Roland Fantom G6 de handleiding

Add to My manuals
382 Pages

advertisement

Roland Fantom G6 de handleiding | Manualzz

Inhoud

De Fantom-G Live gebruiken.................. 5

De eerste stappen in het gebruik van de Fantom-G Live .................................................6

Op het keyboard uitvoeren.......................................................9

Een enkele klank (Patch) selecteren en afspelen ..........................................................10

Twee of meer klanken tegelijkertijd spelen (Layer/Split) ...............................................11

Een set klanken voor een Live uitvoering creëren ........................................................14

Op de Pads uitvoeren ............................................................15

Grondbeginselen van een Pad .................................................................................16

De Pads gebruiken om ritme klanken te spelen ...........................................................17

De Pads gebruiken om gesamplde klanken te spelen...................................................19

De Pads gebruiken om Sequenced frases te spelen (RPS) .............................................21

Een Song creëren .............................. 23

Wat is een sequencer?............................................................................................24

De apparatuur in orde maken ..................................................................................26

Procedure voor het creëren van een Song..................................................................27

Voorbereidingen voor Song productie.......................................................................28

MIDI gebruiken voor opname (recording) van het ritme in Realtime...............................31

De bas en piano als MIDI voor opname (recording) in Realtime ...................................35

Audio bestanden vanaf de computer importeren.........................................................36

Klanken van een microfoon of gitaar opnemen...........................................................38

Song Edit gebruiken om samples of frases te arrangeren .............................................41

De totale balans aanpassen .....................................................................................42

Mastering ..............................................................................................................43

De Song opslaan....................................................................................................44

Een CD van de voltooide Song maken ......................................................................45

3

4

Deze snelle start is op de Fantom-G6, de Fantom-G7 en de Fantom-G8 van toepassing. De handleiding gebruikt de term ‘Fantom-G’ om deze drie modellen aan te geven.

De toelichtingen in deze handleiding bevatten illustraties, die afbeelden, wat eigenlijk op het beeldscherm zou moeten worden weergegeven. Let echter op, dat het apparaat een nieuwere uitgebreidere versie van het systeem kan hebben (bijvoorbeeld nieuwere klanken), zodat wat u werkelijk op het beeldscherm ziet, niet altijd met wat in de handleiding staat, overeenkomt.

In het belang van product verbetering kunnen de specificaties en/of uiterlijk van dit apparaat zonder voorafgaande mededeling veranderen.

Auteursrecht © 2008 ROLAND CORPORATION

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze publicatie mag zonder schriftelijke toestemming van

ROLAND CORPORATION op enigerlei wijze gereproduceerd worden.

De Fantom-G Live gebruiken

6

De eerste stappen in het gebruik van de

Fantom-G Live

Wat is een Patch?

Een Patch is een standaard klank op de Fantom-G. Deze correspondeert met een individueel instrument, zoals een piano, orgel of gitaar.

Wat is een Single modus?

Wanneer u de Fantom-G voor de eerste keer bespeelt, adviseren wij u, dat u deze in Single modus gebruikt. Dit is de eenvoudigste en meest standaard modus, waarin de Fantom-G kan worden gebruikt, alsof u deze als een piano of orgel bespeelt.

fig.0-00a

Wat is Live modus?

Live modus stelt u in staat om maximaal acht Patches tegelijk te spelen. Over het algemeen zijn er twee manieren, waarop u Live modus kunt gebruiken:

Eén manier is om meerdere klanken gelijkertijd te horen, wanneer u een toets indrukt. Deze instelling wordt een Layer genoemd.

➝ ‘Twee of meer klanken tegelijkertijd spelen (Layer/Split)’ (p. 11 van deze handleiding).

De andere manier is om verschillende klanken aan het linker en rechter gebied van het toetsenbord toe te kennen, waardoor u aparte instrumenten met uw linker en rechterhand kunt spelen. Deze instelling wordt een Split genoemd.

fig.0-00b

De eerste stappen in het gebruik van de Fantom-G Live

Wat is studio modus?

Studio modus zult u gebruiken om een Song te creëren. Deze heeft zestien onderdelen en u kunt aan elk onderdeel een Patch toekennen om zestien verschillende klanken tegelijkertijd te benutten.

U kunt het mixer beeldscherm gebruiken om de Song te mengen door het niveau en Pan instellingen, etc, voor elk onderdeel aan te passen.

Het voordeel van Studio modus is, dat het zestien onderdelen heeft, maar u moet er rekening mee houden, dat de effecten storend kunnen werken als u van klank verandert. De klank zal niet worden onderbroken als u Single modus of Live modus gebruikt, dus Single modus of Live modus zijn voor Live uitvoeringen de beste optie.

fig.0-00b

7

8

De eerste stappen in het gebruik van de Fantom-G Live

Gemaakte instellingen opslaan

Wanneer u een originele Patch heeft gecreëerd, moet u deze als een gebruiker Patch opslaan als u deze later weer wilt gebruiken. Dit heet ‘Writing’. De procedure om een originele Patch in het geheugen weg te schrijven wordt hieronder getoond.

Als u een andere Patch selecteert, voordat u de originele Patch wegschrijft, zullen deze door u gemaakte veranderingen verloren gaan.

* Gebruiker Patches hebben de aanwijzing ‘USER’ voor hun naam, bijvoorbeeld ‘USER 001 : INITIAL

PATCH’. Gebruiker Patches zijn voor het opslaan van originele klanken.

* De wegschrijf procedure voor een Live set of studio set is hetzelfde.

fig.0-000c_e.eps

The WRITE MENU screen appears.

Wijs een naam aan de Patch

(of Live set of studio set) toe.

Specificeer, waarheen u wilt wegschrijven.

Op het keyboard uitvoeren

Een enkele klank (Patch) selecteren en afspelen

Hier wordt getoond, hoe u een enkele categorie klanken kunt bezichtigen (zoals alleen de piano Patches of alleen de orgel Patches) en één ervan kunt selecteren.

Een klank selecteren (Single modus)

1.

Druk op de [SINGLE] knop.

fig.0-01

2.

Druk op [F1 (Patch List)] om toegang tot het Patch lijst scherm te krijgen.

fig.0-03

3.

Gebruik [F1][F2] om een categorie (van klanken, zoals piano, orgel of bas) te selecteren en gebruik vervolgens de VALUE draaischijf of [DEC] [INC] om een Patch te selecteren.

Wanneer u een Patch heeft geselecteerd, druk op [F8 (Select)] om uw keuze te bevestigen.

fig.0-04

Als u op [F7 (Preview)] drukt, hoort u een frase van de geselecteerde klank, die binnen het type (categorie) van de Patch (frase Preview) past.

U kunt ook het voorpaneel [knop 4] gebruiken om een categorie te selecteren en

[schuifregelaar 8] gebruiken om door de lijst te bladeren.

U kunt ook ritmische klanken vanaf het toetsenbord spelen. In het Patch List scherm hierboven drukt u op [F4 (Rhythm Set)] om een lijst ritme sets te zien.

10

De gevoeligheid van het toetsenbord aanpassen

U kunt de manier, waarop het volume op de speel dynamiek reageert, aanpassen

➝ ‘Hoe systeem functie instellingen maken’ (p. 286 van de gebruikershandleiding).

➝ ‘Keyboard Velocity Sens (Toetsenbord aanslaggevoeligheid)’ (p. 288 van de gebruikershandleiding).

Twee of meer klanken tegelijkertijd spelen

(Layer/Split)

U kunt twee of meer Patches tegelijkertijd spelen, bijvoorbeeld een piano en bel, die tegelijk klinken, wanneer u een toets indrukt. Dit wordt een Layer genoemd.

U kunt ook verschillende klanken in het linker en rechter gebied van het toetsenbord spelen. U zou bijvoorbeeld een bas klank met uw linkerhand kunnen spelen, terwijl u een piano klank met uw rechterhand speelt. Dit wordt een Split genoemd.

In de illustratie hieronder is alleen in het hoge register een piano met een bel verbonden om een sprankelende piano klank te produceren.

fig_layer_e.eps

Piano

Procedure

Laten we een Live set gebruiken om een klank, zoals hierboven, te creëren.

Een Live set selecteren

1.

Druk op [LIVE] om Live modus te selecteren.

Bel

2.

Druk op [F5 (LiveSet List) om de Live setlijst te bekijken.

3.

Draai de VALUE draaischijf of gebruik [DEC][INC] om ‘PRST 512: Sitar Gliss’ te selecteren.

Nadat u een Live set heeft geselecteerd, druk op [F8 (Select)] om uw keuze te bevestigen.

11

Twee of meer klanken tegelijkertijd spelen (Layer/Split)

De Live set initialiseren

1.

Druk in het Live Play (Layer/Split) scherm op [F2 (Utility)] en druk vervolgens op [F6

(Initialize)].

2.

Gebruik / om ‘Default’ te kiezen.

3.

Druk op [F8 (Select)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

4.

Druk op [F7 (OK)] om initialisatie uit te voeren.

5.

Druk op [F8 (Exit)] om naar het vorige scherm terug te keren.

De toetsenbord schakelaar voor onderdelen 1 en 2 inschakelen

1.

Gebruik in het Live Play (Layer/Split) scherm de cursor knoppen om de cursor naar de

KBD (toetsenbord schakelaar) indicatie voor onderdeel 1 te verplaatsen.

2.

Schakel ook, op dezelfde manier, de toetsenbord schakelaar voor onderdeel 2 in.

Onderdelen, waarvan de toetsenbord schakelaar is ingeschakeld, kunnen op het toetsenbord worden gespeeld.

Omdat u de toetsenbord schakelaar voor onderdelen 1 en 2 heeft ingeschakeld, zullen deze tegelijkertijd klinken.

Patches (klanken) selecteren

1.

Laten we de Patch selectie voor onderdeel 1 veranderen, zodat deze als een piano klinkt.

fig.0-05d_e.eps

12

Gebruik de cursor knoppen (omhoog/omlaag) om onderdeel 1 te selecteren, druk vervolgens op [F1

(Patch List)] en …

Gebruik [F1][F2] om ‘AC.Piano’ te selecteren en gebruik de VALUE draaischijf om de gewenste piano

Patch te selecteren. Wanneer u uw keuze heeft gemaakt, druk op [F8 (Select)] om dit te bevestigen.

2.

Verander op dezelfde manier de Patch selectie voor onderdeel 2, zodat deze een bel klank speelt (categorie ‘Bell’).

Twee of meer klanken tegelijkertijd spelen (Layer/Split)

Het toonhoogte bereik specificeren

In het Live Play (Layer/Split) scherm kunnen we het toonhoogte bereik voor elk onderdeel specificeren.

1.

In het Live Play (Layer/Split) scherm gebruikt u de cursor knoppen om de cursor naar de

‘Lower’ instelling van onderdeel 2 te verplaatsen.

2.

Specificeer het toonhoogte bereik. Draai de VALUE draaischijf om de waarde te specificeren.

fig.0-05b_e

Alleen piano Piano + Bel

U kunt ook instellingen maken, zodat het linker en rechter gebied van het toetsenbord klanken gescheiden speelt zonder hiervan lagen te maken (bijvoorbeeld, bas aan de linkerhand en piano aan de rechterhand). Deze opstelling wordt een Split genoemd.

De volume balans van de piano en bel aanpassen

Pas de balans aan, zoals gewenst. U zou bijvoorbeeld voornamelijk de piano willen horen met een klein beetje bel. De acht schuifregelaars in het Live Play (Layer/Split) scherm corresponderen met het niveau van de onderdelen. U kunt deze door de acht schuifregelaars op het Fantom-G paneel te bewegen aanpassen.

Door [F7 (Mixer)] in te drukken, krijgt u toegang tot het mixer scherm, waar u de Pan (links/ rechts positie) en de hoeveelheid effect voor de onderdelen kunt aanpassen.

Voor meer informatie over effect instellingen, zoals reverb en chorus

➝ ‘Effecten toevoegen’ (p. 150 van de gebruikershandleiding).

Veranderingen, die u maakt, zijn tijdelijk en zullen verloren gaan als u de stroom uitschakelt, de geluid generator modus omschakelt of een andere Live set selecteert. Als u de Live set wilt behouden, moet u deze opslaan, zoals in ‘De gemaakte instellingen opslaan’ (p. 8) van deze handleiding) staat beschreven.

13

Een set klanken voor een Live uitvoering creëren

U kunt een lijst van de Patches, Live sets, studio sets en Songs, die u regelmatig gebruikt, creëren en deze in de volgorde plaatsen, waarin deze tijdens uw Live show zullen worden gebruikt, zodat de klanken, die u nodig heeft, meteen geselecteerd kunnen worden. Deze toepassing wordt de Favorite functie genoemd.

U zou, bijvoorbeeld, een lijst kunnen creëren met de klanken, die u voor de eerste Live uitvoering gaat gebruiken. Ook kunt u deze met één klik doorlopen.

Overzicht

Als u klanken in het Favorite scherm registreert, bent u in staat om deze onmiddellijk te selecteren door een

Pad in te drukken. U kunt zestien van deze sets creëren, en elke set wordt een ‘Bank’ genoemd.

fig.5-99

Voor meer informatie over de Favorite functie gebruiken

➝ ‘Een lijst van veel gebruikte klanken creëren (Favorite)’ (p. 54 van de gebruikershandleiding).

14

De beeldscherm achtergrond veranderen

De Fantom-G geeft u de mogelijkheid om de beeldscherm achtergrond te veranderen. U kunt de

Fantom-G een persoonlijk tintje geven door voor een favoriete foto of afbeelding te kiezen.

➝ ‘ De beeldscherm achtergrond veranderen (Wallpaper)’ (p. 299 van de gebruikershandleiding).

Screen Saver

Deze functie stelt u in staat om een eenvoudige animatie te laten verschijnen, wanneer de

Fantom-G voor een bepaalde tijd niet gebruikt wordt.

Omdat de Fantom-G een de TFT liquid crystal beeldscherm gebruikt, zou als hetzelfde scherm voor een langere tijd wordt getoond, zou deze in het beeldscherm kunnen branden. Om dit te voorkomen, raden wij aan, dat u de Screen Saver gebruikt.

➝ ‘Hoe systeem functie instellingen maken’ (p. 286 van de gebruikershandleiding).

➝ ‘Screen Saver’ (p. 297 van de gebruikershandleiding).

Op de Pads uitvoeren

Grondbeginselen van een Pad

U kunt samples, ritmes of frases spelen door op de Fantom-G Pads te slaan of u kunt ze als zestien schakelaars gebruiken om de verschillende parameters uit/in te schakelen. De Pads kunnen in één of zestien modi functioneren. Druk op [PAD MODE] om tussen de Pad modus te wisselen.

1.

Druk op [PAD MODE].

[PAD MODE] gaat knipperen, waarna de huidig geselecteerde Pad modus (Pad [1]-[16]) gaat knipperen.

2.

Druk op een Pad [1]-[16].

De Pad modus wordt omgeschakeld. Zie de tabel hieronder voor een uitleg van wat ieder Pad doet en de referentie naar gebruikershandleiding pagina:

8

9

10

11

12

13

14

15

5

6

7

3

4

1

2

Pad nummer

16

Pad modus

SAMPLE PAD

RHYTHM

CHORD MEMORY

ARPEGGIO

RPS

RHYTHM PTN

TONE SEL/SW

TRACK MUTE

BOOKMARK

MIDI TX SW

EFFECT SW

PATCH MFX SW

PART SELECT

PART MUTE

USER GROUP

FAVORITE

Uitleg

De Pads spelen een sample set.

De Pads spelen een ritme set.

De Pads veranderen het akkoord van de akkoord geheugen functie.

De Pads veranderen de arpeggio stijlen.

De Pads spelen frases.

De Pads spelen ritme patronen

De Pads selecteren tonen en schakelen deze aan/uit.

De Pads schakelen de sequencer Tracks uit (Silence).

De Pads registeren of roepen veelvuldig gebruikte schermen op.

De Pads schakelen externe MIDI zend kanalen (1-16) aan/uit.

De Pads veranderen effecten (andere dan de Patch multi-effect).

De Pads veranderen de Patch multi-effect voor elk onderdeel.

De Pads selecteren onderdelen (1-16) en Banks (INT/EXP1/EXP2/EXT).

p. 197 p. 198 p. 198 p. 199 p. 199 p. 200

De Pads schakelen onderdelen (1-16) en Banks (INT/EXP1/EXP2) uit (Silence).

p. 200

De Pads registeren/roepen gebruikersgroep Patches, Live sets of studio sets op.

p. 201

De Pads registeren/roepen favoriete instellingen op.

p. 202

Pagina handleiding p. 191 p. 192 p. 193 p. 193 p. 194 p. 196 p. 197

3.

De Pad modus wordt op de volgende schermen aangegeven:

PAD_1_e.EPS

16

Single modus Live modus

Als u een Live set of een studio set verandert, zal de Pad modus ook worden veranderd. Als u de Pad modus niet wilt veranderen, stel de ‘Pad Assign Source’ in systeem op ‘SYS’ .

➝ ‘Hoe systeem functie instellingen maken’ (p. 286 van de gebruikershandleiding).

➝ ‘Pad toewijs bron’ (p. 288 van de gebruikershandleiding).

De Pads gebruiken om ritme klanken te spelen

De Pads zijn ideaal om ritme klanken te spelen. U kunt de dynamiek van de klank variëren door de kracht van de slagen op de Pads te veranderen.

1.

Druk op [PAD MODE], en druk vervolgens op Pad [2] (RHYTHM).

2.

Wanneer u op een Pad [1]-[16] drukt, hoort u een ritme klank.

Klanken selecteren

1.

Druk op [PAD SETTING].

2.

Gebruik de cursor knoppen om ‘Bank’ of ‘nummer/naam’ te selecteren en gebruik de

VALUE draaischijf om een ritme set te kiezen. Druk op [F8 (Exit)] om naar het vorige scherm terug te keren.

fig.1-01

3.

U kunt de ritme set klanken in de volgende schermen bekijken of veranderen.

fig.0-02

Single modus Live modus

Type “ ”

Deel, waarvan RHY (ritme Pad) schakelaar aan is.

17

De Pads gebruiken om ritme klanken te spelen

De Pad gevoeligheid naar wens aanpassen

U kunt de manier, waarop de slagkracht van het Pad met het volume correspondeert, aanpassen.

Druk op [PAD SETTING] ➝ [F1] (System) om toegang tot het instelling scherm te krijgen, en stel ‘Pad Sens’ naar wens in.

Waarde

LIGHT

MEDIUM

HEAVY

Pad reactie

Zelfs lichte slagen kunnen met gemak hoge volume produceren.

Tussen LIGHT en HEAVY gevoeligheid.

Krachtige slagen zijn nodig om hoge volume te produceren.

Als u de instellingen wilt behouden, druk op [F7 (Sys Write)].

De Pads op een gespecificeerde volume vastzetten

Voor sommige klanken wilt u het volume niet veranderen.

Druk op [PAD SETTING] om toegang tot het instelling scherm te krijgen en stel ‘Pad Velocity’ (Pad aanslaggevoeligheid) naar wens in.

Waarde

SYSTEM

1–127

Pad volume

De systeem instelling van ‘Pad Velocity’ (gebruikershandleiding p. 288) zal worden gebruikt.

Het gespecificeerde volume zal klinken, ongeacht de kracht van de slag.

Als u de instellingen wilt behouden, druk op [F7 (Write)].

18

De Pads gebruiken om gesamplde klanken te spelen

Klanken (samples), die door samplen tot stand zijn gekomen, kunnen snel en makkelijk vanaf de Pads worden gespeeld. U kunt korte ‘Shots’ (slagen) samplen en deze als percussie instrumenten spelen. U kunt ook hele frases samplen en deze met een enkele druk op de knop afspelen.

1.

Druk op [PAD MODE] en druk vervolgens op Pad [1] (SAMPLE PAD).

2.

Druk op een Pad [1]-[16] om de sample af te spelen.

De samples selecteren

1.

Druk op [PAD SETTING].

2.

Gebruik de cursor knoppen om ‘Number/Name’ te selecteren en gebruik de VALUE draaischijf om de sample set te kiezen, die u bij gebruik van de Pads wilt spelen.

Om de sample, die door elk Pad wordt gespeeld, te selecteren, gebruikt u de cursor knoppen om ‘Sample

Number’ te selecteren en vervolgens draai de VALUE draaischijf om een sample te selecteren.

Als u de instellingen wilt behouden, druk op [F7 (Write)]. Om naar het vorige scherm terug te keren, druk op [F8 (Exit)].

Sample set

Samples voor Pads 1-16

3.

U kunt ook de sample set ook in de volgende schermen bekijken of veranderen.

PAD_3_e.EPS

Single modus Live modus

TYPE “ ”

Part, waarvan RHY (ritme Pad) schakelaar is ingeschakeld.

19

De Pads gebruiken om gesamplde klanken te spelen

Klanken (samples) van de computer importeren

De Fantom-G kan WAV/AIFF formaat audio bestanden van de computer importeren en deze als samples afspelen.

Hier zullen we uitleggen, hoe u audio bestanden via een USB geheugen (apart verkrijgbaar) kunt importeren. Zelfs als u geen USB geheugen heeft, kunt u audio bestanden naar de

Fantom-G’s interne geheugen kopiëren.

20

WAV

AIFF

1.

Maak het audio bestand (WAV/AIFF formaat) gereed op de computer.

2.

Gebruik een USB kabel (apart verkrijgbaar) om de Fantom-G’s USB COMPUTER aansluiting op de computer aan te sluiten.

3.

Druk op [MENU].

4.

Draai de VALUE draaischijf om ‘USB Storage’ te kiezen, en druk op [F8 (select)].

5.

Druk op [F2 (USB Memory)].

Als u het interne geheugen van de Fantom-G gaat gebruiken, druk op [F1 (Internal)].

6.

Het USB geheugen verschijnt op de computer. Creëer een map op het USB geheugen

‘IMPORT’ genaamd en kopieer het audio bestand (WAV/AIFF formaat) naar die map.

7.

Wanneer u klaar bent met kopiëren, verwijder het USB geheugen van de computer, en druk vervolgens op [F8 (Exit)] op de Fantom-G.

Windows Vista/XP gebruikers:

In ‘mijn computer’ klikt u met de rechter muisknop het icoon ‘verwijderbare harddisk’ aan en voer

‘verwijder’ uit.

Mac OSX gebruikers:

Sleep de USB Drive icoon naar de prullenbak.

8.

Druk op [MENU].

9.

Draai de VALUE draaischijf om ‘Import Audio’ te kiezen en druk op [F8 (Select)].

10. Druk op [F2 (USB Memory)].

Als u het interne geheugen van de Fantom-G gaat gebruiken, druk op [F1 (Internal)].

11. Druk op [F8 (Import Audio)].

Een bevestiging verschijnt.

12. Druk op [F7 (OK)].

Het bestand zal worden geïmporteerd, en het sample lijst scherm verschijnt.

Het geïmporteerde bestand zal aan de sample lijst als een sample worden toegevoegd. Deze sample is tijdelijk en zal verloren gaan als u de stroom uitzet. Als u deze wilt behouden, druk op [F2 (Save)] om op het sample lijst scherm op te slaan.

➝ ‘Een sample opslaan (Save)’ (p. 274 van de gebruikershandleiding).

Nadat u heeft geïmporteerd, verwijder de inhoud van de ‘IMPORT’ map van het USB geheugen.

13. Als u de geïmporteerde sample van een Pad af wilt spelen, selecteert u de sample klank, die u voor dat Pad wilt spelen.

➝ ‘De samples selecteren’ (p. 19 van deze handleiding).

De Pads gebruiken om Sequenced frases te spelen (RPS)

U kunt de Pads gebruiken om zelf gecreëerde Sequenced frases te spelen. Dit wordt de RPS (Realtime

Phrase Sequence) functie genoemd. Door bijvoorbeeld gewoonweg te specificeren, dat Pad nummer 2 frase nummer 0005 zal spelen, kunt u op die Pad drukken om de toegewezen frase te spelen.

1.

Druk op [PAD MODE] en druk vervolgens op Pad [5] (RPS).

2.

Wanneer u op een Pad [1]-[16] drukt, zal de aan dat Pad toegewezen frase afspelen.

Een frase selecteren

1.

Druk op [PAD SETTING].

2.

Gebruik de cursor knoppen om ‘RPS Set Number’ te selecteren en gebruik de VALUE draaischijf om de RPS set te selecteren, die u bij gebruik van de Pads wilt spelen.

Om de frase, die door elk Pad wordt gespeeld, te selecteren, gebruikt u de cursor knoppen om ‘Phrase Number’ te selecteren en gebruik vervolgens de VALUE draaischijf om uw keuze te maken.

Als u de instellingen wilt opslaan, drukt u op [F7 (Write)]. Druk op [F8 (Exit)] om naar het vorige scherm terug te gaan.

RPS set

Frases, die aan Pads 1-16 zijn toegewezen

21

De Pads gebruiken om Sequenced frases te spelen (RPS)

De Pads gebruiken om in sequencer opgenomen frases te spelen

1.

Gebruik de sequencer om een frase op te nemen.

➝ Gebruikershandleiding ‘In een frase opnemen’ (p. 220).

2.Sla de frase op.

➝ Gebruikershandleiding ‘Een frase opslaan (Save)’ (p. 216).

3.Selecteer de frases, die door elk Pad wordt gespeeld.

➝ Deze handleiding ‘Een frase selecteren’ (p. 21).

De frase afspeel tempo specificeren

1.

Druk op [TEMPO].

Het Tempo venster verschijnt.

2.

Draai de VALUE draaischijf of gebruik [INC] [DEC] om het afspeel tempo te specificeren.

• Door [SHIFT] ingedrukt te houden en de VALUE draaischijf te draaien, kunt u nauwkeurige aanpassingen onder de decimale punt maken.

• Als u op [F7 (Click)] drukt om deze in te schakelen, zal er een klik in het gespecificeerde tempo klinken.

De klik zal iedere keer als u de knop indrukt aan/uitschakelen.

• Als u op [F6 (Tap Tempo)] drukt, kunt u het tempo specificeren door de knop herhaaldelijk op het gewenste tempo in te drukken (Tap Tempo). Druk de knop drie of meer keer op kwart noot intervallen van het gewenste afspeel tempo in.

3.

Wanneer u klaar bent met de instellingen, drukt u op [F8 (Close)].

22

Een Song creëren

Wat is een sequencer?

Met de sequencer kunt u een Song te creëren door uw uitvoering op het keyboard of Pads op te nemen of door audio bronnen, zoals een microfoon of gitaar, die op de Fantom-G’s ingang jacks zijn aangesloten, op te nemen en vervolgens de Song af te spelen.

MIDI en Audio

De Fantom-G sequencer kan MIDI en audio opnemen.

MIDI (frases)

MIDI slaat de keyboard en Pad uitvoering als uitvoeringsdata op. Elke sequence opgenomen MIDI data wordt een ‘frase’ genoemd. U kunt maximaal 2.000 frases in een enkel project creëren en elke frase kan zestien kanalen MIDI data bevatten.

Er zijn 128 MIDI Tracks, waarin MIDI uitvoeringsdata opgenomen kan worden. U kunt ook een Song creëren door frases eenvoudigweg in een MIDI Track te plaatsen.

Hoewel MIDI vergelijkbaar met audio is in de zin van, dat het een manier is om een uitvoering op te nemen, neemt MIDI eerder de ‘uitvoeringsdata’ dan het ‘geluid’ op en stelt u daarom in staat om vrijelijk gedetailleerde veranderingen aan individuele noten en andere gegevens uit te voeren.

Audio (samples)

Audio refereert naar ‘klank’, die u vanaf een microfoon of gitaar, die op de Fantom-G ingang jack is aangesloten, kunt opnemen. Elk deel opgenomen audio data wordt een ‘sample’ genoemd. U kunt maximaal 2.000 samples in een enkel project creëren. WAV/AIFF formaat audio bestanden van de computer kunnen ook als samples via USB geheugen (of met gebruik van de USB opslag functie) worden geïmporteerd. (Zie ‘Klanken (samples) van de computer importeren’ (p. 20 van deze handleiding).)

U heeft de beschikking over 24 Tracks, waarin audio (samples) kunnen worden opgenomen. U kunt ook een song creëren door simpelweg samples in een audio Track te plaatsen.

fig.04-009.j

Song MIDI frase lijst

Frase wijzigen

Phrase

MIDI Tracks

Audio Tracks

Sample lijst

Sample

Sample wijzigen

24

Wat is een sequencer?

Terminologie

Song

Op de Fantom-G refereert: ‘Song’ naar een compositie, die u met gebruik van de sequencer heeft gecreëerd en omvat de uitvoeringsdata en de geluid generator instellingen samen opgeslagen. Dit betekent, dat een Song alle materiaal voor deze compositie bevat. Wanneer u de compositie klaar heeft, moet u de Song opslaan. De volgende keer, dat u die Song inlaadt, zullen de uitvoeringsdata frases, de instellingen voor de geluid generator en effecten teruggaan naar het moment, waarop de Song de laatste keer werd opgeslagen.

Track

Binnen de Fantom-G sequencer, is een Track een gebied, waar een uitvoering kan worden opgeslagen. Er zijn vierentwintig audio Tracks voor audio opnamen (samples) en 128 MIDI

Tracks voor MIDI opname (frases).

Patch

Patches corresponderen met instrumentale klanken, zoals bas, piano en gitaar.

Studio set

Een studio set bevat instellingen voor zestien onderdelen, die u in staat stellen maximaal zestien

Patches gelijktijdig te gebruiken.

Part

Een studio set bevat zestien onderdelen (Parts) en u kunt het volume, Pan en andere aspecten van de klank los voor elk onderdeel regelen. U kunt bijvoorbeeld een piano Patch voor onderdeel 1 selecteren, een bas Patch voor onderdeel 2, een drum Patch voor onderdeel 10, etc. en voor elk instrument de volume balans aanpassen.

25

De apparatuur in orde maken

Om de Fantom-G’s audio opname vermogen tot het uiterste te benutten, moet u het geheugen uitbreiden.

Door expansie DIMM geheugen te plaatsen, zult u de duur van audio opname kunnen verlengen. USB geheugen stelt u in staat om de belangrijke data, die u heeft opgenomen, op te slaan.

DIMM geheugen (apart verkrijgbaar)

De audio, die u vanaf een gitaar of microfoon op de Fantom-G opneemt, wordt in dit DIMM geheugen als audio data (samples) opgenomen. Hoe hoger de capaciteit van het DIMM geheugen, hoe meer opnametijd u zal hebben.

De Fantom-G kan maximaal 512 M bytes DIMM geheugen gebruiken. Wij bevelen aan, dat u 512 M bytes installeert om de langst mogelijke opnametijd te hebben. Zelfs zonder DIMM geheugen kunt u ongeveer drie minuten stereo opnemen, maar met 512 M bytes DIMM geheugen heeft u ongeveer 54 minuten stereo opname.

DIMM geheugen is kwetsbaar voor schade door statische elektriciteit, die door uw handen vrijkomt, zo wees voorzichtig. Wanneer u de Fantom-G installeert, lees het desbetreffende onderdeel van de gebruikershandleiding en voer de installatie precies uit, zoals wordt beschreven.

➝ Voor informatie, zie ‘Het DIMM geheugen uitbreiden’ (p. 308, p. 310 van de gebruikershandleiding).

USB geheugen (apart verkrijgbaar)

De inhoud van DIMM geheugen zal verloren gaan als u de stroom uitschakelt. De Fantom-G bevat 50 M bytes interne geheugen (intern geheugen). Behalve als u het DIMM geheugen heeft uitgebreid, zal een volledig opgenomen project te groot zijn om in het interne geheugen op te slaan. In dit geval, moet u de data op een USB geheugen opslaan. Als u de Resampling functie heeft gebruikt om een complete Song in een

WAV bestand om te zetten en u het WAV bestand naar de computer wilt verplaatsen, moet u deze op een USB geheugen opslaan en deze vervolgens naar de computer kopiëren.

Sluit het USB geheugen op de USB MEMORY slot op de achterzijde aan.

(Gebruikershandleiding ‘USB MEMORY slot’ (p. 24))

Voor informatie over hoe u het USB geheugen moet formatteren (initialiseren), zie ‘USB geheugen formatteren’ (p. 280 van de gebruikershandleiding).

Als het USB geheugen naar een ander dan FAT is geformatteerd, zal de Fantom-G deze niet herkennen. Gebruik de computer om het USB geheugen naar het ‘FAT’ of ‘FAT32’ bestandssysteem te formatteren. (Als u Mac OS X gebruikt, formatteer het als ‘MS-DOS bestandssysteem (FAT32)’.

Data naar het USB geheugen opslaan

Om het USB geheugen te gebruiken, sla dan eerst het project op het USB geheugen op, zoals in ‘Als project opslaan’ , (p. 277 van de gebruikershandleiding). Op deze manier kunt u de uitgebreide audio opnames (samples), die u met behulp van het DIMM geheugen heeft gemaakt, opslaan.

Het project, dat u het laatste heeft opgeslagen (of ingeladen) zal automatisch worden ingeladen, wanneer de Fantom-G wordt ingeschakeld, dus is het een goed idee om het USB geheugen aangesloten te laten.

26

Procedure voor het creëren van een Song

De algemene procedure om een Song te creëren, wordt hieronder getoond. Deze handleiding zal het proces in deze volgorde behandelen.

1. Een lege Song in de Song lijst selecteren (p.28)

2. De klanken, die u voor opname gaat gebruiken, in de studio set selecteren (p. 28)

3. De maatsoort van de Song specificeren (p. 30)

4. Het tempo van de Song specificeren (p. 30)

5. (Als u MIDI gebruikt om een Song te creëren) Realtime opname uitvoeren (p. 31)

6. (Als u audio gebruikt om een Song te creëren) Audio bestanden van de computer importeren (p. 36)

7. (Als u audio gebruikt om een Song te creëren) Van een microfoon of gitaar, die op de Fantom-G is aangesloten, opnemen (p. 38)

8. Song Edit (wijzigen) gebruiken om samples en frases in Tracks te plaatsen (p. 41)

9. De mixer gebruiken om de balans van de onderdelen aan te passen (p. 42)

10.De Song opslaan (p. 44)

27

Voorbereidingen voor Song productie

Hier wordt beschreven, hoe u de sequencer en geluid generator voorbereidt om een Song te creëren.

Een lege Song in de Song lijst selecteren

Wanneer de Fantom-G opstart, zal deze Song 001 van de Song lijst inladen en bij de fabrieksinstellingen bevat Song nummer 001 een demo Song. Als u een nieuwe Song creëert, selecteer een lege Song van de

Song lijst.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F1 (Song List)].

Het Song lijst scherm verschijnt.

3.

Gebruik de VALUE draaischijf om een lege Song nummer te selecteren en druk op [F8

(Load)].

Een bevestiging verschijnt.

4.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Klanken in een studio set selecteren

We bevelen aan, dat u de geluid generator in studio modus zet, wanneer u een Song creëert. Studio modus stelt u in staat om maximaal zestien verschillende klanken te gebruiken om uitvoeringen voor elk onderdeel onafhankelijk op te nemen en af te spelen. Deze modus is daarom de beste keuze bij de creatie van een Song met meerdere instrumenten, zoals drums, bas en piano.

Een studio set selecteren

1.

Druk op [STUDIO] om een studio modus te kiezen.

2.

Druk op [F5 (Studio List)] om de studio set lijst te zien.

28

Voorbereidingen voor Song productie

3.

Draai de VALUE draaischijf of gebruik [DEC] [INC] om ‘PRST 007: Rock Studio Set’ te kiezen. Nadat u een studio set heeft geselecteerd, druk op [F8 (Select)] om uw keuze te bevestigen.

‘PRST 007: Rock Studio Set’ is een studio set, die bij voorbaat al geschikte klanken en effect instellingen heeft om een rock Song te maken.

Patches selecteren (klanken)

1.

Selecteer een piano klank voor onderdeel 1.

Gebruik de cursor knoppen om onderdeel 1 op te lichten, druk vervolgens op

[F1 (Patch List)].

Gebruik dan [F1] [F2] om de categorie ‘AC.Piano’ te selecteren en draai de VALUE draaischijf om de gewenste piano Patch te selecteren. Wanneer u uw selectie heeft gemaakt, druk op [F8 (Select)].

2.

Op dezelfde manier, selecteer een basklank (‘bas’ categorie) voor onderdeel 2.

3.

Op dezelfde manier, selecteer een ritme set voor onderdeel 10.

Een ritme set wordt standaard voor onderdeel 10 geselecteerd. In het geval van een ritme set is het niet nodig om in de Patch lijst [F1] [F2] toetsen te gebruiken om een categorie te selecteren.

Veranderingen, die u maakt, zijn tijdelijk en zullen verloren gaan, wanneer u de stroom uitschakelt, de geluid generator verandert of een andere studio set selecteert. Als u de studio set, die u gewijzigd heeft, wilt behouden, moet u de studio set, zoals in ‘Gemaakte instellingen opslaan’ (p. 8 van deze handleiding) wordt beschreven, opslaan.

29

Voorbereidingen voor Song productie

De maatsoort specificeren

Wanneer u een nieuwe Song opneemt, moet u de maatsoort specificeren. Echter, nadat u Song Clear heeft uitgevoerd of de stroom heeft aangezet, zal de maatsoort altijd op 4/4 worden ingesteld. U hoeft dit alleen te veranderen als de nieuwe Song een andere maatsoort gebruikt. In dit voorbeeld gaan we ervan uit, dat u een 4/4 Song opneemt, zodat we deze instelling niet veranderen.

Als u een andere maatsoort dan 4/4 wilt specificeren, ga naar gebruikershandleiding onderdeel

‘De maatsoort specificeren (Beat Track)’ (p. 219).

Het tempo specificeren

Hier wordt uitgelegd, hoe het tempo te specificeren, wanneer een Song wordt opgenomen.

1.

Druk op [TEMPO].

Het tempo venster verschijnt.

2.

Gebruik de VALUE draaischijf of gebruik [INC] [DEC] om het tempo te specificeren.

• Als u de VALUE draaischijf draait, terwijl u [SHIFT] ingedrukt houdt, kunt u nauwkeurige aanpassingen onder de decimale punt maken.

• Als u op [F7 (Click)] drukt om in te schakelen, zal in het gespecificeerde tempo een klik klinken. De klik zal iedere keer, dat u de knop indrukt, aan/uitschakelen.

• Als u op [F6 (Tap Tempo)] drukt, kunt u het tempo specificeren door de knop herhaaldelijk op het gewenste tempo (Tap Tempo) in te drukken. Druk de knop drie of meer keer op kwart noot intervallen van het gewenste afspeel tempo in.

3.

Wanneer u klaar bent met de instellingen, druk op [F8 (Close)].

30

MIDI gebruiken voor opname (recording) van het ritme in Realtime

Nu gaan we MIDI gebruiken om een opname in Realtime van het ritme onderdeel te maken.

De Pads gebruiken om het ritme op te slaan

De Pads zijn een geschikte manier om een percussie instrument uitvoering op te nemen. Opname in

Realtime is een methode, waarbij nauwkeurig wordt opgenomen, hoe u bij de uitvoering de Pads aanslaat.

De Pad modus op RHYTHM instellen

1.

Druk op [PAD MODE] en druk vervolgens op pad [2] (RHYTHM).

2.

Wanneer u een Pad [1]-[16] indrukt, zult u een ritme klank horen.

Als u op [STUDIO] drukt en vervolgens op [F6 ([illustratie])] om toegang tot het mixer scherm

(Mixer 2) te krijgen, kunt u zien, welk onderdeel de Pads speelt. Onderdeel 10 wordt standaard aan de ritme Pads toegewezen.

padmode_e.eps

Het onderdeel, waarvan het ritme Pad onderdeel (RHY) is ingeschakeld

Als u de ritme set vanaf het keyboard wilt spelen, gebruik de cursor knoppen om onderdeel

10 te selecteren (licht op).

Als u de ritme set klanken wilt veranderen, zie ‘Patches (klanken) selecteren’ (p. 29 van deze handleiding) en selecteer de gewenste klank.

Veranderingen, die u maakt, zijn tijdelijk en zullen verloren gaan, wanneer u de stroom uitschakelt, de geluid generator modus verandert of een andere studio set selecteert. Als u de studio set, die u heeft gewijzigd, wilt behouden, moet u de studio set opslaan, zoals in ‘De gemaakte instellingen opslaan’ (p. 8 van deze handleiding) staat beschreven.

31

MIDI gebruiken voor opname (recording) van het ritme in Realtime

Een opname Track selecteren

Vervolgens gaat u de MIDI Track, waarop u opneemt, selecteren en specificeer de maat, waarmee de opname gestart wordt.

U kunt op elke Track 1–128, die als ‘MIDI’ wordt aangegeven, opnemen. Het is niet perse nodig om op

Track 10 op te nemen, omdat u onderdeel 10 van het geluid generator onderdeel bespeelt.

Laten we in dit voorbeeld op Track 1 opnemen.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Gebruik de VALUE draaischijf of gebruik opnemen, te selecteren.

/

Selecteer de Track, die wordt met ‘MIDI 1’ wordt aangeven.

om de MIDI Track, waarop u wilt

Als u op [ENTER] op het Track Name veld drukt, kunt u een Track naam ingeven.

➝ Gebruikershandleiding ‘Een Track benoemen (Track naam)’ (p. 209).

3.

Gebrui [ ] or [ ] om de maat, waarmee u wilt beginnen op te nemen, te specificeren. Voor dit voorbeeld, specificeer het begin van de Song.

Als er al een frase op de start locatie voor de opname bestaat

De bestaande frase wordt door de nieuwe opname overschreven.

Als er al een frase volgend op de start locatie voor de opname bestaat.

Een nieuwe frase wordt opgenomen. U kunt tot de locatie van de volgende frase opnemen.

32

MIDI gebruiken voor opname (recording) van het ritme in Realtime

Opnemen (Recording)

1.

Druk op de [REC] knop om in de opname Stand-by te komen.

De [REC] indicator gaat knipperen en het Realtime Rec Standby venster verschijnt.

2.

Gebruik de cursor knoppen om de cursor naar elke parameter te verplaatsen en draai de

VALUE draaischijf of gebruik [INC] [DEC] om de instellingen te maken.

Hieronder zullen we uitleggen, hoe u een loop opname over een kwart maat herhaalt:

Parameter

Rec Mode

Count In

Waarde

MIX

1MEAS

Tempo Rec Switch OFF

Loop Switch ON

Rec Start Point

Rec End Switch

Specificeert of tempo veranderingen opgenomen zullen worden.

Specificeert of loop opname gebruikt zal worden. Zet dit ‘ON’.

0001 01 000 Indicates the recording-start location. The beginning of the song is “0001 01

000.”

ON Geeft de start locatie voor de opname aan. Het begin van de Song is ‘0001 01

000’.

Rec End Point

Uitleg

Specificeert of continue opgenomen passages met eerder opgenomen materiaal

(MIX) gelaagd zullen worden of het eerder opgenomen materiaal zal vervangen

(REPLACE). Kies ‘MIX’ voor dit voorbeeld.

Specificeert of een aftelling zal worden gebruikt. Kies ‘1MEAS’ voor dit voorbeeld, zodat een aftelling van één maat zal klinken, voordat opname begint.

Input Quantize

Grid Resolution

0005 01 000 Specificeert de einde locatie voor de opname. We zullen in dit voorbeeld vier maten opnemen (neem tot het begin van de vijfde maat op), dus stel deze op

‘0005 01 000’ in. De ‘Rec Length’ onderin zal automatisch op ‘0004 00 000’

(vier maten) worden ingesteld.

GRID Specificeert of de kwantificeer functie gebruikt zal worden, die de timing van uw uitvoering op het keyboard of Pads automatisch corrigeert. Kies de ‘GRID’ instelling als u de drums op de juiste timing wilt invoegen. Wanneer u uw uitvoering precies, zoals u speelt, wilt opnemen, kies ‘OFF’.

1/16 Specificeert de noot waarde, waarop kwantificatie zal worden toegepast.

Selecteer voor dit voorbeeld ‘1/16’, zodat de noten op 1/16de noot intervallen zullen worden gekwantificeerd.

3.

Wanneer u klaar bent met de instellingen in het Realtime Rec Standby venster, druk op

[PLAY] of [F8 (Start)].

Na een aftelling van één maat, begint de opname.

4.

Druk op de Pads om uw uitvoering op te nemen.

Loop opname is actief, zodat u de noten voor bas drum ➝ Snare ➝ Hi-Hat, etc. kunt lagen.

Als u een vergissing maakt

Zelfs als u een vergissing maakt, kunt u de verkeerde noten in Realtime wissen, terwijl u met loop opname doorgaat.

5.

Terwijl u opneemt, druk op [F6 (Erase)].

Het Realtime venster verschijnt.

6.

Verwijder de ongewenste data.

• Om alle data te wissen, druk op [F7 (Erase All)]. Data zal worden verwijderd, terwijl u de knop ingedrukt houdt.

• Om de data van een specifieke toets te verwijderen, druk op die toets. De data voor deze toets zal worden verwijderd, terwijl u deze ingedrukt houdt.

• Als u meerdere toetsen ingedrukt houdt, zal de data van de toetsen er tussenin ook worden gewist.

• U kunt geen Pads gebruiken om data met Realtime Erase te verwijderen.

7.

Druk op [F8 (Close)] om het Realtime Erase venster te sluiten.

U gaat naar normale opname terug.

8.

Wanneer u klaar ben met opnemen, druk op [STOP].

De [REC] indicator wordt donker en de opgenomen frase zal aan de Track worden toegewezen.

33

MIDI gebruiken voor opname (recording) van het ritme in Realtime

9.

Er verschijnt een venster met de vraag om de opname te bevestigen. Als u de opname wenst te behouden, druk dan op [F7 (OK)]. Om te annuleren, drukt u op [F8 (CANCEL)].

Als u maar een kleine vergissing heeft gemaakt, corrigeer dan alleen de frase

U kunt gedetailleerde wijzigingen aan de frase, die u heeft opgenomen, aanbrengen. Dit proces wordt Phrase Editing (frase wijzigen) genoemd. Als u bijvoorbeeld alleen een verkeerde noot aanslaat, kunt u die noot repareren. Ook kunt u een individuele noot verwijderen of de toonhoogte of volume wijzigen.

1.

Druk tweemaal op [SONG] om toegang tot het Song Edit scherm te krijgen.

Elke keer, dat u op [SONG] drukt, zult u tussen het Song Play scherm en Song

Edit scherm wisselen.

2.

Gebruik de cursor knoppen om de frase, die u wilt wijzigen, te selecteren.

3.

Druk op [F4 (Edit)].

Het Phrase Edit scherm verschijnt.

Voor informatie, zie ‘Een frase wijzigen (Phrase Edit)’ (p. 238 van de gebruikershandleiding).

Indien u een ernstige fout hebt gemaakt (UNDO)

1.

Druk op [MENU].

2.

Druk op [F5 (Undo)].

Undo maakt de laatst uitgevoerde bewerking of opname ongedaan. Als Undo niet mogelijk is, dan is de knop grijs en niet beschikbaar.

3.

U wordt gevraagd om de Undo-handeling te bevestigen. Om Undo uit te voeren, drukt u op [F7 (OK)]. Om te annuleren, drukt u op [F8 (CANCEL)].

De bewerking of opname wordt ongedaan gemaakt en de data worden in hun originele toestand hersteld.

U kunt de Undo-functie ook uitvoeren door [SHIFT] ingedrukt te houden en op

[EXIT] te drukken.

De Pads gebruiken om noten één voor één in te geven

Als een alternatief voor Realtime opname, kunt u uitvoeringsdata per noot ingeven, alsof u noten op notenschrift schrijft. Deze methode wordt ‘Step Recording’ genoemd. Dit stelt u in staat om frases weloverwogen te creëren.

Voor informatie, zie ‘Data in stappen invoegen (Step Recording)’ (p. 226 van de gebruikershandleiding).

34

De bas en piano als MIDI voor opname

(recording) in Realtime

Nu dat we de ritmepartij hebben opgenomen, zullen we de andere onderdelen opnemen. Het proces is hetzelfde als wanneer u het ritme opneemt. Het enige verschil is, dat we het toetsenbord in plaats van de

Pads gebruiken. Selecteer een onderdeel in het Studio Play scherm, selecteer een Track in het Song Play scherm en neem vervolgens op.

De bas opnemen

Selecteer in het Studio Play scherm het bas onderdeel

1.

Druk op [STUDIO].

2.

Gebruik de cursor knoppen om onderdeel 2 te selecteren (licht op).

3.

Een bas klank is hoorbaar, wanneer u het toetsenbord bespeelt.

Selecteer in het Song Play scherm een Track en neem op

Terwijl u naar de drums luistert, die u eerder heeft opgenomen, bespeelt u het toetsenbord om het bas onderdeel op te nemen.

1.

Selecteer de ‘MIDI 2’ Track, zoals in ‘Een opname Track selecteren’ (p. 32 van deze handleiding) wordt beschreven.

2.

Bespeel het toetsenbord om het bas onderdeel op te nemen, zoals in ‘Opnemen’ (p. 32 van deze handleiding) wordt beschreven.

Wanneer u op [REC[ drukt, zal het Recording Standby scherm verschijnen. Druk op [PLAY] om opname te starten. Bespeel het toetsenbord om de bas op te nemen.

De piano opnemen

Selecteer in het Studio Play scherm het piano onderdeel

1.

Druk op [STUDIO].

2.

Gebruik de cursor knoppen om onderdeel 1 te selecteren (licht op).

3.

Een piano klank is hoorbaar, wanneer u het toetsenbord bespeelt.

Selecteer in het Song Play scherm een Track en neem op

Terwijl u naar de drums en bas luistert, die u eerder heeft opgenomen, bespeelt u het toetsenbord om het piano onderdeel op te nemen.

1.

Selecteer de ‘MIDI 3’ Track, zoals in ‘Een opname Track selecteren’ (p. 32 van deze handleiding) wordt beschreven.

2.

Bespeel het toetsenbord om het piano onderdeel op te nemen, zoals in ‘Opnemen’ (p. 33 van deze handleiding) wordt beschreven.

Wanneer u op [REC[ drukt, zal het Recording Standby scherm verschijnen. Druk op [PLAY] om opname te starten. Bespeel het toetsenbord om de piano op te nemen.

U kunt de opgenomen frases in de Track naar smaak arrangeren.

➝ ‘Song Edit gebruiken om samples en frases te arrangeren’ (p. 41 van deze handleiding).

35

Audio bestanden vanaf de computer importeren

De Fantom-G kan audio bestanden (WAV of AIFF formaat) van de computer importeren en deze als samples gebruiken. U kunt ook een Song creëren door simpelweg deze samples in een audio Track te plaatsen.

Audio bestanden van de computer importeren

Audio bestanden kunnen in de Fantom-G worden geïmporteerd.

Voor de procedure, zie ‘Klanken (samples) van de computer importeren’ (p. 20 van deze handleiding).

WAV

AIFF

Samples met het sequencer tempo synchroniseren

De Fantom-G bevat een ‘tijd vertragingsfunctie (Time Stretch) in Realtime’.

Wanneer u samples in een audio Track gebruikt, zal deze functie de samples in synchronisatie houden, zelfs als u de sequencer tempo verandert.

Voorbeeld: Samples gebruiken, die met 120 BPM zijn opgenomen

Druk op [SAMPLE] om het Sample Edit scherm voor de sample, die u wilt wijzigen, te openen.

Verplaats de cursor naar ‘BPM’ en stel deze op

120 in.

Als u het tempo van de sample niet weet, gebruik een metronoom om het tempo te bepalen.

36

Audio bestanden vanaf de computer importeren

Samples in een audio Track plaatsen

1.

Druk tweemaal op [SONG] om toegang tot het Song Edit scherm te krijgen.

Elke keer, dat u op [SONG] drukt, wisselt u tussen het Song Play scherm en Song Edit scherm.

2.

Gebruik / om de audio Track, waarin u een sample wilt plaatsen, te selecteren.

U kunt samples in elke Track 1–14, die AUDIO aangeeft, plaatsen.

Selecteer voor dit voorbeeld de Track, aangegeven als ‘AUDIO 1’.

3.

Specificeer de locatie, waar de sample/frase zal worden geplaatst.

De knoppen hebben de volgende functies:

[ ]

[INC][DEC]

Verplaatst de huidige locatie naar het begin van de Song.

Verplaatst de huidige locatie in stappen van één tik.

[ ] [ ]

VALUE draaischijf

Verplaatst de huidige locatie in stappen van één maat.

Verplaatst de huidige locatie in stappen van één slag.

4.

Druk op [F1 (Insert).

Het Sample Select scherm verschijnt.

5.

Selecteer de samples, die u wilt invoegen, en druk op [F8 (Select)].

De samples zullen op de gespecificeerde locatie worden ingevoegd.

U kunt de ingevoegde samples overal in een Track vrijelijk plaatsen.

➝ ‘Song Edit gebruiken om samples en frases te arrangeren’ (p. 41 van deze handleiding).

37

Klanken van een microfoon of gitaar opnemen

Hier wordt uitgelegd, hoe u van een microfoon of gitaar, die op de Fantom-G is aangesloten, kunt opnemen.

De apparatuur aansluiten

Sluit de microfoon, gitaar of draagbare audio speler, zoals hieronder aangegeven, aan:

Een microfoon aansluiten

Wanneer u een condensator microfoon gebruikt, die een gebalanceerde (XLR) aansluiting vereist, selecteer dan de

‘PHANTOM ON’ instelling.

Wanneer u een dynamische microfoon, met een jack gebruikt, selecteer dan de

PHANTOM OFF’ instelling.

De Fantom-G verschaft een gebalanceerde (XLR/TRS) type aansluiting, die wordt aangesloten, zoals in de illustratie wordt aangegeven. Controleer de bedrading van het apparaat, voordat u deze aansluit.

U moet de fantoom voeding uitschakelen, tenzij u een condensator microfoon heeft aangesloten, die fantoom voeding nodig heeft. Een dynamische microfoon of een audio afspeel apparaat van fantoom voeding voorzien, veroorzaakt storing. Voor informatie over de specificaties over de microfoon, zie de gebruikershandleiding van de microfoon.

(De Fantom-G’s fantoom voeding toevoer is DC 48V,10 mA maximum.)

Gebruik deze om het opname niveau aan te passen.

Max Min

Microfoons met jacks

Microfoon met gebalanceerde (XLR) aansluitingen

Een gitaar of bas aansluiten

Wanneer u een gitaar of bas aansluit, sluit deze op de

MIC/GUITAR jack aan.

Selecteer voor een gitaar of bas de

‘GUITAR (Hi-Z)’ instelling.

Gebruik deze om het opname niveau

Max aan te passen.

Min

Een draagbare audio speler aansluiten

Wanneer u een draagbare audio speler, stereo syteem of CD speler aansluit, gebruik audio kabels om de uitgang jacks (LINE

OUT jacks of AUX OUT jacks, etc.) op de Fantom-G’s LINE ingang jacks aan te sluiten.

Een platenspeler kan niet direct op de Fantom-G worden aangesloten.

Om een platenspeler aan te sluiten, dient u een versterker tussen de speler en de Fantom te plaatsen.

Gebruik deze om het opname niveau

Max aan te passen.

Min

Een digitale audio bron aansluiten

Wanneer u digitale apparatuur, zoals een DAT, aansluit, gebruik een coaxiaal kabel om deze op de uitgang jack (bijvoorbeeld

DIGITAL OUT jack) naar de Fantom-G’s DIGITAL AUDIO IN jack aan te sluiten.

Wanneer een extern apparaat op de DIGITAL AUDIO IN jack is aangesloten en u de kabel loskoppelt of de stroom van het externe apparaat uitschakelt, kan vervolgens in de ingang van DIGITAL AUDIO IN een geluid te horen zijn. Als dit gebeurt, sluit het externe apparaat opnieuw op de juiste manier aan of draai de Fantom-G [MIX IN] schakelaar uit.

38

Klanken van een microfoon of gitaar opnemen

De Track, waarop audio wordt opgenomen, selecteren

Selecteer de audio Track, waarop u wilt opnemen en specificeer de maat, waarmee de opname start.

U kunt op elke Track 1–24, die ‘AUDIO’ aangeeft, opnemen.

Laten we voor dit voorbeeld op audio Track 2 opnemen.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Draai de VALUE draaischijf of gebruik / om een audio Track te selecteren.

Voor dit voorbeeld selecteer de audio Track, die als ‘AUDIO 2’ wordt getoond.

Door op de Track Name op [ENTER] te drukken, kunt u een naam aan de Track toeschrijven.

➝ ‘Een Track benoemen (Track Name)’ (p. 209 van de gebruikershandleiding).

3.

Gebruik [ ] [ ] om de maat, waarop u wilt beginnen op te nemen, te specificeren.

Specifeer voor dit voorbeeld het begin van de Song.

Als er al een sample op de start locatie voor de opname is

Een audio Track kan maar één sample tegelijk spelen. Als samples worden geplaatst, zodat ze overlappen, zal de laatste sample voorrang krijgen bij het afspelen.

39

Klanken van een microfoon of gitaar opnemen

Audio opnemen

1.

Druk de [REC] knop om in de opname Stand-by modus te komen.

De [REC] indicator gaat knipperen en het Audio Rec Standby venster verschijnt.

40

U kunt effecten, zoals equalizer of compressor, op de audio invoer toepassen. Om instellingen te maken, druk op [F7 (Input Setting)] en vervolgens op [F7 (Input Effect)] om toegang tot het

INPUT EFFECT scherm te krijgen. Voor informatie over de parameters, die u kunt instellen, zie

‘Invoer effect parameters’ (p. 186 van de gebruikershandleiding).

2.

Gebruik de cursor knoppen om de cursor naar elke parameter te verplaatsen, en draai de VALUE draaischijf of gebruik [INC][DEC] om de waarde in te stellen.

Voor dit voorbeeld zullen we instellingen maken om de microfoon voor een duur van vier maten in mono op laten te nemen:

Parameter

Audio Rec Mode

Input Select

Waarde

SOLO

MIC/GUITAR

Audio Rec Channel MONO

Count In

Rec Start Point

Rec End Switch

Rec End Point

1MEAS

0001 01 000

ON

0005 01 000

Uitleg

Selecteert, hoe opname zal plaatsvinden. Met de ‘SOLO’ instelling zal de interne geluid generator als gewoonlijk spelen, maar alleen de externe audio invoer zal worden opgenomen.

Selecteert de invoer bron.

DIGITAL IN: DIGITAL AUDIO IN jack

LINE IN L/R: INPUT jacks L/R (stereo)

LINE IN L: INPUT jack L (mono)

MIC/GUITAR: MIC/GUITAR jack

USB AUDIO: USB aansluiting

U kunt stereo of mono voor de op te nemen Track selecteren. Kies ‘STEREO’ als u in stereo wilt opnemen.

Specificeert de aftelling. Kies bijvoorbeeld ‘1 MEAS’, zodat opname na een aftelling van één maat zal beginnen.

Geeft de start locatie voor de opname aan. Het begin van de song is ‘0001

01 000’.

Specificeert of een einde locatie voor de opname zal worden gespecificeerd.

Zet deze ‘ON’.

Specificeert de einde locatie voor de opname. We gaan bijvoorbeeld vier maten opnemen (dat wil zeggen, stopt aan het begin van de vijfde maat), dus stel dit op ‘0005 01 000’ in. De ‘Rec Length’ hieronder zal automatisch op

‘0004 00 000’ (vier maten) worden ingesteld.

Voor informatie over elke parameter, zie ‘Audio Rec Standby parameters’ (p. 230 van de gebruikershandleiding).

3.

Als u de microfoon/gitaar/lijn ingang gebruikt, gebruik de achterpaneel LEVEL knop om het invoer niveau van de externe bron aan te passen.

• Als u DIGITAL IN gebruikt, is deze aanpassing niet nodig.

• Als het volume van de externe invoer te hoog is, zal de PEAK indicator van het voorpaneel oplichten. In dat geval draai de LEVEL knop laag, totdat de PEAK indicator niet meer oplicht.

• Als het opname niveau te hoog is, zal de niveau meter in het scherm ‘CLIP’ aangeven.

4.

Druk op [PLAY] of [F8 (Start)].

Na een aftelling van één maat, zal opname starten.

5.

Maak een uitvoering met de microfoon of gitaar.

6.

Wanneer u klaar met opname bent, druk op [STOP].

7.

Er verschijnt een venster met de vraag om de opname te bevestigen. Als u de opname wenst te behouden, druk dan op [F7 (OK)]. Om te annuleren, drukt u op [F8 (CANCEL)].

De [REC] indicator gaat uit en de opgenomen sample zal aan de Track worden toegewezen.

Song Edit gebruiken om samples of frases te arrangeren

U kunt de Song wijzigen door samples en frases te verplaatsen.

1.

Druk tweemaal op [SONG] om toegang tot het Song Edit te krijgen.

Elke keer, dat u op de [SONG] knop drukt, zal u tussen het Song Play scherm en Song Edit scherm wisselen.

Een sample/frase verplaatsen

U kunt de locatie, waarop een sample/frase afspeelt veranderen of deze naar een andere Track verplaatsen. Gebruik de cursor knoppen om de sample/frase te selecteren, die u wilt verplaatsen en voer de volgende handeling uit, afhankelijk van hoe u deze wilt verplaatsen:

Verplaatsen met

Maten

16th noten (120 tikken)

Enkele tik

Tussen Tracks

Knop handeling

[SHIFT] + cursor (links/rechts) knop

[SHIFT] + [VALUE] draaischijf

[SHIFT] + [INC][DEC]

[SHIFT] + cursor (omhoog/omlaag) knoppen

Als u een USB muis gebruikt, kunt een sample/frase verplaatsen door deze met de muis te slepen (houd de linker muisknop ingedrukt en verplaats deze).

Een sample/frase kopiëren

U kunt de sample/frase meteen achter de huidige locatie in de Track kopiëren.

Als u een frase loop herhaaldelijk met verschillende maten wilt afspelen, is dit een manier om snel kopieën hiervan te maken.

Gebruik de cursor knoppen om de sample/frase, die u wilt kopiëren, te selecteren en druk op [F3 (Copy)] om deze onmiddellijk naar de volgende locatie te kopiëren.

Als u een USB muis gebruikt, kunt een sample/frase kopiëren door deze aan te klikken, terwijl u [SHIFT] ingedrukt houdt.

Een gekopieerde frase wijzigen, zal de inhoud van alle kopieën veranderen. Als u maar één gekopieerde frase wilt veranderen, moet u deze dupliceren, voordat u deze wijzigt.

1.

In de frase lijst dupliceert u de frase, die u wilt wijzigen.

➝ Gebruikershandleiding ‘Een frase dupliceren (Duplicate)’ (p. 215).

2.

Wijzig de gedupliceerde frase.

Om gedetailleerde wijzigingen in de uitvoeringsdata (MIDI) te maken

Een opname van een frase overschrijven

Transponeren

De klank (onderdeel) van een frase, bijvoorbeeld piano ➝ bas, veranderen

Wijzig in het microscoop scherm (Gebruikershandleiding p. 250).

Selecteer de frase in de frase lijst en druk op [REC] om een opname overschrijving uit te voeren (Gebruikershandleiding p. 22).

Gebruik de transponeer functie (Gebruikershandleiding p. 245) om te transponeren.

Gebruik de Change Channel functie (Gebruikershandleiding p. 246) om het MIDI kanaal te veranderen. Stel het Src kanaal op ‘1’ (het piano onderdeel) in en het Dst kanaal op ‘2’ (het bas onderdeel) in en voer vervolgens uit [F8 (Execute)].

3.

Wijs de gewijzigde frase aan de Song toe.

➝ Gebruikershandleiding ‘Een sample/frase op een gespecificeerde locatie invoegen (Insert)’ (p. 233).

Een sample/frase verwijderen

U kunt een sample/frase van een Track verwijderen.

Gebruik de cursor knoppen om de sample/frase, die u wilt verwijderen, te selecteren en druk op [F2

(Delete)] om de sample/frase te verwijderen.

41

42

De totale balans aanpassen

Wanneer u met opname klaar bent, zal u de balans tussen de verschillende onderdelen willen aanpassen.

Het proces van de totale klank aanpassen en de onderdelen, die u wilt benadrukken, helder maken, wordt ‘mixen’ genoemd.

Druk op [STUDIO] om toegang tot het Studio Play scherm (mixer) te krijgen en pas de verschillende instellingen aan.

In het Studio Play scherm kunt u verschillende malen op de [F7 ] oF [F8 ] toetsen drukken om tussen het beeld van de interne (interne geluid generator) onderdelen, audio Tracks, uitbreidingskaarten en externe

MIDI uitvoer onderdelen te wisselen.

Onderdeel groep

Audio Track

Internal

EXP 1

EXP 2

External

Uitleg

Audio Tracks van de Song

Intern (interne geluid generator)

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Externe MIDI uitvoer

Over de balans mixen

Volume (Level) en uitschakelen (Mute Sw)

Gebruik deze om de balans tussen de instrumenten aan te passen. Als er veel onderdelen zijn en u het moeilijk vindt ze te onderscheiden, kan het handig zijn om afzonderlijke klanken uit te schakelen, zoals drum, bas of piano, terwijl u de aanpassingen maakt.

Linker/rechter positie (Pan)

Het is kenmerkend om de drum en bas in het centrum te plaatsen. Rond deze klanken kunt u de snaar instrumenten links en rechts plaatsen om een stabiele ensemble te creëren. De hoofd instrumenten naast het centrum plaatsen, slechts iets links of rechts, kan hun hoorbaarheid vergroten.

Reverb (Reverb Send)

Reverb geeft de sensatie van een uitvoering, die in een studio of hal gehoord wordt.

Overdadige reverb zal echter het akoestische beeld verdoezelen, waardoor de Song minder hoorbaar wordt. Lage frequenties maken de reverb troebel. Het is niet gebruikelijk om reverb op een kick drum of bas te gebruiken. Daarentegen, kan gebruik van diepe reverb op specifieke onderdelen, zoals korte piano frases, die tijdens een intermezzo worden gespeeld, kan de totale diepte van de Song vergroten.

Chorus (Chorus Send)

Het toepassen van chorus zal de klank tussen links en rechts verspreiden, waardoor een aangename diepte en ruimtelijkheid aan de klank wordt toegevoegd. Dit effect wordt meestal op de gitaar en elektrische piano toegepast, dus heeft u vaak de kans dit te gebruiken. U zult echter het maximum effect bereiken als u een onderscheid houdt tussen de onderdelen, die chorus gebruiken en die het niet gebruiken.

Voor meer over effect instellingen, zoals galm en chorus

➝ ‘Effecten toevoegen’ (p. 150 van de gebruikershandleiding).

Mastering

Mastering is de laatste fase van de Song productie, waarin u een compressor en equalizer kunt toepassen om de laatste hand aan de Song te leggen. Als de voltooide Song kracht mist of als de klank anders klinkt, wanneer deze in een andere omgeving wordt gespeeld, moet u aandacht aan het Mastering proces besteden.

Mastering gebruiken om de Song te voltooien

1.

Druk op [EFFECTS (ROUTING)] om toegang tot het effecten scherm te krijgen.

2.

Druk op [F7 (Mastering)].

3.

Gebruik cursor knoppen om de cursor naar de parameter, die u wilt wijzigen, te verplaatsen.

4.

Draai de VALUE draaischijf of druk op [INC][DEC] om de waarde te krijgen, die u wenst.

Aan/Uit schakelaar

Mastering instelling

De Fantom-G Mastering effect heeft verschillende vooringestelde instellingen. U kunt deze gebruiken om gemakkelijk verschillende variaties van Mastering instellingen uit te proberen.

Hard Comp

Soft Comp

Low Boost

Mid Boost

High Boost

U kunt zware of lichte compressie selecteren. Begin door één van deze instellingen, die u wenst, te kiezen en verfijn deze vervolgens.

In aanvulling op de het compressor effect, geeft deze variaties in volume uitvoer voor elke frequentie band, die een equalizerachtige effect produceert.

Voor meer over Mastering

➝ ‘Mastering effect’ (p. 160 van de gebruikershandleiding).

43

De Song opslaan

De Song, die u heeft gecreëerd, zal verdwijnen als u de stroom uitschakelt. Sla deze als volgt op:

Frases individueel op te slaan

➝ ‘Een frase opslaan (Save)’ (p. 216 van de gebruikershandleiding).

Samples individueel op te slaan

➝ ‘Een sample opslaan (Save)’ (p. 274 van de gebruikershandleiding).

1.

In het Song Play of Song Edit scherm druk op [WRITE].

Het Write scherm verschijnt.

2.

Gebruik / om ‘Song’ te selecteren en druk vervolgens op [F8 (OK)].

Het Song Name venster verschijnt.

44

3.

Wijs een naam aan de Song toe.

4.

Wanneer u daarmee klaar bent, druk op [F8 (OK)].

Een scherm verschijnt, waarin u kunt aangeven, waarheen de Song moet worden weggeschreven.

5.

Draai de VALUE draaischijf of gebruik [INC][DEC] om het Song nummer te selecteren.

6.

Druk op [F8 (Save)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

* Zet nooit de stroom uit, terwijl wegschrijven in werking is.

7.

Als u zeker ervan bent, dat u de Song wilt wegschrijven, druk op [F7 (OK)].

Een CD van de voltooide Song maken

De Fantom-G verschaft een ‘Resampling’ functie, die alle audio Tracks en MIDI Tracks in de Song in één sample rendert. De samples, die door deze Resample functie zijn gecreëerd, kunnen als .WAV bestanden naar de computer worden gekopieerd en op CD worden gezet.

De inhoud van alle Tracks naar een enkele sample Resamplen

Hier wordt uitgelegd, hoe alle audio Tracks en MIDI Tracks in een enkele sample worden gecombineerd.

Een sample, die op deze manier is gecreëerd, kan op de computer als een Song worden opgeslagen.

1.

Druk op [ ] om de Song positie naar het begin van de Song te verplaatsen.

2.

Druk op de [SAMPLING] knop.

3.

Druk op [F2 (Re-Sampling)].

4.

Druk op [F2 (Auto Trig)].

5.

Druk op [PLAY].

Het Resampling begint.

6.

Wanneer de Song eindigt, druk op [F7 (STOP)].

Als u Trigger stoppen (Gebruikershandleiding p. 260) op ‘TIME’ instelt en sample duur

(Gebruikershandleiding p. 26) op de eind tijd van de Song instelt, zal het Resamplen onmiddellijk stoppen.

7.

De sample, die door Resamplen wordt gecreëerd, opent in het Sample Edit scherm

(Gebruikershandleiding p. 266).

De volume van de opnieuw gesamplde frases kan lager zijn dan het oorspronkelijke volume.

Indien nodig, gebruik normaliseren (Gebruikershandleiding p. 270) om het volume te verhogen.

8.

Druk op [WRITE] om de sample op te slaan.

45

Een CD van de voltooide Song maken

De opnieuw gesamplde sample naar de computer kopiëren, en een

CD creëren

Na het Resamplen kunt u de resulterende sample naar de computer kopiëren. De sample is een .WAV bestand, zodat u hiermee een CD kunt te maken.

46

0001.WAV

(Song)

CD

1.

Controleer het nummer van de sample, dat u door het resamplen heeft gecreëerd (In dit voorbeeld gaan we van 0001 uit).

2.

Gebruik een USB kabel (apart verkrijgbaar) om de Fantom-G USB COMPUTER aansluiting met de computer te verbinden.

3.

Druk op [MENU].

4.

Draai de VALUE draaischijf om ‘USB Storage’ te kiezen en druk op [F8 (Select)].

5.

Druk op [F2 (USB Memory)].

Als u de samples naar een project in het interne geheugen in plaats van het USB geheugen heeft opgeslagen, drukt u op [F1 (Internal)].

6.

Het USB geheugen zal in de computer worden geladen. Kopieer de volgende sample vanaf het USB geheugen naar de computer.

‘FantomG001.Prj/SMPL/0001.WAV’

(Het nummer van het .WAV bestandsnaam is het sample nummer.)

‘FantomG001.Prj’ is de naam van de map van het project.

De namen van de projectmap in het USB geheugen worden standaard als

‘FantomG001.Prj’ , ‘FantomG002.Prj’ , etc. genummerd, maar het deel, dat aan de bestandsnaam extensie vooraf gaat, zal de project naam zijn, die u toewees, wanneer u deze opslaat.

Als u de samples eerder naar een project in het interne geheugen dan naar het USB geheugen opslaat, gebruik dan de USB opslag functie ‘Bestanden met de computer uitwisselen

(USB Storage)’ (p. 281 van de gebruikershandleiding) om de sample (FantomG.Prj/SMPL/

001.WAV) van het interne geheugen naar de computer te kopiëren.

7.

Wanneer u klaar bent met kopiëren, verwijder dan het USB-geheugen van de computer en druk vervolgens op [F8 (Exit)] op de Fantom-G.

Windows Vista/XP gebruikers:

In ‘mijn computer’ klikt u met de rechter muisknop het icoon ‘verwijderbare harddisk’ aan en voer

‘verwijder’ uit.

Mac OSX gebruikers:

Sleep de USB Drive icoon naar de prullebak.

8.

Gebruik software, zoals Windows Media Player of iTunes om de gekopieerde sample

(0001.WAV) op een CD te branden.

Voor informatie over een CD schrijven, zie de gebruikershandleiding of help bestand van de software.

154

CAUTION

RISK OF ELECTRIC SHOCK

DO NOT OPEN

ATTENTION

: RISQUE DE CHOC ELECTRIQUE NE PAS OUVRIR

WAARSCHUWING: VERWIJDER HET DEKSEL (OF DE

ACHTERKANT) NIET, OM HET RISICO OP EEN ELEKTRISCHE

SCHOK TE REDUCEREN. BINNENIN BEVINDEN ZICH GEEN

ONDERDELEN DIE DOOR DE GEBRUIKER ONDERHOUDEN

KUNNEN WORDEN. LAAT HET ONDERHOUD AAN ERKEND

ONDERHOUDSPERSONEEL OVER.

Het symbool van de bliksemflits met pijl, binnen een gelijkzijdige driehoek, is bedoeld om de gebruiker te waarschuwen voor de aanwezigheid van niet ge ï soleerd,

’gevaarlijk voltage’ binnenin het apparaat, welke krachtig genoeg kan zijn om een elektrische schok bij personen te veroorzaken.

Het uitroepteken binnen een gelijkzijdige driehoek is bedoeld om de gebruiker te waarschuwen voor de aanwezigheid van belangrijke bedienings- en onderhoudsinstructies in de literatuur behorende bij het product.

INSTRUCTIES MET BETREKKING TOT HET RISICO VAN BRAND, ELEKTRISCHE SCHOK

OF VERWONDINGEN AAN PERSONEN.

BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES

BEWAAR DEZE INSTRUCTIES

1.

WAARSCHUWING – Tijdens het gebruik van elektrische producten moeten de voorzorgsmaatregelen altijd opgevolgd worden, inclusief de volgende:

Lees deze instructies.

2.

Bewaar deze instructies.

3.

Neem alle waarschuwingen serieus.

4.

Volg alle instructies.

5.

Gebruik dit apparaat niet in de buurt van water.

6. Maak dit apparaat alleen met een droge doek schoon.

7. De ventilatie openingen mogen niet geblokkeerd worden.

Installeer in overeenstemming met de instructies van de fabrikant.

8. Installeer het apparaat niet in de buurt van warmtebronnen, zoals radiatoren, kachelschuiven, kachels of andere apparaten (inclusief versterkers) die warmte produceren.

9.

De veiligheidsopzet van de gepolariseerde of aarde plug dient niet teniet gedaan te worden. Een gepolariseerde plug heeft twee polen, de één breder dan de andere. Een aardeplug heeft twee platte kanten en een derde aarde pin.

De brede pool of de derde pin zijn voor uw veiligheid aangebracht. Wanneer de plug niet in uw stopcontact past, raadpleegt u een elektricien voor vervanging van het verouderde stopcontact.

10. Bescherm het netsnoer, zodat er niet overheen gelopen kan worden. Zorg dat het snoer, in het bijzonder bij de stekkers, stopcontactdozen en op het punt waar zij uit het apparaat komen, niet gedraaid of in elkaar gedrukt wordt.

11. Gebruik alleen door de fabrikant gespecificeerde aanhangsels of accessoires.

12. Gebruik het apparaat met een door de fabrikant gespecificeerde of bij het apparaat geleverde kar, standaard, statief, console of tafel. Voorzichtigheid is geboden tijdens het verplaatsen van de kar/ apparaat combinatie, zodat deze niet kan omvallen en daardoor stuk gaat.

13. Tijdens onweer of wanneer het apparaat gedurende een langere periode niet gebruikt zal worden, haalt u de stekker uit het stopcontact.

14. Laat al het onderhoud aan erkend onderhoudspersoneel over. Onderhoud is vereist, wanneer het apparaat op enigerlei wijze beschadigd is, bijvoorbeeld als het netsnoer of de stekker beschadigd is, er vloeistof of objecten in het apparaat terecht zijn gekomen, als het apparaat aan regen of vochtigheid heeft blootgestaan, niet normaal functioneert of is gevallen.

Fantom-G6/G7/G8 Gebruikershandleiding

201b

Voordat u dit apparaat gebruikt, leest u eerst de secties getiteld: ‘BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES’ (p.2), ‘HET

APPARAAT OP EEN VEILIGE MANIER GEBRUIKEN’ (p.4) en ‘BELANGRIJKE OPMERKINGEN’ (p.7). In deze secties vindt u belangrijke informatie over de juiste bediening van het apparaat. Bovendien kunt u de gebruikershandleiding in zijn geheel doorlezen om een goed beeld te krijgen van alles dat de Fantom-G te bieden heeft. Bewaar deze handleiding zodat u er later aan kunt refereren.

Deze gebruikershandleiding is van toepassing op de Fantom-G6, de Fantom-G7 en de Fantom-G8. De term ‘Fantom-G’ wordt in deze handleiding voor deze drie modellen gebruikt.

De uitleg in deze handleiding bevat illustraties, die weergeven wat er in het scherm getoond wordt. Het apparaat kan echter van een nieuwere, verbeterde systeemversie zijn voorzien (d.w.z: bevat nieuwere geluiden), dus wat u werkelijk in het scherm ziet, kan mogelijk niet altijd overeenkomen met hetgeen in de handleiding wordt getoond.

Omwille van productverbetering kunnen de specificaties en/of het uiterlijk van dit apparaat zonder voorafgaande mededeling gewijzigd worden.

Copyright © 2008 ROLAND CORPORATION

Alle rechten voorbehouden. Zonder schriftelijke toestemming van ROLAND CORPORATION mag niets uit deze publicatie, in welke vorm dan ook, gereproduceerd worden.

3

HET APPARAAT OP EEN VEILIGE MANIER GEBRUIKEN

INSTRUCTIES OM BRAND, ELEKTRISCHE SCHOK OF LICHAMELIJK LETSEL TE VOORKOMEN

Over WAARSCHUWING en

WAARSCHUWING

VOORZICHTIG opmerkingen

Wordt gebruikt bij instructies, waarbij de gebruiker attent gemaakt wordt op het risico van overlijden of zwaar letsel, wanneer het apparaat niet op juiste wijze gebruikt wordt.

VOORZICHTIG

Wordt gebruikt bij instructies, waarbij de gebruiker attent gemaakt wordt op het risico van letsel of materiële schade, wanneer het apparaat niet op juiste wijze gebruikt wordt.

* Materiële schade verwijst naar schade of andere ongunstige effecten, die ten aanzien van het huis en al het aanwezige meubilair, en tevens aan huisdieren kunnen optreden.

Over de symbolen

Het symbool wijst de gebruiker op belangrijke instructies of waarschuwingen. De specifieke betekenis van het symbool wordt bepaald door het teken, dat zich binnen de driehoek bevindt. Het symbool, dat zich in dit geval aan de linkerkant bevindt, betekent dat dit teken voor algemene voorzorgsmaatregelen, waarschuwingen, of aanduidingen van gevaar wordt gebruikt.

Het symbool wijst de gebruiker op onderdelen, die nooit verplaatst mogen worden (verboden). De specifieke handeling, die niet uitgevoerd mag worden, wordt aangegeven door het symbool, dat zich binnen de cirkel bevindt. Het symbool, dat zich in dit geval aan de linkerkant bevindt, betekent dat het apparaat nooit uit elkaar gehaald mag worden.

Het wijst de gebruiker op onderdelen, die verwijderd moeten worden. De specifieke handeling, die uitgevoerd moet worden, wordt door het symbool binnen de cirkel aangegeven. Het symbool, dat zich in dit geval aan de linkerkant bevindt, geeft aan dat het netsnoer uit de daarvoor bestemde aansluiting getrokken moet worden.

NEEM ALTIJD HET VOLGENDE IN ACHT

WAARSCHUWING

001

• Voordat u dit apparaat in gebruik neemt, leest u onderstaande instructies en de gebruikershandleiding.

..........................................................................................................

001-50

• Sluit de stekker van dit model op een geaard stopcontact aan.

..........................................................................................................

002b

• Maak het apparaat niet open en voer geen modificaties uit. (De enige uitzondering hierop is wanneer er in de handleiding specifieke instructies worden gegeven voor het installeren van opties door de gebruiker, die in de juiste volgorde uitgevoerd dienen te worden. Zie p.304, p.308).

..........................................................................................................

003

• Tracht het apparaat niet te repareren of onderdelen in het apparaat te vervangen (behalve wanneer daartoe specifieke instructies in de handleiding staan). Ga voor alle onderhoud naar uw handelaar, het dichtstbijzijnde Roland Service

Centrum of een erkende Roland distributeur, die u op de "Informatie" pagina kunt vinden.

..........................................................................................................

004

• Het apparaat mag nooit worden gebruikt of opgeborgen worden op plaatsen die:

• aan extreme temperaturen onderhevig zijn

(bijvoorbeeld direct zonlicht in een afgesloten voertuig, dichtbij een warmtekanaal of bovenop warmte genererende apparatuur of die

• vochtig zijn (bijvoorbeeld badkamers, wasruimtes of natte vloeren hebben of

• aan regen blootstaan of vochtig zijn of

• stoffig zijn of

• aan een hoge mate van vibratie onderhevig zijn.

WAARSCHUWING

006005

• Dit apparaat dient alleen met een door Roland aanbevolen standaard gebruikt worden.

..........................................................................................................

• Als dit apparaat met een door Roland aanbevolen standaard wordt gebruikt, moet de standaard zorgvuldig geplaatst worden zodat deze waterpas staat en stabiel blijft. Als u geen standaard gebruikt, moet de locatie waar u het apparaat wilt plaatsen een waterpas oppervlak hebben en het apparaat ondersteunen, zodat het niet kan wiebelen.

..........................................................................................................

008a

• Het apparaat dient alleen op een stopcontact te worden aangesloten, dat in de instructies of op het apparaat zelf wordt vermeld.

..........................................................................................................

008e

• Gebruik alleen het aan het apparaat bevestigde netsnoer. Ook mag het bijbehorende netsnoer niet met een ander apparaat worden gebruikt.

..........................................................................................................

009

• Buig of draai het netsnoer niet overmatig en plaats er geen zware objecten bovenop. Hierdoor kan het snoer beschadigen, elementen kunnen afbreken en kortsluiting kan ontstaan. Beschadigde snoeren brengen risico’s van brand en schok met zich mee!

..........................................................................................................

010

• Dit apparaat, op zichzelf staand of in combinatie met een versterker en koptelefoon of luidsprekers, kan geluidsniveaus produceren die permanent gehoorsverlies kunnen veroorzaken. Gebruik het apparaat niet gedurende langere tijd op een hoog of oncomfortabel volumeniveau. Indien u last heeft van enig gehoorsverlies of een piep in de oren, moet u het apparaat niet meer gebruiken en een oorarts raadplegen.

..........................................................................................................

4

WAARSCHUWING

012a

• Zorg, dat er geen objecten (bijvoorbeeld brandbaar materiaal, munten of spelden) of vloeistoffen (water, frisdrank, enz.) in het apparaat terechtkomen.

..........................................................................................................

013

• Zet direct de stroom uit, haal het netsnoer uit het stopcontact en breng het apparaat voor onderhoud naar uw handelaar, het dichtstbijzijnde Roland Service Centrum of een erkend

Roland distributeur, te vinden op de "Informatie" pagina, indien:

• De adapter, het netsnoer of de stekker is beschadigd of

• Er rook of een ongewone geur optreedt

• Er objecten of vloeistof in het apparaat terecht zijn gekomen of

• Het apparaat in de regen heeft gestaan (of op andere wijze nat is geworden) of

• Het apparaat niet normaal schijnt te functioneren of een duidelijke verandering in werking laat zien.

..........................................................................................................

013

• In huishoudens met kleine kinderen moet een volwassene toezicht houden, totdat het kind in staat is de regels die essentieel zijn voor een veilige bediening van het apparaat op te volgen.

..........................................................................................................

014

• Bescherm het apparaat tegen zware schokken.

(Laat het niet vallen!)

..........................................................................................................

015

• Steek het netsnoer van dit apparaat niet in een stopcontact waar een buitensporig aantal andere apparaten gebruik van maakt. Wees in het bijzonder voorzichtig bij het gebruik van verlengsnoeren – de totale hoeveelheid stroom die door alle aangesloten apparaten wordt gebruikt, mag nooit de stroom classificatie (watts/ampères) van het verlengsnoer overschrijden. Door overmatige ladingen kan de isolatie van het snoer verhit raken, en uiteindelijk smelten.

..........................................................................................................

016

• Voordat u dit apparaat in het buitenland gaat gebruiken, neemt u contact op met uw verkoper, het dichtstbijzijnde Roland Service Centrum of een erkend Roland distributeur. Deze zijn te vinden op de ‘Informatie’ pagina.

..........................................................................................................

022a

• Zet het apparaat uit en haal het netsnoer los, voordat de uitbreidingskaart wordt geïnstalleerd

(ARX serie p.304, DIMM p.308).

..........................................................................................................

023

• SPEEL GEEN CD-ROM disk op een conventionele

CD speler af. Het resulterende geluid kan een dermate hoog niveau hebben, dat dit tot gehoorsverlies kan leiden.

Ook kan hierdoor schade aan luidsprekers of andere systeem componenten ontstaan.

WAARSCHUWING

012a

• Plaats geen objecten met vloeistof (zoals bloemenvazen) op het apparaat. Vermijd tevens het gebruik van insecticiden, parfums, alcohol, nagellak, spuitbussen enz. in de buurt van het apparaat. Gemorste vloeistof dient direct met een droge, zachte doek weggeveegd te worden.

..........................................................................................................

VOORZICHTIG

118a

• Het apparaat en de adapter dienen zo geplaatst te worden dat hun locatie of positie de benodigde ventilatie niet belemmert.

..........................................................................................................

101c

• Dit apparaat mag alleen gebruikt worden met de

Roland standaard KS-18Z (Fantom-G6/G7/G8),

KS-G8 (Fantom-G8). Wanneer andere standaards worden gebruikt, kan instabiliteit optreden, en kunnen verwondingen veroorzaakt worden.

..........................................................................................................

102b

• Als u de stekker van de adapter in het apparaat of een stopcontact steekt of eruit haalt, houdt u deze of de behuizing van de adapter vast.

..........................................................................................................

103a

• U dient de adapter met enige regelmaat uit het stopcontact te halen en deze schoon te maken met een droge doek om stof en andere opeenhopingen tussen de vorken van de stekker uit te halen. Ook haalt u de stekker uit het stopcontact wanneer het apparaat gedurende langere tijd niet gebruikt zal worden. Ophoping van stof tussen de twee stekkers kan slechte isolatie veroorzaken, dat tot brand kan leiden.

..........................................................................................................

104

• Probeer het in de war raken van snoeren te voorkomen. Tevens dienen alle snoeren buiten het bereik van kinderen te blijven. .

..........................................................................................................

106

• Ga nooit op het apparaat zitten of staan en plaats er geen zware objecten op.

..........................................................................................................

107b

• Raak de behuizing van de adapter of zijn stekkers nooit met natte handen aan, als u deze in dit apparaat of een stopcontact steekt of eruit haalt.

..........................................................................................................

108d

• Als u de Fantom-G8 moet verplaatsen, leest u de voorzorgsmaatregelen hieronder. Er zijn minimaal twee personen nodig om het apparaat op een veilige manier op te tillen en te verplaatsen. Het dient voorzichtig behandeld te worden, en ten alle tijden waterpas gehouden te worden. Zorg, dat u het stevig vast heeft, om uzelf tegen verwondingen te beschermen, en te voorkomen dat het apparaat beschadigt.

• Haal het netsnoer los.

• Haal alle snoeren van externe apparaten los.

..........................................................................................................

109a

• Voordat u het apparaat schoonmaakt, zet u de stroom uit en haalt u de adapter uit het stopcontact (p.25).

5

VOORZICHTIG

118a110a

• Wanneer u onweer in de omgeving verwacht, haalt u de adapter uit het stopcontact.

..........................................................................................................

115a

• Installeer alleen de gespecificeerde uitbreidingskaart(en) (ARX serie, DIMM). Verwijder alleen de gespecificeerde schroeven (p.304, p.308).

..........................................................................................................

• Indien u de schroeven van het onderpaneel van het apparaat verwijderen (p.304, p.308), bewaart u deze op een veilige plaats buiten het bereik van kinderen, zodat er geen kans bestaat dat zij deze per ongeluk inslikken.

..........................................................................................................

120

• Zet altijd de fantoomvoeding uit wanneer een ander apparaat dan een condensator microfoon, waarvoor fantoomvoeding is vereist, wordt aangesloten. U riskeert beschadigingen als u per ongeluk fantoomvoeding op dynamische microfoons, afspeel apparaten of andere apparaten, die dit soort voeding niet gebruiken, toepast.

Controleer de specificaties van de microfoon die u wilt gebruiken in de bijbehorende handleiding.

(De fantoomvoeding van dit instrument: 48V DC, 10mA

Max)

..........................................................................................................

6

BELANGRIJKE OPMERKINGEN

Stroomvoorziening:

• Sluit dit apparaat niet op hetzelfde stopcontact aan, dat door een elektrisch apparaat wordt gebruikt waar een omvormer bij te pas komt (zoals een koelkast, wasmachine, magnetronoven of airconditioner) of dat een motor bevat. Afhankelijk van de manier waarop het apparaat wordt gebruikt, kan de ruis van de stroomvoorziening veroorzaken dat dit apparaat storingen gaat vertonen of hoorbare ruis produceert. Wanneer het niet mogelijk is om een apart stopcontact te gebruiken, plaatst u een stroomvoorziening ruisfilter tussen dit apparaat en het stopcontact.

• Voordat dit apparaat op andere apparaten wordt aangesloten zet u de stroom van alle apparaten uit. Dit voorkomt storingen en/of beschadigingen aan luidsprekers of andere apparaten.

• Hoewel LCD en LED’s uit gaan als de POWER schakelaar wordt uitgezet, betekent dit niet dat het apparaat volledig los van de stroombron is. Om de stroom volledig uit te zetten, zet u de POWER schakelaar eerst op ‘Off’, en haalt u de stekker uit het stopcontact. Dit is de reden waarom u een stopcontact moet kiezen dat binnen handbereik is.

Plaatsing

• Wanneer het apparaat in de buurt van krachtversterkers

(of andere apparatuur welke grote stroom transformators bevat) wordt gebruikt, kan ruis worden opgewekt. Om dit probleem op te lossen, verandert u de richting van dit apparaat of plaatst u het verder weg van de storingsbron.

• Dit apparaat kan storing in radio en televisieontvangst veroorzaken. Gebruik dit apparaat niet in de nabijheid van dit soort ontvangers.

• Ruis kan veroorzaakt worden wanneer draadloze communicatieapparaten zoals mobiele telefoons in de buurt van dit apparaat worden gebruikt. Dit soort ruis kan optreden bij het ontvangen of starten van een gesprek of tijdens de conversatie. Als u dit soort problemen ondervindt, dient u deze draadloze apparaten op meer afstand van dit apparaat te plaatsen of uit te zetten.

• Stel het apparaat niet aan direct zonlicht bloot, plaats het niet in de buurt van warmte genererende apparaten, laat het niet in een afgesloten voertuig achter, en stel het niet aan temperatuur extremen bloot.

Door overmatige hitte kan het apparaat vervormen of verkleuren.

• Als het apparaat naar een locatie met een zeer afwijkende temperatuur en/of vochtigheid wordt verplaatst, kunnen er waterdruppels (condensatie) binnen in het apparaat worden gevormd. Wanneer u het apparaat in deze staat gaat gebruiken, kunnen schade en storingen ontstaan.

Daarom moet u het apparaat, voordat u het in gebruik neemt, enige uren laten staan totdat de condensatie volledig is verdampt.

• Laat geen objecten boven op het apparaat staan.

Dit kan de oorzaak van storingen zijn, zoals toetsen die geen geluid meer produceren.

• Afhankelijk van het materiaal en de temperatuur van het oppervlak waar het apparaat geplaatst is, kunnen de rubber voetjes het oppervlak doen verkleuren of ontsieren.

Om dit te voorkomen, kunt u een stukje vilt of stof onder de rubber voetjes leggen. Zorg in dat geval, dat het apparaat niet per ongeluk glijdt of verplaatst kan worden.

Onderhoud

• Voor het dagelijks schoonhouden, veegt u het apparaat met een zachte, droge of een licht vochtige doek schoon.

Om hardnekkig vuil te verwijderen, gebruikt u een doek met een kleine hoeveelheid mild, niet schurend schoonmaakmiddel. Neem het apparaat daarna met een zachte, droge doek af.

• Gebruik nooit benzine, verdunners, alcohol of oplosmiddelen om verkleuring en/of vervorming van het apparaat te voorkomen.

Reparaties en data

• Wees ervan bewust, dat alle data in het geheugen van het apparaat verloren kan gaan wanneer het apparaat ter reparatie wordt aangeboden. Een reservekopie van belangrijke data dient altijd in een USB geheugen opgeslagen te worden of op papier genoteerd te worden (indien mogelijk). Tijdens de reparatie proberen wij dataverlies ten alle tijden te voorkomen. In bepaalde gevallen (als het aan het geheugen zelf gerelateerde circuit niet werkt) spijt het ons dat de data niet hersteld kan worden, en Roland is niet aansprakelijk voor dit soort verlies van data.

Aanvullende voorzorgsmaatregelen

• De inhoud van het geheugen kan onherstelbaar verloren gaan door een storing of door onjuist gebruik van het apparaat. Om het verlies van belangrijke data te voorkomen, adviseren wij u een reservekopie van belangrijke data die u in het geheugen van het apparaat heeft opgeslagen te maken, en in een USB geheugen op te slaan.

• Helaas kan het onmogelijk zijn om de inhoud van data die in een ander MIDI apparaat (bijv. een sequencer) werd opgeslagen te herstellen, nadat deze verloren is gegaan.

Roland Corporation is niet aansprakelijk voor dit soort dataverlies.

• Bedien de knoppen, schuifregelaars of andere regelaars, en de jacks en aansluitingen met zorg. Ruwe behandeling kan tot storingen leiden.

• Sla nooit op het beeldscherm en druk er niet hard op.

• Tijdens normale werking kan een lichte ruis van af het beeldscherm hoorbaar zijn.

• Bij het aansluiten/ontkoppelen van alle kabels, houdt u de stekker zelf vast. Trek nooit aan de kabel zelf. Op deze manier vermijdt u kortsluiting of beschadigingen aan de interne elementen van de kabel.

• Tijdens normale werking geeft het apparaat een geringe hoeveelheid warmte af.

7

BELANGRIJKE OPMERKINGEN

• Om te vermijden dat u uw buren stoort, probeert u het volume van dit apparaat op een redelijk niveau te houden.

U kunt ervoor kiezen een koptelefoon te gebruiken, zodat u zich geen zorgen om de personen in uw naaste omgeving hoeft te maken (‘s nachts in het bijzonder.)

• Wanneer u het apparaat moet transporteren, verpakt u het zo mogelijk in de originele doos (inclusief schokabsorberend materiaal). Anders zult u soortgelijk verpakkingsmateriaal moeten gebruiken.

• Gebruik alleen het gespecificeerde expressie pedaal (EV-5, apart verkrijgbaar). Door andere expressie pedalen aan te sluiten kunnen storingen ontstaan, en kan het apparaat beschadigen.

• Sommige aansluitkabels bevatten weerstanden. Gebruik voor het aansluiten van dit apparaat geen kabels, die weerstanden hebben. Bij gebruik van dit soort kabels kan het geluidsniveau extreem laag of zelfs niet hoorbaar zijn.

Informatie over kabelspecificaties kunt u bij de fabrikant van de kabel verkrijgen.

• De gevoeligheid van de D Beam controller verandert, afhankelijk van de hoeveelheid licht in de omgeving van het apparaat. Indien dit niet naar verwachting functioneert, stelt u de gevoeligheid bij, volgens de helderheid van de locatie (p.287).

• Als u een extern apparaat dat op de DIGITAL AUDIO IN jack is aangesloten uitzet of de kabel ontkoppelt, kan een ruis in de invoer via DIGITAL AUDIO IN hoorbaar zijn.

Als dit gebeurt, sluit u het externe apparaat opnieuw aan of zet u de [MIX IN] schakelaar van de Fantom-G uit.

Voordat kaarten worden gebruikt

USB geheugen gebruiken

704

• Steek het USB geheugen voorzichtig helemaal in het apparaat, totdat het stevig op zijn plaats zit.

• Raak de polen van het USB geheugen nooit aan. Vermijdt ook dat deze vies worden.

• USB geheugens zijn met gebruik van precisie componenten gefabriceerd. Behandel de kaarten voorzichtig, en let vooral op het volgende:

• Om beschadigingen aan kaarten door statische elektriciteit te voorkomen, moet alle mogelijke statische elektriciteit van uw eigen lichaam ontladen worden, voordat u de kaarten gaat gebruiken.

• Het contact gedeelte van de kaarten mag nooit met metaal in aanraking komen.

• De kaarten niet buigen of laten vallen, en stel deze niet aan sterke trillingen of vibraties bloot.

• Bewaar kaarten niet in direct zonlicht, in afgesloten voertuigen of soortgelijke locaties (opslag temperatuur:

-25 tot 85 graden C).

• Laat de kaarten niet nat worden.

• Probeer de kaarten niet uit elkaar te halen of te wijzigen.

8

Behandeling van CD-ROM’s

• Raak de glanzende onderkant van de disk (het gecodeerde oppervlak) niet aan, en zorg dat het niet bekrast raakt.

Beschadigde of vieze CD-ROM disks kunnen mogelijk niet juist gelezen worden. Houd de disks met een in de winkel verkrijgbare CD reiniger schoon.

Auteursrecht

• Het opnemen, dupliceren, distribueren, verkopen, leasen, uitvoeren of uitzenden van auteursrechtelijk materiaal

(muzikale werken, visuele werken, uitzendingen, live uitvoeringen, enz.) dat geheel of gedeeltelijk aan een derde partij behoort, zonder toestemming van de houder van het auteursrecht, is bij de wet verboden.

• Dit product kan gebruikt worden voor het opnemen of dupliceren van geluid of visueel materiaal zonder beperkingen opgelegd door bepaalde technologische kopieerbeveiliging maatregelen. Dit komt door het feit dat dit product bedoeld is voor het produceren van originele muziek of video materiaal, en daarom zo ontworpen is dat materiaal, dat geen inbreuk maakt op de auteursrechten van anderen (bijvoorbeeld uw eigen originele werken), vrijelijk opgenomen of gedupliceerd kan worden.

• Gebruik dit apparaat niet voor doeleinden, die inbreuk kunnen maken op auteursrechten van derden. We nemen geen enkele verantwoordelijkheid met betrekking tot inbreuk op auteursrechten, die door het gebruik van dit apparaat kan ontstaan.

add

* MMP (Moore Microprocessor Portfolio) verwijst naar een patentenportfolio i.v.m. de architectur van microprocessors, die ontwikkeld werd door Technology Properties

Limited (TPL). Roland heeft een licentie van de TPL-groep voor deze technologie.

* MatrixQuest™ 2008 TEPCO UQUEST,

LTD. Alle rechten voorbehouden.

* De UDSB functie van de Fantom-G gebruikt MatrixQuest Middleware technologie van TEPCO UQUEST, LTD.

* Harpsichord Samples met dank aan het Hamamatsu museum van muziekinstrumenten.

* Microsoft en Windows zijn geregistreerde handelsmerken van Microsoft Corporation.

* Windows® staat officieel bekend als ‘Microsoft®

Windows® besturingssysteem.

* Apple en Macintosh zijn geregistreerde handelsmerken van Apple Inc.

* Mac OS is een handelsmerk van Apple Inc.

Inhoud

HET APPARAAT OP EEN VEILIGE MANIER GEBRUIKEN ..................................... 4

BELANGRIJKE OPMERKINGEN ............................................................................... 7

Inhoud .........................................................................................................................9

01: introductie (Overzicht en basisbediening) ......... 19

Hoofdkenmerken...................................................................................................... 20

Paneelbeschrijvingen .............................................................................................. 22

Voorpaneel............................................................................................................................................................................. 22

Achterpaneel ......................................................................................................................................................................... 24

Aansluitingen maken ............................................................................................... 25

Een versterker en luidspreker systeem aansluiten .......................................................................................................... 25

Een USB muis aansluiten (apart verkrijgbaar) ................................................................................................................. 26

De Fantom-G op een standaard plaatsen.......................................................................................................................... 27

De stroom aanzetten................................................................................................ 28

De stroom uitzetten .............................................................................................................................................................. 28

De demosongs beluisteren ..................................................................................... 29

De song automatisch laden bij opstarten (als een projekt geladen wordt).................................................... 29

Verscheidene uitvoeringsopties............................................................................. 30

Velocity/Aftertouch............................................................................................................................................... 30

Pitch Bend/modulatie hendel .............................................................................................................................. 30

Octave Shift (OCT) ................................................................................................................................................. 30

Transpose................................................................................................................................................................. 30

Hold pedaal ............................................................................................................................................................. 31

Control pedaal ........................................................................................................................................................ 31

Overzicht van de Fantom-G .................................................................................... 32

Hoe de Fantom-G is gestructureerd .................................................................................................................................. 32

Basis structuur ........................................................................................................................................................ 32

Verschillende geluidseenheden............................................................................................................................ 32

Single / Live / Studio modes ............................................................................................................................... 33

Over polyfonie ........................................................................................................................................................ 34

Over het geheugen ............................................................................................................................................................... 35

Over de interne effecten....................................................................................................................................................... 36

Effect types .............................................................................................................................................................. 36

Over de sequencer ................................................................................................................................................................ 36

Geluid en MIDI ....................................................................................................................................................... 36

Wat is een song? ..................................................................................................................................................... 36

Wat is een Track?.................................................................................................................................................... 37

Songs en de status van de geluidsgenerator ...................................................................................................... 37

SMF (Standard MIDI File .MID)........................................................................................................................... 37

Over de sampling sectie....................................................................................................................................................... 38

Basisbediening van de Fantom-G .......................................................................... 39

Veranderen van geluidsgenerator mode........................................................................................................................... 39

Hoe de functie knoppen werken ........................................................................................................................................ 40

De cursor verplaatsen .......................................................................................................................................................... 40

Een waarde bewerken.......................................................................................................................................................... 41

Een naam toewijzen.............................................................................................................................................................. 42

Basis Pad handelingen ......................................................................................................................................................... 43

De Pad mode veranderen...................................................................................................................................... 43

De Pad instellingen bekijken ................................................................................................................................ 43

De Pads als numerieke toetsen gebruiken .......................................................................................................... 43

Shortcut Menu....................................................................................................................................................................... 44

9

Inhoud

02: Geluidsgenerator, Sectie 1 (Geluiden spelen) .... 45

Spelen in de Single Mode........................................................................................ 46

Over het Single Play scherm ............................................................................................................................................... 46

Het Single Play scherm weergeven ..................................................................................................................... 46

Een Patch selecteren ............................................................................................................................................................. 47

Patches op categorie selecteren (Patch Finder) .................................................................................................. 48

Patches uit de lijst selecteren................................................................................................................................. 49

Patches beluisteren (Phrase Preview).................................................................................................................. 49

De Tones die zullen klinken selecteren ............................................................................................................................. 50

Individuele noten spelen (Monofoon) ............................................................................................................................... 50

Part instellingen (Part View)............................................................................................................................................... 51

De parameter die door de Realtime Controllers of D Beam controller wordt bestuurd selecteren (Control Setting) .51

Percussie instrumenten spelen (Rhythm Set) ................................................................................................................... 52

Een ritme set selecteren ......................................................................................................................................... 52

Een Sample Set spelen.......................................................................................................................................................... 53

Een Sample set selecteren...................................................................................................................................... 53

Een lijst met veelgebruikte geluiden creëren (Favorite) ...................................... 54

Een geluid registreren (Regist) ............................................................................................................................. 54

Een geluid oproepen .............................................................................................................................................. 55

Het volume van elke stap specificeren (Favorite Level)................................................................................... 55

De stap waarin u een geluid heeft geregistreerd veranderen.......................................................................... 55

Een geregistreerd geluid verwijderen (Remove) ............................................................................................... 55

Alle geluidsregistraties uit een bank verwijderen (Remove Bank)................................................................. 55

Een song registreren (Set Song)............................................................................................................................ 56

Een tekstbestand importeren (Import Text) ....................................................................................................... 56

Een tekstbestand verwijderen (Remove Text).................................................................................................... 57

Het lettertype dat wordt weergegeven veranderen (Font) .............................................................................. 57

Spelen in de Live Mode ........................................................................................... 58

Het Live Play (Layer/Split) scherm weergeven .............................................................................................................. 58

Functies in het Live Play (Layer/Split) scherm ............................................................................................................... 59

Een Live Set selecteren......................................................................................................................................................... 60

Live sets uit de lijst selecteren............................................................................................................................... 60

Het Live Play (Layer/Split) scherm gebruiken................................................................................................................ 60

Een Part selecteren ................................................................................................................................................. 60

Het Part dat u wilt horen selecteren (Keyboard Switch) .................................................................................. 61

Het Part dat door de Pads wordt gespeeld selecteren ...................................................................................... 61

Het geluid voor een Part selecteren ..................................................................................................................... 61

Geluiden combineren en samen spelen (Layer)................................................................................................. 62

Verschillende geluiden in verschillende gebieden van het toetsenbord spelen (Split) ............................... 62

Het Live Set Part Mixer scherm gebruiken....................................................................................................................... 63

De Part instellingen bewerken.............................................................................................................................. 63

Het Layer Edit scherm gebruiken ...................................................................................................................................... 64

Het geluid van een Part selecteren....................................................................................................................... 64

De Part instellingen bewerken.............................................................................................................................. 64

Uitvoeren met de Arpeggio ................................................................................................................................................ 65

Uitvoeren met de Realtime Controllers en D Beam Controller ..................................................................................... 65

Effecten instellen................................................................................................................................................................... 65

Het Master niveau aanpassen............................................................................................................................................. 65

Gedetailleerde instellingen voor een Live Set maken ..................................................................................................... 65

Spelen in de Studio Mode ....................................................................................... 66

Het Studio Play scherm weergeven ................................................................................................................................... 66

Functies in het Studio Play scherm .................................................................................................................................... 67

De weergegeven Part groep veranderen............................................................................................................. 67

Een Studio Set selecteren ..................................................................................................................................................... 67

Studio sets uit de lijst selecteren........................................................................................................................... 68

Het Studio Play scherm gebruiken .................................................................................................................................... 68

Selecting a Part........................................................................................................................................................ 68

Het geluid voor een Part selecteren ..................................................................................................................... 68

Het Part dat u wilt laten klinken selecteren (Keyboard Switch) ..................................................................... 69

De Part instellingen bewerken.............................................................................................................................. 69

Uitvoeren met de Arpeggio ................................................................................................................................................ 70

Uitvoeren met de Realtime Controllers en D Beam Controller ..................................................................................... 70

Effecten instellen................................................................................................................................................................... 70

Het Master niveau aanpassen............................................................................................................................................. 70

Gedetailleerde instellingen voor een Studio Set maken ................................................................................................. 70

10

Inhoud

03: Geluidsgenerator, Sectie 1 (geluiden besturen) . 71

Het geluid in Realtime wijzigen .............................................................................. 72

Uw hand over de D Beam bewegen om het geluid te wijzigen (D Beam Controller)................................................ 72

Instellingen voor de D Beam controller maken ................................................................................................. 73

Knoppen, schuifregelaars of S1/S2 knoppen gebruiken om het geluid te wijzigen (Realtime Controller)............ 75

Realtime Controller instellingen veranderen ..................................................................................................... 76

Een pedaal gebruiken om het geluid te wijzigen (Control Pedal) ................................................................................ 77

Control Pedal instellingen maken........................................................................................................................ 77

Arpeggio’s spelen .................................................................................................... 78

Over Arpeggio ...................................................................................................................................................................... 78

Arpeggio’s spelen ................................................................................................................................................................. 78

Arpeggio aan en uitzetten ..................................................................................................................................... 78

Het tempo voor Arpeggio uitvoeringen bepalen .............................................................................................. 78

Een Arpeggio laten doorklinken .......................................................................................................................... 78

Arpeggio instellingen........................................................................................................................................................... 78

Het door u gecreëerde arpeggio opslaan (Write)............................................................................................................. 79

De Chord Memory functie gebruiken (Chord Memory) ........................................ 80

Over de Chord Memory functie ......................................................................................................................................... 80

Spelen met de Chord Memory functie .............................................................................................................................. 80

De Chord Memory functie aan en uitzetten ....................................................................................................... 80

Akkoordvormen selecteren................................................................................................................................... 80

Een akkoord laten spelen in de volgorde van de samenstellende noten (Rolled Chord)............................ 81

Uw eigen akkoordvormen creëren .................................................................................................................................... 81

De door u gecreëerde akkoordvormen opslaan............................................................................................................... 82

04: Geluidsgenerator, sectie 3 (geluiden creëren) ... 83

Een Patch creëren.................................................................................................... 84

Hoe Patch instellingen gemaakt worden .......................................................................................................................... 84

Een Patch snel bewerken (PatchZoom Edit)....................................................................................................... 84

Alle parameters van een Patch bewerken (Patch Pro Edit).............................................................................. 86

Patch/Tone instellingen initialiseren (Patch Initialize/Tone Initialize) ........................................................ 87

Patch (Tone) instellingen kopiëren (Patch Tone Copy) .................................................................................... 87

Waarschuwing bij selectie van een golfvorm..................................................................................................... 88

Door u gecreëerde Patches opslaan (Write)...................................................................................................................... 88

De opslagbestemming Patch beluisteren (Compare) ........................................................................................ 89

Functies van de Patch parameters...................................................................................................................................... 89

Instellingen gemeenschappelijk voor de gehele Patch (General).................................................................... 89

Golfvormen wijzigen (Wave)................................................................................................................................ 91

De manier waarop een Tone klinkt veranderen (TMT).................................................................................... 92

De toonhoogte wijzigen (Pitch/Pitch Env)......................................................................................................... 96

De helderheid van een geluid met een filter wijzigen (TVF/TVF Env) ......................................................... 98

Het volume aanpassen (TVA/TVA Env).......................................................................................................... 100

Output .................................................................................................................................................................... 102

Modulerende geluiden (LFO1/2Step LFO)...................................................................................................... 102

Portamento of Legato op het geluid toepassen (Solo/Porta)......................................................................... 105

Diverse instellingen (Misc).................................................................................................................................. 107

Matrix Control instellingen (Control 1-4) ......................................................................................................... 109

Effecten voor een Patch instellen (PFX) ............................................................................................................ 111

Een ritmeset creëren ............................................................................................. 112

Hoe ritmeset instellingen worden gemaakt.................................................................................................................... 112

Een ritmeset snel bewerken (Patch Zoom Edit) ............................................................................................... 112

Alle parameters bewerken (Patch Pro Edit) ..................................................................................................... 114

Ritmeset / Toetsinstellingen initialiseren (Rhythm Set Initialize/Rhythm Key Initialize)....................... 115

Rhythm Tone instellingen kopiëren (Rhythm Tone Copy)............................................................................ 115

Waarschuwing bij selectie van een golfvorm................................................................................................... 116

Door u gecreëerde ritmesets opslaan (Write) ................................................................................................................. 116

De ritmeset die als opslagbestemming fungeert beluisteren (Compare) ..................................................... 117

Functies van de ritmeset parameters ............................................................................................................................... 117

Instellingen gemeenschappelijk voor de gehele ritmeset (General) ............................................................. 117

Golfvormen wijzigen (Wave).............................................................................................................................. 119

De manier waarop een Rhythm Tone klinkt veranderen (WMT) ................................................................. 120

De toonhoogte wijzigen (Pitch/Pitch Env)....................................................................................................... 121

De helderheid van een geluid met een filter wijzigen (TVF/TVF Env) ....................................................... 122

11

Inhoud

12

Het volume aanpassen (TVA/TVA Env).......................................................................................................... 124

Uitvoer instellingen (Output) ............................................................................................................................. 125

Effecten voor een ritmeset instellen (PFX)........................................................................................................ 125

Een Sample Set creëren ........................................................................................ 126

Hoe Sample set instellingen worden gemaakt ............................................................................................................... 126

Een Sample set snel bewerken (Patch Zoom Edit) .......................................................................................... 126

Alle parameters bewerken (Patch Pro Edit) ..................................................................................................... 127

Sample Set instellingen initialiseren (Sample Set Initialize) ......................................................................... 127

Door u gecreëerde Sample sets opslaan (Write) ............................................................................................................ 128

Functies van Sample Set parameters ............................................................................................................................... 129

Instellingen gemeenschappelijk voor de gehele Sample set (General)......................................................... 129

Golfvormen wijzigen (Wave).............................................................................................................................. 130

De toonhoogte wijzigen (Pitch) .......................................................................................................................... 130

Het volume aanpassen (Amp)............................................................................................................................ 131

Uitvoer instellingen (Output) ............................................................................................................................. 131

Effecten voor een Sample set instellen (PFX) ................................................................................................... 131

Een Live/Studio Set creëren ................................................................................. 132

Algemene instellingen (Utility) ........................................................................................................................................ 132

NAME .................................................................................................................................................................... 132

Part Info ................................................................................................................................................................. 132

Part Settings (Part View).................................................................................................................................................... 133

Level/Pan (Als de Part Group Internal/EXP1/EXP2 is) ............................................................................... 134

Level/Pan (Als de Part Group External is)....................................................................................................... 135

Key Range (Toonhoogte bereik)......................................................................................................................... 135

Output/EFX .......................................................................................................................................................... 136

Pitch ........................................................................................................................................................................ 137

Scale Tune (deel stemming) ................................................................................................................................ 138

Vibrato.................................................................................................................................................................... 139

Offset ...................................................................................................................................................................... 139

Mono/Poly/Legato.............................................................................................................................................. 140

Voice Reserve ........................................................................................................................................................ 141

MIDI Rx Filter ....................................................................................................................................................... 141

De parameter selecteren die door de Realtime Controllers of D Beam controller wordt bestuurd

(Control Setting).................................................................................................................................................................. 142

D Beam ................................................................................................................................................................... 143

Knob ....................................................................................................................................................................... 145

Slider....................................................................................................................................................................... 145

Switch S1/S2 ......................................................................................................................................................... 146

Arpeggio ................................................................................................................................................................ 146

Chord Memory ..................................................................................................................................................... 146

Dynamic Pad ......................................................................................................................................................... 146

Ctrl Switch ............................................................................................................................................................. 147

De instellingen van de Patch die aan een Part is toegewezen veranderen ................................................................ 147

Live/Studio Set instellingen initialiseren (Init).............................................................................................................. 148

Een door u gecreëerde Live/Studio Set opslaan (Write) .............................................................................................. 148

Effecten toevoegen ................................................................................................ 150

Waar effectinstellingen worden opgeslagen .................................................................................................................. 150

Effecten aan en uitzetten.................................................................................................................................................... 150

Effectinstellingen maken ................................................................................................................................................... 151

Effecten toepassen in Single Mode................................................................................................................................... 151

Effecten toepassen in Live Mode...................................................................................................................................... 151

Specificeren hoe een geluid wordt uitgevoerd (Routing) .............................................................................. 151

Signaalstroom diagram en parameters ............................................................................................................. 152

Effecten toepassen in de Studio Mode............................................................................................................................. 154

Specificeren hoe het geluid wordt uitgevoerd (Routing) ............................................................................... 154

Signaalstroom diagram en parameters ............................................................................................................. 154

Patch Multi-Effect instellingen maken (PFX) ................................................................................................................. 157

Multi-effect instellingen maken (MFX1-2) ...................................................................................................................... 158

Chorus instellingen maken (Chorus)............................................................................................................................... 159

Reverb instellingen maken (Reverb)................................................................................................................................ 159

Mastering Effect .................................................................................................................................................................. 160

Effectenlijst............................................................................................................. 161

MFX/PFX Parameter ......................................................................................................................................................... 161

Chorus Parameters ............................................................................................................................................................. 184

Reverb parameters.............................................................................................................................................................. 185

Input Effect Parameters ..................................................................................................................................................... 186

Inhoud

05: Pads (de Pads gebruiken) .............................. 187

De Pads gebruiken................................................................................................. 188

Algemene handelingen voor Pads ................................................................................................................................... 188

De Pad Mode veranderen (PAD MODE).......................................................................................................... 188

De Pads als numerieke toetsen gebruiken (NUMERIC)................................................................................. 188

De Hold functie gebruiken om geluiden door te laten klinken (HOLD) ..................................................... 188

De Roll functie gebruiken (ROLL) ..................................................................................................................... 189

Banken veranderen (BANK) ............................................................................................................................... 189

De Pad instellingen bewerken (PAD SETTING).............................................................................................. 190

Pad uitwisselen (Pad Exchange) ........................................................................................................................ 190

1 SAMPLE PAD (de Pads gebruiken om Samples te spelen) ...................................................................................... 191

Over Samples ........................................................................................................................................................ 191

De Pad instellingen bewerken ............................................................................................................................ 191

2 RHYTHM (De Pads gebruiken om een ritmeset te spelen)....................................................................................... 192

De Pad instellingen bewerken ............................................................................................................................ 192

3 CHORD MEMORY (De Pads gebruiken om akkoordvormen te veranderen)....................................................... 193

De Pad instellingen bewerken ............................................................................................................................ 193

4 ARPEGGIO (De Pads gebruiken om van arpeggiostijl te veranderen) ................................................................... 193

De Pad instellingen bewerken ............................................................................................................................ 193

5 RPS (De Pads gebruiken om frases te spelen) ............................................................................................................. 194

Het tempo voor het afspelen van frases specificeren...................................................................................... 194

De Pad instellingen bewerken ............................................................................................................................ 194

6 RHTYHM PTN (De Pads gebruiken om ritmepatronen te spelen).......................................................................... 196

Het tempo voor het afspelen van ritmepatronen specificeren ...................................................................... 196

De Pad instellingen bewerken ............................................................................................................................ 196

7 TONE SEL/SW (De Pads gebruiken om Tones te selecteren of deze aan/uit te zetten)...................................... 197

De Pad status controleren ................................................................................................................................... 197

8 TRACK MUTE (De Pads gebruiken om tracks tijdelijk stil te maken) .................................................................... 197

De Pad status controleren ................................................................................................................................... 197

9 BOOKMARK (De Pads gebruiken om veelgebruikte schermen op te roepen)...................................................... 198

Een scherm registreren ........................................................................................................................................ 198

Een scherm oproepen........................................................................................................................................... 198

10 MIDI TX SW (De Pads gebruiken om externe MIDI zendkanalen (1-16) aan/uit te zetten).............................. 198

De Pad status controleren ................................................................................................................................... 198

11 EFFECT SW (De Pads gebruiken om effecten aan of uit te zetten) ........................................................................ 199

De Pad status controleren ................................................................................................................................... 199

12 PATCH MFX SW (De Pads gebruiken om Patch Multi-effecten aan of uit te zetten)......................................... 199

De Pad status controleren ................................................................................................................................... 199

13 Part SELECT (De Pads gebruiken om Parts te selecteren) ...................................................................................... 200

De Pad status controleren ................................................................................................................................... 200

14 Part MUTE (De Pads gebruiken om Parts tijdelijk stil te maken) (Mute) ............................................................. 200

De Pad status controleren ................................................................................................................................... 200

15 USER GROUP (de Pads gebruiken om User groepen te registreren/op te roepen) ........................................... 201

Een User groep geluid oproepen ....................................................................................................................... 201

Een geluid in een User groep registreren ......................................................................................................... 201

16 FAVORITE (De Pads gebruiken om favoriete instellingen te registreren/op te roepen)................................... 202

Een favoriet geluid oproepen (setting).............................................................................................................. 202

Een geluid in een User groep registreren ......................................................................................................... 202

13

Inhoud

06: Sequencer (een song creëren)......................... 203

Een song afspelen ................................................................................................. 204

Drie manieren om af te spelen............................................................................................................................ 204

Een song afspelen (Song Play) .......................................................................................................................................... 204

Een song laden (Song List).................................................................................................................................. 204

Een song afspelen (Song Play)............................................................................................................................ 205

Handelingen in het Song Play scherm .............................................................................................................. 205

Vooruitspoelen of terugspoelen tijdens het afspelen ...................................................................................... 206

Het afspelen van een track tijdelijk stil maken (MUTE) ................................................................................. 206

Toegang tot het Mixer scherm ............................................................................................................................ 207

Het afspeeltempo van de song veranderen ...................................................................................................... 207

Een song herhaaldelijk afspelen (Loop) ............................................................................................................ 208

Markeringen in een song plaatsen (Marker) .................................................................................................... 208

De Track Display Zoom en Display Order veranderen (Zoom/Track Order) ........................................... 209

Een track een naam geven (Track Name) ......................................................................................................... 210

De uitvoerbestemming van een track specificeren (Output Assign)............................................................ 210

Een song bestand verwijderen (Song Delete)................................................................................................... 210

Een song automatisch laden bij opstarten (Wanneer een project wordt geladen) ..................................... 210

De op dat moment geopende song wissen (Song Clear) ................................................................................ 211

Een standaard MIDI bestand afspelen (SMF)................................................................................................................. 212

Een standaard MIDI bestand (SMF) van de computer naar de Fantom-G kopiëren ................................. 212

Een standaard MIDI (SMF) bestand spelen (SMF List) .................................................................................. 212

Een SMF in een frase importeren (Import Phrase) .......................................................................................... 213

Een SMF in een song importeren (Import Song) ............................................................................................. 213

Frases spelen (MIDI Phrase) ............................................................................................................................................. 214

Een frase beluisteren (MIDI Phrase List) .......................................................................................................... 214

Een frase laden (Load) ......................................................................................................................................... 214

Een frase uit het project verwijderen (Delete Phrase) ..................................................................................... 215

Een frase dupliceren (Duplicate)........................................................................................................................ 215

Een frase opslaan (Save) ...................................................................................................................................... 216

Alle frases opslaan (Save All) ............................................................................................................................. 216

MIDI opnemen ........................................................................................................ 217

Frases en songs ..................................................................................................................................................... 217

Twee opname methodes...................................................................................................................................... 217

In een song opnemen ......................................................................................................................................................... 218

Een geluid voor de opname selecteren.............................................................................................................. 218

De song / frases uit het tijdelijke gebied wissen (Song Clear) ...................................................................... 218

De maatsoort specificeren (Beat Track)............................................................................................................. 219

Het tempo specificeren ........................................................................................................................................ 219

Een MIDI track en de Recording-Start maat selecteren .................................................................................. 219

In een frase opnemen ......................................................................................................................................................... 220

Een geluid voor de opname selecteren.............................................................................................................. 220

Het tempo specificeren ........................................................................................................................................ 220

De op te nemen frase selecteren ......................................................................................................................... 221

De uitvoering opnemen, precies zoals deze gespeeld wordt (Realtime Recording) ................................................ 222

Basisprocedure voor Realtime Recording......................................................................................................... 222

Realtime Rec Standby parameters ..................................................................................................................... 223

De sequencer data selecteren die opgenomen zal worden (Recording Select) ........................................... 224

Ongewenste data wissen, terwijl u opneemt (Realtime Erase)...................................................................... 225

Geluiden of frases beluisteren tijdens de opname (Rehearsal Functie)........................................................ 225

Data per stap invoeren (Step Recording) ........................................................................................................................ 226

Noten en rusten invoeren.................................................................................................................................... 226

Geluid opnemen ..................................................................................................... 228

Samples en songs.................................................................................................................................................. 228

In een song opnemen ......................................................................................................................................................... 228

Een geluidstrack en de opname startlocatie selecteren................................................................................... 229

Geluidsopname ................................................................................................................................................................... 230

Basisprocedure voor geluidsopname ................................................................................................................ 230

Audio Rec Standby parameters.......................................................................................................................... 231

14

Inhoud

Songs bewerken .................................................................................................... 232

Drie manieren om te bewerken .......................................................................................................................... 232

Een song bewerken (Song Edit)........................................................................................................................................ 232

Het Song Edit scherm openen ............................................................................................................................ 232

Een Sample/frase verplaatsen (Move).............................................................................................................. 233

Een Sample/frase op een gespecificeerde locatie invoeren (Insert) ............................................................. 233

Een Sample/frase uit een track verwijderen (Delete) ..................................................................................... 234

Een Sample/frase kopiëren (Copy) .................................................................................................................. 234

Een Sample/frase bewerken (Edit).................................................................................................................... 234

Song Utility (Song Util)...................................................................................................................................................... 235

De Track Display Zoom en Display Order veranderen (Zoom/Track Order) ........................................... 235

De op dat moment geopende song wissen (Song Clear) ................................................................................ 235

Een track wissen (Track Clear) ........................................................................................................................... 235

Een track een naam geven (Track Name) ......................................................................................................... 235

Het tempo tijdens de song veranderen (Tempo Track) .................................................................................. 235

De maatsoort tijdens de song veranderen (beat Track) .................................................................................. 236

Track Edit-functie ............................................................................................................................................................... 237

Lege maten invoegen in een Track (Track Edit Insert) ................................................................................... 237

Ongewenste maten verwijderen uit een Track (Track Edit Delete) .............................................................. 237

Maten van een Track kopiëren (Track Edit Copy) .......................................................................................... 237

Een frase bewerken (Phrase Edit)..................................................................................................................................... 238

Het Phrase Edit scherm openen ......................................................................................................................... 238

Een frase spelen (Play)......................................................................................................................................... 239

De huidig bewerkte frase wissen (Clear) .......................................................................................................... 239

Een frase opslaan (Save) ...................................................................................................................................... 239

Phrase Modify Menu.......................................................................................................................................................... 239

De timing van een frase recht maken (Quantize) ............................................................................................ 240

Ongewenste uitvoeringsdata wissen (Erase) ................................................................................................... 242

Ongewenste maten verwijderen (Delete) ......................................................................................................... 243

Frases kopiëren (Copy)........................................................................................................................................ 243

Een lege maat invoegen (Insert) ......................................................................................................................... 244

De toonsoort transponeren (Transpose)............................................................................................................ 244

De Velocity veranderen (Change Velocity) ...................................................................................................... 245

Het MIDI kanaal veranderen (Change Channel)............................................................................................. 246

De lengte van noten wijzigen (Change Duration) ........................................................................................... 247

Uitvoeringsdata naar voren en achteren verschuiven (Shift Clock) ............................................................. 248

De sequencer data uitdunnen (Data Thin) ....................................................................................................... 249

Lege maten verwijderen (Truncate)................................................................................................................... 249

Individuele onderdelen van sequencer data bewerken (Microscope)........................................................................ 250

Sequencer data bewerken (Basisprocedure in de Microscope) ..................................................................... 250

Sequencer data die door frases wordt verwerkt .............................................................................................. 251

Sequencer data bekijken (View) ......................................................................................................................... 252

Sequencer data invoegen (Create) ..................................................................................................................... 252

Sequencer data wissen (Erase)............................................................................................................................ 252

Sequencer data verplaatsen (Move)................................................................................................................... 253

Sequencer data kopiëren (Copy) ........................................................................................................................ 253

Een song opslaan (Song Save) ............................................................................ 254

Wat de opgeslagen song data bevat .................................................................................................................. 254

Wat er nog meer wordt opgeslagen, op hetzelfde moment dat de song wordt opgeslagen .................... 254

Een song opslaan (Save) .................................................................................................................................................... 254

De inhoud van alle tracks opnieuw in een individuele Sample samplen .................................................................. 255

Een opnieuw gesamplede Sample naar de computer kopiëren om een CD of MP3 te creëren ............... 255

Opslaan als SMF-bestand (Save As SMF) ....................................................................................................................... 256

15

Inhoud

07: Sampler ......................................................... 257

Sampling ................................................................................................................. 258

Externe invoer in/uitschakelen ........................................................................................................................................ 258

Instellingen voor de bron invoer maken (Input Setting) .............................................................................................. 258

Functies van Input Setting parameters............................................................................................................................ 258

Input Effect Setup instellingen ......................................................................................................................................... 259

Sampleprocedure................................................................................................................................................................ 260

Een Sample tijdens samplen verdelen............................................................................................................... 262

Eerder in tijd samplen (Skip Back Sampling) ................................................................................................................. 262

Een Sample bewerken ........................................................................................... 263

Een Sample selecteren (Sample List) ............................................................................................................................... 263

Een Sample selecteren.......................................................................................................................................... 263

Een Sample laden (Load)..................................................................................................................................... 264

Alle Samples laden (Load All)............................................................................................................................ 264

Een Sample wissen (Unload) .............................................................................................................................. 264

Een Sample verwijderen (Delete)....................................................................................................................... 265

Een geluidsbestand (WAV/AIFF) van de computer importeren ................................................................. 265

Het Sample Edit scherm weergeven (Sample Edit)....................................................................................................... 266

De golfvorm weergave vergroten/verkleinen (Zoom)................................................................................... 266

De Start/Eindpunten van de Sample instellen .............................................................................................................. 267

De knoppen gebruiken om de punten te bewerken........................................................................................ 267

Instellingen voor de Sample maken (Sample parameters)........................................................................................... 268

De BPM van een sample berekenen................................................................................................................................. 269

Ongewenste porties van een Sample verwijderen (Truncate) ..................................................................................... 269

De hoge frequentiereeks van de Sample omhoogduwen of beperken (Emphasis) .................................................. 269

Het volume van een Sample maximaliseren (Normalize)............................................................................................ 270

Amp ...................................................................................................................................................................................... 270

Een Sample uitrekken of comprimeren (Time Stretch)................................................................................................. 271

Een Sample in noten verdelen (Chop)............................................................................................................................. 272

Een Sample opslaan (save) ................................................................................................................................................ 274

Alle Samples opslaan (Save All)....................................................................................................................................... 274

Multisample ............................................................................................................ 275

Een multisample maken .................................................................................................................................................... 275

Een multisample bewerken............................................................................................................................................... 276

16

Inhoud

08: Verscheidene instellingen (menu en systeem) . 279

Menu referentie ...................................................................................................... 280

Menu’s.................................................................................................................................................................................. 280

Aan project gerelateerde instellingen (Project) .............................................................................................................. 280

Load Project........................................................................................................................................................... 280

Save Project............................................................................................................................................................ 281

Save As Project...................................................................................................................................................... 281

Create Project ........................................................................................................................................................ 282

Backup Project....................................................................................................................................................... 282

Restore Project....................................................................................................................................................... 283

System Settings (system) ................................................................................................................................................... 283

Reset to Default Factory Settings (Factory Reset) .......................................................................................................... 284

Format USB Memory ......................................................................................................................................................... 284

Bestanden uitwisselen met de computer (USB Storage)............................................................................................... 285

Aansluitingen........................................................................................................................................................ 285

De aansluitbestemming specificeren ................................................................................................................. 285

Waarschuwingen met betrekking tot mappen en bestanden ........................................................................ 286

De Storage mode verlaten ................................................................................................................................... 286

Voorbeelden van gebruik van de USB Storage mode ..................................................................................... 287

Een Bitmap bestand als achtergrond in het scherm gebruiken (Import BMP)............................................ 288

Text memo’s in het Favorite scherm weergeven (Import Text)..................................................................... 288

Geluidsbestanden importeren (Import Audio) .............................................................................................................. 289

Systeeminstellingen (instellingen die voor alle modes gelden)........................ 290

Hoe systeemfunctie instellingen gemaakt worden........................................................................................................ 290

De systeeminstellingen opslaan (System Write) ............................................................................................................ 290

Functies van systeemparameters...................................................................................................................................... 291

Pedal/D Beam....................................................................................................................................................... 291

Keyboard ............................................................................................................................................................... 292

Dynamic Pad ......................................................................................................................................................... 292

Knop/Schuifregelaar ........................................................................................................................................... 293

Magic Control ....................................................................................................................................................... 294

Switch S1/S2 ......................................................................................................................................................... 294

Sync/Temp............................................................................................................................................................ 295

Metronoom ............................................................................................................................................................ 297

Klank ...................................................................................................................................................................... 297

MIDI ....................................................................................................................................................................... 299

USB ......................................................................................................................................................................... 300

Scale Tune.............................................................................................................................................................. 300

Preview .................................................................................................................................................................. 300

System Ctrl ............................................................................................................................................................ 301

Screen Saver .......................................................................................................................................................... 301

Input/Sampling.................................................................................................................................................... 301

Startup.................................................................................................................................................................... 302

Systeem Informatie (Info) .................................................................................................................................................. 302

De achtergrond van het scherm wijzigen (Wallpaper) ................................................................................................. 303

Een afbeelding als achtergrond importeren (Import) ..................................................................................... 303

Achtergrond verwijderen (Delete Wallpaper) ................................................................................................. 303

Aan weergave gerelateerde instellingen (Appearance)................................................................................................ 304

Over V-LINK ............................................................................................................ 305

Wat is V-LINK? ................................................................................................................................................................... 305

Aansluitvoorbeelden.......................................................................................................................................................... 305

De V-LINK aan/uitzetten ................................................................................................................................................. 305

V-LINK instellingen ........................................................................................................................................................... 305

V-LINK Parameters.............................................................................................................................................. 306

De afbeelding opnieuw instellen........................................................................................................................ 306

17

Inhoud

09: Appendix....................................................... 307

De uitbreidingskaart installeren ........................................................................... 308

Waarschuwingen bij het installeren van een uitbreidingskaart .................................................................................. 308

Hoe een uitbreidingskaart wordt geïnstalleerd ............................................................................................................. 308

Een uitbreidingskaart verwijderen .................................................................................................................................. 309

De nieuw geïnstalleerde uitbreidingskaart configureren............................................................................................. 309

Het DIMM geheugen uitbreiden ............................................................................ 310

Voorzorgsmaatregelen voor uitbreiding van het geheugen ........................................................................................ 310

Hoe het geheugen wordt uitgebreid................................................................................................................................ 310

Het geheugen verwijderen.................................................................................................................................. 311

Controleren of het geheugen correct is geïnstalleerd.................................................................................................... 311

Probleemoplossing................................................................................................ 312

Problemen met betrekking op de gehele Fantom-G ....................................................................................... 312

Problemen met betrekking op geluid ................................................................................................................ 312

Problemen met betrekking tot effecten ............................................................................................................. 314

Problemen met betrekking tot het opslaan van data ...................................................................................... 314

Problemen met betrekking tot de sequencer .................................................................................................... 315

Problemen met betrekking tot MIDI en externe apparaten ........................................................................... 316

Problemen met betrekking tot samplen ............................................................................................................ 316

Problemen met betrekking tot USB geheugen ................................................................................................. 317

Problemen met betrekking tot een USB verbinding........................................................................................ 317

Storingsmeldingen ................................................................................................ 318

Over MIDI ................................................................................................................ 319

Over MIDI aansluitingen .................................................................................................................................... 319

MIDI kanalen en multitimbrale geluidsgenerators ......................................................................................... 319

Specificaties ........................................................................................................... 322

Index........................................................................................................................ 324

18

01: introductie

(Overzicht en basisbediening)

In dit hoofdstuk worden de panelen van de Fantom-G uitgelegd, wordt een overzicht van het instrument gegeven, en wordt de basisbediening uitgelegd.

• Hoofdkenmerken.......................................................... p.20

• Paneelbeschrijvingen.................................................... p.22

• Aansluitingen maken .................................................... p.25

• Overzicht van de Fantom-G........................................... p.32

• Basisbediening van de Fantom-G .................................. p. 39

Hoofdkenmerken

Geluidskwaliteit van een hogere klasse

De Fantom-G heeft een nieuwe geluidsmotor die altijd een

Patch multi-effect (PFX) voor elk geluid (Patch) biedt, zodat u overvloedige geluiden kunt creëren op een manier, die tot nu toe niet mogelijk was.

Daarnaast zijn er twee flexibele multi-effect (MFX) processors.

Maximaal 22 effect types, zoals chorus en reverb, zijn gelijktijdig toepasbaar.

Vanzelfsprekend is de ‘integratie van geluid en MIDI’ van de

Fantom-X ook aanwezig, waarmee gesamplede geluiden als interne geluiden gebruikt kunnen worden.

Mode instellingen geoptimaliseerd voor uw situatie

De Fantom-G voorziet in modes die voor uw situatie geoptimaliseerd zijn. Gebruik ‘Live’ mode voor live optredens, en ‘Studio’ mode voor muziekproductie.

Met ‘Live mode’ kunt u vrijelijk 8-Part multitimbrale Layers

(lagen) en splits creëren. Met functies als Patch Remain, dat garandeert dat de gespeelde noten voordat u van geluid veranderde niet afgekapt worden, is deze mode ontworpen om de expressie en snelheid die voor een live optreden nodig zijn te garanderen.

Met ‘Studio mode’ werkt de Fantom-G als een 16-Part multitimbraal instrument, en kunt u alle effecten voor muziekproducties gebruiken.

De ‘Single mode’ kiest u als de Fantom-G alleen voor piano of orgel wordt gebruikt. Kies deze mode als u een geluid bewerkt.

De nieuwste en beste interne geluiden

Sinds de 88 toetsen multisample piano, die de Fantom-X beroemd heeft gemaakt, zijn alle geluiden vernieuwd. De

Fantom-G heeft de beste geluiden in de wereld, met de nadruk op kwaliteit. U beschikt over direct bruikbare geluiden voor uitvoeringen en creativiteit in elke situatie. 256 MB aan interne golfvorm capaciteit is beschikbaar (het dubbele van de Fantom-

X serie), met een breed scala van akoestische geluiden tot synth geluiden.

Ondersteuning van de nieuwe ARX serie uitbreidingskaarten met de

SuperNATURAL geluidsgenerator

De Fantom-G heeft twee ingangen, die de ARX serie ondersteunen, zodat niet alleen de bestaande geluiden uitgebreid kunnen worden, maar voorziet bovendien in een optimale geluidsmotor voor elk verschillend geluid (Roland’s nieuwe ‘SuperNATURAL’ technologie, die door een verbazingwekkende expressieve kracht wordt gekenmerkt).

Deze nieuwe technologie biedt expressieve kracht en kwaliteit van ‘je van het’, en overstijgt zelfs de geweldige interne geluiden.

‘SuperNATURAL’ is de zelfontwikkelde technologie van

Roland, welke de klankveranderingen en uitvoeringstechnieken, waarmee akoestische instrumenten en elektrische instrumenten zich onderscheiden, op realistische wijze uitdrukt, en geeft een natuurlijke en rijke expressiviteit.

Nieuwe 152-track sequencer is een hoogwaardige fusie van geluid en

MIDI

De fusie van geluid en MIDI is tot een nieuwe dimensie opgeklommen.

De nieuwe sequencer biedt een grafische werkstroom met maximaal 128 MIDI tracks en 24 tracks geluid, die gelijktijdig beschikbaar zijn. Met de gemakkelijk te begrijpen op frase gebaseerde interface kunt u een USB muis gebruiken voor een nog snellere muziekproductie omgeving.

Volwaardige sampler

De Sample functie concurreert met andere samplers, en biedt behalve gedetailleerde Wave bewerking tevens de mogelijkheid om opgenomen Samples via de Pads of het toetsenbord te spelen of deze als materiaal in geluidstracks te gebruiken.

Natuurlijk is er ook een Auto Sync functie, waarmee aan het huidige tempo kan worden aangepast zonder dat de toonhoogte verandert, en de toonhoogte veranderd kan worden zonder dat dit op het tempo van invloed is.

* Er is standaard in 32 MB sampling geheugen voorzien, en een

DIMM geheugen (p.308, p. 310) kan toegevoegd worden om dit tot maximaal 544 MB uit te breiden.

20

Hoofdkenmerken

Skip Back Sampling functie

De Skip Back Sampling functie, een zeer populair onderdeel van de Fantom-X serie, is ook op de Fantom-G beschikbaar.

Door een uitvoering ononderbroken op de Fantom-G op te nemen, zorgt deze functie ervoor dat u een ingegeven improvisatie retroactief op elk moment kunt opnemen. Het zal nooit meer gebeuren dat u een goed idee kwijtraakt, omdat de recorder op dat moment niet in werking was.

Favorites functie

Met deze functie kunnen de instellingen van songs in de live uitvoering met één druk op de knop worden opgeroepen.

Met gebruik hiervan kunt u eenvoudigweg één knop indrukken om geluiden en instellingen te veranderen tijdens uitvoeringen, waarbij veranderingen snel gemaakt moeten worden. Elke instelling bevat een master volume, zodat volume aanpassingen tijdens de repetitie gemaakt kunnen worden, opdat deze met de feitelijke omgeving van de live uitvoering overeenkomen.

Breed VGA Liquid Crystal beeldscherm

Het grote, brede VGA kleuren Liquid Crystal scherm is een revolutionaire vooruitgang, die u verzekerd van een uitmuntende zichtbaarheid en bediening in elke situatie.

Een brede reeks interfaces

USB functionaliteit is verbeterd. Met de USB MEMORY aansluiting kunt u een geheugenstick gebruiken om data op te slaan (reservekopie). Met de USB MOUSE kan een tweeknops wiel muis worden aangesloten, voor een nog idealere gebruikers interface. De USB COMPUTER aansluiting verwerkt de data overdracht tussen de Fantom-G en de computer, en ondersteunt tevens USB MIDI en geluid. Hierdoor kan de

Fantom-G op allerlei computer software worden aangesloten, en dit stelt u in staat de speciale bewerkings software te gebruiken om bewerkingstaken uit te voeren.

Bovendien bevatten de externe geluidsinvoeren speciale LINE

(STEREO) ingangsjacks en een speciale MIC/GUITAR jack.

V-LINK

De V-LINK functie opent een hele nieuwe wereld aan expressie voor uw uitvoeringen vanwege de manier waarop muziek en visuele beelden gesynchroniseerd kunnen worden. De regelaars zoals de D Beam en de knoppen, schuifregelaars en dynamische

Pads van de Fantom-G kunnen gebruikt worden om de visuele beelden te besturen, en deze onderdeel te maken van de muziekuitvoering.

Plug-in editor/librarian

Met de bijgeleverde editor en librarian software kunt u de computer gebruiken om de geluiden van de Fantom-G te bewerken en beheren.

De speciale editor ondersteunt ook het functioneren als een

VSTi/AU plug-in.

Ondersteuning voor GM/GM2

De Fantom-G ondersteunt GM/GM2. Alle muziekdata, die met

GM/GM2 (GM Scores) compatibel is, kan door de Fantom-G gespeeld worden.

21

Paneelbeschrijvingen

Voorpaneel

16

1

2

3

4

5

6

7

8 9

10

11

12 15

13 14

17

1

D BEAM

Hier kan de D Beam functie aan en uitgezet worden. Hiermee kunnen diverse effecten op het geluid worden toegepast door uw hand boven de sensor te bewegen.

(p.72).

[PAD TRIGGER]

Hiermee kan de D Beam controller gebruikt worden om de Pads te bespelen, als alternatief voor het handmatig aanslaan van de Pads.

(p. 73).

[SOLO SYNTH]

Hiermee kan de D Beam controller als een mono synthesizer gebruikt worden. → (p.73).

* Door [SHIFT] ingedrukt te houden en de juiste knop in te drukken, kunt u toegang tot het D Beam instellingsscherm verkrijgen.

[ASSIGNABLE]

Hiermee kunnen verscheidene instellingen aan de D Beam controller worden toegewezen, en kan gebruikt worden om het geluid in

Realtime te wijzigen.

(p.75).

2

[V-LINK]

Dit zet V-LINK aan en uit. Het V-LINK instellingsscherm verschijnt als deze knop wordt aangezet. → (p.301).

3

INPUT

PEAK indicator

Dit licht op als het externe ingangsvolume te hoog is.

[MIX IN]

Dit zet de externe invoer aan/uit. → (p.258).

* Door [SHIFT] in te drukken en op deze knop te drukken gaat u naar het invoer instellingsscherm.

(p.258).

4

VOLUME

VOLUME knop

Hiermee wordt het algehele volume dat via de achterpaneel

OUTPUT A [MIX] jacks en PHONES jack wordt uitgestuurd aangepast. → (p.28).

5

MODE

[STUDIO]

Hiermee wordt de Fantom-G in de Studio mode geplaatst. Kies deze instelling voor song productie.

(p.66).

[LIVE]

Dit plaatst de Fantom-G in de Live mode. Kies deze instelling als u meerdere geluiden opgestapeld of verspreid over het toetsenbord wilt spelen.

(p. 58).

[SINGLE]

Dit plaatst de Fantom-G in de Single mode. Kies deze instelling als u

één individueel geluid per keer wilt spelen.

(p.46).

22

[FAVORITE]

Hiermee kunnen favoriete geluiden geregistreerd worden om direct op te kunnen roepen – een handige functie voor live uitvoeringen. →

(p.54).

6

KEYBOARD

Dit zet de arpeggiator aan/uit.

(p.78).

[HOLD]

Dit schakelt de Hold functie van de arpeggiator in en uit.

(p.78).

[CHORD MEMORY]

Dit zet Chord Memory aan/uit. → (p.80).

* Door [SHIFT] ingedrukt te houden en op deze knoppen te drukken gaat u naar de instellingsschermen voor Chord

Memory en de arpeggiator.

[-OCT], [+OCT]

Deze verhogen of verlagen de toetsenreeks in stappen van één octaaf. (-3 - +3).

* Door de [-OCT] en [+OCT] knoppen gelijktijdig in te drukken kan de instelling op zijn oorspronkelijke waarde gezet worden.

[TRANSPOSE]

Als dit is ingeschakeld kunt u [-OCT] [+OCT] gebruiken om de toetsenreeks in stappen van halve tonen te verhogen of verlagen. (-5

- +6)

* Door de [_OCT] en [+OCT] knoppen gelijktijdig in te drukken, wordt de instelling op de oorspronkelijke waarde teruggezet.

7

SEQUENCER

Hier kunnen sequencer handelingen zoals afspelen en opnemen worden uitgevoerd.

[ ]

Dit verplaatst de positie van de song naar het begin van de song. Als u dit tijdens afspelen indrukt, keert u naar het begin van de song terug en wordt er gestopt.

(p.206).

[ ] [ ]

Deze verplaatsen de song positie naar de eerste tel van de vorige of volgende maat.

(p.206).

* Door [SHIFT] ingedrukt te houden en deze knoppen in te drukken, kan de song positie naar de vorige of volgende markering worden verplaatst.

[LOOP]

Dit zet Loop Playback aan/uit. → (p.208).

* Door [SHIFT] ingedrukt te houden en deze knop in te drukken krijgt u toegang tot het Loop instellingsscherm.

[JUMP]

Dit springt naar de JUMP markering. Als er geen markering is ingesteld, springt dit naar het begin van de song. → (p.208).

Paneelbeschrijvingen

Door [SHIFT] ingedrukt te houden en deze knop in te drukken gaat u naar het Marker instellingsscherm.

[PLAY]

Dit speelt de song af. → (p.204).

Dit knippert in de maat van het tempo en de maatsoort.

(p.293).

[STOP]

Dit stopt het afspelen.

[REC]

Dit geeft toegang tot het Recording Standby scherm.

(p.222).

Als dit tijdens de repetitie wordt ingedrukt, wordt de Rehearsal functie geactiveerd. → (p.225).

8

CONTROL

Control knoppen 1-4

Control schuifregelaars 1-8

Deze bieden Realtime regeling van de parameters of functies die zijn toegewezen. → (p.75).

* Door [SHIFT] ingedrukt te houden en één van de bovenstaande knoppen (schuifregelaars) te bewegen, gaat u naar het instellingsscherm van de betreffende knop.

(p.76).

MAGIC CTRL (Magic Control)

Magic Control is een functie die de rol van knop 4 en schuifregelaar

8 automatisch volgens het scherm verandert. Bijvoorbeeld, in het

Patch List scherm (p.49) selecteert knop 4 de categorie en scrollt schuifregelaar 8 door de lijst.

9

TEMPO/VALUE

Dit geeft het tempo aan. Als u een knop of schuifregelaar verplaatst, wordt hiermee zijn waarde aangegeven.

[TEMPO]

U kunt het tempo aanpassen door deze knop in te drukken en aan de

VALUE knop te draaien.

(p.78, p.207).

10

LIST/EDIT

[PATCH]

Druk hierop om een Patch te bewerken. Druk één keer om naar het

Patch Zoom Edit scherm te gaan (p.86) of twee keer achter elkaar om naar het Patch Pro Edit scherm te gaan (p.86).

[SONG]

Druk hier op om een song te bewerken. Druk dit één keer in om naar het Song Play scherm te gaan (p.205) of twee keer achter elkaar om naar het Song Edit scherm (p.232) te gaan.

[SAMPLE]

Druk hier op om een Sample te bewerken. Druk één keer in om naar het Sample Edit scherm te gaan (p.266) of twee keer achter elkaar voor toegang tot de Sample Lijst (p.263).

[EFFECTS (ROUTING)]

Druk dit in om aan effect gerelateerde instellingen te maken →

(p.150).

11

BEELDSCHERM

Hier wordt een verscheidenheid aan informatie getoond, volgens de handelingen die u uitvoert.

[MENU]

Opent het MENU. → (p.276).

Functie knoppen ([F1]-[F8])

Tijdens bewerkingen voeren deze knoppen verschillende functies uit die, afhankelijk van het scherm, verschillen.

[DISPLAY]

Toont het shortcut menu. → (p.44).

12

VALUE

[WRITE]

Slaat de gewijzigde inhoud in het geheugen op.

→ (p.79, p.82, p.88, p.116, p.148, p.254, p.174, p.286)

VALUE draaiknop

Wijzigt een waarde. Door [SHIFT] ingedrukt te houden en aan de

VALUE draaiknop te draaien, kan de waarde in grotere stappen gewijzigd worden.

[CURSOR] knoppen

Deze verplaatsen de cursor omhoog/omlaag/links/rechts.

[EXIT]

Dit laat u naar het vorige scherm terugkeren of sluit een geopend venster.

In sommige schermen heft dit de functie die op dat moment wordt uitgevoerd op.

[ENTER]

Gebruik dit om een waarde te voltooien of een handeling uit te voeren.

[DEC], [INC]

Deze wijzigen een waarde. De waarde zal sneller veranderen als u

één knop ingedrukt houdt en op de andere drukt. Als u [SHIFT] ingedrukt houdt, terwijl deze knoppen worden ingedrukt, zal de waarde sneller veranderen.

[SHIFT]

Deze knop wordt samen met andere knopen gebruikt om verscheidene functies uit te voeren.

13

EXPANSION

[EXP 1], [EXP 2]

Deze geven toegang tot de schermen voor uitbreidingskaarten die in de Fantom-G zijn geïnstalleerd.

* Voor details over de werking raadpleegt u de gebruikershandleiding van de geïnstalleerde uitbreidingskaarten.

14

SAMPLING

[SKIPBACK]

Dit sampled uw uitvoeringen op retroactieve wijze gedurende een gespecificeerde tijdsperiode, voorafgaand aan het moment waarop u de knop indrukte. → (p.262).

[SAMPLING]

Dit geeft toegang tot het Sampling menu scherm. → (p.260).

15

DYNAMIC PAD

[PAD SETTING]

Dit geeft toegang tot het instellings- en informatiescherm van de op dat moment geselecteerde Pad mode.

(p.190).

[NUMERIC]

Hiermee kunnen de Pads als numerieke toetsen gebruikt worden.

(p.41).

[PAD MODE]

Verandert van Pad mode.

(p.188).

[ROLL]

Zet de Roll functie aan/uit.

(p.189).

* Afhankelijk van de Pad mode zal dit banken veranderen.

[HOLD]

Zet de Hold functie (die maakt dat het Pad voortdurend blijft klinken, zelfs nadat het is losgelaten) aan/uit. → (p.188).

[PAD 1-16]

16

[S1] [S2] (Toewijsbare schakelaars)

Aan deze knoppen kunnen verscheidene parameters of functies worden toegewezen.

Deze zetten de toegewezen parameter of functie in Realtime aan/uit, om het geluid te wijzigen. → (p.77).

* Door [SHIFT] ingedrukt te houden en één van de bovenstaande knoppen in te drukken gaat u naar het corresponderende instellingsscherm.

(p.77).

Pitch Bend/Modulatie hendel

Deze wordt gebruikt om de toonhoogte te wijzigen of vibrato toe te passen.

23

Paneelbeschrijvingen

Achterpaneel

1 2 3 4 5 6 7 8 9

1

POWER ON schakelaar

Druk hierop om de stroom aan en uit te zetten. → (p.28).

2

AC ingang

Sluit het bijgeleverde netsnoer hier aan.

3

USB

USB MEMORY ruimte

Hier kan een USB geheugen (apart verkrijgbaar) ingevoerd worden.

* Een USB geheugen mag nooit ingevoerd of verwijderd worden, terwijl dit apparaat is ingeschakeld. Hierdoor kan de data van dit apparaat of die in het USB geheugen beschadigen.

* Steek het USB geheugen voorzichtig helemaal in, totdat het stevig op zijn plaats zit.

USB MOUSE aansluiting

Sluit hier de USB muis (apart verkrijgbaar) aan. → (p.26).

USB COMPUTER aansluiting

Voor deze aansluiting kan een USB kabel gebruikt worden om een computer op de Fantom-G aan te sluiten.

(p.281).

4

DIGITAL AUDIO IN/OUT Connectors

(S/P DIF COAXIAL)

Dit zijn coaxiale S/P DIF formaat digitale in/uit aansluitingen.

Via deze aansluitingen wordt een digitaal geluidssignaal in en uitgevoerd (stereo). Het uitvoersignaal is identiek aan het signaal dat via de OUTPUT A [MIX] jacks wordt uitgevoerd.

* S/P DIF is een digitaal interface formaat, dat voor consumenten digitale geluidsapparaten wordt gebruikt.

* Als u de stroom van een extern apparaat dat op de DIGITAL

AUDIO IN jack is aangesloten uitzet of de kabel ontkoppelt, kan ruis in de invoer via DIGITAL AUDIO IN hoorbaar zijn. Als dit gebeurt sluit u het externe apparaat opnieuw aan of zet de [MIX

IN] schakelaar van de Fantom-G uit.

5

MIDI aansluitingen (IN, OUT, THRU)

Deze aansluitingen kunnen op andere MIDI apparaten worden aangesluiten, voor het ontvangen en verzenden van MIDI berichten.

6

FOOT PEDAL

CTRL (CONTROL) 1, 2 Jacks

Op deze jacks kunnen optionele expressiepedalen (EV-5, enz.) of optionele pedaalschakelaars (DP serie, enz.) worden aangesloten. Door een gewenste functie aan een pedaal toe te wijzen, kan dit gebruikt worden voor het selecteren of wijzigen van geluid of voor het uitvoeren van verscheidene andere regelingen.

(p.31).

* Gebruik alleen het gespecificeerde expressiepedaal (EV-5, apart verkrijgbaar).

Als een ander expressiepedaal wordt aangesloten, kunnen storingen en/of beschadigingen aan het apparaat ontstaan.

HOLD jack

Een optionele pedaalschakelaar (DP serie, FS-5U, enz.) kan op deze jack worden aangesloten en als Hold pedaal functioneren.

→ (p.31).

24

Dit is tevens op gebruik van half-pedaal technieken instelbaar.

Nadat een optionele pedaalschakelaar (DP series, enz.) is aangesloten, kunt u met gebruik van het pedaal nog nauwkeuriger muziek met pianogeluiden spelen.

7

AUDIO INPUT

MIC/GUITAR jack

Een Microfoon of gitaar kan hier worden aangesloten. Stel de

Switch (schakelaar) in, zoals geschikt voor het apparaat dat op de MIC/GUITAR jack is aangesloten..

GUITAR (Hi-Z) Gitaar (hoge impedantie ondersteund)

PHANTOM OFF Dynamische microfoon: 1/4 '' phone plug

(gebalanceerd of ongebalanceerd), XLR aansluiting

PHANTOM ON Condensator microfoon: XLR aansluiting (48

V fantoomvoeding ondersteund)

* Als u geen fantoomvoeding nodig hebt, selecteert u de PHANTOM OFF positie.

* Dit instrument is uitgerust met gebalanceerde (XLR/TRS) type jacks. Het bedradingschema voor deze jacks wordt hieronder getoond. Maak aansluitingen, nadat de bedradingschema’s van andere apparatuur die u wilt aansluiten zijn gecontroleerd.

fig.XLR/TRSJack.eps

MIC/GUITAR LEVEL knop

Regelt het volume van de mic/gitaar invoer.

Max Min

LINE jacks (L, R)

Sluit hier een lijnniveau apparaat aan, zoals een geluidsapparaat

(bijv. draagbare muziekspeler) of toetsenbord. Als u mono invoer wilt gebruiken, sluit dan op de L jack aan. (p.258).

LINE LEVEL knop

Regelt het volume van de lijn invoer.

Max Min

8

OUTPUT

OUTPUT A (MIX) jacks (L (MONO), R)

Deze jacks sturen de geluidssignalen in stereo naar het aangesloten mengpaneel/ versterkingssysteem. Voor mono uitvoer gebruikt u de L jack.

(p.26).

OUTPUT B jacks (L, R)

Deze jacks sturen het geluidssignaal naar het aangesloten mengpaneel/versterkingssysteem in stereo.

INDIVIDUAL 1-4 jacks

Deze jacks sturen geluidssignalen in mono naar een versterker of mengpaneel.

* De instelling die bepaalt of deze jacks als stereo OUITPUT jacks of mono INDIVIDUAL jacks worden gebruikt, wordt met de

Output Assign instelling gemaakt. → (p.152).

9

PHONES Jack

Hier wordt een koptelefoon (apart verkrijgbaar) aangesloten. →

(p.26)

Aansluitingen maken

Een versterker en luidspreker systeem aansluiten

Omdat de Fantom-G geen versterker of luidsprekers heeft, moet u deze op geluidsapparatuur zoals een toetsenbord versterker, monitor luidsprekersysteem of stereo installatie aansluiten of een koptelefoon gebruiken om geluid te kunnen horen.

1.

Voordat u iets aansluit, moet alle stroom van alle apparatuur zijn uitgeschakeld.

2.

Sluit het ene eind van de bijgeleverde netsnoer op de Fantom-G aan, en steek het andere eind in een stopcontact.

3.

Sluit de Fantom-G op een versterker/luidspreker systeem aan, zoals in het diagram wordt getoond.

fig.02-002.e

921

Om storingen en/of beschadigingen aan luidsprekers of andere apparaten te voorkomen, zet u het volume altijd helemaal laag en de stroom van alle apparaten uit, voordat aansluitingen gemaakt worden.

Naar stopcontact

Stereo koptelefoon

Mengpaneel, enz.

Monitor luidsprekers

(actief)

Versterker

Om het geluid van de Fantom-

G optimaal te benutten, raden wij u aan een stereo versterker/luidspreker systeem te gebruiken. Als u echter een mono systeem gebruikt, sluit u op de

OUTPUT A [MIX] jack L

(MONO) van de Fantom-G aan.

Geluidskabels worden niet bij de Fantom-G geleverd. U moet deze zelf aanschaffen.

Voor details over het installeren van een uitbreidingskaart (apart verkrijgbaar) kijkt u bij ‘ De uitbreidingskaart installeren ’(p.304, p.306).

De OUTPUT A [MIX] jacks ondersteunen gebalanceerde uitvoer. Gebruik de juiste kabel, zodat de HOT, COLD en

GND, zoals gedrukt op het achterpaneel van de Fantom-

G, juist zijn voor het mengpaneel of ander invoerapparaat.

25

Aansluitingen maken

Een USB muis aansluiten (apart verkrijgbaar)

Als u een in de winkel verkrijgbare USB muis op de USB MOUSE aansluiting op het achterpaneel van de Fantom-G aansluit, zal een muis cursor in het scherm worden getoond, en kunt u de muis gebruiken.

Actie

Links klikken

Rechts klikken

Wiel

Slepen (verplaatsen, terwijl linkerknop is ingedrukt)

Klik de

Klik de

Klik de

knop

knop

knop

Handeling

Selecteren (verplaats de cursor)

[ENTER] knop / lijst weergave

VALUE draaiknop / scroll

Sleep de muis naar het gebied of de knop waarvoor u een waarde wilt invoeren. Omhoog of naar rechts slepen laat de waarde toenemen, en naar links of omlaag slepen maakt dat de waarde afneemt.

Opent het menu (p.276).

[EXIT] knop.

Opent het shortcut menu (p.44).

26

Aansluitingen maken

De Fantom-G op een standaard plaatsen

* Pas op, dat uw vingers niet beklemd raken tijdens het opzetten van de standaard.

Voor Fantom-G6/G7 gebruikers

Als u de Fantom-G6/G7 op een standaard wilt plaatsen, gebruikt u de Roland KS-18Z.

Plaats het instrument als volgt op de standaard.

fig.02-001.e

KS-18Z

Stel de voorkant van de Fantom-G6/G7 gelijk met de voorkant van de standaard.

Stel dit bij, zodat de hoogte niet meer dan 1 meter is (stel de standaard bij, tot een niveau dat niet hoger is dan het vierde niveau vanaf de onderkant).

Pas de breedte van de standaard aan, zodat de rubber voeten van de

Fantom-G6/G7 zich aan weerskanten van de standaard bevinden.

Bovenaanzicht

WAARSCHUWING:

Gebruik van een standaard, niet in overeenstemming met bovenstaande instructies, zal resulteren in instabiliteit, waardoor verwondingen kunnen optreden.

Voor Fantom-G8 gebruikers

Als u de Fantom-G8 op een standaard wilt plaatsen, gebruikt u de Roland KS-18Z of KS-G8.

Plaats het instrument als volgt op de standaard.

fig.02-001.e

KS-18Z

Stel de achterkant van de

Fantom-G8 gelijk met de achterkant van de standaard.

Pas de breedte van de standaard aan, zodat de rubber voeten van de

Fantom-G8 zich aan de binnenkant van de standaard bevinden.

Bovenaanzicht

KS-G8

Stel de schroeven van de Fantom-G8 gelijk met de voorkant van de standaard.

Plaats de Fantom-G8 zo, dat de rubber voeten zich aan de binnenzijde van de standaard bevinden.

Bovenaanzicht

WAARSCHUWING:

Gebruik van een standaard, niet in overeenstemming met bovenstaande instructies, zal resulteren in instabiliteit, waardoor verwondingen kunnen optreden.

27

De stroom aanzetten

Nadat alle aansluitingen gemaakt zijn (p.25) zet u de stroom van de verschillende apparaten in de gespecificeerde volgorde aan. Door apparaten in de verkeerde volgorde aan te zetten kunnen storingen en/of beschadigingen aan luidsprekers en andere apparaten ontstaan.

fig.bender.e

1.

Voordat de Fantom wordt aangezet, neemt u deze twee vragen in acht:

• Is alle randapparatuur correct aangesloten?

• Zijn de volumeregelingen van de Fantom-G en alle aangesloten geluidsapparaten op hun laagste instellingen gezet?

2.

Zet de POWER ON schakelaar op het achterpaneel van de Fantom-G aan.

fig.02-003

941

Om te zorgen dat de Pitch

Bend hendel correct werkt, mag de hendel niet aangeraakt worden als de Fantom-G wordt aangezet..

Niet aanraken!

* Dit apparaat is uitgerust met een beveiligingscircuit. Na opstarten duurt het daarom korte tijd (enkele seconden) voordat het apparaat normaal werkt.

3.

Zet de aangesloten versterker of luidsprekers aan.

4.

Speel op het toetsenbord van de Fantom-G, waarbij u het volumeniveau geleidelijk laat toenemen. Verhoog dan voorzichtig het volume van de aangesloten versterkers of luidsprekers tot het gewenste niveau.

fig.02-004

Pas op dat het afluister volume niet te hoog wordt ingesteld, om beschadigingen aan de versterker/luidsprekersysteem of uw gehoor te voorkomen.

942

De stroom uitzetten

1.

Voordat u de stroom uitzet, neemt u deze twee vragen in acht:

• Zijn de volumeregelingen van de Fantom-G en alle aangesloten geluidsapparaten op hun laagste instellingen gezet?

• Heeft u de Fantom-G geluiden of andere door u gecreëerde data opgeslagen?

2.

Zet de stroom van alle aangesloten apparaten uit.

3.

Zet de POWER ON schakelaar van de Fantom-G uit.

Om de stroom volledig uit te schakelen, zet u eerst de

POWER schakelaar uit, en dan haalt u de stekker uit het stopcontact. Zie ‘ Stroomvoorziening’ ( p.7).

28

De demosongs beluisteren

De Fantom-G heeft een demosong die tijdens het opstarten geladen wordt.

Hier leest u, hoe de demo afgespeeld kan worden.

1.

Druk op Play.

De demosong wordt afgespeeld.

Alle rechten voorbehouden.

Ongeoorloofd gebruik van dit materiaal voor andere doeleinden dan strikt privé gebruik is een overtreding van de hierop toepasbare wetgeving.

2.

Druk op [STOP] om het afspelen van de demosong te stoppen.

.

De song automatisch laden bij opstarten

(als een projekt geladen wordt)

Als de Fantom-G wordt aangezet (wanneer een project wordt geladen), wordt song 001 (de song boven aan de Song lijst) automatisch geladen.

Als u niet wilt dat een song automatisch geladen wordt bij opstarten (als een project wordt geladen), verwijdert u song 001 volgens de beschrijving in ‘ Een songbestand verwijderen

(Song Delete) ’(p.210).

Als een Factory Reset wordt uitgevoerd (p.280), zal de demosong in song 001 worden opgeslagen.

29

Verscheidene uitvoeringsopties

Velocity/Aftertouch

De sterkte, waarmee u het toetsenbord bespeelt of de ‘Velocity’, waarmee u speelt, kan invloed hebben op het volume of timbre van het geluid. Aftertouch – neerwaartse druk die op een toets wordt toegepast nadat een noot is gespeeld – kan het geluid ook beïnvloeden.

fig.02-008

Voor details over de instelling, zie p.288.

Er zijn twee Aftertouch instellingen: polifonische aftertouch, die aftertouch op individuele noten toepast, en

Channel Aftertouch, die aftertouch op een geheel MIDI kanaal (p.251) toepast.

De Fantom-G kan de MIDI data van polifonische aftertouch met gebruik van de pedalen uitsturen, en Channel aftertouch met gebruik van het toetsenbord.

Pitch Bend/modulatie hendel

Terwijl u op het toetsenbord speelt beweegt u de hendel naar links om de toonhoogte van de op dat moment geselecteerde Patch te verlagen of naar rechts om de toonhoogte te verhogen.

Dit staat bekend als Pitch Bend . U kunt ook vibrato toepassen, door de hendel zachtjes van u af te duwen. Dit wordt modulatie genoemd.

Als u de hendel van u af duwt en deze op hetzelfde moment naar rechts of links beweegt, kunt u beide effecten tegelijk toepassen.

fig.02-009.e

De hoeveelheid verandering in toonhoogte (Pitch change) kan voor elke Patch worden ingesteld (p.96).

Pitch Bend Modulatie

Octave Shift (OCT)

De toonhoogte van het toetsenbord kan in eenheden van een octaaf binnen een reeks van +/-

3 octaven worden verschoven.

Gebruik KEYBOARD [-OCT] of [+OCT] aan de linkerkant van het scherm om de gewenste instelling te maken.

Om naar de oorspronkelijke instelling terug te keren, drukt u beide knoppen tegelijk in.

Transpose

De toonhoogte van het toetsenbord kan in stappen van halve tonen (-5 - +6) worden getransponeerd.

Aan de linkerkant van het scherm zet u de KEYBOARD [TRANSPOSE] knop aan, en gebruik dan de [-OCT] of [+OCT] knop om de gewenste transpositie te specificeren.

Om naar de oorspronkelijke instelling terug te keren, drukt u beide knoppen tegelijk in.

30

Verscheidene uitvoeringsopties

Hold pedaal

Als een optionele pedaalschakelaar (DP serie) op de PEDAL HOLD jack op het achterpaneel is aangesloten, kunt u de pedaalschakelaar indrukken om te maken dat noten doorklinken of

‘vastgehouden’ worden, ook nadat de toetsen zijn losgelaten.

fig.02-010

Voor details over de instelling, zie p.287.

Control pedaal

Als een optioneel expressiepedaal (EV-5, DP serie) op de PEDAL CONTROL jack (1, 2) op het achterpaneel is aangesloten, kan het pedaal gebruikt worden om het volume of andere functies te regelen.

fig.02-011

Roland

De manier waarop het geluid verandert, is afhankelijk van de instellingen. Voor details over instellingen van parameters die met het pedaal worden bestuurd, zie

‘ Instellingen voor het

Control pedaal maken ’ (p.77).

Gebruik alleen het gespecificeerde expressiepedaal of de pedaalschakelaar (EV-5, DP serie, BOSS FS-5U, apart verkrijgbaar). Als andere expressiepedalen worden aangesloten kunnen storingen en/of beschadigingen aan het apparaat ontstaan.

31

Overzicht van de Fantom-G

Hoe de Fantom-G is gestructureerd

Basis structuur

In zijn algemeenheid bestaat de Fantom-G uit een controller sectie, geluidsgenerator sectie, sequencer sectie en sampler sectie .

fig.04-001.j

Geluidsinvoer

Opnemen Sampling

Sequencer sectie

128 MIDI tracks

24 geluidstracks

Sampler sectie

Afspelen

Geluidsgenerator sectie

Uitvoering Uitvoering

Verschillende geluidseenheden

Tijdens het gebruik van de Fantom-G zult u verscheidene geluidseenheden tegenkomen. Hier wordt een eenvoudige uitleg van deze eenheden gegeven.

Tone

Een Tone is de kleinste geluidseenheid binnen de Fantom-G. U kunt de Tone zelf echter niet spelen. De kleinste geluidseenheid die gespeeld kan worden is de ‘Patch’, dus u kunt Tones zien als geluidsmateriaal waaruit elke Patch is opgebouwd.

fig.04-002.j

Tone

LFO 1 LFO 2

WG TVF TVA

Controller sectie

(regelaars als het toetsenbord, pads en pitch bend hendel)

Controller sectie

Deze sectie omvat het toetsenbord, Pads, Pitch Bend/modulatie hendel, de paneelknoppen, schuifregelaars en D Beam controller, en pedalen, die op het achterpaneel zijn aangesloten.

Geluidsgenerator sectie

Deze sectie genereert geluid in respons op uitvoeringsdata van de controller sectie of sequencer sectie.

Sequencer sectie

Dit is een sequencer met 128 MIDI tracks en 24 geluidstracks. De

MIDI tracks nemen uitvoeringsdata (MIDI) van het toetsenbord,

Pads en andere controllers op. De geluidstracks nemen geluid

(audio) op van een microfoon of gitaar die op de audio ingangsjacks van de Fantom-G is aangesloten.

Sampler sectie

Een sampler is een apparaat, dat geluid van een CD speler of microfoon, die op de geluidsingang of digitale ingang is aangesloten, vastlegt (sampled), en deze Sample als een Wave bestand opslaat.

Een vastgelegde Sample kan op dezelfde manier gebruikt worden als de golfvormen van de geluidsgenerator sectie. Het geluid van de interne geluidsgenerator zelf kan ook gesampled worden (p.258).

De Fantom-G kan WAV/AIFF formaat Wave bestanden van de computer via USB als Samples laden.

Pitch

Envelope

TVF

Envelope

TVA

Envelope

Geluidssignaal Control signaal

Een Tone bestaat uit de volgende vijf elementen.

WG (Wave generator)

Dit selecteert de PCM golfvorm (Wave) die de basis van het geluid vormt, en specificeert hoe zijn toonhoogte zal veranderen.

Alle in de Fantom-G ingebouwde Patches bestaan uit combinaties van Tones, die op PCM golfvormen zijn gebaseerd (waves).

Een ritme Tone (percussie instrument geluid) bevat vier Wave Generators.

TVF (Time Variant Filter)

Dit specificeert hoe de frequentie componenten van het geluid binnen een bepaalde tijd zullen veranderen.

TVA (Time Variant Amplifier)

Dit specificeert volumeverandering en panning.

Envelope

Een envelope specificeert een verandering binnen een bepaalde tijd.

Speciale envelopes zijn beschikbaar voor Pitch, TVF (filter) en TVA

(volume). Als u bijvoorbeeld de tijd, waarbinnen het geluid begint of wegsterft, wilt wijzigen, gebruikt u de TVA Envelope instellingen om de gewenste in tijd variërende volumeverandering te specificeren.

LFO (Low Frequency Oscillator)

Een LFO creëert cyclische verandering (modulatie). Er zijn twee

LFO’s, en beiden kunnen op één aspect van het geluid worden toegepast. WG (toonhoogte), TVF (filter) of TVA (volume). Als een

LFO op de WG toonhoogte wordt toegepast, wordt vibrato geproduceerd. Als deze op de TVF cutoff frequentie wordt toegepast, wordt Wah geproduceerd, en als dit op het TVA volume wordt toegepast wordt tremolo geproduceerd.

32

Overzicht van de Fantom-G

Een ritme Tone (percussie instrument geluid) heeft geen LFO.

Patch

Patches zijn de basis eenheid op de Fantom-G. Deze corresponderen met een individueel instrument zoals ‘piano’, ‘orgel’ of ‘gitaar’. Een

Patch kan uit maximaal vier Tones bestaan. De Structure 1&2 en 3&4 parameters (p.92) bepalen op welke manier de vier Tones gecombineerd worden. Op elke Patch kan een ‘PFX (Patch MFX)’ effect worden toegepast.

fig.04-003.j

Patch

Tone 4

Tone 3

Tone 2

Tone 1

LFO 1 LFO 2

WG

Pitch

Envelope

TVF

TVF

Envelope

TVA

TVA

Envelope

PFX

(PATCH MFX)

Single / Live / Studio modes

De Fantom-G kan in de volgende drie modes werken.

Single mode

Single mode is wanneer u een individuele Patch (of ritme set of

Sample set) speelt, met gebruik van de Fantom-G als piano, orgel, enz. Kies deze mode als u een Patch wilt bewerken om uw eigen originele geluid te creëren.

Live mode

Live mode is ontworpen voor live uitvoeringen. Hiermee kunnen maximaal acht Patches (of ritme of Sample sets) gelijktijdig gespeeld worden.

U kunt bijvoorbeeld Layers (lagen) creëren (p.62), waarin een pianogeluid en een strijkersgeluid gelijktijdig hoorbaar zijn of splits

(p.62), waarbij de rechterhand een pianogeluid speelt, terwijl de linkerhand een basgeluid speelt.

Live set

Instellingen voor Live mode kunnen als een ‘live set’ worden opgeslagen.

Live set

Part 1

Part 2

Part 3

Part 4

Part 5

Part 6

Part 7

Part 8

Patch / Rhythm set / Sample set

Patch / Rhythm set / Sample set

Patch / Rhythm set / Sample set

Patch / Rhythm set / Sample set

Patch / Rhythm set / Sample set

Patch / Rhythm set / Sample set

Patch / Rhythm set / Sample set

Patch / Rhythm set / Sample set

Ritme set

Een ritme set is een groep percussie instrumentgeluiden. Omdat percussie instrument geluiden doorgaans niet gebruikt worden om melodieën te spelen, hoeven deze geen andere toonhoogtes te produceren wanneer ze op het toetsenbord worden gespeeld. Het is wel belangrijk dat u toegang heeft tot zoveel mogelijk percussie instrument geluiden. Daarom wordt in een ritme set door elke noot (nootnummer) van het toetsenbord een ander percussie instrument geluid gespeeld. Op elke ritme set kan een ‘PFX (Patch MFX)’worden toegepast.

fig.04-004.j

Ritme set

Nootnummer 98 (D7)

Nootnummer 97 (C#7)

Nootnummer 36 (C2)

Nootnummer 35 (B1)

Rhythm tone (percussie instrument geluid)

WG (1-4) TVF TVA

Pitch

Envelope

TVF

Envelope

TVA

Envelope

PFX

(PATCH MFX)

Sample set

Op de Fantom-G wordt een portie Wave data, verkregen door geluidsopname of sampling, een Sample genoemd. Een Sample set is een verzameling van zestien Samples, die als set behandeld worden.

U kunt specificeren hoe elke Sample gespeeld wordt als u een Pad of toets indrukt.

Studio mode

Studio mode is ontworpen om u een song te laten opnemen. Het biedt zestien Parts, en u kunt een Patch (of ritme set of Sample set) aan elk Part toewijzen, zodat zestien geluiden tegelijkertijd gebruikt kunnen worden.

Het mixer scherm kan gebruikt worden om het niveau en de pan van alle Parts aan te passen.

Studio set

Instellingen voor Studio mode kunnen als een ‘studio set’ worden opgeslagen.

33

Overzicht van de Fantom-G

fig.04-005.j

Studio set

Part 16

Part 1

Patch /

Rhythm set /

Sample set

Part

Op de Fantom-G is een ‘Part’ een soort locatie of plaats, waaraan een

Patch, ritme set of Sample set toegewezen kan worden.

Live mode biedt acht Parts, en u kunt een Patch, ritme set of Sample set aan elk Part toewijzen. Dit betekent dat u maximaal acht geluiden samen kunt spelen.

Studio mode biedt zestien Parts (de interne geluidsgenerator), en een

Patch, ritme set of Sample set kan aan elk Part worden toegewezen.

Part groep

Naast de interne Parts (de interne geluidsgenerator) biedt de Fantom-G Part groepen voor uitbreidingskaarten 1 en 2, en voor de externe MIDI uitvoer.

Part groep

Intern

EXP 1

EXP 2

Extern

Uitleg

Intern (interne geluidsgenerator)

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Externe MIDI uitvoer

Number of Parts

Live mode: 8

Studio mode: 16

Maximaal 16

* Afhankelijk van de uitbreidingskaart

Maximaal 16

* Afhankelijk van de uitbreidingskaart

16

Over polyfonie

De Fantom-G heeft een maximum polyfonie van 128 gelijktijdige noten. Hier wordt uitgelegd, hoe de polyfonie geteld wordt, en wat er gebeurt als de grens van 128 noten wordt overschreden.

Hoe polyfonie wordt geteld

De Fantom-G kan maximaal 128 noten gelijktijdig produceren. Dit aantal noten varieert, afhankelijk van het aantal noten dat u werkelijk speelt, maar ook het aantal noten dat door elke Patch wordt gebruikt, en het aantal golven dat door elke Tone wordt gebruikt.

Als een Patch wordt gespeeld, wordt de polyfonie als volgt berekend.

(Aantal Patches dat klinkt) x (aantal Tones dat in de op dat moment klinkende Patches wordt gebruikt) x (aantal golven dat door die

Tones wordt gebruikt).

Bijvoorbeeld, als een Patch uit voer Tones bestaat, en deze Tones allen twee golven gebruiken, zal in totaal acht noten polyfonie wor-

34

den gebruikt. Als u in Live mode (multi) of Studio mode speelt, telt u de polyfonie van elk Part om de totale polyfonie van alle Parts te verkrijgen.

* Als u een Realtime time stretch gebruikt, wordt tweemaal zoveel polyfonie gebruikt.

Patch polyfonie

Wanneer u op de Fantom-G meer dan 128 noten tegelijkertijd probeert te spelen, zullen bestaande noten worden uitgeschakeld, te beginnen met de noot die, van alle op dat moment klinkende noten, de laagste prioriteit heeft. Deze prioriteit wordt door de Patch Priority instelling (p.90) gespecificeerd.

U kunt ‘LAST’ of ‘LOUDEST’ als de Patch prioriteit kiezen.

Als u ‘LAST’ kiest worden noten uitgeschakeld, te beginnen met de eerst gespeelde van de op dat moment klinkende noten, als de 128 noten limiet wordt overschreden. Als u ‘LOUDEST’ kiest, worden noten uitgeschakeld te beginnen met de noot die het laagste volume heeft. Normaalgesproken zult u waarschijnlijk ‘LAST’ willen selecteren.

Als u meerdere Patches gebruikt om een ensemble te spelen, is het belangrijk om aan te geven welk Part prioriteit krijgt. Dit wordt met de Voice Reserve instelling (p.141) gespecificeerd. De Patch Priority instelling (p.90) bepaalt hoe de noten van een Patch worden uitgezet.

Voice Reserve

De Fantom-G biedt een Voice Reserve instelling, waarmee een minimaal aantal noten voor elk Part gereserveerd kan worden. Bijvoorbeeld, als u een Voice Reserve instelling van ‘10’ voor Part 16 specificeert, zullen tien noten aan polyfonie gegarandeerd beschikbaar zijn voor het geluid dat door Part 16 wordt gespeeld, zelfs als de algehele Fantom-G zijn 128 noten limiet bereikt. Bij het maken van Voice Reserve instellingen moet u het aantal noten dat u werkelijk wilt spelen, en het aantal noten in de Patches die u gebruikt

(p.141) in overweging nemen.

U kunt Voice Reserve instellingen maken voor maximaal 64 noten voor alle Parts.

Wanneer de geluidstracks van een song worden afgespeeld, heeft de geluidstrack prioriteit over de Voice Reserve instellingen.

Overzicht van de Fantom-G

Over het geheugen

Fantom-G

Internal memory (50 MB)

Project

USB storage

Computer

Load Save

Factory reset

Factory data

Temporary area

Sequencer

2000 phrases

50 songs

32

RPS sets

32 rhythm pattern sets

Project (overwritable)

Samples

2000 samples

Sounds

Patches

USER: 512

Expandable to

512 MB with

DIMM memory

(sold separately)

Live sets

USER: 512

Studio sets

USER: 128

Rhythm sets

USER: 64

Sample sets

128

System

Preset data overwritten

Patches

PRESET: 1664

GM: 256

Live sets

PRESET: 512

Studio sets

PRESET: 8

Rhythm sets

PRESET: 64

GM: 9

Waves

2230

Select

Save Load

USB memory

(sold separately)

Project

Expansion boards

(sold separately)

EXP 2

EXP 1

Project

De grootste geheugen eenheid die door de Fantom-G wordt verwerkt is het ‘project’. Zoals u in de illustratie ziet, bevat een project sequencer data, Samples, geluiden en verscheidene systeeminstellingen. Op de Fantom-G kan één project per keer worden gebruikt.

Preset data

Dit is alleen-lezen data voor Patches, live sets, studio sets, ritme sets en waves.

Intern geheugen

De Fantom-G heeft een intern geheugen, waarin een project opgeslagen kan worden.

Een project kan, indien gewenst, overschreven worden. Het geheugen kan tevens opnieuw op de fabrieksinstelling worden ingesteld

(Factory Reset) (p.280).

Het interne geheugen is ongeveer 50 MB groot. Om een project dat groter is dan 50 MB op te slaan, moet dit in een USB geheugen worden opgeslagen.

Tijdelijk gebied

Als u de Fantom aanzet of een project laadt, wordt de project data in een geheugengebied genaamd het ‘tijdelijk gebied’ geplaatst.

Wanneer een Patch of song wordt bewerkt, wijzigt u de data in dit tijdelijk gebied.

Deze bewerkingen zullen verloren gaan als de stroom wordt uitgezet. Als u de door u gemaakte veranderingen wilt behouden, moet u deze opslaan (SAVE/WRITE).

DIMM geheugen (apart verkrijgbaar)

Maximaal 512 MB aan DIMM geheugen kan geïnstalleerd worden.

Door DIMM geheugen te installeren kunt u langer opnemen of samplen. Voor details over het installeren van DIMM kijkt u bij ‘Het

DIMM geheugen uitbreiden’ (p.308, p.310).

USB geheugen (apart verkrijgbaar)

Het interne geheugen kan één project bevatten, maar in de winkel verkrijgbaar USB geheugen kan meerdere projecten bevatten. Sluit het USB geheugen op de USB MEMORY aansluiting op het achterpaneel aan (p.24). Details over het formatteren van USB geheugen vindt u op p. 280.

* Als het USB geheugen geformatteerd is met gebruik van iets anders dan FAT, kan dit niet door de Fantom-G herkend worden. Gebruik de computer om USB geheugen met het ‘FAT’ of ‘FAT32’ bestandssysteem te formatteren. (Als u Mac OS X gebruikt, formatteert u het

USB geheugen met gebruik van ‘MS-DOS bestandssysteem

(FAT32)’).

USB opslag

Met een USB kabel kan de Fantom-G op de harddisk worden aangesloten, en kunnen (reservekopieën van) projecten uit het interne geheugen of USB geheugen op de harddisk van de computer worden opgeslagen (p.281).

Op de Fantom-G gecreëerde Samples kunnen ook door software op de computer gebruikt worden, en omgekeerd kan de computer software gebruikt worden om Wave data te creëren en deze als Samples op de Fantom-G te gebruiken.

Fabrieksdata

De fabrieksdata is geheugen waarin de fabrieksstatus van het interne geheugen is opgeslagen. Als u de vanuit de fabriek ingestelde

Patches of andere data uit het interne geheugen heeft verwijderd, en deze opnieuw wilt gebruiken, kunt u de Factory Reset handeling uitvoeren (p.280).

* Wanneer belangrijke data gecreëerd is en in het interne geheugen van de Fantom-G is opgeslagen, moet u ervan bewust zijn dat deze data verloren zal gaan als een Factory Reset wordt uitgevoerd. ( De data die op dat moment bewerkt wordt zal tevens verloren gaan ).

35

Overzicht van de Fantom-G

Uitbreidingskaarten (ARX serie, apart verkrijgbaar)

Maximaal twee uitbreidingskaarten (ARX serie, apart verkrijgbaar) kunnen in de Fantom-G geïnstalleerd worden. Een uitbreidingskaart bevat een geluidsgenerator, en zal zowel het aantal beschikbare geluiden als de polyfonie uitbreiden. Details over het installeren van uitbreidingskaarten vindt u bij ‘De uitbreidingskaart installeren’

(p.304, p.306).

Over de interne effecten

Effect types

De Fantom-G bevat de volgende effecteenheden. Instellingen kunnen voor elke eenheid individueel gemaakt worden.

PFX (Patch MFX) (Patch multi-effect)

Dit is een speciale multi-effect eenheid voor de Patch. Dit kan als onderdeel van het geluid van de Patch zelf worden gebruikt.

U kunt kiezen uit 76 types, waaronder distortion en rotary.

MFX (Multi-effect)

Dit is een multi-effect voor algemene doeleinden, dat verscheidene wijzigingen in het geluid kan aanbrengen.

U kunt kiezen uit 78 types, waaronder distortion en rotary.

Chorus

Chorus is een effect dat het geluid dieper en ruimtelijker maakt.

U kunt kiezen of u dit als chorus of als delay wilt gebruiken.

Reverb

Reverb is een effect dat de weerkaatsing simuleert, die karakteristiek is voor geluiden in een zaal of andere akoestische omgeving. U kunt kiezen uit 10 soorten reverb.

Mastering effect

Dit is een stereo compressor (limiter) die op de uiteindelijke uitvoer van de Fantom-G wordt toegepast. Deze werkt onafhankelijk voor de hoge, midden en lage frequentiebanden en comprimeert geluiden die het gespecificeerde volumeniveau overschrijden, waardoor het algehele geluid stabieler wordt.

Input effect

Dit is een effect speciaal voor de externe invoer.

U kunt kiezen uit zes types, waaronder equalizer en compressor.

Over de sequencer

Geluid en MIDI

De sequencer van de Fantom-G kan geluid en MIDI opnemen.

Geluid (Samples)

Geluid (Audio) is een ‘opname’ van het geluid van een microfoon of draagbare geluidsspeler die op de ingangsjacks van de Fantom-G is aangesloten. De opgenomen geluidsdata wordt een ‘Sample’ genoemd. U kunt een song creëren door Samples simpelweg in een geluidstrack te plaatsen.

MIDI (frases)

MIDI neemt uitvoeringsdata van het toetsenbord of de Pads op. De opgenomen MIDI data wordt een ‘frase’ genoemd. Een song kan gecreëerd worden door frases simpelweg in een MIDI track te plaatsen.

In de betekenis, dat beide opname types gebruikt kunnen worden om een uitvoering vast te leggen, is MIDI vergelijkbaar met geluid, maar, terwijl geluidsopnames het ‘geluid’ van de opname vastleggen, legt MIDI de noten en andere control data van een uitvoering vast, en staat toe dat gedetailleerde bewerkingen, zelfs op individuele noot data, vrijelijk gemaakt kunnen worden.

Wat is een song?

Uitvoeringsdata van één compositie wordt een ‘ song’ genoemd. Dit bestaat uit audio tracks 1-24, MIDI tracks 1-128 en een beat track.

fig.04-009.j

Song

Audio track 24

Audio track 2

Audio track 1

Samples

Sample

1

MIDI track 128

Sample

2000

MIDI track 2

MIDI track 1

Frases

Frase

1

Tempo track

Beat track

Frase

2000

36

Overzicht van de Fantom-G

Wat is een Track?

Een track is een gebied, waarin uitvoeringsdata opgenomen kan worden.

Audio tracks 1-24

Er zijn vierentwintig tracks voor het opnemen van geluid.

Samples

Een stukje opgenomen geluidsdata wordt een ‘Sample’ genoemd. In

één project kunnen maximaal 2.000 Samples worden gecreëerd. De

Fantom-G legt Samples vast door middel van sampling (p.258) of door het importeren van WAV/AIFF Wave bestanden via USB van de computer (p.283). Een song kan ook gecreëerd worden door

Samples in een geluidstrack te plaatsen.

Samples ondersteunen ook de Sample Pad functie (p.191), waarmee

Samples gespeeld kunnen worden door simpelweg een Pad in te drukken.

MIDI tracks 1-128

Er zijn 128 MIDI-tracks die MIDI-uitvoeringen kunnen opnemen.

Een MIDI-track kan aan de 16 Parts van de Fantom-G (Studio mode), aan de twee sets van maximaal 16 Parts van de uitbreidingskaarten

(het aantal Parts is afhankelijk van de uitbreidingskaart) of aan de 16

Parts van de externe MIDI-aansluiting worden toegewezen. Aan een enkele Part kunnen meerdere tracks worden toegewezen (tracks 1 en

2 kunnen bijvoorbeeld aan Part 1 van de Fantom-G worden gekoppeld zijn).

Frases

MIDI-data die in een MIDI-track zijn opgenomen, worden een ‘frase’ genoemd. In een individueel project kunnen maximaal 2.000 frases gecreëerd worden. Net als een track kan elke frase een uitvoering van 16 MIDI-kanalen opnemen. Een song kan ook gecreëerd worden door frases simpelweg in een MIDI-track te plaatsen.

Frases ondersteunen ook de RPS-functie waarmee een frase meteen gespeeld kan worden door eenvoudigweg een Pad in te drukken

(p.194), en de Rhythm Pattern functie waarmee ritmepatronen gespeeld kunnen worden door een Pad in te drukken (p.196). Dit betekent dat frases gebruikt kunnen worden om uitvoeringsdata op te nemen die in een live uitvoering gebruikt kan worden.

Frases kunnen ook gebruikt worden om uw muzikale ideeën op te nemen.

Tempo track

De tempo track neemt tempo veranderingen voor de song op.

Gebruik deze als u wilt dat het tempo tijdens de song verandert. Als het tempo vanaf het begin tot het eind van de song hetzelfde blijft, kan de tempo track genegeerd worden.

Als u een song op de Fantom-G opneemt, wordt het tempo dat u ten tijde van de opname specificeert, aan het begin van de tempo track opgeslagen.

Dit betekent dat dit tempo altijd gebruikt wordt wanneer de song wordt afgespeeld.

Op deze manier worden songs afgespeeld volgens de data in hun tempo track, maar als u het tempo tijdens het afspelen verandert, zal het algehele tempo van de hele song dienovereenkomstig veranderen.

Beat track

De beat track neemt de maatsoort informatie van elke maat van de song op. U zult beat track instellingen maken als een nieuwe wordt opgenomen of als u wilt dat de maatsoort tijdens de song verandert.

Songs en de status van de geluidsgenerator

De sequencer van de Fantom-G is altijd beschikbaar, ongeacht de mode van de geluidsgenerator (Single, Live of Studio).

In de Studio mode kunt u aparte uitvoeringen voor elk Part opnemen, met gebruik van maximaal zestien geluiden. Dit maakt de Studio de ideale keuze voor het opnemen of afspelen van een song waarin een ensemble van meerdere instrumenten zoals drums, bas en piano wordt gebruikt.

SMF (Standard MIDI File .MID)

SMF (Standard MIDI File/Standaard MIDI-bestand) is een bestandsformaat waarmee uitvoeringsdata tussen muziektoepassingen kan worden uitgewisseld. Op de Fantom-G gecreëerde songs kunnen als

Standaard MIDI-bestanden worden opgeslagen (p.256). De Fantom-

G kan ook in de winkel verkrijgbare muziekdata, die compatibel is met het GM/GM2 (GM Scores) systeem, afspelen.

37

Overzicht van de Fantom-G

Over de sampling sectie

De sampling sectie ‘samples’ (d.w.z. neemt op) geluidsinvoer van een externe bron, zoals een geluidsapparaat of microfoon. Deze gesamplede geluiden kunnen als een patch of ritme set worden gespeeld. Ook kunnen WAV/AIFF formaat bestanden geïmporteerd en op dezelfde manier gebruikt worden.

Samples

Een ‘Sample’ verwijst naar een golfvorm (Wave), geproduceerd door samplen op de Fantom-G. Een Sample bestaat uit golfvorm data samen met parameters zoals startpunt, loop start en loop end. De

Fantom-G kan maximaal 2.000 Samples voor een individueel project opslaan.

fig.04-011.j

Sample

Drumgeluid

Sampling

Wave

(sample)

Sample lijst

Automatisch toegevoegd

0001

0002

User Sample

2000

38

Basisbediening van de Fantom-G

Veranderen van geluidsgenerator mode

De Fantom-G biedt drie geluidsgenerator modes: Single, Live, en

Studio. U kunt overschakelen naar de geluidsgenerator mode die het beste past bij de manier waarop u de Fantom-G gebruikt.

Single mode

Deze mode is voor het spelen van één geluid (Patch, ritme set,

Sample set) per keer.

<De Single mode selecteren>

1.

Druk op [SINGLE]..

Live mode

Deze mode is voor het combineren van meerdere geluiden (Patches, ritme sets, Sample sets), zodat deze tijdens een live uitvoering gespeeld kunnen worden.

Patches kunnen opgestapeld worden zodat deze gelijktijdig klinken of over het toetsenbord verspreid worden (split), zodat ze met aparte handen gespeeld kunnen worden.

<De Live mode selecteren>

1.

Druk op [LIVE]..

fig.04-015_50 fig.04-014_50

‘Spelen in de Single Mode’ (p.46)

‘Spelen in de Live Mode’ (p.58)

Studio mode

Deze mode is voor het opnemen van een song met gebruik van meerdere geluiden (Patches, ritme sets, Sample sets).

Deze mode is ideaal als u mix parameters zoals niveau en pan voor de zestien Parts wilt aanpassen.

<De Studio mode selecteren>

1.

Druk op [STUDIO]..

fig.04-016_50

‘Spelen in de Studio Mode’ (p.66)

39

Basisbediening van de Fantom-G

Hoe de functie knoppen werken

De acht knoppen [F1]-[F8] onder in het scherm (de functie knopen) worden gebruikt voor het uitvoeren van verscheidene functies. Hun functie hangt af van het scherm dat op dat moment wordt weergegeven. De huidige functies van deze knoppen worden onder in het scherm getoond.

fig.04-017

De cursor verplaatsen

Een enkel scherm of venster kan meerdere onderdelen (parameters) bevatten, die ingesteld of geselecteerd kunnen worden. Als u de instelling van een parameter wilt wijzigen, verplaatst u de cursor naar de waarde van de betreffende parameter. Om een onderdeel te selecteren verplaatst u de cursor naar het gewenste onderdeel. De waarde of het onderdeel dat met de cursor is geselecteerd zal oplichten. fig.04-019.j

Cursor

Gebruik verplaatsen.

fig.04-020

/ / / (cursor knoppen) om de cursor te

Vensters

Een klein scherm dat binnen het normale scherm wordt getoond, wordt een ‘venster’ genoemd. Verscheidene types vensters zullen verschijnen tijdens het bedienen van de Fantom-G.

Sommige vensters tonen lijsten, en met anderen kunt u instellingen maken of handelingen bevestigen.

fig.04-018.j

Om een venster te sluiten drukt u op [EXIT]. Sommige vensters sluiten automatisch als u een handeling uitvoert.

: verplaatst de cursor naar boven.

: verplaatst de cursor naar beneden

: verplaatst de cursor naar links.

: verplaatst de cursor naar rechts.

Als u een cursor knop ingedrukt houdt en dan de tegenovergestelde cursor knop indrukt, zal de cursor sneller bewegen in de richting van de knop die u het eerst heeft ingedrukt.

In sommige gevallen zal een lijst van de te selecteren parameters verschijnen als u [ENTER] indrukt, terwijl de cursor wordt weergegeven. Dit is een handige manier om de keuzes die u heeft te bekijken. Wanneer een lijst wordt getoond kunt u ook de Pads gebruiken om uw keuze in te voeren (p.41).

De muis gebruiken om selecties te maken

Als u een USB muis gebruikt, kunt u de cursor verplaatsen door de muis op een parameterwaarde te klikken.

40

Basisbediening van de Fantom-G

Een waarde bewerken

Om een waarde te bewerken kunt u de VALUE draaiknop of [INC]

[DEC] gebruiken.

In alle schermen van de Fantom-G verplaatst u de oplichtende cursor naar de waarde die u wilt bewerken. Vervolgens bewerkt u de waarde.

VALUE draaiknop

Draai de VALUE draaiknop naar rechts om de waarde te verhogen of naar links om deze te verlagen. De waarde zal met grotere stappen veranderen als u [SHIFT] ingedrukt houdt, terwijl u aan de

VALUE knop draait.

Het Pad voor numerieke invoer gebruiken

Als u op de [NUMERIC] Pad knop drukt, zullen de Pads als numerieke toetsen werken.

Wanneer de cursor zich op een parameterwaarde bevindt, zal een venster openen waar de waarde gespecificeerd kan worden als u op [ENTER] drukt (of rechts klikt op de muis). Een waarde kan gemakkelijk geselecteerd worden door of in te drukken om de gewenste waarde te selecteren en dan op

[ENTER] te drukken.

[INC], [DEC]

Druk op [INC] om een waarde te verhogen of op [DEC] om deze te verlagen. Om de waarde voortdurend te laten stijgen of dalen houdt u de knop ingedrukt. Om de waarde snel te laten stijgen houdt u

[INC] ingedrukt en dan drukt u op [DEC]. Omgekeerd, om de waarde snel af te laten nemen, houdt u [DEC] ingedrukt en drukt u op [INC].

De waarde zal met grotere stappen veranderen als u [SHIFT] ingedrukt houdt, terwijl [INC] of [DEC] wordt ingedrukt.

Elk Pad voert de volgende waardes in:

Pad

1–9

10

11

12

15

16

ROLL

HOLD

Ingevoerde waarde

1–9

0

+

-

, (komma)

BS (backspace)

Cancel

Enter

Als u de waarde heft ingevoerd drukt u op [ENTER] om uw invoer te bevestigen. Indien u besluit te annuleren, drukt u op [EXIT].

De knoppen voor invoer gebruiken

Wanneer er kleinere cijfers in het scherm getoond worden ( ,

, , ), kunt u knoppen 1-4 gebruiken om de corresponderende parameters te bewerken.

De muis gebruiken voor invoer

Sleep omhoog/naar beneden of links/rechts op de waarde of de knop. Omhoog of naar rechts slepen zal de waarde doen toenemen, en omlaag slepen of naar links zal de waarde doen afnemen.

41

Basisbediening van de Fantom-G

Cijfers

Een naam toewijzen

Op de Fantom-G kunt u elke Patch, ritme set, live set, studio set, song, frase of Sample een naam geven wanneer u deze opslaat.

De procedure is hetzelfde voor alle objecten die u van een naam wilt voorzien.

1.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de positie waarop u een teken wilt invoeren te verplaatsen.

fig.04-022a

Tijdens het toewijzen van een naam aan een songbestand kunnen spaties, kleine letters of bepaalde symbolen (\ / : , ; * ? ”

< > |) niet gebruikt worden.

Een muis gebruiken om tekens in te voeren

Als u een USB-muis gebruikt, kunt u met gebruik van een virtueel toetsenbord tekens invoeren.

1.

Klik de muis op het toetsenbord icoon naam invoerscherm wordt getoond.

Het virtuele toetsenbord verschijnt.

dat in het

2.

Klik de muis op het toetsenbord om tekens in te voeren.

3.

Druk op [F8 (OK)] of klik hier met de muis op, om de invoer te voltooien.

Als u het virtuele toetsenbord voor invoer gebruikt, zal dit, de volgende keer dat u een naam invoert, opnieuw getoond worden.

2.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC], [DEC] om het teken dat u wilt invoeren te specificeren.

• [F5 (Delete)]: verwijdert het teken waarbij de cursor is geplaatst, en verplaatst daarop volgende tekens

één plaats vooruit.

• [F6 (Insert)]: voegt een spatie op de cursor locatie in.

• [F7 (Cancel)]: annuleert de procedure van het invoeren van de naam.

• [F8 (OK)]: bevestigt de naam.

• [ ] [ ]:

• [ ] [ verplaatst de cursor.

]: wisselt af tussen hoofdletters en kleine letters.

De volgende tekens kunnen gebruikt worden

Spatie, A–Z, a–z, 0–9, ! ” # $ % & ’ ( ) * + , - . / : ; < = > ? @ [ \ ] ^

` { | }

42

Basisbediening van de Fantom-G

Basis Pad handelingen

Details over het gebruik van de Pads vindt u bij ‘ De Pads gebruiken ’(p.188).

De Pad mode veranderen

De Pads hebben zestien modes. Druk op [PAD MODE] om naar de

Pad mode over te schakelen.

1.

Druk op [PAD MODE].

[PAD MODE] knippert, en de op dat moment geselecteerde

Pad mode (Pad [1]-[16]) knippert.

Als u besluit om niet van Pad mode te veranderen, drukt u nogmaals op [PAD MODE].

[PAD MODE] dooft uit en u keert naar de voorgaande status terug.

2.

Druk op een Pad [1]-[16].

De Pad mode wordt veranderd. De volgende tabel toont wat de

Pads in elke mode doen, en een pagina referentie waar u meer te weten kunt komen.

Pad nummer

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

Pad mode Uitleg

SAMPLE PAD

RHYTHM

CHORD MEMORY Verander de akkoordvorm van de Chord Memory functie (p.80).

ARPEGGIO

RPS

RHYTHM PTN

Verander de stijl van de Arpeggio functie (p.78).

Speel frases.

Speel ritmepatronen.

TONE SEL/SW

Speel een Sample set

Speel een ritme set.

TRACK MUTE

BOOKMARK

MIDI TX SW

Functioneert als Tone selectie aan/uit schakelaars

Verander de mute status van de sequencer tracks.

Veelgebruikte schermen die u voor elk Pad geregistreerd heeft oproepen.

Functioneert als aan/uit schakelaars voor externe MIDI zendkanalen (1-16).

EFFECT SW

PATCH MFX SW

Part SELECT

Part MUTE

USER GROUP

FAVORITE

Functioneert als effect schakelaars (behalve voor Patch multieffect).

Functioneert als effect schakelaars voor elk Part.

Selecteert Parts (1-16) en banken

(INT/EXP1/EXP2/EXT)

Verander de mute status van

Parts (1-16) en banken (INT/

EXP1/EXP2/EXT).

Opslaan/laden van User groep

Patches, live sets of studio sets.

Opslaan.laden van favoriete instellingen.

Pagina referentie p. 191 p. 192 p. 193 p. 193 p. 194 p. 196 p. 197 p. 197 p. 198 p. 198 p. 199 p. 199 p. 200 p. 200 p. 201 p. 202

De Pad instellingen bekijken

Druk op [PAD SETTING] en het instelling/informatiescherm van de op dat moment geselecteerde

Pad mode verschijnt.

Om terug te gaan naar waar u was, drukt u nogmaals op

[PAD SETTING], zodat zijn verlichting uitdooft.

De Pads als numerieke toetsen gebruiken

Als u op PAD [NUMERIC] drukt werken de Pads als numerieke toetsen. → ‘ De Pads voor numerieke invoer gebruiken ’ (p.41).

43

Basisbediening van de Fantom-G

Shortcut Menu

Door de [DISPLAY] knop in te drukken kunt u direct naar de belangrijkste schermen springen.

1.

Druk op [DISPLAY].

Het Shortcut menu verschijnt.

Het Shortcut menu kan ook geopend worden door met de USB muis op het shortcut icoon te klikken.

2.

Druk op or om het scherm te selecteren waarnaar u wilt springen, en druk dan op [F8 (Select)].

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Lijst van shortcut menu

Menu

Studio Play/Live Play/Single Play

Patch Zoom Edit

Patch Pro Edit

Song Play/Song Edit

Sample Edit

Effects Routing

Sampling

Input Setting

Digital/USB Input Level

Master Level

Pad Setting

Pagina p. 66, p. 58. p. 46 p. 84 p. 86 p. 205, p. 232 p. 266 p. 151 p. 260 p. 258 p. 297 p. 293 p. 190

44

02: Geluidsgenerator, sectie 1 (

geluiden spelen

)

In dit hoofdstuk worden de drie modes, waarin de geluidsgenerator van de Fantom-

G kan werken, uitgelegd.

• Single Mode .............................................................. p. 46

• Live Mode .................................................................. p. 58

• Studio Mode .............................................................. p. 66

Spelen in de Single Mode

In de Single mode worden het toetsenbord en de Pads gebruikt om een individueel geluid (Patch/ritme set/Sample set) te spelen.

Functies in het Single Play scherm

fig.05-005.e

1 2 3 4

5

6

Over het Single Play scherm

Het Single Play scherm weergeven

Voor toegang tot het Single Play scherm gebruikt u de volgende procedure.

1.

Druk op [SINGLE]..

9

8

7

U gaat naar de Single mode, en het Single Play scherm verschijnt.

F-toets handelingen in het Single Play scherm

F-toets

F1

Patch List

F3

Part View

F4

Control

F5

PFX

F6

User Group

F7

Patch Edit

F8

Tone Sw/Sel

Uitleg

Selecteert een geluid (Patch).

Maakt gedetailleerde instellingen voor elk

Part (toetsenbord, Sample Pad, ritme Part).

Selecteer de parameters die door de Realtime controllers en de D Beam controller bestuurd worden.

Toegang tot het PFX (Patch Multi-effect) bewerkingsscherm.

Toegang tot het User groep lijst scherm, waar u vaak gebruikte Patches kunt registreren.

Bewerk een Patch.

Selecteer de Tones die hoorbaar zullen zijn.

Pag.

p. 49 p. 51 p. 51 p. 157 p. 201 p. 84 p. 50

10 11

Nummer

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

Uitleg

Geeft de huidige geluidsgenerator mode weer.

Pag.

p. 39

Geeft de aan/uit status van elk effect aan.

PFX Patch multi-effect

MFX1 Multi-effect 1

MFX2 Multi-effect 2

IFX

CHO

REV

MAS

Input effect

Chorus

Reverb

Mastering effect

Geeft de huidige locatie van de song aan, en de status van de sequencer.

De Menu/Exit/Shortcut knoppen voor de USB muis.

Geeft aan/selecteert de Part groep, het Part nummer,

Patch type, bank, nummer en naam van de geselecteerde Patch, ritme set of Sample set.

Geeft aan/selecteert de Patch categorie en specificeert of de categorie afgesloten wordt.

Geeft de Pad mode aan.

p. 150 p. 205 p. 26 p. 47 p. 48 p. 188

Geeft aan/selecteert de Part groep, het Part, Pad type, bank, nummer en naam van de ritme set of

Sample set die voor de Pads is geselecteerd.

Geeft de functies aan die aan de Realtime controller schuifregelaars (1-8), knoppen (1-4) en de S1/S2 schakelaars zijn toegewezen.

Geeft de ‘ Bend Mode del aan.

’(p.97) van de Pitch Bend hen-

Geeft de functie die aan de D Beam controller is toegewezen aan, en de status van de D Beam controller respons.

p. 52 p. 51 p. 97 p. 72

46

Spelen in de Single Mode

Een Patch selecteren

De Fantom-0G heeft vier Patch banken: User, Preset, User Sample en

GM.

USER

Dit is de bank binnen de Fantom-G die herschreven kan worden.

Patches die u creëert kunnen in deze bank worden opgeslagen. U kunt 512 Patches opslaan.

PRST (Preset)

Dit is de bank binnen de Fantom-G die niet herschreven kan worden.

De instellingen van de op dat moment geselecteerde Patch kunnen echter gewijzigd worden, waarna de gewijzigde Patch in een User bank opgeslagen kan worden.

GM (GM2)

Dit is een interne bank van Patches die compatibel zijn met General

MIDI 2, een systeem van MIDI functie specificaties dat ontworpen is om verschillen tussen makers en types apparaten te overstijgen.

Deze Patches kunnen niet overschreven worden. De instellingen van de op dat moment geselecteerde Patch kunnen wel gewijzigd worden, waarna de gewijzigde Patch in een User bank opgeslagen wordt. De Fantom-G heeft 256 preset Patches.

USAM (User Sample)

Met deze bank kunnen de interne Samples van de Fantom-0G gespeeld worden.

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan.

fig.05-001.e

Patch-type Patch-bank Patch-categorie

Patch-nummer / Patch-naam

2.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar de Patch bank te verplaatsen.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC], [DEC] om de Patch bank te kiezen:

USER:

PRST:

User

Preset

GM: (GM2)

USAM: User Sample

* Zorg, dat het Patch type op ‘Patch’ is ingesteld.

Als dit op ‘Rhythm’ of ‘Sample’ is ingesteld gebruikt u [CURSOR] om de cursor naar het Patch type te verplaatsen, en draait u aan de

VALUE draaiknop of drukt u op [DEC] om ‘Patch’ te selecteren.

3.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar het Patch nummer te verplaatsen.

4.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC], [DEC] om een Patch nummer te selecteren.

De Pads kunnen ook als numerieke toetsen gebruikt worden, om nummers (Patch nummers) in te voeren.

‘ Het Pad gebruiken voor numerieke invoer ’ (p.41).

5.

Speel op het toetsenbord om het geluid te beluisteren.

De volgende methodes kunnen ook gebruikt worden om een

Patch te selecteren.

‘Patches op categorie selecteren (Patch Finder)’ (p.48)

‘Patches uit de lijst selecteren’ (p.49).

47

Spelen in de Single Mode

Patches op categorie selecteren

(Patch Finder)

De Fantom-G voorziet in een ‘Patch Search’ functie (Patch Finder), waarmee u een type (categorie) Patch kunt specificeren, zodat de gewenste Patch snel te vinden is. In totaal zijn er 38 categorieën.

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan.

fig.05-001.e

Patch-type Patch-bank Patch-categorie

Patch-nummer / Patch-naam

* Zorg, dat het Patch type op ‘Patch’ is ingesteld.

Als dit op ‘Rhythm’ of ‘Sample’ is ingesteld gebruikt u [CURSOR] om de cursor naar het Patch type te verplaatsen, en draait u aan de

VALUE draaiknop of drukt u op [DEC] om ‘Patch’ te selecteren.

2.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de ‘Patch Category’ te verplaatsen, en draai aan de VALUE draaiknop of druk op

[INC] [DEC] om de gewenste categorie te selecteren.

3.

Druk op om de cursor naar ‘Categ Lock’ te verplaatsen, en draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] om dit op

‘ON’ in te stellen.

4.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de Patch bank of het

Patch nummer te verplaatsen, en draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de Patch te selecteren.

Als de cursor zich op de Patch bak bevindt, kunt u de bank selecteren. Als de cursor zich op het Patch nummer bevindt, kunt u het nummer specificeren.

Het staat u vrij de categorie van een Patch te veranderen, door de ‘ Patch Category ’ parameter (p.89) in het Patch Pro Edit scherm (p.86) te bewerken.

PLS

FX

SYN

BPD

SPD

VOX

PLK

ETH

FRT

PRC

WND

FLT

BRS

SBR

SAX

HLD

SLD

TEK

SFX

BTS

DRM

CMB

Categorie

- - -

PNO

EP

KEY

Geen toewijzing

Akoestische piano

Elektrische piano

Keyboards

BEL

MLT

ORG

ACD

HRM

AGT

EGT

DGT

BS

SBS

STR

ORC

HIT

Bell

Mallet

Organ

Accordion

Harmonica

AC.Guitar

EL.Guitar

DIST.Guitar

Bass

Synth Bass

Strings

Orchestra

Hit&Stab

Wind

Flute

AC.Brass

Synth Brass

Sax

Hard Lead

Soft Lead

Techno Synth

Pulsating

Synth FX

Other Synth

Bright Pad

Soft Pad

Vox

Plucked

Ethnic

Fretted

Percussion

Sound FX

Beat&Groove

Drums

Combination

De volgende categorieën kunnen geselecteerd worden.

Inhoud

No assign

Acoustic Piano

Electric Piano

Overige toetsenborden

(Clav, Harpsichord, enz.)

Bell, Bell Pad

Mallet

Elektrisch en kerkorgel

Accordeon

Harmonica, Blues harp

Akoestische gitaar

Elektrische gitaar

Vervormde gitaar

Akoestische en elektrische bas

Synth bas

Strijkers

Orkest ensemble

Blaasinstrumenten (Hobo, klarinet, enz.)

Fluit, Piccolo

Akoestische koperblazers

Synth koperblazers

Sax

Hard Synth Lead

Soft Synth Lead

Techno Synth

Pulserende Synth

Synth FX (Noise, enz.)

Poly Synth

Bright Pad Synth

Soft Pad Synth

Stem, koor

Getokkeld (harp, enz.)

Overig etnisch

Fret instr. (mandoline, enz.)

Percussie

Geluidseffecten

Beat and Groove

Drumset

Andere Patches die Split en

Layer gebruiken

Overige toetsenborden

(Clav, Harpsichord, enz.)

U kunt geen categorieën selecteren voor rhythm sets of sample sets.

48

Spelen in de Single Mode

Patches uit de lijst selecteren

Een lijst met Patches kan weergegeven worden, en een Patch kan uit die lijst geselecteerd worden.

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan.

Patches beluisteren

(Phrase Preview)

Met de Fantom-G kunt u Patches van tevoren beluisteren, door naar een frase te luisteren die past bij elk type Patch.

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan.

2.

Druk op [F1 (Patch List)].

Het Patch lijst scherm verschijnt.

fig.05-008_50

2.

Druk op [F1 (Patch List)] om naar het Patch List scherm te gaan.

fig.05-009_50

U kunt [F3 (Patch)], [F4 (Rhythm Set)] en [F5 (Sample Set)] gebruiken om tussen Patch types (Patches, ritme sets, Sample sets) af te wisselen.

3.

Gebruik [F1] [F2] of / om een categorie te selecteren.

U kunt ook de voorpaneel [Knob 4] gebruiken om een categorie te selecteren, en [Slider 8] gebruiken om door de lijst te bladeren

(Scroll).

‘ Magic Control ’ (p.209).

U kunt geen categorieën selecteren voor rhythm sets of sample sets.

4.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] of

/ om een Patch te selecteren.

U kunt op [F7 (Preview)] drukken om de Patch te beluisteren met gebruik van een geschikte frase, die van te voren voor elke categorie is ingesteld (Phrase Preview).

Door [F6 (User Group)] in te drukken kunt u een vaak gebruikt geluid in de User groep opslaan. Voor details, zie ‘ Een geluid in het User groep scherm opslaan ’ (p.201).

Als u een USB muis gebruikt, kunt u op het toetsenbord symbool in het scherm klikken, en zoeken met gebruik van het virtuele toetsenbord dat in het scherm verschijnt.

5.

Druk op [F8 (Select)] om de selectie van de Patch te bevestigen.

3.

Druk op [F7 (Preview)], en houd dit ingedrukt.

De Patch die in het Patch List scherm is geselecteerd zal te horen zijn.

4.

Haal uw vinger van [F7 (preview)], en de frase zal stoppen met spelen.

Als u de manier waarop de frase door Phrase Preview wordt gespeeld wilt veranderen, kunt u de Preview Mode parameter

(p.296) bewerken.

49

Spelen in de Single Mode

De Tones die zullen klinken selecteren

Omdat een Patch een combinatie van maximaal vier Tones is, kunt u ongewenste (Tones vanuit de vier) uitzetten, en alleen het geluid van een specifieke Tone verkrijgen.

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan.

Individuele noten spelen

(Monofoon)

Wanneer een Patch voor een natuurlijk monofoon instrument, zoals een sax of fluit, wordt gebruikt, is het effectief om in mono te spelen.

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan.

2.

Druk op [F8 (Tone SW/Sel)].

Het Tone Switch/Select venster verschijnt.

fig.05-014_50

2.

Druk tweemaal op [PATCH] om naar het Patch Pro Edit scherm te gaan.

3.

Druk op [F1 (Tone Sw)] – [F4 (Tone Sw)] om elke Tone aan of uit te zetten. De instelling wordt elke keer als u op de knop drukt aan en uitgezet.

4.

Druk op [EXIT] om het venster te sluiten.

Als u slechts één of twee Tones in een Patch wilt laten klinken, zet u de anderen uit, en slaat u die instelling in een Patch op.

Hiermee wordt overbodig gebruik van de gelijktijdige stemmen van de Fantom-G voorkomen.

De Pads kunnen ook gebruikt worden om Tones te selecteren en deze aan/uit te zetten (p.197).

3.

Druk op [F1 (Up)] of [F2 (down)] om de ‘Solo/Porta’ tab te selecteren.

Een scherm zoals dat hieronder verschijnt.

fig.05-015_50

4.

Druk op verplaatsen.

of om de cursor naar ‘Mono/Poly’ te

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [DEC] om ‘MONO’ te selecteren.

Nu kunt u in de mono mode spelen.

Als u ‘MONO/POLY’ als een functie toewijst, die door de toewijsbare schakelaar ([S1] [S2]) wordt bestuurd, kunt u gemakkelijk tussen mono en poly schakelen door een knop in te drukken (p.77).

50

Spelen in de Single Mode

Part instellingen (Part View)

De Single mode heft de volgende drie Parts:

Part Uitleg

1 Keyboard Het Part dat hoorbaar is als u op het toetsenbord speelt.

7 Sample

Pad

Het Part dat hoorbaar is als u de Pads op de ‘ 1 SAMPLE PAD (De Pads gebruiken om Samples te spelen) ’ (p.191) mode instelt.

8 Rhythm

Pad

Het Part dat hoorbaar is als u de Pads op de ‘ 2 RHYTHM (De Pads gebruiken om een ritmeset te spelen) ’ (p.192) mode instelt.

In het Part View scherm kunnen het volume en de pan van deze drie

Parts bekeken en bewerkt worden.

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan.

De parameter die door de

Realtime Controllers of D Beam controller wordt bestuurd selecteren (Control Setting)

Met de Fantom-G kunt u de parameters toewijzen die beïnvloed worden als de 1-4 knoppen, 1-8 schuifregelaars, S1/S2 schakelaars,

D Beam, Pitch Bend of modulatie hendel worden bediend. Op die manier kan het geluid, door de controllers te bedienen, op verschillende manieren gewijzigd worden.

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan..

2.

Druk op [F3 (Part View)].

Het Part View scherm verschijnt.

fig.08-017_50

3.

Druk op [F1 (Up)] of [F2 (Down)] om de parametergroep te selecteren.

4.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de parameter te verplaatsen.

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de waarde in te stellen.

6.

Als u de instellingen wilt behouden, drukt u op [F7 (Sys

Write)].

Wanneer de Single mode is geselecteerd, kunnen Part instellingen niet voor elke individuele Patch worden opgeslagen. Part instellingen worden als systeem instellingen opgeslagen.

7.

Als de instellingen zijn gemaakt drukt u op [EXIT] om naar het Single Play scherm terug te keren.

Zie ‘ Level/Pan (Als de Part groep Internal/EXP1/EXP2 is) ’

(p.134) – ‘ MIDI Rx Filter ’ (p.114) voor de functies van elke parameter.

2.

Druk op [F4 (Control)].

Het Control Setting scherm verschijnt.

3.

Druk op [F1 (Up)] of [F2 (Down)] om de parametergroep te selecteren.

4.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de parameter te verplaatsen.

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de waarde in te stellen.

6.

Als u de instellingen wilt behouden, drukt u op [F7 (Sys

Write)].Wanneer de Single mode is geselecteerd, kunnen controller instellingen niet voor elke individuele Patch worden opgeslagen. Controller instellingen worden als systeem instellingen opgeslagen.

7.

Als de instellingen zijn gemaakt drukt u op [EXIT] om naar het Single Play scherm terug te keren.

Zie ‘ D Beam ’ (p.143) – ‘ Ctrl Switch ’ (p.147) voor de functies van elke parameter.

Controller Reset

In Single mode,kunt u [SHIFT] ingedrukt houden en op [SINGLE] drukken om de controllers te resetten.

Naast controllers zoals de bender, de modulatiehendel en de pedalen, worden ook de waarden van de volgende part parameters geïnitialiseerd.

Cutoff Offset, Resonance Offset, Attack Time Offset, Release

Time Offset, Decay Time Offset, Vibrato Rate, Vibrato Depth,

Vibrato Delay

51

Spelen in de Single Mode

Percussie instrumenten spelen

(Rhythm Set)

In de Single mode kunt u percussie instrumenten vanaf het toetsenbord spelen door een ritme set te selecteren.

De Pads kunnen ook gebruikt worden om een ritme set te spelen.

p.192.

Pad Mode (Rhythm)

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan.

fig.05-023.efig.05-023.e

Patch type Ritme set bank

Rhythm Set-bank Rhythm Set-nummer

Een ritme set selecteren

De Fantom-G heeft drie ritme set banken, de User bank, Preset bank en GM bank. In de User bank bevinden zich 64 ritme sets, in de Preset bank 64 ritme sets, en er zijn 9 ritme sets in de GM bank.

USER

Dit is de bank binnen de Fantom-G die herschreven kan worden. De ritme sets die u creëert kunnen in deze bank worden opgeslagen. U kunt 64 ritme sets opslaan.

PRST (Preset)

Dit is de bank binnen de Fantom-G die niet herschreven kan worden.

U kunt echter de instellingen van de op dat moment geselecteerde ritme set wijzigen, en de gewijzigde instellingen in de User bank opslaan. De Fantom-G bevat 64 preset ritme sets.

GM (GM2)

Dit is een interne bank met ritme sets, compatibel met General MIDI

2, een systeem van MIDI functie specificaties dat ontworpen is om de verschillen tussen makers en apparaat types te overstijgen. Deze ritme sets kunnen niet overschreven worden. U kunt echter de instellingen van de op dat moment geselecteerde ritme set wijzigen, en de gewijzigde instellingen in de User bank opslaan. De Fantom-G bevat 9 preset ritme sets.

Ritme set nummer

* Zorg, dat het Patch type op ‘Rhythm’ is ingesteld. Als dit op ‘Patch’ of

‘Sample’ is ingesteld gebruikt u [CURSOR] om de cursor naar het

Patch type te verplaatsen, en draait u aan de VALUE draaiknop of drukt u op [DEC] om ‘Rhythm’ te selecteren.

2.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar de ritme set bank te verplaatsen.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de ritme set bank te selecteren:

USER:

PRST:

User

Preset

GM: GM (GM2)

4.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar het ritme set nummer te verplaatsen.

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om het ritme set nummer te selecteren.

6.

Speel op het toetsenbord om het geluid te beluisteren.

52

Een Sample Set spelen

In de Single mode kunt u een Sample set selecteren en de Samples vanaf het toetsenbord spelen.

De Pads kunnen ook gebruikt worden om een Sample set te spelen. → p.191

Pad Mode (Sample Pad)

Sample Set-nummer

Een Sample set selecteren

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan.

fig.05-023.e

Patch type

Sample set nummer

* Zorg, dat het Patch type op ‘Sample’ is ingesteld. Als dit op ‘Patch’ of

‘Rhythm’ is ingesteld gebruikt u [CURSOR] om de cursor naar het

Patch type te verplaatsen, en draait u aan de VALUE draaiknop of drukt u op [DEC] om ‘Sample’ te selecteren.

2.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar het Sample set nummer te verplaatsen.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om het Sample set nummer te selecteren.

4.

Speel op het toetsenbord om het geluid te beluisteren.

* Voor een Sample set zijn de zestien Samples onder toetsen B3-D5 geplaatst.

Spelen in de Single Mode

53

Een lijst met veelgebruikte geluiden creëren (Favorite)

U kunt een lijst met geluiden maken die u vaak tijdens een live uitvoering gebruikt, en deze geluiden direct oproepen. Elk type geluid kan geregistreerd worden: Patches, ritme sets, Sample sets, live sets, studio sets of songs. Op die manier kan elk geluid dat u voor uw uitvoering nodig heeft direct opgeroepen worden.

In een bank kunnen zestien geluiden (stappen) worden geregistreerd, en er kunnen zestien van deze banken gecreëerd worden.

Bijvoorbeeld, tot zestien geluiden (stappen) die u in de eerste song van de live uitvoering gebruikt, kunnen in bank 1 geregistreerd worden, in de volgorde waarin deze in de song verschijnen.

Een geluid registreren (Regist)

1.

Ga naar het scherm van de Patch (of ritme set, Sample set, live set of studio set) die u wilt registreren.

2.

Druk op [FAVORITE].

4.

Gebruik de cursorknoppen of om het nummer (stap) te selecteren, waarin u het geluid wilt registreren.

Het geluid kan in elk van de zestien stappen geregistreerd worden. Het is handig om de geluiden te registreren in de volgorde waarin ze in de song of tijdens een live uitvoering worden gebruikt.

5.

Druk op [F8 (Regist)] om het geluid te registreren.

Als u bijvoorbeeld het geluid in nummer 02 van bank 1 heeft geregistreerd, wordt ‘Regist to 1-02’ in het scherm weergegeven.

Een geluid oproepen

Het Favorite Play-scherm gebruiken om geluiden op te roepen

1.

Druk op [FAVORITE] zodat de toets oplicht.

Het Favorite Edit-scherm verschijnt.

fig.05-001c_50

Stap Huidig geselecteerd geluid Volume van elke stap

Iedere keer dat u op [FAVORITE] drukt, wisselt u tussen het

Favorite Play-scherm ([FAVORITE] brandt) en het Favorite

Edit-scherm ([FAVORITE] knippert).

2.

Kies met of de bank die u wil oproepen.

3.

Kies met [F1 (1)]–[F8 (8)] het stapnummer dat u wil oproepen.

Als u een nummer van 9--16 wil kiezen, houd dan [SHIFT] ingedrukt en en druk op [F1 (9)]–[F8 (16)].

De gekozen klank wordt opgeroepen.

Als alternatief voor stap 3, kunt u ook of gebruiken om het stapnummer te kiezen. In dit geval verandert de klank pas wanneer u op [ENTER] drukt.

Het Favorite Edit-scherm gebruiken om geluiden op te roepen

1.

Druk tweemaal op [FAVORITE] zodat de toets knippert.

Bank Tekst weergave gebied

F-toets handelingen in het Favorite scherm

F-toets

F1

Bank

F2

Bank

F3

Step

F4

Step

F5

Dynamic Pad

F6

Util Menu

Uitleg

Selecteert de bank.

Selecteert de bank.

Selecteert de stap en roept het geluid op.

p. 55

Selecteert de stap en roept het geluid op.

p. 55

Stelt de Pads in de Favorite mode in.

Font

Set Song

Importeert tekst

Verandert het beeldscherm lettertype

Registreert een song

Importeert tekst

Verwijdert tekst

Verwijdert tekst

Verwijdert bank

Verwijdert een bank

Verwijdert de registratie van een geluid

Page

– p. 55 p. 57 p. 56 p. 56 p. 57 p. 55 p. 55 F7

Remove

F8

Regist

Registreert een geluid.

p. 54

3.

Druk op [F1 Bank ] of [F2 Bank ] om de bank te selecteren waarin u het geluid wilt registreren.

54

Het Favorite Edit-scherm verschijnt.

2.

Druk op [F1 Bank ] of [F2 Bank ] om de bank waaruit u geluiden wilt oproepen te selecteren.

3.

Druk op [F3 Step ] of [F4 Step

] om het stap nummer (1-

16) dat u wilt oproepen te selecteren.

Het geselecteerde geluid wordt meteen opgeroepen.

Als alternatief voor stap 3, kunt u ook of gebruiken om het stapnummer te kiezen. In dit geval verandert de klank pas wanneer u op [ENTER] drukt.

Een lijst met veelgebruikte geluiden creëren (Favorite)

De Pads gebruiken om geluiden op te roepen

1.

In het Favorite scherm drukt u op [F5 (Dynamic Pad)].

De Pads worden op de Favorite mode ingesteld.

• Nu kunt u Pads [1]-[16] indrukken om het geluid

(stap) te selecteren dat voor elke Pad is geregistreerd.

• U kunt op [ROLL](BANK) drukken om van bank (1-6) te veranderen. → p.189

Het volume van elke stap specificeren (Favorite Level)

Hier ziet u, hoe het volume (Favorite Level) voor elke stap wordt gespecificeerd. Gebruik dit om het volume van elk geluid in de live uitvoering aan te passen.

1.

In het Favorite Edit-scherm drukt u op of om de cursor te verplaatsen naar de stap waarvan u het volume wilt aanpassen.

2.

Gebruik knop 4 of [INC] [DEC] om het volume te specificeren (Favorite Level).

Bereik: 0-127

Als u de Pads wilt gebruiken om successief tussen live sets (of studio sets) te schakelen, stelt u de systeemparameter ‘Pad

Assign Source’ (p.288) op ‘SYS’ in. Als dit op ‘TEMP’ is ingesteld zal de Pad mode veranderen in de instelling van de betreffende live set (of studio set) als u naar een live set (of studio set) overschakelt.

De stap waarin u een geluid heeft geregistreerd veranderen

Hier ziet u, hoe een geregistreerd geluid naar een andere stap wordt verplaatst.

1.

In het Favorite Edit-scherm drukt u op of om de cursor te verplaatsen naar de stap waarop het geluid dat u wilt verplaatsen is geregistreerd..

2.

Terwijl u [SHIFT] ingedrukt houdt, drukt u op of om het geluid te verplaatsen.

Een geregistreerd geluid verwijderen (Remove)

Hier ziet u, hoe een geregistreerd geluid uit de favorietenlijst verwijderd wordt.

1.

In het Favorite Edit-scherm drukt u op of om de cursor te verplaatsen naar de stap waarvan u de registratie wilt verwijderen.

2.

Druk op [F7 (Remove)].

Als u bijvoorbeeld de registratie van stapnummer 02 van bank 1 verwijdert, wordt ‘Remove 1-02’ in het scherm getoond, en die stap zal leeg zijn.

Alle geluidsregistraties uit een bank verwijderen (Remove Bank)

Hier ziet u, hoe alle geluidsregistraties uit een bank verwijderd worden.

1.

In het Favorite Edit-scherm drukt u op [F1 Bank

Bank

] of [F2

] om de bank te selecteren waaruit de registraties verwijderd moeten worden.

2.

Druk op [F6 (Util Menu)].

Het Favorite Utility Menu venster verschijnt.

55

Een lijst met veelgebruikte geluiden creëren (Favorite)

3.

Druk op of om ‘Remove Bank’ te selecteren, en druk dan op [F8 (Select)].

Als u alle registraties uit bank 1 heeft verwijderd, zal ‘Remove

Bank 1’ in het scherm worden getoond. Alle gegevens worden verwijderd..

Een song registreren (Set Song)

Hier ziet u, hoe een song, in plaats van een geluid, geregistreerd wordt.

1.

In het Favorite Edit-scherm drukt u op [F1 Bank

Bank

] of [F2

] om de bank te selecteren waarin u een song wilt registreren.

2.

Druk op of om het nummer (stap) waarin u een song wilt registreren te selecteren.

3.

Druk op [F6 (Util Menu)].

Het Favorite Utility Menu venster verschijnt.

4.

Druk op

[F8 (Select)].

of om ‘Set Song’ te selecteren, en druk op

Het Song Select scherm verschijnt.

5.

Druk op of om een song te selecteren.

6.

Druk op [F8 (Select)] om de song te registreren.

Als u bijvoorbeeld de song in nummer 02 van bank 1 registreert, wordt ‘Regist to 1-02’ in het scherm getoond.

Songs kunnen op dezelfde manier als geluiden opgeroepen worden.

Een tekstbestand importeren

(Import Text)

U kunt een tekstbestand op de computer creëren, en dit in de

Fantom-G importeren, zodat dit in het Favorite scherm wordt weergegeven.

1.

Gebruik de USB Storage functie gebruiken om het tekstbestand in de ‘IMPORT’ map in het interne geheugen van de Fantom-G of het USB geheugen te plaatsen.

‘Bestanden uitwisselen met de computer (USB Storage)’ (p.281).

2.

Ga naar het Favorite Edit-scherm en druk op [F1 (Bank of [F2 Bank

]

] om de bank te selecteren waarin u de tekst wilt weergeven.

3.

Druk op [F6 (Util Menu)].

Het Favorite Utility Menu venster verschijnt.

4.

Druk op of dan op [F8 (Select)].

om ‘Import Text’ te selecteren, en druk

5.

Druk op [F1 (Internal)] of [F2 (USB Memory)] om de invoerbron (het interne geheugen of het USB geheugen) te selecteren.

6.

Druk op selecteren.

of om het bestand dat u wilt importeren te

7.

Druk op [F8 (Import Text)].

Het te importeren bestand verschijnt.

* Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

8.

Druk op [F8 (Execute)].

Het bestand wordt geïmporteerd.

* Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

U kunt door de pagina in het scherm bladeren (scroll) door of in te drukken.

56

Een lijst met veelgebruikte geluiden creëren (Favorite)

Een tekstbestand verwijderen

(Remove Text)

Hier ziet u, hoe een tekstbestand dat u heeft geïmporteerd verwijderd wordt.

1.

Ga naar het Favorite Edit-scherm en druk op [F1 Bank of [F2 Bank

]

], om de bank waarvan de tekst verwijderd moet worden te selecteren.

2.

Druk op [F6 (Util Menu)].

Het Favorite Utility Menu venster verschijnt.

3.

Druk op of om ‘Remove Text’ te selecteren, en druk dan op [F8 (Select)].

Een bericht verschijnt, en de tekst wordt uit de geselecteerde bank verwijderd.

Het lettertype dat wordt weergegeven veranderen (Font)

Hier ziet u, hoe het weergegeven lettertype van de geïmporteerde tekst veranderd kan worden. Het lettertype verandert elke keer dat u de volgende stappen uitvoert.

1.

Druk op [F6 (Util Menu)].

Het Favorite Utility Menu venster verschijnt.

2.

Druk op

(Select)].

of om ‘Font’ te selecteren, en druk op [F8

Het lettertype zal veranderen.

57

Spelen in de Live Mode

Live mode is ontworpen voor live uitvoeringen. Hier kunt u maximaal acht Patches (of ritme sets of Sample sets) tegelijkertijd spelen.

U kunt bijvoorbeeld een pianogeluid stapelen (p.62) met strijkers of geluiden verspreid over het toetsenbord splitsen (p.62), zodat de rechterhand een pianogeluid speelt, terwijl de linkerhand een basgeluid speelt.

Bovendien kunnen in de Live mode de Parts van een geïnstalleerde uitbreidingskaart worden gespeeld (het aantal Parts is afhankelijk van het type uitbreidingskaart) en externe MIDI uitvoer Parts, tegelijk met de acht Parts van de interne geluidsgenerator..

Part groep

Intern

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Externe MIDI uitvoer

Aantal Parts

8

Maximaal 16

* Afhankelijk van de uitbreidingskaart

Maximaal 16

* Afhankelijk van de uitbreidingskaart

16

Een ‘Live set’ bevat een Patch (of ritme set of Sample set) toewijzing, alsmede een volume en pan voor elk Part.

Als u op het toetsenbord speelt zullen Parts, waarvan de keyboardschakelaar aan is, te horen zijn. Indien niets aanstaat, zal het huidige

Part te horen zijn.

Naast de instellingen voor elk Part kunnen de volgende instellingen voor elke live set worden opgeslagen.

• Controller instellingen als de D Beam, 1-4 knoppen, 1-8 schuifregelaars, [S1] [S2] knoppen, en Pads.

Als de keyboardschakelaar van de Part-groep (INT, EXP1,

EXP2, EXT) voor zelfs één Part is aangezet, zal de huidige Part niet te horen zijn. Om de huidige Part hoorbaar te maken schakelt u de keyboardschakelaar voor alle Parts uit.

Het Live Play (Layer/Split) scherm weergeven

Gebruik de volgende procedure om naar het Live Play (Layer/Split) scherm te gaan.

1.

Druk op [LIVE].

U gaat naar de Live Mode, en het Live Play (Layer/Split) scherm verschijnt.

fig.04-015_50

F-toets handelingen in het Live Play (Layer/Split) scherm

F-toets

F1

Patch List

F2

Utility

F3

Part View

F4

Control

Uitleg

Selecteert het Patch geluid dat aan elk Part is toegewezen.

Maakt instellingen voor de gehele live set.

Maakt gedetailleerde instellingen voor elk

Part van de live set.

Selecteert de parameters die door de Realtime controllers of de D Beam controller bestuurd zullen worden.

Selecteert een live set.

F5

LiveSet List

F6 Schakelt tussen het normale scherm en een scherm dat alleen de Parts toont waarvan de keyboardschakelaar is aangezet.

Toont het mixer scherm.

F7

Mixer

F8

Layer Edit

Toont het Layer Edit scherm.

p. 60 p. 61 p. 63 p. 64

Pag.

p. 61 p. 132 p. 133 p. 142

58

Functies in het Live Play

(Layer/Split) scherm

fig.08-002.j

1 2 3 4

5 6

7 8 14 9

10

11

12 13

Nummer

1

2

5

6

3

4

7

10

11

8

9

12

13

14

Uitleg

Geeft de huidige geluidsgenerator mode aan.

Page p. 39

Geeft de aan/uit status van elk effect aan.

PFX Patch multi-effect

MFX1 Multi-effect 1

MFX2 Multi-effect 2

IFX

CHO

REV

MAS

Input effect

Chorus

Reverb

Mastering effect

Geeft de huidige locatie van de song aan, en de status van de sequencer.

De Menu/Exit/Shortcut knoppen voor de USB muis.

Geeft aan/selecteert de bank, naam en het nummer van de huidig geselecteerde live set.

Geeft de Pad mode aan.

p. 150 p. 205 p. 26 p. 60 p. 188

Geeft aan/selecteert het type, bank, nummer en naam van de Patch, ritme set of Sample set van elk

Part.

Geeft aan/selecteert de keyboardschakelaar instelling.

Geeft aan/verandert de toetsenreeks.

p. 61 p. 61 p. 62

Geeft de toetsenreeks die de Fantom-G6/G7/G8 kan spelen aan.

Geeft de functies aan die aan de Realtime control schuifregelaars (1-8), knoppen (1-4) en de S1/S2 schakelaars zijn toegewezen. In de Live mode geven de schuifregelaars (1-8) de niveaus van de 8 interne Parts aan (p.62).

Geeft de functie aan die aan de D Beam controller is toegewezen, en de status van de D Beam controller.

Geeft de ‘ Bend Mode ’ (p.97) van de Pitch Bend hendel aan.

Specificeert het arpeggio Part en Pad Part.

– p. 142 p. 142 p. 97 p. 61

Spelen in de Live Mode

59

Spelen in de Live Mode

Een Live Set selecteren

De Fantom-G heft twee live set banken: de User bank en de Preset banken.

USER

Dit is de bank binnen de Fantom-G die herschreven kan worden.

Live Sets die u creëert kunnen in deze bank opgeslagen worden. U kunt 512 live sets opslaan.

PRST (Preset)

Dit is de bank binnen de Fantom-G die niet herschreven kan worden.

U kunt echter de instellingen van de op dat moment geselecteerde live set wijzigen, en de gewijzigde live set in het User geheugen opslaan. De Fantom-G bevat 512 preset live sets.

1.

Druk op [LIVE].

Live sets uit de lijst selecteren

Een lijst met live sets kan weergegeven worden, en uit deze lijst kan een live set geselecteerd worden.

1.

Druk op [LIVE].

2.

Druk op [F5 (LiveSet List)].

Het Live Set List scherm verschijnt.

fig.08-004_50

2.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar de live set bank te verplaatsen.

fig.08-003.e

Live set bank

Live set nummer

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om een live set bank te selecteren.

USER: User

PRST: Preset

4.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar het live set nummer te verplaatsen.

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om het live set nummer te selecteren.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op de live set te selecteren.

of om

4.

Druk op [F8 (Select)] om het Live set List scherm te sluiten.

Door [F6 (User Group)] in te drukken krijgt u toegang tot het

User group list scherm, waar veelgebruikte studio sets geregistreerd kunnen worden.

→ ‘ Een geluid in het User Group scherm registreren ’ (p.201).

Als u een USB muis gebruikt, kunt u het toetsenbord symbool in het scherm aanklikken voor toegang tot een virtueel toetsenbord, waarmee een sleutelwoord zoekactie uitgevoerd kan worden.

Het Live Play (Layer/Split) scherm gebruiken

Als u de instellingen van een Live Set wijzigt, wordt in het

Live Play scherm aangegeven. De instellingen die u wijzigt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, van geluidsgenerator mode verandert of een ander geluid selecteert.

Om het gewijzigde geluid te behouden moet dit in de User bank worden opgeslagen ( ‘Een Live/Studio set die u gecreëerd heeft opslaan (Write) ’ (p.148).

Een Part selecteren

Het op dat moment geselecteerde Part wordt het ‘ huidige Part ’ genoemd.

1.

Druk op [LIVE] voor toegang tot het Live Play (Layer/Split) scherm.

2.

Gebruik of om het Part te selecteren.

Het partnummer wordt voor het geselecteerde Part in rood weergegeven.

60

Spelen in de Live Mode

fig.08-007_50 en druk op [INC] om de Pad schakelaar van het Part dat u via de Pads wilt spelen aan te zetten.

Als u de Pads indrukt, zult u het Part horen waarvoor de Pad schakelaar is aangezet.

Patch Type

Als u blijft indrukken, zal het scherm naar beneden ‘scrollen’, zodat u Parts van uitbreidingskaarten (indien een uitbreidingskaart is geïnstalleerd) of externe MIDI uitvoer Parts kunt selecteren.

Het Part dat u wilt horen selecteren (Keyboard Switch)

Hier ziet u, hoe de Parts waarvan de Patch, ritme set of Sample zal klinken, geselecteerd worden. Voor elk Part gebruikt u de schakelaar om aan te geven of dat Part via het toetsenbord gespeeld zal worden of niet. Dit wordt de ‘Keyboardschakelaar’ genoemd.

1.

In het Live Play (Layer/Split) scherm gebruikt u [CURSOR] om de cursor naar het ‘KBD’ gebied te verplaatsen, en druk op [INC] om de keyboardschakelaar aan te zetten voor de

Parts die u wilt spelen.

Als u het toetsenbord bespeelt zult u de Parts horen waarvoor de keyboardschakelaar is aangezet. Als alle keyboardschakelaars uit zijn, zal het huidige Part te horen zijn.

fig.08-008_50

Zorg, dat het Patch type op ‘SAMPLE of ‘RHYTHM’ is ingesteld. Als dit op ‘PATCH’ is ingesteld, gebruikt u [CURSOR] om de cursor naar het Patch type te verplaatsen, en draait u aan de

VALUE draaiknop of drukt u op [INC] [DEC] om ‘SAMPLE’ of

‘RHYTHM’ te selecteren.

Op dezelfde manier kunt u de ‘ARP’ schakelaar gebruiken om het ‘ Arpeggio Part nummer ’ te selecteren (p.146).

Het geluid voor een Part selecteren

Als de Patch die aan een Part is toegewezen u niet bevalt, kan de

Patch gemakkelijk veranderd worden.

1.

Selecteer het Part waarvan u het geluid wilt veranderen.

2.

Druk op [F1 (Patch List)].

Het Patch List scherm verschijnt.

fig.05-008_50

De keyboardschakelaar kan voor meerdere Parts worden aangezet.

Door [F6 ] in te drukken kunt u naar een scherm overschakelen dat alleen de Parts waarvoor de keyboardschakelaar is aangezet toont.

Het huidige Part is niet hoorbaar als zelfs één keyboardschakelaar aan is. Als u het huidige Part wilt beluisteren, zet u de keyboardschakelaar van alle Parts uit.

Het Part dat door de Pads wordt gespeeld selecteren

Gebruik de Pad schakelaar om het Part waarvan de ritme set of

Sample set door de Pads gespeeld zal worden te selecteren.

1.

Zoals beschreven in de procedure voor ‘De Pad Mode veranderen (PAD MODE)’ (p.188), stelt u de Pad mode op ‘1

SAMPLE PAD’ of ‘2 RHYTHM’ in.

2.

In het Live Play (Layer/Split) scherm gebruikt u [CURSOR] om de cursor naar het ‘SAM’ of ‘RHY’ veld te verplaatsen,

Voor details over het gebruik van het Patch List scherm kijkt u bij ‘ Patches uit de lijst selecteren ’ (p.49).

61

Spelen in de Live Mode

Geluiden combineren en samen spelen (Layer)

In de live mode kunt u de geluiden spelen van alle Parts, waarvan de keyboardschakelaar aan staat. Wanneer de Parts gecombineerd worden, zullen vettere geluiden geproduceerd worden.

In het Live Play (Layer/Split) scherm kunt u Layers (opstapelingen) creëren. fig.08-009.e

Part 1

(Rx ch.1)

Part 2

(Rx ch.2)

Part 7

(Rx ch.7)

Part 8

(Rx ch.10)

Verschillende geluiden in verschillende gebieden van het toetsenbord spelen (Split)

In de Live mode kunt u wel 56 verschillende Patches verdeeld over het toetsenbord (split) spelen.

Part groep

Intern

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Externe MIDI uitvoer

Aantal Parts

8

Maximaal 16

* Afhankelijk van de uitbreidingskaart

Maximaal 16

* Afhankelijk van de uitbreidingskaart

16

U kunt bijvoorbeeld strijkers in het lage gebied spelen, piano in het hoge gebied, en beide geluiden in het middengebied spelen.

fig.08-010.e

KBD Switch:

On

1 (Tx ch.1)

2 (Tx ch.2)

Rx ch.: Ontvangst kanaal

Tx ch.: Zend kanaal

7 (Tx ch.7)

8(Tx ch.10)

1.

Druk op [LIVE] om naar het Live Play (Layer/Split) scherm te gaan.

2.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar ‘KBD’ te verplaatsen, en druk op [INC] om de keyboardschakelaar van de Parts die u wilt horen aan te zetten.

Als u op [DEC] drukt zal de keyboardschakelaar uitgezet worden. Het weergegeven toetsenbord toont de hoorbare toetsenreeks .

Als u het toetsenbord bespeelt, hoort u de Parts waarvan de keyboardschakelaar aan is.

3.

Herhaal stap 2 om de Keyboardschakelaar voor alle Parts die wilt spelen aan te zetten.

De acht schuifregelaars in het Live Play (Layer/Split) scherm corresponderen met de niveaus van de acht interne Parts. U kunt deze besturen met gebruik van de acht schuifregelaars op het paneel van de Fantom-G.

Part 1: Strings

Part 1 + Part 2:

(Strings + Piano)

Part 2: Piano

Een split uitvoering is één toepassing van een Layer. Het veranderen van de toetsenreeks van elk Part in een Layer resulteert in een split.

1.

Druk op [LIVE] om naar het Live Play (Layer/Split) scherm te gaan.

2.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar ‘KBD’ te verplaatsen, en druk op [INC] om de keyboardschakelaar van de Parts die u wilt horen aan te zetten.

3.

Verplaats de cursor naar ‘Lower’ en stel de laagste limiet van de toetsen die het Part zullen spelen in. Verplaats de cursor naar ‘Upper’ en stel de hoogste limiet van de toetsen die het Part zullen spelen in.

Om de toetsenreeks te specificeren kunt u aan de VALUE draaiknop draaien of [INC] [DEC] gebruiken. Het weergegeven toetsenbord geeft de reeks toetsen waarbinnen elk Part zal klinken aan.

fig.08-011_50

Waarde :Key Range Lower: C-1–UPPER

Key Range Upper: LOWER–G9

Door secties voor verschillende Parts te specificeren zodat deze elkaar overlappen, kunt u twee of meer Parts alleen binnen een specifieke sectie combineren.

62

Spelen in de Live Mode

Het Live Set Part Mixer scherm gebruiken

In het Live Set Part Mixer scherm kunt u het niveau en de effect-instellingen van elk Part aanpassen, alsof u een mengpaneel gebruikt.

Zo gaat u naar het Live Set Part Mixer scherm:

1.

Druk op [LIVE]..

U gaat naar de Live Mode, en het Live Play (Layer/Split) scherm verschijnt.

2.

Druk op [F7 (Mixer)].

Het Live Set Part Mixer scherm verschijnt..

F-toets handelingen in het Live Set Part Mixer scherm

F-toets

F1

Patch List

F4

Exit

F5

LiveSet List

F6

Uitleg

Selecteert het Patch geluid dat aan elk

Part is toegewezen.

Keert naar het vorige scherm terug.

Selecteert een live set.

Schakelt tussen de Mixer 1/2 schermen.

Pag.

p. 61

– p. 60

F7

F8

Selecteert de acht Parts die door de schuifregelaars zullen worden bestuurd.

De huidig geselecteerde Parts worden binnen een kader getoond. Door dit kader te verschuiven buiten het scherm, kunt u de weergegeven Part groep veranderen.

In dit scherm wordt de naam van de parameter die met de cursor wordt geselecteerd in het ‘ ’ gebied links onder in het scherm getoond. Hier kan tevens de waarde van de huidige instelling gecontroleerd worden.

Door de [F7 ] of [F8 ] toets meerdere keren in te drukken, kunt u het scherm naar links of rechts verschuiven, en de weergegeven Part groep veranderen.

Part groep

Audio Track

Internal

EXP 1

EXP 2

External

Uitleg

Geluidstracks van de song.

Intern (interne geluidsgenerator).

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Externe MIDI uitvoer.

U kunt van Part-groep veranderen door [SHIFT] ingedrukt te houden en op of te drukken.

De Part instellingen bewerken

In het Live Set Part Mixer scherm kunnen de volgende parameters voor elk Part worden ingesteld.

Gebruik [F6 ] om tussen Mixer 1 / 2 af te wisselen.

1.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de parameter die u wilt bewerken te verplaatsen.

2.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de gewenste waarde in te stellen.

Pag.

Mixer1/2

Intern

Mixer1

Mixer2

Parameter

Mixer2

EXP 1, EXP 2

Mixer1

Mixer2

Mute Switch

Part EFX1 Send Level

Part EFX2 Send Level

Part Pan

Part Level

Exp.1/2 Master Chorus Send Level

Exp.1/2 Master Reverb Send Level

Exp.1/2 Master Pan

Exp.1/2 Master Level

Part Output Level

Part Output Assign

Keyboard Switch

Arpeggio Part

Rhythm Pad Part

Exp.1/2 Master Output Level

Exp.1/2 Master Output Assign

Exp.1/2 Master Recording Switch

Extern

Mixer1

Mute Switch

Part Chorus Send Level

Part Reverb Send Level

Part Pan

Part Level

Part Output Level

Part Output Assign

Recording Switch

Keyboard Switch

Arpeggio Part

Sample Pad Part

Rhythm Pad Part

External Pan

External Level

Keyboard Switch

Arpeggio Part

Rhythm Pad Part

Audio Track

Mixer1

Mixer2

Mute Switch

Part Chorus Send Level

Part Reverb Send Level

Part Pan

Part Level

Part Output Assign

Recording Switch p. 134 p. 137 p. 137 p. 134 p. 134 p. 136 p. 136 p. 135 p. 146 p. 146 p. 135 p. 135 p. 135 p. 146 p. 146

*1 p. 134 p. 136 p. 137 p. 134 p. 134 p. 136 p. 136

*1 p. 135 p. 146 p. 146 p. 146

63

Spelen in de Live Mode

*1 Parts waarvan de Recording Switch uit is, zullen niet in de geluidstracks van de sequencer worden opgenomen. (Deze worden ook niet gesampled). U kunt dit uitzetten voor een Part dat u wilt horen, maar niet als geluid (audio) opnemen.

Normaalgesproken laat u dit aan staan. Effecten worden niet toegepast op een

Part waarvan de Recording Switch uit is.

Het Layer Edit scherm gebruiken

In het algemeen werkt het Layer Edit scherm op dezelfde manier als het Live Play (Layer/Split) scherm, maar u kunt de F3-F6 toetsen gebruiken om direct tussen de weergegeven Part groepen af te wisselen.

F-toets

F3 Internal

F4 EXP 1

F5 EXP 2

F6 External

Uitleg

Intern (interne geluidsgenerator)

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Externe MIDI uitvoer

Zo bereikt u het Layer Edit scherm.

1.

Druk op [LIVE].

Het geluid van een Part selecteren

Wanneer de Patch die aan een Part is toegewezen u niet bevalt, kan de Patch gemakkelijk veranderd worden.

1.

Selecteer het Part waarvan u het geluid wilt veranderen.

2.

Druk op [F1 (Patch List)].

Het Patch List scherm verschijnt.

fig.05-008_50

U gaar naar de Live Mode, en het Live Play (Layer/Split) scherm verschijnt.

fig.04-015_50

2.

Druk op [F8 (Layer Edit)].

Het Layer Edit scherm verschijnt..

Details over het gebruik van het Patch List scherm vindt u bij

‘ Patches uit de lijst selecteren ’ (p.49).

De Part instellingen bewerken

In het Layer Edit scherm kunnen de volgende parameters voor elk

Part ingesteld worden.

Parameter

Keyboard Switch (p. 135)

Patch Type (p. 134)

Patch Bank (p. 134)

Patch Number (p. 134)

Keyboard Range Lower (p. 135)

Keyboard Range Upper (p. 135)

Arpeggio Part (p. 146)

Sample Pad Part / Rhythm Pad Part (p. 146)

In het scherm getoond als

KBD

Type

Bank

Patch Name

Lower

Upper

ARP

SAM/RHY

1.

Druk op [LIVE], en druk dan op [F8 (Layer Edit)] om naar het

Layer Edit scherm te gaan.

2.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de parameter die u wilt bewerken te verplaatsen.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de gewenste waarde in te stellen.

64

Uitvoeren met de Arpeggio

Voor details over het gebruik van de Arpeggio, zie ‘ Arpeggio’s spelen ’ (p.78).

Uitvoeren met de Realtime

Controllers en D Beam Controller

Voor details over de instelling kijkt u bij ‘ De parameter die door de Realtime Controllers of D Beam Controller wordt bestuurd selecteren (Control Setting) ’ (p.142).

Effecten instellen

Voor details met betrekking tot effectinstellingen kijkt u op de pagina’s die hieronder worden aangegeven.

• ‘ Effectinstellingen maken ’ (p.151)

• ‘ Effecten in de Live Mode toepassen ’ (p.151)

Het Master niveau aanpassen

Voor details, zie ‘ Hoe kan ik het volume aanpassen?

’ (p.294)

Gedetailleerde instellingen voor een Live Set maken

Zie ‘Een Live/Studio Set creëren’ (p.132)

Spelen in de Live Mode

65

Spelen in de Studio Mode

De Studio Mode gebruikt u wanneer u een song opneemt. Hier vindt u zestien Parts, en aan al deze Parts kunt u een Patch (of ritme set of

Sample set) toewijzen, zodat zestien verschillende geluiden gelijktijdig gebruikt kunnen worden.

U kunt het Mixer scherm gebruiken om het niveau en de pan van de zestien Parts aan te passen.

Naast de zestien Parts van de interne geluidsgenerator kunt u in de Studio Mode Parts van een uitbreidingskaart (het aantal

Parts is afhankelijk van de uitbreidingskaart) en externe MIDI uitvoer Parts gelijktijdig gebruiken.

Intern

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Externe MIDI uitvoer

Aantal Parts

16

Maximaal 16

* Afhankelijk van de uitbreidingskaart

Maximaal 16

* Afhankelijk van de uitbreidingskaart

16

Een Studio Set bevat een Patch (ritme set, Sample set) toewijzing voor elk Part, alsmede instellingen als volume en pan voor elk Part.

Als u het toetsenbord bespeelt, is het huidige Part te horen.

Elk Part waarvan de keyboardschakelaar (p.69) aan is, zal te horen zijn. We adviseren u de keyboardschakelaar uit te laten.

Als deze aan is zullen, naast het huidige Part, andere Parts ook hoorbaar zijn, en dat is waarschijnlijk niet wat u wilt als u een song creëert.

Een song opnemen

Voor details over het opnemen van een song kijkt u bij ‘MIDI opnemen’ (p.217).

Het Studio Play scherm weergeven

In het Studio Play scherm kunt u het niveau en de effectinstellingen van elk Part aanpassen, alsof u een mengpaneel gebruikt.

Om naar het Studio Play scherm te gaan gebruikt u de volgende procedure.

1.

Druk op [STUDIO].

U gaat naar de Studio Mode, en het Studio Play scherm verschijnt.

fig.04-015_50

F-toets handelingen in het Studio Play scherm.

F-key

F1

Patch List

F2

Utility

F3

Part View

F4

Control

Uitleg

Selecteert de Patch die aan elk Part is toegewezen.

Maakt instellingen die algemeen zijn voor de gehele studio set.

Maakt gedetailleerde instellingen voor elk

Part van de studio set.

Selecteert de parameters die met de Realtime controllers en de D Beam controller bestuurd zullen worden.

Selecteert een studio set.

F5

Studio List

F6 Schakelt tussen de Mixer 1 / 2 schermen.

p. 68

– pag.

p. 68 p. 132 p. 133 p. 70

F7

F8

Selecteert de acht Parts die door de schuifregelaars zullen worden bestuurd. De huidig geselecteerde Parts worden binnen een kader getoond. Door dit kader te verschuiven buiten het scherm, kunt u de weergegeven Part groep veranderen.

Als u in het Studio Play-scherm een aantal keer op [F6 drukt, dan verschijnt de controller status (de functies

] toegewezen aan sliders 1–8, knoppen 1–4, schakelaar S1/S2 en de D Beam controller, als ook de Bend Mode van de Pitch Bendhendel).

Door op [F6 ] te drukken, doorloopt u de volgende schermen.

MIXER 1

MIXER 2

Controller display

MIXER 1 ...

* De controller display verschijnt niet als er audio tracks in de mixer getoond worden.

66

Spelen in de Studio Mode

Functies in het Studio Play scherm

fig.08-002.j

1

5

2

6

7

3 4

8

U kunt van Part-groep veranderen door [SHIFT] ingedrukt te houden en op of te drukken.

Een Studio Set selecteren

De Fantom-G heeft twee studio set banken, de User bank en de Preset banken.

USER

Dit is de bank binnen de Fantom-G die herschreven kan worden.

Studio sets die u creëert kunnen in deze bank opgeslagen worden.

128 studio sets kunnen opgeslagen worden.

PRST (Preset)

Dit is de bank binnen de Fantom-G die niet herschreven kan worden.

U kunt echter de instellingen van de op dat moment geselecteerde studio set wijzigen, en de gewijzigde studio set in het User geheugen opslaan.

De Fantom-G bevat 8 preset studio sets.

1.

Druk op [STUDIO].

Nummer Uitleg

Geeft de huidige geluidsgenerator mode aan.

1

2

3

4

Geeft de aan/uit status van elk effect aan.

PFX Patch multi-effect

MFX1 Multi-effect 1

MFX2 Multi-effect 2

IFX

CHO

REV

MAS

Input effect

Chorus

Reverb

Mastering effect

Geeft de huidige locatie van de song, en de status van de sequencer aan.

De Menu/Exit Shortcut knoppen voor de USB muis.

5

6

7

Wijst op/selecteert de bank, het nummer, en de naam van de huidig geselecteerde studio set.

Wijst op/selecteert de part groep, het part nummer, bank nummer, en naam van de patch, ritme set, of sample van het huidige part.

Geeft toegang tot het Mixer scherm

8

Geeft de pad mode aan.

pag.

p. 39 p. 150 p. 205 p. 26 p. 67 p. 68 p. 69 p. 188

2.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar de studio set bank te verplaatsen.

fig.08-003.e

Studio Set-bank

Studio Set-nummer

De weergegeven Part groep veranderen

Naast de interne (interne geluidsgenerator) Parts kunt u in het Studio Play scherm de weergave veranderen om alle geluidstracks, uitbreidingskaart tracks of externe MIDI uitvoer Parts te bekijken.

1.

Druk op [STUDIO] om naar het Studio Play scherm te gaan.

2.

Druk meerdere keren op [F7 ] or [F8 ] om het scherm naar links of rechts te verschuiven, en de weergegeven Part groep te selecteren.

Part group

Audio Track

Internal

EXP 1

EXP 2

External

Uitleg

Geluidstracks in de song

Intern (interne geluidsgenerator)

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Externe MIDI uitvoer

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om een studio set bank te selecteren.

USER: User

PRST: Preset

4.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar het studio set nummer te verplaatsen.

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om het studio set nummer te selecteren.

67

Spelen in de Studio Mode

Studio sets uit de lijst selecteren

Een lijst met studio sets kan weergegeven worden, en u kunt uit deze lijst een studio set selecteren.

1.

Druk op [STUDIO].

2.

Druk op [F5 (Studio List)].

Het Studio Set List scherm verschijnt.

fig.08-004_50

Het Studio Play scherm gebruiken

Als u de instellingen van een Studio Set wijzigt, wordt in het Studio Play scherm aangegeven. Instellingen die u wijzigt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, van geluidsgenerator mode verandert of een ander geluid selecteert.

Om het gewijzigde geluid te behouden moet het in de User bank opgeslagen worden (‘ Een door u gecreëerde Live/

Studio set opslaan (Write) ’ (p.148).

Selecting a Part

Het op dat moment geselecteerde Part wordt het ‘ huidige Part ’ genoemd.

1.

Druk op [STUDIO].

Het Studio Play scherm verschijnt.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op de studio set te selecteren.

of om

4.

Druk op [F8 (Select)] om het Studio Set List scherm te sluiten.

Door [F6 (User Group)] in te drukken gaat u naar het User

Group List scherm, waar vaakgebruikte studio sets geregistreerd kunnen worden.

→ ‘Een geluid in het User group scherm registreren’ (p.201).

Als u een USB muis gebruikt, kunt u op het toetsenbord symbool in het scherm klikken, en dan het virtuele toetsenbord in het scherm gebruiken om te zoeken met behulp van een sleutelwoord.

2.

Gebruik [CURSOR] om het Part te selecteren.

Het geselecteerde Part licht op.

fig.08-007_50

3.

Speel op het toetsenbord, en u zult het huidige Part horen.

Het geluid voor een Part selecteren

Als de Patch die aan een Part is toegewezen u niet bevalt, kan de

Patch gemakkelijk veranderd worden.

1.

Selecteer het Part waarvan u het geluid wilt veranderen.

2.

Druk op [F1 (Patch List)].

Het Patch List scherm verschijnt.

Voor details over gebruik van het Patch List scherm kijkt u bij

‘ Patches uit de lijst selecteren ’ (p.49).

68

Spelen in de Studio Mode

Het Part dat u wilt laten klinken selecteren (Keyboard Switch)

Hier wordt uitgelegd, hoe het Part dat u vanaf het toetsenbord wilt spelen geselecteerd wordt. Elk Part heeft een instelling genaamd de

‘Keyboardschakelaar’, die bepaalt of dat Part zal klinken in respons op het toetsenbord. Als dit voor alle Parts is uitgezet, zal het huidige

Part klinken.

Als u een song opneemt, adviseren wij u de keyboardschakelaar voor alle Parts uit te zetten. Als deze voor alle Parts is ingeschakeld, zal het toetsenbord het huidige Part niet spelen, hetgeen niet handig is voor songproductie.

1.

Druk op [STUDIO].

2.

Druk op [F6 ].

3.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar het ‘Keyboard Sw’ veld te verplaatsen, en druk op [INC] om de keyboardschakelaar aan te zetten.

Als u op het toetsenbord speelt, zult u de Parts horen waarvan de keyboardschakelaar aan is. Als de keyboardschakelaar voor alle Parts is uitgezet, zult u het huidige Part horen.

fig.08-008_50

De keyboardschakelaar kan voor meerdere Parts worden ingeschakeld.

De Part instellingen bewerken

In het Studio Play scherm kunnen de volgende parameters voor elk

Part worden ingesteld.

1.

Druk op [STUDIO].

2.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de parameter die u wilt bewerken te verplaatsen.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de gewenste waarde in te stellen.

In dit scherm wordt de naam van de die met de cursor is geselecteerd in het ‘ ’ gebied links onder in het scherm getoond. De huidige waarde wordt hier ook getoond.

Voor details over het schakelen tussen Part groepen kijkt u bij

‘ De weergegeven Part groep veranderen ’ (p.67).

Gebruik [F6 ] om tussen Mixer 1 / 2 af te wisselen.

Mixer1/2

Internal

Mixer1

Mixer2

Parameter

Mixer2

Mute Switch

Part Chorus Send Level

Part Reverb Send Level

Part Pan

Part Level

Part Output Level

Part Output Assign

Recording Switch

Keyboard Switch

Arpeggio Part

Sample Pad Part

Rhythm Pad Part

EXP 1, EXP 2

Mixer1

Mixer2

Mute Switch

Part EFX1 Send Level

Part EFX2 Send Level

Part Pan

Part Level

Exp.1/2 Master Chorus Send Level

Exp.1/2 Master Reverb Send Level

Exp.1/2 Master Pan

Exp.1/2 Master Level

Part Output Level

Part Output Assign

Keyboard Switch

Arpeggio Part

Rhythm Pad Part

Exp.1/2 Master Output Level

Exp.1/2 Master Output Assign

Exp.1/2 Master Recording Switch

External

Mixer1 External Pan

External Level

Keyboard Switch

Arpeggio Part

Rhythm Pad Part

Audio Track

Mixer1

Mixer2

Mute Switch

Part Chorus Send Level

Part Reverb Send Level

Part Pan

Part Level

Part Output Assign

Recording Switch

Pag.

p. 136 p. 136 p. 135 p. 146 p. 146 p. 135 p. 135 p. 135 p. 146 p. 146

*1

*1 Parts waarvan de Recording Switch uit is, zullen niet in de geluidstracks van de sequencer worden opgenomen. (Deze worden ook niet gesampled). U kunt dit uitzetten voor een Part dat u wilt horen, maar niet als geluid (audio) opnemen.

Normaalgesproken laat u dit aan staan. Effecten worden niet toegepast op een

Part waarvan de Recording Switch uit is.

p. 134 p. 136 p. 137 p. 134 p. 134 p. 136 p. 136

*1 p. 135 p. 146 p. 146 p. 146 p. 134 p. 137 p. 137 p. 134 p. 134

69

Spelen in de Studio Mode

Uitvoeren met de Arpeggio

Voor details over het gebruik van de Arpeggio, zie ‘ Arpeggio’s spelen ’ (p.78).

Uitvoeren met de Realtime

Controllers en D Beam Controller

Voor details over de instelling kijkt u bij ‘ De parameter die door de Realtime Controllers of D Beam Controller wordt bestuurd selecteren (Control Setting) ’ (p.142).

Effecten instellen

Voor details met betrekking tot effectinstellingen kijkt u op de pagina’s die hieronder worden aangegeven.

• ‘ Effectinstellingen maken ’ (p.151)

• ‘ Effecten in de Live Mode toepassen ’ (p.151)

Het Master niveau aanpassen

Voor details, zie ‘ Hoe kan ik het volume aanpassen?

’ (p.294)

Gedetailleerde instellingen voor een Studio Set maken

Zie ‘Een Live/Studio Set creëren’ (p.132)

70

03: Geluidsgenerator, Sectie

2

(

geluiden besturen

)

In dit hoofdstuk worden de Realtime controllers, de arpeggiator, en de Chord

Memory functie uitgelegd.

• Real Time Controller .................................................... p. 72

• Arpeggio’s................................................................. p. 78

• Chord Memory ........................................................... p. 80

Het geluid in Realtime wijzigen

U kunt de D Beam controller, Realtime controllers, toewijsbare schakelaars of een pedaal gebruiken om een geluid te wijzigen, terwijl u speelt.

Hier worden de procedure en instellingen voor het gebruik van deze functies in de Single mode uitgelegd. De handelingen zijn hetzelfde in de Live Mode/Studio Mode.

Uw hand over de D Beam bewegen om het geluid te wijzigen (D Beam Controller)

De D Beam controller kan eenvoudigweg gebruikt worden door uw hand erboven te bewegen. Hiermee kunt u verscheidene effecten toepassen, afhankelijk van de functie die is toegewezen. U kunt ook effecten creëren, waarmee het geluid meteen verandert, op een manier die door het bedienen van een knop of met de bender hendel niet mogelijk is. Op de Fantom-G kan de D Beam controller niet alleen voor het wijzigen van geluiden die aan het Keyboard Pad of

Pad Part zijn toegewezen, maar ook om de toonhoogte van een mono (solo) synthesizergeluid te besturen.

1.

Ga naar het Single Play scherm (p.46).

Het volgende gebied van het scherm is het gebied waar de D

Beam controller wordt weergegeven.

fig.10-001

Als Live mode geselecteerd is wordt de D Beam controller aan/ uit instelling opgeslagen voor elke live set, als onderdeel van de

Live Set instellingen. Zo ook in de Studio mode, waar deze instelling als onderdeel van de studio set wordt opgeslagen.

Het werkzame bereik van de D Beam controller

Het volgende diagram toont het werkzame bereik van de

D Beam controller. Als u uw hand buiten dit bereik beweegt, wordt er geen effect geproduceerd.

fig.10-003

De respons van de D Beam controller kan ook in het ‘D Beam’ gebied van het scherm worden gecontroleerd. Dit wordt grafisch weergegeven als een balk die langer wordt als u uw hand dichterbij brengt, en korter wordt als u uw hand verder weg beweegt.

fig.10-002

Het werkzame bereik van de D Beam controller zal uitermate klein worden wanneer dit in sterk zonlicht wordt gebruikt.

Neem dit in acht als de D Beam controller buiten wordt gebruikt.

De gevoeligheid van de D Beam controller zal veranderen naar gelang de hoeveelheid licht in de omgeving van het apparaat.

Als dit niet naar verwachting functioneert, past u de gevoeligheid aan, zodat deze past bij de helderheid van de locatie waar u zich bevindt. Door deze waarde te verhogen wordt de gevoeligheid sterker (p.287).

2.

Druk op de D BEAM [PAD TRIGGER], [SOLO SYNTH] of

[ASSIGNABLE] knop om de D Beam controller aan te zetten.

PAD TRIGGER knop: Gebruik de D Beam controller om geluiden te spelen, in plaats van de

Pads in te drukken.

SOLO SYNTH knop: Hiermee kan de D Beam als een mono synthesizer gebruikt worden.

ASSIGNABLE knop: Voert de functie uit die aan de D

Beam controller is toegewezen.

3.

Terwijl u het toetsenbord of de Pads bespeelt om geluid te produceren, plaatst u uw hand boven de D Beam controller en beweegt u deze omhoog en omlaag.

Een effect wordt op het geluid toegepast, afhankelijk van de functie die aan de D Beam controller is toegewezen.

4.

Om de D Beam controller uit te zetten, drukt u de knop, die u bij stap 2 indrukte, nogmaals in, zodat de indicator uitdooft.

72

Het geluid in Realtime wijzigen

Instellingen voor de D Beam controller maken

Pad Trigger (aan Pad gerelateerde instellingen)

U kunt de D Beam controller gebruiken om de Pads te besturen, als alternatief voor het fysiek indrukken van de Pads zelf.

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op D BEAM [PAD TRIG-

GER].

2.

Verplaats de cursor naar de parameter die u wilt instellen, en draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de instelling te maken.

3.

Druk op [EXIT] om het venster te sluiten.

Beam Trigger Pad

Specificeert het Pad nummer dat door de D Beam wordt beïnvloed.

Waarde : Pad 1- Pad 16.

Beam Trigger Velo (beam Trigger Velocity)

Specificeert de sterkte van het Pad geluid dat door de D Beam controller wordt gespeeld.

Waarde : 1-127

Beam Trigger Mode

Dit specificeert hoe de D Beam zich zal gedragen wanneer deze belemmerd wordt. Als dit op MOMENTARY staat, zal de parameter alleen aan zijn als de D Beam belemmerd wordt, en zal uitgezet worden als u de belemmering wegneemt.

Als dit op LATCH is ingesteld wordt de parameter afwisselend aan en uitgezet, elke keer dat de D Beam belemmerd wordt.

Waarde : MOMENTARY, LATCH

Als Live mode geselecteerd is, worden PAD trigger instellingen voor elke live set onafhankelijk opgeslagen, als onderdeel van de Live set instellingen.

Op die manier kunt u live sets creëren die effectief gebruikmaken van controller instellingen. Hetzelfde geldt voor de Studio mode, waar deze instelling als onderdeel van de studio set wordt opgeslagen.

Als Single mode geselecteerd is wordt dit als onderdeel van de systeeminstellingen opgeslagen. Als u de instellingen wilt opslaan, drukt u op [F7 (Sys Write)].

Op de Fantom-G kunt u een mono synthesizer spelen, waarvan de toonhoogte door de D Beam wordt bestuurd.

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op D BEAM [SOLO SYNTH].

2.

Verplaats de cursor naar de parameter die u wilt instellen, en draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de instelling te maken.

3.

Als u de instellingen wilt opslaan, drukt u op [F7 (Sys

Write)].

Druk op [EXIT] om het Solo Synth venster te sluiten.

Instellingen voor de Solo Synth worden als systeeminstellingen opgeslagen.

In dit scherm wordt de naam van de parameter, die door de cursor is geselecteerd, in het ‘ ’ gebied, links onder in het scherm getoond. De huidige waarde van de instelling wordt hier ook getoond.

OSC 1 / 2 Waveform

Selecteert de golfvorm. SAW is een zaagtand golf, en SQR is een vierkante golf.

Waarde : SAW, SQR.

OSC 1 / 2 Pulse Width

Specificeert de vorm van de golf. Door de puls cyclisch te wijzigen kunnen subtiele veranderingen in het geluid gecreëerd worden.

* De Pulse Width wordt geactiveerd als ‘SQR’ is geselecteerd voor de

OSC1/2 golfvorm.

Waarde : 0-127

LFO Osc 1 Pulse Width Depth

Specificeert de diepte waarmee de LFO de OSC1 golfvorm zal moduleren.

* De Pulse Width wordt geactiveerd als ‘SQR’ is geselecteerd voor de

OSC1/2 golfvorm.

Waarde : -63 - +63

LFO Osc 2 Pulse Width Depth

Specificeert de diepte waarmee de LFO de OSC2 golfvorm zal moduleren.

* De Pulse Width wordt geactiveerd als ‘SQR’ is geselecteerd voor de

OSC1/2 golfvorm.

Waarde : -63 - +63

73

Het geluid in Realtime wijzigen

LFO Osc 1 Pitch Depth

Specificeert de diepte waarmee de LFO de OSC 1 Pitch zal moduleren.

Waarde : -63 - +63

LFO Osc 2 Pitch Depth

Specificeert de diepte waarmee de LFO de OSC 2 Pitch zal moduleren.

Waarde : -63 - +63

OSC 1/2 Coarse Tune

Past de toonhoogte van het geluid van de Tone aan, omhoog of omlaag in stappen van een halve toon (+/- 4 octaven).

Waarde : -48 - +48

OSC 1/2 Fine Tune

Past de toonhoogte van het geluid van de Tone aan, omhoog of omlaag in stappen van 1 cent (+/- 50 cent).

Waarde : -50 - +50

OSC Sync Switch

Als deze schakelaar wordt aangezet, wordt een gecompliceerd geluid met veel harmonischen geproduceerd. Dit is effectief wanneer de OSC1 toonhoogte hoger is dan de OSC2 toonhoogte.

Waarde : ON, OFF

OSC2 Level

Past het niveau van OSC2 aan.

Waarde : 0-127.

Filter Type

Selecteert het type filter. Een filter wijzigt de helderheid of dikte van het geluid, door een specifieke frequentiereeks af te kappen.

Waarde

OFF:

LPF:

Er wordt geen filter gebruikt.

Laag Pas Filter. Dit reduceert het volume van alle frequenties boven de cutoff frequentie (Cutoff

Freq).

BPF:

HPF:

PKG:

Band Pas Filter. Dit behoudt alleen de frequenties in de regio van de cutoff frequentie, en kapt de rest af.

Hoog Pas Filter. Dit kapt de frequenties in de regio onder de cutoff frequentie af.

Peaking Filter. Dit benadrukt de frequenties in de regio van de cutoff frequentie.

Cutoff

Selecteert de frequentie waarop het filter effect begint te krijgen op de frequentie componenten van de golfvorm.

Waarde : 0-127.

Resonance

Benadrukt het gedeelte van het geluid in de regio van de cutoff frequentie, geeft het geluid karakter.

Waarde : 0-127.

LFO Rate

Pas de modulatiewaarde of snelheid van de LFO aan.

Waarde : 0-127

Range (Solo synth range)

Specificeert de reeks waarbinnen de toonhoogte van de solo synth zal variëren.

Waarde : 2 OCT, 4 OCT, 8 OCT

Chorus Send Level

Stelt het Niveau van het signaal dat naar de Chorus wordt gestuurd in.

Waarde : 0-127

Reverb Send Level

Stelt het Niveau van het signaal dat naar de reverb wordt gestuurd in.

Waarde : 0-127

Level

Stelt het volume in.

Waarde : 0-127

74

Het geluid in Realtime wijzigen

Assignable

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op D BEAM [ASSIGNA-

BLE].

2.

Verplaats de cursor naar de parameter die u wilt instellen, en draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de instelling te maken.

3.

Druk op [EXIT] om het venster te sluiten.

Type (Assignable Type)

Specificeert de functie die door de D Beam controller wordt bestuurd.

Waarde

OFF: Uit

CC01-31, CC32(OFF), 33-95:

Control Change

AFTERTOUCH:

BEND UP:

BEND DOWN:

ARPEGGIO ACCENT:

Aftertouch

Regelt de toonhoogte volgens de specificaties van de ‘Pitch Bend Range Up’ instelling (p.96).

Regelt de toonhoogte volgens de specificaties van de ‘Pitch Bend Range Down’ instelling (p.96).

Arpeggio accent snelheid

ARPEGGIO SHUFFLE:

ARPEGGIO OCT UP:

ARPEGGIO OCT DOWN:

Arpeggio Shuffle snelheid

De reeks waarbinnen het arpeggio klinkt stijgt met stappen van een octaaf.

De reeks waarbinnen het arpeggio klinkt dealt met stappen van een octaaf.

Range Min

Specificeer de laagste limiet van het bereik van de D Beam controller.

Waarde : 0-127

Range Max

Specificeer de hoogste limiet van het bereik van de D Beam controller. Door Range Max onder Range Min in te stellen, kan de veranderingsreeks omgekeerd worden.

Waarde : 0-127

Als Live Mode is geselecteerd worden de instellingen voor de

ASSIGNABLE onafhankelijk voor elke live set, als onderdeel van de live set instellingen, opgeslagen. Op die manier kunt u live sets creëren die effectief gebruikmaken van controller instellingen. Dit geldt ook voor de Studio Mode, waar deze instelling als onderdeel van de studio set wordt opgeslagen.

Als Single Mode is geselecteerd, wordt dit als onderdeel van de systeeminstellingen opgeslagen. Om de instellingen op de slaan drukt u op [F7 (Sys Write)].

Knoppen, schuifregelaars of

S1/S2 knoppen gebruiken om het geluid te wijzigen

(Realtime Controller)

U kunt de knoppen, schuifregelaars en [S1] [S2] knoppen gebruiken om het geluid in Realtime te wijzigen.

1.

Ga naar het Single Play scherm (p.46).

Het ‘Realtime Control’ gebied toont de functie die aan elke Realtime controller knop, schuifregelaar en [S1] [S2] knop is toegewezen.

fig.10-007.e

2.

Terwijl u op het toetsenbord speelt om geluid te produceren, bedient u de knoppen, schuifregelaars of [S1] [S2] knoppen.

Het geluid verandert volgens de functie die aan elke knop, schuifregelaar of toets is toegewezen.

75

Het geluid in Realtime wijzigen

Realtime Controller instellingen veranderen

Knop 1-4 instellingen

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en draai aan één van de knoppen.

Het Knob scherm verschijnt.

2.

Verplaats de cursor naar de parameter die u wilt instellen, en draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om deze in te stellen.

3.

Om de instellingen op te slaan drukt u op [F7 (Sys Write)].

Druk op [EXIT] om naar het vorige scherm terug te keren.

Realtime controller instellingen worden voor elke live set onafhankelijk als onderdeel van de live set instellingen opgeslagen.

Op deze manier kunt u live sets creëren die effectief gebruikmaken van de controller instellingen. Dit geldt ook voor de Studio

Mode, waar deze instelling als onderdeel van de studio set wordt opgeslagen.

Knop 1–4 Assign

Specificeer de functies die door de knopen bestuurd zullen worden.

Waarde

OFF: Uit

CC01-31, CC32(OFF), 33-95:

AFTERTOUCH:

PITCH BEND:

Control Change

Aftertouch

Pitch Bend

Arpeggio accent snelheid ARPEGGIO ACCENT:

ARPEGGIO SHUFFLE:

ARPEGGIO OCT UP:

ARPEGGIO OCT DOWN:

MASTER LEVEL:

Arpeggio Shuffle snelheid

De reeks waarbinnen het arpeggio klinkt stijgt met stappen van een octaaf.

De reeks waarbinnen het arpeggio klinkt dealt met stappen van een octaaf.

Master niveau (p.293)

DIGITAL/USB INPUT LEVEL:

Digitaal/USB ingangsniveau (p.285)

* Als de systeeminstelling ‘Knob Assign Source’ (p.289) op ‘System’ is ingesteld, zullen de systeeminstellingen worden gebruikt. Als dit op ‘TEMP’ is ingesteld worden de instellingen van de live set of studio set gebruikt.

Schuifregelaar 1-8 instellingen

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en beweeg één van de schuifregelaars.

Het Slider scherm verschijnt.

2.

Verplaats de cursor naar de parameter die u wilt instellen, en draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om deze in te stellen.

3.

Om de instellingen op te slaan drukt u op [F7 (Sys Write)].

Druk op [EXIT] om naar het vorige scherm terug te keren.

Realtime controller instellingen worden voor elke live set onafhankelijk als onderdeel van de live set instellingen opgeslagen.

Op deze manier kunt u live sets creëren die effectief gebruikmaken van de controller instellingen. Dit geldt ook voor de Studio

Mode, waar deze instelling als onderdeel van de studio set wordt opgeslagen.

Slider 1–8 Assign

Specificeer de functies die door de schuifregelaars worden bestuurd.

Waarde

OFF: Uit

CC01-31, CC32(OFF), 33-95:

AFTERTOUCH:

Control Change

Aftertouch

Pitch Bend PITCH BEND:

ARPEGGIO ACCENT:

ARPEGGIO SHUFFLE:

Arpeggio accent snelheid

Arpeggio Shuffle snelheid

ARPEGGIO OCT UP: De reeks waarbinnen het arpeggio klinkt stijgt met stappen van een octaaf.

ARPEGGIO OCT DOWN: De reeks waarbinnen het arpeggio klinkt dealt met stappen van een octaaf.

* Als de systeeminstelling ‘Slider Assign Source (p.289) op ‘System’ is ingesteld, zullen de systeeminstellingen worden gebruikt. Als dit op ‘TEMP’ is ingesteld worden de instellingen van de live set of studio set gebruikt.

76

Het geluid in Realtime wijzigen

S1/S2 Switch instellingen

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [S1] [S2].

Het Switch scherm verschijnt.

2.

Verplaats de cursor naar de parameter die u wilt instellen, en draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om deze te bewerken.

3.

Om de instellingen op te slaan drukt u op [F7 (Sys Write)].

Druk op [EXIT] om naar het vorige scherm terug te keren.

Realtime controller instellingen worden voor elke live set onafhankelijk als onderdeel van de live set instellingen opgeslagen.

Op die manier kunt u live sets creëren die effectief gebruikmaken van de controller instellingen. Dit geldt ook voor de Studio

Mode, waar deze instelling als onderdeel van de studio set wordt opgeslagen.

Switch S1/S2 Assign

Specificeer de functie die door de [S1] [S2] schakelaars zal worden bestuurd.

Waarde OFF, CC01 - CC31, CC32 (OFF), CC33 - CC95,

AFTERTOUCH, MONO/POLY, PFX SWITCH,

MFX SWITCH, RESERVE, CHORUS SWITCH,

REVERB SWITCH, MASTERING SWITCH, MAS-

TER KEY UP, MASTER KEY DOWN,

SCALE TUNE SWITCH

Switch 1/2 Assign Mode

Specificeer de functies die door de [S1] [S2] schakelaars bestuurd zullen worden.

Waarde

LATCH: de aan/uit status wordt elke keer dat u op [S1] [S2] drukt afgewisseld.

MOMENTARY: de status is alleen aan als u [S1] [S2] ingedrukt houdt.

Als Single Mode geselecteerd is, zijn toewijsbare schakelaars beschikbaar wanneer het keyboard Part is geselecteerd.

Een pedaal gebruiken om het geluid te wijzigen

(Control Pedal)

U kunt het geluid wijzigen door een pedaal in te drukken, dat op de

PEDAL CONTROL 1, 2 jacks op het achterpaneel is aangesloten.

Pedalen als expressie pedalen (DP-8, apart verkrijgbaar), pedaalschakelaars (DP serie, apart verkrijgbaar) of voetschakelaars (BOSS FS-U, apart verkrijgbaar) kunnen op de Fantom-G worden aangesloten.

1.

Ga naar het Single Play scherm (p.46).

2.

Terwijl u het toetsenbord bespeelt om geluid te produceren, bedient u een pedaal.

Het geluid verandert volgens de functie die aan het pedaal is toegewezen.

Control Pedal instellingen maken

1.

Druk op [MENU].

2.

Gebruik the VALUE-draaiknop of [CURSOR] om ‘System’ te selecteren, en druk dan op [ENTER].

Het System Setup scherm verschijnt.

3.

Druk op [F1 (Up)] of [F2 (Down)] om ‘Pedal/D Beam’ te selecteren.

4.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de instelling te maken.

5.

Om de instellingen op te slaan drukt u op [F7 (Sys Write)].

Druk op [Exit] om naar het Single Play scherm terug te keren.

Zie ‘ Pedal/D Beam ’ (p.287) voor de functies van elke parameter.

77

Arpeggio’s spelen

Over Arpeggio

Met de Arpeggio functie van de Fantom-G kunt u arpeggio’s automatisch produceren, door simpelweg een aantal toetsen ingedrukt te houden, en een corresponderend arpeggio zal automatisch gespeeld worden.

Arpeggio’s spelen

Gebruik ‘ Arpeggio Part Number ’ (p.146) om de Parts te specificeren die de Arpeggio functie zullen gebruiken. De Chord Memory functie is ook van toepassing op de Parts die met de Arpeggio Part instelling zijn geselecteerd.

Als u arpeggio’s in de Live mode of Studio mode wilt spelen, moet de ‘Arpeggio’ parameter (p.146) van de live set of studio set ingeschakeld worden.

Als in Live mode of Studio mode de keyboard switch uit staat voor alle part groups, tdan is de huidige part de arpeggio-part.

Arpeggio aan- en uitzetten

1.

Druk op [ARPEGGIO] om deze aan te zetten.

De knop licht op.

2.

Speel een akkoord op het toetsenbord.

De Fantom-G speelt een arpeggio, volgens de noten die het akkoord vormen dat u zojuist heeft gespeeld.

3.

Om het spelen van arpeggio’s te beëindigen, drukt u nogmaals op [ARPEGGIO] om dit uit te zetten.

Voor details van elke parameter kijkt u bij ‘Arpeggio instellingen’ (p.78).

Gebruiken in combinatie met de Chord

Memory functie

Als u met het Arpeggio speelt, kunt u dit ook samen met de

Chord Memory functie gebruiken (p.80). Nadat eerst complexe akkoordvormen in het geheugen zijn opgeslagen, kunnen deze daarna opgeroepen worden wanneer de Arpeggio functie in werking is, en kunt u op gemakkelijke wijze complexe arpeggio geluiden spelen, door slechts één toets in te drukken.

Het tempo voor Arpeggio uitvoeringen bepalen

Hiermee wordt het arpeggio/ritme tempo ingesteld.

1.

Druk op [TEMPO].

De huidige tempowaarde verschijnt in het scherm.

78

2.

Druk op de VALUE draaiknop of [INC] [DEC] om de tempowaarde (5.00-300.00) in te stellen of stel de waarde in door een aantal keren in hetzelfde ritme (Tap Tempo) op [F6 (Tap

Tempo)] te drukken.

Door [SHIFT] ingedrukt te houden en aan de VALUE draaiknop te draaien, kunt u de waarde achter de decimale punt aanpassen.

* Als u op [F7 (Click)] drukt om dit aan te zetten, zal een klik te horen zijn.

3.

Nadat de instelling is gemaakt, drukt u op [F8 (Close)].

Een Arpeggio laten doorklinken

Met gebruik van de volgende procedure kunt u arpeggio’s produceren zonder dat het toetsenbord ingedrukt hoeft te blijven.

1.

Druk op [HOLD].

De indicator licht op.

2.

Speel een akkoord op het toetsenbord.

3.

Als u een ander akkoord of andere noten speelt, terwijl het arpeggio wordt vastgehouden, zal het arpeggio dienovereenkomstig veranderen.

4.

Om Arpeggio Hold te annuleren, drukt u nogmaals op

[HOLD].

Wanneer een Hold pedaal wordt gebruikt

Als u een arpeggio speelt, terwijl het Hold pedaal wordt ingedrukt, zal het arpeggio blijven spelen, ook nadat u het akkoord heeft losgelaten.

1.

Sluit een optionele pedaalschakelaar (DP serie, enz.) op de

HOLD PEDAL jack aan.

2.

Druk op [ARPEGGIO] om het arpeggio aan te zetten.

3.

Speel een akkoord, terwijl u het Hold pedaal indrukt.

4.

Als u een ander akkoord of andere noten speelt, terwijl het arpeggio wordt vastgehouden, zal het arpeggio dienovereenkomstig veranderen.

Arpeggio instellingen

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [ARPEGGIO].

2.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar elke parameter te verplaatsen, en draai aan de VALUE draaiknop of druk op

[INC] of [DEC] om de instelling te maken.

3.

Als de instelling is gemaakt, drukt u op [EXIT].

Style (Arpeggio Style)

Specificeert de basismanier waarop het arpeggio gespeeld zal worden.

Variation (Arpeggio Variation)

De arpeggiator voorziet in verscheidene variaties (uitvoeringspatro-

Arpeggio’s spelen

nen) voor elke arpeggio stijl. Deze parameter selecteert het variatie nummer.

Het aantal variaties verschilt, afhankelijk van de arpeggio stijl.

Motif (Arpeggio Motif)

Stelt de volgorde waarin de noten van het akkoord zullen klinken in.

Waarde

UP:

DOWN:

UP&DOWN:

RANDOM:

NOTE ORDER:

GLISSANDO:

AUTO1:

AUTO2:

PHRASE:

Ingedrukte noten zullen klinken, beginnend van laag naar hoog.

Ingedrukte noten zullen klinken, van hoog naar laag.

Ingedrukte noten zullen klinken, van laag naar hoog, en dan terug van hoog naar laag.

Ingedrukte noten zullen klinken, in willekeurige volgorde.

Noten die u indrukt zullen klinken in de volgorde waarin ze worden ingedrukt. Door noten in de juiste volgorde in te drukken kunt u melodielijnen creëren. Maximaal 128 noten kunnen onthouden worden.

Elke chromatische stap tussen de hoogste en laagste noten zullen achtereenvolgend klinken, waarbij opwaarts en neerwaarts worden herhaald. Druk alleen de laagste en hoogste noten in.

De timing waarmee de toetsen zullen klinken wordt automatisch toegewezen, waarbij de laagste toets die werd ingedrukt voorrang krijgt.

De timing waarmee de toetsen zullen klinken wordt automatisch toegewezen, waarbij de hoogste toets die werd ingedrukt voorrang krijgt.

Als één toets wordt ingedrukt, zal de frase die gebaseerd is op de toonhoogte van die toets gespeeld worden. Wanneer meerdere toetsen worden ingedrukt is de laatst ingedrukte toets geldig.

Accent Rate (Arpeggio Accent Rate)

Wijzigt de sterkte van accenten en de lengte van de noten om het

‘groove’ gevoel van het arpeggio aan te passen. Op 100% ingesteld wordt het meest geprononceerde groove gevoel geproduceerd.

Waarde : 0-100%

Shuffle Rate (Arpeggio Shuffle Rate)

Met deze instelling kunt u de noot timing wijzigen om shuffle ritmes te creëren.

Op ‘50%’ ingesteld worden de noten gelijkmatig uit elkaar geplaatst.

Wanneer de waarde toeneemt zal de noot timing een meer ‘gepuncteerd’ (shuffle) gevoel krijgen.

Waarde : 0-100% fig.Shuffle Rate

Shuffle Rate = 50% Shuffle Rate = 90%

50 50 50 50 90 10 90 10

Shuffle Resolution (Arpeggio Shuffle Resolution)

Specificeer de timing resolutie uitgedrukt in een nootwaarde. De nootwaarde kan als een 16 e

noot of een achtste noot worden gespecificeerd.

Waarde: ,

Keyboard Velocity (Arpeggio Keyboard Velocity)

Specificeert het volume van noten die u spelt.

Als u wilt, dat de Velocity waarde van elke noot afhankelijk is van de sterkte waarmee u op het toetsenbord speelt, stelt u deze parameter op ‘REAL’ in. Als u wilt, dat elke noot een vaststaande Velocity heeft, ongeacht hoe sterk het toetsenbord wordt bespeeld, stelt u deze parameter op de gewenste waarde in (1-127).

Waarde : REAL, 1-127.

Octave Range (Arpeggio Octave Range)

Stelt de reeks toetsen in octaven in, waarbinnen het arpeggio plaatsvindt. Als u wilt, dat het arpeggio klinkt met alleen de noten die u werkelijk speelt, stelt u deze parameter op ‘0’ in. Om het arpeggio te laten spelen met deze noten en met noten 1 octaaf hoger, zet u deze parameter op ‘+1’. Op ‘-1’ ingesteld wordt het arpeggio gespeeld met de noten die u speelt, en met noten 1 octaaf lager.

Waarde : -3-+3

Key Trigger (Arpeggio Key Trigger)

Zet dit op ‘ON’ als u wilt dat het arpeggio begint op het moment dat u de toets indrukt. Als u wilt, dat het arpeggio gesynchroniseerd met de sequencer zal spelen, zet u dit op ‘OFF’.

Waarde : ON, OFF.

Het door u gecreëerde arpeggio opslaan (Write)

De arpeggio’s die u creëert zijn tijdelijk. Deze worden verwijderd op het moment dat de stroom wordt uitgezet of u een ander Arpeggio selecteert. In het User geheugen kunnen 128 arpeggio’s worden opgeslagen.

1.

Controleer dat u het huidige arpeggio wilt opslaan.

2.

Druk op [F7 (Write)].

Het Arpeggio naam invoer scherm verschijnt (p.42).

3.

Als u de naam heeft ingevoerd, drukt u op [F8 (OK)].

Een scherm waarin u de gewenste opslagbestemming kunt selecteren verschijnt.

4.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de opslagbestemming te selecteren.

5.

Druk op [F8 (Write)].

Een bericht vraagt om uw bevestiging.

6.

Om de data op te slaan drukt u op [F7 (OK)].

Zet de Fantom-G nooit uit, terwijl data wordt opgeslagen.

Om te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

79

De Chord Memory functie gebruiken (Chord Memory)

Over de Chord Memory functie

Chord memory is een functie waarmee akkoorden, gebaseerd op een voorgeprogrammeerde Akkoord vormen gespeeld kunnen worden, door slechts één toets op het toetsenbord in te drukken. De Fantom-

G kan 128 User akkoordvormen opslaan.

Als de Chord Memory functie gebruikt wordt met een Tone waarvan de Mono/Poly parameter (p.105) op Mono is ingesteld, hoort u slechts één geluid van het akkoord.

Gebruiken in combinatie met de Arpeggio functie

Als u met de Chord Form functie speelt, kan dit ook samen met de Arpeggio functie (p.78) worden gebruikt. Nadat eerst complexe akkoordvormen in het geheugen zijn opgeslagen, kunnen deze opgeroepen worden als Arpeggio is ingeschakeld, en kunt u gemakkelijk complexe arpeggio geluiden creëren door slechts

één toets in te drukken.

Spelen met de Chord

Memory functie

Gebruik ‘ Arpeggio Part Number ’ (p.146) om de Parts te specificeren die gebruik zullen maken van de Chord Memory functie. De Arpeggio functie (p.78) is van toepassing op de Parts die met de Arpeggio Part instelling zijn geselecteerd.

De Chord Memory functie aan en uitzetten

1.

Druk op [CHORD MEMORY] om dit aan te zetten.

De knop licht op.

2.

Speel op het toetsenbord.

Een akkoord klinkt, volgens de op dat moment geselecteerde akkoordvorm.

Als u de C4 toets (middelste C) indrukt, wordt het akkoord gespeeld met gebruik van de exacte akkoord structuur die in de

Chord Form is opgenomen.

Hierbij wordt aan de C4 toets gerefereerd. Parallelle akkoorden worden gespeeld door andere toetsen in te drukken.

3.

Om de Chord Memory functie te beëindigen, drukt u op nogmaals [CHORD MEMORY] om dit uit te zetten.

Akkoordvormen selecteren

Als de akkoordvorm veranderd wordt, zullen de noten in het akkoord ook veranderen.

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [CHORD MEMORY].

Het volgende scherm verschijnt.

fig.12-001_50

2.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om een akkoordvorm nummer te selecteren.

De noten van het akkoord worden getoond.

3.

Als u een akkoordvorm geselecteerd heeft, drukt u op

[Exit].

80

De Chord Memory functie gebruiken (Chord Memory)

Een akkoord laten spelen in de volgorde van de samenstellende noten (Rolled Chord)

Dit maakt dat de noten binnen een akkoord achtereenvolgend klinken, in plaats van tegelijkertijd. Omdat de afspeelsnelheid zal veranderen volgens de sterkte waarmee u op het toetsenbord speelt, kunt u uw speldynamiek afwisselen om een realistische simulatie van het bespelen van een gitaar te creëren.

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [CHORD MEMORY].

Het Chord Memory scherm verschijnt.

2.

Druk op [F1 (Rolled Chord)] om dit aan te zetten.

Met deze instelling worden de noten van het akkoord achtereenvolgend gespeeld.

De volgorde waarin noten gespeeld worden veranderen

(Rolled Chord Type)

De volgorde waarin de noten van een akkoord worden gespeeld kan veranderd worden.

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [CHORD MEMORY].

Het Chord Memory scherm verschijnt.

2.

Gebruik de selecteren.

of om ‘Rolled Chord Type’ te

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om een waarde te veranderen.

Waarde

UP:

DOWN:

ALTERNATE:

L-DOWN:

Noten klinken in volgorde van laag naar hoog.

Noten klinken in volgorde van hoog naar laag.

De volgorde waarin noten klinken verandert elke keer dat u het toetsenbord bespeelt.

De laagste noot klinkt eerst, en dan worden noten van boven naar beneden gespeeld.

U-UP:

* Als u C E G B indrukt, worden de noten als C

B G E gespeeld.

De hoogste noot klinkt eerst, en dan worden noten van beneden naar boven gespeeld.

* Als u C E G B indrukt, worden de noten als B

C E G gespeeld.

Uw eigen akkoordvormen creëren

De geprepareerde interne akkoordvormen, die de samenstelling bepalen van de noten van akkoorden die met gebruik van de Chord

Memory functie worden gespeeld, kunnen niet alleen gebruikt worden, maar kunnen ook vrijelijk gecreëerd en opnieuw opgeslagen worden.

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [CHORD MEMORY].

2.

Draai aan de VALUE draaiknop om een akkoordvorm te selecteren.

3.

Druk op [F6 (Chord Edit)].

Het Chord Form Edit scherm verschijnt.

4.

Gebruik het toetsenbord om het akkoord dat u wilt spelen in te voeren.

Als u een toets indrukt, zal de noot in het scherm toegevoegd worden.

Als u een noot per ongeluk invoert, drukt u op [F5 (Del Note)].

Een noot kan ook gewist worden door dezelfde toets in te drukken.

U kunt op [F6 (Preview)] drukken om het akkoord dat u invoert te beluisteren.

5.

Als u de door u gecreëerde akkoordvorm wilt opslaan, gaat u verder met stap 3 van ‘De door u gecreëerde akkoordvormen opslaan’ (p.82). Als u deze niet wilt opslaan, drukt u op [F8 (Exit)].

81

De Chord Memory functie gebruiken (Chord Memory)

De door u gecreëerde akkoordvormen opslaan

De akkoordvormen die u creëert zijn tijdelijk. Deze worden verwijderd op het moment dat u de stroom uitzet of een andere Stijl selecteert. Als u een akkoordvorm die u heeft gemaakt wilt behouden, slaat u deze in het User geheugen van de Fantom-G op.

1.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [CHORD MEMORY].

Controleer of de geselecteerde akkoordvorm opgeslagen moet worden.

2.

Druk op [F7 (Write)].

Het Chord Form naam invoer scherm verschijnt (p.42).

3.

Als u de naam heeft ingevoerd, drukt u op [F8 (OK)].

Een scherm verschijnt, waarin de opslagbestemming geselecteerd kan worden.

4.

Gebruik selecteren.

of om de opslagbestemming te

5.

Druk op [F8 (Write)].

Een bericht verschijnt, waarin om uw bevestiging wordt gevraagd.

6.

Om de akkoordvorm op te slaan drukt u op [F7 (OK)].

Zet de Fantom-G nooit uit, terwijl data wordt opgeslagen.

* Om te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

82

04: Geluidsgenerator, sectie 3

(geluiden creëren)

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd, hoe geluiden, zoals Patches, live sets, en effecten, gecreëerd worden.

• Patch .......................................................................... p.84

• Ritme set ................................................................... p.112

• Sample set ................................................................ p.126

• Live set/Studio set ...................................................... p.132

• Effecten toevoegen ..................................................... p.150

• Effectenlijst ................................................................ p.161

Een Patch creëren

Met de Fantom-G heeft u totale controle over een grote variëteit aan instellingen. Elk onderdeel, dat ingesteld kan worden, wordt een parameter genoemd. Als u de waarde van parameters verandert, doet u iets dat ‘ bewerken’ wordt genoemd. In dit hoofdstuk worden de procedures die gebruikt worden voor het creëren van Patches, en de functies van de Patch parameters uitgelegd.

Hoe Patch instellingen gemaakt worden

Begin met een bestaande Patch, en bewerk deze om een nieuwe

Patch te creëren. Aangezien een Patch een combinatie van vier willekeurige Tones is, moet u de individuele Tones beluisteren voordat u gaat bewerken.

Vier tips voor het bewerken van Patches

● Selecteer een Patch die lijkt op het geluid dat u wilt creëren (p.47).

Het is moeilijk om een nieuw geluid te creëren, dat precies is wat u wilt, als u gewoon een Patch selecteert en zijn parameters willekeurig bewerkt. Het is zinvol om te beginnen met een Patch waarvan het geluid lijkt op dat wat u in uw hoofd heeft.

Bepaal welke Tones zullen klinken (p.50).

Bij het creëren van een Patch is het belangrijk te bepalen welke Tones u gaat gebruiken. In het Patch Pro Edit scherm stelt u Tone Switch 1-4 in, om te specificeren of een

Tone zal klinken (ON) of niet (OFF). Het is ook belangrijk om niet gebruikte Tones uit te zetten, om het verkwisten van stemmen te voorkomen, waardoor het aantal noten dat gelijktijdig gespeeld kan worden gereduceerd wordt.

Controleer de Structure instelling (p.92).

De belangrijke Structure parameter bepaalt hoe de vier

Tones combineren. Voordat u nieuwe Tones selecteert, moet u goed begrijpen hoe de op dat moment geselecteerde Tones elkaar beïnvloeden.

Effecten uitzetten (p.150)

Omdat de effecten van de Fantom-G een diepgaande impact op alle klanken heeft, zet u deze uit om het geluid zelf te beluisteren, zodat de veranderingen die u aanbrengt beter te evalueren zijn. Aangezien u het originele geluid van de Patch zelf zult horen wanneer de effecten zijn uitgezet, zijn de wijzigingen die u maakt gemakkelijker hoorbaar. In feite kan het slechts veranderen van effectinstellingen u soms het gewenste geluid geven.

Een Patch snel bewerken

(PatchZoom Edit)

In het PatchZoom Edit scherm kunnen de belangrijkste parameters van een Patch bewerkt worden. Voor toegang tot alle parameters gebruikt u het Patch Pro Edit scherm (p.86).

1.

Selecteer de Patch waarvan u de instellingen wilt bewerken

(p.47).

2.

Druk op [PATCH].

Het Patch Zoom Edit scherm verschijnt.

fig.05-015_50

Groepen Parameters

F-toets handelingen in het Patch Zoom Edit scherm

F-toets

F1

Group/Up

F2

Group/Down

F4

Util Menu

F5

PFX

F6

Pro Edit

Uitleg

Verplaatst de bewerkingsgroep tab omhoog.

Verplaatst de bewerkingsgroep tab omlaag.

Patch

Initialize

Tone

Initialize

Tone

Copy

Initialiseert de instellingen van de huidig geselecteerde Patch.

Initialiseert de instellingen van de huidig geselecteerde Tone.

Kopieert Tone instellingen van een Patch naar de gespecificeerde Tone van de huidig geselecteerde

Patch.

Brengt u naar het PFX (Patch Multi-effect) bewerkingsscherm.

Brengt u naar het Patch Pro Edit scherm, waar alle parameters bewerkt kunnen worden.

Selecteert het te bewerken Part.

F7

Part Select

F8

Tone Sw/Sel

Selecteert de Tones die zullen klinken.

pag.

– p. 87 p. 87 p. 87 p. 157 p. 86

– p. 85

84

Een Patch creëren

3.

De parameters zijn in verschillende bewerkingsgroepen ondergebracht.

Druk op [F1 (UP)] of [F2 (Down)] om de tab van de bewerkingsgroep, die de te bewerken parameter bevat, te selecteren.

Details van elke parameter vindt u op de volgende pagina’s..

Parameter naam

Pitch Envelope

TVF

TVF Envelope

TVA Envelope

Pagina p. 97 p. 98 p. 100 p. 101

Parameter naam Pagina

Structure Type

LFO1/2

Step LFO p. 92 p. 103 p. 104

• Om het Part dat u wilt bewerken te veranderen

Druk op [F7 (Part Select)].

4.

Druk op de [CURSOR] knop om de cursor naar de parameter die u wilt wijzigen te verplaatsen.

5.

Druk op [F8 (Tone Sw/Sel)] om de Tone die u wilt bewerken te selecteren.

Het Tone Switch/Select venster verschijnt.

fig.06-001_50

9.

Als u de door u aangebrachte veranderingen wilt behouden, drukt u op [QWRITE] om de Save handeling (p.88) uit te voeren. Indien u veranderingen niet wilt opslaan, drukt u op

[EXIT].

Als u naar het Single Play scherm terugkeert zonder op te slaan, wordt het symbool rechts van de Patch naam getoond, wat betekent dat de Patch instellingen zijn bewerkt.

De instellingen die u bewerkt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, naar een andere geluidsgenerator mode overschakelt of een ander geluid selecteert.

Druk op één van de [F5 (Select 1)]-[F8 (Select 4)] knoppen om de te bewerken Tone te selecteren.

• Dezelfde parameter van meerdere Tones gelijktijdig bewerken

Om de Tones die u tegelijkertijd wilt bewerken te selecteren, drukt u twee of meer van de [F5 (Select 1)] – [F8 (Select 4)] knoppen tegelijk in, zodat deze oplichten.

• Om een Tone aan of uit te zetten

Druk op een [F1 (Sw 1)]-[F4 (Sw 4)] knop om de corresponderende Tone aan of uit te zetten.

U kunt ook de Pads gebruiken om Tones te selecteren en aan of uit te zetten.

‘7 TONE SEL/SW (De Pads gebruiken om Tones te selecteren of aan/uit te zetten)’ (p.197).

6.

Nadat u de selectie heeft gemaakt, drukt u op [EXIT].

7.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de gewenste waarde te verkrijgen.

Als u twee of meer Tones heeft geselecteerd, zal de bewerking de parameterwaarde van alle geselecteerde Tones met dezelfde hoeveelheid wijzigen.

8.

Herhaal stappen 3-7 om elke parameter die u wilt bewerken in te stellen.

85

Een Patch creëren

Alle parameters van een Patch bewerken (Patch Pro Edit)

In het Patch Pro Edit scherm kunnen alle parameters van een Patch bewerkt worden.

1.

Selecteer de Patch waarvan u de instellingen wilt bewerken

(p.47).

Als u een Patch helemaal vanuit het niets wilt creëren (in plaats van met een bestaande Patch te beginnen), voert u de Initialize handeling uit (p.87).

2.

Druk twee keer op [PATCH].

3.

De parameters zijn in verschillende bewerkingsgroepen ondergebracht. Druk op [F1 (UP)] of [F2 (Down)] om de tab van de bewerkingsgroep, die de te bewerken parameter bevat, te selecteren.

Zie ‘Functies van Patch parameters’ (p.89) voor de functies van alle parameters.

• Om het Part dat u wilt bewerken te veranderen

Druk op [F7 (Part Select)].

4.

Druk op de [CURSOR] knop om de cursor naar de parameter die u wilt wijzigen te verplaatsen.

5.

Druk op [F8 (Tone Sw/Sel)] om de Tone die u wilt bewerken te selecteren.

Het Tone Switch/Select venster verschijnt.

fig.06-001_50

Het Patch Pro Edit scherm verschijnt.

fig.05-015_50

Groepen Parameters

F-toets handelingen in het Patch Pro Edit scherm

F-toets

F1

Group/Up

F2

Group/Down

F3

Set Stereo

F4

Util Menu

F5

PFX

F6

Zoom Edit

Uitleg

Verplaatst de bewerkingsgroep tab omhoog.

Verplaatst de bewerkingsgroep tab omlaag.

Dit wordt getoond als u de WAVE groep bewerkt. Dit roept de rechter golf (R) van de linkergolf (L) van een stereo golf op.

Patch

Initialize

Initialiseert de instellingen van de huidig geselecteerde Patch.

Tone

Initialize

Initialiseert de instellingen van de huidig geselecteerde Tone.

Tone

Copy

Kopieert Tone instellingen van een Patch naar de gespecificeerde Tone van de huidig geselecteerde

Patch.

Brengt u naar het PFX (Patch Multi-effect) bewerkingsscherm.

Geeft toegang tot het Zoom Edit scherm, waar de belangrijkste parameters bewerkt kunnen worden.

Selecteert het te bewerken Part.

F7

Part Select

F8

Tone Sw/Sel

Selecteert de Tones die zullen klinken.

pag.

– p. 91 p. 87 p. 87 p. 87 p. 157 p. 84

– p. 85

Druk op één van de [F5 (Select 1)]-[F8 (Select 4)] knoppen om de te bewerken Tone te selecteren.

• Dezelfde parameter van meerdere Tones gelijktijdig bewerken

Om de Tones die u tegelijkertijd wilt bewerken te selecteren, drukt u twee of meer van de [F5 (Select 1)] – [F8 (Select 4)] knoppen tegelijk in, zodat deze oplichten.

• Om een Tone aan of uit te zetten

Druk op een [F1 (Sw 1)]-[F4 (Sw 4)] knop om de corresponderende Tone aan of uit te zetten.

U kunt ook de Pads gebruiken om Tones te selecteren en aan of uit te zetten.

‘7 TONE SEL/SW (De Pads gebruiken om Tones te selecteren of aan/uit te zetten)’ (p.197).

6.

Nadat u de selectie heeft gemaakt, drukt u op [EXIT].

7.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de gewenste waarde te verkrijgen.

Als u twee of meer Tones heeft geselecteerd, zal uw bewerking de parameterwaarde van alle geselecteerde Tones met dezelfde hoeveelheid wijzigen.

8.

Herhaal stappen 3-7 om elke parameter die u wilt bewerken in te stellen.

9.

Als u de door u aangebrachte veranderingen wilt behouden, drukt u op [QWRITE] om de Save handeling (p.88) uit te voeren. Indien u veranderingen niet wilt opslaan, drukt u op

[EXIT] om naar het Single Play scherm terug te keren.

Als u naar het Single Play scherm terugkeert zonder op te slaan, wordt het symbool rechts van de Patch naam getoond, wat betekent dat de Patch instellingen zijn bewerkt.

De instellingen die u bewerkt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, naar een andere geluidsgenerator mode overschakelt of een ander geluid selecteert.

86

Een Patch creëren

Patch/Tone instellingen initialiseren (Patch Initialize/Tone

Initialize)

‘Initialiseren’ betekent het terugzetten van de instellingen van het op dat moment geselecteerde geluid naar een standaard serie waarden.

Patch Initialize initialiseert de instellingen van de op dat moment geselecteerde Patch.

Tone Initialize initialiseert de instellingen van de op dat moment geselecteerde Tone.

De Initialize handeling is alleen van toepassing op het op dat moment geselecteerde geluid. De geluiden die in het User geheugen zijn opgeslagen worden hierdoor niet veranderd. Als u alle Fantom-G instellingen naar de fabrieksinstellingen wilt terugbrengen, voert u een Factory Reset uit (p.280).

1.

Selecteer de Patch die u wilt initialiseren (p.47).

2.

Druk op [PATCH].

3.

Druk op [F4 (Util Menu)].

Het Patch Utility Menu venster verschijnt.

4.

Druk op of om te kiezen wat u wilt initialiseren

(Patch Initialize of Tone Initialize), en druk dan op [F8

(Select)].

Indien u besluit de handeling te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Een bericht zal om bevestiging vragen.

5.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Om te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Patch (Tone) instellingen kopiëren

(Patch Tone Copy)

Deze handeling kopieert de instellingen van een gewenste Patch naar de huidig geselecteerde Patch. U kunt deze optie gebruiken om het bewerkingsproces sneller en gemakkelijker te maken.

1.

Selecteer hetgeen u wilt kopiëren en de Patch die als kopieerbestemming fungeert (p.47).

2.

Druk op [PATCH].

3.

Druk op [F4 (Util Menu)].

Het Patch Utility Menu venster verschijnt.

4.

Druk op of om ‘Patch Tone Copy’ te selecteren, en druk dan op [F8 (Select)].

Indien u besluit de handeling te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Het Patch Tone Copy scherm verschijnt.

5.

Druk op [CURSOR] om de cursor te verplaatsen, selecteer de bank en het nummer van de ‘Source (kopieerbron)’, en de Patch tone.

6.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om instellingen te maken.

7.

Druk op [CURSOR] om de cursor te verplaatsen, selecteer het Patch tone nummer van de ‘Destination (kopieerbestemming)’.

8.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om instellingen te maken.

9.

Druk op [F8 (Execute)].

Een bericht verschijnt, waarin om uw bevestiging wordt gevraagd.

10.

Druk op [F7 (OK)] om naar het uitvoeren van de handeling terug te keren.

Om te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

De Compare functie

Voor de Patch Tone handelingen kan de Compare functie worden gebruikt.

Met de Compare functie kan de kopieerbron Patch beluisterd worden, om deze te verifiëren.

Als u de kopieerbron Patch wilt afspelen, drukt u op [F6 (Compare)].

De Patch die met gebruik van de Compare functie wordt beluisterd kan iets anders klinken dan wanneer deze normaal wordt gespeeld.

87

Een Patch creëren

Waarschuwing bij selectie van een golfvorm

De geluiden van de Fantom-G zijn gebaseerd op ingewikkelde PCM golfvormen, en als u probeert instellingen te maken die botsen met het type van de originele golfvorm, zullen de resultaten niet zijn zoals u verwacht.

De interne golfvormen van de Fantom-G vallen onder de volgende twee banken.

One-shot : Deze golfvormen bevatten geluiden met korte decays.

Een one-shot golfvorm neemt de initiële stijging en daling van het geluid op.

Sommige Fantom-G golfvormen zijn geluiden die al helemaal compleet zijn, zoals de geluiden van percussie instrumenten. De Fantom-

G bevat vele andere one-shot golfvormen die elementen van andere geluiden zijn. Hieronder vallen Attack componenten zoals pianohamer geluiden en gitaar fret geluiden.

Looped : Deze golfvormen hebben geluiden met lange decays en doorklinkende geluiden. Loop golfvormen spelen het gedeelte van de golfvorm, nadat het geluid een relatief stabiele status heeft bereikt, herhaaldelijk (Loop) af. De ‘geloopede’ golfvormen van de

Fantom-G bevatten ook componenten van andere geluiden, zoals een de resonerende vibraties van piano snaren en de holle geluiden van koperinstrumenten.

Het onderstaande diagram toont een voorbeeld van geluid (elektrisch orgel) waarin one-shot en geloopede golfvormen worden gecombineerd.

fig.06-005.e

TVA ENV voor gelooped orgel golfvorm

Niveau

TVA ENV voor one-shot Key-click golfvorm

Resulterende TVA ENV verandering

+ =

Note off

Tijd

Note off

Waarschuwing bij gebruik van een One-shot golfvorm

Het is niet mogelijk om de envelope te gebruiken om een one-shot golfvorm te wijzigen, om een decay te creëren die langer is dan de oorspronkelijke golfvorm of om het in een doorklinkend geluid te veranderen. Als u een dergelijke envelope zou programmeren, zou u proberen een gedeelte van het geluid te vormen dat simpelweg niet bestaat, en de envelope zou in dat geval geen effect hebben.

Waarschuwing bij gebruik van een Loop golfvorm

Bij vele akoestische instrumenten, zoals piano en sax, treden extreme timbrale veranderingen op tijdens de eerste momenten van elke noot. Deze initiële Attack is wat het grootste gedeelte van het karakter van het instrument definieert. Bij dit soort golfvormen is het het beste om complexe tonale veranderingen van het Attack gedeelte van de golfvorm te gebruiken zoals ze zijn, en de envelope te gebruiken om het decay gedeelte te wijzigen. Als u probeert de envelope te gebruiken om ook het Attack gedeelte ook te wijzigen, kunnen de karakteristieken van de oorspronkelijke golfvorm voorkomen dat u het gewenste geluid zult verkrijgen.

fig.06-006.e

Niveau

Looped deel

Tone verandering in de golf opgeslagen

Tijd

Envelope voor het TVF filter

Resulterende

Tone verandering

Door u gecreëerde Patches opslaan (Write)

Bewerkingen die u in instellingen aanbrengt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, naar een andere geluidsgenerator mode overschakelt of een ander geluid selecteert. Om het gewijzigde geluid te behouden, moet dit in de USER bank opgeslagen worden.

Als u de Patch instellingen bewerkt, zal het ‘ ’ symbool in het

Single Play scherm verschijnen. Als u de Patch opslaat, zal het ‘ symbool verdwijnen.

Als u de opslagprocedure uitvoert zal de data die reeds op de opslagbestemming aanwezig is verloren gaan.

1.

Zorg, dat de Patch die u wilt opslaan geselecteerd is.

2.

Druk op [WRITE].

Het WRITE MENU venster verschijnt.

3.

Selecteer ‘Patch/Rhythm/Sample Set’.

Druk op of om ‘Patch / Rhythm / Sample Set’ te selecteren, en druk op [F8 (select)].

Het Patch Name venster verschijnt.

fig.06-008_50

4.

Geef de Patch een naam.

Voor details over het toewijzen van namen, zie ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

5.

Als u de naam heeft ingevoerd drukt u op [F8 (OK)].

Een scherm verschijnt, waarin u de Patch die als opslagbestemming fungeert kunt selecteren.

88

Een Patch creëren

6.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om het Patch nummer te selecteren.

Door [F6 (Compare)] in te drukken kunt u de Patch die als opslagbestemming fungeert controleren (Compare functie).

7.

Druk op [F8 (Write)].

In een bericht wordt om bevestiging gevraagd.

Zet de Fantom-G nooit uit, terwijl data wordt opgeslagen.

8.

Druk op [F7 (OK)] om de opslag handeling uit te voeren.

Om de handeling te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

De opslagbestemming Patch beluisteren (Compare)

Voordat u een Patch opslaat, kunt u de Patch die zich in de opslagbestemming bevindt beluisteren, om zeker te weten dat dit een Patch is die overschreven mag worden. Op die manier kan het per ongeluk overschrijven van belangrijke Patches, waardoor deze verloren gaan, voorkomen worden.

1.

Volg de procedure van ‘Door u gecreëerde Patches opslaan

(Write)’ tot aan stap 6, om de opslagbestemming te selecteren.

2.

Druk op [F6 (Compare)] om dit aan te zetten.

3.

Speel op het toetsenbord of een Pad om de Patch van de opslagbestemming te laten klinken, en controleer of u deze al dan niet wilt overschrijven.

De Patch die met gebruik van de Compare functie wordt beluisterd, kan iets anders klinken dan wanneer deze normaal wordt gespeeld.

4.

Als u de opslagbestemming wilt veranderen, specificeert u de opslagbestemming opnieuw, door aan de VALUE draaiknop te draaien.

5.

Druk op [F8 (Write)].

In een bericht wordt om bevestiging gevraagd.

6.

Druk één keer op [F7 (OK)] om de Save handeling uit te voeren.

Functies van de Patch parameters

In deze sectie worden de functies die verschillende Patch parameters hebben uitgelegd, alsmede samenstelling van deze parameters.

Parameters gemarkeerd met een ‘

‘ kunnen bestuurd worden met gebruik van gespecificeerde MIDI berichten (Matrix Control). Instellingen in het Matrix Ctrl scherm bepalen hoe deze parameters bestuurd worden (p.109).

Als een nummer voor een parameternaam wordt weergegeven

( , , , ), kunt u de Realtime controller knop van het corresponderende nummer gebruiken om de waarde in te stellen

(de knop uiterst links is nummer 1, de knop uiterst rechts is nummer

4).

fig.06-010

Instellingen gemeenschappelijk voor de gehele Patch (General)

Patch Name

Specificeert de naam van de Patch.

Door [ENTER] in te drukken kunt u de Patch een naam geven.

Waarde : spatie, A-Z, a-z, 0-9, ! '' # $ % & ‘( ) * + , - . / : : < = > ? @ [ \ ]

^_ `{ | }

Details over het invoeren van een naam vindt u bij ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

Patch Category

Specificeert het type (categorie) van de Patch.

Dit bepaalt ook de frase die zal klinken als de Phrase Preview functie wordt gebruikt.

Details over de mogelijke categorie namen vindt u op (p.48).

Patch Level

Specificeert het volume van de Patch.

Waarde : 0-127

Patch Pan

Specificeert de pan van de Patch. ‘L64’ is uiterst links, ‘0’is midden, en ‘63R’ is uiterst rechts.

Waarde : L64-0-63R

89

Een Patch creëren

Patch Priority

Dit bepaalt hoe de noten behandeld worden als de maximale polyfonie wordt overschreden (128 stemmen).

Waarde

LAST :

LOUDEST :

De laatst gespeelde noten krijgen prioriteit, en op dat moment klinkende noten worden op volgorde uitgezet, beginnend bij de eerst gespeelde noot.

De stemmen met het hoogste volume krijgen prioriteit, en de op dat moment klinkende noten worden op volgorde uitgezet, beginnend bij de stem met het laagste volume.

Octave Shift

Past de toonhoogte van het Patch geluid aan, omhoog of omlaag, in eenheden van een octaaf (+/- 3 octaven).

Waarde : -3-+3

Patch Coarse Tune

Past de toonhoogte van het Patch geluid aan, omhoog of omlaag, in stappen van halve tonen (+/- 4 octaven).

Waarde : -48-+48

Patch Fine Tune

Past de toonhoogte van het Patch geluid omhoog of omlaag aan, in stappen van 1 cent (+/- -50 cent).

Waarde : -50 - +50.

Een cent is 1/100 ste

van een halve toon.

Stretch Tune Depth

Met deze instelling kunt u ‘stretched tuning’ op de Patch toepassen.

(stretched tuning is een systeem waarmee een akoestische piano normaalgesproken gestemd wordt, hetgeen veroorzaakt dat de lage reeks lager, en de hoge reeks hoger is dan de mathematische stemmingsratio’s normaal zouden voorschrijven). Op ‘OFF’ ingesteld is de stemming van de Patch de gelijkzwevende stemming. Op ‘3’ ingesteld wordt het grootste verschil in toonhoogte tussen de lage en hoge reeksen geproduceerd.

Waarde : OFF, 1-3

Het diagram toont de verandering in toonhoogte, relatief aan de gelijkzwevende stemming, die in de lage en hoge reeksen zal optreden. Deze instelling heeft een subtiel effect op de manier waarop akkoorden resoneren.

fig.06-011.e

Verschil in toonhoogte in vergelijking met gelijkzwevende stemming Parameter waarde

3

2

1

OFF OFF

1

2

3

Lage noten reeks Hoge noten reeks

Analog Feel (Analog Feel Depth)

Specificeert de diepte van 1 / f modulatie, die op de Patch wordt toegepast. (1 / f modulatie is een prettige en natuurlijk optredende modulatie ratio, die in een kabbelende beek of ruisende wind voorkomt).

Door deze ‘1 / f modulatie’ toe te voegen kunnen de natuurlijke instabiele karakteristieken van een analoge synthesizer gesimuleerd worden.

Waarde : 0-127.

Cutoff Offset

Cutoff Frequency Offset verandert de cutoff frequentie van de algehele Patch, terwijl de relatieve verschillen tussen de cutoff frequentiewaardes, die voor elke Tone met de Cutoff Frequency parameters zijn ingesteld, behouden blijven (p.98).

Waarde : -63- +63

Deze waarde wordt aan de cutoff frequentiewaarde van een

Tone toegevoegd, dus als de cutoff frequentiewaarde van een

Tone reeds op ‘127’ (maximum) is ingesteld, zullen positieve ‘+’ instellingen geen verandering produceren.

90

Een Patch creëren

Resonance Offset (resonantie verschuiving)

Resonance Offset verandert de resonantie van de algehele toonhoogte, terwijl de relatieve verschillen tussen de resonantiewaardes, die voor elke Tone met de Resonance parameter zijn ingesteld (p.98).

Bereik: -63-+63

* Resonantie: benadrukt de boventonen in de regio van de cutoff frequentie, geeft het geluid karakter.

De waarde wordt aan de resonantiewaarde van een Tone toegevoegd, dus als de resonantiewaarde van een Tone al op ‘127’

(maximum) is ingesteld, zullen positieve ‘+’instellingen geen verandering produceren.

Attack Time Offset (dynamiek verschuiving)

Attack Time Offset verandert de Attack tijd van de algehele Patch, terwijl de relatieve verschillen tussen de Attack tijd waardes die voor elke Tone met de TVA Env Time 1 parameters (p.102), TVF Env Time

1 parameters (p.100) zijn ingesteld behouden blijven.

Bereik: -63-+63

* Attack tijd: de tijd waarbinnen een geluid het maximale volume bereikt, nadat de toets is ingedrukt en het geluid is begonnen.

De waarde wordt aan de Attack tijd waarde van een Tone toegevoegd, dus als de Attack tijd waarde van een Tone al op ‘127’ (maximum) is ingesteld, zullen positieve ‘+’instellingen geen verandering produceren.

Release Time Offset (starttijd verschuiving)

Release Time Offset verandert de release tijd van de algehele Patch, terwijl de relatieve verschillen tussen de release tijd waardes die voor elke Tone met de TVA Env Time 4 parameters (p.102), TVF Env

Time 4 parameters (p.100) zijn ingesteld behouden blijven.

Bereik: -63-+63

* Release tijd: de tijd vanaf het moment dat u uw vinger van de toets neemt, totdat het geluid verdwijnt.

De waarde wordt aan de release waarde van een Tone toegevoegd, dus als de release tijd waarde van een Tone al op ‘127’

(maximum) is ingesteld, zullen positieve ‘+’instellingen geen verandering produceren.

Velocity Sens Offset (aanslaggevoeligheid wisselen)

Velocity Sens Offset verandert de Velocity gevoeligheid van de algehele Patch, terwijl de relatieve verschillen tussen de Velocity gevoeligheid waardes die voor elke Tone met de parameters hieronder zijn ingesteld behouden blijven.

Cutoff Velocity Sens parameter (p.99).

Level Velocity Sens parameter (p.100)

Bereik: -63-+63

* Velocity: de druk waarmee de toets wordt ingedrukt.

Deze waarde wordt aan de Velocity gevoeligheid waarde van een Tone toegevoegd, dus als de Velocity gevoeligheid waarde van een Tone al op ‘127’ (maximum) is ingesteld, zullen positieve ‘+’instellingen geen verandering produceren.

Golfvormen wijzigen (Wave)

Wave Group

Selecteert de groep voor de golfvorm die de basis van de Tone vormt.

Waarde

INT:

SAMP:

MSAM:

Intern opgeslagen golfvormen

Sample golfvormen

Multisample-golfvormen

Wave Number L (Mono)

Wave Number R

Selecteert de basis golfvorm voor een Tone. Samen met het Wave nummer verschijnt de Wave naam onder in het scherm.

In de mono mode wordt alleen de linkerkant (L) gespecificeerd. In stereo wordt de rechterkant (R) ook gespecificeerd.

Waarde : OFF, 1- (de hoogste limiet is afhankelijk van de Wave groep).

Als u alleen de rechterkant (R) specificeert, zal er geen geluid te horen zijn.

Als u een linker/rechter Wave paar wilt selecteren, selecteert u het linker (L) golfnummer en dan drukt u op [F3 (Set/Stereo)].

De rechter (R) (Wave) zal opgeroepen worden.

* Wanneer een Sample in stereo wordt gebruikt, moet u voor L en R hetzelfde nummer instellen.

91

Een Patch creëren

Wave Gain

Stelt de gain (versterking) van de golfvorm in. De waarde verandert in stappen van 6 dB (decibel), een toename van 6 dB verdubbelt de versterking (gain) van de golfvorm.

Als u de Booster gaat gebruiken om het geluid van de golfvorm te vervormen, stelt u deze parameter op zijn maximale waarde in

(p.94).

Waarde : -6, 0, +6, +12

Wave Tempo Sync

Wanneer u een Phrase Loop met de klok (tempo) wilt synchroniseren, zet u dit op ‘ON’. Dit is alleen geldig als dit als de Sample voor een Tone is geselecteerd.

Waarde : OFF, ON

• Als een Sample voor een Tone is geselecteerd, moet u eerst de

BPM (tempo) parameter van de Sample instellen.

• Als een Sample voor een Tone is geselecteerd, vereist Wave

Tempo Sync tweemaal het normale aantal stemmen.

• Als de Wave Tempo Sync parameter op ‘ON’ is ingesteld, zet u de Delay Time parameter (p.108) op ‘0’. Met andere instellingen zal een delay effect worden toegepast, en kunt u niet naar verwachting spelen.

Phrase Loop

Phrase Loop verwijst naar het herhaald afspelen van een frase die uit een song is getrokken (bijv. met gebruik van een sampler). Een techniek waarbij het gebruik van Phrase Loops betrokken is, is het onttrekken van een frase uit een eerder bestaande song in een bepaald genre, bijvoorbeeld dance muziek, en het vervolgens creëren van een nieuwe song, waarbij die frase als het basismotief wordt gebruikt. Deze worden ‘Break beats’ genoemd.

Realtime Time Stretch

Als de Wave groep ‘SAMP’ is, en de Wave Tempo Sync parameter is ingeschakeld, kunt u de afspeelsnelheid van de golfvorm veranderen, zonder dat dit de toonhoogte beïnvloedt.

FXM schakelaar

Dit stelt in of FXM gebruikt wordt (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON

FXM

FXM (Frequency Cross Modulation) gebruikt een gespecificeerde golfvorm om frequentie modulatie op de huidig geselecteerde golfvorm toe te passen, waardoor complexe boventonen worden gecreëerd. Dit is bruikbaar voor het creëren van dramatische geluiden of geluidseffecten.

FXM Color

Specificeert hoe FXM frequentie modulatie toegepast zal worden.

Hogere instellingen resulteren in een meer korrelig geluid, terwijl lagere instellingen een meer metaalachtig geluid produceren.

Waarde: 1–4

FXM Depth

Specificeert de diepte van de modulatie die door FXM wordt geproduceerd.

Waarde : 0-16

De manier waarop een Tone klinkt veranderen (TMT)

U kunt de sterkte waarmee de toetsen worden bespeeld of MIDI berichten gebruiken om de manier waarop elke Tone wordt gespeeld te besturen. Dit wordt de Tone Mix Tabel (TMT) genoemd.

Structure Type 1 & 2, 3 & 4

Bepaalt hoe Tone 1 en 2 of Tone 3 en 4 geschakeld worden.

Waarde : 1-10

De volgende 10 verschillende combinatietypes zijn beschikbaar.

fig.06-014

TYPE 1

TONE 1 (3) WG TVF TVA

TONE 2 (4) WG TVF TVA

Met dit type zijn Tones 1 en 2 (of 3 en 4) onafhankelijk. Gebruik dit type als u PCM geluiden wilt behouden of geluiden voor elke Tone wilt creëren en combineren.

fig.06-015

TYPE 2

TONE 1 (3) WG TVA TVF

TONE 2 (4) WG TVF TVA

Dit type stapelt de twee filters, om de karakteristieken van de filters te intensiveren. De TVA van Tone 1 (of 3) regelt de volumebalans tussen de twee Tones.

fig.06-016

TYPE 3 B: Booster

TONE 1 (3) WG TVA TVF

B

TONE 2 (4) WG TVF TVA

Dit type mengt het geluid van Tone 1 (3) en Tone 2 (4), past een filter toe, en past vervolgens een booster toe om de golfvorm te vervormen.

92

Een Patch creëren

fig.06-017

TYPE 4

TONE 1 (3) WG TVA

TONE 2 (4) WG

B

TVF

B: Booster

TVF TVA

Dit type past een booster toe om de golfvorm te vervormen, en combineert vervolgens de twee filters. De TVA van Tone 1 (of 3) regelt de volumebalans tussen de twee Tones en past het booster niveau aan.

fig.06-018

TYPE 5 R: Ring Modulator

TONE 1 (3) WG TVA TVF

R

TONE 2 (4) WG TVF TVA

Dit type gebruikt een ring modulator om nieuwe boventonen te creëren, en combineert de twee filters. De Tone 1 (3) TVA regelt de volumebalans van de twee Tones, en past de diepte van de ring modulator aan.

fig.06-019

TYPE 6 R: Ring Modulator

TONE 1 (3) WG TVA TVF

R

TONE 2 (4) WG TVF TVA

Dit type gebruikt een ring modulator om nieuwe boventonen te creëren, en mengt daarnaast het geluid van Tone 2 (4) in, en stapelt de twee filters.

Omdat het geluid waarop ring modulatie is toegepast met Tone 2 (4) gemengd kan worden, kan de Tone 1 (3) TVA de hoeveelheid geluid waarop ring modulatie is toegepast aanpassen.

fig.06-020

TYPE 7 R: Ring Modulator

TONE 1 (3) WG TVF TVA

R

TONE 2 (4) WG TVF TVA

Dit type past een filter op Tone 1 (3) toe, en ring-moduleert het met

Tone 2 (4) om nieuwe boventonen te creëren. fig.06-021

TYPE 8

TONE 1 (3) WG TVF TVA

TONE 2 (4) WG

R

R: Ring Modulator

TVF TVA

Dit type stuurt de gefilterde Tone 1 (3) en Tone 2 (4) door een ring modulator, en mengt vervolgens het geluid van Tone 2 (4) in, en past en filter op het resultaat toe.

fig.06-022

TYPE 9 R: Ring Modulator

TONE 1 (3) WG TVF TVA

R

TONE 2 (4) WG TVF TVA

Dit type stuurt het gefilterde geluid van elke Tone door een ring modulator om nieuwe boventonen te creëren. De Tone 1 (3) TVA bestuurt de volumebalans van de twee Tones, en past de diepte van de ring modulator aan.

fig.06-023

TYPE 10 R: Ring Modulator

TONE 1 (3) WG TVF TVA

R

TONE 2 (4) WG TVF TVA

Dit type stuurt het gefilterde geluid van elke Tone door een ring modulator om nieuwe boventonen te creëren, en mengt ook het geluid van Tone 2 (4) in. Omdat een geluid waarop ring modulatie is toegepast met Tone 2 (4) gemengd kan worden, kan de Tone 1 (3)

TVA de hoeveelheid ringgemoduleerde geluid aanpassen.

• Als TYPE 1-10 is geselecteerd, en één Tone van een paar is uitgezet, zal de andere Tone klinken als TYPE 1, ongeacht de weergegeven instelling.

• Als u het toetsenbord gebied waarbinnen een Tone zal klinken beperkt (Keyboard Range p.94) of de reeks velocities waarvoor deze zal klinken (Velocity Range p.95) beperkt, is het resultaat, in gebieden of reeksen waar de Tone niet klinkt, net alsof de

Tone is uitgezet. Dit betekent dat als TYPE 2-10 is geselecteerd, en u een gebied op het toetsenbord of een Velocity reeks creëert waarin één Tone van een paar niet klinkt, noten die in dat gebied of binnen die reeks worden gespeeld, door de andere

Tone als TYPE 1 ten gehore worden gebracht, ongeacht de weergegeven instelling.

93

Een Patch creëren

Booster 1&2, 3&4 (Booster Gain 1&2, 3&4)

Wanneer een Structure Type van TYPE 3 of TYPE 4 is geselecteerd, kunt u de diepte van de booster aanpassen. De booster verhoogt het ingangssignaal, om het geluid te vervormen. Dit creëert het distortion (vervorming) effect dat vaak gebruikt wordt voor elektrische gitaren. Hogere instellingen produceren meer vervorming.

Waarde : 0, +6, +12, +18

Booster

De Booster wordt gebruikt om het binnenkomende signaal te vervormen.

fig.06-024.e

Booster niveau

Ring Modulator

Een ring modulator vermenigvuldigt de golfvorm van twee

Tones met elkaar, waardoor nieuwe boventonen worden genereert (in harmonische gedeeltes), die niet aanwezig waren in de oorspronkelijke golfvormen. (Tenzij één van de golfvormen een sinusgolf is, worden gelijk verdeelde frequentie componenten normaalgesproken niet gegenereerd).

Als het verschil in toonhoogte tussen de twee golfvormen de harmonische structuur verandert, zal het resultaat een metaalachtig geluid zonder gedefinieerde toonhoogte zijn. Deze functie is bruikbaar voor het creëren van metaalachtige geluiden, zoals bellen.

fig.06-026

Naast het gebruik om vervorming te creëren, kunt u de golfvorm (WG1) van één van de Tones als een LFO gebruiken, welke de andere golfvorm (WG2) omhoog of omlaag schuift, om modulatie te creëren die lijkt op PWM (puls breedte modulatie). Deze parameter werkt het beste als u deze gebruikt in samenwerking met de Wave Gain parameter (p.92).

fig.06-025.e

Gebruikt WG1 als LFO Past WG1 uitvoer aan

WG1 TVA

Booster

WG2

WG2

Voegt toe aan WG1

Vervormd gebied van de golfvorm verandert

Verschuiving in golfvorm door WG1

Keyboard Fade Width Lower

Dit bepaalt wat er gebeurt met het Niveau van de Tone als een noot, die lager is dan de gespecificeerde toetsenbordreeks voor de Tone, gespeeld wordt.

Hogere instellingen produceren een meer geleidelijke verandering in volume. Als u wilt, dat de noot helemaal niet klinkt als een noot onder de toetsenbordreeks wordt gespeeld, zet u deze parameter op

‘0’.

Waarde : 0-127

Keyboard Range Lower

Specificeert de laagste noot die de Tone voor elke Tone zal laten klinken.

Waarde: C-1-UPPER

Keyboard Range Upper

Specificeert de hoogste noot die de Tone voor elke Tone zal laten klinken.

Waarde : LOWER-G9

Als u probeert de lage toets tot boven de hoogste toets te verhogen of de hoogste toets tot onder de laagste toets te verlagen, zal de andere waarde automatisch in dezelfde instelling worden gewijzigd.

94

Een Patch creëren

Keyboard Fade Width Upper

Dit bepaalt wat er met het niveau van de Tone gebeurt als een noot, die hoger is dan de gespecificeerde toetsenbord reeks van de Tone, wordt gespeeld.

Hogere instellingen produceren een meer geleidelijke verandering in volume. Als u wilt, dat de Tone geheel niet te horen is wanneer een noot boven de toetsenbordreeks wordt gespeeld, zet u deze parameter op ‘0’.

Waarde : 0-127 fig.06-027.e

Niveau

Toonhoogte

Fade Lower

Range Lower

Fade Upper

Range Upper

TMT Velocity Control

(TMT Velocity Control Switch)

TMT Velocity Control bepaalt of een andere Tone wordt gespeeld

(ON) of niet (OFF), afhankelijk van de sterkte waarmee de toets wordt gespeeld (Velocity).

Als dit op ‘RAMDOM’ is ingesteld, zullen de Tones waaruit de Patch is samengesteld willekeurig klinken, ongeacht welke Velocity berichten dan ook.

Als dit op ‘CYCLE’ staat, zullen de Tones waaruit de Patch is samengesteld achtereenvolgend klinken, ongeacht de Velocity berichten.

Waarde : OFF, ON, RANDOM, CYCLE.

Gebruik ‘ Velocity Range lower ’ (p.95) en ‘ Velocity Range

Upper ’ (p.95) om het bereik van de toetsenbord dynamiek te specificeren.

Als Velocity Range Lower en Velocity Range Upper op dezelfde waardes zijn ingesteld, kunt u geen effect verkrijgen door TMT

Velocity Control op ‘RANDOM’ of ‘CYCLE’ in te stellen.

In plaats van Velocity te gebruiken kunt u Tones ook met gebruik van de Matrix Control (p.109, p.95) vervangen. Echter, de toetsenbord Velocity en de Matrix Control kunnen niet tegelijkertijd gebruikt worden om verschillende Tones te laten klinken. Wanneer Matrix Control gebruikt wordt om Tones te veranderen, stelt u de Velocity Control parameter op ‘OFF’ in.

Velocity Fade Width Lower

Dit bepaalt wat er met het niveau van de Tone gebeurt als de Tone gespeeld wordt met een lagere Velocity dan zijn gespecificeerde

Velocity reeks. Hogere instellingen produceren een meer geleidelijke verandering in volume. Als u wilt, dat noten die buiten de gespecificeerde toets Velocity reeks niet te horen zullen zijn, stelt u dit op ‘0’ in.

Waarde : 0-127

Velocity Range Lower

Dit stelt de laagste Velocity in, waarop de Tone zal klinken. Maak deze instellingen als u verschillende Tones wilt laten klinken, in respons op noten die op verschillende sterktes worden gespeeld.

Waarde : 1-UPPER

Velocity Range Upper

Dit stelt de hoogste Velocity waarop de Tone zal klinken in. Maak deze instellingen als u wilt verschillende Tones wilt laten klinken in respons op noten die met een verschillende sterkte worden gespeeld.

Waarde : LOWER-127

Als u probeert de Lower Velocity limiet boven de Upper of de

Upper onder de Lower in te stellen, zal de andere waarde automatisch op dezelfde instelling worden gezet.

Als de Matrix Control (p.109) wordt gebruikt om verschillende

Tones te laten spelen, stelt u de laagste waarde (Lower) en hoogste waarde (Upper) van de waarde van het gebruikte MIDI bericht in.

Velocity Fade Width Upper

Dit bepaalt wat er met het niveau van de Tone gebeurt als de Tone gespeeld wordt met een hogere Velocity dan zijn gespecificeerde

Velocity reeks. Hogere instellingen produceren een meer geleidelijke verandering in volume. Als u wilt, dat noten die buiten de gespecificeerde toets Velocity reeks niet te horen zullen zijn, stelt u dit op ‘0’ in.

Waarde : 0-127 fig.06-028.e

Niveau

Aanslag

Fade Lower

Range Lower

Fade Upper

Range Upper

TMT Control Switch

Gebruik de Matrix Control (p.109) om het klinken van andere Tones in te schakelen (ON) of uit te schakelen (OFF).

Waarde : OFF, ON

U kunt andere Tones ook laten klinken in respons op noten die met verschillende sterktes (Velocity) op het toetsenbord worden gespeeld (p.95). Echter, de Matrix Control en de toetsenbord

Velocity kunnen niet tegelijkertijd gebruikt worden om verschillende Tones te laten klinken. Als u de verschillende Tones hoorbaar wilt maken, stelt u de Velocity Control parameter

(p.95) op ‘OFF’ in.

95

Een Patch creëren

De toonhoogte wijzigen (Pitch/

Pitch Env)

Pitch

Tone Coarse Tune

Past de toonhoogte van het geluid in stappen van halve tonen omhoog of omlaag aan (+/- 4 octaven).

Waarde : -48-+48

Tone Fine Tune

Past de toonhoogte van het geluid in stappen van 1 cent omhoog of omlaag aan (+/- 50 cent).

Waarde : -50-+50

Eén cent is 1/100 ste

van een halve toon.

Random Pitch Depth

Dit specificeert de breedte van de willekeurige afwijking in toonhoogte, die optreedt wanneer een toets wordt ingedrukt. Als u niet wilt dat de toonhoogte willekeurig verandert, stelt u dit op ‘0’ in.

Deze waardes zijn in cent eenheden (1/100 ste

van een halve toon).

Waarde : 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 20, 30, 40, 50, 60, 70, 80, 90,

100, 200, 300, 400, 500, 600, 700, 800, 900, 1000, 1100,

1200

Wave Pitch Key Follow

Dit specificeert de hoeveelheid verandering in toonhoogte die optreedt als u een toets een octaaf hoger speelt (d.w.z: 12 toetsen omhoog op het toetsenbord).

Als u wilt, dat de toonhoogte één octaaf hoger wordt, zoals op een conventioneel toetsenbord, stelt u dit op ‘100’ in. Als u wilt, dat de toonhoogte twee octaven stijgt, zet u dit op ‘200’. Omgekeerd stelt u dit op een negatieve waarde in wanneer de toonhoogte lager moet worden. Op ‘0’ ingesteld zullen alle toetsen dezelfde toonhoogte produceren.

Waarde : -200, -190, -180, -170, -160, -150, -140, -130, -120, -110,

-100, -90, -80, -70, -60, -50, -40, -30, -20, -10, 0, +10,

+20, +30, +40, +50, +60, +70, +80, +90, +100, +110,

+120, +130, +140, +150, +160, +170, +180, +190, +200 fig.06-030.e

Pitch

+200

+100

+50

C1

0

C2 C3 C4

-50

C5

-200

C6 C7

-100

Key

Pitch Bend Range Up

Specificeert de mate van toonhoogte verandering in halve tonen, als de Pitch Bend hendel uiterst rechts is gepositioneerd. Als deze parameter bijvoorbeeld op ‘12’ staat, zal de toonhoogte één octaaf stijgen als de Pitch Bend hendel helemaal naar rechts wordt bewogen.

Waarde : 0-+48

Pitch Bend Range Down

Specificeert de mate van toonhoogte verandering in halve tonen, als de Pitch Bend hendel uiterst links is gepositioneerd. Als deze parameter bijvoorbeeld op ‘-48’ staat, zal de toonhoogte vier octaven dalen als de Pitch Bend hendel helemaal naar links wordt bewogen.

Waarde : -48-0

Pitch Env Velocity Sens

De speeldynamiek op het toetsenbord kan gebruikt worden om de diepte van de Pitch envelope te besturen. Als u wilt, dat de Pitch envelope meer effect heeft bij sterk gespeelde noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als de Pitch envelope minder effect moet hebben bij sterk gespeelde noten, stelt u dit op een negatieve (-) waarde in.

Waarde : -63-+63

Pitch Env Time 1 Velocity Sens

Hiermee kan de toetsenbord dynamiek de Time 1 van de Pitch Envelope beïnvloeden. Als u wilt, dat Time 1 sneller wordt bij sterk gespelde noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt, dat deze langzamer wordt, zet u dit op een negatieve

(-) waarde.

96

Een Patch creëren

Waarde: -63– +63

Pitch Env Time 4 Velocity Sens

Gebruik deze parameter dal u wilt dat de snelheid waarmee de toets wordt losgelaten (Key Release snelheid) de Time 4 waarde van de

Pitch Envelope beïnvloedt. Als u wilt, dat Time 4 sneller wordt bij snel losgelaten noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt data deze langzamer wordt, stelt u dit op een negatieve (-) waarde in.

Waarde : -63-+63

Pitch Env Time Key Follow

Gebruik deze instelling als u wilt dat de Pitch Envelope tijden (Time

2-Time 4) door de toetsenbord locatie beïnvloed wordt. Gebaseerd op de Pitch Envelope tijden van de C4 toets, maken positieve (+) instellingen dat noten hoger dan C4 toenemend kortere tijden hebben, en negatieve (-) instellingen veroorzaken dat deze toenemend langere tijden hebben. Hogere instellingen produceren meer verandering.

Waarde : -100, -90, -80, -70, -60, -50, -40, -30, -20, -10, 0, +10,

+20, +30, +40, +50, +60, +70, +80, +90, +100 fig.06-031.e

Tijd

-100

-50

C1

0

C2 C3 C4 C5 C6

+50

C7

+100

Toets gespeelde noot toegepast.

CATCH+LAST: de werking van ‘CATCH’ en ‘LAST’ wordt gecombineerd.

Bend Mode Control

Dit specificeert de CC (Control Change) waarvan de waarde gebruikt wordt om de werking van de Pitch Bend hendel af te wisselen tussen de mode die met Bend Mode (control waarde 64 of hoger) en conventionele handeling (control waardes 63 of lager) gespecificeerd is.

Waarde : CC01-31, CC32(OFF), CC33-95

Pitch Env (Pitch Envelope)

Pitch Env Depth

Past het effect van de Pitch Envelope aan. Hogere instellingen maken dat de Pitch envelope meer verandering produceert. Negatieve (-) instellingen keren de vorm van de envelope om.

Waarde : -12-+12

Pitch Env Time 1–4

Specificeer de Pitch envelope tijden (Time 1-Time 4). Hogere instellingen resulteren in een langere tijd voordat de volgende toonhoogte wordt bereikt. (Time 2 is bijvoorbeeld de tijd waarbinnen de toonhoogte van Level 1 in Level 2 verandert).

Waarde : 0-127 fig.06-032.e

T1 T2 T3 T4

Hold Bend

Dit specificeert of Pitch Bend beschikbaar is (ON) of niet beschikbaar is (ODFF), terwijl deze door het pedaal wordt vastgehouden, en tijdens het releasegedeelte van het geluid.

Waarde : OFF, ON

Bend Mode

Specificeert wat er gebeurt als u de Pitch Bend hendel bedient.

Waarde

NORMAL:

TOUCH:

De Pitch Bend hendel wordt op de conventionele manier toegepast.

Door het bewegen van de Pitch Bend hendel zal de toonhoogte vloeiend veranderen, maar de toonhoogte zal direct naar het midden terugkeren als u de hendel zelfs maar een fractie terug laat keren.

CATCH:

LAST:

Als u een note-on speelt, terwijl de Pitch Bend hendel reeds is bewogen, zal de toonhoogte op de middenpositie klinken. De toonhoogte zal alleen veranderen nadat de hendel de middenpositie is gepasseerd.

De Pitch Bend hendel wordt alleen op de laatst

Toonhoogte L0

Note on

L1

L2

T: Tijd L: Level (niveau)

L3

Note off

L4

Tijd

Pitch Env Level 0-4

Specificeer de Pitch envelope niveaus (Level 0-Level 4). Dit bepaalt hoeveel de toonhoogte op elk punt verandert, gerelateerd aan de referentie toonhoogte (de waarde die met Coarse Tune of Fine Tune in het Pitch scherm is ingesteld).

Positieve (+) instellingen maken dat de toonhoogte hoger wordt dan de standaard toonhoogte, en negatieve (-) instellingen maken dat deze lager wordt.

Waarde : -63-+63

97

Een Patch creëren

De helderheid van een geluid met een filter wijzigen (TVF/TVF Env)

TVF

Filter Type

Selecteert het type filter. Een filter kapt een specifieke frequentieregio af of duwt deze omhoog om de helderheid, dikte of andere eigenschappen van het geluid te veranderen.

Waarde

OFF :

LPF :

BPF

HPF :

:

Er wordt geen filter gebruikt.

Laag Pas Filter. Dit reduceert het volume van alle frequenties boven de cutoff frequentie (Cutoff Freq) om het geluid ronder of minder helder te maken.

Dit is het meest gebruikte filter in synthesizers.

Band Pas Filter. Dit behoudt alleen de frequenties in de regio van de cutoff frequentie (Cutoff Freq), en kapt de rest af. Dit kan bruikbaar zijn voor het creëren van onderscheidende geluiden.

Hoog Pas Filter. Dit kapt de frequenties onder de cutoff frequentie (Cutoff Freq) af. Dit is geschikt voor het creëren van percussieve geluiden, waarbij hun hogere Tones worden benadrukt.

PKG :

LPF2

LPF3 :

:

Peaking Filter. Dit benadrukt de frequenties in de regio van de cutoff frequentie (Cutoff Freq). Dit kan gebruikt worden voor het creëren van wah-wah effecten, door een LFO te gebruiken om de cutoff frequentie op cyclische wijze te veranderen.

Laag Pas Filter 2. Hoewel frequentie componenten boven de cutoff frequentie (Cutoff Freq) worden afgekapt, is de gevoeligheid van dit filter de helft van dat van de LPF. Dit maakt het in vergelijking een warmer laagpas filter.

Dit filter is goed te gebruiken met gesimuleerde instrumentgeluiden, zoals de akoestische piano.

Laag Pas Filter 3. Hoewel frequentie componenten boven de cutoff frequentie (Cutoff Freq) worden afgekapt, verandert de gevoeligheid van dit filter volgens de Cutoff Frequentie. Hoewel dit filter ook goed te gebruiken is voor gesimuleerde akoestische instrumentgeluiden, verschilt de nuance die dit vertoont van die van de LPF2, zelfs met dezelfde TVF

Envelope tijden.

Als u “LPF2” of “LPF3” instelt, zal de instelling van de Resonance parameter genegeerd worden (p.98).

Cutoff Frequency

Selecteert de frequentie waarop het filter een effect op de frequentie componenten van de golfvorm begint te krijgen.

Waarde : 0-127

Als ‘LPF/LPF2/LPF3’ voor de Filter Type parameter is geselecteerd, reduceren lagere cutoff frequentie instellingen de hoge boventonen van een Tone, voor een ronder, warmer geluid. Met hogere instellingen klinkt dit helderder.

Als ‘BPF’ is geselecteerd, veranderen harmonische componenten afhankelijk van de TVF Cutoff Frequency instelling. Dit kan bruikbaar zijn bij het creëren van onderscheidende geluiden.

Als ‘HPF’ is geselecteerd, reduceren hogere Cutoff Frequency instellingen de lage boventonen, om slechts de heldere componenten van het geluid te benadrukken.

Als ‘PKG’ is geselecteerd, variëren de boventonen die benadrukt worden, afhankelijk van de Cutoff Frequency instelling.

Om de algehele Patch te bewerken, terwijl de relatieve verschillen in de Cutoff Frequency waardes, die voor elke Tone zijn ingesteld, worden behouden, stelt u de Cutoff Offset parameter in (p.90).

Resonance

Benadrukt het portie van het geluid in de regio van de cutoff frequentie, en geeft het geluid meer karakter. Overmatig hoge instellingen kunnen oscillatie produceren, waardoor het geluid vervormt.

Waarde :0-127

Om de algehele Patch te bewerken, terwijl de relatieve verschillen in de Resonance waardes, die voor elke Tone zijn ingesteld, worden behouden, stelt u de Resonance Offset parameter in

(p.91).

fig.06-034.e

Niveau

LPF

Hoog

BPF HPF PKG

Frequentie

Cutoff frequentie

Laag

98

Een Patch creëren

TVF Cutoff Key follow

Gebruik deze parameter als u wilt dat de cutoff frequentie verandert volgens de toets die wordt ingedrukt. Gerelateerd aan de cutoff frequentie op de C4 toets (middelste C) maken positieve (+) instellingen dat de cutoff frequentie stijgt bij noten hoger dan C4, en negatieve (-) instellingen maken dat de cutoff frequentie daalt bij noten hoger dan

C4. Hogere instellingen produceren meer verandering.

Waarde : -200, -190, -180, -170, -160, -150, -140, -130, -120, -110,

-100, -90, -80, -70, -60, -50, -40, -30, -20, -10, 0, +10,

+20, +30, +40, +50, +60, +70, +80, +90, +100, +110,

+120, +130, +140, +150, +160, +170, +180, +190, +200 fig.06-035.e

Cutoff Frequentie

(octaaf)

+200

+100

+2

+50

+1 o 0

-1

-2

-50

C1 C2 C3 C4 C5

-200

C6 C7

-100

Toets

Resonance Velocity Sens

Hiermee kan de toetsenbord Velocity de hoeveelheid resonantie wijzigen. Als u wilt, dat sterk gespeelde noten een sterker resonantie effect hebben, stelt u deze parameter op positieve (+) instellingen in.

Als u wilt, dat sterk gespeelde noten minder resonantie zullen hebben, gebruikt u negatieve (-) instellingen.

Waarde : -63-+63

TVF Env Velocity Curve

Selecteert één van de volgende zeven curven, die bepalen hoe de speeldynamiek de TVF envelopes zullen beïnvloeden. Zet dit op

‘FIXED’ als u niet wilt dat de TVF Envelope door de speeldynamiek wordt beïnvloed.

Waarde : FIXED, 1-7 fig.06-036

Cutoff Velocity Curve

Selecteert één van de volgende zeven curven, die bepalen hoe de speeldynamiek (Velocity) de cutoff frequentie beïnvloedt.

Zet dit op ‘FIXED’ als u niet wilt dat de cutoff frequentie door de toetsenbord Velocity wordt beïnvloed.

Waarde : FIXED, 1-7 fig.06-036

1 2 3 4 5 6 7

TVF Env Velocity Sens

Specificeert hoe de speeldynamiek op het toetsenbord de diepte van de TVF Envelope beïnvloedt. Positieve (+) instellingen maken dat de

TVF Envelope een sterker effect heeft bij sterk gespeelde noten, en negatieve (-) instellingen maken dat het effect zwakker is.

Waarde : -63-+63

TVF Env Time 1 Velocity Sens

Hiermee kan de speeldynamiek de Time 1 van de TVF Envelope beïnvloeden. Positieve (+) instellingen maken dat de TVF Envelope meer effect heeft op sterk gespeelde noten, en negatieve (-) instellingen maken dat het effect zwakker is.

Waarde : -63-+63

TVF Env Time 4 Velocity Sens

De parameter die gebruikt wordt als u wilt dat de snelheid waarmee de toets wordt losgelaten de Time 4 waarde van de TNF Envelope regelt. Als u wilt, dat Time 4 sneller wordt bij snel losgelaten noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt, dat deze langzamer wordt, zet u dit op een negatieve (-) waarde.

Waarde : -63-+63

1 2 3 4 5 6 7

Cutoff Velocity Sens

Gebruik deze parameter als de toegepaste cutoff frequentie als resultaat van veranderingen in de speeldynamiek wordt veranderd.

Als u wilt, dat sterk gespeelde noten de cutoff frequentie hoger maken, zet u deze parameter op positieve (+) instellingen. Als u wilt, dat sterk gespeelde noten de cutoff frequentie verlagen, gebruikt u negatieve (-) instellingen.

Waarde : -63-+63

Om de algehele Patch te bewerken, terwijl de relatieve verschillen in de Cutoff Frequency Velocity Sens waardes, ingesteld voor elke Tone, behouden blijven, stelt u de Velocity Sens Offset parameter in (p.91). Deze instelling wordt echter met de Level

Velocity Sens parameter (p.100) gedeeld.

99

Een Patch creëren

TVF ENV (TVF Envelope)

TVF Env Depth

Specificeert de diepte van de TVF envelope. Hogere instellingen zorgen dat de TVF envelope meer verandering produceert. Negatieve (-

) instellingen keren de vorm van de envelope om.

Waarde : -63-+63

TVF Env Time Key Follow

Gebruik deze instelling als u wilt dat de TVF Envelope tijden (Time

2-Time 4) door de locatie op het toetsenbord worden beïnvloed.

Gebaseerd op de TVF envelope tijden voor de C4 toets (middelste C), maken positieve (+) instellingen dat noten hoger dan C4 toenemend kortere tijden hebben, en negatieve (-) instellingen maken dat deze toenemend langere tijden hebben. Hogere instellingen produceren meer verandering.

Waarde : -100, -90, -80, -70, -60, -50, -40, -30, -20, -10, 0, +10,

+20, +30, +40, +50, +60, +70, +80, +90, +100 fig.06-031.e

Tijd

-100

-50

0

C1 C2 C3 C4 C5 C6

+50

+100

C7

Toets

TVF Env Time 1–4

Specificeer de TVF Envelope tijden (Time 1 – Time 4). Hogere instellingen verlengen de tijd, totdat het volgende cutoff frequentieniveau wordt bereikt. (Time 2 is bijvoorbeeld de tijd waarbinnen Level 1 in

Level 2 zal veranderen).

Waarde : 0-127 fig.06-037.e

T1 T2 T3 T4

Het volume aanpassen (TVA/TVA Env)

TVA

Tone Level

Stelt het volume van de Tone in. Deze instelling is voornamelijk bruikbaar voor het aanpassen van de volumebalans tussen Tones.

Waarde : 0-127

Level Velocity Curve (TVA Level Velocity Curve)

U kunt uit zeven curven selecteren, die bepalen hoe de speelsterkte op het toetsenbord het volume beïnvloedt. Als u niet wilt dat het volume van de Tone beïnvloed wordt door de sterkte waarmee u speelt, zet u dit op ‘FIXED’.

Waarde : FIXED, 1-7 fig.06-036

1 2 3 4 5 6 7

Level Velocity Sens

(TVA Level Velocity Sensitivity)

Stelt dit in als u wilt dat het volume van de Tone verandert, afhankelijk van de sterkte waarmee u de toetsen indrukt. Stel dit op een positieve (+) waarde in om de veranderingen in Tone volume toe te laten nemen, hoe sterker de toetsen worden aangeslagen. Om de Tone zachter te laten spelen naarmate u harder speelt, stelt u dit op een negatieve (-) waarde in.

Waarde : -63-+63

Als u aanpassingen op de gehele Patch wilt maken, terwijl de relatieve waarde van TVA Level Velocity Sensitivity tussen

Tones behouden blijft, past u de Velocity Sens Offset parameter

(p.91) aan. Deze instelling wordt echter gedeeld met de Cutoff

Velocity Sens parameter (p.99).

Cutoff frequentie

L0

Note on

L1 L2 L3

Note off

L4

Tijd

T: Tijd L: Level (niveau)

TVF Env Level 0–4

Specificeer de TVF Envelope niveaus (Level 0 – Level 4). Deze instellingen specificeren hoe de cutoff frequentie op elk punt zal veranderen, relatief aan de standaard cutoff frequentie (de cutoff frequentiewaarde die in het TVF scherm is gespecificeerd).

Waarde : 0-127

100

Een Patch creëren

Bias

Bias maakt dat het volume door de toetsenbord positie wordt beïnvloed. Dit is bruikbaar voor het veranderen van het volume middels de toetsenbord positie (toonhoogte), als akoestische instrumenten geselecteerd zijn.

fig.06-039.e

LOWER

Niveau +

0

UPPER

Niveau

0

+

C-1

Bias positie

Toets

G9 C-1 Bias positie

– Toets

G9

LO&UP

Niveau +

0

C-1

Bias positie

0

+

ALL

Niveau

0

Toets

G9 C-1

+

Bias positie

0

+

Toets

G9

Tone Pan Key Follow

Gebruik deze parameter als u wilt dat de toets positie de panning beïnvloedt. Positieve (+) instellingen maken dat noten hoger dan C4

(middelste C) toenemend verder naar rechts worden gepanned, en negatieve (-) instellingen maken dat noten hoger dan C4 (middelste

C) naar links worden gepanned. Hogere instellingen produceren meer verandering.

Waarde : -100– +100 fig.06-040.e

Pan

R

+100

+50 o 0

L

C1 C2 C3 C4 C5 C6

-50

C7

-100

Toets

Bias Level

Past de hoek van de volumeverandering aan, die in de geselecteerde

Bias richting zal optreden. Hogere instellingen produceren meer verandering.

Negatieve (-) waardes keren de richting van de verandering om.

Waarde : -100, -90, -80, -70, -60, -50, -40, -30, -20, -10, 0, +10,

+20, +30, +40, +50, +60, +70, +80, +90, +100

Bias Position

Specificeert de toets waaraan het volume dat gewijzigd wordt is gerelateerd.

Waarde :C-1–G9

Bias Direction

Selecteert de richting waarin de verandering zal optreden, beginnend vanaf de Bias positie.

Waarde

LOWER :

UPPER

LO&UP

ALL :

:

:

Het volume wordt gewijzigd voor het toetsenbord gebied onder het Bias punt.

Het volume wordt gewijzigd voor het toetsenbord gebied boven het Bias punt.

Het volume wordt symmetrisch naar de linker en rechterkant van het Bias punt gewijzigd.

Het volume verandert lineair, waarbij het Bias punt het midden is.

Tone Pan

Stelt de pan van de Tone in. ‘L64’ is uiterst links, ‘0’is midden, en

‘63R’ is uiterst rechts.

Waarde : L64-0-63R

Random Pan Depth

Gebruik deze parameter als u wilt dat de stereo locatie verandert bij het indrukken van een toets. Hogere instellingen produceren een grotere hoeveelheid verandering.

Waarde : 0-63

Alternate Pan Depth

Deze instelling maakt dat de panning tussen links en rechts wordt afgewisseld, elke keer dat een toets wordt ingedrukt. Hogere instellingen produceren een grotere hoeveelheid verandering. ‘L’ of ‘R’ instellingen keren de volgorde waarin de pan tussen links en rechts zal afwisselen om. Als twee Tones bijvoorbeeld respectievelijk op

‘L’en ‘R’ zijn ingesteld, zal de panning van de twee Tones afwisselen, elke keer dat deze gespeeld worden.

Waarde : L63-0-63R

Als een van de waardes tussen Type ‘2’- ‘10’ is geselecteerd voor de Structure parameter in de Pan Key Follow, Rnd Pan

Depth, Alter Pan Depth parameter instellingen, wordt de uitvoer van Tones 1 en 2 in Tone 2 samengebracht, en de uitvoer van Tones 3 en 4 wordt in Tone 4 samengebracht. Daarom zal

Tone 1 de instellingen van Tone 2 volgen, en Tone zal de instellingen van Tone 4 volgen (p.92).

TVA Env (TVA Envelope)

TVA Env Time 1 Velocity Sens

Hiermee kan de toetsenbord dynamiek de Time 1 van de TVA envelope beïnvloeden. Als u wilt, dat Time 1 sneller wordt bij sterk gespeelde noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt, dat deze langzamer wordt, stelt u dit op een negatieve

(-) waarde in.

Waarde : -63-+63

101

Een Patch creëren

TVA Env Time 4 Velocity Sens

De parameter die gebruikt wordt als de release snelheid de Time 4 waarde van de TVA envelope moet besturen. Als u wilt, dat Time 4 sneller wordt bij snel losgelaten noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt, dat deze langzamer wordt, zet u dit op een negatieve (-) waarde.

Waarde : -63-+63

TVA Env Time Key Follow

Gebruik deze instelling als u wilt dat de TVA Envelope tijden (Time

2-Time 4) door de locatie op het toetsenbord worden beïnvloed.

Gebaseerd op de TVA envelope tijden voor de C4 toets (middelste

C), maken positieve (+) instellingen dat noten hoger dan C4 toenemend kortere tijden hebben, en negatieve (-) instellingen maken dat deze toenemend langere tijden hebben. Hogere instellingen produceren meer verandering.

Waarde : -100, -90, -80, -70, -60, -50, -40, -30, -20, -10, 0, +10,

+20, +30, +40, +50, +60, +70, +80, +90, +100 fig.06-031.e

Tijd

-100

-50

C1

0

C2 C3 C4 C5 C6

+50

C7

+100

Toets

Output

Specificeert hoe het directe geluid van elke Tone uitgevoerd zal worden.

Waarde :

PFX :

DRY :

Uitvoer via Patch multi-effecten

Uitvoer zonder door Patch multi-effecten te gaan

Tone Output Level

Specificeert het signaalniveau van elke Tone.

Waarde : 0-127

Tone Chorus Send Level

Specificeert het Niveau van het signaal dat voor elke Tone naar de chorus wordt gestuurd.

Waarde : 0-127

Tone Reverb Send Level

Specificeert het Niveau van het signaal dat voor elke Tone naar de reverb wordt gestuurd.

Waarde : 0-127

Modulerende geluiden (LFO1/2Step

LFO)

Een LFO (Low Frequency Oscillator) veroorzaakt verandering binnen een cyclus in een geluid. Elke Tone heeft twee LFO’s

(LFO1/LFO2), en deze kunnen gebruikt worden om de toonhoogte, cutoff frequentie en volume cyclisch te veranderen om modulatie type effecten te creëren, zoals vibrato, wah en tremolo. Beide LFO’s hebben dezelfde parameters. Daarom is slechts één uitleg nodig.

TVA Env Time 1–4

Specificeer de TVA Envelope tijden (Time 1 – Time 4). Hogere instellingen verlengen de tijd totdat het volgende volumeniveau wordt bereikt. (Time 2 is bijvoorbeeld de tijd waarbinnen Level 1 in

Level 2 zal veranderen).

Waarde : 0-127

TVA Env Level 1-3

Specificeer de TVA Envelope niveaus (Level 1 – Level 3). Deze instellingen specificeren hoe het volume op elk punt zal veranderen, relatief aan het standaard volume (de Tone Level waarde die in het

TVA scherm is gespecificeerd).

Waarde : 0-127 fig.06-041.e

T1 T2 T3 T4

Niveau

L1 L2

Note on

T: Tijd L: Level (niveau)

L3

Note off

Tijd

102

Een Patch creëren

LFO1/2

Waveform (LFO1/LFO2 Waveform)

Selecteert de golfvorm van de LFO.

Waarde

SIN :

TRI :

SAW-U :

Sinusgolf

Driehoeksgolf

Zaagtandgolf

SAW-D :

SQR :

RND:

BND-U :

Zaagtandgolf (negatieve polariteit)

Vierkante golf

Willekeurige golf op het moment dat de Attack van de golfvorm, die door de LFO is uitgevoerd, zich op een standaard manier kan ontwikkelen, loopt de golfvorm zonder verdere verandering door.

BND-D :

TRP

S&H

:

:

CHAOS

VSIN

STEP

:

:

: op het moment dat de decay van de golfvorm, die door de LFO is uitgevoerd, zich op een standaard manier kan ontwikkelen, loopt de golfvorm zonder verdere verandering door.

Trapezoïde golf

Sample & Hold golf (één keer per cyclus, LFO waarde wordt veranderd)

Chaos golf

Gewijzigde sinusgolf. De amplitude van een sinusgolf wordt elke cyclus willekeurig gevarieerd.

Een golfvorm gegenereerd door de data die door

LFO Step 1-64 is gespecificeerd. Dit produceert een stapvormige verandering met een vaststaand patroon, gelijkend op een stap modulator.

Als u dit op ‘BND-U’ of ‘BND-D’ instelt, moet u de Key Trigger parameter op ‘ON’ zetten. Als deze op ‘OFF’ staat, zal dit geen effect hebben.

Rate (LFO1/LFO2 Rate)

Past de modulatiesnelheid van de LFO aan.

Waarde : 0-127, Note

LFO Rate stelt de beat lengte voor het gesynchroniseerde tempo, gesynchroniseerd met het tempo dat in een sequencer is ingesteld.

(Voorbeeld)

Bij een tempo van 120 (120 kwartnoten treden in 1 minuut (60 seconden) op).

Instelling

(halve noot)

(kwartnoot)

(achtste noot)

LFO snelheid

1 seconde (60 / 60 =1 (seconde))

0.5 seconden (60 / 120= 0.5 (seconden))

0.25 seconden (60 / 240= 0.25 (seconden))

Deze instelling wordt genegeerd als de Waveform parameter op

‘CHAOS’ is ingesteld.

Rate Detune (LFO1/LFO2 Rate Detune)

LFO Rate Detune maakt subtiele veranderingen in de LFO cyclus snelheid (Rate parameter), elke keer dat een toets wordt ingedrukt.

Hogere instellingen produceren een grotere verandering. Deze parameter is niet geldig als Rate op ‘Note’ is ingesteld.

Waarde : 0-127

Offset (LFO1/LFO2 Offset)

Verhoogt of verlaagt de LFO golfvorm, gerelateerd aan de centrale waarde (toonhoogte of cutoff frequentie). Positieve (+) instellingen verplaatsen de golfvorm, zodat er geen modulatie van de centrale waarde opwaarts zal plaatsvinden. Negatieve (-) instellingen verplaatsen de golfvorm zo, dat modulatie vanaf de centrale waarde neerwaarts zal optreden.

Waarde : -100, -50, 0, +50, +100

Delay Time (LFO1/LFO2 Delay Time)

Delay Time (LFO Delay Time) specificeert de tijd die verstrijkt voorfat het LFO effect wordt toegepast (het effect continueert) nadat de toets is ingedrukt (of losgelaten).

Waarde : 0-127

Nadat u ‘ Hoe de LFO wordt toegepast ’ (p.104) heeft gelezen, verandert u de instelling totdat het gewenste effect is bereikt.

Wanneer viool, blaas of bepaalde andere instrumentgeluiden in een uitvoering worden gebruikt, kan het effectief zijn om het vibratie toe te passen nadat de noot enigszins uitgeklonken is, in plaats van het vibratie direct toe te voegen nadat de geluiden zijn gespeeld. Als u de Delay Time samen met de Pitch Depth parameter en Rate parameter instelt, zal het vibrato automatisch, volgens een bepaald interval worden toegepast, nadat de toets is ingedrukt. Dit effect wordt Delay Vibrato genoemd.

LFO1/LFO2 Delay Time Key Follow

Past de waarde van de Delay Time parameter aan, afhankelijk van de toets positie, gerelateerd aan de C4 toets (middelste C). Om de tijd die verstrijkt voordat het LFO efefct wordt toegepast af te laten nemen (het effect is doorlopend) met elke hogere toets die in de hoge registers wordt ingedrukt, selecteert u een positieve waarde. Om de verstreken tijd te laten toenemen selecteert u een negatieve waarde.

Hogere instellingen produceren een grotere verandering. Als u niet wilt dat de verstreken tijd voordat het LFO effect wordt toegepast

(het effect is doorlopend) verandert volgens de toets die wordt ingedrukt, stelt u dit op ‘0’ in.

Waarde : -100, -90, -80, -70, -60, -50, -40, -30, -20, -10, 0, +10,

+20, +30, +40, +50, +60, +70, +80, +90, +100 fig.06-031.e

Tijd

-100

-50

C1

0

C2 C3 C4 C5 C6

+50

+100

C7

Toets

103

Een Patch creëren

Fade Mode (LFO1/LFO2 Fade Mode)

Specificeert hoe de LFO toegepast zal worden.

Waarde : ON <, ON >, OFF <, OFF >

Nadat u ‘ Hoe de LFO wordt toegepast ’ (p.104) heeft gelezen, verandert u de instelling totdat het gewenste effect is bereikt.

Fade Time (LFO1/LFO2 Fade Time)

Specificeert de tijd waarbinnen de LFO amplitude het maximum(minimum) zal bereiken.

Waarde : 0-127

Nadat u ‘ Hoe de LFO wordt toegepast ’ (p.104) heeft gelezen, verandert u de instelling totdat het gewenste effect is bereikt.

Key Trigger (LFO1/LFO2 Key Trigger)

Dit specificeert of de LFO cyclus gesynchroniseerd wordt om te beginnen wanneer de toets wordt ingedrukt (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON.

Pitch Depth (LFO1/LFO2 Pitch Depth)

Specificeert hoe diep de LFO de toonhoogte zal beïnvloeden.

Waarde : -63-+63

TVF Depth (LFO1/LFO2 TVF Depth)

Specificeert hoe diep de LFO de cutoff frequentie zal beïnvloeden.

Waarde : -63-+63

TVA Depth (LFO1/LFO2 TVA Depth)

Specificeert hoe diep de LFO het volume zal beïnvloeden.

Waarde : -63 -+63

Pan Depth (LFO1/LFO2 Pan Depth) [_S]

Specificeert hoe diep de LFO de pan zal beïnvloeden.

Waarde : -63-+63

Positieve (+) en negatieve (-) instellingen voor de Depth parameter resulteren in verschillende soorten verandering in toonhoogte en volume. Bijvoorbeeld, als de Depth parameter voor

één Tone op een positieve (+) waarde wordt ingesteld, en u een andere Tone op dezelfde numerieke waarde instelt maar deze negatief (-) maakt, zal de modulatiefase van de twee Tones elkaars omgekeerde zijn. Hierdoor is het mogelijk om heen en weer te schuiven tussen twee verschillende Tones of dit te combineren met de Pan instelling, om de locatie van het geluidsbeeld cyclisch te veranderen.

Als de Structure parameter op een waarde tussen ‘2’ en ‘10’ staat, wordt de uitvoer van Tones 1 en 2 in Tone 2 samengebracht, en de uitvoer van Tones 3 en 4 wordt in Tone 4 samengebracht. Dit is van toepassing op de Pan Depth parameter.

Daarom zal Tone 1 de instellingen van Tone 2 volgen, en Tone zal de instellingen van Tone 4 volgen (p.92).

Step LFO

LFO Step Type

Wanneer een LFO golfvorm van de data die bij LFO Step1-64 is gespecificeerd wordt gegenereerd, specificeert u of het Niveau abrupt op elke stap zal veranderen of lineair geschakeld zal zijn.

Waarde : TYPE1 (trap-stap verandering), TYPE2 (lineaire verandering).

Step 1-64 (LFO Step 1-64)

Specificeert de data voor de Step LFO. Als de LFO Pitch Depth +63 is, correspondeert elke +1 eenheid van de step data met een toonhoogte van +50 cent.

Waarde : -36 - +36

LFO End Step

Specificeert het aantal LFO stappen.

Waarde : 1, 2, 4, 8, 16, 32, 64

Hoe de LFO wordt toegepast

De LFO geleidelijk toepassen nadat de toets is ingedrukt

fig.06-043.e

Hoog (meer)

Delaytijd

Toonhoogte

Cutoff frequentie

Niveau

Pan

Note on

Laag (minder)

Fade tijd

Diepte

Fade Mode : ON <

Delay Time : de tijd tussen het bespelen van het toetsenbord en het toepaasen van de LFO.

104

Een Patch creëren

Fade Time : de tijd waarbinnen de LFO amplitude het maximum bereikt, nadat de delay Time is verstreken.

De LFO direct toepassen als de toets wordt ingedrukt, en het effect dan geleidelijk laten afnemen

fig.06-044.e

Hoog (meer)

Toonhoogte

Cutoff frequentie

Niveau

Pan

Note on

Delaytijd Fade tijd

Diepte

Laag (minder)

Fade Mode : ON >

Delay Time : de tijd dat de LFO zal doorgaan, nadat het toetsenbord is bespeeld.

Fade Time : de tijd waarbinnen de LFO amplitude het maximum zal bereiken, nadat de Delay Time is verstreken.

De LFO geleidelijk toepassen nadat de toets is losgelaten

fig.06-045.e

Hoog (meer)

Toonhoogte

Cutoff frequentie

Niveau

Pan

Note on

Laag (minder)

Delaytijd

Note off

Fade tijd

Diepte

Fade Mode : OFF <

Delay Time : de tijd tussen het loslaten van het toetsenbord en het begin van de LFO.

Fade Time : de tijd waarbinnen de LFO amplitude het maximum bereikt, nadat de delay Time is verstreken.

De LFO toepassen vanaf het moment dat de toets wordt ingedrukt totdat deze wordt losgelaten, en het effect geleidelijk laten afnemen als de toets wordt losgelaten

fig.06-046.e

Hoog (meer)

Toonhoogte

Cutoff frequentie

Niveau

Pan

Delaytijd Fade tijd

Diepte

Laag (minder)

Note on Note off

Fade Mode : OFF >

Delay Time : de tijd dat de LFO doorloopt nadat het toetsenbord is losgelaten

Fade Time : de tijd waarbinnen de LFO amplitude het maximum bereikt, nadat de delay Time is verstreken.

Portamento of Legato op het geluid toepassen (Solo/Porta)

Mono/Poly

Specificeert of de Patch polyfoon (POLY) of monofoon (MONO) zal zijn. De ‘MONO’ instelling is effectief wanneer een solo instrument

Patch zoals een sax of fluit wordt gespeeld.

Waarde

MONO :

POLY : worden.

alleen de laatst gespeelde noot klinkt

Twee of meer noten kunnen gelijktijdig gespeeld

Legato Switch

Legato Switch is geldig als de Mono/Poly parameter op ‘MONO’ is ingesteld. Deze instelling specificeert of de legato Switch gebruikt zal worden (LEGATO) of niet (OFF).

Met de Legato switch parameter op ‘LEGATO’ ingesteld, zal de toonhoogte van de noot in de toonhoogte van de meest recent gespeelde toets veranderen, als een toets wordt ingedrukt, terwijl de voorgaande toets ingedrukt blijft. Dit creëert een vloeiende overgang tussen noten, hetgeen effectief is als u de ‘Hammer en Pull’ technieken die door gitaristen worden gebruikt wilt simuleren.

Als u ‘SUSTAIN’ kiest, wordt het legato effect toegepast, terwijl u het Hold pedaal ingedrukt houdt.

Waarde : OFF, LEGATO, SUSTAIN, LEGATO+SUSTAIN

Legato Retrigger (Legato Retrigger Switch)

Legato Retrigger is beschikbaar als de Mono/Poly parameter op

‘MONO’ is ingesteld, en de Legato Switch parameter op iets anders dan ‘OFF’ staat. De instelling bepaalt of geluiden opnieuw worden gespeeld (ON) of niet (OFF), wanneer legato wordt gespeeld. Normaalgesproken laat u dit op ‘ON’ staan. Als dit op ‘OFF’ is ingesteld, en een tweede toets wordt ingedrukt, terwijl de eerste toets nog steeds ingedrukt is, zal maken dat alleen de toonhoogte verandert.

Er is dan geen Attack geluid voor de tweede toets die u indrukte. Zet dit op ‘OFF’ als frases met blaasinstrumenten en strijkers worden gespeeld of wanneer modulatie met het mono synth toetsenbordgeluid wordt gebruikt.

Als dit op ‘AUTO’ staat, zal retriggering alleen optreden als u een toets speelt die een octaaf lager of nog verder weg ligt.

Waarde : OFF, ON, AUTO

Laten we er van uitgaan dat de Legato switch op ‘LEGATO’ is ingesteld, en de Legato Retrigger op ‘OFF’ staat. Als u legato probeert te spelen (door een hogere toets in te drukken, terwijl een lagere toets ingedrukt wordt gehouden), kan de toonhoogte soms niet helemaal naar de bedoelde toonhoogte stijgen

(stopt in plaats daarvan op een toonhoogte ergens in het midden). Dit kan gebeuren omdat de limiet van de stijging in toonhoogte, die met het Wave Level is bepaald, overschreden is.

Bovendien, als verschillende hoge toonhoogte limieten worden gebruikt voor de golven van een Patch die meerdere Tones gebruikt, kan dit in MONO mogelijk niet hoorbaar zijn. Wanneer grote veranderingen in toonhoogte worden gemaakt, stelt u de Legato Trigger op ‘ON’ in.

105

Een Patch creëren

Portamento Switch

Specificeert of het Portamento effect toegepast zal worden (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON

Portamento

Portamento is een effect dat de toonhoogte van de eerst gespeelde toets vloeiend in die van de volgende gespeelde toets verandert. Door portamento toe te passen, terwijl de Mono/

Poly parameter op ‘MONO’ staat, kunt u de uitvoeringstechnieken op een viool of soortgelijk instrument simuleren.

Portamento Mode

Specificeert de uitvoeringsomstandigheden waarvoor portamento zal worden toegepast.

Waarde

NORMAL :

LEGATO :

Portamento wordt altijd toegepast.

Portamento wordt alleen toegepast als u legato speelt (d.w.z: als u de volgende toets indrukt voordat de vorige toets is losgelaten).

Portamento Type

Specificeert het type portamento effect.

Waarde

RATE :

TIME : de tijd die het duurt hangt af van de afstand tussen de twee toonhoogtes.

de tijd die het duurt is constant, ongeacht hoe ver de twee noten uit elkaar liggen.

Portamento Start

Wanneer een andere toets wordt ingedrukt tijdens een verandering in toonhoogte die door portamento wordt geproduceerd, zal een nieuwe verandering in toonhoogte beginnen. Deze instelling specificeert de toonhoogte waarop de verandering zal beginnen.

Waarde

PITCH : fig.06-048.e

Toonhoogte

Start een nieuw portamento als een andere toets wordt ingedrukt, terwijl de toonhoogte verandert.

C5

D4

C4

Tijd

Druk op D4 toets

Druk op C5 toets

Druk op C4 toets

NOTE : fig.06-049.e

Toonhoogte

Portamento begint opnieuw vanaf de toonhoogte waar de huidige verandering zou eindigen.

C5

D4

C4

Tijd

Druk op D4 toets

Druk op C5 toets

Druk op C4 toets

Als portamento wordt gebruikt, specificeert dit de tijd waarbinnen de toonhoogte zal veranderen. Hogere instellingen maken dat de toonhoogte verandering naar de volgende noot langer zal duren.

Waarde : 0-127

106

Een Patch creëren

Diverse instellingen (Misc)

Tone Delay Mode

Selecteert het type Tone delay.

Waarde

NORM : de Tone begint te spelen nadat de tijd, gespecificeerd in de Delay Time parameter, is verstreken.

fig.06-051.e

Geen Tone Delay

OFF-N: fig.06-053.e

Delaytijd

Note on

HOLD:

Note off

Hoewel de Tone begint te spelen nadat de tijd, gespecificeerd in de Delay Time parameter, verstreken is, wordt de Tone niet gespeeld als de toets wordt losgelaten voordat de in de Delay Time parameter gespecificeerde tijd is verstreken.

fig.06-052.e

In plaats van gespeeld te worden, terwijl de toets wordt ingedrukt, begint de Tone te spelen wanneer de tijdsperiode die in de Delay Time parameter is gespecificeerd verstreken is nadat de toets is losgelaten. Dit is effectief in situaties waarbij ruis van gitaren en andere instrumenten wordt gesimuleerd.

Delaytijd

Note on

OFF-D:

Note off

In plaats van gespeeld te worden, terwijl de toets wordt ingedrukt, begint de Tone te spelen nadat de tijdsperiode die in de Delay Time parameter is gespecificeerd verstreken is, nadat de toets is losgelaten. Hier veranderen veranderingen in de TVA

Envelope echter wanneer de toets wordt ingedrukt, wat in veel gevallen betekent dat alleen het geluid van het release portie van de envelope hoorbaar is.

fig.06-054.e

Delaytijd

Note on

Delaytijd

Note off

Geen geluid gespeeld

Note on Note off

Als u een golfvorm heeft geselecteerd die een decay type geluid is (een geluid dat natuurlijk wegsterft, zelfs als de toets niet wordt losgelaten), kan het selecteren van ‘OFF-N’ of ‘OFF-D’ resulteren in geluid dat niet hoorbaar is.

Tone Delay

Dit produceert een tijdsvertraging tussen het moment dat een toets wordt ingedrukt (of losgelaten), en het moment dat de

Tone werkelijk begint te klinken. U kunt ook instellingen maken die de timing waarop elke Tone klinkt verschuift. Dit verschilt van de Delay in de interne effecten, in die zin dat door het veranderen van de geluidskwaliteiten van de vertraagde Tones en het veranderen van de toonhoogte van elke Tone, u ook arpeggio-achtige passages kunt uitvoeren, door slechts één toets in te drukken.

De Tone delaytijd kan ook met het tempo van de sequencer gesynchroniseerd worden.

• Als u Tone Delay niet gaat gebruiken, stelt u de Delay

Mode parameter op ‘NORM’, en de Delay Time parameter op ‘0’ in. Als de Structure parameters binnen de reeks zijn

‘2’- ‘10’ is ingesteld, wordt de uitvoer van Tones 1 en 2 in

Tone 2 gecombineerd, en de uitvoer van Tones 3 en 4 wordt in Tone 4 gecombineerd. Daarom volgt Tone 1 de instellingen van Tone 2, en volgt Tone 3 de instellingen van

Tone 4 (p.92).

107

Een Patch creëren

Tone Delay Time

Specificeert de tijd vanaf het moment dat de toets wordt ingedrukt

(of als de Delay Mode parameter op ‘OFF-N’ of ‘OFF-D’ is ingesteld, de tijd vanaf het moment dat de toets wordt losgelaten), totdat de

Tone hoorbaar wordt.

Waarde : 0-127, Note

Tone Delay Time specificeert de beat lengte voor het gesynchroniseerde tempo, als het tempo dat de verstreken tijd totdat de Tone klinkt specificeert (Patch Tempo) met het tempo dat in een sequencer is ingesteld is gesynchroniseerd.

(voorbeeld)

Bij een tempo van 129 (129 kwartnoten treden in 1 minuut (60 seconden) op))

Instelling

(halve noot)

(kwartnoot)

(achtste noot)

LFO snelheid

1 second (60 / 60 =1 (second))

0.5 seconden (60 / 120= 0.5 (seconden))

0.25 seconden (60 / 240= 0.25 (seconden))

Tone Env Mode

Wanneer een loop golfvorm (p.88) is geselecteerd, zal het geluid normaalgesproken doorgaan zolang de toets ingedrukt wordt. Als u wilt, dat het geluid natuurlijk wegsterft, zelfs als de toets ingedrukt blijft, stelt u dit op ‘NO SUS’ in.

Reeks : NO SUS, SUST

Als een one-shot type Wave (p.88) is geselecteerd, zal deze niet doorklinken, ook al is deze parameter op ‘SUST’ ingesteld.

Tone Receive Bender

(Tone Receive Pitch Bend Switch)

Specificeer voor elk Tone of MIDI Pitch Bend berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON

Tone Receive Expression

(Tone Receive Expression Switch)

Specificeer voor elke Tone of MIDI Expressie berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON

Tone Receive Hold-1

(Tone Receive Hold Switch)

Specificeer voor elke Tone of MIDI Hold-1 berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON

Als ‘NO SUS’ voor de Env Mode parameter is geselecteerd, heft deze instelling gen effect.

Tone Receive Pan Mode

Specificeer voor elke Tone hoe pan berichten ontvangen zullen worden.

Waarde

CONT :

K-ON :

Als Pan berichten worden ontvangen zal de stereopositie van de Tone veranderd worden.

De pan van de Tone wordt alleen veranderd als de volgende noot wordt gespeeld. Als een pan bericht wordt ontvangen, terwijl een noot klinkt, zal de panning niet veranderen totdat de volgende toets wordt ingedrukt.

Als ‘ PFX (Patch Multi-effects)’ (p.157) is ingeschakeld, wordt de Tone Rx Pan Mode instelling genegeerd.

De kanalen kunnen niet ingesteld worden op het niet ontvangen van Pan berichten.

Tone Redamper Switch

U kunt op een individuele Tone basis, specificeren of het geluid vastgehouden wordt als een Hold-1 bericht wordt ontvangen nadat een toets is losgelaten, maar voordat het geluid tot stilte is weggestorven.

Als u het geluid wilt laten doorklinken, zet u dit op ‘ON’. Wanneer deze functie gebruikt wordt, stelt u de Tone Receive Hold-1 parameter ook op ‘ON’. Deze functie is effectief bij pianogeluiden.

Waarde : OFF, ON

108

Een Patch creëren

Matrix Control instellingen (Control 1-4)

Matrix Control

Doorgaans, als u Tone parameters met gebruik van een extern

MIDI apparaat wilt veranderen, zouden System Exclusive berichten – MIDI berichten die exclusief voor de Fantom-G zijn ontworpen – verzonden moeten worden. Echter, System Exclusive berichten zijn over het algemeen ingewikkeld, en de hoeveelheid data die overgedragen moet worden kan erg groot worden.

Daarom zijn een aantal van de meer typische Tone parameters van de Fantom-G ontworpen op het accepteren van Control

Change (of andere) MIDI berichten, waarmee veranderingen in hun waardes aangebracht kunnen worden. Dit voorziet in een verscheidenheid aan mogelijkheden voor het veranderen van de manier waarop Patches gespeeld worden.

Het geluid van een Patch kan op verscheidene manieren veranderd worden, bijvoorbeeld door de Pitch Bend hendel te gebruiken om de snelheid van de LFO te veranderen of door uw speeldynamiek op het toetsenbord te gebruiken om een filter te openen of sluiten.

De functie waarmee MIDI berichten gebruikt kunnen worden om deze veranderingen in Realtime op de Tone parameters toe te passen, wordt de Matrix Control genoemd. In één enkele

Patch kunnen maximaal vier Matrix Controls gebruikt worden.

Om de Matrix Control te gebruiken, specificeert u welk MIDI bericht (Source parameter) gebruikt zal worden voor besturing van welke parameter (Destination parameter) en hoe veel (Sns parameter), en de Tone waarop het effect wordt toegepast (Tone parameter).

Control 1–4 Source

Stelt het MIDI bericht in, dat gebruikt wordt om de Tone parameter met de Matrix Control te veranderen.

Waarde

OFF: Matrix Control wordt niet gebruikt.

CC01–31, CC32(OFF), 33–95:

Control Change

PITCH BEND:

AFTERTOUCH:

Pitch Bend

Aftertouch

SYS CTRL1–SYS CTRL4: MIDI berichten die als algemene matrix regelingen worden gebruikt

Velocity:

KEY FOLLOW:

Velocity (sterkte waarmee een toets wordt ingedrukt)

Key Follow (toetsenbord positie met C4 als 0)

TEMPO:

LFO1:

LFO2:

PITCH ENV:

Het gespecificeerde tempo (sequencer tempo) of het tempo van een externe

MIDI sequencer.

LFO 1

LFO 2

Pitch envelope

TVF ENV:

TVA ENV:

TVF envelope

TVA envelope

Velocity en Key Follow corresponderen met Note berichten.

Hoewel er geen MIDI berichten voor LFO 1 via TVA Envelope zijn, kunnen deze als Matrix Control gebruikt worden. In dit geval kunnen de Tone instellingen in realtime veranderd worden door patches te spelen.

• Als u algemene controllers voor de gehele Fantom-G wilt gebruiken, selecteert u ‘SYS CTRL1’- ‘SYS CTRL4’. MIDI berichten die als System Control 1-4 worden gebruikt, worden met de

System Ctrl 1-4 parameters ingesteld (p.297).

Er zijn parameters die bepalen of Pitch Bend, Controller nummer 11 (expressie) en Controller nummer 64 (Hold-1) worden ontvangen (p.108). Als deze instellingen op ‘ON’ staan en de

MIDI berichten ontvangen worden, zullen de Pitch Bend,

Expressie en Hold 1 instellingen ook gelijktijdig veranderen wanneer een verandering in de instellingen van de gewenste parameter wordt aangebracht. Als u alleen de gerichte parameters wilt veranderen, stelt u deze op ‘OFF’ in.

• De waarde van CC#67 (soft) wordt toegepast op het moment dat de noot begint. Veranderingen die optreden tijden de duur van de noot zullen geen effect op de parameters hebben.

Control Destination 1–4

(Matrix Control Destination 1–4)

Matrix Control Destination selecteert de Tone parameter die bestuurd zal worden als de Matrix Control wordt gebruikt. De volgende parameters kunnen bestuurd worden. Wanneer parameters niet met de Matrix Control worden bestuurd, zet u dit op ‘OFF’.

Voor elke Matrix Control kunnen maximaal vier parameters gespecificeerd worden, en deze kunnen gelijktijdig bestuurd worden.

In deze handleiding worden parameters die met gebruik van de

Matrix Control bestuurd kunnen worden met een ‘[_S] aangegeven.

Het filter openen en sluiten

CUTOFF :

RESONANCE : verandert de cutoff frequentie.

benadrukt de boventonen in de regio van de cutoff frequentie, en geeft het geluid karakter.

Volume, Pan en toonhoogte veranderen

LEVEL :

PAN :

PITCH : verandert het volumeniveau verandert de pan.

verandert de toonhoogte.

109

Een Patch creëren

De manier waarop effecten worden toegepast veranderen

OUTPUT LEVEL:

CHORUS SEND:

REVERB SEND: verandert de hoeveelheid origineel geluid.

verandert de hoeveelheid chorus.

verandert de hoeveelheid reverb.

LFO toepassen om geluiden te moduleren

LFO1/LFO2 PITCH DEPTH: verandert de vibrato diepte.

LFO1/LFO2 TVF DEPTH: verandert de wah diepte.

LFO1/LFO2 TVA DEPTH: verandert de tremolo diepte.

LFO1/LFO2 PAN DEPTH: verandert het effect dat de LFO op de pan zal hebben.

LFO1/LFO2 TVF RATE: verandert de snelheid van de LFO cycli. De snelheid verandert niet als de LFO Rate op ‘note’ is ingesteld.

De Pitch Envelope veranderen

PIT ENV A-TIME:

PIT ENV D-TIME

PIY ENV R-TIME: verandert de Env Time 1 parameter van de Pitch envelope.

verandert de Env Time 2 en Env

Time 3 parameters van de Pitch envelope.

verandert de Env Time 4 parameter van de Pitch envelope.

De TVF Envelope veranderen

TVF ENV A-TIME:

TVF ENV D-TIME:

TVF ENV R-TIME: verandert de Env Time 1 parameter van de TVF envelope.

verandert de Env Time 2 en Env

Time 3 parameters van de TVF envelope.

verandert de Env Time 4 parameter van de TVF envelope.

De TVA Envelope veranderen

TVA ENV A-TIME:

TVA ENV D-TIME:

TVA ENV R-TIME: verandert de Env Time 1 parameter van de TVA envelope.

verandert de Env Time 2 en Env

Time 3 parameters van de TVA envelope.

verandert de Env Time 4 parameter van de TVA envelope.

Afgespeelde Tones splitsen

TMT

Als de Matrix Control gebruikt wordt om Tones te splitsen, stelt u de TMT Velocity Control parameter op ‘OFF’, en de TMT

Control Switch parameter op ‘ON’ in (p.95).

• Als de Matrix Control gebruikt wordt om Tones te splitsen, adviseren wij om Control Sens op ‘+63’ in te stellen. Als een lagere waarde wordt geselecteerd, kan het veranderen van de

Tones mogelijk niet uitgevoerd worden. Bovendien, als u het effect wilt omkeren, zet u de waarde op ‘-63’.

• Als u Matrix Control wilt gebruiken om Tones vloeiend in elkaar over te laten gaan, gebruikt u de Velocity Fade Width

Lower en Velocity fade Width Upper parameters (p.95). Hoe hoger de waarde wordt ingesteld, hoe vloeiender de Tones in elkaar overgaan.

De diepte van frequentiemodulatie voor

FXM veranderen

FXM DEPTH

Specifieke PFX parameters veranderen

PFX 1-4 : verander de parameter die met de PFX Control (p.157) parameter werd gespecificeerd.

Als de noodzakelijke instellingen voor gebruik van de PFX niet zijn gemaakt, zal de PFX niet worden toegepast, zelfs als u het als een Matrix Control bestemming probeert te besturen.

Als u geen Matrix Control gebruikt

OFF : Matrix Control zal niet gebruikt worden.

110

Een Patch creëren

Control Sens 1-4 (Matrix Control Sens 1-4)

Stelt de hoeveelheid van het Matrix Control effect dat wordt toegepast in. Als u de geselecteerde parameter in een positieve (+) richting van de huidige instelling wilt wijzigen – bijv. een hogere waarde, naar rechts of sneller, enz. – selecteert u een positieve (+) waarde.

Om de geselecteerde parameter in een negatieve (-) richting van de huidige instelling wilt wijzigen – bijv. een lagere waarde, naar links of langzamer, enz. – selecteert u een negatieve (-) waarde. Voor zowel positieve als negatieve instellingen staan grotere absolute waardes grotere hoeveelheden verandering toe. Stel dit op ‘0’in als het effect niet toegepast moet worden.

Control Tone 1-4 (Tone Control Switch 1-4)

Matrix Control Tone selecteert de Tone waarop het effect wordt toegepast als de Matrix Control wordt gebruikt.

Waarde

OFF :

ON :

REVS : het effect zal niet toegepast worden.

het effect zal toegepast worden.

het effect zal omgekeerd toegepast worden.

Effecten voor een Patch instellen

(PFX)

Druk op de [F5 (PFX)] knop om naar het PFX (Patch Multi-effect) bewerkingsscherm te gaan (p.157).

Details over effectinstellingen vindt u op de hieronder getoonde pagina’s.

• ‘Effectinstellingen maken’ (p.151)

• ‘Patch Multi-effect instellingen (PFX) maken’ (p.157).

111

Een ritmeset creëren

Met de Fantom-G heeft u volledige controle over een brede reeks instellingen. Elk onderdeel dat ingesteld kan worden, staat bekend als een parameter . Als u de waarde van parameters verandert, doet u wat doorgaans bewerken wordt genoemd. In dit hoofdstuk worden de procedures voor het creëren van ritmesets, en de functies van de ritmeset parameters uitgelegd.

Hoe ritmeset instellingen worden gemaakt

Begin met een bestaande ritmeset en bewerk deze om een nieuwe ritmeset te creëren. Ritmesets worden uit een verzameling meerdere

Rhythm Tones (percussie instrumenten) gecreëerd. De toewijzingen van de Rhythm Tones voor elke toets kunnen met rhythm set edit veranderd worden. De Rhythm Tone die aan elke toets is toegewezen bestaat uit vier golven.

Rhythm Tones en golven staan op dezelfde manier met elkaar in verband als Patches en Tones.

Een ritmeset snel bewerken

(Patch Zoom Edit)

In het Patch Zoom Edit scherm kunt u de belangrijkste parameters van een Patch bewerken. Voor toegang tot alle parameters gebruikt u het Patch Pro Edit scherm (p.114).

1.

Selecteer de ritmeset, waarvan u de instellingen wilt bewerken (p.52).

2.

Druk op [PATCH].

Het Patch Zoom Edit scherm verschijnt.

fig.07-001_50

Groepen Parameters

F-toets handelingen in het Patch Zoom Edit scherm.

F-toets

F1

Group/Up

F2

Group/Down

F4

Util Menu

F5

PFX

F6

Pro Edit

Uitleg

Verplaatst de bewerkingsgroep tab opwaarts.

Verplaatst de bewerkingsgroep tab neerwaarts.

Rhythm

Set

Initialize

Initialiseert de instellingen van de huidig geselecteerde ritmeset.

Rhythm

Key

Initialize

Rhythm

Tone Copy

Initialiseert de instellingen van de huidig geselecteerde ritme toets.

Kopieert instellingen van een gewenste ritmeset naar de huidig geselecteerde ritmeset.

Toegang tot het PFX (Patch Multi-effect) bewerkingsscherm.

Toegang tot het Patch Pro Edit scherm, waar alle parameters bewerkt kunnen worden.

Selecteert het te bewerken Part.

F7

Part Select

F8

Wave Sw/Sel

Selecteert de Tones die zullen klinken.

PAG.

– p. 115 p. 115 p. 115 p. 157 p. 114

– p. 113

112

Een ritmeset creëren

3.

De parameters zijn in diverse bewerkingsgroepen ondergebracht. Druk op [F1 (Up)] of [F2 (Down)] om de tab voor de bewerkingsgroep, die de parameter die u wilt bewerken bevat, te selecteren.

Details van elke parameter vindt u op de volgende pagina’s.

Parameternaam

Pitch Envelope

TVF

TVF Envelope

TVA Envelope

Pagina p. 121 p. 122 p. 124 p. 125

• Het te bewerken Part veranderen

Druk op [F7 (Part Select)].

4.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar de parameter die u wilt wijzigen te verplaatsen.

5.

Druk op [F8 (Wave Sw/Sel)] om de te bewerken golf te selecteren.

Het Wave Switch/Select venster verschijnt.

fig.05-011_50

9.

Als u de door u gemaakte veranderingen wilt opslaan, drukt u op [WRITE] om de Save handeling uit te voeren (p.116).

Als u de veranderingen niet wilt behouden, drukt u op

[EXIT] om naar het Single Play scherm terug te keren.

Als u zonder op te slaan naar het Single Play scherm terugkeert, zal het ‘ ’ symbool rechts van de ritmeset naam worden getoond, wat betekent dat de ritmeset instellingen zijn bewerkt.

De instellingen die u bewerkt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, van geluidsgenerator mode verandert of een ander geluid selecteert.

Druk op één van de [F5 (Select 1)]-[F8 (select 4)] knoppen om de te bewerken golf te selecteren.

• Dezelfde parameter van meerdere golven gelijktijdig bewerken

Om de golven die u tegelijkertijd wilt bewerken te selecteren, drukt u twee of meer van de [F5 (Select 1)]-[F8 (select 4)] knoppen tegelijk in.

• Een golf aan/uitzetten

Druk op een [F1 (Sw 1)]-[F4 (Sw 4)] knop om de corresponderende golf aan of uit te zetten.

De Pads kunnen ook gebruikt worden om golven te selecteren en deze aan en uit te zetten.

p.197.

6.

Als u de selectie heeft gemaakt, drukt u op [EXIT].

7.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om een waarde in te stellen.

Als u meerdere golven voor bewerking heeft geselecteerd, zullen hun waardes veranderen, terwijl de onderlinge verschillen behouden blijven.

8.

Herhaal stappen 3-7 om elke parameter die u wilt bewerken in te stellen.

113

Een ritmeset creëren

Alle parameters bewerken (Patch Pro

Edit)

In het Patch Pro Edit scherm kunnen alle parameters van een Patch worden bewerkt.

1.

Selecteer de ritmeset, waarvan u de instellingen wilt bewerken (p.52).

Als u een ritmeset helemaal vanuit het niets wilt creëren (in plaats van met een bestaande ritmeset te beginnen), voert u de

Initialize handeling uit (p.115).

2.

Druk twee keer op [PATCH].

3.

Druk op [F1 (Up)] of [F2 (Down)] om de tab voor de bewerkingsgroep, die de parameter die u wilt bewerken bevat, te selecteren.

Zie ‘ Functies van ritmeset parameters ’(p.117) voor de functies van elke parameter.

• Om het te bewerken Part te veranderen

Druk op [F7 (Part Select)].

4.

Gebruik of om de cursor naar de parameter die u wilt wijzigen te verplaatsen.

5.

Druk op [F8 (Wave Sw/Sel)] om de te bewerken golf te selecteren.

Het Wave Switch/Select venster verschijnt.

fig.05-011_50

Het Patch Pro Edit scherm verschijnt.

fig.07-001_50

Groepen Parameters

F-toets handelingen in het Patch Pro Edit scherm

F-toets

F1

Group/Up

F2

Group/Down

F3

Set Stereo

Uitleg

Verplaatst de bewerkingsgroep tab opwaarts.

Verplaatst de bewerkingsgroep tab neerwaarts.

Dit wordt getoond als u de WAVE groep bewerkt. Dit roept de rechter golf (R) van de linker golf (L) van een stereo golf op.

F4

Util Menu

F5

PFX

F6

Zoom Edit

F7

Part Select

F8

Wave Sw/Sel

Rhythm

Set

Initialize

Rhythm

Key

Initialize

Rhythm

Tone Copy

Initialiseert de instellingen van de huidig geselecteerde ritmeset.

Initialiseert de instellingen van de huidig geselecteerde ritme toets.

Kopieert instellingen van een gewenste ritmeset naar de huidig geselecteerde ritmeset.

Toegang tot het PFX (Patch Multi-effect) bewerkingsscherm.

Toegang tot het Patch Zoom Edit scherm, waar de belangrijkste parameters bewerkt kunnen worden.

Selecteert het te bewerken Part.

Selecteert de Tones die zullen klinken.

pag.

– p. 119 p. 115 p. 115 p. 115 p. 157 p. 112

– p. 113

Druk op één van de [F5 (Select 1)]-[F8 (select 4)] knoppen om de te bewerken golf te selecteren.

• Dezelfde parameter van meerdere golven gelijktijdig bewerken

Om de golven die u tegelijkertijd wilt bewerken te selecteren, drukt u twee of meer van de [F5 (Select 1)]-[F8 (select 4)] knoppen tegelijk in.

• Een golf aan/uitzetten

Druk op een [F1 (Sw 1)]-[F4 (Sw 4)] knop om de corresponderende golf aan of uit te zetten.

De Pads kunnen ook gebruikt worden om golven te selecteren en deze aan en uit te zetten.

p.197.

6.

Als u de selectie heeft gemaakt, drukt u op [EXIT].

7.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om een waarde in te stellen.

8.

Herhaal stappen 3-7 om elke parameter die u wilt bewerken in te stellen.

9.

Als u de door u gemaakte veranderingen wilt opslaan, drukt u op [WRITE] om de Save handeling uit te voeren (p.116).

Als u de veranderingen niet wilt behouden, drukt u op

[EXIT] om naar het Single Play scherm terug te keren.

Als u zonder op te slaan naar het Single Play scherm terugkeert, zal het ‘ ’ symbool rechts van de ritmeset naam worden getoond, wat betekent dat de ritmeset instellingen zijn bewerkt.

De instellingen die u bewerkt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, van geluidsgenerator mode verandert of een ander geluid selecteert.

114

Een ritmeset creëren

Ritmeset / Toetsinstellingen initialiseren (Rhythm Set Initialize/

Rhythm Key Initialize)

‘Initialiseren’ betekent de instellingen van het op dat moment geselecteerde geluid terugzetten in een standaard set waardes of de fabrieksinstellingen.

De Initialize handeling is alleen van invloed op het huidig geselecteerde geluid. Als u alle instellingen van de Fantom-G in de fabrieksinstellingen wilt terugzetten, voert u een Factory

Reset uit (p.280).

1.

Selecteer de ritmeset die u wilt initialiseren (p.52).

2.

Druk op [PATCH].

3.

Druk op [F4 (Util Menu)].

Het Rhythm Set Utility Menu-scherm verschijnt.

4.

Druk op of om te kiezen wat u wilt initialiseren, en druk dan op [F8 (Select)].

• Rhythm Set Initialize:

Alle toetsen van de ritmeset zullen geïnitialiseerd worden. (dit is hetzelfde als de procedure voor ritmesetinitialisatie hierboven beschreven).

• Rhythm Key Initialize:

Eén toets zal geïnitialiseerd worden.

5.

Druk op [F8 (Select)].

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

In een bericht wordt om bevestiging gevraagd.

6.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Om te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Rhythm Tone instellingen kopiëren

(Rhythm Tone Copy)

Deze handeling kopieert de instellingen van elke gewenste ritmeset naar de op dat moment geselecteerde ritmeset. U kunt deze functie gebruiken om het bewerkingsproces sneller en gemakkelijker te maken.

1.

Selecteer de kopieerbestemming ritmeset (p.52).

2.

Druk op [PATCH].

3.

Druk op [F4 (Util Menu)].

Het Rhythm Utility Menu scherm verschijnt.

4.

Druk op of om ‘Rhythm Tone Copy’ te selecteren, en druk dan op [F8 (Select)].

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Het Rhythm Tone Copy scherm verschijnt.

5.

Gebruik [CURSOR] om de cursor te verplaatsen, selecteer de bank en het nummer van de ‘Source (kopieerbron)’, en de Rhythm Tone.

6.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de instelling te maken.

7.

Gebruik [CURSOR] om de cursor te verplaatsen, selecteer het Rhythm Tone nummer van de ‘Destination

(kopieerbestemming’.

8.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de instelling te maken.

9.

Druk op [F8 (Execute)].

In een bericht wordt om bevestiging gevraagd.

10.

Druk op [F7 (OK)] om naar het Rhythm Edit scherm terug te keren.

Om te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

De Compare functie

Voor de Rhythm Tone Copy handelingen kan de Compare functie worden gebruikt.

Als u de kopieerbron Patch wilt spelen, drukt u op [F6

(Compare)].

De ritmeset die met gebruik van de Compare functie wordt beluisterd, kan enigszins anders klinken dan wanneer deze normaal wordt afgespeeld.

115

Een ritmeset creëren

Waarschuwing bij selectie van een golfvorm

De geluiden van de Fantom-G zijn gebaseerd op ingewikkelde PCM golfvormen, en als u probeert instellingen te maken die botsen met het type van de originele golfvorm, zullen de resultaten niet zijn zoals u verwacht.

De interne golfvormen van de Fantom-G vallen onder de volgende twee banken.

One-shot : Deze golfvormen bevatten geluiden met korte decays.

Een one-shot golfvorm neemt de initiële stijging en daling van het geluid op.

Sommige Fantom-G golfvormen zijn geluiden die al helemaal compleet zijn, zoals de geluiden van percussie instrumenten. De

Fantom-G bevat vele andere one-shot golfvormen die elementen van andere geluiden zijn. Hieronder vallen Attack componenten zoals pianohamer geluiden en gitaar fret geluiden.

Looped : Deze golfvormen hebben geluiden met lange decays en doorklinkende geluiden. Loop golfvormen spelen het gedeelte van de golfvorm, nadat het geluid een relatief stabiele status heeft bereikt, herhaaldelijk (Loop) af. De ‘geloopede’ golfvormen van de

Fantom-G bevatten ook componenten van andere geluiden, zoals een de resonerende vibraties van piano snaren en de holle geluiden van koperinstrumenten.

Waarschuwing bij gebruik van een One-shot golfvorm

Het is niet mogelijk om de envelope te gebruiken om een one-shot golfvorm te wijzigen, om een decay te creëren die langer is dan de oorspronkelijke golfvorm, of om het in een doorklinkend geluid te veranderen. Als u een dergelijke envelope zou programmeren, zou u proberen een gedeelte van het geluid te vormen dat simpelweg niet bestaat, en de envelope zou in dat geval geen effect hebben.

Waarschuwing bij gebruik van een Loop golfvorm

Bij vele akoestische instrumenten, zoals piano en sax, treden extreme timbrale veranderingen op tijdens de eerste momenten van elke noot. Deze initiële Attack is wat het grootste gedeelte van het karakter van het instrument definieert. Bij dit soort golfvormen is het het beste om complexe tonale veranderingen van het Attack gedeelte van de golfvorm te gebruiken zoals ze zijn, en de envelope te gebruiken om het decay gedeelte te wijzigen. Als u probeert de envelope te gebruiken om ook het Attack gedeelte ook te wijzigen, kunnen de karakteristieken van de oorspronkelijke golfvorm voorkomen dat u het gewenste geluid zult verkrijgen..

Niveau

Looped deel

Tone verandering in de golf opgeslagen

Tijd

Envelope voor het TVF filter

Resulterende

Tone verandering

Door u gecreëerde ritmesets opslaan (Write)

Bewerkingen die u in instellingen aanbrengt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, naar een andere geluidsgenerator mode overschakelt of een ander geluid selecteert. Om het gewijzigde geluid te behouden, moet dit in de USER bank opgeslagen worden.

Als u de ritmeset instellingen bewerkt, zal het ‘ ’ symbool in het

Single Play scherm verschijnen. Als u de ritmeset opslaat, zal het

’ symbool verdwijnen.

Als u de opslagprocedure uitvoert zal de data, die reeds op de opslagbestemming aanwezig is, verloren gaan.

1.

Zorg, dat de ritmeset die u wilt opslaan geselecteerd is.

1.

Druk op [WRITE].

Het WRITE MENU venster verschijnt.

2.

Selecteer ‘Patch/Rhythm/Sample Set’.

Druk op of om ‘Patch / Rhythm / Sample Set’ te selecteren, en druk op [F8 (Select)].

Het Rhythm Set Name venster verschijnt.

fig.07-006_50

3.

Geef de ritmeset een naam.

Voor details over het toewijzen van namen, zie ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

4.

Als u de naam heeft ingevoerd, drukt u op [F8 (OK)].

Een scherm verschijnt, waarin u de ritmeset die als opslagbestemming fungeert kunt selecteren.

116

Een ritmeset creëren

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om het ritmeset nummer te selecteren.

Door [F6 (Compare)] in te drukken, kan de ritmeset van de opslagbestemming gecontroleerd worden (Compare functie).

6.

Druk op [F8 (Write)].

In een bericht wordt om bevestiging gevraagd.

Zet de Fantom-G nooit uit, terwijl data wordt opgeslagen.

7.

Druk op [F7 (OK)] om op te slaan.

Om te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

De ritmeset die als opslagbestemming fungeert beluisteren (Compare)

Voordat u een ritmeset opslaat, kunt u de ritmeset die zich in de opslagbestemming bevindt beluisteren, om zeker te weten dat deze overschreven mag worden. Op die manier kan het per ongeluk overschrijven van belangrijke ritmesets, waardoor deze verloren gaan, voorkomen worden.

1.

Volg de procedure van ‘Door u gecreëerde ritmesets opslaan (Write)’ tot aan stap 5, om de opslagbestemming te selecteren.

2.

Druk op [F6 (Compare)] om dit aan te zetten.

Het Rhythm Compare venster verschijnt, waarin de op dat moment geselecteerde opslagbestemming ritmeset beluisterd kan worden.

3.

Speel op het toetsenbord of een Pad om de ritmeset van de opslagbestemming te laten klinken, en controleer of u deze al dan niet wilt overschrijven.

De ritmeset die met gebruik van de Compare functie wordt beluisterd, kan iets anders klinken dan wanneer deze normaal wordt gespeeld.

4.

Als u de opslagbestemming wilt veranderen, specificeert u de opslagbestemming opnieuw, door aan de VALUE draaiknop te draaien.

5.

Druk op [F8 (Write)].

In een bericht wordt om bevestiging gevraagd.

6.

Druk nogmaals op [F7 (OK)] om de Save handeling uit te voeren.

Functies van de ritmeset parameters

In deze sectie worden de functies van de verschillende ritmeset parameters uitgelegd, alsmede samenstelling van deze parameters.

Als een nummer voor een parameternaam wordt weergegeven

( , , , ), kunt u de Realtime controller knop van het corresponderende nummer gebruiken om de waarde in te stellen (de knop uiterst links is nummer 1, de knop uiterst rechts is nummer 4).

fig.06-010

Instellingen gemeenschappelijk voor de gehele ritmeset (General)

Rhythm Set Name en Rhythm Level is op de gehele ritmeset van toepassing. De overige parameters worden voor elke

Rhythm Tone individueel ingesteld.

Rhythm Set Name

Specificeert de naam van de ritmeset.

Door [ENTER] in te drukken, kunt u de ritmeset een naam geven.

Waarde : spatie, A–Z, a–z, 0–9, ! ” # $ % & ’ ( ) * + , - . / : ; < = > ? @ [ \ ] ^ _ ` {

| }

Details over het invoeren van een naam vindt u bij ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

Rhythm Level (Rhythm Set Level)

Stelt het volume van de ritmeset in.

Waarde : 0-127

Het volumeniveau van de Tone waaruit de ritmeset is opgebouwd, wordt met de Tone Level parameter (p.124) ingesteld. De volumeniveaus van de Waves waaruit de Rhythm

Tone is opgebouwd worden met de Wave Level parameter

(p.120) ingesteld.

117

Een ritmeset creëren

Rhythm Tone Name

U kunt aan de Rhythm Tone een naam van maximaal twaalf tekens toewijzen.

Door [ENTER] in te drukken kunt u de Rhythm Tone een naam geven.

Waarde : spatie, A-Z, a-z, 0-9, ! '' # $ % & ‘( ) * + , - . /: < = >? @ [ \ ]

^_ `{ | }

Details over het invoeren van een naam vindt u bij ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

Assign Type

Assign Type stelt de manier waarop geluiden worden gespeeld in, wanneer dezelfde toets een aantal malen wordt ingedrukt.

Waarde

MULTI :

SINGLE :

Stapel het geluid van dezelfde toetsen. Zelfs met doorlopende geluiden waarbij het geluid lange tijd speelt, zoals crash bekkens, worden de geluiden gestapeld zonder dat eerder gespeelde geluiden geëlimineerd worden.

Slechts één geluid per keer kan gespeeld worden als dezelfde toets wordt ingedrukt. Met doorlopende geluiden waarbij het geluid langere tijd speelt, wordt het vorige geluid gestopt als het volgende geluid wordt gespeeld.

Mute Group

Op een akoestisch drumstel kunnen een open hi-hat en een gesloten hi-hat nooit tegelijkertijd gespeeld worden. Om de realiteit van deze situatie te reproduceren, kunt u een Mute Group instellen.

Met de Mute Group functie kunt u twee of meer Rhythm Tones aanwijzen die niet tegelijk mogen klinken. Maximaal 31 Mute Groepen kunnen gebruikt worden. Rhythm Tones die niet tot een dergelijke groep behoren moeten op ‘OFF’ worden ingesteld.

Waarde : OFF, 1-31

Tone Env Mode (Rhythm Tone Envelope Mode)

Wanneer een golfvorm (p.116) is geselecteerd, zal het geluid normaalgesproken doorgaan zo lang de toets wordt ingedrukt. Als u wilt, dat het geluid op natuurlijke wijze wegsterft, zelfs als de toets ingedrukt blijft, zet u dit op ‘NO-SUS’.

Waarde : NO-SUS, SUSTAIN

Als een one-shot type Wave (golf) (p.116) geselecteerd is, zal dit niet doorklinken, ook al is deze parameter op “SUSTAIN” ingesteld.

Tone Pitch Bend Range

(Rhythm Tone Pitch Bend Range)

Specificeert de hoeveelheid toonhoogte verandering in halve tonen

(4 octaven), die zal optreden als de Pitch Bend hendel wordt bewogen. De hoeveelheid verandering als de hendel wordt gekanteld, is voor de linker en rechterkanten op dezelfde waarde ingesteld.

Waarde: 0–48

118

Tone Receive Expression

(Rhythm Tone Receive Expression Switch)

Specificeer voor elke Rhythm Tone of MIDI Expressie berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON.

Tone Receive Hold-1

(Rhythm Tone Receive Hold-1 Switch)

Specificeer voor elke Rhythm Tone of MIDI Hold-1 berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON.

Als ‘NO-SUS’ voor de Env Mode parameter (p.118) is geselecteerd, heeft deze instelling geen effect.

Tone Receive Pan Mode

(Rhythm Tone Receive Pan Mode)

Specificeer voor elke Rhythm Tone hoe pan berichten ontvangen worden.

Waarde

CONTINUOUS:

KEY-ON: als Pan berichten worden ontvangen, wordt de stereo positie van de Tone veranderd.

de pan van de Tone wordt alleen veranderd als de volgende noot wordt gespeeld. Als een pan bericht wordt ontvangen, terwijl een noot klinkt, zal de panning niet veranderen, voordat de volgende toets wordt ingedrukt.

Als ‘ PFX (Patch Multi-Effects) ’ (p.157) is ingeschakeld, wordt de Tone Receive Pan Mode instelling genegeerd.

De kanalen kunnen niet ingesteld worden op het niet ontvangen van Pan berichten.

One Shot mode

Het geluid wordt tot het eind van de golfvorm gespeeld (of het eind van de envelope, welke van de twee het eerst is). Het resultaat is hetzelfde als wanneer de Tone Env Mode parameter (p.118) van de envelope op NO-SUS is ingesteld. Als Wave Group (p.119) op

Sample is ingesteld, zal de loop instelling op ONE SHOT worden ingesteld.

Waarde : OFF, ON

Een ritmeset creëren

Golfvormen wijzigen (Wave)

Met Rhythm Tones worden geluid gecreëerd door maximaal vier Waves te combineren (acht bij stereo).

Tips bij het creëren van een Rhythm Tone

De Waves voor de basdrum, snare, hi-hat, toms, en andere percussie instrumenten zijn elk aan één Rhythm Tone toegewezen.

Wanneer 3D effecten aan het geluid worden toegevoegd, maakt u de Pan instellingen individueel voor elke Rhythm Tone.

Wave Group

Selecteer de groep die de Wave bevat waaruit de Rhythm Tone bestaat.

Waarde

INT :

SAMP : intern opgeslagen golfvormen

Sample golfvormen

Wave Number L (Mono)

Wave Number R

Dit selecteert de Waves waaruit de Rhythm Tone bestaat. Samen met het Wave nummer verschijnt de Wave naam in het onderste gedeelte van het scherm.

In de mono mode wordt alleen de linkerkant (L) gespecificeerd. In stereo wordt de rechterkant (R) ook gespecificeerd.

Waarde : OFF, 1- (de hoogste limiet is afhankelijk van de Wave groep).

Als u een linker/rechter paar Waves wilt selecteren, selecteert u het linker (L) golfnummer en druk dan op [F3 (Set Stereo)]. De rechter (R) (golf) wordt opgeroepen.

* Als een Sample in stereo wordt gebruikt, moet voor L en R hetzelfde nummer worden gespecificeerd.

Wave Gain

Stelt de gain (versterking) van de golfvorm in. De waarde verandert met stappen van 6 dB (decibel) – een toename van 6 dB verdubbelt de gain van de golfvorm.

Waarde : -6, 0, +6, +12

Wave Tempo Sync

Als u een Phrase Loop met de klok (tempo) wilt synchroniseren, zet u dit op ‘ON’. Dit is alleen geldig als dit als de Sample voor een golf is geselecteerd.

Waarde : OFF, ON

• Als een Sample voor een Tone is geselecteerd, moet u eerst de

BPM (tempo) parameter van de Sample instellen.

• Als een Sample voor een Tone is geselecteerd, vereist Wave

Tempo Sync tweemaal het normale aantal stemmen.

Phrase Loop

Phrase Loop is het herhaald afspelen van een frase die uit een song is onttrokken (bijv. met gebruik van een sampler). Eén techniek, waarbij het gebruik van Phrase Loops betrokken is, is het onttrekken van een frase uit een reeds bestaande song in een bepaald genre, bijvoorbeeld dance muziek, en het vervolgens creëren van een nieuwe song, waarbij die frase als basis motief wordt gebruikt. Deze worden‘Break Beats’ genoemd.

Realtime Time Stretch

Als de Wave groep ‘SAMP’ is, en de Wave Tempo Sync parameter op ‘ON’ staat, kunt u de afspeelsnelheid van de golfvorm variëren zonder dat de toonhoogte verandert.

Wave FXM Switch

Dit stelt in of FXM wordt gebruikt (ON) of niet (OFF.

Waarde : OFF, ON

119

Een ritmeset creëren

FXM

FXM (Frequency Cross Modulation) gebruikt een gespecificeerde golfvorm om frequentie modulatie op de huidig geselecteerde golfvorm toe te passen, waardoor complexe boventonen worden gecreëerd. Dit is bruikbaar voor het creëren van dramatische geluiden of geluidseffecten.

Wave FXM Color

Specificeert hoe FXM frequentie modulatie zal toepassen. Hogere instellingen resulteren in een meer korrelig geluid, terwijl lagere instellingen een meer metaalachtig geluid produceren.

Waarde : 1-4

Wave FXM Depth

Specificeert de diepte van de modulatie die door FXM wordt geproduceerd.

Waarde : 0-16

Als de Tempo Sync parameter op ‘ON’ is ingesteld, worden instellingen met betrekking tot Pitch (p.121) en FXM (p.120) uitgeschakeld.

De manier waarop een Rhythm

Tone klinkt veranderen (WMT)

De WMT (Wave Mix Tabel) gebruikt Key Velocity voor het besturen van de vier golfvormen die aan de Rhythm Tone zijn toegewezen.

Wave Coarse Tune

Past de toonhoogte van het geluid van de golfvorm aan, in stappen van halve tonen omhoog of omlaag (+/- 4 octaven).

Waarde : -48-+48

TIP

De Coarse Tune van de gehele Rhythm Tone wordt met de Tone

Coarse parameter ingesteld (p.121).

Wave Fine Tune

Past de toonhoogte van het golfvorm geluid aan, in stappen van 1 cent omhoog of omlaag (+/- 50 cent).

Waarde : -50-+50

Eén cent is 1/100 ste

van een halve toon.

De Fine Tune van de gehele Rhythm Tone wordt met de Tone

Fine Tune parameter ingesteld (p.121).

Wave Level

U kunt het volume van de golfvorm instellen.

Waarde : 0-127

Het volumeniveau van elke Rhythm Tone wordt met de Tone

Level parameter ingesteld. De volumeniveaus van de gehele

120

ritme set worden met de Rhythm Level parameter ingesteld

(p.117).

Wave Pan

Dit specificeert de pan van de golfvorm. ‘L64’ is uiterst links, ‘0’is midden, en ‘63R’ is uiterst rechts.

Waarde : L63-0-63R

Wave Random Pan Switch

Gebruik deze instelling om de panning van de golfvorm willekeurig te laten veranderen, elke keer dat een toets wordt ingedrukt (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON

* De reeks van de panning verandering wordt met de Rnd Pan Depth parameter ingesteld (p.124).

Wave Alternate Pan Switch

Deze instelling maakt dat de panning van de golfvorm tussen links en rechts wordt afgewisseld, elke keer dat een toets wordt ingedrukt.

Zet Alternate Pan Switch op ‘ON’ om de Wave volgens de Alter Pan

Depth parameter (p.125) instellingen te pannen of op ‘REV’ als u de panning wilt omkeren. Als u niet wilt dat de pan verandert elke keer dat een toets wordt ingedrukt, zet u dit op ‘OFF’.

Reeks : OFF, ON, REV

WMT Velocity Control

(WMT Velocity Control Switch)

WMT Velocity Control bepaalt of een andere Rhythm Tone wordt gespeeld (ON) of niet (OFF), afhankelijk van de sterkte waarmee een toets wordt gespeeld (Velocity).

Als dit op ‘RND’ is ingesteld zullen de tones waaruit de ritme set bestaat willekeurig klinken, ongeacht enige Velocity berichten.

Waarde : OFF, ON, RANDOM

Velocity Fade Width Lower

Velocity Fade Width Lower

Dit bepaalt wat er met het niveau van de Tone gebeurt als de Tone gespeeld wordt met een lagere Velocity dan zijn gespecificeerde

Velocity reeks. Hogere instellingen produceren een meer geleidelijke verandering in volume. Als u wilt, dat noten die buiten de gespecificeerde toets Velocity reeks niet te horen zullen zijn, stelt u dit op ‘0’ in.

Waarde : 0-127

Velocity Range Lower

Dit stelt de laagste Velocity in, waarop de golfvorm zal klinken.

Maak deze instellingen als u verschillende golfvormen wilt laten klinken, in respons op noten die op verschillende sterktes worden gespeeld.

Waarde : 1-UPPER

Velocity Range Upper

Dit stelt de hoogste Velocity waarop de golfvorm zal klinken in.

Maak deze instellingen als u wilt verschillende golfvormen wilt laten klinken in respons op noten die met een verschillende sterkte worden gespeeld.

Een ritmeset creëren

Waarde : LOWER-127

Als u probeert de Lower Velocity limiet boven de Upper of de

Upper onder de Lower in te stellen, zal de andere waarde automatisch op dezelfde instelling worden gezet.

Velocity Fade Width Upper

Dit bepaalt wat er met het niveau van de Tone gebeurt als de Tone gespeeld wordt met een hogere Velocity dan zijn gespecificeerde

Velocity reeks.

Hogere instellingen produceren een meer geleidelijke verandering in volume. Als u wilt, dat noten die buiten de gespecificeerde toets

Velocity reeks niet te horen zullen zijn, stelt u dit op ‘0’ in.

Waarde : 0-127 fig.06-028.e

Niveau

Aanslag

Fade Lower

Range Lower

Fade Upper

Range Upper

De toonhoogte wijzigen (Pitch/

Pitch Env)

Pitch

Tone Coarse Tune (Rhythm Tone Coarse Tune)

Selecteert de toonhoogte waarop een Rhythm Tone klinkt.

Waarde : C-1-G9

Stel de Coarse Tuning voor golven waaruit de Rhythm Tones bestaan met de Wave Coarse Tune parameter in (p.120).

Tone Fine Tune (Rhythm Tone Fine Tune)

Past de toonhoogte van het Rhythm Tone geluid in stappen van 1 cent omhoog of omlaag aan (+/- 50 cent).

Waarde : -50-+50

Eén cent is 1/100 ste

van een halve toon.

Stel de Coarse Tuning voor golven waaruit de Rhythm Tones bestaan met de Wave Coarse Tune parameter in (p.120).

Tone Random Pitch Depth

Dit specificeert de breedte van de willekeurige afwijking in toonhoogte, die optreedt wanneer een toets wordt ingedrukt. Als u niet wilt dat de toonhoogte willekeurig verandert, stelt u dit op ‘0’ in.

Deze waardes zijn in cent eenheden (1/100ste van een halve toon).

Waarde : 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 20, 30, 40, 50, 60, 70, 80, 90,

100, 200, 300, 400, 500, 600, 700, 800, 900, 1000, 1100,

1200

Pitch Env (Pitch Envelope)

Pitch Env Depth

Past het effect van de Pitch Envelope aan. Hogere instellingen maken dat de Pitch Envelope meer verandering produceert. Negatieve (-) instellingen keren de vorm van de envelope om.

Waarde : -12-+12

Pitch Env Velocity Sens

De speeldynamiek op het toetsenbord kan gebruikt worden om de diepte van de Pitch envelope te besturen. Als u wilt, dat de Pitch envelope meer effect heeft bij sterk gespeelde noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als de Pitch envelope minder effect moet hebben bij sterk gespeelde noten, stelt u dit op een negatieve (-) waarde in.

Waarde : -63-+63

Pitch Env Time 1 Velocity Sens

Hiermee kan de toetsenbord dynamiek de Time 1 van de Pitch Envelope beïnvloeden. Als u wilt, dat Time 1 sneller wordt bij sterk gespeelde noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt, dat deze langzamer wordt, zet u dit op een negatieve

(-) waarde.

Waarde : -63-+63

Pitch Env Time 4 Velocity Sens

Gebruik deze parameter als u wilt dat de snelheid waarmee de toets wordt losgelaten de Time 4 waarde van de Pitch Envelope beïnvloedt. Als u wilt, dat Time 4 sneller wordt bij snel losgelaten noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt, dat deze langzamer wordt, stelt u dit op een negatieve (-) waarde in.

Waarde : -63-+63

Pitch Env Time 1-4

Specificeer de Pitch Envelope tijden (Time 1 –Time 4). Hogere instellingen resulteren on een langere tijd voordat de toonhoogte van

Level 1 in Level 2 verandert.

Waarde : 0-127

121

Een ritmeset creëren

Pitch Env Level 0–4

Specificeer de Pitch envelope niveaus (Level 0 – Level4). Dit bepaalt hoeveel de toonhoogte op elk punt verandert van de referentie toonhoogte (de waarde die met Coarse Tune of Fine Tune in het Pitch scherm is ingesteld).

Positieve (+) instellingen maken dat de toonhoogte hoger wordt dan de standaard toonhoogte, en negatieve (-) instellingen maken dat deze lager wordt.

Waarde : -63-+63 fig.06-032.e

T1 T2 T3 T4

Toonhoogte L0

Note on

L1

L2

T: Tijd L: Level (niveau)

L3

Note off

L4

Tijd

De helderheid van een geluid met een filter wijzigen (TVF/TVF Env)

TVF

Filter Type

Selecteert het type filter. Een filter kapt een specifieke frequentieregio af of duwt deze omhoog om de helderheid, breedte of andere eigenschappen van het geluid te veranderen.

Waarde

OFF :

LPF :

BPF

HPF

PKG

:

:

LPF2

LPF3

:

:

:

Er wordt geen filter gebruikt.

Laag Pas Filter. Dit reduceert het volume van alle frequenties boven de cutoff frequentie (Cutoff Freq) om het geluid ronder of minder helder te maken.

Dit is het meest gebruikte filter in synthesizers.

Band Pas Filter. Dit behoudt alleen de frequenties in de regio van de cutoff frequentie (Cutoff Freq), en kapt de rest af. Dit kan bruikbaar zijn voor het creëren van onderscheidende geluiden.

Hoog Pas Filter. Dit kapt de frequenties onder de cutoff frequentie (Cutoff Freq) af. Dit is geschikt voor het creëren van percussieve geluiden, waarbij hun hogere Tones worden benadrukt.

Peaking Filter. Dit benadrukt de frequenties in de regio van de cutoff frequentie (Cutoff Freq). Dit kan gebruikt worden voor het creëren van wah-wah effecten, door een LFO te gebruiken om de cutoff frequentie op cyclische wijze te veranderen.

Laag Pas Filter 2. Hoewel frequentie componenten boven de cutoff frequentie (Cutoff Freq) worden afgekapt, is de gevoeligheid van dit filter de helft van dat van de LPF. Dit maakt het in vergelijking een warmer laagpas filter.

Dit filter is goed te gebruiken met gesimuleerde instrumentgeluiden, zoals de akoestische piano.

Laag Pas Filter 3. Hoewel frequentie componenten boven de cutoff frequentie (Cutoff Freq) worden afgekapt, verandert de gevoeligheid van dit filter volgens de Cutoff Frequentie. Hoewel dit filter ook goed te gebruiken is voor gesimuleerde akoestische instrumentgeluiden, verschilt de nuance die dit vertoont van die van de LPF2, zelfs met dezelfde

TVF Envelope tijden.

Als u ‘LPF2’ of ‘LPF3’ kiest, zal de instelling van de Resonance parameter genegeerd worden.

122

Een ritmeset creëren

Cutoff Frequency

Selecteert de frequentie waarop het filter een effect op de frequentie componenten van de golfvorm begint te krijgen.

Waarde : 0-127

Als ‘LPF/LPF2/LPF3’ voor de Filter Type parameter is geselecteerd, reduceren lagere cutoff frequentie instellingen de hoge boventonen van een Tone, voor een ronder, warmer geluid. Hogere instellingen maken dat dit helderder klinkt.

Als ‘BPF’ is geselecteerd, veranderen harmonische componenten afhankelijk van de TVF Cutoff Frequency instelling. Dit kan bruikbaar zijn bij het creëren van onderscheidende geluiden.

Als ‘HPF’ is geselecteerd, reduceren hogere Cutoff Frequency instellingen de lage boventonen, om slechts de heldere componenten van het geluid te benadrukken.

Als ‘PKG’ is geselecteerd, variëren de boventonen die benadrukt worden, afhankelijk van de Cutoff Frequency instelling.

Resonance

Benadrukt een portie van het geluid in de regio van de cutoff frequentie, en geeft het geluid meer karakter. Overmatig hoge instellingen kunnen oscillatie produceren, waardoor het geluid vervormt.

Waarde : 0-127 fig.06-034.e

Hoog

Niveau

LPF BPF HPF PKG

Frequentie

Cutoff frequentie

Cutoff Velocity Sens

Gebruik deze parameter als de cutoff frequentie die toegepast zal worden als resultaat van veranderingen in de speeldynamiek wordt veranderd. Als u wilt, dat sterk gespeelde noten de cutoff frequentie hoger maken, zet u deze parameter op positieve (+) instellingen. Als u wilt, dat sterk gespeelde noten de cutoff frequentie verlagen, gebruikt u negatieve (-) instellingen.

Waarde : -63-+63

Resonance Velocity Sens

Hiermee kan de toetsenbord Velocity de hoeveelheid resonantie wijzigen. Als u wilt, dat sterk gespeelde noten een sterker resonantie effect hebben, stelt u deze parameter op positieve (+) instellingen in.

Als u wilt, dat sterk gespeelde noten minder resonantie zullen hebben, gebruikt u negatieve (-) instellingen.

Waarde : -63-+63

TVF Env Velocity Curve

Selecteert één van de volgende zeven curven, die bepalen hoe de speeldynamiek de TVF envelopes zullen beïnvloeden. Zet dit op

‘FIXED’ als u niet wilt dat de TVF Envelope door de speeldynamiek wordt beïnvloed.

Waarde : FIXED, 1-7 fig.06-036

Laag

Cutoff Velocity Curve

Selecteert één van de volgende zeven curven, die bepalen hoe de speeldynamiek (Velocity) de cutoff frequentie beïnvloedt.

Zet dit op ‘FIXED’ als u niet wilt dat de cutoff frequentie door de toetsenbord Velocity wordt beïnvloed.

Waarde: FIXED, 1–7 fig.06-036

1 2 3 4 5 6 7

1 2 3 4 5 6 7

TVF Env Velocity Sens

Specificeert hoe de speeldynamiek op het toetsenbord de diepte van de TVF Envelope beïnvloedt. Positieve (+) instellingen maken dat de

TVF Envelope een sterker effect heeft bij sterk gespeelde noten, en negatieve (-) instellingen maken dat het effect zwakker is.

Waarde : -63-+63

TVF Env Time 1 Velocity Sens

Hiermee kan de speeldynamiek de Time 1 van de TVF Envelope beïnvloeden. Als u wilt, dat Time 1 sneller wordt bij sterk gespeelde noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt, dat deze langzamer wordt, zet u dit op een negatieve (-) waarde. Waarde : -63-+63

TVF Env Time 4 Velocity Sens

Dit is de parameter die gebruikt wordt als u wilt dat de snelheid waarmee de toets wordt losgelaten de Time 4 waarde van de TNF

Envelope regelt. Als u wilt, dat Time 4 sneller wordt bij snel losgelaten noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt, dat deze langzamer wordt, zet u dit op een negatieve (-) waarde.

Waarde : -63-+63

123

Een ritmeset creëren

TVF Env

TVF Env Depth

Specificeert de diepte van de TVF envelope. Hogere instellingen maken dat de TVF envelope meer verandering produceert. Negatieve (-) instellingen keren de vorm van de envelope om.

Waarde : -63-+63

TVF Env Time 1-4 (TVF Envelope Time 1-4)

Specificeer de TVF Envelope tijden (Time 1 – Time 4). Hogere instellingen verlengen de tijd, totdat het volgende cutoff frequentieniveau wordt bereikt. (Time 2 is bijvoorbeeld de tijd waarbinnen Level 1 in

Level 2 zal veranderen).

Waarde : 0-127

TVF Env Level 0-4 (TVF Envelope Level 0-4)

Specificeer de TVF Envelope niveaus (Level 0 – Level 4). Deze instellingen specificeren hoe de cutoff frequentie op elk punt zal veranderen, relatief aan de standaard cutoff frequentie (de cutoff frequentiewaarde die in het TVF scherm is gespecificeerd).

Waarde : 0-127 fig.06-037.e

T1 T2 T3 T4

Het volume aanpassen (TVA/TVA Env)

TVA

Tone Level (Rhythm Tone Level)

Stelt het volume van de Rhythm Tone in. Gebruik deze parameter voor het aanpassen van de volumebalans tussen Rhythm Tones.

Waarde : 0-127

De volumeniveaus van de Waves waaruit de Rhythm Tone is opgebouwd, worden met de WMT1-4 Wave Level parameter ingesteld (p.120).

Level Velocity Curve

U kunt uit zeven curven selecteren, die bepalen hoe de speelsterkte op het toetsenbord het volume beïnvloedt. Als u niet wilt dat het volume van de Rhythm Tone beïnvloed wordt door de sterkte waarmee u speelt, zet u dit op ‘FIXED’.

Waarde : FIXED, 1-7 fig.06-036

Cutoff frequentie

L0

L1

Note on

L2 L3

T: Tijd L: Level (niveau)

Note off

L4

Tijd

1 2 3 4 5 6 7

Level Velocity Sens

Stelt dit in als u wilt dat het volume van de Rhythm Tone verandert, afhankelijk van de sterkte waarmee u de toetsen indrukt. Stel dit op een positieve (+) waarde in om de veranderingen in Rhythm Tone volume toe te laten nemen, hoe sterker de toetsen worden aangeslagen. Om de Rhythm Tone zachter te laten spelen naarmate u sterker speelt, stelt u dit op een negatieve (-) waarde in.

Waarde : -63-+63

Tone Pan (Rhythm Tone pan)

Stelt de pan van de Rhythm Tone in. ‘L64’ is uiterst links, ‘0’is midden en ‘63R’ is uiterst rechts.

Waarde : L64-0-63R

De Pan van Waves waaruit de Rhythm Tones zijn opgebouwd, wordt met de Wave pan parameter ingesteld (p.120).

Random Pan Depth

Gebruik deze parameter als u wilt dat de stereo locatie, elke keer dat u een toets indrukt, verandert. Hogere instellingen produceren een grotere hoeveelheid verandering.

Waarde : 0-63

Dit is alleen van invloed op golven waarvan de Wave Rnd Sw parameter (p.120) is ingeschakeld.

124

Een ritmeset creëren

Alternate Pan Depth

Deze instelling maakt dat de panning tussen links en rechts afwisselt, elke keer dat een toets wordt ingedrukt. Hogere instellingen reduceren een grotere hoeveelheid verandering. “L”of

“R” instellingen keren de volgorde waarin de pan tussen links en rechts zal afwisselen om. Als twee ritme tones bijvoorbeeld op respectievelijk “L” en “R” zijn ingesteld, zal de panning van de twee ritme tones, elke keer dat deze worden gespeeld, afwisselen.

Waarde : L62-0-63R

Dit is alleen van invloed op golven waarvan de Wave Alter Pan

Sw parameter (p.120) op ON of REV is ingesteld.

Relative Level

Corrigeert het volume van de ritme tone.

Deze parameter wordt door het key-based controller System

Exclusive bericht ingesteld. Normaalgesproken laat u dit op 0 staan.

Waarde : -64-+63

Als het ritme tone Niveau op 127 is ingesteld, zal het volume niet verder dan dat punt toenemen.

TVA ENV

TVA ENV Time 1 Velocity Sens

Hiermee kan de toetsenbord dynamiek de Time 1 van de TVA envelope beïnvloeden. Als u wilt, dat Time 1 sneller wordt bij sterk gespeelde noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt, dat deze langzamer wordt, zet u dit op een negatieve (-

) waarde.

Waarde : -63-+63

TVA Env Time 4 Velocity Sens

De parameter die gebruikt wordt als u wilt dat de key release snelheid de Time 4 waarde van de TVA envelope bestuurt. Als u wilt, dat Time 4 sneller wordt bij snel losgelaten noten, stelt u deze parameter op een positieve (+) waarde in. Als u wilt, dat deze langzamer wordt, zet u deze parameter op een negatieve (-) waarde.

Waarde : -63-+63

TVA Env Time 1–4

Specificeer de TVA envelope tijden (Time 1 – Time 4). Hogere instellingen maken de tijd totdat het volgende volumeniveau wordt bereikt langer. (Time 2 bijvoorbeeld, is de tijd waarbinnen Level 1 in

Level 2 verandert).

Waarde : 0-127

TVA Env Level 1–3

Specificeer de TVA envelope niveaus (Level 1 – Level3). Deze instellingen specificeren hoe het volume op elk punt zal veranderen, relatief aan het standaard volume (de Rhythm Tone Level waarde, gespecificeerd in het TVA scherm).

Waarde: 0–127 fig.06-041.e

T1 T2 T3 T4

Niveau

L1 L2

Note on

T: Tijd L: Level (niveau)

L3

Note off

Tijd

Uitvoer instellingen (Output)

Specificeert hoe het directe geluid van elke Tone uitgevoerd zal worden.

Waarde :

PFX :

DRY : uitvoer via Patch multi-effecten.

uitvoer zonder de Patch multi-effecten te passeren

Tone Output Level

Specificeert het signaalniveau van elke Tone.

Waarde : 0-127

Tone Chorus Send Level

Specificeert het Niveau van het signaal dat naar de chorus van elke

Tone wordt gestuurd.

Waarde : 0-127

Tone Reverb Send Level

Specificeert het niveau van het signaal dat naar de reverb van elke

Tone wordt gestuurd.

Waarde : 0-127

Effecten voor een ritmeset instellen

(PFX)

U kunt op de [F5 (PFX)] knop drukken om naar het PFX (Patch

Multi-Effect) bewerkingsscherm te gaan (p.157).

Voor details met betrekking tot effectinstellingen kijkt u op de hieronder genoemde pagina’s.

• ‘Effectinstellingen maken’ (p.151)

• ‘Patch Multi-Effects instellingen (PFX) maken’ (p.157).

125

Een Sample Set creëren

Met de Fantom-G heeft u volledige controle over een brede reeks instellingen. Elk onderdeel dat ingesteld kan worden, staat bekend als een parameter . Als u de waarde van parameters verandert, doet u wat doorgaans bewerken wordt genoemd. In dit hoofdstuk worden de procedures die gebruikt worden bij het creëren van Sample sets, en de functies van de Sample set parameters uitgelegd.

Hoe Sample set instellingen worden gemaakt

Op de Fantom-G wordt een golfvorm (Wave) die door geluidsopname of sampling is verkregen, een ‘Sample’ genoemd. Een Sample set bestaat uit zestien Samples, die als een set worden behandeld. U kunt aangeven hoe de Samples gespeeld worden als een Pad of noot op het toetsenbord wordt ingedrukt.

Hier ziet u, hoe een nieuwe Sample set gecreëerd wordt, door met

één van de beschikbare Sample sets te beginnen.

Een Sample set snel bewerken

(Patch Zoom Edit)

In het Patch Zoom Edit scherm kunt u de belangrijkste parameters van een Patch bewerken. Voor toegang tot alle parameters gebruikt u het Patch Pro Edit scherm (p.127).

1.

Selecteer de ritmeset, waarvan u de instellingen wilt bewerken (p.53).

2.

Druk op [PATCH].

3.

Druk op [CURSOR] om de cursor naar de parameter die u wilt wijzigen te verplaatsen.

Details van elke parameter vindt u op de volgende pagina’s:

Parameternaam

Wave

Pitch

Amp pag.

p. 130 p. 130 p. 131

• Het te bewerken Part veranderen

Druk op [F7 (Part Select)].

4.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om een waarde in te stellen.

5.

Herhaal stappen 3-4 om elke parameter die u wilt bewerken in te stellen.

6.

Als u de door u gemaakte veranderingen wilt opslaan, drukt u op [WRITE] om de Save handeling uit te voeren (p.128).

Als u de veranderingen niet wilt behouden, drukt u op

[EXIT] om naar het Single Play scherm terug te keren.

Als u zonder op te slaan naar het Single Play scherm terugkeert, zal het ‘ ’ symbool rechts van de Sample set naam worden getoond, wat betekent dat de Sample set instellingen zijn bewerkt.

De instellingen die u bewerkt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, van geluidsgenerator mode verandert of een ander geluid selecteert.

Het Patch Zoom Edit scherm verschijnt.

fig.07-001_50

Parameters

F-toets handelingen in het Patch Zoom Edit scherm.

F-toets

F4

Util Menu

F5

PFX

F6

Pro Edit

F7

Part Select

Uitleg

Sample

Set

Initialize

Initialiseert de instellingen van de huidig geselecteerde Sample set.

Toegang tot het PFX (Patch Multi-effect) bewerkingsscherm.

Toegang tot het Patch Pro Edit scherm, waar alle parameters bewerkt kunnen worden.

Selecteert het te bewerken Part.

PAG.

p. 127 p. 157 p. 127

126

Een Sample Set creëren

Alle parameters bewerken (Patch Pro

Edit)

In het Patch Pro Edit scherm kunnen alle parameters worden bewerkt.

1.

Selecteer de Sample set, waarvan u de instellingen wilt bewerken (p.53).

Als u een Sample set helemaal vanuit het niets wilt creëren (in plaats van met een bestaande Sample set te beginnen), voert u de Initialize handeling uit (p.127).

2.

Druk twee keer op [PATCH].

Het Patch Pro Edit scherm verschijnt.

fig.07-001_50

Groups Parameters

4.

Gebruik of om de cursor naar de parameter die u wilt wijzigen te verplaatsen.

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om een waarde in te stellen.

6.

Herhaal stappen 3-5 om elke parameter die u wilt bewerken in te stellen.

7.

Als u de door u gemaakte veranderingen wilt opslaan, drukt u op [WRITE] om de Save handeling uit te voeren (p.128).

Als u de veranderingen niet wilt behouden, drukt u op

[EXIT] om naar het Single Play scherm terug te keren.

Wanneer u zonder op te slaan naar het Single Play scherm terugkeert, zal het ‘ ’ symbool rechts van de Sample set naam worden getoond, wat betekent dat de Sample set instellingen zijn bewerkt.

De instellingen die u bewerkt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, van geluidsgenerator mode verandert of een ander geluid selecteert.

Sample Set instellingen initialiseren (Sample Set Initialize)

‘Initialiseren’ betekent de instellingen van het op dat moment geselecteerde geluid in een standaard set waardes of de fabrieksinstellingen terugzetten.

De Initialize handeling is alleen van invloed op het huidig geselecteerde geluid. De geluiden die in het User geheugen zijn opgeslagen worden hierdoor niet beïnvloed. Als u alle instellingen van de Fantom-G in de fabrieksinstellingen wilt,terugzetten, voert u een Factory Reset uit (p.280).

1.

Selecteer de Sample set die u wilt initialiseren (p.53).

2.

Druk op [PATCH].

F-toets handelingen in het Patch Pro Edit schermn

F-key

F1

Group/Up

F2

Group/Down

F3

Set Stereo

F4

Util Menu

F5

PFX

F6

Zoom Edit

F7

Part Select

Explanation

Verplaatst de bewerkingsgroep tab opwaarts.

Verplaatst de bewerkingsgroep tab neerwaarts.

Dit wordt getoond als u de WAVE groep bewerkt. Dit roept de rechter golf (R) van de linker golf (L) van een stereo golf op.

Sample

Set

Initialize

Initialiseert de instellingen van de huidig geselecteerde ritmeset.

Toegang tot het PFX (Patch Multi-effect) bewerkingsscherm.

Toegang tot het Patch Zoom Edit scherm, waar de belangrijkste parameters bewerkt kunnen worden.

Selecteert het te bewerken Part.

Page

– p. 130 p. 127 p. 157 p. 126

3.

De parameters zijn in diverse bewerkingsgroepen ondergebracht.

Druk op [F1 (Up)] of [F2 (Down)] om de tab voor de bewerkingsgroep, die de parameter die u wilt bewerken bevat, te selecteren.

Voor details over de manier waarop de parameters gegroepeerd zijn, zie ‘ Functies van Sample set parameters ’(p.129).

• Het te bewerken Part veranderen

Druk op [F7 (Part Select)].

3.

Druk op [F4 (Util Menu)].

Het Rhythm Utility Menu scherm verschijnt.

4.

Druk op of dan op [F8 (Select)].

en kies ‘Sample Set Initialize’, en druk

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

In een bericht wordt om bevestiging gevraagd.

5.

Druk op [F7 (OK)].

Om te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

127

Een Sample Set creëren

Door u gecreëerde Sample sets opslaan (Write)

Veranderingen die in geluidsinstellingen worden aangebracht zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet of een ander geluid selecteert. Om het gewijzigde geluid te behouden, moet dit in de User bank worden opgeslagen.

Wanneer u de Sample instellingen bewerkt, zal het ‘ ’ symbool in het Single Play scherm verschijnen. Als u de Sample set opslaat, zal het ‘ ’ symbool verdwijnen.

Wanneer de Save procedure wordt uitgevoerd, zal de data die reeds in de opslagbestemming aanwezig was verloren gaan.

1.

Zorg, dat de Sample Set die u wilt opslaan geselecteerd is.

2.

Druk op [WRITE].

Het WRITE MENU scherm verschijnt.

7.

Druk op [F8 (Write)].

In een bericht wordt om bevestiging gevraagd.

Zet de Fantom-G nooit uit, terwijl data wordt opgeslagen.

8.

Druk op [F7 (OK)] om de opslag handeling uit te voeren.

Om te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

3.

Selecteer ‘Patch/Rhythm/Sample Set’.

Druk op of om ‘Patch/Rhythm/Sample Set’ te selecteren, en druk dan op [F8 (Select)].

Het Sample Set Name venster verschijnt.

fig.07-006_50

4.

Geef de Sample set een naam.

Details over het toewijzen van namen vindt u bij ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

5.

Nadat de naam is ingevoerd, drukt u op [F8 (OK)].

Een scherm verschijnt, waarin de Sample set die als opslagbestemming fungeert geselecteerd kan worden.

6.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om het Sample set nummer te selecteren.

128

Een Sample Set creëren

Functies van Sample Set parameters

In deze sectie worden de functies van de verschillende Sample set parameters uitgelegd, alsmede samenstelling van deze parameters.

Als een nummer voor een parameternaam wordt weergegeven

( , , , ), kunt u de Realtime controller knop van het corresponderende nummer gebruiken om de waarde in te stellen

(de knop uiterst links is nummer 1, de knop uiterst rechts is nummer

4).

fig.06-010

Instellingen gemeenschappelijk voor de gehele Sample set

(General)

Sample Set Level, Sample Set MFX Switch, Sample Set Chorus

Switch en Sample Set Reverb Switch zijn op de gehele Sample set van toepassing. De overige parameters worden voor elke

Sample set Tone individueel ingesteld.

Sample Set Name

Specificeert de naam van de ritmeset.

Door [ENTER] in te drukken kunt u de Sample set een naam geven.

Waarde : spatie, A-Z, a-z, 0-9, ! '' # $ % & ‘( ) * + , - . /: < = >? @ [ \ ]

^_ `{ | }

Details over het invoeren van een naam vindt u bij ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

Sample set Level

Stelt het volume van de Sample set in.

Waarde : 0-127

Het volumeniveau van de Tones waaruit de Sample set is opgebouwd, wordt met de Tone Level parameter (p.131) ingesteld.

Direction

Specificeert de richting waarin de Sample zal spelen.

Waarde :

FWD :

REV : speel voorwaarts speel achterwaarts

Trigger Mode

Specificeert hoe de Sample gespeeld wordt als u een Pad (of toets) indrukt.

Waarde :

GATE :

DRUM : de Sample stopt met spelen als het Pad (of de toets) wordt losgelaten.

de Sample blijft spelen, ook nadat het Pad (of de toets) is losgelaten.

De Sample begint te spelen als u het Pad indrukt, en zal automatisch stoppen als het eind van de Sample is bereikt. Als u de DRUM instelling selecteert, wordt de Loop instelling genegeerd. De Sample wordt slechts één keer gespeeld.

Onthoud dat als u DRUM selecteert, het geluid niet onderbroken kan worden, dus gebruik deze instelling voorzichtig als de Sample extreem lang is.

Mute Group

Op een akoestisch drumstel kunnen een open hi-hat en een gesloten hi-hat nooit tegelijkertijd gespeeld worden. Om de realiteit van deze situatie te reproduceren kunt u een Mute Group instellen.

Met de Mute Group functie kunt u twee of meer Sample Tones aanwijzen die niet tegelijk mogen klinken. Maximaal 16 Mute Groepen kunnen gebruikt worden. Sample Tones, die niet tot een dergelijke groep behoren, moeten op ‘OFF’ worden ingesteld.

Waarde : OFF, 1-16

129

Een Sample Set creëren

Golfvormen wijzigen (Wave)

Sample Number L (Mono)

Sample Number R

Dit selecteert de Samples waaruit de Sample Tone bestaat. Samen met het Sample nummer verschijnt de Sample naam in het onderste gedeelte van het scherm.

In de mono mode wordt alleen de linkerkant (L) gespecificeerd. In stereo wordt de rechterkant (R) ook gespecificeerd.

Waarde : OFF, 0001-2000

Als u een linker/rechter Sample paar wilt selecteren, selecteert u het linker (L) Sample nummer en druk dan op [F3 (Set

Stereo)]. De rechter (R) (Sample) wordt opgeroepen.

* Als een Sample in stereo wordt gebruikt, moet voor L en R hetzelfde nummer worden gespecificeerd.

Wave Gain

Stelt de gain (versterking) van de golfvorm in. De waarde verandert met stappen van 6 dB (decibel) – een toename van 6 dB verdubbelt de gain van de golfvorm.

Waarde : -6, 0, +6, +12

Tempo Sync (Wave Tempo Sync)

Als u een Phrase Loop met de klok (tempo) wilt synchroniseren, zet u dit op ‘ON’.

Waarde : OFF, ON

• Als een Sample voor een Tone is geselecteerd, moet u eerst de

BPM (tempo) parameter van de Sample instellen.

• Als een Sample voor een Tone is geselecteerd, vereist Wave

Tempo Sync tweemaal het normale aantal stemmen.

Phrase Loop

Phrase Loop is het herhaald afspelen van een frase die uit een song is onttrokken (bijv. met gebruik van een sampler). Eén techniek waarbij het gebruik van Phrase Loops betrokken is, is het onttrekken van een frase uit een reeds bestaande song in een bepaald genre, bijvoorbeeld dance muziek, en het vervolgens creëren van een nieuwe song, waarbij die frase als basis motief wordt gebruikt. Deze worden ‘Break beats’ genoemd.

De toonhoogte wijzigen (Pitch)

Tone Coarse Tune (Sample Tone Coarse Tune)

Selecteert de toonhoogte waarop de Sample tone klinkt.

Waarde: -48– +48

Tone Fine Tune (Sample Tone Fine Tune)

Past de toonhoogte van het geluid van de Sample tone aan, in stappen van 1 cent omhoog of omlaag (+/- 50 cent).

Waarde : -50-+50

Eén cent is 1/100 ste

van een halve toon.

Realtime Time Stretch

Als de Wave Tempo Sync parameter op ‘ON’ staat, kunt u de afspeelsnelheid van de golfvorm variëren zonder dat de toonhoogte verandert.

130

Een Sample Set creëren

Het volume aanpassen (Amp)

Tone Level (Sample Tone Level)

Stelt het volume van de Sample Tone in. Gebruik deze parameter voor het aanpassen van de volumebalans tussen Sample Tones.

Waarde : 0-127

Tone Pan (Sample Tone pan)

Stelt de pan van de Sample Tone in. ‘L64’ is uiterst links, ‘0’is midden en ‘63R’ is uiterst rechts.

Waarde : L64-0-63R

Level Velocity Sens

Stelt dit in als u wilt dat het volume van de Sample Tone verandert, afhankelijk van de sterkte waarmee u de toetsen indrukt. Stel dit op een positieve (+) waarde in om de veranderingen in Sample Tone volume toe te laten nemen, hoe sterker de toetsen worden aangeslagen. Om de Sample Tone zachter te laten spelen naarmate u sterker speelt, stelt u dit op een negatieve (-) waarde in.

Waarde : -63-+63

Uitvoer instellingen (Output)

Tone Output Level

Specificeert het signaalniveau van elke Tone.

Waarde : 0-127

Tone Chorus Send Level

Specificeert het Niveau van het signaal dat voor elke Tone naar de chorus wordt gestuurd.

Waarde : 0-127

Tone Reverb Send Level

Specificeert het niveau van het signaal dat voor elke Tone naar de reverb wordt gestuurd.

Waarde : 0-127

Tone Output Assign

Specificeert hoe het directe geluid van elke Tone wordt uitgevoerd.

Waarde :

PFX :

DRY : uitvoer via Patch multi-effecten.

uitvoer zonder de Patch multi-effecten te passeren.

Effecten voor een Sample set instellen (PFX)

U kunt op de [F5 (PFX)] knop drukken om naar het PFX (Patch

Multi-Effect) bewerkingsscherm te gaan (p.157).

Voor details met betrekking tot effectinstellingen kijkt u op de hieronder genoemde pagina’s.

• ‘ Effectinstellingen maken ’ (p.151)

• ‘ Patch Multi-Effects instellingen (PFX) maken ’ (p.157).

131

Een Live/Studio Set creëren

Met de Fantom-G heeft u volledige controle over een brede reeks instellingen. Elk onderdeel dat ingesteld kan worden, staat bekend als een parameter . Als u de waarde van parameters verandert, doet u wat doorgaans bewerken wordt genoemd. In dit hoofdstuk worden de procedures die gebruikt worden bij het creëren van Live/

Studio sets, en de functies van de Live/Studio set parameters uitgelegd.

Algemene instellingen (Utility)

Hier ziet u, hoe instellingen worden gemaakt die op de gehele Live set (of Studio set) van toepassing zijn.

1.

Druk op [LIVE] (of [STUDIO]).

2.

Druk op [F2 (Utility)].

Het Utility scherm verschijnt.

3.

De parameters zijn in diverse bewerkingsgroepen ondergebracht.

Druk op [F1 (Up)] of [F2 (Down)] om de tab voor de bewerkingsgroep, die de parameter die u wilt bewerken bevat, te selecteren.

4.

Druk op of om de cursor naar de parameter die u wilt bewerken te verplaatsen.

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de gewenste waarde te verkrijgen.

6.

Als u de door u gemaakte veranderingen wilt opslaan, drukt u op [WRITE] om de Save handeling uit te voeren (p.148).

Als u de veranderingen niet wilt behouden, drukt u op

[EXIT].

Als u zonder op te slaan naar het Play scherm terugkeert, zal het ‘ ’ symbool rechts van de Live/Studio set naam worden getoond, wat betekent dat de Patch instellingen zijn bewerkt.

De instellingen die u bewerkt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, van geluidsgenerator mode verandert of een ander geluid selecteert.

NAME

Live Set Name

Studio Set Name

Specificeert de naam van de Live/Studio set.

Door [ENTER] in te drukken kunt u de Live/Studio set een naam geven.

Waarde : spatie, A-Z, a-z, 0-9, ! '' # $ % & ‘( ) * + , - . /: < = >? @ [ \ ]

^_ `{ | }

Details over het invoeren van een naam vindt u bij ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

Live Set Memo

Studio Set Memo

U kunt een memo van maximaal 32 tekens toewijzen.

Door [ENTER] in te drukken kunt u een memo aan de Live/Studio set toewijzen.

Waarde : spatie, A-Z, a-z, 0-9, ! '' # $ % & ‘( ) * + , - . /: < = >? @ [ \ ]

^_ `{ | }

Part Info

In het scherm kunt u de ontvangst status van verscheidene types

MIDI berichten voor ieder MIDI kanaal controleren. Dit is een handige manier om te controleren of de geluidsgenerator correct op berichten van het toetsenbord of van externe MIDI controllers reageert.

Modulation : modulatie berichten

B reath :

Foot Type :

Breath berichten

Foot type berichten

Volume :

Panpot :

Volume berichten

Panpot berichten

Expression : Expressie berichten

Hold 1 : Hold 1 berichten

Pitch Bend : Pitch Bend berichten

Aftertouch : Aftertouch berichten

132

Een Live/Studio Set creëren

Part Settings (Part View)

U kunt de Part instellingen in de vorm van een lijst bekijken. Dit wordt het ‘ Part View ’ scherm genoemd. In dit scherm kunt u een lijst bekijken, waarin instellingen voor alle Parts tegelijk worden getoond, zoals de Patch die aan elk Part is toegewezen, en zijn volume en pan instellingen. Deze instellingen kunnen hier ook bewerkt worden.

1.

Druk op [LIVE] of [STUDIO].

2.

Druk op [F3 (Part View)].

Het Part View scherm verschijnt.

fig.08-017_50

3.

De parameters zijn in diverse bewerkingsgroepen ondergebracht.

Druk op [F1 (Up)] of [F2 (Down)] om de tab voor de bewerkingsgroep, die de parameter die u wilt bewerken bevat, te selecteren.

U kunt de F toetsen gebruiken om de getoonde Part groep te veranderen.

F-toets

F3 Internal

F4 EXP 1

F5 EXP 2

F6 External

Uitleg

Intern (interne geluidsgenerator)

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Externe MIDI uitvoer

.

In het Part View scherm zijn de bewerkingsgroepen die getoond worden afhankelijk van de geselecteerde Part groep.

Edit Group

Level/Pan

Keyboard

Output/EFX

Pitch

Scale Tune

Vibrato

Offset

Mono/Poly/Legato

Voice Reserve

MIDI Rx Filter

F3

Internal

F4/F5

EXP 1/2

F6

External

4.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de parameter die u wilt bewerken te verplaatsen.

In dit scherm wordt de naam van de parameter die met de cursor wordt geselecteerd in het ‘ ’ gebied links onder in het scherm getoond. De waarde van de huidige instellingen wordt hier ook getoond.

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de gewenste waarde te verkrijgen.

6.

Als u de door u gemaakte veranderingen wilt opslaan, drukt u op [WRITE] om de Save handeling uit te voeren (p.148).

Als u de veranderingen niet wilt behouden, drukt u op

[EXIT].

Als u zonder op te slaan naar het Play scherm terugkeert, zal het ‘ ’ symbool rechts van de Live/Studio set naam worden getoond, wat betekent dat de Patch instellingen zijn bewerkt.

De instellingen die u bewerkt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, van geluidsgenerator mode verandert of een ander geluid selecteert.

133

Een Live/Studio Set creëren

Level/Pan

(Als de Part Group Internal/EXP1/EXP2 is)

Patch Type

Stelt de toewijzing van een Patch (Patch), ritmeset (Rhythm) of

Sample set (Sample) aan de Parts in.

Waarde : PATCH, RHYTHM, SAMPLE

* EXP 1 en EXP 2 Parts zijn afhankelijk van de uitbreidingskaart die geïnstalleerd is.

Patch Bank

Selecteert de groep waarbinnen de gewenste Patch of ritmeset behoort.

Waarde

USER :

PRST :

USAM :

GM :

User

Preset

User Sample

GM (GM2)

* EXP 1 en EXP 2 Parts zijn afhankelijk van de uitbreidingskaart die geïnstalleerd is.

Patch Number

Selecteert de gewenste Patch, ritmeset of Sample set op zijn nummer.

Waarde : 001-

* EXP 1 en EXP 2 Parts zijn afhankelijk van de uitbreidingskaart die geïnstalleerd is.

Mute Switch

Maakt elk Part tijdelijk stil (MUTE) of juist weer hoorbaar (OFF).

Gebruik deze instelling als u het instrument bijvoorbeeld voor karaoke wilt gebruiken, door het Part dat de melodie speelt op Mute in te stellen of als u iets met gebruik van een aparte geluidsmodule wilt spelen.

Waarde : OFF, MUTE

De Mute Switch parameter zet het Part niet uit, maar stelt het volume op het minimum in, zodat er geen geluid te horen is.

Daarom worden MIDI berichten nog steeds ontvangen.

Part Level

Past het volume van elk Part aan. Het doel van deze instelling is hoofdzakelijk het aanpassen van de volumebalans tussen Parts.

Waarde : 0-127

Part Pan

Past de pan van elk Part aan. ‘L64’ is uiterst links, ‘0’is midden, en

‘63R’ is uiterst rechts.

Waarde : L64-0-63R

Receive Switch

Specificeer voor elk Part of MIDI berichten ontvangen zullen worden

(ON) of niet (OFF).

Als dit op ‘OFF’ staat, zal het Part niet reageren. Normaalgesproken laat u dit op ‘ON’ staan, maar u kunt dit uitzetten (OFF) als u wilt dat een bepaald Part tijdens het afspelen van een song niet gespeeld wordt.

Waarde : OFF, ON

Receive Channel

Specificeert het MIDI kanaal voor elk Part.

Waarde : 1-16

134

Een Live/Studio Set creëren

Level/Pan

(Als de Part Group External is)

External Bank Select MSB

Als u wilt, dat een Bank Select nummer MSB (controllernummer 0) ook verzonden wordt als u van Live/Studio set verandert, specificeert u voor elk Part de waarde die u wilt verzenden (0-127). Als u wilt, dat dit bericht niet wordt verzonden, zet u dit op ‘---‘.

Waarde : 0-127, ---

De data van het Part waarvan de Keyboard Switch is uitgeschakeld zal niet verzonden worden.

External Bank Select LSB

Als u wilt, dat een Bank Select nummer LSB (controllernummer 32) ook verzonden wordt als u van Live/Studio set verandert, specificeert u de waarde (0-127) voor elk Part. Als u wilt, dat dit bericht niet wordt verzonden, zet u dit op ‘---‘.

Waarde : 0-127, ---

De data van het Part waarvan de Keyboard Switch is uitgeschakeld zal niet verzonden worden.

External Program Number

(Extern Program Change nummer)

Als u wilt, dat een Program Change nummer ook verzonden wordt als u van Live/Studio set verandert, specificeert u de waarde 0-128) voor elk Part. Als u wilt, dat dit bericht niet wordt verzonden, zet u dit op ‘---‘.

Waarde : 0-128, ---

De data van het Part waarvan de Keyboard Switch is uitgeschakeld zal niet verzonden worden.

External Level

Als u wilt, dat Volume berichten ook verzonden wordt als u een

Live/Studio set selecteert, specificeert u de waarde (0-127) voor het

Part. Als u wilt, dat dit bericht niet wordt verzonden, zet u dit op ‘---

‘.

Waarde : 0-127, ---

De data van het Part waarvan de Keyboard Switch is uitgeschakeld zal niet verzonden worden.

External Pan

Als u wilt, dat Pan berichten ook verzonden wordt als u een Live/

Studio set selecteert, specificeert u de waarde (L64-0-63R) voor het

Part.

Als u wilt, dat dit bericht niet wordt verzonden, zet u dit op ‘---‘.

Waarde : L64-0-63R, ---

Deze berichten worden niet verzonden door Parts waarvan de

Keyboard Switch is uitgeschakeld.

Key Range (Toonhoogte bereik)

Keyboard Switch

Specificeert voor elk Part of de keyboard controller sectie al dan niet met de interne geluidsgenerator is verbonden.

Normaalgesproken laat u dit uitgeschakeld. U kunt dit aanzetten als u geluiden wilt stapelen.

Waarde : On, OFF

Keyboard Range Lower

(Lage deel Keyboard Range bereik)

Specificeert de laagste noot die de tone voor elk Part zal laten klinken.

Waarde : C – UPPER

Keyboard Range Upper

(Hoge deel Keyboard Range bereik)

Specificeert de hoogste noot die de tone voor elk Part zal laten klinken.

Waarde : LOWER-G9

Wanneer de Key Range (p.94) voor elke individuele Tone in een

Patch is ingesteld, worden geluiden geproduceerd in de reeks waar de Key Range van elke Tone en de Key Range van het Part elkaar overlappen.

fig.09-006.e

Toetsenreeks gespecificeerd voor de uitvoering

Toetsenreeks gespecificeerd voor de patch

De reeks waarbinnen noten zullen spelen

* Keyboard Range is alleen geldig voor Parts waarvan de ‘ Keyboard

Switch ’ (p.135) is ingeschakeld.

Velocity Range Lower

(lage aanslaggevoeligheid)

Specificeert voor elk Part de onderkant van de Velocity reeks.

Waarde : 1-127

Velocity Range Upper

(hoge aanslaggevoeligheid)

Specificeert voor elk Part de bovenkant van de Velocity reeks.

Waarde : 1-127

* Velocity Range is alleen geldig voor Parts waarvan de ‘ Keyboard

Switch ’ (p.135) is ingeschakeld

Wanneer de Velocity Range (p.95) voor elke individuele Tone in een Patch is ingesteld, worden geluiden geproduceerd in de reeks waar de Key Range van elke Tone en de Key Range van het Part elkaar overlappen.

135

Een Live/Studio Set creëren

Part Velocity Sens Offset

Dit verandert het volume en de cutoff frequentie van elk Part, volgens de Velocity waarmee de toetsen worden ingedrukt. Als u wilt, dat sterk gespeelde noten het volume of de cutoff frequentie verhogen, stelt u deze parameter op positieve (+) instellingen in. Als u wilt, dat sterk gespeelde noten het volume of de cutoff frequentie verlagen, gebruikt u negatieve (-) instellingen. Zet Velocity Sens op

‘0’ als u wilt dat geluiden op een vaststaand volume en met een vaststaande cutoff frequentie worden gespeeld, ongeacht de sterkte waarmee de toetsen worden gespeeld.

Waarde : -63-+63

Patches bevatten ook een Velocity Sensitivity Offset instelling

(p.91).

De ultieme Velocity Sensitivity waarde is de som van de

Velocity Sensitivity Offsets van het Part en de Patch. Bijgevolg, als de Velocity Sensitivity Offset parameter van de Patch op

‘127’(maximum) wordt ingesteld, zal er geen verandering in de

Velocity Sensitivity Offset van het Part zijn, zelfs als dit op een positieve waarde is ingesteld.

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Arpeggio Part Switch

Specificeert het Part dat de Arpeggio functie zal gebruiken.

Waarde : OFF, ON

Sample Pad Part Switch

Specificeert het Sample Pad Part.

Waarde : OFF, ON

Rhythm Pad Part Switch

Specificeert het Rhythm Pad Part.

Waarde : OFF, ON

Als u instellingen heeft gemaakt zodat geluiden apart naar de

INDIVIDUAL 1 jack en INDIVIDUAL 2 jack worden gestuurd, maar er op dat moment geen plug in de INDIVIDUAL 2 jack is gestoken, worden de geluiden die naar INDIVIDUAL 1 en

INDIVIDUAL 2 zijn gestuurd gemengd, en via de

INDIVIDUAL 1 jack worden uitgestuurd. Dit is te wijten aan op opzet van de INDIVIDUAL 1 en 2 jacks.

Als de Mix/Parallel parameter op ‘MIX’ staat, worden alle geluiden in stereo via de OUPUT A (MIX) jacks uitgestuurd

(p.294).

Chorus wordt ten alle tijden in mono uitgevoerd.

• De uitvoerbestemming van het signaal nadat het door de chorus is gegaan, wordt met de Chorus Output Select (p.152) en de

Chorus Output Assign (p.153) ingesteld.

• De uitvoerbestemming van het signaal nadat het door de reverb is gegaan, wordt met de Reverb Output Assign (p.153) ingesteld.

* EXP 1 en EXP 2 Parts zijn afhankelijk van de uitbreidingskaart die geïnstalleerd is.

* Externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part Output Level

Stelt het niveau van het signaal dat naar de uitvoerbestemming wordt gezonden in, dat met Part Output Assign is gespecificeerd.

Waarde : 0-127

* EXP 1 en EXP 2 Parts zijn afhankelijk van de uitbreidingskaart die geïnstalleerd is.

* Externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part Chorus Send Level

Stelt het niveau van het signaal in dat voor elk Part naar de chorus wordt gestuurd.

Waarde : 0-127

* Externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Output/EFX

Part Output Assign

Specificeert voor elk Part hoe het directe geluid uitgevoerd zal worden.

Waarde

A, B : uitvoer naar de OUTPUT A (MIX) jack of OUTPUT B jack in stereo, zonder door de multi-effecten te gaan.

1-4 : uitvoer naar de INDIVIDUAL 1-4 jacks in mono, zonder door de multi-effecten te gaan.

MFX1, MFX2 :

Uitvoer in stereo via multi-effecten. Alleen Studio Set.

In het geval van Parts EXP1, EXP2 :

DRY :

EXP : uitvoer zonder door de MFX van de uitbreidingskaart te gaan.

Stemt overeen met de instellingen van de uitbreidingskaart.

136

Een Live/Studio Set creëren

Part Reverb Send Level

Stelt het niveau van het signaal in dat voor elk Part naar de reverb wordt gestuurd.

Waarde : 0-127

* Externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part EFX 1 Send Level

(Expansion Part effect 1: Send Level)

Stelt het niveau van het signaal dat naar ‘EFX 1 (Effect) 1’ wordt gestuurd in, voor elk Part van de uitbreidingskaart.

Waarde : 0-127

* ‘EFX1 (Effect 1)’ is een effect op de uitbreidingskaart. De inhoud van het effect is afhankelijk van de uitbreidingskaart die geïnstalleerd is.

* Interne en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part EFX 2 Send Level

(Expansion Part effect 2: Send Level)

Stelt het niveau van het signaal dat naar ‘EFX 2 (Effect) 2’ wordt gestuurd in, voor elk Part van de uitbreidingskaart.

Waarde : 0-127

* ‘EFX2 (Effect 2)’ is een effect op de uitbreidingskaart. De inhoud van het effect is afhankelijk van de uitbreidingskaart die geïnstalleerd is.

* Interne en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Pitch

Part Octave Shift

Past de toonhoogte van het geluid van het Part aan, omhoog of omlaag in eenheden van een octaaf (+/- 3 octaven).

Waarde : -3-+3

Part Transpose

Past de toonhoogte van het geluid van het Part aan, in stappen van halve tonen, omhoog of omlaag (+/- 4 octaven)

Waarde : -5-+6

Part Coarse Tune

Past de toonhoogte van het geluid van het Part aan, in stappen van halve tonen, omhoog of omlaag (+/- 4 octaven).

Waarde : -48 - +48

* ‘EFX2 (Effect 2)’ is een effect op de uitbreidingskaart. De inhoud van het effect is afhankelijk van de uitbreidingskaart die geïnstalleerd is.

* Interne en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Coarse Tune and Octave Shift

De Coarse Tune en Fine Tune parameters, samen met de Octave

Shift parameter, doen allemaal hetzelfde met het geluid. Ze veranderen de toonhoogte van het geluid. Bijvoorbeeld, als C4

(middelste C) wordt gespeeld met de Coarse Tune parameter op ‘+12’ ingesteld, is de noot die geproduceerd wordt C5 (één octaaf boven C4). Als C4 (middelste C) bijvoorbeeld gespeeld wordt met de Octave Shift parameter op ‘+1’ ingesteld, is de geproduceerde noot C5 (één octaaf boven C4).

Intern functioneren deze echter heel anders. Als de Coarse Tune parameter op ‘+12’ staat, wordt de toonhoogte zelf een octaaf verhoogd. Aan de andere kant, als de Octave Shift parameter op

‘+1’ staat, is dat hetzelfde als de toetsen een octaaf hoger indrukken.

Met andere worden, gebruik de Coarse Tune parameter als de toonhoogte veranderd moet worden, en de Octave Shift parameter als u het gehele toetsenbord wilt verschuiven, bijvoorbeeld als het aantal toetsen onvoldoende is.

Part Fine Tune

Past de toonhoogte van het geluid van het Part aan, in stappen van 1 cent (+/- 50 cent), omhoog of omlaag.

Waarde : -50-+50

Eén cent is 1/100 ste

van een halve toon.

* EXP 1 en EXP 2 Parts zijn afhankelijk van de geïnstalleerde uitbreidingskaart.

* Interne en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

137

Een Live/Studio Set creëren

Part Pitch Bend Range

Specificeert de hoeveelheid verandering in toonhoogte in halve tonen (2 octaven), die zal optreden als de Pitch Bend hendel wordt bewogen. De hoeveelheid verandering als de hendel wordt gekanteld is voor de linker en rechterkanten op dezelfde waarde ingesteld.

Als u de Pitch Bend Range instelling van de Patch die aan het Part is toegewezen (p.96) wilt gebruiken, zet u dit op ‘PATCH’.

Waarde : 0-24, PATCH

* EXP 1 en EXP 2 Parts zijn afhankelijk van de geïnstalleerde uitbreidingskaart.

* Interne en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part Portamento Switch

Specificeer of portamento toegepast zal worden. Zet deze parameter op ‘ON’ als u portamento wilt toepassen, en op ‘OFF’ als u dat niet wilt.

Als u de Portamento Switch instelling van de Patch die aan het Part is toegewezen (p.106) wilt gebruiken, zet u dit op ‘PATCH’.

Waarde : OFF, ON, PATCH

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part Portamento Time

Wanneer portamento wordt gebruikt, specificeert dit de tijd waarbinnen de toonhoogte zal veranderen. Hogere instellingen zorgen dat de verandering in toonhoogte naar de volgende noot langer duurt.

Als u de Portamento Time instelling van de Patch die aan het Part is toegewezen (p.106) wilt gebruiken, zet u dit op ‘PATCH’.

NOTE

Deze instelling wordt genegeerd bij Parts waaraan een ritmeset is toegewezen.

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Scale Tune (deel stemming)

Part Scale Tune C–B

Maak scale-tune instellingen voor elk Part.

Waarde : -64-+63

Scale Tune wordt met de Scale Tune Switch parameter aan en uitgezet (p.196).

* EXP 1 en EXP 2 Parts zijn afhankelijk van de geïnstalleerde uitbreidingskaart.

* Interne en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Equal Temperament (gelijkzwevende stemming)

Deze stemming verdeelt het octaaf in 12 gelijke delen, en is de meest gebruikte stemmingsmethode die vandaag de dag voor

Westerse muziek wordt gebruikt. De Fantom-G is op de gelijkzwevende stemming ingesteld als de Scale Tune Switch op

‘OFF’ is ingesteld.

Just Temperament (Tonica C)

Vergeleken met gelijkzwevende stemming klinken de voornaamste drieklanken rein in deze stemming. Dit effect wordt echter bereikt in slechts één toonsoort, en de drieklanken worden onduidelijk als u transponeert.

Arabian Scale

F

F#

G

G#

A

Bb

B

C

C#

D

Eb

E

In deze stemming zijn E en B een kwartnoot lager en C#, F# en

G# een kwartnoot hoger, in vergelijking met de gelijkzwevende stemming. De intervallen tussen G en B, F en G#, Bb en C#, en

Eb en F# hebben een natuurlijke terts – het interval tussen een majeur terts en een mineur terts. Op de Fantom-G kunt u de

Arabische stemming in de drie toonsoorten G, C en F gebruiken.

<Voorbeeld>

Nootnaam

Gelijkzwevende stemming

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Just

Temperament

(tonica C)

0

-8

+4

+16

-14

-2

-10

+2

+14

-16

+14

-12

Arabische stemming

-8

+43

-4

+47

0

-10

-49

-6

+45

-2

-12

-51

138

Een Live/Studio Set creëren

Vibrato

Part Vibrato Rate

Past de vibrato snelheid van elk Part aan (de snelheid waarmee de toonhoogte wordt gemoduleerd). De toonhoogte zal sneller gemoduleerd worden met hoge instellingen, en langzamer met lage instellingen.

Waarde : -64-+63

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part Vibrato Depth

Dit past de diepte van het vibrato effect (de diepte waarmee de toonhoogte wordt gemoduleerd) van elk Part aan. De toonhoogte wordt sterker gemoduleerd bij hoge instellingen, en minder met lage instellingen.

Waarde : -64-+63

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part Vibrato Delay

Hiermee wordt de tijdsvertraging totdat het vibrato (toonhoogte modulatie) effect begint aangepast. Hoge instellingen produceren een langere delaytijd voordat het vibrato begint, terwijl lage instellingen een kortere tijd produceren.

Waarde : -64-+63

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Offset

Part Cutoff Offset

Past de cutoff frequentie van de Patch, ritmeset of Sample set, die aan een Part is toegewezen, aan.

Waarde : -64-+63

Patches hebben ook een Cutoff Offset instelling (p.90). De uiteindelijke Cutoff frequentiewaarde is de som van de Tone

Cutoff Frequentiewaarde en de Patch en Part Cutoff Offset waardes. Als de tone’s cutoff frequentie al op ‘127’ (maximum) staat, zal er geen verandering geproduceerd worden als de

Cutoff Offset op een positieve waarde wordt ingesteld.

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part Resonance Offset

Past de resonantie van de aan een Part toegewezen Patch, ritmeset of

Sample set aan.

Waarde : -64-+63

Patches hebben ook een Resonance Offset instelling (p.91). De uiteindelijke Resonance waarde is de som van de Tone

Resonance waarde en de Patch en Part Resonance Offset waardes. Als de Tone’s resonantie al op ‘127’ (maximum) staat, zal er geen verandering geproduceerd worden als de Resonance

Offset op een positieve waarde wordt ingesteld.

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part Attack Time Offset

Past de TVA/TVF Envelope Time van de aan een Part toegewezen

Patch, ritmeset of Sample set aan.

Waarde : -64-+63

Patches hebben ook een Attack Time Offset instelling (p.91). De uiteindelijke TVA Envelope Attack tijd waarde is daarom de som van de Tone’s TVA Envelope Time 1 instelling, de Attack

Time Offset van de Patch, en de Attack Time Offset van het

Part. Als de tone’s Time 1 parameter al op ‘127’(maximum) staat, zal er geen verandering geproduceerd worden als de

Attack Time Offset op een positieve waarde staat ingesteld.

Hetzelfde is op de TVF envelope van toepassing.

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part Decay Time Offset

Past de TVA/TVF Envelope Decay Time aan van de aan een Part toegewezen Patch of ritmeset.

Waarde : -64-+63

Deze instelling wordt genegeerd bij Parts waaraan een Sample set is toegewezen.

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

139

Een Live/Studio Set creëren

Part Release Time Offset

Past de TVA / TVF Envelope Release tijd van de aan een Part toegewezen Patch, ritmeset of Sample set aan.

Waarde : -64-+63

Patches hebben ook een Release Time Offset instelling (p.91). De uiteindelijke TVA Envelope release tijd waarde is daarom de som van de Tone’s TVA Envelope Time 4 instelling, de Release

Time Offset van de Patch, en de Release Time Offset van het

Part. Als de tone’s Time 4 parameter al op ‘127’(maximum) staat, zal er geen verandering geproduceerd worden in de

Release Time Offset, zelfs als dit op een positieve waarde wordt ingesteld. Hetzelfde is op de TVF envelope van toepassing.

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Mono/Poly/Legato

Part Mono/Poly

Zet deze parameter op ‘MONO’ als de aan het Part toegewezen

Patch mono gespeeld moet worden of op ‘POLY’ als de Patch polyfoon gespeeld moet worden. Als u de Mono/Poly instelling van de

Patch, toegewezen aan het Part (p.105) wilt gebruiken, zet u dit op

‘PATCH’.

Waarde : MONO, POLY, PATCH

Deze instelling wordt genegeerd bij Parts waaraan een ritmeset is toegewezen.

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

Part Legato Switch

Legato kan toegevoegd worden als u mono spelt. De term ‘legato’ verwijst naar een speelstijl waarbij noten vloeiend met elkaar worden verbonden, en een gladgestreken geheel wordt gecreëerd. Dit creëert een vloeiende overgang tussen noten, hetgeen effectief is als u de ‘hammering-on en pulling-off technieken die door een gitarist worden gebruikt wilt simuleren.

Zet deze parameter op ‘ON’ als u de Legato functie wilt gebruiken, en op ‘OFF’ als u deze niet wilt gebruiken. Om de Legato Switch instelling van de Patch, toegewezen aan het Part (p.105) wilt gebruiken, zet u dit op ‘PATCH’.

Waarde : OFF, ON, PATCH

Deze instelling wordt genegeerd bij Parts waaraan een ritmeset is toegewezen.

* EXP 1, EXP 2 en externe Parts hebben dit onderdeel niet.

140

Een Live/Studio Set creëren

Voice Reserve

Part Voice Reserve

Deze instelling specificeert het aantal stemmen dat voor elk Part gereserveerd zal worden wanneer meer dan 128 stemmen gelijktijdig gespeeld worden.

Waarde : 0-63, FULL

De instellingen van alle Parts kunnen niet hoger dan 64 worden ingesteld. Het resterende aantal beschikbare stemmen wordt bij

(rest=) weergegeven. Let op deze weergave als u Voice Reserve instellingen maakt.

Wanneer geluidstracks in een song worden gespeeld, krijgt het afspelen van geluidstracks voorrang over Voice Reserve instellingen. Dit betekent dat op het moment dat geluidstracks worden gespeeld, de polyfonie die met de Voice Reserve instellingen is gespecificeerd mogelijk niet gegarandeerd kan worden.

Het aantal stemmen in gebruik berekenen

De Fantom-G kan maximaal 128 noten gelijktijdig spelen.

De polyfonie of het aantaal stemmen (geluiden) verwijst niet alleen naar het aantal geluiden dat feitelijk gespeeld wordt, maar verandert volgens het aantal Tones dat in Patches wordt toegepast, en het aantal Waves dat in de Tones wordt gebruikt.

De volgende methode wordt gebruikt om het aantal geluiden dat voor één gespeelde Patch wordt gebruikt te berekenen.

(Aantal geluiden dat wordt gespeeld) x (aantal Tones dat door de gespeelde Patches wordt gebruikt) x (aantal Waves dat in de

Tones wordt gebruikt).

Realtime Stretch vereist twee keer de normale polyfonie.

Voice Monitor

Hier ziet u, hoe een grafische indicatie van het aantal stemmen dat door de geluidsgenerator wordt gebruikt, bekeken kan worden.

MIDI Rx Filter

Receive Program Change

(Receive Program Change Switch)

Specificeer voor elk MIDI kanaal of MIDI Program Change berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Receive Bank Select

(Receive Bank Select Switch)

Specificeer voor elk MIDI kanaal of MIDI Bank Select berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Receive Bender

(Receive Pitch Bend Switch)

Specificeer voor elk MIDI kanaal of MIDI Pitch Bend berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Receive Polyphonic Key Pressure

(Receive Polyphonic Key Pressure Switch)

Specificeer voor elk MIDI kanaal of MIDI Polyphonic Key Pressure berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Receive Channel Pressure

(Receive Channel Pressure Switch)

Specificeer voor elk MIDI kanaal of MIDI Channel Pressure berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Receive Modulation

(Receive Modulation Switch)

Specificeer voor elk MIDI kanaal of MIDI Modulatie berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Receive Volume

(Receive Volume Switch)

Specificeer voor elk MIDI kanaal of MIDI Volume berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Receive Pan

(Receive Pan Switch)

Specificeer voor elk MIDI kanaal of MIDI Pan berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Receive Expression

(Receive Expression Switch)

Specificeer voor elk MIDI kanaal of MIDI Expressie berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

Receive Hold-1

(Receive Hold 1 Switch)

Specificeer voor elk MIDI kanaal of MIDI Hold 1 berichten ontvangen zullen worden (ON) of niet (OFF).

141

Een Live/Studio Set creëren

Phase Lock (Phase Lock Switch)

Stel Phase Lock op ‘ON’ in als u wilt dat onregelmatigheden in de timing van Parts die op hetzelfde MIDI kanaal worden gespeeld onderdrukt worden.

Als de Phase Lock op ‘ON’ staat, worden Parts op hetzelfde

MIDI kanaal in een status geplaatst waarin hun timing overeenkomt, zodat deze gelijktijdig gespeeld kunnen worden.

Bijgevolg kan een bepaalde hoeveelheid tijd verstrijken tussen ontvangst van de Note berichten en het spelen van de geluiden.

Zet deze instelling alleen indien nodig op ‘ON’.

* Dit is niet van invloed op uitbreidingskaarten.

Velocity Curve Type

Velocity Curve selecteert voor elk MIDI kanaal één van de vier volgende Velocity Curve types, die het beste passen bij de aanslag van het aangesloten MIDI toetsenbord. Zet dit op ‘OFF’ als u de Velocity curve van het MIDI toetsenbord zelf gebruikt.’

Waarde : OFF, 1-4 fig.09-010

De parameter selecteren die door de Realtime

Controllers of D Beam controller wordt bestuurd

(Control Setting)

Op de Fantom-G kunnen de parameters, die beïnvloed worden als de Realtime control knoppen, toewijsbare schakelaars, D Beam, Pitch

Bend of modulatie hendel worden bediend, toegewezen worden. Op deze manier kunt u het geluid met de diverse controllers op verscheidene manieren wijzigen.

1.

Druk op [LIVE] of [STUDIO].

2.

Druk op [F4 (Control)].

Het Control Setting scherm verschijnt.

fig.09-011_50

1 2 3 4

* Dit is niet van invloed op uitbreidingskaarten.

3.

De parameters zijn in verschillende bewerkingsgroepen ondergebracht. Druk op [F1(Up)] of [F2 (Down)] om de tab van de bewerkingsgroep, die de te bewerken parameter bevat, te selecteren.

4.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de parameter die u wilt bewerken te verplaatsen.

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de gewenste waarde te verkrijgen.

6.

Herhaal stappen 3-5 om elke parameter die u wilt bewerken in te stellen.

7.

De instellingen voor de Solo Synth worden in de systeeminstellingen opgeslagen. Druk op [F7 (Sys Write)] om de Write handeling uit te voeren.

8.

De instellingen in het Control Setting scherm worden voor elke Live/Studio set individueel opgeslagen. Om de door u gemaakte veranderingen op te slaan, drukt u op[WRITE] om de Save handeling (p.148) uit te voeren. Als u de veranderingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT].

Als u naar het Play scherm terugkeert zonder op te slaan, zal het

‘ ’ symbool aan de rechterkant van de Live/Studio set naam worden weergegeven, hetgeen aanduidt dat de Patch instellingen bewerkt zijn.

De instellingen die u maakt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, van geluidsgenerator mode verandert of een ander geluid selecteert.

142

Een Live/Studio Set creëren

D Beam

D Beam Switch

Specificeert de bedieningsmode van de D Beam controller.

Waarde :

OFF : de D Beam wordt niet gebruikt.

PAD TRIGGER : Hiermee kan de D Beam controller gebruikt worden om de Pads te laten klinken, als alternatief voor het indrukken van de Pads.

SOLO SYNTH : Hiermee kan de D Beam controller als een mono synthesizer gebruikt worden.

ASSIGNABLE : de Fantom-G bestuurt de functie die u toewijst.

De parameters die in het scherm worden getoond zijn afhankelijk van de keuze die u hier maakt.

D Beam: PAD TRIGGER

In plaats van de Pads zelf in te drukken, kan de D Beam controller ook gebruikt worden om de Pads te laten klinken.

Beam Trigger Pad

Specificeert het Pad nummer waarop de D Beam van invloed is.

Waarde : Pad 1 – Pad 16

Beam Trigger Velo (Beam Trigger Velocity)

Specificeert de sterkte van het Pad geluid, dat door de D Beam controller wordt gespeeld.

Waarde : 1-127

Beam Trigger Mode

Dit specificeert hoe de D Beam zich zal gedragen wanneer deze geblokkeerd wordt. Als dit op MOMENTARY is ingesteld, zal de parameter alleen ingeschakeld zijn, terwijl de D Beam geblokkeerd wordt, en zal uitgeschakeld worden als de blokkade wordt opgeheven.

Als dit op LATCH is ingesteld zal de parameter afwisselend aan en uitgezet worden, elke keer dat de D Beam geblokkeerd wordt.

Waarde : MOMENTARY, LATCH

D Beam: SOLO SYNTH

De D Beam controller kan gebruikt worden om te functioneren op een manier die lijkt op een mono synth.

Instellingen voor de Solo Synth worden in de systeeminstellingen opgeslagen. Druk op [F7 (Sys Write)] om de opslag handeling uit te voeren.

In het scherm wordt de naam van de parameter, die met de cursor is geselecteerd, in het ‘ ’ gebied links onder in het scherm getoond. De huidige waarde van de instelling wordt hier ook weergegeven.

OSC 1/2 Waveform

Selecteert de golfvorm. SAW is een zaagtand golf, en SQR is een vierkante golf.

Waarde : SAW, SQR

OSC 1/2 Pulse Width

Specificeert de pulsbreedte van de golfvorm. Door de puls cyclisch te moduleren kunnen subtiele veranderingen in het geluid worden gecreëerd.

* De Pulse Width wordt geactiveerd als ‘SQR’ voor de OSC1/2 golfvorm is geselecteerd.

Waarde : 0-127

LFO Osc 1 Pulse Width Depth

Specificeert de diepte, waarmee de LFO de pulsbreedte van de OSC1 golfvorm zal moduleren.

* De Pulse Width wordt geactiveerd als ‘SQR’ voor de OSC1/2 golfvorm is geselecteerd.

Waarde : -63-+63

LFO Osc 2 Pulse Width Depth

Specificeert de diepte, waarmee de LFO de pulsbreedte van de OSC2 golfvorm zal moduleren.

* De Pulse Width wordt geactiveerd als ‘SQR’ voor de OSC1/2 golfvorm is geselecteerd.

Waarde : -63-+63

LFO Osc 1 Pitch Depth

Specificeert de diepte, waarmee de LFO de OSC1 toonhoogte zal moduleren.

Waarde : -63-+63

LFO Osc 2 Pitch Depth

Specificeert de diepte, waarmee de LFO de OSC2 toonhoogte zal moduleren.

Waarde : -63-+63

143

Een Live/Studio Set creëren

OSC 1/2 Coarse Tune

Past de toonhoogte van het geluid van de Tone in stappen van halve tonen omhoog of omlaag aan (+/- 4 octaven).

Waarde : -48-+48

OSC 1/2 Fine Tune

Past de toonhoogte van het geluid van de Tone aan, in stappen van 1 cent omhoog of omlaag (+/- 50 cent).

Waarde : -50-+50

OSC Sync Switch

Door deze schakelaar aan te zetten wordt een complex geluid geproduceerd met veel boventonen. Dit is effectief als de OSC1 toonhoogte hoger is dan de OSC2 toonhoogte.

Waarde : OFF, ON

OSC2 Level

Past het niveau aan.

Waarde : 0-127

Filter Type

Selecteert het type filter

OFF :

LPF :

Er wordt geen filter gebruikt.

Laagpass Filter. Dit reduceert het volume van alle frequenties boven de cutoff frequentie (Cutoff Freq) om het geluid ronder of minder helder te maken.

BPF :

HPF

PKG

:

:

Bandpass Filter. Dit laat alleen de frequenties in de regio van de cutoff frequentie in tact, en kapt de rest af.

Hoogpass Filter. Dit kapt de frequenties in de regio onder de cutoff frequentie af.

Peaking Filter. Dit benadrukt de frequenties in de regio van de cutoff frequentie.

Cutoff

Selecteert de frequentie waarop het filter een effect op de frequentie componenten van de golfvorm begint te krijgen.

Waarde : 0-127

Resonance

Benadrukt het portie geluid in de regio van de cutoff frequentie, en geeft het geluid karakter.

Waarde : 0-127

LFO Rate

Past de modulatiesnelheid van de LFO aan.

Waarde : 0-127

Range (Solo Synth Range)

Specificeert de reeks waarbinnen de toonhoogte van de solo synth zal variëren.

Waarde : 2 OCTAVES, 4 OCTAVES, 8 OCTAVES

Chorus Send Level

Stelt het niveau van het signaal dat naar de chorus wordt gestuurd in.

Waarde : 0-127

Reverb Send Level

Stelt het niveau van het signaal dat naar de reverb wordt gestuurd in.

Waarde : 0-127

Level

Stelt het volume in.

Waarde : 0-127

144

Een Live/Studio Set creëren

D Beam: ASSIGNABLE

Door een verscheidenheid aan functies aan de D Beam controller toe te wijzen, kunnen verschillende effecten in Realtime op het geluid worden toegepast.

De instellingen van de ASSIGNABLE worden voor elke Live/

Studio set individueel als onderdeel van de Live/Studio set instellingen opgeslagen. Hiermee kunnen Live/Studio sets gecreëerd worden die effectief gebruikmaken van de controller instellingen.

Type (Assignable Type)

Specificeert de functie die door de D Beam controller wordt bestuurd.

Waarde

OFF : Uit

CC01-31, CC32(OFF), 33-95 :

Control Change

AFTERTOUCH :

BEND UP :

Aftertouch

Regelt de toonhoogte zoals met de ‘Pitch

Bend Range Up’ instelling is gespecificeerd (p.96).

BEND DOWN :

ARPEGGIO ACCENT :

ARPEGGIO SHUFFLE :

Regelt de toonhoogte zoals met de ‘Pitch

Bend Range Down’ instelling is gespecificeerd (p.96).

Arpeggio accent snelheid

Arpeggio shuffle snelheid

ARPEGGIO OCT UP : de reeks waarbinnen het arpeggio klinkt zal met stappen van een octaaf hoger worden.

ARPEGGIO OCT DOWN : De reeks waarbinnen het arpeggio klinkt zal met stappen van een octaaf verlaagd worden.

Range Min (D Beam Range Lower)

Specificeer de laagste limiet van de D Beam controller reeks.

Waarde : 0-127

Range Max (D Beam Range Upper)

Specificeer de hoogste limiet van de D Beam controller reeks. Door de Range Max onder Range Min in te stellen kan de reeks van de verandering worden omgekeerd.

Waarde : 0-127

Knob

Knob Assign 1–4

Specificeert de functies die door de knoppen bestuurd zullen worden.

Waarde

OFF : Uit

CC01-31, CC32(OFF), 33-95 :

AFTERTOUCH :

Control Change

Aftertouch

PITCH BEND :

ARPEGGIO ACCENT :

Pitch Bend

Arpeggio accent snelheid

ARPEGGIO SHUFFLE

ARPEGGIO OCT UP :

: Arpeggio shuffle snelheid de reeks waarbinnen het arpeggio klinkt zal met stappen van een octaaf hoger worden.

ARPEGGIO OCT DOWN : De reeks waarbinnen het arpeggio klinkt zal met stappen van een octaaf verlaagd worden.

MASTER LEVEL : Master Level (p.293)

DIGITAL/USB INPUT LEVEL :

Digitaal/USB ingangsniveau (p.258)

* De systeeminstelling wordt gebruikt als de systeemparameter ‘ Knob

Assign Source ’ (p.289) op ‘System’ is ingesteld, en de instelling van de Live set of Studio set wordt gebruikt als dit op ‘TEMP’ is ingesteld.

Slider

Slider 1–8 Assign

Specificeert de functies die door de schuifregelaars bestuurd zullen worden.

Waarde

OFF : Uit

CC01-31, CC32(OFF), 33-95 :

Control Change

AFTERTOUCH :

PITCH BEND :

ARPEGGIO ACCENT :

ARPEGGIO SHUFFLE :

Aftertouch

Pitch Bend

Arpeggio accent snelheid

Arpeggio shuffle snelheid

ARPEGGIO OCT UP : de reeks waarbinnen het arpeggio klinkt zal met stappen van een octaaf hoger worden.

ARPEGGIO OCT DOWN : De reeks waarbinnen het arpeggio klinkt zal met stappen van een octaaf verlaagd worden.

* De systeeminstelling wordt gebruikt als de systeemparameter ‘ Slider

Assign Source ’ (p.289) op ‘System’ is ingesteld, en de instelling van de Live set of Studio set wordt gebruikt als dit op ‘TEMP’ is ingesteld.

145

Een Live/Studio Set creëren

Switch S1/S2

Switch S1/S2 Assign

Specificeert de functies die met de [S1]- en [S2]-schakelaars bestuurd zullen worden.

Waarde

Live Set: OFF, CC01 - CC31, CC32 (OFF), CC33 - CC95,

AFTERTOUCH, MONO/POLY, PFX SWITCH,

MFX SWITCH, RESERVE, CHORUS SWITCH,

REVERB SWITCH, MASTERING SWITCH,

MASTER KEY UP, MASTER KEY DOWN,

SCALE TUNE SWITCH

Studio Set: OFF, CC01 - CC31, CC32 (OFF), CC33 - CC95,

AFTERTOUCH, MONO/POLY, PFX SWITCH,

MFX1 SWITCH, MFX2 SWITCH,

CHORUS SWITCH, REVERB SWITCH,

MASTERING SWITCH, MASTER KEY UP,

MASTER KEY DOWN, SCALE TUNE SWITCH

Switch S1/S2 Assign Mode

Bepaalt de werking van de [S1]- en [S2]-schakelaars: LATCH of

MOMENTARY.

Waarde

LATCH : De aan/uit status wisselt af, elke keer dat [S1]/[S2] wordt ingedrukt.

MOMENTARY : De status is alleen aan als [S1]/[S2] ingedrukt wordt gehouden.

Arpeggio

Arpeggio Switch

Zet de Arpeggio functie (p.78) aan/uit.

Waarde : ON, OFF

Arpeggio Hold

Zet de Arpeggio Hold functie (p.78) aan/uit.

Waarde : ON, OFF

Arpeggio Number

Specificeert het arpeggio nummer.

Waarde : 001-128

Arpeggio Part Group

Selecteert de Part groep die de Arpeggio functie zal gebruiken: intern (INT), uitbreidingskaart 1 (EXP1), uitbreidingskaart 2 (EXP2) of externe MIDI uitvoer (EXT).

Waarde : INT, EXP1, EXP2, EXT

Arpeggio Part Number

Specificeert het Part dat de Arpeggio functie zal gebruiken.

Waarde : Part1-16

Chord Memory

Chord Switch

Zet de Chord Memory functie (p.80) aan/uit.

Waarde : ON, OFF

Chord Form

Specificeert de akkoordvorm (p.80).

Waarde : 001-128

Rolled Chord

Zet de Rolled Chord functie (p.81) aan/uit.

Waarde : ON, OFF

Rolled Chord Type

Specificeert het Rolled Chord type (p.81).

Waarde

UP :

DOWN :

Noten klinken van beneden naar boven.

Noten klinken van boven naar beneden.

ALTERNATE : de volgorde waarin noten klinken wordt elke keer dat u het toetsenbord bespeelt veranderd.

L-DOWN : de laagste noot klinkt eerst, en dan klinken noten van boven naar de beneden.

U-UP :

* Als C E G B wordt ingedrukt, klinken de noten als C B

G E de hoogste noot klinkt eerst, en dan worden noten van beneden naar boven gespeeld.

* Als C E G B wordt ingedrukt, klinken de noten als C B

G E

Dynamic Pad

Rhythm Pad Part Group

Selecteert de Rhythm Pad Part groep: intern (INT), uitbreidingskaart

1 (EXP1), uitbreidingskaart 2 (EXP2) of externe MIDI uitvoer (EXT).

Waarde : INT, EXP1, EXP2, EXT

Rhythm Pad Part Number

Specificeert het Rhythm Pad Part.

Waarde : Part1-16

Sample Pad Part Number

Specificeert het Sample Pad Part.

Waarde : Part1-16

146

Een Live/Studio Set creëren

Ctrl Switch

Controller Switch aan/uit instellingen kunnen voor elk Part veranderd worden.

De F-toetsen kunnen gebruikt worden om de weergegeven Part groep te veranderen.

F-toets

F3 Internal

F4 EXP 1

F5 EXP 2

F6 External

Uitleg

Intern (interne geluidsgenerator)

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Externe MIDI uitvoer

De instellingen van de Patch die aan een Part is toegewezen veranderen

Wanneer Patches in de Live/Studio Mode worden gebruikt, worden sommige instellingen, zoals de effectinstellingen, door de Live/Studio Set instellingen beïnvloed. Als u een Patch wilt bewerken, terwijl u luistert hoe deze in de Live/Studio Set klinkt, gebruikt u deze procedure:

* Hier wordt uitgelegd, hoe de instelling van een aan een Part toegewezen Patch veranderd kan worden. De procedure voor het veranderen van ritmesets of Sample sets is hetzelfde. Waar ‘Patch’ in een zin wordt genoemd, vervangt u dit door ‘ritmeset’ of ‘Sample set’.

1.

Zorg, dat de Live Mode (of Studio Mode) is geselecteerd.

2.

Druk twee keer op [PATCH].

In het scherm wordt de naam van de parameter, die met de cursor is geselecteerd, in het ‘ ’ gebied links onder in het scherm getoond. De huidige waarde van de instelling wordt hier ook weergegeven.

Control Bender (Control Pitch Bend Switch)

Specificeer voor elk Part of MIDI Pitch Bend berichten verzonden zullen worden (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON

Control Aftertouch (Control Aftertouch Switch)

Specificeer voor elk Part of MIDI Aftertouch berichten verzonden zullen worden (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON

Control Modulation

(Control Modulation Switch)

Specificeer voor ieder Part of MIDI Modulatie berichten verzonden zullen worden (ON) of niet (OFF).

Waarde: OFF, ON

Control Hold Pedal (Control Hold Pedal Switch)

Specificeer voor elk Part of control berichten van een pedaal, dat op de HOLD PEDAL jacks is aangesloten, verzonden zullen worden

(ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON

Control Pedal 1, 2 (Control Pedal 1, 2 Switch)

Voor elk Part kunt u specificeren of control berichten van een pedaal, dat op de CONTROL PEDAL 1, 2 jacks is aangesloten, verzonden zullen worden (ON) of niet (OFF).

Waarde : OFF, ON

De Patch die aan het Part is toegewezen wordt in het Patch Pro

Edit scherm getoond.

fig.09-020_50

3.

De rest van de procedure is hetzelfde als die voor het aanbrengen van veranderingen in Single Mode (p.84).

147

Een Live/Studio Set creëren

Live/Studio Set instellingen initialiseren (Init)

‘Initialiseren’ betekent de instellingen van het huidig geselecteerde geluid op een standaard set waardes terugzetten.

De Initialize handeling is alleen van invloed op het huidig geselecteerde geluid. De geluiden die in het User geheugen zijn opgeslagen worden hierdoor niet beïnvloed. Om alle instellingen van de Fantom-G in de fabriekswaardes terug te zetten, voert u een Factory Reset uit (p.280).

1.

Selecteer de Live/Studio Set die u wilt initialiseren.

2.

Druk op [F2 (Utility)].

3.

Druk op [F6 (Initialize)].

Het Live/Studio Set Initialize Menu venster verschijnt.

4.

Druk op

• Default :

of

• Sound Control :

om het initialisatie type te selecteren.

Stelt de op dat moment geselecteerde

Live/Studio Set in het tijdelijke geheugen op de standaard waardes in.

Gebruik deze instelling als u geluiden helemaal vanuit niets wilt creëren.

initialiseert de waardes van de volgende

Part parameters. Cutoff Offset,

Resonance Offset, Attack Time Offset,

Release Time Offset, Decay Time Offset,

Vibrato Rate, Vibrato Depth, Vibrato

Delay

5.

Druk op [F8 (Select)].

In een bericht wordt om bevestiging gevraagd.

6.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Om te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Een door u gecreëerde Live/

Studio Set opslaan (Write)

De instellingen die u bewerkt zijn tijdelijk, en zullen verloren gaan als u de stroom uitzet, van geluidsgenerator mode verandert of een ander geluid selecteert. Als u het gewijzigde geluid wilt behouden, moet dit in de User bank worden opgeslagen.

Als de instellingen van een Live/Studio set worden gewijzigd, wordt ‘ ’ in het Play scherm getoond. Nadat de Live/Studio Set in het User gebied is opgeslagen, verdwijnt de ‘ ’ indicatie.

Als een opslagprocedure wordt uitgevoerd, zal data die zich in de opslagbestemming bevindt verloren gaan.

1.

Zorg, dat de Live/Studio Set die u wilt opslaan geselecteerd is.

2.

Druk op [WRITE].

Het WRITE MENU scherm verschijnt.

3.

Selecteer ‘Live Set/Studio set’.

U kunt ook de cursor of of gebruiken om ‘Live Set/

Studio set’ te selecteren, en dan op [F8 (select)] drukken.

Het Live Set/Studio Set Name venster verschijnt.

fig.09-022_50

4.

Geef de Live/Studio Set een naam.

Voor details over het toewijzen van een naam, zie ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

148

5.

Wanneer de naam is ingevoerd, drukt u op [F8 (OK)].

Een scherm verschijnt, waarin de Live/Studio Set, die als opslagbestemming dient, geselecteerd kan worden.

6.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om het Live/Studio Set nummer te selecteren.

7.

Druk op [F8 (Write)].

In een bericht wordt om bevestiging gevraagd.

Zet de Fantom-G nooit uit, terwijl data wordt opgeslagen.

8.

Druk op [F7 (OK)] om de opslag handeling uit te voeren.

Om de handeling te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Wanneer de instellingen van de Patch, ritmeset of Sample set die aan een

Part in een Live/Studio Set zijn toegewezen worden veranderd

Als een Patch, ritmeset of Sample set die aan een Part in een Live/

Studio Set is toegewezen bewerkt is, en u dan de Live/Studio Set probeert op te slaan, zonder de bewerkte Patch, ritmeset of Sample set eerst op te slaan, verschijnt het volgende bericht:

Edited Patch, rhythm set or Sample set will be discard,

Are you sure?

In dit soort gevallen slaat u de Patches en ritmesets eerst op, en dan slaat u de Live/Studio set op.

Een Live/Studio Set creëren

149

Effecten toevoegen

In deze sectie worden de procedures en instellingen voor het toepassen van effecten in elke mode uitgelegd.

Voor details over de ingebouwde effecten van de Fantom-G kijkt u bij ‘ Over de interne effecten ’ (p.36).

Waar effectinstellingen worden opgeslagen

Effectinstellingen worden opgeslagen in de locaties die in onderstaande illustratie worden getoond. Als u de effectinstellingen wilt opslaan, drukt u op de [WRITE] knop, en slaat u deze in de Patch,

Live Set, Studio Set of het systeem op.

Single Mode

Keyboard part

Patch

PFX Chorus Reverb

Sample Pad part

Sample Set

PFX

Rhythm Pad part

Rhythm Set

PFX

System

MFX 1

Mastering

Input Fx

Effecten aan en uitzetten

De ingebouwde effecten van de Fantom-G kunnen aan en uitgezet worden. Zet deze instellingen uit (OFF) als u het niet bewerkte geluid tijdens het creëren van een geluid wilt beluisteren of als u externe effectprocessors wilt gebruiken in plaats van de ingebouwde effecten.

1.

Druk op [EFFECTS (ROUTING)] om naar het Effecten scherm te gaan.

fig.22-001_50

2.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de schakelaar van elk effect te verplaatsen, en draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de schakelaar aan of uit te zetten.

fig.22-002_50

Live Mode

Live Set

Part 1

Patch

PFX

System

MFX 1

Mastering

Input Fx

Een effect kiezen voor de externe audio-ingang of een audio track

Het Routing diagram kan veranderd worden door in het Part Group veld aan de VALUE draaiknop te draaien of [INC] [DEC] te gebruiken.

Chorus Reverb

Studio Mode

Studio Set

Part 1

Patch

PFX

MFX 1

MFX 2

Chorus

Reverb

Mastering

Input Fx

Part Groep

Internal

EXP 1

EXP 2

Audio Trk

Input

Uitleg

Intern (interne geluidsgenerator)

Uitbreidingskaart 1

Uitbreidingskaart 2

Geluidstracks

Geluidsinvoer

U kunt van Part-groep veranderen door [SHIFT] ingedrukt te houden en op of te drukken.

150

Effecten toevoegen

De Pads gebruiken om effecten aan/ uit te zetten

U kunt de Pads gebruiken om elk effect direct aan en uit te zetten. De procedure vindt u op de volgende pagina’s.

‘ 11 EFFECT SW (De Pads gebruiken om van effect te veranderen) ’

‘ 12 PATCH MFX SW (De Pads gebruiken om van Multi-effect te veranderen) ’ (p.199)

Effectinstellingen maken

1.

In de geschikte mode selecteert u het geluid waarop u effecten wilt toepassen.

2.

Druk op [EFFECTS (ROUTING)] om naar het Effecten scherm te gaan.

3.

Druk op één van de [F1 (Routing)]-[F7 (Mastering)] tabs om het effect dat u wilt bewerken te selecteren.

fig.22-001_50

Effecten toepassen in Single Mode

In de Single mode kunt u Patch FX (PFX), chorus, en reverb gebruiken. Deze effecten werken volgens de effectinstellingen van de

Patch, ritmeset of Sample set die aan het keyboard Part is toegewezen.

‘ Specificeren hoe het geluid wordt uitgevoerd (Routing) ’

(p.151).

Bovendien kan een multi-effect (MFX 1) op de externe geluidsuitvoer of geluidstracks worden toegepast.

‘ Het effect dat op de externe geluidsuitvoer of een geluidstrack wordt toegepast Specificeren ’ (p.150).

Effecten toepassen in Live Mode

In de Live Mode kunnen Patch FX (PFX), chorus, en reverb gebruikt worden.

Deze effecten werken volgens de effectinstellingen van de Live Set.

‘ Specificeren hoe het geluid wordt uitgevoerd (Routing) ’

(p.151).

Bovendien kan een multi-effect (MFX 1) op de externe geluidsuitvoer of geluidstracks worden toegepast.

‘ Het effect dat op de externe geluidsuitvoer of een geluidstrack wordt toegepast Specificeren ’ (p.150).

Specificeren hoe een geluid wordt uitgevoerd (Routing)

Hier kunnen algemene instellingen voor effecten worden gemaakt, en kan de uitvoerbestemming en het niveau van elk signaal worden ingesteld.

4.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de parameter die u wilt wijzigen te verplaatsen.

5.

Draai aan de VALUE draaiknop of druk op [INC] [DEC] om de gewenste waarde te verkrijgen.

6.

Druk op [EXIT] om naar het vorige scherm terug te keren.

F-toets handelingen in het effect scherm:

F-toets

F1

Routing

F2

PFX

F3

MFX 1

F4

MFX 2

F5

Chorus

F6

Reverb

F7

Mastering

F8

Exit

Uitleg

Routing bewerkingsscherm

Patch multieffect scherm

MFX 1 bewerkingsscherm

MFX 2 bewerkingsscherm

Chorus bewerkingsscherm

Reverb bewerkingsscherm

Mastering bewerkingsscherm

Keert naar het vorige scherm terug pag.

p. 151 p. 154 p. 157 p. 158 p. 158 p. 159 p. 159 p. 160

Voor details van deze instellingen, zie ‘ Effectinstellingen maken ’

(p.151).

In dit scherm wordt de naam van de parameter die met de cursor wordt geselecteerd in het ‘ ’ gebied links onder in het scherm getoond. De waarde van de huidige instellingen wordt hier ook getoond.

151

Effecten toevoegen

Signaalstroom diagram en parameters

fig.22-005

1

2

5

7

6

8

11 12

13

3

4

9

10

16

14

15

19 20 21

18

17

23

22

24 25

In de Single mode en Live mode worden MFX 1 (multi-effecten) alleen op de externe uitvoer of op geluidstracks toegepast, en worden om die reden niet in het interne routing diagram getoond.

1

Tone Select

Selecteer de Tone waarvoor u instellingen wilt maken.

Waarde : ALL, 1-4

Deze parameter is Rhythm Key Select wanneer een ritmeset is geselecteerd. U kunt de Rhythm Tone (A0-C8) waarvoor u instellingen wilt maken selecteren.

2

Tone Output Level

Stel het niveau van het signaal dat naar de uitvoerbestemming wordt gestuurd in, die met Output Assign is gespecificeerd.

Waarde : 0-127

3

Tone Chorus Send Level

Stelt voor elke Tone het niveau dat naar de chorus wordt gestuurd in.

Waarde : 0-127

4

Tone Reverb Send Level

Stelt voor elke Tone het niveau dat naar de reverb wordt gestuurd in.

Waarde : 0-127

5

Tone Output Assign

Specificeert hoe het directe geluid van elke tone wordt uitgevoerd.

Waarde :

PFX :

DRY : uitvoer via Patch multi-effecten (PFX).

uitvoer zonder door de Patch multi-effecten (PFX) te gaan

PFX Sw

Zet het Patch multi-effect (PFX) aan/uit.

Waarde : ON, OFF

7

PFX Type (Patch Multi-Effects Type)

Gebruik deze parameter om uit de 76 beschikbare Patch multieffecten te kiezen. Details over Patch multi-effect parameters vindt u bij ‘MFX/PFX Parameter’ (p.161).

Waarde : 0 (tot)-76

8

PFX Output Level

(Patch Multi-Effects Output Level)

Past het volume van het geluid dat door de Patch multi-effecten is gegaan aan.

Waarde : 0-127

9

PFX Chorus Send Level

(Patch Multi-Effects Chorus Send Level)

Past de hoeveelheid chorus voor het geluid dat door de Patch multi-effecten is gegaan aan. Als u het chorus effect niet wilt toepassen, zet u dit op ‘0’.

Waarde : 0-127

10

PFX Reverb Send Level

(Patch Multi-Effects Reverb Send Level)

Past de hoeveelheid reverb voor het geluid dat door de Patch multi-effecten is gegaan aan. Als u het reverb effect niet wilt toepassen, zet u dit op ‘0’.

Waarde : 0-127

11

Patch Level

Past het volume van de Patch aan.

Waarde : 0-127

12

Part Level

Past het volume van het Part aan.

Waarde : 0-127

13

Part Output Level

Stelt het niveau van het signaal dat naar de uitvoerbestemming wordt gestuurd in, dat met Part Output Assign is gekozen.

Waarde : 0-127

14

Part Chorus Send Level

Stelt voor elk Part het niveau van het signaal dat naar de chorus wordt gestuurd in. Als u het Chorus effect niet wilt toepassen, zet u dit op ‘0’.

Waarde : 0-127

15

Part Reverb Send Level

Stelt voor elk Part het niveau van het signaal dat naar de reverb wordt gestuurd in. Als u het Reverb effect niet wilt toepassen, zet u dit op ‘0’.

152

Effecten toevoegen

Waarde : 0-127

16

Part Output Assign

Specificeert voor elk Part hoe het directe geluid wordt uitgevoerd.

Waarde :

A, B :

1-4 : uitvoer naar de OUTPUT A (MIX) jack of OUTPUT B jack in stereo, zonder door de multi-effecten te gaan.

Uitvoer naar de INDIVIDUAL 1-4 jacks in mono, zonder door de multi-effecten te gaan.

Als u instellingen heeft gemaakt dat geluid apart naar de

INDIVIDUAL 1 jack en INDIVIDUAL 2 jack worden gestuurd, maar er geen plug in de INDIVIDUAL 2 jack is gestoken, worden de geluiden die naar de INDIVIDUAL 1 jack en

INDIVIDUAL 2 jack worden gestuurd gemengd worden, en via de INDIVIDUAL 1 jack worden uitgestuurd.

Als de Mix/Parallel parameter op ‘MIX’ staat, worden alle geluiden in stereo via de OUTPUT A (MIX) jacks uitgestuurd

(p.294).

17

Chorus Sw

Schakelt de chorus in/uit.

Waarde : ON, OFF

18

Chorus Type

Selecteert chorus of delay. Details over Chorus parameters vindt u bij ‘ Chorus Parameters ’ (p.184).

Waarde : 0 (Off)-3 (GM2 Chorus)

19

Chorus Level

Past het volume van het geluid dat door de chorus is gegaan aan.

Waarde : 0-127

20

Chorus Output Select

Specificeert hoe geluid dat door de chorus wordt gestuurd uitgevoerd zal worden.

Waarde

MAIN :

REV :

M+R : uitvoer naar de OUTPUT jacks in stereo uitvoer naar reverb in mono uitvoer naar de OUTPUT jack in stereo, en naar reverb in mono

Ingesteld op ‘MAIN’ of ‘M + R’, wordt de OUTPUT jack, via welke het geluid wordt uitgestuurd, met Chorus Output Assign ingesteld.

21

Chorus Output Assign

Selecteert het paar OUTPUT jacks waarnaar het chorus geluid wordt gestuurd als Chorus Output Select op ‘MAIN’ of ‘M + R’ is ingesteld.

Waarde

A :

B : uitvoer naar de OUTPUT A (MIX) jacks in stereo.

uitvoer naar de OUTPUT B jacks in stereo.

Als Chorus Output Select op ‘REV’ is ingesteld, heeft deze instelling geen effect.

Als de Mix/Parallel parameter op ‘MIX’ staat, worden alle geluiden in stereo via de OUTPUT A (MIX) jacks uitgevoerd

(p.294).

22

Reverb Sw

Schakelt de reverb in/uit.

Waarde : ON, OFF

Reverb Type

Selecteert chorus of delay. Details over Reverb parameters vindt u bij ‘ Reverb Parameters ’ (p.185).

Waarde : 0 (Off)-10 (CHURCH)

24

Reverb Level

Past het volume van het geluid dat door de reverb is gegaan aan.

Waarde : 0-127

25

Reverb Output Assign

Specificeert hoe het geluid dat door de reverb wordt gestuurd wordt uitgevoerd.

Waarde

A :

B : uitvoer naar de OUTPUT A (MIX) jacks in stereo.

uitvoer naar de OUTPUT B jacks in stereo.

Als de Mix/Parallel parameter op ‘MIX’ staat, worden alle geluiden in stereo via de OUTPUT A (MIX) jacks uitgevoerd

(p.294).

153

Effecten toevoegen

Effecten toepassen in de

Studio Mode

In de Studio Mode kunnen twee multi-effecten (MFX1, MFX2), één chorus, en één reverb gebruikt worden.

Deze effecten werken volgens de effectinstellingen van de Studio Set.

Specificeren hoe het geluid wordt uitgevoerd (Routing)

Hier kunnen algemene instellingen voor effecten gemaakt worden, en de uitvoerbestemming en het niveau van elk signaal kan hier ingesteld worden.

fig.22-006.eps_50

Signaalstroom diagram en parameters

fig.22-007

1

3

4

2

5

7

6

8

11

9

10

12

13 20

16

19

18

19

18

20

21

21

14

15

17

23

22

23

25

24

26 27

30

29

31 32

22

28

Details van deze instellingen vindt u bij ‘ Effectinstellingen maken ’ (p.151).

In dit scherm wordt de naam van de parameter die met de cursor wordt geselecteerd in het ‘ ’ gebied links onder in het scherm getoond. De waarde van de huidige instellingen wordt hier ook getoond.

1

Tone Select

Selecteer de Tone waarvoor u instellingen wilt maken.

Waarde : ALL, 1-4

Deze parameter is Rhythm Key Select wanneer een ritmeset is geselecteerd. U kunt de Rhythm Tone (A0-C8) waarvoor u instellingen wilt maken selecteren.

2

Tone Output Level

Stel het niveau van het signaal dat naar de uitvoerbestemming wordt gestuurd in, die met Output Assign is gespecificeerd.

Waarde : 0-127

3

Tone Chorus Send Level

Stelt voor elke Tone het niveau dat naar de chorus wordt gestuurd in.

Waarde : 0-127

4

Tone Reverb Send Level

Stelt voor elke Tone het niveau dat naar de reverb wordt gestuurd in.

Waarde : 0-127

5

Tone Output Assign

Specificeert hoe het directe geluid van elke tone wordt uitgevoerd.

Waarde :

PFX :

DRY: uitvoer via Patch multi-effecten (PFX).

uitvoer zonder door de Patch multi-effecten (PFX) te gaan.

PFX Sw (Patch Multi-Effects Switch)

Zet het Patch multi-effect (PFX) aan/uit.

Waarde : ON, OFF

7

PFX Type (Patch Multi-Effects Type)

Gebruik deze parameter om uit de 76 beschikbare Patch multi-

154

Effecten toevoegen

effecten te kiezen. Details over Patch multi-effect parameters vindt u bij ‘ MFX/PFX Parameter ’ (p.161).

Waarde : 0 (tot)-76

8

PFX Output Level

(Patch Multi-Effects Output Level)

Past het volume van het geluid dat door de Patch multi-effecten is gegaan aan.

Waarde : 0-127

9

PFX Chorus Send Level

(Patch Multi-Effects Chorus Send Level)

Past de hoeveelheid chorus voor het geluid dat door de Patch multi-effecten is gegaan aan. Als u het chorus effect niet wilt toepassen, zet u dit op ‘0’.

Waarde : 0-127

10

PFX Reverb Send Level

(Patch Multi-Effects Reverb Send Level)

Past de hoeveelheid reverb voor het geluid dat door de Patch multi-effecten is gegaan aan. Als u het reverb effect niet wilt toepassen, zet u dit op ‘0’.

Waarde : 0-127

11

Patch Level

Past het volume van de Patch aan.

Waarde : 0-127

12

Part Level

Past het volume van het Part aan.

Waarde : 0-127

13

Part Output Level

Stelt het niveau van het signaal dat naar de uitvoerbestemming wordt gestuurd in, dat met Part Output Assign is gekozen.

Waarde : 0-127

14

Part Chorus Send Level

Stelt voor elk Part het niveau van het signaal dat naar de chorus wordt gestuurd in. Als u het Chorus effect niet wilt toepassen, zet u dit op ‘0’.

Waarde : 0-127

15

Part Reverb Send Level

Stelt voor elk Part het niveau van het signaal dat naar de reverb wordt gestuurd in. Als u het Reverb effect niet wilt toepassen, zet u dit op ‘0’.

Waarde : 0-127

16

Part MFX Select

Specificeert of MFX niet gebruikt wordt of welke van de twee multi-effecten gebruikt zal worden/

Waarde : DRY, MFX-1-MFX2

17

Part Output Assign

Specificeert voor elk Part hoe het directe geluid wordt uitgevoerd. Dit is alleen beschikbaar als Part MFX Select op

DRY is ingesteld.

Waarde :

A, B :

1-4 : uitvoer naar de OUTPUT A (MIX) jack of OUTPUT B jack in stereo, zonder door de multi-effecten te gaan.

uitvoer naar de INDIVIDUAL 1-4 jacks in mono, zonder door de multi-effecten te gaan.

Als u instellingen heeft gemaakt dat geluid apart naar de

INDIVIDUAL 1 jack en INDIVIDUAL 2 jack worden gestuurd, maar er geen plug in de INDIVIDUAL 2 jack is gestoken, worden de geluiden die naar de INDIVIDUAL 1 jack en

INDIVIDUAL 2 jack worden gestuurd gemengd worden, en via de INDIVIDUAL 1 jack worden uitgestuurd.

Als de Mix/Parallel parameter op ‘MIX’ staat, worden alle geluiden in stereo via de OUTPUT A (MIX) jacks uitgestuurd

(p.294).

18

MFX Sw (Multi-Effects Switch)

Zet het multi-effect aan/uit.

Waarde : ON, OFF

19

MFX Type (Multi-Effects Type)

Gebruik deze parameter om uit de 78 beschikbare multi-effecten te kiezen. Details met betrekking tot multi-effect parameters vindt u bij ‘ MFX/PFX Parameters ’ (p.161).

Waarde : 0 (tot)-78

20

MFX Output Level

(Multi-Effects Output Level)

Past het volume van het geluid dat door de multi-effecten is gegaan aan.

Waarde : 0-127

21

MFX Chorus Send Level

(Multi-Effects Chorus Send Level)

Past de hoeveelheid chorus voor het geluid dat door de multieffecten is gegaan aan. Als u het Chorus effect niet wilt toepassen, zet u dit op ‘0’.

Waarde : 0-127

22

MFX Reverb Send Level

(Multi-Effects Reverb Send Level)

Past de hoeveelheid reverb voor het geluid dat door de multieffecten is gegaan aan. Als u het Reverb effect niet wilt toepassen, zet u dit op ‘0’.

Waarde : 0-127

155

Effecten toevoegen

MFX Output Assign

(Multi-Effects Output Assign)

Past de uitvoerbestemming van het geluid dat door de multieffecten is gegaan aan.

Waarde

A:

B: uitvoer naar de OUITPUT A (MIC) jacks in stereo.

uitvoer naar de OUTPUT B jacks in stereo.

Als de Mix/Parallel parameter op ‘MIX’ is ingesteld, worden alle geluiden via de OUTPUT A (MIX) jacks in stereo uitgestuurd (p.294).

24

Chorus Sw

Schakelt de chorus in/uit.

Waarde : ON, OFF

25

Chorus Type

Selecteert chorus of delay. Details over Chorus parameters vindt u bij ‘ Chorus Parameters ’ (p.184).

Waarde : 0 (Off)-3 (GM2 Chorus)

26

Chorus Level

Past het volume van het geluid dat door de chorus is gegaan aan.

Waarde : 0-127

27

Chorus Output Select

Specificeert hoe geluid dat door de chorus wordt gestuurd uitgevoerd zal worden.

Waarde

MAIN :

REV :

M+R : uitvoer naar de OUTPUT jacks in stereo uitvoer naar reverb in mono uitvoer naar de OUTPUT jack in stereo, en naar reverb in mono

Ingesteld op ‘MAIN’ of ‘M + R’, wordt de OUTPUT jack, via welke het geluid wordt uitgestuurd, met Chorus Output Assign ingesteld.

28

Chorus Output Assign

Selecteert het paar OUTPUT jacks waarnaar het chorus geluid wordt gestuurd als Chorus Output Select op ‘MAIN’ of ‘M + R’ is ingesteld.

Waarde

A :

B : uitvoer naar de OUTPUT A (MIX) jacks in stereo.

uitvoer naar de OUTPUT B jacks in stereo.

Als Chorus Output Select op ‘REV’ is ingesteld, heeft deze instelling geen effect.

Als de Mix/Parallel parameter op ‘MIX’ staat, worden alle geluiden in stereo via de OUTPUT A (MIX) jacks uitgevoerd

(p.294).

29

Reverb Sw

Schakelt de reverb in/uit.

Waarde : ON, OFF

30

Reverb Type

Selecteert chorus of delay. Details over Reverb parameters vindt u bij ‘ Reverb Parameters ’ (p.185).

Waarde : 0 (Off)-10 (CHURCH)

31

Reverb Level

Past het volume van het geluid dat door de reverb is gegaan aan.

Waarde : 0-127

32

Reverb Output Assign

Specificeert hoe het geluid dat door de reverb wordt gestuurd wordt uitgevoerd.

Waarde

A :

B : uitvoer naar de OUTPUT A (MIX) jacks in stereo.

uitvoer naar de OUTPUT B jacks in stereo.

Als de Mix/Parallel parameter op ‘MIX’ staat, worden alle geluiden in stereo via de OUTPUT A (MIX) jacks uitgevoerd

(p.294).

156

Effecten toevoegen

Patch Multi-Effect instellingen maken (PFX)

fig.22-008_50

Details met betrekking tot deze instellingen vindt u bij

‘ Effectinstellingen maken ’ (p.151).

PFX (Patch Multi-Effects)

Type (Patch Multi-Effects Type)

Gebruik deze parameter om uit de 76 beschikbare Patch multieffecten te kiezen. Voor details van Patch multi-effect parameters, zie

‘ MFX/PFX Parameter ’ (p.161).

Waarde : 00: Thru-76

In dit instellingsscherm kunnen de parameters van het Patch multieffect, dat met de Patch Multi-Effects Type instelling is geselecteerd, bewerkt worden. Meer over de parameters die bewerkt kunnen worden vindt u bij ‘ MFX/PFX Parameter ’ (p.161).

Met Patch multi-effect instellingen kunt u de Realtime Control knoppen gebruiken om maximaal vier vooraf gespecificeerde parameters voor elk multi-effect te bewerken.

Parameters gemarkeerd met kunnen als een bestemmingsparameter voor Patch multi-effect control geselecteerd worden (p.157).

PFX Control

Source 1–4 (Multi-Effects Control Source 1–4)

Stelt het MIDI bericht in, dat gebruikt wordt om de multi-effect parameter met de multi-effect control te veranderen.

Waarde

OFF : Multi-effect control wordt niet gebruikt.

CC01-31, CC32(OFF), 33-95 :

PITCH BEND :

Control Change

Pitch Bend

AFTERTOUCH : Aftertouch

SYS CTRL1-SYS CTRL4 : MIDI berichten die als algemene multieffect regelaars worden gebruikt.

Als u de algemene controllers voor de gehele Fantom-G wilt gebruiken, selecteert u ‘SYS CTRL 1’- ‘SYS CTRL 4’. MIDI berichten die als System Control 1-4 worden gebruikt, worden met de Sys Ctrl 1-4 Source parameters (p.297) ingesteld.

In Patch/ritme set/Sample set zijn parameters die voor elke

Tone/Rhythm Tone bepalen of Pitch Bend, Controller Number

11 (Expression), en Controller Number 64 (Hold 1) ontvangen worden (p.108). Als deze instellingen op ‘ON’ staan, en de MIDI berichten ontvangen worden, zullen de Pitch Bend, Expression, en Hold 1 instellingen ook gelijktijdig veranderen wanneer een verandering in de instellingen van de gewenste parameter wordt aangebracht. Indien u alleen de beoogde parameters wilt veranderen, zet u deze op ‘OFF’.

• Live Mode en Studio Mode bieden parameters waarmee gespecificeerd kan worden of specifieke MIDI berichten voor elk MIDI kanaal ontvangen zullen worden. Wanneer multieffect control wordt gebruikt, zorgt u dat MIDI berichten die u gebruikt ontvangen kunnen worden. Wanneer de ontvangst van MIDI berichten is uitgeschakeld, zal de multi-effect control niet werken.

Destination 1–4

(Multi-Effects Control Destination 1–4)

Stelt de multi-effect parameters in, die met de multi-effect control bestuurd worden. De multi-effect parameters doe beschikbaar zijn voor besturing, zijn afhankelijk van het multi-effect type. Voor details, zie ‘ MFX/PFX Parameter ’ (p.161).

157

Effecten toevoegen

Sens 1–4 (Multi-Effects Control Sensitivity 1–4)

Stelt de hoeveelheid van het multi-effect control effect dat wordt toegepast in. Om de huidig geselecteerde waarde te laten toenemen (om hogere waardes te verkrijgen, naar rechts te bewegen, snelheden toe te laten nemen, enz.), selecteert u een positieve waarde. Om de huidig geselecteerde waarde te laten afnemen (om lagere waardes te verkrijgen, naar links te bewegen, snelheden te laten afnemen, enz.), selecteert u een negatieve waarde. Bij zowel positieve als negatieve waardes kunnen bij grotere absolute waardes grotere veranderingen gemaakt worden. Stel dit op ‘0’in als u het effect niet wilt toepassen.

Waarde : -63-+63

Multi-Effects Control

Als u het volume van multi-effect geluiden, de delay tijd van

Delay en dergelijke met gebruik van een extern MIDI apparaat wilt veranderen, zouden System Exclusive berichten – MIDI berichten, die exclusief voor de Fantom-G zijn ontworpen, verzonden moeten worden. System Exclusive berichten zijn echter gecompliceerd, en de hoeveelheid data die verzonden moet worden kan erg groot worden.

Daarom is een aantal van de meer typische multi-effect parameters van de Fantom-G zo gemaakt dat deze het gebruik van

Control Change (of andere) MIDI berichten accepteren, om veranderingen in hun waardes te maken. U kunt de Pitch Bend hendel bijvoorbeeld gebruiken om de hoeveelheid vervorming te veranderen of de aanslag op het toetsenbord gebruiken om de delay tijd van Delay te veranderen.

De parameters die veranderd kunnen worden zijn van tevoren voor elk type multi-effect bepaald. Bij de parameters die in

‘ MFX/PFX Parameter ’ (p.161) worden beschreven, worden deze met een ‘#’ aangegeven.

In het multi-effect instellingsscherm wordt een ‘c’ symbool links van de parameter getoond.

De functie waarmee MIDI berichten gebruikt kunnen worden om deze veranderingen op de multi-effect parameters in Realtime toe te passen, wordt de Multi-Effects Control genoemd. In een enkele Patch/ritmeset/Sample set/live set/studio set kunnen maximaal vier multi-effect en gebruikt worden.

Wanneer de multi-effect control wordt gebruikt, kunt u de hoeveelheid control (Sens parameter) die wordt toegepast, de geselecteerde parameter (Destination parameter), en het gebruikte

MIDI bericht (Source parameter) selecteren.

Door Matrix Control te gebruiken in plaats van Multi-

Effects Control, kunnen ook de parameters van sommige populaire multi-effecten in Realtime veranderd worden

(p.109).

Multi-effect instellingen maken (MFX1-2)

fig.22-008_50

Voor details over deze instellingen, zie ‘ Effectinstellingen maken ’ (p.151).

Type (Multi-Effects Type)

Gebruik deze parameter om uit de 78 beschikbare multi-effecten te kiezen. Voor details over multi-effect parameters, zie ‘ MFX/ PFX

Parameter ’ (p.161).

Waarde : 00: Thru-78

In dit instellingsscherm kunnen de parameters van de multi-effecten die met de Multi-Effects Type instellingen zijn geselecteerd bewerkt worden. Details over de parameters die bewerkt kunnen worden vindt u bij ‘ MFX/ PFX Parameter ’ (p.161).

Met Multi-effect instellingen kunnen de Realtime Control knoppen gebruikt worden om maximaal vier vooraf gespecificeerde parameters voor elk multi-effecttype te bewerken.

158

Effecten toevoegen

Chorus instellingen maken

(Chorus)

fig.22-011_50

Reverb instellingen maken

(Reverb)

fig.22-012_50

Voor details over deze instellingen, zie ‘ Effectinstellingen maken ’ (p.151).

Type (Chorus Type)

Selecteert chorus of delay. Voor details over de chorus parameters, zie ‘ Chorus Parameters ’(p.184).

Waarde : 00: OFF-03: GM2 Chorus

* In dit instellingsscherm kunnen de parameters van de chorus/delay, die met de Chorus Type instelling zijn geselecteerd, bewerkt worden.

Details over de parameters die bewerkt kunnen worden vindt u bij

‘ Chorus Parameters ’ (p.184).

Als een nummer ( – )voor een parameter in het scherm wordt weergegeven, kan de corresponderende Realtime

Control knop (knop uiterst links is , knop uiterst rechts is ) gebruikt worden om de waarde van die parameter aan te passen.

Voor details over deze instellingen, zie ‘ Effectinstellingen maken ’ (p.151).

Type (Reverb Type)

Selecteert het type reverb. Voor details over de reverb parameters, zie ‘ Reverb Parameters ’(p.185).

Waarde : 00: OFF-10: Church

* In dit instellingsscherm kunnen de parameters van de reverb, die met de Reverb Type instelling zijn geselecteerd, bewerkt worden. Details over de parameters die bewerkt kunnen worden vindt u bij ‘ Reverb

Parameters ’ (p.185).

Als een nummer ( – )voor een parameter in het scherm wordt weergegeven, kan de corresponderende Realtime

Control knop (knop uiterst links is , knop uiterst rechts is ) gebruikt worden om de waarde van die parameter aan te passen.

159

Effecten toevoegen

Mastering Effect

Dit is een stereo compressor (limiter), die op de uiteindelijke uitvoer van de Fantom-G wordt toegepast. Deze heeft onafhankelijke hoog, midden en laag reeksen. Onafhankelijk voor de hoge frequentie, middenfrequentie en lage frequentie regio’s, comprimeert dit elk geluid dat het gespecificeerde niveau overschrijdt, en maakt op die manier het volume consistenter. Bij het mixen naar MD of DAT of bij het produceren van uw eigen audio CD, kunt u hiermee op een geoptimaliseerd niveau masteren.

* Mastering effect instellingen zijn op de gehele Fantom-G van toepassing. Deze instellingen zijn niet voor individuele Patches of uitvoeringen.

* Het Mastering effect wordt toegepast op het geluid, dat via de

OUTPUT A (MIX) jacks wordt uitgestuurd. Het wordt niet toegepast op het geluid dat via de OUTPUT B jacks wordt uitgestuurd.

fig.22-013_50

Voor details over deze instellingen, zie ‘ Effectinstellingen maken ’ (p.151).

Setting

Dit roept de instellingen van het Mastering effect op.

Waarde : System (anders dan Studio Mode)

Studio (alleen in Studio Mode),

User, Hard Comp, Soft Comp, Low Boost, Mid

Boost, High Boost

Om instellingen van het Mastering effect op te slaan, drukt u op de [WRITE] knop op het panel. De instellingen worden in de

Setting parameter ‘System’ (‘Studio’ in het geval van Studio

Mode) opgeslagen.

De Mastering effect instellingen die u hier opslaat, worden in het geval van Single Mode of Live Mode als systeem instellingen opgeslagen. In het geval van Studio Mode worden deze in de Studio Set opgeslagen.

Attack

Tijd vanaf het moment dat het volume naar het drempelniveau stijgt, totdat het compressor effect wordt toegepast.

Waarde : 0-100 ms

Release

Tijd vanaf het moment dat het volume tot onder de drempelwaarde daalt, totdat het compressor effect niet langer wordt toegepast.

Waarde : 50-5000 ms

Threshold

Volumeniveau waarop compressie begint.

Waarde : -36-0 dB

Ratio

Compressie ratio.

Waarde : 1.00:1-INF:1 (INF: oneindig)

Level

Uitgangsvolume.

Waarde : 0-24 dB

Split Frequency High

Frequentie, waarop de hoge frequentie (HI) en midden frequentie

(MID) banden gesplitst worden.

Waarde : 2000-8000 Hz

Split Frequency Low

Frequentie, waarop de lage frequentie (LO) en midden frequentie

(MID) banden gesplitst worden.

Waarde : 200-800 Hz.

Over Threshold en Ratio

Zoals in onderstaand diagram wordt getoond, bepalen deze parameters hoe het volume gecomprimeerd wordt.

fig.22-014.e

1:1

RATIO

2:1

4:1

INF:1

THRESHOLD

Input Level

160

Effectenlijst

MFX/PFX Parameter

De MFX (multi-effecten) hebben 78 verschillende types effecten

(PFX: 76 types). Sommige effecten bestaan uit twee of meer verschillende, in serie geschakelde effecten.

Parameters met een kruis ‘#’ kunnen bestuurd worden met gebruik van een specifieke controller (twee instellingsonderdelen zullen met

‘#’en ‘#2’ gelijktijdig veranderen).

FILTER

(10 types)

04

05

06

07

01

02

03

08

09

10

EQUALIZER

SPECTRUM

ISOLATOR

LOW BOOST

SUPER FILTER

STEP FILTER

ENHANCER

AUTO WAH

HUMANIZER

SPEAKER SIMULATOR

MODULATION

(12 types)

15

16

17

18

19

11

12

13

14

20

21

22

PHASER

STEP PHASER

MULTI STAGE PHASER

INFINITE PHASER

RING MODULATOR

STEP RING MODULATOR

TREMOLO

AUTO PAN

STEP PAN

SLICER

ROTARY

VK ROTARY

CHORUS

(12 types)

47

48

49

50

51

43

44

45

46

27

28

29

30

23

24

25

26

31

32

33

CHORUS

FLANGER

STEP FLANGER

HEXA-CHORUS

TREMOLO CHORUS

SPACE-D

3D CHORUS

3D FLANGER

3D STEP FLANGER

2BAND CHORUS

2BAND FLANGER

34 2BAND STEP FLANGER

DYNAMICS

(8 types)

38

39

40

35

36

37

OVERDRIVE

DISTORTION

VS OVERDRIVE

VS DISTORTION

GUITAR AMP SIMULATOR

COMPRESSOR

41

42

LIMITER

GATE

DELAY

(13 types)

DELAY

LONG DELAY

SERIAL DELAY

MODULATION DELAY

3TAP PAN DELAY

4TAP PAN DELAY

MULTI TAP DELAY

REVERSE DELAY

SHUFFLE DELAY p. 172 p. 172 p. 172 p. 172 p. 172 p. 172 p. 173 p. 173 p. 168 p. 168 p. 168 p. 169 p. 169 p. 169 p. 169 p. 170 p. 170 p. 170 p. 171 p. 171 p. 173 p. 174 p. 174 p. 174 p. 175 p. 175 p. 175 p. 175 p. 176 p. 164 p. 165 p. 165 p. 165 p. 165 p. 166 p. 166 p. 166 p. 166 p. 167 p. 167 p. 167 p. 162 p. 162 p. 162 p. 162 p. 163 p. 163 p. 163 p. 164 p. 164 p. 164

52

53

3D DELAY

TIME CTRL DELAY

54

55

LONG TIME CTRL DELAY

TAPE ECHO

LO-FI

(5 types)

56 LOFI NOISE

57

58

59

LOFI COMPRESS

LOFI RADIO

TELEPHONE

60 PHONOGRAPH

PITCH

(3 types)

61

62

PITCH SHIFTER

2VOICE PITCH SHIFTER

63 STEP PITCH SHIFTER

COMBINATION

(12 types)

64

65

66

67

68

69

70

71

72

73

74

75

OVERDRIVE → CHORUS

OVERDRIVE

FLANGER

OVERDRIVE → DELAY

DISTORTION → CHORUS

DISTORTION → FLANGER

DISTORTION → DELAY

ENHANCER

CHORUS

ENHANCER → FLANGER

ENHANCER → DELAY

CHORUS → DELAY

FLANGER → DELAY

CHORUS

FLANGER

PIANO

(1 type) p. 176 p. 177 p. 177 p. 177 p. 177 p. 178 p. 178 p. 178 p. 178 p. 179 p. 179 p. 179

76 SYMPATHETIC RESONANCE p. 182

REVERB

(2 types) *MFX only

77

78

REVERB

GATED REVERB p. 183 p. 183 p. 180 p. 180 p. 180 p. 180 p. 180 p. 181 p. 181 p. 181 p. 181 p. 181 p. 182 p. 182

Over Note

Sommige effectparameters (zoals Rate of Delay Time) kunnen uitgedrukt in een noot waarde worden ingesteld.

Dit soort parameters hebben een num/note schakelaar, waarmee u kunt specificeren of de waarde als nootwaarde of numerieke waarde ingesteld wordt.

Als u de Rate (Delay Time) als een numerieke waarde wilt instellen, zet u de num/note schakelaar op ‘Hz’ (‘msec’). Als u deze als een nootwaarde wilt instellen, stelt u de num/note schakelaar op

‘NOTE’ in.

Als een parameter, waarvan de num/note schakelaar op ‘NOTE’ is ingesteld, als bestemming voor multi-effect control wordt ingesteld, kan de multi-effect control niet gebruikt worden om die parameter te besturen.

161

Effectenlijst

01: EQUALIZER

Dit is een vier-bands stereo equalizer (laag, mid-laag x 2, hoog).

fig.MFX-01

L in 4-Band EQ L out

R in 4-Band EQ R out

Parameter

Low Freq

Low Gain #

Mid1 Freq

Mid1 Gain

Mid1 Q

Mid2 Freq

Mid2 Gain

Mid2 Q

High Freq

High Gain #

Level #

Waarde

200, 400 Hz

-15– +15 dB

200–8000 Hz

-15– +15 dB

0.5, 1.0, 2.0, 4.0, 8.0

200–8000 Hz

-15– +15 dB

0.5, 1.0, 2.0, 4.0, 8.0

2000, 4000, 8000 Hz

-15– +15 dB

0–127

Omschrijving

Frequentie van de lage reeks

Gain van de lage reeks

Frequentie van de middenreeks 1

Gain van de middenreeks 1

Breedte van de middenreeks 1

Stel een hogere waarde voor

Q in om de te beïnvloeden reeks te versmallen.

Frequentie van de middenreeks 2

Gain van de middenreeks 2

Breedte van de middenreeks 2

Stel een hogere waarde voor

Q in om de te beïnvloeden reeks te versmallen.

Frequentie van de hoge reeks

Gain van de hoge reeks

Uitgangsniveau

02: SPECTRUM

Dit is een stereo spectrum. Spectrum is een filter type dat het timbre wijzigt, door het niveau op specifieke locaties omhoog te duwen of af te kappen.

fig.MFX-02

L in Spectrum L out

R in Spectrum R out

Parameter

Band1 (250Hz)

Band2 (500Hz)

Band3 (1000Hz)

Band4 (1250Hz)

Band5 (2000Hz)

Band6 (3150Hz)

Band7 (4000Hz)

Band8 (8000Hz)

Q

Waarde

-15– +15 dB

0.5, 1.0, 2.0, 4.0, 8.0

Level # 0–127

Omschrijving

Gain van elke frequentieband.

Past de breedte van de aangepaste reeksen van alle banden tegelijk aan.

Uitgangsniveau

03: ISOLATOR

Dit is een equalizer die het volume sterk afkapt, zodat een speciaal effect aan het geluid toegevoegd kan worden door het volume in verschillende reeksen af te kappen.

fig.MFX-03

L in Isolator Low Boost L out

R in Isolator Low Boost R out

Parameter

Boost/

Cut Low #

Boost/

Cut Mid #

Boost/

Cut High #

Anti Phase

Low Sw

Anti Phase

Low Level

Anti Phase

Mid Sw

Anti Phase

Mid Level

Low Boost Sw

OFF, ON

0–127

OFF, ON

Low Boost

Level

Level

Waarde

-60– +4 dB

OFF, ON

0–127

0–127

0–127

Omschrijving

Deze duwt alle hoge, midden en lage frequentiereeksen omhoog of kapt deze af.

Op –60 dB wordt het geluid onhoorbaar. 0 dB is gelijk aan het ingangsniveau van het geluid.

Zet de Anti-Phase functie aan en uit voor de lage frequentiereeksen.

Wanneer aan, wordt het contra kanaal van stereo geluid omgekeerd en aan het signaal toegevoegd.

Past de niveau instellingen van de lage frequentiereeksen aan.

Door dit niveau voor bepaalde frequenties aan te passen, kunnen specifieke gedeeltes benadrukt worden. (Dit is alleen effectief bij een stereo bron).

Instellingen van de Anti-Phase functie voor de midden frequentiereeksen.

De parameters zijn hetzelfde als voor de lage frequentiereeksen.

Zet Low Booster aan/uit.

Dit benadrukt de onderkant om een zwaar bas geluid te creëren.

Als deze waarde toeneemt, wordt een zwaarder low end verkregen.

* Afhankelijk van de Isolator en filter instellingen kan dit effect moeilijk te onderscheiden zijn.

Uitgangsniveau

04: LOW BOOST

Duwt het volume van de lage reeks omhoog, creëert een krachtig laag.

fig.MFX-04

L in Low Boost 2-Band EQ L out

R in Low Boost

Parameter

Boost

Frequency #

Boost Gain #

Boost Width

Low Gain

High Gain

Level

2-Band EQ R out

Waarde

50–125 Hz

0– +12 dB

WIDE, MID,

NARROW

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Omschrijving

Middenfrequentie waarop de lage reeks omhooggeduwd zal worden.

Hoeveelheid waarmee de lage reeks omhooggeduwd wordt.

Breedte van de lage reeks die omhooggeduwd zal worden.

Gain van de lage frequentiereeks.

Gain van de hoge frequentiereeks.

Uitgangsniveau.

162

Effectenlijst

05: SUPER FILTER

Dit is een filter met een extreem scherpe helling. De cutoff frequentie kan cyclisch gevarieerd worden.

fig.MFX-05

L in Super Filter L out

R in Super Filter R out

Parameter Waarde

Filter Type LPF, BPF,

HPF, NOTCH

Filter Slope

Filter

Cutoff #

Filter

Resonance #

Filter Gain

Modulation

Sw

Modulation

Wave

-12, -24, -36 dB

0–127

0–127

0– +12 dB

OFF,ON

TRI, SQR, SIN,

SAW1, SAW2

SAW1

Omschrijving

Filter type frequentiereeks die door elk filter zal gaan.

LPF : frequenties onder de cutoff

BPF : frequenties in de regio van de cutoff

HPF : frequenties boven de cutoff

NOTCH : andere frequenties dan de regio van de cutoff.

Hoeveelheid verzwakking per octaaf

-36 dB : extreem stijl

-24 dB : stijl

-12 dB : mild

Cutoff frequentie van het filter.

Als de waarde toeneemt zal de cutoff frequentie verhoogd worden.

Filter resonantie niveau

Door toename van deze waarde wordt de regio in de buurt van de cutoff frequentie benadrukt.

Hoeveelheid boost voor de filter uitvoer.

Aan/uit schakelaar voor cyclische verandering.

Hoe de cutoff frequentie gemoduleerd wordt

TRI : driehoeksgolf

SQR : vierkante golf

SIN : sinusgolf

SAW1 : zaagtandgolf (opwaarts)

SAW2 : zaagtandgolf (neerwaarts)

SAW2

Rate #

Depth

Attack #

Level

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–127

0–127

Modulatiesnelheid

Modulatiediepte

Snelheid waarmee de cutoff frequentie zal veranderen

Dit is effectief als Modulation Wave op SQR, SAW1 of SAW2 staat.

Uitgangsniveau

06: STEP FILTER

Dit is een filter, waarvan de cutoff frequentie in stappen gemoduleerd kan worden.

U kunt het patroon, waarmee de cutoff frequentie zal veranderen specificeren.

fig.MFX-06

L in Step Filter L out

R in Step Filter R out

Parameter

Step 01–16

Rate #

Attack #

Filter Type

Filter Slope

Filter

Resonance #

Filter Gain

Level

Waarde

0–127

0.05–10.00 Hz, note

0–127

LPF, BPF,

HPF, NOTCH

-12, -24, -36 dB

0–127

0– +12 dB

0–127

Omschrijving

Cutoff frequentie op elke stap

Modulatiesnelheid

Snelheid waarmee de cutoff frequentie tussen stappen verandert.

Filtertype frequentiereeks die door elk filter zal gaan.

LPF : frequenties onder de cutoff

BPF : frequenties in de regio van de cutoff

HPF : frequenties boven de cutoff

NOTCH : andere frequenties dan de regio van de cutoff.

Hoeveelheid verzwakking per octaaf

-12 dB : mild

-24 dB : stijl

-36 dB : extreem stijl

Filter resonantie niveau

Door toename van deze waarde wordt de regio in de buurt van de cutoff frequentie benadrukt.

Hoeveelheid boost voor de filter uitvoer.

Uitgangsniveau

07: ENHANCER

Regelt de boventoon structuur van de hoge frequenties, maakt het geluid sprankelend en compacter.

fig.MFX-07

L in Enhancer

Mix

2-Band

EQ

L out

R in Enhancer

Mix

2-Band

EQ

R out

Parameter

Sens #

Mix #

Low Gain

High Gain

Level

Waarde

0–127

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Omschrijving

Gevoeligheid van de enhancer.

Niveau van de boventonen, gegenereerd door de enhancer

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Uitgangsniveau

163

Effectenlijst

08: AUTO WAH

Bestuurt een filter op cyclische wijze om een cyclische verandering in timbre te creëren.

fig.MFX-08

L in Auto Wah 2-Band EQ L out

R in Auto Wah 2-Band EQ R out

Parameter

Filter Type

Manual #

Peak

Sens #

Polarity

Waarde

LPF, BPF

0–127

0–127

0–127

UP, DOWN

Omschrijving

Type filter

LPF : het wah effect wordt over een brede frequentiereeks toegepast

BPF : het wah effect wordt over een smalle frequentiereeks toegepast

Past de middenfrequentie, waarop het effect wordt toegepast, aan.

Past de hoeveelheid wah effect dat in de reeks van de middenfrequentie optreedt aan.

Stel Q op een hogere waarde in om de te beïnvloeden reeks smaller te maken.

Past de gevoeligheid waarmee het filter wordt bestuurd aan.

Stelt de richting waarin de frequentie zal veranderen in, als het auto-wah filter gemoduleerd wordt.

UP : het filter verandert in de richting van een hogere frequentie

DOWN : het filter verandert in de richting van een lagere frequentie.

Modulatie frequentie Rate #

Depth #

Phase #

Low Gain

High Gain

Level

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Diepte van modulatie

Past de mate van faseverschuiving van de linker en rechter geluiden aan, als het wah effect wordt toegepast.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Uitgangsniveau

09: HUMANIZER

Voegt een klinker karakter aan het geluid toe, waardoor het op een menselijke stem lijkt.

fig.MFX-09

L in

Pan L

L out

Overdrive Formant

2-Band

EQ

R in

Pan R

R out

Parameter Waarde

Drive Sw

Drive #

OFF, ON

0–127

Vowel1

Vowel2

Rate #

Depth #

Input Sync

Sw a, e, i, o, u a, e, i, o, u

0.05–10.00 Hz, note

0–127

OFF, ON

Input Sync

Threshold

Manual #

Low Gain

High Gain

Pan #

Level

0–127

0–100

-15– +15 dB

-15– +15 dB

L64–63R

0–127

Omschrijving

Zet Drive aan/uit.

Mate van vervorming

Verandert ook het volume

Selecteert de klinker.

Frequentie waarop de twee klinkers worden veranderd.

Effect diepte.

Bepaalt of de LFO voor het veranderen van de klinkers door het ingangssignaal opnieuw wordt ingesteld (ON) of niet

(OFF).

Volumeniveau waarop reset wordt toegepast.

Punt waarop klinkers (Vowel) 1 / 2 veranderen

49 of minder : klinker 1 duurt langer

50: klinker 1 en 2 klinken even lang.

51 of meer : klinker 2 klinkt langer.

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks

Stereo locatie van de uitvoer

Uitgangsniveau

164

10: SPEAKER SIMULATOR

Simuleert het luidspreker type en microfoon instellingen die gebruikt worden om het luidsprekergeluid op te nemen.

fig.MFX-10

L in Speaker L out

R in Speaker R out

Parameter

Speaker Type

Mic Setting

Mic Level #

Direct Level #

Level #

Waarde

(See “Specifications of each Speaker Type“)

1, 2, 3

0–127

0–127

0–127

Omschrijving

Type luidspreker

Past de locatie van de mic aan, die het geluid van de luidspreker opneemt.

Dit kan in drie stappen worden bijgesteld, waarbij de microfoon meer afstand krijgt, in de volgorde 1, 2 en

3.

Volume van de microfoon.

Volume van het directe geluid.

Uitgangsniveau

Specificaties van elk luidsprekertype

In de luidspreker kolom wordt de diameter van elke luidspreker eenheid (in inches) en het aantal eenheden aangegeven.

Type

SMALL 1

SMALL 2

MIDDLE

JC-120

BUILT-IN 1

BUILT-IN 2

BUILT-IN 3

BUILT-IN 4

BUILT-IN 5

BG STACK 1

BG STACK 2

MS STACK 1

MS STACK 2

METAL

STACK

2-STACK

3-STACK

Behuizing

Kleine behuizing met open achterzijde

Kleine behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Gesloten behuizing

Grote gesloten behuizing

Grote gesloten behuizing

Grote gesloten behuizing

Grote double stack

Grote double stack

Grote triple stack

Luidspreker

10

10

12 x 1

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 4

12 x 4

12 x 4

12 x 4

12 x 4

11: PHASER

Een in fase verschoven geluid dat aan het originele geluid wordt toegevoegd en gemoduleerd.

fig.MFX-11

Microfoon dynamisch dynamisch dynamisch dynamisch dynamisch condensator condensator condensator condensator condensator condensator condensator condensator condensator condensator condensator

L in Phaser

2-Band

EQ

L out

Mix

Mix

R in Phaser

2-Band

EQ

R out

Effectenlijst

Parameter

Mode

Waarde

4-STAGE, 8-

STAGE, 12-STAGE

0–127

Omschrijving

Aantal fases in de Phaser

Manual #

Rate #

Depth

Polarity

Resonance #

Cross

Feedback

Mix #

Low Gain

High Gain

Level

0.05–10.00 Hz, note

0–127

INVERSE,

SYNCHRO

0–127

-98– +98 %

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Past de basis frequentie aan, vanaf welke het geluid gemoduleerd zal worden.

Modulatie frequentie

Diepte van modulatie

Selecteert of de linker en rechter fases van de modulatie hetzelfde of het tegenovergestelde zullen zijn.

INVERSE : de linker en rechter fases zijn tegenovergesteld. Bij gebruik van een mono bron, spreidt dit het geluid.

SYNCHRO : de linker en rechter fases zijn hetzelfde. Selecteer dit als een stereo bron wordt ingevoerd.

Hoeveelheid feedback.

Past de proportie van het Phase geluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Niveau van het in fase verschoven geluid.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Uitgangsniveau

12: STEP PHASER

Het Phaser effect wordt geleidelijk gevarieerd.

fig.MFX-12

L in

2-Band

EQ

L out

R in

Step Phaser

Step Phaser

Mix

Mix

2-Band

EQ

R out

Parameter

Mode

Manual #

Rate #

Depth

Polarity

Resonance #

Cross

Feedback

Step Rate #

Mix #

Low Gain

High Gain

Level

Waarde

4-STAGE, 8-

STAGE, 12-STAGE

0–127

0.05–10.00 Hz, note

0–127

INVERSE,

SYNCHRO

0–127

-98– +98 %

0.10–20.00 Hz, note

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Omschrijving

Aantal fases in de Phaser

Past de basis frequentie aan, vanaf waar het geluid gemoduleerd zal worden.

Modulatie frequentie

Diepte van modulatie

Selecteert of de linker en rechter fases van de modulatie hetzelfde of het tegenovergestelde zullen zijn.

INVERSE : de linker en rechter fases zijn tegenovergesteld. Bij gebruik van een mono bron, spreidt dit het geluid.

SYNCHRO : de linker en rechter fases zijn hetzelfde. Selecteer dit als een stereo bron wordt ingevoerd.

Hoeveelheid feedback.

Past de proportie van het Phase geluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Snelheid van de stapsgewijze verandering in het phaser effect.

Niveau van het in fase verschoven geluid.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Uitgangsniveau

13: MULTI STAGE PHASER

Extreem hoge instellingen van het faseverschil produceren een diep

Phase effect.

fig.MFX-13

L in L out

Pan L

R in

Multi Stage

Phaser

Resonance

Mix

2-Band

EQ

Pan R

R out

Parameter

Mode

Manual #

Rate #

Depth

Resonance #

Mix #

Pan #

Low Gain

High Gain

Level

Waarde

4-STAGE, 8-

STAGE,

12-STAGE, 16-

STAGE, 20-STAGE,

24-STAGE

0–127

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–127

0–127

L64–63R

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Omschrijving

Aantal phaser fases.

Past de basisfrequentie vanaf waar het geluid gemoduleerd zal worden aan.

Modulatiefrequentie

Modulatiediepte

Hoeveelheid feedback

Niveau van het in toonhoogte verschoven geluid

Stereo locatie van het uitvoer geluid.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Uitgangsniveau

14: INFINITE PHASER

Een Phaser die de frequentie waarop het geluid gemoduleerd wordt blijft verhogen/verlagen fig.MFX-14

L in L out

Pan L

Infinite Phaser 2-Band EQ

R in

Pan R

R out

Parameter

Mode

Speed #

Resonance #

Mix #

Pan #

Low Gain

High Gain

Level

Range

1, 2, 3, 4

-100– +100

0–127

0–127

L64–63R

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Omschrijving

Hogere waardes produceren een dieper phaser effect.

Snelheid waarop de frequentie waarop geluid wordt gemoduleerd verhoogd of verlaagd wordt. (+: opwaarts / -: neerwaarts)

Hoeveelheid feedback

Volume van het in fase verschoven geluid

Panning van het uitvoer geluid

Hoeveelheid boost/cut van de lage frequentiereeks

Hoeveelheid boost/cut van de hoge frequentiereeks

Uitgangsvolume

15: RING MODULATOR

Dit is een effect dat amplitude modulatie (AM) op het ingangssignaal toepast, en produceert belachtige geluiden. De modulatiefrequentie kan ook verandert worden in respons op veranderingen in het volume van het geluid dat naar het effect wordt gestuurd.

165

Effectenlijst

fig.MFX-15

L in Ring Mod 2-Band EQ L out

R in Ring Mod 2-Band EQ R out

Parameter Waarde

Frequency # 0–127

Sens #

Polarity

0–127

UP, DOWN

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de frequentie waarop modulatie wordt toegepast aan.

Past de hoeveelheid frequentie modulatie die wordt toegepast aan

Bepaalt of de frequentie modulatie naar hogere frequenties ( UP ) of lagere frequenties ( DOWN ) wordt verplaatst.

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het effect geluid (W)

Uitgangsniveau

16: STEP RING MODULATOR

Dit is een ring modulator die een 16-staps sequens gebruikt om de frequentie waarop modulatie wordt toegepast te variëren.

fig.MFX-16

L in Step Ring Mod 2-Band EQ L out

R in Step Ring Mod 2-Band EQ R out

Parameter

Step 01–16

Rate #

Attack #

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Range

0–127

0.05–10.00 Hz, note

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Frequentie van ring modulatie op elke stap

Snelheid waarmee de 16-staps sequens rond zal gaan

Snelheid waarop de modulatie frequentie tussen stappen verandert.

Hoeveelheid boost/cut van de lage frequentiereeks

Hoeveelheid boost/cut van de hoge frequentiereeks

Volumebalans tussen het originele geluid (D) en het effect geluid (W)

Uitgangsniveau

17: TREMOLO

Moduleert het volume op cyclische wijze om een tremolo effect aan het geluid toe te voegen.

fig.MFX-17a

L in Tremolo 2-Band EQ L out

R in Tremolo 2-Band EQ R out

Parameter

Mod Wave

Waarde

TRI, SQR, SIN,

SAW1, SAW2

SAW1

Omschrijving

Modulatie golf

TRI : driehoeksgolf

SQR : vierkante golf

SIN : sinusgolf

SAW1/2 : zaagtand golf

SAW2

Rate #

Depth #

Low Gain

High Gain

Level

0.05–10.00 Hz, note

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Frequentie van de verandering

Diepte waarop het effect wordt toegepast

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Uitgangsniveau

18: AUTO PAN

Moduleert de stereo locatie van het geluid op cyclische wijze.

fig.MFX-18a

L in Auto Pan 2-Band EQ L out

R in Auto Pan 2-Band EQ R out

Parameter

Mod Wave

Waarde

TRI, SQR, SIN,

SAW1, SAW2

SAW1

R

Omschrijving

Modulatie golf

TRI : driehoeksgolf

SQR : vierkante golf

SIN : sinusgolf

SAW1/2 : zaagtand golf

SAW2

R

Rate #

Depth #

Low Gain

High Gain

Level

L

0.05–10.00 Hz, note

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

L

Frequentie van de verandering

Diepte waarop het effect wordt toegepast

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Uitgangsniveau

19: STEP PAN

Dit gebruikt een 16-staps sequens om de panning van het geluid te variëren. fig.MFX-19

L in Step Pan L out

R in Step Pan R out

Parameter

Step 01–16

Rate #

Attack #

Range

L64–63R

0.05–10.00 Hz, note

0–127

Omschrijving

Pan op elke stap

Snelheid waarop de 16-staps sequens zal rondgaan

Snelheid waarop de pan tussen stappen verandert

166

Effectenlijst

Parameter

Input Sync

Sw

Input Sync

Threshold

Level

Range

OFF, ON

0–127

0–127

Omschrijving

Specificeert of een ingevoerde noot maakt dat de sequens opnieuw vanaf de eerste stap van de sequens begint (ON) of niet (OFF)

Volume waarop een ingevoerde noot gedetecteerd wordt

Uitgangsvolume

20: SLICER

Door opeenvolgende afkappingen op het geluid toe te passen, verandert een conventioneel geluid in een geluid dat als een achtergrond frase gespeeld lijkt te worden. Dit is in het bijzonder effectief als dit op doorklinkende geluiden wordt toegepast.

fig.MFX-20

L in Slicer L out

R in Slicer R out

Parameter Waarde

Step 01–16

Rate #

Attack #

L64–63R

0.05–10.00

Hz, note

0–127

Input Sync

Sw

OFF, ON

Input Sync

Threshold

Mode

Shuffle #

Level

0–127

LEGATO,

SLASH

0–127

0–127

Omschrijving

Niveau op elke stap

Snelheid waarop de 16-staps sequens rond zal gaan

Snelheid waarop het niveau tussen stappen verandert

Specificeert of een ingevoerde noot maakt dat de sequens opnieuw vanaf de eerste stap van de sequens begint (ON) of niet (OFF)

Volume waarop een ingevoerde noot gedetecteerd wordt

Stelt de manier in waarop het volume verandert wanneer een stap naar de volgende overgaat.

LEGATO : de verandering in volume van het niveau van een stap naar de volgende blijft hetzelfde. Als het niveau van een volgende stap hetzelfde is als dat van de vorige, is er geen verandering in volume.

SLASH : het niveau wordt tijdelijk op 0 gezet voordat naar het volgende niveau van de volgende stap wordt overgegaan. Deze verandering in volume treedt op, ook al is het niveau van de volgende stap hetzelfde als dat van de vorige stap.

Timing van volumeniveau veranderingen in niveaus, voor even genummerde stappen (stap 2, stap 4, stap 6 …)

Hoe hoger de waarde, hoe later de beat verdergaat.

Uitgangsniveau.

21: ROTARY

Het Rotary effect simuleert het geluid van de roterende luidsprekers die in het verleden vaak met de elektrische orgels werden gebruikt.

Omdat de beweging van de hoge reeks en lage reeks rotors onafhankelijk ingesteld kan worden, kunnen de unieke modulatie kenmerken van deze luidsprekers op getrouwe wijze gesimuleerd worden.

Dit effect is het meest bruikbaar voor elektrische orgel Patches.

fig.MFX-21

L in L out

Rotary

R in

R out

Parameter

Speed #

Woofer Slow

Speed

Woofer Fast

Speed

Woofer

Acceleration

Waarde

SLOW, FAST

0.05–10.00 Hz

0.05–10.00 Hz

0–15

Omschrijving

Schakelt de rotatiesnelheid van de lage frequentie rotor en de hoge frequentie rotor gelijktijdig.

SLOW : vertraagd de rotatiesnelheid naar de Slow Rate

FAST : versnelt de rotatiesnelheid naar de Fast Rate.

Langzame snelheid (SLOW) van de lage frequentie rotor.

Snelle snelheid (FAST) van de lage frequentie rotor.

Past de tijd aan waarbinnen de lage frequentie rotor de nieuw geselecteerde snelheid bereikt, bij het schakelen van snelle naar langzame (of langzame naar snelle) snelheid. Lagere waardes vereisen langere tijden.

Volume van de lage frequentie rotor.

Instellingen van de hoge frequentie rotor.

De parameters zijn hetzelfde als die van de lage frequentie rotor.

Woofer Level

Tweeter Slow

Speed

Tweeter Fast

Speed

Tweeter

Acceleration

Tweeter Level

Separation

Level #

0–127

0.05–10.00 Hz

0.05–10.00 Hz

0–15

0–127

0–127

0–127

Ruimtelijke spreiding van het geluid

Uitgangsniveau

22: VK ROTARY

Dit type biedt een gewijzigde respons voor de roterende luidspreker, waarbij het laag verder omhooggeduwd wordt.

Dit effect beschikt over dezelfde specificaties als de ingebouwde roterende luidspreker van de VK-7.

fig.MFX-22

L in 2-Band EQ L out

Rotary

R in

2-Band EQ R out

Parameter

Speed #

Brake #

Woofer Slow

Speed

Woofer Fast

Speed

Woofer Trans

Up

Woofer Trans

Down

Waarde

SLOW, FAST

OFF, ON

0.05–10.00 Hz

0.05–10.00 Hz

0–127

0–127

Woofer Level

Tweeter Slow

Speed

Tweeter Fast

Speed

Tweeter Trans

Up

Tweeter Trans

Down

Tweeter Level

0–127

0.05–10.00 Hz

0.05–10.00 Hz

0–127

0–127

0–127

Omschrijving

Rotatiesnelheid van de roterende luidspreker

Schakelt de rotatie van de roterende luidspreker.

Als dit is aangezet zal de rotatie geleidelijk stoppen.

Als dit is uitgezet zal de rotatie geleidelijk opnieuw in gang worden gezet.

Lage snelheid rotatiesnelheid van de woofer.

Hoge snelheid rotatiesnelheid van de woofer.

Past de versnelling van de woofer rotatie aan, wanneer de rotatie van Slow in Fast wordt veranderd.

Past de versnelling van de woofer rotatie aan, wanneer de rotatie van Fast in Slow wordt veranderd.

Volume van de woofer.

Instellingen van de tweeter.

Deze parameters zijn hetzelfde als die van de woofer.

167

Effectenlijst

Parameter

Spread

Low Gain

High Gain

Level #

Waarde

0–10

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Omschrijving

Stelt het stereobeeld van de roterende luidspreker in. Hoe hoger de waarde wordt ingesteld, hoe breder het geluid wordt gespreid.

Gain van de lage reeks.

Gain van de hoge reeks

Uitgangsniveau

23: CHORUS

Dit is een stereo chorus. Er is in een filter voorzien, zodat het timbre van het chorusgeluid aangepast kan worden.

fig.MFX-23

Balance D

L in

Chorus

2-Band

EQ

Balance W

L out

R in

Chorus

Balance D

Balance W

2-Band

EQ

R out

Parameter

Filter Type

Cutoff Freq

Pre Delay

Rate #

Depth

Phase

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

OFF, LPF, HPF

200–8000 Hz

0.0–100.0 ms

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Type filter

OFF : er wordt geen filter gebruikt

LPF : kapt de frequentiereeks boven de Cutoff Freq af

HPF : kapt de frequentiereeks onder de Cutoff Freq af.

Basisfrequentie van het filter.

Past de delaytijd van het directe geluid aan, totdat het chorusgeluid hoorbaar wordt.

Modulatie frequentie

Modulatie diepte

Ruimtelijke spreiding van het geluid

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het chorus geluid

(W).

Uitgangsniveau

24: FLANGER

Dit is een stereo flanger. (de LFO heeft voor links en rechts dezelfde fase). Dit produceert een metaalachtige resonantie die stijgt en daalt, als een vliegtuig dat opstijgt of landt. Er is in een filter voorzien, zodat het timbre van het flanger geluid aangepast kan worden.

fig.MFX-24

Balance D

L in

Flanger

2-Band

EQ

Balance W

L out

R in

Feedback

Feedback

Flanger

Balance D

Balance W

2-Band

EQ

R out

Parameter

Filter Type

Cutoff Freq

Pre Delay

Rate #

Depth

Phase

Feedback #

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

OFF, LPF, HPF

200–8000 Hz

0.0–100.0 ms

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

-98– +98 %

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Type filter

OFF : er wordt geen filter gebruikt

LPF : kapt de frequentiereeks boven de Cutoff Freq af

HPF : kapt de frequentiereeks onder de Cutoff Freq af.

Basisfrequentie van het filter.

Past de delaytijd van het directe geluid aan, totdat het flanger geluid hoorbaar wordt.

Modulatie frequentie

Modulatie diepte

Ruimtelijke spreiding van het geluid

Past de proportie van het flanger geluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het flanger geluid

(W).

Uitgangsniveau

25: STEP FLANGER

Dit is een flanger waarin de flanger toonhoogte in stappen verandert. De snelheid waarmee de toonhoogte verandert kan ook in een nootwaarde van een gespecificeerd tempo worden uitgedrukt.

fig.MFX-25

Balance D

L in

Step Flanger

2-Band

EQ

Balance W

L out

Feedback

Feedback

Step Flanger

R in

Balance W

2-Band

EQ

R out

Balance D

Parameter

Filter Type

Cutoff Freq

Pre Delay

Rate #

Depth

Phase

Feedback #

Step Rate #

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

OFF, LPF, HPF

200–8000 Hz

0.0–100.0 ms

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

-98– +98 %

0.10–20.00 Hz, note

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Type filter

OFF : er wordt geen filter gebruikt

LPF : kapt de frequentiereeks boven de Cutoff Freq af

HPF : kapt de frequentiereeks onder de Cutoff Freq af.

Basisfrequentie van het filter.

Past de delaytijd vanaf het moment dat het directe geluid begint aan, totdat het flanger geluid hoorbaar wordt.

Modulatie frequentie

Modulatie diepte

Ruimtelijke spreiding van het geluid

Past de proportie van het flanger geluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Snelheid (periode) van toonhoogte verandering

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het flanger geluid (W).

Uitgangsniveau

168

Effectenlijst

26: HEXA-CHORUS

Gebruikt een zesfase chorus (zes lagen aan chorus geluid) om het geluid rijker te maken en een ruimtelijke spreiding te bewerkstelligen.

fig.MFX-26

L in L out

Balance D

Balance W

Hexa Chorus

Balance W

R in R out

Balance D

Parameter

Pre Delay

Balance #

Level

Waarde

0.0–100.0 ms

Rate #

Depth

Pre Delay

Deviation

Depth

Deviation

Pan Deviation

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–20

-20– +20

0–20

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de delaytijd aan, vanaf het directe geluid totdat het chorusgeluid hoorbaar wordt.

Modulatie frequentie

Modulatie diepte

Past de verschillen in Pre Delay tussen elk chorus geluid aan

Past de verschillen in modulatiediepte tussen elk chorus geluid aan

Past het verschil in stereo locatie tussen elk chorus geluid aan.

0: alle chorus geluiden bevinden zich in het midden

20: elk chorus geluid wordt, gerelateerd aan het midden, op

60 graden intervallen uit elkaar geplaatst.

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het chorus geluid

(W).

Uitgangsniveau

27: TREMOLO CHORUS

Dit is een chorus effect met toegevoegde tremolo (cyclische modulatie van volume).

fig.MFX-27

L in L out

Balance D

Balance W

Tremolo Chorus

Balance W

R in R out

Balance D

Parameter

Pre Delay

Chorus Rate #

Chorus Depth

Tremolo Rate #

Tremolo

Separation

Tremolo Phase

Balance #

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

D100:0W–D0:100W

Level

Waarde

0.0–100.0 ms

0–127

Omschrijving

Past de delaytijd vanaf het directe geluid, totdat het chorusgeluid hoorbaar wordt aan.

Modulatiefrequentie van het chorus effect.

Modulatiediepte van het chorus effect.

Modulatiefrequentie van het tremolo effect.

Spreiding van het tremolo effect

Spreiding van het tremolo effect

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het tremolo chorus geluid (W)

Uitgangsniveau

28: SPACE-D

Dit is een veelvoudige chorus die tweefase modulatie in stereo toepast. Het geeft niet de indruk van modulatie, maar produceert een transparant chorus effect.

fig.MFX-28

Balance D

L in

Space D

Space D

R in

Balance D

2-Band

EQ

Balance W

Balance W

2-Band

EQ

L out

R out

Parameter

Pre Delay

Rate #

Depth

Phase

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

0.0–100.0 ms

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de delaytijd aan, vanaf het directe geluid totdat het chorusgeluid hoorbaar wordt.

Modulatie frequentie

Modulatie diepte

Ruimtelijke spreiding van het geluid

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het chorus geluid (W).

Uitgangsniveau

29: 3D CHORUS

Dit past een 3D effect op het chorus geluid toe. Het chorus geluid wordt op 90 graden links en 90 graden rechts geplaatst.

fig.MFX-29

L

2-Band

EQ

L out

3D Chorus

R

2-Band

EQ

R out

Parameter

Filter Type

Cutoff Freq

Pre Delay

Waarde

OFF, LPF, HPF

Rate #

Depth

Phase

Output Mode

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

SPEAKER, PHONES

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

200–8000 Hz

0.0–100.0 ms

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Type filter

OFF : er wordt geen filter gebruikt

LPF : kapt de frequentiereeks boven de Cutoff Freq af

HPF : kapt de frequentiereeks onder de Cutoff Freq af.

Basisfrequentie van het filter.

Past de delaytijd van het directe geluid aan, totdat het chorusgeluid hoorbaar wordt.

Modulatie frequentie

Modulatie diepte van het chorus effect

Ruimtelijke spreiding van het geluid

Past de methode aan, die gebruikt wordt om het geluid dat naar de OUTPUT jacks wordt gestuurd te beluisteren.

Het optimale 3D effect wordt bereikt als u SPEAKER selecteert wanneer u luidsprekers gebruikt of PHONES als een koptelefoon wordt gebruikt.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het chorus geluid (W).

Uitgangsniveau

169

Effectenlijst

30: 3D FLANGER

Dit past een 3D effect op het flanger geluid toe. Het flanger geluid wordt op 90 graden links en 90 graden rechts geplaatst.

fig.MFX-30

L

2-Band

EQ

L out

3D Flanger

R

2-Band

EQ

R out

Parameter

Filter Type

Cutoff Freq

Pre Delay

Rate #

Depth

Phase

Feedback #

Output Mode SPEAKER, PHONES

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Cutoff Freq

Pre Delay

Rate #

Depth

Waarde

OFF, LPF, HPF

200–8000 Hz

0.0–100.0 ms

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

-98– +98 %

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

200–8000 Hz

0.0–100.0 ms

0.05–10.00 Hz, note

0–127

Omschrijving

Type filter

OFF : er wordt geen filter gebruikt

LPF : kapt de frequentiereeks boven de Cutoff Freq af

HPF : kapt de frequentiereeks onder de Cutoff Freq af.

Basisfrequentie van het filter.

Past de delaytijd van het directe geluid aan, totdat het flanger geluid hoorbaar wordt.

Modulatie frequentie

Modulatie diepte

Ruimtelijke spreiding van het geluid

Past de proportie van het flanger geluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Past de methode aan, die gebruikt wordt om het geluid dat naar de OUTPUT jacks wordt gestuurd te beluisteren.

Het optimale 3D effect wordt bereikt als u SPEAKER selecteert wanneer u luidsprekers gebruikt of PHONES als een koptelefoon wordt gebruikt.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het flanger geluid (W).

Uitgangsniveau

31: 3D STEP FLANGER

Dit past een 3D effect op het step flanger geluid toe. Het flanger geluid wordt op 90 graden links en 90 graden rechts geplaatst.

fig.MFX-31

L

2-Band

EQ

L out

3D Step Flanger

R

2-Band

EQ

R out

Parameter

Filter Type

Waarde

OFF, LPF, HPF

Omschrijving

Type filter

OFF : er wordt geen filter gebruikt

LPF : kapt de frequentiereeks boven de Cutoff Freq af

HPF : kapt de frequentiereeks onder de Cutoff Freq af.

Basisfrequentie van het filter.

Past de delaytijd van het directe geluid aan, totdat het flanger geluid hoorbaar wordt.

Modulatie frequentie

Modulatie diepte

170

Parameter

Phase

Feedback #

Step Rate #

Output Mode

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

0–180 deg

-98– +98 %

0.10–20.00 Hz, note

SPEAKER, PHONES

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Ruimtelijke spreiding van het geluid

Past de proportie van het flanger geluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Snelheid (periode) van toonhoogte verandering

Past de methode aan, die gebruikt wordt om het geluid dat naar de OUTPUT jacks wordt gestuurd te beluisteren.

Het optimale 3D effect wordt bereikt als u SPEAKER selecteert wanneer u luidsprekers gebruikt of PHONES als een koptelefoon wordt gebruikt.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het flanger geluid (W).

Uitgangsniveau

32: 2BAND CHORUS

Een chorus effect waarmee een effect onafhankelijk op de lage en hoge frequentiereeksen toegepast kan worden.

fig.MFX-32

L in L out

High Band Chorus

Split

Low Band Chorus

High Band Chorus

Split

Low Band Chorus

R in R out

Parameter

Split Freq

Low Pre Delay 0.0–100.0 ms

Low Rate #

Low Depth

Low Phase

High Pre Delay

0–127

0–180 deg

0.0–100.0 ms

High Rate #

High Depth

High Phase

Balance #

Level

Range

200–8000 Hz

0.05–10.00 Hz, note

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Frequentie waarop de lage en hoge reeksen verdeeld zullen worden.

Delaytijd vanaf het moment dat het originele geluid hoorbaar is, tot het lage reeks chorus geluid hoorbaar wordt.

Snelheid waarop het lage reeks chorusgeluid wordt gemoduleerd.

Modulatie diepte van het lage reeks chorusgeluid

Ruimtelijkheid van het lage reeks chorusgeluid

Delaytijd vanaf het moment dat het originele geluid hoorbaar is, tot het hoge reeks chorus geluid hoorbaar wordt.

Snelheid waarop het hoge reeks chorusgeluid wordt gemoduleerd.

Modulatie diepte van het hoge reeks chorusgeluid

Ruimtelijkheid van het hoge reeks chorusgeluid

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het chorus geluid (W).

Uitgangsniveau

Effectenlijst

33: 2BAND FLANGER

Een flanger waarmee een effect onafhankelijk op de lage frequentie en hoge frequentiereeksen toegepast kan worden.

fig.MFX-33

L in L out

High Band Flanger

Split

High Band Feedback

Low Band Flanger

Split

Low Band Feedback

High Band Feedback

High Band Flanger

Low Band Feedback

Low Band Flanger

R in R out

Parameter

Split Freq

Low Pre Delay 0.0–100.0 ms

Low Rate #

Low Depth

Low Phase

Low

Feedback #

High Pre Delay 0.0–100.0 ms

High Rate #

High Depth

High Phase

High

Feedback #

Balance #

Level

Range

200–8000 Hz

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

-98– +98%

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

-98– +98%

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Frequentie waarop de lage en hoge reeksen verdeeld zullen worden.

Delaytijd vanaf het moment dat het originele geluid hoorbaar is, tot het lage reeks flanger geluid hoorbaar wordt.

Snelheid waarop het lage reeks flanger geluid wordt gemoduleerd.

Modulatie diepte van het lage reeks flanger geluid

Ruimtelijkheid van het lage reeks flanger geluid

Proportie van het lage reeks flanger geluid dat naar de invoer wordt teruggevoerd

(negatieve waardes keren de fase om)

Delaytijd vanaf het moment dat het originele geluid hoorbaar is, tot het hoge reeks flanger geluid hoorbaar wordt.

Snelheid waarop het hoge reeks flanger geluid wordt gemoduleerd.

Modulatie diepte van het hoge reeks flanger geluid

Ruimtelijkheid van het hoge reeks flanger geluid

Proportie van het lage reeks flanger geluid dat naar de invoer wordt teruggevoerd

(negatieve waardes keren de fase om)

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het flanger geluid (W).

Uitgangsniveau

34: 2BAND STEP FLANGER

Een step flanger waarmee een effect onafhankelijk op de lage frequentie en hoge frequentiereeksen toegepast kan worden.

fig.MFX-34

L in L out

High Band Step Flanger

Split

High Band Feedback

Low Band Step Flanger

Split

Low Band Feedback

High Band Feedback

High Band Step Flanger

Low Band Feedback

Low Band Step Flanger

R in R out

Parameter

Split Freq

Low Pre Delay 0.0–100.0 ms

Low Rate #

Low Depth

Low Phase

Low

Feedback #

Low Step

Rate #

High Pre Delay

0.10–20.00 Hz, note

0.0–100.0 ms

High Rate #

High Depth

High Phase

High

Feedback #

High Step

Rate #

Balance #

Level

Range

200–8000 Hz

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

-98– +98%

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–180 deg

-98– +98%

0.10–20.00 Hz, note

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Frequentie waarop de lage en hoge reeksen verdeeld zullen worden.

Delaytijd vanaf het moment dat het originele geluid hoorbaar is, tot het lage reeks flanger geluid hoorbaar wordt.

Snelheid waarop het lage reeks flanger geluid wordt gemoduleerd.

Modulatie diepte van het lage reeks flanger geluid

Ruimtelijkheid van het lage reeks flanger geluid

Proportie van het lage reeks flanger geluid dat naar de invoer wordt teruggevoerd

(negatieve waardes keren de fase om)

Snelheid waarop de stappen van het lage reeks flanger geluid rondgaan.

Delaytijd vanaf het moment dat het originele geluid hoorbaar is, tot het lage reeks flanger geluid hoorbaar wordt.

Snelheid waarop het lage reeks flanger geluid wordt gemoduleerd.

Modulatie diepte van het hoge reeks flanger geluid

Ruimtelijkheid van het hoge reeks flanger geluid

Proportie van het hoge reeks flanger geluid dat naar de invoer wordt teruggevoerd

(negatieve waardes keren de fase om)

Snelheid waarop de stappen van het hoge reeks flanger geluid rondgaan.

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het flanger geluid (W).

Uitgangsniveau

171

Effectenlijst

35: OVERDRIVE

Creëert een vervorming die lijkt op dat wat door vacuüm buizenversterkers wordt geproduceerd.

fig.MFX-35

L in

Pan L

L out

Over drive

Amp

Simulator

2-Band

EQ

R in

Pan R

R out

Parameter

Drive #

Amp Type

Low Gain

High Gain

Pan #

Level

Waarde

0–127

SMALL,

BUILT-IN,

2-STACK,

3-STACK

-15– +15 dB

-15– +15 dB

L64–63R

0–127

Omschrijving

Mate van vervorming

Verandert tevens het volume

Type gitaarversterker

SMALL : kleine versterker

BUILT-IN : enkele versterker

2-STACK : grote double stack versterker

3-STACK : grote triple stack versterker

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Stereo locatie van het uitvoer geluid

Uitgangsniveau

36: DISTORTION

Produceert een meer intensieve vervorming dan Overdrive. De parameters zijn hetzelfde als die van ’35: OVERDRIVE’.

fig.MFX-36

L in

Pan L

L out

Distortion

Amp

Simulator

2-Band

EQ

R in

Pan R

R out

37: VS OVERDRIVE

Dit is een overdrive die zware vervorming produceert.

fig.MFX-37

L in

Pan L

L out

Overdrive

Amp

Simulator

2-Band

EQ

R in

Pan R

R out

Parameter

Drive #

Tone #

Amp Sw

Amp Type

Low Gain

High Gain

Pan #

Level

Waarde

0–127

0–127

OFF, ON

SMALL,

BUILT-IN,

2-STACK,

3-STACK

-15– +15 dB

-15– +15 dB

L64–63R

0–127

Omschrijving

Mate van vervorming

Verandert tevens het volume

Geluidskwaliteit van het Overdrive effect.

Zet de Amp Simulator aan/uit.

Type gitaarversterker

SMALL : kleine versterker

BUILT-IN : enkele versterker

2-STACK : grote double stack versterker

3-STACK : grote triple stack versterker

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Stereo locatie van het uitvoer geluid

Uitgangsniveau

38: VS DISTORTION

Dit is een distortion effect dat een zware vervorming produceert. De parameters zijn hetzelfde als die van ’37: VS OVERDRIVE’.

fig.MFX-38

L in

R in

Distortion

Amp

Simulator

2-Band

EQ

Pan L

L out

Pan R

R out

39: GUITAR AMP SIMULATOR

Dit is een effect dat het geluid van een gitaarversterker simuleert.

fig.MFX-39

L in

Pan L

L out

Pre Amp Speaker

R in

Pan R

R out

Parameter

Pre Amp Sw

Pre Amp

Type

Waarde

OFF, ON

JC-120, CLEAN TWIN,

MATCH DRIVE,

BG LEAD, MS1959I,

MS1959II, MS1959I+II,

SLDN LEAD,

METAL5150,

METAL LEAD, OD-1,

OD-2 TURBO,

DISTORTION, FUZZ

0–127

Omschrijving

Zet de amp schakelaar aan/uit.

Type gitaarversterker

Pre Amp

Volume #

Pre Amp

Master #

Pre Amp

Gain

Pre Amp Bass

Pre Amp

Middle

Pre Amp Treble

0–127

LOW, MIDDLE, HIGH

0–127

Volume en hoeveelheid vervorming van de versterker

Volume van de gehele voorversterker

Hoeveelheid vervorming van de voorversterker

Klank van de lage/midden/ hoge frequentiereeks

* Middle kan niet ingesteld worden als ‘Match Drive’ als het Pre Amp Type is geselecteerd.

Klank van de ultra hoge frequentiereeks.

Pre Amp

Presence

Pre Amp

Bright

Speaker Sw

Speaker Type

Mic Setting

Mic Level

Direct Level

Pan #

Level #

0–127

(MATCH DRIVE:

-127 - 0)

OFF, ON

OFF, ON

(Zie tabel hieronder.)

1, 2, 3

0–127

0–127

L64–63R

0–127

Als dit op ‘ON’ wordt ingesteld, wordt een scherper en helderder geluid geproduceerd.

* Deze parameters is van toepassing op de ‘JC-120’,

‘Clean Twin’, en ‘BG Lead’

Pre Amp types.

Bepaalt of het signaal door de luidspreker gaat (ON) of niet

(OFF).

Type luidspreker

Past de locatie van de microfoon aan, die het geluid van de luidspreker vastlegt.

Dit kan in drie stappen worden bijgesteld, van 1 tot 3, waarbij de microfoon meer afstand krijgt naarmate de waarde toeneemt.

Volume van de microfoon

Volume van het directe geluid

Stereo locatie van de uitvoer

Uitgangsniveau

Specificaties van elk luidsprekertype

De luidspreker kolom geeft de diameter van elke luidspreker eenheid aan (in inches), en het aantal eenheden.

Type

SMALL 1

Behuizing Luidspreker

10

Microfoon dynamisch

SMALL 2

MIDDLE

Kleine behuizing met open achterzijde

Kleine behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

10

12 x 1 dynamisch dynamisch

172

Effectenlijst

Type

JC-120

BUILT-IN 1

BUILT-IN 2

BUILT-IN 3

BUILT-IN 4

BUILT-IN 5

BG STACK 1

BG STACK 2

MS STACK 1

MS STACK 2

METAL

STACK

2-STACK

3-STACK

Behuizing

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Behuizing met open achterzijde

Gesloten behuizing

Grote gesloten behuizing

Grote gesloten behuizing

Grote gesloten behuizing

Grote double stack

Grote double stack

Grote triple stack

Luidspreker

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 2

12 x 4

12 x 4

12 x 4

12 x 4

12 x 4

Microfoon dynamisch dynamisch condensator condensator condensator condensator condensator condensator condensator condensator condensator condensator condensator

40: COMPRESSOR

Trekt hoge niveaus recht en duwt lage niveaus omhoog, waardoor fluctuaties in volume worden gladgestreken.

fig.MFX-40

L in Compressor 2-Band EQ L out

R in Compressor 2-Band EQ R out

Parameter Waarde

Attack # 0–127

Threshold # 0–127

Post Gain

Low Gain

High Gain

Level #

0– +18 dB

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Omschrijving

Stelt de snelheid waarop compressie begint in

Past het volume waarop compressie begint aan

Past de uitvoer gain aan

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks

Uitgangsniveau

41: LIMITER

Comprimeert signalen die een gespecificeerd volume overschrijden, waardoor vervorming voorkomen wordt.

fig.MFX-41

L in Limiter 2-Band EQ L out

R in Limiter 2-Band EQ R out

Parameter

Release #

Threshold #

Ratio

Post Gain

Low Gain

High Gain

Level #

Waarde

0–127

0–127

1.5:1, 2:1, 4:1,

100:1

0– +18 dB

-15– +15 dB

-15– +15 dB

0–127

Omschrijving

Past de tijd aan nadat het signaalvolume tot onder het Threshold Level daalt, totdat compressie niet langer wordt toegepast

Past het volume waarop compressie begint aan

Compressie ratio

Past de uitvoer gain aan

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks

Uitgangsniveau

42: GATE

Kapt de delay van reverb af, volgens het volume van het geluid dat naar het effect wordt gestuurd. Gebruik dit als u een kunstmatig klinkende afname in de decay van de reverb wilt creëren. fig.MFX-42

L in Gate L out

R in Gate R out

Parameter

Threshold #

Mode

Waarde

0–127

GATE,

DUCK

Attack

Hold

Release

Balance #

Level

0–127

0–127

0–127

D100:0W–

D0:100W

0–127

Parameter

Delay Left

Delay Right

Phase Left

Phase Right

Feedback

Mode

Waarde

0–1300 ms, note

NORMAL,

INVERSE

NORMAL,

CROSS

Omschrijving

Volumeniveau waarop de poort begint te sluiten.

Poort type

GATE : de poort sluit wanneer het volume van het originele geluid afneemt, en het originele geluid wordt afgekapt.

DUCK (ducking) de poort zal sluiten als het volume van het originele geluid toeneemt, en het originele geluid wordt afgekapt.

Past de tijd aan die in beslag wordt genomen voordat de poort volledig geopend is, nadat deze is getriggerd.

Past de tijd aan waarbinnen de poort begint te sluiten, nadat het brongeluid tot onder de Threshold daalt.

Past de tijd aan waarbinnen de poort volledig sluit na de Hold Time.

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het effectgeluid (W).

Uitgangsniveau

43: DELAY

Dit is een stereo delay.

Als Feedback Mode NORMAL is: fig.MFX-43a

Balance D

L in

Delay

Feedback

Feedback

2-Band

EQ

Balance W

Delay

R in

Balance D

Als Feedback Mode CROSS is: fig.MFX-43b

Balance D

L in

Delay

Feedback

Feedback

Delay

Balance W

2-Band

EQ

2-Band

EQ

Balance W

R in

Balance D

Balance W

2-Band

EQ

L out

R out

L out

R out

Omschrijving

Past de tijd totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

Fase van het delay geluid

Selecteert de manier waarop het delaygeluid naar het effect wordt teruggevoerd.

(Zie de figuren hierboven).

173

Effectenlijst

Parameter Waarde

Feedback # -98– +98 %

HF Damp

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

200–8000 Hz,

BYPASS

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de hoeveelheid van het delaygeluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve instellingen (-) keren de fase om.

Past de frequentie aan waarboven geluid, dat naar het effect wordt teruggevoerd, wordt uitgefilterd. Als u geen hoge frequenties wilt uitfilteren zet u deze parameter op BYPASS.

Gain van de lage frequentiereeks.

Gain van de hoge frequentiereeks.

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het delaygeluid (W).

Uitgangsniveau

44: LONG DELAY

Een delay die een lang delaytijd biedt.

fig.MFX-44

L in

Pan L

2-Band

EQ

L out

Long Delay

R in

Feedback

Pan R

2-Band

EQ

R out

Parameter

Delay Time

Phase

Feedback #

HF Damp

Pan #

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Range

0–2600 ms, note

NORMAL, INVERSE

-98– +98%

200–8000 Hz,

BYPASS

L64–63R

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Delaytijd vanaf het moment dat het originele geluid hoorbaar is, totdat het delaygeluid te horen is.

Fase van de delay (NORMAL: niet omgekeerd, INVERT: omgekeerd)

Proportie van het delaygeluid dat naar de invoer wordt teruggevoerd (negatieve waardes keren de fase om).

Frequentie waarop de hoge frequentie inhoud van de vertraagde geluiden afgekapt zullen worden (BYPASS: geen afkapping)

Panning van het delaygeluid.

Hoeveelheid boost/cut van de lage frequentiereeks

Hoeveelheid boost/cut van de hoge frequentiereeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het delaygeluid (W)

Uitgangsniveau

45: SERIAL DELAY

Deze delay schakelt twee delay eenheden in serie. Feedback kan onafhankelijk op elke delay eenheid worden toegepast, zodat gecompliceerde delay geluiden geproduceerd kunnen worden.

fig.MFX-45

L in L out

Pan L

Delay 1 Delay 2

Pan R

Feedback 1 Feedback 2

R in R out

Parameter

Delay1 Time

Delay1

Feedback #

Delay1 HF

Damp

Delay2 Time

Delay2

Feedback #

Delay2 HF

Damp

Pan #

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Range

0–1300 ms, note

-98– +98%

200–8000 Hz,

BYPASS

0–1300 ms, note

-98– +98%

200–8000 Hz,

BYPASS

L64–63R

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

46: MODULATION DELAY

Voegt modulatie aan het vertraagde geluid toe.

Als Feedback Mode NORMAL is: fig.MFX-46a

Balance D

L in

Delay Modulation

2-Band

EQ

Balance W

Feedback

Feedback

Delay Modulation

R in

Balance D

Als Feedback Mode CROSS is: fig.MFX-46b

Balance D

L in

Delay Modulation

Balance W

2-Band

EQ

2-Band

EQ

Balance W

Feedback

Feedback

Delay Modulation

R in

Balance W

2-Band

EQ

Balance D

L out

R out

L out

R out

Omschrijving

Delaytijd vanaf het moment dat geluid op delay 1 wordt ingevoerd, totdat het delaygeluid hoorbaar is.

Proportie van het delaygeluid dat naar de invoer van delay 1 wordt teruggevoerd (negatieve waarde keren de fase om).

Frequentie waarop de hoge frequentie-inhoud van het vertraagde geluid van delay 1 wordt afgekapt (BYPASS: geen afkapping).

Delaytijd vanaf het moment waarop geluid op delay 2 wordt ingevoerd, totdat het delaygeluid hoorbaar is.

Proportie van het delaygeluid dat naar de invoer van delay 2 wordt teruggevoerd (negatieve waarde keren de fase om).

Frequentie waarop de hoge frequentie-inhoud van het vertraagde geluid van delay 2 wordt afgekapt (BYPASS: geen afkapping).

Panning van het delaygeluid.

Hoeveelheid boost/cut voor de lage frequentiereeks.

Hoeveelheid boost/cut voor de hoge frequentiereeks

Volumebalans van het directe geluid (D) en het delaygeluid

(W).

Uitgangsniveau

Parameter

Delay Left

Delay Right

Waarde

0–1300 ms, note

Omschrijving

Past de tijd totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

174

Effectenlijst

Parameter Waarde

Feedback

Mode

NORMAL,

CROSS

Feedback # -98– +98 %

HF Damp

Rate #

Depth

Phase

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

200–8000 Hz,

BYPASS

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0-180 deg

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Selecteert de manier waarop delaygeluid in het effect wordt teruggevoerd (zie de bovenstaande figuren)

Past de hoeveelheid delaygeluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve instellingen (-) keren de fase om.

Past de frequentie waarboven geluid dat naar het effect wordt teruggevoerd uitgefilterd wordt. Als u geen hoge frequenties wilt uitfilteren, stelt u deze parameter op BYPASS in.

Modulatiefrequentie

Modulatiediepte

Ruimtelijke spreiding van het geluid

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het delaygeluid (W)

Uitgangsniveau

47: 3TAP PAN DELAY

Produceert drie delay geluiden: midden, links, en rechts.

fig.MFX-47

Balance D

L in

Left Tap

2-Band

EQ

Balance W

L out

R in

Triple Tap Delay

Feedback

Center Tap

Right Tap

Balance D

Balance W

2-Band

EQ

R out

Parameter Waarde

Delay Left/

Right/Center

Center

Feedback #

0–2600 ms, note

-98– +98 %

HF Damp 200–8000 Hz,

BYPASS

Left/Right/

Center Level

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de tijd totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

Past de hoeveelheid van het delaygeluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve instellingen (-) keren de fase om.

Past de frequentie aan waarboven geluid, dat naar het effect wordt teruggevoerd, wordt uitgefilterd. Als u geen hoge frequenties wilt uitfilteren zet u deze parameter op BYPASS.

Volume van elke delay.

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks.

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het delaygeluid (W)

Uitgangsniveau

48: 4TAP PAN DELAY

Dit effect heeft vier delays.

fig.MFX-48a

L in

R in

Balance D

Feedback

Delay 1

Delay 2

Quadruple Tap Delay

Delay 3

Delay 4

L out

Balance W

Balance D

Balance W

R out

1

2

L

Parameter

Delay 1–4

Time

Delay 1 Feedback #

HF Damp

Delay 1–4

Level

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

3

R

4

Waarde

0–2600 ms, note

-98– +98 %

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127 fig.MFX-48b

Stereo locatie van elke delay.

200–8000 Hz,

BYPASS

Omschrijving

Past de tijd totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

Past de hoeveelheid van het delaygeluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve instellingen (-) keren de fase om.

Past de frequentie aan waarboven geluid, dat naar het effect wordt teruggevoerd, wordt uitgefilterd. Als u geen hoge frequenties wilt uitfilteren zet u deze parameter op BYPASS.

Volume van elke delay.

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks.

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het delaygeluid (W)

Uitgangsniveau

49: MULTI TAP DELAY

Dit effect voorziet in vier delays. Elke Delay Time parameter kan ingesteld worden op een nootlengte, gebaseerd op het geselecteerde tempo. De panning en het niveau van elk delay geluid kunnen tevens worden ingesteld.

fig.MFX-49

Balance D

L in

Feed back

Delay 1

Delay 3

2-Band

EQ

Balance W

L out

Multi Tap Delay

Balance W

Delay 4

Delay 2

R in

Balance D

2-Band

EQ

R out

Parameter

Delay 1–4

Time

Delay 1 Feedback #

Waarde

0–2600 ms, note

-98– +98 %

HF Damp

Delay 1–4

Pan

Delay 1–4

Level

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

200–8000 Hz,

BYPASS

L64–63R

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de tijd totdat Delays 1-4 hoorbaar zijn aan.

Past de hoeveelheid van het delaygeluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve instellingen (-) keren de fase om.

Past de frequentie aan waarboven geluid, dat naar het effect wordt teruggevoerd, wordt uitgefilterd. Als u geen hoge frequenties wilt uitfilteren zet u deze parameter op BYPASS.

Stereo locatie van Delays 1-4

Uitgangsniveau van Delays 1-4

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks.

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het effectgeluid (W)

Uitgangsniveau

50: REVERSE DELAY

Dit is een omgekeerde delay die een omgekeerd en vertraagd geluid aan het invoergeluid toevoegt. Een tap delay is direct na de reverse

(omgekeerde) delay aangesloten.

175

Effectenlijst

fig.MFX-50

L in

2-Band

EQ

L out

Feedback

Rev. Delay

Rev

D1

Delay

D2

D3

R in

2-Band

EQ

R out

Parameter

Threshold

Rev Delay Time 0–1300 ms, note

Rev Delay

Feedback #

Rev Delay HF

Damp

Rev Delay Pan

Rev Delay

Level

Delay 1 – 3

Time

Delay 3 Feedback #

Delay HF

Damp

Delay 1 Pan’,

‘Delay 2 Pan

Delay 1 Level’,

‘Delay 2 Level

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Range

0–127

-98– +98%

200–8000 Hz,

BYPASS

L64–63R

0–127

0–1300 ms, note

-98– +98%

200–8000 Hz, BYPASS

L64–63R

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Volume waarop de omgekeerde delay toegepast begint te worden.

Delaytijd vanaf het moment dat geluid op de omgekeerde delay wordt ingevoerd, totdat het delaygeluid hoorbaar is.

Proportie van het delaygeluid dat naar de invoer van de omgekeerde delay wordt teruggevoerd (negatieve waarde keren de fase om).

Frequentie waarop de hoge frequentie-inhoud van het omgekeerde vertraagde geluid wordt afgekapt

(BYPASS: geen afkapping).

Panning van het omgekeerde delaygeluid.

Volume van het omgekeerde delaygeluid.

Delaytijd vanaf het moment dat geluid op de tap delay wordt ingevoerd, totdat het delaygeluid hoorbaar is.

Proportie van het delaygeluid dat naar de invoer van het tap delaygeluid wordt teruggevoerd (negatieve waarde keren de fase om).

Frequentie waarop de lage frequentie-inhoud van het tap delaygeluid wordt afgekapt

(BYPASS: geen afkapping).

Panning van het tap delaygeluid.

Volume van het tap delaygeluid.

Hoeveelheid boost/cut voor de lage frequentiereeks.

Hoeveelheid boost/cut voor de hoge frequentiereeks

Volumebalans van het directe geluid (D) en het delaygeluid

(W).

Uitgangsniveau

51: SHUFFLE DELAY

Voegt een shuffle aan het delaygeluid toe, waardoor het geluid een springerig delay effect met een swing gevoel krijgt.

fig.MFX-51

L in

Feedback

2-Band

EQ

L out

Delay A A

Delay

R in

Parameter Waarde

Delay Time # 0–2600 ms, note

Delay B B

2-Band

EQ

R out

Omschrijving

Past de tijd totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

Parameter

Shuffle

Rate #

Acceleration

Feedback #

HF Damp

Pan A/B

Level A/B

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

0–100 %

0–15

-98– +98 %

200–8000 Hz,

BYPASS

0–127

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de ratio (als een percentage) van de tijd aan, die verstrijkt voordat Delay B klinkt, relatief aan de tijd die verstrijkt voordat Delay A klinkt.

Als dit op 100% staat, zijn de delay tijden hetzelfde.

Past de tijd aan waarbinnen de Delay

Time van de huidige instelling in zijn gespecificeerde nieuwe instelling verandert.

Past de hoeveelheid van de delay die naar het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Past de frequentie aan waarboven geluid, dat naar het effect wordt teruggevoerd, wordt uitgefilterd. Als u geen hoge frequenties wilt uitfilteren, zet u deze parameter op BYPASS.

Stereo locatie van Delay A / B.

Volume van Delay A / B

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks

Volumebalans tussen het directe geluid

(W) en het effectgeluid (W).

Uitgangsniveau

52: 3D DELAY

Dit pas een 3D effect op het delaygeluid toe. Het delaygeluid wordt op 90 graden links en 90 graden rechts geplaatst.

fig.MFX-52

L

Level

2-Band

EQ

3D Delay L

L out

3D Delay C

Feedback

3D Delay R

R 2-Band

EQ

R out

Parameter

Delay Left

Delay Right

Delay Center

Center

Feedback #

HF Damp

Left Level

Right Level

Center Level

Output Mode

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

0–2600 ms, note

-98– +98 %

200–8000 Hz, BYPASS

0–127

SPEAKER, PHONES

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

Past de proporties van het delaygeluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve instellingen (-) keren de fase om.

Past de frequentie aan waarboven geluid, dat naar het effect wordt teruggevoerd, wordt uitgefilterd. Als u geen hoge frequenties wilt uitfilteren zet u deze parameter op

BYPASS.

Uitgangsniveau van het delaygeluid.

Past de methode aan die gebruikt wordt om geluid dat naar de OUTPUT jacks wort gestuurd te beluisteren. Het optimale 3D effect wordt bereikt als SPEAKER geselecteerd wordt wanneer luidsprekers worden gebruikt of

PHONES wanneer een koptelefoon wordt gebruikt.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (W) en het effectgeluid (W).

Uitgangsniveau

176

Effectenlijst

53: TIME CTRL DELAY

Een stereo delay waarin de delaytijd vloeiend gevarieerd kan worden.

fig.MFX-53

L in 2-Band EQ L out

Time Ctrl Delay Pan L

R in

Feedback

Feedback

Time Ctrl Delay Pan R

2-Band EQ R out

Parameter

Delay Time #

Acceleration

Feedback #

HF Damp

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

0–1300 ms, note

0–15

-98– +98 %

200–8000 Hz,

BYPASS

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de tijd totdat het delay geluid hoorbaar is aan.

Past de tijd aan waarbinnen de

Delay Time van de huidige instelling in zijn gespecificeerde nieuwe instelling verandert.

Past de hoeveelheid van de delay die naar het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Past de frequentie aan waarboven geluid, dat naar het effect wordt teruggevoerd, wordt uitgefilterd. Als u geen hoge frequenties wilt uitfilteren, zet u deze parameter op BYPASS.

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks

Volumebalans tussen het directe geluid (W) en het delaygeluid

(W).

Uitgangsniveau

54: LONG TIME CTRL DELAY

Een delay waarin de delaytijd vloeiende gevarieerd kan worden, en een langere delay geproduceerd kan worden.

fig.MFX-54

L in

Balance D

2-Band

EQ

Balance W

L out

Time Control Delay

R in

Feedback

Balance D

Balance W

2-Band

EQ

R out

Parameter

Delay Time #

Acceleration

Feedback #

HF Damp

Pan #

Waarde

0–2600 ms, note

0–15

-98– +98 %

200–8000 Hz,

BYPASS

L64–63R

Omschrijving

Past de tijd totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

Past de tijd aan waarbinnen de Delay

Time van de huidige instelling in zijn gespecificeerde nieuwe instelling verandert.

De snelheid in verandering voor de

Delay Time is direct van invloed op de snelheid van toonhoogte verandering.

Past de hoeveelheid van de delay die naar het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Past de frequentie aan waarboven geluid, dat naar het effect wordt teruggevoerd, wordt uitgefilterd. Als u geen hoge frequenties wilt uitfilteren, zet u deze parameter op BYPASS.

Stereo locatie van de delay

Parameter

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Gain van de lage frequentiereeks

Gain van de hoge frequentiereeks

Volumebalans tussen het directe geluid

(W) en het delaygeluid (W).

Uitgangsniveau

55: TAPE ECHO

Een virtuele echo die een realistisch band delay geluid produceert.

Dit simuleert de band echo sectie van een Roland RE-201 Space

Echo.

fig.MFX-55

L in L out

Direct Level

Echo Level

Tape Echo

Echo Level

R in R out

Direct Level

Parameter

Mode

Repeat Rate #

Wow/Flutter

Rate

Wow/Flutter

Depth

Echo Level #

Direct Level #

Level

Waarde

S, M, L,

S+M, S+L,

M+L,

S+M+L

0–127

Intensity #

Bass

Treble

Head S Pan

Head M Pan

Head L Pan

Tape Distortion 0–5

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

L64–63R

0–127

0–127

0–127

0–127

0–127

Omschrijving

Combinatie van afspeelkoppen die gebruikt worden

Selecteer uit drie verschillende koppen met verschillende delay tijden.

S : kort M : middel L : lang

Band snelheid

Het verhogen van deze waarde verkort de onderlinge afstand tussen de vertraagde geluiden.

Aantal delay herhalingen

Boost/cut van de lage reeks van het echo geluid

Boost/cut van de hoge reeks van het echo geluid

Onafhankelijke panning van de korte, midden, en lange afspeelkoppen.

Hoeveelheid band-afhankelijke vervorming die toegevoegd wordt.

Dit simuleert de lichte tonale veranderingen die met signaalanalyse apparatuur gedetecteerd kunnen worden.

Door het toenemen van deze waarde zal de vervorming toenemen.

Snelheid van wow/flutter (complexe variatie in toonhoogte veroorzaakt door band slijtage en onregelmatige rotatie).

Diepte van wow/flutter

Volume van het echo geluid

Volume van het originele geluid

Uitgangsniveau

56: LOFI NOISE

Naast een lo-fi effect voegt dit effect verscheidene types ruis toe, zoals witte ruis en disk ruis.

fig.MFX-56

L in

2-Band

EQ

L out

Lo-Fi

Noise Gen.

Lo-Fi

R in

2-Band

EQ

R out

177

Effectenlijst

Parameter

LoFi Type

Post Filter

Type

Post Filter

Cutoff

W/P Noise

Type

W/P Noise

LPF

W/P Noise

Level #

Disc Noise

Type

Disc Noise

LPF

Disc Noise

Level #

Hum Noise

Type

Hum Noise

LPF

Hum Noise

Level #

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

1–9

OFF, LPF,

HPF

200–8000 Hz

WHITE,

PINK

200–8000 Hz,

BYPASS

0–127

LP, EP, SP,

RND

200–8000 Hz,

BYPASS

0–127

50 Hz, 60 Hz

200–8000 Hz,

BYPASS

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Degradeert de geluidskwaliteit. De geluidskwaliteit wordt minder als deze waarde wordt verhoogd.

Type filter

OFF : er wordt geen filter gebruikt

LPF : kapt de frequentiereeks boven de

Cutoff af

HPF : kapt de frequentiereeks onder de

Cutoff af.

Middenfrequentie van het filter.

Schakelt tussen witte ruis en roze ruis.

Middenfrequentie van het laagpas filter dat op witte/roze ruis wordt toegepast

(BYPASS: geen afkapping)

Volume van de witte/roze ruis.

Type record ruis

De frequentie waarop de ruis hoorbaar is hangt af van het geselecteerde type.

Past de cutoff frequentie van het laagpas filter dat op de record ruis wordt toegepast aan. Als u hoge frequenties niet wilt uitfilteren stelt u deze parameter op

BYPASS in.

Volume van de record ruis.

Frequentie van de hum ruis.

Middenfrequentie van het laagpas filter dat op de hum ruis wordt toegepast

(BYPASS: geen afkapping)

Volume van de hum ruis.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het effectgeluid (W)

Uitgangsniveau

57: LOFI COMPRESS

Dit is een effect dat de geluidskwaliteit opzettelijk degradeert, voor creatieve doeleinden.

fig.MFX-57

L in Compressor Lo-Fi

2-Band

EQ

L out

R in Compressor Lo-Fi

2-Band

EQ

R out

Parameter Waarde

Pre Filter

Type

LoFi Type

Post Filter

Type

Post Filter

Cutoff

Low Gain

High Gain

Balance #

Level #

1–6

1–9

OFF, LPF,

HPF

200–8000 Hz

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Selecteert het type filter dat op het geluid wordt toegepast voordat het door het Lo-

Fi effect gaat.

Degradeert de geluidskwaliteit. De geluidskwaliteit neemt af als deze waarde toeneemt.

Type filter

OFF : er wordt geen filter gebruikt

LPF : kapt de frequentiereeks boven de

Cutoff af

HPF : kapt de frequentiereeks onder de

Cutoff af.

Basis frequentie van het Post filter.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het effectgeluid (W)

Uitgangsniveau

58: LOFI RADIO

Naast een Lo-Fi effect genereert dit effect ook radio ruis.

fig.MFX-58

L in

2-Band

EQ

L out

Lo-Fi

Radio

Lo-Fi

R in

2-Band

EQ

R out

Parameter

LoFi Type

Post Filter

Type

Waarde

1–9

OFF, LPF,

HPF

Post Filter

Cutoff

Radio

Detune #

Radio Noise

Level #

Balance #

Level

200–8000 Hz

0–127

0–127

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Verlaagt de geluidskwaliteit. De geluidskwaliteit wordt minder naarmate deze waarde toeneemt.

Type filter

OFF: geen filter wordt gebruikt

LPF: kapt de frequentiereeks boven de

Cutoff af

HPF: kapt de frequentiereeks onder de

Cutoff af

Basisfrequentie van het Post Filter

Simuleert het geluid van afstemming van een radio. Hoe hoger deze waarde, hoe meer de afstemming afwijkt.

Volume van de radio ruis.

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het effectgeluid (W)

Uitgangsniveau

59: TELEPHONE

fig.MFX-59

L in Telephone

R in Telephone

L out

R out

Parameter

Voice

Quality #

Treble

Balance #

Level

Waarde

0–15

-15– +15 dB

D100:0–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Geluidskwaliteit van de telefoonstem.

Bandbreedte van de telefoonstem.

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het effectgeluid (W)

Uitgangsniveau

60: PHONOGRAPH

Simuleert een geluid dat op een analoge langspeelplaat is opgenomen en op een platenspeler wordt afgespeeld. Dit effect simuleert ook de verscheidene types ruis die kenmerkend voor een langspeelplaat zijn, en zelfs de onregelmatigheden in rotatie van een oude draaitafel.

fig.MFX-60

Balance D

L in L out

Balance W Phonograph

Phonograph Balance W

R in R out

Balance D

178

Effectenlijst

Parameter Waarde

Signal

Distortion

Frequency

Range

0–127

0–127

Disc Type LP, EP, SP

Scratch Noise

Level

Dust Noise

Level

Hiss Noise

Level

Total Noise

Level #

Wow

Flutter

Random

Total Wow/

Flutter #

Balance #

Level

0–127

0–127

0–127

0–127

0–127

0–127

0–127

0–127

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Diepte van vervorming

Frequentie respons van het afspeelsysteem

Een afname van deze waarde produceert de indruk van een oud systeem met een matige frequentie respons.

Rotatiesnelheid van de draaitafel.

Dit is van invloed op de frequentie van de scratch ruis.

Hoeveelheid ruis, veroorzaakt door krassen op de langspeelplaat.

Volume van ruis veroorzaakt door stof op de langspeelplaat

Volume van doorlopende ‘sis’.

Volume van algehele ruis.

Diepte van lange cyclus rotatie onregelmatigheid.

Diepte van korte cyclus rotatie onregelmatigheid.

Diepte van oneindige cyclus rotatie onregelmatigheid.

Diepte van algehele rotatie onregelmatigheid.

Volumebalans tussen het directe geluid

(D) en het effectgeluid (W)

Uitgangsniveau

61: PITCH SHIFTER

(Feedback Pitch Shifter)

Een stereo Pitch shifter.

fig.MFX-61

L in 2-Band EQ

Pitch Shifter

Pitch Shifter

R in 2-Band EQ

L out

R out

Parameter

Coarse #1

Fine #1

Delay Time

Feedback #

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

-24– +12 semi

-100– +100 cent

0–1300 ms, note

-98– +98 %

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de toonhoogte van het in toonhoogte verschoven geluid in stappen van halve tonen aan.

Past de toonhoogte van het in toonhoogte verschoven geluid in stappen van 2 cent aan.

Past de delay tijd vanaf het directe geluid totdat het in toonhoogte verschoven geluid hoorbaar is aan.

Past de proportie van het in toonhoogte verschoven geluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het in toonhoogte verschoven geluid (W).

Uitgangsniveau

62: 2VOICE PITCH SHIFTER

Verschuift de toonhoogte van het originele geluid. Deze 2-stemmige

Pitch shifter heeft twee Pitch shifters, en kan twee in toonhoogte verschoven geluiden aan het originele geluid toevoegen.

fig.MFX-62

L in

R in

Balance D

Level 1

Pan 1 L

2Voice Pitch Shifter

Pan 1 R

Pan 2 L

Pan 2 R

Level 1

Balance D

L out

Balance W

Balance W

R out

Parameter

Pitch 1:

Coarse #1

Pitch 1:Fine #1

Pitch 1:Delay

Pitch 1:Feedback #

Pitch 1:Pan #

Pitch 1:Level

Pitch 2:

Coarse #2

Pitch 2:Fine #2

Pitch 2:Delay

Pitch 2:Feedback #

Pitch 2:Pan #

Pitch 2:Level

Low Gain

High Gain

Level Balance

Balance

Level

Waarde

-24-+12 semi

-100-+100 cent

0–1300 ms, note

-98– +98 %

L64-63R

0–127

-24-+12 semi

-100-+100 cent

0–1300 ms, note

-98– +98 %

L64-63R

0–127

-15– +15 dB

-15– +15 dB

A100:0B-A0:100B

D100:0W-D0:100W

0-127

Omschrijving

Past de toonhoogte van Pitch

Shift 1 in stappen van halve tonen aan.

Past de toonhoogte van Pitch

Shift 1 in stappen van 2 cent aan.

Past de delay tijd vanaf het directe geluid totdat het Pitch

Shift 1 geluid hoorbaar is aan.

Past de proportie van het in toonhoogte verschoven geluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Stereo locatie van het Pitch Shift

1 geluid.

Volume van het Pitch Shift 1 geluid.

Instellingen van het Pitch Shift 2 geluid.

De parameters zijn hetzelfde als die van het Pitch Shift 1 geluid.

Gain van de lage reeks.

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen de Pitch

Shift 1 en Pitch Shift 2 geluiden.

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het in toonhoogte verschoven geluid (W).

Uitgangsniveau

63: STEP PITCH SHIFTER

Een Pitch shifter, waarin de hoeveelheid Pitch shift door een 16-staps sequens wordt afgewisseld.

fig.MFX-63

L in

2-Band

EQ

L out

Step Pitch Shifter

Step Pitch Shifter

R in

2-Band

EQ

R out

Parameter

Step 01–16

Rate #

Attack #

Gate tijd #

Range

-24– +12 semi

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0–127

Omschrijving

Hoeveelheid Pitch shift op elke stap (eenheden van halve tonen).

Snelheid waarop de 16-staps sequens zal rondgaan.

Snelheid waarmee de hoeveelheid Pitch shift verandert tussen stappen.

Tijdsduur van het in toonhoogte verschoven geluid op elke stap.

179

Effectenlijst

Parameter

Fine

Delay Time

Feedback #

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Range

-100– +100 cent

0–1300 ms, note

-98– +98%

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Pitch shift aanpassing voor alle stappen (eenheden van 2 cent).

Delaytijd vanaf het originele geluid totdat het in toonhoogte verschoven geluid hoorbaar is.

Proportie van het in toonhoogte verschoven geluid dat naar de invoer wordt teruggevoerd (negatieve waardes keren de fase om).

Hoeveelheid boost/cut voor de lage frequentiereeks.

Hoeveelheid boost/cut voor de hoge frequentiereeks.

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het in toonhoogte verschoven geluid (W).

Uitgangsniveau

64: OVERDRIVE

CHORUS

fig.MFX-66

L in

Balance D

L out

Balance W

Overdrive Chorus

R in

Balance W

R out

Balance D

Parameter

Overdrive

Drive #

Overdrive Pan

#

Chorus Pre

Delay

Chorus Rate #

Chorus Depth

Chorus

Balance #

Waarde

0–127

L64–63R

0.0–100.0 ms

0.05–10.00 Hz, note

0–127

D100:0W–D0:100W

Level 0–127

Omschrijving

Mate van vervorming

Verandert tevens het volume

Stereolocatie van het overdrive geluid

Past de delaytijd vanaf het directe geluid, totdat het chorus geluid hoorbaar is aan.

Modulatiefrequentie

Modulatiediepte

Past de volumebalans tussen het geluid dat door de chorus wordt gestuurd (W) en het geluid dat niet door de chorus gaat (D) aan.

Uitgangsniveau

65: OVERDRIVE

FLANGER

fig.MFX-67

Balance D

L in

Feedback

L out

Balance W

Overdrive Flanger

Balance W

R in R out

Balance D

Parameter

Overdrive

Drive #

Overdrive

Pan #

Flanger Pre

Delay

Waarde

0–127

L64–63R

0.0–100.0 ms

Flanger Rate #

Flanger Depth

0.05–10.00 Hz, note

0–127

Omschrijving

Mate van vervorming

Verandert tevens het volume

Stereo locatie van het overdrive geluid.

Past de delaytijd aan vanaf het moment dat het directe geluid begint, totdat het flanger geluid hoorbaar is.

Modulatie frequentie

Modulatiediepte

Parameter

Flanger

Feedback #

Flanger

Balance #

Level

Waarde

-98– +98 %

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de proportie van het flanger geluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve (-) instellingen keren de fase om).

Past de volumebalans tussen het geluid dat door de flanger wordt gestuurd (W) en het geluid dat niet door de flanger wordt gestuurd (D) aan.

Uitgangsniveau

66: OVERDRIVE

DELAY

fig.MFX-68

L in

Balance D

L out

Balance W

Overdrive Delay

R in

Feedback

Balance W

R out

Balance D

Parameter

Overdrive Drive

#

Overdrive Pan #

Delay Time

Waarde

0–127

L64–63R

0–2600 ms, note

Delay

Feedback #

Delay HF Damp

Delay Balance #

Level

-98– +98 %

200–8000 Hz,

BYPASS

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Mate van vervorming

Verandert tevens het volume

Stereo locatie van het overdrive geluid.

Past de delaytijd aan vanaf het moment dat het directe geluid begint, totdat het delay geluid hoorbaar is.

Past de proportie van het delaygeluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om).

Past de frequentie aan, waarboven geluid, dat naar het effect teruggevoerd wordt, zal worden afgekapt. Als u geen hoge frequenties wilt afkappen, stelt u deze parameter op

BYPASS in.

Past de volumebalans tussen het geluid dat door de delay wordt gestuurd (W) en het geluid dat niet door de delay wordt gestuurd (D) aan.

Uitgangsniveau

67: DISTORTION

CHORUS

De parameters zijn feitelijk hetzelfde als die van ’66: OVERDRIVE

[_+] DELAY’, met uitzondering van de volgende twee.

Overdrive Drive → Distortion Drive, Overdrive Pan → Distortion Pan fig.MFX-69

L in L out

Balance D

Balance W

Distortion Chorus

Balance W

R in R out

Balance D

68: DISTORTION

FLANGER

De parameters zijn feitelijk hetzelfde als die van ’65: OVERDRIVE

[_+] FLANGER’, met uitzondering van de volgende twee.

Overdrive Drive → Distortion Drive, Overdrive Pan → Distortion Pan

180

Effectenlijst

fig.MFX-70

L in

R in

Distortion

Balance D

Feedback

Flanger

L out

Balance W

Balance W

R out

Balance D

69: DISTORTION

DELAY

De parameters zijn feitelijk hetzelfde als die van ’66: OVERDRIVE

[_+] DELAY’, met uitzondering van de volgende twee.

Overdrive Drive → Distortion Drive, Overdrive Pan → Distortion Pan fig.MFX-71

L in L out

Balance D

Balance W

Distortion Delay

Balance W

Feedback

R in R out

Balance D

70: ENHANCER

CHORUS

fig.MFX-72

L in Enhancer

Mix Balance D

Chorus

L out

Balance W

Balance W

R out R in Enhancer

Mix Balance D

Parameter

Enhancer Sens #

Enhancer Mix #

Chorus Pre

Delay

Chorus Rate #

Chorus Depth

Chorus

Balance #

Level

Waarde

0–127

0–127

0.0–100.0 ms

0.05–10.00 Hz, note

0–127

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Gevoeligheid van de enhancer.

Niveau van de boventonen die door de enhancer gegenereerd worden.

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het flanger geluid hoorbaar is aan.

Modulatie frequentie.

Modulatie diepte.

Past de volumebalans tussen het geluid dat door de chorus wordt gestuurd (W) en het geluid dat niet door de chorus wordt gestuurd (W) aan.

Uitgangsniveau.

71: ENHANCER

FLANGER

fig.MFX-73

Balance D

L in Enhancer

Mix Feedback

Flanger

R in Enhancer

Mix Balance D

L out

Balance W

Balance W

R out

Parameter

Enhancer Sens #

Waarde

0–127

Omschrijving

Gevoeligheid van de enhancer.

Parameter

Enhancer Mix #

Flanger Pre

Delay

Flanger Rate #

Flanger Depth

Flanger

Feedback #

Flanger

Balance #

Level

Waarde

0–127

0.0–100.0 ms

0.05–10.00 Hz, note

0–127

-98– +98 %

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Niveau van de boventonen die door de enhancer gegenereerd worden.

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het flanger geluid hoorbaar is aan.

Modulatie frequentie.

Modulatie diepte.

Past de proportie van het flanger geluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Past de volumebalans tussen het geluid dat door de flanger wordt gestuurd (W) en het geluid dat niet door de flanger wordt gestuurd (W) aan.

Uitgangsniveau.

72: ENHANCER

DELAY

fig.MFX-74

L in Enhancer

Mix Balance D

R in Enhancer

Mix

Delay

Feedback

Balance D

L out

Balance W

Balance W

R out

Parameter

Enhancer Sens #

Enhancer Mix #

Waarde

0–127

0–127

Delay Time

Delay

Feedback #

Delay HF Damp 200–8000 Hz,

BYPASS

Delay Balance # D100:0W–D0:100W

Level

0–2600 ms, note

-98– +98 %

0–127

Omschrijving

Gevoeligheid van de enhancer.

Niveau van de boventonen die door de enhancer gegenereerd worden.

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

Past de proportie van het delaygeluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Past de frequentie aan, waarboven geluid, dat naar het effect teruggevoerd wordt, zal worden afgekapt. Als u geen hoge frequenties wilt afkappen, stelt u deze parameter op

BYPASS in.

Past de volumebalans tussen het geluid dat door de delay wordt gestuurd (W) en het geluid dat niet door de delay wordt gestuurd (W) aan.

Uitgangsniveau.

73: CHORUS

DELAY

fig.MFX-75

Balance D

L in

Balance W

Chorus

Balance W

Balance D

Delay

Feedback

R in

Balance D Balance D

L out

Balance W

Balance W

R out

181

Effectenlijst

Parameter

Chorus Pre

Delay

Chorus Rate #

Chorus Depth

Chorus

Balance #

Delay Time

Delay

Feedback #

Delay HF

Damp

Delay

Balance #

Level

Waarde

0.0–100.0 ms

0.05–10.00 Hz, note

0–127

D100:0W–D0:100W

0–2600 ms, note

-98– +98 %

200–8000 Hz,

BYPASS

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de delaytijd vanaf het begin van het directe geluid, totdat het chorus geluid hoorbaar is aan.

Modulatie frequentie

Modulatiediepte

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het chorus geluid (W)

Past de delaytijd vanaf het directe geluid, totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

Past de proportie van het delaygeluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Past de frequentie aan, waarboven geluid dat naar het effect teruggevoerd wordt, zal worden afgekapt. Als u geen hoge frequenties wilt afkappen, stelt u deze parameter op BYPASS in.

Past de volumebalans tussen het geluid dat door de delay wordt gestuurd (W) en het geluid dat niet door de delay wordt gestuurd (W) aan.

Uitgangsniveau.

74: FLANGER

DELAY

* MFX only fig.MFX-76

Balance D

L in

Feedback

Balance W

Flanger

Balance W

R in

Balance D

Balance D

Delay

Feedback

Balance D

L out

Balance W

Balance W

R out

Parameter

Flanger Pre

Delay

Flanger Rate #

Flanger Depth

Flanger

Feedback #

0.05–10.00 Hz, note

0–127

-98– +98 %

Flanger

Balance #

Delay Time

Delay

Feedback #

Delay HF

Damp

Waarde

0.0–100.0 ms

D100:0W–D0:100W

0–2600 ms, note

-98– +98 %

200–8000 Hz,

BYPASS

Omschrijving

Past de delaytijd vanaf het moment dat het directe geluid begint, totdat het chorus geluid hoorbaar is aan.

Modulatie frequentie

Modulatiediepte

Past de proportie van het flanger geluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het flanger geluid (W)

Past de delaytijd vanaf het directe geluid, totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

Past de proportie van het delaygeluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Past de frequentie aan, waarboven geluid dat naar het effect teruggevoerd wordt, zal worden afgekapt. Als u geen hoge frequenties wilt afkappen, stelt u deze parameter op

BYPASS in.

Parameter

Delay

Balance #

Level

Waarde

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de volumebalans tussen het geluid dat door de delay wordt gestuurd (W) en het geluid dat niet door de delay wordt gestuurd (W) aan.

Uitgangsniveau.

75: CHORUS

FLANGER

* MFX only fig.MFX-77

Balance D Balance D

L in

Feedback

Balance W

Chorus

Balance W

Flanger

L out

Balance W

Balance W

R in R out

Balance D Balance D

Parameter

Chorus Pre

Delay

Chorus Rate #

Chorus Depth

Chorus

Balance #

Flanger Pre

Delay

0.05–10.00 Hz, note

0–127

D100:0W–D0:100W

0.0–100.0 ms

Flanger Rate #

Flanger Depth

Flanger

Feedback #

0.05–10.00 Hz, note

0–127

-98– +98 %

Flanger

Balance #

Level

Waarde

0.0–100.0 ms

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Past de delaytijd vanaf het moment dat het directe geluid begint, totdat het chorus geluid hoorbaar is aan.

Modulatiefrequentie van het chorus effect.

Modulatiediepte van het chorus effect

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het chorus geluid

(W).

Past de delaytijd vanaf het moment dat het directe geluid begint, totdat het flanger geluid hoorbaar is aan.

Modulatiefrequentie van het flanger effect.

Modulatiediepte van het flanger effect.

Past de proportie van het flanger geluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan.

Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Past de volumebalans tussen het geluid dat door de flanger wordt gestuurd (W) en het geluid dat niet door de flanger wordt gestuurd (W) aan.

Uitgangsniveau.

76: SYMPATHETIC RESONANCE

Als het demperpedaal op een akoestische piano wordt ingedrukt, kunnen andere snaren meetrillen met de noten die u speelt, hetgeen rijke en ruimtelijke resonanties produceert. Dit effect simuleert deze meeklinkende resonanties.

fig.MFX-78

L in L out

Sym. Resonance

R in R out

Parameter

Damper #

Depth #

Range

0–127

0–127

Omschrijving

Diepte waarmee het demperpedaal wordt ingedrukt (regelt de sympathische resonantie)

Diepte van het effect.

182

Effectenlijst

Parameter

Octave

Detune

Phase

Low Damp

Freq

Low Damp

Range

-3– +3 oct

-50– +50 cent

NORMAL,

INVERSE

20–1000 Hz

1–100 %

High Damp

Freq

High Damp

1000–10000 Hz

1–100 %

Time

Level

10–5000 ms

0–127

Omschrijving

Hoeveelheid octaaf verschuiving voor de sympathische resonantie.

Hoeveelheid toonhoogte verschuiving voor de sympathische resonantie.

Fase waarop de sympathische resonantie gegenereerd wordt.

Frequentie waarop de lage reeks van de sympathische resonantie wordt afgekapt.

Hoeveelheid afzwakking waarmee de lage reeks van de sympathische resonantie wordt afgekapt. (100% is geen effect)

Frequentie waarop de hoge reeks van de sympathische resonantie wordt afgekapt.

Hoeveelheid afzwakking waarmee de hoge reeks van de sympathische resonantie wordt afgekapt. (100% is geen effect)

Tijd waarbinnen de sympathische resonantie zal wegsterven (door verlaging van de

Octave instelling wordt dit duidelijker)

Uitgangsniveau

77: REVERB

Voegt weerkaatsing aan het geluid toe, simuleert een akoestische ruimte.

fig.MFX-64

L in

Balance D

2-Band

EQ

Balance W

L out

Reverb

R in

Balance D

Balance W

2-Band

EQ

R out

Parameter

Type

Pre Delay

Time #

HF Damp

Low Gain

High Gain

Balance #

Level

Waarde

ROOM1,

ROOM2,

STAGE1,

STAGE2, HALL1,

HALL2

0.0–100.0 ms

0–127

200–8000 Hz,

BYPASS

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–

D0:100W

0–127

Omschrijving

Type reverb

ROOM1 : compacte reverb met korte decay

ROOM2 : magere reverb met korte decay

STAGE1 : reverb met meer late weerkaatsingen

STAGE2 : reverb met sterke vroege reflecties

HALL1 : reverb met heldere weerkaatsing

HALL2 : reverb met rijke weerkaatsingen

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het reverb geluid hoorbaar is aan.

Tijdslengte van weerkaatsing

Past de frequentie waarboven het weerkaatsende geluid afgekapt zal worden aan.

Als de frequentie lager wordt ingesteld, zal meer van de hoge frequenties worden afgekapt, hetgeen resulteert in een zachtere en doffere resonantie. Als u de hoge frequenties niet wilt afkappen, stelt u deze parameter op

BYPASS in.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het reverb geluid (W)

Uitgangsniveau

78: GATED REVERB

Dit is een speciaal type reverb waarin het weerkaatsende geluid voor zijn natuurlijke lengte wordt afgekapt.

fig.MFX-65

L in

Balance D

2-Band

EQ

Balance W

L out

Gated Reverb

R in

Balance D

Balance W

2-Band

EQ

R out

Parameter

Type

Pre Delay

Gate tijd

Low Gain

High Gain

Balance #

Level #

Waarde

NORMAL, REVERSE,

SWEEP1, SWEEP2

0.0–100.0 ms

5–500 ms

-15– +15 dB

-15– +15 dB

D100:0W–D0:100W

0–127

Omschrijving

Type reverb

NORMAL : conventionele gated reverb

REVERSE : achterwaartse reverb

SWEEP1 : het weerkaatsende geluid beweegt van rechts naar links

SWEEP2 : het weerkaatsende geluid beweegt van rechts naar links

Past de delaytijd vanaf het directe geluid, totdat het reverb geluid hoorbaar is aan.

Past de tijd vanaf het moment dat de reverb hoorbaar is, totdat deze verdwijnt aan.

Gain van de lage reeks

Gain van de hoge reeks

Volumebalans tussen het directe geluid (D) en het reverb geluid (W)

Uitgangsniveau

183

Effectenlijst

Bij het gebruik van 3D effecten

De volgende 3D effecten maken gebruik van RSS (Roland

Sound Space) technologie, om een ruimtelijkheid te creëren die niet door delay, reverb, chorus enz. geproduceerd kan worden.

52: 3D DELAY

29: 3D CHORUS

30: 3D FLANGER

31: 3d STEP FLANGER

Wanneer deze effecten worden gebruikt, adviseren wij u de luidsprekers als volgt te plaatsen. Ook moet u zorgen dat de luidsprekers zich aan elke kant op voldoende afstand van de muren bevinden.

fig.33-002

30˚ 30˚

Als de linker en rechter luidsprekers te ver uit elkaar staan of als er teveel weerkaatsing is, kan het 3D effect mogelijk niet optreden.

Al deze effecten hebben een ‘Output Mode’ parameter. Als het geluid van de OUTPUT jacks via de luidsprekers wordt beluisterd, zet u deze parameter op ‘SPEAKER’. Als het geluid via een koptelefoon wordt beluisterd, stelt u deze op ‘PHONES’ in. Dit verzekert u ervan dat het 3D effect hoorbaar is. Wanneer deze parameter niet correct is ingesteld, kan het volledige 3D effect mogelijk niet optreden.

Over de STEP RESET functie

06: STEP FILTER

16: STEP RING MODULATOR

19: STEP PAN

20: SLICER

63: STEP PITCH SHIFTER

De bovenstaande vijf types bevatten een zestien-staps sequencer.

Voor deze types kunt u een multi-effect control gebruiken om de sequens opnieuw vanaf de eerste stap af te laten spelen.

Om dit te doen, stelt u de multi-effect control Destination op

‘Step Reset’.

Als u bijvoorbeeld de modulatie hendel gebruikt om het effect te besturen, zou u de volgende instellingen maken:

Source : CC01: MODULATION

Destination : Step Reset

Sens : +63

Met deze instellingen zal de sequens vanaf de eerste stap afspelen, wanneer u de modulatie hendel bedient.

note: fig.MFX-note2.e_88

(64ste triool), (64ste noot), (32ste triool),

(32ste noot), (16e triool),

(8ste triool),

(Gepuncteerde 32ste noot),

(16e noot), (Gepuncteerde 16e noot),

(8ste noot), (Kwartentriool),

(Kwartnoot), (Halve triool),

(Gepuncteerde 8ste noot),

(Gepuncteerde kwartnoot), (Halve noot),

(Hele noot triool), (Gepuncteerde halve noot),

(Dubbele noot triool), (Gepuncteerde hele noot),

(Hele noot),

(Dubbele noot)

Chorus Parameters

De Chorus effecteenheid van de Fantom-G kan ook als een stereo delay eenheid worden gebruikt.

Met deze instellingen kunt u chorus of delay selecteren, en de kenmerken van het geselecteerde effecttype.

Parameter

Chorus Type

Feedback

Value

00 (OFF),

01 (CHORUS),

02 (DELAY),

03 (GM2 CHORUS)

Type: 01 (CHORUS)

Rate

Depth

Pre Delay

0.05–10.00 Hz, note

0–127

0.0–100.0 ms

0–127

Omschrijving

Selecteert Chorus of Delay

0 (OFF); Geen Chorus of Delay wordt gebruikt.

1 (CHORUS): Chorus wordt gebruikt.

2 (DELAY): delay wordt gebruikt.

3 (GM2 CHORUS): GM2 Chorus wordt gebruikt.

Modulatie frequentie

Modulatie diepte

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het chorus geluid hoorbaar is aan.

Past de hoeveelheid van het chorus geluid dat naar het effect wordt teruggevoerd aan.

184

Effectenlijst

Parameter

Filter Type

Cutoff Freq

Phase

Value

OFF, LPF, HPF

200–8000 Hz

0–180˚

Omschrijving

Type filter

OFF : er wordt geen filter gebruikt

LPF : kapt de frequentiereeks boven de Cutoff Freq af

HPF : kapt de frequentiereeks onder de Cutoff Freq af.

Basisfrequentie van het filter.

Ruimtelijke spreiding van het geluid.

Type: 02 (DELAY)

Delay Left

Delay Right

Delay Center

Center Feedback

0–1000 ms, note

-98– +98 %

HF Damp 200–8000 Hz,

BYPASS

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het delaygeluid hoorbaar is aan.

Past de proportie van het delaygeluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan. Negatieve (-) instellingen keren de fase om.

Past de frequentie waarboven geluid dat naar het effect wordt teruggevoerd afgekapt zal worden.

Als u de hoge frequenties niet wilt afkappen, stelt u deze parameter op

BYPASS in.

Volume van elk delay geluid.

Left Level

Right Level

0–127

Center Level

Type: 03 (GM2 CHORUS)

Pre-LPF 0–7

Level

Feedback

Delay

Rate

Depth

Send Level

To Reverb

0–127

0–127

0–127

0–127

0–127

0–127

Kapt de hoge frequentiereeks van het geluid dat in de chorus komt af.

Hoge waardes kappen meer van de hoge frequenties af.

Volume van het chorus geluid.

Past de hoeveelheid chorus geluid dat in et effect wordt teruggevoerd aan.

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het chorus geluid hoorbaar is aan.

Modulatie frequentie

Modulatiediepte

Past de hoeveelheid chorus geluid dat naar de reverb wordt gezonden aan.

note: fig.MFX-note2.e

(64ste triool), (64ste noot), (32ste triool),

(Gepuncteerde 32ste noot), (32ste noot), (16e triool),

(16e noot), (8ste triool),

(Kwartentriool),

(Gepuncteerde 16e noot),

(Gepuncteerde 8ste noot), (8ste noot),

(Kwartnoot), (Halve triool), (Gepuncteerde kwartnoot),

(Hele noot triool), (Gepuncteerde halve noot),

(Halve noot),

(Hele noot),

(Dubbele noot triool), (Gepuncteerde hele noot), (Dubbele noot)

Reverb parameters

Met deze instellingen kunt u het gewenste reverb type en zijn kenmerken selecteren.

Parameter Value

Reverb

Type

00 (OFF),

01 (REVERB),

02 (SRV ROOM),

03 (SRV HALL),

04 (SRV PLATE),

05 (GM2

REVERB),

06 (ROOM),

07 (HALL),

08 (PLATE),

09 (STUDIO),

10 (CHURCH)

Type: 01 (REVERB)

Omschrijving

Type reverb

Parameter

Type

Value

ROOM1,

ROOM2,

STAGE1,

STAGE2, HALL1,

HALL2, DELAY,

PAN-DELAY

Omschrijving

Type reverb/delay

ROOM1 : korte reverb met hoge dichtheid

ROOM2 : korte reverb met lage dichtheid

STAGE1 : reverb met meer late weerkaatsingen

STAGE2 : reverb met sterke vroege reflecties

HALL1 : zeer helder klinkende reverb

HALL2 : rijke reverb

DELAY : conventioneel delay effect

PAN-DELAY : delay effect met echo’s die links en rechts pannen

Time

HF Damp

Delay

Feedback

0–127

200–8000 Hz,

BYPASS

0–127

Tijdslengte van weerkaatsing

(Type: ROOM1-HALL2)

Delay tijd

(Type: DELAY, PAN-DELAY)

Past de frequentie waarboven de hoge frequentie-inhoud van het reverb geluid afgekapt of ‘gedempt’ zal worden aan. Als u de hoge frequenties niet wilt afkappen, stelt u deze parameter op BYPASS in.

Past de hoeveelheid vertraagde feedback aan, als de Type instelling DELAY of PAN-

DELAY is.

Type: 02 (SRV ROOM)/03 (SRV HALL)/04 (SRV PLATE)

Pre

Delay

Time

Size

Density

Diffusion

LF Damp

Freq

0.0–100.0 ms

0–127

1–8

High Cut 160 Hz–12.5 kHz,

BYPASS

0–127

0–127

50–4000 Hz

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het reverb geluid hoorbaar is aan.

Tijdslengte van weerkaatsing.

Afmeting van de gesimuleerde kamer of zaal.

Past de frequentie waarboven het hoge frequentie inhoud van het reverb geluid gereduceerd zal worden aan. Als u de hoge frequenties niet wilt reduceren, stelt u deze parameter op BYPASS in.

Dichtheid van reverb

Past de verandering in de dichtheid van de reverb binnen een bepaalde tijd aan. Hoe hoger de waarde, hoe meer de dichtheid toeneemt. (Het effect van deze instelling is het duidelijkst bij lange reverb tijden).

Past de frequentie waarboven de lage frequentie-inhoud van het reverb geluid gereduceerd of ‘gedempt’ zal worden aan.

LF Damp

Gain

HF Damp

Freq

HF Damp

Gain

-36–0 dB Past de hoeveelheid demping, toegepast op de frequentiereeks die met LF Damp is geselecteerd, aan.

Op ‘0’ingesteld is er geen reductie van de lage frequentie-inhoud van de reverb.

4000 Hz–12.5 kHz Past de frequentie waarboven het hoge frequentie-inhoud van het reverb geluid gereduceerd of ‘gedempt’ zal worden aan.

-36–0 dB Past de hoeveelheid demping, toegepast op de frequentiereeks die met HF Damp is geselecteerd, aan.

Op ‘0’ingesteld is er geen reductie van de hoge frequentie-inhoud van de reverb.

Type: 05 (GM2 REVERB)

Character 0–7

Pre-LPF

Level

Time

Delay

Feedback

0–7

0–127

0–127

0–127

Type reverb

0–5: reverb

6, 7: delay

Kapt de hoge frequentiereeks van het geluid dat in de reverb komt af.

Hogere waardes kappen meer van de hoge frequenties af.

Uitgangsniveau van weerkaatsing.

Tijdsduur van weerkaatsing.

Past de hoeveelheid delaygeluid dat in het effect wordt teruggevoerd aan, wanneer de

Reverb Character instelling 6 of 7 is.

Type: 06 (ROOM)/09 (STUDIO)

Pre Delay 0–127

Time

Low Damp

Freq

0.1–3.0 sec

20–1000 Hz

Low Damp 1–100 %

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het reverb geluid hoorbaar is aan.

Tijdsduur van weerkaatsing.

Past de frequentie waaronder de lage frequentie-inhoud van het reverb geluid gereduceerd of ‘gedempt’ zal worden aan.

Past de hoeveelheid demping, toegepast op de frequentiereeks die met LF Damp is geselecteerd, aan.

Op ‘100%’ingesteld is er geen reductie van de lage frequentie-inhoud van de reverb.

185

Effectenlijst

Parameter

Hi Damp

Freq

Value

1000–10000 Hz

Omschrijving

Past de frequentie waarboven de hoge frequentie-inhoud van het reverb geluid gereduceerd of ‘gedempt’ zal worden aan.

High

Damp

High Cut

1–100 %

1000–10000 Hz

Past de hoeveelheid demping, toegepast op de frequentiereeks die met HF Damp is geselecteerd, aan.

Op ‘100%’ingesteld is er geen reductie van de hoge frequentie-inhoud van de reverb.

Past de frequentie waarboven de hoge frequentie-inhoud van het reverb geluid gereduceerd zal worden aan.

Type: 07 (HALL)/08 (PLATE)/10 (CHURCH)

Pre Delay 0–127

Time

Low Damp

Freq

0.1–6.0 sec

20–1000 Hz

Low Damp 1–100 %

Hi Damp

Freq

High

Damp

High Cut

1000–10000 Hz

1–100 %

1000–10000 Hz

Past de delaytijd vanaf het directe geluid totdat het reverb geluid hoorbaar is aan.

Tijdsduur van weerkaatsing.

Past de frequentie waaronder de lage frequentie-inhoud van het reverb geluid gereduceerd of ‘gedempt’ zal worden aan.

Past de hoeveelheid demping, toegepast op de frequentiereeks die met LF Damp is geselecteerd, aan.

Op ‘100%’ingesteld is er geen reductie van de lage frequentie-inhoud van de reverb.

Past de frequentie waarboven de hoge frequentie-inhoud van het reverb geluid gereduceerd of ‘gedempt’ zal worden aan.

Past de hoeveelheid demping, toegepast op de frequentiereeks die met HF Damp is geselecteerd, aan.

Op ‘100%’ingesteld is er geen reductie van de hoge frequentie-inhoud van de reverb.

Past de frequentie waarboven de hoge frequentie-inhoud van het reverb geluid gereduceerd zal worden aan.

Input Effect Parameters

Selecteert het type effect, dat op de externe ingangsbron wordt toegepast.

01: EQUALIZER

Past de klank van de lage frequentie en hoge frequentiereeksen aan.

Parameter

Low Freq

Low Gain

High Freq

High Gain

Range

200, 400 Hz

-15– +15 dB

2000, 4000, 8000 Hz

-15– +15 dB

Omschrijving

Middenfrequentie van de lage frequentiereeks.

Hoeveelheid boost/cut van de lage frequentie.

Middenfrequentie van de hoge frequentiereeks

Hoeveelheid boost/cut van de hoge frequentie.

02: ENHANCER

Wijzigt de harmonische inhoud van de hoge frequentiereeks om het geluid sprankelend te maken.

Parameter

Sens

Mix

Range

0–127

0–127

Omschrijving

Diepte van het enhancer effect.

Volume van de harmonischen die gegenereerd worden.

03: COMPRESSOR

Onderdrukt hoge niveaus en stimuleert lage niveaus om het algehele volume consistenter te maken.

Parameter

Attack

Range

0–127

Threshold

Post Gain

0–127

0– +18 dB

Omschrijving

Tijd vanaf het moment dat de invoer de Threshold overschrijdt totdat het volume gecomprimeerd begint te worden.

Volumeniveau waarop compressie zal beginnen.

Niveau van het uitgangsgeluid.

04: LIMITER

Comprimeert het geluid wanneer dit een gespecificeerd volume overschrijdt, om te voorkomen dat vervorming optreedt.

Parameter

Release

Range

0–127

Threshold

Post Gain

0–127

0– +18 dB

Omschrijving

Tijd vanaf het moment dat de invoer tot onder de Threshold daalt, totdat compressie optreedt.

Volumeniveau waarop compressie zal beginnen.

Niveau van het uitgangsgeluid.

05: NOISE SUPPRESSOR

Onderdrukt ruis tijdens periodes van stilte.

Parameter

Threshold

Release

Range

0–127

0–127

Omschrijving

Volume waarop ruisonderdrukking zal beginnen.

Tijd vanaf het moment dat ruisonderdrukking begint, totdat het volume nul bereikt.

06: CENTER CANCELER

Verwijdert de geluiden die zich in het midden van de stereo invoer bevinden. Dit is een handige manier om een stem te elimineren.

Parameter

Ch Balance

Range

-50– +50

Range Low

Range High

16–15000 Hz

16–15000 Hz1

Omschrijving

Volumebalans van de L (linker) en R (rechter) kanalen voor verwijdering van het geluid.

Lage frequentie limiet van de te verwijderen band.

Hoge frequentie limiet van de te verwijderen band.

186

05: Pads (de Pads gebruiken)

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd, hoe de Pads worden gebruikt.

De Pads gebruiken

Algemene handelingen voor

Pads

De Pad Mode veranderen (PAD MODE)

U kunt de Pads van de Fantom-G aanslaan om Samples, ritmes of frases te spelen of deze kunnen las zestien schakelaars gebruikt worden, waarmee verscheidene parameters aan/uit worden gezet. De

Pads kunnen in één van zestien modes opereren.

Druk op [PAD MODE] om van Pad mode te veranderen.

1.

Druk op [PAD MODE].

Het Pad mode venster verschijnt in het scherm.

[PAD MODE] knippert, en de opdat moment geselecteerde

Pad mode (Pad [1]-[16] zal knipperen.

Indien u besluit niet van Pad mode te veranderen, drukt u nogmaals op [PAD MODE]. [PAD

MODE] wordt donker, en u keert naar de vorige status terug.

2.

Druk op een Pad [1]-[16].

De Pad mode wordt veranderd. Voor details over handeling in elke Pad mode raadpleegt u de tabel hieronder, en de corresponderende referentie pagina’s.

Padnummer

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

Pad mode Uitleg pag.

SAMPLE PAD

RHYTHM

De pads spelen een sample set.

p. 191

De pads spelen een ritme set.

p. 192 p. 193 CHORD MEMORY De pads veranderen de akkoordvorm voor de Chord Memory functie (p.80).

ARPEGGIO De pads veranderen stijlen voor de Arpeggio functie (p.78) p. 193

RPS

RHYTHM PTN

TONE SEL/SW

De pads spelen frases.

De pads spelen ritmepatronen.

De pads fungeren als Tone selectie en aan/uit schakelaars.

p. 194 p. 196 p. 197

TRACK MUTE p. 197

BOOKMARK

MIDI TX SW

EFFECT SW

PATCH MFX SW

Part SELECT

Part MUTE

USER GROUP

FAVORITE

De pads schakelen muting aan/ uit voor sequencer tracks.

De pads roepen veelgebruikte schermen die u heeft geregistreerd op.

De pads gedragen zich als aan/ uit schakelaars voor externe

MIDI zendkanalen (1-16).

De pads veranderen de effecten

(anders dan de patch multi-effecten).

De pads veranderen het patch multi-effect van elk part.

De pads selecteren parts (1-16) en banken (INT/EXP1/EXP2/

EXT)

De pads schakelen muting voor alle parts (1-16) en banken

(INT/EXP1/EXP2) in/uit.

De pads registeren en roepen patches, live sets, of studio sets uit de User groep op.

De pads registreren en roepen

Favorite instellingen op.

p. 198 p. 198 p. 199 p. 199 p. 200 p. 200 p. 201 p. 202

188

De Pads als numerieke toetsen gebruiken (NUMERIC)

Als u de Pad [NUMERIC] knop indrukt zodat deze oplicht, zullen de Pads zich als numerieke toetsen gedragen.

‘ De Pads gebruiken voor numerieke invoer ’ (p.41).

De Hold functie gebruiken om geluiden door te laten klinken (HOLD)

Met gebruik van de Hold functie kunt u het geluid laten doorklinken, zelfs nadat u uw vinger van het Pad heeft genomen. Dit is gemakkelijk als u wilt dat een geluid doorklinkt, zoals een frase die u herhaaldelijk wilt laten afspelen (Loop).

De Hold functie is alleen beschikbaar als de Pad mode 1

SAMPLE PAD of 2 RHYTHM is.

Een geluid laten doorklinken, terwijl andere geluiden worden gespeeld

1.

Terwijl een Pad ingedrukt wordt gehouden, drukt u op [HOLD].

[HOLD] en het Pad zullen knipperen.

1.

Dat Pad zal vastgehouden worden en blijven klinken, zelfs als u het Pad loslaat.

Wanneer u in deze status een ander Pad indrukt, zal dit klinken zolang u het ingedrukt houdt.

Het Pad dat ingedrukt gehouden werd, zal ophouden te klinken als u het knipperende Pad of [HOLD] nogmaals indrukt.

Meerdere geluiden aanhouden

1.

Druk op [HOLD] zodat het

Pad oplicht.

2.

Druk op een Pad.

Het Pad knippert en zal blijven klinken. Als u in deze staat andere Pads indrukt, zullen deze ook blijven klinken.

3.

Het geluid zal stoppen als u nogmaals op een knipperend Pad drukt. Als u op [HOLD] drukt, zullen alle Pads stoppen.

1.

De Hold functie werkt niet in de volgende situaties.

Bij een ritme set waarin ‘Tone Env Mode’ (p.108) op ‘NO-SUS’ is ingesteld.

• Bij een Sample set waarin ‘ One Shot Mode ’ (p.118) is aangezet.

• Bij een Sample set waarin ‘ Trigger Mode ’ (p.129) op ‘DRUM’ is ingesteld.

De Pads gebruiken

De Roll functie gebruiken (ROLL)

Met de Roll functie kunt u een geluid herhaaldelijk laten spelen

(alsof een drum roffel wordt gespeeld), zolang het Pad ingedrukt wordt gehouden.

De Roll functie is alleen beschikbaar als de Pad mode 1

SAMPLE PAD of 2 RHYTHM is.

1.

Houd [ROLL] ingedrukt en druk op een Pad (1-16).

* Als u alleen [ROLL] indrukt, wordt de Roll functie voor alle zestien Pads ingeschakeld.

In deze staat zal het geluid herhaald worden zolang een

Pad ingedrukt wordt gehouden.

2.

Als het Pad wordt losgelaten, stopt het geluid.

* U kunt dit niet gebruiken om met de V-Link functie afbeeldingen te veranderen (p.301).

Instellingen voor de Roll functie

Druk op [PAD SETTING]- [F1 (System)] om naar het System Setup scherm te gaan, en gebruik het Pad Roll Resolution veld om de snelheid te specificeren waarop herhaalde aanslagen optreden wanneer de Roll functie wordt gebruikt.

• ‘ Gemeenschappelijke systemen voor alle Pads bewerken

(System Settings) ’ (p.190).

• ‘ Pad Roll Resolution ’ (p.288).

Banken veranderen (BANK)

U kunt de Pad [ROLL] (BANK) knop gebruiken om in de volgende

Pad modes van bank te veranderen..

Padnummer

9

13

14

15

16

Pad mode

BOOKMARK

Part SELECT

Part MUTE

USER GROUP

FAVORITE

Aantal banken

8

4 (INT/EXP1/EXP2/EXT)

3 (INT/EXP1/EXP2)

4

16

1.

Druk op [ROLL] (BANK).

[ROLL] (BANK) zal knipperen, en Pads die met selecteerbare banken corresponderen knipperen ook.

Het Pad dat met de op dat moment geselecteerde bank correspondeert is verlicht.

2.

Druk op de bank (een knipperend nummer Pad) van de gewenste bank.

Het geselecteerde Pad licht op.

3.

Druk nogmaals op [ROLL] (BANK).

[ROLL] (BANK) dooft uit, en de Pads keren naar hun normale indicatie terug.

189

De Pads gebruiken

De Pad instellingen bewerken (PAD

SETTING)

Druk op [PAD SETTING] om naar het Pad settings/information scherm te gaan.

1.

Druk op [PAD SETTING].

Het Pad Setting scherm verschijnt. De inhoud die in het scherm wordt getoond is afhankelijk van de Pad mode.

2.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar een parameter te verplaatsen.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de Pad instellingen te bewerken.

4.

Om de instellingen op te slaan, drukt u op [F7 (Write)].

De locatie, waarin instellingen worden opgeslagen, is afhankelijk van de geluidsgenerator mode, de Pad mode, en de instellingen van ‘ Pad Assign Source ’ (p.288).

5.

Druk op [F8 (exit)] om naar het vorige scherm terug te keren.

F-toets handelingen in het Pad Setting scherm.

F-toets

F1

System

F2

Pad Exchg

Uitleg

Pad instellingen voor systeem (p.190).

Pad Exchange functie

(p.190).

Weergave mode

Alle modes

* Behalve van 15 USER GROUP en 16 FAVORITE

2 RHYTHM,

3 CHORD MEMORY,

4 ARPEGGIO,

5 RPS,

6 RHYTHM PTN,

9 BOOKMARK only

Alleen 2 RHYTHM F3

Quick Setup

F7

Write

F8

Exit

Quick Setup functie

(p.192).

Slaat de instellingen van het Pad Setting scherm op.

Sluit het Pad Setting scherm.

1 SAMPLE PAD,

2 RHYTHM,

3 CHORD MEMORY,

4 ARPEGGIO,

5 RPS,

Alleen 6 RHYTHM PTN

Alle modes

* Behalve van 15 USER GROUP en 16 FAVORITE

Gemeenschappelijke systemen voor alle Pads bewerken (System

Settings)

In het Pad Setting scherm drukt u op [F1 (System)] om naar het systeeminstellingen scherm te gaan, waar algemene instellingen voor alle Pads bewerkt kunnen worden. Hier kunnen de volgende parameters bewerkt worden.

• ‘ Pad Assign Source ’ (p.288).

• ‘ Pad Velocity ’ (p.288)

• ‘ Pad Sens (Pad Sensitivity) ’ (p.288)

• ‘ Pad Aftertouch Sens (Pad Aftertouch Sensitivity) ’ (p.288)

• ‘ Pad Roll Resolution ’ (p.288)

• ‘ Pad Mode ’ (p.288)

1.

Druk op [PAD SETTING].

Het Pad Setting scherm verschijnt.

2.

Druk op [F1 (System)].

De aan het Pad gerelateerde onderdelen van het System Setup scherm verschijnen.

Voor details van elke parameter, zie ‘Dynamic Pad’(p.288).

3.

Om de instellingen op te slaan, drukt u op [F7 Sys Write].

4.

Druk op [F8 Exit] om naar het Pad Setting scherm terug te keren.

Pad uitwisselen (Pad Exchange)

Hier ziet u, hoe twee geselecteerde Pads uitgewisseld kunnen worden.

Deze functie is alleen beschikbaar als de Pad mode 2 RHYTHM,

3 CHORD MEMORY, 4 ARPEGGIO, 5 RPS, 6 RHYTHM PTN of

9 BOOKMARK is.

1.

Druk op [PAD SETTING].

2.

Druk op [F2 (Pad Exchg)].

3.

Selecteer de twee Pads die u wilt uitwisselen.

Gebruik de VALUE draaiknop of [INC] [DEC] of druk rechtstreeks op de Pads.

4.

Druk op [F8 (Execute)] om de Pads uit te wisselen.

190

De Pads gebruiken

1 SAMPLE PAD (de Pads gebruiken om Samples te spelen)

In deze Pad mode kunt u Samples spelen door de Pads aan te slaan.

U kunt een Sample aan elk van de zestien Pads toewijzen. (De zestien Samples die aan de Pads zijn toegewezen worden gezamenlijk een ‘Sample set’ genoemd).

1.

Druk op [PAD MODE], en dan op Pad [1] (SAMPLE PAD).

2.

Druk op Pads [1]-[16] om de toegewezen Samples te spelen.

• Pads die Samples kunnen spelen zijn verlicht. Op dat moment spelende Pads zullen knipperen.

U kunt op [HOLD] drukken om het geluid te laten doorklinken

p.188.

U kunt op [ROLL] drukken om een roffel te spelen → p.189.

Over Samples

Samples kunnen op de volgende manieren worden toegevoegd.

Sampling (p.258)

De Sampling functie kan gebruikt worden om geluid op te nemen.

De opgenomen Samples worden aan de Sample lijst toegevoegd.

Uit de computer importeren (p.283)

WAV of IAFF bestanden van de computer kunnen geïmporteerd worden. De geïmporteerde WAV of AIFF bestanden worden als

Samples aan de Sample lijst toegevoegd.

De Pad instellingen bewerken

U kunt op [PAD SETTING] drukken om de volgende instellingen te bewerken.

Details over bewerken en opslaan vindt u bij ‘ De Pad instellingen bewerken (PAD SETTING) ’ (p.190).

Number/Name (Sample set nummer)

Selecteert de Sample set die door de Pads wordt gespeeld.

Waarde : 001-128

Als u een nieuwe Sample set wilt creëren of gedetailleerdere bewerkingen wilt uitvoeren, zie ‘ Een Sample set creëren ’

(p.126).

Sample Number

Selecteert de Sample. De Sample naam met het Sample nummer wordt in het scherm getoond.

Waarde : OFF, 0001-2000

Level (Sample Tone Level)

Stelt het volume van de Sample in. Dit wordt hoofdzakelijk gebruikt om de volumebalans tussen Samples bij te stellen.

Pan (Sample Tone Pan)

Stelt de panning van de Sample Tone in. ‘L64’ is uiterst links, ‘0’is midden, en ‘63R’ is uiterst rechts.

Waarde : L64-0-63R

Direction

Specificeert de afspeelrichting van de Sample.

Waarde

FWD : Speel voorwaarts

REV : Speel omgekeerd

Trigger Mode

Specificeert hoe de Sample zal spelen als u een Pad (of toets) indrukt.

Waarde

GATE :

DRUM :

De Sample stopt met spelen als het Pad (of de toets) wordt losgelaten.

De Sample blijft spelen, ook nadat het Pad (of de toets) is losgelaten.

De Sample begint te spelen als u het Pad indrukt, en zal automatisch stoppen wanneer het eind van de Sample is bereikt. Als de DRUM instelling geselecteerd is, wordt de Loop instelling genegeerd. De Sample wordt slechts één keer gespeeld. Als u

DRUM selecteert kan het geluid niet onderbroken worden, dus gebruik deze instelling voorzichtig wanneer de Sample extreem lang is.

Mute Group

Met een akoestische drum set kunnen een open hi-hat en een gesloten hi-hat nooit tegelijk gespeeld worden. U kunt de Mute

Group functie gebruiken om dit soort restricties te simuleren.

Mute Group is een functie die voorkomt dat Sample Tones, die tot dezelfde Mute groep behoren, gelijktijdig klinken. Er zijn zestien

Mute groepen. Kies de ‘OFF’ instelling voor Sample Tones die u niet met een Mute groep in verband wilt brengen.

Waarde : OFF, 1-16

Pad Velocity

Specificeert de sterkte van een geluid dat geproduceerd wordt als u het Pad aanslaat. Als dit op ‘SYSTEM’ is ingesteld, wordt de systeeminstelling van ‘Pad Velocity’(p.288) gebruikt. Als dit op een waarde van ‘1-127’ wordt gezet, zal die Velocity waarde gebruikt worden om de geluidsgenerator te spelen.

Waarde : SYSTEM, 1-127

De Pad instellingen kunnen door [F7 (Write)] in te drukken opgeslagen worden.

191

De Pads gebruiken

2 RHYTHM (De Pads gebruiken om een ritmeset te spelen)

In deze Pad mode kan een ritmeset gespeeld worden door de Pads aan te slaan.

U kunt zestien Pads gebruiken om Rhythm Tones te spelen. (Een set

Rhythm Tones wordt een ‘ritmeset’ genoemd).

1.

Druk op [PAD MODE], en dan op Pad [2] (RHYTHM).

2.

Druk op Pads [1]-[16] om de Rhythm Tones te spelen.

• Pads die Rhythm Tones kunnen spelen lichten op.

U kunt op [HOLD] drukken om het geluid te laten doorklinken

→ p.188.

U kunt op [ROLL] drukken om een roffel te spelen

p.189.

De Pad instellingen bewerken

U kunt op [PAD SETTING] drukken om de volgende instellingen te bewerken.

Details over bewerken en opslaan vindt u bij ‘ De Pad instellingen bewerken

(PAD SETTING) ’ (p.190).

In het Pad Setting scherm kunt u op [F2 (Pad Exchg)] drukken om twee Pads uit te wisselen (Pad Exchange, p.190).

Bank (Rhythm Set bank)

Selecteert de bank van de ritmeset die door de Pads gespeeld zal worden.

Waarde : USER, PRST, GM

Number / Name

Selecteert de ritmeset die door de Pads gespeeld zal worden.

Waarde: •Bank USER: 001–064

•Bank PRST: 001–064

•Bank GM: 001–009

Als u een nieuwe Sample set wilt creëren of gedetailleerdere bewerkingen wilt uitvoeren, kijkt u bij ‘ Een ritmeset creëren ’

(p.112).

Pad Note Number

Specificeert het nootnummer dat door elke Pad (1-16) verzonden wordt. De Rhythm Tone naam wordt samen met het nootnummer weergegeven.

Waarde : 0 (C-1) –127 (G9)

192

Pad Velocity

Specificeert de sterkte van het geluid dat geproduceerd wordt als u een Pad aanslaat. Als dit op ‘SYSTEM’ staat, wordt de systeeminstelling van ‘Pad Velocity’ (p.288) gebruikt. Als dit op een waarde van ‘1-127’ wordt ingesteld, zal die Velocity waarde gebruikt worden om de geluidsgenerator te spelen.

Waarde : SYSTEM, 1-127

Quick Setup

Wanneer de Pad mode ‘2 RHYTHM’ is, kan deze functie gebruikt worden om basis instellingen te maken. Voor een efficiënte werkstroom kiest u de Quick Setup die het meest bij uw situatie past.

Maak dan zoals gewenst gedetailleerde instellingen voor elke Pad.

1.

In het Pad Setting scherm drukt u op [F3 (Quick Setup)].

Het Quick Setup scherm verschijnt.

* Deze handeling is niet mogelijk tenzij de Pad mode ‘2 RHYTHM’ is.

2.

Verplaats de cursor en maak de gewenste instellingen.

• Template Set

Waarde

Note : De zestien opeenvolgende noten, beginnend met het nootnummer dat u specificeert, zullen automatisch aan de Pads worden toegewezen.

Rhythm : de nootnummers worden optimaal samengebracht voor net spelen van een ritmeset.

Multi Velo : Multi Velocity is een speciale instelling die alle zestien Pads aan hetzelfde nummer toewijst, waarbij alleen de velocities tussen de Pads verschillen. Dit is een goede keuze als u een nauwkeurige regeling van de Velocity voor uw uitvoering nodig heeft.

• Base Note

Stelt deze parameter in als Note of Multi Velo geselecteerd is als de Template Set.

Als Note geselecteerd is, specificeert Base Note het begin (laagste) nootnummer.

Wanneer Multi Velo is geselecteerd specificeert Base Note het nootnummer dat door alle Pads wordt gebruikt.

Waarde: 0 (C-1)–127 (G9)

3.

Druk op [F8 (Execute)].

De Pad instellingen kunnen door [F7 (Write)] in te drukken opgeslagen worden.

De Pads gebruiken

3 CHORD MEMORY (De Pads gebruiken om akkoordvormen te veranderen)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om akkoordvormen voor de Chord Memory functie (p.80) te veranderen.

1.

Druk op [PAD MODE], en dan op Pad [3] (CHORD

MEMORY).

2.

Druk op Pad [1]-[16] om te schakelen tussen verschillende akkoordvormen van de Chord Memory functie (p.80).

• Pads die geselecteerd kunnen worden zijn verlicht.

De Pad instellingen bewerken

U kunt op [PAD SETTING] drukken om de volgende instellingen te bewerken.

Details over bewerken en opslaan vindt u bij ‘ De Pad instellingen bewerken

(PAD SETTING) ’ (p.190).

In het Pad Setting scherm kunt u op [F2 (Pad Exchg)] drukken om twee Pads uit te wisselen (Pad Exchange, p.190).

Number / Name (Chord Memory set nummer)

Selecteert de chord memory set die door de Pads gespeeld zal worden.

Waarde : 001-128

Voor details over Chord Memory, zie ‘ De Chord Memory functie gebruiken (Chord Memory) ’ (p.80).

Chord Form

Selecteert het akkoordvorm nummer dat door elke Pad (1-16) gespeeld zal worden.

Waarde : 001-128

De Pad instellingen kunnen door op [F7 (Write)] te drukken opgeslagen worden.

4 ARPEGGIO (De Pads gebruiken om van Arpeggio Stijl te veranderen)

In deze Pad mode kunt u de Pads gebruiken om de stijlen van de

Arpeggio functie (p.78) af te wisselen.

1.

Druk op [PAD MODE], en dan op Pad [4] (ARPEGGIO).

2.

Gebruik de Arpeggio functie volgens de beschrijving van

‘Arpeggio’s spelen’ (p.78).

3.

Druk op Pads [1]-[16] om tussen de verschillende stijlen van de Arpeggio functie af te wisselen.

De Pad instellingen bewerken

U kunt op [PAD SETTING] drukken om de volgende instellingen te bewerken.

Details over bewerken en opslaan vindt u bij ‘ De Pad instellingen bewerken

(PAD SETTING) ’ (p.190).

In het Pad Setting scherm kunt u op [F2 (Pad Exchg)] drukken om twee Pads uit te wisselen (Pad Exchange, p.190).

Number / Name (Arpeggio set nummer)

Selecteert de arpeggio set.

Waarde : 001-128

Voor details over arpeggio’s, zie ‘ Arpeggio’s spelen ’ (p.78).

Arpeggio Number

Specificeert het arpeggionummer dat door elk Pad (1-16) geselecteerd wordt.

Waarde : 001-128

De Pad instellingen kunnen door op [F7 (Write)] te drukken opgeslagen worden.

193

De Pads gebruiken

5 RPS (De Pads gebruiken om frases te spelen)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om frases te triggeren die door de RPS (Realtime Phrase Sequencer) functie gegenereerd worden.

Bijvoorbeeld, complexe frasen die tijdens een live uitvoering handmatig zeer moeilijk te spelen zijn, kunnen aan de Pads worden toegewezen, en vervolgens met één vinger op het geschikte moment getriggerd worden.

U kunt ook frases voor individuele instrumenten creëren, zoals drums, bas of toetsenbord, en deze combineren om op die manier een nieuwe song te creëren.

Bovendien kan deze uitvoering opgenomen worden, wat betekent dat deze functie op een zelfde manier als Phrase Sampling gebruikt kan worden.

1.

Druk op [PAD MODE], en dan op Pad [5] (RPS).

2.

Druk op Pads [1]-[16] om de frase die aan elk Pad is toegewezen te triggeren.

• Pads die frases kunnen spelen zijn verlicht. Op dat moment spelende Pads knipperen.

De song moet afgespeeld worden om frases gesynchroniseerd met de song af te spelen of als meerdere frases gesynchroniseerd moeten worden.

• Als de song niet speelt, zal de frase beginnen te spelen op het moment dat het Pad wordt ingedrukt, ongeacht de instelling van de Trigger Quantize parameter.

• Frases worden gesynchroniseerd met de maatsoort van de song gespeeld (beat track). Dit betekent dat als er geen uitvoeringsdata is opgenomen, de song niet zal spelen, en daardoor de frases niet gesynchroniseerd gespeeld kunnen worden. In dit geval moeten een aantal lege maten in de Phrase track worden gevoegd, en dan als een loop worden afgespeeld.

Een frase opnemen

Voordat u de RPS functie gebruikt, zult u een aantal frases opnemen.

Voor details over de opnameprocedure, zie ‘In een Phrase opnemen’ (p.220).

Indien grote hoeveelheden MIDI berichten werden opgenomen, kan het afspelen van een frase via RPS veroorzaken dat noten vertragen.

Het tempo voor het afspelen van frases specificeren

Het Phrase afspeeltempo is hetzelfde als het afspeeltempo van de song.

1.

Druk op [TEMPO].

2.

Het tempo venster verschijnt, waarin het huidige tempo wordt aangegeven.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de tempowaarde (5.00 – 300.00) te specificeren. Als u

[SHIFT] ingedrukt houdt en aan de VALUE knop draait, kan de waarde onder het decimale punt aangepast worden. Het tempo kan ook gespecificeerd worden door herhaaldelijk op het gewenste tempo op [F6 (Tap Tempo)] te drukken

(Tap Tempo functie).

Als u op [F7 (Click)] drukt, zal de klik te horen zijn.

4.

Nadat de instellingen zijn gemaakt drukt u op [F8 (Close)].

De Pad instellingen bewerken

U kunt op [PAD SETTING] drukken om de volgende instellingen te bewerken.

Details over bewerken en opslaan vindt u bij ‘ De Pad instellingen bewerken

(PAD SETTING) ’ (p.190).

In het Pad Setting scherm kunt u op [F2 (Pad Exchg)] drukken om twee Pads uit te wisselen (Pad Exchange, p.190).

RPS Set Number

Selecteert de RPS set.

Waarde : 01-32

Phrase Number

Selecteert de frase, die aan elk Pad [1]-[16] is toegewezen. De naam van de geselecteerde frase wordt samen met het frase nummer getoond.

Kies ‘Off’ voor toetsen of Pads waaraan u geen frase wilt toewijzen.

Als ‘STOP’ aan een Pad wordt toegewezen, zal dat Pad als de ‘stop trigger’ fungeren, die de op dat moment spelende frases stopt.

Waarde : STOP, OFF, 0001-2000

194

Play Mode

Specificeert hoe de frase gespeeld zal worden.

Waarde

LOOP1 :

LOOP2

ONCE :

:

De frase wordt herhaaldelijk gespeeld, terwijl de pad ingedrukt wordt gehouden.

De frase wordt herhaaldelijk gespeeld. Om het afspelen te stoppen, drukt u op de stop trigger pad of drukt u nogmaals op dezelfde pad.

De frase wordt slechts één keer gespeeld.

Mute Group

Deze functie voorkomt dat frases uit dezelfde mute groep gelijktijdig worden gespeeld. In een echte uitvoering bijvoorbeeld, wordt een fill-in niet op hetzelfde moment als een brug (bridge) gespeeld. Om een dergelijke situatie te simuleren, wijst u de fill-in en de brug aan dezelfde Mute groep toe. U kunt 31 verschillende Mute groepen specificeren. Als u geen Mute groep wilt toewijzen, kiest u de ‘OFF’ instelling.

Trigger Quantize

Specificeert hoe de frase zal beginnen met spelen als u een pad indrukt om deze te triggeren, terwijl de song wordt gespeeld of opgenomen.

Waarde

REAL :

BEAT :

MEASURE :

De frase wordt direct gespeeld als de trigger pad wordt ingedrukt.

Als de trigger pad wordt ingedrukt, terwijl de song speelt of opgenomen wordt, zal de frase aan het begin van de volgende tel beginnen te spelen.

Als de trigger pad wordt ingedrukt, terwijl de song speelt of opgenomen wordt, zal de frase aan het begin van de volgende maat beginnen te spelen.

De Trigger Quantize parameter is een instelling die binnen elke song bewaard blijft.

Velocity Sens (Velocity Sensitivity)

Zet dit op ‘OFF’ als u de frase wilt laten spelen met de velocities waarmee deze werd opgenomen.

Als u de Velocity van de frase wilt laten afwisselen volgens de sterkte waarmee de pad werd ingedrukt, kiest u ‘LOW’, ‘MID’ of

‘HIGH’.

Waarde : OFF, LOW, MID, HIGH

De Pad-instellingen kunnen opgeslagen worden door op [F7

(Write)] te drukken.

De Pads gebruiken

195

De Pads gebruiken

6 RHTYHM PTN (De Pads gebruiken om ritmepatronen te spelen)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om frases

(Phrase0001-Phrase2000) die door de Rhythm Pattern functie gegenereerd worden te spelen.

Vanuit de fabriek zijn zestien frases (ritmepatronen) aan de Pads toegewezen. U kunt uw eigen ritmepatronen creëren en deze aan de

Pads toewijzen, en de Pads als een ritme machine gebruiken.

Zestien van deze frases in een set wordt een ‘ritmepatroon set’ genoemd.

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [6] (RHYTHM

PTN).

2.

Druk op Pads [1]-[16] om de ritmepatronen die aan de Pads zijn toegewezen te laten beginnen.

• Pads die ritmepatronen kunnen spelen zijn verlicht. De huidig spelende Pad knippert.

• Om het afspelen te stoppen, drukt u op het knipperende Pad.

Het tempo voor het afspelen van ritmepatronen specificeren

Het afspeeltempo van het ritmepatroon is hetzelfde als het afspeeltempo van de song.

1.

Druk op [TEMPO].

2.

Het Tempo venster verschijnt, waarin het huidige tempo wordt aangegeven.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de tempowaarde (5.00-300.00) te specificeren. Als u [SHIFT] ingedrukt houdt en aan de VALUE knop draait, kunt u de waarde onder het decimale punt aanpassen. Het tempo kan ook gespecificeerd worden door herhaaldelijk op het gewenste tempo op [F6 (Tap Tempo) te drukken (Tap

Tempo functie).

Als u op [F7 (Click)] drukt om dit aan te zetten, zal de klik te horen zijn.

4.

Wanneer de instellingen zijn gemaakt, drukt u op [F8

(Close)].

De Pad instellingen bewerken

U kunt op [PAD SETTING] drukken om de volgende instellingen te bewerken.

Details over bewerken en opslaan vindt u bij ‘ De Pad instellingen bewerken

(PAD SETTING) ’ (p.190).

In het Pad Setting scherm kunt u op [F2 (Pad Exchg)] drukken om twee Pads uit te wisselen (Pad Exchange, p.190).

Rhythm Pad Set Number

Selecteert de ritmepatroon set die door de Pads gespeeld zal worden.

Waarde : 01-32

Rhythm Pattern

Specificeert de frase die aan elke Pad 1-16 is toegewezen.

Waarde : OFF, 0001-2000

Trigger Quantize

Specificeert hoe de frase begint te spelen als u op een pad drukt om deze te triggeren, terwijl een song wordt afgespeeld op opgenomen.

Waarde

REAL :

BEAT :

MEASURE :

De frase begint direct te spelen als de trigger pad wordt ingedrukt.

Als de trigger pad wordt ingedrukt, terwijl de song speelt of opgenomen wordt, zal de frase aan het begin van de volgende tel beginnen te spelen.

Als de trigger pad wordt ingedrukt, terwijl de song wordt gespeeld of opgenomen, begint de frase aan het begin van de volgende maat te spelen.

De Trigger Quantize parameter is een instelling die binnen elke song bewaard blijft.

Velocity Sens (Velocity Sensitivity)

Zet dit op ‘OFF’ als u de frase wilt laten spelen met de velocities waarmee deze werd opgenomen.

Als u de Velocity van de frase wilt laten afwisselen volgens de sterkte waarmee de pad werd ingedrukt, kiest u ‘LOW’, ‘MID’ of

‘HIGH’.

Waarde : OFF, LOW, MID, HIGH

De Pad-instellingen kunnen door op [F7 (Write)] te drukken opgeslagen worden.

196

De Pads gebruiken

7 TONE SEL/SW (De Pads gebruiken om Tones te selecteren of deze aan/uit te zetten)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om de vier

Tones aan en uit te zetten of om de huidige Tone te selecteren.

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [6] (TONE SEL/

SW).

2.

Druk op Pads [1]-[14] om Tones 1-4 aan/uit te zetten.

3.

Druk op Pads [5]-[8] om Tones 1-4 te selecteren.

Pad [5] correspondeert met Tone 1, Pad [6] met Tone 2, Pad [7] met Tone 3, en Pad [8] met Tone 4.

Deze functie is bruikbaar wanneer u een Patch creëert (p.84).

Een Patch bestaat uit maximaal vier Tones. U kunt deze functie gebruiken om ongebruikte Tones uit te zetten of de nadere

Tones uit te zetten als u alleen het geluid van een specifieke

Tone wilt beluisteren.

De Pad status controleren

Door op [PAD SETTING] te drukken, kan de status van de huidig Pad gecontroleerd worden.

8 TRACK MUTE (De Pads gebruiken om tracks tijdelijk stil te maken)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om maximaal zestien tracks in het Song scherm tijdelijk stil te maken (Mute).

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [8] (TRACK

MUTE).

• Pads [1]-[16] corresponderen met de eerste zestien tracks boven in het song scherm.

• Als een Pad [1]-[16] wordt ingedrukt, wordt de corresponderende track afwisselend op de mute/play status ingesteld.

• Een Pad is verlicht wanneer het in de Play status verkeert, en knippert in de Mute status.

• De Pads kunnen niet gebruikt worden om de zeventiende en daarop volgende tracks op Mute in te stellen. Gebruik [CUR-

SOR] of een USB muis om de Mute status van deze tracks te veranderen.

De Pad status controleren

Door op [PAD SETTING] te drukken, kan de status van de huidig Pad gecontroleerd worden.

197

De Pads gebruiken

9 BOOKMARK (De Pads gebruiken om veelgebruikte schermen op te roepen)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om veelgebruikte schermen te registreren en op te roepen. Als u bijvoorbeeld vaak tussen het Patch edit scherm en het effect scherm afwisselt, kunt u deze functie gebruiken om het schakelen tussen deze twee schermen gemakkelijker te maken.

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [9] (BOOK-

MARK).

Een scherm registreren

1.

Ga naar het scherm dat u wilt registreren.

2.

Houd de [PAD SETTING] ingedrukt, en druk op het pad waarin u het huidige scherm wilt registreren.

Als u bijvoorbeeld het huidige scherm in pad [3] wilt registreren, zal het scherm ‘Bookmarked to #3’ aangeven.

3.

Druk op [EXIT].

De instelling zal opgeslagen worden.

* Als u niet op [EXIT] drukt, zal de instelling verloren gaan wanneer u de stroom uitzet.

Een scherm oproepen

1.

Druk op [PAD SETTING].

Het Bookmark scherm verschijnt.

Pads waarin schermen zijn geregistreerd zijn verlicht.

2.

Druk op een verlicht Pad, en het scherm, dat in die

Pad is geregistreerd, wordt opgeroepen.

* Als u een geregistreerd scherm wilt verwijderen, houdt u [PAD SETTING] in het scherm van stap 1 ingedrukt, en drukt u op het Pad waarvan u de registratie wilt verwijderen.

U kunt op [ROLL] (BANK) drukken om van bank (1-8) te veranderen

p.189.

In het Pad Setting scherm kunt u op [F2 (Pad Exchg)] drukken om twee Pads uit te wisselen (Pad Exchange, p.190).

10 MIDI TX SW (De Pads gebruiken om externe MIDI zendkanalen (1-16) aan/uit te zetten)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om externe

MIDI zendkanalen (1-16) aan en uit te zetten.

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [10] (MIDI TX

SW).

• Door Pads [1]-[16] in te drukken worden externe MIDI zendkanalen 1-16 aan of uitgezet.

• Elk Pad is verlicht wanneer transmissie aan is of donker als dit uit is.

De Pad status controleren

Door op [PAD SETTING] te drukken, kan de status van de huidig Pad gecontroleerd worden.

Wanneer talloze MIDI kanalen zijn aangezet, zal een grote hoeveelheid MIDI berichten worden verzonden, waardoor noten mogelijk kunnen vertragen.

198

De Pads gebruiken

11 EFFECT SW (De Pads gebruiken om effecten aan of uit te zetten)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om de effecten

(behalve het Patch multi-effect) aan/uit te zetten.

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [11] (EFFECT

SW).

• Als Pads [1]-[6] worden ingedrukt, zullen de volgende effecten aan/uit worden gezet..

4

5

6

2

3

Pad

1

Effect

Input Effect

Chorus

Reverb

Mastering

MFX 1

MFX 2 (Studio mode only)

* Als u PFX aan of uit wilt zetten, gebruikt u Pad mode ’12 PATCH

MFX SW’.

• Een Pad is verlicht als het corresponderende effect aan is of knippert wanneer dit uit is. Pads die in deze mode niet gebruikt worden zijn donker.

De Pad status controleren

Door op [PAD SETTING] te drukken, kan de status van de huidig Pad gecontroleerd worden.

12 PATCH MFX SW (De Pads gebruiken om Patch Multi-effecten aan of uit te zetten)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om het Patch multi-effect van elk Part (1-16) individueel aan of uit te zetten.

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [12] (PATCH MFX

SW).

• Als u een Pad indrukt, zal het Patch multi-effect van het corresponderende Part aan of uitgezet worden. Het aantal Parts is afhankelijk van de geluidsgenerator mode..

Mode

Single

Live

Studio

Aantal Parts

1

8

16

• Een Pad is verlicht als het corresponderende effect aan is of knippert als dit uit is. Pads die in deze mode niet gebruikt worden zijn donker.

De Pad status controleren

Door op [PAD SETTING] te drukken, kan de status van de huidig Pad gecontroleerd worden.

199

De Pads gebruiken

13 Part SELECT (De Pads gebruiken om Parts te selecteren)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om Parts (1-16) en banken (INT/EXP1/EXP2/EXT) te selecteren.

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [13] (Part

SELECT).

• Druk op een Pad om het huidige Part te selecteren. Het aantal

Parts is afhankelijk van de geluidsgenerator mode.

Mode

Single

Live

Studio

Aantal Parts

1

8

16

• Het Pad dat met het huidige Part correspondeert knippert de

Pads van andere Parts zijn verlicht. Niet gebruikte Pads zijn donker.

• U kunt op [ROLL] (BANK) drukken om van bank (1-4) te veranderen. → p.189.

2

3

4

Pad

1

Bank naam

INT (interne geluidsgenerator)

EXP1 (uitbreidingskaart 1)

EXP2 (uitbreidingskaart 2)

EXT (externe MIDI uitvoer)

* Het aantal Parts op een uitbreidingskaart is afhankelijk van de uitbreidingskaart.

De Pad status controleren

Door [PAD SETTING] in te drukken kan de status van het huidige

Pad gecontroleerd worden.

14 Part MUTE (De Pads gebruiken om Parts tijdelijk stil te maken) (Mute)

In deze Pad mode kunnen de Pads gebruikt worden om Parts (1-16) en banken (INT/EXP1/EXP2) tijdelijk stil te maken (Mute).

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [14] (Part MUTE).

• U kunt op [ROLL] (BANK) drukken om van bank (1-3) te veranderen.

p.189.

Pad

1

2

3

Bank naam

INT (interne geluidsgenerator)

EXP1 (uitbreidingskaart 1)

EXP2 (uitbreidingskaart 2)

• U kunt op [ROLL] (BANK) drukken om van bank (1-3) te veranderen. → p.189.

* Druk op een Pad om het Part tussen muted/play af te laten wisselen.

Mode

Single

Live

Studio

Aantal Parts

3

8

16

* Het aantal Parts op een uitbreidingskaart is afhankelijk van de uitbreidingskaart.

• Pads waarvan het corresponderende Part tijdelijk stil is, knipperen. De Pads van andere Parts zijn verlicht. Niet gebruikte Pads zijn donker.

De Pad status controleren

Door [PAD SETTING] in te drukken kan de status van het huidige

Pad gecontroleerd worden.

200

De Pads gebruiken

15 USER GROUP (de Pads gebruiken om User groepen te registreren/op te roepen)

U kunt veel gebruikte geluiden als een User groep opslaan. Met deze

Pad mode kunt u deze geluiden onmiddellijk selecteren door een

Pad in te drukken. In alle vier de banken kunnen zestien geluiden

(corresponderend met de zestien Pads) geregistreerd worden, zodat in totaal 64 geluiden snel opgeroepen kunnen worden.

De volgende User groepen kunnen, afhankelijk van de geluidsgenerator mode, geregistreerd en opgeroepen worden..

Mode

Single

Live

Studio

User groep

Patch

Live set

Studio set

Een geluid in een User groep registreren

1.

Druk op [PAD SETTING].

1.

Het User Group scherm verschijnt. Ga verder met stap 4 van ‘Een geluid in het User Group scherm registreren’ hieronder.

Hoe User groepen van Favorite (p.202) verschillen

Met User Group kunnen geluiden binnen de mode (single, live of studio) geregistreerd worden, terwijl met Favorite de instellingen van verschillende modes (single, live of studio) geregistreerd kunnen worden.

Een User groep geluid oproepen

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [15] (USER

GROUP).

• U kunt een Pad [1]-[16] indrukken om het geluid dat in dat Pad is geregistreerd te selecteren.

• U kunt op [ROLL] (BANK) drukken om van bank (1-4) te veranderen.

p.189.

Als u de Pads wilt gebruiken om opeenvolgend live sets (of studio sets) te selecteren, zet u de systeem instelling ‘Pad Assign

Source ’ (p.288) op ‘SYS’. Als dit op ‘TEMP’ is ingesteld, schakelt de Pad mode naar de instelling van de nieuw geselecteerde live set (of studio set) over als u van live set (of studio set) verandert.

Een geluid in het User Group scherm registreren

Hier ziet u, hoe een Patch in het Patch list scherm wordt geregistreerd. Met gebruik van dezelfde procedure (stap 3 en verder) kunt u het live set lijst scherm (p.60) gebruiken om een live set in de User groep te registreren of het studio set lijst scherm

(p.68) om een studio set te registreren.

1.

Druk op [SINGLE] om naar het Single Play scherm te gaan, en selecteer de Patch die u wilt registreren (p.46).

2.

Druk op [F1 (Patch List)].

3.

Druk op [F6 (User Group)].

Het User Group scherm verschijnt.

4.

Gebruik [F1 (UP)] en [F2

(Down)] om de bestemmingsbank te selecteren.

5.

Gebruik [CURSOR] om het nummer te selecteren.

6.

Druk op [F5 (Regist)] om de Patch te registreren.

7.

Wanneer de Patches geregistreerd zijn, drukt u op [F6

(Exit)] om het User Group List scherm te sluiten.

U kunt op [F8 (Select)] drukken om een Patch te selecteren en het User Group scherm te sluiten.

Een geregistreerde Patch verwijderen

Druk op [F4 (Remove)] om een Patch die in het User Group List scherm is geselecteerd te verwijderen.

201

De Pads gebruiken

16 FAVORITE (De Pads gebruiken om favoriete instellingen te registreren/ op te roepen)

U kunt een lijst met geluiden (instellingen) creëren die u vaak tijdens een live uitvoering gebruikt, en deze onmiddellijk oproepen. U kunt

Patches, ritmesets, Sample sets, live sets of studio sets registreren, en de instellingen die u voor de uitvoering nodig heeft oproepen, ongeacht de mode waarin u zich op dat moment bevindt.

Zestien instellingen kunnen in één lijst (één bank) worden geregistreerd, en zestien van deze banken kunnen gecreëerd worden.

U kunt bijvoorbeeld bank 1 gebruiken voor de geluiden die u in de eerste song van de live uitvoering gebruikt, en maximaal zestien geluiden registreren in de volgorde waarin deze in de song worden gebruikt.

Hoe Favorite van User groepen (p.201) verschillen

Met User Group kunnen geluiden binnen de mode (single, live of studio) geregistreerd worden, terwijl met Favorite de instellingen van verschillende modes (single, live of studio) geregistreerd kunnen worden.

Voor details van de Favorite functie kijkt u bij “Een lijst met veelgebruikte geluiden creëren (Favorite)” (p. 54).

Een favoriet geluid oproepen

(setting)

1.

Druk op [PAD MODE], en druk dan op Pad [16] (FAVORITE).

• U kunt een Pad [1]-[16] indrukken om het geluid

(instelling) dat in dat Pad is geregistreerd te selecteren.

• U kunt op [ROLL] (BANK) drukken om van bank (1-16) te veranderen.

p.189.

Een geluid in een User groep registreren

1.

Druk op [PAD SETTING].

Het Favorite scherm (p.54) verschijnt.

Meer over de handelingen in het Favorite scherm vindt u bij

“Een lijst met veelgebruikte geluiden creëren (Favorite)” (p.

54).

Als u de Pads wilt gebruiken om opeenvolgend live sets (of studio sets) te selecteren, zet u de systeem instelling ‘Pad Assign

Source ’ (p.288) op ‘SYS’. Als dit op ‘TEMP’ is ingesteld, schakelt de Pad mode naar de instelling van de nieuw geselecteerde live set (of studio set) over als u van live set (of studio set) verandert.

202

06: Sequencer

(een song creëren)

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd, hoe de sequencer wordt gebruikt songs af te spelen, op te nemen, en te bewerken.

• Een song afspelen..................................................... p.204

• MIDI opnemen.......................................................... p.217

• Geluid opnemen ....................................................... p.228

• Songs bewerken ....................................................... p.232

• Een song opslaan ....................................

..............

.. p.254

Een song afspelen

In deze sectie wordt uitgelegd, hoe de sequencer van de Fantom-G gebruikt kan worden om een song af te spelen.

We adviseren u de geluidsgenerator mode op Studio Mode te zetten wanneer een song gecreëerd of afgespeeld wordt.

Een song afspelen (Song

Play)

Hier wordt uitgelegd, hoe een Fantom-G song wordt afgespeeld.

Een song laden (Song List)

Hier ziet u, hoe u naar de Song List gaat, en een song uit het project kunt laden.

Als een song geladen wordt, bevindt het tijdelijke gebied (p.35) van de geluidsgenerator zich in de status waarin deze zich bevond toen de song gecreëerd werd. Voordat een song wordt geladen moet de Patch of live set of studio set die u bewerkte, opgeslagen worden.

1.

Druk op [SONG].

In de Studio mode kunnen maximaal zestien geluiden worden gebruikt om voor elk Part een ander instrument te spelen.

Daarom is dit de ideale mode voor het afspelen van een song die een ensemble van meerdere instrumenten gebruikt, zoals drums, bas en piano.

Drie manieren om af te spelen

Er zijn drie manieren om af te spelen. U kunt Fantom-G songs, Standaard MIDI bestanden (SMF) of frases (MIDI Phrases) afspelen.

Een song afspelen (p.204)

U kunt Fantom-G songs afspelen.

Standaard MIDI bestanden (SMF) afspelen (p.212)

U kunt Standaard MIDI bestanden (SMF) van de computer naar de

Fantom-G kopiëren, en deze afspelen of in een song of een frase importeren.

Frases spelen (MIDI Phrase) (p.214)

U kunt frases die zich binnen een Fantom-G project bevinden beluisteren.

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F1 (Song List)].

Het Song List scherm verschijnt.

F-toets handelingen in het Song List scherm

F-toets

F4

Delete Song

F7

Exit

F8

Load

Uitleg

Verwijdert een songbestand uit het project.

Keert naar het vorige scherm terug.

Laadt het songbestand.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] of

/ om een song te selecteren.

4.

Druk op [F8 (Load)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

5.

Druk op [F7 (OK)].

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (Exit)].

pag p. 210

– p. 204

204

Een song afspelen

Een song afspelen (Song Play)

Hier ziet u, hoe de song, die in het Song Play scherm (p.204) is geladen, afgespeeld wordt.

1.

Druk op [SONG].

2.

Druk op [PLAY] om de song af te spelen.

Het Song Play scherm verschijnt.

fig.17-001

Het afspelen stopt automatisch als de song eindigt. Als u voor het eind van de song wilt stoppen, drukt u op [STOP].

Handelingen in het Song Play scherm

fig.08-002.j

1 2

3

6

5 4

7

8

F-toets handelingen in het Song Play scherm

F-toets

F1

Song List

F2

SMF List

F3

Phrase List

F5

Loop

F6

Marker

F7

Song Util

F8

Song Edit

Uitleg

Toont de Song lijst, waar een song geladen kan worden.

Toont de SMF lijst, waar SMF data gespeeld of geïmporteerd kan worden.

Toont de MIDI Phrase lijst, waard frases beluisterd of bewerkt kunnen worden.

Opent het Loop venster, waar de Loop regio gespecificeerd kan worden.

Opent het Marker venster, waar markeringen ingesteld kunnen worden.

Zoom/

Track Order

Zoom in/uit op de track, en verandert de volgorde waarin tracks worden weergegeven.

Wist de song.

Song Clear

Track Clear

Track Name

Wist de track.

Wijst een naam aan de track toe.

Voegt een lege maat in.

Track Edit

Insert

Track Edit

Delete

Track Edit

Copy

Verwijdert ongewenste maten

Maten kopiëren

Tempo Track

Beat Track

Save As SMF

Verandert het tempo.

Verandert de maatsoort.

Save As an SMF File

Opent het Song Edit-scherm, waar een song bewerkt kan worden.

Pag.

p. 204 p. 212 p. 214 p. 208 p. 208 p. 209 p. 211 p. 235 p. 235 p. 237 p. 237 p. 237 p. 235 p. 236 p. 256 p. 232

Handelingen met SHIFT + F-toetsen in het Song Play-scherm

F-toets

SHIFT + F1

Trk Edit Ins

SHIFT + F2

Trk Edit Del

SHIFT +F3

Trk Edit Copy

SHIFT +F8

Zoom

Uitleg

Een lege maat invoegen

Ongewenste maten verwijderen

Maten kopiëren

In-/uitzoomen op het track-scherm, of de volgorde van de getoonde tracks wijzigen.

Pag.

p. 237 p. 237 p. 237 p. 209

4 9

7

8

9

4

5

6

Nummer

1

2

3

Uitleg

Geeft de aan/uit status van elk effect aan.

PFX Patch multi-effect

MFX1 Multi-effect 1

MFX2 Multi-effect 2

IFX

CHO

REV

MAS

Input effect

Chorus

Reverb

Mastering effect

Geeft de huidige locatie van de song aan, en de naam van de status van de sequencer.

Geeft het nummer en de naam van de op dat moment geselecteerde song aan, de huidige locatie, en de status van de sequencer.

Track zoom knop (voor een USB muis).

Niveaumeter voor de Output jacks.

Geeft de maatsoort, het tempo, en Loop Play aan/uit status van de song aan.

Geeft markeringen en maten aan.

Geeft de track naam en track informatie weer.

Knop om de track volgorde te veranderen (voor USB muis).\

205

Een song afspelen

Een klank (Part of Patch) kiezen in het Song-scherm

In het Song Play/Song Edit-scherm kunt u een part of patch selecteren door op [PATCH] te drukken.

1.

Druk in het Song Play/Song Edit-scherm op [PATCH].

Het Part Select-venster verschijnt.

Verplaats de cursor met / en wijzig de waarde met de

VALUE-schijf of met [INC] [DEC].

Waarde

Group

Part

Type

Bank

Patch Number/Name

Uitleg

Part-groep

Part

Patchtype

Patchbank

Patchnummer/-naam

F-toets

F5

Patch Edit

F6

Patch List

F7

Rehearsal

(enkel getoond tijdens opname)

F8

Close

Uitleg

Een patch bewerken.

Het Patch List-scherm openen.

Klanken voorbeluisteren

(Rehearsal-functie)

Het Part Select-venster sluiten.

Als u van part verandert tijdens de opname, dan verandert het opnamespoor niet, ook al staat de Auto Track-functie (p. 222) aan.

Vooruitspoelen of terugspoelen tijdens het afspelen

Niet alleen wanneer de song is gestopt, maar ook tijdens het afspelen kunt u in een song vooruitspoelen, terugspoelen of springen. Voer de volgende acties uit.

Vooruitspoelen: druk op

Voortdurend vooruitspoelen: houd ingedrukt

Snel vooruitspoelen:

Terugspoelen: druk op druk op en dan op

Voortdurend terugspoelen:

Snel terugspoelen: druk op en dan op [_FF]

Naar de vorige markering springen: houd [SHIFT] ingedrukt en druk op

Naar de volgende markering springen: houd [SHIFT] ingedrukt en druk op

Naar het begin van de song springen: druk op

Naar de JUMP markering springen: druk op [JUMP].

Het afspelen van de song zal pauzeren als u tijdens het afspelen naar het begin of het eind van de song springt.

Het afspelen van een track tijdelijk stil maken (MUTE)

Een track kan tijdelijk stil worden gemaakt, zodat deze tijdens het afspelen geen geluid produceert.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik / track die u tijdelijk stil wilt maken te selecteren.

om de

3.

Gebruik / om de cursor naar ‘PLAY’ te verplaatsen.

4.

Druk op [DEC] om de ‘MUTE’ instelling te selecteren.

fig.17-001

206

Een song afspelen

5.

Druk op [DEC] om de ‘MUTE’ instelling te selecteren.

De Pads kunnen ook gebruikt worden om de track muting te veranderen.

‘ 8 TRACK MUTE (De Pads gebruiken om tracks tijdelijk stil te maken) ’ (p.197).

Toegang tot het Mixer scherm

Voor een song die in de Studio mode is gecreëerd, kan het Studio mode Studio Play scherm gebruikt worden om het volume van elk interne geluidsgenerator Part en elke geluidstrack aan te passen.

Het afspeeltempo van de song veranderen

Wanneer een song wordt afgespeeld, wordt het tempo door de data in de tempo y=track bepaald, maar het tempo van de algehele song kan ook tijdens het afspelen worden bijgesteld. Deze aanpassing wordt het ‘ afspeeltempo ’ genoemd.

Het afspeeltempo is een tijdelijke instelling. Deze zal verloren gaan als u naar een andere song overgaat of het apparaat uitzet.

Als u wilt, dat de song altijd op dit tempo wordt afgespeeld, moet de song opnieuw worden opgeslagen (p.254).

1.

Druk op [TEMPO].

Het Tempo venster verschijnt.

fig.17-004_50

Details over bediening vindt u bij ‘Het Studio Play scherm weergeven’ (p.66).

2.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om het afspeeltempo te specificeren. Door [SHIFT] ingedrukt te houden en aan de VALUE knop te draaien kunnen nauwkeurigere aanpassingen onder het decimale punt gemaakt worden.

• Als u op [F7 (Click)] drukt om dit aan te zetten, zal een klikgeluid op het gespecificeerde tempo te horen zijn. De klik wordt, elke keer dat de knop wordt ingedrukt, aan of uitgezet.

• U kunt het tempo specificeren door op het gewenste interval op

[F6 (Tap Tempo)] te drukken (Tap Tempo). Druk minimaal drie keer op de knop, op intervallen van kwartnoten van het gewenste afspeeltempo.

3.

Nadat de instellingen zijn gemaakt, drukt u op [F8 (Close)].

207

Een song afspelen

Een song herhaaldelijk afspelen

(Loop)

De song kan herhaaldelijk worden afgespeeld, volgens de door u aangegeven loop punten.

Voor een frase kunnen geen Loop punten worden gespecificeerd.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F5 (Loop)].

Het Loop venster verschijnt. fig.19-006_50

3.

Verplaats de cursor naar de gewenste parameter, en draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] om de waarde in te stellen.

* Stop de sequencer, voordat deze instellingen worden gemaakt. Deze instellingen kunnen niet gemaakt worden als de sequencer in werking is.

• Repeat Times

Specificeert het aantal keren (1-99) dat de gespecificeerde regio herhaald wordt. Als u wilt herhalen totdat u op [STOP] drukt, kiest u ‘INF’.

• Start Point

Specificeert het startpunt van de Loop regio.

Als u op [F5 (Set Start)] drukt, zal de huidige locatie in de song als het Loop Start punt worden gespecificeerd.

• End Point

Specificeert het eindpunt van de Loop regio. De locatie die u specificeert behoort niet tot de Loop regio.

Als u op [F6 (set End)] drukt, zal de huidige locatie in de song als het Loop End punt worden gespecificeerd.

4.

Om Loop instellingen in te schakelen, drukt u op [F7 (Loop)] om dit aan te zetten.

De [LOOP] knop op het paneel kan gebruikt worden om looping aan of uit te zetten.

Dit scherm kan geopend worden door [SHIFT] ingedrukt te houden en op [LOOP] te drukken.

5.

Druk op [F8 (Close)] om het venster te sluiten.

Markeringen in een song plaatsen

(Marker)

Maximaal zestien markeringen kunnen op eenheden van één maat in een song worden geplaatst. Dit maakt songbewerking gemakkelijker, omdat de structuur van de song duidelijker te zien is of om snel naar de locatie van de markering te gaan.

Hier ziet u, hoe een lijst met markeringen in een song bekeken en bewerkt kan worden.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F6 (Marker)].

Het Marker venster verschijnt.

De knoppen voeren de volgende handelingen uit.

• VALUE knop, [INC] [DEC],

Selecteer een markering in de lijst. De huidige locatie zal ook verspringen.

• [F4 (Name)]

Wijst een naam aan de op dat moment geselecteerde markering toe. Kies een naam uit de weergegeven lijst, en druk op [F8

(Select)] om uw keuze te bevestigen.

• [F5 (set)]

Voegt een markering aan het begin van de huidige maat toe.

• [F6 (Clear)]

Verwijdert de geselecteerde markering.

• [F7 (Jump)]

Specificeert de markering waarnaar u zult springen als u op de

[JUMP] knop op het voorpaneel drukt.

3.

Druk op [F8 (Close)] om het venster te sluiten.

Als het Marker scherm open is, kunt u op een Pad 1-16 drukken om naar de markering met het corresponderende nummer te springen.

Het scherm kan geopend worden door [SHIFT] ingedrukt te houden en op [JUMP] te drukken.

Naar een markering springen

Zo kan naar markeringen binnen een song worden gesprongen.

Naar de vorige markering springen:

Houdt [SHIFT] ingedrukt en druk op

Naar de volgende markering springen:

.

.

Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op

Naar het begin van de song springen:

Druk op .

Naar de JUMP markering springen:

Druk op [JUMP].

208

Een song afspelen

De Track Display Zoom en Display

Order veranderen (Zoom/Track

Order)

Hier ziet u, hoe de zoom ratio van de track weergave verandert kan worden, en hoe de volgorde waarin de tracks worden getoond veranderd kan worden.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F7 (Song Util)].

Het Song Utility Menu venster verschijnt.

In het Song Play/Song Edit-scherm kunt u ook het Song Viewvesnter oproepen door [SHIFT] ingedrukt te houden en op [F8] te drukken.

3.

Gebruik / om ‘Zoom/Track Order’ te kiezen, en druk op [F8 (Select)].

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Het Zoom/Track Order scherm verschijnt.

De weergave zoom van de track veranderen

4.

Gebruik [CURSOR] om de zoom ratio te veranderen.

• Horizontale as (tijdsas van de tracks).

Druk op om de weergave te verkleinen.

Druk op om de weergave te vergroten.

• Verticale as (verticale as van de tracks)

Druk op om de weergave te vergroten.

Druk op om de weergave te verkleinen.

Zelfs zonder naar het Zoom venster te gaan, kunt u [SHIFT] in het Song Play scherm ingedrukt houden en de horizontale as in of uitzoomen door op of te drukken of de verticale as in of uit te zoomen door op [INC] of [DEC] te drukken.

De volgorde van de track weergave veranderen

5.

Door aan de VALUE knop te draaien of [INC] [DEC] te gebruiken om de waarde in het ‘Track Order’ veld te veranderen, kan de volgorde waarin de huidig geselecteerde track wordt weergegeven veranderd worden.

Als u een USB muis gebruikt, kan de track weergave volgorde in het Song Play scherm worden veranderd door op de knop te klikken, zoals in de illustratie wordt getoond.

6.

Druk op [F8 (Close)] om het Zoom/Track Order venster te sluiten.

Een track een naam geven (Track

Name)

Zo voorziet u een track van een naam.

Wanneer in het Song Play/Song Edit-scherm de tracknaam blanco is, dan wordt de naam van de eerst opgenomen patch (of voor een audio track, de samplenaam) automatisch als tracknaam gekozen.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik track die u een naam wilt geven te selecteren.

/ om de

3.

Gebruik / verplaatsen.

fig.17-001 om de cursor naar het track naam veld te

Als u een USB muis gebruikt, kan de zoom in het

Song Play scherm worden veranderd door de knoppen aan te klikken, zoals in de illustratie wordt getoond.

4.

Druk op [ENTER].

5.

Wijs de gewenste naam toe.

Details over het invoeren van een naam vindt u bij ‘Een naam toewijzen’ (p.42).

6.

Druk op [F8 (Write)] om de naam te voltooien.

209

Een song afspelen

De uitvoerbestemming van een track specificeren (Output Assign)

Hier ziet u, hoe de uitvoerbestemming van elke track gespecificeerd kan worden.

1.

Druk op [SONG].

Een song bestand verwijderen

(Song Delete)

Hier ziet u, hoe een songbestand uit het project verwijderd wordt.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik / om de track waarvoor u een uitvoerbestemming wilt toewijzen te selecteren.

3.

Gebruik / om de cursor naar de locatie die in de illustratie wordt getoond te verplaatsen.

fig.17-001

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F1 (Song List)].

Het Song List scherm verschijnt.

4.

Gebruik [INC] [DEC] om de uitvoerbestemming te specificeren.

Voor een MIDI track

PHRASE : Uitvoer volgens de instelling die in de frase is opgenomen. Normaalgesproken kiest u dit.

INT : Speel de interne geluidsgenerator van de Fantom-G.

EXT :

BOTH :

Speel een externe geluidsmodule die op de MIDI

OUT is aangesloten.

Speel de Fantom-G interne geluidsgenerator en een externe geluidsmodule die op de MIDI OUT is aangesloten.

Speel uitbreidingskaart ARX1.

EXP1 :

EXP2 :

OFF :

Speel uitbreidingskaart ZRX2.

Er zal niets gespeeld worden.

Voor een geluidstrack

OUT A, OUT B :

Het geluid wordt in stereo via de OUTPUT A (MIX) jacks of de OUTPUT B jacks uitgevoerd, zonder dat het door het multi-effect wordt gestuurd.

MFX1-2 : Stuur het geluid door het multi-effect, en voer het in stereo uit. Hier kan ook chorus of reverb op het geluid dat door het multi-effect is gegaan worden toegepast.

3.

Draai aan de VALUE draaiknop of gebruik [INC] [DEC] of

/ om de song die u wilt verwijderen te selecteren.

4.

Druk op [F4 (Delete Song)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

5.

Druk op [F7 (OK)] om de handeling uit te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Een song automatisch laden bij opstarten (Wanneer een project wordt geladen)

Wanneer de Fantom-G wordt opgestart (als een project wordt geladen), zal song 001 (de song bovenaan de song lijst) automatisch geladen worden.

Als u niet wilt dat een song automatisch wordt geladen bij opstarten (als een project wordt geladen), verwijdert u song 001, volgens de beschrijving in ‘ Een songbestand verwijderen

(Song Delete) ’ (p.210).

Wanneer een Factory Reset (p.280) wordt uitgevoerd, zal de demosong naar song 001 worden geschreven.

210

De op dat moment geopende song wissen (Song Clear)

Hier ziet u, hoe de song, die op dat moment in het Song Play scherm is geopend, gewist wordt. Gebruik deze functie als u een nieuwe song wilt opnemen.

Het feitelijke songbestand dat in het project is opgeslagen wordt hierdoor niet verwijderd.

Indien een song die u bewerkt geopend is, moet deze opgeslagen worden voordat u verder gaat (p.254).

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F7 (Song Util)].

Het Song Utility Menu scherm verschijnt.

3.

Gebruik

(Select)].

/ om ‘Song Clear’ te kiezen, en druk op [F8

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

4.

Druk op [F7 (OK)] om de handeling uit te voeren.

Indien u besluit de handeling niet uit te voeren, drukt u op [F8

)EXIT)].

Een song afspelen

211

Een song afspelen

Een standaard MIDI bestand afspelen (SMF)

Standaard MIDI bestand (SMF) data van de computer kan naar de

Fantom-G gekopieerd worden om te beluisteren of in een song of frase te importeren.

Een standaard MIDI bestand (SMF) van de computer naar de Fantom-G kopiëren

Zo wordt een standaard MIDI bestand van de computer naar de Fantom-G gekopieerd.

1.

Bereid een standaard MIDI bestand (.MID) op de computer voor.

2.

Gebruik de USB Storage functie (p.281) om het standaard midi BESTAND (.MID) naar de volgende map in het interne geheugen van de Fantom-G of het USB geheugen te kopiëren.

“FantomG.Prj/SEQ/SMF” map

‘FantomG.Prj’

is de naam van de projectmap in het interne geheugen van de Fantom-G. Meerdere projecten kunnen in het

USB geheugen worden opgeslagen. De projectmappen worden standaard opeenvolgend als ‘

FantomG001.Prj’

worden genoemd.

‘FantomG001.Prj’

enz., en het gedeelte van de naam dat aan de bestandsnaam extensie voorafgaat, is de projectnaam die u heeft toegewezen toen het bestand werd opgeslagen.

Een standaard MIDI (SMF) bestand spelen (SMF List)

U kunt naar de SMF lijst gaan, en een standaard MIDI bestand (SMF) beluisteren, dat volgens de beschrijving van ‘ Een standaard MIDI bestand (SMF) van de computer naar de Fantom-G kopiëren ’

(p.212) is gekopieerd.

Wanneer SMF data wordt gespeeld, adviseren wij u de geluidsgenerator in de Studio Mode te plaatsen. De Fantom-G is GM/GM2 compatibel, dus wanneer de muziekdata compatibel is met GM/GM2, zal deze automatisch met de juiste geluiden worden afgespeeld.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F2 (SMF List)].

Het SMF List scherm verschijnt.

F-toets handelingen in het SMF List scherm

F-toets

F5

-> Phrase

F6

-> Song

F7

Play

F8

EXIT

Uitleg

Importeert een SMF bestand in een frase.

Importeert een SMF bestand in een song.

Speelt het in de lijst geselecteerde SMF bestand.

Keert naar het vorige scherm terug.

3.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] of

om een SMF bestand te selecteren.

4.

Druk op [PLAY] of [F7 (Play)].

pag p. 213 p. 213 p. 212

/

Het geselecteerde SMF bestand zal te horen zijn.

212

Een song afspelen

Een SMF in een frase importeren

(Import Phrase)

U kunt naar de SMF lijst gaan, en een standaard MIDI bestand (SMF) uit het project in een frase importeren. Het geïmporteerde SMF kan vervolgens als een frase gebruikt worden.

1.

Druk op [SONG].

Een SMF in een song importeren

(Import Song)

U kunt naar de SMF lijst gaan, en een standaard MIDI bestand (SMF) uit het project in een song importeren. Het geïmporteerde SMF kan vervolgens als een Fantom-G song gebruikt worden.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F2 (SMF List)].

Het SMF List scherm verschijnt.

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F2 (SMF List)].

Het SMF List scherm verschijnt.

3.

Druk op [F5 (->Phrase)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

4.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Als u de handeling uitvoert, wordt het geselecteerde SMF bestand automatisch in een leeg nummer van de frase lijst geïmporteerd, en het Phrase Edit scherm (p.238) verschijnt.

De geïmporteerde frase is tijdelijk, en zal verloren gaan als u de stroom uitzet. Om de frase te behouden drukt u op [WRITE] om deze op te slaan (p.216).

3.

Draai aan de [VALUE] knop of gebruik [INC] [DEC] of

om een SMF bestand te selecteren.

4.

Druk op [F6 (->Song)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

5.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

/

Als u de handeling uitvoert, wordt het geselecteerde SMF bestand automatisch in een leeg nummer van de song lijst geïmporteerd, en het Song Play scherm (p.205) verschijnt.

De geïmporteerde song is tijdelijk, en zal verloren gaan als u de stroom uitzet. Om de song te behouden drukt u op [WRITE] om deze op te slaan (p.254).

213

Een song afspelen

Frases spelen (MIDI Phrase)

Frases die zich binnen een Fantom-G project bevinden, kunnen vanuit een lijst beluisterd worden.

Een frase beluisteren (MIDI Phrase List)

Hier ziet u, hoe u naar de Phrase List gaat en een frase uit het project kunt beluisteren.

1.

Druk op [SONG].

Een frase laden (Load)

Zo wordt een frase uit het project in het geheugen geladen.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F3 (Phrase List)].

Het MIDI Phrase List scherm verschijnt.

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F3 (Phrase List)].

Het MIDI Phrase List scherm verschijnt.

F-toets handelingen in het MIDI Phrase List scherm

F-toets

F1

Load

F2

Save

F3

Util Menu

Uitleg

Laadt een frase uit het project in het geheugen.

Slaat de geselecteerde frase in het project op.

Save All

Delete Phrase

Slaat alle frases op.

Verwijdert het frase bestand uit het project.

Duplicate Dupliceert de frase.

Keert naar het vorige scherm terug.

F6

Edit

F7

Preview

F8

Phrase Edit

Beluister de geselecteerde frase.

Toont het bewerkingsscherm voor de geselecteerde frase.

pag p. 214 p. 216 p. 216 p. 215 p. 215

– p. 214 p. 238

3.

Draai aan de [VALUE] knop of gebruik [INC] [DEC] of

om een frase te selecteren.

4.

Druk op [F7 (Preview)].

De geselecteerde frase zal te horen zijn.

/

3.

Draai aan de [VALUE] knop of gebruik [INC] [DEC] of

om een frase te selecteren.

4.

Druk op [F1 (Load)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

5.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

/

De frase lijst toont de status van de huidige frase

Frase naam Dit toont de naam van de frase. Als hier

‘ EMPTY’ wordt weergegeven, is de frase niet in het geheugen geladen.

Laad de frase.

Dit geeft aan of het bestand in het project aanwezig is. Frases zonder het

symbool zijn niet opgeslagen, en zullen daarom verloren gaan als u de stroom uitzet. Sla de frase, indien nodig, op.

Dit duidt op een frase die bewerkt is.

De veranderingen die u maakt gaan verloren als u de stroom uitzet. Sla de frase, indien nodig, op.

214

Een song afspelen

Een frase uit het project verwijderen (Delete Phrase)

Met deze handeling wordt een frase uit het project, samen met zijn bestand, geheel verwijderd.

Wanneer die frase door een song binnen het project wordt gebruikt, zal het gedeelte van de song dat door die frase in beslag wordt genomen niet langer te horen zijn.

1.

Druk op [SONG].

Een frase dupliceren (Duplicate)

Deze handeling dupliceert een frase naar een leeg nummer in de lijst.

U kunt dit gebruiken om variaties te creëren, door een bestaande frase te wijzigen.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F3 (Phrase List)].

Het MIDI Phrase List scherm verschijnt.

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F3 (Phrase List)].

Het MIDI Phrase List scherm verschijnt.

3.

Draai aan de [VALUE] knop of gebruik [INC] [DEC] of

om een frase te selecteren.

4.

Druk op [F3 (Util Menu)].

Het Phrase Utility Menu scherm verschijnt.

/

5.

Gebruik

[F8 (Select)].

/ om ‘Delete Phrase’ te kiezen, en druk op

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

6.

Druk op [F7 (OK)].

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

3.

Draai aan de [VALUE] knop of gebruik [INC] [DEC] of

om een frase te selecteren.

4.

Druk op [F3 (Util Menu)].

Het Phrase Utility Menu scherm verschijnt.

/

5.

Gebruik

[F8 (Select)].

/ om ‘Delete Phrase’ te kiezen, en druk op

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

6.

Druk op [F7 (OK)].

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Als u uitvoert, zal de geselecteerde frase automatisch naar een leeg nummer in de frase lijst worden gedupliceerd.

215

Een song afspelen

Een frase opslaan (Save)

Deze handeling slaat de geselecteerde frase in het project op.

Een frase die u opneemt of bewerkt is tijdelijk, en zal verloren gaan als u de stroom uitzet. Om te frase te behouden, moet deze opgeslagen worden.

1.

Druk op [SONG].

Alle frases opslaan (Save All)

Deze handeling slaat alle frases uit de frase lijst in het project op.

1.

Druk op [SONG].

2.

Druk op [F3 (Phrase List)].

Het MIDI Phrase List scherm verschijnt.

Frases zonder het symbool en frases met het symbool zijn niet opgeslagen.

3.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] of

om de frase die u wilt opslaan te selecteren.

4.

Druk op [F2 (Save)].

5.

Geef de frase een naam.

/

Details over het toewijzen van een naam vindt u bij ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

6.

Als de naam is toetgewezen, drukt u op [F8 (OK)].

Een bericht verschijnt, waarin u wordt gevraagd de Write handeling te bevestigen.

Zet nooit de stroom uit, terwijl er wordt opgeslagen.

7.

Druk op [F7 (OK)] om ui te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

* Een frase kan niet opgeslagen worden door een bestaande frase te overschrijven.

2.

Druk op [F3 (Phrase List)].

Het MIDI Phrase List scherm verschijnt.

Frases zonder het symbool en frases met het symbool zijn niet opgeslagen.

3.

Druk op [F3 (Util menu)].

Het Phrase Utility Menu scherm verschijnt.

4.

Druk op / op [F8 (select)].

om ‘Save All’ te selecteren, en druk dan

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

5.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Wanneer Save All wordt uitgevoerd, worden alle frases in dezelfde nummers van de frase lijst opgeslagen. Frase namen worden automatisch toegewezen.

216

MIDI opnemen

In deze sectie wordt uitgelegd, hoe de sequencer van de Fantom-G voor het opnemen van MIDI gebruikt kan worden.

Frases en songs

Een ‘frase’ is een stukje opgenomen MIDI data. U kunt een song simpelweg creëren door frases in de MIDI tracks van een song te plaatsen.

MIDI kan opgenomen worden door het rechtsreeks in een MIDI track van een song op te nemen of door in een frase op te nemen.

In een song opnemen (p.218)

In het Song Play scherm selecteert u een track en een opname start locatie, en begin dan met opnemen. Na de opname zal de frase aan de opname start locatie zijn bevestigd.

In een frase opnemen (p.220)

In het MIDI Phrase List scherm selecteert u een frase nummer en begint u met opnemen. Na de opname zal de frase aan de lijst worden toegevoegd.

Twee opname methodes

Er zijn twee manieren om MIDI op te nemen: Realtime Recording en Step Recording . Gebruikt de methode die het meest geschikt voor uw situatie is.

Realtime Recording (p.222)

Met deze methode wordt een uitvoering op het toetsenbord en de

Pads en de control bewegingen opgenomen.

Step Recording (p.226)

Met Step Recording kunt u noten en rusten één voor één invoeren.

Deze methode is bruikbaar als u noten op een nauwkeurige timing moet invoeren, bijvoorbeeld als drums of bas opgenomen wordt.

Step Record kan niet direct in een song worden toegepast. U kunt Step Recording gebruiken om een frase op te nemen.

Undo-functie

Deze functie annuleert de volgende edit-/opname-handelingen, en keert terug naar de oorspronkelijke toestand.

• Phrase modify (p. 239)

• Microscope (p. 250)

• Phrase recording (realtime/step) (p. 220)

• Track Edit (p. 237)

1.

Voer een van de bovenstaande edit- of opnamehandelingen uit.

2.

Druk op [MENU].

3.

Druk op [F5 (Undo)].

Undo annuleert de laatst uitgevoerde edit- of opnamehandeling

(m.a.w. de edit- of opnamehandeling die onmiddellijk voorafgaat aan de Undo-bewerking). Als Undo niet mogelijk is, dan verschijnt de toets in het grijs en is ze niet toegankelijk.

4.

Er verschijnt een venster met de vraag om de Undobewerking te bevestigen. Druk op [F7 (OK)] om de Undobewerking uit te voeren. Om te annuleren, drukt u op [F8

(CANCEL)].

De edit- of opnamehandeling wordt ongedaan gemaakt en de oorspronkelijke toestand wordt hersteld.

Op de handelingen Phrase edit (phrase modify/microscope), phrase recording (realtime/step) en track edit kunt u een Undo en Redo uitvoeren.

Bij Song recording (realtime recording/audio recording) is er geen Redo mogelijk. Eens dat u een Undo uitvoert, wordt de opname ongedaan gemaakt en kan ze niet meer hersteld worden.

U kunt de Undo-handeling ook uitvoeren door [SHIFT] ingedrukt te houden en op [EXIT] te drukken.

217

MIDI opnemen

In een song opnemen

Werkschema

Als een nieuwe song wordt opgenomen, is het werkschema als volgt:

1.

Selecteer het geluid, dat u voor de opname wilt gebruiken.

2.

Wis de song die zich in het tijdelijke gebied bevindt.

3.

Specificeer de maatsoort van de song (p.219).

4.

Specificeer het tempo (p.219).

5.

Selecteer een IDI track en de start maat voor de opname (p.219).

6.

Voer Realtime Recording uit (p.222).

7.

Gebruik Song Editing om de song te bewerken

(p.232).

8.

Gebruik Phrase Editing (p.238) of Microscope Editing

(p.250) om de frase te bewerken.

9.

Sla de song op (p.254).

Een geluid voor de opname selecteren

Voordat u een song opneemt, selecteert u Studio Mode en kiest u het geluid dat voor de opname gebruikt zal worden.

De sequencer van de Fantom-G kan uw uitvoering opnemen, ongeacht de geluidsgenerator mode (Single, Live of Studio), maar we raden u aan de Studio Mode te kiezen als u een song wilt opnemen.

Wanneer u het Fantom-G toetsenbord en de Pads in de Studio mode gebruikt, zult u alleen het geluid van het gespecificeerde

MIDI kanaal horen, en kunt u verschillende geluiden voor elk

Part kiezen (maximaal zestien geluiden) om de opgenomen song af te spelen. Dit betekent, dat de Studio Mode de juiste keus is wanneer een ensemble uitvoering met gebruik van meerdere instrumenten, zoals drums, bas en piano, wordt opgenomen of afgespeeld.

We adviseren u de Keyboard Switch (p.69) van alle Parts uit te zetten. Als deze aan is, zullen meerdere Parts van de uitvoering in één enkele frase worden opgenomen, hetgeen niet is wat u wilt als een song wordt opgenomen.

Studio Mode selecteren → p.66

Een Studio Set selecteren

p.67

Een geluid voor elk Part selecteren → p.68

De song / frases uit het tijdelijke gebied wissen (Song Clear)

Als u een song opneemt, wordt de uitvoeringsdata in het tijdelijke gebied opgenomen. Als u een nieuwe song wilt opnemen, zal de bestaande uitvoeringsdata uit het tijdelijke gebied verwijderd moeten worden, voordat u begint.

Indien de op dat moment geopende song bewerkt is, moet deze opgeslagen worden voordat u verder gaat (p.254).

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F7 (Song Util)].

Het Song Utility Menu scherm verschijnt.

3.

Gebruik

[F8 (select)].

/ om ‘Song Clear’ te kiezen, en druk dan op

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

4.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8(EXIT)].

218

MIDI opnemen

De maatsoort specificeren (Beat

Track)

Als u een nieuwe song opneemt,begint u met het specificeren van de maatsoort.

Als u echter net de Song Clear handeling heeft uitgevoerd of de stroom heeft aangezet, is de maatsoort altijd op 4/4 ingesteld, zodat dit alleen veranderd hoeft te worden als de song die u opneemt een andere maatsoort heeft.

1.

Druk op [SONG].

2.

Druk op [F8 (Song Util)].

Het Song Edit scherm verschijnt.

3.

Druk op [F7 (Song Util)].

Het Song Edit Utility Menu venster verschijnt.

4.

Druk op

[F8 (select)].

/ om ‘Beat Track’ te selecteren, en druk op

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Het Microscope scherm van de beat track verschijnt.

5.

Verplaats de cursor naar ‘Beat Change’, en specificeer de maatsoort.

Als u de maat in het midden van een song wilt laten veranderen, kijkt u bij ‘ De maatsoort tijdens de song veranderen (Beat Track) ’ (p.237).

6.

Druk op [EXIT] om naar het Song Edit scherm terug te keren.

Het tempo specificeren

Zo wordt het tempo gespecificeerd waarop de song opgenomen zal worden.

1.

Druk op [TEMPO].

Het Tempo venster verschijnt.

fig.17-004_50

Een MIDI track en de Recording-

Start maat selecteren

Zo wordt de MIDI track waarop u gaat opnemen, en de opname start maat gespecificeerd.

U kunt opnemen op alle tracks 1-128 waarbij ‘MIDI’ wordt aangegeven.

U bent vrij om MIDI data voor meerdere geluidsgenerator Parts op dezelfde MIDI track gelijktijdig op te nemen, en het staat u tevens vrij om meerdere MIDI tracks te gebruiken om MIDI data voor een enkel geluidsgenerator Part op te nemen.

Aanvankelijk zult u dingen simpel willen houden, en de MIDI track met hetzelfde nummer als het geluidsgenerator Part dat deze speelt willen gebruiken.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Draai aan de VALUE knop of gebruik / track waarop u wilt opnemen te selecteren.

om de MIDI

Selecteer een track waarbij de ‘MIDI’ indicatie wordt vermeld.

2.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om het tempo aan te geven. Door [SHIFT] ingedrukt te houden, terwijl u aan de VALUE knop draait, kan de waarde onder de decimale punt worden aangepast.

• Als u op [F7 (Click)] drukt om dit aan te zetten, zal het klikgeluid op het gespecificeerde tempo klinken. Elke keer dat u op de knop drukt, wordt dit aan of uitgezet.

• U kunt het tempo specificeren door [F6 (tap Tempo)] op het gewenste interval (Tap Tempo) in te drukken. Druk tenminste drie keer op de knop, met intervallen van een kwartnoot van het gewenste tempo.

3.

Als de instellingen zijn gemaakt drukt u op [F8 (Close)].

De volgorde, waarin de tracks worden weergegeven, kan veranderd worden.

‘ De Track Display Zoom en Display Order veranderen

(Zoom/Track Order) ’ (p.209).

3.

Gebruik om de maat waarop u met opnemen wilt beginnen te specificeren.

De opname start maat wordt in het ‘Measure’ veld boven in elk

PLAY scherm aangegeven.

Als er al een frase op de opname start locatie aanwezig is

De bestaande frase zal door de nieuwe opname worden overschreven.

Als een frase volgend op de opname start locatie al aanwezig is

Een nieuwe frase zal opgenomen worden. U kunt tot aan de locatie van de daarop volgende frase opnemen.

Ga verder naar Realtime Recording

p.222

219

MIDI opnemen

In een frase opnemen

Opname werkschema

Wanneer een nieuwe frase wordt opgenomen, is het werkschema als volgt:

1.

Selecteer het geluid, dat u voor de opname wilt gebruiken.

2.

Specificeer het tempo.

3.

In de MIDI Phrase lijst selecteert u de frase, die u wilt opnemen (p.221).

4.

Voer Realtime Recording (p.222) of Step Recording

(p.226) uit.

5.

Gebruik Phrase Editing (p.238) of Microscope Editing

(p.250) om de frase te bewerken.

6.

Sla de frase op (p.216).

Een geluid voor de opname selecteren

Voordat u een frase opneemt, selecteert u de Studio Mode en kiest u het geluid dat u voor de opname wilt gebruiken.

De sequencer van de Fantom-G kan een uitvoering opnemen, ongeacht de geluidsgenerator mode (Single, Live of Studio), maar we raden u aan de Studio Mode te kiezen als u een song wilt opnemen.

Wanneer u het Fantom-G toetsenbord en de Pads in de Studio mode gebruikt om op te nemen, zult u alleen het geluid van het gespecificeerde MIDI kanaal horen, en kunt u verschillende geluiden voor elk Part kiezen (maximaal zestien geluiden) om de opgenomen song af te spelen. Dit betekent dat de Studio

Mode de juiste keus is wanneer een ensemble uitvoering met gebruik van meerdere instrumenten, zoals drums, bas en piano, wordt opgenomen of afgespeeld.

We adviseren u de Keyboard Switch (p.69) van alle Parts uit te zetten. Als deze aan is, zullen meerdere Parts van de uitvoering in één enkele frase worden opgenomen, hetgeen niet is wat u wilt als een song wordt opgenomen.

Studio Mode selecteren

p.66

Een Studio Set selecteren → p.67

Een geluid voor elk Part selecteren

p.68

Het tempo specificeren

Zo wordt het tempo, waarmee de frase opgenomen zal worden, gespecificeerd.

Tempo of maatsoort instellingen kunnen niet in een frase worden opgeslagen. Frases worden altijd op het tempo van de song afgespeeld. Het tempo dat u hier aangeeft is een tijdelijke tempo instelling voor de opname.

1.

Druk op[TEMPO].

Het Tempo venster verschijnt.

fig.17-004_50

2.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om het tempo te specificeren. Door [SHIFT] ingedrukt te houden, terwijl u aan de VALUE knop draait, kan de waarde onder het decimale punt worden aangepast.

• Als u op [F7 (Click)] drukt om dit aan te zetten, zal het klikgeluid op het gespecificeerde tempo klinken. Elke keer dat u op de knop drukt, wordt dit aan of uitgezet.

• U kunt het tempo specificeren door [F6 (tap Tempo)] op het gewenste interval (Tap Tempo) in te drukken. Druk tenminste drie keer op de knop, met intervallen van een kwartnoot van het gewenste tempo.

3.

Als de instellingen zijn gemaakt drukt u op [F8 (Close)].

220

De op te nemen frase selecteren

Ga naar de MIDI Phrase lijst en selecteer de frase die u wilt opnemen.

Opname handelingen kunnen ook in het Phrase Edit scherm

(p.238) worden uitgevoerd.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F3 (Phrase List)].

Het MIDI Phrase List scherm verschijnt.

3.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] of

om de frase die u wilt opnemen te selecteren.

Als er al een frase in het geselecteerde nummer aanwezig is

/

De bestaande frase wordt door de nieuwe opname overschreven.

Als er geen frase in het geselecteerde nummer is

Een nieuw frase zal opgenomen worden.

Ga verder naar Realtime Recording

p.222

Ga verder naar Step Recording

p. 226

MIDI opnemen

221

MIDI opnemen

De uitvoering opnemen, precies zoals deze gespeeld wordt (Realtime Recording)

Realtime Recording is de opnamemethode, waarbij hetgeen u op het toetsenbord speelt en de controller handelingen precies zoals u deze uitvoert worden opgenomen. Kies deze opnamemethode als u de nuances van een uitvoering wilt vastleggen.

Auto Track-functie

In het Realtime Rec Standby-venster zal deze functie bij de opname van een song automatisch hetzelfde tracknummer kiezen als dat van de part die u opneemt. Bijvoorbeeld, als de huidige part van de klankgenerator part 3 is, dan wordt MIDI track 3 van de song geselecteerd. Als de huidige part van de klankgenerator part 10 is, dan wordt MIDI track 10 van de song geselecteerd. Dit zorgt voor een meer intuïtief verband tussen de parts van de klankgenerator en de tracks van de song.

De Auto Track-function zal automatische de volgende tracks selecteren.

Huidige Part

Intern 1–16

EXP1 1–16

EXP2 1–16

Extern 1–16

Audio Track 1–24

(MIXER-scherm)

Track

MIDI Track 1–16

MIDI Track 17–32

MIDI Track 33–48

MIDI Track 49–64

Audio Track 1–24

Als u tijdens de opname van part verandert, dan verandert het opnamespoor niet, ook al staat de Auto Track-functie aan.

De Auto Track-functie aan/uit zetten

Volgens de standaardinstellingen staat de Auto Track-functie aan. Als u de Auto Track-functie uitschakelt, dan wordt in het

Realtime Rec Standby-venster bij opname van een song de huidige track van de song gekozen.

1.

Druk op [MENU] en druk vervolgens op [F2 (System)].

2.

Druk een aantal keer op [F2 (Group/Down)] om naar de

Startup-groep te gaan.

3.

Kies in het “Sequencer Auto Track”-veld de gewenste instelling (on/off).

WAARDE

OFF:

ON:

Auto Track-functie staat uit

(standaard) Auto Track-functie staat aan

Basisprocedure voor Realtime Recording

1.

Zorg, dat de passende voorbereidingen voor opnemen zijn gemaakt, zoals beschreven in ‘In een song opnemen’

(p.218) of ‘In een frase opnemen’ (p.220).

2.

Druk op [REC].

De [REC] indicator knippert, en het Realtime Rec Standby venster verschijnt.

In dit venster kunnen verscheidene parameters die aan Realtime Recording zijn gerelateerd instellen.

3.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de verscheidene parameters te verplaatsen, en draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om deze in te stellen.

=Voor details over de parameters, zie ‘ Realtime Rec Standby parameters ’ (p.222).

In de Realtime Rec Standby-vensters, kunt u door middel van de [F6]-toets afwisselen tussen MIDI en audio opnemen.

In de Realtime Rec Standby-vensters kunt u het opnamespoor selecteren in het “Recording Track Number”-veld. Als u het opnamespoor wil veranderen, voer dan de gewenste wijziging uit in het “Recording Track Number”-veld.

4.

Nadat de instellingen in het Realtime Rec Standby venster zijn gemaakt, drukt u op [PLAY] of [F8 (Start)].

Het Realtime Rec Standby venster wordt afgesloten, de [REC] indicator verandert van knipperend in verlicht, en de opname zal beginnen.

Als de opname begint zal het Realtime Recording scherm verschijnen.

Om het scherm te sluiten, drukt u op [F8 (Close)] of [PLAY].

Om het opnieuw te openen, drukt u op [PLAY].

In dit scherm kunnen de volgende handelingen worden uitgevoerd.

• Realtime Erase (Erase p.224).

• Rehearsal functie (Rehearsal p.225).

Voor details over deze handelingen kijkt u op de corresponderende pagina.

5.

Wanneer de opname is voltooid, drukt u op [STOP].

6.

Er verschijnt een venster met de vraag om de opname te bevestigen. Als u de opname wenste te behouden, druk dan op [F7 (OK)]. Om te annuleren, drukt u op [F8 (CANCEL)].

222

MIDI opnemen

Als u annuleert, wordt de opgenomen frase niet in de song ingevoegd, en evenmin toegevoegd aan de phrase list; ze wordt verwijderd.

U kunt een Undo uitvoeren op de opname (p. 217).

U kunt tijdens de opname de Input Quantize-instelling wijzigen.

In het Realtime Rec-venster dat tijdens de opname verschijnt, kunt u de volgende parameters wijzigen.

• Input Quantize

• Grid Resolution

• Grid Quantize Strength

• Shuffle Resolution

• Shuffle Rate

Realtime Rec Standby parameters

In deze sectie worden de Realtime Rec parameters uitgelegd.

Rec Mode

Selecteert op welke manier de opname plaats zal vinden.

Waarde

MIX : Mix-recording wordt uitgevoerd. In het algemeen zult u deze methode gebruiken. Als er op de frase die als opname bestemming fungeert reeds een uitvoering is opgenomen, zal de nieuw opgenomen uitvoering aan de bestaande uitvoering worden toegevoegd, zonder dat deze gewist wordt. Als dit samen met Loop Recording wordt gebruikt, kunt u herhaaldelijk over een gespecificeerd gebied opnemen, zonder dat de eerder opgenomen uitvoering wordt gewist.

Dit is bijvoorbeeld een handige manier om een drum uitvoering per instrument op te nemen: basdrum

snare drum

hi-hat, enz.

REPLACE : Replace-recording wordt uitgevoerd. Als een uitvoering reeds op de opname bestemming frase is opgenomen, zal deze gewist worden wanneer de nieuwe uitvoering wordt opgenomen. Gebruik dit als u opnieuw wilt opnemen.

Count In

Selecteert hoe de opname begint.

Waarde

OFF :

1 MEAS

2 MEAS :

:

De opname begint direct nadat u [PLAY] indrukt.

Als u op [PLAY] drukt zal een aftelling (afspelen) beginnen op één maat voor de opname start locatie, en de opname begint wanneer de opname start locatie wordt bereikt.

Als u op [PLAY] drukt zal een aftelling (afspelen) beginnen op twee maten voor de opname start locatie, en de opname begint wanneer de opname start locatie wordt bereikt.

WAIT NOTE : Als alternatief voor het indrukken van [PLAY] kunt u op het toetsenbord spelen, een Pad aanslaan of het Hold pedaal indrukken om de opname te laten beginnen.

Tempo Rec Switch

Specificeert of tempo veranderingen worden opgenomen (ON) of niet worden opgenomen (OFF).

Als u het tempo tijdens de song wilt veranderen, kunnen deze tempo veranderingen in de tempo track worden opgenomen.

Als tempo veranderingen reeds zijn opgenomen, zullen deze door de nieuwe tempo veranderingen worden overschreven.

Waarde : OFF, ON

Loop Switch

Specificeert of Loop recording aan is (ON) of niet (OFF).

De Loop regio is vanaf het Rec Start punt tot het Rec End punt.

Waarde : ON, OFF.

Rec Start Point

Geeft de maat, tel, en tik aan waarop de opname zal beginnen.

Rec End Switch

Specificeert of een opname eindpunt toegewezen wordt (ON) of niet (OFF).

Rec End Point

Specificeert de maat, tel, en tik waarop de opname zal eindigen.

Deze instelling wordt genegeerd als Rec End Switch op ‘OFF’ staat.

Rec Length

Specificeert de lengte van de opname regio in maten, tellen, en tikken. De Rec Length instelling en Rec End Point instelling zijn met elkaar verbonden.

Input Quantize

De Quantize functie corrigeert automatisch onnauwkeurigheden in de timing van uw uitvoering op het toetsenbord of de

Pads, waarbij de noten gelijk worden getrokken om timing intervallen accuraat te maken. Tijdens Realtime Recording kan quantizatie tijdens de opname worden gebruikt.

Geef aan of de Quantize functie tijdens de opname gebruikt wordt of niet.

Waarde

OFF :

GRID :

Quantizatie zal niet tijdens de opname worden toegepast.

Grid Quantize zal tijdens de opname worden toegepast. Gebruik dit als u wilt dat de timing accuraat is, bijvoorbeeld bij het opnemen van drums of bas.

Grid quantizatie met Resolution =

223

MIDI opnemen

SHUFFLE : Shuffle Quantize zal tijdens de opname worden toegepast.

Gebruik dit als u het ritme een ‘shuffle’ of

‘swing’ karakter wilt geven.

Shuffle quantizatie met Rate = 75%

De sequencer data selecteren die opgenomen zal worden

(Recording Select)

Wanneer u Realtime Recording gebruikt, zal alle sequencer data normaalgesproken worden opgenomen. Indien u een specifiek type data niet wilt opnemen, kunt u deze Recording Select instelling op

‘OFF’ instellen.

1.

Druk op [REC].

2.

Druk op [F7 (Rec Select)].

Het Recording Select venster verschijnt.

Grid Resolution

Maak deze instelling als u Grid Quantize gebruikt. Specificeer het quantizatie interval uitgedrukt in een nootwaarde. Selecteer de kortste nootwaarde, die in de reeks waarop Grid Quantize wordt toegepast, zal voorkomen.

Waarde : , , , , , ,

Grid Quantize Strength

Maak deze instelling als u Grid Quantize gebruikt. Dit specificeert de mate, waarin noten aangepast zullen worden in de richting van de timing intervallen die met de Grid Resolution parameter zijn gespecificeerd. Met een instelling van ‘100%’ worden de noten exact gecorrigeerd met de timing van de Gris Resolution parameter. Als deze instelling wordt verlaagd, zal de nootwaarde minder exact gecorrigeerd worden, en met een instelling van ‘0%’ wordt de timing geheel niet aangepast.

Waarde : 1-100%

Shuffle Resolution

Wanneer u Shuffle Quantize gebruikt, maakt u deze instelling om de nootwaarde die voor de quantizatie wordt gebruikt te specificeren.

Shuffle Rate

Maak deze instelling als u Shuffle Quantize gebruikt. Dit specificeert de mate waarin de backbeat van de downbeat gescheiden zal worden, gespecificeerd door de Shuffle Resolution parameter. Met een instelling van ‘50%’ zal de backbeat exact tussen aansluitende downbeats vallen. Met een instelling van ‘0%’ wordt de backbeat naar dezelfde timing als die van de voorgaande downbeat verplaatst. Met een instelling van ‘100%’ wordt de backbeat verplaatst naar dezelfde timing als de volgende downbeat.

Waarde : 0-100%.

3.

Gebruik of om de sequencer data (MIDI berichten) die opgenomen zullen worden te selecteren.

Note: Noot berichten. Deze MIDI berichten representeren noten.

Poly Aftertouch: Polyfonische aftertouch. Deze MIDI berichten passen aftertouch op individuele toetsen toe.

Control Change:

Program Change:

Control Change berichten. Deze MIDI berichten passen verscheidene effecten zoals modulatie of expressie toe.

Program Change berichten. Deze MIDI berichten selecteren geluiden.

Channel Aftertouch: Channel aftertouch berichten. Deze

MIDI berichten passen aftertouch op een volledig MIDI kanaal toe.

Pitch Bend: Pitch Bend berichten. Deze MIDI berichten veranderen de toonhoogte.

System Exclusive: System Exclusive berichten. Deze MIDI berichten worden gebruikt om instellingen uniek voor de Fantom-G te maken, zoals geluidsparameters.

4.

Draai aan de VALUE knop of druk op [INC] [DEC] om een markeringsteken toe te voegen.

Het bericht wordt opgenomen als u een markeringsteken [_ILL] toewijst, en worden niet opgenomen als het markeringsteken wordt verwijderd.

Als u op [F6 (All Off)] drukt, wordt geen sequencer data opgenomen.

Als u op [F7 (All On)] drukt, zal alle sequencer data worden opgenomen.

5.

Druk op [F8 (Close)] om het Recording Select venster te sluiten.

224

MIDI opnemen

Ongewenste data wissen, terwijl u opneemt (Realtime Erase)

Realtime Erase is een functie die ongewenste data tijdens Realtime

Recording wist. Dit is in het bijzonder handig tijdens Loop

Recording, aangezien u hiermee data kunt wissen zonder de opname te stoppen.

Realtime Erase kan alleen uitgevoerd worden als de Recording

Mode op ‘MIX’ is ingesteld.

1.

Begin met Realtime Recording (p.222).

Het Realtime Recording venster verschijnt.

Geluiden of frases beluisteren tijdens de opname (Rehearsal

Functie)

Met de Rehearsal functie kunt u de opname tijdelijk uitstellen, tijdens Realtime Recording. Dit is gemakkelijk als u de frase die u daarna gaat opnemen wilt oefenen.

1.

Begin met Realtime Recording (p.222).

Het Realtime Recording venster verschijnt.

2.

Druk op [F6 (Erase)].

Het Realtime Erase venster verschijnt.

2.

Druk op [F7 (Rehearsal) of [REC].

De [REC] indicator knippert, hetgeen aangeeft dat u zich in de oefen mode bevindt. In deze staat wordt er niets opgenomen als u op het toetsenbord speelt.

3.

Om naar de opname mode terug te keren, drukt u nogmaals op [F7 (Rehearsal)] of [REC].

3.

Wis ongewenste data.

Om alle data te wissen drukt u op [F7 (Erase All)]. Data wordt gewist zolang de knop ingedrukt wordt gehouden.

Om noten van een specifieke toets te wissen, houdt u die toets ingedrukt. Data van die noot wordt gewist zolang de toets ingedrukt wordt gehouden.

Om noten van een specifieke toetsenreeks te wissen, houdt u de hoogste en laagste toetsen van die reeks ingedrukt. Data van die reeks wordt gewist zolang deze toetsen ingedrukt worden gehouden.

4.

Druk op [F8 (Close)] om het Realtime Erase venster te sluiten.

U keert naar de normale opname status terug.

225

MIDI opnemen

Data per stap invoeren

(Step Recording)

Met Step Recording kunnen noten en rusten één voor één worden opgenomen, alsof u deze in een notenbalk zou noteren.

Noten en rusten invoeren

1.

Zorg, dat de passende voorbereidingen voor opnemen zijn

2.

3.

Step Record kan niet rechtsreeks in een song plaatsvinden. U kunt Step Recording gebruiken om een frase op te nemen.

gemaakt, zoals beschreven bij ‘In een frase opnemen’

(p.220).

Druk op [F8 )Phrase Edit)] in de MIDI Phrase lijst.

Het Phrase Edit scherm verschijnt.

Druk op [F5 (step Rec)].

De [REC] indicator zal knipperen, en het Step Recording

Standby venster verschijnt.

Het Step Recording Standby venster kan ook bereikt worden door [SHIFT] ingedrukt te houden en op [REC] te drukken in de

MIDI Phrase lijst.

4.

Maak instellingen voor Step Recording. Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de gewenste parameter te verplaatsen, en draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om de parameter in te stellen.

Rec Mode (recording Mode)

Selecteert hoe de opname plaatsvindt.

Waarde

MIX : Mix-recording wordt uitgevoerd. In het algemeen zult u deze methode gebruiken. Als er op de frase die als opname bestemming fungeert reeds een uitvoering is opgenomen, zal de nieuw opgenomen uitvoering aan de bestaande uitvoering worden toegevoegd, zonder dat deze gewist wordt.

REPLACE : Replace-recording wordt uitgevoerd. Als een uitvoering reeds op de opname bestemming frase is opgenomen, zal deze gewist worden wanneer de nieuwe uitvoering wordt opgenomen. Gebruik dit als u opnieuw wilt opnemen.

• Start Point

Specificeert de locatie (maat-tel-tik), waarop de opname zal beginnen.

5.

Druk op [F8 (Start)] or [PLAY].

De [REC] indicator zal knipperen, en het Step Rec (Note) scherm verschijnt.

6.

Specificeer de noot die u wilt invoeren. Gebruik of om de gewenste parameter te selecteren.

• Note Type

Specificeert de lengte van de noten die u wilt invoeren, uitgedrukt in een nootwaarde. De lengte van de nootwaarde duidt op de lengte vanaf note-on tot de volgende note-on.

Waarde: , , , , , , , , , , ,

, , , , , ,

• Gate tijd

Specificeert de proportie van de Gate tijd, relatief aan het Note

Type. De Gate tijd is de lengte tussen note-on en note-off.

Specificeer een lagere waarde als u wilt dat de noten staccato worden gespeeld of een hogere waarde als u wilt dat noten tenuto of legato, worden gespeeld. Normaal wordt dit op ongeveer ‘80%’ ingesteld.

Waarde: 1-100%

• Input Velo

Specificeert de sterkte waarmee de noot gespeeld wordt. Als u wilt, dat dit de sterkte is waarmee u een toets of Pad daadwerkelijk indrukt, selecteert u ‘REAL’. Anders gebruikt u instellingen als p (piano)=60, mf (mezzo-forte)=90 of f (forte)=120 als algemene richtlijnen.

Waarde: REAL, 1-127

7.

Draai aan de VALUE knop of druk op [INC] [DEC] om de instelling te maken.

8.

Druk op [F7 (

)] of [F8 (

)] om de gewenste invoer locatie te verplaatsen, en druk op een noot op het toetsenbord of op een Pad.

Als u een toets of Pad indrukt, worden de noot berichten in de vorm van een balk weergegeven. De velocities worden als een staafdiagram getoond.

U kunt de functie knoppen [F1] [F2] [F3] [F4] [F5] [F6] gebruiken om de volgende handelingen uit te voeren.

226

MIDI opnemen

• Step Back

Annuleer de eerder ingevoerde noot.

• Tie

Verleng de tijdsduur van de eerder ingevoerde noot met de huidige instelling.

• Rest

Voert een rust in. Zet eerst de Note Type parameter op een lengte in, die hetzelfde is als de rust die u wilt invoeren.

• Zoom In

Comprimeer de reeks noten die in het scherm wordt getoond.

Gebruik dit als u bepaalde noten vergroot wilt bekijken.

• Zoom Out

Maak de reeks noten die in het scherm wordt getoond groter.

Gebruik dit als u wilt zien welke noten zijn ingevoerd.

• Untie

Verwijdert de meest recent ingevoerde samenvoeging.

9.

Herhaal bovenstaande stappen om te blijven invoeren.

De vorige waarde van elke parameter wordt onthouden. Dit betekent dat als u dezelfde instellingen als die van de vorige ingevoerde noot wilt gebruiken, de instellingen niet veranderd hoeven te worden.

Nadat de Gate tijd parameter en Input Velocity parameters zijn ingesteld, is het meestal niet nodig om deze instellingen nog te veranderen, dus het enige dat u hoeft te doen is de Note Type parameter, en de toonhoogte (toetsenbord, Pad) van elke noot in te stellen.

10.

Wanneer de Step Recording is voltooid, drukt u op [STOP].

De [REC] indicator dooft uit.

U kunt een Undo uitvoeren op de opname (p. 217).

Een akkoord invoeren

Druk op het akkoord. De cursor zal naar de volgende stap verplaatsen als u alle toetsen of Pads loslaat.

De invoer locatie verplaatsen

• Door [F8 ( ➜ )] in te drukken wordt de invoer locatie volgens de huidige Note Type waarde naar voren verplaatst.

• Door [F7 (

)

] in te drukken wordt de invoer locatie volgens de huidige Note Type waarde naar achteren verplaatst.

• Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F8 (

)] om de invoer locatie één maat verder te plaatsen.

• Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [[F7 (

) ] om de invoer locatie één maat terug te plaatsen.

De weergave regio verplaatsen

Als u of indrukt, wordt de weergegeven regio van noten omhoog op omlaag verplaatst.

De relatie tussen Note Value Length en

Gate tijd

De relatie tussen de lengte van de noot waarde en de Gate tijd wordt hieronder getoond. Omdat de sequencer van de Fantom-

G een TPQN (Ticks Per Quarter Note, ofwel resolutie) van 480 gebruikt, is een gate tijd van een kwartnoot 480 tikken.

Noot Gate tijd

30

40

45

60

80

90

120

160

180

240

320

360

480

640

720

960

1920

3840

De Gate tijd die in de Step Recording is opgenomen, zal de originele Gate tijd waarde, vermenigvuldigd met de waarde van de Gate tijd parameter zijn. Bijvoorbeeld, als de Gate tijd parameter op ‘80%’ is ingesteld, zal het invoeren van een kwartnoot betekenen dat de Gate tijd 480 x 0.8 = 384.

227

Geluid opnemen

In deze sectie wordt uitgelegd, hoe de sequencer van de Fantom-G gebruikt wordt om geluid op te nemen.

Over de geluidsopname tijd

De Fantom-G heeft 32 MB ingebouwd geheugen, waarmee ongeveer zes minuten mono geluid of ongeveer drie minuten stereo geluid opgenomen kan worden. Als u langer dan dit wilt opnemen, moet in de winkel verkrijgbaar geheugen (DIMM) geïnstalleerd worden (p.308, p.310).

Samples en songs

Een stukje opgenomen geluid wordt een ‘Sample’ genoemd. U kunt een song creëren door Samples simpelweg in een geluidstrack van een song te plaatsen.

Geluid kan opgenomen worden door direct in een geluidstrack van een song op te nemen of door alleen Samples op te nemen

(sampling) of door WAV of AIFF bestanden van een computer te importeren.

In een song opnemen (p.228)

Vanuit het Song Play scherm selecteert u een track en opname startlocatie, en dan neemt u op.

Na de opname zal de Sample aan de opname startlocatie van de track worden toegewezen.

Sampling (p.258)

De Sampling functie kan gebruikt worden om geluid op te nemen.

De opgenomen Samples worden aan de Sample lijst toegevoegd. U kunt een song creëren door deze Samples vrijelijk in een geluidstrack van de song te plaatsen.

Importeren van de computer

(p.283)

WAV of AIFF bestanden kunnen van de computer geïmporteerd worden. De geïmporteerde WAV of AIFF bestanden worden als

Samples aan de Sample lijst toegevoegd. Een song kan gecreëerd worden door deze Samples vrijelijk in de geluidstrack van de song te plaatsen.

In een song opnemen

Voor het opnemen in een song is het werkschema als volgt:

1.

Selecteer een geluidstrack en de opname startlocatie

(p.229).

2.

Voer geluidsopname uit (p.230).

3.

Gebruik song bewerking (p.232) om de song te bewerken.

4.

Bewerk de Samples (p.263).

5.

Sla de song op (p.254).

228

Een geluidstrack en de opname startlocatie selecteren

Hier ziet u, hoe een geluidstrack voor opname wordt geselecteerd, en de opname start maat wordt gespecificeerd.

Alle tracks 1-24 waarbij ‘AUDIO’ wordt weergegeven kunnen opgenomen worden.

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Draai aan de VALUE knop of gebruik / om de geluidstrack waarop u wilt opnemen te selecteren.

Selecteer een track waarbij ‘AUDIO’ wordt weergegeven.

De volgorde waarin tracks worden weergegeven kan veranderd worden.

→ ‘ De Track Display Zoom en Display Order veranderen

(Zoom/Track Order) ’(p.209).

3.

Gebruik [ ] [ ]om de maat waarop u de opname begint te specificeren.

De opname start maat wordt in het ‘Measure’ veld boven aan elk PLAY scherm getoond.

Als de track al een Sample bevat

Elke geluidstrack speelt altijd slechts één Sample per track. Als

Samples in een track overlappen, zal de laatste Sample hoorbaar zijn.

4.

Druk op de [REC] knop om naar de opname Standby mode te gaan.

Ga verder naar Geluidsopname

p.230

Geluid opnemen

229

Geluid opnemen

Geluidsopname

Hier wordt uitgelegd, hoe geluidsinvoer van een geluidsapparaat, microfoon of CD in een geluidstrack wordt opgenomen.

Basisprocedure voor geluidsopname

1.

Zorg, dat de voorbereidingen voor opname heeft uitgevoerd, zoals beschreven bij ‘Een geluidstrack en de opname start maat selecteren’ (p.229).

2.

Druk op [REC].

indicator oplichten. In dit geval draait u de LEVEL knop lager, totdat de PEAK indicator niet meer oplicht.

* Als het opnameniveau te hoog is, zal de niveaumeter in het scherm

‘CLIP’ aangeven.

* Als een extern apparaat op de DIGITAL AUDIO IN is aangesloten, en u de kabel loshaalt of het externe apparaat uitschakelt, kan er ruis optreden in de invoer van DIGITAL AUDIO IN. Als dit gebeurt, sluit u het externe apparaat opnieuw op juiste wijze aan of zet de [MIX IN] schakelaar van de Fantom-G uit.

5.

Druk op [PLAY] of [F8 (Start)].

Het Audio Rec Standby-scherm wordt afgesloten, en de opname zal beginnen.

Als de opname start, verschijnt het Realtime Recording scherm.

fig.18-004_50

* Deze stap is hetzelfde als stap 4 van ‘ Een geluidstrack en de opname start maat selecteren ’ (p.229).

De [REC] indicator knippert, en het Audio Rec Standby scherm verschijnt.

In dit scherm kunt u verscheidene parameters die met geluidsopname te maken hebben instellen.

Als u [F7 (Inp Setting)] indrukt gaat u naar het Input Setting scherm (p.258), waar instellingen voor de externe invoer gemaakt kunnen worden.

Op de geluidsinvoer kunnen effecten als equalizer of compressie worden toegepast. Druk op [F7 (Inp Setting)] om naar het INPUT EFFECT scherm te gaan, waar effectinstellingen gemaakt kunnen worden. Details van de parameters die ingesteld kunnen worden, vindt u bij ‘ Input Effect parameters ’

(p.186).

In de Realtime Rec Standby/Audio Rec Standby-vensters kunt u door middel van de [F6]-toets afwisselen tussen MIDI en audio opnemen.

In de Realtime Rec Standby/Audio Rec Standby-vensters kunt u het opnamespoor selecteren in het “Recording Track

Number”-veld. Als u het opnamespoor wil veranderen, voer dan de gewenste wijziging uit in het “Recording Track

Number”-veld.

3.

Met [CURSOR] verplaatst u de cursor naar de gewenste parameter. Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om de waarde in te stellen.

Details over elke parameter vindt u bij ‘ Audio Rec Standby parameters ’ (p.231).

4.

Als u van de AUDIO INPUT opneemt, draait u aan de LEVEL knop op het achterpaneel (p.24) om het ingangsniveau van de externe bron aan te passen.

* Deze aanpassing is niet nodig als u DIGITAL IN gebruikt.

* Als het volume van de externe invoer te hoog is, zal de PEAK

230

6.

Als u klaar bent met opnemen, drukt u op [STOP].

7.

U wordt gevraagd om de opname te bevestigen. Als u de opname wil behouden, drukt u op [F7 (OK)]. Om te annuleren, drukt u op [F8 (CANCEL)].

Als u annuleert, wordt de opgenomen sample niet in de song ingevoegd, noch aan de sample-lijst toegevoegd; hij wordt verwijderd.

De [REC]-indicator dooft uit.

De Sample die u heeft opgenomen wordt in de geluidstrack geplaatst.

De opname kan ongedaan gemaakt worden met Undo (p. 217).

De opgenomen Sample gaat verloren als u de stroom uitzet.

Om de Sample te behouden, moet deze opgeslagen worden

(p.274).

Geluid opnemen

Audio Rec Standby parameters

Hier worden de Realtime Rec Standby parameters uitgelegd.

Audio Rec Mode (Geluidsopname mode)

Specificeert hoe de opname zal plaatsvinden.

Waarde

SOLO : Terwijl de interne geluidsgenerator normaal wordt gespeeld, wordt alleen het geluid van de externe invoer opgenomen.

* Andere effecten dan het Input Effect kunnen niet op het geluid van de externe invoer worden toegepast.

SOLO WITH FX : Terwijl de interne geluidsgenerator wordt gespeeld, neemt u alleen het geluid van de externe invoer op., terwijl dat gebeurt, kan een effect op het geluid van de externe invoer worden toegepast.

* Als de opname mode ‘SOLO WITH FX’ is, kunnen MFX (multi-effecten) niet op het geluid van de interne geluidsgenerator worden toegepast.

RE-SAMPLING : Neem het geluid van de interne geluidsgenerator (inclusief de geluidstracks) op. De externe invoer is niet hoorbaar.

* Het volume van gesamplede frases kan lager zijn dan het originele volume van de frase. Indien nodig gebruikt u Normalize (p.270) om het volume te verhogen.

Input Select

Selecteert de invoerbron.

Waarde

DIGITAL IN : DIGITAL AUDIO IN jack

LINE IN L/R : INPUT jacks L / R (stereo)

LINE IN L : INPUT jack L (mono)

MIC/GUITAR : MIC/GUITAR jack

USB AUDIO : USB aansluiting

Audio Rec Channel (geluidsopname kanaal)

Bij het opnemen van een geluidstrack selecteert u of de track stereo of mono zal zijn.

Waarde :

MONO :

STEREO : opnemen in mono.

opnemen in stereo.

Count In

Selecteert hoe de opname begint.

Waarde :

1 MEAS :

2 MEAS :

Als u op [PLAY] drukt, zal een aftelling beginnen op één maat voor de opname startlocatie, en de opname begint op de opname start locatie.

Als u op [PLAY] druk,t zal een aftelling beginnen op twee maten voor de opname startlocatie, en de opname begint op de opname start locatie.

Rec Start Point (opname start punt)

Geeft de maat, tel en tik aan, waarop de opname begint.

Rec End Switch (opname eind schakelaar)

Selecteert of een opname eindpunt toegewezen wordt (ON) of niet (OFF).

Rec End Point (opname eind punt)

Specificeert de maat, tel, en tik waarop de opname zal eindigen.

Deze instelling wordt genegeerd als Rec End Switch op ‘OFF’ staat.

Rec Length

Specificeert de lengte van de opname regio in maten, tellen, en tikken. Deze instelling is verbonden met de Rec End Point instellingen.

231

Songs bewerken

In deze sectie wordt uitgelegd, hoe songs bewerkt kunnen worden.

Drie manieren om te bewerken

Een song bewerken (p.232)

In het Song Play scherm en Song Edit scherm kan de gehele song bewerkt worden. Hier kunnen instellingen voor elke track worden gemaakt, en de frases en Samples opnieuw gearrangeerd worden. De tracks van een song bevatten de Samples of frases zelf niet, maar bevatten slechts informatie die zegt ‘op dit punt, speel Sample (of frase) nummer zus en zo’.

Een frase bewerken (p.238)

De individuele frases, die aan de tracks zijn toegewezen, kunnen bewerkt worden.

Gebruik het Phrase Edit scherm om frases te bewerken.

Een Sample bewerken (p.263)

De individuele Samples, die aan de tracks zijn toegewezen, kunnen bewerkt worden.

Gebruik het Sample Edit scherm om Samples te bewerken.

Een song bewerken (Song

Edit)

Het Song Edit scherm openen

Om een song te bewerken, gaat u naar het Song Edit scherm.

1.

Druk op [SONG].

fig.17-001

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F8 (Song Edit)].

Het Song Edit scherm verschijnt.

Het Song Edit scherm is ook te bereiken door twee keer achter elkaar op [SONG] te drukken.

Handelingen met de F-toetsen in het Song Edit-scherm

F-toets

F1

Insert

F2

Delete

F3

Copy

F4

Edit

Uitleg

Voegt een Sample/frase op de gespecificeerde locatie in.

Verwijdert de geselecteerde Sample/frase uit de track.

Kopieert de geselecteerde Sample/frase.

F5

Loop

F6

Marker

F7

Song Util

F8

Song Edit

Als een Sample is geselecteerd:

Opent het Sample Edit scherm.

Als een frase is geselecteerd:

Opent het Phrase Edit scherm.

Opent het Loop venster, waar de Loop regio gespecificeerd kan worden.

Opent het Marker venster, waar markeringen toegewezen kunnen worden.

Zoom/

Track Order

Zoomt de track weergave of verandert de weergegeven volgorde van tracks.

Wist de song.

Song Clear

Track Clear

Track Name

Wist de track.

Wijst een naam aan de track toe.

Voegt een lege maat in.

Track Edit

Insert

Track Edit

Delete

Verwijdert ongewenste maten.

Track Edit

Copy

Tempo Track

Kopieert maten.

Beat Track

Save As SMF

Verandert het tempo.

Verandert de maatsoort.

Opslaan als SMF File

Opent het Song Play scherm.

Pag.

p. 233 p. 234 p. 234 p. 266 p. 238 p. 208 p. 208 p. 209 p. 235 p. 235 p. 235 p. 237 p. 237 p. 237 p. 235 p. 236 p. 256 p. 205

Handelingen met SHIFT + F-toetsen in het Song Edit-scherm

F-toets

SHIFT + F1

Trk Edit Ins

SHIFT + F2

Trk Edit Del

SHIFT +F3

Trk Edit Copy

SHIFT +F8

Zoom

Uitleg

Voegt een lege maat in.

Verwijdert ongewenste maten.

Kopieert maten.

Zoomt de track weergave of verandert de weergegeven volgorde van tracks.

Pag.

p. 237 p. 237 p. 237 p. 209

232

Songs bewerken

Een Sample/frase verplaatsen

(Move)

Zo wordt de op dat moment geselecteerde Sample of frase naar een andere track of locatie verplaatst.

1.

Ga naar het Song Edit scherm (p.232).

2.

Gebruik [CURSOR] om de Sample/frase die u wilt verplaatsen te selecteren.

3.

Druk op [SHIFT].

De cursor verandert in de volgende vorm.

4.

Blijf [SHIFT] ingedrukt houden en druk op of .

De Sample/frase zal naar een andere track worden verplaatst.

Samples kunnen naar geluidstracks worden verplaatst, en frases kunnen naar MIDI tracks worden verplaatst.

5.

Terwijl u [SHIFT] ingedrukt blijft houden, gebruikt u de volgende knoppen om de Sample/frase te verplaatsen.

[INC] [DEC] Verplaats de Sample/frase in stappen van een tik.

/ Verplaats de Sample/frase in stappen van één maat.

VALUE knop Verplaats de Sample/frase in stappen van een zestiende noot (120 tikken).

Als u een USB muis gebruikt, kunt u een frase verplaatsen door deze met de muis te slepen (houd de linker muisknop ingedrukt en verplaats de muis).

Een Sample/frase op een gespecificeerde locatie invoeren

(Insert)

Hier ziet u, hoe een Sample/frase op de door u aangegeven locatie wordt ingevoerd.

Samples worden automatisch voor een geluidstrack worden geselecteerd, en frases worden automatisch voor een MIDI track geselecteerd.

1.

Ga naar het Song Edit scherm (p.232).

2.

Gebruik de / om de track waar u een Sample of frase wilt invoegen te selecteren.

3.

Specificeer de locatie waarop u een Sample/frase wilt invoeren.

De knoppen functioneren als volgt.

Verplaats de huidige locatie naar het begin van de song.

[INC] [DEC] Verplaats de huidige locatie in stappen van een tik.

[ ] [ ] Verplaats de huidige locatie in stappen van één maat.

VALUE knop verplaats de huidige locatie in stappen van één tel.

4.

Druk op [F1 (Insert)].

Voor een MIDI track

Het MIDI Phrase Select scherm verschijnt.

Voor een geluidstrack

Het Sample Select scherm verschijnt.

5.

Selecteer de Sample/frase die u wilt invoegen, en druk op

[F8 (Select)].

De Sample/frase zal op de gespecificeerde locatie worden ingevoerd.

233

Songs bewerken

Een Sample/frase uit een track verwijderen (Delete)

Zo wordt de geselecteerde Sample/frase uit de track verwijderd.

1.

Ga naar het Song Edit scherm (p.232).

2.

Gebruik [CURSOR] om de Sample/frase die u wilt verwijderen te selecteren.

3.

Druk op [F2 (Delete)].

De geselecteerde Sample/frase zal uit de track verwijderd worden.

Met deze handeling wordt de Sample/frase simpelweg uit de track verwijderd. De feitelijke data blijft in de Sample/frase lijst behouden.

Een Sample/frase bewerken (Edit)

Zo wordt de op dat moment geselecteerde Sample/frase bewerkt.

Als een Sample is geselecteerd: het Sample Edit scherm verschijnt.

Als een frase is geselecteerd: het Phrase Edit scherm verschijnt.

1.

Ga naar het Song Edit scherm (p.232).

2.

Gebruik [CURSOR] om de Sample/frase die u wilt bewerken te selecteren.

3.

Druk op [F4 (Edit)].

Voor een Sample

Het Sample Edit scherm verschijnt

p.266

Voor een frase

Het Phrase Edit scherm verschijnt → p.238

Een Sample/frase kopiëren (Copy)

Zo wordt de op dat moment geselecteerde Sample/frase gekopieerd.

1.

Ga naar het Song Edit scherm (p.232).

2.

Gebruik [CURSOR] om de Sample/frase die u wilt kopiëren te selecteren.

3.

Druk op [F3 (Copy)].

De geselecteerde Sample/frase zal direct achter zichzelf gekopieerd worden.

Als u een USB muis gebruikt, kunt u een Sample/frase kopiëren door [SHIFT] ingedrukt te houden en de Sample/frase met de muis aan te klikken.

234

Songs bewerken

Song Utility (Song Util)

De Track Display Zoom en Display

Order veranderen (Zoom/Track

Order)

‘ De Track Display Zoom en Display Order veranderen

(Zoom/Track Order) ’ (p.209)

De op dat moment geopende song wissen (Song Clear)

Hier ziet u, hoe de song, die op dat moment in het Song Play scherm is geopend, gewist wordt. Voer deze handeling uit als u en nieuwe song wilt opnemen. Het songbestand zelf, dat in het project is opgeslagen, zal niet verwijderd worden.

Als u de huidig geopende song heeft bewerkt, slaat u deze op voordat u verder gaat (p.254).

1.

Ga naar het Song Edit scherm (p.232).

2.

Druk op [F7 (Song Util)].

Het Song Edit Utility Menu scherm verschijnt.

3.

Gebruik

(select)].

/ om ‘Song Clear’ te kiezen, en druk op [F8

Om te annuleren, druk op [F7 (Cancel)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

4.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Een track wissen (Track Clear)

Hier ziet u, hoe de geselecteerde track wordt gewist. De track naam en track setup data zullen ook naar de begininstellingen terugkeren.

1.

Ga naar het Song Edit scherm (p.232).

2.

Gebruik selecteren.

/ om de track die u wilt wissen te

3.

Druk op [F7 (Song Util)].

Het Song Edit Utility Menu scherm verschijnt.

4.

Gebruik

(Select)].

/ om ‘Track Clear’ te kiezen, en druk op [F8

Om te annuleren, druk op [F7 (Cancel)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

5.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Een track een naam geven (Track

Name)

U kunt een track van een naam voorzien.

1.

Ga naar het Song Edit scherm (p.232).

2.

Gebruik selecteren.

/ om de track die u een naam wil geven, te

3.

Druk op [F7 (Song Util)].

Het Song Edit Utility Menu scherm verschijnt.

4.

Gebruik

(Select)].

/ om ‘Track Name’ te kiezen, en druk op [F8

Om te annuleren, druk op [F7 (Cancel)].

5.

Wijs de naam toe.

Details over het toewijzen van een naam vindt u bij ‘Een naam toewijzen’ (p.42).

6.

Druk op [F8 (Write)] om de naam te voltooien.

Het tempo tijdens de song veranderen (Tempo Track)

Als u wilt, dat het tempo tijdens de song verandert, voert u nieuwe tempo verandering data in de tempo track in. De song zal na de locatie waarop u de tempo verandering invoert in dat tempo worden afgespeeld.

Wanneer u echter een geleidelijke tempo verandering wilt creëren, zoals ritardando of accelerando, is het gemakkelijker om Tempo

Recording (p.223) te gebruiken.

Om het algehele tempo van de song sneller of langzamer te maken, kunt u het afspeeltempo in de verscheidene PLAY schermen aanpassen.

1.

Ga naar het Song Edit scherm (p.232).

Druk op [F7 (Song Util)].

2.

Het Song Edit Utility Menu scherm verschijnt.

3.

Gebruik

[F8 (Select)].

/ om ‘Tempo Track’ te kiezen, en druk op

Om te annuleren, druk op [F7 (Cancel)].

4.

Druk op [F1 (Create)].

Het Create Event venster verschijnt. In het venster zal ‘Tempo

Change’ geselecteerd zijn.

5.

Druk op [F8 (Execute)].

Het Create Position venster verschijnt.

6.

Gebruik / om de cursor naar ‘Measure (Meas)’, ‘Beat’, en ‘Tick’ te verplaatsen.

7.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om de locatie waarop de tempo verandering ingevoegd zal worden te specificeren.

235

Songs bewerken

8.

Druk op [F8 (Execute)] om de tempo verandering in te voeren.

9.

De ingevoerde tempo verandering heeft de standaard tempo waarde, dus stel de waarde naar wens bij.

Voor details over het bewerken van de tempo track, zie

‘ Individuele onderdelen van sequencer data bewerken

(Microscope) ’ (p.250).

Echter, de enige data die door de tempo track behandeld kan worden is zoals bij ‘Tempo Change’ (p.236) wordt beschreven.

Data die door de tempo track verwerkt wordt

De tempo track neemt tempo data voor de song op.

Tempo Change

De data specificeert het tempo. De song wordt volgens de waarde van deze tempo veranderingen afgespeeld.

De waarde die bij “ =**” wordt getoond, is het tempo waarop de song werkelijk gespeeld wordt (het afspeel tempo), en kan in het

PLAY scherm van elke mode worden aangepast.

Als de tempo verandering waarde verschilt van het afspeeltempo, betekent dit dat het afspeeltempo tijdelijk is veranderd. Met andere woorden, de tempo verandering waardes zijn niet herschreven, dus de instelling zal verloren gaan als u naar een andere song overschakelt of de stroom uitzet. Als u wilt, dat de song de volgende keer ook op dit tempo wordt gespeeld, moet u de song opnieuw opslaan. Hiermee worden de tempo verandering waardes opnieuw opgeslagen, zodat deze met het feitelijke afspeeltempo overeenkomen.

De maatsoort tijdens de song veranderen (beat Track)

Als u wilt, dat de maatsoort tijdens de song verandert, voegt u nieuwe beat change data in de beat track in. De song wordt vlak na de locatie waarop de beat change wordt ingevoerd in die maatsoort gespeeld.

De maatsoort kan niet in het midden van een maat veranderd worden.

De maatsoort kan alleen aan het begin van een maat veranderd worden.

1.

Ga naar het Song Edit scherm (p.232).

2.

Druk op [F7 (Song Util)].

Het Song Edit Utility Menu scherm verschijnt.

3.

Gebruik

(select)].

/ om ‘Beat Track’ te kiezen, end ruk op [F8

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

4.

Druk op [F1 (Create)].

Het Create Event venster verschijnt. In het venster zal ‘Beat

Change’ geselecteerd zijn.

5.

Druk op [F8 (Execute)].

Het Create Position venster verschijnt.

Gebruik / om de cursor naar ‘Measure (Meas)’ te verplaatsen.

6.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om de locatie waarop de beat change ingevoerd zal worden te specificeren.

7.

Druk op [F8 (Execute)] om de beat change in te voeren.

8.

De ingevoerde beat change heeft de standaard waarde, dus pas de waarde naar wens aan.

Voor details over het bewerken van de beat track, zie

‘ Individuele onderdelen van sequencer data bewerken

(Microscope) ’ (p.250).

Echter, de enige data die door de beat track behandeld kan worden, is zoals bij ‘Beat Change’ (p.237) wordt beschreven.

Data die door de Beat Track wordt behandeld

De beat track neemt maatsoort data op.

Beat Change

Deze data specificeert de maatsoort (Beat).

236

Songs bewerken

Track Edit-functie

In het Song Play/Song Edit-scherm kunt u Track-handelingen uitvoeren zoals Insert (een lege maat invoegen), Delete

(ongewenste maten verwijderen) of Copy (maten kopiëren).

De Track Edit-functies bewerken niet de frasen of samples zelf.

Bijvoorbeeld, als u een frase met een lengte van 10 maten hebt toegewezen aan maat 1, en u gebruikt dan de functie “Track

Edit Delete” (ongewenste maten verwijderen) om de maten 2–3 te verwijderen, dan wordt er niets uit de inhoud van de frase verwijderd. Als u binnen de frase iets wil verwijderen, gebruik dan een Phrase Modify-functie (p. 239) om de frase te bewerken.

1.

Druk in het Song Play/Song Edit-scherm op [F7 (Song Util)].

2.

Kies uit het menu dat verschijnt een van de volgende items en druk op [F8 (Select)].

Menu

Track Edit Insert

Track Edit Delete

Track Edit Copy

Uitleg

Een lege maat invoegen

Ongewenste maten verwijderen

Maten kopiëren

Details over de vensters voor elk van de Track Edit-functies vindt u in de paragraaf van de de betreffende functie.

U kunt de Track Edit-functies ook in het Song Play/Song Editscherm uitvoeren via de toetscombinatie [SHIFT] + [F1]–[F3].

3.

Stel de parameters in voor elke functie. Plaats met de cursortoetsen de cursor op de gewenste parameter en wijzig de waarde met het VALUE-wiel of met [INC]/[DEC].

4.

Druk op [F8 (Execute)].

U wordt gevraagd om te bevestigen.

5.

Druk op [F7 (OK)] om te bevestigen.

U kunt deze edit-handeling ongedaan maken door op

[MENU] ➔ [F5 (Undo)] te drukken.

Lege maten invoegen in een Track

(Track Edit Insert)

Deze functie voegt lege maten in op een bepaalde frasepositie.

Source Track

Selecteer de track die u wil bewerken. Als u alle tracks wil bewerken, kies dan “ALL.”

Measure, For (Edit Range)

Hier bepaalt u op welke positie de lege maten worden ingevoegd, plus het aantal lege maten dat wordt ingevoegd.

Beat (Time Signature)

Hier bepaalt u de maatsoort.

Ongewenste maten verwijderen uit een Track (Track Edit Delete)

Deze functie verwijdert een bepaald deel van de sequencer data, en schuift de daarop volgende data op om de leegte op te vullen. De lengte van de track wordt dus verminderd met het aantal verwijderde maten.

Source Track

Selecteer de track die u wil bewerken. Als u alle tracks wil bewerken, kies dan “ALL.”

Measure, For (Edit Range)

Hier bepaalt u het aantal maten dat u wil verwijderen. Als u

“For” instelt op “ALL”, dan worden alle maten geselecteerd.

Maten van een Track kopiëren

(Track Edit Copy)

U kunt maten uit een bepaald gebied in de track kopiëren.

Als het begin van een frase of sample buiten het te kopiëren gebied valt, dan wordt die frase of sample niet gekopieerd.

Source Track

Selecteer de track die u wil bewerken. Als u alle tracks wil bewerken, kies dan “ALL.”

Src Measure, For (Edit Range)

Hier specificeert u de bron-maten. Als u “For” instelt op “ALL”, dan worden alle maten geselecteerd.

Dst Measure (Destination Measure)

Hier specificeert u de maten van de kopieerbestemming.

Als u de kopieerbestemming net na de laatste maat van een frase wil instellen, zet dan deze parameter op “END.”

Copy Times

Hier bepaalt u het aantal keren dat de data naar de kopieerbestemming worden gekopieerd.

237

Songs bewerken

Een frase bewerken (Phrase

Edit)

Als een bepaalde frase door meerdere songs in een project wordt gebruikt, heeft het bewerken van die frase consequenties voor de inhoud van al die songs. Als u een frase die in andere songs wordt gebruikt gaat bewerken, is het een goed idee om de frase van tevoren te dupliceren.

‘ Een frase dupliceren (Duplicate) ’ (p.215).

Het Phrase Edit scherm openen

Om een frase te bewerken, gaat u naar het Phrase Edit scherm.

Het Phrase Edit scherm kan vanuit de MIDI Phrase List of vanuit het

Song Edit scherm worden geopend.

Vanuit MIDI Phrase List

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F3 (Phrase List)].

Het MIDI Phrase List scherm verschijnt.

3.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] of

om de te bewerken frase te selecteren.

4.

Druk op [F8 (Phrase Edit)].

Het Phrase Edit scherm verschijnt.

/

Vanuit Song Edit

1.

Druk op [SONG].

Het Song Play scherm verschijnt.

2.

Druk op [F8 (Song Edit)].

Het Song Edit scherm verschijnt.

3.

Gebruik [CURSOR] om de frase die u wilt bewerken te selecteren.

4.

Druk op [F4 (edit)].

Het Phrase Edit scherm verschijnt.

F-toets handelingen in het Phrase Edit scherm.

F-toets

F1

Clear

Uitleg

Wist de huidig geselecteerde frase. Het frase bestand zelf, dat in het project is opgeslagen, zal niet verwijderd worden.

Slaat de frase in het project op.

F2

Save

F3

Modify

F4

Microscope

F5

Step Rec

Quantize

Erase

Delete

Copy

Insert

Transpose

Change Velocity

Corrigeert de timing van de frase.

Wist ongewenste uitvoeringsdata.

Verwijdert ongewenste maten.

Kopieert data.

Voegt lege maten in.

Transponeert de toonhoogte.

Verandert de Velocity

(volume).

Change Channel

Change Duration

Shift Clock

Verandert het MIDI kanaal.

Verandert de lengte van de noten.

Verplaatst de uitvoeringsdata voorwaarts of achterwaarts.

Data Thin

Truncate

Hiermee wordt uitvoeringsdata uitgedund.

Verwijdert een leeg deel vanaf aan het begin.

Bewerkt individuele MIDI berichten en uitvoeringsdata die in de frase zijn opgenomen.

Voert Step Recording uit, waarbij noten en rusten individueel ingevoerd kunnen worden.

Speelt de op dat moment bewerkte frase.

F7

Play

F6

Exit

Keert naar het vorige scherm terug.

pag p. 239 p. 248 p. 249 p. 250 p. 226 p. 239

– p. 239 p. 240 p. 242 p. 243 p. 243 p. 244 p. 245 p. 245 p. 246 p. 246 p. 248

238

Een frase spelen (Play)

Zo wordt de op dat moment bewerkte frase gespeeld.

1.

Ga naar het Phrase Edit scherm (p.238).

2.

Druk op [PLAY] of [F7 (Play)].

Songs bewerken

Phrase Modify Menu

1.

Ga naar het Phrase Edit scherm (p.238).

2.

Druk op [F3 (Modify)].

Het Phrase Modify Menu scherm verschijnt.

fig.19-008_50

De huidig bewerkte frase wissen

(Clear)

Hier ziet u, hoe de huidig bewerkte frase gewist wordt. Met deze handeling wordt het frase bestand dat in het project is opgeslagen niet verwijderd.

1.

Ga naar het Phrase Edit scherm (p.238).

2.

Druk op [F1 (Clear)].

Een bevestigingsbericht verschijnt.

3.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

Een frase opslaan (Save)

Met deze handeling wordt de frase in het project opgeslagen.

Een frase die u heeft opgenomen of bewerkt is tijdelijk, en zal verloren gaan als u de stroom uitzet. Om de frase te behouden, moet deze opgeslagen worden.

1.

Ga naar het Phrase Edit scherm (p.238).

2.

Druk op [F2 (Save)].

3.

Geef de frase een naam.

Details over het toewijzen van een naam vindt u bij ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

4.

Als u een naam heeft toegewezen, drukt u op [F8 (OK)].

Een scherm verschijnt, waar de opslagbestemming frase geselecteerd kan worden.

5.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om het frase nummer te selecteren.

6.

Druk op [F8 (Write)].

In een bericht wordt u gevraagd de Write handeling te bevestigen.

Zet nooit de stroom uit tijdens het opslaan.

7.

Druk op [F7 (OK)] om uit te voeren.

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

3.

Gebruik / om de gewenste functie te kiezen, en druk dan op [F8 (Select)].

Quantize

Erase

Delete

→ p. 240

p. 242

p. 243

Copy

Insert

p. 243

p. 244

Transpose → p. 245

Change Velocity

p. 245

Change Channel → p. 246

Change Duration

p. 246

Shift Clock

Data Thin

Truncate

→ p. 248

p. 248

→ p. 249

Wanneer het phrase modify-menu getoond wordt, kunt u op een van de dynamic pads drukken om naar het respectieve modify-scherm te springen.

Voor details over het bewerkingsvenster van alle frase bewerkingsfuncties raadpleegt u de corresponderende uitleg.

4.

Stelt de parameters van de gekozen bewerkingsfunctie in.

Gebruik [CURSOR] om de cursor naar de gewenste parameter te verplaatsen, en draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om instellingen te maken.

Controleer of het onderdeel dat u wilde bewerken is geselecteerd, en breng indien nodig veranderingen aan.

5.

Druk op [F8 (Execute)] om uit te voeren.

Als de handeling is voltooid, wordt ‘Completed!’ kortstondig in het scherm weergegeven.

239

Songs bewerken

Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

U kiunt de edit-handeling ongedaan maken met Undo (p. 217).

De timing van een frase recht maken (Quantize)

In het hoofdstuk ‘ MIDI opnemen ’ (p.217) is Recording Quantize uitgelegd, waarmee u kunt quantizeren tijdens Realtime recording.

Als alternatief is het ook mogelijk een frase die al is opgenomen te quantizeren.

De Quantize handeling corrigeert alleen de timing waarmee noten werden ingedrukt (note-on) en losgelaten (note-off), en corrigeert geen andere sequencer data. Dit betekent dat als u

MIDI berichten zoals bend range of modulatie samen met noten opneemt, de quantizatie kan veroorzaken dat noten niet langer synchroon lopen met MIDI berichten, zodat de tijd afwijkt. Om dit soort problemen te voorkomen, is het beter om andere data dan die van het toetsenbord later op te nemen, met gebruik van mix recording, enz.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Part Group

Specificeert de Part Group.

Waarde

Internal

EXP1

EXP2

External

ALL

Uitleg

Intern (interne klankgenerator)

Expansion board 1

Expansion board 2

Externe MIDI output

Alle part-groepen

Ch (MIDI Channel)

Specificeert de MIDI kanalen van de noten, die gequantizeerd worden.

Indien u alle noten wilt quantizeren, zet u deze parameter op ‘ALL’.

Om alleen noten van een specifiek MIDI kanaal te quantizeren selecteert u dat kanaal.

Waarde : ALL, Ch1-Ch16

Measure, For (Edit Range)

Stelt de reeks maten in die gequantizeerd wordt. Als u ‘For’ op ‘ALL’ instelt, worden alle maten gespecificeerd.

Quantize Type

Specificeert de quantizatie reeks.

Waarde

GRID: Grid Quantize wordt op de opname toegepast.

Omdat de noten aan de timing van de gespecificeerde nootwaarde worden aangepast, kunt u dit gebruiken als u de drums of bas (bijvoorbeeld) in het juiste ritme wilt laten spelen.

Grid quantizatie met Resolution =

SHUFFLE: Shuffle Quantize wordt op de opname toegepast.

Gebruik dit als u een ritmisch ‘shuffle’ of ‘swing’ gevoel wilt creëren.

Shuffle quantizatie met Rate = 75%

TEMPLATE: De Fantom-G voorziet in 71 quantize sjablonen.

Deze sjablonen bevatten verscheidene quantizatieinstellingen door het toepassen van ritmische ‘feels’ van veel verschillende muzikale categorieën.

Selecteer de sjabloon die u voor de quantizatie wenst.

* Als de data noten van de sequencer te ver van een accurate timing verwijderd zijn, kan Template Quantize mogelijk niet efficiënt werken, zodat de gewenste resultaten niet worden bereikt. In dit geval past u eerst Grid Quantize op de sequencer data toe om fouten in de timing kwijt te raken.

Resolution (Grid Quantize Resolution)

Deze parameter wordt gebruikt als Grid Quantize is geselecteerd.

Specificeert quantizatietijdsinterval als een nootwaarde. Kies een resolutie, die met de kleinste noot in het gebied dat u quantizeert, overeenkomt.

Waarde :

Strength (Grid Quantize Strength)

Deze parameter wordt gebruikt wanneer Grid Quantize wordt gebruikt. Deze parameter specificeert een percentage van de manier waarop de timing in de richting van het timing interval gecorrigeerd zal worden, dat met de Resolution parameter is gespecificeerd. Op

‘100%’ ingesteld wordt de noot helemaal naar het dichtstbijzijnde timing interval van de Grid Resolution instelling verplaatst. Met een instelling van ‘0%’ zal de noot timing geheel niet veranderen.

Resolution (Shuffle Quantize Resolution)

Deze parameter wordt gebruikt wanneer Shuffle Quantize is geselecteerd. Specificeert het quantizatie tijdsinterval als een nootwaarde.

Waarde : ,

240

Songs bewerken

Rate (Shuffle Quantize Rate)

Deze parameter wordt gebruikt wanneer Shuffle Quantize is geselecteerd. Specificeert hoe ver de downbeat, gespecificeerd met de Shuffle Resolution parameter, verwijderd is van de up-beat, die direct volgt. Door de timing van een up-beat te verschuiven kan een

‘swing’ gevoel gecreëerd worden. Met een instelling van ‘50%’ wordt de timing van de up-beat noot precies in het midden tussen de down-beat en de volgende down-beat geplaatst. Met een instelling van ‘0%’ wordt de up-beat noot verplaatst naar dezelfde timing als de vorige down-beat. Een instelling van ‘100%’ verplaatst deze naar dezelfde timing als die van de volgende down-beat.

Waarde : 0-100% fig.19-010.e

Originele uitvoeringsdata

Snelheid = 25%

Snelheid = 50%

Snelheid = 75%

Snelheid =100%

Up beat

Up beat

Up beat

Up beat

Quantize Template (Quantize Template)

Specificeert de sjabloon die u wilt gebruiken.

Hier is een lijst met vooraf ingestelde groove sjablonen.

019

020

021

022

023

013

014

015

016

017

018

024

025

026

027

028

029

030

031

032

006

007

008

009

010

011

012

001

002

003

004

005

Dance (small dynamics)

Dance (large dynamics)

Dance (light swing)

Dance (heavy swing)

Dance (dragging beats, small dynamics)

Dance (dragging beats, large dynamics)

Dance (dragging beats, light swing)

Dance (dragging beats, heavy swing)

Dance (pushing beats, small dynamics)

Dance (pushing beats, large dynamics)

Dance (pushing beats, light swing)

Dance (pushing beats, heavy swing)

Fusion (small dynamics)

Fusion (large dynamics)

Fusion (light swing)

Fusion (heavy swing)

Fusion (dragging beats, small dynamics)

Fusion (dragging beats, large dynamics)

Fusion (dragging beats, light swing)

Fusion (dragging beats, heavy swing)

Fusion (pushing beats, small dynamics)

Fusion (pushing beats, large dynamics)

Fusion (pushing beats, light swing)

Fusion (pushing beats, heavy swing)

Reggae (small dynamics)

Reggae (large dynamics)

Reggae (light swing)

Reggae (heavy swing)

Reggae (dragging beats, small dynamics)

Reggae (dragging beats, large dynamics)

Reggae (dragging beats, light swing)

Reggae (dragging beats, heavy swing)

049

050

051

052

053

054

055

044

045

046

047

048

033

034

035

036

037

038

039

040

041

042

043

067

068

069

070

071

063

064

065

066

056

057

058

059

060

061

062

Reggae (pushing beats, small dynamics)

Reggae (pushing beats, large dynamics)

Reggae (pushing beats, light swing)

Reggae (pushing beats, heavy swing)

Pops (small dynamics)

Pops (large dynamics)

Pops (light swing)

Pops (heavy swing)

Pops (dragging beats, small dynamics)

Pops (dragging beats, large dynamics)

Pops (dragging beats, light swing)

Pops (dragging beats, heavy swing)

Pops (pushing beats, small dynamics)

Pops (pushing beats, large dynamics)

Pops (pushing beats, light swing)

Pops (pushing beats, heavy swing)

Rhumba (small dynamics)

Rhumba (large dynamics)

Rhumba (light swing)

Rhumba (heavy swing)

Rhumba (dragging beats, small dynamics)

Rhumba (dragging beats, large dynamics)

Rhumba (dragging beats, light swing)

Rhumba (dragging beats, heavy swing)

Rhumba (pushing beats, small dynamics)

Rhumba (pushing beats, large dynamics)

Rhumba (pushing beats, light swing)

Rhumba (pushing beats, heavy swing)

Samba (for Pandeiro, etc.)

Samba (for Surdo, Timbale)

Axe (for Caixa)

Axe (for Surdo)

Salsa (for Cascala)

Salsa (for Conga)

Triplets

Quintuplets

Sextuplets

Septuplets over two beats

Lagging triplets

* De sjablonen zijn ontworpen op een 4/4 maatsoort. Wanneer deze op een uitvoering met een andere maatsoort worden toegepast, kan het gewenste resultaat mogelijk niet verkregen worden.

* De hier getoonde stijl namen zijn alleen voor het gemak. Deze zijn niet bedoeld om aan te geven dat de sjablonen alleen voor de genoemde stijl bedoeld zijn. U kunt deze vanzelfsprekend met andere muziekstijlen proberen.

Timing (Quantize Timing)

Dit specificeert hoeveel een noot naar het timinginterval van de door u gekozen sjabloon wordt verplaatst. Ingesteld op 100% wordt de perfect getimed met de sjabloon. Op 0% ingesteld zal de noot geheel niet verplaatst worden.

Waarde : 0-100%

Range Min, Range Max

Als u bijvoorbeeld de reeks tussen C3 en C4 wilt quantizeren, zet u

‘Note Min’ op ‘C3’, en ‘Note Max’ op ‘C4’.

De toetsenreeks kan ook gespecificeerd worden door toetsen op het toetsenbord te specificeren.

241

Songs bewerken

Ongewenste uitvoeringsdata wissen (Erase)

Deze functie wist alle sequencer data binnen het gespecificeerde gebied.

Omdat de gewiste data door rusten wordt vervangen, blijven de oorspronkelijke maten bestaan.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Part Group

Specificeert de Part-groep.

Waarde

Internal

EXP1

EXP2

External

ALL

Uitleg

Intern (interne klankgenerator)

Expansion board 1

Expansion board 2

Externe MIDI output

Alle part-groepen

Ch (MIDI Channel)

Selecteert het MIDI-kanaal van de data die gewist wordt.

Om alle sequencer data te wissen zet u deze parameter op ‘ALL’.

Om alleen sequencer data van een specifiek MIDI-kanaal te wissen, selecteert u dat MIDI-kanaal.

Waarde : ALL, Ch1-Ch16

Measure, For (Edit Range)

Specificeert de reeks maten die gewist zal worden. Als u ‘For’ op

‘ALL’ instelt, worden alle maten gespecificeerd.

Status

Selecteert het type data dat gewist zal worden.

Waarde

ALL

NOTE

Poly Aftertouch

Control Change

Program Change

Channel Aftertouch

Pitch Bend

System Exclusive

Tune Request

Range Min, Range Max

Wanneer de Status parameter op ‘NOTE’, ‘P.AFT’, ‘C.C’ of ‘PROG’ is ingesteld, specificeert u de reeks. Zet ‘Range Min’ op de laagste waarde van de reeks, en ‘Range Max’ op de hoogste waarde van de reeks.

Om alle noten of polifonische aftertouch data te wissen, zet

‘Range Min’ op ‘C-1’ en ‘Range Max’ op ‘G9’. Om C4 te wissen, zet u ‘Range Min’ en ‘Range Max’ op ‘C4’. Om C3 tot C4 te wissen, zet u ‘Range Min’ op ‘C3’ en ‘Range Max’ op ‘C4’.

• Om alle controller nummers te wissen zet u ‘Range Min’ op

‘0’en ‘Range Max’ op ‘127’. Om alle programma nummers te wissen zet u ‘Range Min’ op ‘1’ en ‘Range Max’ op ‘128’. Om nummer 4 te wissen, zet u ‘Range Min’ en ‘Range Max’ op ‘4’.

Om nummers 3 tot en met 14 te wissen, zet u ‘Range Min’ op

‘3’en ‘Range Max’ op ‘14’.

242

Songs bewerken

Ongewenste maten verwijderen

(Delete)

Deze functie verwijdert een specifiek gebied aan sequencer data, en verplaatst de daarop volgende data om de leegte op te vullen. Als resultaat wordt de maatlengte verkort met het aantal verwijderde maten.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Measure, For (Edit Range)

Specificeert de reeks maten die verwijderd zullen worden. Als u

‘For’ op ‘ALL’ instelt, worden alle maten gespecificeerd.

Frases kopiëren (Copy)

Deze functie kopieert een gespecificeerd gebied aan sequencer data.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Part Group

Specificeert de Part-groep.

Waarde

Internal

EXP1

EXP2

External

ALL

Uitleg

Intern (interne klankgenerator)

Expansion board 1

Expansion board 2

Externe MIDI output

Alle part-groepen

Ch (MIDI Channel)

Selecteert het MIDI kanaal van de te kopiëren data.

Als u alle sequencer data wilt kopiëren, stelt u deze parameter op

‘ALL’ in. Om alleen de sequencer data van een specifiek MIDI kanaal te kopiëren, selecteert u het MIDI( kanaal.

Waarde: ALL, Ch-1-Ch16

Src Measure, For (edit Range)

Specificeert de reeks kopieerbron maten. Als u ‘For’ op ‘ALL’ instelt, worden alle maten gespecificeerd.

Dst Measure (Destination Measure)

Specificeert de kopieerbestemming maat.

Als u wilt, dat de kopieerbestemming zich vlak achter de laatste maat van een frase bevindt, zet u deze parameter op ‘END’.

Copy Mode

Specificeert of de bestaande data in de kopieerbestemming bewaard blijft als er gekopieerd wordt.

Waarde

MIX :

REPLACE :

Combineert de data van de kopieerbron met de bestaande data in de kopieerbestemming.

Muziekdata in de kopieerbestemming zal gewist worden (overschreven) wanneer de kopie wordt uitgevoerd. Alleen de sequencer data van de MIDI kanalen gespecificeerd door de Channel parameter zal overschreven worden, en data van andere MIDI kanalen zal blijven bestaan.

Copy Times

Specificeert het aantal keren dat de data naar de kopieerbestemming gekopieerd zal worden.

Status

Selecteert het type data dat gekopieerd wordt.

Waarde

ALL

NOTE

Poly Aftertouch

Control Change

Program Change

Channel Aftertouch

Pitch Bend

System Exclusive

Tune Request

Range Min, Range Max

Wanneer de Status parameter op ‘NOTE’, ‘P.AFT’, ‘C.C’ of ‘PROG’ is ingesteld, specificeert u de reeks. Zet ‘Range Min’ op de laagste waarde van de reeks, en ‘Range Max’ op de hoogste waarde van de reeks.

Om alle noten of polifonische aftertouch data te kopiëren, zet

‘Range Min’ op ‘C-1’ en ‘Range Max’ op ‘G9’. Om C4 te kopiëren, zet u ‘Range Min’ en ‘Range Max’ op ‘C4’. Om C3 tot

C4 te kopiëren, zet u ‘Range Min’ op ‘C3’ en ‘Range Max’ op

‘C4’.

• Om alle controller nummers te kopiëren, zet u ‘Range Min’ op

‘0’en ‘Range Max’ op ‘127’. Om alle programma nummers te kopiëren zet u ‘Range Min’ op ‘1’ en ‘Range Max’ op ‘128’. Om nummer 4 te kopiëren, zet u ‘Range Min’ en ‘Range Max’ op ‘4’.

Om nummers 3 tot en met 14 te kopiëren, zet u ‘Range Min’ op

‘3’en ‘Range Max’ op ‘14’.

243

Songs bewerken

Een lege maat invoegen (Insert)

Deze functie voegt een lege maat in, op een gespecificeerde positie binnen de frase.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Measure, For (Edit Range)

Specificeert de maat locatie, waarop de lege maten ingevoegd zullen worden, en het aantal lege maten dat ingevoegd wordt.

De toonsoort transponeren

(Transpose)

Hiermee wordt de toonhoogte van noten binnen een gespecificeerd gebied binnen een reeks van +/-127 halve tonen getransponeerd.

Gebruik deze functie om in een frase van de ene toonsoort naar een andere te moduleren of om de volledige frase te transponeren.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Part Group

Specificeert de Part-groep.

Waarde

Internal

EXP1

EXP2

External

ALL

Uitleg

Intern (interne klankgenerator)

Expansion board 1

Expansion board 2

Externe MIDI output

Alle part-groepen

Ch (MIDI Channel)

Specificeert het MIDI kanaal van de noten die getransponeerd zullen worden.

Zet deze parameter op ‘ALL’ om alle noten te transponeren. Om alleen de noten van een specifiek MIDI kanaal te transponeren, selecteert u de MIDI kanalen met gebruik van deze parameter.

Waarde : ALL, Ch1-Ch16

Measure, For (Edit Range)

Stelt de reeks maten die getransponeerd zal worden in. Als u ‘For’ op ‘ALL’ instelt, worden alle maten gespecificeerd.

Range Min, Range Max

Specificeert de reeks nootnummers, die getransponeerd zal worden.

Als u bijvoorbeeld noten binnen de reeks van C3 tot C4 wilt transponeren, zet u ‘Range Min’ op ‘C3’ en ‘Range Max’ op ‘C4’. De toetsenreeks kan ook gespecificeerd worden door toetsen op het toetsenbord in te drukken.

Bias

Specificeert de hoeveelheid transpositie in halve tonen. Stel een

‘+’(positieve) waarde in om de toonhoogte te verhogen of een ‘-`

(negatieve) waarde om de toonhoogte te verlagen. Indien u niet wilt transponeren, zet u dit op ‘0’.

Waarde: -127– +127

Als u het basgeluid een octaaf wilt verlagen…

Wanneer de bas een octaaf hoger is gespeeld dan de notatie voorschrijft, gebruikt u de Transpose functie om deze een octaaf te verlagen.

Om het basgeluid een octaaf te verlagen, zet u de Range parameter op ‘Lowest-Highest’ voor het basgedeelte, en de Bias parameter op ‘-12’.

Als u percussie geluiden wilt veranderen…

De Transpose functie kan ook gebruikt worden om percussie geluiden te veranderen.

Stel u wilt conga in tom veranderen. Als het conga geluid aan de D4 toets is toegewezen, en de tom aan de C3 toets is toegewezen, zet u de Range parameter op ‘D4-D4’, en de Bias parameter op ‘-14’.

244

Songs bewerken

De Velocity veranderen

(Change Velocity)

Deze functie wijzigt de speelsterkte (Velocity) van een gespecificeerd gebied noten.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Part Group

Specificeert de Part-groep.

Waarde

Internal

EXP1

EXP2

External

ALL

Uitleg

Intern (interne klankgenerator)

Expansion board 1

Expansion board 2

Externe MIDI output

Alle part-groepen

Ch (MIDI Channel)

Specificeert de MIDI kanalen van noten waarvan de Velocity gewijzigd zal worden.

Om de Velocity van alle noten te wijzigen, zet u deze parameter op

‘ALL’. Om de Velocity van alleen de noten van een specifiek MIDI kanaal te wijzigen, selecteert u dat MIDI kanaal met gebruik van deze parameter.

Waarde : ALL, Ch1-Ch16

Measure, For (Edit Range)

Specificeert de reeks maten waarvan de Velocity veranderd zal worden. Als u ‘For’ op ‘ALL’ instelt, worden alle maten gespecificeerd.

Bias

Gebruik deze parameter om een vaste hoeveelheid bias aan alle velocities toe te voegen. Als u de Velocity waardes met 10 wilt laten toenemen, zet u dit op ‘+10’.

Waarde : -99-+99

Magnify

Stel deze parameter in als een toename of afname in Velocity gewenst is. Voor minder Velocity variatie gebruikt u instellingen van

‘99%’ of minder. Voor meer Velocity variatie stelt u dit op ‘101%’ of hoger in. Ingesteld op ‘100%’ zullen de Velocity waardes niet veranderen.

Waarde : 0-200%

Range Min, Range Max

Specificeert de reeks nootnummers waarvan de Velocity gewijzigd zal worden. Als u de Velocity van noten in de reeks C3 tot C4 wilt wijzigen, zet u ‘Range Min’ op ‘C3’, en ‘Range Max’ op ‘C4’. De toetsenreeks kan ook gespecificeerd worden door toetsen op het toetsenbord in te drukken.

245

Songs bewerken

Het MIDI kanaal veranderen

(Change Channel)

Met deze functie kan het MIDI kanaal van een gesp0ecificeerd gebied aan sequencer data naar een ander MIDI kanaal worden overgebracht.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Part Group

Specificeert de Part-groep.

Waarde

Internal

EXP1

EXP2

External

ALL

Uitleg

Intern (interne klankgenerator)

Expansion board 1

Expansion board 2

Externe MIDI output

Alle part-groepen

Measure, For (Edit Range)

Specificeert de reeks maten, waarin het MIDI kanaal de veranderd zal worden. Als u ‘For’ op ‘ALL’ instelt, worden alle maten gespecificeerd.

Status

Selecteert het type data, waarvan het MIDI kanaal veranderd wordt.

Waarde

ALL

NOTE

Poly Aftertouch

Control Change

Program Change

Channel Aftertouch

Pitch Bend

Range Min, Range Max

Wanneer de Status parameter op ‘NOTE’, ‘P.AFT’, ‘C.C’ of ‘PROG’ is ingesteld, kunt u de reeks data specificeren. Zet ‘Range Min’ op de laagste waarde van de reeks, en ‘Range Max’ op de hoogste waarde van de reeks.

Om het MIDI kanaal van alle noten of polifonische aftertouch data te veranderen, zet u ‘Range Min’ op ‘C-1’ en ‘Range Max’ op ‘G9’. Om het MIDI kanaal van C4 te veranderen, zet u

‘Range Min’ en ‘Range Max’ op ‘C4’. Om C3 tot C4 te veranderen, zet u ‘Range Min’ op ‘C3’ en ‘Range Max’ op ‘C4’.

• Om het MIDI kanaal van alle controller nummers te veranderen, zet u ‘Range Min’ op ‘0’en ‘Range Max’ op ‘127’.

Om het MIDI kanaal van alle programma nummers te veranderen, zet u ‘Range Min’ op ‘1’ en ‘Range Max’ op ‘128’.

Om nummer 4 te veranderen, zet u ‘Range Min’ en ‘Range Max’ op ‘4’. Om nummers 3 tot en met 14 te veranderen, zet u ‘Range

Min’ op ‘3’en ‘Range Max’ op ‘14’.

Src Channel, Dst Channel (MIDI Channel)

Zet Scr Channel op het MIDI kanaal, dat u wilt veranderen, en zet

Dst Channel op het MIDI kanaal, waarin het veranderd zal worden.

Als ALL voor het bron MIDI kanaal is geselecteerd, zal de sequencer data van alle MIDI kanalen in het bestemming MIDI kanaal gecombineerd worden.

Waarde : ALL, 1-16

‘ALL’ kan niet voor het bestemming MIDI kanaal geselecteerd worden.

246

Songs bewerken

De lengte van noten wijzigen

(Change Duration)

Deze functie wijzigt de tijdsduur (tijd vanaf note-on tot note-off) van noten binnen een gespecificeerd gebied. Afhankelijk van de instelling kan staccato of tenuto ook gecreëerd worden.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Part Group

Specificeert de Part-groep.

Waarde

Internal

EXP1

EXP2

External

ALL

Uitleg

Intern (interne klankgenerator)

Expansion board 1

Expansion board 2

Externe MIDI output

Alle part-groepen

Ch (MIDI Channel)

Specificeert de MIDI kanalen van noten waarvan de tijdsduur gewijzigd zal worden.

Als u de tijdsduur van noten van alle MIDI kanalen wilt wijzigen, zet u deze parameter op ‘ALL’. Om de tijdsduur van noten van alleen een specifiek MIDI kanaal te wijzigen, selecteert u dat MIDI kanaal met gebruik van deze parameter.

Waarde : ALL, Ch1-Ch16

Measure, For (Edit Range)

Specificeert de reeks maten waarvan de tijdsduur veranderd zal worden. Als u ‘For’ op ‘ALL’ instelt, zullen alle maten gespecificeerd worden.

Bias

Stelt deze parameter in als u alle tijden met een vaste hoeveelheid wilt laten af- of toenemen. Als u de tijdsduur 10 langer wilt maken, zet u dit op ‘+10’.

Waarde : -4800-+4800

Magnify

Stel deze parameter in als een toename of afname in tijdsduur volgens een gespecificeerde ratio gewenst is. Als dit op ‘100%’ staat, wordt er geen verandering aangebracht. Een waarde van ‘101%’ of hoger maakt de tijdsduur langer. Waardes van ‘99%’ of lager maken de tijd korter. Om de tijdsduur bijvoorbeeld te halveren, stelt u deze parameter op ‘50%’ in. Om de tijd te verdubbelen zet u deze parameter op ‘200%’.

Waarde : 0-200%

Range Min, Range Max

Specificeert de reeks nootnummers waarvan de tijdsduur gewijzigd zal worden. Als u de tijdsduur van noten in de reeks C3 tot C4 wilt wijzigen, zet u ‘Range Min’ op ‘C3’, en ‘Range Max’ op ‘C4’. De toetsenreeks kan ook gespecificeerd worden door toetsen op het toetsenbord in te drukken.

247

Songs bewerken

Uitvoeringsdata naar voren en achteren verschuiven (Shift Clock)

Deze functie verschuift de timing van sequencer data terug of verder in tijd, binnen een gespecificeerd gebied in stappen van 1 tik. Lichte verschuivingen in timing kunnen de uitvoering sneller of langzamer maken.

Wanneer deze functie wordt uitgevoerd, zou data die naar een punt voor het begin van de frase wordt verschoven, automatisch naar het begin van de frase worden verplaatst. Als data naar een punt voorbij het einde van de frase wordt verplaatst, zullen toegevoegde nieuwe maten automatisch gecreëerd worden. De maatsoort van de nieuw gecreëerde maten zal hetzelfde zijn als die van de daaraan voorafgaande maat.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Part Group

Specificeert de Part-groep.

Waarde

Internal

EXP1

EXP2

External

ALL

Uitleg

Intern (interne klankgenerator)

Expansion board 1

Expansion board 2

Externe MIDI output

Alle part-groepen

Ch (MIDI Channel)

Specificeert de MIDI kanalen van de data dat in tijd verschoven zal worden.

Om tikken van alle sequencer data te verschuiven, zet u deze parameter op ‘ALL’. Om de sequencer data tik van slechts één specifiek MIDI kanaal te wijzigen, selecteert u dat MIDI kanaal.

Waarde : ALL, Ch1-Ch16

Measure, For (Edit Range)

Specificeert de reeks maten, waarin de sequencer data in eenheden van een tik verschoven zal worden. Als u ‘For’ op ‘ALL’ instelt, zullen alle maten gespecificeerd worden.

Bias

Specificeer de hoeveelheid (aantal tikken) waarmee de sequencer data verplaatst zal worden.

Waarde : -4800-+4800

Status

Selecteert het type data dat in tijd verschoven zal worden.

Waarde

ALL

NOTE

Poly Aftertouch

Control Change

Program Change

Channel Aftertouch

Pitch Bend

System Exclusive

Tune Request

Range Min, Range Max

Wanneer de Status parameter op ‘NOTE’, ‘P.AFT’, ‘C.C’ of ‘PROG’ is ingesteld, kunt u de reeks data specificeren. Zet ‘Range Min’ op de laagste waarde van de reeks, en ‘Range Max’ op de hoogste waarde van de reeks.

Om alle noten of polifonische aftertouch data te verschuiven, zet u ‘Range Min’ op ‘C-1’ en ‘Range Max’ op ‘G9’. Om C4 te verschuiven, zet u ‘Range Min’ en ‘Range Max’ op ‘C4’. Om C3 tot C4 te verschuiven, zet u ‘Range Min’ op ‘C3’ en ‘Range Max’ op ‘C4’.

• Om alle controller nummers te verschuiven, zet u ‘Range Min’ op ‘0’en ‘Range Max’ op ‘127’. Om alle programma nummers te verschuiven, zet u ‘Range Min’ op ‘1’ en ‘Range Max’ op ‘128’.

Om nummer 4 te verschuiven, zet u ‘Range Min’ en ‘Range

Max’ op ‘4’. Om nummers 3 tot en met 14 te verschuiven, zet u

‘Range Min’ op ‘3’en ‘Range Max’ op ‘14’.

248

Songs bewerken

De sequencer data uitdunnen

(Data Thin)

Doorlopend variabele controllers zoals aftertouch, Pitch Bend en expressie hebben de neiging onverwacht grote hoeveelheden data te produceren wanneer deze gebruikt worden. Data Thin verwijdert overtollige data, om de beschikbare hoeveelheid geheugen van de sequencer toe te laten nemen.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

Part Group

Specificeert de Part-groep.

Waarde

Internal

EXP1

EXP2

External

ALL

Uitleg

Intern (interne klankgenerator)

Expansion board 1

Expansion board 2

Externe MIDI output

Alle part-groepen

Ch (MIDI Channel)

Specificeert de MIDI kanalen van de data die uitgedund zal worden.

Om alle sequencer data uit te dunnen, zet u deze parameter op

‘ALL’. Om de sequencer data van slechts één specifiek MIDI kanaal uit te dunnen, selecteert u dat MIDI kanaal.

Waarde : ALL, Ch1-Ch16

Measure, For (Edit Range)

Specificeert de reeks maten waarvan de sequencer data uitgedund zal worden. Als u ‘For’ op ‘ALL’ instelt, zullen alle maten gespecificeerd worden.

Data Thin VALUE knop

Voor het uitdunnen van data met snelle veranderingen, gebruikt u hogere instellingen. Als u zoveel data niet wilt uitdunnen, ondanks dat deze aan snelle veranderingen onderhevig is, gebruikt u lagere instellingen.

Data Thin Time

Voor het uitdunnen van data die snelle veranderingen bevat, gebruikt u hogere instellingen. Als u zoveel data niet wilt uitdunnen, ondanks dat deze aan snelle veranderingen onderhevig is, gebruikt u lagere instellingen.

Status

Selecteert het type data dat uitgedund zal worden.

Waarde

ALL

Poly Aftertouch

Control Change

Channel Aftertouch

Pitch Bend

Range Min, Range Max

Wanneer de Status parameter op ‘P.AFT’ of ‘C.C’ is ingesteld, kunt u de reeks data specificeren. Zet ‘Range Min’ op de laagste waarde van de reeks, en ‘Range Max’ op de hoogste waarde van de reeks.

Om alle noten of polifonische aftertouch data uit te dunnen, zet u ‘Range Min’ op ‘C-1’ en ‘Range Max’ op ‘G9’. Om C4 uit te dunnen, zet u ‘Range Min’ en ‘Range Max’ op ‘C4’. Om C3 tot

C4 uit te dunnen, zet u ‘Range Min’ op ‘C3’ en ‘Range Max’ op

‘C4’.

• Om alle controller nummers uit te dunnen, zet u ‘Range Min’ op

‘0’en ‘Range Max’ op ‘127’. Om alle programma nummers uit te dunnen, zet u ‘Range Min’ op ‘1’ en ‘Range Max’ op ‘128’. Om nummer 4 uit te dunnen, zet u ‘Range Min’ en ‘Range Max’ op

‘4’. Om nummers 3 tot en met 14 uit te dunnen, zet u ‘Range

Min’ op ‘3’en ‘Range Max’ op ‘14’.

Lege maten verwijderen (Truncate)

Door kopiëren kunnen soms lege maten aan het begin van een frase gecreëerd worden. Truncate verwijdert stille gedeeltes aan het begin van de gespecificeerde frase op de eerste note-on.

Als andere sequencer data (zoals program changes of control changes) tussen het begin en de eerste note-on van de gespecificeerde frase is opgenomen, zal alleen het laatste data event van elk type voor de note-on worden geplaatst.

Voor details over de instellingen, zie ‘ Phrase Modify Menu ’

(p.239).

1.

Druk op [F8 (Execute)] om de Truncate handeling uit te voeren.

249

Songs bewerken

Individuele onderdelen van sequencer data bewerken

(Microscope)

Met Microscope kunt u individuele onderdelen van sequencer data die in een frase is opgenomen bewerken, zoals MIDI berichten.

Sequencer data bewerken

(Basisprocedure in de Microscope)

Ga naar het Microscope scherm als u de sequencer data die in een frase is opgenomen wilt bekijken. Elke lijn geeft de locatie (maat-teltik) waarop de sequencer data is opgenomen, en de data op die locatie aan.

1.

Ga naar het Phrase Edit scherm (p.238).

2.

Druk op [F4 (Microscope)].

Het Microscope scherm verschijnt.

Gebruik fig.19-026.j

/ om de uitvoeringsdata te bekijken.

Geeft de parameter data op de cursor locatie aan

MIDI kanaal

Uitvoeringsdata

Locatie van de uitvoeringsdata

(Maat – tel – tik)

F-toets handelingen in het Microscope scherm

F-toets

F1

Create

F2

Erase

F3

Move

F4

Copy

F5

Place

F6

Uitleg

Voegt data in.

Wist data.

Verplaatst data.

Kopieert data.

Plakt de gekopieerde data.

Verandert de weergave van de piano roll.

Part groep

INT

EXP1

EXP2

EXT pag p. 252 p. 252 p. 253 p. 253 p. 253 p. 250

F7

Channel

F8

View

Verandert het Part, waarvan de data wordt getoond.

Selecteert de data, die wordt getoond.

p. 250 p. 252

3.

U kunt op [F6 ( roll te veranderen.

)] drukken om de weergave van de piano

4.

Druk op [F7 (Channel)] om het Part te selecteren waarvan u de uitvoeringsdata wilt bekijken of bewerken.

Kies ‘ALL’ als u uitvoeringsdata van alle MIDI kanalen wilt bekijken.

Kanaal: ALL, 1-16

Part Groep: ALL, INT, EXP1, EXP2, EXT

Om efficiënt gebruik te maken van de weergave ruimte in het scherm, worden locaties waarin geen uitvoeringsdata aanwezig is normaalgesproken niet getoond.

Voor uitleg van de verscheidene types uitvoeringsdata kijkt u bij ‘ Sequencer data die door frases wordt verwerkt ’ (p.251).

5.

Als u klaar bent met bewerken, drukt u op [F8 (Close)].

6.

Gebruik selecteren.

/ om de te bewerken uitvoeringsdata te

7.

Gebruik / om de parameter die u wilt bewerken te selecteren.

8.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om de waarde te veranderen.

Noten, de nootnaam (nootnummer) van polyfone aftertouch data, en de on-Velocity of off-Velocity van een noot kan ook gespecificeerd worde4n door een noot op het toetsenbord in te drukken.

Als u op [ENTER] drukt, wordt de uitvoeringsdata die met het

‘ ’ teken wordt aangegeven via de MIDI OUT worden verzonden. In het geval van een noot bericht, zal die noot klinken als [ENTER] wordt ingedrukt.

Als u een System Exclusive bericht bewerkt, kijkt u bij ‘ Een

System Exclusive bericht bewerken ’ op de volgende pagina.

9.

Herhaal stappen 3 tot 8 om de data te bewerken.

10.

Om het Microscope scherm te sluiten, drukt u op [EXIT].

De edit-handeling kan ongedaan gemaakt worden met Undo

(p. 217).

250

Songs bewerken

Een System Exclusive bericht bewerken

1.

Gebruik of om de cursor naar de locatie van het

System Exclusive bericht dat u wilt bewerken te verplaatsen.

2.

Druk op .

Het System Exclusive Edit venster verschijnt.

3.

Druk op of om de cursor naar de data die u wilt bewerken te verplaatsen.

4.

Draai aan de VALUE knop of druk op [INC] [DEC] om de waarde te bewerken.

Als u data tussen ‘F0’ en ‘F7’ wilt toevoegen, verplaatst u de cursor naar die locatie, en druk op [F3 (Insert)]. Een waarde van

‘00’ zal ingevoegd worden. Verander dit in de gewenste waarde.

Om data te verwijderen verplaatst u de cursor naar de relevante locatie en drukt u op [F2 (Delete)].

5.

Als u klaar bent met bewerken drukt u op [F8 (Execute)] om de waardes van het System Exclusive bericht te voltooien.

Om te annuleren, drukt u op [F7 (Cancel)].

Indien u besluit de veranderingen die in de System Exclusive berichten zijn aangebracht te laten voor wat ze zijn, en naar het

Microscope scherm terug te keren, drukt u op [EXIT].

• In het geval van een Roland type IV System Exclusive bericht, kan de controlesom automatisch berekend worden als u de waardes voltooit. Als u de controlesom niet automatisch wilt berekenen, drukt u op [F1 (Auto Sum)] om het lampje uit te zetten.

• Als u op [F4 (Test)] drukt, wordt het System Exclusive bericht dat u aan het bewerken bent via de MIDI OUT worden verzonden.

Sequencer data die door frases wordt verwerkt

Frases kunnen de volgende acht types sequencer data opnemen. De opgenomen locatie (maat-tel-tik) wordt uiterst links van elk data onderdeel weergegeven, en het MIDI kanaal nummer wordt daarnaast getoond.

Note

Deze MIDI berichten vertegenwoordigen noten. Vanaf links zijn de parameters Note Number, waar de naam van de noot wordt aangeduid. On Velocity, dat de sterkte waarmee de toets wordt ingedrukt specificeert. Duration, dat de tijdsduur van de noot specificeert, en Off Velocity, hetgeen de sterkte bepaalt waarmee de toets wordt losgelaten.

Program Change

Dit MIDI bericht verandert het geluid. Het programmanummer

(PC#) selecteert het geluid.

Control Change

Dit MIDI bericht past verscheidene effecten toe, zoals modulatie of expressie. Het controller nummer (CC#) selecteert de functie, en

Value specificeert de diepte van het effect.

Pitch Bend

Dit MIDI bericht verandert de toonhoogte. De waarde specificeert de hoeveelheid verandering in toonhoogte.

Poly Aftertouch

Dit MIDI bericht past aftertouch op een individuele noot toe. Vanaf links zijn de parameters Note Number, waarmee de toets wordt gespecificeerd, en Value waarmee de diepte van de aftertouch wordt gespecificeerd.

Channel Aftertouch

Dit MIDI bericht past aftertouch op een geheel MIDI kanaal toe.

Waarde specificeert de diepte van de aftertouch.

System Exclusive

Dit zijn MIDI berichten die gebruikt worden om instellingen die uniek zijn voor de Fantom-G te maken, zoals geluidsinstellingen.

Voer de data tussen ‘F0’ en ‘F7’ in.

Tune Request

Dit MIDI bericht maakt dat een analoge synthesizer zichzelf stemt.

251

Songs bewerken

Sequencer data bekijken (View)

Omdat een frase een grote hoeveelheid sequencer data bevat, kan het beeld rommelig, en moeilijk te lezen worden. Dit is de reden dat u het type sequencer data die in het scherm getoond zal worden op de

Fantom-G kunt specificeren. Dit is gemakkelijk als u alleen een specifiek type sequencer data wilt controleren of bewerken.

1.

Ga naar het Microscope scherm (p.250).

2.

Druk op [F8 (View)].

Het View Select venster verschijnt.

3.

Gebruik of om de sequencer data die weergegeven zal worden te selecteren.

Note: Noot berichten. Deze MIDI berichten vertegenwoordigen noten.

Poly Aftertouch:

Control Change:

Polyfone aftertouch. Deze MIDI berichten passen aftertouch op individuele toetsen toe.

Control Change berichten. Deze MIDI berichten passen verscheidene effecten toe, zoals modulatie of expressie.

Program Change: Program Change berichten. Deze MIDI berichten selecteren geluiden.

Channel Aftertouch: Channel Aftertouch berichten. Deze

MIDI berichten passen aftertouch op een geheel MIDI kanaal toe.

Pitch Bend:

Tune Request:

Pitch Bend berichten. Deze MIDI berichten veranderen de toonhoogte.

System Exclusive: System Exclusive berichten. Deze MIDI berichten worden gebruikt om instellingen uniek voor de Fantom-G te maken, zoals die voor de geluidsparameters.

Dit MIDI bericht maakt dat een analoge synthesizer zichzelf stemt.

4.

Druk op [INC] of [DEC] om te veranderen.

Als u op [F6 (ALL OFF)] drukt, zal geen sequencer data worden weergegeven.

Als u op [F7 (ALL ON)] drukt, zal alle sequencer data worden weergegeven.

5.

Druk op [F8 (Close)] om het View Select venster te sluiten.

Sequencer data invoegen (Create)

U kunt nieuwe sequencer data in een gewenste locatie van een frase voegen.

Voor details over sequencer data die ingevoegd kan worden, zie

‘ Sequencer data die door frases wordt verwerkt ’ (p.251).

1.

Ga naar het Microscope scherm van de frase waarin u sequencer data wilt voegen (p.250).

2.

Druk op [F1 (Create)].

Het Create Event venster verschijnt.

3.

Druk op selecteren.

of om de in te voegen sequencer data te

4.

Druk op [F8 (Execute)] om de uitvoeringsdata in te voegen.

5.

De sequencer data die werd ingevoegd heeft de standaard parameterwaardes, dus bewerkt deze, indien nodig.

Sequencer data wissen (Erase)

Indien gewenst, kan slechts een individueel event aan sequencer data gewist worden.

Data die in de tempo track (p.236) of beat track (p.237) is opgenomen, kan ook op dezelfde manier gewist worden.

De tempo verandering aan het begin van de tempo track of de beat verandering en Phrase Beat aan het begin van de beat track kunnen niet gewist worden.

1.

Ga naar het Microscope scherm van de frase waaruit u sequencer data wilt wissen (p.250).

2.

Druk op of om de cursor naar de sequencer data die u wilt wissen te verplaatsen.

Om meerdere, opeenvolgende data te wissen, houdt u [SHIFT] ingedrukt, en drukt u op of om de sequencer data te selecteren.

3.

Druk op [F2 (Erase)] om de sequencer data te wissen.

252

Songs bewerken

Sequencer data verplaatsen

(Move)

Een individueel sequencer data onderdeel kan naar een andere locatie worden verplaatst.

Data die in de tempo track (p.236) of beat track (p.237) is opgenomen, kan ook op dezelfde manier gewist worden.

De tempo verandering aan het begin van de tempo track of de beat verandering en Phrase Beat aan het begin van de beat track kunnen niet gewist worden.

1.

Ga naar het Microscope scherm van de frase waarvan u data wilt verplaatsen (p.250).

2.

Druk op of om de cursor naar de sequencer data die u wilt verplaatsen te verplaatsen.

Om meerdere, opeenvolgende data te verplaatsen, houdt u

[SHIFT] ingedrukt, en drukt u op of om de sequencer data te selecteren.

3.

Druk op [F3 (Move)].

Het Move Event venster verschijnt.

4.

Druk op of om de cursor naar de ‘measure’, ‘beat’ en

‘tick’ velden te verplaatsen.

5.

Draai aan de VALUE knop of druk op [INC] [DEC] om de locatie waarnaar de data verplaatst zal worden te specificeren.

6.

Druk op [F8 (Execute)] om de sequencer data te verplaatsen.

Sequencer data kopiëren (Copy)

Sequencer data kan naar de gewenste locatie gekopieerd worden. Dit is handig als u dezelfde sequencer data op meerdere locaties wilt gebruiken.

Data die in de tempo track (p.236) of beat track (p.237) is opgenomen, kan op dezelfde manier gekopieerd worden.

1.

Ga naar het Microscope scherm van de frase waarvan u sequencer data wilt kopiëren (p.250).

2.

Druk op of om de cursor naar de sequencer data die u wilt kopiëren te verplaatsen.

3.

Druk op [F4 (Copy)].

4.

Druk op [F5 (Place)].

Het Place Event venster verschijnt.

5.

Druk op of om de cursor naar de ‘measure’, ‘beat’ en

‘tick’ velden te verplaatsen.

6.

Draai aan de VALUE knop of druk op [INC] [DEC] om de locatie waarnaar de data gekopieerd zal worden te specificeren.

7.

Druk op [F8 (Execute)] om de data te plakken.

253

Een song opslaan (Song Save)

Een song die u opneemt, wordt aanvankelijk in het tijdelijke gebied geplaatst. De song in het tijdelijke gebied zal verloren gaan als u de stroom uitzet of een andere song laadt. Om de song te behouden, moet deze in het project worden opgeslagen.

Wat de opgeslagen song data bevat

Samen met sequencer data, bevat de song data ook de studio set, live set, Patch, en systeem setup data die u op dat moment gebruikte.

De studio set, live set, en Patch data die binnen de songdata is opgeslagen, bestaat uit speciale data voor het reproduceren van de song. Dit staat los van de User studio sets, live sets, en User Patches.

* Indien u deze data in een andere song of onafhankelijk van welke song dan ook wilt gebruiken, moet de data in het gebruikersgebied worden opgeslagen.

Wat er nog meer wordt opgeslagen, op hetzelfde moment dat de song wordt opgeslagen

De Samples en frases die in de song worden gebruikt, worden automatisch opgeslagen wanneer u de song opslaat.

Een song opslaan (Save)

Om frases individueel op te slaan

‘ Een frase opslaan (Save) ’ (p.216).

Om Samples individueel op te slaan

‘ Een Sample opslaan (Save) ’ (p.274).

1.

In het Song Play scherm of Song Edit scherm drukt u op

[WRITE].

Het WRITE MENU scherm verschijnt.

2.

Gebruik

[F8 (Select)].

/ om ‘Song’ te selecteren, en druk dan op

Het Song Name venster verschijnt.

3.

Geef de song een naam.

Voor details over het toewijzen van een naam, zie ‘ Een naam toewijzen ’ (p.42).

4.

Wanneer een naam is toegewezen, drukt u op [F8 (OK)].

Een scherm verschijnt, waarin de song, die als opslagbestemming fungeert, geselecteerd kan worden.

5.

Draai aan de VALUE knop of gebruik [INC] [DEC] om een song nummer te selecteren.

6.

Druk op [F8 (Save)].

Een bevestigingsbericht voor het opslaan verschijnt.

Zet nooit de stroom uit, terwijl data wordt opgeslagen.

7.

Om de data op te slaan drukt u op [F7 (OK)].

* Indien u besluit te annuleren, drukt u op [F8 (EXIT)].

254

Een song opslaan (Song Save)

De inhoud van alle tracks opnieuw in een individuele

Sample samplen

Hier ziet u, hoe de uitvoering van alle geluidstracks en MIDI tracks in één individuele Sample gecombineerd kan worden.

Nadat een Sample op deze manier is gecreëerd, kunt u deze op de computer of een ander apparaat als een complete song opslaan.

1.

Laad de song die u opnieuw wilt samplen (p.204).

2.

Druk op om de songpositie op het begin te zetten.

3.

Druk op de [SAMPLING] knop.

4.

Druk op [F2 (Re-Sampling)].

5.

Druk op [F2 (Auto Trig)].

6.

Druk op [PLAY].

Het opnieuw samplen begint.

7.

Als de song eindigt, drukt u op [F7 (Stop)].

Als alternatief kan de ‘Stop Trigger’ parameter (p.260) op

‘TIME’ worden ingesteld, en de ‘Sampling Length’ (p.261) parameter op de eindlocatie van de song worden ingesteld, zodat het opnieuw samplen automatisch zal stoppen.

8.

In het Sample Edit scherm (p.266) luistert u naar de Sample, die u zojuist door middel van opnieuw samplen (Resample) heeft gecreëerd.

Het volume van de opnieuw gesamplede frases kan lager zijn dan het volume van de oorspronkelijke frases. Indien nodig gebruikt u de Normalize handeling (p.270) om het volume te verhogen.

De opnieuw gesamplede Sample zal verloren gaan als u de stroom uitzet. Om de Sample te behouden, drukt u op [WRITE] om deze op te slaan (p.274).

Een opnieuw gesamplede Sample naar de computer kopiëren om een

CD of MP3 te creëren

Een Sample die door opnieuw samplen (Resample) is gecreëerd, kan naar een computer worden gekopieerd. De Sample wordt een WAV bestand, dat gebruikt kan worden om een CD of MP3 op de computer te creëren.

1.

Controleer het nummer van de Sample die u opnieuw heeft gesampled. (In dit geval gaan we er van uit dat dit nummer

0001 is).

2.

Gebruik de USB Storage functie (p.281) om de volgende

Sample naar de computer te kopiëren.

‘FantomG.Prj/SMPL/0001.WAV’

(Het nummer in de .WAV bestandsnaam is het Sample nummer).

FantomG.Prj’

is de naam van de project map in het interne geheugen van de Fantom-G. Meerdere projecten kunnen in het

USB geheugen worden opgeslagen. De project mappen worden standaard genummerd als ‘

FantomG001.Prj’

,

FantomG002.Prj

’, enz., en het portie dat aan de bestandsnaam extensie voorafgaat is de projectnaam die u heeft toegewezen op het moment dat u opsloeg.

255

Een song opslaan (Song Save)

Opslaan als SMF-bestand

(Save As SMF)

Hieronder wordt uitgelegd hoe u een ingeladen song

(temporary song) of MIDI-frase opslaat als SMF-bestand.

1.

Druk in het Song Play/Song Edit-scherm op [F7 (Song Util)], kies “Save As SMF” uit het menu dat verschijnt en druk op

[F8 (Select)].

Het Save As SMF-scherm verschijnt.

Als u een MIDI-frase wil omzetten naar een SMF-bestand, druk dan op [F3 (Util Menu)] in het MIDI Phrase List-scherm, kies

“Save As SMF” uit het menu dat verschijnt en druk vervolgens op [F8 (Select)].

2.

Specificeer het SMF-formaat en de gewenste Part Group, en druk op [F8 (Execute)].

• SMF Format Select

Formaat

Format 0

Format 1

Uitleg

Converteert de song naar een Format 0 Standard MIDI File (alle performance data worden opgeslagen in één track) en bewaart hem. De extensie “.MID” wordt automatisch toegevoegd.

Converteert de song naar een Format 1 Standard MIDI File (performance data worden in meer dan één track opgeslagen) en bewaart hem. De extensie “.MID” wordt automatisch toegevoegd.

• Part Group

De performance data van de gespecificeerde part group worden opgeslagen als SMF-bestand.

Waarde

Internal

EXP1

EXP2

External

ALL

Uitleg

Internal (interne klankgenerator)

Expansion board 1

Expansion board 2

Externe MIDI output

Alle part-groepen

3.

Geef het bestand een naam en druk op [F8 (OK)].

U wordt gevraagd om te bevestigen.

4.

Druk op [F7 (OK)] om te bevestigen.

Het SMF-bestand wordt opgeslagen in de SMF-map van het project. Indien het gaat om een project in het interne geheugen, dan wordt het SMF-bestand opgeslagen in de map

“FantomG.Prj/SEQ/SMF”.

* De bestandsextensie is