Webasto HL32 B-D de handleiding

Add to My manuals
20 Pages

advertisement

Webasto HL32 B-D de handleiding | Manualzz

~WebastoHandleiding

Maart 1989

. '---Jebasto

HL 328/D

Luchtverwarmer

1:S()()~1S~1Jl

;-;rlou [,vTltict?5

ti1JCft!a

hG d~~1:J ()1!8J&-#6~J/k£4i!

Itt 6f1tI/4e n

4-,

(ScrVGefS,

/11 c/us!:-rl('we 0 1

2 2.,

INHOUDSOPGAVE bIz.

3 : bIz.

4: Beschrijving van de werking, inschakeIen, verwarming.

bIz.

5 : bIz.

6: bIz.

7 : bIz.

8: bIz.

9: bIz.

10: bIz.

11 : bIz.

12 : Elektrische aansluiting, voorschakelweerstand, schakeIkIok, mechanische ruimtethermostaat.

bIz.

13 : bIz.

14 : bIz.

15 : bIz.

16: bIz.

17: bIz.

18 : bIz.

19 : digitale

1. Verwarmingsluchtwaaier

2. Elektromotor met verbrandingsluchtwaaier

3. Gloeispiraal

4. Vlambewaker thermostaat met herstelknop 5. Temperatuurbegrenzer

6. Branderbus

7. Warmtewisselaar

8. Automaatkast

9. Digitale schakelklok

10. Uitlaatgasdemper

11. Warmtegeleider

12. Uitlaatpijp

(alleen bij diesel-uitvoering)

13. Verdampingsvlies

15. Doseerpomp

16. Verbrandingsluchttoevoer

17. Micro-schakelaar.

,~

Het verwarmingsapparaat HL32D resp.

HL32B heeft tot doel het interieur van voeren vaartuigen te verwarmen en de ramen daarvan te ontdooien, b.v.

: de kabines van vrachtwagens, ambulances, kombi's, laadruimtes van bestelen vrachtwagens, zeilen motorjachten en bedrijfsvaartuigen.

Het apparaat wordt aangesloten op het bestaande brandstofsysteem en op de elektrische installatie van het voerof vaartuig.

De hierna volgende inbouwaanwijzingen zijn van algemene aard en dienen te worden aangepast aan de inbouwmogelijkheden van het voerof vaartuig.

Onderstaande technische gegevens zlJn van toepassing, voor zover geen grenswaarden zijn vermeld, met een voor verwarmingsapparaten tolerantie van ca.

10% en bij een omgevingstemperatuur van + gebruikelijke

20oC.

Model

Type goedkeuring

Kapaciteit

Brandstof

Vollast kW

Halflast kW

HL32B

Benzine

DIN 51600

HL32D

S 207 S 206

3,2 (2 750 kcal/h)

1,6 (1 400 kcal/h)

Dieselolie

"

Petroleum

DIN 51601

EL DIN 51603

Brandstofverbruik

Nominale voltage

Bedrijfsspanning

Stroomverbruik

Vollast kg/h 0,32(0,42 l/h) 0,32(0,39 l/h)

Halflast kg/h 0,16(0,21 l/h) 0,16(0,20 l/h)

V -

V -

12 of

10 ... 14 of

24

20 ...28

Vollast W

Halflast W

32

22

Max.omgevingstemp.in

bedrijf automaatkast

- verwarmingsapp

- doseerpomp

CO2 in uitlaatgas

°c

-40 ...+75

°c -40 ...+40

°c -40 ...+30

Max.omgevingstemp.

Max.temp.aanzuiglucht

Luchtverplaatsing

-

automaatkast verwarmingsapp.

- doseerpomp

°c

°c

°c

°c

Vollast

3 m/h

Halflast m /h

-40 ...+75

-40 ...+60

-40 ...+30

-40 ...+85

-40 ...+60

-50 ...+85

+40

145 bij 0,5 mbar

95 bij 0,5 mbar

9,5 ... 12,0

CO in uitlaatgas

(Vollast)Vol.%

Vol.

% 0,2 (2000 ppm)

Roetgetal vlgs.Bosch

max.

Afm.verwarmingsapp.

(tol.+ 3 mm) lengte

breedte mm mm

4

420

186

- -

*

Afm.automaatkast

met bevestiging

Gewicht verwarmingsapp.

Gewicht automaatkast

Gewicht doseerpomp

(tol.+ 2 mm) lengte breedte hoogte mm mm mm kg kg kg

117

(* 117

)

102

(* 150

36 ( 43,5)

)

5,9

0,27

0,35

Elektrische delen :

Automaatkast, motor, doseerpomp, digitale klok en gloeilampje zijn in 12- of

24-volts uitvoering.

De vlamthermostaat, temperatuurbegrenzer, gloeispiraal (met voorschakelweerstand

0,6 Ohm in de 24-volts uitvoering) en schakelaar zijn bij de 12- en 24-volts apparaten gelijk.

Het inen uitschakelen kan naar keuze geschieden d.m.v.

een schakelaar, digitale schakelklok en/of een afstandsbediening (telestart).

Een kontrolelampje geeft aan, wanneer de installatie ingeschakeld is, een ruimtethermostaat kan eventueel in het elektrische circuit worden opgenomen voor een volautomatische temperatuurregeling.

Het verwarmingsapparaat HL32 B/D is ook als ventilatie-apparaat te gebruiken

Door de schakelaar op de stand "verwarming" te zetten wordt de installatie in bedrijf gesteld en gaat het groene kontrolelampje branden.

Gedurende de eerste 30 sekonden,wordt alleen de gloeispiraal ingeschakeld en krijgt gelegenheid de gewenste temperatuur te bereiken en eventueel schoon te branden.

Vervolgens wordt de doseerpom~ ingeschakeld en na weer 5 sekonderi de elektromotor (2) met de daaraan gekoppelde verwarmingsluchten verbrandingsluchtventilator (1).

De doseerpomp brengt brandstof naar het verdampingsvlies (13), waar de brandstof met de door verbrandingsluchtwaaier toegevoerde lucht een ontvlambaar brandstofluchtmengsel vormt.

Dit mengsel wordt door de gloeispiraal ontstoken.

Zodra de verbranding de gewenste temperatuur heeft bereikt (binnen ca.

85 sekonden) worden door de vlambewaker (6) de gloeispiraal en de startbegrenzing in de automaat uitgeschakeld.

Het apparaat is nu in vol bedrijf.

Is binnen 120 sekonden na het inschakelen het mengsel niet tot ontbrandin~ gekomen, dan voIgt automatisch een nieuwe start.

Indien in deze periode het brandstof-Iuchtmengsel niet tot ontbranding is gekomen (b.v. door brandstofgebrek) dan wordt de gehele installatie uitgeschakeld, het kontrolelampje blijft branden.

Als het apparaat in vol bedrijf is, strijken de verbrandingsgassen over de warmtewisselaar (7). De verbrandingswarmte wordt dus aan de wanden van de warmtewisselaar afgegeven.

De ventilator (1) voert hier de te verwarmen lucht langs, die de warmte opneemt en deze dan verder de te verwarmen ruimte inblaast.

De regeling van het verwarmingsapparaat of halflastschakelaar (optie) geschieden.

kan door

Regelt een een ruimtethermostaat interieurthermostaat

(optie) de temp ratuur, dan zal het verwarmingsapparaat bij het bereiken van de ingestelde waarde van de thermostaat van vollast naar half last worden geschakeld.

Het toerental van de elektromotor en de frequentie van de impulspomp verminderen, waardoor de verwarmingskapaciteit van 3,2 naar 1,6 kW wordt gebracht.

Wanneer de temperatuur zakt en de inschakelwaarde van de thermostaat is bereikt, zal het

WEBASTO-verwarmingsapparaat weer op vollast worden geschakeld.

Deze schakelfunkti

Met het uitschakelen van het verwarmingsapparaat wordt de doseerpomp uitgeschakeld en daarmee de brandstoftoevoer onderbroken.

De verbranding wordt beeindigd.

Het kontr6IeIampje gaat uit.

De motor en de daaraan gemonteerde delen

(verwarmingsen verbrandingsIuchtventiIator) bIijven net zo Iang draaien

(naloopof nakoelperiode) tot de automaatkast deze uitschakelt.

Indien tijdens de naloopperiode de instaIIatie weer wordt ingeschakeId, zal het apparaat eerst de naloopperiode afmaken, alvorens weer automatisch te starten.

3.4

Uitschakeling bij storing.

3.4.1

Storingsuitschakeling door de veiIigheidschakeIaar

(niet in scheepsuitvoering).

Deze microschakelaar (17) onderbreekt de brandstoftoevoer en schakelt daarmee het verwarmingsapparaat uit, wanneer dit niet meer goed op het statief vastzit, het voorkomt de mogelijkheid dat uitlaatgassen het interieur kunnen binnendringen.

Bij oververhitting, veroorzaakt door b.v.

onvoldoende toevoer van de te verwarmenlucht, wordt de WEBASTO uitgeschakeld door de temperatuurbegrenzerthermostaat (5).

Na opheffing van de storing, afkoeling van de instaIIatie en indrukken van de hersteIknop op de temperatuurbegrenzer thermostaat, kan de Iuchtverwarmer weer in gebruik worden gesteld.

Indien tijdens het in bedrijf zlJn de verbranding van het brandstofluchtmengsel wegvaIt, b.v.

door tijdeIijke onderbreking van de brandstoftoevoer, dan schake It het verwarmingsapparaat met naloop uit.

Via de automaatkast zal automatisch een nieuwe start volgen.

Meldt de vIambewaker na het inschakelen en de daarop aansluitende 30 sekonden voorgloeiperiode "Iicht", dan gaat de automaatkast in storing.

Er voIgt geen naloopperiode.

Wanneer de schakelaar op de stand ventilatie wordt gezet, dan wordt de elektromotor en daarmee de verwarmingsIuchtventiIator ingeschakeld.

Het inschake kontr6IeIampje gaat niet branden.

~'-i-

-,

J------- -

0-150

I

I 'I IV 0-900 0-900 .

'-.V

0-900

~~@

(pas. 7) 90° -Et ~ 90° (pas. 6)

~i/

1. verwarmingsapparaat

2.

statief

3. bevestigingsbouten

4. dichtring uitlaatbocht

5. dichtring inlaatbocht brandstoftoevoer

6. uitlaatbocht

7.

inlaatbocht

8. pakkingplaat

9. uitlaatdemper

10. kabelboom

11. brandstoftoevoer

12. benodigde ruimte voor onderhoud

13.

toelaatbare inbouwhoek

10

I

Afb.2.

inbouwtekening HL32B/D

Voor de inbouw van het verwarmingsapparaat dient een plaats in de onmiddellijke omgeving van de te verwarmen ruimte te worden gekozen.

De installatie dient beschermd te worden tegen vuil en water d.m.v.

een beschermplaat of een inbouwkast (Afb.3A).

Bij inbouw in een gesloten ruimte dient voor voldoende venti lalatie met de buitenlucht te worden gezorgd.

Het apparaat is goedgekeurd om direkt in de te verwarmen ruimte te worden gemonteerd (autobussen uitgesloten, zie 6.2).

Bij zeiljachten wordt bij voorkeur een plaats in de direkte omgeving van de spiegel gekozen.

Bij motorjachten zal het verwarmingsapparaat veelal in de machinekamer worden geplaatst.

Kenmerkend voor hetapparaat is het snelmontage-statief.

Na eerste montage behoeven voor onderhoud alleen de twee bevestigingsbouten te worden losgenomen om het apparaat uit te kunnen nemen.

Het statief blijft dan kompleet met uitlaatgasafvoeren verbrandingsluchttoevoerslang op de montageplaats zitten.

De doorvoeringen voor verbrandingsluchttoevoerbocht, uitlaatgasafvoerbocht brandstoftoevoer moeten t.o.v.

het interieur sproeiwaterdicht uitgevoerd en worden.

De bijgevoegde afdichtingen dienen dan ook te worden gebruikt (Afb.2) en nadat het apparaat uitgebouwd is geweest, altijd te worden vernieuwd.

Bij montage van het statief dient altijd een nieuwe afdichtplaat te worden gebruikt.

Met deze afdichting kunnen oneffenheden in de vloer tot ca.

4 mm hoogte worden overbrugd.

De inbouwmaten, gatenpatroon in de bodem en de benodigde ruimte voor onderhoudswerkzaamheden worden in afbeelding 2 weergegeven.

De aangegeven horizontale en axiale montagehoeken mogen niet worden overschreden.

De automaatkast moet met de aansluitingen naar beneden worden gemonteerd, aanbevolen wordt het kastje in rubber trillingdempers op te hangen.

Tevens moet de automaat beschermd worden tegen te hoge temperaturen, vuil en water.

vrije doorgang2van

I.'\~i:_~c~m

Voorbeeld van inbouwkast

Afb.

3A.

Het HL12 apparaat kan worden gebruikt met aanvoer van buitenlucht of met toevoer van hercirculerende lucht.

De aangezogen lucht mag de 40

0

C niet overschrijden.

De aanzuigopening voor de te verwarmenlucht moet zo geplaatst zijn, dat onder normale bedrijfsomstandigheden geen uitlaatgassen van de motor of van het apparaat zelf kunnen worden aangezogen.

De diameter van de verwarmingsluchttoevoeren afvoerkap op het apparaat is

80 mm.

De totale weerstand in de toevoeren afvoerslangen mag niet meer zlJn dan 1,0 mbar (10 mm waterkolom), wat overeenkomt met de weerstand, die lucht zal hebben in een rechte papier-aluminium papierslang van ca.

10 m lengte.

Bij overschrijding hiervan kan men verwachten, dat het apparaat oververhit raakt, waardoor de temperatuurthermostaat het apparaat zal uitschakelen.

De slangen dienen met slangklemmen te worden vastgezet.

Bij hercirculerende luchtverwarming kan het apparaat ook zonder luchtslangen worden gebruikt.

Bij voorkeur dienen voor het verplaatsen van de verwarmingslucht ronde kanalen of slangen te worden gebruikt om de geringste luchtweerstand te verkrijgen.

Bij toepassing van afsluitbare roosters en/of luchtverdeelkleppen moet ervoor worden gezorgd, dat er altijd een vrije doorgang blijft bestaan ter

1.

batterij

2.

zekeringskast

3.

digitale schakelklok

5.

automaatkast

6.

brandstofaansluiting

7.

doseerpomp

8.

uitlaatgasdemper

9.

verwarmingsapparaat

(optie)

1.

verwarmingsapparaat

3.

automaatkast

4.

bedieningspaneel

5.

interieurthermostaat

6.

uitlaatgasdemper

(optie)

(optie)

7.

huiddoorvoer met pakkingset

12.

brandstoftank

13.

tankaansluiting

14.

brandstoffilter

15.

16.

17.

doseerpomp brandstofleiding toevoer verbrandingslucht

De doseerpomp is een gekombineerde brandstofopvoeren doseringspomp.

De montage dient speciaal bij de benzine - uitvoering op een koele plaats te geschieden (dus niet bij de motor) en zal veelal in de nabijheid van de tank geschieden.

De toelaatbare omgevingstemperaturen zijn: - 40

0 tot tijdens het in bedrijf

+ 40

0

C.

Om geluidsoverdracht te voorkomen, dient het doseerpompje middels de bijgeleverde trillingsdempers en rubberband flexibel te wordengemonteerd.

De afmetingen, maximale inbouwhoeken en maximale lengte en hoogteverschillen doseerpomp t.o.v.

het verwarmingsapparaat worden in afbeelding

7 aangegeven.

02-3mm

;'

-1-1

Afb.7

- Doseerpomp, leidinglengte, hoogteverschil

De brandstof voor het verwarmingsapparaat wordt uit de brandstoftank van het voerof vaartuig of uit een aparte brandstoftank onttrokken.

Een speciale tankaansluiting is leverbaar, die bovenin de bestaande brandstoftank kan worden geinstalleerd zonder deze af te tappen.

De zuigbuis van de tankaansluiting moet zo nodig worden ingekort, zodat deze tot 1 a

2 cm boven de bodem van de tank reikt.

De buis moet schuin worden afgezaagd.

Eveneens is het mogelijk het speciaal bijgeleverde T-stuk in de brandstofretourleiding te monteren i.p.v.

een aparte tankaansluiting te maken.

In dit geval is de inbouwhoek belangrijk, welke in afb.8

wordt aangegeven.

Men dient zich er wel van te overtuigen, dat de retourleiding voldoende diep in de tank steekt.

Afb.

8 - Toelaatbare inbouwstanden T-stuk

- Voertuigen met carburateurs.

De brandstofaansluiting naar de impulspomp wordt via het speciaal meegeleverde T-stuk gemaakt in de brandstof toeof retourleiding

(mits deze diep genoeg in de tank steekt).

Het T-stuk moet dusdanig worden gemonteerd dat eventuele luchtbellen in de benzineleiding vanzelf naar de benzinetank terugvloeien (zie afb.

8).

- Voertuigen met benzine-injectie.

De druk in de te onderbreken benzineleiding mag nooit meer zijn dan

+

1,5 bar.

Bij voorkeur, om de kans op benzine-lekkage uit te sluiten, dient gekozen te worden voor een benzineleiding die niet onder druk staat.

Er dient daaromallereerst vastgesteld te worden of de benzinepomp in of buiten de tank is gemonteerd.

Wanneer de pomp in de tank is gemonteerd, kan het T-stuk in de benzine-retourleiding worden geplaatst, mits deze leiding diep genoeg in de tank steekt.

Gebruik van een aparte tankaansluiting is natuurlijk ook mogelijk.

Wanneer de benzinepomp niet in de tank is gemonteerd, kan men een aansluiting tussen de pomp en de tank maken.

Er dient aandacht te worden besteed aan warmte-storende invloeden en de juiste montage-stand van het T-stuk zoals reeds eerder onder 4.4.2

is beschreven.

De benodigde verbrandingslueht mag in geen geval uit een ruimte worden

~ betrokken, waarin zieh personen bevinden.

De verbrandingsluehtaanzuigopening moet zo geplaatst worden, dat deze niet kan vervuilen, geen uitlaatgassen kan aanzuigen en geen water kan binnendringen.

Is het apparaat in een gesloten ruimte geplaatst, dan is er 2en minimale opening benodigd voor toevoer van verbrandingslueht van 10 em . Bij verlenging geldt de volgende regel:

De som van de lengte van uitlaatgasafvoerleidingen de verbrandingsluehttoevoeren

(binnendiameter 30 mm) mag bij toepassing van de uitlaatdemper 3 meter zijn.

Wanneer men deze demper niet gebruikt is de maximale som 5 meter.

De som van het totale aantal boehten (kleinste radius 60 mm) van verbrandingsluehttoevoer en uitlaatgasafvoer mag de 540

0 niet oversehrijden.

~

Als uitlaatgas-afvoerleiding kan men zowel flexibele als starre pijp gebruiken.

Deze moet bestand tegen een temparatuur van 650

0

C en eorrosiebestendig zijn.

De binnendiameter is 30 mm; de kleinste radius van de te maken boehten is 60 mm.

Bij verienging geldt de volgende regel:

De som van de lengte van de verbrandingsluehttoevoeren uitlaatgasafvoerleidingen (binnendiameter 30 mm) mag bij uitlaatdemper 3 meter zijn.

Wanneer men deze demper niet maximale som 5 meter.

toepassing van de gebruikt is de

De som van het totale aantal boehten (kleinste radius 60 mm) van verbrandingsluehttoevoer oversehrijden.

en uitlaatgasafvoer mag de 540

0 niet

Bet uitlaatsysteem dient vrij te liggen van brandbare delen en waar nodig geisoleerd te worden, een uitlaatdemper wordt in het systeem opgenomen.

De verbindingen worden met klemmen vastgezet.

De uitlaatgassen mogen natuurlijk niet in het voerof vaartuig binnen kunnen dringen of worden aangezogen door de ventilator van de originele kabineverwarmer of Webasto verwarmer.

Bij een voertuig mag het uiteinde van de uitlaatpijp niet buiten de earrosserie steken.

De slang kan naar aehteren of onder een hoek van 45

0 naar aehteren gerieht worden.

Bij een zeiljaeht zal de huiddoorvoer veelal in de spiegel gemonteerd worden, bij een motorjaeht hoog boven de waterlijn, onder het gangboord.

De huiddoorvoer en de uitlaatslang dienen dusdanig gemonteerd te worden dat

5.1

De Webasto verwarmer kan bediend worden met een schakelaar of met een digitale schakelklok en/of een telestart (afstandsbediening).

In alle gevallen kan tevens een ruimtethermostaat ("maak kontakt") worden opgenomen, welke het apparaat bij het bereiken van de ingestelde waarde op half last zal schakelen.

Deze funktie kan natuurlijk ook door een trek/tuimel-schakelaar worden overgenomen.

Bij toepassing van een drie-standen bedieningsschakelaar (optie) kan de ventilatiestand worden gebruikt.

De kabelboom dient dan wel volgens het schema te zijn aangepast.

Tevens is als bediening de elektronische thermostaat unit mogelijk.

Deze thermostaat is gekombineerd met een driestanden schakelaar met ventilatie-mogelijkheid.

Bij de 24-Volts verwarmingsapparaten moet de bijgeleverde voorschakelweerstand worden toegepast.

De universele kabelboom (benzine en diesel,

12- en 24 Volt) is hiervoor reeds voorzien van een 2-polige stekeraansluiting.

Materiaal wat brandbaar is of door warmte kan worden beschadigd, mag zich niet in de onmiddellijke omgeving van de voorschakelweerstand bevinden.

Eventueel dient men een isolatiemateriaal achter de weerstand aan te brengen.

Bij toepassing van de digitale klok is de inschakelduur afhankelijk van het wel of niet verbinden van aansluiting 9 met de batterij plus (via zekeringkast), n.l.

- wordt deze niet aangesloten, max.

inschakelduur 59 minuten

- wordt deze verbonden met de 5A-zekering, max.

inschakelduur onbegrensd.

Belangrijk: de 8-polige steker van de digitale schakelklok mag niet aangesloten worden op de kontra-steker van de elektronische ruimtethermostaat.

De kontakten 1 en 3 van de thermostaat78.482.277

worden met de groene en zwarte draad volgens het elektrische aansluitschema aangesloten.

inbouwmaten mechanische thermostaat afbeelding 11.

Deze gekombineerde bedieningseenheid/elektronische thermostaat wordt in de te verwarmen ruimte gemonteerd.

Voor de gevallen dat de thermostaat op een ongunstige plaats wordt ingebouwd, kan er een extra temperatuurvoeler op afstand op aangesloten worden, welke dan wel op een goede plaats kan worden gemonteerd.

Aan de achterzijde van de thermostaat is een instelmogelijkheid voor de schakeldifferentie: nauwkeurigheid 1~, 4 of 6 gr.

C.

Belangrijk: de 8-polige steker van de elektronische thermostaat mag niet aangesloten worden op de kontra-steker van de digitale schakelklok.

1) symbool verwarming

2) symbool ventilatie

3) temperatuurvoeler

4) kontr6lelamp (groene led)

5) schakelaar

6) schakeltemperatuur

7) draadbrug, verwijderen bij gebruik van externe voeler

8) stekeraansluiting t.b.v.

externe voeler

9) instelling schakeldifferentie

De polariteit van de impulspomp is niet belangrijk, de blauwe en bruine draad mogen op de pomp worden verwisseld.

5.7

Benzine / Diesel

Bij de HL 32 B (benzine)-uitvoering dient de doorverbindingslus tussen aansluiting en C1 en C2 van de automaatkast te worden verwijderd.

Om de naloop te garanderen wanneer de hoofdschakelaar wordt uitgezet, dient het verwarmingsapparaat via de zekeringkast direkt op de batterij te worden aangesloten.

De in het schema aangegeven kabeldikten moeten worden aangehouden.

a. Bij gebruik van bedieningsschakelaar ruimtethermostaat: schema met mechanische

C 8014-3000-0003A, blz.

14 b.

Bij gebruik van digitale schakelklok met mechanische ruimtethermostaat: schema C 8014-3000-0003B, blz.

15 c. Bij gebruik van elektronische ruimtethermostaat met geintegreerde schakelaar: C 8014-3000-0003C, blz.

16

I

Webaslo

/

\

AI

B C 0\

_..a

s ~_.:J,-_

H1

'rle~-

-'-'-'-'-'-'-'rn c

-'-'-'-'-'-"

I

I

I

I

I

I

I i

J

I gn

X2

W ar

A.1

A.2

B .1

B.2

B.3

E.

F.1

F.2

G.

H .1

verwarmingsapparaat automaatkast vlambewaker temperatuurbegrenzer thermostaat ruimtethermostaat gloeispiraal zekering SA zekering 16A batterij lichtdiode groen inschakelkontrolelamp lichtdiode oranje

H.3

H.4

M.

P.

R.1

R.2

8.

8.6

8.7

W.1

W.3

Y.

symbool verlichting klok kontrolelamp bed.paneel

elektromotor digitale schakelklok gloeiweerstand halflastweerstand

(alleen bij 24 Volt bedieningsschakelaar micro-schakelaar schakelaar aan/uit/ventilatie kabelboom met stekerverbinding naar verwarmingsapparaat kabelboom naar doseerpomp doseerpomp schakelklok P met plus op aansluiting zonder plus op aansluiting

(32) voeding symbool-verlichting

9: kontinu-bedrijf

9: tijdsduur beperkt tot 1 uur

KL 58

(34) doorverbinding C1-C2, bij benzine uitvoering verwijderen

(35) ventilatie

(38) aansluiting voor externe voeler

Rt

Gn

8w

Bl

Br

Gr

Or

Ge rood groen zwart blauw bruin grijs oranjE geel

-QIl-IJ

I~

I

1

16

I

I~

I'

.-'-'-'-'-'-'-'-'-'

!

I:

~-~j~

4

I

_._.._._._

..

X2 gn

W or

I

A.1

A.2

B.1

B.2

B.3

E.

F .1

~F.2

G.

B.1

verwarmingsapparaat automaatkast vlambewaker temperatuurbegrenzer thermostaat ruimtethermostaat gloeispiraal zekering 5A zekering 16A batterij lichtdiode groen inschakelkontrolelamp lichtdiode oranje

B.3

B.4

M.

P.

R.1

R.2

S.

8.6

S.7

W.1

W.3

Y.

symbool verlichting klok kontrolelamp bed.paneel

elektromotor digitale schakelklok gloeiweerstand (alleen bij 24 Volt halflastweerstand bedieningsschakelaar micro-schakelaar schakelaar aan/uit/ventilatie kabelboom met stekerverbinding naar verwarmingsapparaat kabelboom naar doseerpomp doseerpomp schakelklok P met plus op aansluiting zonder plus op aansluiting

(32) voeding symbool-verlichting

9: kontinu-bedrijf

9: tijdsduur beperkt tot 1 uur

KL 58

(34) doorverbinding C1-C2, bij benzine uitvoering verwijderen

(35) ventilatie

(38) aansluiting voor externe voeler

+

T

I

I

IG

--'-

F2

16A

F1

5A sw

®

X4 rt

9" sw

IiI

III

Ii

I~ i

\~ br rt

\ \ \

.4

I

J~

0

I gn

X2

W or

A.l

A.2

B.1

B.2

B.3

E.

F .1

F.2

G.

H .1

verwarmingsapparaat automaatkast vlambewaker temperatuurbegrenzer

:thermostaat ruimtethermostaat gloeispiraal zekering 5A zekering 16A batterij lichtdiode groen inschakelkontrolelamp lichtdiode oranje

H.3

H.4

M.

P.

R.1

R.2

8.

8.6

8.7

W.1

W.3

Y.

symbool verlichting klok kontrolelamp bed.paneel

elektromotor digitale schakelklok gloeiweerstand (alleen bij 24 halflastweerstand bedieningsschakelaar micro-schakelaar schakelaar aan/uit/ventilatie kabelboom met stekerverbinding naar verwarmingsapparaat kabelboom naar doseerpomp doseerpomp schakelklok P met plus op aansluiting zonder plus op aansluiting

9:

9: kontinu-bedrijf tijdsduur beperkt tot 1 uur

(32) voeding symbool-verlichting KL 58

(34) doorverbinding C1-C2, bij benzine uitvoering verwijderen

(35) ventilatie

(38) aansluiting voor externe voeler

VC

5.7

~5.7.1

BEDIENINGSVOORSCHRIFT DIGITALE SCHAKELKLOK.

Aangeven van de dagtijd.

@

1 of

(achteruit)

Hoe langer men de plaats vindt.

in te drukken, wordt op de verlichte LCD display de dagtijd aangegeven.

Knippert de tijdsaanduiding of stemt deze niet overeen met de juiste tijd, dan kan men deze door gelijktijdig een van de versteltoetsen

0

4

(vooruit) in te drukken corrigeren.

versteltoets ingedrukt houdt, hoe sneller de tijdsverstelling in te drukken, wordt het Webasto-apparaat direkt ingeschakeld, afhankelijk van de elektrische aansluiting met of zonder tijdslimiet.

Het groene bedrijfskontrolelampje

(LED) licht op.

Door nogmaals toets 9 schakeld.

5.7.3

Programmeren van de schakelklok.

Er kunnen 2 verschillende inschakeltijden tot 24 uur vooraf worden gekozen.

De inschakelperiode is begrensd tot 60 minuten.

in te drukken licht de gele

LED op en verschijnt de laatst ingestelde schakeltijd samen met het cijfer 1 op de LCD display.

Door nu een van de versteltoetsen

1

,@ of

40 in te drukken kan men de inschakeltijd veranderen.

Na programmering blijft het cijferbeeld ca.

25 sekonden zichtbaar, waarna alleen het cijfer 1 te zien blijft samen met de oplichtende gele LED.

in te drukken kan men de tweede programmatijd instellen zoals hierboven is beschreven.

Na instelling gaat de gele LED branden en verschijnt het cijfer 2

6.1

6.2

6.3

6.4

6.5

6.6

- Vrachtwagens.

Bij montage van het apparaat in speciale voertuigen, b.v.

bij transport van gevaarlijke stoffen, dienen de daarvoor geldende voorschriften te worden aangehouden.

Bet verwarmingsapparaat gebouwd.

mag niet in het,interieur van autobussen worden

Als aan het voertuig elektrisch wordt gelast, dient de hoofdstroomkabel van de akku te worden losgenomen en tegen massa gelegd, ter beveiliging van de elektronische stuurautomaat.

Bij het tanken dient het apparaat te zijn uitgeschakeld.

Bet apparaat mag ook niet met een tijdklok worden gebruikt in onvoldoende geventileerde ruimten.

De automaatkast mag niet aan hogere temperaturen dan 8SoC worden blootgesteld

(b.v. moffelkabines)

6.7

6.8

6.9

Bij de inbouw van het verwarmingsapparaat dient men rekening te houden met de maximale hellingshoek, die tijdens het varen kan optreden.

Onder het varen mede maximale hellingshoek mag het eventuele water uit de bilge het verwarmings apparaat niet overspoelen.

In de nabijheid van het verwarmingsapparaat geen brandbare stoffen worden opgeslagen.

en de uitlaatgasafvoerslang moge

Bet verwarmingsluchtaanvoerrooster dient dusdanig te worden geplaatst, dat er onder geen enkele omstandigheid water in kan lopeno

Als extra veiligheid dient men de verwarmingsluchtaanzuigslang vanaf het rooster stijgend te monteren, waardoor het water er eventueel vanzelf weer ui zal lopeno

6.10

Webasto luchtverwarmingsapparaten hebben krachtige ventilatoren, waardoor de lucht via lange kanalen kan worden getransporteerd.

Bet daarmee optredende geringe geruis kan grotendeels worden weggenomen door montage van een ruisfilterslang in het verwarmingsluchtsysteem, zo dicht mogelijk bij het verwarmingsapparaat, aan de verwarmingsluchtuitblaaszijde.

6.11

Wanneer slangen door een schot moeten worden gevoerd, kan men beter een door voerpijp met flens gebruiken dan de slang direkt door het gat te voeren.

De kans bestaat namelijk, dat de slang na verloop van tijd zal doorslijten.

6.12

Uitlaatslang is leverbaar in een geisoleerde uitvoering.

Met deze slang kan zonder enig risico langs plaatsen gaan welke niet door een hoge temperatuur mogen worden beinvloed.

6.13

Een roestvrijstalen huiddoorvoer is leverbaar kompleet met een pakkingset te voorkoming van warmte-overdracht en verkleuring van de scheepshuid.

Een huic doorvoer voorzien van een snelafsluiter is tevens leverbaar.

Alvorens het verwarmingsapparaat te starten dient men altijd de kraan te openen.

6.14

Men onderscheidt een verwarmingsluchtsysteem met gebruik van verse lucht

(direkt van buiten aanzuigen) en hercirculerende lucht (aanzuigen uit de te verwarmen ruimte).

Bij gebruik van verse lucht moet er in iedere verwarmde ruimte een ventilatiemogelijkheid zijn, waardoor de lucht naar buiten toe k.

ontsnappen.

Voordeel : drogere lucht en afvoer van kondens.

Bij hercirculerend gebruik is het te adviseren iedere verwarmde ruimte met verwarmingsluchtaanzuigzijde van het apparaat te verbinden.

Het verwarmingsapparaat dient ook in het zomerseizoen regelmatig (b.v. eens pel maand) gedurende ca.

10 minuten te worden ingeschakeld.

Voor elke verwarmingsperiode worden de volgende kontroleen onderhoudswerkzaamheden voorgeschreven : verwarmingsapparaat uitwendig reinigen.

elektrische aansluitingen op korrosie en doorverbinding kontroleren.

uitlaatgasafvoerleiding dichtheid en vervuiling.

en uitlaatdemper kontroleren op beschadiging, verbrandingsluchttoevoer luchttransportslangen

(slang) kontroleren op beschadiging en vervuiling.

kontroleren op beschadiging (knik) en vrije doorgang.

brandstoffilter vervangen.

brandstofleidingen op beschadiging en dichtheid kontroleren.

STORINGSTABEL

Storingsbeeld

Na inschakeling - geen funktie

Pas na meerdere keren inschakelen - verbranding

Gloeispanning - geen

Gloeispanning - te laag

Motor - gaat direkt draaien

Motor - gaat niet draaien

Verbranding - treedt niet in

Verbranding - valt uit

Verbranding - rookt grijs

Verbranding - rookt zwart

Verwarmingsapparaat oververhit

Motor in naloop - schake It niet uit

Tikken doseerpomp - niet hoorbaar

Tikken doseerpomp - onregelmatig

Storingsuitschakeling - na ca. 240 sek.

Storingsuitschakeling - na ca.

30 sek.

Testen, repareren of vervangen.

• •

,h !i~

%}IJ;

'I!/;

!/;~~;~~

,r[!/;

~l~;';

~~~i~/ lt1i/J

'lIe

Z'l~

• • • •

• • • • •

• • •

• • •

• •

• •

·1

• •

• • • • •

• •

0

• • •

• •

• • •

•• • • •

I

advertisement

Related manuals

Download PDF

advertisement