opmerking: Zorg dat de motor uitgeschakeld
is zodat de olie tijd heeft gekregen om weg te
lopen naar de opvangbak.
Plaats het luchtfilterdeksel en maak de sluitingen
vast (Figuur 59).
3.
48
Om te voorkomen dat er vuil, maaisel, enz. in
de motor terechtkomt, moet u de omgeving
van de vuldop/peilstok reinigen voordat u deze
verwijdert (Figuur 61).
g027734
Figuur 62
5.
g194611
Figuur 61
Motorolie verversen
Onderhoudsinterval: Na de eerste 8
bedrijfsuren—Motorolie verversen.
Om de 100 bedrijfsuren—Motorolie verversen
(dit moet vaker gebeuren als de machine wordt
gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden).
1.
Parkeer de machine zo dat de aftapkant iets
lager staat dan de andere kant zodat alle olie
kan weglopen.
2.
Schakel de messchakelaar (aftakas) uit en stel
de parkeerrem in werking.
3.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
4.
Laat de olie uit de motor lopen (Figuur 62).
49
Giet langzaam ongeveer 80% van de
gespecificeerde olie in de vulbuis en voeg
langzaam de rest van de olie toe tot het peil de
markering Vol bereikt (Figuur 63).
Het motoroliefilter vervangen
Onderhoudsinterval: Om de 200 bedrijfsuren—Voor
Kawasaki motoren — Het
motoroliefilter vervangen (dit
moet vaker gebeuren als de
machine wordt gebruikt in stoffige of
vuile omstandigheden).
1.
Laat de olie uit de motor lopen; raadpleeg
Motorolie verversen (bladz. 49).
2.
Vervang het motoroliefilter (Figuur 64).
g008804
g027660
Figuur 63
6.
Geef de afgewerkte olie af bij een
inzamelcentrum.
g027477
Figuur 64
Opmerking: Controleer of de pakking van het
oliefilter contact maakt met de motor en draai
het oliefilter nog 3/4 slag extra vast.
3.
50
Vul het carter met het juiste type nieuwe olie; zie
Motorolie verversen (bladz. 49).
Onderhoud van de bougie
Onderhoudsinterval: Om de 100 bedrijfsuren
Controleer of de elektrodenafstand tussen de centrale
elektrode- en de massa-elektrode correct is voordat u
de bougie monteert. Gebruik een bougiesleutel voor
het (de)monteren van de bougie en een voelermaat
om de elektrodenafstand te meten en af te stellen.
Monteer een nieuwe bougie indien dit nodig is.
g009922
Type bougie: NGK® BPR4ES of gelijkwaardig
Elektrodenafstand: 0,75 mm
Bougie verwijderen
1.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
2.
Schakel de aftakas uit, zet de rijhendels in
de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND en stel de
parkeerrem in werking.
3.
Verwijder het scherm van de linker hydraulische
eenheid volgens de procedure vermeld bij Figuur
65. Zo krijgt u toegang tot de voorste bougie.
g009919
Figuur 65
1. Trek dit lipje naar buiten in
de richting van de pijl
3. Trek het scherm van dit
framelipje in de richting
van de pijl
2. Trek het scherm van dit
framelipje in de richting
van de pijl
4. Scherm
4.
Verwijder de bougie.
g008803
g027478
Figuur 66
51
5.
Vonkenvanger controleren
Plaats het scherm van de linker hydraulische
eenheid (Figuur 65).
Bougie controleren
Voor machines met een
vonkenvanger
Belangrijk: Maak de bougie(s) niet schoon.
Onderhoudsinterval: Om de 50 bedrijfsuren
Verwijder een bougie altijd als deze: een zwarte
laag heeft, als de elektroden versleten zijn, als er
een vettige laag op ligt of als de bougie scheuren
vertoont.
WAARSCHUWING
Hete onderdelen van het uitlaatsysteem
kunnen brandstofdampen ontsteken, zelfs
nadat u de motor hebt afgezet. Hete deeltjes
die tijdens het gebruik van de motor uit de
uitlaat komen, kunnen ontvlambaar materiaal
ontsteken, waardoor lichamelijk letsel of
materiële schade kan ontstaan.
Als de isolator lichtbruin of grijs is, werkt de motor
naar behoren. Een zwarte laag op de isolator duidt
meestal op een vuil luchtfilter.
Stel de afstand in op 0,75 mm.
Vul geen brandstof bij en laat de motor niet
lopen totdat de vonkenvanger is geplaatst.
g206628
1.
Parkeer de maaimachine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Wacht tot de geluiddemper is afgekoeld.
4.
Als u scheuren ziet in het scherm of in de lassen
moet u de vonkenvanger vervangen.
5.
Als het scherm verstopt raakt, verwijder dan
de vonkenvanger en schud de deeltjes eruit.
Reinig het scherm met een staalborstel (laat het
scherm indien nodig weken in oplosmiddel).
6.
Plaats de vonkenvanger terug op de uitlaat.
Figuur 67
Bougie monteren
g027661
Figuur 68
52
Onderhoud
brandstofsysteem
Onderhoud van de
brandstoftank
Brandstoffilter vervangen
Probeer de brandstoftank niet zelf af te tappen.
Laat een erkende servicedealer de brandstoftank
aftappen en onderdelen van het brandstofsysteem
een onderhoudsbeurt geven.
Onderhoudsinterval: Om de 200 bedrijfsuren (vaker
in stoffige, vuile omstandigheden).
Om de 500 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij
de kortste periode aan) (vaker in stoffige, vuile
omstandigheden).
Belangrijk: Plaats de brandstofleidingen en
bevestig ze met plastic kabelbinders. Volg hierbij
de fabrieksmontage om ervoor te zorgen dat
de brandstofleiding geen contact kan maken
met onderdelen die deze mogelijk kunnen
beschadigen.
Het brandstoffilter bevindt zich bij de motor, links
vooraan aan de motor.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Laat de motor afkoelen.
4.
Sluit de brandstofafsluitklep onder de stoel.
5.
Brandstoffilter vervangen (Figuur 69).
g008963
Figuur 69
6.
Open de brandstofafsluitklep.
53
Onderhoud elektrisch
systeem
Veiligheid van het
elektrisch systeem
• Koppel de accu af voordat u reparaties aan de
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Verwijder de accu zoals getoond in Figuur 70.
machine verricht. Maak eerst de minpool van de
accu los en daarna de pluspool. Bevestig eerst de
pluspool van de accu en daarna de minpool.
• Laad de accu op in een open, goed geventileerde
ruimte, uit de buurt van vonken en open vuur. Haal
de oplader uit het stopcontact voordat u de accu
aan- of loskoppelt. Draag beschermende kleding
en gebruik geïsoleerd gereedschap.
Onderhoud van de accu
Onderhoudsinterval: Maandelijks
Accu verwijderen
g027728
Figuur 70
WAARSCHUWING
Accupolen of metalen gereedschappen
kunnen kortsluiting maken met metalen
onderdelen van de machine, waardoor
vonken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen
accugassen tot ontploffing komen en
lichamelijk letsel veroorzaken.
• Zorg ervoor dat bij het verwijderen of
installeren van de accu de accupolen
niet in aanraking komen met metalen
onderdelen van de machine.
• Voorkom dat metalen gereedschappen
kortsluiting veroorzaken tussen de
accupolen en metalen onderdelen van de
machine.
WAARSCHUWING
De accukabels onjuist afkoppelen kan schade
aan de machine en de kabels tot gevolg
hebben en vonken veroorzaken. Hierdoor
kunnen accugassen tot ontploffing komen en
lichamelijk letsel veroorzaken.
• Maak altijd de minkabel (zwart) van de accu
los voordat u de pluskabel (rood) losmaakt.
• Sluit altijd de pluskabel (rood) van de accu
aan voordat u de minkabel (zwart) aansluit.
54
Accu opladen
De accu plaatsen
Opmerking: Plaats de accu in een bak met de
WAARSCHUWING
accupolen van de hydraulische tank weg (Figuur 70).
Bij het opladen produceert de accu gassen
die tot ontploffing kunnen komen.
Rook nooit in de buurt van de accu en zorg
ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij
de accu komen.
Belangrijk: Zorg ervoor dat de accu altijd
volledig geladen is (soortelijk gewicht 1,265). Dit
is vooral belangrijk om beschadiging van de accu
te voorkomen bij temperaturen beneden 0 °C.
1.
Verwijder de accu van het chassis; raadpleeg
Accu verwijderen (bladz. 54).
2.
Laad de accu 10 tot 15 minuten op bij 25 tot
30 A of 30 minuten bij 10 A.
Opmerking: De accu niet te ver opladen.
g032526
3.
Zodra de accu volledig is opgeladen, haalt
u de acculader uit het stopcontact en maakt
u vervolgens de oplaadkabels los van de
accuklemmen (Figuur 71).
4.
Monteer de accu in de machine en sluit de
accukabels aan; zie De accu plaatsen (bladz.
55).
Figuur 72
Opmerking: Gebruik de machine nooit
wanneer de accu is losgekoppeld; dit kan
beschadigingen aan het elektrische systeem tot
gevolg hebben.
g000960
Figuur 71
1. Pluspool (+) van de accu
3. Rode (+) oplaadkabel
2. Minpool (–) van de accu
4. Zwarte (–) oplaadkabel
55
Onderhoud van de
zekeringen
Onderhoud
aandrijfsysteem
De elektrische installatie is beveiligd door middel van
zekeringen. Voor de zekeringen is geen onderhoud
nodig. Als er echter een zekering doorbrandt,
controleer dan het circuit op een storing of kortsluiting.
Veiligheidsgordel
controleren
De zekeringen bevinden zich op het bedieningspaneel
aan de rechterkant van de stoel (Figuur 73).
1.
Om een zekering te vervangen, trekt u de
zekering omhoog.
2.
Monteer een nieuwe zekering (Figuur 73).
Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks
Controleer de veiligheidsgordel op slijtage en
sneden en controleer de juiste werking van het
terugtreksysteem en de sluiting. Vervang de
veiligheidsgordel als deze is beschadigd.
De knoppen van de
rolbeugel controleren
Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks
WAARSCHUWING
Om lichamelijk of dodelijk letsel te voorkomen
als de machine omkantelt: laat de rolbeugel
volledig omhoog geklapt en vergrendeld, en
doe de veiligheidsgordel om.
Controleer of de stoel goed op de machine
is bevestigd.
g008966
Figuur 73
1. Optioneel accessoire
(15 A)
4. Hoofdstroom (25 A)
2. Laden (25 A)
5. Bedieningspaneel
• Controleer of zowel de montagematerialen als de
knoppen in goede staat verkeren.
• Zorg ervoor dat de knoppen volledig op hun plaats
zitten en de rolbeugel omhoog is geklapt.
3. Aftakas (10 A)
Opmerking: De bovenste lus van de rolbeugel
moet mogelijk naar voren worden geduwd of naar
achteren worden getrokken om ervoor te zorgen
dat beide knoppen in de juiste stand klikken
(Figuur 74 en Figuur 75).
56
De sporing afstellen
1.
Schakel de messchakelaar (aftakas) uit.
2.
Rijd naar een open, vlak gebied en zet de
rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND .
3.
Zet de gashendel halverwege tussen de standen
Snel en Langzaam.
4.
Zet beide rijhendels helemaal vooruit tot aan de
aanslag in de T-sleuf.
5.
Controleer de sporing van de machine.
• Als de machine een afwijking naar rechts
heeft, draai dan de bouten los en breng
de linker aanslagplaat naar achteren op
de linker T-sleuf tot de machine recht rijdt
(Figuur 76).
• Als de machine een afwijking naar links
heeft, draai dan de bouten los en breng de
rechter aanslagplaat naar achteren op de
rechter T-sleuf tot de machine recht rijdt
(Figuur 76).
6.
Zet de aanslagplaat vast (Figuur 76).
g228804
Figuur 74
1. Rolbeugel omhoog
4. Draai de rolbeugelknop
90 graden.
2. Knop van de rolbeugel
vergrendeld
5. Rolbeugelknop
ontgrendeld
3. Trek de rolbeugelknop uit
en draai deze 90 graden.
6. Rolbeugel ingeklapt
g010153
Figuur 76
Linkerrijhendel afgebeeld
g228981
Figuur 75
1. Ingeschakeld
2. Deels uitgetrokken –
gebruik de machine niet
met de rolbeugel in deze
stand.
1. Rijhendel
2. Bout
57
3. Aanslagplaat
De bandenspanning
controleren
Onderhoudsinterval: Om de 50 bedrijfsuren/Maandelijks (houd hierbij de kortste
periode aan)
De juiste bandenspanning in de voor- en achterbanden
is 0,9 bar. Een ongelijke bandenspanning kan
leiden tot onregelmatige maairesultaten. De
bandenspanning kan het best bij koude banden
worden gecontroleerd.
g024121
Figuur 78
1. Sleufmoer
g001055
Figuur 77
Lager van draaipunt van
zwenkwiel afstellen
De wielmoeren controleren
Controleer de wielmoeren en draai ze vast met een
torsie van 122 tot 129 N·m.
Onderhoudsinterval: Om de 500 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij de kortste periode
aan)
De sleufmoer van de
wielnaaf controleren
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
Onderhoudsinterval: Na de eerste 100 bedrijfsuren
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Verwijder de stofkap van het zwenkwiel en draai
de borgmoer aan (Figuur 79).
4.
Draai de borgmoer aan totdat de veerringen vlak
liggen, en draai deze vervolgens een ¼ slag
terug om de voorspanning op de lagers correct
af te stellen (Figuur 79).
Om de 500 bedrijfsuren
Zorg ervoor dat de torsie van de sleufmoer 286 tot
352 N·m bedraagt.
Opmerking: Gebruik geen anti-seize middel op de
wielnaaf.
Belangrijk: Zorg ervoor dat de veerringen
goed zijn geplaatst, zoals getoond in Figuur
79.
5.
58
Plaats de stofkap (Figuur 79).
Opvulstuk van de koppeling
verwijderen
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Blaas met een behulp van perslucht al het vuil
onder de remstang en rond de afstandsstukken
van de rem weg (Figuur 81).
g001297
Figuur 79
1. Schotelveren
3. Stofkap
2. Borgmoer
Opvulstuk van de koppeling
gebruiken
g010868
Figuur 81
Er zijn enkele modellen die zijn voorzien van een
koppeling met een opvulstuk bij de rem. Als de
koppelingsrem is versleten tot het punt waarop de
koppeling niet meer consistent aangrijpt, kunt u het
opvulstuk verwijderen om de levensduur van de
koppeling te verlengen.
4.
Controleer de staat van de bedrading van de
kabelboom, de aansluitingen en de polen.
Opmerking: Reinig of repareer deze indien
nodig.
5.
Zorg dat er 12 V op de koppelingsconnector
staat als de messchakelaar (aftakas) is
ingeschakeld.
6.
Meet de opening tussen de rotor en de armatuur.
Als de opening groter is dan 1 mm, voer dan
volgende stappen uit:
A.
Opmerking: Verwijder de remstang
niet van de veldafdekking/armatuur. De
remstang is versleten rond de armatuur en
moet blijven passen nadat u het opvulstuk
hebt verwijderd om voldoende remkoppel te
garanderen.
g010869
Figuur 80
1. Armatuur
2. Veldafdekking
5. Afstandsstuk van rem
6. Opvulstuk
3. Rotor
7. Remstang
Draai beide montagebouten van de rem
een halve tot een hele slag los zoals wordt
getoond in Figuur 82.
4. Montagebout van rem
59
g010872
Figuur 84
1. Voelermaat
g010870
Figuur 82
1. Montagebout van rem
B.
Neem het lipje vast met de hand of met een
buigtang en verwijder het opvulstuk (Figuur
83).
Opmerking: Gooi het opvulstuk niet weg
totdat de koppeling naar behoren werkt.
g010873
Figuur 85
1. Voelermaat
• Als de opening kleiner is dan 0,25 mm,
plaats dan het opvulstuk; raadpleeg
hoofdstuk Opvulstuk van de koppeling
gebruiken (bladz. 59).
• Als de opening groot genoeg is, ga dan
g010871
Figuur 83
verder met de veiligheidscontrole in
stap F.
1. Opvulstuk
F.
C.
Blaas met perslucht al het vuil onder de
remstang en rond de afstandsstukken van
de rem weg.
D.
Haal elke bout (M6 x 1) aan met een torsie
van 12,8 tot 14,2 N·m.
E.
Gebruik een voelermaat van 0,25 mm dik
om aan beide zijden van de remstang te
controleren of er een opening is tussen
de rotor en de armatuur, zoals getoond in
Figuur 84 en Figuur 85.
Voer de volgende veiligheidscontrole uit:
i.
Neem plaats op de bestuurdersstoel
en start de motor.
ii.
Zorg dat de messen niet
ingeschakeld worden als de
messchakelaar (aftakas) in de stand
UIT staat, en dat de koppeling
uitgeschakeld is.
Als de koppeling niet uitgeschakeld
wordt, plaats dan het opvulstuk terug;
raadpleeg hoofdstuk Opvulstuk van
de koppeling gebruiken (bladz. 59).
Opmerking: Vanwege de manier waarop
iii.
de rotor en armatuur slijten, met pieken en
dalen, is het soms moeilijk om de opening
nauwkeurig te meten.
60
Schakel de messchakelaar (aftakas)
10 keer achter elkaar in en uit om
te controleren of de koppeling juist
functioneert.
De koelribben en schermen
reinigen
Onderhoud koelsysteem
Motorscherm en oliekoeler
van de motor reinigen
Onderhoudsinterval: Om de 100 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij de kortste periode
aan)
Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Verwijder het luchtinlaatrooster, de
terugloopstarter en de ventilatorbehuizing
(Figuur 87).
4.
Verwijder vuil en gras van de machineonderdelen.
5.
Verwijder de luchtinlaatroosters, de
terugloopstarter en de ventilatorbehuizing
(Figuur 87).
Verwijder aangekoekt gras of vuil van het scherm van
de oliekoeler en het motorscherm (Figuur 86).
g008804
g009191
Figuur 86
Verwijder aangekoekt gras of ander vuil van het
motorscherm. Dit draagt bij tot een adequate koeling
en een correct motortoerental en verkleint de kans dat
de motor oververhit raakt en mechanische schade
oploopt (Figuur 83).
g004218
Figuur 87
61
1. Motorscherm
4. Ventilatorbehuizing
2. Luchtinlaatrooster
3. Bout
5. Schroef
Schermen van hydraulische Onderhouden remmen
eenheid controleren en
Parkeerrem afstellen
reinigen.
Onderhoudsinterval: Na de eerste 100 bedrijfsuren
Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks
1.
2.
Om de 500 bedrijfsuren daarna
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
Opmerking: Voer deze procedure uit met
inachtneming van het aanbevolen onderhoudsinterval
of wanneer er een onderdeel van de rem werd
verwijderd of vervangen.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Beweeg de stoel naar voren.
4.
Verwijder vuil en gras van de schermen van de
hydraulische eenheid (Figuur 88).
5.
Bestuurdersstoel instellen.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Breng de achterzijde van de machine omhoog
en ondersteun de machine met assteunen.
VOORZICHTIG
Vertrouw nooit uitsluitend op een
mechanische of hydraulische krik om
de machine op te heffen voor serviceof onderhoudswerkzaamheden. Dit
kan gevaarlijk zijn. Een mechanische
of hydraulische krik kan een machine
soms niet goed ondersteunen of slecht
functioneren, waardoor de machine kan
vallen. Dit kan letsel veroorzaken.
g009922
Vertrouw nooit uitsluitend op een
mechanische of hydraulische krik om
het maaidek op te heffen. Gebruik goede
assteunen of gelijkwaardige middelen
om de machine te ondersteunen.
4.
Verwijder de achterbanden van de machine.
5.
Verwijder eventueel vuil rond de rem.
6.
Draai de vrijgavehendel van het aandrijfwiel
naar de vrijstand; zie De vrijgavehendels van de
aandrijfwielen gebruiken (bladz. 37).
7.
Controleer of er ruimte zichtbaar is tussen
de L-beugel en de aanslag van de koppeling
(Figuur 89).
g015117
Figuur 88
1. Scherm van hydraulische eenheid
62
Onderhoud riemen
Riemen controleren
Onderhoudsinterval: Om de 50 bedrijfsuren
Vervang de riem als deze versleten is. Een aantal
indicaties van een versleten riem: een gierend
geluid tijdens het draaien van de riem, de messen
die slippen tijdens het maaien, gerafelde randen en
schroeiplekken en scheuren op de riem.
Drijfriem van maaidek
vervangen voor
maaidekken met zijuitworp
g026961
Figuur 89
Linkerkant getoond
1. L-beugel
4. Achterste koppeling
2. Aanslag van koppeling
5. Schuifmaat
3. Tussenruimte
6. Wielnaaf
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
8.
Zet de parkeerrem vrij; de hendel moet in de
onderste stand staan.
9.
Draai de wielnaaf handmatig in beide richtingen
ten opzichte van de schuifmaat; de wielnaaf
moet vrij kunnen bewegen tussen de schuifmaat.
3.
Laat het maaidek zakken tot een maaihoogte
van 76 mm.
Als de tussenruimte te klein is of de wielnaaf
niet vrij kan bewegen:
4.
Draai de onderste bout los waarmee de
afdekking van het maaidek is bevestigd aan het
maaidek. Zie De afdekking van het maaidek
losmaken (bladz. 43).
5.
Verwijder het plaatmetaalscherm. Zie Het
plaatmetaalscherm verwijderen (bladz. 44).
6.
Verwijder de aandrijfriemkappen (Figuur 90).
10.
A.
Stel de handrem buiten werking.
B.
Maak de achterste koppeling los en stel
deze af:
• Kort de koppeling in om een
tussenruimte te maken.
• Maak de koppeling langer om de
wielnaaf te laten bewegen.
C.
Maak de achterste koppeling vast.
11.
Schakel de parkeerrem in en controleer de
tussenruimte.
12.
Herhaal stap 8 tot 12 tot er een tussenruimte
zichtbaar is en de wielnaaf vrij kan draaien.
13.
Herhaal deze procedure voor de rem aan de
andere kant.
14.
Draai de vrijgavehendel van het aandrijfwiel
naar de bedrijfsstand; zie De vrijgavehendels
van de aandrijfwielen gebruiken (bladz. 37).
15.
16.
g027729
Figuur 90
1. Druk de lip naar beneden
Monteer de achterbanden en draai de
wielmoeren aan; zie De wielmoeren controleren
(bladz. 58).
Haal de assteunen weg.
63
2. Verwijder de drijfriemkap
7.
Gebruik een ratelsleutel in de vierkante opening
in de arm van de spanpoelie om de druk op de
veer te verminderen (Figuur 91).
8.
Verwijder de riem van de poelies van het
maaidek.
9.
Verwijder de riemgeleider op de arm van de
veerbelaste spanpoelie (Figuur 91).
10.
Verwijder de aanwezige riem.
11.
Bevestig de nieuwe riem rond de poelies van
het maaidek en de koppelingspoelie onder de
motor (Figuur 91).
g027730
Figuur 92
1. Plaats de aandrijfriemkap
terug
3. Zorg ervoor dat het
lipje onder de metalen
vergrendeling valt
2. Schuif de aandrijfriemkap
onder de zijrichels
15.
16.
De aandrijfriem van het
maaidek vervangen
voor maaidekken met
achterafvoer
g009038
Figuur 91
1. Koppelingspoelie
5. Vierkante opening in de
arm van de poelie (voor de
ratelsleutel)
2. Aandrijfriem van maaidek
6. Smeernippel van
spanpoelie
3. Veerbelaste spanpoelie
7. Riemgeleider
De tegengesteld draaiende riem
vervangen
4. Ratelsleutel
12.
Bevestig de riemgeleider op de arm van de
spanpoelie (Figuur 91).
13.
Gebruik de ratelsleutel in de vierkante opening
en plaats de veer van de spanpoelie (Figuur 91).
1.
2.
Opmerking: Zorg ervoor dat de uiteinden van
de veer zich in de ankergroeven bevinden.
14.
Plaats het plaatmetaalscherm. Zie Het
plaatmetaalscherm verwijderen (bladz. 44).
Draai de bout vast waarmee de afdekking van
het maaidek is bevestigd. Zie De afdekking van
het maaidek losmaken (bladz. 43).
3.
Plaats de aandrijfriemkappen terug (Figuur 92).
4.
5.
64
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
Breng het maaidek omlaag naar een maaihoogte
76 mm.
Hef het vloerdeel op om de middelste poelie te
bereiken.
Draai de onderste bout los waarmee de
afdekking van het maaidek is bevestigd aan het
maaidek. Zie De afdekking van het maaidek
losmaken (bladz. 43).
Drijfriem van maaidek vervangen
6.
Verwijder het plaatmetaalscherm. Zie Het
plaatmetaalscherm verwijderen (bladz. 44).
7.
Verwijder de plastic riemkap (Figuur 94).
8.
Draai de 3 bouten los waarmee de metalen
riemkap is bevestigd en verwijder de metalen
riemkap.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Breng het maaidek omlaag naar een maaihoogte
76 mm.
4.
Draai de onderste bout los waarmee de
afdekking van het maaidek is bevestigd aan het
maaidek. Zie De afdekking van het maaidek
losmaken (bladz. 43).
5.
Verwijder het plaatmetaalscherm. Zie Het
plaatmetaalscherm verwijderen (bladz. 44).
6.
Verwijder de aandrijfriemkappen (Figuur 94).
g024145
Figuur 93
1. Spanpoelieveer
4. Spanpoelie
2. Tegengesteld draaiende
riem
5. Vierkante opening in de
arm van de poelie (voor de
ratelsleutel)
g027729
Figuur 94
7.
Verwijder de tegengesteld draaiende riem; zie
De tegengesteld draaiende riem vervangen
(bladz. 64).
8.
Zet een ratelsleutel in de vierkante opening in de
arm van de spanpoelie om de druk op de veer
te verminderen (Figuur 95).
9.
Verwijder de riem van de maaidekpoelies en de
koppelingspoelie.
3. Dubbele poelie
9.
Gebruik een ratelsleutel in de vierkante opening
in de arm van de spanpoelie om de druk op de
veer te verminderen (Figuur 93).
10.
Verwijder de riem van de poelie van het maaidek
(Figuur 93).
11.
Verwijder de riem van de overige poelies (Figuur
93).
12.
Leid de nieuwe riem rond de poelies van het
maaidek.
13.
Zet een ratelsleutel in de vierkante opening,
verminder de spanning op de veer en leid de
nieuwe riem rond de spanpoelie (Figuur 93).
10.
65
Bevestig de nieuwe riem rond de poelies van
het maaidek en de koppelingspoelie onder de
motor (Figuur 95).
g027730
Figuur 96
14.
Plaats het plaatmetaalscherm. Zie Het
plaatmetaalscherm verwijderen (bladz. 44).
15.
Draai de bout vast waarmee de afdekking van
het maaidek is bevestigd. Zie De afdekking van
het maaidek losmaken (bladz. 43).
g009038
Figuur 95
1. Koppelingspoelie
5. Riemgeleider
2. Aandrijfriem van maaidek
6. Veerbelaste spanpoelie
3. Veerbelaste spanpoelie
7. Vierkante opening in de
arm van de poelie (voor de
ratelsleutel)
4. Zorg ervoor dat het lipje
van de riemgeleider tegen
de naaf van het draaipunt
komt.
8. Veer
11.
Draai het lipje van de riemgeleider en zorg
ervoor dat het tegen de naaf van het draaipunt
komt (Figuur 95).
12.
Zet de ratelsleutel in de vierkante opening en
leg de riem rond de veerbelaste spanpoelie
(Figuur 95). Steek de uiteinden van de veer in
de ankergroeven.
13.
Plaats de aandrijfriemkappen terug (Figuur 96).
Aandrijfriem van de
hydraulische pomp
vervangen
66
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Verwijder de aandrijfriem van het maaidek;
zie Drijfriem van maaidek vervangen voor
maaidekken met zijuitworp (bladz. 63) of De
aandrijfriem van het maaidek vervangen voor
maaidekken met achterafvoer (bladz. 64).
4.
Breng de machine omhoog en ondersteun de
machine met assteunen (Figuur 97).
Onderhoud
bedieningsysteem
De stand van de
bedieningshendel afstellen
Er zijn twee standen voor de bedieningshendels:
hoog en laag. Verwijder de bouten om de hoogte aan
te passen voor de bestuurder.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
g009039
Figuur 97
1. Spanpoelie
5. Linker poelie van
hydraulische pomp
3.
2. Koppelingspoelie
6. Vierkante opening in
poelie-arm
Draai de bouten en flensmoeren van de hendels
los (Figuur 98).
4.
3. Aandrijfriem van pomp
7. Spanpoelieveer
Zet de hendels in de lengterichting door deze
naar elkaar in de NEUTRAALSTAND te brengen.
Schuif de hendels tot ze op één lijn staan en
draai vervolgens de bouten vast (Figuur 99).
4. Rechter poelie van
hydraulische pomp
5.
Gebruik een ratelsleutel in de vierkante opening
in de arm van de spanpoelie om de veer te
verwijderen (Figuur 97).
6.
Haal de veer van de arm van de spanpoelie
(Figuur 97).
7.
Verwijder de riem van de aandrijfpoelies van de
hydraulische eenheid en de motorpoelie.
8.
Leg de nieuwe riem rond de motorpoelie en de
twee aandrijfpoelies.
9.
Gebruik een ratelsleutel in de vierkante opening
in de arm van de spanpoelie om de veer aan het
frame te bevestigen (Figuur 97).
10.
g009040
Figuur 98
Plaats de aandrijfriem van het maaidek;
zie Drijfriem van maaidek vervangen voor
maaidekken met zijuitworp (bladz. 63) of De
aandrijfriem van het maaidek vervangen voor
maaidekken met achterafvoer (bladz. 64).
67
1. Bout
3. Rijhendel
2. Handgreep
4. Moer
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Druk het maaidekpedaal in en verwijder de
maaihoogtepen.
4.
Breng het maaidek omlaag tot de grond.
5.
Zet de achterkant van de machine op assteunen
(of een soortgelijke steun).
Opmerking: Zet de machine net zo ver
omhoog dat de aandrijfwielen vrij kunnen
ronddraaien.
6.
Verwijder de elektrische aansluiting van de
veiligheidsschakelaar die zich onder het
onderste kussen van de stoel bevindt.
Opmerking: De schakelaar maakt onderdeel
uit van de stoelconstructie.
g009195
Figuur 99
5.
6.
7.
Koppel tijdelijk een startkabel aan op de polen
van de connector van de hoofdkabelboom.
8.
Start de motor, laat deze op vol gas lopen en
schakel de rem uit.
Als de uiteinden van de hendels elkaar raken,
raadpleeg dan Het scharnierpunt van de
neutraalstand van de rijhendel afstellen (bladz.
69).
Opmerking: Zorg dat de parkeerrem in
werking is gesteld en de rijhendels naar buiten
staan voordat u de motor start. U hoeft niet op
de stoel te zitten.
Herhaal de procedure om de rijhendels af te
stellen.
9.
Rijhendelmechanisme
afstellen
Opmerking: De rijhendels moeten in
De mechanismen van de pompbediening bevinden
zich aan beide zijden van de machine onder de
stoel. Draai aan de eindmoer met een dopsleutel van
½" om de machine nauwkeurig af te stellen zodat
deze niet beweegt in de neutraalstand. Eventuele
aanpassingen moet alleen voor de neutraalstand
worden uitgevoerd.
de neutraalstand staan als de nodige
afstellingswerkzaamheden worden uitgevoerd.
WAARSCHUWING
De motor moet lopen en de aandrijfwielen
draaien opdat u deze afstelling kunt uitvoeren.
Contact met bewegende onderdelen of
hete oppervlakken kan lichamelijk letsel
veroorzaken.
Houd uw vingers, handen en kleding uit de
buurt van draaiende onderdelen en hete
oppervlakken.
1.
Schakel de messchakelaar (aftakas) uit, zet de
rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND
en stel de parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
Laat de machine minimaal 5 minuten draaien
met de rijhendels op volledige snelheid
vooruit om de hydraulische vloeistof op
bedrijfstemperatuur te brengen.
68
10.
Zet de rijhendels in de NEUTRAALSTAND .
11.
Pas de lengte van de stang aan door de
dubbele moeren op de stang in de juiste richting
te draaien tot de wielen gaan kruipen in de
achteruitstand (Figuur 100).
De rijhendeldemper
afstellen
U kunt de bovenste montagebout van de demper
afstellen om de gewenste weerstand van de rijhendel
te verkrijgen. Zie Figuur 101 voor de montageopties.
g008620
Figuur 101
Rechter rijhendel afgebeeld
g010187
Figuur 100
1. Dubbele moeren
12.
1. Draai de borgmoer vast met een torsie van 23 N·m. De
bout moet uit het einde van de borgmoer steken na het
vastdraaien.
2. Meeste weerstand (stevigste gevoel)
Zet de rijhendels in deACHTERUITSTAND en oefen
lichte druk uit op de hendel zodat de veren de
hendels terugduwen in de neutraalstand.
3. Demper
4. Gemiddelde weerstand (gemiddeld gevoel)
Opmerking: De wielen moeten ophouden met
5. Minste weerstand (zachtste gevoel)
draaien of gaan kruipen in de achteruitstand.
13.
Schakel de machine uit.
14.
Maak de verbindingsdraad los van de stekker
van de kabelboom en sluit de stekker aan op
de stoelschakelaar.
15.
Haal de assteunen weg.
16.
Breng het maaidek omhoog en plaats de
maaihoogtepen.
17.
Controleer of de machine niet kruipt in de
neutraalstand als de parkeerremmen zijn vrij
gezet.
Het scharnierpunt van
de neutraalstand van de
rijhendel afstellen
U kunt de flensmoer afstellen om de gewenste
weerstand van de rijhendel te verkrijgen als u de
hendel in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND zet. Zie
Figuur 102 voor afstelopties.
1.
Draai de contramoer los.
2.
Draai de flensmoer naar wens vaster of losser.
• Draai de flensmoer vast voor meer
weerstand.
• Draai de flensmoer los voor minder
weerstand.
3.
69
Draai de contramoer vast.
Onderhoud hydraulisch
systeem
Veiligheid van het
hydraulische systeem
• Waarschuw onmiddellijk een arts als er
g008621
Figuur 102
1. Flensmoer
2. Contramoer
•
•
•
•
hydraulische vloeistof is geïnjecteerd in de huid.
Geïnjecteerde vloeistof moet binnen enkele uren
operatief worden verwijderd door een arts.
Controleer of alle hydraulische slangen en
leidingen in goede staat verkeren en alle
hydraulische aansluitingen en fittings stevig
vastzitten voordat u druk zet op het hydraulische
systeem.
Houd lichaam en handen uit de buurt van kleine
lekgaten of spuitmonden waaruit onder hoge druk
hydraulische vloeistof ontsnapt.
U kunt lekken in het hydraulische systeem
opsporen met behulp van karton of papier.
Hef alle druk in het hydraulische systeem op
veilige wijze op, voordat u werkzaamheden gaat
verrichten aan het hydraulische systeem.
Het hydraulische systeem
een onderhoudsbeurt
geven
Specificaties hydraulische
vloeistof
Hydraulische vloeistof: Toro® HYPR-OIL™ 500
hydraulische vloeistof of Mobil® 1 15W-50.
Belangrijk: Gebruik de aanbevolen vloeistof.
Andere vloeistoffen kunnen het hydraulische
systeem beschadigen.
Inhoud van het hydraulische systeem: 1,5 liter per
kant met filtervervanging
Hydraulische vloeistof controleren
Onderhoudsinterval: Om de 50 bedrijfsuren—Controleer het peil van
de hydraulische vloeistof.
1. Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
70
3.
Laat de motor en het hydraulische systeem
10 minuten afkoelen.
Opmerking: Het oliepeil op de peilstok is
onjuist als de olie wordt gecontroleerd wanneer
de machine nog heet is.
4.
Beweeg de stoel naar voren.
5.
Maak de omgeving van de peilstokken van de
hydraulische reservoirs schoon (Figuur 103).
6.
Verwijder 1 peilstok uit het hydraulische reservoir
(Figuur 103).
7.
Veeg de peilstok schoon en draai de peilstok in
het reservoir.
8.
Neem de peilstok eruit en bekijk het uiteinde
(Figuur 103).
Belangrijk: Vul de hydraulische installaties
niet te veel, dit kan tot schade leiden.
Gebruik de machine niet als de vloeistof zich
onder de bijvulmarkering bevindt.
9.
Als het vloeistofpeil slechts tot de bijvulmarkering
reikt, dient u langzaam precies genoeg vloeistof
in het hydraulische reservoir te gieten totdat het
peil tot de volmarkering of de H-lijn reikt.
10.
Plaats de peilstok.
11.
Herhaal de procedure voor de andere peilstok.
g015459
Figuur 103
De beide peilstokken worden gebruikt in de machine
71
1. Vol
3. H betekent het maximale
peil
2. Toevoegen
4. Locaties van peilstokken
onder de stoel
De hydraulische vloeistof en filters
vervangen
achterafvoer (bladz. 64), en zie Aandrijfriem van
de hydraulische pomp vervangen (bladz. 66).
Opmerking: Dit voorkomt dat er olie op de
riemen terecht komt.
Onderhoudsinterval: Na de eerste 250
bedrijfsuren—Vervang de
hydraulische filters en alle types
hydraulische vloeistof.
5.
Om de 250 bedrijfsuren—Vervang de
hydraulische filters en de vloeistof als u Mobil® 1
vloeistof gebruikt (vaker als de machine wordt
gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden).
Plaats een opvangbak onder het filter, verwijder
het oude filter en veeg het oppervlak schoon
(Figuur 105).
Om de 500 bedrijfsuren—Vervang de
hydraulische filters en de vloeistof als u Toro®
HYPR-OIL™ 500 olie gebruikt (vaker als de
machine wordt gebruikt in stoffige of vuile
omstandigheden).
Om de hydraulische vloeistof te vervangen moeten de
filters worden verwijderd. Vervang beide tegelijkertijd;
zie Specificaties hydraulische vloeistof (bladz. 70)
voor de aanbevolen olie.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
g008968
Figuur 105
Onderaanzicht van de machine
Breng de machine omhoog en ondersteun de
machine met assteunen (Figuur 104).
1. Filterlocaties
g008970
Figuur 104
1. Assteunen
4.
Verwijder de aandrijfriem van het maaidek en
de aandrijfriem van de pomp; zie Drijfriem
van maaidek vervangen voor maaidekken met
zijuitworp (bladz. 63) of De aandrijfriem van
het maaidek vervangen voor maaidekken met
2. Hydraulisch filter
6.
Smeer een dun laagje hydraulische vloeistof
op de rubberen pakking van het nieuwe filter
(Figuur 105).
7.
Plaats het nieuwe hydraulische filter.
8.
Plaats de aandrijfriem van de pomp en de
aandrijfriem van het maaidek.
9.
Verwijder de assteunen en breng de machine
omlaag (Figuur 104).
10.
Vul de vloeistof in het hydraulische reservoir bij
en controleer op eventuele lekkage.
11.
Neem gemorste vloeistof op.
12.
Start de motor en laat deze ongeveer 2 minuten
lopen om lucht uit het systeem te verwijderen.
13.
Zet de motor af en controleer op lekkages.
14.
Controleer het peil als de vloeistof koud is.
15.
Voeg indien nodig vloeistof toe aan het
hydraulische reservoir.
Opmerking: Niet te vol vullen.
72
Onderhoud van het
maaidek
9.
Meet aan beide zijden van het maaidek vanaf
het horizontale oppervlak tot de voorste punt
van het maaimes (punt A); zie Figuur 107.
Opmerking: De afstand moet 7,6 cm
bedragen.
Maaidek horizontaal stellen
Dek horizontaal stellen
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Controleer de bandenspanning van de
aandrijfbanden; zie De bandenspanning
controleren (bladz. 58).
4.
Plaats de transportvergrendeling in de
vergrendelstand.
5.
g009196
Figuur 107
Druk het voetpedaal helemaal in en het maaidek
wordt vergrendeld in de transportstand van
14 cm (Figuur 106).
1. Afstand van 7,6 cm bij
punt A is juist
3. Meet hier vanaf de punt
van het mes tot aan het
harde oppervlak
2. Afstand van 8,3 cm bij
punt B is juist
4. Meet bij punt A en B aan
beide zijden
10.
U kunt de stelmoer op de hefinrichting van
het voorste maaidek draaien om deze nog
nauwkeuriger in te stellen (Figuur 108).
Opmerking: Om te verhogen draait u de
schroef rechtsom en om te verlagen draait u de
schroef linksom.
Opmerking: Als het afstelbereik van de
koppelingen van het voorste maaidek niet groot
genoeg is om de maaihoogte goed in te stellen,
kunt u de enkelpuntsafstelling gebruiken om het
afstelbereik te vergroten.
g027343
Figuur 106
1. Maaidekpedaal
3. Transportvergrendeling
2. Pen voor de maaihoogte
6.
Plaats de maaihoogtepen in de opening voor de
maaihoogtestand van 7,6 cm.
7.
Ontgrendel de transportvergrendeling en laat
het dek zakken tot de gewenste maaihoogte.
8.
Breng het uitwerpkanaal omhoog.
73
g025558
Figuur 110
Uitsluitend voor machines met achterafvoer
1. Maaidek
3. Achterste opening
2. Opening aan voorkant
g027344
Figuur 108
1. Stelmoer
2. Contramoer
11.
3. Afstelling achterste
maaidek
4. Afstelling voorste maaidek
12.
Om het enkelpuntssysteem af te stellen, moet
u de 2 bouten onderaan de maaihoogteplaat
losdraaien (Figuur 109).
Als het maaidek te laag is, draai dan de stelbout
van het enkelpuntssysteem vast door deze
rechtsom te draaien. Als het maaidek te hoog is,
draai dan de stelbout van het enkelpuntssysteem
los door deze linksom te draaien (Figuur 111).
Opmerking: Draai de stelbout van het
enkelpuntssysteem losser of vaster tot de
montagebouten van de maaihoogteplaat ten
minste ⅓ van de lengte in de sleuven kunnen
bewegen. Hierdoor ontstaat er ruimte voor de
hoogteafstelling op de 4 maaidekkoppelingen.
Opmerking: Bij machines met achterafvoer
wordt het maaidek in de fabriek bevestigd in de
achterste gaten. Zie Figuur 110. Gebruik indien
nodig de voorste gaten voor verdere afstelling
wanneer u het maaidek horizontaal stelt.
g017036
Figuur 111
1. Stelbout van enkelpuntssysteem
g027345
Figuur 109
13.
1. Bouten aan de onderzijde van de maaihoogteplaat
74
Draai de 2 bouten aan de onderzijde van de
maaihoogteplaat vast (Figuur 109).
Opmerking: In de meeste omstandigheden
moet het mes aan de achterzijde 6,4 mm hoger
worden ingesteld dan de voorzijde.
Onderhoud van de
maaimessen
14.
Draai de 2 bouten vast met een torsie van 37
tot 45 N·m.
15.
Meet aan beide zijden van het maaidek vanaf
het horizontale oppervlak tot de achterste punt
van het maaimes (punt B); zie Figuur 107.
Om een goed maairesultaat te verkrijgen, moet u
de maaimessen scherp houden. Om het slijpen en
vervangen te vergemakkelijken, is het handig extra
messen in voorraad te hebben.
Veiligheid van de messen
Opmerking: De afstand moet 8,3 cm
bedragen.
16.
Een versleten of beschadigd mes kan breken en
een stuk van het mes kan worden uitgeworpen in de
richting van de bestuurder of omstanders en ernstig
lichamelijk of dodelijk letsel toebrengen. Indien u
een beschadigd mes probeert te repareren, kan de
veiligheidscertificatie van het product vervallen.
Regel de stelschroef fijn af om een hoogte te
verkrijgen van 8,3 mm (zie Figuur 108).
Om te verhogen draait u de stelschroef
rechtsom en om te verlagen draait u de
stelschroef linksom.
17.
Meet en pas aan tot alle 4 zijden op de juiste
hoogte zijn ingesteld.
• Controleer op gezette tijden de maaimessen op
18.
Draai alle moeren van de hefarmen vast.
• Wees voorzichtig als u de messen controleert.
19.
Breng het uitwerpkanaal omlaag.
slijtage of beschadigingen.
Omwikkel de maaimessen of draag
handschoenen en wees voorzichtig als u
onderhoudswerkzaamheden aan de maaimessen
verricht. De maaimessen mogen alleen worden
vervangen of geslepen, probeer ze nooit recht te
maken of er aan te lassen.
• Let op dat bij machines met meerdere maaimessen
andere messen kunnen gaan draaien doordat u
1 mes draait.
Vóór controle en onderhoud van
de maaimessen
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het sleuteltje en maak
de bougiekabels los.
De maaimessen controleren
Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks
75
1.
Controleer de snijranden (Figuur 112).
2.
Als de randen niet scherp zijn of bramen
vertonen, moet u het maaimes verwijderen en
slijpen; zie Onderhoud van de maaimessen
(bladz. 75).
3.
Controleer de messen, in het bijzonder het
gebogen deel.
4.
Als u scheuren, slijtage of groefvorming in dit
deel constateert, moet u direct een nieuw mes
monteren (Figuur 112).
Maaimessen verwijderen
Machines met zijafvoer
Vervang messen die een vast voorwerp hebben
geraakt of uit balans of krom zijn.
g006530
Figuur 112
1. Snijrand
3. Slijtage/groefvorming
2. Gebogen deel
4. Scheur
1.
Pak het uiteinde van het mes vast met een doek
of een dikke handschoen.
2.
Verwijder de mesbout, de klemring en het mes
van de spilas (Figuur 114).
Controle op kromme messen
1.
Draai de messen totdat de uiteinden in de
lengterichting liggen.
2.
Meet de afstand tussen een horizontaal
oppervlak en de snijrand, stand A, van de
messen (Figuur 113).
g004536
Figuur 114
1. Vleugel van het mes
3. Klemring
2. Mes
4. Mesbout
Machines met achterafvoer
Belangrijk: Het rechtermes van dit maaidek
draait linksom: de mesbout is voorzien van linkse
schroefdraad.
g000975
Figuur 113
1. Meet hier de afstand van
het mes tot het harde
oppervlak
Vervang een maaimes als het een vast voorwerp heeft
geraakt, of als het mes uit balans of krom is. Om de
beste prestaties te verkrijgen en er zeker van te zijn
dat de machine altijd veilig kan worden gebruikt, moet
u ter vervanging uitsluitend originele Toro messen
gebruiken. Gebruik ter vervanging nooit messen van
andere fabrikanten omdat dit in strijd kan zijn met de
veiligheidsnormen.
2. Stand A
3.
Draai de tegenovergestelde uiteinden van de
messen naar voren.
4.
Meet de afstand tussen een horizontaal
oppervlak en de snijrand van de messen op
dezelfde plaats als in bovengenoemde stap 2.
Opmerking: Het verschil tussen de afstanden
die zijn gemeten bij stap 2 en stap 4 mag niet
meer dan 3 mm zijn.
Opmerking: Als dit verschil meer bedraagt
dan 3 mm, is het mes krom en moet het worden
vervangen.
76
1.
Pak het uiteinde van het mes vast met een lap
of een dikke handschoen.
2.
Verwijder de middelste en linkermesbout, de
klemring en het mes van de spilas (Figuur 115).
3.
Verwijder de rechtermesbout (met linkse
schroefdraad), de klemring en het mes van de
spilas (Figuur 115).
Opmerking: Let op het type en de locatie
van de messen. Zie Figuur 116 voor de juiste
standen.
g004536
Figuur 115
Middelste en linkeras afgebeeld
g024248
1. Vleugel van het mes
3. Klemring
2. Mes
4. Mesbout
Figuur 116
Positie van het maaimes
1. Voorkant van maaidek
2. Mesbouten met rechtse
schroefdraad
3. Normale messen
4. Tegengesteld draaiend
maaimes
5. Mesbout met linkse
schroefdraad
De maaimessen slijpen
1.
Gebruik een vijl om de snijranden aan beide
uiteinden van het mes te slijpen (Figuur 117).
Opmerking: Houd daarbij de oorspronkelijke
hoek in stand.
Opmerking: Het mes blijft in balans als u van
beide snijranden dezelfde hoeveelheid materiaal
verwijdert.
g000552
Figuur 117
1. Onder oorspronkelijke hoek slijpen.
2.
Controleer de balans van het mes met een
mesbalans (Figuur 118).
Opmerking: Als het mes horizontaal blijft, is
het in balans en geschikt voor gebruik.
77
Maaidek verwijderen
Opmerking: Als het mes niet in balans is,
moet u wat metaal afvijlen van het uiteinde van
de vleugel (Figuur 117).
Vergrendel de veerbelaste armen van het maaidek
voordat u onderhoudswerkzaamheden verricht aan
het maaidek of het maaidek verwijdert.
WAARSCHUWING
g000553
Er is energie opgeslagen in de hefarmen
van de maaidekken. Als u het dek verwijdert
zonder dat u de druk van de onderdelen met
opgeslagen energie haalt, kan dit ernstig
lichamelijk of dodelijk letsel veroorzaken.
Figuur 118
1. Mes
3.
2. Mesbalans
Herhaal dit indien nodig totdat het mes in balans
is.
Probeer het maaidek niet van het voorframe
te verwijderen zonder de druk van de belaste
onderdelen te halen.
Maaimessen monteren
Machines met zijafvoer
1.
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
3.
Plaats de maaihoogtepen in de maaihoogtestand
van 7,6 cm.
Monteer het mes op de as (Figuur 114).
Belangrijk: Het gebogen deel van het mes
moet naar de binnenzijde van de maaikast
wijzen om een goede maaikwaliteit te
garanderen.
2.
3.
Monteer de klemring en de mesbout (Figuur
114).
Opmerking: Monteer de kegel van de klemring
Opmerking: Hiermee vergrendelt u de
zodat deze naar de kop van de bout wijst.
hefarmen van het maaidek in de laagste stand
als het maaidek is verwijderd en de druk van de
opgeslagen energie in de veer van het maaidek
is gehaald.
Draai de mesbout vast met een torsie van 115
tot 150 N·m.
Machines met achterafvoer
4.
Verwijder de drijfriemkappen.
Belangrijk: Het rechtermes van dit maaidek
5.
Hef het vloerdeel op en steek een ratelsleutel in
de vierkante opening in de spanpoelie van het
maaidek (Figuur 119 of Figuur 120).
6.
Draai de spanpoelie van het maaidek rechtsom,
til het lipje van de riemgeleider op (alleen voor
machines met achterafvoer) en verwijder de
aandrijfriem van het maaidek (Figuur 119 of
Figuur 120).
draait linksom: de mesbout is voorzien van
linkse schroefdraad. Gebruik Figuur 116 om de
maaimessen juist te kunnen plaatsen.
1.
Monteer het middelste en linkermes, de
klemringen en de mesbouten op de spilassen
(Figuur 115 en Figuur 116).
Belangrijk: Het gebogen deel van het mes
moet naar de binnenzijde van de maaikast
wijzen om een goede maaikwaliteit te
garanderen.
Opmerking: Monteer de kegel van de klemring
zodat deze naar de kop van de bout wijst (Figuur
115).
2.
Monteer het rechtermes, de klemring en de
mesbout (linkse schroefdraad) op de spilas
(Figuur 115 en Figuur 116).
3.
Draai de mesbout vast met een torsie van 115
tot 150 N·m.
78
g009038
g024146
Figuur 119
Machines met zijafvoer
1. Koppelingspoelie
Figuur 120
Machines met achterafvoer
5. Vierkante opening in de
arm van de poelie (voor de
ratelsleutel)
1. Koppelingspoelie
5. Riemgeleider
2. Aandrijfriem van maaidek
6. Veerbelaste spanpoelie
2. Aandrijfriem van maaidek
6. Smeernippel van
spanpoelie
3. Veerbelaste spanpoelie
3. Veerbelaste spanpoelie
7. Riemgeleider
7. Vierkante opening in de
arm van de poelie (voor de
ratelsleutel)
4. Zorg ervoor dat het lipje
van de riemgeleider tegen
de naaf van het draaipunt
komt.
8. Veer
4. Ratelsleutel
7.
79
Verwijder de bevestigingsmaterialen aan beide
zijden van het maaidek zoals wordt getoond in
Figuur 121 en bewaar deze materialen.
g015594
Figuur 122
1. Bout
2. Afstandsstuk
5. Gemonteerde veer
6. Grasgeleider
3. Borgmoer
7. J-vormig haakuiteinde van
veer
4. Veer
g024670
Figuur 121
1. Rechter stabilisator
2. Maaidekkoppeling (rechterzijde afgebeeld)
3.
Plaats het afstandsstuk en de veer op de
grasgeleider.
4.
Plaats 1 J-vormig eind van de veer achter de
rand van het maaidek.
3. Verwijder de borstbout en moer.
4. Verwijder de borstbout en moer.
Opmerking: Zorg ervoor dat 1 J-vormig eind
8.
Breng de maaidekkoppelingen omhoog en
bevestig ze in de opgeheven positie.
van de veer is gemonteerd achter de rand van
het maaidek voordat u de bout monteert zoals
wordt aangegeven in Figuur 122.
9.
Schuif het maaidek naar rechts uit de machine.
Grasgeleider vervangen
WAARSCHUWING
Als de uitworpopening niet afgedekt is, kan
de machine voorwerpen uitwerpen naar u
of naar omstanders; dit kan ernstig letsel
veroorzaken. Daarnaast kunt u ook in contact
komen met het mes.
Gebruik de machine nooit zonder mulchplaat,
grasgeleider of grasvanger.
Verwijder de borgmoer, bout, veer en
afstandsstuk waarmee de grasgeleider vastzit
op de draaibeugels (Figuur 122).
2.
Verwijder een beschadigde of versleten
grasgeleider (Figuur 122).
Monteer de bout en de moer.
6.
Plaats 1 J-vormig eind van de veer om de
grasgeleider (Figuur 122).
Belangrijk: De grasgeleider moet kunnen
draaien. Klap de geleider helemaal omhoog
en controleer of deze volledig omlaag draait.
Uitsluitend voor machines met
zijafvoer
1.
5.
80
Reiniging
Stalling
De onderkant van het
maaidek reinigen
Veiligheid tijdens opslag
• Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje,
wacht totdat alle bewegende onderdelen tot
stilstand zijn gekomen en laat de machine afkoelen
voordat u ze stalt.
U mag de machine of brandstof niet opslaan in
de nabijheid van een open vuur of binnenshuis
brandstof aftappen.
Verwijder het contactsleuteltje en bewaar dit op
een veilige plaats buiten het bereik van kinderen.
Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks
1.
Parkeer de machine op een horizontaal
oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de
parkeerrem in werking.
•
2.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
•
3.
Breng het maaidek omhoog in de
TRANSPORTSTAND .
Reinigen en opslaan
1.
2.
De vering reinigen
Alleen voor machines met
MyRide™ ophangingssysteem
3.
Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks
Reinig de vering met perslucht.
Opmerking: Maak de schokdempers niet schoon
met water onder druk (Figuur 123).
4.
5.
6.
7.
g195820
Figuur 123
8.
Afval afvoeren
9.
Motorolie, accu's, hydraulische vloeistof en
motorkoelvloeistof verontreinigen het milieu. Verwijder
deze stoffen volgens de plaatselijke voorschriften.
10.
11.
Schakel de messchakelaar (aftakas) uit en stel
de parkeerrem in werking.
Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje
en wacht totdat alle bewegende onderdelen
tot stilstand zijn gekomen voordat u de
bestuurderspositie verlaat.
Maaisel, vuil en vet van de buitenkant van de
gehele machine verwijderen, met name van de
motor en het hydraulische systeem. Vuil en kaf
van de buitenkant van de cilinder, de koelribben
van de cilinderkop en het ventilatorbehuizing
verwijderen.
Belangrijk: U kunt de machine met een mild
reinigingsmiddel en water wassen. Was de
machine nooit met een hogedrukreiniger.
Gebruik niet te veel water, vooral niet in de
buurt van het bedieningspaneel, de motor,
de hydraulische pompen en de accu.
Controleer de werking van de parkeerrem; zie
Parkeerrem gebruiken (bladz. 26).
Geef het luchtfilter een onderhoudsbeurt; zie
Onderhoud van het luchtfilter (bladz. 47).
Smeer de machine; zie Smering (bladz. 44).
Ververs de olie in het carter; zie Motorolie
verversen (bladz. 49).
Controleer de bandenspanning; zie De
bandenspanning controleren (bladz. 58).
Vervang het hydraulische filter; zie De
hydraulische vloeistof en filters vervangen
(bladz. 72).
Laad de accu op; zie Accu opladen (bladz. 55).
Schraap dik aangekoekt gras en vuil van
de onderkant van de maaimachine. Spoel
vervolgens de machine schoon met een
tuinslang.
Opmerking: Laat de machine lopen met de
aftakas ingeschakeld en de motor op hoog
81
stationair gedurende 2 tot 5 minuten na het
wassen.
12.
Controleer de staat van de maaimessen;
raadpleeg Onderhoud van de maaimessen
(bladz. 75).
13.
Wanneer de machine langer dan 30 dagen niet
wordt gebruikt, moet deze worden voorbereid op
stalling. De machine wordt als volgt voorbereid
op stalling:
A.
Voeg een stabilizer/conditioner op
aardoliebasis toe aan de brandstof in de
tank. Volg de mengvoorschriften van de
fabrikant van de stabilizer op. Gebruik
geen stabilizer op alcoholbasis (ethanol of
methanol).
Opmerking: Stabilizer/conditioner werkt
het best als het met verse brandstof wordt
gemengd en altijd wordt gebruikt.
B.
Laat de motor vijf minuten lopen
om de stabilizer/conditioner door het
brandstofsysteem te verspreiden.
C.
Zet de motor af, laat deze afkoelen en laat
de brandstoftank leeglopen.
D.
Motor opnieuw starten en laten lopen totdat
deze afslaat.
E.
U moet brandstof op de juiste wijze
afvoeren. Voer de brandstof af volgens de
plaatselijk geldende voorschriften.
Belangrijk: Bewaar brandstof die
stabilizer/conditioner bevat niet langer
dan aanbevolen door de fabrikant van
de stabilizer.
14.
Verwijder de bougie(s) en controleer de staat
ervan; zie Onderhoud van de bougie (bladz.
51). Nadat de bougie(s) uit de cilinder is (zijn)
verwijderd, giet u 30 ml (2 eetlepels) motorolie
in de bougie-opening. Gebruik de startmotor
om de motor te laten draaien en zo de olie over
de cilinderwand te verspreiden. Monteer de
bougie(s). De bougiekabel niet op de bougie(s)
drukken.
15.
Controleer alle bouten, schroeven en moeren
en draai deze vast. Repareer of vervang
beschadigde delen.
16.
Werk alle krassen en beschadigingen van de lak
bij. Bijwerklak is verkrijgbaar bij een erkende
servicedealer.
17.
Stal de machine in een schone, droge garage
of opslagruimte. Verwijder het sleuteltje uit het
contact en bewaar het buiten het bereik van
kinderen en onbevoegde personen. Dek de
machine af om deze te beschermen en schoon
te houden.
82
Problemen, oorzaak en remedie
Probleem
De startmotor slaat niet aan.
De motor start niet, start moeilijk of slaat
af.
Mogelijke oorzaak
Remedie
1. De aftakas is ingeschakeld.
1. Schakel de aftakas uit.
2. De parkeerrem is uitgeschakeld.
3. De rijhendels staan niet in de
VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND .
4. U zit niet op de bestuurdersstoel.
5. De accu is leeg.
6. De elektrische aansluitingen zijn
gecorrodeerd of zitten los.
7. Een van de zekeringen is doorgebrand.
8. Een van de relais of schakelaars is
defect.
2. Stel de parkeerrem in werking.
3. Zet de rijhendels naar buiten in de
vergrendelde NEUTRAALSTAND .
4. Ga op de bestuurdersstoel zitten.
5. Accu opladen.
6. Controleer of de elektrische
aansluitingen goed contact maken.
7. De zekering vervangen.
8. Neem contact op met een erkende
servicedealer.
1. De brandstoftank is leeg.
1. De brandstoftank vullen.
2. De brandstofafsluitklep is gesloten.
3. Het oliepeil in het carter is te laag.
4. De gashendel staat niet in de juiste
stand.
5. Er zit vuil in het brandstoffilter.
6. Vuil, water of oude brandstof in
brandstofsysteem.
7. Het luchtfilter is vuil.
2. Open de brandstofafsluitklep.
3. Het carter bijvullen met olie.
4. Stel de gashendel in halverwege de
langzame en de snelle stand.
5. Brandstoffilter vervangen.
6. Neem contact op met een erkende
servicedealer.
7. Reinig of vervang het
luchtfilterelement.
8. Controleer de indicator voor de
stoelschakelaar. Vervang de stoel
indien dit nodig is.
9. Controleer of de elektrische
aansluitingen goed contact maken.
Reinig de aansluitpolen grondig met
een speciaal reinigingsmiddel, breng
speciaal smeermiddel aan en sluit de
connectoren weer op de juiste wijze
aan.
1 Neem contact op met een erkende
0. servicedealer.
1 Bougie afstellen of vervangen.
1.
8. De stoelschakelaar werkt niet goed.
9. De elektrische verbindingen zijn
gecorrodeerd, zitten los of zijn defect.
De motor verliest vermogen.
1 Relais of schakelaar is beschadigd.
0.
1 De bougie is vuil of de
1. elektrodenafstand is niet correct
afgesteld.
1 De bougiekabel is niet aangesloten.
2.
1 Controleer de aansluiting van de
2. bougiekabel.
1. De motor is te zwaar belast.
1. De rijsnelheid verminderen.
2. Het luchtfilter is vuil.
3. Het oliepeil in het carter is te laag.
4. De koelribben en luchtkanalen boven
de motor zijn verstopt.
5. De ventilatieopening in de
brandstoftankdop is verstopt.
6. Er zit vuil in het brandstoffilter.
7. Er bevindt zich vuil, water of oude
brandstof in het brandstofsysteem.
2. Reinig het luchtfilterelement.
3. Het carter bijvullen met olie.
4. De koelribben en de luchtkanalen
ontstoppen.
5. Brandstoftankdop reinigen of
vervangen.
6. Brandstoffilter vervangen.
7. Neem contact op met een erkende
Service Dealer.
83
Probleem
Mogelijke oorzaak
De motor raakt oververhit.
1. De motor is te zwaar belast.
1. De rijsnelheid verminderen.
2. Het oliepeil in het carter is te laag.
3. De koelribben en luchtkanalen onder
de ventilatorbehuizing van de motor
zijn verstopt.
4. Het luchtfilter is vuil.
2. Het carter bijvullen met olie.
3. De koelribben en luchtkanalen
ontstoppen.
De machine trekt naar links of naar rechts
(met beide hendels volledig vooruit)
De machine rijdt niet.
De machine trilt abnormaal.
5. Vuil, water of oude brandstof in het
brandstofsysteem.
4. Het luchtfilterelement reinigen of
vervangen.
5. Neem contact op met een erkende
Service Dealer.
1. De sporing moet afgesteld worden
1. Stel de sporing af
2. De banden van de aandrijfwielen
hebben niet de juiste spanning.
2. Breng de aandrijfbanden op de juiste
spanning.
1. De omloopkleppen zijn niet goed
gesloten.
1. Sluit de omloopkleppen.
2. De pompriem is versleten, los of stuk.
3. De aandrijfriem van de pomp is van de
poelie af.
4. De veer van de spanpoelie is kapot of
ontbreekt.
5. Het peil van de hydraulische vloeistof
staat te laag of de hydraulische
vloeistof is te heet.
2. Riem vervangen.
3. Riem vervangen.
4. Veer vervangen.
5. De reservoirs bijvullen met
hydraulische vloeistof of de
hydraulische vloeistof laten afkoelen.
1. Het maaimes (de maaimessen) is (zijn)
verbogen of niet in balans.
1. Nieuwe maaimes(sen) monteren.
2. De bevestigingsbout van het maaimes
zit los.
3. De bevestigingsbouten van de motor
zitten los.
4. De motorpoelie, spanpoelie of
mespoelie zit los.
5. De motorpoelie is beschadigd.
2. De bevestigingsbout van het maaimes
vastdraaien.
3. De bevestigingsbouten van de motor
vastdraaien.
4. Desbetreffende poelie vastzetten.
7. De motorophangplaat zit los of is
versleten.
5. Neem contact op met een erkende
servicedealer.
6. Neem contact op met een erkende
servicedealer.
7. Neem contact op met een erkende
servicedealer.
1. Maaimes(sen) bot.
1. Mes(sen) slijpen.
2. Maaimes(sen) verbogen of niet in
balans.
3. Het maaidek staat niet horizontaal.
2. Nieuwe maaimes(sen) monteren.
6. Mesas verbogen.
De maaihoogte is ongelijk.
Remedie
4. Een antiscalpeerwiel (indien aanwezig)
is niet correct afgesteld.
5. De onderkant van het maaidek is vuil.
6. De bandenspanning is niet correct.
7. Mesas verbogen.
84
3. Maaidek horizontaal stellen en in de
correcte schuinstand stellen.
4. Hoogte van antiscalpeerwiel afstellen.
5. Reinig de onderkant van het maaidek.
6. Banden op juiste spanning brengen.
7. Neem contact op met een erkende
servicedealer.
Probleem
Messen draaien niet.
Mogelijke oorzaak
1. De aandrijfriem van het maaidek is
beschadigd, versleten, los of stuk.
1. Een nieuwe drijfriem monteren.
2. De aandrijfriem van het maaidek is van
de poelie af.
2. Monteer de aandrijfriem van het
maaidek op de poelie van het maaidek
en controleer of de spanpoelie, de arm
van de spanpoelie en de veer goed
zijn geplaatst en goed functioneren.
3. Controleer de riemspanning of plaats
een nieuwe riem.
4. Veer vervangen.
3. De drijfriem van de pomp is versleten,
los of stuk.
4. De veer van de spanpoelie is kapot of
ontbreekt.
De koppeling grijpt niet aan.
Remedie
1. Een zekering is doorgebrand.
1. Vervang de zekering. Controleer de
weerstand van de spoelen, of de accu
is opgeladen, het oplaadsysteem en
de aansluitingen van de bedrading en
vervang indien nodig.
2. Lage spanning bij de koppeling.
2. Controleer de weerstand van de
spoelen, of de accu is opgeladen, het
oplaadsysteem en de aansluitingen
van de bedrading en vervang
onderdelen indien nodig.
3. Vervang de koppeling.
4. Repareer of vervang de bedrading
van de koppeling of het elektrische
systeem. Reinig de contactpunten van
de aansluitingen.
5. Verwijder het opvulstuk of vervang de
koppeling.
3. De spoel is beschadigd.
4. Onvoldoende stroom
5. Opening tussen rotor/armatuur te
groot.
85
Schema's
g009180
Elektrisch schema (Rev. A)
86
Californië Proposition 65 Waarschuwingsinformatie
Wat betekent deze waarschuwing?
Sommige producten die op de markt zijn bevatten een etiket met een waarschuwing als:
WAARSCHUWING: Kanker en schade aan de voortplantingsorganen –
www.p65Warnings.ca.gov.
Wat is Prop 65?
Prop 65 geldt voor elk bedrijf dat actief is in Californië, producten verkoopt in Californië, of producten maakt die kunnen worden verkocht of geïmporteerd
in Californië. De wet schrijft voor dat de Gouverneur van Californië een lijst van chemische stoffen bijhoudt en publiceert waarvan bekend is dat ze
kanker, geboorteafwijkingen en/of andere schade aan de voortplantingsorganen kunnen veroorzaken. De lijst wordt jaarlijks bijgewerkt en omvat
honderden chemische stoffen die in veel alledaagse voorwerpen voorkomen. Prop 65 heeft als doel mensen te informeren over blootstelling aan
deze chemische stoffen.
Prop 65 verbiedt de verkoop van producten die deze chemicaliën bevatten niet; wel schrijft de wet voor dat het product, de productverpakking en de
bijgevoegde documentatie waarschuwingen bevatten. Een Prop 65-waarschuwing betekent ook niet dat een product enige norm of vereiste inzake
productveiligheid schendt. De Californische regering stelt duidelijk dat een Prop 65-waarschuwing “niet neerkomt op een wettelijke beslissing dat een
product ‘veilig’ of ‘onveilig’ is.” Veel van deze chemische stoffen worden al jaren op grote schaal en zonder gedocumenteerde schade gebruikt in
alledaagse voorwerpen. Ga voor meer informatie naar https://oag.ca.gov/prop65/faqs-view-all
Een Prop 65-waarschuwing betekent dat (1) een bedrijf de blootstelling heeft beoordeeld en van mening is dat deze het niveau ‘geen significant
risico’ overschrijdt, of dat (2) het bedrijf kiest om een waarschuwing te vermelden omdat het weet dat een betreffende chemische stof aanwezig is,
zonder evenwel de blootstelling eraan te beoordelen.
Is deze wet overal van kracht?
Prop 65-waarschuwingen zijn enkel vereist krachtens de Californische wet. Deze waarschuwingen ziet men in heel Californië in uiteenlopende
omgevingen, bijvoorbeeld in restaurants, kruidenierswinkels, hotels, scholen, ziekenhuizen en op een groot aantal producten. Daarnaast kiezen sommige
webverkopers en postorderbedrijven ervoor om Prop 65-waarschuwingen te geven op hun website of in catalogi.
Hoe verhouden de Californische waarschuwingen zich tot de federale limieten?
De Prop 65-voorschriften zijn vaak strikter dan federale en internationale normen. Voor verschillende stoffen is in Californië al bij veel lagere dosissen een
waarschuwing vereist dan elders in de VS. Bijvoorbeeld: de Prop 65-norm voor waarschuwingen voor lood bedraagt 0,5 microgram per dag, wat veel
minder is dan de federale en internationale standaarden.
Waarom worden niet alle vergelijkbare producten van de waarschuwing voorzien?
•
Producten die verkocht worden in Californië moeten voorzien worden van een Prop 65-aanduiding, maar dit geldt niet voor vergelijkbare
producten op andere plaatsen.
•
Een bedrijf kan in navolging van een rechtszaak verplicht worden om zijn producten te voorzien van Prop 65-waarschuwingen, terwijl dit voor
andere bedrijven die vergelijkbare producten verkopen niet geldt.
•
•
Prop 65 wordt niet eenduidig opgelegd.
Bedrijven kunnen ervoor kiezen geen waarschuwing te vermelden omdat ze vinden dat ze daar niet toe verplicht zijn in het kader van de
Prop 65-voorschriften; ook als er geen waarschuwingen op een product staan, is het best mogelijk dat de betreffende chemische producten toch
in vergelijkbare dosissen aanwezig zijn.
Waarom vermeldt Toro deze waarschuwing?
Toro wil consumenten zo goed mogelijk informeren zodat ze geïnformeerde beslissingen kunnen nemen over de producten die ze kopen en gebruiken.
Toro vermeldt in sommige gevallen waarschuwingen op basis van zijn kennis over de aanwezigheid van één of meer van de betreffende chemische
stoffen, zonder evenwel het niveau van blootstelling te beoordelen, aangezien niet alle betreffende chemische stoffen voorzien zijn van voorschriften
voor blootstellingslimieten. Ook al is de blootstelling door producten van Toro verwaarloosbaar of valt deze ruim binnen de categorie 'geen significant
risico', heeft Toro er veiligheidshalve voor gekozen om Prop 65-waarschuwingen op te nemen. Als Toro deze waarschuwingen niet vermeldt, zou het
bovendien vervolgd kunnen worden door de Staat Californië of door private personen die tenuitvoerlegging van Prop 65 beogen, en het kan op die
manier aanzienlijke boetes krijgen.
Rev A
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Related manuals

Download PDF

advertisement