Bedieningshandleiding
CS 320-besturing
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 1
1. Inhoudsopgave
1. Inhoudsopgave. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2
2. Informatie over het document. . . . . . . . . . . . 3
3. Algemene veiligheidsinstructies . . . . . . . . . . 3
4. Productoverzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4
4.1 Productbeschrijving. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4
4.2 Varianten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4
4.3 CS 320 moederbord . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
5. Montage. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6
5.1 Veiligheidsinstructies voor montage . . . . . . 6
5.2 Netaansluiting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6
5.3 Interne zekering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7
5.4 Keuze netspanning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
5.5 Stroomvoorziening externe apparatuur
(alleen bij 400 V/3-fasen) . . . . . . . . . . . . . . 8
5.6 Aansluiting elektronisch eindpositie systeem absolute encoder (AWG). . . . . . . . . . . . . . . 9
5.7 Aansluiting mechanische eindschakelaars
(MEC). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9
5.8 Aansluiting bedieningsapparaten . . . . . . . 11
5.9 Aansluiting lichtgordijn . . . . . . . . . . . . . . . 13
5.10 Aansluiting sluitkantbeveiliging 1 . . . . . . . 14
5.11 Aansluiting fotocel 1. . . . . . . . . . . . . . . . . 15
5.12 Pinbezetting relaisuitgangen . . . . . . . . . . . 16
5.13 Aansluiting programmeerbare ingangen . . 16
5.14 Veiligheidsingang conform EN 12453 . . . . 19
5.15 Radio-ontvanger, insteekbaar . . . . . . . . . . 20
5.16 CS-radio . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
5.17 Digitaal 991 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
5.18 Aansluiting externe radio-ontvanger . . . . . 22
5.19 Aansluiting frequentieomvormer . . . . . . . . 22
5.20 Aansluiting LCD-monitor. . . . . . . . . . . . . . 23
5.21 Aansluiting MS BUS-componenten . . . . . . 23
5.22 Radiotransmissiesysteem. . . . . . . . . . . . . . 24
6. Initialisatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
7. Instellen van de eindposities . . . . . . . . . . . . 25
7.1 Controle van de aandrijfrichting/
bewegingsrichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
7.2 Mechanische eindschakelaars instellen . . . 25
7.3 Instellen van het elektronische eindpositiesysteem via de instelknoppen op de printplaat. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
7.4 Het elektronische eindpositiesysteem instellen via de LCD-monitor. . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
7.5 De tussenposities van het elektronische eindpositiesysteem instellen via de lcdmonitor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
2 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
8. Programmeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .27
8.1 Overzicht LCD-monitor . . . . . . . . . . . . . . . 27
8.2 Bedrijfsmodi van de LCD-monitor . . . . . . . 27
8.3 Expertmenu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
8.4 RESET. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
8.5 RESET van de besturingseenheid met LCDmonitor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
8.6 RESET van de besturingseenheid zonder LCDmonitor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
9. Navigator (alleen LCD-monitor). . . . . . . . . . .30
10. Functie-overzichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .32
10.1 Modus Automatisch . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
10.2 Modus invoer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
10.3 Toelichting bij de relaismodi:. . . . . . . . . . . 41
10.4 Toelichting bij de ingangen: . . . . . . . . . . . 44
10.5 Modus Diagnose/Storingsgeheugen . . . . . 48
11. Storingsindicatie en oplossing. . . . . . . . . . . .51
11.1 Storingsmelding op het LCD-display . . . . . 51
11.2 Storingsmelding via LED . . . . . . . . . . . . . . 53
12. Technische gegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . .55
12.1 Mechanische en elektrische gegevens . . . . 55
12.2 Categorie en prestatieniveau van de betrouwbare werking conform EN ISO
13849-1. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56
13. Service . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .57
14. Fabrikant verklaring. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .58
15. Bijlage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .59
15.1 Meetpunten veiligheidscircuit . . . . . . . . . . 59
15.2 Overzicht van de aansluitingen . . . . . . . . . 60
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 3
2 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
2. Informatie over het document
Originele bedieningshandleiding
− Auteursrechtelijk beschermd.
− Reproductie, geheel of gedeeltelijk, alleen met onze toestemming.
− Wijzigingen, die de technische vooruitgang dienen, zijn voorbehouden.
− Alle maataanduidingen in millimeters.
− Weergaven zijn niet op schaal getekend.
Symboolverklaring
WAARSCHUWING!
Indicatie van een veiligheidsrisico, dat kan leiden tot de dood of ernstig letsel.
VOORZICHTIG!
Indicatie van een veiligheidsrisico, dat kan leiden tot lichte of gemiddeld zwaar letsel.
ATTENTIE!
Indicatie van een veiligheidsrisico, dat kan leiden tot
beschadigingen of storingen aan het product.
CONTROLE
Waarschuwing voor een vereiste controle.
INFORMATIE
Verwijzing naar aparte documenten waarop gelet moet worden.
Oproep tot actie
− Lijst, opsomming
➔ Verwijzing naar andere plaatsen in dit document
3. Algemene veiligheidsinstructies
WAARSCHUWING!
Levensgevaar door het niet opvolgen van de documentatie!
Alle veiligheidsinstructies in dit document opvolgen.
Garantie
De garantie op goede werking en veiligheid geldt alleen wanneer de waarschuwingen en veiligheidsinstructies in deze bedieningshandleiding worden opgevolgd.
Voor persoonlijk letsel of schade aan eigendommen veroorzaakt door het niet in acht nemen van de waarschuwingen en veiligheidsinstructies is de fabrikant niet aansprakelijk.
Voor schade veroorzaakt door het gebruik van nietgoedgekeurde onderdelen en accessoires, is elke aansprakelijkheid en garantie door de fabrikant uitgesloten.
Bedoeld gebruik
De besturingseenheid CS 320 is uitsluitend ontworpen voor het aansturen van deursystemen door aandrijvingen met mechanische eindschakelaars (MEC) of een elektronisch eindpositiesysteem (AWG).
Doelgroep
Alleen bevoegde en gediplomeerde elektromonteurs mogen de besturing aansluiten, programmeren en onderhouden.
Bevoegde en geschoolde elektromonteurs voldoen aan de volgende eisen:
− kennis van de algemene en specifieke veiligheids- en ongevallenpreventievoorschriften,
− kennis van de van toepassing zijnde elektrische voorschriften,
− opleiding in het gebruik en verzorging van geschikte veiligheidsuitrusting,
− vaardigheden voor herkennen van aan elektriciteit gerelateerde gevaren.
Algemene veiligheidsinstructies
Instructies bij montage en aansluiting
− De besturingseenheid is volgens aansluittype X geconfigureerd.
− Voorafgaande aan werkzaamheden aan de elektriciteit, moet het systeem worden losgekoppeld van de stroomvoorziening. Tijdens de werkzaamheden moet worden gewaarborgd dat de stroomvoorziening onderbroken blijft.
− De plaatselijke veiligheidsvoorschriften moeten worden opgevolgd.
− Veranderingen aan en vervanging van de stroomkabel moeten met de fabrikant worden afgestemd.
− Voor de verbinding tussen de deuraandrijving en de besturingseenheid moet een originele kabelset van MFZ
GmbH & Co KG worden gebruikt. Wijziging of vervanging mag alleen worden uitgevoerd na overleg en goedkeuring door de fabrikant.
Instructies voor het gebruik
− Onbevoegde personen (vooral kinderen) niet met vast gemonteerde regel- of besturingssystemen laten spelen.
− Afstandsbedieningen buiten het bereik van kinderen houden.
De geldige normen en voorschriften moeten worden opgevolgd!
4. Productoverzicht
De CS 320 besturingseenheid is ontworpen voor industriële toepassingen en kan worden gebruikt op alle soortgelijke deuren. Aandrijvingen met mechanische eindschakelaars (MEC) of een elektronisch eindpositiesysteem (AWG) kunnen worden aangesloten en bediend.
Alle noodzakelijke bedieningsapparaten en veiligheidselementen kunnen worden aangesloten, ingesteld en geanalyseerd.
De programmering gebeurt via een insteekbare Lcd-monitor.
Als alternatief is er een serviceprogramma beschikbaar als accessoire.
Dit serviceprogramma bestaat uit een stick en een app.
De volgende leveringsvarianten van de CS 320-besturingseenheid zijn mogelijk:
Varianten van de behuizing:
− CS 320 besturingseenheid in „standaard“-behuizing
− CS 320 besturingseenheid in „combi“-behuizing met geïntegreerde montagerail voor extra componenten
Varianten van de insteekbare Lcd-monitor:
− Lcd-monitor op de printplaat
− Lcd-monitor in de behuizingskap
− LCD-monitor bekabeld, insteekbaar (MS BUS)
− Zonder Lcd-monitor (monitor is vereist voor alle afstellingen behalve de eindpositie-afstelling)
Varianten van de bedieningsapparaten:
− 3-wegknop CS geïntegreerd in de behuizing
Optioneel:
− Behuizing zonder 3-wegknop
− Behuizing met sleutelschakelaar AAN/UIT
− Behuizing met hoofdschakelaar
− Behuizing met Stop
− Insteekbare componenten (printplaat)
− Rembewakingsmodule
− Weekschakelklok
− Radio-ontvanger
− Radiosysteem voor een sluitkantbeveiliging en/of een veiligheidselement.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 5
4 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
In de bedieningshandleiding worden de aansluit- en programmeermogelijkheden en varianten van de CS 320-besturingseenheid met aangesloten Lcd-monitor en vanaf softwareversie V1.0 beschreven.
Toelichting:
X1: Contactstrip netaansluiting
X2: Contactstrip motor
X3: Contactstrip bedieningsapparaten
X4: Contactstrip veiligheidselementen
X5: Contactstrip relais
X6: Aansluitprofiel voor interne ON-OFF schakelaar
X7: Aansluitprofiel voor interne 3-wegknop KDT
X8: Aansluitprofiel voor LCD-monitor
(Onder de LCD-monitor)
X9: Aansluitprofiel voor radio-ontvanger
X10: Aansluitprofiel voor weekschakelklok/remmodule
X11: Aansluitprofiel voor elektronisch eindpositiesysteem
(AWG)
X12: Aansluitprofiel voor externe radio-ontvanger
X13: Aansluitprofiel voor interne 3-wegknop CS
X15: Aansluitstrook voor mechanische eindschakelaars
(MEC)
X16: Aansluitprofiel BUS-systeem (MS BUS)
X17: RJ-connector voor BUS-systeem (MS BUS)
X18: Aansluitprofiel voor frequentieomvormer (interface)
X19: Contactstrip voor stroomvoorziening externe apparaten 230V/50Hz
X20: Aansluitstrip voor transmissiesysteem
X21: Keuze netspanning
H1: Bedrijfsklaar (groen)
Is aan bij spanningsvoorziening.
H2: Statusindicatie (rood)
Brandt bij storingen of bij het activeren van veiligheidsvoorzieningen
S1: Programmeerknop (+)
(Onder de LCD-monitor)
S2: Programmeerknop (-)
(Onder de LCD-monitor)
S3: Programmeerknop (P)
(Onder de LCD-monitor)
F1: Zekering externe apparaten 230V/50Hz
(max. 1 A traag)
F2.1: Zekering besturingseenheid en aandrijving L1
(max. 10 A)
F2.2: Zekering besturingseenheid en aandrijving L2
(max. 10 A)
F2.3: Zekering besturingseenheid en aandrijving L3
(max. 10 A)
Contactstrip aardkabel (PE)
4.3 / 1
X5
X15
7
8
5
6
3
4
1
2
7
8
5
6
3
4
1
2
X11
X18
B2
B1
U
V
X2
W
X10
S1
X20
S2
S3
X8
X12
X6
X7
X9
H1
H2
X17
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X16
10
9
8
7
6
5
4
3
2
1
X4
X13
X3
F1
X19
F2.3
F2.2
F2.1
X21
N
L3
L2
X1
L1
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 5
5. Montage
WAARSCHUWING!
Levensgevaar door een elektrische schok!
Voordat u aan de bedrading werkt, moet u de installatie
ATTENTIE!
Materiële schade door ondeskundige montage van de besturingseenheid!
Om schade aan de besturingseenheid te voorkomen, moeten de volgende punten in acht worden genomen:
− Alleen gekwalificeerde en opgeleide elektromonteurs mogen aan elektrische installaties werken.
− Het systeem spanningsvrij maken, controleren of dat het geval is en beveiligen tegen herinschakelen.
− Net- en stuurkabels moeten gescheiden worden aangelegd.
− De kabeltypen en -doorsneden moeten volgens de geldende voorschriften worden gekozen.
− De lokale veiligheidsvoorschriften moeten in acht worden genomen.
− De montage-instructies van de deurfabrikant moeten worden opgevolgd.
Om een probleemloze werking te garanderen, moet aan de volgende punten voldaan zijn:
− De deur is gemonteerd, functioneel en bedoeld voor aangedreven gebruik.
− De reductiemotor is gemonteerd en bedrijfsklaar.
− De besturings- en veiligheidsapparatuur is gemonteerd en bedrijfsklaar.
− De besturingsbehuizing met de besturingseenheid CS 320 is gemonteerd.
De geldige normen en voorschriften moeten worden opgevolgd!
INFORMATIE
Voor de montage van de deur, de reductiemotor en de bedieningsapparaten en veiligheidsvoorzieningen moeten de handleidingen van de respectieve fabrikanten worden opgevolgd.
6 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Voorwaarden
Om de werking van de besturing te garanderen, moet aan de volgende punten voldaan zijn:
− De netspanning moet overeenkomen met de informatie op het typeplaatje.
− De netspanning moet overeenkomen met de spanning van de aandrijving.
− Bij draaistroom moet een rechtsdraaiend draaiveld aanwezig zijn.
− Bij een vaste aansluiting moet een alpolige hoofdschakelaar worden gebruikt.
− Voor draaistroomaansluiting mogen alleen 3-weg contactverbrekers van type C (max. 16 A) worden gebruikt.
ATTENTIE!
Functiestoringen door ondeskundige montage van de besturingseenheid!
Voordat de besturing voor de eerste keer wordt ingeschakeld, moet na voltooiing van de bedrading worden gecontroleerd of alle motoraansluitingen aan de kant van de besturing en van de motor vastgedraaid zijn. Alle stuurspanningsingangen zijn galvanisch gescheiden van de voeding.
De aansturings- en toevoerkabels van de aangesloten aandrijvingen moeten over het gehele traject dubbel geïsoleerd zijn.
Gedetailleerd schakelschema netaansluiting en motoraansluiting
(400 V / 3-fasen)
X11
5.2 / 1 F1
X18 X19
3
M
B2
B1
U
V
X2
W
F2.3
F2.2
F2.1
N
L3
L2
L1
X1
X21
400 V / 50 Hz
3 / N / PE
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 7
6 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Gedetailleerd schakelschema netaansluiting en motoraansluiting
(230 V / 3-fasen)
X11
5.2 / 2 F1
X18 X19
X21
B2
B1
N
3
M
U
V
F2.3
F2.2
L3
L2
230 V / 50 Hz
3 / PE
X2
W
F2.1
L1
X1
Aansluiting:
Sluit het elektronische eindpositiesysteem (AWG) of
Besturingseenheid aansluiten op de motor.
Besturingseenheid aansluiten op de netstroom.
De technische gegevens controleren en verifiëren.
➔
“12. Technische gegevens”
Gedetailleerd schakelschema netaansluiting en motoraansluiting
(230 V / 1-fase)
X11
5.2 / 3 F1
X18 X19
X21
B2
B1
N
F2.3
L
230 V / 50 Hz
1 / N / PE
1
M
ZU
F2.2
AUF N
X2
F2.1
X1
De CS 320 besturingseenheid heeft een interne zekering (F2) op de netingang. De zekeringhouders zijn af fabriek voorzien van 8A/T (5,2 x 20 mm) zwakstroomzekeringen.
5.3 / 1
F2.3
F2.2
F2.1
N
L3
L2
L1
X1
X21
400 V / 50 Hz
3 / N / PE
Toelichting:
M1: Motor
X1: Contactstrip netaansluiting
X2: Contactstrip motor
X11: Aansluitprofiel voor elektronisch eindpositiesysteem
(AWG) met veiligheidscircuit
X15: Contactstrip voor mechanische eindschakelaars (MEC)
(veiligheidscircuit op X2/B1-B2)
X19: Aansluiting voor stroomvoorziening externe apparatuur
ATTENTIE!
Functiestoringen door verkeerde zekering van de besturingseenheid!
Interne zekering maximaal 10 A/T!
De interne zekeringen zijn geen vervanging van de zekering in de aansluitkabel. Dit mag maximaal 16 A zijn en moet een 3-weg contactverbreker zijn van het type C.
➔
„5.2 Netaansluiting“
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 7
Montage
De positie van de overbruggingsstekker op X21 moet worden aangepast aan de voedingsspanning en de motorspanning.
5.4 / 1
F2.3
X21
N
L3
L2
L1
X1
L1 F1
PE PE PE
X19
X21
400 V / 50 Hz
400 V / 50 Hz
3
/ N / PE
400 V / 50 Hz
3
5.4 / 2
X11
X18
5.4 / 3
F2.3
N
L3
L2
L1
X1
PE PE PE
F1
X19
X21
230 V / 50 Hz
3
3
/ PE
230 V / 50 Hz
3
ZU
AUF
F2.3
L
N
X1
PE PE PE
230 V / 50 Hz
1 / N / PE
230 V / 50 Hz
1 / N / PE
Stroomvoorziening externe apparatuur
(alleen bij 400 V/3-fasen)
De CS 320 heeft 2 aparte voedingen voor externe componenten zoals signaalgevers, fotocellen, enz.
X19 230V/1~
X4 24V-DC
5.5 / 1
8
7
6
5
4
3
2
1
12
11
10
9
X4
-
+
24V-DC max. 500mA
X19
F1
L
N
N
L3
L2
L1
X1
X21
230V-AC max. 1A
400 V / 50 Hz
3 / N / PE
OPMERKING:
Aansluiting X19 kan alleen worden gebruikt als deze wordt aangesloten op 400 V/N/3~.
Aansluiting X19 wordt beveiligd door zekeringhouder F1
(max. 1 A/T).
8 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 9
8 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Aansluiting elektronisch eindpositiesysteem absolute encoder (AWG)
5.6 / 1
A
B
A: AWG-stekker
B: AWG-Steekcontact
Aansluitstrip X11 (op aansluiting A)
5.6 / 2
4 7 grijs geel
5 8 groen roze
6 9 wit bruin
Afhankelijk van de aandrijving van de AWG worden kabels met genummerde of gekleurde aders gebruikt:
4 (grijs): Veiligheidsketen ingang
5 (groen): RS 485 B
6 (wit): GND
7 (geel): RS485 A
8 (roze): Veiligheidscircuit uitgang
9 (bruin): 12 V DC
Aansluitstrip B (alleen absolute encoder)
5.6 / 3
OPMERKING:
Om te voldoen aan de eisen van EN 12453:2019 moet het elektronische eindpositiesysteem tenminste voldoen aan PL
„c“ met tenminste categorie 2 conform EN ISO 13849-1.
Om aan deze eis te voldoen, mag er slechts één absolute encoder van MFZ (art.-nr. 97957) worden gebruikt als elektronisch eindpositiesysteem.
Aansluiting mechanische eindschakelaars
(MEC)
Als alternatief voor de absolute encoder als elektronisch systeem kunnen ook mechanische nokkeneindschakelaars worden aangesloten en afgesteld.
Het aangesloten eindpositiesysteem wordt bij eerste inbedrijfstelling en na een RESET automatisch herkend. Voor een latere wijziging moet het betreffende eindpositiesysteem via een parameterinstelling in modus INVOER worden geselecteerd.
Serie STA, MDF05, MTZ05
5.7 / 1 S1
S2 S3
S4
S5 S6
C: Thermo-element in de aandrijving
D: Noodhandbediening (noodslinger of noodketting)
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 9
Montage
Serie MDF20+, KD, MTZ20+
5.7 / 2
S1 S2 S3 S4 S5 S6
Mechanische eindschakelaars
5.7 / 3
S2
S5
S1
S6
X15
7
8
5
6
3
4
1
2
Veiligheidscircuit
5.7 / 4
S3 S4 S7 S8
B2
B1
X2
U
W
V
Aansluitvoorbeeld voor 6-draads systeem
5.7 / 5
S2
S5
S1
S6
X15
7
8
5
6
3
4
1
2
B2
B1
S3 S4 S7 S8
W
V
X2
U
Legenda:
S1 Extra eindschakelaar OPEN
S2 Eindschakelaar OPEN
S3 Veiligheids-eindschakelaar OPEN
S4 Veiligheidseindschakelaar DICHT
S5 Eindschakelaar DICHT
S6 Extra eindschakelaar DICHT
S7 Thermobeveiliging motor
S8 Noodbediening (NC - contact)
OPMERKING:
Om te voldoen aan de eisen van EN 12453:2019 moeten de mechanische eindschakelaars een goedkeuring hebben als
„bewezen component“ conform EN ISO 13849-1.
Aandrijvingen met geïntegreerde vanginrichting mogen niet met mechanische eindschakelaars worden uitgerust.
10 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 11
10 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
5.8 Aansluiting bedieningsapparaten
VOORZICHTIG!
Gevaar voor letsel door ongecontroleerde deurbewegingen!
Een DICHT-commando in dodemansbedrijf zonder zicht op de deur is verboden.
Installeer bedieningsapparaten voor de dodemansfunctie
Een DICHT-commando zonder zicht op de deur mag alleen worden gegeven via ingang 1/MOD32 (X4/9-10).
Indien het besturingsapparaat geen sleutelschakelaar is: monteer deze dan op een hoogte van tenminste 1,5 m.
Monteer deze buiten bereik van derden.
Bedieningsapparaten (standaard)
5.8 / 1
X3
B
C
Legenda:
A knop/ingang DICHT knop/ingang impuls
knop/ingang OPEN
D
E
(OPEN binnen, met actieve regeling voor tegemoetkomend verkeer) knop STOP
Stop bedieningsapparaat
A
B
C
D
E
Knop OPEN/STOP/DICHT (6-draads systeem)
5.8 / 2 A
C
D
X3
Knop OPEN/STOP/DICHT (4-draads systeem)
5.8 / 3 A
C
D
X3
Knop impuls
Selectie van de functie via de parameter IMPULS
➔
“10.2 Modus invoer” op pagina 33
5.8 / 4
B
X3
- Knop OPEN
- Knop STOP
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 11
Montage
5.8 / 5
X4
12
11
10
9
Externe radio-ontvanger
4
3
2
1
8
7
6
5
X3
10
9
8
7
6
5
4
3
2
1
24 V-DC
F1
X19
230 V-AC
* optioneel, afhankelijk van de aansluiting van de radioontvanger
Sleutelschakelaar
5.8 / 6 A
C
X3
Legenda:
A knop/ingang DICHT
C knop/ingang OPEN
(OPEN binnen, met actieve regeling voor tegemoetkomend verkeer)
Klepknoppen KDT
Klepknoppen met NO-/NC-contacten.
Tot bouwjaar 12/2009.
5.8 / 7
X7 X7
J
J Overbruggingsstekker (brug)
De overbruggingsstekker moet absoluut gestoken zijn als de
KDT-toetsen niet zijn aangesloten.
Klepknoppen CS
Siliconen knoppen met NO-contacten.
Vanaf bouwjaar 01/2010.
5.8 / 8
X13
12 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 13
12 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Sleutelschakelaar ON/OFF
NC-contact, ter onderbreking van de deurwerking (optioneel).
Deze schakelaar is onderdeel van het veiligheidscircuit.
5.8 / 9
X6 X6
J
J Overbruggingsstekker (brug)
De overbruggingsstekker moet absoluut gestoken zijn als de sleutelschakelaar niet is aangesloten.
Op de CS 320 kunnen maximaal 2 lichtgordijnen worden aangesloten. Lichtgordijn 1 wordt aangesloten op de ingang van de sluitkantbeveiliging. Lichtgordijn 2 wordt aangesloten op de programmeerbare ingang 2.
Lichtgordijn 1
Parameter SKS = MOD4
Verbindingskabel (A) is insteekbaar.
5.9 / 1
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X4
BK
GN
GY
BU
WH
BN
A
Lichtgordijn 2
Parameter INGANG 2 = MOD 12
Verbindingskabel (A) is insteekbaar.
5.9 / 2
BK
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X4
GN
GY
BU
WH
BN
A
Legenda:
BK zwart
GN groen
GY grijs
BU blauw
WH wit
BN bruin
R ontvanger
T zender
OPMERKING:
In deze handleiding worden de GridScan/Pro lichtgordijnen van Cedes getoond als voorbeeld.
De GridScan/Pro lichtgordijnen komen overeen met
− Performance Level d, Categorie 2 conform EN ISO 13849-1
− Beschermklasse E conform EN 12453:2017
Schema‘s van andere fabrikanten op aanvraag.
INFORMATIE
De exacte beschrijving van functie en aansluiting staat beschreven in de aparte documentatie van het lichtgordijn.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 13
Montage
5.10 Aansluiting sluitkantbeveiliging 1
De aangesloten sluitkantbeveiliging wordt bij eerste inbedrijfstelling en na een RESET automatisch herkend en geprogrammeerd. Als er geen sluitkantsysteem is aangesloten, wordt de ingang bij elke inschakeling opnieuw gescand, totdat er een sluitkantsysteem wordt gedetecteerd.
Voor een latere wijziging moet het betreffende systeem via een parameterinstelling in modus INVOER worden geselecteerd. Voor fotocellen met testfunctie moet dit met de hand worden afgesteld.
➔
“10.2 Modus invoer”
Opto-elektronische sluitkantbeveiliging (OSE)
Parameter SKS = MOD1
5.10 / 1
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X4
-
+
WH
GN
BN
Legenda:
WH wit
GN groen
BN bruin
Elektrische sluitkantbeveiliging (8,2 kOhm)
Parameter SKS = MOD2
5.10 / 2
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X4
8k2
Pneumatische sluitkantbeveiliging (DW)
Parameter SKS = MOD3/testen automatisch actief
5.10 / 3
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X4
-
+
14 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 15
14 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
De aangesloten fotocel wordt bij eerste inbedrijfstelling en na een Reset automatisch herkend en geprogrammeerd. Als er geen fotocelsyteem is aangesloten, wordt de ingang bij elke inschakeling opnieuw gescand, totdat er een fotocelsyteem wordt gedetecteerd. Voor een latere wijziging moet het betreffende systeem via een parameterinstelling in modus
Invoer worden geselecteerd.
Voor fotocellen met testfunctie moet dit met de hand worden afgesteld.
➔
“10.2 Modus invoer”
Fotocel NC
11
10
9
8 met testen
7
5.11 / 1
6
5
4
3
2
1
-
OUT
+
NC
R
X4
12
11
10 met testen
7
5.11 / 3
6
5
4
3
2
1
X4
12
11 met testen
7
5.11 / 4
6
5
4
3
2
1
X4
-
+
T 12
11
10 met testen 7
5.11 / 2
6
5
4
3
2
1
X4
2
1
R
-
+
-
OUT
-
+
+
OUT
-
+
NPN
PNP
R
Legenda:
R ontvanger
T zender
OPMERKING:
Alle fotocellen zijn actief in de richting OPEN of DICHT, afhankelijk van de instelling.
➔
“10.2 Modus invoer”
T
R
T
2
1
T
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 15
Montage
5.12 Pinbezetting relaisuitgangen
Er zijn vier potentiaalvrije relaisuitgangen beschikbaar, die met verschillende functies kunnen worden geprogrammeerd.
➔
“10.2 Modus invoer”
5.12 / 1
1
2
3
4
5
6
7
8
X5
- Relais 1
- Relais 2
- Relais 3
- Relais 4
Interne schakelcontacten van de relais
Het gaat om vier potentiaalvrije relaisuitgangen met een maximale belastbaarheid van 4 A bij 230V/1~.
Het functietype is afhankelijk van de parameterinstelling voor de betreffende relaisuitgang in modus INVOER.
De besturingseenheid CS 320 heeft 3 programmeerbare ingangen waarvoor verschillende functies kunnen worden geselecteerd.
Het type aansluiting is afhankelijk van de parameterinstellingen van de afzonderlijke ingangen.
➔
“10.2 Modus invoer”
ATTENTIE!
Gevaar voor beschadiging van de printplaat als gevolg van verkeerd aansluiting!
De ingangen 1, 2 en 3 hebben verschillende referentiepotentialen en mogen niet vanuit een gemeenschappelijk potentiaal worden aangestuurd!
Ingang 1
Optionele aansluiting met NO-/NC-contacten.
Referentiepotentiaal 24 V-DC
➔
“10.2 Modus invoer” op pagina 33
5.13 / 1
*
X4
* optioneel
16 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 17
16 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Ingang 2
Optionele aansluiting met componenten op 8,2 kOhm - basis, NO/NC-contacten en optosensoren.
Referentiepotentiaal 12 V-DC
➔
“10.2 Modus invoer” op pagina 33
5.13 / 2
* * *
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X4
GN
BN
WH
* optioneel
Legenda:
GN groen
BN bruin
WH wit
OPMERKING:
De programmeerbare ingang 2 kan ook gebruikt worden voor de aansluiting van een lichtgordijn.
➔ „5.11 Aansluiting lichtgordijn“
De programmeerbare ingang 2 wordt ook gebruikt als veiligheidsingang conform EN 12453:2019.
Als tijdens de eerste inbedrijfstelling en na een reset een weerstandswaarde wordt gedetecteerd, wordt automatisch de MOD8 (veiligheidsingang) geactiveerd. Een afzonderlijk aangesloten sluitkantbeveiliging op 8,2 kOhm moet dan met de hand worden geactiveerd.
➔ „5.14 Veiligheidsingang conform EN 12453“
Ingang 3
Aansluitprofiel voor de optionele aansluiting van een insteekbare weekschakelklok, insteekbare rembewakingsmodule BWM1 of als aansluiting voor de bewaking van een externe lastschakelaar.
Referentiepotentiaal 5 V-DC
➔
*
5.13 / 3
26.04.20
13:28
20
1
2
3
4
M
A
OK
B
+ 5V
GND y
X10 y Signaal
* optioneel
A Weekschakelklok
De weekschakelklok heeft een weekprogramma voor het openen en openhouden van het deursysteem met max. 8 schakeltijden per dag. Terwijl de deur opengehouden wordt, geeft de schakelklok een continu signaal af dat het sluiten van het deursysteem verhindert.
Na afloop van het ingestelde tijdsinterval wordt dit continue signaal uitgeschakeld en kan het deursysteem weer worden gesloten, bijv. met de hand via een DICHT-commando.
Dit kan ook automatisch gebeuren.
Hiervoor moet de parameter TIJD OPEN van modus Invoer op 1 worden gezet.
B Rembewakingsmodule BWM1
De rembewakingsmodule is nodig voor aandrijvingen met een geschakelde rem (relais 4/MOD 14-16). De module bewaakt de remfunctie.
C Bewaking van externe lastschakelaar
(optioneel)
➔
“5.13 / 4”
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 17
Montage
INFORMATIE
De exacte beschrijving van functie en aansluiting is opgenomen in de aparte documentatie van de weekschakelklok en rembewakingsmodule.
Aansluiting rembewakingsmodule
5.13 / 4 X5
7
8
5
6
3
4
1
2
3
4
1
2 XB1
A
X10
B
C
M
D
Legenda:
A Rembewakingsmodule BWM 1
B
C
D
Remgelijkrichter
Aandrijvingsrem
Spanningsvoorziening rem (AC)
OPMERKING:
Als MOD14-16 (remaansturing) op relais 4 is ingesteld, wordt de modus voor de rembewakingsmodule automatisch op ingang 3 gezet. Als een schakelklok wordt gebruikt, moet deze instelling worden aangepast om de MOD voor de schakelklok op ingang 3 te kunnen zetten.
Optioneel kan ingang 3 ook worden gebruikt om een externe lastschakelaar te monitoren. Hiervoor worden de hulpcontacten van de relais (NO) parallel aan (GND) en
(signaal) aangesloten.
De parameter van INGANG3 moet dan op MOD22 worden gezet.
Aansluiting monitoren lastschakelaar (optioneel)
Als het vermogen van de gebruikte deuraandrijving het maximale belastbaarheid van het interne relais overschrijdt, kan een externe lastschakelaar worden gebruikt.
In dit geval kan ingang 3 worden gebruikt om de externe lastschakelaar te monitoren en zo een veilige werking te waarborgen.
5.13 / 5
X10
+ 5V
GND
➞ Out
1
L1
3
L2
5
L3
13
NO
A1 1
L1
3
L2
5
L3
13
NO
A1
2
T1
4
T2
6
T3
14
NO
A2 2
T1
4
T2
6
T3
14
NO
A2
De bedrading wordt af fabriek voorbereid geleverd.
18 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 19
18 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Sinds 2001 zijn de eisen voor de storingsvrijheid van loopdeurschakelaars in de EN 12453 aangescherpt. Met de EN 12453:2019 nu ook verhoogde veiligheidseisen
(PLc, Cat.2) van toepassing op slappekabelschakelaars en schakelaars van valbeveiligingssystemen, incl. de transmissie en verwerking van het signaal.
De programmeerbare INGANG 2 op instelling MOD2 maakt evaluatie van deze componenten mogelijk, die allemaal werken op een interne weerstandswaarde van 8,2 kOhm. Bij een storing in een van de componenten kan het systeem niet meer worden bediend en verschijnt de melding ERROR STOP
2 op het display.
1 - 4 componenten op 8,2 kOhm kunnen volgens onderstaande aansluitschema‘s worden gekoppeld. Het maakt niet uit welke van de respectieve schakelaars de componenten 1 - 4 vertegenwoordigt.
CONTROLE
De tolerantie van de afzonderlijke weerstandswaarden mag niet hoger zijn dan 1%.
Aansluiting 4 componenten
5.14 / 1
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X4
1
2
3
4
Aansluiting 3 componenten
5.14 / 2
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X4
1
2
3
Aansluiting 2 componenten
5.14 / 3
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X4
Aansluiting 1 component
5.14 / 4
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X4
1
2
1
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 19
Montage
OPMERKING:
Tijdens de eerste inbedrijfstelling en na een reset wordt ingang 2 één keer op A (zelflerend) gezet.
Als er een weerstandswaarde wordt gedetecteerd, wordt automatisch MOD2 (veiligheidsingang) ingesteld en wordt de meetwaarde opgeslagen en bewaakt als referentie voor de aangesloten veiligheidsrelevante componenten.
Een afwijking van de gemeten waarde activeert een foutmelding.
Als er vervolgens een veiligheidselement wordt toegevoegd of verwijderd, moet de weerstandsmeting worden herhaald.
Hiervoor moet de parameter INGANG 2 met de hand worden gereset naar A (zelflerend) en moet de voedingsspanning eenmalig worden uit- en weer ingeschakeld. Daarna wordt een nieuwe meting uitgevoerd.
De gebruikte componenten moeten conform EN ISO 13849-1 zijn ofwel voldoen aan PLc/Cat.2 ofwel goedgekeurd zijn als bewezen onderdeel om te voldoen aan de eisen van
EN 12453:2019.
Als alternatief kan de valbeveiliging ook van een
NC-contact worden voorzien en worden geïntegreerd in het veiligheidscircuit van de besturingseenheid (X3/1-2).
Deze schakelaar met NC-contact moet als bewezen component conform EN ISO 13849-1 zijn goedgekeurd.
Vanwege kortsluitingsbewaking moet de aansluitkabel in een beschermbuis worden gelegd.
5.15 Radio-ontvanger, insteekbaar
2 verschillende, insteekbare radio-ontvangers kunnen rechtstreeks op de besturingseenheid worden aangesloten.
CS-radio 1-kanaals, multibit, 15 geheugenplaatsen
− 868 MHz - art.-nr. 76616
− 433 MHz - art.-nr. 76614
Compatibele handzenders:
− RT 52, 28, 29, 31
− Digital 382, 384, 313, 321, 323, 306, 318
Digitaal 991 1-kanaals, AES 128 bit, 200 geheugenplaatsen
− 868 MHz - art.-nr. 118726
− 433 MHz - art.-nr. 118727
Compatibele handzenders:
− Digital 564, 663, 572, 633, 506, 517, 518
5.15 / 1
A
B
C
X9
A Antenne
B Programmeerknop
C LED
INFORMATIE
De exacte beschrijving van functie en aansluiting is opgenomen in de aparte documentatie van de radio-ontvanger.
20 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 21
20 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
5.16 CS-radio
Aansluiting
Steek de radio-ontvanger op het X9-aansluitprofiel.
Zendercodes inleren
Houd de programmeerknop (B) langer dan 1,6 seconde
Druk op de gewenste kanaalknop van uw zender.
Aansluiting
Steek de radio-ontvanger op het X9-aansluitprofiel.
Zendercodes inleren
Houd de programmeerknop (B) langer dan 1,6 seconde
Druk op inleerknop en vervolgens op de kanaalknop van uw
In totaal kunnen 15 zendercodes (handzender) worden ingeleerd.
Als alle geheugenplaatsen bezet zijn, knippert de LED zeer snel.
Bovendien kunnen nog meer handzenders worden geïntegreerd door dupliceren van handzender naar handzender.
Selectief wissen van een zendercode
Houd de programmeerknop (B) langer dan 1,6 seconde
Blijf de programmeerknop ingedrukt houden. De wismodus
Druk op de gewenste kanaalknop van uw zender.
In totaal kunnen max. 200 zendercodes (handzender) worden ingeleerd. Als alle geheugenplaatsen bezet zijn, knippert de LED zeer snel.
Selectief wissen van een zendercode.
Houd de programmeerknop (B) langer dan 1,6 seconde
Blijf de programmeerknop ingedrukt houden. De wismodus
Druk op de gewenste kanaalknop van uw zender.
Door kort indrukken van de programmeerknop kan de wisprocedure worden afgebroken.
RESET (geheugen volledig wissen)
Houd de programmeerknop (B) langer dan 1,6 seconde
Blijf de programmeerknop ingedrukt houden.
Houd de programmeerknop opnieuw langer dan
Door kort indrukken van de programmeerknop kan de wisprocedure worden afgebroken.
RESET (geheugen volledig wissen)
Houd de programmeerknop (B) langer dan 1,6 seconde
Blijf de programmeerknop ingedrukt houden. De wismodus
Houd de programmeerknop opnieuw langer dan 1,6
Door kort indrukken van de programmeerknop kan de wisprocedure worden afgebroken.
Door kort indrukken van de programmeerknop kan de wisprocedure worden afgebroken.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 21
Montage
Naast de standaardaansluiting van een externe radio-
ontvange“5.8 / 5“ Radio-ontvanger extern) is er ook een
optionele voorbekabelde, insteekbare versie.
5.18 / 1
Een Siemens frequentieomvormer kan worden aangesloten op interface X18 voor snelheidsonafhankelijk aansturen van de deuraandrijving.
5.19 / 1
X12
INFORMATIE
De exacte beschrijving van functie en aansluiting is opgenomen in de aparte documentatie van de BUS-module.
X18
ATTENTIE!
Materiële schade door ondeskundige montage!
Als er een frequentieomvormer wordt gebruikt, moeten aandrijving, bekabeling en omvormermodule compatibel zijn.
Neem contact op met de helpdesk van Technik.
INFORMATIE
De exacte beschrijving van functie en aansluiting is opgenomen in de aparte documentatie van de CS 320 FU.
22 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 23
22 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Met de LCD-monitor krijgt u volledige toegang tot alle menuinstellingen en parameters van de besturingseenheid.
➔
“8. Programmeren”
Steekfitting X8
5.20 / 1
Op de printplaat zitten twee BUS-interfaces voor het aansluiten van verschillende componenten.
De MS-BUS LCD-monitor (#121246) wordt geleverd met een
3 m lange aansluitkabel.
De MS-Bus LCD-monitor geeft (net als de standaard LCDmonitor) volledige toegang tot alle parameterinstellingen.
Met de MS BUS-functiemodules kunnen functies worden uitgebreid of extra functies worden toegevoegd.
− Module ES: Evaluatie van bewegingsbeveiligingssystemen
− Module-I/O: Invoer/uitvoer uitbreiding
− Module GV: Regeling tegemoetkomend verkeer
Aansluitprofiel X16/X17
5.21 / 1
ATTENTIE!
Materiële schade door ondeskundige montage!
De LCD-monitor moet in spanningsvrije toestand worden ingestoken. Er mag alleen een LCD-monitor van de MFZ
(art.-nr. 91447) worden gebruikt.
ATTENTIE!
Materiële schade door ondeskundige montage!
De MFZ LED-module (art.-nr. 103239) is niet compatibel met de CS 320. Het gebruik en de ingebruikname kan leiden tot de vernietiging van de CS 320-plaat.
5.20 / 2
A
B
A
B
C
ES-module Aansluiting op X16 of X17
I/O-module/GV-module Aansluiting op X16 of X17
LCD-monitor Alleen aansluiting op X16
INFORMATIE
De exacte beschrijving van functie en aansluiting is opgenomen in de aparte documentatie van de BUS-module.
OPMERKING:
De aansluitprofielen X16 en X17 kunnen beide slechts één keer worden toegewezen. Er kunnen echter meerdere BUS-modules worden aangesloten met behulp van speciale brugkabels.
Daarbij moet rekening worden gehouden met het stroomverbruik.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 23
Initialisatie
Het radiotransmissiesysteem is een bidirectioneel werkend radiosysteem. Het radiotransmissiesysteem wordt gebruikt voor draadloze signaaloverdracht van veiligheidsvoorzieningen op deursystemen.
De radioverbinding is tussen een interne, insteekbare component die op X20 wordt aangesloten en een externe eenheid die op het deurpaneel is gemonteerd.
Signalen van verschillende sluitkantsystemen en/of een veiligheidscircuit kunnen worden doorgegeven.
De overdracht via een spiraalkabel vervalt hiermee.
5.22 / 1
A
B
X20
A
B
Insteekbare component. Wordt in aansluitprofiel X20 van de CS 320 gestoken.
Externe eenheid. Wordt gemonteerd op het deurpaneel. Het veiligheidsprofiel en het veiligheidscircuit zijn hierop aangesloten.
INFORMATIE
De exacte beschrijving van functie en aansluiting is opgenomen in de aparte documentatie van het radiotransmissiesysteem.
6. Initialisatie
Tijdens de eerste inbedrijfstelling en na een RESET worden de volgende componenten automatisch gedetecteerd en ingeleerd:
− Eindpositiesysteem
− Sluitkantbeveiliging
− Fotocelsysteem
− Ingang 2 (veiligheidsingang)
Tijdens dit proces (ca. 60 seconden) knippert de groene LED en het display toont „PLEASE WAIT ... „ in de kopregel.
Het is niet mogelijk om het systeem gedurende deze tijd te bedienen.
Het eindpositiesysteem moet voor de eerste inbedrijfstelling worden geïnstalleerd.
Componenten kunnen achteraf worden gewijzigd of toegevoegd via het LCD-display of een nieuwe initialisatie.
Als een component nog niet is aangesloten, wordt dit in het display weergegeven met „A“.
Het systeem zoekt deze component bij elke volgende initialisatie. Als deze wordt gedetecteerd, dan wordt de bijbehorende instelmodus automatisch ingesteld.
Uitzondering:
Ingang 2 blijft inactief (MOD1), tenzij tijdens de initialisatie een weerstandswaarde wordt gedetecteerd.
Als bij de eerste inbedrijfstelling bij ingang 2 een weerstand wordt gedetecteerd, wordt deze als veiligheidselement gezien en als veiligheidsingang geactiveerd
➔
“10.2 Modus invoer”/parameter INGANG 2
OPMERKING:
De initialisatie wordt niet alleen gebruikt voor het inleren van verschillende systeemcomponenten, maar biedt ook de mogelijkheid om meteen de menutaal te wijzigen.
De vooraf ingestelde menutaal (NEDERLANDS) verschijnt gedurende 60 seconden als een knipperende tekst op het display. De gewenste taal kan met de knoppen [+] en [-] worden geselecteerd en met knop [P] worden opgeslagen.
Vervolgens worden alle teksten/berichten in de geselecteerde taal weergegeven.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 25
24 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
7. Instellen van de eindposities
Controle van de aandrijfrichting/
bewegingsrichting
Wissel naar modus Afstelling
Knop (P) indrukken tot AFSTELLING verschijnt.
Controle van de beweegrichting
Knop (+) indrukken. De deur moet opengaan.
Knop (–) indrukken. De deur moet dicht gaan.
Is dit correct, dan gaat u door met het instellen van de eindposities. Anders de beweegrichting wijzigen.
Beweegrichting wijzigen
Knoppen (+) en (–) langer dan 5 seconden tegelijk
Eventueel opgeslagen eindposities worden gewist.
Doorgaan met het instellen van de eindposities.
Instellen van het elektronische eindpositiesys
Wissel naar modus Afstelling
Druk op de knop (P) gedurende ca. 5 seconden.
Instellen van eindpositie OPEN
Deur door indrukken van de knoppen (+/-) naar de
Eindpos
Instellen van eindpositie DICHT
Deur door indrukken van de knoppen (+/-) naar de
Eindpos
Wissel naar modus Afstelling
Knop (P) indrukken tot AFSTELLING verschijnt.
Instellen van de eindposities OPEN en DICHT
INFORMATIE
De instelling van de eindposities wordt in de afzonderlijke documentatie van de mechanische eindschakelaars beschreven.
De afstelmodus sluiten door op knop (P) te drukken.
Let op
De afstelmodus wordt niet automatisch afgesloten. Om in de normale modus te komen, moet de afstelmodus worden afgesloten door op knop (P) te drukken.
De afstelmodus wordt automatisch afgesloten.
De rode LED gaat uit.
Let op
− De afstelmodus wordt automatisch afgesloten na ca. als er gedurende 7 minuten geen knop wordt ingedrukt.
worden ingeleerd, anders is er geen normaal bedrijf mogelijk.
worden afgesloten door op knop (P) te drukken.
− Na het programmeren van de eindschakelaars wordt de looptijd van het systeem automatisch geleerd. De functies van de besturingseenheid zijn zoals in automatisch bedrijf.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 25
Instellen van de eindposities
Het elektronische eindpositiesysteem instellen via de LCD-monitor
ATTENTIE!
Beschadiging, mogelijk onherstelbaar, door ondeskundige montage!
De monitor moet in spanningsvrije toestand worden ingestoken. Alleen de standaard MFZ LCD-monitor (#91447) mag worden gebruikt.
Wissel naar modus Afstelling
Knop (P) indrukken tot AFSTELLING verschijnt.
Instellen van eindpositie OPEN
Deur door indrukken van de knoppen (+/-) naar de
Eindposi
Instellen van eindpositie DICHT
Deur door indrukken van de knoppen (+/-) naar de
Eindpos
De tussenposities van het elektronische eindpositiesysteem instellen via de lcd-
In de Automatische modus de deur naar de gewenste positie sturen
Deur door indrukken van de knoppen (+/-) naar de
Wissel naar de modus Invoer
Knop (P) indrukken tot INVOER verschijnt.
Knoppen (+) en (–) langer dan 2 seconden tegelijk indrukken. De eerste parameter verschijnt in de tweede regel van het display.
Opslaan van de tussenliggende posities OPEN
(C. OPENED) of DICHT (C. CLOSED)
Druk op de knoppen (+/-) tot de parameter C. OPENED of C.
Druk op knop (P) om de huidige deurpositie als
Opslaan van de tussenpositie door opnieuw indrukken van
Modus Invoer verlaten
Knoppen (+) en (–) langer dan 1 seconde tegelijk
De afstelmodus wordt automatisch afgesloten.
Let op
− De afstelmodus wordt automatisch afgesloten na ca. als er gedurende 7 minuten geen knop wordt ingedrukt.
− Bij de eerste keer afstellen moeten beide eindposities worden ingeleerd, anders is er geen normaal bedrijf mogelijk.
− Als een eindpositie wordt gecorrigeerd, kan de modus
AFSTELLING na het inleren van de speciale eindpositie worden afgesloten door op knop (P) te drukken.
− Na het programmeren van de eindschakelaars wordt de looptijd van het systeem automatisch geleerd. Op het display verschijnt INLEREN. De functies van de besturingseenheid zijn zoals in automatisch bedrijf.
Wissel naar de modus Automatisch
Knop (P) indrukken tot AUTOMATISCH verschijnt.
Let op
Als een tussenpositie moet worden gecorrigeerd, kan de geleerde waarde in het INVOER-menu worden gewijzigd of opnieuw op A worden gezet, zodat inleren opnieuw kan worden gestart.
26 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 27
26 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
A
B
8. Programmeren
ATTENTIE!
Materiële schade door ondeskundige montage!
Het display moet in spanningsvrije toestand worden ingestoken. Alleen de standaard MFZ LCD-monitor (#91447) mag worden gebruikt.
8.1 / 1
H
RUSTSTAND
C D E
Toelichting:
A: Bedrijfsmodus/Diagnose-info
B: Parameter/Diagnose-info
C: Knop (+)
D: Knop (–)
E: Knop (P)
F: Waarde/Status
G: Waarde/Status
H: Jumper
Wanneer jumper H eruit wordt getrokken, hebben de knoppen (+), (–) en (P) geen functie.
De displayweergave blijft functioneren.
Na het inschakelen van de besturingseenheid bevindt deze zich in de initialisatiefase. Op het display staat „PLEASE
WAIT ... „. De besturingseenheid is niet bedrijfsklaar. De initialisatiefase duurt ongeveer 60 seconden na de eerste inschakeling.
F
De besturingseenheid beschikt met de LCD-monitor over vier bedrijfsmodi:
1. AUTOMATISCH
2. AFSTELLING
3. INVOER
4. DIAGNOSE
De bedrijfsmodi AFSTELLING, INVOER en DIAGNOSE worden
7 minuten na het indrukken van de laatste knop automatisch afgesloten.
De besturingseenheid wisselt naar modus AUTOMATISCH.
Modus 1: AUTOMATISCH
In de modus AUTOMATISCH wordt de deurinstallatie gebruikt.
Display:
− Weergave van de uitgevoerde functie
− Weergave van eventuele storingen
Wordt de parameter „Zelfstop“ in het invoermenu op MOD2-
6 gezet, dan wisselt de displayweergave van AUTOMATISCH naar HAND.
Modus 2: AFSTELLING
In de modus AFSTELLING worden de eindposities OPEN en
DICHT ingesteld.
ATTENTIE!
Materiële schade door ondeskundige bediening van de besturing!
In de modus AFSTELLING vindt er bij het elektronische eindpositiesysteem (AWG) geen uitschakeling plaats bij bereiken van de eindpositie. Door passeren van de eindpositie kan de deur beschadigd raken.
Een nauwkeurige instelling kan in de modus INVOER worden verricht.
Display:
− Weergave van de eindpositiewaarde
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 27
Programmeren
Modus 3: INVOER
In modus INVOER kunnen de waarden van verschillende parameters worden gewijzigd.
Display:
− Weergave van de geselecteerde parameter
− Weergave van de ingestelde waarde/status
Modus 4: DIAGNOSE
In de modus DIAGNOSE kunnen deurspecifieke controles worden uitgelezen.
Display:
− Weergave van de controle
− Weergave van de controlestatus
Let op
− De expertmodus wordt automatisch afgesloten na ca. als er gedurende 7 minuten geen knop wordt ingedrukt.
Daarna is alleen nog de beperkte selectie van parameters beschikbaar totdat de parameter EXPERTMENU weer op
ON wordt gezet.
− Hetzelfde geldt voor het uitschakelen van de spanning.
Hiermee wordt ook de parameter EXPERTMENU weer op
OFF gezet.
Onder de fabrieksinstelling (standaard) verschijnen slechts enkele parameters in modus INVOER die door de gebruiker kunnen worden ingesteld. Deze instelparameters weerspiegelen de meest gebruikte functies van een industrieel deursysteem en zijn voldoende voor de inbedrijfstelling onder standaardcondities.
Het laatste item in deze lijst is de parameter „EXPERTMENU“.
Dit staat altijd op OFF.
OFF: Beperkt aantal parameterinstellingen:
− Menutaal
− C. OPENED
− TIJD OPEN
− WAARSCHW. V
− SNELDICHT
− OMKEER OFF
− INGANG 1
− ZELFSTOP
− EXPERTMENU
Door de parameter EXPERTMENU op ON te zetten, wordt de expertmodus geactiveerd. Nu kunnen alle parameters van het invoermenu worden opgeroepen en ingesteld.
➔
“10.2 Modus invoer”
Via de RESET-functie kunnen de besturingsparameters worden teruggezet naar de voorgeselecteerde fabrieksinstelling.
➔
“10.2 Modus invoer”
Parameter FABRIEKSINSTELLING
Selectie van de parameterset waarnaar bij een RESET moet worden gereset.
Er kunnen verschillende soorten reset worden uitgevoerd, waarbij meer of minder instellingen worden gereset.
➔
“10.2 Modus invoer”
Parameter RESET
Gedeeltelijke reset 1:
Alle parameterinstellingen worden gereset, behalve de instellingen voor de frequentieomvormer (alleen voor
CS 320 FU).
Gedeeltelijke reset 2:
Alle parameterinstellingen worden gereset, behalve de instellingen voor de eindposities en het gedetecteerde eindpositiesysteem.
Volledige reset:
Alles wordt teruggezet naar de fabrieksinstellingen.
➔
“8.5 RESET van de besturingseenheid met LCD-monitor”
➔
“8.6 RESET van de besturingseenheid zonder LCDmonitor”
28 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 29
28 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
RESET van de besturingseenheid met
LCD-monitor
Wissel naar de modus INVOER
Knop (P) indrukken tot INVOER verschijnt.
De knoppen (+) en (-) langer dan 2 seconden indrukken om
Reset van de besturingseenheid
Druk op de knoppen (+/-) tot parameter RESET verschijnt.
Druk op de knop (+) totdat MOD
Druk op de knop (P) om reset te rschijnt.
De initialisatiefase wordt doorlopen en alle aangesloten veiligheidsrelevante componenten en het eindpositiesysteem worden automatisch ingeleerd.
Wissel naar modus Afstelling
➔
“7.4 Het elektronische eindpositiesysteem instellen via de
LCD-monitor”
Wissel naar de modus Automatisch
Knop (P) indrukken tot AUTOMATISCH verschijnt.
RESET van de besturingseenheid zonder
LCD-monitor
Schakel de voedingsspanning uit.
Houd de knoppen op de printplaat (P) en (-) tegelijkertijd
Schakel de voedingsspanning weer in.
Houd de knoppen op de printplaat (P) en (-) tegelijkertijd
Laat de knoppen op de printplaat (P) en (-) los.
Vervolgens wordt de initialisatiefase doorlopen
(ca. 60 seconden).
Tijdens de initialisatie is programmering en bediening van het systeem niet mogelijk.
Na een succesvolle initialisatie worden de eindposities gewist en worden alle parameters teruggezet naar de fabrieksinstellingen.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 29
9. Navigator (alleen LCD-monitor)
30 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 31
10. Functie-overzichten
10.1 Modus Automatisch
Indicatie
AUTOMATISCH
INLEREN
AUTOMATISCH
OPENEN
AUTOMATISCH
SLUITEN
AUTOMATISCH
RUSTSTAND
AUTOMATISCH
RUSTSTAND
AUTOMATISCH
RUSTSTAND
AUTOMATISCH
RUSTSTAND
AUTOMATISCH
RUSTSTAND
AUTOMATISCH
RUSTSTAND
AUTOMATISCH
STOP
U u
O o
Beschrijving
De duur wordt automatisch ingeleerd.
De deur bevindt zich in de openingsfase.
De deur bevindt zich in de sluitfase.
De deur bevindt zich in de tussenpositie.
De deur bevindt zich in eindpositie OPEN.
De deur bevindt zich in eindpositie Ged. OPEN (parameter „Tussenpositie OPEN“).
De deur bevindt zich in eindpositie DICHT.
De deur bevindt zich in eindpositie Ged. DICHT (parameter „Tussenpositie DICHT“).
AUTOMATISCH
CONTINU SIGNAAL
AUTOMATISCH
BOTSSENSOR
SERVICE
RUSTSTAND r
De deur bevindt zich in positie omkeerafschakeling.
De commandoknop STOP (klepknoppen CS) is langer dan 5 seconden ingedrukt.
Bij het inschakelen van de spanning wordt een actief signaal (NO) gedetecteerd op de OPEN-, DICHT-, impuls- of programmeerbare ingang 1 (bij gebruik van I/O-BUS-modules ook ingangen 11-14, of 15-18).
Dit is hoe dan ook een ontoelaatbare toestand. De oorzaak is waarschijnlijk een defect onderdeel dat moet worden vervangen.
Uitzondering: Het signaal komt van de insteekbare schakelklok of via de geprogrammeerde ingang 1 als deze als timerfunctie (MOD4) wordt gebruikt, of brandalarmfunctie (MOD5-9, 13) is ingesteld.
De botssensor van het deursysteem is geactiveerd (aansluiting op X4/9-10, programmeerbare ingang1,
MOD18). Wellicht is een voertuig (bijv. een vorkheftruck) tegen de gesloten deur gereden.
De vooraf geselecteerde service-interval is bereikt.
Wordt de parameter „Zelfstop“ in het invoermenu op MOD2, 3, 4, 5 of MOD6 gezet, dan wisselt de displayweergave van AUTOMA-
TISCH naar HAND.
Indicatie
HAND BEDRIJF
HANDM. OPEN
HAND BEDRIJF
HANDM. DICHT
HAND BEDRIJF
RUSTSTAND
Beschrijving
De deur bevindt zich in de openingsfase.
De deur bevindt zich in de sluitfase.
De deur bevindt zich in de tussenpositie.
32 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Functie
DEUTSCH
FIJN-OP.
FIJN-DI.
C. OPENED
C. CLOSED
TIJD OPEN
START
WAARS.
Beschrijving
Selectie van de menutaal
Alleen met LCD-monitor:
Het is ook mogelijk de menutaal in de initialisatiefase (tijdens de eerste ingebruikname of na een reset) te kiezen. De af fabriek ingestelde menutaal
(NEDERLANDS) verschijnt hier gedurende ca. 60 seconden als knipperende tekst op het display. Op dit punt kan de menutaal ook gedurende de initialisatiefase worden gewijzigd.
Druk op de knop [+] of [-] om door de taalkeuzes te bladeren. Sla de gewenste taal op met de knop [P].
Vervolgens worden alle teksten/berichten in de geselecteerde taal weergegeven.
Instelmogelijkheden
DEUTSCH
ENGLISH
FRANCAIS
NEDERLANDS
DANSK
ESPANOL
POLSKI
CESKY
ITALIANO
SUOMI
SVENSKA
TURKÇE
NORSK
MAGYARUL
-250 – 250 Fijnafstelling van de eindpositie OPEN ten opzichte van de opgeslagen eindpositie OPEN
(ES OPEN).
Alleen zichtbaar met elektronisch eindpositiesysteem.
Fijnafstelling van de eindpositie DICHT ten opzichte van de opgeslagen eindpositie
DICHT (ES DICHT).
Alleen zichtbaar met elektronisch eindpositiesysteem.
Instelling van het schakelpunt tussenpositie OPEN (Ged. OPEN) ten opzichte van de opgeslagen eindpositie OPEN. Getoond als negatieve waarde.
Alleen zichtbaar met elektronisch eindpositiesysteem.
Automatisch inleren van de positie:
➔
„7.5 De tussenposities van het elektronische eindpositiesysteem instellen via de lcd-monitor“
Instelling van het schakelpunt tussenpositie DICHT (Ged. DICHT) ten opzichte van de opgeslagen eindpositie DICHT. Getoond als positieve waarde.
Alleen zichtbaar met elektronisch eindpositiesysteem.
Automatisch inleren van de positie:
➔
„7.5 De tussenposities van het elektronische eindpositiesysteem instellen via de lcd-monitor“
Na het openen gaat de deur automatisch DICHT nadat de ingestelde waarde is verstreken.
Opmerking:
Door de DICHT-toets in te drukken tijdens tijd open, begint de sluitbeweging onmiddellijk.
Door de knop OPEN of STOP in te drukken tijdens de open tijd wordt die tijd opnieuw gestart.
Als de automatische toegang wordt onderbroken door de sluitkantbeveiliging, wordt elke nieuwe poging bij de tijd open opgeteld. Na 3 pogingen wordt het automatisch sluiten afgebroken.
Voor elke beweging volgt een startwaarschuwing.
-250 – 250
A (inleren)
-1 - ES DICHT
A (inleren)
1 - ES OPEN
OFF
1 – 3600 seconden
OFF
1 – 10 seconden
Fabrieksinstelling
DEUTSCH
0
0
A
A
OFF
OFF
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 33
Functie-overzichten
Functie Beschrijving
WAAR-
SCHW. V
Voor het automatisch sluiten of voor het sluiten door impulsbediening wordt een voorwaarschuwingstijd vooraf geactiveerd.
Opmerking: Deze tijd wordt opgeteld bij de startwaarschuwing
AUTOSLUIT
SNELDICHT
Automatisch sluiten na aflopen van de open tijd.
MOD1: AUTOSLUIT vanuit eindpositie OPEN
MOD2: AUTOSLUIT vanuit eindpositie Ged. OPEN
MOD3: AUTOSLUIT vanuit eindpositie Ged. OPEN
MOD4: AUTOSLUIT vanaf alle deurposities
Voortijdig sluiten na passeren van de fotocel.
Voorwaarden:
Aansluiting van een fotocel op rijhoogte en het instellen van een open tijd >0.
Bij tijd open = 0 sluit de deur direct na het passeren van de fotocel.
MOD2: De tijd open wordt geannuleerd nadat de fotocel is gepasseerd (de deur sluit onmiddellijk).
Als de fotocel tijdens het opengaan wordt gepasseerd, wordt de geprogrammeerde tijd open genegeerd en sluit de deur direct.
MOD3: De tijd open wordt geannuleerd nadat de fotocel gedurende minimaal
2 seconden is onderbroken (detectie van personen).
Als de fotocel tijdens het opengaan wordt gepasseerd, wordt de geprogrammeerde tijd open genegeerd en sluit de deur direct.
MOD4: Hetzelfde als MOD2, maar de fotocel heeft geen functie tijdens het opengaan.
RELAIS 1
RELAIS 2
RELAIS 3
RELAIS 4
Aan alle 4 de relais kan een relaismodus van 1 – 13, 17 – 19, 21 – 46 en 60 – 62 worden toegewezen.
Relais 4 kan ook worden geprogrammeerd met MOD14 - 16.
Nadere uitleg:
➔
„10.3 Toelichting bij de relaismodi:“ op pagina 41
MOD1: (Rode lamp binnen 1) Voorwaarschuwing - knipperend, deur beweegt - brandt
MOD2: (Rode lamp binnen 2) Voorwaarschuwing - knipperend, deur beweegt - knipperend
MOD3: (Rode lamp binnen 3) Voorwaarschuwing - brandt, deur beweegt - brandt
MOD4: Impulssignaal voor OPEN-commando van binnenuit
MOD5: Storingsmelding
MOD6: Eindpositie OPEN
MOD7: Eindpositie DICHT
MOD8: Eindpositie OPEN genegeerd
MOD9: Eindpositie DICHT genegeerd
MOD10: Tussenpositie OPEN
MOD11: Tussenpositie DICHT
MOD12: Tussenpositie DICHT tot eindpositie DICHT
MOD13: Magneetslotfunctie
MOD14: Rem (ruststroomprincipe)
MOD15: Rem (arbeidsstroomprincipe)
MOD16: Rem (ruststroomprincipe) geschakeld naar eindpositie OPEN
MOD17: SKS-geactiveerd of testfout
MOD18: (Lamp rood 4) Voorwaarschuwing - knipperend, deur beweegt - Off
MOD19: Tussenpositie OPEN tot eindpositie OPEN
MOD21: Test van de intrekbeveiliging voor het opengaan (extra module vereist)
MOD22: Activering van het transmissiesysteem radio 1 en 3, of testen lichtgordijn
MOD23: (Lamp groen) Eindpositie OPEN - brandt, voorwaarschuwing - OFF, deur beweegt - OFF*
MOD24: Condensatorcircuit voor sectionaaldeuraandrijvingen 230V/1~
MOD25: Omgevingslampfunctie, 2 minuten aan na OPEN-/impuls-commando
MOD26: Activering van het transmissiesysteem radio 2
MOD27: Impulssignaal na het bereiken van eindpositie OPEN
Instelmogelijkheden
OFF
1 – 300 seconden
MOD1 – MOD4
OFF
MOD2 – MOD4
MOD1 – MOD13
MOD17 – MOD19
MOD21 – MOD46
MOD60 – MOD62
MOD1 – MOD13
MOD17 – MOD19
MOD21 – MOD46
MOD60 – MOD62
MOD1 – MOD13
MOD17 – MOD19
MOD21 – MOD46
MOD60 – MOD62
MOD1 – MOD19
MOD21 – MOD46
MOD60 – MOD62
Fabrieksinstelling
OFF
MOD1
OFF
MOD6
MOD7
MOD1
MOD43
34 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Functie
LAMP RUST
SKS
DW TEST
DW-POINT
SKS FKT.
Beschrijving
MOD28: Relais in het algemeen OFF
MOD29: Deur opent
MOD30: Deur sluit
MOD31: Service, continu signaal na het bereiken van de ingestelde onderhoudsinterval
MOD32: Accumodus
MOD33: Geen accumodus
MOD34: BMA-signaal (brandalarmsysteem actief)
MOD35: Fotocel actief
MOD36: Sluitcilinder loopdeur
MOD37: Testen stopsignaal van het transmissiesysteem radio 1 en 3
MOD38: Testen lichtgordijn 2 (ingang 2)
MOD39: Error LED
MOD40: Impulssignaal voor OPEN-commando van buitenaf
MOD41: Test transmissiesysteem radio 4 in OPEN-richting
MOD43: Aandrijving in beweging
MOD44: (Rode lamp binnen + buiten)
. . . . . . . . . Deurbeweging DICHT vanuit tussenpositie DICHT - knipperend
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Deurbeweging OPEN - Off
MOD45: Sluitkanten actief
MOD46: Besturingseenheid in modus AFSTELLING
MOD60: (Rode lamp buiten 1) Voorwaarschuwing - knipperend, deur beweegt - brandt
MOD61: (Rode lamp buiten 2) Voorwaarschuwing - knipperend, deur beweegt - knipperend
MOD62: (Groene lamp buiten) Eindpositie OPEN - brandt, voorwaarschuwing/deur beweegt - Off
Instelmogelijkheden
Lampen schakelen
MOD1: in stand-by off
MOD2: in stand-by on
MOD3: in stand-by na 5 minuten off
MOD1 – MOD3
A (inleren)
MOD1 – MOD6
MOD1: OSE (Optosensor)
MOD2: 8,2 kΩ (elektrische contactstrip)
MOD3: DW (drukcontactstrip) als NC met testen
MOD4: Lichtgordijn OSE zonder testen
MOD5: Lichtgordijn SSR of PNP met testen
MOD6: Lichtgordijn SSR of PNP zonder testen
OPMERKING:
MOD4, MOD5 en MOD6 moeten met de hand worden ingesteld bij gebruik van een lichtgordijn.
– Zonder optellen van de open tijd (indien geprogrammeerd) na onderbreking van het lichtgordijn tijdens het automatisch sluiten.
– Zonder uitschakeling van de functie „Automatisch sluiten“ na 3 opeenvolgende onderbrekingen.
Activering en deactivering van de testfunctie voor de aangesloten DW-strip.
Verschijnt alleen als parameter SKS = MOD3 is ingesteld.
MOD1: Test OFF
MOD2: Test ON
Punt waarop de aangesloten DW-strip (X4 / 5+6) wordt getest.
Verschijnt alleen als parameter SKS = MOD3 is ingesteld.
Instelling in stappen (alleen AWG), uitgaande van het onderste eindschakelpunt.
Bij installaties met mechanische eindschakelaars dient de extra eindschakelaar DICHT als DW-POINT.
MOD1: Stop + omkeren
MOD2 Stop + vrije doorgang gedurende 2 seconden
MOD1 – MOD2
0 – 1000
MOD1 – MOD2
Fabrieksinstelling
MOD1
A
MOD2
20
MOD1
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 35
Functie-overzichten
Functie Beschrijving
SKS
OMKEER
MOD1: Stop + omkeren
Stop tussen eindpositie OPEN en omkeerpunt tussen omkeerpunt en eindpositie DICHT
➜ voor verticaal sluitende deuren
MOD2 Stop + omkeren
Geen actie tussen eindpositie OPEN en omkeerpunt tussen omkeerpunt en eindpositie DICHT
➜ voor verticaal sluitende deuren met voorijlende fotocel
MOD3: Stop + omkeren
➜ tussen eindpositie OPEN en eindpositie DICHT voor horizontaal sluitende deuren en systemen met mechanische eindschakelaars zonder vooreindschakeling
OPMERKING:
Bij installaties met mechanische eindschakelaars dient de extra eindschakelaar DICHT als omkeerpunt.
OMKEER OFF
FOTOCELBEW.
1
FC FKT. 1
FC FKT. 2
Omkeerpunt. Punt waarop de omkering van de deur wordt uitgeschakeld.
Verschijnt alleen voor systemen met een elektronisch eindpositiesysteem (AWG).
Instelling in stappen uitgaande van het onderste eindschakelpunt. Bij installaties met mechanische eindschakelaars dient de extra eindschakelaar DICHT als omkeerpunt.
Fotocel 1, met of zonder testen, gemonteerd in de doorgang van de deur.
Aansluiting op X4 / 1-4. Het betreffende aangesloten systeem wordt automatisch herkend en ingeleerd.
➔
Aansluitschema‘s“5.10 Aansluiting sluitkantbeveiliging 1“ op pagina 14
MOD1: 2-draads systeem (MFZ)
MOD2: 3-draads systeem NPN met testen zonder testen
4-draads systeem NC-contact
MOD3: 3-draads systeem PNP
MOD4: 3-draads systeem NPN
4-draads systeem NC-contact
MOD5: 3-draads systeem PNP zonder testen zonder testen met testen met testen met testen
OPMERKING:
Als een 3-draads systeem met testen moet worden gebruikt, moet de betreffende
MOD (4 of 5) met de hand worden ingesteld.
Fotocel 1 actief in de doorgang van de deur.
Deurbeweging DICHT
MOD1: Stop + Omkeren
MOD2: Stop + vrije doorgang
MOD3: STOP
MOD4: STOP
MOD5: Stop + omkeren
Deurbeweging OPEN
Geen actie
Geen actie geen actie
STOP
meerij-onderdrukking
MOD6: Geen actie
MOD7: Geen actie
MOD8: Geen actie
(Deurbeweging OPEN alleen mogelijk als de fotocel vrij is).
Stop + omkeren
Stop + vrije doorgang
Stop
MOD9: Meerij-onderdrukking als de fotocel vrij is).
Stop + omkeren
(Deurbeweging DICHT pas mogelijk,
Fotocel 2 actief in de doorgang van de deur.
Verschijnt alleen bij instellen van parameter INGANG 1 = MOD15.
Aansluiting alleen als NC-contact via programmeerbare ingang 1 (X4 / 9+10).
Selectiemodi analoog aan de instellingen onder FC FKT. 1
Instelmogelijkheden
MOD1 – MOD3
A (inleren)
1 – 1000
A (inleren)
MOD1 – MOD5
MOD1 – MOD9
MOD1 – MOD9
Fabrieksinstelling
MOD1
50
A
MOD1
MOD1
36 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Functie
FC PUNT
IMPULS
INGANG 1
Beschrijving
Tussen de eindpositie DICHT en het FC-punt wordt fotocel 1 (X4 / 1-4) niet uitgelezen.
Instelling in stappen uitgaande van het onderste eindschakelpunt. Verschijnt alleen voor systemen met een elektronisch eindschakelaars.
Opmerking: Tijdens de eerste sluiting tijdens de afstelling wordt dit punt automatisch gedetecteerd, op voorwaarde dat fotocel 1 op de deurstijl is gemonteerd en tijdens de sluiting vanaf dit punt tot eindpositie DICHT onderbroken blijft.
Selectie van een functie die aan de impulsknop (X3 / 7+8) moet worden toegewezen.
MOD1: OPEN - STOP - DICHT - STOP - OPEN ... (sequentiële aansturing)
MOD2: OPEN als de deur stilstaat / Geen actie tijdens de OPEN-beweging
Stop en opengaan bij DICHT-beweging
MOD3: OPEN wanneer de deur stilstaat / STOP wanneer de deur in beweging is
MOD4: OPEN als de deur stilstaat / Geen actie bij deurbeweging
MOD5: OPEN wanneer de deur stilstaat / DICHT vanuit eindpositie OPEN
Selectie van een functie die moet worden toegewezen aan ingang 1 (X4 / 9+10).
MOD1: Knop Ged. OPEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD2: Schakelaar Ged. OPEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD3: Schakelaar AUTOSLUIT . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD4: Externe KLOK (continu OPEN) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD5: Schakelaar BMA 3 (gedeeltelijk open) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD6: Schakelaar BMA 1 (noodsluiting) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD7: Schakelaar BMA 1 (noodsluiting) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NC
MOD8: Schakelaar BMA 2 (noodopening) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD9: Schakelaar BMA 2 (noodopening) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NC
MOD10: Knop ventilatiefunctie (gedeeltelijke open) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD11: Knop Automatisch sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD12: Laserscanner (hoogtedetectie) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD13: Schakelaar BMA 3 (gedeeltelijk open) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NC
MOD14: Loopdeurvergrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD15: Fotocel 2 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NC
MOD16: Schakelaar voorwaarschuwing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD17: Impulsknop
MOD18: Botssensor
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NC
MOD19: Bedieningscommando‘s via LCD-monitor blokkeren . . . . . . . . . . . . .
NC
MOD22: Bewaking externe lastschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD30: OPEN-toets binnen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD31: OPEN-toets buiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD32: DICHT-toets . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
(alleen actief bij actieve sluitkantbeveiliging en actieve fotocel 1. Geen functie in dodemansmodus.)
Instelmogelijkheden
A (inleren)
1 - ES OPEN
MOD1 – MOD5
MOD1 – MOD19
MOD22
MOD30 – MOD32
Fabrieksinstelling
A
MOD1
MOD1
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 37
Functie-overzichten
Functie Beschrijving
INGANG 2 Selectie van een functie die moet worden toegewezen aan ingang 2 (X4 / 11+12).
OFF: NIET actief
MOD2: Loopdeurschakelaar - stop bij afwijking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
8,2 kΩ
MOD3: Schakelstrip - actief in OPEN-richting. . . . . . . . . . . . . . . . . .
8,2 kΩ
Stop en omkeren bij activeren
MOD4: Schakelstrip - actief in OPEN-richting. . . . . . . . . . . . . . . . . .
8,2 kΩ
Stop en vrije doorgang bij activeren
MOD5: Accumodus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD6: Radarbewegingsmelder (hoogtedetectie) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NO
MOD7: Lichtgordijn 2 (SSR/PNP) met testen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
NC
MOD8: Veiligheidscircuit met weerstandsmeting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
xx Ω
MOD9: Veiligheidselement - stop bij afwijking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
OSE
MOD10: Schakelstrip - actief in OPEN-richting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
OSE
Stop en omkeren bij activeren
MOD11: Schakelstrip - actief in OPEN-richting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
OSE
Stop en vrije doorgang (2 sec.) bij activeren
MOD12: Lichtgordijn 2 zonder testen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
OSE
Tijdens de eerste inbedrijfstelling en na een reset wordt ingang 2 één keer op
A - zelflerend gezet. Als er een weerstandswaarde wordt gedetecteerd, wordt automatisch MOD2 (veiligheidsingang 5.14) ingesteld en wordt de meetwaarde opgeslagen en bewaakt als referentie voor de aangesloten veiligheidsrelevante componenten.
Een enkele schakelstrip van 8,2 kOhm (MOD 3/4) moet met de hand worden geactiveerd.
Als bij de eerste inbedrijfstelling of na een reset geen aangesloten component wordt gedetecteerd dan wordt de ingang automatisch uitgeschakeld. OFF verschijnt op het display en de ingang moet met de hand worden geactiveerd.
INGANG 3 Selectie van een functie die moet worden toegewezen aan ingang 3 (X10/1-3).
OFF: Niet actief
MOD4: Weekschakelklok
MOD21: Remtest met rembewakingsmodule BWM1
MOD22: (analoog aan ingang1/MOD22)
OPMERKING:
Als MOD14 - 16 op relais 4 is ingesteld, wordt MOD 21 (rembewaking) automatisch op ingang 3 ingesteld. Deze instelling kan niet worden gewijzigd zolang de remmodus actief is.
SKS3
SKS4
Instelling voor kanaal 1 van het insteekbare signaaloverdrachtsysteem (X20).
OFF: Niet actief
MOD2: Geactiveerd als sluitkantbeveiliging in DICHT-richting.
MOD3: Geactiveerd als sluitkantbeveiliging in OPEN-richting.
MOD4: Geactiveerd als veiligheidsvoorziening (intern veiligheidscircuit)
Als het insteekbare onderdeel van het signaaloverdrachtsysteem op X20 is aangesloten, herkent de besturing dit (alleen bij de eerste inbedrijfstelling of na een reset) en wordt de parameter automatisch op MOD4 ingesteld.
Instelling voor kanaal 2 van het insteekbare signaaloverdrachtsysteem (X20).
Selectiemodi analoog aan de instellingen onder SKS 3.
DUUR Bewaking van de maximale duur van een OPEN- of DICHT-beweging.
Tijdens de inleercyclus wordt de duur van de deur automatisch ingeleerd.
Als het verschil 20% is (in beide richtingen), verschijnt er een duur-error.
Na het automatisch inleren kan de duur met de hand worden gewijzigd.
Instelmogelijkheden
A (inleren)
OFF
MOD2 – MOD12
OFF
MOD4 / MOD21/
MOD22
A - (inleren)
OFF
MOD2 – MOD4
A - (inleren)
OFF
MOD2 – MOD4
A (inleren)
OFF
1 – 300 seconden
Fabrieksinstelling
A
MOD4
A
A
A
38 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Functie
OMKEER TIJD
EINDPOS.
ZELFSTOP
KRACHT
RESET
MSBUS
RESTART
Beschrijving
Stilstandtijd van de motor voor elke directe richtingsverandering.
De omkeertijd wanneer de schakelstrip tijdens de sluitbeweging wordt geactiveerd, is een kwart van de ingestelde tijd.
Selectie van het uit te lezen eindpositiesysteem.
MOD1: Absolute encoder (AWG)
MOD2: Mechanische eindschakelaars (MEC).
MOD4: alleen voor FU-bedrijf
MOD5: Absolute encoder (AWG) + mechanische eindschakelaars DICHT (NC) bij standaarduitvoering
MOD6: Absolute encoder (AWG) + mechanische eindschakelaars DICHT (NC) bij speciale uitvoering met links draaiveld
MOD 5+6 (optioneel):
Hier wordt een extra externe mechanische eindschakelaar ingesteld om het onderste eindpunt uit te lezen, ter compensatie van toleranties die worden veroorzaakt door de deurmechaniek en/of bekleding van de deur. Zodra de mechanische eindschakelaar wordt geactiveerd, wordt de onderste eindpositie geacht te zijn bereikt, ongeacht de informatie van de absolute encoder.
Keuze tussen impulsbediening en hand modus (dodemansfunctie) met of zonder analyse van sluitkantbeveiliging (SKS) en fotocelsytemen (FC).
MOD1: Impulsmodus voor OPEN + DICHT met SKS en FC
Als de veiligheidsvoorzieningen defect zijn, schakel dan over op hand modus.
MOD2: Hand modus voor OPEN + DICHT met SKS en FC
MOD3: Hand-modus voor DICHT, impulsbediening voor OPEN, met SKS en FC
MOD4: Hand-modus voor OPEN, impulsbediening voor DICHT, met SKS en FC
MOD5: Hand-modus voor OPEN + DICHT zonder SKS en FC
MOD6: Hand-modus voor DICHT, impulsbediening voor OPEN, zonder SKS en FC
MOD7: Hand modus voor OPEN + DICHT met SKS en FC
Stop bij het bereiken van de tussenpositie DICHT.
Door nogmaals op de knop te drukken, gaat het verder naar eindpositie
DICHT.
MOD8: Impulsmodus voor OPEN + DICHT met SKS en FC
Als de veiligheidsvoorzieningen defect zijn, schakel dan over op hand modus alleen met de printplaatknop
MOD9: Hand modus voor OPEN + DICHT met SKS en FC
In geval van defecte veiligheidsvoorzieningen, bediening alleen met de printplaatknop.
Automatische krachtbewaking
(bewaking van het toerental)
Foutmelding bij zware loop of blokkering van de deur.
Instelling van de gevoeligheid voor richting OPEN.
Een waarde voor de kracht (toerental) wordt tijdens het opengaan weergegeven.
Bij geactiveerde krachtbewaking moet er een kleinere waarde worden ingesteld dan de kleinste tijdens de deurbeweging weergegeven waarde. Hoe groter het verschil met de kleinste weergegeven waarde, des te ongevoeliger reageert de krachtbewaking.
De krachtbewaking is alleen geactiveerd als er een getalswaarde is ingesteld.
Alle toegewezen MSBUS-adressen worden gereset.
Na het herstarten van de besturingseenheid krijgen alle aangesloten MSBUSapparaten een nieuw adres.
➔ Voor gedetailleerde informatie verwijzen wij u naar de handleiding van het
MSBUS-apparaat.
Wanneer deze functie wordt geactiveerd dan wordt de besturingseenheid opnieuw gestart.
Instelmogelijkheden
100 –
5000 milliseconden
A (inleren)
MOD1 – MOD2
MOD4 – MOD6
MOD1 – MOD9
OFF
1 – 999
ON
OFF
ON
OFF
Fabrieksinstelling
300
A
MOD1
10
OFF
OFF
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 39
Functie-overzichten
Functie Beschrijving
FABRIEKSINST.
Selectie van de parameterset waarnaar bij een RESET moet worden gereset.
MOD5:
MOD6:
MFZ S
MFZ FU
➜
➜
Aandrijvingen in dodemansmodus
Aandrijfserie MDF-U (geïntegreerde UPS)
MOD7:
MOD8:
MFZ S ➜ Aandrijfserie STAW met langere inschakelduur
MFZ FU ➜ Aandrijfserie MTZ 05 (230 V)
MOD9: MFZ FU ➜ Aandrijfserie STA
MOD14: MFZ FU ➜ Aandrijfserie MTZ 05 (400 V)
MOD98: MFZ S ➜ Standaard met rembewaking (relais4 / MOD14)
MOD99: MFZ S ➜ Standaard
MOD10 - MOD13 / MOD 15 - MOD97: Klantspecifieke paramatersets
RESET
PIN-NO. 2
SERVICE
Reset van de regelparameters naar de voorgeselecteerde fabrieksinstelling.
MOD1: Gedeeltelijke Reset 1 (Alles behalve FU-instellingen)
MOD2:
MOD3:
Gedeeltelijke reset 2 (alles behalve eindposities/gedetecteerd eindpositiesysteem)
Volledige reset (alles terug naar fabrieksinstellingen)
Invoer en selectie van een PIN-code om een onderhoudsinterval te programmeren.
Na het invoeren van de PIN-code opent een tweede programmeerfunctie.
Daarna kan een onderhoudsinterval worden ingevoerd via de parameter SERVICE.
Invoerfunctie 2 verdwijnt weer nadat de stroom is uitgeschakeld of automatisch na 10 minuten. De PIN-code kan alleen in de tweede programmeerfunctie worden gewijzigd.
OFF: Onderhoudsindicatie niet actief
Instelling van een onderhoudsinterval. Na afloop van ingestelde lastcycli wordt een onderhoudsmelding (LED / LCD) getoond. Als een relaisuitgang is geprogrammeerd met MOD31, dan schakelt het betreffende relais (continu signaal).
Verschijnt pas na het activeren van invoerfunctie 2 via parameter PIN-NO. 2.
INVERTER.
Activeert of deactiveert een aangesloten frequentieomvormer. Wanneer een frequentieomvormer op de X18-interface wordt aangesloten, wordt de besturingseenheid een CS 320 FU.
➔ Voor gedetailleerde informatie verwijzen wij u naar de handleiding van de
CS 320 FU.
MOD1: Werking zonder FU
MOD2: Werking met FU
MOD3: Werking met FU (effectieve hellingtijd)
EXPERTMENU Activering en deactivering van de expertinstelling.
In fabrieksinstelling OFF verschijnt slechts een beperkte selectie van parameters onder INVOER. Als deze parameter op ON staat, kunnen alle parameters van de invoermenu‘s worden geopend en ingesteld.
OFF: Beperkt aantal parameterinstellingen:
– Menutaal
– C. OPENED
– TIJD OPEN
– WAARSCHW. V
– SNELDICHT
– OMKEER OFF
– INGANG 1
– ZELFSTOP
– EXPERTMENU
ON: Toegang tot alle parameters zoals vermeld in hoofdstuk 10.2.
Instelmogelijkheden
MOD5 – MOD99
OFF
MOD1 – MOD3
0 – 9999
OFF
0 – 99950
MOD1 – MOD3
ON – OFF
Fabrieksinstelling
MOD99
OFF
1111
OFF
MOD1
OFF
40 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
A. Lampfuncties
MOD
MOD1
MOD2
MOD3
MOD18
MOD23
MOD44
MOD60
MOD61
MOD62
Aanduiding
Rode lamp binnen 1
Rode lamp binnen 2
Rode lamp binnen 3
Rode lamp binnen 4
Groen lamp binnen
Rode lamp binnen + buiten
Rode lamp buiten 1
Rode lamp buiten 2
Groene lamp 4
OFF
OFF
ON/OFF 1
ON/OFF 1
OFF
Eindpositie DICHT
ON/OFF 1
ON/OFF 1
ON/OFF 1
OFF
Brandt 2
OFF
OFF 2
OFF 2
Brandt 2
Eindpositie OPEN
OFF 2
OFF 2
OFF 2
OFF
Voorwaarschuwing
Knipperend
Knipperend
Brandt
Knipperend
OFF
OFF
Knipperend
Knipperend
OFF
1
afhankelijk van parameter LAMP RUST
2
Met actieve tegemoetkomend verkeersregeling: Afhankelijk van het OPEN-commando binnen of buiten
3 van de tussenpositie DICHT tot eindpositie DICHT, ook na een stopcommando
Deurbeweging
Brandt
Knipperend
Brandt
OFF
OFF
Knipperend 3
Brandt
Knipperend
OFF
B. Positiemeldingen
MOD
MOD6
MOD7
MOD8
MOD9
MOD10
MOD11
MOD12
MOD19
Aanduiding
Eindpositie OPEN
Eindpositie DICHT
Niet eindpositie OPEN
Niet eindpositie DICHT
Tussenpositie OPEN (Ged. OPEN)
Tussenpositie DICHT (Ged. DICHT)
Van de tussenpositie DICHT tot eindpositie DICHT
Tussenpositie OPEN tot eindpositie
OPEN
Opmerkingen
Het relais sluit het contact als de deur op eindpositie OPEN staat.
Het relais sluit het contact als de deur op eindpositie DICHT staat.
Het relais sluit het contact als de deur niet op eindpositie OPEN staat.
Het relais sluit het contact als de deur niet op eindpositie DICHT staat.
Het relais sluit het contact als de deur op tussenpositie OPEN (Ged. OPEN) staat.
Het relais sluit het contact als de deur op tussenpositie DICHT (Ged. DICHT) staat.
Het relais sluit het contact als de deur tussen eindpositie DICHT en tussenpositie DICHT (Ged. DICHT) staat.
Het relais sluit het contact als de deur tussen eindpositie OPEN en tussenpositie OPEN (Ged. OPEN) staat.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 41
Functie-overzichten
C. Impulssignalen
MOD
MOD4
MOD27
MOD 40
Aanduiding
Impuls voor OPEN-commando van binnenuit
Impuls na het bereiken van eindpositie
OPEN
Impuls voor OPEN-commando van buitenaf
Opmerkingen
Het relais sluit het contact gedurende 1 seconde als de deur een OPEN-commando van binnenuit krijgt. Deze impuls kan bijvoorbeeld worden gebruikt om de verlichting te regelen.
Het relais sluit het contact gedurende 2 seconde als de deur de eindpositie OPEN bereikt. Deze impuls kan bijvoorbeeld worden gebruikt om een volgende slagboom te openen.
Het relais sluit het contact gedurende 1 seconde als de deur een OPEN-commando van buitenaf krijgt. Deze impuls kan bijvoorbeeld worden gebruikt om de verlichting te regelen.
D. Remfuncties (alleen instelbaar bij relais 4)
MOD
MOD14
Aanduiding
Rem (ruststroomprincipe)
MOD15
MOD16
Rem (arbeidsstroomprincipe)
Rem (ruststroomprincipe) op eindpositie OPEN geschakeld
Opmerkingen
Het schakelcontact van de remgelijkrichter wordt via het relais aangestuurd voor een snellere remwerking. Zodra de deur beweegt, wordt het contact gesloten en de rem gelost (ruststroomprincipe).
Het schakelcontact van de remgelijkrichter wordt via het relais aangestuurd voor een snellere remwerking. Zodra de deur beweegt, wordt het contact geopend en de rem gelost
(arbeidsstroomprincipe).
Het schakelcontact van de remgelijkrichter wordt via het relais aangestuurd voor een snellere remwerking. Zodra de deur beweegt, wordt het contact gesloten en de rem gelost (ruststroomprincipe).
Om een soepeler stopgedrag van de deur op de bovenste eindpositie te bereiken, wordt het schakelcontact niet op EINDPOSITIE OPEN geschakeld.
E. Storingsmeldingen
MOD
MOD5
MOD17
MOD35
MOD39
MOD45
Aanduiding
Storingsmelding
Sluitkantbeveiliging SKS 1-4 geactiveerd
Fotocel
Error LED
Sluitkantbeveiligingen SKS 1-4 in orde
Opmerkingen
Het relais opent het contact bij een STOP-commando of een storing.
Alle fouten in hoofdstuk 10 zorgen ervoor dat het relais activeert.
Bewaking van SKS1 (X4/5-8), SKS2 (X4/11-12) en SKS3/SKS4 (transmissiesysteem).
Het relais opent het contact wanneer een van de sluitkantbeveiligingen SKS 1-4 wordt geactiveerd.
Een storing in een van de sluitkantbeveiligingen of een mislukte test wordt via MOD5 aangegeven.
Schakelt het aanliggende signaal door als een melding, analoog aan fotocelingang X4 (3/4).
Relais ON: Signaal van de fotocel is OK
Relais OFF: Lichtstraal onderbroken of fotocel defect
Het relais sluit altijd het contact als de interne storings-LED 2 (rood) brandt.
Bewaking van SKS1 (X4/5-8), SKS2 (X4/11-12) en SKS3/SKS4 (transmissiesysteem)
Relais ON: Alle sluitkantbeveiligingen zijn in orde
Relais OFF: Tenminste één sluitkantbeveiliging is geactiveerd of defect
42 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
F. Bewegingssignaal
MOD
MOD29
MOD30
MOD43
Aanduiding
Deur opent.
Deur sluit.
Deur opent of sluit.
Opmerkingen
Actief bij beweging in OPEN-richting.
Actief bij beweging in DICHT-richting.
Actief bij elke beweging.
De rembewakingsmodule BWM 1 is bij deze instelling niet actief!
G. Functies voor externe accessoires
MOD
MOD13
Aanduiding
Magneetslotfunctie
MOD21
MOD22
MOD24
Test van de intrekbeveiliging
Activering van het transmissiesysteem radio 1 en radio 4, testen van lichtgordijn 1
Condensatorschakeling
Opmerkingen
Het relais sluit voor elke deurbeweging. In de ruststand is het relais open.
Voor elke deurbeweging wordt een vertragingstijd van 0,5 seconden ingesteld.
Het relais genereert een testsignaal wanneer de eindpositie DICHT is bereikt en verwacht als reactie het activeren van het stopcircuit.
Het relais genereert een testsignaal wanneer de eindpositie OPEN is bereikt en verwacht als reactie het activeren van de schakelstripingang.
MOD25
MOD26
MOD28
MOD36
MOD37
MOD38
MOD 41
Omgevingslichtfunctie
Activering van het transmissiesysteem radio 2 en radio 4
Relais UIT
Pneumatische cilinder voor het vergrendelen van de loopdeur
(drempelloos deursysteem)
Testen van het stopsignaal via transmissiesysteem radio 1 en radio 3
Testen van lichtgordijn 2 (8,2 kΩ)
Aansluiting via ingang 2 (X4 /
11+12)
Activering transmissiesysteem radio 4 in OPEN-richting
Bij elk bewegingscommando wordt het relais gedurende ca. 1 seconde gesloten. Dit relais wordt gebruikt om een extra startcondensator toe te voegen die nodig is bij AC-toepassingen om een stabiele start van de motor te waarborgen.
Voor aandrijfserie STAW met langere inschakelduur.
Bij elk OPEN-commando wordt het relais gedurende 2 minuten gesloten en kan dus gebruikt worden om een verlichtingssysteem aan te sturen.
Het radiotransmissiesysteem wordt vóór elk afstandsbedieningscommando door een impuls geactiveerd.
De duur van de activering moet op het transmissiesysteem worden ingesteld.
Deze activering resulteert in een ca. 0,5 seconde vertraagde sluiting.
Het relais is doorgaans uitgeschakeld, het contact is altijd open.
Bij elk OPEN-commando wordt het relais geactiveerd en stuurt een pneumatische cilinder aan die de loopdeur in de deur mechanisch vergrendelt. De vergrendelpositie van de cilinder wordt via een eindschakelaar uitgelezen. De deur begint pas te bewegen als deze eindschakelaar is vrijgegeven. Het relais blijft actief tot het onderste eindpunt weer wordt bereikt.
Het relais genereert een testsignaal wanneer de eindpositie OPEN is bereikt en verwacht als reactie het onderbreken van het stopcircuit.
Het relais genereert een testsignaal wanneer de eindpositie OPEN is bereikt en verwacht als reactie het onderbreken van ingang 2.
Het relais genereert een testsignaal wanneer de eindpositie DICHT is bereikt en verwacht als reactie het onderbreken van ingang 2.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 43
Functie-overzichten
H. Ingangsafhankelijke meldingen
MOD
MOD32
MOD33
Aanduiding
Accumodus geen accumodus
MOD34 BMA-signaal
Opmerkingen
Actief in accumodus. Ingang 2 is overbrugd (instelling MOD5).
Actief in netmodus. Ingang 2 is open (instelling MOD5).
Bij programmering met MOD32/33 werken de relais als vertraagde wisselcontacten en volgen het signaal op ingang 2 als MOD5 is ingesteld.
In dit geval wordt ingang 2 gevoed met een stuursignaal uit het UPS-systeem, dat voorziet in het schakelen tussen netvoeding en UPS-voeding.
Schakelt bij actief brandalarmsysteem.
Volgt het signaal op ingang 1 wanneer MOD5-9 / 13 is ingesteld.
In dit geval wordt ingang 1 gevoed met een besturingssignaal van het brandalarmsysteem en opent of sluit de deur, afhankelijk van de instelling, naar een eind- of tussenpositie.
I. Systeemmeldingen
MOD
MOD31
Aanduiding
Service
MOD46 AFSTELLING-modus
Opmerkingen
Het relais is actief na het bereiken van de geprogrammeerde service-interval. Pas nadat de service-interval is gereset of opnieuw ingesteld, sluit het relais weer.
➔
„10.2 Modus invoer“ op pagina 33
Het relais is actief wanneer de regelaar in modus AFSTELLING staat.
A. Functies Ingang 1
MOD
MOD1
MOD2
Aanduiding
Knop Ged. OPEN
Schakelaar GED. OPEN
MOD3 Schakelaar AUTOSLUIT
MOD4 Externe KLOK (continu OPEN)
Opmerkingen
Door het indrukken van de knop (ingang 1) opent de deur naar tussenpositie OPEN (GED. OPEN).
Gesloten: Alle OPEN-commando‘s sturen naar de tussenpositie OPEN (GED. OPEN).
Open: Alle OPEN-commando‘s leiden naar de eindpositie OPEN.
Gesloten: Geen automatisch sluiten
(De open tijd blijft bij open tijd >0).
Open: Automatisch sluiten is actief (bij tijd open >0).
De deur opent zodra het contact sluit en blijft in de positie OPEN (rekening houden met tijd open), tot het contact opent. Daarna volgt het automatisch sluiten (alleen bij tijd open >0). Deze functie kan door het drukken op de DICHT-toets worden afgebroken. De deur gaat DICHT.
44 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
MOD
MOD5
MOD6
MOD7
MOD8
MOD9
MOD10
MOD11
MOD12
Aanduiding
Schakelaar BMA 3 (gedeeltelijk open) NO
Schakelaar BMA 1 (noodsluiting) NO
Schakelaar BMA 1 (noodsluiting) NC
Schakelaar BMA 2 (noodopening)
NO
Schakelaar BMA 2 (noodopening)
NC
Knop ventilatiefunctie NO
Knop „Automatisch sluiten“
Laserscanner (hoogtedetectie)
Opmerkingen
Aansturing bij actief brandalarmsysteem.
Open:
Gesloten:
Normale werking.
Gedeeltelijke opening van de deur. De tussenpositie OPEN (Ged. OPEN) wordt vanuit beide richtingen aangestuurd, onafhankelijk van de actuele deurpositie.
KNOPPEN:
FC / SKS:
STOP:
Geen functie.
Deur stopt en schakelt vrij (alleen in DICHT-richting), na 5 seconden opnieuw sluiten.
Onderbreking van de noodsluiting voor de duur van het indrukken.
Aansturing bij actief brandalarmsysteem.
Open: Normale werking.
Gesloten: Noodsluiting van de deur.
KNOPPEN:
FC / SKS:
STOP:
Geen functie.
Deur stopt en schakelt vrij, na 5 seconden opnieuw sluiten.
Onderbreking van de noodsluiting voor de duur van het indrukken.
Aansturing bij actief brandalarmsysteem.
Gesloten: Normale werking.
Open: Noodsluiting van de deur.
KNOPPEN:
FC / SKS:
STOP:
Geen functie.
Deur stopt en schakelt vrij, na 5 seconden opnieuw sluiten.
Onderbreking van de noodsluiting voor de duur van het indrukken.
Aansturing bij actief brandalarmsysteem.
Open:
Gesloten:
Normale werking.
Noodopening van de deur.
KNOPPEN:
FC / SKS:
STOP:
Geen functie.
Geen functie.
Onderbreking van de noodopening voor de duur van het indrukken.
Geen automatisch sluiten na deactivering van het BMA-signaal.
Aansturing bij actief brandalarmsysteem.
Gesloten: Normale werking.
Open: Noodopening van de deur.
KNOPPEN:
FC / SKS:
STOP:
Geen functie.
Geen functie.
Onderbreking van de noodopening voor de duur van het indrukken.
Geen automatisch sluiten na deactivering van het BMA-signaal.
Gedeeltelijke opening van de deur. Door indrukken van een extra knop op ingang 1 wordt de tussenpositie DICHT (Ged. DICHT) vanuit beide richtingen aangestuurd, onafhankelijk van de actuele deurpositie.
1. Bediening: Geen automatisch sluiten, de tijd open wordt stopgezet.
2. Bediening: Het automatisch sluiten is weer actief bij tijd open >0.
3. Bediening: Geen automatisch sluiten, de tijd open wordt stopgezet.
…
Alleen in combinatie met ingang 2 (MOD6).
➔ Zie toelichtingen bij ingang 2.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 45
MOD22
MOD30
MOD31
MOD32
Functie-overzichten
MOD
MOD13
MOD14
MOD15
MOD16
MOD17
MOD18
MOD19
Aanduiding
Schakelaar BMA 3 (gedeeltelijk open) NC
Loopdeurvergrendeling
Fotocel 2 NC
Schakelaar voorwaarschuwing
Impulsknop buiten
Botssensor NC
Blokkering schakelaar bedieningscommando‘s NC
Bewaking externe lastschakelaar
OPEN-toets binnen
OPEN-toets buiten
DICHT-toets
Opmerkingen
Aansturing bij actief brandalarmsysteem.
Gesloten:
Open:
Normale werking.
Gedeeltelijke opening van de deur. De tussenpositie OPEN (GED. OPEN) wordt vanuit beide richtingen aangestuurd, onafhankelijk van de actuele deurpositie.
KNOPPEN:
FC / SKS:
STOP: geen functie.
Deur stopt en schakelt vrij (alleen in DICHT-richting), na 5 seconden opnieuw sluiten.
Onderbreking van de noodsluiting voor de duur van het indrukken.
Bewakingseindschakelaar voor pneumatische vergrendeling van loopdeuren. De eindschakelaar moet binnen 10 seconden na een OPEN-commando de juiste vergrendeling hebben bevestigd, anders wordt er een foutmelding gegenereerd en stopt de deur.
Deze functie werkt via relaismodus 36.
Als er een tweede fotocel in de doorgang van de deur is aangesloten, kan dit systeem worden geprogrammeerd via parameter FC FKT 2 in INVOER.
Alleen aansluiting van fotocellen met potentiaalvrij NC-contact.
Gesloten:
Open:
De startwaarschuwing en de voorwaarschuwing zijn inactief (zelfs bij beide tijden >0).
De startwaarschuwing en de voorwaarschuwing zijn actief (alleen bij beide tijden >0).
➔
„10.2 Modus invoer“
De deur wordt aangestuurd of gestopt door op de knop te drukken.
– De functie en bewegingsrichting zijn afhankelijk van de instelling van de parameter IMPULS in het
➔ invoermenu.
„10.2 Modus invoer“/Parameter IMPULS
– Bij actieve regeling van tegemoetkomend verkeer, wordt dit impulscommando behandeld als signaal van buiten.
Uitlezen van een botssensor als NC-contact. Als de botssensor eenmaal is geactiveerd, is een nieuwe deurbeweging alleen nog maar mogelijk
– door de STOP-toets langer dan 5 seconden in te drukken of
– door het uit- en weer inschakelen van de voedingsspanning.
Gesloten:
Open: geen beperkingen.
De (+) en (-) knoppen op de LCD-monitor en het moederbord kunnen niet worden gebruikt om in AUTOMATISCHE modus bedieningscommando‘s te geven.
Bij een besturingsvariant met externe lastschakelaar (motorvermogen >2,2 kW/8 A) worden hier de hulpcontacten van de lastschakelaar (NO) aangesloten en bewaakt.
Door indrukken van de knop opent de deur naar eindpositie OPEN.
De lamp binnen schakelt naar groen.
Door indrukken van de knop opent de deur naar eindpositie OPEN.
De lamp buiten schakelt naar groen.
Door indrukken van de knop sluit de deur naar eindpositie DICHT.
Alleen actief bij actieve sluitkantbeveiliging en actieve fotocel 1. Geen functie in dodemansmodus.
46 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
B. Functies Ingang 2
Aanduiding MOD
OFF
MOD2
MOD3
Loopdeurschakelaar (8,2 kΩ)
Schakelstrip OPEN (8,2 kΩ)
MOD4
MOD5
MOD6
Schakelstrip OPEN (8,2 kΩ)
Accumodus (MDFU-speciaal) NO
Radarbewegingssensor
(Hoogtedetectie) NO
MOD7
MOD8
MOD9
MOD10
MOD11
Lichtgordijn 2 (SSR/PNP) met testen
Veiligheidscircuit met weerstandsmeting
Veiligheidselementen (OSE)
Schakelstrip OPEN (OSE)
Schakelstrip OPEN (OSE)
Opmerkingen
Niet actief.
Stopt de installatie bij indrukken.
Schakelstrip actief in OPEN-richting.
Stop en omkeren naar eindpositie DICHT wanneer de schakelstrip activeert.
Schakelstrip actief in OPEN-richting.
Stop en sluiten gedurende 2 seconden (vrije doorgang) wanneer de schakelstrip activeert.
Actief bij accuvoeding.
Relaisomschakeling MOD32/MOD33.
De functie is gekoppeld aan ingang 1 (MOD12 - laserscanner).
De voorgeschakelde laserscanner detecteert de voertuighoogte.
De aangesloten radarbewegingssensor genereert bij activering een OPEN-commando.
– Een hoog voertuig (vrachtwagen) wordt gedetecteerd door de laserscanner.
De laserscanner schakelt ingang 1 (MOD12) in op ON.
De radarbewegingssensor detecteert het voertuig en activeert de deurbeweging.
De deur wordt naar eindpositie OPEN gestuurd.
– Een laag voertuig (personenauto) wordt gedetecteerd door de laserscanner.
De laserscanner schakelt ingang 1 (MOD12) in op OFF.
De radarbewegingssensor detecteert het voertuig en activeert de deurbeweging.
De deur wordt naar tussenpositie OPEN (Ged. OPEN) gestuurd.
Alle andere OPEN-commando‘s (via X3, X7, X9, X13) sturen de deur altijd naar eindpositie OPEN.
De functie van ingang 1 (MOD12) is dan buiten werking.
Gedrag als lichtgordijn 1 (SKS MOD 4 - 6).
– Lichtgordijn actief in DICHT-richting.
– Stop en omkeren bij activeren van het lichtgordijn.
Het type omkering (omkeren/vrije doorgang) wordt overgenomen.
Tijdens de eerste inbedrijfstelling en na een reset wordt ingang 2 één keer op A (zelflerend) gezet.
Als er een weerstandswaarde wordt gedetecteerd, wordt automatisch MOD8 ingesteld en wordt de meetwaarde opgeslagen en bewaakt als referentie voor de aangesloten veiligheidsrelevante componenten.
➔
„5.14 Veiligheidsingang conform EN 12453“ op pagina 19
Een afwijking van de gemeten waarde activeert een foutmelding.
Als er vervolgens een veiligheidselement wordt toegevoegd of verwijderd, moet de weerstandsmeting worden herhaald. Hiervoor moet de parameter INGANG 2 met de hand worden gereset naar A
(zelflerend) en moet de voedingsspanning eenmalig worden uit- en weer ingeschakeld. Daarna wordt een nieuwe meting uitgevoerd.
Als bij de eerste inbedrijfstelling of na een reset geen aangesloten component wordt gedetecteerd dan wordt de ingang automatisch uitgeschakeld. OFF verschijnt op het display en de ingang moet met de hand worden geactiveerd.
Stopt de installatie bij indrukken.
Schakelstrip actief in OPEN-richting.
Stop en omkeren naar eindpositie DICHT wanneer de schakelstrip activeert.
Schakelstrip actief in OPEN-richting.
Stop en sluiten gedurende 2 seconden (vrije doorgang) wanneer de schakelstrip activeert.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 47
Functie-overzichten
MOD
MOD12
Aanduiding
Lichtgordijn 2 (OSE) zonder testen
Opmerkingen
Gedrag als lichtgordijn 1 (SKS MOD 4 - 6).
– Lichtgordijn actief in DICHT-richting.
– Stop en omkeren bij activeren van het lichtgordijn.
Het type omkering (omkeren/vrije doorgang) wordt overgenomen.
10.5 Modus Diagnose/Storingsgeheugen
Indicatie
ES BOVEN
ES BENEDEN
OPEN-TOETS
DICHT-TOETS
INGANG 1
INGANG 2/
SKS OPEN 2/
VEILIGH. 2
(optioneel)
INGANG 3
Betekenis
Eindpositie OPEN
Eindpositie DICHT
Commandoknop/ingang OPEN
Commandoknop/ingang DICHT
Programmeerbare INGANG 1
(X4 / 9 + 10)
Programmeerbare INGANG 2
(X4 / 11 + 12)
De weergave is afhankelijk van de MOD die op de programmeerbare ingang is geselecteerd.
INGANG 2 bij MOD 5-7
SKS OPEN 2 bij MOD 3-4
VEILIGH. 2 bij MOD 2
Programmeerbare INGANG 3
(X10 / 1 – 3)
ON:
OFF:
—:
ON:
OFF:
Toestand
OFF:
ON:
Eindpositie is bereikt.
Eindpositie is niet bereikt
OFF:
ON:
ON:
OFF:
ON:
OFF:
ON:
OFF:
Eindpositie is bereikt.
Eindpositie is niet bereikt
Knop is ingedrukt/ingang is actief.
Knop niet ingedrukt/ingang niet actief.
Knop is ingedrukt/ingang is actief.
Knop niet ingedrukt/ingang niet actief.
Ingang 1 is actief.
Ingang 1 is niet actief.
ON:
OFF:
—:
Ingang 2 is actief.
Ingang 2 is niet actief.
Niet geactiveerd.
Ingang 3 is actief.
Ingang 3 is niet actief.
Niet geactiveerd.
Systeem is gesloten.
Systeem is onderbroken (storing).
SKS Sluitkantbeveiliging 1
(DW, 8,2kΩ of optosensor) of lichtgordijn 1
(PNP of optosensor)
(X4 / 5-8) DICHT-richting
SKS 3/
VEILIGH. 3
(optioneel)
Sluitkantbeveiliging 3
(8,2kΩ of optosensor)
Radiozendsysteem kanaal 1
OPEN- of DICHT-richting
De weergave is afhankelijk van de MOD die in parameter SKS 3 is geselecteerd.
SKS 3 bij MOD 2-3
VEILIGH. 3 bij MOD 4
48 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
ON:
OFF:
—:
Systeem is gesloten.
Systeem is onderbroken (storing).
Niet geactiveerd.
Indicatie
SKS 4/
VEILIGH. 4
(optioneel)
SERVICE
AWG
C.STOP
C.OPENED
C.O.BTN.
IMPULS
SCHAKELKLOK
FOTOCELBEW.
FOTOCELBEW. 2
STOPKETEN
STOP
DRAAIVELD
CYKLUS
Betekenis
Sluitkantbeveiliging 4
(8,2kΩ of optosensor)
Radiozendsysteem kanaal 2
OPEN- of DICHT-richting
De weergave is afhankelijk van de MOD die in parameter SKS 4 is geselecteerd.
SKS 4 bij MOD 2-3
VEILIGH. 4 bij MOD 4
Commandoknop/ingang IMPULS
(X3/7+8)
Weekschakelklok (insteekbaar)
Doorgangsfotocel 1
(X4 / 1-4)
Doorgangsfotocel 2
Aansluiting als ingang 1
(X4/9+10)
Veiligheidscircuit 1
Noodstopsystemen van het deursysteem
Commandoknop STOP (kleptoetsen)
Toestand
ON:
OFF:
—:
Systeem is gesloten.
Systeem is onderbroken (storing).
Niet geactiveerd.
ON:
OFF:
ON:
OFF:
ON:
OFF:
ON:
OFF:
Knop is ingedrukt/ingang is actief.
Knop is niet ingedrukt/ingang is niet actief.
Schakelklok is actief.
Schakelklok is niet actief.
Signaal van de fotocel is OK.
Lichtstraal onderbroken of fotocel defect.
Signaal van de fotocel is OK.
Lichtstraal onderbroken of fotocel defect.
Toont de op dat moment ingestelde rolrichting van de aandrijving
Deurcyclusteller
Servicealarmfunctie
Instelling via parameter SERVICE en
PIN-NO. 2
Positiespecificatie van de absolute encoder
Teller PAUZE/STOP
Teller bovenste eindpositie
Teller OPEN-commando‘s
ON:
OFF:
ON:
OFF:
Veiligheidscircuit is gesloten.
Veiligheidscircuit is onderbroken.
Knop is niet ingedrukt.
Knop is ingedrukt.
RECHTS: Instelling voor een rechtsdraaiend veld.
LINKS: Instelling voor een linksdraaiend veld.
Toont de voltooide deurcycli:
1 x OPEN + 1 x DICHT = 1 cyclus
Alleen de geactiveerde eindschakelpunten worden geteld.
OFF: Onderhoudsindicatie niet actief.
0 – 99999: Onderhoudsindicatie is actief.
Toont de resterende deurcycli tot aan de onderhoudsmelding.
Toont de actueel verzonden waarde.
Toont hoe vaak de deur is gestopt. Ofwel door het activeren van een veiligheidsvoorziening, in geval van directe omkering van de richting door een startcommando of door een direct STOP/PAUZE-commando.
Toont hoe vaak de bovenste eindpositie werd aangestuurd.
Aantal van alle inkomende OPEN-commando‘s via bedieningsapparaten, sensoren en
Veiligheidsinrichtingen (bijv. fotocel).
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 49
Functie-overzichten
Indicatie Betekenis
ERROR ...
AANTAL
CYKLUS
Storingsgeheugen van de besturingseenheid.
De foutmeldingen van de besturingseenheid kunnen hier worden uitgelezen met informatie over frequentie en cyclus.
Gebruik de toetsen [+] en [-] op de
LCD-monitor om door de lijst met de verschillende foutmeldingen te bladeren.
➔
„11.1 Storingsmelding op het LCDdisplay“
Wissen van het storingsgeheugen:
Knoppen (+) en (–) indrukken gedurende ca. 2 seconden.
Elke storingsmelding moet afzonderlijk worden gewist.
Toestand
Het display wisselt elke 2-seconden tussen
- de foutbeschrijving,
- de frequentie van voorkomen en
- specificatie bij welke cyclus de storing voor het laatst is opgetreden.
Alleen storingen die al een keer zijn opgetreden, komen in de lijst voor.
De volgende meldingen kunnen van het storingsgeheugen worden uitgelezen, maar worden niet weergegeven in de AUTOMATISCHE besturingsmodus:
Indicatie
POWER ON
ERROR NETFLUCT.
RESTART
Betekenis
Teller voor het uit- en weer inschakelen van de voedingsspanning.
Teller van het aantal afwijkingen in de voedingsspanning.
Restart teller
Toestand
Doortelling van geactiveerde uit- en inschakelingen van de stroomvoorziening of stroomuitval.
Over- en onderspanningen worden gedetecteerd en geteld.
Weergave van de herstartcycli. Veroorzaakt door detectie van onderspanning, verandering van het eindpositiesysteem of na een RESET van de besturingseenheid.
50 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
11. Storingsindicatie en oplossing
Storing / Melding
Installatie reageert niet.
Deur gaat bij bediening van de knop OPEN naar de eindpositie
DICHT
Deur gaat bij bediening van de
DICHT-toets naar de eindpositie
OPEN
FAULT – X
STOPKETEN
ERROR VEILIGHEID
ERROR LOOPTIJD
ERROR AWG
ERROR EINDPOS.
ERROR KRACHT
ERROR DR.-VELD
ERROR SKS DIC.
ERROR SKS OPEN 2
ERROR STOP 2
Oorzaak
– Geen spanning aanwezig.
– Draaiveld is verkeerd.
Oplossing
– Voedingsspanning van aandrijving en besturing controleren.
– Draaiveld controleren en indien nodig rechts draaiveld instellen.
– interne software- of hardwarestoring.
– Het veiligheidscircuit is onderbroken.
X3 / 1+2 Veiligheidscircuit besturingseenheid
STOPKETEN, slappekabelschakelaar
X6 / 1+2 ON/OFF intern
X11 / 4+8 Veiligheidscircuit aandrijving
AWG
X14 / 8+4 Interface RS485
X2 / B1+B2 Veiligheidscircuit aandrijving MEC
X3 / 3+4 Externe Stopknop
X7 / 1+2 Interne Stopknop
– Er is een storing opgetreden bij veiligheidsingang (X4/11-12 - MOD8).
– RESET via printplaatknop:
➔
„8.6 RESET van de besturingseenheid zonder LCDmonitor“
– Veiligheidscircuit controleren, onderbreking lokaliseren en probleem verhelpen.
– Controleer alle componenten op die veiligheidsingang en zo nodig vervangen.
– De geprogrammeerde duur is overschreden.
– De signaaloverdracht tussen de absolute encoder en de besturingseenheid is onderbroken of verstoord.
– De deur staat buiten de geprogrammeerde eindpositie.
– De eindposities zijn nog niet geprogrammeerd.
– De krachtbewaking is geactiveerd.
– Het actieve draaiveld is niet geen rechts draaiveld.
– Sluitkantbeveiliging 1 defect in
DICHT-richting -> (X4 / 5-8).
– Sluitkantbeveiliging 2 defect in
OPEN-richting -> (X4 / 11+12) ingang 2.
– Veiligheidscircuit 2 is onderbroken.
Loopdeurschakelaar 8,2 kΩ
-> (X4 / 11+12) ingang 2.
– Controleer de loopbeweging van de deur en de duur.
– De duur zo nodig opnieuw programmeren.
– Kabels en stekkers controleren.
– Reset de deur via de noodbediening naar het geprogrammeerde bereik.
– Eindposities als eerste programmeren.
– Controleer de deur op mechanische problemen.
– Draaiveld controleren en zo nodig wijzigen.
➔
„7.1 Controle van de aandrijfrichting/ bewegingsrichting“
– Sluitkantbeveiliging en spiraalkabel controleren.
– Sluitkantbeveiliging en spiraalkabel controleren.
– Loopdeurschakelaar controleren.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 51
Storingsindicatie en oplossing
Storing / Melding Oorzaak
ERROR SKS DIC. 3 – Sluitkantbeveiliging 3 defect in
DICHT-richting -> (X20) insteekbaar transmissiesysteem RADIO kanaal 1.
ERROR SKS OPEN 3
ERROR STOP 3
– Sluitkantbeveiliging 3 defect in
OPEN-richting -> (X20) insteekbaar transmissiesysteem RADIO kanaal 1.
– Veiligheidscircuit 3 is onderbroken.
-> (X20) insteekbaar transmissiesysteem RADIO kanaal 1.
ERROR SKS DIC. 4
ERROR SKS OPEN 4
ERROR STOP 4
ERROR SKS-TEST
– Sluitkantbeveiliging 4 defect in
DICHT-richting -> (X20) insteekbaar transmissiesysteem RADIO kanaal 2.
– Sluitkantbeveiliging 4 defect in
OPEN-richting -> (X20) insteekbaar transmissiesysteem RADIO kanaal 2.
– Veiligheidscircuit 4 is onderbroken.
-> (X20) insteekbaar transmissiesysteem RADIO kanaal 2.
– Het testen van de aangesloten drukcontactstrip is mislukt.
ERROR FOTOCEL
ERROR FOTOCEL 2
ERROR FC-TEST
ERROR STOP-TEST
ERROR INTREK
ERROR CYLINDER
ERROR MSBUS
Oplossing
– Sluitkantbeveiliging controleren.
– Transmissiesysteem RADIO controleren.
– Controleer de afstelling van parameter SKS 3.
– Sluitkantbeveiliging controleren.
– Transmissiesysteem RADIO controleren.
– Controleer de afstelling van parameter SKS 3.
– Controleer het veiligheidscircuit.
– Transmissiesysteem RADIO controleren.
– Sluitkantbeveiliging controleren.
– Transmissiesysteem RADIO controleren.
– Controleer de afstelling van parameter SKS 4.
– Sluitkantbeveiliging controleren.
– Transmissiesysteem RADIO controleren.
– Controleer de afstelling van parameter SKS 4.
– Controleer het veiligheidscircuit.
– Transmissiesysteem RADIO controleren.
– Het testen van transmissiesystemen RADIO 1 - 4 is mislukt.
– Controleer de DW-schakelaar, de spiraalkabel en het rubberprofiel.
– Controleer de DW PUNT-instelling.
– Transmissiesysteem RADIO controleren.
– Controleer het MOD-relais voor het transmissiesysteem.
➔
„G. Functies voor externe accessoires“ op pagina 43
– Controleer de fotocel (werking en uitlijning).
– Bekabeling controleren
– De aangesloten fotocel heeft een permanente storing.
-> (X4 / 1-4).
– De aangesloten fotocel heeft een permanente storing.
-> (X4 / 9+10) ingang 1
– Het testen van de 2-draads fotocel is mislukt.
– Controleer de fotocel (werking en uitlijning).
– Bekabeling controleren
– Het testen van de loopdeurschakelaar (8,2 kΩ) is mislukt.
-> Ingang 2
– De test van de intrekbeveiliging (extra module) is mislukt.
–> Relais MOD21
– De bewakingseindschakelaar van het vergrendelsysteem voor drempelvrije loopdeuren heeft niet binnen 10 seconden na het invoeren van een OPEN-commando gereageerd.
– De communicatie tussen de besturingseenheid en de aangesloten MS-BUS-module is onderbroken.
– Controleer de fotocel (werking en uitlijning).
– Bekabeling controleren
– Loopdeurschakelaar controleren.
– Controleer de fotocel (werking en uitlijning).
– Bekabeling controleren
– Controleer de eindschakelaar van de cilinder.
– Kabels en stekkers controleren en zo nodig vervangen.
52 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
Storing / Melding
ERROR 24 V
ERROR RELAIS
Oorzaak
– De 24 VDC (X4/1-2) spanningsvoorziening werd uitgeschakeld vanwege overbelasting door externe verbruikers.
– De lastschakelaar of een van de relais is defect.
Oplossing
– Verminder het aantal aangesloten verbruikers.
– Stroomverbruik op max. 500 mA door andere componenten te selecteren.
– De printplaat moet worden vervangen.
Nadat de oorzaak van de storing is verholpen, moet de besturingseenheid van de netstroom worden losgekoppeld of opnieuw worden opgestart als de volgende storingen optreden ( > Menu INVOER > Parameter RESTART > ON):
− ERROR DR.-VELD
− ERROR KRACHT
− ERROR LOOPTIJD
− ERROR EINDPOS.
LED H1 (groen, moederbord)
Storing / Melding
Voedingsspanning ontbreekt.
LED-indicatie
Off
LED H2 (rood, moederbord)
Storing / Melding
STOPKETEN
LED-indicatie
1x knipperen
ERROR AWG
ERROR EINDPOS.
2x knipperen
3x knipperen
ERROR DR.-VELD
ERROR KRACHT
ERROR LOOPTIJD
4x knipperen
5x knipperen
6x knipperen
Opmerkingen
Geen voedingsspanning aanwezig.
Opmerkingen
Veiligheidscircuit is onderbroken.
– Veiligheidscircuit controleren, onderbreking lokaliseren en probleem verhelpen.
De signaaloverdracht tussen de absolute encoder en de besturingseenheid is onderbroken of verstoord.
– Kabels en stekkers controleren.
Het systeem staat buiten de geprogrammeerde eindpositie of de eindposities zijn nog niet geprogrammeerd.
– Eindposities als eerste programmeren.
– Reset de deur via de noodbediening naar het geprogrammeerde bereik.
Het actieve draaiveld is niet geen rechts draaiveld.
– Draaiveld controleren en zo nodig wijzigen.
➔
„7.1 Controle van de aandrijfrichting/ bewegingsrichting“
De krachtbewaking is geactiveerd.
– Controleer de deur op mechanische problemen.
De geprogrammeerde duur is overschreden.
– Controleer de loopbeweging van de deur en de duur.
– De duur zo nodig opnieuw programmeren.
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 53
Storingsindicatie en oplossing
Storing / Melding LED-indicatie
ERROR MSBUS 9x knipperen
SERVICE
ERROR RELAIS
ERROR VEILIGHEID
ERROR SKS
ERROR FOTOCEL
10 x knipperen
11 x knipperen
Continu licht, beweging is niet meer mogelijk.
Continu licht, beweging alleen in dodemansfunctie.
Continu licht,
Beweging in DICHT-richting alleen in dodemansfunctie.
Opmerkingen
Communicatiefout tussen besturingseenheid en aangesloten
MS-BUS-toegangsapparaat.
– Kabels en stekkers controleren.
De geprogrammeerde service-interval is bereikt.
– De service-interval resetten of nieuwe afstelling.
➔
„10.2 Modus invoer“/parameter SERVICE
De lastschakelaar of een van de relais is defect.
– De printplaat moet worden vervangen.
– Er is een storing opgetreden bij veiligheidsingang
(X4/11-12 - MOD8).
– Controleer alle componenten op die veiligheidsingang en zo nodig vervangen.
Sluitkantbeveiliging defect in de richting OPEN of DICHT.
– Sluitkantbeveiliging en spiraalkabel controleren. evt. Transmissiesysteem RADIO controleren.
De aangesloten fotocel heeft een permanente storing.
– Controleer de fotocel (werking en uitlijning).
– Bekabeling controleren
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 55
54 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
12. Technische gegevens
Afmetingen behuizing:
Montage:
215 x 275 x 190 mm
Verticaal aan de wand;
Minimale hoogte van 1.100 mm
Voeding via
L1, L2, L3, N, PE:
L1, N, PE:
Zekering:
Eigen verbruik van de besturing:
Stuurspanning:
400 V/3~, 50/60 Hz
230 V/3~, 50/60 Hz
230 V/1~, 50/60 Hz
Opgenomen vermogen max. 2200 W bij stroomvoorziening 400 V/3~
10 A K-karakteristiek max. 750 mA
Aansturingsingangen:
Besturingsuitgangen:
Veiligheidscircuit /
Noodstop:
Ingang veiligheidsprofiel
(beschermklasse C):
Fotocel
(Beschermklasse D):
Display (LCD):
24 V DC , max. 500 mA; gezekerd door zelfherstellende zekering voor externe sensoren
24 V
DC
Alle ingangen moeten potentiaalvrij worden aangesloten.
Minimale signaalduur voor een ingangsstuurcommando >100 ms.
24 V DC , max. 500 mA.
Alle ingangen absoluut potentiaalvrij aansluiten; als de veiligheidsketen wordt onderbroken, is er geen elektrische beweging van de aandrijving meer mogelijk, zelfs niet in dodemansmodus.
Performance Level C, voor elektrische veiligheidsprofielen met
8,2 kΩ afsluitweerstand en voor dynamische optische systemen.
Als de fotocel wordt gebruikt als een beveiligingssysteem conform niveau D, moet de werking ervan regelmatig worden gecontroleerd, tenminste binnen 6 maanden.
Als het een zelftestsysteem is, is deze eis niet van toepassing.
Alleen een originele LCD-monitor van MFZ mag worden gebruikt.
#91447 Standaard
#121246 MS BUS
Relaisuitgangen:
Temperatuurbereik:
Luchtvochtigheid:
Trillingen:
Beschermklasse
Gewicht
Worden er inductieve lasten geschakeld ( bijv. andere relais of remmen), dan moeten deze met de juiste maatregelen tegen stroom ( bijv. vrijloopdiode, varistors, RC-schakelingen) worden uitgerust. Arbeidscontact potentiaalvrij; min. 10 mA ; max. 230 V AC /4A.
Als contacten eenmaal voor vermogensschakeling zijn gebruikt, kunnen deze geen kleine stromen meer schakelen.
In bedrijf: -10 °C ... +45 °C
Opslag: -25 °C ... +70 °C tot 80% niet condenserend
Trillingsarme montage, bijv. op een stenen muur.
IP 65 ca. 1,8 kg
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 55
Technische gegevens
Functie Realisering
DC
Noodstop
Stop circuit
Eindpositieherkenning door absolute encoder
Eindpositieherkenning door eindpositieschakelaar
Fotocel-evaluatie
Evalueren van een pneumatisch schakelprofiel
Evaluatie van een of twee 8k2 / een
OSE SKS
AVG
MTTF
D
Ingang klem X3, X6, X7, X11
Onderbreekt spanningsvoorziening naar het uitgangsrelais en de hoofdbeveiliging, onafhankelijk van de CPU.
Feedback naar CPU beschikbaar.
Ingang klem X3, X7
Onderbreekt de voorziening naar de hoofdbeveiliging.
Bericht naar CPU.
Ingang klem X11
Voor positiebepaling en eindpositieherkenning. Testen door plausibiliteitscontrole van verwachte positiewaarden tot ontvangen positiewaarden.
Ingang klem X15
Zekering door looptijdbegrenzing.
Ingangen worden door de CPU bepaald.
Ingang klem X4
Impulsevaluatie door
CPU. Fouten worden door plausibiliteitsbeschouwing in de CPU herkend. De frequentie moet tussen
130 Hz tot 190 Hz liggen. De functie wordt door het schakelen van de voedingsspanning (T117, IC111) van de fotocel voor elke beweging en elke twee minuten in rust bewaakt.
Bij de activering in de richting DICHT vindt er een stop of het omkeren van de deur plaats.
Ingang klem X4
Evaluatie door CPU. Testen door plausibiliteitsbeschouwing.
Schakelsignaal moet kort voor het bereiken van de onderste eindposities komen.
Ingang klem X4
Evaluatie door CPU.
De functie wordt door het schakelen van de voedingsspanning (IC110,
T138) voor elke beweging bewaakt.
gemiddelde diagnostische dekking gemiddelde tijd tot gevaarlijk falen
MTTF
D
Elektronica
1175 jaar
1175 jaar
1062 jaar
1248 jaar
1000 jaar
1123 jaar
1123 jaar
MTTF
D
Inclusief uitgangsrelais
191 jaar
DC avg
84.7%
191 jaar
188 jaar
193 jaar
186 jaar
190 jaar
190 jaar
-
83.7%
63.1%
81.9%
85.6%
85.6%
Categorie
3
Performance
Level d
B
2
2
2
2
2 c c c c c b
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 57
56 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
13. Service
WAARSCHUWING!
Levensgevaar door een elektrische schok!
Vóór aan onderhoudswerkzaamheden aan de
De CS 320 besturingseenheid is onderhoudsvrij.
De CS 320 besturingseenheid moet tenminste eenmaal per jaar worden gecontroleerd.
ATTENTIE!
Materiële schade door ondeskundige controle van de besturingseenheid!
Om beschadigingen aan de besturingseenheid, aandrijving en de deur te voorkomen, moeten de volgende punten in acht worden genomen:
− De controle mag alleen worden uitgevoerd door gekwalificeerde, hiervoor opgeleide en daartoe bevoegde personen.
− Versleten of beschadigde onderdelen moeten worden vervangen en volgens de voorschriften worden afgevoerd.
− Er mogen uitsluitend goedgekeurde originele onderdelen worden gemonteerd.
− De inspectieresultaten moeten worden gedocumenteerd in het logboek van het deursysteem.
Stel vast dat alle elektrische kabels en de behuizing
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 57
14. Fabrikant verklaring
MFZ Antriebe GmbH & Co.KG
Neue Mühle 4
D - 48739 Legden
Inbouwverklaring
In de zin van de Machinerichtlijn 2006/42/EG voor de inbouw van een onvolledige machine volgens bijlage II, deel 1B.
Conformiteitsverklaring in het kader van de richtlijnen:
− Elektromagnetische compatibiliteit 2014/30/EU
− RoHs 2011/65/EU + 2015/863/EU + 2017/2102/EU
Hiermee verklaren wij dat het hierna genoemde product
Productomschrijving: Deursturing
Typeaanduiding: CS 320 als onvolledige machine uitsluitend is bestemd voor de inbouw in een deursysteem en is ontwikkeld, gebouwd en gefabriceerd in overeenstemming met de volgende richtlijnen:
− Machinerichtlijn 2006/42/EG
− Richtlijn elektromagnetische compatibiliteit 2014/30/EU
− Richtlijn RoHs 2011/65/EU + 2015/863/EU +
2017/2102/EU
Bovendien is voldaan aan de eisen van de Laagspanningsrichtlijn 2014/35/EU, conform bijlage I, deel 1.5.1 van de
Machinerichtlijn 2006/42/EG.
Toegepaste en geraadpleegde normen:
EN 12453:2019 Industriële, bedrijfs- en garagedeuren en hekken: Eisen en testprocedure
EN 12978 Deuren en poorten - Veiligheidsvoorzieningen voor automatisch werkende deuren en hekken: Eisen en testprocedure
EN ISO 13849-1 Veiligheid van machines - Veiligheidsgerelateerde onderdelen van besturingssystemen -
EN 60335-1
Deel 1: Algemene ontwerpprincipes
Veiligheid van huishoudelijke en soortgelijke elektrische apparaten -
Deel 1: Algemene vereisten
EN 60335-2-103 Veiligheid van huishoudelijke en soortgelijke elektrische apparaten -
Deel 2-103: Bijzondere eisen voor poorten, deuren en ramen
EN 61000-6-2 Elektromagnetische compatibiliteit (EMC)
— Deel 6-2: Algemene normen - Immuniteit voor industriële omgevingen
EN 61000-6-3 Elektromagnetische compatibiliteit (EMC) —
Deel 6-3: Generieke normen - Stoorstraling in woonruimten, zakelijke en commerciële ruimten en kleine bedrijven
De relevante technische documentatie is conform bijlage
VII Deel B van de Machinerichtlijn (2006/42/EG) opgesteld.
Wij zetten ons in om deze na redelijk verzoek binnen een adequate termijn in elektronische vorm beschikbaar te stellen aan de autoriteiten voor markttoezicht.
Gevolmachtigde voor de samenstelling van de technische documentatie:
MFZ Antriebe GmbH & Co. KG - Neue Mühle 4 -
48739 Legden - Germany
Onvolledige machines in overeenstemming met EG-richtlijn
2006/42/EG zijn alleen bedoeld om in andere machines of in andere onvolledige machines of installaties te worden ingebouwd of daarin te worden geïntegreerd tot een machine in overeenstemming met bovengenoemde richtlijn. Daarom mag dit product pas in gebruik worden genomen nadat is vastgesteld dat de gehele machine/installatie waarin het is geïnstalleerd, voldoet aan de bepalingen van de bovengenoemde EG-richtlijn.
Bij een niet met ons afgestemde wijziging van het product verliest deze verklaring haar geldigheid.
Legden, 01-01-2020
Dirk Wesseling, bedrijfsleiding
58 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 59
58 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
15. Bijlage
15.1 / 1
X5
X15
7
8
5
6
3
4
1
2
7
8
5
6
3
4
1
2
X11
X18
B2
B1
U
V
X2
W
X10
S1
X20
S2
S3
X8
X12
X6
X7
X9
H1
H2
X17
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X16
10
9
8
7
6
5
4
3
2
1
X4
X13
X3
F1
X19
F2.3
F2.2
F2.1
X21
N
L3
L2
X1
L1
PE PE PE
OPMERKING:
Het meetbereik moet worden ingesteld op 24 V-DC.
A Noodstop
B Stop
Alle meetpunten doormeten in het schema om de onderbreking te lokaliseren.
A
B
Fabrikant verklaring
X8 LCD-monitor
X5
Potentiaalvrije schakelcontacten
7
8
5
6
3
4
1
2
- Relais 1
- Relais 2
- Relais 3
- Relais 4
X15
Mechanische eindschakelaars
7
8
5
6
3
4
1
2
- Eindschakelaar OPEN
- Eindschakelaar DICHT
- Vooreindschakelaar
OPEN
- Vooreindschakelaar
DICHT
Schakelklok
X10
M
26.04.20
13:28 20
OK
Remmodule
3
4
1
2
X20
Radiotransmissiemodule
X11
Frequentieomvormer
X9
Radio-ontvanger
X5
X15
7
8
5
6
3
4
1
2
7
8
5
6
3
4
1
2
X11
X18
B2
B1
U
V
X2
W
X10
S1
X20
S2
S3
X8
X12
X6
X7
X9
H1
H2
X17
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X16
X13
10
9
8
7
6
5
4
3
2
1
X4
X3
F1
X19
F2.3
F2.2
F2.1
X21
N
L3
L2
X1
L1
PE PE PE
X18
X16/X17
MSBUS
X2
B2
B1
W
V
U
N
L3
L2
L1
X1
400V/50Hz/3/N/PE
60 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
X4
X3
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
WH
GN
BN
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
2
1
R
GN
BN
WH
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
2
1
T
OUT
-
+
R
-
+
T
X13
X7
X6
X12
X20
X8
X5
X15
X10
M
26.04.20
13:28 20
OK
3
4
1
2
X11
7
8
5
6
3
4
1
2
7
8
5
6
3
4
1
2
X2
B2
B1
W
V
U
X18
X5
X15
7
8
5
6
3
4
1
2
7
8
5
6
3
4
1
2
X11
X18
B2
B1
U
V
X2
W
X10
S1
X20
S2
S3
X8
X12
X6
X7
X9
H1
H2
X17
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
X16
X13
10
9
8
7
6
5
4
3
2
1
X4
X3
F1
X19
F2.3
F2.2
F2.1
X21
N
L3
L2
X1
L1
PE PE PE
N
L3
L2
L1
X1
400V/50Hz/3/N/PE
X9 X16/X17
Sluitkantbeveiliging OSE
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
WH
GN
BN
Ingang 1 (9 + 10)
Sluitkantbeveiliging 8,2 kΩ / DW (5+6)
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
Ingang 2 (11 + 12)
Doorgangsfotocel (2 + 4)
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
2
1
R
GN
BN
WH
2
1
T
X4
X3
Bedieningsapparaten
- DICHT-toets
- Knop IMPULS
- Knop OPEN
- Knop STOP
- Noodstop
Knop IMPULS
- Knop IMPULS
Knop OPEN/STOP/DICHT
(6-draads systeem)
- DICHT-toets
- Knop OPEN
- Knop STOP
Sleutelschakelaar
- DICHT
- OPEN
Doorgangsfotocel
NC, NPN, PNP
8
7
6
5
12
11
10
9
4
3
2
1
OUT
-
+
R
-
+
T
Knop OPEN/STOP/DICHT
(4-draads systeem)
- DICHT-toets
- Knop OPEN
- Knop STOP
Klepknoppen CS
- DICHT-toets
- Knop OPEN
- Knop STOP
X13
Klepknoppen KDT
- DICHT-toets
- Knop OPEN
- Knop STOP
X7
Sleutelschakelaar ON/OFF
- Sleutelschakelaar
X6
Externe radio-ontvanger
X12
- IMPULS
- OPEN
- GND
- 24 V DC
WH:
GN:
BN:
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 61 wit groen bruin
62 – CS 320-besturing / Rev.A 1.00
CS 320-besturing / Rev.A 1.00 – 63
#183225