Siemens | SPCK 421 | SPC Siemens gebruikershandleiding SPCK420

SPCK 420/421
LCD-Bediendeel
Gebruikershandleiding
Version 3.3
A6V10217610
06.02.2013
Siemens AB
Security Products
Copyright
Copyright
Technische specificaties en beschikbaarheid kunnen zonder voorafgaande
kennisgeving worden gewijzigd.
© Copyright Siemens AB
Alle rechten op dit document en op het onderwerp van dit document zijn
voorbehouden. Door de acceptatie van het document erkent de gebruiker deze
rechten. Het is de gebruiker niet toegestaan het document of de inhoud geheel of
gedeeltelijk te publiceren of beschikbaar te stellen aan derden zonder
voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming of te gebruiken voor enig
ander doel dan waarvoor het document is verstrekt.
Edition: 06.02.2013
Document nr.: A6V10316360
2
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Inhoudsopgave
1
Beveiliging .......................................................................................................... 5
1.1
Doelgroep ............................................................................................................. 5
1.2
Algemene veiligheidsinstructies ........................................................................... 5
1.2.1
Algemene informatie ............................................................................. 5
1.2.2
Functie .................................................................................................. 5
1.2.3
Service en onderhoud ........................................................................... 5
1.3
Betekenis van de waarschuwingen ...................................................................... 5
1.4
Betekenis van gevarensymbolen ......................................................................... 6
2
Richtlijnen en normen ........................................................................................ 7
2.1
EU-richtlijnen ........................................................................................................ 7
3
Inleiding ............................................................................................................... 8
4
Overzicht van typen bediendelen ................................................................... 10
5
Interface van LCD-bediendeel gebruiken ...................................................... 11
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel ......................... 14
6.1
Het systeem in- en uitschakelen ........................................................................ 14
6.2
6.1.1
UITSCHAKELEN ................................................................................ 14
6.1.2
INSCHAKELEN ................................................................................... 15
6.1.3
DEELSCHAKELING ........................................................................... 16
6.1.4
GEFORC. INSCHAK. .......................................................................... 16
6.1.5
Waarschuwingen bekijken en wissen ................................................. 17
6.1.6
CODE HERSTELD ............................................................................. 18
Gebruikersmenu's .............................................................................................. 19
6.2.1
SYSTEEM STATUS............................................................................ 20
6.2.2
OVERBRUGGEN ................................................................................ 20
6.2.3
UITSTELLEN ...................................................................................... 21
6.2.4
INST. DATUM/TIJD ............................................................................ 22
6.2.5
TEST ................................................................................................... 22
6.2.5.1
SIRENE TEST .................................................................................... 22
6.2.5.2
LOOPTEST ......................................................................................... 22
6.2.5.3
WPA TEST .......................................................................................... 23
6.2.5.4
AUDIO OPTIES .................................................................................. 23
6.2.5.5
SEISMISCHE TEST ............................................................................ 23
6.2.5.6
VISUELE INDICATOREN ................................................................... 24
6.2.6
GEBEURT.LOGBOEK ........................................................................ 24
6.2.7
TOEGANGSLOGBOEK ...................................................................... 24
6.2.8
DEURBEL ........................................................................................... 25
6.2.9
GEBRUIKERS .................................................................................... 25
6.2.9.1
TOEVOEGEN ..................................................................................... 25
6.2.9.2
BEWERKEN ....................................................................................... 25
6.2.9.3
TOEGANGSCONTROLE.................................................................... 26
6.2.9.4
VERWIJDEREN .................................................................................. 28
3
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6.2.10
GEBRUIKERPROFIELEN .................................................................. 28
6.2.10.1 TOEVOEGEN ..................................................................................... 28
6.2.10.2 BEWERKEN ........................................................................................ 29
6.2.10.3 VERWIJDEREN .................................................................................. 29
6.2.11
SMS .................................................................................................... 29
6.2.11.1 TOEVOEGEN ..................................................................................... 30
6.2.11.2 BEWERKEN ........................................................................................ 30
6.2.11.3 VERWIJDEREN .................................................................................. 31
6.2.11.4 SMS-commando's ............................................................................... 31
6.2.12
VERANDER CODE ............................................................................. 33
6.2.13
DEURCONTROLE .............................................................................. 34
6.2.14
VERLEEN TOEGANG ........................................................................ 34
6.2.15
RAPPORT.NR ENGIN ........................................................................ 35
6.2.16
ALARM GEHEUGEN .......................................................................... 35
7
Appendix ........................................................................................................... 36
7.1
Gebruikersrechten .............................................................................................. 36
7.2
Gebruikers-PIN's ................................................................................................ 38
7.3
Zonetabel ............................................................................................................ 39
4
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Beveiliging
Doelgroep
1
1 Beveiliging
1.1
Doelgroep
De instructies in dit document zijn bestemd voor de volgende doelgroep:
1.2
1.2.1
Doelgroep
Kwalificatie
Activiteit
Staat van het product
Eindgebruiker
Instructie door
technische
specialisten is
noodzakelijk.
Voert alleen de
procedures voor een
juiste bediening van
het product uit.
Het product is
geïnstalleerd en
geconfigureerd.
Algemene veiligheidsinstructies
Algemene informatie

Bewaar dit document ter referentie.

Geef dit document altijd mee met het product.

Neem tevens eventuele aanvullende landspecifieke, lokale veiligheidsnormen
of -voorschriften met betrekking tot projectplanning, bediening en verwerking
van het product in acht.
Aansprakelijkheidsclaim

1.2.2
Voer aan de apparatuur geen wijzigingen of aanpassingen uit die niet expliciet
worden aangegeven in deze handleiding of zijn goedgekeurd door de fabrikant.
Functie
Gevaarlijke situatie na vals alarm
1.2.3

Zorg dat alle betrokken partijen en autoriteiten die assistentie verlenen, zijn
ingelicht voordat u het systeem test.

Informeer altijd alle aanwezigen voordat u alarmapparatuur test om paniek te
voorkomen.
Service en onderhoud
Gevaar van elektrische schok tijdens onderhoud

Onderhoud dient uitsluitend te worden verricht door gekwalificeerde technici.
Gevaar van elektrische schok tijdens reiniging van het apparaat

1.3
Gebruik geen vloeibare schoonmaakmiddelen of spuitbussen die alcohol,
spiritus of ammoniak bevatten.
Betekenis van de waarschuwingen
Signaalwoord
Soort risico
GEVAAR
Levensgevaar of gevaar voor ernstig
persoonlijk letsel.
5
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
1
Beveiliging
Betekenis van gevarensymbolen
1.4
Signaalwoord
Soort risico
WAARSCHUWING
Mogelijk levensgevaar of gevaar voor
ernstig persoonlijk letsel.
LET OP
Gevaar voor licht lichamelijk letsel of schade
aan eigendommen
BELANGRIJK
Gevaar voor storingen
Betekenis van gevarensymbolen
WARNING
Waarschuwing voor gevaarlijk gebied
WARNING
Waarschuwing voor gevaarlijke elektrische spanning
6
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Richtlijnen en normen
EU-richtlijnen
2
2 Richtlijnen en normen
2.1
EU-richtlijnen
Dit product voldoet aan de vereisten van de Europese richtlijnen 2004/108/EG
“Richtlijn elektromagnetische compatibiliteit”, 2006/95/EG “Laagspanningsrichtlijn”,
en 1999/5/EG R&TTE-richtlijn voor telecommunicatieapparatuur. De EU-verklaring
van overeenstemming is door de verantwoordelijke instanties op te vragen bij:
Siemens AB
Building Technologies Division
International Headquarters
Fire Safety & Security Products
Postadres
P.O. Box 1275
SE-171 24 Solna, Zweden
Europese richtlijn 2004/108/EC “Elektromagnetische compatibiliteit”
Tests volgens de onderstaande normen hebben aangetoond dat het product
voldoet aan Europese Richtlijn 2004/108/EC:
emc-emissie
EN 55022 Klasse B
emc-immuniteit
EN 50130-4
Europese richtlijn 2006/95/EG "Laagspanningsrichtlijn"
Tests volgens de onderstaande norm hebben aangetoond dat het product voldoet
aan Europese Richtlijn 2006/95/EC:
Veiligheid
EN 60950-1
7
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
3
Inleiding
3 Inleiding
Het LCD-bediendeel is een aan de wand gemonteerde interface waarmee de
volgende functies kunnen worden uitgevoerd:

Engineers kunnen het systeem programmeren met de menu's van de
programmeermodus Engineer (beveiligd met wachtwoord) en het systeem inen uitschakelen. Een gebruiker kan de dagelijkse bediening van het systeem
verzorgen.

Gebruikers kunnen de menu's voor Gebruikersprogrammering (beveiligd met
wachtwoord) openen en bedieningsprocedures (in-/uitschakelen) uitvoeren op
het systeem. (Zie de gebruikershandleiding van de SPCK420/421 voor meer
informatie over gebruikersprogrammering.)
Het LCD-bediendeel is voorzien van een geïntegreerde sabotageschakelaar aan
de voorzijde en heeft een display met 2 regels van 16 tekens. Het bediendeel heeft
een gebruikersvriendelijke navigatietoets waarmee u programmeeropties snel
vindt, en 2 contextgevoelige softwaretoetsen (links en rechts) voor het selecteren
van de gewenste menuoptie of programmeerinstelling. 3 LED's op het bediendeel
geven informatie over de AC-voeding, systeemwaarschuwingen en
communicatiestatus.
Het LCD-bediendeel kan worden geleverd met ingebouwde Portable ACE (PACE)
proximity-lezer (zie pagina [➙ 10]).
2
1
1
5
4
ghi
6
7
pqrs
ok
7
2
abc
5
jkl
8
3
def
6
mno
9
tuv
wxyz
0
#
8
3
4
3
LCD-bediendeel
1
Lcd-display
Op de display van het bediendeel (2 regels van 16 tekens) worden alle
waarschuwingen en meldingen getoond. Daarnaast is de display een visuele
8
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Inleiding
3
interface voor de programmering van het systeem (programmeren alleen in
engineermodus). U kunt het contrast aanpassen en instellen onder welke
omstandigheden de achtergrondverlichting wordt ingeschakeld.
2
Alfanumerieke
toetsen
Met de alfanumerieke toetsen kunnen tijdens de programmering
tekstgegevens en numerieke gegevens worden ingevoerd. U voert
alfabetische tekens in door meerdere keren op een toets te drukken. U
schakelt tussen hoofdletters en kleine letters met de hekjetoets (#). U voert
een cijfer in door de desbetreffende toets 2 seconden ingedrukt te houden.
3
Druktabs
De druktabs geven toegang tot de montageklemmen aan de achterzijde van
het bediendeel. Gebruikers kunnen deze klemmen loshalen van de voorzijde
door een schroevendraaier van 5mm in de uitsparingen te steken en
voorzichtig te duwen.
4
Borgschroef
achterzijde
Met deze schroef worden de voor- en achterzijde vastgezet op het
bediendeel. Deze schroef moet worden verwijderd om het bediendeel te
openen.
5
LEDstatusindicatoren
De LED-statusindicatoren geven informatie over de status van het systeem.
Zie voor een beschrijving de tabel hieronder.
6
Softwaretoetsen
De softwaretoetsen links en rechts zijn contextgevoelige toetsen voor het
navigeren door menu's/programmeeropties.
7
Gebied proximity- Als het bediendeel is uitgerust met een proximity-lezer (zie page [➙ 10]),
lezer
moeten gebruikers de Portable ACE Fob 1 cm van dit gebied houden om het
systeem in of uit te schakelen.
8
Multifunctionele
navigatietoets
De multifunctionele navigatietoets biedt in combinatie met de display een
interface voor de programmering van het systeem.
LED
Status
Wisselstroom
Geeft aan of netvoeding aanwezig is
(groen)
KNIPPEREN: stroomstoring gedetecteerd
BRANDT: wisselstroom OK
Systeemwaar
schuwing
(geel)
X-BUS Status
(rood)
Geeft een systeemwaarschuwing aan
KNIPPEREN: Systeemwaarschuwing gedetecteerd; op de display worden
locatie en soort waarschuwing getoond. Als het systeem is
INGESCHAKELD, worden systeemwaarschuwingen NIET aangegeven.
UIT: Geen waarschuwing gedetecteerd. Als een bediendeel is toegewezen
aan meer dan één gebied, geeft de LED geen waarschuwingsconditie aan
als een van deze gebieden is ingeschakeld
Geeft de status van de X-BUS-communicatie aan in de programmeermodus
Engineer volledig
Knippert langzaam: (ongeveer om de 1,5 seconde) geeft aan dat de
communicatiestatus OK is.
Knippert snel: (ongeveer om de 0,25 seconde) het bediendeel is de laatste
uitbreiding op de X-BUS
Als het bediendeel voor de eerste keer wordt geïnstalleerd en het wordt
voorzien van stroom voordat verbinding is gemaakt met de X-BUS-interface
van de controller, blijft de LED in de status AAN
9
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
4
Overzicht van typen bediendelen
4 Overzicht van typen bediendelen
Type bediendeel
Modelnr.
Basisfunctiona
liteit
Proximitydetectie
Geluid
Standaardbediendeel
SPCK420
Bediendeel met PACE
SPCK421
✓
-
-
✓
✓
-
✓
✓
Comfort-bediendeel
SPCK620
✓
omfort-bediendeel met
C
audio/kaartlezer
SPCK623
✓
-
1
2
Label bediendeel SPCK420/421
1 Label aan binnenzijde van bediendeel
2 Uitklaplabel waarop installateur gegevens kan noteren. Vul alle relevante informatie in als
de installatie is voltooid
10
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Interface van LCD-bediendeel gebruiken
5
5 Interface van LCD-bediendeel gebruiken
9
8
7
1
6
2
ok
5
3
4
Display van bediendeel
1 SOFTWARETO
ETS RECHTS
Met deze toets selecteert u de optie die rechts op de onderste regel van de
display wordt weergegeven.
Mogelijke waarden zijn:
→ SELECTEER om de optie te selecteren die wordt weergegeven op de
bovenste regel
→ INVOEREN om de gegevens in te voeren die worden weergegeven op de
bovenste regel
→ VOLGENDE om de waarschuwing te tonen die komt na de waarschuwing
die wordt weergegeven op de bovenste regel
→ WISSEN om de waarschuwing te wissen die wordt weergegeven op de
bovenste regel
→ OPSLAAN om een instelling op te slaan
2 OK
De knop OK fungeert als de toets SELECTEER voor de menuoptie die wordt
weergegeven op de bovenste regel en als toets OK/OPSLAAN voor de
gegevens die worden weergegeven op de bovenste regel.
3
In de programmeermodus navigeert u met de pijltoets rechts op dezelfde
manier door menu's als met de optie SELECTEER (softwaretoets rechts).
In de modus voor gegevensinvoer verplaatst u met deze toets de cursor een
positie naar rechts.
4
In de programmeermodus gaat u met de pijltoets omlaag naar de volgende
programmeeroptie op hetzelfde menuniveau. Door deze toets ingedrukt te
houden, bladert u door alle programmeeropties die beschikbaar zijn op het
huidige menuniveau.
In de alfanumerieke modus wijzigt u met deze toets een hoofdletter in een
kleine letter.
Als waarschuwingen worden weergegeven, gaat u met de pijltoets naar de
volgende waarschuwing in volgorde van prioriteit. (Zie de paragraaf over
Prioriteit van meldingen)
5
In de programmeermodus gaat u met de pijltoets links naar het vorige
menuniveau. U verlaat de programmeermodus door in het hoogste
menuniveau op deze toets te drukken.
In de modus voor gegevensinvoer verplaatst u met deze toets de cursor een
positie naar links.
6
In de programmeermodus gaat u met de pijltoets omhoog naar een vorige
programmeeroptie op hetzelfde menuniveau. Door deze toets ingedrukt te
houden, bladert u door alle programmeeropties die beschikbaar zijn op het
huidige menuniveau.
In de alfanumerieke modus wijzigt u met deze toets een kleine letter in een
11
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
5
Interface van LCD-bediendeel gebruiken
hoofdletter.
7 SOFTWARETO Met deze toets selecteert u de optie die links op de onderste regel van de
ETS LINKS
display wordt weergegeven.
Mogelijke waarden zijn:
→ EXIT: programmeermodus verlaten
→ TERUG: terug naar het vorige menu
8 ONDERSTE
REGEL VAN
DISPLAY
Bij inactiviteit is deze regel leeg.
9 BOVENSTE
REGEL VAN
DISPLAY
Bij inactiviteit worden de datum en tijd weergegeven. In de
programmeermodus wordt op deze regel het volgende weergegeven:
→ De te selecteren programmeerfunctie
→ De huidige instelling van de geselecteerde functie
→ De aard van de huidige waarschuwing tijdens een waarschuwingsconditie.
(Zie Prioriteit van meldingen hieronder)
In de programmeermodus worden op deze regel de beschikbare opties
weergegeven. Deze opties worden weergegeven boven de softwaretoetsen
links en rechts en kunnen met de softwaretoetsen worden geselecteerd.
Prioriteit van meldingen
Berichten en waarschuwingen bij problemen worden in de volgende volgorde
weergegeven op het bediendeel:



Zone
–
Alarmen
–
Sabotage
–
Probleem
Gebiedswaarschuwingen
–
Kan niet inschakelen
–
Inlooptijd uit
–
Sabotage code
Systeemwaarschuwingen
–
Netspanning
–
Batterij
–
PSU fout
–
Aux fout
–
Zekering buitensirene
–
Zekering binnensirene
–
Sirene sabotage
–
Sabotage behuizing
–
Aux. sabotage 1
–
Aux. sabotage 2
–
Storing draadloos
–
Modem 1 fout
–
Modem 1 lijn
–
Modem 2 fout
–
Modem 2 lijn
–
Kan niet communiceren
–
Gebruikerspaniek
–
XBus kabelfout
–
XBus communicatiefout
–
XBus netfout
12
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Interface van LCD-bediendeel gebruiken

–
XBus accufout
–
XBus voedingsfout
–
XBus zekeringfout
–
XBus sabotagefout
–
XBus antennefout
–
XBus storing draadloos
–
XBus paniek
–
XBus brand
–
XBus medisch
–
XBus voeding koppeling
–
XBUS uitgang sabotage
–
XBUS lage spanning
–
Engineer herstel vereist
–
Automatisch inschakelen
5
Systeeminformatie
–
Zones in duurtest
–
Open zones
–
Gebiedstoestand
–
Batterij laag (sensor)
–
Sensor vermist
–
WPA batterij laag
–
WPA vermist
–
WPA test te laat
–
Camera offline
–
Fob batterij laag
–
Xbus overspanning
–
Naam installateur
–
Telefoonnummer installateur
–
Engineer aan
–
Leverancier aan
–
Opnieuw opstarten
–
Hardwarefout
–
Aux overstroom
–
Lage batterij
–
Ethernet link
–
Systeemnaam
13
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Het systeem in- en uitschakelen
6 Programmeren in de gebruikersmodus via het
bediendeel
Programmeeropties voor de gebruiker zijn beschikbaar via het LCD- en comfortbediendeel. Welke menu's en opties zichtbaar zijn op het bedieningspaneel voor
inbraakbeveiliging, wordt geprogrammeerd door de installatie-engineer. Als een
gebruiker een optie die wordt beschreven in deze handleiding, niet kan zien, heeft
de gebruiker niet de bevoegdheid om die functionaliteit te gebruiken.
U benadert de gebruikersprogrammering als volgt:
1. Voer een geldige gebruikers-PIN in.
2. Blader met de pijltoetsen omhoog/omlaag naar de gewenste
programmeeroptie.
3. Druk in een menuoptie op # om te selecteren of om een parameter in of uit te
schakelen (bijvoorbeeld een gebruikersrecht). De geselecteerde parameter
wordt weergegeven met een * (bijv. *Uitstellen).
 Op het bediendeel wordt kort BIJGEWERKT weergegeven om aan te geven
dat een parameter is gewijzigd.
6.1
Het systeem in- en uitschakelen
Voor elke menuoptie moet het bediendeel in de programmeermodus Gebruiker
zijn:
1. Voer een geldige gebruikerscode in.
2. U selecteert een programmeeroptie met de pijltoetsen omhoog/omlaag of u
voert het cijfer in dat wordt aangegeven in de tabel hieronder.
6.1.1
1
UITSCHAKEL Het systeem uitschakelen. Als er meerdere gebieden zijn gedefinieerd, wordt elk
EN
gebied weergegeven in een submenu. In een systeem met één gebied wordt
deze optie alleen aangeboden als het systeem is ingeschakeld.
2
INSCHAKELE Het systeem volledig inschakelen. Als er meerdere gebieden zijn gedefinieerd,
N
wordt elk gebied weergegeven in een submenu. In een systeem met één gebied
wordt deze optie alleen aangeboden als het systeem is uitgeschakeld.
3
DEELSCHAK
ELING A
Het systeem inschakelen met deelschakeling A. Als er meerdere gebieden zijn
gedefinieerd, wordt elk gebied weergegeven in een submenu.
4
DEELSCHAK
ELING B
Het systeem inschakelen met deelschakeling B. Als er meerdere gebieden zijn
gedefinieerd, wordt elk gebied weergegeven in een submenu.
UITSCHAKELEN
U schakelt het systeem als volgt uit:
1. Voer een geldige gebruikerscode in.
 Op het bediendeel verschijnt de vraag of u het systeem wilt uitschakelen.
2. Druk op SELECTEER.
 Op de onderste regel van het bediendeel wordt gedurende circa 5
seconden weergegeven dat het systeem is uitgeschakeld. Hierna verdwijnt
deze melding.
3. Als het alarm is geactiveerd, voert u de gebruikerscode in.
 Alle sirenes en flitslichten gaan uit.
14
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Het systeem in- en uitschakelen
6
 De melding UITGESCHAKELD wordt gedurende circa 5 seconden op de
display weergegeven.
 De bron van de alarmconditie wordt aangegeven op het bediendeel en de
waarschuwings-LED knippert.
 De waarschuwing wordt op het bediendeel aangegeven totdat de
waarschuwing is hersteld.
6.1.2
INSCHAKELEN
De optie INSCHAKELEN biedt de volgende functionaliteit:

Volledige beveiliging van een gebouw (door openen van alarmzones wordt
alarm geactiveerd)

Bij het openen van inloop-/uitloopzones wordt de inlooptimer gestart.
Als het alarm niet wordt uitgeschakeld voordat de inlooptimer afloopt, wordt het
alarm geactiveerd.
U selecteert de optie INSCHAKELEN als volgt:
1. Blader naar INSCHAKELEN.
2. Druk op SELECTEER.
 Op de tweede regel wordt de uitlooptijd weergegeven en de zoemer klinkt
om aan te geven dat de gebruiker het gebouw moet verlaten.
 Wanneer het systeem is ingeschakeld, wordt op de onderste regel van de
display gedurende circa 10 seconden INGESCHAKELD weergegeven.
Het systeem kan niet worden ingeschakeld als er een open- of foutconditie wordt
gedetecteerd in een alarmzone wanneer de optie INSCHAKELEN of
DEELSCHAKELING A/B wordt geselecteerd. Op het bediendeel worden nummer
en beschrijving van de zone weergegeven.
U kunt het systeem pas inschakelen nadat u de zone hebt gesloten of de fout
hebt verholpen. Kies daarna nogmaals de optie INSCHAKELEN of
DEELSCHAKELING A/B.
Overbrugde zones of zones in duurtest worden weergegeven bij inschakeling van
het systeem. Selecteer de optie Overbrugd of Duurtest en blader met de
pijltoetsen omhoog/omlaag door de lijst met zones.
NOTICE
Het systeem kan niet worden ingesteld als er een sabotage actief is
De volgende fouten verhinderen ook dat het systeem kan worden ingesteld:
- Zekering buitensirene
- Zekering binnensirene
- Sirene sabotage
Voor een systeem van beveiligingsklasse 3 is een engineercode vereist om het
systeem geforceerd in te schakelen.
Als instellen is verhinderd aan het einde van de verlengde uitgangsperiode, wordt
dit aangegeven door een akoestische waarschuwing op het bediendeel. Er
verschijnt ook een bericht op het bediendeel.
15
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Het systeem in- en uitschakelen
6.1.3
DEELSCHAKELING
De optie DEELSCHAKELING biedt de volgende functionaliteit:

Perimeterbeveiliging voor een gebouw terwijl vrije beweging door de uitloop- en
inloopgebieden is toegestaan

Uitsluiting van zones met de instelling UITSLUITEN A/B van beveiliging

Directe activering van alarm bij selectie van de modus; standaard zijn er geen
uitlooptijden ingesteld in DEELSCHAKELING A/B.
U selecteert DEELSCHAKELING A/B als volgt:
1. Blader naar DEELSCHAKELING A of DEELSCHAKELING B.
2. Druk op SELECTEER.
 Op de onderste regel van de display wordt gedurende circa 10 seconden
DEELSCHAKELING A/B INGESCHAKELD weergegeven.
Het systeem kan niet worden ingeschakeld als er een open- of foutconditie wordt
gedetecteerd in een alarmzone wanneer de optie INSCHAKELEN of
DEELSCHAKELING A/B wordt geselecteerd. Op het bediendeel worden nummer
en beschrijving van de zone weergegeven.
U kunt het systeem pas inschakelen nadat u de zone hebt gesloten of de fout
hebt verholpen. Kies daarna nogmaals de optie INSCHAKELEN of
DEELSCHAKELING A/B.
Overbrugde zones of zones in duurtest worden weergegeven bij inschakeling van
het systeem. Selecteer de optie Overbrugd of Duurtest en blader met de
pijltoetsen omhoog/omlaag door de lijst met zones.
NOTICE
Het systeem kan niet worden ingesteld als er een sabotage actief is
De volgende fouten verhinderen ook dat het systeem kan worden ingesteld:
- Zekering buitensirene
- Zekering binnensirene
- Sirene sabotage
Voor een systeem van beveiligingsklasse 3 is een engineercode vereist om het
systeem geforceerd in te schakelen.
Als instellen is verhinderd aan het einde van de verlengde uitgangsperiode, wordt
dit aangegeven door een akoestische waarschuwing op het bediendeel. Er
verschijnt ook een bericht op het bediendeel.
6.1.4
GEFORC. INSCHAK.
Inschakeling van het systeem kan worden geforceerd, hoewel er nog een
alarmzone open is.
Met de optie Geforceerd inschakelen worden deze zones uitgesteld en het
systeem op de normale manier ingeschakeld.
U schakelt het systeem als volgt geforceerd in:
16
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Het systeem in- en uitschakelen
6
1. Blader naar INSCHAKELEN of DEELSCHAKELING A/B.
2. Druk op SELECTEER.
 Op de eerste regel van de display worden de open zones aangegeven.
3. Selecteer FORCEER met de functietoets rechts.
4. Selecteer GEFORC. INSCHAK.
 Het systeem wordt ingesteld.
6.1.5
Waarschuwingen bekijken en wissen
Waarschuwingscondities op het SPC-systeem worden op het bediendeel
aangegeven door een knipperende gele waarschuwings-LED en door de zoemer.
Met de optie FOUTEN ZIEN op het bediendeel worden de locatie en aard van de
waarschuwingsconditie weergegeven.
Of een gebruiker waarschuwingen kan wissen, is afhankelijk van de
beveiligingsklasse van het systeem (conform de normen). Een
waarschuwingsconditie kan pas worden gewist nadat de fout of zone die de
waarschuwing heeft veroorzaakt, fysiek is teruggezet in de normale toestand. Een
open zone moet bijvoorbeeld worden gesloten en een verbroken verbinding met de
X-BUS moet worden hersteld. De optie WAARSCH. WISSEN wordt pas actief in
het SPC-systeem als is gedetecteerd dat de fout is hersteld.
Het is mogelijk dat een gebruiker de functie WAARSCH. WISSEN niet kan
gebruiken als de engineer hem of haar geen bevoegdheid heeft toegekend voor de
functie Herstellen. Gebruikers die een waarschuwing niet kunnen wissen,
ontvangen foutmeldingen op het bediendeel totdat de zone of foutconditie is
uitgesteld of overbrugd.
Een waarschuwingsconditie wordt alleen op het bediendeel weergegeven
wanneer het systeem uitgeschakeld is. Als het systeem is ingeschakeld wanneer
een waarschuwingsconditie optreedt, wordt op het bediendeel de
waarschuwingsconditie niet aangegeven. Dit gebeurt pas als het systeem wordt
uitgeschakeld.
Een waarschuwingsconditie TONEN die is veroorzaakt door het
openen van een zone:
1. Voer een geldige gebruikerscode in op het bediendeel.
2. Selecteer de optie FOUTEN ZIEN.
3. Blader door de waarschuwingen.
4. Druk op (*) om de alarmconditie voor een gebied weer te geven.
 Op het bediendeel worden de zone en het waarschuwingstype
weergegeven in de notatie 'Zone 1 <XX>', waarbij XX staat voor het
waarschuwingstype:
A - Alarm
T - Sabotage
TR - Probleem
M - Gemaskeerd
PA - Post alarm
5. Verlaat het systeem.
17
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Het systeem in- en uitschakelen
Een waarschuwingsconditie WISSEN die is veroorzaakt door het
openen van een zone:
1. Herstel de normale toestand voor de alarmsensor door de deur of het venster
te sluiten of
2. Voer een geldige gebruikerscode in en selecteer de optie WAARSCH.
WISSEN.
3. Druk op de rechtermenutoets om de waarschuwing te wissen.
 De melding ALLE WAARSCHUWINGEN GEWIST wordt weergegeven.
 De waarschuwings-LED knippert.
Voor waarschuwingscondities van het type systeem- of
communicatiefout (stroomstoring of verbinding met X-BUS
verbroken):
1. Lokaliseer de bron van de waarschuwingsconditie.
2. Controleer of alle snoeren en kabels goed zijn aangesloten.
Voor een sabotagewaarschuwing:
1. Zorg dat panelen van alle behuizingen en apparaten goed zijn gesloten.
Als de fysieke fout niet kan worden teruggezet naar de normale toestand, neemt
u contact op met de installatie-engineer.
2. Het alarmsysteem blijft functioneren als de foutconditie wordt uitgesteld of
overbrugd.
NOTICE
Het bericht 'Waarschuwingen wissen' verschijnt niet als een duress-code wordt
ingevoerd op het bediendeel. Dit wordt pas weergegeven nadat de duress is
gewist.
6.1.6
CODE HERSTELD
Met de functie wordt ingesteld dat de gebruiker waarschuwingscondities kan
herstellen die normaliter alleen de installatie-engineer kan herstellen. Deze
bevoegdheid moet echter worden beveiligd met een code.
U voert als volgt een beveiligd herstel van het systeem uit:
 De beveiligingsklasse van het systeem moet zijn ingesteld op Klasse 3 of
Onbeperkt.
 Zog dat de zone of fout die de alarmconditie heeft veroorzaakt, fysiek is
teruggezet naar de normale toestand.
 Neem contact op met de installateur voordat u de modus
Gebruikersprogrammering activeert en de functie Beveiligd herstel selecteert.
Als het goed is, worden de contactgegevens van de installateur aangegeven
op het uitklaplabel onder het bediendeel.
1. Druk SELECTEER bij de optie Beveiligd herstel.
18
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
6
 Op de bovenste regel wordt een resetcode van 6 cijfers weergegeven.
2. Geef de code van 6 cijfers door aan de installateur.
3. U ontvangt een nieuwe gegenereerde code van de installateur.
4. Voer de nieuwe code in bij de prompt AUTH.CODE.
5. Druk op SELECTEER.
 De melding SYSTEEM HERSTELD wordt weergegeven op de bovenste regel
van de display.
6.2
Gebruikersmenu's
1. Voer een geldige gebruikers-PIN in.
2. Blader naar MENU'S en druk op SELECTEER.
3. U selecteert een programmeeroptie met de pijltoetsen omhoog/omlaag of u
voert het cijfer in dat wordt aangegeven in de tabel hieronder.
SYSTEEM STATUS
Gebruikers toestaan de status te bekijken van de volgende
elementen:






UITSTELLEN
OPEN ZONES
WAARSCHUWINGEN
IN DUURTEST
OVERBRUGGINGEN
BATTERIJ
AUX
Gebruikers toestaan een zone uit te stellen.
OVERBRUGGEN
Gebruikers toestaan een zone te overbruggen.
INST. DATUM/TIJD
Gebruikers toestaan de tijd en datum in te stellen.
TEST
Gebruikers toestaan een SIRENE TEST, LOOPTEST, WPA
TEST uit te voeren of AUDIO OPTIES te wijzigen.
GEBEURT.LOGBOEK
Gebruikers toestaan een logboek van de meest recente
gebeurtenissen op het systeem weer te geven.
TOEGANGSLOGBOEK
Gebruikers toestaan een logboek van de meest recente
toegang tot het systeem weer te geven.
ALARM GEHEUGEN
Gebruikers toestaan een logboek weer te geven van de meest
recente waarschuwingen die zijn gegenereerd door gebieden
die zijn geconfigureerd in systeem.
DEURBEL
Gebruiker toestaan de belfunctie in of uit te schakelen voor alle
zones waarvoor de bel is geprogrammeerd als hoorbare
waarschuwingsfunctie.
GEBRUIKERS
Gebruiker met voldoende gebruikersrechten toestaan
gebruikers toe te voegen, te wijzigen en te verwijderen.
GEBRUIKERPROFIELEN
Gebruiker met voldoende gebruikersrechten toestaan
gebruikerprofielen toe te voegen, te wijzigen en te verwijderen.
SMS
Gebruiker toestaan SMS-services voor het versturen van korte
tekstberichten naar mobiele toestellen over de PSTN-lijn toe te
voegen, te wijzigen of te verwijderen. SMS-ID's worden
geconfigureerd met een mobiel telefoonnummer, pincode en
verschillende SMS-besturingen die gebruikers op afstand
kunnen uitvoeren, en verschillende SMS-gebeurtenissen die
gebruikers kunnen ontvangen. Een SMS-ID wordt toegewezen
aan een gebruiker.
VERANDER CODE
Gebruikers toestaan hun gebruikers-PIN te wijzigen.
19
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
DEURCONTROLE
De gebruiker toestaan deuren te besturen. Hij of zij kan de
deur vergrendelen/ontgrendelen en de normale bedrijfsmodus
van de deur herstellen.
VERLEEN TOEGANG
Gebruikers toestaan Engineer- of Leveranciertoegang te
verlenen tot het systeem.
MELDEN AAN ENGIN
De gebruiker toestaan om de laatste 10 gebeurtenissen in het
logboek als SMS naar de engineer te sturen. Afhankelijk van
de grootte van de beschrijving van de gebeurtenis kan er meer
dan één SMS-bericht nodig zijn.
Als de beveiligingsklasse van het systeem is ingesteld op 'Onbeperkt', worden de
functies UITSTELLEN, OVERBRUGGEN en TOEGANG VERLENEN mogelijk
niet aangeboden in het gebruikersmenu. Alleen bepaalde typen
Gebruikerprofielen geven toegang tot menu's met opties voor
gebruikerprogrammering.
6.2.1
SYSTEEM STATUS
Met de functie Systeemstatus geeft u alle fouten en storingen op het systeem
weer.
Om deze fouten en storingen weer te geven:
1. Blader naar SYSTEEMSTATUS.
2. Druk op SELECTEER.
 De status van de volgende items wordt getoond.
 Klik op een item om meer details weer te geven.
Menuoptie
Omschrijving
OPEN ZONES
Hiermee geeft u alle open zones weer.
WAARSCHUWINGEN
Hiermee geeft u alle actuele waarschuwingen in het systeem
weer.
IN DUURTEST
Hiermee geeft u alle zones in duurtest weer
OVERBRUGGINGEN
Hiermee geeft u overbrugde zones weer.
KAN NIET INSCHAKELEN Hiermee geeft u alle gebieden weer die niet konden worden
ingeschakeld. Selecteer een gebied om meer informatie weer
te geven over de oorzaak van het niet inschakelen.
6.2.2
ACCU
Hiermee geeft u spanning en stroom van de accu weer.
AUX
Hiermee geeft u spanning en stroom van de hulpvoeding
weer.
OVERBRUGGEN
Zones, systeemwaarschuwingen of waarschuwingen van X-BUS-apparaten
kunnen handmatig worden overbrugd vanaf het bediendeel. Een zone overbruggen
houdt in dat de zone uit het systeem wordt verwijderd totdat de gebruiker de
overbrugging opheft.
U overbrugt als volgt zones, systeemwaarschuwingen of waarschuwingen van XBUS-apparaten:
20
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
6
1. Blader naar OVERBRUGGEN en druk op SELECTEER.
2. Blader naar de gewenste optie in de tabel hieronder en druk op SELECTEER.
6.2.3
ZONE
Selecteer de gewenste zone en schakel de instelling van NIET
OVERBRUGD naar OVERBRUGD.
SYSTEEM
De gewenste systeemwaarschuwing overbruggen.
XBUS
De gewenste waarschuwing overbruggen van UITBREIDINGEN
of BEDIENDELEN:
 XBUS COMM. FOUT
 XBUS ZEK. FOUT (alleen uitbreidingen)
 X-BUS SABOTAGE
TOON ISOLATIES
Een lijst met overbrugde zones, systeemwaarschuwingen en
waarschuwingen van X-BUS-apparaten weergeven.
UITSTELLEN
Zones en waarschuwingen van X-BUS-apparaten kunnen vanaf het bediendeel
handmatig worden uitgesteld. Een zone uitstellen houdt in dat de zone gedurende
één inschakelperiode uit het systeem wordt verwijderd.
U stelt als volgt zones of waarschuwingen van X-BUS-apparaten uit:
1. Blader naar UITSTELLEN en druk op SELECTEER.
2. Blader naar de gewenste optie in de tabel hieronder en druk op SELECTEER:
ZONES
Selecteer de gewenste zone en schakel de instelling van NIET UITGESTELD naar
UITGESTELD.
SYSTEEM
Selecteer de vereiste systeemwaarschuwing en schakel de instelling van
UITGESCHAKELD naar INGESCHAKELD om de waarschuwing uit te stellen.













XBUS
ACCUFOUT
AUX ZEKERINGFOUT
EXT ZEKERINGFOUT INT ZEKERINGFOUT
SIRENE SABOTAGE
AUX 1 SABOTAGE
AUX 2 SABOTAGE
ANTENNE SABOTAGE
MODEM 1 LIJNFOUT
MODEM 2 LIJNFOUT
XBUS KABELFOUT
KAN NT DOORMELDE
PSU FOUT
De gewenste waarschuwing overbruggen van UITBREIDINGEN of BEDIENDELEN:



TOON
UITSTELLING
NETFOUT
XBUS COMM. FOUT
XBUS ZEKERINGFOUT (alleen uitbreidingen)
X-BUS SABOTAGE
Een lijst met uitgestelde zones, systeemwaarschuwingen en waarschuwingen van
X-Bus-apparaten weergeven.
21
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
Alleen de zonetypen ALARM, UITGANG/INGANG, BRANDUITGANG en LIJN
kunnen worden uitgesteld op het SPC-systeem. Alle andere zonetypen worden
niet aangeboden in de menu's voor uitstellen.
6.2.4
INST. DATUM/TIJD
U kunt de datum en tijd handmatig invoeren op het systeem. De tijd en datum
worden weergegeven op het bediendeel en de browser. De informatie wordt
gebruikt voor tijdgerelateerde functies.
1. Blader naar INST. DATUM/TIJD en druk op SELECTEER.
 De datum wordt weergegeven op de bovenste regel van de display.
2. Met de nummertoetsen kunt u een nieuwe datum invoeren. U verplaatst de
cursor naar links en rechts met de pijltoetsen links en rechts.
3. Druk op OK om de nieuwe datum op te slaan.
 Als u probeert een ongeldige datum op te slaan, wordt gedurende 1
seconde de melding ONGELD. WAARDE weergegeven en wordt u
gevraagd een geldige datum in te voeren.
4. Met de nummertoetsen kunt u een nieuwe tijd invoeren. U verplaatst de cursor
naar links en rechts met de pijltoetsen links en rechts.
5. Druk op OK om de nieuwe tijd op te slaan.
 Als u probeert een ongeldige tijd op te slaan, wordt gedurende 1 seconde
de melding ONGELD. WAARDE weergegeven en wordt u gevraagd een
geldige tijd in te voeren.
6.2.5
TEST
1. Blader naar TEST en druk op SELECTEER.
2. Blader naar de gewenste programmeeroptie.
6.2.5.1
SIRENE TEST
U voert als volgt een sirenetest uit:

Blader naar TEST > SIRENE TEST en druk op SELECTEER.
 Als SIRENE TEST is geselecteerd, zijn de volgende opties beschikbaar:
BUITENSIRENES, FLITSLICHT, BINNENSIRENES en ZOEMER. Als u een
van deze opties selecteert, wordt het apparaat geactiveerd en kunt u
controleren of het correct werkt.
6.2.5.2
LOOPTEST
Met een looptest controleert u of de sensoren correct werken in het SPC-systeem.
U voert als volgt een looptest uit:
1. Blader naar TEST > LOOPTEST.
2. Druk op SELECTEER.
22
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
6
3. Op de display wordt het aantal zones dat moet worden getest, aangegeven
door de melding IN TEST XX, waarbij XX het aantal zones is dat in aanmerking
komt voor een looptest. Kijk waar de sensor in de eerste zone zich bevindt, en
activeer de sensor (open de deur of het venster).
 De zoemer van het bediendeel klinkt continu gedurende circa 2 seconden
om aan te geven dat de activering van de zone is gedetecteerd. Het aantal
te testen zones dat wordt weergegeven op het bediendeel, wordt
verminderd.
4. Ga door met de overige zones in het systeem totdat alle zones zijn getest. Als
de activering van een zone niet wordt bevestigd door het systeem, controleert
u de bedrading van de sensor. Vervang de sensor zo nodig.
NOTICE
Alleen de zonetypen ALARM, INGANG/UITGANG en BRAND UITGANG kunnen
worden opgenomen in een gebruikerslooptest
6.2.5.3
WPA TEST
U kunt een WPA-test alleen uitvoeren als de installateur de WPA heeft
geregistreerd.
1. Blader naar TEST > WPA TEST.
2. Druk op SELECTEER.
 Op de display van het bediendeel knippert ACTIVEER WPA.
3. Houd alle 3 de knoppen op de WPA ingedrukt.
 De LED op de WPA gaat branden.
 De WPA zender-ID, status en signaalsterkte van de WPA worden
weergegeven op het bediendeel.
6.2.5.4
AUDIO OPTIES
De audio-opties worden toegepast als indicatoren bij een looptest.
U stelt de audio-opties als volgt in:
1. Blader naar AUDIO OPTIES.
2. Druk op SELECTEER.
3. Blader naar een van de volgende opties: ALLES, BINNENSIRENE,
BUITENSIRENE, BEDIENDEEL
4. Druk op OPSLAAN.
5. Druk op TERUG om het menu te sluiten.
6.2.5.5
SEISMISCHE TEST
U voert als volgt een seismische test uit:
1. Blader naar TEST > SEISMISCH TEST.
23
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
2. Druk op SELECTEER.
3. Selecteer TEST ALLE GEBIE., of selecteer een gebied dat u wilt testen.
4. Als u één gebied selecteert, kunt u TEST ALLE ZONES selecteren of een
seismische zone selecteren die u wilt testen.
 De melding ‘SEISMISCH TEST’ wordt weergegeven op het bediendeel
terwijl de test wordt uitgevoerd.
 Als de test mislukt, verschijnt de melding ‘SEISMISCH FOUT’. Als u op de
knop “i” of WEERGAVE drukt, wordt er een lijst weergegeven met zones
die de test niet hebben doorstaan, waarin u kunt bladeren.
 Als de test lukt, verschijnt ‘SEISMISCH OK’.
Zie ook Seismische sensoren testen.
6.2.5.6
VISUELE INDICATOREN
Met deze optie test u de LED's en alle pixels op het scherm van het bediendeel.
U test de LED's en het scherm als volgt:
1. Blader naar VISUELE INDICAT.
2. Druk op SELECTEER.
3. Selecteer INSCHAKELEN.
Alle LED's worden geactiveerd en elke pixel in het scherm wordt gedurende 12
seconden getest. U kunt de test annuleren door te drukken op de knop Terug.
6.2.6
GEBEURT.LOGBOEK
Kies de optie GEBEURT.LOGBOEK om recente gebeurtenissen in het systeem
weer te geven. Gebeurtenissen knipperen in intervallen van één seconde.
1. Blader naar GEBEURT.LOGBOEK en druk op SELECTEER.
2. Als u de gebeurtenissen van een bepaalde datum wilt bekijken, voert u de
datum in met de nummertoetsen.
 De meest recente gebeurtenis wordt op de onderste regel van de display
weergegeven. Alle eerdere gebeurtenissen worden om de beurt gedurende
één seconde weergegeven.
6.2.7
TOEGANGSLOGBOEK
Kies de optie TOEGANG LOG om zonetoegang in het systeem weer te geven.
1. Blader naar TOEGANG LOG en druk op SELECTEER.
2. Selecteer een deur in het systeem waarvoor u toegangsgebeurtenissen wilt
weergeven.
 De meest recente toegangsgebeurtenissen worden weergegeven met
datum en tijd.
3. Blader omlaag door de toegangsgebeurtenissen of voer een datum in en druk
op ENTER om een bepaalde toegangsgebeurtenis te vinden.
24
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
6.2.8
6
DEURBEL
De functie Deurbel kan worden in- of uitgeschakeld voor alle zones waarvoor de
deurbel is geprogrammeerd als hoorbare waarschuwingsfunctie.
U schakelt de functie Deurbel als volgt in of uit:
1. Blader naar DEURBEL en druk op SELECTEER.
2. Kies de gewenste optie voor de deurbel: AAN of UIT.
6.2.9
GEBRUIKERS
Alleen gebruikers waarvoor het bijbehorende gebruikersrecht is ingeschakeld in
hun profiel, kunnen gebruikers toevoegen, bewerken of verwijderen:
6.2.9.1
TOEVOEGEN
Gebruikers toevoegen aan het systeem:
1. Blader naar GEBRUIKERS > TOEVOEGEN.
 Selecteer een gebruiker-ID uit de beschikbare ID's in het systeem en druk
op SELECTEER.
2. Druk op ENTER om de standaardnaam van de gebruiker te accepteren of voer
een eigen gebruikersnaam in en druk op ENTER.
3. Blader naar het gewenste type gebruikerprofiel en druk op ENTER om dit te
selecteren.
 Voor elke nieuwe gebruiker wordt een standaard-PIN gegenereerd.
4. Druk op ENTER om de standaard gebruiker-PIN te accepteren of voer een
nieuwe gebruiker-PIN in en druk op ENTER.
Op het bediendeel wordt bevestigd dat er een nieuwe gebruiker is aangemaakt.
6.2.9.2
BEWERKEN
Gebruikers bewerken in het systeem:
1. Blader naar GEBRUIKERS > BEWERKEN.
2. Druk op SELECTEER.
3. Bewerk de gebruikersinstellingen. Zie voor meer informatie de tabel hieronder.
WIJZIG NAAM
De huidige gebruikersnaam bewerken
GEBRUIKERPRO Selecteer het profiel voor deze gebruiker.
FIEL
DWANG
GEBRUIKER
Schakel Dwang in of uit voor deze gebruiker.
DATUM LIMIET
Schakel dit vakje in als de gebruiker slechts voor een bepaalde periode toegang
heeft tot het systeem. Voer een begin- en einddatum in en druk op ENTER.
TAG
De functionaliteit Kaartlezer in- of uitschakelen
RF FOB
Toegang via RF Fob in- of uitschakelen (draadloos bediendeel,
afstandsbediening)
25
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
MAN-DOWN
[MDT]
Hiermee schakelt u de man-down test in.
TOEGANGSCON
TROLE
Als er geen kaart is toegewezen aan de gebruiker:


VOEG KAART TOE
KAART INLEREN
Als er een kaart is toegewezen aan de gebruiker:



TAAL
6.2.9.3
BEWERK KAART
–
KAART NUMMER
–
KAART EIGENSCHAP (zie Toegangscontrole)
RESET KAART
KAART WISSEN
Selecteer de taal waarin het systeem voor de gebruiker wordt weergegeven.
TOEGANGSCONTROLE
Aan elke gebruiker op het bedieningspaneel kan één toegangskaart worden
toegewezen.
De toegangscontrole configureren voor een gebruiker:
1. Blader naar GEBRUIKERS > BEWERKEN.
2. Druk op SELECTEER.
3. Blader naar de gebruiker die u wilt configureren, en druk op SELECTEER.
4. Blader naar TOEGANGSCONTROLE en druk op SELECTEER.
In de volgende secties worden programmeeropties voor de optie toegangscontrole
beschreven voor de geselecteerde gebruiker.
6.2.9.3.1 KAART handmatig TOEVOEGEN
Als het kaartformaat van het kaartnummer bekend is, kan de kaart handmatig
worden gemaakt.
De locatiecode van de kaart wordt geconfigureerd voor het gebruikerprofiel dat is
toegewezen voor deze gebruiker.
1. Blader naar VOEG KAART TOE
2. Druk op SELECTEER.
 Er is een lege kaart toegevoegd die nu kan worden bewerkt.
6.2.9.3.2 KAART INLEREN
NOTICE
Alleen kaarten met een ondersteunde kaartindeling kunnen worden ingeleerd.
Als het kaartnummer of de kaartindeling niet bekend is, kan de kaart worden
gelezen en de informatie worden ingeleerd.
1. Blader naar KAART INLEREN.
2. Druk op SELECTEER.
3. Selecteer de deur waaraan de kaart wordt gepresenteerd.
26
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
6
4. Druk op SELECTEER.
NOTICE
De nieuwe kaart kan worden gepresenteerd bij de ingangslezer of uitgangslezer
van de geselecteerde deur.
5. Presenteer de kaart bij een kaartlezer van de geselecteerde deur.
 De informatie voor de nieuwe kaart wordt ingeleerd.
6.2.9.3.3 BEWERK KAART
Als een toegangskaart al is toegewezen aan een gebruiker, kan dit worden
gewijzigd via het bediendeel:
1. Blader naar KAART BEWERKEN.
2. Druk op SELECTEER.
3. Bewerk de gebruikersinstellingen. Zie voor meer informatie de tabel hieronder.
4. Druk op TERUG om het menu te sluiten.
Toegangscontrole
Eigenschap
Omschrijving
Kaartnummer
Voer kaartnummer in Voer 0 in om de toewijzing van de
kaart op te heffen.
Kaart verloopt
Vink aan om tijdelijk deze kaart te blokkeren.
Verlengde tijd
Verleng deurtimers wanneer deze kaart wordt
gepresenteerd.
PIN overbruggen
Een deur openen zonder PIN bij een deur met PIN-lezer.
Prioriteit
Prioriteitskaarten worden lokaal opgeslagen in de
deurcontrollers. Ze geven toegang in het geval van een
technische storing waarbij de deurcontroller niet kan
communiceren met het bedieningspaneel.
Begeleiden
De functie Begeleiden dwingt af dat kaarthouders met
bijzondere rechten andere kaarthouders moeten begeleiden
door bepaalde deuren. Als deze functie is ingeschakeld op
een deur, moet de kaart met het recht om te "begeleiden"
worden gepresenteerd voordat andere kaarthouders zonder
dit recht de deur kunnen openen. De periode waarin
kaarthouders hun kaart kunnen presenteren nadat een
kaart met begeleidingsrecht is gepresenteerd, kan worden
geconfigureerd per deur.
Beheerder
Met de functie Beheerder wordt afgedwongen dat een
kaarthouder met het recht Beheerder altijd in een ruimte
(deurgroep) moet zijn als zich hier andere kaarthouders
bevinden.
De beheerder moet de ruimte als eerste betreden. Pas als
de beheerder in de ruimte is, mogen andere kaarthouders
binnenkomen. De kaarthouder met het recht Beheerder
mag de ruimte pas uit als alle kaarthouders zonder dit recht
de ruimte hebben verlaten.
Hiermee wordt deze kaarthouder geïdentificeerd als
beheerder. De gebruiker met de eigenschap Beheerder
moet als eerste een deurgroep ingaan waarvoor een
kaarthouder met het recht Beheerder nodig is, en moet
27
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
Eigenschap
Omschrijving
deze deurgroep als laatste verlaten.
6.2.9.3.4 KAART WISSEN
Een toegangskaart die niet meer nodig is, kan worden verwijderd via het
bediendeel.
1. Blader naar KAART WISSEN.
2. Druk op SELECTEER.
6.2.9.3.5 RESET KAART
Als de functie "Voorkom passback" is geactiveerd in een ruimte en een gebruiker
deze ruimte verlaat zonder de uitgangslezer te gebruiken, krijgt de gebruiker de
volgende keer geen toestemming om de ruimte te betreden. De kaart van de
gebruiker kan worden gereset zodat deze de kaart nog een keer kan presenteren
zonder dat een passbackcontrole wordt uitgevoerd.
De kaart resetten via het bediendeel:
1. Blader naar RESET KAART.
2. Druk op SELECTEER.
6.2.9.4
VERWIJDEREN
Gebruikers verwijderen uit het systeem:
1. Blader naar GEBRUIKERS > VERWIJDEREN.
2. Druk op SELECTEER.
 U wordt gevraagd te bevestigen dat u de gebruiker wilt bevestigen.
3. Druk op JA om de gebruiker te verwijderen.
6.2.10
6.2.10.1
GEBRUIKERPROFIELEN
TOEVOEGEN
Gebruikerprofielen toevoegen aan het systeem:
De maker moet een gebruiker zijn met het profieltype MANAGER.
1. Blader naar GEBRUIKERPROFIELEN > TOEVOEGEN.
 De optie NIEUWE NAAM wordt weergegeven. Druk op SELECTEER.
2. Voer een naam in voor het gebruikerprofiel en druk op ENTER.
28
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
6
 Op het bediendeel wordt bevestigd dat er een nieuwe gebruiker is
gemaakt.
6.2.10.2
BEWERKEN
Gebruikerprofielen bewerken in het systeem:
1. Blader naar GEBRUIKERPROFIELEN > BEWERKEN.
2. Druk op SELECTEER.
3. Wijzig een of meer van de profielinstellingen in de tabel hieronder.
6.2.10.3
VERANDER NAAM
De naam van het profiel wijzigen.
VERAND. GEBIEDEN
De gebieden voor dit profiel selecteren.
KALENDER
Een geconfigureerde kalender of GEEN selecteren.
RECHTEN
Systeemfuncties voor dit profiel in- of uitschakelen. Zie
Gebruikersrechten.
DEUR
Het type toegang selecteren dat met dit profiel beschikbaar is
voor de geconfigureerde deuren. Optie zijn GEEN, GEEN
LIMIET of KALENDER.
SITE CODE
Een sitecode invoeren voor alle kaarten die gebruikmaken
van dit profiel.
VERWIJDEREN
Gebruikerprofielen verwijderen uit het systeem:
1. Blader naar GEBRUIKERPROFIELEN > VERWIJDEREN.
2. Blader door de gebruikerprofielen naar het gewenste profiel.
3. Druk op SELECTEER.
 U wordt gevraagde de verwijdering te bevestigen.
4. Druk op SELECTEER om het gebruikerprofiel te verwijderen.
6.2.11
SMS
Het SPC systeem ondersteunt de verzending van SMS-waarschuwingen vanaf het
paneel naar de mobiele telefoon van de engineer en geselecteerde gebruikers
(SMS-gebeurtenissen) naast de mogelijkheid om het SPC systeem op afstand te
beheren via SMS (SMS-besturing). Deze twee functies werken nauw samen omdat
ze de gebruiker in staat stellen te reageren op een SMS-notificatie zonder fysiek
aanwezig te zijn in het gebouw.
Voor elk paneel kunnen maximaal 32 (SPC4xxx), 50 (SPC5xxx) of 100 (SPC6xxx)
SMS-ID's worden geconfigureerd. SMS-communicatie is alleen mogelijk als de
SMS-functie is ingeschakeld voor de modem en het systeem, en de gebruikers zijn
geconfigureerd voor SMS.
Als een functie die in deze handleiding wordt beschreven, niet wordt aangeboden
in gebruikersmenu's op het bediendeel, heeft de gebruiker geen bevoegdheid voor
die functionaliteit. Neem contact op met de geautoriseerde installatie-engineer voor
de juiste rechten en instellingen.
29
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
Afhankelijk van de modus voor SMS-AUTHENTICATIE die is geselecteerd door de
installatie-engineer, kunnen voor SMS-authentificatie verschillende combinaties
van gebruiker-PIN en beller-ID of SMS-PIN and beller-PIN worden geconfigureerd.
De SMS-notificatie werkt met een PSTN-modem als de PSTN-aanbieder SMS
over PSTN ondersteunt. Voor SMS-besturing moet echter een GSM-modem zijn
geïnstalleerd in het paneel. Een GSM-modem ondersteunt zowel SMS-notificatie
als SMS-besturing.
SMS-besturing
Met SMS-besturing kan worden ingesteld dat een externe gebruiker een SMSbericht kan verzenden om de volgende handelingen op het paneel uit te voeren:

Inschakelen / uitschakelen

Engineermodus activeren / deactiveren

Leveranciertoegang in-/uitschakelen.

Poort mapping aan/uit.
SMS-gebeurtenissen
Er kan worden ingesteld dat bij diverse systeemgebeurtenissen een SMSnotificatie wordt verzonden, bijvoorbeeld:
6.2.11.1

Alarm activering

Bevestigd alarm

Storing en sabotage

Inschakelen en uitschakelen

Uitstellen en overbruggen

Alle overige gebeurtenistypen
TOEVOEGEN
 Er is een modem geïnstalleerd en geïdentificeerd door het systeem.
 De functie SMS-authentificatie is geactiveerd in OPTIES.
1. Blader naar SMS -> TOEVOEGEN en druk op SELECTEER.
2. Selecteer een gebruiker die u wilt toevoegen voor SMS-bediening.
3. Voer een SMS-NUMMER in voor de gebruiker en druk op ENTER.
4. Voer een SMS CODE in voor de gebruiker en druk op ENTER.
 Op het bediendeel wordt aangegeven dat de SMS-gegevens zijn bijgewerkt.
6.2.11.2
BEWERKEN

Er is een modem geïnstalleerd en geïdentificeerd door het systeem.
 De functie SMS-authentificatie is geactiveerd in OPTIES.
1. Blader naar SMS -> BEWERKEN en druk op SELECTEER.
2. Selecteer een SMS ID van een ingenieur of gebruiker die u wilt bewerken.
Gebruiker SMS ID
Door het systeem gegenereerde ID
30
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
6
SMS nummer
Voer het nummer in waarnaar het SMS-bericht wordt verstuurd, geef ook de
landcode van drie cijfers aan.
Opmerking: U kunt het SMS-nummer van de engineer verwijderen door het
terug te zetten op 0. SMS-nummers van gebruikers kunnen niet worden
verwijderd.
Gebruiker
Selecteer zo nodig een nieuwe gebruiker voor deze SMS-ID.
SMS gebeurtenissen
Selecteer de paneelgebeurtenissen waarover de gebruiker of engineer een
SMS ontvangt.
SMS Control
Selecteer de bewerkingen die de gebruiker of engineer via SMS op afstand
kan uitvoeren op het paneel. Zie SMS-commando's [➙ 31]
NOTICE
Alarmgebeurtenissen van het type OVERVAL worden niet verzonden via SMS.
Als de telefoonlijn via een centrale is aangesloten op het PSTN-netwerk, moet u
de toegangscode voor de buitenlijn invoegen vóór het nummer dat moet worden
gekozen. Zorg dat CLI (nummeridentificatie) is ingeschakeld op de lijn die is
geselecteerd om de oproep te sturen naar het SMS-netwerk. Neem contact op
met de beheerder van de telefooncentrale voor meer informatie.
6.2.11.3
VERWIJDEREN
1. Blader naar SMS -> VERWIJDEREN.
2. Blader naar de SMS ID.
3. Druk op SELECTEER.
 Op het bediendeel wordt aangegeven dat de SMS-gegevens zijn bijgewerkt.
6.2.11.4
SMS-commando's
Als de SMS-functionaliteit is ingesteld en geconfigureerd, kunnen SMS-functies
worden geactiveerd. Commando's worden, afhankelijk van de SMS-configuratie,
verzonden met behulp van een PIN of beller-ID. Het type van de PIN is afhankelijk
van de SMS-authentificatie die is ingesteld voor het systeem.
In de tabel hieronder worden alle beschikbare SMS-commando's aangegeven.
Vervolgacties en reacties worden ook aangegeven.
SMS-commando's worden als tekst verzonden naar het telefoonnummer van de
SIM-kaart op de controller.
Voor commando's die gebruikmaken van een PIN, is de tekstnotatie:
****.commando of **** commando.
waarbij **** de PIN is en “commando” het commando. Na de PIN komt dus een
spatie of een punt. Het commando “FSET” wordt bijvoorbeeld ingevoerd als: ****
FSET of ****.FSET. Als de volledige versie van het commando is aangegeven, kan
deze ook worden gebruikt. Bijvoorbeeld ****.FULLSET.
Als de gebruiker onvoldoende rechten heeft om een commando uit te voeren,
verschijnt de melding GEEN TOEGANG.
31
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
Als Beller ID is ingeschakeld en het SMS-nummer van de afzender geconfigureerd
is, is de PIN-prefix niet vereist.
COMMANDO'S (**** = code)
Code gebruiken
Beller-ID
gebruiken
Actie
Reactie
**** Help
****.Help
Help
Alle beschikbare
commando's weergeven
Alle beschikbare commando's
**** IN
IN
****.IN
****. Inschakelen
Inschakelen
Alle gebieden inschakelen
waartoe de gebruiker
toegang heeft.
Tijd/datum waarop systeem is
ingeschakeld. Indien van
toepassing worden zones
geopend/geforceerd
ingeschakeld
**** UIT
****.UIT
****. Uitschakelen
UIT
Uitschakelen
Alle gebieden uitschakelen
waartoe de gebruiker
toegang heeft.
Systeem uitgeschakeld
**** SSTA
SSTA
****.SSTA
****. Status
STATUS
De status van gebieden
ophalen.
Status van systeem en
toepasselijke gebieden
**** XA1.AAN (X10)

Voor een systeem met één
gebied worden het systeem
en de modus
geretourneerd, waarbij de
modus de ingestelde status
van het systeem is

Voor een systeem met
meerdere gebieden wordt
de status van elk gebied
geretourneerd
Waar X10-apparaat is
geïdentificeerd als “A1”,
wordt dit ingeschakeld.
Status van “A1”
**** XA1.UIT
****.XA1.UIT
Waar X10-apparaat is
geïdentificeerd als “A1”,
wordt dit ingeschakeld.
Status van “A1”
.
**** Log
Er worden tot 10 recente
gebeurtenissen
weergegeven
Recente gebeurtenissen
****.XA1.AAN
****.Log
**** ENGA.Aan
(Engineer toestaan)
****.ENGA.Aan
ENGA.Aan
Engineertoegang
inschakelen
Engineer toegang
**** ENGA.Uit
ENGA.Uit
Engineertoegang
uitschakelen
Engineer herroepen
****.ENGA.Uit
**** MANA.Aan
****.MANA.Aan
Leveranciertoegang
inschakelen
Leverancierstatus
**** MANA.Uit
****.MANA.Uit
Leveranciertoegang
uitschakelen
Leverancierstatus
**** U5.AAN
Waar mapping-poort is
geïdentificeerd als “U5”,
wordt deze ingeschakeld
Status van “U5”
****.U5.AAN
****. Uitgang
**** U5.UIT
****.U5.UIT
****.A IN
(Deelschakeling A)
Bijvoorbeeld:


uitgang U5 aan.
uitgang Verwarming aan
(waarbij Verwarming de
naam is van de uitgang.)
Waar mapping-poort is
geïdentificeerd als 'U5',
wordt deze uitgeschakeld
Status van “U5”
Staat toe om
Deelschakeling A in te
schakelen via SMS
Systeem ingeschakeld.
Bijvoorbeeld: uitgang U5 uit
32
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
6
Het is ook mogelijk de
aangepaste naam in te
voeren die is gedefinieerd
in het veld
DEELSCHAKELING
hernoemen van het venster
Opties. Zie Opties
****.B IN
Deelschakeling B)
Systeem ingeschakeld.
Staat toe om
Deelschakeling B in te
schakelen via SMS
Het is ook mogelijk de
aangepaste naam in te
voeren die is gedefinieerd
in het veld
DEELSCHAKELING
hernoemen van het venster
Opties. Zie Opties
Bijvoorbeeld:
****.A IN Nacht
****.WIS
Wissen van
waarschuwingen via SMS
toestaan
****. Herstel
Voor SMS-herkenning wordt voor de identificatie van de mapping-poort de notatie
ONNN gebruikt, waarbij O staat voor de mapping-poort en NNN voor het
nummer. Niet alle numerieke tijdelijke aanduidingen zijn vereist.
(Bijvoorbeeld O5 voor mapping-poort 5)
Voor SMS-herkenning gebruikt het X10-apparaat de volgende notatie: XYNN,
waarbij X staat voor X-10; Y staat voor de alfabetische ID en NN tijdelijke
aanduidingen voor het nummer zijn. (Bijvoorbeeld XA1)
De SMS-functie werkt met een standaardprotocol dat wordt gebruikt in SMStelefoontoestellen. Houd er rekening dat sommige PSTN-operators geen SMSberichten via PSTN aanbieden. Voor SMS via PSTN moet aan de volgende
voorwaarden zijn voldaan:
6.2.12

Nummeridentificatie is ingeschakeld op de telefoonlijn.

Directe telefoonlijn - niet via een telefooncentrale of andere
communicatieapparatuur.

Houd er rekening mee dat de meeste serviceproviders alleen SMS-berichten
toestaan voor telefoontoestellen die zijn geregistreerd in hetzelfde land.
(Vanwege de facturering)
VERANDER CODE
U wijzigt als volgt een PIN:
1. Blader naar VERANDER CODE en druk op SELECTEER.
 Er verschijnt een willekeurig gegenereerde PIN.
2. Selecteer deze nieuwe PIN of overschrijf de PIN door zelf een nieuwe PIN in te
voeren en op ENTER te drukken.
33
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
6
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
NOTICE
Het aantal cijfers van de PIN is afhankelijk van de beveiligingsinstellingen in het
systeem. PIN's die bestaan uit minder cijfers dan de ingestelde lengte, worden
niet geaccepteerd. Neem bij twijfel contact op met de installatie-ingenieur.
3. Bevestig de nieuwe PIN en druk op OPSLAAN.
4. Druk op TERUG om terug te keren naar het vorige scherm en pas de PIN aan.
 Als tijdens het proces de wachttijd van de display verstrijkt, blijft de oude
PIN geldig.
NOTICE
Als de functie Duress gebruiker is ingeschakeld, zijn opeenvolgende
gebruikerscodes (bijv. 2906, 2907) niet toegestaan omdat een duressgebeurtenis wordt geactiveerd als een dergelijke PIN wordt ingevoerd op het
bediendeel.
6.2.13
DEURCONTROLE
Met deze optie kunt u alle deuren van het systeem besturen.
1. Blader naar DEURCONTROLE en druk op SELECTEER.
2. Blader naar de deur die u wilt besturen, en druk op SELECTEER.
3. Selecteer een van de deuren die wordt weergegeven als nieuwe deur, en druk
op SELECTEER.
NORMAAL
De deur is in de normale bedrijfsmodus. Er is een kaart met de
corresponderende toegangsrechten nodig om de deur te openen.
TIJDELIJK
De deur wordt kort geopend om toegang te verlenen.
VERGRENDELD De deur is vergrendeld. De deur blijft ook gesloten als een kaart met de
bijbehorende toegangsrechten wordt gepresenteerd.
ONTGRENDEL
D
6.2.14
De deur is ontgrendeld.
VERLEEN TOEGANG
NOTICE
Deze menuopties zijn niet beschikbaar als de optie ENGINEER OK of
LEVERANCIER TOEGANG is uitgeschakeld in het menu OPTIES. Deze opties
kunnen alleen worden in- of uitgeschakeld als het systeem in de modus
'Onbeperkt' is.
34
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Programmeren in de gebruikersmodus via het bediendeel
Gebruikersmenu's
6
Wanneer engineer- of leveranciertoegang is toegestaan, wordt op het bediendeel
de tekst ENGINEER AAN of LEVERANCIER AAN weergegeven. Nadat toegang is
verleend, heeft de gebruiker geen toegang tot het systeem totdat de engineer zich
heeft afgemeld.
U verleent als volgt engineertoegang:
1. Blader naar VERLEEN TOEGANG en druk op SELECTEER.
2. Selecteer ENGINEER OK en selecteer AAN.
3. Selecteer LEVERANCIER TOEGANG en selecteer AAN.
4. Als u engineer-/leveranciertoegang wilt uitschakelen, volgt u hetzelfde pad en
kiest u UIT. Druk vervolgens op SELECTEER.
Voor de regionale Zwitserse vereisten CAT 1 en CAT 2 moeten voor Engineer
toegang alle gebieden worden uitgeschakeld, anders wordt de toegang
geweigerd aan de engineer.
6.2.15
RAPPORT.NR ENGIN
De gebruiker kan de laatste 10 gebeurtenissen in het logboek als SMS naar de
engineer te sturen.
1. Blader naar RAPPORT.NR ENGIN en druk op SELECTEER.
2. Schakel deze optie zo nodig in of uit.
Opmerking: Afhankelijk van de grootte van de beschrijving van de gebeurtenis kan
er meer dan één SMS-bericht nodig zijn.
6.2.16
ALARM GEHEUGEN
In het ALARM GEHEUGEN wordt een lijst met alarmgebeurtenissen weergegeven.
De volgende typen worden weergegeven in dit logboek:


Zones
–
Alarm
–
Paniek
Systeemgebeurtenissen
–
Bevestigd alarm
–
Gebruiker dwang
–
XBus paniek
–
Gebruikerspaniek
–
RPA paniek
35
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
7
Appendix
Gebruikersrechten
7 Appendix
7.1
Gebruikersrechten
Elke gebruiker heeft een gebruikersprofiel waarin is vastgelegd welke functies van
het SPC-systeem de gebruiker kan gebruiken. Zie de tabel hieronder voor een
beschrijving van de functies. De installatie-engineer informeert de gebruikers over
hun gebruikersrechten. Afhankelijk van de wijze waarop het systeem is
geprogrammeerd, kunnen gebruikers het recht hebben om alle of sommige van
deze functies te gebruiken.
Gebruikersrechten
Standaardwaa Gebruikerstype
rde voor
gebruikersprofi
el
Omschrijving
Ingeschakeld
Beperkt
Standaard
Manager
Met de functie INSCHAKELEN wordt het alarmsysteem
ingeschakeld en een gebouw volledig beveiligd (bij het
openen van een alarmzone wordt het alarm
geactiveerd).
Na selectie van INSCHAKELEN klinkt de zoemer en
wordt op de display van het bediendeel de uitlooptijd
afgeteld. Verlaat het gebouw voordat de uitlooptijd is
afgelopen.
Wanneer de uitlooptijd is afgelopen, wordt het systeem
ingeschakeld en wordt bij het openen van een inloop/uitloopzone de inlooptimer gestart. Als het systeem
alarm niet wordt uitgeschakeld voordat de inlooptimer
afloopt, wordt het alarm geactiveerd.
Deelschakelin
gA
Standaard
Manager
De optie GEDEELTELIJK A [➙ 16] biedt
perimeterbeveiliging aan een gebouw terwijl vrije
beweging door de uitloop- en inloopgebieden is
toegestaan.
Zones die zijn gekenmerkt als UITSLUITEN A, worden
niet beveiligd in deze modus. Standaard is er geen
uitlooptijd; het systeem wordt direct ingeschakeld als
deze modus wordt geselecteerd. Als de variabele
"Deelschakeling A in-/uitloop" is ingeschakeld, kan een
uitlooptimer worden ingesteld in deze modus.
Deelschakelin
gB
Standaard
Manager
Met de optie GEDEELTELIJK B modus worden alle
zones beveiligd behalve de zones die zijn gekenmerkt
als UITSLUITEN B.
Standaard is er geen uitlooptijd; het systeem wordt
direct ingeschakeld als deze modus wordt
geselecteerd. Als de variabele "Deelschakeling B in/uitloop" is ingeschakeld, kan een uitlooptimer worden
ingesteld in deze modus.
Geforceerd
inschakelen
Standaard
Manager
De optie GEFORCEERD INSCHAKELEN [➙ 16] wordt
aangeboden op het bediendeel als wordt geprobeerd
het systeem in te schakelen, terwijl een alarmzone een
fout heeft of nog open is (de open zone wordt
weergegeven op de bovenste regel van de display).
Als u deze optie selecteert, wordt het alarm
ingeschakeld en de zone gedurende de
inschakelperiode uitgesteld.
Uitschakelen
Beperkt
Standaard
Manager
Met de functie UITSCHAKELEN [➙ 14] schakelt u het
alarm uit. Deze menuoptie wordt alleen aangeboden op
het bediendeel als er een alarm is geactiveerd en er
36
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Appendix
Gebruikersrechten
Standaardwaa Gebruikerstype
rde voor
gebruikersprofi
el
7
Omschrijving
een geldige gebruikerscode is ingevoerd.
Herstellen
Standaard
Manager
Met de functie HERSTELLEN [➙ 17] herstelt u een
waarschuwingsconditie op het systeem en wist u de
bijbehorende waarschuwing.
Een waarschuwingsconditie kan pas worden hersteld
nadat de zone(s) of fout(en) die de waarschuwing heeft
of hebben veroorzaakt, zijn teruggezet naar de normale
toestand en nadat de optie HERSTELLEN in de
gebruikersprogrammering is geselecteerd voor die
zone.
Overbruggen
Standaard*
Manager
Overbruggen houdt in dat een zone wordt
gedeactiveerd totdat de overbrugging van de zone
wordt opgeheven. Alle zonetypen in SPC kunnen
worden overbrugd.
Wees voorzichtig met het deactiveren van foutieve of
open zones. Een overbrugde zone wordt genegeerd
door het systeem en zou daarom een volgende keer
dat het systeem wordt ingeschakeld, over het hoofd
kunnen worden gezien, wat de beveiliging van het
gebouw niet ten goede komt.
Uitstellen
Standaard
Manager
Een zone uitstellen [➙ 21] houdt in dat de zone
gedurende één inschakelperiode systeem wordt
gedeactiveerd. Alleen de zonetypen alarm,
uitgang/ingang, branduitgang en lijn kunnen worden
uitgesteld.
Deze methode om een foutieve of open zone te
deactiveren, verdient de voorkeur omdat elke keer dat
het systeem wordt ingeschakeld, de zone wordt
aangegeven op het bediendeel om de gebruiker te
herinneren aan de zone.
Wijzig code
Standaard
Manager
Met deze optie staat u toe dat gebruikers hun
gebruikerscode wijzigen.
Engineer
Manager
Met deze optie staat u gebruikers toe toegang te
verlenen voor leverancier- en engineerprogrammering.
Datum/tijd
instellen
Standaard
Manager
Kies deze menuoptie om de tijd en datum op het
systeem te programmeren.
Zorg dat de tijd en datum correct zijn; deze informatie
wordt gebruikt in het gebeurtenissenlogboek voor de
registratie van systeemgebeurtenissen.
Test
Standaard
Manager
Deze menuoptie biedt de volgende testfuncties:
1. Sirenetest: de buitensirenes, flits, binnensirenes en
zoemer worden om de beurt gedurende 5 seconden
geactiveerd zodat u kunt controleren of ze goed
werken.
2. Looptest: in een looptest kunt u de werking van alle
alarmsensoren in een systeem testen.
Als deze optie is geselecteerd, wordt op het bediendeel
het aantal zones dat moet worden getest,
weergegeven. Activeer elke alarmsensor (door de deur
of het venster te openen) en controleer of u een
piepsignaal hoort van het bediendeel. Overbrugde en
uitgestelde zones worden niet opgenomen in de
looptest.
3. Audio-opties: met deze optie kunnen gebruikers
selecteren welke apparaten worden geactiveerd tijdens
de looptest en welke apparaten stil blijven.
37
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
7
Appendix
Gebruikers-PIN's
Standaardwaa Gebruikerstype
rde voor
gebruikersprofi
el
Omschrijving
Bekijk log
Standaard
Manager
Na keuze van deze menuoptie wordt de meest recente
gebeurtenis weergegeven op de display van het
bediendeel. In het gebeurtenissenlogboek worden tijd
en datum van elke geregistreerde gebeurtenis
aangegeven.
Deurbel
Standaard
Manager
Alle zones waarvoor de eigenschap DEURBEL [➙ 25]
is ingesteld, genereren een korte toon op de zoemer
van het bediendeel als ze worden geopend (terwijl het
systeem is uitgeschakeld).
Met deze menuoptie kunt u de eigenschap Deurbel inof uitschakelen voor alle zones.
SMS
Standaard*
Manager
Deze functie staat gebruikers toe de service SMSmessaging in te stellen als er een modem is
geïnstalleerd op het systeem.
Gebruikers
Manager
Gebruiker kan gebruikers configureren op het paneel.
Vertraag
automatisch
inschakelen
Standaard*
Manager
Gebruikers kunnen automatisch inschakelen vertragen.
Overbrug
vertraging
Standaard
Manager
Gebruiker kan de inschakelvertraging automatisch
negeren. Alleen beschikbaar voor financiële installaties.
Zie Inschakelen/uitschakelen
Upgrade
Manager
Gebruiker kan leverancier toegang verlenen om
firmware-upgrades uit te voeren.
X-10
Standaard
Gebruiker kan geconfigureerde X-10 apparaten
Manager
activeren/deactiveren.
Toegangscontrol
e
Deur sturing
Standaard*
Gebruiker kan deuren vergrendelen/ontgrendelen
Manager
Toegangscontrol
e
Web toegang
Standaard*
Manager
Gebruiker kan in paneel via de webbrowser.
Uitgangen
Standaard
Manager
Gebruiker kan uitgangen (mapping gates) in- en
uitschakelen. Zie
WPA test
Standaard
Manager
Gebruiker kan een WPA testen.
* Functies niet standaard ingeschakeld voor deze gebruiker, maar kunnen worden
geselecteerd.
7.2
Gebruikers-PIN's
Het systeem ondersteunt PIN-codes van 4, 5, 6, 7 of 8 tekens voor elke gebruiker.
Het aantal logische combinaties/variaties vindt u in de tabel hieronder.
Aantal tekens
Aantal variaties
4
10.000
5
100.000
6
10.000.000
38
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Appendix
Zonetabel
Aantal tekens
Aantal variaties
7
10.000.000
8
100.000.000
7
Alle gebruikers-PIN's zijn geldig. Voor een PIN van 4 cijfers kunnen dus alle
nummers tussen 0000 en 9999 worden gebruikt.
Opmerking: PIN-codes moeten bestaan uit meer dan vier tekens om te voldoen
aan INCERT-goedkeuringen.
7.3
Zonetabel
Zone #
Omschrijving
39
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
7
Appendix
Zonetabel
Zone #
Omschrijving
40
Siemens AB
Security Products
A6V10217610
06.02.2013
Uitgegeven door
Siemens AB
Infrastructure & Cities Sector
Security Products
International Headquarters
Englundavägen 7
SE-171 41 Solna
Tel. +46 8 629 0300
www.siemens.com/securityproducts
Document nr.
A6V10217610
Edition
06.02.2013
© 2013 Copyright Siemens AB
Technische specificaties en beschikbaarheid kunnen zonder voorafgaande kennisgeving
worden gewijzigd.
Download PDF