Raynav 300 GPS Plotter Gebruikers- handleiding

Raynav 300
GPS Plotter
Gebruikershandleiding
Holland Nautic Apeldoorn bv
Nagelpoelweg 16
Postbus 20089
7302 HB Apeldoorn
Telefoon (055) 541 21 22
Fax (055) 542 26 96
Document nummer: 81171_2 NL
Datum: mei 2000
2001401518.2
Voorwoord
iii
Raynav 300 GPS Plotter
Gebruikershandleiding
OPMERKINGEN T.A.V. VEILIGHEID
WAARSCHUWING: HULPMIDDEL VOOR NAVIGATIE
Dit apparaat is uitsluitend een hulpmiddel voor navigatie. De nauwkeurigheid ervan kan worden beïnvloed door vele factoren, zoals storingen of
defecten, omgevingsomstandigheden en onjuiste behandeling of gebruik.
De gebruiker is verantwoordelijk voor een verstandig gebruik en
verantwoorde navigatie. Dit apparaat mag niet worden gebruikt ter
vervanging van dergelijk verstandig gebruik en verantwoorde navigatie.
VOORZICHTIG:
De GPS antenne niet aansluiten/afkoppelen van de display terwijl de
stroomtoevoer ingeschakeld is. Dit kan tot onherstelbare schade leiden.
WAAS Satelliet Differentieel GPS
WAAS wordt bijna continu uitgezonden sinds december 1999 en vormt een
differentiële aanvulling op GPS. Het systeem is ontwikkeld om de standaard
GPS service te verbeteren ten behoeve van de luchtvaart, voor het vliegen en
landen op instrumenten en WAAS is tevens beschikbaar voor andere GPS
toepassingen, zoals scheepvaartnavigatie, landmeettechniek, landbouw en
toepassingen in de automobielindustrie. WAAS bestaat uit een netwerk van
grondstations in de Verenigde Staten die GPS satellietdata controleren. De
hoofdstations verzamelen gegevens van de referentiestations en creëren een
GPS correctiebericht, waarbij rekening wordt gehouden met selective
availability (SA), GPS satellietbaan- en klokverschuiving en signaalvertragingen veroorzaakt door de atmosfeer en ionosfeer. De ‘gecorrigeerde’
differentieelberichten worden vervolgens uitgezonden via twee ‘Geostationary
Earth Orbit’ (GEO) satellieten op dezelfde frequentie als het GPS signaal. De
Raytheon Raynav 300 en 301GPS ontvangers gebruiken twee van hun 12
kanalen om de gecorrigeerde WAAS-berichten te ‘beluisteren’ en te decoderen.
Het resultaat is een DGPS systeem met een hogere nauwkeurigheid (<7 meter)
in vergelijking met standaard GPS systemen (100 meter) en DGPS systemen
met landstations (10 meter).
Het WAAS systeem is schematisch weergegeven in Figuur 0-1.
iv
Raynav 300 GPS Plotter
Figuur 0-1: het WAAS systeem
Beschikbaarheid van het WAAS systeem
Het WAAS systeem wordt momenteel uitgezonden en getest voor gebruik door
de luchtvaart. Naar verwachting wordt het in 2002 door de FAA gecertifieerd.
Tijdens de test- en certifiëringsperiode is het systeem naar verwachting continu
in bedrijf, maar er kunnen korte signaalonderbrekingen optreden doordat het
systeem verfijnd en verbeterd wordt. De status van WAAS en geplande
onderbrekingen worden on-line weergegeven op Raytheon’s
website http://www.raytheontands.com/waas
of
http://www.raymarine.com
Grotere dekking in kustwateren
Met behulp van twee GEO satellieten levert WAAS een betere differentieel
GPS dekking voor het grootste deel van Noord-Amerika. Omdat de WAAS
differentieelberichten door GEO satellieten worden uitgezonden, bestrijken de
WAAS signalen een groter gebied, zowel op het land als in kustwateren, in
vergelijking met DGPS systemen met landstations. De dekking voor NoordAmerika is weergegeven in Figuur 0-2.
Voorwoord
v
Figuur 0-2: kaart van WAAS dekking
Dekking buiten Noord-Amerika
Europa en Azië ontwikkelen momenteel vergelijkbare systemen
(respectievelijk EGNOSS en MSAS). In combinatie met WAAS zullen deze
systemen in de toekomst een wereldomvattend satelliet differentieel GPS
systeem vormen.
Continuïteit van signaaldekking
Raytheon Marine Company of Raytheon Corporation is niet verantwoordelijk
voor de continuïteit van de uitzending van SD signalen.
vi
Raynav 300 GPS Plotter
Producten van RAYTHEON MARINE worden ondersteund door een netwerk
van geautoriseerde dealers. Voor informatie over Raytheon producten en
service kunt u contact opnemen met:
EUROPA
Raytheon Marine Limited
Anchorage Park
Portsmouth
Hampshire PO3 5TD
England
Telefoon: +44 (0)23 9269 3611
Fax:: +44 (0)23 9269 4642
NEDERLAND
Holland Nautic Apeldoorn B.V.
Nagelpoelweg 16
Postbus 20089
7302 HB Apeldoorn
Telefoon 055 - 541 21 22
Fax 055 - 542 26 96
Website
http://www.raymarine.com
Copyright © Raytheon Marine Company 2000
De technische en grafische informatie in dit handboek was, naar ons beste
weten, correct bij het ter perse gaan. Door het beleid van Raytheon om
producten voortdurend te verbeteren en te actualiseren, behouden wij ons het
recht voor productspecificaties zonder voorafgaande mededeling te wijzigen.
Daardoor kunnen er soms niet te voorkomen verschillen tussen product en
handleiding zijn, waarvoor Raytheon zich niet aansprakelijk stelt.
Raytheon is een gedeponeerd handelsmerk van Raytheon Corporation.
SeaTalk is een gedeponeerd handelsmerk van Raytheon Marine Europe
Limited.
C-MAP is een gedeponeerd handelsmerk.
Voorwoord
vii
Voorwoord
In deze handleiding beschrijven we de Raynav 300 GPS Plotter, een product
van Raytheon Marine Company.
De handleiding bevat zeer belangrijke informatie over de installatie en het
gebruik van uw nieuwe apparatuur. Om de beste bedieningsresultaten en
prestaties te bereiken, dient u de handleiding daarom zorgvuldig te lezen.
De vertegenwoordigers van Raytheon of uw dealer zijn graag bereid om
eventuele vragen te beantwoorden.
Garantie
Om u als eigenaar van de Raynav 300 GPS Plotter te registreren, vult u de
garantie-registratiekaart in. Deze vindt u achterin de handleiding. Om van een
volledige garantie te profiteren, moet u de kaart volledig invullen en opsturen.
Conformiteit met EMC-normen
Alle apparatuur en accessoires van Raytheon zijn ontworpen volgens de
hoogste industriële normen voor gebruik in de pleziervaart.
Ontwerp en fabricage zijn in overeenstemming met de desbetreffende normen
voor elektromagnetische compatibiliteit (EMC). Een goede installatie is echter
noodzakelijk om goede prestaties te verzekeren.
viii
Raynav 300 GPS Plotter
Voorwoord
ix
Inhoud – Raynav 300 GPS Plotter
OPMERKINGEN T.A.V. VEILIGHEID ...................................... iii
WAAS Satelliet Differentieel GPS .................................................. iii
Beschikbaarheid van het WAAS systeem .................................... iv
Grotere dekking in kustwateren ................................................... iv
Dekking buiten Noord-Amerika ....................................................v
Continuïteit van signaaldekking ....................................................v
Garantie ........................................................................................ vii
Conformiteit met EMC-normen ................................................... vii
Hoofdstuk 1: Inleiding ......................................................................... 1
1.1 Overzicht .................................................................................... 1
Indeling van de handleiding ......................................................... 1
1.2 Kenmerken ................................................................................. 2
Algemeen ................................................................................... 2
Display ....................................................................................... 2
1.3 Het Plotter scherm ....................................................................... 3
Plotterfuncties ............................................................................. 3
1.4 Bedieningselementen ..................................................................
Trackpad en cursor ......................................................................
Vaste toetsen ...............................................................................
Soft keys .....................................................................................
Pop-up menu’s ............................................................................
Databaselijsten ............................................................................
4
5
6
7
7
8
Hoofdstuk 2: Aan de slag .....................................................................
2.1 Inleiding ......................................................................................
Tekstweergave in de handleiding .................................................
Simulator ....................................................................................
1
1
1
1
2.2 Display aan en uit zetten ............................................................... 1
Verlichting en contrast instellen ................................................... 2
2.3 Bediening van de display ............................................................. 3
Werkstand selecteren ................................................................... 4
x
Raynav 300 GPS Plotter
2.4 Bedieningsfuncties van het plotterscherm .....................................
Gebruik van het plotterscherm......................................................
Opties voor schermpresentatie instellen ........................................
Simulator stand ...........................................................................
6
6
9
9
Hoofdstuk 3: Bediening .................................................................... 3-1
3.1 Inleiding .................................................................................. 3-1
3.2 Werkstand van display veranderen ............................................ 3-1
Presentatie van informatie ......................................................... 3-2
GPS/Waypoint data .................................................................. 3-3
Boot-/omgevingsdata ............................................................... 3-6
CDI/BDI data ........................................................................... 3-8
Databoxen ............................................................................... 3-9
Datalog .................................................................................. 3-10
3.3 Werken met waypoints ...........................................................
Inleiding ................................................................................
Waypoint plaatsen ..................................................................
Waypoint selecteren ...............................................................
Weergave van waypoint data...................................................
Waypoint data bewerken ........................................................
Waypoint verwijderen ............................................................
3-11
3-11
3-12
3-13
3-14
3-15
3-16
3.4 Werken met routes..................................................................
Nieuwe route creëren ..............................................................
Huidige route opslaan .............................................................
Route-informatie weergeven ...................................................
Huidige route van het scherm verwijderen ...............................
Route uit de database opvragen ...............................................
Route wissen of een naam geven via de routelijst ......................
Route bewerken .....................................................................
Route omkeren .......................................................................
3-17
3-18
3-21
3-22
3-24
3-25
3-25
3-26
3-27
3.5 Route volgen en naar een bestemmingspunt gaan .....................
Naar een bestemmingspunt gaan .............................................
Route volgen ..........................................................................
Andere opties voor het volgen van routes .................................
Volgen of GoTo stoppen .........................................................
Aankomst op bestemming .......................................................
3-28
3-29
3-30
3-30
3-32
3-32
Voorwoord
xi
3.6 Overdracht van waypoints en routes ........................................ 3-33
Weergave van Seatalk waypoints ............................................ 3-33
Beheer van databaselijsten ...................................................... 3-33
3.7 Werken met tracks .................................................................. 3-34
Huidige track van het scherm verwijderen ................................ 3-36
SmartRoute ............................................................................ 3-37
3.8 Man overboord (MOB) ........................................................... 3-38
3.9 Alarmen en timers .................................................................. 3-39
Alarmmeldingen .................................................................... 3-39
Alarmen en timers instellen ..................................................... 3-40
3.10 Cursoroverdracht .................................................................. 3-41
3.11 Informatie van andere apparatuur ........................................... 3-41
Hoofdstuk 4: Instellen van de GPS Plotter .......................................... 1
4.1 Inleiding ..................................................................................... 1
4.2 Wijzigen van instellingsparameters .............................................. 1
4.3 Systeemparameters .....................................................................
Bearing Mode (peilingmodus) .....................................................
Cursor Display (cursor weergave) ................................................
Cursor Readout (cursor aflezing) ..................................................
Day/Night (dag/nacht) .................................................................
Help ...........................................................................................
Soft Keys ....................................................................................
Key Beep (pieptoon bij indrukken van toetsen) .............................
MOB Data ..................................................................................
Menu Timeout periode ................................................................
Units (eenheden) .........................................................................
Variation Source (variatiebron) ....................................................
Cursor Echo (cursoroverdracht) ...................................................
Datum- en tijdinstellingen ............................................................
Language (taal) ...........................................................................
Simulator ....................................................................................
2
4
4
4
4
4
4
5
5
5
5
5
6
7
7
7
xii
Raynav 300 GPS Plotter
4.4 Plotterinstellingen .......................................................................
Plotter oriëntatie ..........................................................................
Waypoint symbolen ....................................................................
Waypoint nummers .....................................................................
Standaard waypoint symbool .......................................................
Vectoren .....................................................................................
Keuze van referentiesysteem (datum) ...........................................
7
8
8
8
8
9
9
4.5 GPS Setup .................................................................................. 9
Fix Mode ................................................................................... 10
D-GPS Setup ..............................................................................11
Differential Age ......................................................................... 12
Hoofdstuk 5: Installatie ....................................................................... 1
5.1 Inleiding ..................................................................................... 1
EMC-richtlijnen voor installatie ................................................... 1
5.2 Componenten uitpakken en controleren ........................................ 2
Product registreren ...................................................................... 3
5.3 Plaats .......................................................................................... 3
Keuze van de beste plaats ............................................................. 3
5.4 Aansluiting op andere apparatuur ................................................. 4
5.5 Plotter monteren .......................................................................... 5
Montage met behulp van beugel ................................................... 5
Montage in een paneel ................................................................. 5
5.6 Montage van de GPS antenne ....................................................... 6
Montage op een oppervlak ........................................................... 7
Montage op een paal .................................................................... 8
5.7 Kabels leggen .............................................................................. 9
Inleiding ..................................................................................... 9
Aansluitingen .............................................................................. 9
5.8 Systeemtest en eerste keer aan zetten ...........................................12
EMC-compatibiliteit .................................................................. 12
Systeemtest ................................................................................12
Eerste keer aan zetten .................................................................. 12
Werking van de GPS plotter controleren ...................................... 13
Voorwoord
xiii
Hoofdstuk 6: Onderhoud en problemen oplossen .......................... 6-1
6.1 Onderhoud ............................................................................... 6-1
Routinecontroles ...................................................................... 6-1
EMC-richtlijnen m.b.t. service en veiligheid .............................. 6-1
6.2 Reset van het systeem ............................................................... 6-2
6.3 Problemen oplossen.................................................................. 6-3
Problemen en oplossingen ........................................................ 6-3
Software upgrades .................................................................... 6-3
6.4 Service wereldwijd ................................................................... 6-4
Contact opnemen met Raytheon ............................................... 6-4\
Bijlage A: Technische gegevens ....................................................... A-1
Bijlage B: SeaTalk en NMEA data ..................................................... B-1
Bijlage C: Lijst van afkortingen ........................................................ C-1
Sjabloon voor montage van Raynav 300 GPS Plotter ..................... T-1
Sjabloon voor montage van an tenne .............................................. T-3
xiv
Raynav 300 GPS Plotter
Hoofdstuk 1: Inleiding
1-1
1.1 Overzicht
In deze handleiding beschrijven we de Raynav 300 GPS Plotter.
NB: vele illustraties in deze handleiding tonen voorbeelden van schermen.
Welk scherm u precies op de display ziet, is afhankelijk van de configuratie van
uw systeem en ingestelde opties, zodat het van de afbeeldingen kan verschillen.
Indeling van de handleiding
De handleiding is als volgt ingedeeld:
Hoofdstuk 1 - Inleiding (dit hoofdstuk) geeft een overzicht van de functies en
kenmerken van de Raynav 300 GPS Plotter. Lees dit hoofdstuk om u vertrouwd
te maken met de GPS plotter.
Hoofdstuk 2 - Aan de slag geeft een overzicht van de bedieningselementen.
Tevens wordt uitgelegd hoe u begint met de GPS plotter te werken.
Hoofdstuk 3 - Bediening geeft uitgebreide informatie over de bediening van
de belangrijkste plotterfuncties - waypoints en routes plotten, routes volgen,
werken met tracks, SmartRoute, Man overboord en Data Log stand.
Hoofdstuk 4 - Instellen van de GPS plotter bevat instructies voor het
aanpassen van de GPS plotter aan uw voorkeuren. Lees dit hoofdstuk om te
bepalen hoe u de systeeminstellingen gaat instellen.
Hoofdstuk 5 - Installatie bevat informatie voor de planning van de installatie
en uitgebreide instructies voor het installeren van de GPS plotter.
Hoofdstuk 6 - Onderhoud en problemen oplossen bevat informatie over het
onderhoud en wat u moet doen als zich problemen voordoen.
Bijlage A bevat de technische gegevens van de GPS plotter.
Bijlage B geeft een overzicht van de SeaTalk en NMEA data die in
geïntegreerde systemen wordt verzonden.
Bijlage C bevat een lijst van afkortingen die in deze handleidingen worden
gebruikt.
Een sjabloon voor installatie en garantie-informatie vindt u aan het einde
van de handleiding.
Een samenvatting van de bedieningselementen van de GPS plotter vindt u op de
(Engelstalige) naslagkaart die bij het systeem wordt geleverd.
Overzicht
Hoofdstuk 1: Inleiding
1-2
Raynav 300 GPS Plotter
1.2 Kenmerken
Overzicht
Algemeen
De Raynav 300 GPS Plotter is ontwikkeld voor gebruik van de volgende
navigatiesignalen:
• Satelliet Differentieel GPS (bijv. WAAS)
• Differentieel GPS met grondstations
• Standaard GPS
Deze zijn in volgorde van nauwkeurigheid weergegeven en de beschikbaarheid
ervan is afhankelijk van uw locatie. De Raynav 300 GPS Plotter gebruikt het
beste signaal dat beschikbaar is ten behoeve van een optimale nauwkeurigheid.
De Raynav 300 GPS Plotter is waterbestendig volgens CFR46 en kan boven- of
benedendeks worden geïnstalleerd.
Het systeem bestaat uit de volgende componenten:
• Laagprofiel antenne (Raynav 300)
• 4½ inch display unit met:
• Acht vaste bedieningstoetsen (met opschrift)
• Vier soft keys (programmeerbare toetsen, met opschrift)
• Trackpad
De display en toetsen zijn uitgerust met verlichting, die ingeschakeld kan
worden bij duisternis.
Display
• Berekent positie-informatie op basis van SDGPS, DGPS of GPS
• Weergave en verzending van SeaTalk en NMEA data
• Cursoroverdracht via SeaTalk
• Keuze van oriëntatie: Head Up, Course Up of North Up
Display werkstanden
De GPS plotter kan data in de volgende werkstanden weergeven, die achtereenvolgens worden geselecteerd door telkens de DISPLAY toets in te drukken:
• Standaard GPS/waypoint weergave
• Bootdata (drie pagina’s) / omgevingsdata (twee pagina’s)
• Peiling- en afstandsindicator (Bearing & Distance Indicator, BDI) /
koersafwijkingsindicator (Course Deviation Indicator, CDI)
• Databoxen
• Data Log
Hoofdstuk 1: Inleiding
1-3
• Terug naar standaard GPS/waypoint scherm
De werkstanden waarin meer dan één pagina met informatie kan worden
weergegeven hebben extra soft keys, die toegang geven tot de overige pagina’s
van elke groep, die met die toets achtereenvolgens worden weergegeven.
1.3 Het Plotter scherm
Nadat een positiebepaling uitgevoerd is, wordt de positie van uw schip, mits het
schip zich op het scherm bevindt, weergegeven door een bootsymbool, dat in de
richting van de huidige koers wijst (of COG, als er geen koers beschikbaar is).
Als er geen koers of COG beschikbaar is, wordt het schip door een cirkel
weergegeven.
Op een statusbalk boven aan het scherm wordt de schaal met cursorpositie,
afstand en peiling of, wanneer de cursor op het schip is vastgezet (door op FIND
SHIP te drukken), de positie van het schip, de snelheid over de grond (SOG) en
koers over de grond (COG) weergegeven.
NB: wanneer de cursor op het bootsymbool wordt ‘vastgezet’, beweegt hij met
het schip mee. Het scherm schuift automatisch mee, zodat het schip en de
cursor in het midden van het scherm blijven.
De huidige route wordt getoond, evenals waypoints die u geplaatst hebt (tenzij
u die uitgeschakeld hebt in Setup). U kunt op het scherm informatie weergeven
door de cursor op een waypoint, huidige route of track te plaatsen.
Voor de schermweergave zijn de volgende functies beschikbaar:
• In- en uitzoomen
• Scherm verschuiven (panning)
• Kaart rond het schip centreren
Plotterfuncties
Schermfuncties
De Raynav 300 GPS Plotter beschikt over de volgende functies:
•
•
•
•
•
Waypoint plaatsen, verplaatsen, verwijderen en bewerken
Goto (ga naar) waypoint of cursor
Route creëren, opslaan, naam geven, bewerken en volgen
Route en waypoint lijsten bekijken
Afgelegde weg (track) v.h. schip weergeven, track opslaan en naam geven
om later opnieuw op het scherm weer te geven
• SmartRoute gebruiken om de huidige track in een route om te zetten
• Alarmen en timers instellen
Het
kaartscherm
• Plotterscherm
1-4
Raynav 300 GPS Plotter
• Man overboord (MOB) om naar een vermiste persoon of object terug te gaan
Het
kaartscherm
• Data Log scherm
Plotterbewerkingen m.b.v. GPS navigatiedata pagina’s
De GPS Data pagina’s bestaan uit vier tekstschermen, die door middel van een
soft key worden geselecteerd. Hierin wordt vitale informatie weergegeven ten
behoeve van het plotten van een koers voor uw schip.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Status van positiebepaling (Fix Status)
Stuurindicatie
Positie lengtegraad/breedtegraad
Waypoint peiling en afstand
Koers over de grond (COG)
Snelheid over de grond (SOG)
Huidige tijd
Tijd van zonsopgang en zonsondergang
Schemertijden
Deze vier pagina’s worden beschreven in Werkstand selecteren in hoofdstuk 2.
De complete reeks pagina’s wordt uitgebreid beschreven in hoofdstuk 3,
Bediening.
1.4 Bedieningselementen
Voor de bediening van de plotter worden de toetsen op de display unit gebruikt,
gecombineerd met een aantal schermfuncties:
• De trackpad, waarmee een cursor op het scherm omhoog, omlaag, naar links,
naar rechts of diagonaal wordt verplaatst.
• Acht vaste toetsen (met opschrift).
• Vier soft keys, waarvan de opschriften op het scherm worden weergegeven.
• Pop-up menu’s, verschijnen op het scherm, hierin kunt u opties selecteren.
• Databaselijsten op het scherm, waarin u items kunt bewerken.
NB: de cursor is het kruissymbool (+) op het scherm. U verplaatst de cursor
met behulp van de trackpad en gebruikt de cursor om een positie of object op de
kaart te selecteren. .
De bedieningselementen zijn in Figuur 1-1 weergegeven. Ze zijn uitgerust met
verlichting voor gebruik in het donker. Bij veel bedieningselementen verschijnt
helptekst boven aan het scherm (u kunt de helptekst desgewenst uit zetten, zie
hoofdstuk 4). In de volgende paragrafen beschrijven we de bedieningselementen en schermfuncties.
1-5
Cursor
Statusbalk
6nm
CSR 50°50^05W
POS 001°06^00W
DISPLAY toets
MARK toets
SOG 23.4kn
COG 234°M
RANGE toets
ALARMS toets
Trackpad
ROUTE
GOTO
SCREEN
FIND SHIP
MENU toets
D4925_1
CLEAR toets
POWER toets
Soft keys
Soft key labels
ENTER toets
Figuur 1-1: Bedieningselementen van de Raynav 300 GPS Plotter
Trackpad en cursor
De trackpad heeft verschillende functies:
• de cursor over het scherm verplaatsen
• een optie in een pop-up menu selecteren
• een soft key schuifregelaar instellen
De cursor wordt gebruikt om:
• een positie op het scherm te selecteren
• een item, bijv. een waypoint, op het scherm te selecteren en, indien mogelijk,
te verplaatsen
• het scherm te verschuiven
Cursor verplaatsen
Druk de gewenste zijde van de trackpad in om de cursor horizontaal, verticaal
of diagonaal te verplaatsen. Hoe langer u de trackpad ingedrukt houdt, des te
sneller gaat de cursor bewegen. De huidige cursorpositie wordt op de statusbalk
boven aan het scherm getoond.
NB: wanneer bepaalde menu’s en soft keys worden weergegeven, is de cursor
niet actief. Als u de cursor niet kunt bewegen, is het mogelijk dat het apparaat in
één van die werkstanden staat. Druk (meermaals) op CLEAR totdat de standaard
soft keys verschijnen; de cursor moet dan normaal reageren.
Bedieningselementen
Hoofdstuk 1: Inleiding
1-6
Raynav 300 GPS Plotter
Contextgevoelige cursor
Bedieningselementen
De cursor is contextgevoelig. Als de cursor op bepaalde objecten in de display
wordt geplaatst, zoals waypoints of kaartobjecten, verschijnt er een pop-up
venster met informatie over dat object. Bovendien worden voor bepaalde items
soft keys weergegeven. Plaatst u de cursor bijvoorbeeld op een waypoint, dan
worden de waypoint gegevens in een pop-up venster weergegeven en
verschijnen de waypoint soft keys.
Als de cursor op speciale objecten in de display wordt geplaatst, verschijnt er
een tekstlabel onder de cursor, die de functie van het object beschrijft, als volgt:
Tabel 1-1: Labels bij contextgevoelige cursor
Tekstlabel
Functie
BOX
Data box (elk type)
MOB
Man overboord markering
WPT
Kaart waypoint
COG
Koers over de grond vector
HDG
Koers vector
POS
Positie van het schip
RTE
Etappe van een route
TIDE
Getijde vector
Vaste toetsen
De toetsen DISPLAY, MARK, RANGE, ALARMS, ENTER, CLEAR, MENU en
POWER hebben een vaste functie. Sommige toetsen kunnen op twee manieren
worden gebruikt:
• Indrukken: toets kort indrukken en loslaten. Deze methode wordt voor de
meeste toetsfuncties gebruikt.
• Ingedrukt houden: toets indrukken en ingedrukt houden gedurende de
vermelde tijd (bijvoorbeeld 3 seconden), daarna de toets loslaten.
Als u een vaste toets indrukt, gebeurt één van de volgende dingen:
1. De bijbehorende actie wordt uitgevoerd, bijv. kaartschaal veranderen
(RANGE).
2. Er verschijnt een pop-up menu met verdere opties.
3. Er verschijnt een reeks soft keys met verdere functies.
Bij het indrukken van een toets klinkt één pieptoon ter bevestiging. Als de
toetsaanslag niet geldig is voor het huidige scherm of de huidige werkstand,
klinken er drie snelle pieptonen achter elkaar. Indien nodig kunt u de
toetspieptonen uitschakelen via Setup (zie hoofdstuk 4).
Hoofdstuk 1: Inleiding
1-7
De vier toetsen onder het scherm noemen we soft keys (programmeerbare
toetsen), omdat de functie afhankelijk van de bewerking varieert. De soft keys
zijn in groepen en subgroepen gerangschikt en maken bediening van verschillende functies mogelijk. De soft key labels worden op het scherm getoond, recht
boven de toetsen. De standaard toetslabels worden getoond totdat u op een toets
drukt, of een item op het scherm selecteert. Daarna worden de soft keys die bij
die bewerking horen weergegeven, zie Figuur 1-2.
ROUTE
GOTO
SCREEN
FIND SHIP
D4897-1
Figuur 1-2: standaard soft keys
NB: wanneer het opschrift van een toets grijs wordt weergegeven, is die toets
op dat moment niet beschikbaar.
Als u een soft key indrukt, gebeurt één van de volgende dingen:
1. De bijbehorende actie wordt uitgevoerd.
2. Er verschijnt een subgroep soft keys met verdere functies.
3. Er verschijnt een pop-up menu met verschillende opties.
Evenals bij vaste toetsen klinkt bij het indrukken van een soft key een pieptoon
ter bevestiging, of drie pieptonen, zie Vaste toetsen hierboven.
Pop-up menu’s
Pop-up menu’s bevatten opties voor instellingen. Wanneer een pop-up menu op
het scherm staat, wordt een reeks bijbehorende soft keys weergegeven, zie
Figuur 1-3.
ALARMS SET UP
ARRIVAL ALARM
OFF TRACK ALARM
ANCHOR ALARM
COUNTDOWN
ALARM CLOCK
ALARM
OFF ON
0.01nm
ON
OFF
00:10:00
OFF
SELECT DISTANCE
D4898_1
Figuur 1-3: voorbeeld van een pop-up menu
Gebruik de trackpad om een optie in het menu te selecteren, druk daarna op de
juiste soft key om de optie in te stellen. U kunt bijvoorbeeld ANCHOR ALARM
aan of uit zetten met behulp van de soft keys.
Bedieningselementen
Soft keys
1-8
Raynav 300 GPS Plotter
Databaselijsten
Bedieningselementen
De waypoints, routes en tracks die u op de display creëert, worden in
databaselijsten opgeslagen. U kunt deze lijsten bekijken en items die u wilt
bewerken selecteren, zoals getoond in Figuur 1-4.
WAYPOINT LIST
SYMBOL
POSITION
NAME
WAYPOINT 001
WAYPOINT 002
WAYPOINT 003
WAYPOINT 004
50°50^000N
001°06^000W
BRG
348°m
RNG
TEMP
DATE
20°C
23/11/97
DEPTH 12.3m
TIME 08:45
GOTO
WAYPOINT
EDIT
WAYPOINT
1.00nm
MAKE NEW
WAYPOINT
WAYPOINT
TRANSFER
D4898_1
Figuur 1-4: voorbeeld van een waypoint lijst
Wanneer een databaselijst op het scherm staat, wordt evenals bij pop-up
menu’s een reeks bijbehorende soft keys weergegeven. Gebruik de trackpad om
een item in de lijst te selecteren. Druk daarna op de desbetreffende soft key om
het item te bewerken.
Hoofdstuk 2: Aan de slag
2-1
Hoofdstuk 2: Aan de slag
Dit hoofdstuk bevat informatie, instructies en een eenvoudige oefening om te
leren werken met de display. Informatie over de bediening vindt u in hst. 3.
Tekstweergave in de handleiding
In dit handboek zijn de vaste toetsen (met opschrift) in vetgedrukte hoofdletters
weergegeven, bijvoorbeeld: ENTER. De functies van de soft keys, namen van
menu’s en opties zijn in normale hoofdletters weergegeven, bijvoorbeeld:
SCREEN.
Werkwijzen, die kunnen bestaan uit een enkele toetsaanslag of een reeks
genummerde stappen, zijn aangeduid met het symbool ➤ in de marge.
Simulator
De plotter display heeft ook een Simulator stand, waarin u met de bediening van
de plotter kunt oefenen zonder data van een GPS antenne. U hebt de Setup
opties nodig om de display in Simulator stand te zetten, zie par. 2.2 Display aan
en uit zetten. U kunt de simulatorstand op twee manieren gebruiken:
• voordat de plotter in uw schip is geïnstalleerd. In dat geval hoeft u de display
alleen op 12 V gelijkspanning aan te sluiten (via een 1 A zekering): de rode
draad van de voedingskabel aan de pluspool (+) en de zwarte draad aan de
minpool (–) van de accu (zie hoofdstuk 5 voor volledige informatie).
• na installatie van de plotter in uw schip, terwijl het in de haven of voor anker
ligt.
2.2 Display aan en uit zetten
NB: nadat u de plotter voor de eerste keer hebt gebruikt, start deze daarna op
in de laatst geselecteerde werkstand.
➤ Om de display unit aan te zetten, drukt u de POWER toets in.
De toetsenverlichting wordt ingeschakeld, er klinkt een pieptoon en het
startlogo verschijnt
Het GPS Status scherm verschijnt, zoals weergegeven in Figuur 2-1.
✷❅❒❋❅■
❍❅▼ ❄❅
❋❁❁❒▼❐●❏▼▼❅❒
2.1 Inleiding
2-2
Raynav 300 GPS Plotter
GPS STATUS
✫❁❁❒▼❐●❏▼▼❅❒
❁❁■ ❅■ ◆❉▼
❚❅▼▼❅■
SAT SIGNAL STATUS SAT SIGNAL STATUS
15
LOCKED 23
LOCKED
09
IN USE 18
IN USE
08
IN USE 26
IN USE
10
LOCKED 12
LOCKED
20
LOCKED 14
LOCKED
17
LOCKED 03
LOCKED
RESTART
GPS
HDOP
FIX STATUS
1.0
D-FIX
D-GPS
SET UP
SD-GPS
SET UP
D4965_1
Figuur 2-1: GPS Status scherm
Het GPS Status scherm wordt weergegeven totdat een satelliet positiebepaling
heeft plaatsgevonden. Wanneer de positiebepaling voltooid is, verschijnt 2
seconden de melding READY FOR NAVIGATION (gereed voor navigatie). Om dit
venster te sluiten, drukt u op een toets.
Om door te gaan terwijl de positie-bepaling nog niet voltooid is, drukt u op
CLEAR:
WPT BRG
SD-FIX
320°M
50°50^000N
001°06^000W
WPT RNG
0.55nm
COG
050°M
SOG
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
12.0kts
GPS DATA
WPT DATA
Figuur 2-2: GPS Data scherm
D4936-1
➤ Om de display unit uit te zetten, houdt u de POWER toets 3 seconden ingedrukt.
Er verschijnt een afteltimer; wanneer de teller nul bereikt, wordt de display leeg
gemaakt en gaat de toetsenverlichting uit.Als u de POWER toets loslaat voordat
de teller nul heeft bereikt, blijft de display ingeschakeld.
Verlichting en contrast instellen
U kunt de verlichting en het contrast van de display en toetsen instellen. De
toetsenverlichting blijft altijd op een minimumstand branden, zodat de toetsen
ook in het donker zichtbaar blijven.
Hoofdstuk 2: Aan de slag
2-3
➤ Verlichting en contrast instellen:
1. Druk op de POWER toets om de regelaars voor de verlichting weer te geven
(Figuur 2-3)
ON
42%
60%
LIGHT
CONTRAST
D4927_1
Figuur 2-3: regelaars voor verlichting
2. Gebruik de soft key LIGHT of trackpad links/rechts om de LIGHT regelaar te
selecteren.
• Met de soft key LIGHT zet u de verlichting AAN/UIT (ON/OFF).
• Met trackpad omhoog/omlaag selecteert u de stand van de verlichting
(8 standen).
3. Gebruik de soft key CONTRAST of trackpad links/rechts om de CONTRAST
regelaar te selecteren. Stel het contrast op dezelfde wijze in als de
verlichting (16 standen).
4. Druk op ENTER om de regelaars te verbergen en naar het standaard scherm
terug te keren, met de nieuwe instellingen van contrast en verlichting.
Bij inschakelen van de display wordt de verlichting weer AAN gezet als die
voorheen ook AAN stond. Terwijl het apparaat ingeschakeld is, blijft de
verlichting in de geselecteerde stand totdat die wordt gewijzigd. De nieuwe
contrastinstelling blijft gehandhaafd totdat hij opnieuw wordt ingesteld, ook na
uitschakelen van het apparaat, tenzij die zeer laag of zeer hoog is ingesteld; in
dat geval wordt het contrast na inschakelen als volgt ingesteld:
Contrast ingesteld op
Contrast ingesteld op
<30%
>70%
teruggezet op 30%
teruggezet op 70%
NB: de fabrieksinstellingen zijn verlichting uit (LIGHT OFF) en CONTRAST 50%.
2.3 Bediening van de display
U bedient de display met de cursor en de bedieningstoetsen. U begint elke
handeling vanaf het normale scherm, dat wil zeggen: de standaard soft keys
worden in het plotterscherm weergegeven, zoals getoond in Figuur 2-4.
ROUTE
GOTO
SCREEN
FIND SHIP
D4897-1
Figuur 2-4: standaard soft keys
Nadat u een handeling met de soft keys uitgevoerd hebt, drukt u op CLEAR om
naar het normale scherm terug te keren. Soms moet u meermaals op CLEAR
drukken om terug te gaan door de verschillende niveaus van soft keys.
2-4
Raynav 300 GPS Plotter
NB: als u het systeem zo hebt ingesteld dat de standaard soft keys niet altijd
worden weergegeven, drukt u op een willekeurige soft key om de labels weer te
geven.
Werkstand selecteren
U gebruikt de DISPLAY toets om de gewenste werkstand te activeren. De
volgende werkstanden kunnen worden geselecteerd:
• GPS/waypoint scherm
• Bootdata (3 pagina’s) / omgevingsdata (2 pagina’s)
• Peiling- en afstandsindicator (BDI) / koersafwijkingsindicator (CDI)
• Databoxen
• Datalog
• Plotterscherm
• Terug naar GPS/waypoint scherm
NB: bij het eerste gebruik van de GPS plotter is het GPS/waypoint scherm het
standaard scherm. Bij opnieuw inschakelen verschijnt de pagina die de vorige
keer het laatst is weergegeven op het scherm.
Hoofdstuk 2: Aan de slag
2-5
Druk op
POWER
... na introductieschermen verschijnt standaard scherm
OWN POS
XTE
XTE
SD-FIX
SD-FIX
SD-FIX
SD-FIX
SD-FIX
SD-FIX
GPS data
SD-FIX
Waypoint data
320°M
XTE
WPT BRG
WPT RNG
WPT BRG
WPT BRG
0.55nm
320°M COG
SOG
50°50^000N WPT RNG050°M
SOG
SOG
0.55nm
STEER STARBOARD
COG
001°06^000W
SOG WPT DATA
WPT 004
12.0kts
SOG WPT DATA
050°M
SOG WPT DATA
GPS
DATA
Druk op
DISPLAY
om naar
GPS/Waypoint
data terug
te keren
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
SOG
Druk op
DISPLAY
om boot-/
omgevingsdata
weer te geven
WPT DATA
WPT DATA
12.0kts
WPT DATA
GPS DATA
WPT DATA
WIND
WIND
APPARENT WIND
TRUE WIND
SD-FIX
SD-FIX
Bootdata SD-FIX
Omgevingsdata
6nm
CSR 50°50^05W
POS 001°06^00W
WPT BRG
WPT BRG
WPT RNG
WPT BRG
DEPTH 12.5M
320°M
SPEED
11kts
DEPTH
12.5M
050°M
0.55nm
SPEEDSTEER
11kts
STARBOARD
SOG 23.4kn
COG 234°M
WPT RNG COG
COG
SOG
050°M
WPT 004
SOG WPT DATA
SOG WPT DATA
GPS DATA
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
Druk op
SCREEN
DISPLAY
ROUTE
FIND SHIP
om plotterscherm
weer te geven
12.0kts
WPT DATA
WPT DATA
BOAT DATA ENVIROMNT
GOTO
NB: in elke display stand houdt u de
toets DISPLAY 2 seconden ingedrukt om
naar het standaard scherm terug te keren.
SOG
SOG
Druk op
DISPLAY
om CDI of BDI
weer te geven
XTE
225°T
TIME
POSITION
CMG
DMG
09:00
20/12
09:30
20/12
10:00
20/12
50°50^000N
001°06^000W
50°51^000N
001°07^000W
50°52^000N
001°08^000W
239°m
4.8nm
ROUTE
GOTO
241°m
5.2nm
240°m
4.5nm
XTE
40
355°T
40
0.05nm
WPT BRG
0.05nm
300°T
30
30
WPT BRG
WPT RNG
20
nm
20
10
10
300°T
23.2nm
nmRNG
WPT
TTG
STEER STARBOARD 23.2nm
04h 12m
TTG
WPT 004
STEER STARBOARD
BDI
04h 12m BDI
WPT 004
STOP LOG
ROUTE
CLEAR LOG
Druk op
DISPLAY
om Data Log
weer te geven
WPT RNG
WPT BRG
PILOT
28.7
28.7
MANUAL
TIME
SPEED
COG
01:40:18
17.6
17.6
DEPTH
POSITION
50°50^000N
001°06^000W
SOG
28.7
ROUTE
15.1
GOTO
CDI
BDI
Druk op
DISPLAY
om databoxen
weer te geven
GOTO
D4964-1
Figuur 2-5: werkstanden van de display
2-6
Raynav 300 GPS Plotter
In het standaard scherm drukt u op MENU om alle Setup soft keys weer te
geven. Druk op CLEAR om de Setup soft keys te verbergen.
NB: in alle andere werkstanden worden bij indrukken van MENU alleen de
bijbehorende soft keys voor die werkstand weergegeven, d.w.z. SYSTEM SETUP
en GPS SETUP.
2.4 Bedieningsfuncties van het plotterscherm
Gebruik van het plotterscherm
Normaal gesproken gebruikt u de GPS plotter met één van de Navigatiedata
pagina’s op het scherm weergegeven.
Plotterbewerkingen met GPS navigatiedata pagina’s
Naast een aantal andere informatiepagina’s vormen de GPS data pagina’s een
reeks van vier tekstschermen, die met de bijbehorende sneltoetsen worden
geselecteerd. Deze pagina’s bevatten belangrijke informatie voor de navigatie.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Status van positiebepaling (Fix)
Stuurindicator
Positie lengtegraad/breedtegraad
Waypoint peiling en afstand
Koers over de grond (COG)
Snelheid over de grond (SOG)
Huidige tijd
Tijden van zonsopgang en zonsondergang
Schemertijden
De reeks pagina’s is beschreven in Werkstand selecteren op pagina 4 en
geïllustreerd in Figuur 2-5. De complete reeks pagina’s wordt uitgebreid
beschreven in hoofdstuk 3, Bediening.
Verplaatsen over het plotterscherm
Bij gebruik van het plotterscherm is de standaard oriëntatie North Up, waarbij
het schip zich over het scherm verplaatst. U moet het scherm verschuiven als
uw schip uit het momenteel getoonde gebied beweegt, of als u waypoints in een
ander gebied wilt bekijken of creëren. U kunt ook de cursor op het schip vastzetten met behulp van de soft key FIND SHIP.
U kunt op vier manieren over het scherm verplaatsen:
• Met behulp van de trackpad het scherm verschuiven.
• Het schip automatisch op het scherm centreren met de soft key FIND SHIP.
Hoofdstuk 2: Aan de slag
2-7
• De schaal van de display veranderen, om uit te zoomen en op een nieuw
gebied rond de cursorpositie in te zoomen. Deze methode is handig als het
gebied dat u wilt bekijken op grote afstand ligt.
• De contextgevoelige cursor gebruiken om het centrum van de display te
veranderen.
Scherm verschuiven (panning)
Verschuiven van het scherm is praktisch wanneer het gebied dat u wilt zien net
naast het huidige scherm ligt.
➤ Gebruik de trackpad om de cursor naar de rand van het scherm te bewegen; het
scherm verschuift in die richting.
Functie FIND SHIP
FIND SHIP wordt gebruikt om het schip op het scherm te centreren, ook als het
zich op dat moment niet op het scherm bevindt:
➤ Druk op de soft key FIND SHIP; het volgende gebeurt:
• het scherm wordt opnieuw getekend met de positie van uw schip in het
midden.
• de cursor wordt vastgezet (homed) op de positie van het schip en beweegt
mee met het schip.
• wanneer het schip naar de rand van het scherm toe beweegt, wordt het
scherm opnieuw getekend, met schip en cursor in het midden.
• als de cursor op de positie van het schip vastgezet is, geeft de statusbalk
positie, snelheid en koers over de grond aan.
Schaal wijzigen
Met de RANGE toets kunt u de schaal van de display wijzigen, zodat een kleiner
of groter gebied op het scherm wordt weergegeven.
U kunt de schaal voor twee doeleinden wijzigen:
• om meer details te zien (van een kleiner gebied), of een groter gebied (minder
gedetailleerd) op het scherm weer te geven
• om een ander gebied op het scherm weer te geven, door eerst naar een
kleinere schaal uit te zoomen en vervolgens op een andere positie in te
zoomen, met de cursor in het centrum.
Telkens wanneer u de RANGE toets indrukt, wordt de eerstvolgende beschikbare schaal weergegeven. De statusbalk (zie Figuur 2-6) geeft de afstand tussen
de boven- en onderkant van het scherm in zeemijl aan.
2-8
Raynav 300 GPS Plotter
6nm
VES 43°27^05N
POS 001°02^83W
SOG 23.4kts
COG 234°M
D4902-1
Figuur 2-6: statusbalk
➤ Om de schaal sneller te wijzigen, houdt u de onder- of bovenkant van de
RANGE toets ingedrukt.
De afstandsindicator op de linkerkant van de statusbalk wordt telkens
bijgewerkt wanneer u de schaal verandert.
➤ Naar een grotere schaal (meer details) inzoomen:
1. Plaats de cursor in het gebied dat u groter wilt weergeven m.b.v. de
trackpad.
2. Druk de onderkant van de RANGE toets in om in te zoomen.
Het scherm, gecentreerd rond de cursor, wordt in een grotere schaal weergegeven en de getoonde afstand op de statusbalk wordt bijgewerkt.
➤ Om naar een kleinere schaal (minder details) uit te zoomen, drukt u de bovenkant van de RANGE toets zo vaak in als nodig is, tot aan de maximum schaal
van 2400 nm.
Centrum van de kaart wijzigen
U kunt het centrum van het scherm verplaatsen m.b.v. de contextgevoelige
cursor. Hierdoor kunt u uw schip in het midden van het scherm plaatsen, of het
scherm verschuiven, zodat uw schip buiten het centrum op elke gewenste plaats
wordt getoond.
➤ Positie van uw schip buiten het centrum plaatsen:
1. Beweeg de cursor naar de positie van uw schip, zodat de tekst POS verschijnt.
2. Druk op ENTER om de positie van uw schip te selecteren. De tekst POS
wordt nu invers weergegeven en het cursorsymbool verandert in een
pijlenkruis. Dit geeft aan dat u met de cursor het scherm in elke richting
kunt bewegen.
3. Beweeg de cursor m.b.v. de trackpad naar de gewenste positie.
4. Druk op ENTER om die positie te selecteren en naar normale cursorbediening terug te gaan. Het scherm wordt opnieuw getekend met het schip op de
cursorpositie. U kunt ook op CLEAR drukken om het verplaatsen te
annuleren en het scherm (en schip) op de vorige positie te laten.
➤ Scherm centreren:
1. Beweeg de cursor m.b.v. de trackpad naar de positie van uw schip. De tekst
POS verschijnt.
2. Druk op CLEAR. Het scherm verschuift, zodat uw schip in het centrum van
het scherm wordt weergegeven.
Hoofdstuk 2: Aan de slag
2-9
Opties voor schermpresentatie instellen
Met de soft key SCREEN kunt u de volgende opties voor de schermpresentatie
aan of uit zetten:
• Cursorbox (CRSR BOX)
• Raster (GRID)
• Aangepast (CUSTOM)
Cursor databox aan/uit zetten
In de cursor databox wordt de positie van de cursor in lengte-/breedtegraad en/
of peiling/afstand weergegeven. Als u het volledige scherm wilt benutten, kunt
u de databox uit zetten.
➤ Cursor databox aan/uit zetten:
1. Druk op de soft key SCREEN.
2. Druk op de soft key CRSR BOX om de instelling te veranderen van OFF (uit)
naar ON (aan) of omgekeerd.
Om naar het standaard scherm terug te keren, drukt u op CLEAR.
➤ Cursor databox verplaatsen:
1. Plaats m.b.v. de trackpad de cursor op de box zodat de tekst BOX verschijnt.
2. Druk op de ENTER om de box te selecteren, verplaats hem met de trackpad
naar de gewenste positie en druk nogmaals op ENTER.
Raster aan/uit zetten
Op het plotterscherm kunnen rasterlijnen voor breedte en lengte worden
weergegeven, die u kunt gebruiken om uw positie te bepalen.
➤ Rasterlijnen aan of uit zetten:
1. Druk op de standaard soft key SCREEN.
2. Druk op de soft key CHRT GRID om de instelling te veranderen van OFF naar
ON of omgekeerd.
3. Om naar het standaard scherm terug te keren, drukt u op CLEAR.
Simulator stand
Als u de simulator stand aan zet, is uw eerste gesimuleerde positie de huidige
cursorpositie. Als u met de plotter in een bepaald gebied op de kaart wilt
oefenen, gaat u m.b.v. de trackpad naar dat gebied en zet u Simulator ON (aan).
NB: als er echte positiegegevens beschikbaar zijn (via GPS) en de simulator
actief is, heeft de gesimuleerde informatie prioriteit.Bij inschakelen start de
simulator met de instellingen zoals actief bij het uitschakelen. Let op dat u bij
inschakelen de gewenste stand bepaalt!
2-10
Raynav 300 GPS Plotter
Gesimuleerde informatie nooit voor navigatie gebruiken! Waypoints die in
simulator stand op de plotter zijn geplaatst, worden in de waypoint lijst
opgeslagen en kunnen in routes worden gebruikt.
➤ Gesimuleerd scherm bekijken:
✢❅❄❉❅■❉■❇
❖❁■
❈❅▼
❋❁❁❒▼▲❃❈❅❒❍
1. Druk op MENU, gevolgd door de soft key SYSTEM SET UP. Het menu voor
de systeeminstellingen verschijnt.
2. Gebruik trackpad omhoog/omlaag om de selectiebalk op de optie
SIMULATOR te plaatsen. De simulator soft keys worden weergegeven.
3. Druk op de soft key ON om de simulator te starten.
4. Om naar het standaard scherm terug te keren, drukt u tweemaal op ENTER.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-1
Hoofdstuk 3: Bediening
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk beschrijven we hoe u de Raynav 300 gebruikt om te navigeren.
We behandelen de volgende onderwerpen:
• Bewerken van waypoints, o.a. plaatsen, verplaatsen, bewerken en
verwijderen
• Werkstand van de display veranderen:
• Een reeks datapagina’s gebruiken om navigatiedata weer te geven
• Een datalog bijhouden met tijd, positie, goedgemaakte koers (CMG) en
goedgemaakte afstand (DMG)
• Werken met waypoints en routes, o.a. nieuwe route creëren, routes beheren
m.b.v. de routelijst en routes bewerken
• Naar waypoints gaan en routes volgen
• Overdracht van waypoints en routes
• Werken met tracks, o.a. track instellen, tracks weergeven, opslaan en track in
route omzetten (SmartRoute)
• Gebruik van de man overboord functie
• Informatie van andere apparatuur weergeven
VOORZICHTIG:
De GPS maakt het heel eenvoudig een waypoint te markeren en erheen te
varen. U dient altijd eerst te controleren of die route veilig is. Als u de GPS
plotter in combinatie met een stuurautomaat gebruikt, vraagt de stuurautomaat normaliter eerst om bevestiging voordat het schip naar het
waypoint wordt gestuurd.
3.2 Werkstand van display veranderen
U gebruikt de DISPLAY toets om de gewenste schermweergave te selecteren.
Mits de informatie beschikbaar is, kunt u de volgende standen selecteren:
• Standaard GPS/waypoint scherm
• Bootdata (3 pagina’s) / omgevingsdata (2 pagina’s)
• Peiling en afstand indicator (BDI) / koersafwijkingsindicator (CDI)
• Databoxen
• Datalog
• Plotterscherm
• Terug naar standaard GPS/waypoint scherm
In werkstanden die uit meer dan één datapagina bestaan, verschijnen extra soft
keys, waarmee de overige datapagina’s achtereenvolgens kunnen worden
Raynav 300 GPS Plotter
3-2
geselecteerd. De invers getoonde soft key geeft aan welke datapagina
momenteel weergegeven wordt.
Bij het eerste gebruik van de plotter verschijnt het standaard scherm GPS/
waypoint. Daarna verschijnt na inschakelen de laatst gebruikte pagina.
NB: houd de DISPLAY toets in elke werkstand ten minste 2 seconden ingedrukt
om naar het standaard scherm terug te keren.
Presentatie van informatie
In alle grafische schermen is de stuurinstructie STEER STARBOARD (naar
stuurboord sturen) als de XTE (koersafwijking) 0,01 nm of meer naar bakboord
is, STEER PORT als XTE 0,01 nm of meer naar stuurboord is, of ON COURSE (op
koers) als XTE minder dan 0,01 nm naar één van beide zijden is.
Als er geen Goto of volgen actief is, is de stuurinstructie NOT TRACKING (niets
gevolgd) en worden geen stuurpijlen getoond.
De pijlen aan weerskanten van de stuurinstructie worden bepaald door de XTE.
De eerste verschijnt wanneer het verschil 0,01 nm is en de tweede bij 0,05 nm.
De tekstdata bestaat uit positie, SOG, COG, peiling en afstand naar waypoint,
tijd en datum, tijd te gaan (TTG), stuurindicator, zonsopgang, zonsondergang,
status van positiebepaling en XTE. Data die niet beschikbaar is, wordt als
streepjes weergegeven, één per teken. Als er geen GPS positiebepaling is, maar
wel een waarde van de laatste, dan wordt die weergegeven.
De waypoint naam wordt getoond behalve als er geen bestemming is; in dat
geval wordt NOT TRACKING weergegeven. Als het waypoint deel uitmaakt van
een route, wordt het waypointnummer in de route eveneens getoond. Als Goto
cursor actief is, verschijnt GOTO CURSOR.
De FIX status is GPS FIX voor een standaard GPS positiebepaling, D-FIX voor
differentiële positiebepaling, SD-FIX voor satelliet differentiële positiebepaling,
of NO FIX wanneer geen positiebepaling bereikt is.
BRG, RNG en XTE hebben betrekking op het bestemmingswaypoint.
De tijd geldt voor de locale tijdzone, ingesteld in het System Setup menu, zie
hoofdstuk 4.
De tijd te gaan (TTG) en geschatte aankomsttijd (ETA) hebben betrekking op
het bestemmingswaypoint (niet de gehele route) en zijn gebaseerd op de
snelheid over de grond (SOG) naar de bestemming toe. Als de goedgemaakte
snelheid (VMG) negatief is, of die niet beschikbaar is, verschijnen in deze
velden streepjes, één per teken.
Zonsopgang en -ondergang gelden voor vandaag en op de positie van het schip.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-3
GPS/Waypoint data
GPS data
Het GPS data scherm bestaat uit vier tekstpagina’s, achtereenvolgens geselecteerd met de soft key GPS DATA. De pagina’s zijn getoond in Figuur 3-1 t/m 3-4.
WPT BRG
SD-FIX
320°M
50°50^000N
001°06^000W
WPT RNG
0.55nm
COG
050°M
SOG
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
12.0kts
GPS DATA
WPT DATA
D4936-1
Figuur 3-1: GPS datapagina 1
WPT BRG
SD-FIX
COG 320°M
SOG 12.5kts
320°M
WPT RNG
0.55nm
POSITION
50°50^000N
001°06^000W
TIME
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
12:34:00
GPS DATA
WPT DATA
D4937-1
Figuur 3-2: GPS datapagina 2
Raynav 300 GPS Plotter
3-4
WPT BRG
SD-FIX
320°M
TIME 12:34:00
DATE 23/02/00
WPT RNG
0.55nm
COG
050°M
SOG
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
12.0kts
GPS DATA
WPT DATA
D4938-1
Figuur 3-3: GPS datapagina 3
TWILIGHT
SD-FIX
05:30
TIME 12:34:00
DATE 23/02/00
SUNRISE
06:43
SUNSET
18:00
TWILIGHT
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
GPS DATA
18:54
WPT DATA
D4939-1
Figuur 3-4: GPS datapagina 4
Waypoint data
Het Waypoint data scherm bestaat uit drie datapagina’s, achtereenvolgens
geselecteerd met de soft key WPT DATA. De pagina’s zijn getoond in Figuur 3-5
t/m 3-7.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-5
XTE
SD-FIX
0.06nm
BRG 320°M
RNG 0.55nm
TTG
01h00m
COG
050°m
SOG
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
12.0kts
GPS DATA
WPT DATA
D4940-1
Figuur 3-5: waypoint data 1
XTE
SD-FIX
0.06nm
BRG 320°M
RNG 0.55nm
TTG
01h00m
ETA
13:34:00
TIME
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
12:34:00
GPS DATA
WPT DATA
D4941-1
Figuur 3-6: waypoint data 2
OWN POS
SD-FIX
BRG 320°M
RNG 0.55nm
50°50^000N
001°06^000W
WPT POS
50°50^000N
001°06^000W
COG
050°M
SOG
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
12.0kts
GPS DATA
WPT DATA
D4942-1
Figuur 3-7: waypoint data 3
Raynav 300 GPS Plotter
3-6
Boot-/omgevingsdata
Bootdata
Het bootdata scherm bestaat uit drie datapagina’s, achtereenvolgens
geselecteerd met de soft key BOAT DATA. De pagina’s zijn getoond in Figuur
3-8 t/m 3-10.
WPT BRG
SD-FIX
DEPTH 12.5m
SPEED 11kts
320°M
WPT RNG
0.55nm
COG
050°M
SOG
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
12.0kts
BOAT DATA ENVIROMNT
D4943-1
Figuur 3-8: bootdata 1
WPT BRG
SD-FIX
DEPTH 12.5m
TEMP 11°C
320°M
WPT RNG
0.55nm
COG
050°M
SOG
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
12.0kts
BOAT DATA ENVIROMNT
D4944-1
Figuur 3-9: bootdata 2
Hoofdstuk 3: Bediening
3-7
PILOT
SD-FIX
HDG 325°M
LOCK 323°M
AUTO
RUDDER
---l---COG
050°M
XTE
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
0.05nm
BOAT DATA ENVIROMNT
D4945-1
Figuur 3-10: bootdata 3
Omgevingsdata
Het omgevingsdata scherm bestaat uit twee datapagina’s, beurtelings geselecteerd met de soft key ENVIRONMT. De pagina’s zijn getoond in Figuur 3-11 en
3-12.
WIND
TRUE WIND
105° STBD
32 kts
SSW7
RUDDER
---l---COG
050°M
HEADING
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
320°M
BOAT DATA ENVIROMNT
D4946-1
Figuur 3-11: omgevingsdata 1
Raynav 300 GPS Plotter
3-8
WIND
APPARENT WIND
105° STBD
32 kts
SSW7
RUDDER
---l---COG
050°M
HEADING
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
320°M
BOAT DATA ENVIROMNT
D4947-1
Figuur 3-12: omgevingsdata 2
CDI/BDI data
Het scherm koersafwijkingsindicator (CDI) / peiling en afstand indicator (BDI)
bestaat uit twee datapagina’s, beurtelings geselecteerd met de soft keys CDI en
BDI. De pagina’s zijn getoond in Figuur 3-13 en 3-14.
CDI scherm
Het CDI scherm toont de koersafwijking (Cross Track Error, XTE) en afstand
naar waypoint in een soort ‘startbaan’ vorm, zie Figuur 3-13:
XTE
355°T
0.05nm
WPT BRG
300°T
WPT RNG
23.2nm
TTG
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
GOTO
04h 12m
CDI
BDI
D4932-1
Figuur 3-13: CDI scherm
De ‘startbaan’ geeft een breedte van 0,3 nm weer, waarbij het scheepssymbool
onderaan wordt weergegeven. In afzonderlijke vensters worden koersafwijking
(XTE), peiling naar waypoint, afstand naar waypoint en tijd te gaan (TTG)
getoond. De tijd te gaan wordt berekend op basis van de afstand naar de
bestemming en de goedgemaakte snelheid (VMG) naar de bestemming toe.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-9
Op waypointafstanden van meer dan 4 nm blijft het symbool boven aan het
scherm staan. Wanneer de waypoint-afstand onder 4 nm komt, beweegt het
symbool omlaag over de middellijn.
Het schaakbordpatroon beweegt omlaag over het scherm om de verplaatsing te
simuleren wanneer de SOG hoger dan 2 knopen is (0,5 knopen bij D-FIX of
SD-FIX).
BDI scherm
Het BDI scherm geeft de afwijking ten opzichte van de peiling en afstand naar
waypoint weer, zoals getoond in Figuur 3-14. In afzonderlijke vensters worden
koersafwijking (XTE), peiling en afstand naar waypoint en tijd te gaan weergegeven. De tijd te gaan wordt berekend op basis van de afstand naar de
bestemming en de goedgemaakte snelheid (VMG) naar de bestemming toe.
XTE
225°T
0.05nm
40
WPT BRG
40
30
300°T
30
WPT RNG
20
20
nm
nm
10
TTG
STEER STARBOARD
WPT 004
ROUTE
23.2nm
10
GOTO
04h 12m
CDI
BDI
D4933-1
Figuur 3-14: BDI scherm
De lijn naar het waypointsymbool wordt weergegeven in een hoek die gelijk is
aan het verschil tussen de COG en de peiling naar waypoint, tot een maximum
van ± 15°. Het waypointsymbool is het symbool van het bestemmingswaypoint,
zoals dat op het scherm wordt weergegeven.
De schaal wordt automatisch op de afstand ingesteld. De getoonde schaalgrootten zijn 0,4 nm, 4 nm, 40 nm en vervolgens in decimale stappen in reeksen
van 1, 2, 4 d.w.z. 100 nm, 200 nm, 400 nm, 1000 nm, 2000 nm en 4000 nm. Elk
bereik is weer onderverdeeld in ¼, ½ en ¾ van de huidige schaal.
Databoxen
Het databoxen scherm is weergegeven in Figuur 3-15.
Raynav 300 GPS Plotter
3-10
WPT RNG
WPT BRG
PILOT
28.7
28.7
MANUAL
TIME
SPEED
COG
01:40:18
17.6
17.6
DEPTH
POSITION
50°50^000N
001°06^000W
SOG
28.7
ROUTE
15.1
GOTO
D4934-1
Figuur 3-15: databoxen scherm
Datalog
De GPS plotter kan zo ingesteld worden dat elke 30 minuten informatie over de
voortgang wordt opgeslagen. Er kunnen maximaal 48 items in het logboek
worden opgeslagen. Als er 48 items opgeslagen zijn, worden de eerste weer
overschreven.
Als het aantal items het formaat van de tabel overschrijdt, kunt u met trackpad
omhoog/omlaag door de lijst bladeren en de overige items bekijken. Elke regel
van het logboek heeft de volgende inhoud:
• Tijd van registratie van het item
• Positie op de tijd van het item
• Goedgemaakte koers (CMG) sinds laatste item
• Goedgemaakte afstand (DMG) sinds laatste item
U kunt het datalog op elk moment stoppen en het logboek uit het geheugen
verwijderen.
➤ Gebruik van de Datalog functie:
1. Druk een aantal keren op DISPLAY, totdat de Datalog tabel verschijnt.
2. Druk op de soft key START LOG om de registratie te starten; de soft key
START LOG verandert in STOP LOG.
Met intervallen van 30 minuten worden de huidige tijd, positie van het schip,
goedgemaakte afstand (DMG) en goedgemaakte koers (CMG) opgeslagen,
zoals getoond in Figuur 3-16.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-11
TIME
POSITION
CMG
DMG
09:00
20/12
09:30
20/12
10:00
20/12
50°50^000N
001°06^000W
50°51^000N
001°07^000W
50°52^000N
001°08^000W
239°m
4.8nm
241°m
5.2nm
240°m
4.5nm
ROUTE
GOTO
STOP LOG
CLEAR LOG
D4924-1
Figuur 3-16: Datalog scherm
3. Druk op de soft key STOP LOG om de registratie te stoppen.
4. Druk op de soft key CLEAR LOG om alle items uit het log te verwijderen.
Druk op de soft key START LOG. Zoals hierboven getoond, registreert de plotter
de tijd en positie van het schip.
3.3 Werken met waypoints
Inleiding
De GPS plotter biedt de mogelijkheid maximaal 1000 waypoints te plaatsen.
Een waypoint is een positie die op het scherm is ingevoerd, of een plaats
waarheen u wilt gaan. Alle waypoints die op de plotter zijn geplaatst, worden in
een waypoint database opgeslagen, inclusief symbool, positie, peiling, afstand
en extra informatie. Alle waypoints in de database worden op het scherm
weergegeven, tenzij u de weergave ervan uitschakelt via het Setup menu, zie
hoofdstuk 4. U kunt een waypoint op het scherm of in de lijst selecteren om te
bewerken.
Een waypoint wordt meestal numeriek of op de huidige positie geplaatst, maar
kan ook op de cursorpositie worden geplaatst. Een waypoint geplaatst op de
positie van het schip bevat extra informatie (indien beschikbaar), o.a. diepte,
temperatuur en tijdstip van plaatsing. Elk type waypoint kan in een route
worden opgenomen.
NB: u kunt zelfs waypoints plaatsen voordat u de GPS plotter in uw schip hebt
geïnstalleerd.
Als u een nieuw waypoint plaatst, wordt dat aangeduid door het standaard
symbool (een kruis) of een alternatief symbool, geselecteerd via het Setup
menu, zie hoofdstuk 4. Het waypoint wordt aan de waypoint lijst toegevoegd en
Raynav 300 GPS Plotter
3-12
krijgt als naam het eerstvolgende beschikbare nummer. U kunt de bewerkingsfuncties gebruiken om het symbool en de naam te wijzigen. Als de cursor op
een waypoint staat, worden de peiling en afstand van het waypoint getoond.
Waypoints van de huidige route zijn beschikbaar op andere SeaTalk instrumenten die overdracht van de huidige route ondersteunen, bijv. een ST80
Masterview. U kunt waypoints ook overdragen tussen de GPS plotter en andere
NMEA of SeaTalk instrumenten, met behulp van de Waypoint Transfer
functies.
In deze paragraaf leggen we uit hoe u de volgende taken m.b.v. de cursor op het
scherm en de waypoint lijst uitvoert:
• Waypoint plaatsen
•
•
•
•
•
Waypoint selecteren
Waypoint data weergeven
Waypoint bewerken (symbool, naam en positie)
Waypoint verwijderen
Waypoint verplaatsen
Waypoint plaatsen
➤ Om de soft keys voor het plaatsen van waypoints op te roepen, drukt u op
MARK; de sneltoetsen verschijnen op het scherm (zie Figuur 3-17):
PLACE WPT PLACE WPT
AT CURSOR AT VESSEL
WAYPOINT
LIST
D4905-1
Figuur 3-17: waypoint soft keys
➤ Waypoint op de cursorpositie (plotterscherm) of positie van het schip plaatsen:
1. Selecteer PLACE WPT AT CURSOR of PLACE WPT AT VESSEL. Het waypoint
wordt aan de waypointlijst toegevoegd en krijgt als naam het eerstvolgende
beschikbare nummer.
De waypoint soft keys blijven staan totdat u de cursor van het waypoint af
beweegt of op CLEAR drukt.
2. Druk op CLEAR om de waypoint soft keys te verbergen.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-13
➤ Waypoint plaatsen via de waypoint lijst:
1. Druk op MARK, gevolgd door de soft key WAYPOINT LIST. De waypoint
lijst en bijbehorende soft keys verschijnen, zie Figuur 3-18.
WAYPOINT LIST
SYMBOL
POSITION
NAME
WAYPOINT 001
WAYPOINT 002
WAYPOINT 003
WAYPOINT 004
50°50^000N
001°06^000W
BRG
348°m
RNG
TEMP
DATE
20°C
23/11/00
DEPTH 12.3m
TIME 08:45
GOTO
WAYPOINT
EDIT
WAYPOINT
1.00nm
MAKE NEW
WAYPOINT
WAYPOINT
TRANSFER
D4906-1
Figuur 3-18: waypointlijst en soft keys
In de lijst zijn alle waypoints in alfanumerieke volgorde weergegeven. Het
geselecteerde waypoint wordt door de selectiebalk aangeduid. De positie,
peiling en afstand ervan worden getoond, met de datum, tijd en, indien op
positie van schip geplaatst, diepte en temperatuur (indien beschikbaar).
2. Druk op de soft key MAKE NEW WAYPOINT.
Het waypoint wordt op de huidige positie van het schip geplaatst of, als die
niet beschikbaar is, op de cursorpositie. Het nieuwe waypoint wordt aan de
waypointlijst toegevoegd en krijgt als naam het eerstvolgende nummer.
Daarna wordt de bewerkingsmodus geactiveerd, zodat u het waypoint kunt
bewerken zoals beschreven in Waypoint data bewerken verderop.
3. Om naar het standaard scherm terug te gaan, drukt u tweemaal op CLEAR.
Waypoint selecteren
Als u een waypoint in de waypointlijst selecteert, kunt u naar een waypoint
gaan (GOTO) of een waypoint bewerken (EDIT) (symbool, naam, positie,
verwijderen). De waypointlijst bevat ook opties om een nieuw waypoint te
maken en waypoints over te brengen.
Wanneer u de cursor op een waypoint plaatst, selecteert u dat waypoint en
verschijnen de waypoint soft keys. Met deze toetsen kunt u naar een waypoint
gaan (GOTO, zie par. 3.5), of een waypoint bewerken (EDIT) (symbool, naam,
positie), verwijderen of verplaatsen.
➤ Waypoint selecteren via de waypointlijst:
1. Druk op MARK, gevolgd door de soft key WAYPOINT LIST.
De waypoint lijst en bijbehorende soft keys verschijnen, zie Figuur 3-18.
Raynav 300 GPS Plotter
3-14
2. Gebruik de trackpad om door de lijst te gaan en met de selectiebalk het
gewenste waypoint te selecteren.
Het geselecteerde waypoint kan worden bewerkt m.b.v. de soft keys.
➤ Waypoint selecteren m.b.v. de cursor:
1. Plaats de cursor op het waypoint, zodat de tekst WPT verschijnt.
De waypoint databox (zie Weergave van waypoint data hieronder) en soft
keys verschijnen, zie Figuur 3-19.
GOTO
WAYPOINT
EDIT
WAYPOINT
ERASE
WAYPOINT
MOVE
WAYPOINT
D4959_1
Figuur 3-19: waypoint soft keys
Het geselecteerde waypoint kan worden bewerkt m.b.v. de soft keys.
Weergave van waypoint data
In de plotterstand kunt u waypoint data op twee manieren bekijken: selecteer
het waypoint met de contextgevoelige cursor om de waypoint data in de
Waypoint databox weer te geven, of bekijk de gegevens in de waypoint lijst.
➤ Waypoint gegevens uit de waypoint lijst weergeven:
1. Selecteer het waypoint in de lijst, zoals hierboven beschreven.
De gegevens van het geselecteerde waypoint worden getoond.
Temperatuur, diepte, datum en tijd (indien beschikbaar) worden bij
waypoints weergegeven die op de positie van het schip geplaatst zijn.
2. Om de waypointlijst te sluiten en naar het normale scherm terug te gaan,
drukt u tweemaal op CLEAR.
➤ Waypoint databox weergeven:
1. Plaats de cursor op het waypoint.
• De waypoint databox verschijnt, met daarin nummer/naam, peiling en
afstand (of lengte/breedte, indien geselecteerd in systeeminstellingen,
zie hoofdstuk 4).
• Zolang de cursor op het waypoint staat, worden de waypoint soft keys
weergegeven, zie Figuur 3-19.
➤ Waypoint databox en soft keys verbergen:
1. Beweeg de cursor van het waypoint af, of ...
2. Druk op CLEAR.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-15
Waypoint data bewerken
U kunt de naam, het symbool en de positie van elk waypoint (behalve het
bestemmingswaypoint) wijzigen.
➤ Waypoint bewerken:
1. Selecteer het waypoint met de cursor of via de waypointlijst, zie Waypoint
selecteren hierboven. De waypoint soft keys verschijnen.
2. Druk op de soft key EDIT WAYPOINT. De soft keys voor het bewerken van
waypoints verschijnen:
SYMBOL
NAME
POSITION
ERASE WPT
D4908-1
Figuur 3-20: soft keys voor waypoint bewerken
NB: de soft key ERASE WPT is alleen beschikbaar via de waypoint lijst.
3. Om het symbool te bewerken, drukt u op de soft key SYMBOL.
Gebruik de soft keys (zie Figuur 3-21) om het gewenste symbool te
selecteren en druk op ENTER om uw keuze te bevestigen.
Druk op CLEAR om naar de standaard soft keys terug te keren.
SELECT SYMBOL
D4909_1
Figuur 3-21: selectie van waypoint symbool
4. Om de waypointnaam te bewerken, drukt u op de soft key NAME.
Het venster NAME WAYPOINT verschijnt.
5. Gebruik de trackpad om de naam in te voeren of te bewerken:
• Gebruik trackpad links/rechts om de cursor naar het teken te verplaatsen
dat u wilt wijzigen.
• Gebruik trackpad omhoog/omlaag om door de tekens te “bladeren”.
6. Nadat u de naam hebt gewijzigd, drukt u op ENTER om de naam op te slaan
en het venster sluiten, of CLEAR om te annuleren. De waypointnaam
verschijnt in plaats van het nummer.
7. Druk op CLEAR om naar de standaard soft keys terug te keren.
8. Om de positie van een waypoint te bewerken, drukt u op de soft key EDIT
WAYPOINT, gevolgd door POSITION.
Het venster voor de waypoint positie verschijnt
9. Gebruik de soft keys of trackpad links/rechts om LAT, LON, BRG of RNG te
selecteren.
Raynav 300 GPS Plotter
3-16
NB: als er geen positiebepaling uitgevoerd is, zijn de soft keys SET BRG en SET
RNG niet beschikbaar en worden die grijs weergegeven.
10. Gebruik de trackpad om de waarde te bewerken:
• Gebruik trackpad links/rechts om de cursor naar het teken te verplaatsen
dat u wilt wijzigen.
• Gebruik trackpad omhoog/omlaag om door de tekens te “bladeren”.
• Stel de parameters zo in dat de juiste positie wordt weergegeven.
11. Nadat u de positie hebt gewijzigd, drukt u op ENTER om de positie op te
slaan, of CLEAR om te annuleren.
Het waypointpositie venster verdwijnt van het scherm en de standaard soft
keys verschijnen weer.
Waypoint verwijderen
In de plotterstand kunt u het bestemmingswaypoint of waypoints die in routes
worden gebruikt niet verwijderen. U kunt een waypoint wel uit de huidige route
verwijderen, zie Route bewerken, par. 3.4.
Als u een waypoint probeert te verwijderen dat in een opgeslagen route wordt
gebruikt, verschijnt de waarschuwing WAYPOINT IS USED IN A ROUTE &
CANNOT BE DELETED (waypoint wordt in route gebruikt en kan niet worden
verwijderd).
➤ Waypoint via de waypointlijst verwijderen:
1. Selecteer het waypoint in de waypointlijst zoals eerder beschreven. De soft
keys van de waypointlijst verschijnen.
2. Druk op de soft key EDIT WAYPOINT, gevolgd door ERASE WPT. Het
waypoint verdwijnt van het scherm en de lijst wordt bijgewerkt.
3. Druk driemaal op CLEAR om naar de standaard soft keys terug te keren.
➤ Waypoint m.b.v. de cursor verwijderen:
1. Plaats de cursor op het waypoint; zodat de tekst WPT verschijnt. De
waypoint soft keys worden weergegeven.
2. Druk op de soft key ERASE WAYPOINT. Het waypoint verdwijnt van het
scherm en de lijst wordt bijgewerkt.
Waypoint verplaatsen
U kunt elk waypoint behalve het bestemmingswaypoint (waar u naartoe vaart)
verplaatsen. Gebruik de waypoint soft keys en de cursor om het geselecteerde
waypoint te verplaatsen, of wijzig de positie van het waypoint.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-17
VOORZICHTIG:
Let goed op bij het bewerken van waypoints, omdat u mogelijk waypoints
verplaatst die in routes worden gebruikt en die opgeslagen zijn in de
routelijst.
➤ Waypoint verplaatsen via de functies voor waypoint bewerken:
1. Selecteer het waypoint met de cursor of via de waypoint lijst, zoals
hierboven beschreven. De waypoint soft keys worden weergegeven.
2. Wijzig de positie van het waypoint, zie Waypoint data bewerken.
➤ Waypoint m.b.v. de cursor verplaatsen:
1. Plaats de cursor op het waypoint, zodat de tekst WPT verschijnt. De
waypoint soft keys worden weergegeven.
2. Druk op MOVE WAYPOINT. De cursor verandert in een pijlenkruis.
3. Verplaats de cursor naar de gewenste nieuwe positie.
4. Druk op ENTER om de nieuwe positie te selecteren. De cursor krijgt weer
de normale functie. Of druk op CLEAR om de bewerking te annuleren.
3.4 Werken met routes
Een route bestaat uit een reeks waypoints (maximaal 50). Om een route te
creëren, plaatst u een reeks waypoints en/of gebruikt u bestaande waypoints.
Nadat u een route gecreëerd hebt, wordt die de huidige route en wordt die op het
scherm weergegeven. De huidige route blijft gehandhaafd als u de plotter uit
zet. Slechts één route kan de huidige zijn en wordt weergegeven (als hij binnen
het gezichtsveld ligt) als doorgetrokken lijnen die waypoints verbinden. Als u
de route volgt, wordt de huidige etappe als stippellijn weergegeven en worden
voorgaande etappes van het scherm verwijderd (de waypoints blijven echter
zichtbaar). De huidige route (met zijn waypoints) wordt via SeaTalk
overgedragen naar een repeater plotterscherm en andere instrumenten. U kunt
ook de Waypoint Transfer functies gebruiken om de routedatabase naar een
repeater scherm over te brengen, zie par. 3.6 Overdracht van waypoints en
routes.
Nadat u een route hebt gecreëerd, kunt u de GOTO soft key gebruiken om die
route te volgen. De GOTO standaard soft key biedt bovendien verschillende
andere opties, zoals beschreven in par. 3.5.
In de routedatabase kunt u maximaal 20 routes opslaan. Daarna kunt u een route
uit de database selecteren als huidige route, zie pagina 25.
De huidige route kan worden bewerkt door waypoints toe te voegen en/of te
verplaatsen. De huidige route wordt in de databaselijst altijd vermeld als route
0, zodat u de huidige route altijd kunt bewerken zonder de originele route in de
database te wijzigen. Nadat een route opgeslagen is, zijn er opties beschikbaar
Raynav 300 GPS Plotter
3-18
om de route een naam te geven of te verwijderen en informatie over die route
weer te geven.
U kunt route-informatie gebruiken om uw reisplan te bekijken, door de
geplande snelheid over de grond (SOG) aan te passen.
NB: in een geïntegreerd systeem kan de huidige route worden overschreven
door een route van een ander apparaat; derhalve wordt geadviseerd alle routes
op te slaan.
In deze paragraaf leggen we uit hoe u de volgende taken uitvoert:
•
•
•
•
•
Een nieuwe route creëren.
De huidige route in de databaselijst opslaan.
De huidige route van het scherm verwijderen.
Een route uit de database lijst activeren als huidige route.
Route-informatie weergeven, o.a. gegevens van etappes en waypoints.
Gebruik de waypointdata om reisplannen aan verschillende snelheden aan te
passen.
• Bestaande routes wissen of een naam geven via de databaselijst.
• Route bewerken door waypoints toevoegen, verwijderen of verplaatsen.
Nieuwe route creëren
NB: als er een huidige route is, wordt die verwijderd als u MAKE ROUTE
selecteert. Als u de huidige route volgt, wordt u gevraagd het volgen te stoppen:
STOP FOLLOW. Druk op de soft key YES om door te gaan, of NO om het creëren
van een route te annuleren. Als de route nog niet opgeslagen is, wordt u
gevraagd dat alsnog te doen.
Routes kunnen op twee manieren worden gecreëerd:
• Nieuwe waypoints op het scherm plaatsen m.b.v. de cursor
• Bestaande waypoints in de waypointlijst selecteren. Hiervoor moet
natuurlijk een reeks waypoints aanwezig zijn.
Een route kan worden gecreëerd door middel van een combinatie van het
plaatsen van nieuwe waypoints met de cursor en het selecteren van bestaande
waypoints in de waypointlijst. Nadat een route gecreëerd is, kan die worden
bewerkt zoals verderop beschreven in Route bewerken.
➤ Nieuwe route creëren met behulp van de waypointlijst:
1. Volg de werkwijze voor het creëren van een route door het plaatsen van
waypoints m.b.v. de cursor zoals eerder beschreven, maar in plaats van op
PLACE WAYPOINT te drukken, drukt u op de soft key USE WPT LIST. De tabel
voor het creëren van routes en de soft keys verschijnen, zie Figuur 3-22.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-19
WAYPOINTS
ROUTES
COWES
GURNARD LEDGE
MAIN CHANNEL
NEEDLES FAIRWAY
PORT SOLENT
50°50^000N
001°06^000W
50°52^230N
001°02^390W
348°m
300°m
1.00nm
ACCEPT
ROUTE
USE
CURSOR
ADD
WAYPOINT
2.30nm
REMOVE
WAYPOINT
01
02
03
04
HARBOUR
MAIN CHANNEL
COWES
LYMINGTON
D4929-1
Figuur 3-22: tabel voor het creëren van routes
De lijst vermeldt de beschikbare waypoints in alfanumerieke volgorde met
rechts de routelijst, die de waypoints in de route bevat. Het nummer vóór de
waypointnaam in de kolom ROUTES geeft de volgorde in de route aan. In het
onderste deel van de tabel zijn de positie, peiling en afstand van het geselecteerde waypoint weergegeven.
2. Gebruik trackpad links/rechts om tussen de lijsten te wisselen; de
achtergrond van de geselecteerde kolomtitel wordt grijs weergegeven.
Gebruik trackpad omhoog/omlaag om door de lijsten te bladeren.
3. Selecteer een waypoint in de waypointlijst, ga naar de ROUTES kolom en
selecteer een positie in de lijst.
NB: het in de waypointlijst geselecteerde waypoint wordt boven de in de
ROUTES kolom geselecteerde positie ingevoegd.
4. Druk op de soft key INSERT WAYPOINT om het waypoint in de route te
plaatsen.
5. Om een waypoint uit de kolom ROUTES te verwijderen, selecteert u dat
waypoint en drukt u op de soft key REMOVE WAYPOINT.
NB: de actie INSERT WAYPOINT of REMOVE WAYPOINT voegt het geselecteerde
waypoint toe aan/verwijdert het uit de ROUTES kolom, ongeacht welke kolom
geselecteerd is.
6. Nadat u alle waypoints ingevoerd hebt, drukt u op de soft key ACCEPT
ROUTE (of ENTER) om de route te voltooien.
➤ Om een combinatie van de cursor en waypointlijst methoden te gebruiken,
wisselt u tussen die methoden met de soft key USE CURSOR/USE WPT LIST.
NB: de voltooide route wordt in de display opgeslagen en wordt opnieuw
weergegeven als u het apparaat uit en weer aan zet. In een geïntegreerd
systeem kan deze route echter door een huidige route van een ander apparaat
worden overschreven. Derhalve wordt geadviseerd de route op te slaan, zoals
beschreven in Huidige route opslaan op pagina 21.
Raynav 300 GPS Plotter
3-20
➤ Nieuwe route creëren door waypoints met de cursor te plaatsen:
NB: u kunt het scherm verschuiven en de schaal wijzigen terwijl u waypoints
plaatst.
1. Indien nodig verplaatst u de cursor naar het gebied waar u de route wilt
creëren en selecteert u een geschikte schaal.
2. Druk op de soft key ROUTE. De soft keys voor routes verschijnen, zoals
getoond in Figuur 3-23.
MAKE
ROUTE
EDIT
ROUTE
CLEAR
ROUTE
MORE¬
D4913-1
Figuur 3-23: Route soft keys
3. Druk op de soft key MAKE ROUTE. De soft keys voor het creëren van routes
verschijnen, zoals getoond in Figuur 3-24.
PLACE
WAYPOINT
UNDO
WAYPOINT
ACCEPT
ROUTE
USE WPT
LIST
D4928-1
Figuur 3-24: soft keys voor route creëren
4. Plaats de cursor op de positie op het plotterscherm waar u het eerste
waypoint wilt plaatsen en druk op de soft key PLACE WAYPOINT. Het
waypoint verschijnt op de cursorpositie op het scherm.
NB: u kunt de cursor ook op een bestaand waypoint plaatsen - de tekst WPT
geeft in dat geval aan dat een bestaand waypoint opnieuw wordt gebruikt, in
plaats van een nieuw te plaatsen. Druk op PLACE WAYPOINT om het waypoint in
de route op te nemen.
Een nieuw waypoint wordt tijdelijk aan de waypointlijst toegevoegd en krijgt
het eerste beschikbare waypointnummer. De waypoints in de huidige route
worden opnieuw genummerd om hun nieuwe positie aan te duiden. Het
nummer naast een waypoint geeft zijn positie in de route aan.
NB: als u de route verwijdert voordat die opgeslagen is, wordt het waypoint
verwijderd.
5. Plaats de cursor op de volgende positie voor een waypoint. Een stippellijn
verbindt de cursor met het laatst geplaatste waypoint.
6. Druk nogmaals op PLACE WAYPOINT. Het waypoint wordt geplaatst en de
stippellijn verandert in een doorgetrokken lijn.
Als u het waypoint niet op de gewenste positie hebt geplaatst, kunt u het
laatst geplaatste waypoint verwijderen door op de soft key UNDO
WAYPOINT te drukken.
7. Herhaal stap 5 en 6 totdat u alle waypoints hebt geplaatst. U kunt maximaal
50 waypoints in een route opnemen.
8. Om een waypoint te verwijderen, plaatst u de cursor erop en drukt u op
UNDO WAYPOINT.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-21
9. Nadat u alle waypoints ingevoerd hebt, drukt u op de soft key ACCEPT
ROUTE (of ENTER) om de route te voltooien.
De route wordt op het scherm weergegeven en is nu de huidige route, maar
is niet actief, d.w.z. wordt niet gevolgd.
Het eerste waypoint van een nieuwe route wordt door een vierkantje
aangeduid, wat aangeeft dat dit het bestemmingswaypoint is als de route
wordt geactiveerd. Indien geselecteerd, wordt de waypoint databox voor
het bestemmingswaypoint weergegeven.
Huidige route opslaan
U kunt maximaal 20 routes met naam in de route databaselijst opslaan. Deze
routes kunt u op elk gewenst moment opnieuw weergeven en volgen. Als u de
route opslaat, worden alle nieuwe waypoints in de waypointlijst opgeslagen.
NB: als de huidige route niet opgeslagen is en u een bewerking op de route wilt
uitvoeren, bijv. CLEAR ROUTE, wordt u gevraagd de route alsnog op te slaan.
➤ Huidige route opslaan en een naam geven:
1. Druk op de soft key ROUTE, gevolgd door MORE, om de soft key SAVE
ROUTE op te roepen.
2. Druk op de soft key SAVE ROUTE. De lijst Save Route en de SAVE ROUTE
soft keys verschijnen, zie Figuur 3-25, met de eerste vrije plaats in de
routelijst geselecteerd getoond.
SAVE ROUTE
1
2
3
4
5
CURRENT
ALDERNEY-SOLENT
COWES-PORTSMOUTH
BRAYE-CHERBOURG
HOME TO COWES
NO NAME
NAME ROUTE?
YES
NO
D4911-1
Figuur 3-25: Save Route soft keys
NB: zo nodig selecteert u met trackpad omhoog/omlaag een andere positie in
de lijst; bijv. een blanco regel of een bestaande route die u niet meer nodig hebt.
3. Als u de route geen (andere) naam wilt geven, drukt u op de soft key NO om
de lijst te sluiten. De route wordt opgeslagen onder de naam ROUTE NOT
NAMED (route zonder naam).
4. Druk op de soft key YES om de route een naam te geven. Gebruik de trackpad om de cursor naar rechts of links naar het te bewerken teken te verplaatsen. Gebruik trackpad omhoog/omlaag om door de tekens te bladeren.
Raynav 300 GPS Plotter
3-22
5. Druk op ENTER om de lijst te sluiten, of op CLEAR om te annuleren. Druk
nogmaals op ENTER om naar het standaard scherm terug te keren.
Route-informatie weergeven
U kunt de volgende informatie over een route weergeven:
• Alle details van een route, m.b.v. de soft keys.
• Etappe of waypoint informatie, m.b.v. de contextgevoelige cursor.
Alle details van een route
➤ Informatie over een route uit de database weergeven:
1. Druk op de soft key ROUTE, gevolgd door MORE en vervolgens op ROUTE
LIST. De routelijst verschijnt; de geselecteerde route wordt door de grijze
balk aangegeven, zie Figuur 3-26.
ROUTE LIST
1
2
3
4
5
SHOW
ROUTE
CURRENT
ALDERNEY-SOLENT
COWES-PORTSMOUTH
BRAYE-CHERBOURG
ROUND THE WORLD
NO NAME
ERASE
ROUTE
ROUTE
INFO
NAME
ROUTE
D4916-1
Figuur 3-26: routelijst en soft keys
2. Gebruik trackpad omhoog/omlaag om de gewenste route te selecteren, druk
daarna op de soft key ROUTE INFO.
De route-informatie wordt weergegeven, zoals getoond in Figuur 3-27.
ROUTE INFO-CURRENT ROUTE
WPT POSITION
BRG DISTANCE TOTAL TIME
°T
nm
nm ETA
001 50°50^00N --0.0
0.0 0:00
001°06^00W
002 50°51^00N 239
4.8
4.8 0:20
001°07^00W
003 50°52^00N 241
5.2
11.0 0.45
001°08^00W
TIME
ETA HOURS
ACTUAL
SOG
4.5kts
PLANNED SOG
xx.x kts
D4930-1
Figuur 3-27: route-informatiescherm
Hoofdstuk 3: Bediening
3-23
3. Gebruik de soft keys om te wisselen tussen ETA (geschatte aankomsttijd) en
HOURS (verstreken tijd) en om de SOG-waarde (snelheid over de grond) die
voor tijdberekeningen wordt gebruikt te wijzigen. De huidige selecties
worden geselecteerd weergegeven.
➤ Voor ETA-berekeningen gebruikte SOG wijzigen:
1. Druk op de soft key PLANNED SOG, om PLANNED SOG te selecteren.
2. Druk op de soft keys voor de PLANNED SOG hoger of lager pijlen om de
geplande SOG-waarde hoger of lager te maken.
3. Druk op de soft key ACTUAL SOG om de feitelijke SOG-waarde te
gebruiken, in plaats van een geplande waarde.
4. Druk op CLEAR om het route-informatievenster te sluiten, daarna nogmaals
op CLEAR om naar de route soft keys terug te keren.
5. Druk op CLEAR om naar het standaard scherm terug te keren
Informatie over etappes en waypoints
➤ Om informatie over een etappe van een route weer te geven, plaatst u de cursor
op de etappe, zodat de tekst RTE verschijnt. Er verschijnt een etappe (leg)
databox, met de Follow Route soft keys, zoals getoond in Figuur 3-28.
ROUTE 01
ROUTE NOT NAMED
LEG 02 - 03
270°T 13.4nm
FOLLOW
ROUTE
EDIT
ROUTE
CLEAR
ROUTE
REVERSE
ROUTE
D4912-1
Figuur 3-28: etappe databox en soft keys
NB: als er een route gevolgd wordt, verandert de soft key FOLLOW ROUTE in
STOP FOLLOW .
Om de databox te sluiten, beweegt u de cursor van de route af, of drukt u op
CLEAR.
Raynav 300 GPS Plotter
3-24
➤ Om informatie over een waypoint van een route weer te geven, plaatst u de
cursor op het waypoint, zodat de tekst WPT verschijnt. Er verschijnt een waypoint databox, met de Follow Route soft keys, zoals getoond in Figuur 3-29.
WPT 017
60°08^21N
030°17^99W
RTE 01 WPT 02
FOLLOW
FROM HERE
EDIT
WAYPOINT
REMOVE
WAYPOINT
MOVE
WAYPOINT
D4960-1
Figuur 3-29: waypoint databox en soft keys
Het waypoint kan met behulp van de bijbehorende soft keys worden bewerkt,
zie Waypoint bewerken.
Om de databox te sluiten, beweegt u de cursor van de route af, of drukt u op
CLEAR.
Huidige route van het scherm verwijderen
Als de huidige route nog niet opgeslagen is, kunt u die alsnog opslaan. Volgt u
de huidige route, dan hebt u de keuze om te stoppen.
➤ U kunt de huidige route op de volgende manieren van het scherm verwijderen:
1. Plaats de cursor op een etappe van de route, zodat de tekst RTE verschijnt.
De Route soft keys verschijnen, zie Figuur 3-28.
Druk op de soft key CLEAR ROUTE om de route van het scherm te
verwijderen.
of...
2. Druk op de standaard soft key ROUTE.
De Route soft keys verschijnen, zie Figuur 3-23.
Druk op de soft key CLEAR ROUTE om de route van het scherm te
verwijderen.
of...
3. Als u de huidige route momenteel volgt, worden de STOP FOLLOW soft keys
weergegeven, zoals getoond in Figuur 3-30.
ROUTE 01
ROUTE NOT NAMED
LEG 02 - 03
270°T 13.4nm
STOP
FOLLOW
EDIT
ROUTE
CLEAR
ROUTE
REVERSE
ROUTE
D4961-1
Figuur 3-30: Stop Follow soft keys
Hoofdstuk 3: Bediening
3-25
4. Als u de route nog niet is opgeslagen, worden de SAVE ROUTE soft keys
weergegeven, zoals getoond in Figuur 3-31.
SAVE ROUTE?
YES
NO
D4915-1
Figuur 3-31: Save Route soft keys
i. Om de route in de database op te slaan, drukt u op YES.
ii. Om de route te verwijderen zonder hem in de routedatabase op te slaan,
drukt u op NO.
5. Ga verder zoals eerder beschreven onder Huidige route opslaan.
De huidige route wordt van het scherm verwijderd en de standaard soft
keys verschijnen. U kunt nu de ROUTE soft keys gebruiken om een route te
creëren, of een andere route uit de database weer te geven.
Route uit de database opvragen
U kunt een route uit de databaselijst als huidige route selecteren. U roept deze
lijst op via de tweede set ROUTE soft keys.
➤ Een route als huidige route selecteren:
1. Vanuit de plotterstand drukt u op de soft key ROUTE, gevolgd door MORE en
vervolgens ROUTE LIST. De routelijst verschijnt. De grijze selectiebalk geeft
de geselecteerde route aan, zie Figuur 3-26.
NB: in andere werkstanden dan de plotterstand is de soft key ROUTE LIST
beschikbaar zonder op de soft key MORE... te drukken.
2. Gebruik trackpad omhoog/omlaag om de gewenste route te selecteren en
druk op SHOW ROUTE. De routelijst wordt gesloten en de geselecteerde
route wordt als huidige route op het scherm weergegeven. Als de huidige
route nog niet is opgeslagen, wordt u gevraagd dat alsnog te doen.
Route wissen of een naam geven via de routelijst
U kunt een route wissen of een nieuwe naam geven door die route in de
routelijst te selecteren.
➤ Route selecteren om te wissen of een nieuwe naam te geven:
1. Druk op de soft key ROUTE, gevolgd door MORE en vervolgens ROUTE LIST.
De routelijst verschijnt. De grijze selectiebalk geeft de geselecteerde route
aan, zie Figuur 3-26.
NB: in andere werkstanden dan de plotterstand is de soft key ROUTE LIST
beschikbaar zonder op de soft key MORE... te drukken.
2. Gebruik trackpad omhoog/omlaag om de gewenste route te selecteren en
druk op de gewenste soft key ERASE ROUTE of NAME ROUTE.
Raynav 300 GPS Plotter
3-26
3. Als u een route wist met ERASE wordt u om bevestiging gevraagd.
i. Druk op NO om te annuleren en CLEAR om de routelijst te sluiten, of...
ii. Druk op YES om de route uit de lijst te verwijderen, daarna CLEAR om de
routelijst te sluiten.
4. Om een route een naam te geven (NAME), gebruikt u trackpad links/rechts
om het teken te selecteren dat u wilt wijzigen. Gebruik trackpad omhoog/
omlaag om een ander teken te selecteren.
5. Druk op ENTER om de nieuwe naam te bevestigen en naar de routelijst
terug te gaan, of druk op CLEAR om de bewerking te annuleren.
6. Druk tweemaal op CLEAR om naar het standaard scherm terug te keren.
Route bewerken
Nadat u een route hebt gecreëerd, kunt u die als volgt bewerken:
•
•
•
•
•
Waypoint in de route invoegen
Waypoints aan het einde van de route toevoegen
Waypoint uit de route verwijderen
Route omkeren
Waypoint verplaatsen, zoals beschreven in par. 3.3
NB: behalve bij het verplaatsen van een waypoint dat in een andere route(s)
wordt gebruikt, hebben wijzigingen die u in de route aanbrengt alleen invloed
op de huidige route. U moet de huidige route derhalve altijd opslaan als u de
wijzigingen wilt behouden.
Waypoint in een route invoegen
U kunt de contextgevoelige cursor gebruiken om één of meer waypoints in de
huidige route in te voegen. Echter, wanneer u de route volgt, kunt u geen
waypoint in de huidige etappe invoegen.
➤ Nieuw waypoint in de huidige route invoegen:
1. Plaats de cursor op de etappe waarin u een waypoint wilt invoegen. De tekst
RTE verschijnt en de Route Leg (etappe) databox en soft keys worden
weergegeven, zie Figuur 3-28.
2. Druk op ENTER; de cursor verandert in een pijlenkruis en bestuurt nu het
nieuwe waypoint, dat aan weerszijden met de bestaande waypoints
verbonden is door middel van stippellijnen.
3. Verplaats het nieuwe waypoint naar de gewenste positie en druk op ENTER
om het te plaatsen en naar normale cursorbediening terug te gaan, of op
CLEAR om de bewerking te annuleren.
Het nieuwe waypoint wordt tijdelijk aan de waypointlijst toegevoegd en krijgt
het eerste beschikbare waypointnummer.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-27
De waypoints in de huidige route worden opnieuw genummerd om de nieuwe
posities aan te geven.
NB: als u de route van het scherm verwijdert zonder hem eerst op te slaan,
wordt het nieuwe waypoint gewist.
Waypoints aan het einde van een route toevoegen/
verwijderen
U kunt waypoints toevoegen of verwijderen via de waypointlijst, zie Waypoint
plaatsen op pagina 12, of zoals hieronder beschreven.
➤ Aan het einde van een route voegt u als volgt waypoints toe:
1. Druk op de soft key ROUTE, gevolgd door EDIT ROUTE.
De Make Route soft keys verschijnen (Figuur 3-24) en de cursor is via een
stippellijn met het laatst geplaatste waypoint verbonden. U kunt waypoints
aan de route toevoegen op dezelfde manier als bij een nieuwe route.
2. Plaats de cursor op de gewenste positie en druk op de soft key PLACE
WAYPOINT.
3. Plaats de gewenste waypoints en druk op de soft key ACCEPT ROUTE; de
standaard soft keys verschijnen.
NB: als u waypoints verkeerd hebt geplaatst, drukt u op de soft key UNDO
WAYPOINT. Herhaal dit indien nodig om waypoints achtereenvolgens uit de
route te verwijderen, inclusief bestaande waypoints.
Waypoint uit een route verwijderen
➤ Een waypoint uit de huidige route verwijderen:
1. Plaats de cursor op het gewenste waypoint, zodat de tekst WPT verschijnt.
De waypoint soft keys worden weergegeven.
2. Druk op de soft key REMOVE WAYPOINT. Het waypoint wordt uit de route
verwijderd en de route wordt opnieuw genummerd.
NB: u kunt het laatste waypoint ook uit een route verwijderen, zoals beschreven
in Waypoints aan het einde van een route toevoegen/verwijderen hierboven.
• Als de route nog niet is opgeslagen, wordt het waypoint verwijderd.
• Als de route opgeslagen is, blijft het waypoint op het scherm staan, maar
maakt het niet langer deel uit van die route.
Route omkeren
Via deze optie kunt u een retourroute creëren uit een bestaande route, die dan in
omgekeerde volgorde gevolgd wordt, waarbij de waypoints opnieuw worden
genummerd.
Raynav 300 GPS Plotter
3-28
➤ Huidige route omkeren:
1. Druk op de soft key ROUTE, gevolgd door MORE.
i. Druk op REVERSE ROUTE.
ii. Druk op CLEAR om naar het standaard scherm terug te keren.
of...
2. Plaats de cursor op een etappe, zodat de tekst RTE verschijnt. De route soft
keys worden weergegeven.
i. Druk op de soft key REVERSE ROUTE. De huidige route wordt op het
scherm omgekeerd en de waypoints worden opnieuw genummerd.
ii. Druk op CLEAR om naar het standaard scherm terug te keren.
3.5 Route volgen en naar een bestemmingspunt gaan
Via de standaard soft key GOTO hebt u toegang tot de functies voor het volgen
van een route en om naar een waypoint of cursorpositie te gaan. Als u een
bestemming selecteert, berekent de GPS plotter de peiling, afstand en koersafwijking (XTE). Deze informatie kan op het scherm worden weergegeven en
wordt via SeaTalk en NMEA verzonden ten behoeve van een stuurautomaat of
display van een compatibele SeaTalk of NMEA repeater. U kunt XTE ook
terugzetten vanaf de huidige positie van het schip, zodat XTE op dat punt op nul
wordt gezet.
Wanneer de GPS plotter een route volgt, wordt de bestemming aangegeven
door een vierkantje rond het waypoint. Een stippellijn geeft de af te leggen weg
aan, vanaf het beginpunt of vorige waypoint naar het bestemmingswaypoint.
In deze paragraaf beschrijven we het volgende:
• Naar een bepaald punt gaan, hetzij een bestaand waypoint of de cursor.
• Een route voorwaarts of achterwaarts volgen.
• Op een geselecteerd waypoint ‘insteken’ in een route, doorgaan naar
waypoints of XTE opnieuw starten.
• Volgen/Goto stoppen en opnieuw starten.
• Aankomst op bestemming.
Er treedt een alarm in werking wanneer u een waypoint nadert. In deze
paragraaf beschrijven we wat er gebeurt wanneer u bij waypoints aankomt. In
hoofdstuk 4 wordt beschreven hoe u het alarm instelt.
De GPS plotter kan ook de feitelijk afgelegde weg van het schip weergeven, die
kan worden opgeslagen om later op het scherm weer te geven. De Track functie
beschrijven we in paragraaf 3.7, Werken met tracks.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-29
➤ Om de Goto/Follow soft keys op te roepen, drukt u op de standaard soft key
GOTO. De GOTO soft keys verschijnen, zie Figuur 3-32.
Figuur 3-32: GOTO soft keys
NB: de soft keys zien er anders uit als Follow of Goto al actief is.
Naar een bestemmingspunt gaan
In plaats van een route te volgen, kunt u ook direct naar een geselecteerd punt
gaan. Dat kan een bestaand waypoint zijn (niet in de huidige route), of de
cursorpositie.
➤ Direct naar een bestaand waypoint gaan:
1. Selecteer het waypoint in de waypoint lijst, zoals beschreven in par. 3.3.
2. Druk op de soft key GOTO WAYPOINT.
De navigatie naar het geselecteerde waypoint begint. De soft key STOP
GOTO verschijnt.
3. Om naar het normale scherm terug te keren, beweegt u de cursor van het
waypoint af.
➤ Direct naar de cursorpositie navigeren:
1. Plaats de cursor m.b.v. de trackpad op de gewenste positie.
2. Druk op de standaard soft key GOTO, gevolgd door GOTO CURSOR.
Als de navigatie al actief is, verschijnt de waarschuwing ALREADY
FOLLOWING ROUTE. CANCEL ROUTE AND GOTO CURSOR? (route wordt
reeds gevolgd; annuleren en naar cursor gaan?).
i. Om de functie GOTO CURSOR te annuleren drukt u op NO.
ii. Om de functie GOTO CURSOR uit te voeren (en de huidige GOTO ROUTE te
stoppen), drukt u op YES.
De plotter plaatst een tijdelijk waypoint als bestemming en begint daarheen
te navigeren. Het waypoint wordt aangeduid door een vierkantje met een
cirkel en een stip in het midden en is met de startpositie van het schip
verbonden door een streepjeslijn.
De soft key STOP GOTO verschijnt.
NB: het tijdelijke waypoint wordt niet aan de waypointlijst toegevoegd; als de
GOTO voltooid of gestopt is, blijft het tijdelijke waypoint op het scherm staan
totdat een andere Goto of Follow wordt gestart of het tijdelijke waypoint wordt
gewist.
3. Om naar het standaard scherm terug te keren, beweegt u de cursor van het
waypoint af, of drukt u op CLEAR, of...
Raynav 300 GPS Plotter
3-30
• Plaats de cursor m.b.v. de trackpad op het gewenste waypoint, zodat de tekst
WPT verschijnt en de waypoint soft keys worden weergegeven, zoals getoond
in Figuur 3-19.
Route volgen
NB: de huidige route kan op deze display gecreëerd zijn, of op een ander
apparaat en op deze display via SeaTalk ontvangen zijn. Als een route
omgekeerd is, of als een route op het scherm gevolgd is maar gestopt vóór
voltooiing, kan het bestemmingswaypoint – aangeduid door een vierkantje –
anders zijn dan toen de route gecreëerd is. Controleer altijd eerst het
bestemmingswaypoint voordat u een route gaat volgen.
➤ Huidige route volgen:
• Druk op de standaard soft key GOTO om de Goto/Follow soft keys op te
roepen (Figuur 3-32) en druk op de soft key FOLLOW ROUTE.
of...
• Plaats de cursor op een etappe, zodat de tekst RTE en de route soft keys
verschijnen en druk op FOLLOW ROUTE.
De huidige positie van het schip wordt het beginpunt en het eerste waypoint van
de huidige route wordt het bestemmingswaypoint. De soft keys worden
weergegeven, zoals getoond in Figuur 3-33.
STOP
FOLLOW
GOTO
CURSOR
RESTART
XTE
WAYPOINT
ADVANCE
D4914-1
Figuur 3-33: Follow Route soft keys
➤ Huidige route in omgekeerde volgorde volgen m.b.v. de soft keys:
1. Keer de route om, zoals beschreven in Route omkeren.
2. Druk op de standaard soft key GOTO. De Goto/Follow soft keys
verschijnen.
3. Druk op de soft key FOLLOW ROUTE.
➤ Huidige route in omgekeerde volgorde volgen m.b.v. de cursor:
1. Plaats de cursor op de route, zodat de tekst RTE en de route soft keys
verschijnen.
2. Druk op REVERSE ROUTE en vervolgens FOLLOW ROUTE.
Andere opties voor het volgen van routes
U kunt de soft keys gebruiken om een route te volgen vanaf een geselecteerd
waypoint (‘insteken’), of als u de route al volgt, doorgaan naar het volgende
waypoint. U kunt ook de koersafwijking (XTE) terugzetten en de huidige
positie van het schip als nieuw beginpunt instellen.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-31
Bovendien kunt u een geselecteerd waypoint verplaatsen, zie par. 3.3, of een
waypoint uit de route verwijderen, zie par. 3.4.
NB: u kunt een waypoint niet uit een route verwijderen als dit het bestemmingswaypoint is.
‘Insteken’ in een route
➤ Huidige route gaan volgen vanaf een geselecteerd waypoint:
1. Plaats de cursor op het gewenste routewaypoint, zodat de tekst WPT en de
waypoint soft keys verschijnen.
2. Druk op de soft key FOLLOW FROM HERE.
Het schip volgt de route met het geselecteerde waypoint als bestemming .
3. Om naar het standaard scherm terug te keren, beweegt u de cursor van het
waypoint af, of drukt u op CLEAR.
Doorgaan naar een waypoint
Wanneer u een route volgt, kunt u doorgaan naar het volgende waypoint, ook al
hebt u het huidige bestemmingswaypoint nog niet bereikt.
➤ Doorgaan naar een waypoint:
1. Druk op de standaard soft key GOTO om de Goto/Follow soft keys op te
roepen.
2. Druk op de soft key WAYPOINT ADVANCE. De huidige etappe van de route
wordt verlaten en het volgende waypoint wordt de bestemming. Op het
scherm wordt de nieuwe etappe van de route weergegeven.
NB: u kunt voorbij het einde van een route terug gaan naar het begin.
Koersafwijking (XTE) terugzetten
Wanneer u een route volgt, of naar een bestemming vaart, kunt u XTE
terugzetten. Hiermee zet u XTE op nul en wordt uw huidige positie het
beginpunt.
Terugzetten van XTE is handig als u uit koers bent en rechtstreeks naar de
bestemming wilt gaan, zonder de oorspronkelijke koers weer op te pakken.
➤ Koersafwijking XTE terugzetten:
1. Druk op de standaard soft key GOTO om de Goto/Follow soft keys op te
roepen.
2. Druk op RESTART XTE. Het beginpunt van de route wordt op de huidige
positie van het schip geplaatst en XTE wordt op nul teruggezet.
Raynav 300 GPS Plotter
3-32
Volgen of GoTo stoppen
➤ Volgen van route of naar bestemmingspunt gaan stoppen:
• Druk indien nodig op de soft key GOTO en vervolgens op de soft key STOP
GOTO / FOLLOW,
of...
• Plaats de cursor op een waypoint of etappe van de huidige route en druk
vervolgens op de soft key STOP GOTO / FOLLOW.
De stippellijn van uw schip naar het bestemmingswaypoint verdwijnt.
Gebruikt u daarna de soft key FOLLOW ROUTE om de navigatie opnieuw te
starten, dan wordt de route vervolgd vanaf het punt waar eerder is gestopt. Dit
wordt aangegeven door een vierkantje om het bestemmingswaypoint. Als u
vanaf een ander waypoint wilt volgen, kunt u het volgen starten en vervolgens
op de soft key WAYPOINT ADVANCE of FOLLOW FROM HERE drukken om
stapsgewijs door de route te gaan.
Aankomst op bestemming
U kunt een bestemmingsalarm instellen (zie par. 3.9), om u erop te attenderen
dat het schip de bestemming nadert. Het aankomstalarm wordt gedefinieerd als
een niet-zichtbare cirkel met een bepaalde radius rond de bestemming.
Het alarm wordt in werking gesteld in één van de volgende situaties:
• De afstand tot aan het bestemmingspunt bedraagt minder dan zoals
gespecificeerd voor het aankomstalarm.
• Uw schip bereikt het dichtstbijzijnde naderingspunt naar de bestemming
(gedefinieerd als een denkbeeldige cirkel rond het waypoint).
➤ Aankomstalarm annuleren en naar volgende waypoint in de route gaan:
• een willekeurige toets indrukken,
of...
• 10 seconden wachten.
Als er nog een etappe is, wordt het bestemmingspunt het beginpunt, het
volgende waypoint wordt de bestemming en deze twee worden verbonden door
een stippellijn die de huidige etappe aangeeft. Dit geldt niet voor een Goto met
één punt. Een eventuele vorige etappe verdwijnt van het scherm, maar de
waypoints blijven staan.
NB: wanneer u een route m.b.v. een SeaTalk stuurautomaat volgt, stuurt de
stuurautomaat pas naar het nieuwe waypoint als dat via de bedieningseenheid
van de stuurautomaat geaccepteerd is.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-33
3.6 Overdracht van waypoints en routes
Weergave van Seatalk waypoints
Als in een geïntegreerd systeem een route de huidige wordt gemaakt op een
SeaTalk apparaat, wordt die naar alle SeaTalk instrumenten verzonden. Deze
route vervangt een andere huidige route. Als GOTO waypoint of GOTO cursor
actief is, wordt dat als een route beschouwd.
De huidige route kan op elk instrument met functies voor routebewerking
worden bewerkt.
NB: overgedragen waypoints die deel uitmaken van een route worden niet
automatisch door de plotter opgeslagen, maar u kunt de route locaal opslaan,
zodat de waypoints aan de locale waypointlijst worden toegevoegd.
Beheer van databaselijsten
Databaselijsten kunnen op verschillende manieren worden beheerd. Welke
methode u kiest, is afhankelijk van de beschikbare koppeling (SeaTalk of
NMEA) en of u afzonderlijke waypoints of de complete waypoint en route lijst
wilt overdragen
• Als waypoints door andere apparatuur worden verzonden via SeaTalk of
NMEA, kunt u die op de plotter ontvangen.
Als deze optie geactiveerd is, worden waypoints ontvangen via SeaTalk of
NMEA overgedragen en één voor één toegevoegd aan de waypointlijst;
routes verzonden via NMEA worden aan de routelijst toegevoegd. U kunt
deze functie gebruiken om waypoints toe te voegen vanaf een PC die via
NMEA aangesloten is.
• U kunt de waypoint- en routelijsten van de plotter via NMEA naar andere
instrumenten verzenden met behulp van de functie SEND WPT LIST.
Verzenden van de waypointlijst heeft geen invloed op huidige routes. De
NMEA koppeling kan er een met een PC zijn.
➤ Inkomende waypoints via SeaTalk of NMEA ontvangen:
1. Om de waypointlijst weer te geven, drukt u op MARK, gevolgd door de soft
key WAYPOINT LIST. Druk op de soft key WAYPOINT TRANSFER.
2. Druk op de soft key RECEIVE WPTS FROM ST/NMEA; de soft key verandert in
STOP RECEIVING WAYPOINTS.
Als waypoints door andere apparatuur worden verzonden, worden ze aan
de waypointlijst van de plotter toegevoegd. Routes verzonden via NMEA
worden aan de routelijst toegevoegd.
3. Om de overdracht van waypoints te annuleren, drukt u op de soft key STOP
RECEIVING WAYPOINTS.
U kunt ook tweemaal op CLEAR drukken om de waypointlijst te sluiten.
Raynav 300 GPS Plotter
3-34
NB: als er meer waypoints met dezelfde positie zijn, wordt alleen het laatst
verzonden waypoint aan de waypointlijst toegevoegd.
➤ Waypointlijst via NMEA verzenden:
1. De waypoint lijst weergeven zoals eerder beschreven, daarna op de soft key
WAYPOINT TRANSFER drukken.
2. Druk op de soft key SEND WPT LIST ON NMEA; de soft key verandert in STOP
SENDING WAYPOINTS.
De waypoint- en routelijst worden vanaf de plotter via NMEA naar andere
instrumenten verzonden.
➤ Om naar/vanaf een C-MAP geheugencartridge op te slaan of te laden, zie
hoofdstuk 4.
3.7 Werken met tracks
De Track functie wordt gebruikt om op het scherm de weg te markeren die uw
schip heeft afgelegd, alsof het een zichtbare en vaste bellenbaan achterlaat.
Als de Track functie geactiveerd is, wordt de afgelegde weg in het geheugen
van de display opgeslagen en blijft ook na uitschakelen van het apparaat
bewaard. U geeft de interval op waarmee punten worden geregistreerd en op het
scherm worden die punten verbonden door middel van een getekende lijn. Een
track blijft op het scherm staan totdat u hem verwijdert.
Met behulp van de functie SmartRoute kunt u een track ook omzetten in en
opslaan als een route, die automatisch wordt omgekeerd, zodat u hem direct
voor de terugreis kunt gebruiken, zie SmartRoute.
In totaal kunnen 4500 track punten worden opgeslagen in maximaal 5 track
bestanden (elk maximaal 750 punten).
U kunt de huidige track opslaan en later opnieuw op het scherm weergeven.
Misschien wilt u bijvoorbeeld een eerdere track weergeven en er waypoints op
plaatsen die u kunt volgen. U kunt maar één track tegelijk weergeven; een
huidige track moet u eerst van het scherm verwijderen voordat u een opgeslagen track kunt weergeven.
In deze paragraaf beschrijven we het volgende:
• Een track instellen en de interval tussen trackpunten bepalen.
• Huidige track verwijderen.
• Tracks beheren m.b.v. de tracklijst, o.a. opslaan, naam geven, verwijderen.
• Track in route omzetten.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-35
Track instellen
U gebruikt de trackfuncties om de track aan te zetten en de interval te bepalen
waarmee trackpunten worden opgeslagen. De tijdinterval tussen trackpunten
kan worden ingesteld op 1 s, 5 s, 10 s, 30 s, 1 min, 3 min, 5 min, 10 min of
30 minuten. De afstand tussen trackpunten is instelbaar op 0,1 nm, 0,5 nm of
1,0 nm. De maximum tracklengte is 750 punten. Wanneer de track deze lengte
bereikt heeft, worden de eerste punten overschreven. Het plaatsen van trackpunten gaat door totdat u TRACK OFF selecteert; de huidige track blijft behouden,
ook als u de plotter uit zet.
Een korte tijdinterval tussen trackpunten is het meest geschikt voor navigatie
binnen een beperkt gebied, bijv. een riviermonding of haven. Daarentegen is
een grotere interval beter voor een reis over grote afstand.
Raadpleeg de onderstaande tabel in Figuur 3-34 om de beste instelling voor uw
geplande reis te bepalen; dat is vooral belangrijk als u SmartRoute wilt
gebruiken om uw track in een route om te zetten.
1 sec 12½ min
5 sec
1 uur, 2½ min
INSTELLING TRACK INTERVAL
10 sec
2 uur, 5 min
30 sec
6 uur, 15 min
1 min
12 uur, 30 min
3 min
1 dag, 13 uur, 30 min
5 min
2 dagen, 14 uur, 30 min
10 min
3 dagen, 9 uur
30 min
10 dagen, 3 uur
TRACK TIJD
0.1 nm
75 nm
0.5 nm
375 nm
1.0 nm
750 nm
TRACK AFSTAND
D4948-1
Figuur 3-34: richtlijnen voor instelling van track interval
U kunt de instelling op elk gewenst moment veranderen. De instelling geldt
alleen voor de huidige track en wordt niet als opgeslagen track bewaard.
NB: er worden geen trackpunten ‘verspild’ wanneer het schip stil ligt, omdat er
een minimum afstand geldt, ook wanneer u een tijdinterval hebt geselecteerd.
Raynav 300 GPS Plotter
3-36
➤ Track instellen:
1. Vanuit het plotterscherm drukt u op de MENU toets om de Setup soft keys
weer te geven, zie Figuur 3-35.
SYSTEM
SET UP¬
CHART
SET UP¬
TRACK
SET UP¬
GPS
SET UP¬
D4918-1
Figuur 3-35: Setup soft keys
2. Druk op de soft key TRACK SETUP om de eerste reeks Track soft keys op te
roepen, zoals getoond in Figuur 3-36.
TRACK
OFF ON
CLEAR
TRACK
MAKE INTO
ROUTE
MORE…
D4919_1
Figuur 3-36: eerste reeks Track soft keys
3. Druk op de soft key MORE... om de tweede reeks Track soft keys op te
roepen, zoals getoond in Figuur 3-37.
TRACK INTERVAL
1S
TRACK
LIST
MORE¬
D4920-1
Figuur 3-37: tweede reeks Track soft keys
4. Druk op de gewenste soft key TRACK INTERVAL hoger/lager om de gewenste
tijd- (TIME) of afstandinterval (DISTANCE) in te stellen.
5. Druk op MORE om naar de eerste Track soft keys terug te gaan.
6. Druk op de soft key TRACK OFF ON om de trackfunctie uit/aan te zetten.
De track (afgelegde weg) van uw schip wordt op het scherm weergegeven
door een lijn die de punten met de geselecteerde interval verbindt.
7. Om naar het standaard scherm terug te keren, drukt u op CLEAR.
Huidige track van het scherm verwijderen
U kunt de huidige track van het scherm verwijderen. Drukt u op CLEAR TRACK
terwijl de huidige track nog niet opgeslagen is, dan hebt u de mogelijkheid die
alsnog op te slaan.
➤ Huidige track van het scherm verwijderen:
1. Druk op de soft key CLEAR TRACK.
2. Als de track nog niet opgeslagen is, worden de SAVE TRACK soft keys
weergegeven.
i. Om de track te verwijderen zonder die op te slaan in de tracklijst drukt u
op NO.
ii. Om de track in de lijst op te slaan drukt u op YES.
De NAME TRACK soft keys verschijnen. Ga verder zoals in de volgende
paragraaf, Track opslaan en naam geven, wordt beschreven.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-37
De huidige track wordt van het scherm verwijderd.
3. Om naar het standaard scherm terug te keren, drukt u op CLEAR.
SmartRoute
Met SmartRoute kunt u de huidige track in een route omzetten.
➤ Track in route omzetten:
1. Druk op MAKE INTO ROUTE en druk op ENTER.
De huidige track wordt in een nieuwe route omgezet, waarbij het laatst
geplaatste trackpunt als begin van de route wordt gebruikt, d.w.z. de track
wordt omgekeerd.
Als er een nog niet opgeslagen route op het scherm staat, wordt u gevraagd
of u die wilt opslaan, zie par. 3.4, Werken met routes.
2. Controleer de berekende route en vooral of de afwijking ten opzichte van de
oorspronkelijke track die in een venster wordt weergegeven daadwerkelijk
bevaarbaar is.
Beheer van tracks
Een track is eenvoudig in te stellen en blijft behouden, ook als u de plotter uit
zet. U kunt bovendien vijf verschillende tracks opslaan, zodat u die later
opnieuw kunt gebruiken. Hierna beschrijven we hoe u de volgende taken
uitvoert:
• huidige track opslaan en een naam geven,
• een eerder opgeslagen track een naam geven, wissen en weergeven.
Track opslaan en naam geven
U kunt maximaal 5 tracks onder een naam in de tracklijst opslaan. Deze tracks
kunt u later opnieuw op het scherm weergeven.
➤ Huidige track opslaan en naam geven:
1. Druk op de soft key TRACK LIST. De tracklijst en de bijbehorende soft keys
verschijnen.
2. De eerste beschikbare plaats in de tracklijst is geselecteerd. Desgewenst
kunt u met de trackpad een andere positie in de lijst selecteren; dit kan een
lege positie zijn, of een bestaande track die u niet meer nodig hebt.
3. Druk op SAVE TRACK. De soft keys voor het geven van een naam
verschijnen, zie Figuur 3-38.
NAME TRACK?
YES
NO
D4922-1
Figuur 3-38: Name Track soft keys
Raynav 300 GPS Plotter
3-38
4. Als u de track een naam wilt geven, drukt u op de soft key YES.
i. Gebruik trackpad links/rechts om het te bewerken teken te selecteren en
trackpad omhoog/omlaag om een ander teken te selecteren.
ii. Druk op ENTER om te voltooien en de tracklijst te sluiten.
5. Om de track zonder naam op te slaan, drukt u op NO om de lijst te sluiten.
De track wordt opgeslagen als TRACK NOT NAMED (track zonder naam).
6. Druk op ENTER om te voltooien en de tracklijst te sluiten.
7. Om naar de Track soft keys terug te gaan, drukt u op CLEAR.
8. Druk nogmaals op CLEAR om naar het normale scherm terug te keren.
Track een naam geven, wissen en weergeven
➤ Bestaande track een naam geven, wissen of weergeven:
1. Druk op de soft key TRACK LIST. De tracklijst verschijnt . De grijze
selectiebalk geeft de geselecteerde track aan.
2. Selecteer m.b.v. trackpad links/rechts de gewenste track en druk op de soft
key SAVE TRACK, NAME TRACK of ERASE TRACK.
3. Om een track een naam te geven (NAME), gebruikt u trackpad links/rechts
om het te bewerken teken te selecteren en trackpad omhoog/omlaag om een
ander teken te selecteren.
4. Druk op ENTER om de bewerking te voltooien, of CLEAR om het naam
geven te annuleren.
5. Als u een track wist (ERASE), wordt u om bevestiging gevraagd:
i. Druk op NO om de bewerking te annuleren, daarna op ENTER om de
tracklijst te sluiten.
ii. Druk op YES om de track uit de lijst te verwijderen, daarna op ENTER om
de tracklijst te sluiten.
6. Geeft u een track op het scherm weer (SHOW) en er staat een huidige track
op het scherm, dan wordt u gevraagd of u die track wilt opslaan. Ga te werk
zoals beschreven in Huidige track van het scherm verwijderen. U kunt ook
op de soft key NO drukken om de bewerking te annuleren. De tracklijst
wordt gesloten en de geselecteerde track wordt weergegeven.
3.8 Man overboord (MOB)
Als een persoon of object overboord valt en u moet naar die locatie terugkeren,
moet u direct de functie Man overboord (MOB) gebruiken.
NB: om een MOB positie te verkrijgen, hebt u één van de volgende nodig:
• Positiegegevens van de GPS antenne
• Koers en snelheid, zodat de positie kan worden berekend
Hoofdstuk 3: Bediening
3-39
Selecteer het type data dat voor de MOB positie wordt gebruikt via de Setup
menu’s (zie hoofdstuk 4).
➤ Om de MOB functie op te roepen, houdt u de MARK toets twee seconden
ingedrukt. Het systeem voert dan automatisch de volgende taken uit en het
plotterscherm wordt dienovereenkomstig aangepast:
• Selecteert een 1/4 nm schaal.
• Markeert de huidige positie met een MOB symbool, dat een actief waypoint
of actieve route vervangt.
• Geeft de MOB databox weer, waarin de peiling en afstand van uw schip ten
opzichte van het MOB waypoint worden getoond en de verstreken tijd sinds
de MOB functie werd gestart.
• Terwijl uw schip wegvaart van de MOB positie, verschijnt er een stippellijn,
die de MOB positie en de huidige positie van het schip verbindt.
• Geeft elke 30 seconden een alarmsignaal van 4 seconden weer.
• Stuurt een MOB bericht naar andere apparatuur in het systeem via SeaTalk.
• Vervangt alle huidige waypointdata door MOB data.
➤ Om de MOB op te heffen, houdt u de toets MARK 2 seconden ingedrukt.
NB: de MOB procedure kan ook vanaf een ander apparaat wordt gestart of
geannuleerd als een dienovereenkomstig SeaTalk bericht wordt ontvangen.
3.9 Alarmen en timers
Alarmmeldingen
De plotter kan de volgende alarmen weergeven, die worden ingesteld m.b.v. de
ALARMS toets, zoals beschreven in Tabel 3-1:
Tabel 3-1: Definitie van alarmen
Alarm
Geeft aan:
Aankomst
(Arrival) Uw schip heeft het actieve waypoint bereikt: het is in de aankomstcirkel
aangekomen (de ingestelde radius) of heeft het dichtstbijzijnde naderingspunt
bereikt (gedefinieerd door een denkbeeldige cirkel rond het waypoint).
Uit koers
(Off Track) Het schip heeft de ingestelde afstand (max. koersafwijking) t.o.v. de
actieve etappe overschreden.
Anker
(Anchor) Het schip is van de ankerpositie (ingesteld door aan zetten van alarm)
afgedreven met meer dan de ingestelde afstand.
Afteltimer
(Countdown) De afteltimer heeft nul bereikt.
Wekker
(Alarm Clock) De tijd is gelijk aan de ingestelde alarmtijd.
Gebruik het menu van de ALARMS toets om de alarmen aan/uit te zetten en de
limieten in te stellen.
Raynav 300 GPS Plotter
3-40
Als een alarm in werking treedt, klinkt de zoemer en verschijnt er een venster
waarin de aard van het alarm wordt beschreven.
➤ Om het alarmsignaal uit te zetten en de melding te verwijderen, drukt u op een
willekeurige toets.
Als het alarm door de plotter geactiveerd is, wordt de bijbehorende actie
uitgevoerd. Bij een aankomstalarm wordt bijvoorbeeld de volgende etappe
geactiveerd.
Externe alarmen
Alle SeaTalk systeemalarmen (behalve stuurautomaat alarmen) worden door
de plotter ontvangen en weergegeven. U kunt de alarmen opheffen door op een
willekeurige toets te drukken. De plotter doet niets anders dan het alarm
opheffen (het geluidssignaal stoppen).
Alarmen en timers instellen
➤ Een alarm of timer stelt u als volgt in:
1. Druk op de ALARMS toets. De lijst Alarms Setup verschijnt, waarin de
huidige instellingen worden getoond, zie Figuur 3-39:
ALARMS SET UP
ARRIVAL ALARM
OFF TRACK ALARM
ANCHOR ALARM
COUNTDOWN
ALARM CLOCK
ALARM
OFF ON
0.01nm
ON
OFF
00:10:00
OFF
SELECT DISTANCE
D4898_1
Figuur 3-39: menu Alarms Setup
2. Gebruik trackpad omhoog/omlaag om door de lijst te bladeren. Terwijl elke
regel wordt geselecteerd, veranderen de soft keys, om de huidige
instellingen en bedieningsmogelijkheden aan te geven, zie Figuur 3-39.
3. Gebruik de pijl omhoog/omlaag soft keys om de alarmwaarde te wijzigen.
Bij het aankomstalarm wijzigt u bijvoorbeeld de radius rond het waypoint
waar u het alarm wilt activeren.
4. Alarmafstanden worden ingesteld van 0,01 nm tot 9,99 nm in stappen van
0,01 nm. De timer wordt in minuten en seconden ingesteld. De wekker
wordt in uren en minuten ingesteld.
5. Desgewenst drukt u op de soft key ALARM OFF ON om het alarm uit of
aan te zetten. Schakelt u een alarm uit, dan blijft de instelling behouden en
wordt die opnieuw gebruikt wanneer u het alarm weer aan zet.
Hoofdstuk 3: Bediening
3-41
NB: u kunt alle alarmen uit en aan zetten, behalve het aankomstalarm, dat
altijd aan staat.
6. Druk op ENTER om de wijzigingen op te slaan en het menu te sluiten.
3.10 Cursoroverdracht
Op een plotterscherm, of een systeem waarin een plotterscherm via SeaTalk
aangesloten is, kunt u de display op cursoroverdracht instellen. Dat doet u via
het Setup menu. Hiermee geeft u de plottercursor op andere apparatuur weer, of
de cursor van andere apparatuur op het scherm van de plotter. Raadpleeg
hoofdstuk 4 voor het instellen van cursoroverdracht.
NB: waypoints die op de cursorpositie worden geplaatst, worden op de positie
van de locale cursor geplaatst.
Voor cursoroverdracht zijn de volgende opties beschikbaar:
• Remote Radar, Plotter of Chart Cursor (SeaTalk): geeft de cursor weer
van een via SeaTalk aangesloten radar, plotter of kaartscherm.
• Cursor out: uitvoer van de cursor van de plotter via de SeaTalk bus.
Wanneer de juiste optie ingeschakeld is, geeft de plotterdisplay zowel zijn eigen
cursor als die van de andere display weer. Bij de cursor van het andere apparaat
staat de tekst RDR of CHT om de oorsprong aan te duiden. Dit betekent dat u de
cursor op een object op een Pathfinder radar kunt plaatsen en de identiteit van
het object kunt controleren door op de radarpositie op het plotterscherm te
kijken.
3.11 Informatie van andere apparatuur
In deze paragraaf leggen we uit hoe u informatie van andere aangesloten
apparatuur die beschikbaar is kunt gebruiken en weergeven.
U kunt hiervoor de plotter in Simulator stand zetten, of het uitproberen terwijl u
vaart nadat u het systeem hebt geïnstalleerd en ingesteld.
Om de functies uit te proberen, hebt u de volgende extra informatie nodig van
apparatuur die via SeaTalk of NMEA op uw systeem aangesloten is. Als
koersgegevens zowel via NMEA als SeaTalk beschikbaar is, heeft NMEA
prioriteit. Bij alle overige data heeft SeaTalk prioriteit.
3-42
Raynav 300 GPS Plotter
Hoofdstuk 4: Instellen van de GPS Plotter
4-1
Hoofdstuk 4: Instellen van de GPS Plotter
4.1 Inleiding
Nadat u het systeem hebt geïnstalleerd en vertrouwd bent met de bediening,
moet u het zo instellen dat de werking aan uw eisen voldoet en de informatie
volgens uw wensen wordt weergegeven
Dat doet u met behulp van de instellingsfuncties die verschijnen als u op de
toets MENU drukt.
Nadat u de waarden hebt ingesteld, blijven die de standaard instellingen totdat u
ze opnieuw wijzigt; deze waarden blijven ook behouden als u de plotter uit zet.
In dit hoofdstuk vindt u instructies voor het weergeven en aanpassen van de
standaard fabrieksinstellingen aan uw persoonlijke voorkeuren.
De instellingsparameters zijn onderverdeeld in vier groepen:
• System, instellingen voor algemene functies
• Plotter, instelling van plotterfuncties, o.a. waypoint informatie en vectoren
• Track, beschreven in hoofdstuk 3, Bediening
• GPS, weergave van de status van de bijbehorende GPS ontvanger en
instellen van Satelliet Differentieel GPS (SDGPS) of Differentieel GPS
(DGPS)
In de volgende paragrafen vindt u een overzicht van de parameters, de
mogelijke instellingen daarvan en beschrijven we de functie van elke
afzonderlijke parameter.
4.2 Wijzigen van instellingsparameters
➤ De standaard parameters instellen:
1. Druk op de toets MENU om de Setup soft keys weer te geven, zie Figuur
4-1; de beschikbare opties zijn afhankelijk van de huidige werkstand.
SYSTEM
SET UP¬
CHART
SET UP¬
TRACK
SET UP¬
GPS
SET UP¬
D4918-1
Figuur 4-1: Setup soft keys
2. Druk op de soft key van de gewenste groep.
Het gekozen Setup menu verschijnt, met de parameters en de huidige
instellingen.
3. Met de trackpad verplaatst u de selectiebalk omhoog en omlaag door de
lijst. Boven of onder in de rechterhoek verschijnt een pijl als u de lijst kunt
verschuiven om nog meer parameters weer te geven.hoofdstuk.
4-2
Raynav 300 GPS Plotter
Wanneer u een regel selecteert, verschijnen de bijbehorende soft key labels
met de mogelijke instellingen.
• Voor parameters met een numerieke waarde of meer dan vier mogelijke
instellingen verschijnt een schuiflijst boven twee van de soft keys.
• Sommige parameters worden ingesteld m.b.v. schuifregelaars die boven
twee soft keys worden weergegeven.
• Bij sommige parameters geeft een soft key toegang tot een submenu met
meer opties.
4. Druk op de soft key voor de gewenste instelling of, bij een schuiflijst,
gebruik de soft keys om omhoog of omlaag door de lijst te gaan totdat de
gewenste instelling geselecteerd is. Die instelling blijft behouden als u de
selectiebalk naar de volgende parameter in de menulijst verplaatst.
5. Nadat u de gewenste waarden hebt ingesteld, drukt u op ENTER om de
wijzigingen te bevestigen en terug te keren naar de Setup soft keys.
6. Druk op CLEAR om de soft keys van het scherm te verwijderen en naar het
normale scherm terug te keren.
U kunt alle instellingen indien nodig weer op de originele fabriekswaarden
terugzetten, door een reset uit te voeren, zie hoofdstuk 6.
4.3 Systeemparameters
In de volgende tabel vindt u een overzicht van de System-menu’s en opties en
de fabrieksinstellingen. Bovendien kunt u in de rechter kolom uw nieuwe
standaard instellingen noteren. De afzonderlijke parameters beschrijven we in
de volgende paragrafen.
Tabel 4-1: Systeemparameters
Systeem
instellingen
Menu
Opties
Fabrieksinstelling
BEARING MODE
MAGNETIC
TRUE
TRUE
CURSOR DISPLAY
MAG/TRUE
RELATIVE
RELATIVE
CURSOR READOUT
OFF
LAT/LONG
RNG/BRG
BOTH
RNG/BRG
DAY/NIGHT
DAY/NIGHT
DAY
HELP
OFF/ON
ON
SOFT KEYS
OFF/ON
ON
KEY BEEP
OFF/ON
ON
MOB DATA
DR
POSITION
DR
Nieuwe
std. instelling
Hoofdstuk 4: Instellen van de GPS Plotter
4-3
Tabel 4-1: Systeemparameters (vervolg)
Opties
Fabrieksinstelling
MENU TIMEOUT
PERIOD
NO TIMEOUT
10, 20, 30 SECONDEN
NO TIMEOUT
DISTANCE UNITS
NAUTICAL MILES
STATUTE MILES
KILOMETRES
KILOYARDS
NAUTICAL
MILES
SPEED UNITS
KNOTS
MILES PER HOUR
KILOMETRES PER HOUR
KNOTS
DEPTH UNITS
METRES
FEET
FATHOMS
METRES
Nieuwe
std. instelling
TEMPERATURE UNITS CENTIGRADE
FAHRENHEIT
CENTIGRADE
VARIATION SOURCE
AUTO
AUTO
MANUAL
CURSOR ECHO
LOCAL CURSOR
OFF / ON
REMOTE CURSOR OFF / ON
ON
OFF
DATE FORMAT
DD/MM/YY
MM/DD/YY
DD/MM/YY
TIME FORMAT
12 HOUR
24 HOUR
24 HOUR
TIME OFFSET
UTC of locale waarde:
+ of – max. 12 uur, in uren
UTC
GPS SOURCE
Master/Repeater
MASTER
NMEA INPUT
NMEA/RTCM
MM/DD/YY
NMEA
LANGUAGE
ENGLISH (UK)
ENGLISH (US), DANISH
FRENCH, GERMAN,
DUTCH, ITALIAN,
NORWEGIAN,
PORTUGUESE, SPANISH
SWEDISH, FINNISH
ENGLISH (UK)
SIMULATOR
OFF
DATA
ON
OFF
Systeem
instellingen
Menu
4-4
Raynav 300 GPS Plotter
Bearing Mode (peilingmodus)
De wijze waarop alle peiling- en koersgegevens worden weergegeven
(magnetisch of waar) op de statusbalk.
Cursor Display (cursor weergave)
De vorm waarin de peilinggegevens voor de cursoraflezing worden
weergegeven. De peilinginformatie kan in twee vormen worden getoond:
• Relatief: de relatieve peiling ten opzichte van de koers van uw schip.
• Magnetisch/waar: de werkelijke peiling in graden magnetisch of waar.
Deze optie is alleen beschikbaar als er koersgegevens van een kompas zijn.
Als u deze modus kiest, wordt de keuze die u voor de vorige parameter
(Bearing Mode) hebt gemaakt, °M of °T, in de cursor databoxen (RNG/BRG)
weergegeven. De huidige eenheid voor de koerswaarde wordt op de
statusbalk getoond.
Cursor Readout (cursor aflezing)
Hiermee bepaalt u of de cursordata in breedte/lengte of afstand en peiling
worden weergegeven. U kunt ook beide weergavevormen in afzonderlijke
boxen inschakelen, of de cursor databox uit zetten.
U kunt de cursoraflezing databox(en) ook tijdens de normale bediening aan of
uit zetten, via de standaard soft key SCREEN (zie hoofdstuk 2).
Day/Night (dag/nacht)
Via deze optie selecteert u de dag- of nachtweergave voor de display.
Systeem
instellingen
In de normale dagweergave worden zwarte objecten op een witte achtergrond
weergegeven. Selecteert u nachtweergave “NIGHT”, dan wordt het beeld
omgekeerd (invers), zodat witte objecten op een zwarte achtergrond worden
getoond. Het beeld is dan minder vermoeiend voor de ogen.
Help
Wanneer Help op ON is ingesteld, verschijnt er een aanwijzing als u een soft key
of menuoptie selecteert en bij gebruik van de contextgevoelige cursor. De
helptekst verdwijnt zodra u een actie selecteert.
Soft Keys
Als de optie Soft Keys op ON is ingesteld, worden de standaard soft key labels
weergegeven als er geen andere bewerking actief is.
Hoofdstuk 4: Instellen van de GPS Plotter
4-5
Staat de optie Soft Keys op OFF, dan worden de standaard soft key labels alleen
weergegeven als u een soft key indrukt. De labels verdwijnen als er 10
seconden geen bewerking wordt uitgevoerd.
Key Beep (pieptoon bij indrukken van toetsen)
Hiermee bepaalt u of er een pieptoon klinkt als u een toets indrukt.
NB: ongeacht de instelling worden alarmen altijd weergegeven.
MOB Data
Deze optie bepaalt of de MOB data gebaseerd worden op GPS gegevens of
dead reckoning (DR). Dead reckoning (gegist bestek) geeft normaal gesproken
een betere indicatie van de koers naar een object in het water, ervan uitgaand dat
uw schip en het object aan dezelfde invloeden van getijde en wind blootstaan.
Menu Timeout periode
Zonder instelling van de timeout blijven menu’s en sneltoetslabels zichtbaar op
het scherm totdat u op ENTER, CLEAR of de bijbehorende soft key drukt.
Units (eenheden)
U kunt de eenheden instellen voor afstand, snelheid, diepte en temperatuur. De
ingestelde eenheden worden gebruikt voor de weergave van alle gegevens,
inclusief informatie die van andere instrumenten in het systeem wordt
ontvangen. De afstandseenheden hebben echter geen invloed op de schaal van
de display, die altijd in zeemijl is.
De variatiewaarde is het verschil tussen ware en magnetische richtingsgegevens
voor koers of peiling. De optie Variation Source biedt een aantal soft keys voor
de keuze van automatische of handmatige variatiestand en geeft de huidige
variatiewaarden weer. De momenteel geselecteerde stand wordt invers
weergegeven.
Auto Mode (automatische stand)
Als u de automatische stand selecteert, ontvangt de plotter de waarde van de
variatie automatisch, normaal gesproken via ontvangen data. Welke variatiewaarde wordt gebruikt, is afhankelijk van de beschikbare data en wordt in de
volgende volgorde van prioriteit geselecteerd:
1. Variatiewaarde van dezelfde bron als de koersgegevens:
Als koersgegevens via NMEA worden betrokken, wordt de variatie ook via
NMEA verkregen.
Als de koersgegevens via SeaTalk worden betrokken, wordt de SeaTalk
variatie gebruikt.
Systeem
instellingen
Variation Source (variatiebron)
4-6
Raynav 300 GPS Plotter
2. Variatiewaarde van een andere bron:
Als koersgegevens via NMEA worden betrokken, maar geen NMEA
variatie beschikbaar is, wordt die van SeaTalk gebruikt.
Als de koersgegevens via SeaTalk worden betrokken, maar geen SeaTalk
variatie beschikbaar is, wordt de variatie van NMEA gebruikt.
3. Een berekende variatiewaarde, waarvoor positiegegevens worden gebruikt,
als er geen SeaTalk of NMEA waarde beschikbaar is.
4. De huidige handmatig ingestelde variatiewaarde, als geen SeaTalk of
NMEA waarde en geen positiegegevens beschikbaar zijn.
Manual Mode (handmatig)
Als u de stand Manual (handmatig) selecteert, door op één van de MANUAL
toetsen te drukken, kunt u de locale variatie opgeven voor het gebied waarin u
zich bevindt. Druk op de desbetreffende MANUAL toets om een hogere of lagere
waarde in te stellen, tot een maximum van 30° oost of west.
Deze waarde wordt daarna ook naar andere SeaTalk instrumenten in uw
systeem verzonden. De instelling blijft behouden als u de display uit en weer
aan zet.
In de stand Manual wordt een inkomende NMEA variatie genegeerd. Wordt de
variatie echter op een andere SeaTalk instrument gewijzigd, dan wordt die
nieuwe waarde gebruikt en wordt de weergegeven instelling bijgewerkt.
NB: de variatie wordt in Manual standaard op 0° gezet, dus is het belangrijk
dat u een waarde instelt als die niet van een externe bron beschikbaar is.
Cursor Echo (cursoroverdracht)
Systeem
instellingen
U kunt het systeem zo instellen dat radars, plotters en kaartplotters, verbonden
via SeaTalk, elkaars cursor weergeven.
Druk op de soft key CURSOR ECHO om de soft keys voor cursoroverdracht weer
te geven. U kunt de volgende opties instellen op ON of OFF:
• Radar Cursor In: weergave van cursor van radar op plotterscherm of in
kaartvenster (standaard = OFF).
• Chart Cursor In: weergave van cursor van andere plotter of kaartplotter
(standaard = OFF).
• SeaTalk Cursor Out: uitvoer van eigen cursor van de plotter via SeaTalk
(standaard = OFF).
NB: op de andere (remote) display moet SeaTalk Cursor Out ingeschakeld zijn.
Als u de opties OFF (uit) zet, vindt er geen cursoroverdracht plaats.
Hoofdstuk 4: Instellen van de GPS Plotter
4-7
Datum- en tijdinstellingen
Selecteer het gewenste datumformaat (DD/MM/YY of MM/DD/YY) en
tijdformaat (12- of 24-uurs). Als u de locale tijd wilt weergeven, gebruikt u de
soft keys om de instelling van UTC in de gewenste tijd te veranderen. De
verandering kan plus of minus 12 uur bedragen, in stappen van één uur.
Language (taal)
Selecteer de taal waarin u informatie wilt weergeven. De geselecteerde taal
wordt gebruikt voor schermtekst, labels, menu’s en opties, maar heeft geen
invloed op tekst die bij de contextgevoelige cursor verschijnt. De taalinstelling
beïnvloedt ook het weergaveformaat van de breedte/lengte positie-informatie.
Simulator
In de simulatorstand kunt u de plotter bedienen zonder data van de antenne en/
of externe bronnen.
Als u de simulator ingeschakeld hebt, wordt tijdens het gebruik de databox
SIMULATOR weergegeven, die aangeeft dat simulatie actief is.
4.4 Plotterinstellingen
Via de optie PLOTTER SET UP kunt u de instellingen van de plotter aan uw
systeemconfiguratie en persoonlijke voorkeuren aanpassen.
Tabel 4-2: Plotterinstellingen
Parameter
Opties
Fabrieksinstelling
PLOTTER
ORIENTATION
NORTH UP
COURSE UP
HEAD UP
NORTH UP
WAYPOINT SYMBOLS OFF
ON
ON
WAYPOINT NUMBERS OFF
ON
OFF
DEFAULT WAYPOINT
SYMBOL
Vis, doodskop,
X of anker symbool
X
HEADING VECTOR
OFF, 3 MIN, 10 MIN
INFINITE
OFF
Nieuwe
std. instelling
Systeem
instellingen
De volgende tabel geeft een overzicht van de Plotter Setup parameters en opties,
toont de fabrieksinstellingen en biedt ruimte voor het invullen van uw nieuwe
standaard instelling. De afzonderlijke parameters worden in de volgende
paragrafen beschreven.
4-8
Raynav 300 GPS Plotter
Tabel 4-2: Plotterinstellingen (vervolg)
Parameter
Opties
Fabrieksinstelling
COG VECTOR
OFF, 3 MIN, 10 MIN
INFINITE
OFF
DATUM SELECTION
WGS 84, LOCAL
WGS 84
Nieuwe
std. instelling
Plotter oriëntatie
De plotter oriëntatie is normaal gesproken North Up (noorden boven), maar kan
worden gewijzigd in Course Up of Head Up, mits de koers beschikbaar is. Het
scherm ziet er als volgt uit:
• North Up: het scherm wordt getoond met het noorden boven. Als u de koers
wijzigt, beweegt de koersmarkering. Dit is de standaard oriëntatie en de enig
mogelijke als er geen koers (heading) beschikbaar is.
• Course Up: het plotterscherm wordt weergegeven met de momenteel
geselecteerde koers boven. Kiest u een nieuwe koers, dan draait het beeld,
zodat de nieuwe koers naar boven wijst.
De referentie die voor Course Up wordt gebruikt, is afhankelijk van de
beschikbare informatie. De eerst beschikbare van de volgende wordt
gebruikt:
• Vastgezette koers via SeaTalk verbinding
• Koers op het moment dat Course Up geselecteerd is
Om de Course Up referentie bij te werken terwijl Course Up de huidige stand
is, selecteert u opnieuw Course Up in het Setup menu.
Systeem
instellingen
• Head Up: het scherm wordt getoond met de huidige vaarrichting van het
schip naar boven. Als de vaarrichting verandert, draait het scherm mee.
Waypoint symbolen
Waypoint Symbols bepaalt of waypoints al dan niet met de desbetreffende
symbolen op het scherm worden getoond. Het actieve waypoint en de
waypoints van de huidige route zijn altijd zichtbaar.
Waypoint nummers
Waypoint Numbers bepaalt of waypoint nummers voor de waypoints van de
huidige route worden weergegeven.
Standaard waypoint symbool
Default Waypoint Symbol maakt het mogelijk het symbool te selecteren dat u
standaard voor de weergave van waypoints wilt gebruiken.
Hoofdstuk 4: Instellen van de GPS Plotter
4-9
Vectoren
Vectoren voor koers, getijde en koers over de grond kunnen als een lijn vanaf
het schip worden weergegeven. De lengte van de vector wordt bepaald door uw
keuze van SOG en de tijd. Een oneindige (infinite) vector loopt door tot aan de
rand van het scherm.
• Heading Vector geeft de huidige koers aan.
• COG Vector geeft de koers over de grond aan.
• Tide Vector geeft de getijderichting aan. Getijde-informatie wordt berekend
aan de hand van snelheid door het water, kompas plus COG en SOG.
Keuze van referentiesysteem (datum)
U hebt voor het referentiesysteem (Eng. datum) de keuze uit WGS 84 of LOCAL.
Bij LOCAL wordt een lijst van systemen weergegeven. Gebruik trackpad
omhoog/omlaag om door de lijst te bladeren. Druk op ENTER om een optie te
selecteren en het menu te sluiten.
NB: wanneer de datum (het referentiesysteem) gewijzigd is, blijft de
geografische positie van waypoints constant. De lengte-/breedtewaarden
veranderen echter, omdat ze berekend worden op basis van een ander systeem.
Wanneer waypoints numeriek aan de waypointlijst, of via SeaTalk/NMEA
worden toegevoegd, moet daarvoor dezelfde datum worden gebruikt als die
voor de display geselecteerd is.
De GPS Setup pagina bevat informatie over de status van de gevolgde
navigatiesatellieten, plus HDOP en de status van de positiebepaling (Fix).
Tevens vindt u hier opties voor instelling van een kust- of Satelliet Differentieel
GPS (RS 114 of Master RN 301), door handmatig een ander differentieelbaken
te selecteren.
Systeem
instellingen
4.5 GPS Setup
4-10
Raynav 300 GPS Plotter
➤ GPS Setup (instellingen) selecteren:
1. Druk op de soft key GPS SET UP om het scherm GPS Status met de
bijbehorende soft keys weer te geven, zie Figuur 4-2:
GPS STATUS
SAT SIGNAL STATUS SAT SIGNAL STATUS
15
LOCKED 23
LOCKED
09
IN USE 18
IN USE
08
IN USE 26
IN USE
10
LOCKED 12
LOCKED
20
LOCKED 14
LOCKED
17
LOCKED 03
LOCKED
RESTART
GPS
HDOP
FIX STATUS
1.0
D-FIX
D-GPS
SET UP
SD-GPS
SET UP
D4965_1
Figuur 4-2: scherm GPS Status
In het scherm GPS Status vindt u voor elke gevolgde satelliet het satellietnummer, een grafische balk voor de signaalsterkte en de huidige gebruiksstatus.
Er kunnen gegevens van maximaal 12 satellieten worden weergegeven.
De nauwkeurigheid van de positie is afhankelijk van bepaalde parameters: met
name voor GPS worden de azimut- en hoogtehoeken gebruikt in een
triangulatieproces waarmee de positie wordt berekend. HDOP (horizontale
positie-afwijking) geeft de nauwkeurigheid aan; een hogere waarde betekent
een grotere afwijking. In het ideale geval moet de waarde rond 1,0 liggen. Fix
Status (status van de positiebepaling) kan het volgende aangeven:
• FIX, waarbij een satelliet positiebepaling heeft plaatsgevonden
Systeem
instellingen
• D-FIX, waarbij een differentieelbaken positiebepaling heeft
plaatsgevonden
• SD-FIX, waarbij een satelliet differentieel positiebepaling heeft
plaatsgevonden
• NO FIX, waarbij geen positiebepaling kan worden bereikt
Fix Mode
Via Fix Mode selecteert u de methode die voor positiebepaling wordt gebruikt.
➤ De gewenste methode voor de positiebepaling selecteren:
1. Druk herhaaldelijk op de soft key FIX MODE om de verschillende
beschikbare methoden acht ereenvolgens weer te geven.
i. Selecteer GPS om voor de positiebepaling alleen GPS data te gebruiken.
ii. Selecteer D om voor de positiebepaling Differentieel GPS te gebruiken,
indien beschikbaar.
Hoofdstuk 4: Instellen van de GPS Plotter
4-11
iii.Selecteer SD om voor de positiebepaling Satelliet Differentieel GPS te
gebruiken, indien beschikbaar.
2. Druk op CLEAR om het menu te verlaten.
D-GPS Setup
De functie D-GPS SETUP biedt de mogelijkheid een extern Differentieel GPS in
te stellen, hetzij automatisch (standaard), of handmatig door het op een ander
differentieelbaken in te stellen.
➤ D-GPS instellen:
Druk op de soft key D-GPS SET UP.
Het scherm D-GPS SETUP verschijnt, zie Figuur 4-3:
DIFFERENTIAL GPS SET UP
AUTO
MODE
1024
BEACON ID
287.5kHz
BEACON FREQUENCY
100 bps
BIT RATE
50dB
SIGNAL STRENGTH
SIGNAL/NOISE RATIO (SNR) 30dB
2 s
DIFFERENTIAL AGE
MODE
AUTO MAN
SET BEACON FREQ.
287.5 kHz
BIT RATE
100 bps
D4966_1
Figuur 4-3: scherm D-GPS Setup
D-GPS Mode
Druk op de soft key MODE om te wisselen tussen AUTO en MAN modus; de
geselecteerde methode wordt door een grijze achtergrond aangegeven en
verschijnt in de Setup tabel.
In de AUTO modus wordt de D-GPS op automatisch gezet en worden bakens
automatisch door de bakenontvanger geselecteerd.
In de MAN modus worden door de gebruiker geselecteerde baken en bitsnelheid
naar de bakenontvanger verzonden.
NB: als de display RTCM data via NMEA ontvangt, die een differentiële
positiebepaling van een ander apparaat herhaalt, wordt de soft key MODE op
AUTO gezet en grijs weergegeven. Bij ontvangst van RTCM data moet de
instelling handmatig plaatsvinden op de externe D-GPS ontvanger.
Beacon ID
Geeft de bakencode van de bakenzender aan. Als er niet op een bepaald baken is
afgestemd (locked), wordt hier NOT LOCKED weergegeven.
Systeem
instellingen
➤ De methode voor selectie van bakens selecteren:
4-12
Raynav 300 GPS Plotter
Beacon Frequency
De momenteel gebruikte frequentie van het differentieelbaken in kHz wordt
door het menu en de bijbehorende soft keys weergegeven.
In de AUTO modus is dit de frequentie die van de bakenontvanger wordt
ontvangen. De soft keys worden grijs weergegeven (d.w.z. niet beschikbaar).
In de MAN modus is dit de door de gebruiker geselecteerde frequentie die via
SeaTalk/NMEA naar de bakenontvanger wordt verzonden.
➤ Nieuwe bakenfrequentie handmatig instellen:
Druk op de soft keys SET BEACON FREQUENCY met pijlen om de frequentie
hoger of lager in te stellen in stappen van 0.5 kHz..
De frequentie kan worden ingesteld van 287.5 tot 325.0 kHz.
Bit Rate
De momenteel gebruikte bit rate (transmissiesnelheid) in bps van het
differentieelbaken wordt door het menu en de bijbehorende soft keys
weergegeven.
In de AUTO modus is dit de waarde die van de bakenontvanger wordt ontvangen.
De soft keys worden grijs weergegeven (niet beschikbaar).
In de MAN modus wordt door de gebruiker geselecteerde bit rate naar de
bakenontvanger verzonden.
➤ Nieuwe bit rate handmatig instellen:
Druk op de soft key BIT RATE om te wisselen tussen de opties 100 bps en
200 bps.
Systeem
instellingen
Signaalsterkte en signaal-/ruisverhouding
Deze items geven de ontvangen signaalsterkte en signaal-/ruisverhouding
(SNR) in dB aan, zoals ontvangen van de bakenontvanger. Als de display
RTCM data ontvangen via NMEA gebruikt, is deze informatie niet beschikbaar
en worden streepjes weergegeven, één per teken.
De ontvangen signaalsterkte en signaal-/ruisverhouding houden verband met
elkaar. SNR geeft een aanduiding van de kwaliteit van het signaal en is
afhankelijk van de signaalsterkte.
Differential Age
Differential Age (leeftijd van differentieel signaal) geeft aan hoeveel tijd
verstreken is sinds de laatste correctie van het differentieelbaken ontvangen is.
Hoofdstuk 5: Installatie
5-1
Hoofdstuk 5: Installatie
5.1 Inleiding
In dit hoofdstuk vindt u instructies voor de planning van de installatie van de
Raynav 300 GPS Plotter in uw schip.
NB: als u wilt oefenen met de bediening van de Raynav 300 GPS Plotter
alvorens hem te installeren, kunt u hem via een 1 A snelle zekering op een 12 V
gelijkspanningsbron aansluiten en in de Simulator stand starten, zoals
beschreven in hoofdstuk 2.
EMC-richtlijnen voor installatie
Alle apparatuur en accessoires van Raytheon zijn ontworpen volgens de
hoogste industriële normen voor de gebruik in de pleziervaart.
Ontwerp en fabricage zijn in overeenstemming met de desbetreffende EMCnormen (Elektromagnetische Compatibiliteit), maar een correcte installatie is
noodzakelijk om aan de normen t.a.v. prestaties en bescherming te voldoen.
Ofschoon alle moeite is gedaan om ervoor te zorgen dat de apparatuur onder
alle omstandigheden functioneert, kunnen bepaalde factoren de werking van
het product beïnvloeden.
De hier beschreven richtlijnen geven de optimale omstandigheden t.a.v. EMC,
maar erkend wordt dat niet altijd aan alle voorwaarden kan worden voldaan.
Om de best mogelijke voorwaarden m.b.t. EMC binnen de door de locatie
opgelegde beperkingen te creëren, moet u verschillende elektrische apparaten
altijd zo ver mogelijk verwijderd van elkaar plaatsen.
• Ten minste 1 m verwijderd van apparatuur of kabels die radiosignalen
respectievelijk uitzenden of doorgeven, zoals marifoons, kabels en antennes.
Bij SSB radio’s moet de afstand 2 m bedragen.
• Meer dan 2 m verwijderd van een radarbundel. Een radarbundel heeft
normaal gesproken een spreiding van 20 graden boven en onder het
uitstralende element.
• De apparatuur moet worden gevoed door een andere accu dan die voor het
starten van de motor wordt gebruikt. Door spanningsdalingen onder 10 V in
de stroomtoevoer kan de apparatuur worden gereset. Dit leidt niet tot schade
aan de apparatuur, maar kan verlies van gegevens en verandering van de
bedrijfsstand veroorzaken.
Installatie
Ten behoeve van optimale EMC prestaties wordt aanbevolen waar mogelijk
het volgende in acht te nemen bij de montage van Raytheon apparatuur en
daarop aangesloten kabels:
5-2
Raynav 300 GPS Plotter
• Gebruik altijd originele Raytheon kabels. Doorsnijden en opnieuw
verbinden kan de EMC-prestaties beïnvloeden en dient derhalve te worden
vermeden, tenzij dit in deze handleiding wordt aangegeven.
• Als een onderdrukkingsferriet op een kabel bevestigd is, moet deze niet
worden verwijderd. Als de ferriet voor de installatie moet worden
verwijderd, moet hij op dezelfde plaats opnieuw worden gemonteerd.
Onderdrukkingsferrieten
De volgende afbeelding toont de onderdrukkingsferrieten die voor Raytheon
apparatuur worden gebruikt. Gebruik altijd originele Raytheon ferrieten.
D3548-2
Figuur 5-1: typische onderdrukkingsferrieten
Aansluiting op andere apparatuur
Als Raytheon apparatuur op andere apparatuur wordt aangesloten met kabels
die niet door Raytheon zijn geleverd, MOET altijd een onderdrukkingsferriet
dicht bij het Raytheon apparaat worden gemonteerd.
5.2 Componenten uitpakken en controleren
Neem de Raynav 300 GPS Plotter voorzichtig uit de verpakking. Bewaar de
verpakkingsmaterialen voor als u het apparaat voor service moet opsturen.
Tabel 5-1: systeemonderdelen en accessoires
Item
EMC-richtlijnen
Art.nr.
Meegeleverd bij
Zonnekap
E35008
Alle
Actieve antenne
E35009
Alle
Beugel montageset
E35011
Alle
Voedingskabel
R38024
Alle
TNC coax verlengkabel 10 m
R38057
Optie
Paneel montageset
E38061
Optie
RN300 Systeem
Hoofdstuk 5: Installatie
5-3
Tabel 5-1: systeemonderdelen en accessoires (vervolg)
Item
Art.nr.
Meegeleverd bij
Handleiding
81171
Alle
Naslagkaart (Engelstalig)
86053
Alle
Product registreren
Nadat u hebt gecontroleerd of u alle vermelde componenten hebt ontvangen,
vult u de garantieregistratiekaart in. Daardoor verzekert u zich van directe hulp
wanneer zich problemen met het product mochten voordoen.
5.3 Plaats
In deze paragraaf vindt u informatie voor de keuze van de plaats voor de plotter,
bereikbaarheid voor service en de positie ten opzichte van de stroomtoevoer.
Keuze van de beste plaats
Het apparaat kan worden gemonteerd met behulp van de beugel, of in een
paneel, met behulp van de optionele set voor paneelmontage.
• Bedieningsgemak: de display moet op een praktische plaats worden
gemonteerd, waar u er recht op kijkt of onder een hoek van minder dan 35°.
Sluit de stroomtoevoer aan voordat u de display monteert, zodat u vóór
montage de beste zichthoek kunt bepalen. De plaats moet een eenvoudige
bediening van de bedieningselementen op het frontpaneel mogelijk maken.
• Bereikbaarheid: er moet voldoende ruimte achter de display zijn om kabels
op de aansluitingen aan de achterzijde aan te sluiten en om knikken in de
kabels te voorkomen.
• Storing: de gekozen plaats moet voldoende ver verwijderd zijn van
apparatuur die storing kan veroorzaken, zoals motoren en generatoren (zie de
EMC-richtlijnen eerder in dit hoofdstuk).
• Kabels leggen: de display moet in de nabijheid van een gelijkspanningsbron
worden gemonteerd. De meegeleverde voedingskabel is 1,5 m lang, maar
indien nodig kan een langere kabel worden gebruikt. De stroomtoevoer moet
beveiligd zijn d.m.v. een 1 A snelle zekering of zekeringautomaat. Zie par.
5.7 Kabels leggen.
• Omgeving: de display moet worden beschermd tegen materiële beschadiging, oververhitting en overmatige trillingen. De display is weliswaar
waterbestendig, maar geadviseerd wordt het apparaat op een beschutte
plaats te monteren, zodat het niet langdurig wordt blootgesteld aan regen of
zoutwaternevel.
Inhoud van
de verpakking
Bij de planning van de installatie van de Raynav 300 moet u met het volgende
rekening houden om een betrouwbare en probleemloze werking te verzekeren:
5-4
Raynav 300 GPS Plotter
Plaats de zonnekap wanneer u het apparaat niet gebruikt, om beschadiging
van het LCD scherm te voorkomen.
De afmetingen van het apparaat, inclusief beugel, zijn in Figuur 5-2 getoond.
99 mm
232 mm
78 mm
31 mm
195 mm
25 mm
89 mm
12 mm
110 mm
122 mm
80 mm
ruimte v. stekker
51 mm
51 mm
175 mm
190 mm
D4962-1
Figuur 5-2: afmetingen Raynav 300 GPS Plotter
5.4 Aansluiting op andere apparatuur
Planning
van de
installatie
De plotter verzendt navigatie- en waypointinformatie via NMEA(1) en SeaTalk
en kan derhalve op NMEA compatibele stuurautomaten of instrument
repeater(s) worden aangesloten. De navigatiedata die door de kaartplotter wordt
verzonden is beschreven in bijlage B van deze handleiding.
(1)
National Marine Electronics Association (NMEA) 0183 standaard voor
onderlinge aansluiting, versie 2,3 april 1998.
Hoofdstuk 5: Installatie
5-5
5.5 Plotter monteren
Montage met behulp van beugel
De display kan met behulp van de beugel worden gemonteerd op een
dashboard, kaartentafel, aan een wand of plafond.
➤ Monteer het apparaat als volgt met behulp van de beugel:
1. Draai de beugelknoppen los en verwijder de beugel van de display.
2. Teken de plaats van de schroefgaten in de beugel af op het montageoppervlak.
3. Monteer de beugel met de meegeleverde schroeven op de afgetekende
plaatsen.
4. Monteer de display aan de beugel; indien nodig de schuinstand van de
display instellen en de knoppen vastdraaien.
5. Sluit de voedings-/NMEA- en GPS-kabels op het apparaat aan; voorkom
knikken of te scherpe bochten in de kabels.
Montage in een paneel
VOORZICHTIG:
Controleer of er geen elektrische kabels of andere voorwerpen achter de
gewenste plaats zitten voordat u verdergaat. Controleer of er voldoende
ruimte voor montage en bekabeling is.
Het apparaat kan in een paneel worden gemonteerd m.b.v. de inbouwset
(accessoire) die verkrijgbaar is bij de Raytheon dealer.
1. Bepaal de plaats voor de display. Hiervoor is een vrij, vlak oppervlak van
ten minste 195 mm breed bij 110 mm hoog nodig, met ten minste 125 mm
ruimte achter het paneel.
2. Neem de (optionele) paneelmontageset uit de verpakking.
3. Teken de te maken uitsparing af op het paneel met behulp van de meegeleverde sjabloon en teken de boorgaten voor de vier bevestigingsschroeven af
buiten het uit te zagen deel.
4. Om begingaten voor het uitzagen te maken, boort u vier gaten van 10 mm in
elke hoek van het uit te zagen deel.
5. Boor de vier gaten van 5 mm voor de bevestigingsschroeven zoals aangeduid op de sjabloon. Aanbevolen wordt een gat van 1 mm vóór te boren.
6. Gebruik een geschikte zaag om langs de binnenkant van de afgetekende
cirkel te zagen.
7. De beugel en knoppen van het apparaat verwijderen en voorzichtig de
(zwarte) getande stukken van het huis verwijderen.
Planning van
de installatie
➤ Monteer het apparaat als volgt in het paneel (zie Figuur 5-3):
5-6
Raynav 300 GPS Plotter
8. Controleer of het apparaat in de uitgezaagde opening past.
9. Houd de afdichtring tegen het apparaat en controleer of het gelijk zit met de
messing stukken in het huis.
10. Verwijder de beschermfolie van de zelfklevende zijde van de afdichtring
(de zijde die op het apparaat wordt geplakt).
11. Druk de afdichtring op het apparaat, verwijder de (buitenste) beschermfolie
van de afdichtring en schuif het apparaat in de uitgezaagde opening.
12. Draai de draadstangen in de gaten aan de achterkant van het apparaat en
draai ze alleen met de hand vast.
13. Schuif een afstandsbus op elke draadstang.
14. Bevestig het apparaat met de schroefknoppen; deze handvast draaien.
69-1
D49
Figuur 5-3: montage in een paneel
Montage van
de kaartplotter
5.6 Montage van de GPS antenne
De GPS antenne is zo ontworpen dat deze de signalen die door satellieten
worden uitgezonden in een directe lijn moet ontvangen. In het ideale geval moet
de antenne horizontaal worden gemonteerd op een plaats die open en vrij is van
masten, zoeklichten of andere constructies die de ontvangst van signalen
kunnen belemmeren. De hoogte van de GPS antenne is niet zo belangrijk; wel
dat hij een onbelemmerd ‘zicht’ van horizon tot horizon heeft, voor optimale
signaalontvangst. Hoe lager de antenne kan worden gemonteerd terwijl hij een
vrij zicht op satellieten heeft, des te beter.
Hoofdstuk 5: Installatie
5-7
De GPS antenne kan op een paal worden gemonteerd. U kunt hiervoor een
speciale montagebeugel of set voor montage op een oppervlak gebruiken,
verkrijgbaar bij uw dealer.
Wanneer de antenne direct op een dekoppervlak wordt gemonteerd, dienen
plaatsen waar gelopen wordt of gevaar van struikelen bestaat te worden
vermeden.
De GPS antenne dient ten minste 1 m verwijderd van andere communicatieantennes te zijn en moet niet in de bundel van een radarantenne worden
geplaatst.
Bij de keuze van de plaats voor de antenne dient u te letten op een geschikte
route voor de verbindingskabel met de plotter. De kabel kan het best in een
rechte lijn naar het aansluitpunt worden gelegd. Houd de kabel gescheiden van
andere kabels om storingen te voorkomen.
NB: de kabel NIET doorsnijden - een verlengkabel is verkrijgbaar bij uw
Raytheon dealer. Montage aan de mast van een zeilboot wordt niet aanbevolen.
Montage op een oppervlak
1. Kies een geschikte plaats, waar de onderzijde van het oppervlak bereikbaar
is voor de bevestiging. Gebruik de sjabloon uit deze handleiding en boor
twee 6 mm gaten op de aangegeven plaatsen.
2. Als de kabel door het montageoppervlak moet worden gevoerd, boort u het
6 mm of 19 mm gat in het midden, afhankelijk van of de stekker door het
oppervlak moet worden gestoken of niet.
Voert u de kabel aan de zijkant van de antenne boven het montageoppervlak naar buiten, dan verwijdert u de twee plastic vulstukken (1) uit
het kabelkanaal.
NB: niet verwijderen van de plastic vulstukken uit het kabelkanaal kan tot
beschadiging van de kabel leiden.
3. Draai de meegeleverde messing draadstangen (2) in de onderkant van de
GPS antenne.
4. Bevestig de meegeleverde afdichtring (3) op het montageoppervlak, let op
dat de gaten tegenover elkaar zitten. Voer de kabel door het gat in het
midden of het kabelkanaal.
5. Zet de antenne voorzichtig op zijn plaats, daarbij de draadstangen door de
gaten in het montageoppervlak steken. Zet de antenne vast met behulp van
de meegeleverde schroefknoppen (4).
Montage van
de kaartplotter
➤ GPS antenne op een oppervlak monteren (zie Figuur 5-4):
5-8
Raynav 300 GPS Plotter
1
3
2
2
3
4
4
Bovenaanzicht
Onderaanzicht
D4725_1
Figuur 5-4: montage op een oppervlak
Montage op een paal
➤ GPS antenne op een paal monteren (zie Figuur 5-5):
1. Schroef het voetstuk vast op een passende paal of railingbeugel, voorzien
van een standaard 1” 14 tpi schroefdraad.
2. Voer de kabel door het gat in het midden van het voetstuk (A) of door het
kabelkanaal aan de zijkant (B).
3. Controleer of de kabel goed geplaatst is en bevestig de GPS antenne aan het
voetstuk met behulp van de twee meegeleverde schroeven.
Kaartplotter
aansluiten
Hoofdstuk 5: Installatie
5-9
D4726-2
Figuur 5-5: montage op een paal
5.7 Kabels leggen
Inleiding
•
U moet minimaal een voedingskabel en een verbindingskabel met de
bijbehorende GPS antenne aansluiten. Extra kabels zijn nodig als u ook
andere apparatuur aansluit.
•
Alle kabels moeten goed worden vastgezet en beschermd tegen
beschadiging en blootstelling aan hitte. Leg geen kabels door ruimen of
deuropeningen, of dicht bij bewegende of hete objecten.
•
Als een kabel door een wand of dek wordt gevoerd, moet een waterdichte
mof of kabeldoorvoering worden gebruikt.
Aansluitingen
U moet de volgende kabels aansluiten op de aansluitingen aan de achterzijde
van de plotter:
• ANTENNA, voor aansluiting van de bijbehorende GPS antenne.
• PWR/NMEA, aansluiting van voeding en NMEA in-/uitgangen.
• SeaTalk, met behulp van de speciale SeaTalk stekker.
Kaartplotter
aansluiten
Alvorens de systeemkabels te installeren, dient u het volgende te overwegen:
5-10
Raynav 300 GPS Plotter
Antenne aansluiting
De ANTENNA aansluiting heeft voedings- en RF-aansluitingen voor de
bijbehorende GPS antenne.
VOORZICHTIG:
De GPS antenne niet aansluiten op/afkoppelen van de display wanneer de
stroomtoevoer ingeschakeld is. Dit kan tot onherstelbare schade leiden.
➤ Sluit de GPS antenne met behulp van de daaraan bevestigde kabel als volgt aan:
1. Monteer de GPS antenne aan de hand van de instructies in par. 5.6.
2. Leg de kabel naar de achterkant van de plotter.
3. Overtollige kabel samenbinden en op een geschikte plaats uit het zicht
vastzetten.
4. Schroef de stekker volledig in de bijpassende aansluiting op de plotter.
5. De beschermkap moet de stekker bedekken.
NB: de kabel NIET doorsnijden – een verlengkabel is verkrijgbaar bij uw
Raytheon dealer.
PWR/NMEA aansluiting
VOORZICHTIG:
Als het systeem niet met een zekeringautomaat uitgerust is, moet u een 1 A
snelle zekering tussen de plusdraad (rood) van de voedingskabel
monteren. Dit apparaat is niet geschikt voor gebruik in systemen met een
‘positieve’ massa.
De stroomtoevoer moet worden aangesloten op een schakelpaneel via een
hoofdschakelaar, een 1 A zekeringautomaat of 1A snelle smeltzekering. Zorg
ervoor dat alle aansluitingen schoon en goed bevestigd zijn.
Het gelijkspanningssysteem moet als volgt zijn:
• Negatieve massa, met de minpool van de accu verbonden met de massa van
het schip, of
Kaartplotter
aansluiten
• “zwevend”, waarbij geen van beide accupolen met de massa van het schip
verbonden is.
De plotter is bedoeld voor schepen met een gelijkspanningssysteem met een
spanning tussen 12 V tot 24 V (9,0 V tot maximaal 32,0 V gelijkspanning). Een
voedingskabel van 1,5 m wordt meegeleverd.
Als u een grotere kabellengte nodig hebt, sluit u de meegeleverde kabel op het
apparaat aan en gebruikt u een geschikt aansluitblok om het vrije uiteinde met
de verlengkabel te verbinden. De meegeleverde voedingskabel heeft een
aderdoorsnede van 2,0 mm2.
Hoofdstuk 5: Installatie
5-11
Voor grotere kabellengten kan een grotere aderdoorsnede nodig zijn, om
spanningsverlies te beperken. Om de juiste diameter van de kabeladers te
bepalen als de voedingskabel verlengd moet worden, schat u de lengte van de
kabel tussen de spanningsbron van het schip en het aansluitblok. Kies daarna de
juiste aderdoorsnede voor die lengte aan de hand van Tabel 5-2.
Tabel 5-2: aderdoorsnede van verlengkabels
Maximum lengte verlengkabel (m)
Maximum verlenging (m)
11,0
15,0
20,0
30,0
45,0
70,0
Aderdoorsnede voedingskabel mm2 :
1,5
2,0
2,5
4,0
6,0
10,0
AWG:
16
15
14
12
10
8
De voedings- en NMEA in-/uitgangen moeten moeten op de PWR/NMEA
aansluiting aan de achterzijde van de plotter worden aangesloten. De functies
van de pennen zijn in Tabel 5-3 weergegeven.
Functie
Kleur
Minpool accu
Zwart
Pluspool accu
Rood
NMEA data in (+)
Wit
NMEA in (–) - gemeensch.
Groen
Niet aangesloten
Grijs
NMEA data uit
Geel
NMEA Data uit gemeensch.
Bruin
Niet aangesloten
Afscherming
➤ Sluit de stroomtoevoer met behulp van de meegeleverde standaard voedingskabel als volgt aan:
1. Steek de aangegoten stekker in de PWR/NMEA aansluiting aan de achterkant
van de plotter. Leg het vrije uiteinde naar het schakelpaneel van het schip
of, als de kabel niet lang genoeg is, naar een verbindingsdoos.
2. Knip de kabel op de juiste lengte af. Sluit de rode draad via een zekering
aan op de pluspool van de accu en de zwarte draad op 0 V (minpool van
accu). Beveilig het circuit met een 1 A zekering(-automaat).
3. Gebruik een geschikte verbindingsdoos om indien nodig op NMEA
apparatuur aan te sluiten.
Systeemtest en
basisinstelling
Tabel 5-3: PWR/NMEA aansluitingen
5-12
Raynav 300 GPS Plotter
4. Niet-gebruikte aders afknippen of met isolatieband afplakken.
NB: als de polen van de stroomtoevoer verkeerd om worden aangesloten,
functioneert het systeem niet. Gebruik een voltmeter om te controleren of de
polen van de stroomtoevoer correct aangesloten zijn.
SeaTalk aansluiting
De plotter kan op een bestaand SeaTalk systeem worden aangesloten door de
meegeleverde SeaTalk kabel aan te sluiten op de SeaTalk aansluiting op de
achterzijde van de plotter. De data gaat van instrument naar instrument via het
ringcircuit.
NB: de SeaTalk aansluiting kan niet voor de voeding van de plotter worden
gebruikt. Er wordt geen voeding voor andere SeaTalk apparatuur geleverd.
5.8 Systeemtest en eerste keer aan zetten
Nadat u de plotter hebt geïnstalleerd en aangesloten, moet u de installatie
controleren alvorens het systeem voor navigatie te gebruiken. Als u problemen
tegenkomt, raadpleegt u hoofdstuk 6, Onderhoud en Problemen oplossen.
EMC-compatibiliteit
Controleer de installatie altijd eerst voordat u op zee gaat varen, om er zeker van
te zijn dat radiogolven, starten van de motor enz. geen storingen veroorzaken.
Systeemtest
Alvorens de systeemtest uit te voeren, controleert u het volgende:
• of alle bevestigingsbouten goed vastgedraaid zijn en mechanische borgingen
volgens de instructies aangebracht zijn,
• of alle aansluitingen gemaakt zijn,
• of alle kabels voor zover nodig vastgezet en beschermd zijn.
EMC-controles
Eerste keer aan zetten
Om de display aan te zetten, houdt u de POWER toets ingedrukt tot er een
pieptoon klinkt.
Stel indien nodig verlichting en contrast in (zie hoofdstuk 2).
Wijzig indien nodig de standaard instelling voor de taal:
1. Druk op de MENU toets om de Setup functies weer te geven.
2. Druk op de soft key SYSTEM SET UP en vervolgens op ENTER.
Het SYSTEM SET UP menu verschijnt, waarin de parameters en huidige
instellingen worden weergegeven. De complete lijst, die u kunt
‘doorbladeren’, wordt deels in Figuur 5-6 getoond:
Hoofdstuk 5: Installatie
5-13
SYSTEM SET UP MENU
DATA BOXES
BEARING MODE
CURSOR DISPLAY
CURSOR READOUT
DAY/NIGHT
HELP
TRUE
RELATIVE
RNG/BRG
DAY
ON
D4949-1
Figuur 5-6: scherm System Set Up
3. Met trackpad omhoog/omlaag selecteert u de optie LANGUAGE.
4. Met de soft key pijlen links/rechts selecteert u de gewenste taal.
5. Druk op ENTER om naar de Setup functies terug te gaan. De plotter
gebruikt nu de geselecteerde taal.
6. Druk op CLEAR om naar het normale plotterscherm terug te keren.
Werking van de GPS plotter controleren
Om te verzekeren dat de plotter correct werkt, voert u de volgende controles uit:
1. Controleer of de juiste GPS informatie wordt weergegeven.
2. Druk op de DISPLAY toets tot het plotterscherm verschijnt. Druk op links/
rechts, omhoog/omlaag op de trackpad en controleer of de cursor normaal
beweegt.
3. Controleer of op de display positiegegevens beschikbaar zijn; gebruik de
functie FIND SHIP om te controleren of de cursor op het schipsymbool wordt
geplaatst, dat correct in het centrum van het plotterscherm moet staan, zie
hoofdstuk 3, Bediening.
5-14
Raynav 300 GPS Plotter
Hoofdstuk 6: Onderhoud en Problemen oplossen
6-1
Hoofdstuk 6: Onderhoud en problemen
oplossen
Dit hoofdstuk geeft informatie over het normale onderhoud en mogelijke
oorzaken van problemen die zich kunnen voordoen bij het gebruik van de
Raynav 300 GPS Plotter.
6.1 Onderhoud
WAARSCHUWING:
De plotter bevat speciale circuits die uitsluitend toegankelijk zijn voor
gekwalificeerde servicetechnici. Er zijn geen onderdelen of instellingen
waaraan de gebruiker service mag verrichten. Het is de gebruiker niet
toegestaan de achterzijde van de display te openen.
Routinecontroles
De plotterdisplay is een afgesloten eenheid. Het onderhoud blijft daarom
beperkt tot de volgende periodieke controles:
•
Reinig de display met een vochtige doek
•
Controleer kabels op sporen van beschadiging, zoals schaafplekken,
insnijdingen of knikken
•
Controleer of de kabelstekkers goed bevestigd zijn en de aansluiting op de
gelijkspanningsbron van het schip schoon en goed bevestigd zijn.
NB: gebruik nooit chemische of schurende middelen om de kaartplotter te
reinigen. Als het apparaat vuil is, veegt u het schoon met een schone vochtige
doek.
EMC-richtlijnen m.b.t. service en veiligheid
• Raytheon apparatuur dient uitsluitend door geautoriseerde Raytheon
technici te worden onderhouden en gerepareerd. Zij zorgen ervoor dat de
toegepaste procedures en onderdelen geen nadelige invloed op de prestaties
hebben. Raytheon producten bevatten geen onderdelen waaraan de
gebruiker service kan of mag verrichten.
• In sommige producten wordt hoogspanning gegenereerd. Nooit handelingen
verrichten aan kabels of stekkers terwijl de apparatuur op de stroomtoevoer
aangesloten is.
• Alle ingeschakelde elektrische apparatuur produceert elektromagnetische
velden. Deze kunnen storingen van aangrenzende elektrische apparaten
veroorzaken, waardoor het functioneren kan worden beïnvloed. Om deze
effecten te vermijden en de beste prestaties van uw Raytheon apparatuur te
bereiken, dient u zich aan de richtlijnen in de installatie-instructies te houden,
6-2
Raynav 300 GPS Plotter
zodat wederzijdse storing van apparatuur wordt voorkomen en derhalve een
optimale elektromagnetische compatibiliteit (EMC) wordt bereikt.
• Meld problemen met betrekking tot EMC altijd aan uw Raytheon dealer. Wij
gebruiken die informatie om onze kwaliteitsnormen te verhogen.
• In sommige installaties is het niet altijd mogelijk externe invloeden uit te
sluiten. Over het algemeen veroorzaakt dit geen schade aan de apparatuur,
maar kan dit leiden tot willekeurig resetten of tijdelijke storingen.
6.2 Reset van het systeem
Een reset van de plotter kan op twee manieren worden uitgevoerd:
• Reset door uit/aan zetten: als u de display uit en weer aan zet, wordt het
standaard GPS plotterscherm weergegeven.
• Fabrieks-reset: hiermee zet u alle waarden terug op de oorspronkelijke
fabrieksinstellingen.
NB: bij een fabrieks-reset worden de waypoint en route databases gewist.
Bij inschakelen worden de laatst gebruikte waarden voor alle opties gebruikt,
behalve zoals in onderstaande tabel vermeld. De onderstaande waarden worden
telkens teruggezet op de standaard fabrieksinstellingen.
Tabel 6-1: instellingen bij inschakelen
Item
Instelling bij inschakelen
Heading Mode
North Up
Alarm
AAN (ON) met laatst gebruikte waarde
Contrast
Laatst gebruikte waarde, of tussen 30-70%, als laatst gebruikte waarde buiten
dit gebied ligt
Verlichting
AAN (ON) op laagste niveau indien voorheen AAN
➤ Fabrieks-reset uitvoeren:
1. Druk op de MENU toets om de SET UP soft keys weer te geven.
2. Druk op de soft key SYSTEM SET UP.
3. Houd de MENU toets ingedrukt totdat <RESET IN Xs> met een afteltimer
verschijnt.
4. Houd de MENU toets ingedrukt totdat de afteltimer nul heeft bereikt, of laat
de MENU toets los om de reset te annuleren.
Na een fabrieks-reset start de plotter zoals bij de eerste keer aan zetten,
waarbij alle waarden op de originele fabrieksinstellingen zijn teruggezet.
NB: de standaard fabrieksinstellingen zijn weergegeven in hoofdstuk 4.
Hoofdstuk 6: Onderhoud en Problemen oplossen
6-3
6.3 Problemen oplossen
Alle Raytheon producten worden, voordat ze worden verpakt en verzonden,
onderworpen aan uitgebreide testen en kwaliteitscontroles. Mocht het apparaat
desondanks een storing vertonen, raadpleeg dan Tabel 6.2 om de meest
waarschijnlijke oorzaak te bepalen. Volg de vermelde instructies op om het
probleem te verhelpen.
Als het probleem na het raadplegen van Tabel 6.2 niet verholpen kan worden,
neemt u contact op met uw Raytheon dealer, distributeur of de afdeling Product
Support van Raytheon voor hulp en advies.
Vermeld altijd het serienummer van het product.
Problemen en oplossingen
Tabel 6-2: problemen oplossen
Probleem
Oplossing
Display werkt niet
1. Controleer of de voedingskabel in orde is en alle aansluitingen goed
bevestigd en vrij van corrosie zijn.
2. Controleer of de polen van de voedingskabel correct aangesloten zijn.
Sluit de draden indien nodig correct aan.
3. Controleer de zekering. Indien nodig vervangen.
4. Controleer spanningsbron (accu) van het schip op correcte spanning
(9,0 V tot 32,0 V gelijkspanning).
Schermweergave onscherp
Contrast en/of verlichting instellen
Geen positiebepaling (fix)
Controleer de stekker van de GPS antenne op goede aansluiting.
Controleer of de SDGPS antenne niet geblokkeerd wordt.
Geen NMEA data ontvangen Controleer de PWR/NMEA aansluiting en NMEA apparatuur.
Verlies van opgeslagen data, Raadpleeg dealer voor controle van interne batterij.
bijv. waypoints
Overige problemen
Bezoek onze website www.raymarine.com
Software upgrades
Raytheon Marine werkt voortdurend aan de verbetering van zijn producten. In
het kader van dit beleid zijn software upgrades voor onze klanten gratis
verkrijgbaar via onze website. Om uw apparaat met de nieuwste software uit te
rusten, kunt u die met behulp van een PC via het Internet downloaden en daarna
van de PC naar het apparaat downloaden. Uitgebreide informatie over deze
procedure vindt u op onze website www.raymarine.com
6-4
Raynav 300 GPS Plotter
6.4 Service wereldwijd
Neem contact op met de erkende distributeur in het desbetreffende land. Een
lijst van distributeurs is bij uw systeem geleverd.
Of bezoek de Raytheon World Wide Web site:
www.raymarine.com
Contact opnemen met Raytheon
Informatie over producten en services voor de pleziervaart
Bezoek de website van Raytheon voor de laatste informatie over de nieuwste
elektronische apparatuur en systemen van Raytheon op:
www.raymarine.com
Veel accessoires en onderdelen zijn direct verkrijgbaar bij de Raytheon dealer.
Technische ondersteuning, service en accessoires zijn ook verkrijgbaar via:
Europa
Raytheon Marine Europe Limited
Anchorage Park, Portsmouth
PO3 5TD, England
Tel (01705) 693611
Fax (01705) 694642
Nederland
Holland Nautic Apeldoorn B.V.
Nagelpoelweg 16
Postbus 20089
7302 HB Apeldoorn
Telefoon 055 - 541 21 22
Fax 055 - 542 26 96
Technische ondersteuning
De afdeling Customer Services behandelt verzoeken met betrekking tot
installatie, bediening, storingsdiagnose en reparatie.
rmc_tech_raytheon@raymarine.com.
Reparatie en service
Mocht zich een probleem met uw Raytheon apparaat voordoen, dan neemt u
contact op met uw Raytheon dealer. De dealer kan u de beste service verlenen
en ervoor zorgen dat de apparatuur weer zo snel mogelijk normaal functioneert.
Bijlage A: Technische gegevens
A-1
Bijlage A: Technische gegevens
Item
Beschrijving
CE
In overeenstemming met 89/336/EEG(EMC), EN60945:1997
Y2K
Voldoet aan de normen
Afmetingen
195 mm x 110 mm x 99 mm, excl. beugel
Gewicht
0,75 kg
Omgeving
Waterbestendigheid
Temperatuur
Temperatuur
Luchtvochtigheid
Montage
Op beugel of in paneel
Voeding
9,0 V tot 32,0 V gelijkspanning, met ompoolbeveiliging
Stroomverbruik, typisch <3 W bij 12 V gelijkspanning
Bediening
8 vaste toetsen, 4 soft keys en trackpad
Display type
Film Super Twist Neumatic (FSTN) monochroom LCD, 240 x 160 pixels liggend
(landscape) met 4 grijstinten, 8 standen verlichting, 16 standen contrast
Display afm.
114,3 mm diagonaal
Aansluitingen
PWR/NMEA
Vlg. CFR46; geschikt voor buitenmontage
Bedrijf: -10°C tot 70°C
Opslag: -40°C tot 85°C
20% tot 95% rel. luchtv.
ANTENNA
NMEA 0183 ontvangen en zenden
RTCM
Waypoint upload/download (WPL en RTE)
Actieve GPS* antenne
Positiegegevens
GPS*
WAAS / EGNOS / MSAS voorbereid
GPS ontvanger
12-kanaals, intern
1575,42 MHz +/- 1 MHz (C/A code), L1
Tijd tot eerste
positiebepaling
<8 seconden typisch
<45 seconden bij koudstart (gemiddeld)
Positienauwkeurigheid
Standaard
Software update
Via PC aansluiting
Geheugen
Capaciteit:
<15 meter RMS (L1, C/A code, HDOP <10 meter
zonder SA)
Met WAAS/EGNOS/MSAS <10 meter
Bescherming:
* Satelliet Differentieel GPS
Waypoints: max. 1000
(20 routes van max. 50 waypoints)
Track history: 4500 punten, opgeslagen in 5
bestanden van elk max. 750 punten
Ingebouwde lithium batterij met levensduur van
ca. 5 jaar
A-2
Raynav 300 GPS Plotter
Bijlage B: SeaTalk en NMEA data
B-1
Bijlage B: SeaTalk en NMEA data
De volgende tabel definieert de data die via de NMEA/SeaTalk aansluitingen
wordt ontvangen. De bronnen zijn in volgorde van prioriteit weergegeven,
tenzij anders vermeld.
Ontvangen data
Bron
Positie (LAT/LON)
SeaTalk, GGA, RMC, RMA, GLL
Snelheid en koers over de grond
SeaTalk, RMC, RMA, VTG
Waypoint code
SeaTalk, RMB, APB, BWC, BWR
Peiling naar waypoint
SeaTalk, RMB, BWC, BWR
Afstand naar waypoint
SeaTalk, RMB, BWC, BWR
Koersafwijking (XTE)
SeaTalk, RMB, APB, XTE
Diepte
SeaTalk, DBP, DPT
Schijnbare windrichting en -snelheid
SeaTalk, MWW (relatief)
Bootsnelheid door het water
SeaTalk, VHW
Totaal log en trip log
SeaTalk, VLW
Watertemperatuur
SeaTalk, MTW
Koers
HDG, HDM, HDT, VHW, SeaTalk
Vastgezette koers
Alleen SeaTalk (stuurautomaat/stuurkompas)
Magnetische variatie
SeaTalk, RMC, RMA, HDG
Roerhoek
Alleen SeaTalk
Tijd (geen prioriteit)
SeaTalk, ZDA, GGA, RMC, GLL, BWC, BWR
Datum
SeaTalk, ZDA, RMC
MOB data
Alleen SeaTalk
Stuurautomaat status (standby/auto/vane/track) Alleen SeaTalk
Cursorafstand en -peiling (van kaartplotter)
Alleen SeaTalk
Cursorafstand en -peiling (van radar)
SeaTalk, RSD
Algemene alarmen, alleen SeaTalk
Wachtalarm, windalarm, stuurautomaatalarmen,
radaralarmen, diepte-alarmen, waypoint aankomst
Waypoint/route overdracht
SeaTalk, WPL, RTE
Overige data: Datum (SeaTalk, DTM), satelliet data (SeaTalk, GGA), GPS data (SeaTalk, GGA),
DGPS data (SeaTalk, MSS, GGA), WAAS data (SeaTalk)
NB: als er geen magnetische koers beschikbaar is, worden ware koers en
variatie gebruikt (indien beschikbaar) om de magnetische koers te genereren.
B-2
Raynav 300 GPS Plotter
De volgende data, indien beschikbaar, wordt via de SeaTalk aansluiting
verzonden:
Data uitvoer
SeaTalk
NMEA uit
Positie
✔
GGA, GLL, RMC, RMA
Snelheid en koers over de grond
✔
RMC, VTG, RMA
Waypoint data
✔
RMB, APB, BWC, BWR
Diepte
✔
Schijnbare windrichting en -snelheid
✔
Bootsnelheid door het water
✔
Totaal log en trip log
✔
Watertemperatuur
✔
Koers
✔
Magnetische variatie
✔
RMC, RMA
Tijd (UTC)
✔
RMC, BWC, BWR, GGA, GCC
Datum
✔
RMC
MOB data
✔
Cursorafstand en -peiling
✔
Waypoint/route overdracht
–
WPL, RTE
Overige data: Datum (SeaTalk, DTM), satelliet data (SeaTalk, GGA), GPS data (SeaTalk, GGA),
DGPS data (SeaTalk, MSS, GGA), WAAS data (SeaTalk)
Bijlage C: Lijst van afkortingen
C-1
Bijlage C: Lijst van afkortingen
Afkorting
Betekenis
BDI
Indicator voor peiling en afstand (Bearing Deviation Indicator)
BTW
Peiling naar waypoint (Bearing To Waypoint)
CDI
Koersafwijkingsindicator (Course Deviation Indicator)
COG
Koers over de grond (Course Over Ground). De werkelijke richting waarin uw
schip zich ten opzichte van de grond verplaatst.
dGPS
Differential Global Positioning System
DTG
Afstand te gaan (Distance To Go)
EGNOS
European Geostationary Navigational Overlay System
EMC
Elektromagnetische compatibiliteit
ETA
Geschatte aankomsttijd (Estimated Time of Arrival)
FAA
Federal Aviation Administration
GPS
Global Positioning System
HDOP
Horizontale afwijking van precisie (Horizontal Dilution Of Precision). De
vermenigvuldigingsfactor waarmee de afstandsafwijking wordt gecorrigeerd.
Deze afwijking wordt veroorzaakt door de specifieke positie van uw schip ten
opzichte van de satellieten.
MOB
Man overboord
NMEA
National Marine Electronics Association (standaarden voor aansluitingen)
MSAS
Multi SAtellite System
SA
Selective Availability
SDGPS
Satellite Differential Global Positioning System
SOG
Snelheid over de grond (Speed Over Ground). De snelheid waarmee uw schip zich
ten opzichte van de grond verplaatst.
TTG
Tijd te gaan (Time To Go)
WAAS
Wide Area Augmentation System
WPT
Waypoint
XTE
Koersafwijking (Cross Track Error)
C-2
Raynav 300 GPS Plotter
Sjabloon voor montage
139,6 mm
BOVEN
109,9 mm
Alleen het grijze deel uitzagen
NB: boor 4 mm bevestigingsgaten (vier posities) alvorens het grijze deel uit te zagen.
96,3 mm
Buitenprofiel van instrument
D4968-1
Sjabloon voor montage van Raynav 300 GPS Plotter
Boor 4 mm gat (vier posities)
Sjabloon voor 300/320
102,3 mm
194,94 mm
T-1
T-2
Raynav 300 GPS Plotter
Sjabloon voor montage
T-3
36 mm
19 mm diam.
voor NMEA stekker
36 mm
18 mm
18 mm
6 mm diam.
alleen voor kabel
Kabelkanaal
6 mm diam.
2 posities
D4194-1
Sjabloon voor montage van antenne
NB: de onderzijde van het bevestigingsoppervlak moet bereikbaar zijn om een
goede bevestiging mogelijk te maken.
T-4
Raynav 300 GPS Plotter
Certificaat voor beperkte garantie
Raytheon Marine Company garandeert dat elk nieuw product voor toepassingen in de pleziervaart en geleverd
door dealer/distributeur met goede materialen en vakmanschap is vervaardigd en zal delen die bij normaal
gebruik defecten in materialen en vakmanschap vertonen repareren of vervangen gedurende een periode van 2
jaar/24 maanden vanaf de datum van verkoop aan de eindgebruiker, behalve voor zover hieronder beschreven.
Defecten worden verholpen door Raytheon Marine Company of een erkende Raytheon dealer. Raytheon Marine
Company zal, behalve voor zover hieronder beschreven, arbeidskosten accepteren gedurende een periode van 2
jaar/24 maanden vanaf de datum van verkoop aan de eindgebruiker. Gedurende deze periode worden behalve
voor bepaalde producten reiskosten (autokilometers en tol) tot 160 km v.v. en een reistijd van 2 uur vergoed. Dit
garandeert Raytheon Marine Company allen voor producten waarvoor bewijs van installatie door of opdracht
aan erkende servicevertegenwoordigers kan worden aangetoond.
Beperkingen van de garantie
De garantie van Raytheon Marine Company geldt niet voor apparatuur die bij een ongeval betrokken is geweest
of is misbruikt, vervoersschade, wijzigingen, corrosie, onjuiste of niet-toegestane service, of apparatuur waarvan
het serienummer is gewijzigd, onleesbaar gemaakt of verwijderd.
Behalve indien Raytheon Marine Company of zijn erkende dealer de installatie heeft uitgevoerd, wordt geen
aansprakelijkheid aanvaard voor schade ontstaan tijdens de installatie.
Deze garantie geldt niet voor routinematige systeemcontroles of afstelling/calibratie, tenzij vereist vanwege
vervanging van delen van het af te stellen gedeelte.
Een passend aankoopbewijs waarop datum, plaats en serienummer vermeld zijn, moet aan Raytheon Marine
Company of zijn erkende dealer beschikbaar worden gesteld bij de garantie-aanspraak.
Verbruiksdelen, zoals kaartpapier, lampen, zekeringen, batterijen, pennen, drijfriemen, radarkristallen/-dioden,
rotor-klikbevestigingen, rotors, rotorlagers en rotoras) zijn uitdrukkelijk uitgesloten van deze garantie. Voor
magnetrons, kathodebeeldbuizen (CRT), roephoorns en transducers geldt een garantie van 1 jaar/12 maanden
vanaf de aankoopdatum. Deze producten moeten naar een vestiging van Raytheon Marine Company worden
geretourneerd.
Alle kosten die voortvloeien uit vervanging van een transducer, behalve de kosten van de transducer zelf, zijn
uitdrukkelijk uitgesloten van deze garantie. Extra kosten van overuren voor diensten buiten normale werktijden
vallen niet onder deze garantie.
Reiskosten kunnen voor bepaalde producten met een aanschafprijs onder ca. F 5000,- niet worden gedeclareerd.
Indien reparatie noodzakelijk is, moeten die producten voor rekening van de eigenaar naar een vestiging van
Raytheon Marine Company of erkende dealer worden verzonden en zullen die zonder kosten voor de eigenaar
worden geretourneerd. Reiskosten behalve autokilometers, tol en twee (2) uur reistijd zijn uitdrukkelijk
uitgesloten voor alle producten. Reiskosten die van deze garantie uitgesloten zijn, zijn onder andere die van: taxi,
veerboot, vliegtuighuur, verblijf, douane, verzending, communicatie, enz..
Voor reiskosten, -kilometers en -tijd die de toegestane kosten overschrijden moet vooraf schriftelijke
toestemming worden verkregen.
(1) DEZE GARANTIE IS UITSLUITEND BEPERKT TOT DE HIERIN VERMELDE VOORWAARDEN
EN GEEN ENKELE ANDERE GARANTIE OF VERHAAL ZAL BINDEND ZIJN VOOR RAYTHEON
MARINE COMPANY, MET INBEGRIP VAN ENIGE GARANTIE VAN VERKOOPBAARHEID OF
GESCHIKTHEID VOOR EEN SPECIFIEK DOEL.
(2) Raytheon Marine Company is niet aansprakelijk voor incidentele schade, gevolgschade of bijzondere
(inclusief strafrechtelijke of meervoudige) schade.
Alle producten van Raytheon Marine Company die hieronder worden verkocht of aangeboden, zijn uitsluitend
hulpmiddelen voor de navigatie. De gebruiker is verantwoordelijk voor gebruik met gezond verstand en de juiste
navigatievaardigheden, ongeacht de eisen van Raytheon apparatuur.
84066-6
maart 2000
Factory Service Centers
United States of America
Raytheon Marine Company
Recreational Products
22 Cotton Road, Suite 280
Nashua
NH 03063-4219, USA
Telephone +1 603 881 5200
Fax +1 603 864 4756
www.raymarine.com
Sales & Order Services
+1 800 539 5539 Ext. 2333 or
+1 603 881 5200 Ext. 2333
Technical Support
+1 800 539 5539 Ext. 2444 or
+1 603 881 5200 Ext. 2444
Product Repair Center
+1 800 539 5539 Ext. 2118
UK, Europe, Middle East, Far East
Raytheon Marine Company
Recreational Products
Anchorage Park, Portsmouth
PO3 5TD, England
Telephone +44 (0)23 9269 3611
Fax +44 (0)23 9269 4642
www.raymarine.com
Customer Support
Telephone +44 (0)23 9271 4713
Fax +44 (0)23 9266 1228
E mail techsupra@rmeltd.co.uk
Stick barcode label here
Purchased from
Purchase date
Dealer Address
Installed by
Installation date
Commissioned by
Commissioning date
Owner’s name
Mailing address
This portion of card should be completed and retained by the owner.
Deze apparatuur werkt met bepaalde software elementen die aan Raytheon zijn geleverd door SiRF
Technology Inc., waarop de volgende software licentie van toepassing is. Lees deze a.u.b. aandachtig
SiRF LICENSE AGREEMENT
IMPORTANT - READ CAREFULLY:
This is a legal agreement (the “Agreement”) between SiRF Technology Incorporated, which has offices at 3970 Freedom
Circle, Santa Clara, California 95054 (“SiRF”) and you. It is important that you read this document before using the
software embedded in the product (the “Software”). By using the Software, you agree to be bound by these terms and
conditions.
1. GRANT OF LICENSE. SiRF grants to you, subject to the terms
and conditions of this Agreement, a non-exclusive, non-transferable
right and license to use the Software only as part of the product in which
it is embedded. You have no other rights to the Software. You may not
copy, modify, disassemble, reverse engineer or decompile the Software.
You agree not to remove, obliterate, or hide any copyright, trademark,
confidentiality, patent or other proprietary notice, mark or legend
appearing on the Software or on output generated by the Software.
2. OWNERSHIP. The Software is licensed, not sold. All right, title
and interest in and to the Software in any form be the sole property of
SiRF and/or its suppliers.
3. LIMITED WARRANTY REMEDIES; DISCLAIMER;
LIMITATION OF LIABILITY
Limited Warranty. SiRF warrants that for a period of ninety (90) days
the Software will be in substantial compliance with SiRF’s applicable
written technical documentation for the Software. SiRF shall, at its
option, modify or replace all non-conforming Software. The foregoing
remedy for breaches of the Software warranty is your exclusive
remedy, and you hereby waive all other remedies.
Disclaimer of Warranties. THE SOFTWARE IS LICENSED “AS
IS.” EXCEPT AS SET FORTH IN THIS SECTION 3, SiRF DOES
NOT REPRESENT OR WARRANT THAT ERRORS IN THE SOFTWARE
WILL BE CORRECTED OR THAT THE SOFTWARE WILL
RUN UNINTERRUPTED OR ERROR-FREE. EXCEPT AS SET
FORTH IN THIS SECTION 4, THERE ARE NO WARRANTIES
COVERING THE SOFTWARE, EITHER EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING WITHOUT LIMITATION ANY WARRANTY OF
DESIGN, MERCHANTABLITY, FITNESS FOR A PARTICULAR
PURPOSE, OR AGAINST INFRINGEMENT. NO AGENT OF SiRF
IS AUTHORIZED TO ALTER OR EXCEED THE WARRANTY
OBLIGATIONS OF SiRF SET FORTH IN THIS AGREEMENT.
Limitation of Remedies and Liability. TO THE EXTENT PERMITTED UNDER APPLICABLE LAW, SiRF DISCLAIMS LIABILITY,
AND SHALL NOT BE LIABLE TO YOU, FOR ANY LOSS OF
PROFIT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, PUNITIVE, OR
CONSEQUENTIAL DAMAGES ARISING OUT OF OR RELATING
TO USE OF THE PRODUCT OR THE SOFTWARE. The maximum
aggregate liability of SiRF arising out of this Agreement and any
Product or Software, whether such liability arises from any claim based
on breach or repudiation of contract, warranty, tort or otherwise, shall in
no case exceed the actual price of the product whose license, use or
other employment gives rise to the liability, to the extent such liability
may be limited under applicable law.
4. TERM AND TERMINATION. This Agreement shall be effective
on the date that you use the Software, and shall continue in effect until
terminated in accordance with this Section 4. SiRF may terminate this
Agreement for material breach by providing thirty (30) days written
notice to you. Upon termination of this Agreement, all rights granted
by this Agreement shall revert to SiRF, and you shall cease and desist all
use of the Software. The following provisions of this Agreement shall
survive its termination: Sections 2 through 11.
5. ASSIGNMENT. This Agreement shall inure to the benefit of and
be binding upon each party’s permitted successors and assigns.
6. GOVERNING LAW. The validity, interpretation, construction
and performance of this Agreement shall be governed by the laws of
the State of California, excluding its conflict of laws principles.
7. LEGAL REQUIREMENTS. You may not export, re-export,
divert, transfer or dis-close, directly or indirectly the Software and
any related technical information or materials without complying
strictly with all legal requirements. You agree to comply with all
applicable federal, state and local orders, laws, regulations and
ordinances, including specifically United States federal government
regulations relating to use of products containing global positioning
systems technology.
8. U.S. GOVERNMENT RESTRICTED RIGHTS. The Software
and Documentation are provided with Restricted Rights. Use,
duplication, or disclosure by the Government is subject to restrictions
as set forth in this Agreement, pursuant to DFARS 227-7202-3 or
subparagraphs (c)(i) and (2) of the Commercial Computer SoftwareRestricted Rights at 48 CFR 52.227-19, as applicable, or as set forth
in the particular department or agency regulations or rules that provide
SiRF with protection equivalent to or greater than the above-cited
clause. The Manufacturer is SiRF Technology Incorporated,
3970 Freedom Circle, Santa Clara, California 95054.
9. MISCELLANEOUS. This Agreement contains the entire
understanding and agreement between the parties respecting the
subject matter hereof and all prior understandings, representations
and agreements of the parties, whether oral or written, with respect
to the subject of this Agreement are superseded in their entirety. If
any provision of this Agreement shall be held by a court of competent
jurisdiction to be illegal, invalid or unenforceable, the remain-ing
provisions shall remain in full force and effect. This Agreement
may not be supplemented, modified, amended, released or discharged
except by an instrument in writing signed by each party’s
duly authorized representative. This Agreement is in the English
language only, which language shall be controlling in all respects.
The rights and obligations of each party to this Agreement shall not
be governed by the provisions of the United Nations Convention on
Contracts for the International Sale of Goods. If any action at law or
in equity, including an action for declaratory relief or injunctive
relief is brought to enforce or interpret the provisions of this Agreement,
the prevailing party shall be entitled to reasonable attorneys’
fees in addition to any other relief to which the party may be entitled.
Any waiver by either party of any default or breach hereunder
shall not constitute a waiver of any provision of this Agreement or
of any subsequent default or breach of the same or a different kind.