Bosch | KOR-6305 | 122. 2. - Koninklijke Bibliotheek

Bijlagen E.
[1M. 1 2 . ]
Tweede Kamer, BI* \
Verslag over de verrigtingen aangaande bet armbestuur over 187 5.
1123.
het verslag van de verrigtingeii aangaande het arinliestuur
l.j
over 1875.
MISSIVE.
'SGRAVENHAGK,
JJr Miuinter MM liimirnliiiidsche
9 Februarij
Voor den Minister,
1878.
Daartoe door Zijne Majesteit den Koning bij Kabinetsschrijven van 3 dezer, n°. 1 9 , g e m a g t i g d , heb i k , ter
voldoening aan het voorschrift van art. 195 v a n d e ( i r o n d -
Zaken,
De
Necrt'ltiris-Ueneraal,
HUBRECHT.
Aan den Heer Voorzitter van
Slntcn-Ueneraal.
wet, de eer u hierbij namens den Koning te doen toekomen de Tweede Kamer der
|132.
2.j
VERSLAG
over de verrigtingen aangaande het armbestuur in liet Koningrijk dei-
Nederlanden over 1875.
De Commissie uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
in wier handen het Verslag" der verrigtingen aangaande
het armbestuur over 1873 is gesteld , geeft in haar rapport
den wensch te kennen , dat de Regering in een volgend
V e r s l a g , sommige in dat over 1873 voorkomende en aangewezen punten aanvulle en nader toe-lichte.
Die punten betreffen voornamelijk:
den meerderen of minderen druk , dien de in 1870 in
de armenwet gebragte wijziging mm de gemeenten heeft
veroorzaakt, naar mate van hare bevolking;
de verhouding-verschillen tusschen de groote
gemeenten, voor zooveel aangaat het getal
k r a n k z i n n i g e n , ten laste van gemeenten in
verpleegd en de subsidien aan instellingen van
heid uit gemeentefondsen verstrekt; en
en kleine
behoeftige
gestichten
weldadig-
de toenemende bevolking der gestichten Ommerschans
en Veenhuizen in 1873.
Om aan den wensch der Commissie te kunnen voldoen ,
zijn inlichtingen aan Gedeputeerde Staten en andere
autoriteiten gevraagd. Naar aanleiding daarvan is dit
Verslag aangevuld m e t :
1°. een tabellarisch overzigt van den invloed der gewijzigde armenwet op de gemeentefinantien, bij de behaudeling der artt. 20 , 2 1 , 22 , 24 en 26 ;
2°. de redenen der gemelde verhouding-verschillen,
bij het onderwerp dat handelt over de uitgaven door de
gemeentebesturen , ten behoeve van het armwezen gedaan;
3°. de bevolking der gestichten Ommerschans en
Veenhuizen bij het overzigt van den toestand dier inrigtingen gegeven.
Bij de beantwoording zijn tot grondslag genomen de
opgaven in dit Verslag voorkomende, omdat wat het
lste p u n t a a n g a a t , het oordeel over de werking van de
gemelde wet in 1875 zoo van de gemeentebesturen als van
Gedeputeerde Staten gelijk is aan dat in 1873, en de
cijfers, behoudens die der bedelaarsgestichten, welke
aanleiding gaven tot het uitdrukken van bovengemelden
wensch van de Commissie, niet veel verschillen met die
in dit Verslag opgenomen.
Werking tan onderscheidene artikelen
Artt.
der
armenwet.
1—9.
Het getal geschillen over de rangschikking van instellingen van weldadigheid naar de onderscheidingen, in
art. 2 omschreven, bleef in 1875 onveranderd; de in het
Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877—1878.
Verging over 1874 vermelde werden nog niet beslist;
nieuwe kwamen er in eerstgenoemd jaar niet voor.
Aan art. 3 der wet werd door de gemeentebesturen voldaan. Van de lijsten , welke in 1875 wijzigingen onder
g i n g e n , werden nieuwe volledige afschriften ontvangen.
De veranderingen, in 1875 voorgevallen, worden, zooveel
haar aard dit medebrengt, vermeld bij de toelichting der
verschillen tusschen de getallen der onderscheidene soorten
van instellingen.
In 1875 werden de krachtens artt. 4 en 5 der wet voorgeschreven nieuwe of gewijzigde reglementen, overeenkomstig art. 6* , in afschrift aan de betrokken collegien
van Gedeputeerde Staten medegedeeld. Die reglementen
betroffen de algemeene of burgerlijke armbesturen te Grave,
Adem, Klaaswaal, Wieringerwaard, Opmeer, Obdain ,
Haarlem en Amsterdam, het beheer van het vaste fonds,
toebehoorende aan de algemeene armen van Sijbekarspel ,
onder intrekking en vervanging van dat op het Imrgeidij k
armbestuur aldaar, het St. Catharina-gasthuis en het weezenfonds te G r a v e , het vereenigd armen*, wees-en nieuw
a r m h u i s ; het gast- of ziekenhuis en het geneeskundig gesticht voor krankzinnigen te Dordrecht, het gasthuisfonds
te Asperen en de gemeente-werkinrigting te Delft. Ook
de verordening voor regenten over de instelling tot verpleging van 13 oude mannen en over de bezittingen van
het H. Geest-of oude mannenhuis te Rotterdam werd g e wijzigd en mede in afschrift gezonden aan Gedeputeerde
Staten der betrokken provincie.
Alle besturen van opgerigte instellingen van weldadigheid , behoorende tot die onder h en e, van art. 2 vernield,
hebben aan het voorschrift van art. 7 voldaan.
E r bestond in 1875 geene aanleiding tot toepassing van
art. 8.
Ten gevolge der opheffing van eenige burgerlijke armbesturen , werd het gebruik hunner bezittingen en inkomSten naar het voorschrift van art. 9 , onder goedkeuring
van Gedeputeerde Staten, geregeld.
Artt.
10-13.
Met uitzondering van het diaconie-bestuur te Moerdijk,
voldeden alle instellingen van weldadigheid , omtrent wier
aard of rangschikking geen geschil bestond, aan liet
voorschrift van art. 10 der wet.
Door genoemd Hervormd diaconie-armbestuur konden
geene opgaven worden verstrekt, daar in den stand der
kerkelijke geschillen aldaar, vermeld in vroegere Verslag e n , geene verandering is gekomen. Tot toepassing van
art. 11 der wet op het armbestuur werd niet overgegaan,
dewijl het te voorzien w a s , dat dit middel geen gewen se hten uitslag zou opleveren.
Artt.
14-19.
Blijkens de berigten van de collegien van Gedeputeerde
2
Staten waren allo daarvoor vatbare goederen dor instellin-
gen a en d togen brandsehade verzekerd.
In al de provinciën to tarnen werden door dia oollegien,
krachtens art 1 5 , 'A'.i inagtigingen verleend tot aankoop
van onroerende goederen en 10!) voor geldbelegging Op
andere wijze; in 1874 waren die cijfers 47 en 125. De
geldbeleggingen In fondsen geschiedden bijna uitsluitend
ten laste (Ier burgerlijke gemeenten.
Belangrijke uankoopen van onroerende! goederen waren,
behoudens een paar uitzonderingen, in 1875 niet gedaan.
Die uitzonderingen betroffen de godshuizen en algemeene
armen te 's Hertogen hnsch , ten belioeve wiuirvun door het
liestuur dier vereenigde Instellingen 4 perceelen w e i - en
hooiland voor de aanzienlijke som van f 2 1 7 7 0 , en het
geneeskundig gesticht voor krankzinnigen te Dordrecht,
waarvoor drie huizen tot een bedrag van f 10 000 werden
aangekocht. Die huizen , g, legen tusschen de gebouwen
van het gesticht, zullen daarmede vereenigd worden, tot
betere inrigting van het gesticht.
Was de belegging door aankoop van onroerende goederen in 1875 betrekkelijk g e r i n g , van meer belang was de
belegging in gemeentefondsen. Zoo verkochten regenten
van het Gereformeerde weeshuis te Delft een kapitaal,
nominaal groot f 80 0 0 0 , en regenten van het vereenigd
wees- en alinoezeniei-shuis te Gouda een kapitaal, nominaal
groot f 4 2 000, beide ingeschreven op liet 2 1 /, pet. grootii.jek der Nederlandsche werkelijke schuld, en namen voor
bet verkregen bedrag deel in de geldleeningen, door de
besturen der gemeenten, waarin zij g e v e s t i g d i n n , u i t g e di reven. Ken en ander geschiedde ter verkrijging van
meer rente, ilet bestuur van het Hoouisch-kntholijk godshuis te Roermond kocht tien schuldbrieven, elk groot
f 2500, ten laste van die gemeente. Het weezen-arm besiuur te Kloetinge nam voor de aanmerkelijke som van
'i 14 000 deel in de geldleening dier gemeente tot bouwing
i'cner nieuwe school en vernieuwing der onderwijzerswoning aldaar. Vele andere instellingen in verschillende
«meenten gaven, hoewel niet tot zulke aanzienlijke be-
ragen, aan de betrokken gemeentebesturen geld ter hen
i it bouwing, vernieuwing
of vergrooting van schoollo*
uden en onderwyxers woningen, tot aanleg of vergrooting
van begraafplaatsen, tot verbetering van straten, wegen
en andere gemeentewerken.
Ook de belegging onder hypothecair verband was zeer
aanzienlijk. Zoo verstrekten regenten van liet burgerw^esiiuis te Arnhem aan de Maatschappij tot Nut van 't
Algemeen, departement Arnhem, een kapitaal groot f27 000
tot stichting van een gebouw tor waarde van f 5 0 000.
liegenten van het gasthuis te Nijmegen gaven f 2 0 000,
die van de beide weeshuizen aldaar f 11 500, het algemeen
armbestuur te Oldenzaal f 10 000 en het Louisahuis to
iï.iermoud f 10 500 als eerste hypotheek op vaste goederen.
Zoowel bovenstaande beleggingen, als vele andere tot
mindere bedragen werden niet goedgekeurd , dan nadat
o ertuigend was gebleken, dat de belangen der instellingen
voldoende waren gewaarborgd.
Krachtens de artt. 1G en 17 werden in 1875 door de
on lerscheidcne collegien van Gedeputeerde Staten te zamen
nog de volgende ningtigingen verleend:
6 tot het opnemen van gelden ;
67
24
8
23
» » vervreemden van onroerende goederen;
» » verruilen van onroerende goederen;
» » geven ran erfpacht van onroerende goederen;
» *> verkoopen van inschrijvingen op de groot-
1
S
1
1
boeken der nationale schuld of van andere
eüecten , actiën of schuldvorderingen;
verkoopen van hoornen;
verkoopen van erfpachten;
converteren van oude s c h u l d ;
verkoopen van veenslik, zich bevindende op
>
»
»
J>
»
»
»
»
1 »
land in den Haarlemmermeerpolder;
» verminderen van pacbtpenmngen;
1
»
»
13
2
2
59
»
»
»
»
geven van een uitweg over gronden aan eene
instelling toekomende ;
» voeren van regtsgedingen ;
> aangaan van dadingen;
» scheiden van onroerende goederen;
» onder 's hands verpachten van onroerende
goederen;
23 tot het oprigten van nieuwe, het vernieuwen van
bestaande gebouwen en het doen van buitengewoiie met vernieuwing gelijkstaande verbeteringen ;
5 » • onder 's hands aanbesteden van werken ,
waarvan de kosten eene bepaalde som te
boven g a a n ;
4 » » af koopen van uitwegen;
44 » » afkoopen van tienden;
121 » » doorhalen van hypothecaire overschrijvingen;
1 » » bijdragen in de kosten tot verbetering van
een w e g ;
1 » » bijdragen tot instandhouding van een ziekenfonds voor de arbeidende volksklasse;
1 » » aanbrengen van een klok in een gasthuistoren;
1 » » bijdragen in de kosten tot verbetering van een
dorpstoren.
Slechts weinige van die beschikkingen strekten tot bekrachtiging van reeds volbragte handelingen , in het belang
der betrokken instellingen.
Zoowel in de provincie Groningen als in Drenthe wrerd
geene enkele magtiging tot het doen van burgerlijke handelingen verleend.
De bovengemelde opgaven geven aanleiding tot de volgende opmerkingen en mededeelingen:
De geldopnemingen strekten tot voorziening in de b e hoefte van het loopend dienstjaar, tot betaling van s u c cessieregten, tot afkoop van tienden en tot het bouwen
van doelmatige woningen voor armen.
De vervreemdingen van onroerende goederen geschiedden
steeds in het belang der betrokken instellingen of voor den
aanleg van publieke werken. De verkregen gelden werden onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten belegd
op eene andere winstgevende wijze. Zoo verkocht het
collegia van regenten voor de godshuizen en algemeene
armen te 's Hertogenbosch een perceel bouwland voor
f 10 359, omdat het beste gedeelte daarvan moest onteigend
worden ton behoeve van den aan te leggen spoorweg.
Het bestuur der drie gasthuizen te Arnhem stond , ten
behoeve van den spoorweg tusschen Arnhem en Nijmegen,
een stuk bouwland af voor den aanzienlijken prijs van
f 13 500. Ook door vele andere instellingen werden gronden voor den aanleg van zulke wegen afgestaan tegen
goede prijzen. Laatstgenoemd bestuur verkocht een perceel moe» of taalgrond voor f 19 800 en eene weide of
uiterwaard voor f 10 0 0 0 ; die gronden waren respectiveUjk
op eene waarde van f 14 160 en f 9500 geschat. Het burgerhjk armbestuur te Maastricht verkocht bij publieke
veiling ruim 10 hektoren bouwland, waarvan de geschatte
waarde f 15 973 bedroeg. Ook het bestuur van het algemeene weeshuis van den Helder vervreemdde op zoodanige
wijze een perceel weiland , bekend onder den naam van
Breewator, voor de belangrijke som van f33692.
Vele vervreemdingen van inschrijvingen op de grootboeken der nationale schuld hadden in 1875 mede plaats.
Met de daardoor verkregen kapitalen werd veelal deelgenomen in geldleeningen door de gemeentebesturen, waar
de instellingen gevestigd zijn, uitgeschreven. Het doel
was hoofdzakelijk, daardoor meer renten to verkrijgen.
Reedt is hiervoren van de belangrijkste vervreemdingen
met dat doel melding gemaakt. De verkoop van zulke
inschrijvingen geschiedde ook tot bestrijding van tekorten
op vorige dienstjaren, tot belegging als hypotheek op
vaste goederen, tot aankoop van vaste goederen en tot
herstelling of vernieuwing van gebouwen. Zoo vervreemdden
provisoren van het burgerweeshuis te Zutpben f 8000
3 pet. werkelijke schuld en gaven dit ter leen tegen 5 pet.
onder hypothecair verband ; het burgerlijk armbestuur te
Heenvbet, f 5000 2V : pet. tot aankoop en inrigting van
een huis voor bewaar- naai- en breischool aldaar; regenten
van het St. Elisabeth- of groote gasthuis te Haarlem
f 4 3 000, 2V| pet. werkelijke s c h u l d tot verandering en
verbetering van genoemde gesticht; en het algemeen armbestuur te 's Heer Abtskerke f 5000 van diezelfde schuld
tot bestrijding der kosten van den bouw van een woonhuis en vergaderzaal.
De besturen van het St.- Jurrien g a s t h u i s , van het
burgerweeshuis en van het Groote of Voorster gasthuis
te Deventer hebben vele aan die instellingen toebehooreude
[122. 2.]
3
Verslag over de verrigtinge» aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
onroerende goederei] onder 's hands verpacht, voor sommen , veel hooger dan waarop de huurwaarde door des-
kundigen wan getaxeerd.
De verpachtingen geeohiedden
voor den tijd van 8 tot 9
voor een ruim tijdvak zeer
Ook andere instellingen
verpachtten onder's hands ,
jaren , omdat de verpachting
wenschelijk werd geacht.
in onderscheidene provinciën
met goedkeuring van de be-
trokken oollegien van Gedeputeerde Staten, vooreen ruim
tijdvak, vele en uitgestrekte landerijen.
De verleende magtigingen tot liet malen van nieuwe of
het vernieuwen of uitbreiden van bestaande gebouwen
. of tot het doen "tan buitengewone met vernieuwing gelijk
staande herstellingen betroffen, behalve de reeds gemelde,
hoofdzakelijk: het bouwen van een nieuw gasthuis te
Bergen op Zoom, het bouwen van vier arbeiderswoningen
te Geldrop , het bijbouwen een eene nieuwe ziekenkamer
te A r n h e m , het verbouwen van het oude mennen» en
vrouwenhuis te Harderwijk, het oprigten van een bouwmanswoning te Wumsveld voor rekening van het weeshuis
te Z u t p h e n , het maken van belangrijke verbetering aan
het oude en nieuwe gasthuis aldaar, het bouwen van twee
ziekenzalen in den tuin van het burgerweeshuis te Arnhem,
het inrigten van een gebouw voor bewaar*, naai- en breieehool te Heenvliet, de vergrooting van de verblijf" en
slaapplaatsen in het armenhuis te Amsterdam, de inrigting,
in bet gasthuis te Sluis, van loealen voor verpleging van
l i j d e s aan besmettelijke ziekten en de daarmede in verband staande verbouwing van het gesticht. het inrigten
van een gebouw tot armhuis te Nisse , het stichten van
een ermhuis met verscheidene doelmatige woningen te
Koudtim en het verbouwen van een gedeelte van het stadsarmenhuis te Bolsward.
Tot het afkoopen van tienden, ten gevolge der wet van
12 April 1872 {Staatsblad n°. 2 5 ) . werd ook in 1875 door
verscheidene oollegien van Gedeputeerde Staten m a g t i g i n g
verleendIn 1875 behoefde het tweede lid van art. 18 nergens
te worden toegepast.
De begrootingen en rekeningen van ontvangsten en uit*
gaven dei instellingen, m art. 1!) vermeld, over wier aard
of rangschikking geen verschil bestond , werden aan de
vereisclite goedkeuring onderworpen.
Bij het onderzoek der rekeningen van de burgerlijke
armbesturen te Nederweert, Oirsbeek, Bevenum, Venray
.en W e e r t , bleek dat door aflossing van kapitalen beschik*
hare gelden in de kas der betrokken instellingen waren
gebleven. Gedeputeerde Staten van Limburg nebben op
grond Jaarvan de besturen iier gemeenten aangeschreven
'te bevorderen d a t , zoo er geene gelegenheid bestond bescbikbare gelden vuur het oogenblik door aankoop van
vaate goederen of rentegevende schuldbrieven of op hypo*
theek te beleggen , voor die gelden inschrijvingen op een
der grootboeken van de Nederlandsche schuld behoorden
te worden aangekocht.
Een post van f 108.95 in de rekening van het Roomsch*
katholijk burgerlijk armbestuur te Velzen, behoorendetot
de instellingen a, gaf aanleiding tot het navolgend geechil.
Ben persoon, aldaar gevestigd, w e r d , a l s behoeftig,door
het aehaal-armbestonr a l d a a r , m e d e eene instelling « , bestemd tot ondersteuning van armen die niet tol het Boomsch*
katholijk kerkgenootschap behooren, in onderstand opgeno*
men , en in 1871 te Budel door dal armbestuur uit! e. teed. In
1872 ging die behoeftige tot het Roomsch-katholyk kerkgenootschap over, ten gevolge waarvan dat bestuur zich
niet langer tot verpleging geregtigd achtte. Daarop bad
bovengenoemd Roomscb-katbolijk armbestuur de voldoe*
ning der kosten van verpleging op zich genomen. De
genoemde raad van Velzen weigerde echter die post i n d e
rekening van dat armbestuur toe te laten . als naar zijn
oordeel in strijd met de wet en met het reglement van liet
armbestuur. Gedeputeerde Staten van Noordholland verklaarden dat de banneling in strijd was noch met ;o wet.
noch met genoemd reglement en dat de uitgave alsnog
in die rekening zou worden geleden.
Dat collegie zag echter bij deze uitspraak voorbij:
d a t , toen het Boomsck-katholijk armbestuurden bedoelden behoeftige in onderstand opnam , deze niet te
Velzen maar te Budel verblijf h a d , en dat genoemd bes t u u r , ingevolge het door het gemeentebestuur vastgesteld
reglement en ingevolge de bepalingen der wet van 28
Junij 1854 (Staatsblad n". 100), zoo als die gewijzigd is
bij de wet van 1 Junij 1870 (Staatsblad n°. 8 5 ) , alleen de
armen , die zich in de gemeente bevinden, in onderstand
m a g opnemen ;
dat het in deze niet afdoet, of de gemelde behoeftige,
aanvankelijk als te Velzen verblijvende, in onderstand
opgenomen door het sciiaal-armbestuur aldaar, door dit
bestuur te Budel uitbesteed werd;
dat bij het ophouden van den onderstand , ten gevolge
van den overgang tot het Hoomsch-katholijk kerkgenootschap , het Koomsch-katliolijk armbestuur ter beslissing der
vraag of de gemelde behoeftige door hem in onderstand
kon worden opgenomen, alltien te onderzoeken had, waar
deze zich bevond tijdens liet ontstaan der behoefte aan
anderen onderstand dan dien hij vroeger genoot, daar de
wet geene onderscheiding maakt tusschen het vrijwillig
verblijf en het verblijf ten gevo ge van uitbesteding.
Om deze redenen werd bij Koninklijk besluit van 25
Mei 1875 (Staatsblad n°. 70) beslist, dat het Koomschkatholijk armbestuur te Velzen verder was gegaan dan
de kring der armenzorg, waarmede het, krachtens de w e t ,
belast is, en de door Gedeputeerde Staten van Noordbolland
genomen beslissing bij g e v o l g , als strijdig met de w e t
moest worden beschouwd.
De gemelde artt. 14 — 10 der wet werkten in 1875
weder goed ; zij oefenden een heilzamen invloed uit op het
beheer der bezittingen en inkomsten van de burgerlijke
en gemengde instellingen van weldadigheid.
Aan onderscheidene besturen van instellingen van weldadigheid werden in 1875 880 magtigingen verleend tot
het aanvaarden van erfstellingen, legaten en schenkingen.
De waarde daarvan bedroeg voor d e :
burgerlijke of algeineene armbesturen
.
f
diaconien of andere kerkelijke besturen
voor huiszittende armen
vereenigingen
van Paulo
16 960,00
303247,80
van den H. Vincentius
3 850,00
andere genootschappen tot ondersteuning van schamele armen
4 550,(10
weeshuizen
31.3 840,00
bestedelinghuizen
37 200,00
ziekenhuizen
27 750,00
oude mannen* en vrouwenhuizen, de
daartoe behoorende fundatien . . . .
98000.00
instellingen ter uitdeeling van levensmiddelen gedurende den w i n t e r . . . .
1700,00
genootschappen tot ondersteuning van
behoeftige kraamvrouwen
4 500,00
werkinrigtingen, waaronder die voor
hulpbehnefuge blinden
100 825.00
Te zamen
f
019 318,80
tegen f 1042146,79* in 1*74.
Artt.
2 0 . 21 . 2 2 . 24 en 20.
Deze artikelen zijn de e e n i g e . d i e . voor een dee gowIjzig! door de wel van 1 Junij 1870 (StaaUblad n°. 85),
in wezen bleven van het Ilde hoofdstuk en van de eerste
afdeeling van het lilde hoofdstuk der wet van 28 Junij 1854
(Staatsblad n°. 100).
De gewijzigde wet heeft, volgens de berigteu van de
verschillende oollegien van Gedeputeerd staten in 1875,
over het algemeen gunstig gewerkt Hoofdzakelijk wezen
de meeste van die oollegien weder op de omstandigheden,
vermeld op paa;. 4 van het Verslag aangaande het armbestuur over 1874, als zoovele oorzaken , waarom de werking
der wet bijna door alle gemeentebesturen geroemd werd.
[1*1. 2.]
Vertlag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over ) X7ó
Door meer dan een van dia ooUegien werd daarbij vooral
opgemerkt. dat da kerkelijke en bijxondere instellingen
sprulten uit oorzaken, geheel onafhankelijk van de wet op
bet armbestuur. Zoo kan de vermeerdering of vermindering
van die uitgaven veroorzaakt worden door do toe- of af-
van weldadigheid zich het lot der behoeftigen sedert 1N70
meer schijnen aan t e trekken dan vroeger , toen zij meestal
ondersteuning weigerden aan hen, die in andere gen
nemingder bevolking van eeue gemeente , dooreen strengen
aten
of zaciiten winter, door het minder of meerder w e r k , dat
er voor de arbeidende klasse te vinden is, door den gelondheidstoestand, die, het eene jaar bij het andere vergeleken , zeer afwisselend kan zijn, door liet stijgen of
dalen der levensbehoeften, geneesmiddelen, enz. Ook kan
de opheffing of oprigting van instellingen van weldadigheid
soms een merkbaren invloed op de kosten der gemeenten
voor het armwezen uitoefenen.
Om achteraan den wensob der Commissie zooveel mogelijk
domicilie van onderstand hadden en dus voor rekening
van die gemeenten konden bedeeld worden. De uitgaven
voor het a r m w e z e n — d i t werd erkend — zijn , ten gevolge
der opheffing van het restitutie-stelsel, in eemge gemeenten
aanmerkelijk gestegen, doch een ruim detd van die uit-
gaven is weder gedekt door de overbrenging der verplegingskosten van bedelaars in de gestichten (hnniersclians en
Veenhuizen , ten laste van het Rijk.
De gemelde Commissie uit de Tweede Kamer acht het
wensciielijk , dat een kort vergelijkend overzigt worde
gegeven van den meerderen of minderen druk , dien de
gewijzigde wet aan de gemeentebesturen heeft veroorzaakt,
naar mate van hare bevolking, opdat het blijke, in hoeverre de voorlegging van sommigen, dat door die wijziging
de finantiele last juist voorde groote gemeenten het meest
zou worden verzwaard, werd bewaarheid.
Hoewel de Regering de wensohelijkheid daarvan erkent,
moet zij evenwel opmerken, dat het hoogst moeijelijk is,
naauwkeurige opgaven dienaangaande te verstrekken. Men
boude toch in het o o g , dat min of meer belangrijke verschillen in de uitgaven der gemeenten voor het armwezen
tusschen eenige jaren vóór en na 1870, kunnen voort -
GETAL
te kunnen voldoen, heeft da Regering aan do verschillende
eollegien van Gedeputeerde Staten verzocht op te geven :
1°. het aantal gemeenten , waar de gewijzigde armenwet een gunstigen en waar zij geen merkbaren invloed
op de gemeente-finantien uitgeoefend heeft; zoo mede, of
er ook gemeenten zijn, waar de werking der wet ongunstig
geweest i s , zoo mogelijk niet opgave der redenen, waaraan dit dan is toe te schrijven ; en
2°. liet aantal gemeenten, waar meer en waar minder
subsidie is uitgekeerd en waar dit hetzelfde is gebleven.
Uit de daarop ontvangen antwoorden blijkt bet volgende :
GEMEENTEN
Waar de gewijzigde armenwet op de
finantien
heeft uitgeoefend, een
W a a r de subsidien, aan instellingen
van weldadigheid verleend , zijn
Met eene bevolking v a n :
gunstigen
niet m e r k -
ongunstigen
ver-
gelijk
ver-
invloed.
baren invloed.
invloed.
minderd.
gebleven.
meerderd.
546
148
22
192
66
44
3 0 0 1 — 1 0 000
191
52
10
94
24
30
10 001 — 20 000
17
5
1
13
3
4
Meer dan 20 000
8
3
7
10
»
7
762
208
40
309
93
85
3 000 en minder
Totaal .
zielen
.
.
Gedeputeerde Staten van Noordholland hebben omtrent
6 gemeenten van de eerste kategorie, 2 van de tweede,
3 van de derde en 3 van de vierde bepaalde opgaven gedaan : ten opzigte van 120 gemeenten , waarvan 101 tot
de eerste, 18 tot de tweede en 1 tot de derde belmoren,
niet. Echter deelt gemeld collegie mede, d a t , behalve zeer
enkele besturen van kleine gemeenten , die zich over de
werking der wet niet hebben uitgelaten, het oordeel over
die werking bijna eenparig gunstig is. Daar nu de gemelde
120 gemeenten behooren tot die , welke door de afschaffing
van het restitutie-stelsel het meest zijn g e b a a t , kunnen
z e , op grond van een en ander, wel gerangschikt worden
onder d i e , waar de wet gunstig heeft g e w e r k t , zoodat
daardoor het totaal-cijfer van kolom 1 der bovenstaande
opgave 882 wordt.
Behoudens de hiervoren gemelde oorzaken , die de ge-'
meente-uitgaven voor het armwezen hier of daar soms
tijdelijk verhoogen of verlagen, kunnen — althans voor een
ruim deel — die vermeerderde of verminderde uitgaven op
rekening van de gewijzigde armenwet gesteld worden.
Dit aannemende, leveren de bovenstaande cijfers de
volgende resultaten o p :
1°. d a t , van de 1130gemeenten des liijks, in 40 door
de gewijzigde armenwet de gemeente-uitgaven voor het
armwezen zijn verzwaard; en
2°. dat van die 40 slechts 7 tot de groote gemeenten
behooren:
De 40 gemeenten , waar de wet een ongunstigen i n vloed op de gemeente-finantien uitgeoefend heeft, verdeelen
zich als v o l g t :
2.]
[122.
Kjjlagrn E.
Versla" n«Of de vrrrifftilltffli WHuuonda het armbestuur
GKMKKNïliN
3000 en
minder zielen.
Noord brabant
Iwtmlr Ramei.
DUT
JS?Ü.
VAN
3001 - 10 000 10 001 - 20 000
zielen.
zielen.
meer dan
20 000 zielen.
Totaal.
I
1
. .
Gelderland . . .
Zuiilliolland . . .
Noordholland
. .
Zeeland
. . . .
5
Utrecht
. . . .
6
7
Friesland
. . . .
»
1
Overijssel
. . . .
1
1
Groningen
. . .
4
3
8
Drenthe
. . . .
2
4
0
Limburg
. . . .
2
Totaal
22
Hieruit blijkt:
l*. dat in Zuidholland geene gemeenten waren en dat
in elke der provinciën Gelderland, Friesland en Overijssel
slechts eene gemeente was, waar de oorzaak van de vermeerderde uitgaven voor het armwezen aan de gewijzigde
wet wordt toegeschreven;
2°. dat in de provinciën Zeeland, Utrecht, Groningen
en Drenthe eenige en in Limburg slechts twee kleine gemeenten waren, waar de werking der wet ongunstig is
genoemd.
Vrij algemeen wordt in ae 40 gemeenten , waar de wijzigingswet ongunstig zou gewerkt hebben, de oorzaak
daarvan toegeschreven aan de verandering van de geboorteplaats in de verblijfplaats, waar de arme onderstand kan
vragen en aan de daarmede in verband staande opheffing
van bet restitutiestelsel. Personen , vóór 1870 voor rekening van de geboorteplaats bedeeld , kwamen na dat tijdstip voor rekening van de verblijfplaats. Noodwendig
vloeide daaruit voort, dat de uitgaven in zake het armwezen in eenige gemeenten verminderden en in andere
vermeerderden.
Wat de kleine gemeenten betreft, waar meer dan vóór
1870 ten behoeve van het armwezen moest worden uitgegeven, uit sommige daarvan worden ook nog andere
oorzaken dan de bovenbedoelde, voor de vermeerdering
van die uitgaven opgegeven. Zoo gewagen de gemeentebesturen van Heusden en Waalwijk van het verplaatsen van
behoeftigen, hetgeen vóór 1870 niet geschiedde. Uit laatstgenoemde gemeente en uit Woensel wordt melding gemaakt van behoeftigen, die zich daar vestigen om aan de
fabrieken werk te zoeken ; uit Gramsbergeu en uit de zes
gemeenten in Drenthe, van de van elders komende veenarbeiders ; uit Bafio , Loppersum , Oldehove , Warffum ,
Delfzijl, Onstwedde en Ten Boer, van polderwerkers,
lieden, veelal behoeftig, die den armenlast in die gemeenten verzwaren.
Hoewel nu al die omstandigheden niet het gevolg zijn
van de gewijzigde wet, is zij toch de middellijke oorzaak
3
10
40
van de verhoogde uitgaven voor het armwezen, dewijl
vóór hare invoering die uitgaven verhaalbaar waren en
thans niet.
In Haarlemmermeer ,||de eenige gemeente van de derde
kategorie, werd de armenlast door de gewijzigde wet zeer
verzwaard. Trouwens, dit laat zich door den bijzonderen
toestand van die gemeente gereedelijk verklaren. Van de
armen in die jonge gemeente, wier bevolking vooral door
immigratie aangroeide, was vóór 1870 verreweg het grootste
deel elders geboren ; wat voor hunne ondersteuning werd
uitgegeven kon dus worden verhaald, terwijl dan rentegen
van elders weinig declaratien inkwamen wegens verleenden
onderstand aan personen, die in Haarlemmermeer waren
geboren. In dien toestand kwam dus door de gemelde
wet plotseling eene groote en voor de geldmiddelen der
gemeente ongunstige verandering.
De zeven gemeenten boven de 20 000 zielen, waar de
armenlast door de gewijzigde wet verzwaard werd , zijn
's Hertogenbosch , Tilburg, Arnhem, Amsterdam, Utrecht,
Groningen en Maastricht. Ten opzigte van die gemeenten
is dienaangaande hoofdzakelijk het volgende gemeld :
V Hertoijeubosch. Eenen zeer ongunstigen invloed heeft
de wet van 1 Junij 1870 (Staatsblad n°. 85) uitgeoefend
op de algemeene van wege de gemeente beheerde armeninstellingen , omdat deze op dat tijdstip bezwaard bleven
met de bedeeling van elders armlastigen en sedert dien
tijd met de ondersteuning van een veel grooter getal armen
zijn belast geworden.
Tilbury. Gedurende |de laatste tien jaren is de bevolkmg van 17 000 tot bijna 27 000 zielen geklommen. Deze
vermeerdering is vooral veroorzaakt door het komen inwonen van hand- en fabriekarbeiders , lieden veelal of uit
den minvermogenden of uit den behoeftigen stand, die
soms al s]>oedig geneeskundige hulp en bedeeling nnodig
hadden. Volgens het bestuur dier gemeente was bet ook
dikwijls opgemerkt dat gemeente-! en armbesturen van omliggende plaatsen er de hand] in hadden hunne bedeelde
Bij blad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877—1878.
[122. 2.J
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
Inwonen naar Tilburg te doen verhuizen , vaak met liet
doel, o n zich van den armenlast te ontslaan.
Staten aangaande de werking der wet op hel armbestuur
gemeld wordt, te laten volgen:
Arnhem. De uitgaven voor ziekenverpleging zijn door
de gewijzigde wel aanmerkelijk verhoogd. TSn gevolge
der 1 i^-?,-^rii»^4,_ van de gemeente vertoeven ar steeds, voor
korter of langer tijd, personen uit andere gemeenten ,
die, lij ziekten, vroeger voor rekening van die gemeenten en na 1870 voor die van de verblijfplaats, verpleegd
moeten worden.
in vele gemeenten van Noordbrabant, waar liet hoofd*
beginsel der wet , de ondersteuning' der armen zooveel
mogelijk aan de bijzondere liefdadigheid en de kerkelijke
Instellingen over te laten, in toepassing werd gebragt,
waren geene gunstige uitkomaten verkregen, uithoofde
die instellingen over geene of slecbti over zeer beperkte
fondsen te beschikken hadden en daardoor niet in slaat
waren zich de gebeele armenzorg zonder subsidie aan te
trekken. Het intrekken of aanmerkelijk verminderen der
subsidien zou in vele gemeenten zeer ongunstig werken ,
daar men alligt de bestedelingen , welke door de armbesturen worden ver/.orgd , ten laste der gemeenten zoude
laten , waardoor deze laatste meer ondersteuningen uit
politiezorg zouden moeten doen.
Aiiisti'i'iiuui. (lelijk te verwachten waa ia bier door de
opheffing \ iiii hel reatitutieatelaal finantieel nadeed ondervonden ; bovendien wordt er geklaagd, dat besturen van
eenige andere gemeenten zich niet ontzien behoeftigen, met
name arme zieken , te brengen naar plaataan w a a r , als te
Amsterdam, groote ziekenbuizen en andere gestichten
aanwezig zijn.
Utrecht. De ongunstige werking der wet La aan de opheffing van bet rositutiestolsel toe te scbrijven ; ten gevolge daarvan toch '/ijn de uitgaven , vooral voor ziekenverpleging, verhoogd.
Groningen. Dat de wet. zoo nis die gewijzigd is. bezwarand op de gemeentefinantien drukt, ligt in de omstandigheid , dat men zich in kleine gemeenten aan de
zorg der armen onttrekt, dat de armen daar worden weggezonden en dat de behoeftigen ook, zonder wegzending,
naar die gemeenten t r e k k e n , waar ziekenbuizen en andere
instellingen zijn.
Maastricht.
In deze gemeente als nijverheids-engrensstad komen een aantal armen van omliggende plaatsen
werk zoeken en in den regel personen, die slecht tot ruwen
arbeid geschikt zijn , waardoor de armenlast niet weinig
vermeerderd wordt. Door de afschaffing van bet domicilie
van onderstand en van het daarmede in verband staande
restitutiestelsel, mist die gemeente eene som van gemiddeld
f 20 000 , die zij vroeger terug ontving van elders armlastigen , ofschoon diezelfde armen ook na die afschaffing
eveneens moeten ondersteund worden . terwijl daarenboven
de uitgaven in liet algemeen jaarlijks stijgen Ie zijn.
W a t biervoren bij de behandeling der werking van de
wet in kleine gemeenten gezegd is , geldt ook bij de boven*
Btaande. Vele omstandigheden, waardoor de uitgaven voor
het armwezen zijn verhoogd , zijn niet bet onmiddellijk
maar bet middellijk gevolg der wet.
Nog zij medegedeeld , dat van verplaatsing van armen,
waarvan uit sommige gemeenten gewaagd wordt, tot dusverre weinige gevallen bij de Regering bekend zijn en dat
in die gevallen de besturen , die zich daaraan schuldig
maakten . i ene teiegtwijzing ontvingen.
Gedeputeerde Staten van .Noordliolland merken te r e g t o p ,
d a t , al mogen kwade praktijken in de tegenwoordige wet
hun grond kunnen vinden , deze in de verste verte niet
te vergelijken zijn met detalloozemisbruiken, die, onder
de werking van het restitutiestelsel, in de bedeeling, met
name i n d e geneeskundige armenverzorging, w a r e n i n g e slopen , waaraan de gewijzigde wet een einde heeft gemaakt.
Hiervoren is opgegeven bet getal gemeenten , waar de
subsidien, sedert de invoering der gemelde w e t , zijn verminderd , gelijk gebleven of vermeerderd. Hij die opgaven
moet opgemerkt worden , dat in vide gemeenten , zoowel
vóór als na 1870 geene subsidien' zijn verstrekt en dat
in andere', sedert de invoering der w e t , geene subsidien
verleend werden. Daarenboven zijn plaatselijke omstandiglieden menigwerf oorzaak van de vermeerdering of vermindering der subsidien. Hoewel n u , ten gevolge van
een en ander , de werking der wet in alle gemeenten des
Rijks, uit dr vorenstaande en uit de hiernavolgende opgaven aangaande de subsidien, uit gemeentefondsen aan
instellingen van weldadigheid verleend, niet is na te gaan ,
kan echter ook daaruit wel met eenigen grond worden
afgeleid , dat die werking in vele gemeenten niet ongunstig
is geweest.
De Regering acht bet [niet onbelangrijk, om bier, wat
verder door de ver.-chillende collegien van Gedeputeerd
Dit Gelderland wordt gemeld , dat bij toeneming de
ondersteuning der armen .overeenkomstig bet grondbeginsel
der wet, wordt overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere
instellingen van weldadigheid, welke over het algemeen
den armenlast, meer dan zulks onder de vorige wet het
geval w a s , op zich nemen en aldus de burgerlijke gemeente daarvan ontlasten. Dientengevolge badden sommige
gemeentebesturen oog alleen de kosten voorde verpleging
van behoeftige krankzinnigen te voldoen ; terwijl overigens
de armenzorg geheel bij de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid berustte. De verhouding tusseben de kerkelijke
en burgerlijke besturen in dat gewest mogt dan ook bevredigend genoemd worden. Door eenige gemeentebesturen
werd weder gemeld , dat de Hervormde diakonien weigerachtig bleven , om ook over niet-lidniaten hare zorg uit
te strekken, terwijl ook veelal de geneeskundige armverzorging aan de burgerlijke gemeente overgelaten bleef.
De besturen der Rooinsch-katholijke gemeenten te Maasbommel e;i Alphen (gem. Appelteru) en te Animerzoden
bleven ook in 1875 in gebreke om parochiale armbesturen
op te rigten. Hei gemeentebestuur van Ubbergen klaagde,
dat de kerkelijke instellingen nog steeds trachten de
armenbedeeling zoo veel doenlijk aan het burgerlijk a r m bestuur over te laten. Gedeputeerde Staten mogten een
en ander niet onvermeld l a t e n , doch merkten tevens o p ,
dat het slechts uitzonderingen w a r e n , welke, naar zij
vertrouwden, steeds meer zullen wijken door de magt van
het goede voorbeeld, door verre de meeste kerkelijke
i: stellingen , vooral sedert de invoering der gewijzigde
armenwet, gegeven.
Het hoofdbeginsel der wet om' de zorg voor de armen
aan de kerkelijke instellingen van weldadigheid over te
laten , kon in vele gemeenten van Zuidholland nog niet
geheel worden toegepast, uit hoofde het die instellingen
aan de noodige middelen ontbrak om geheel in den onderstand te voorzien, en moest die onderstand dus beperkt
worden tot hen die lidmaten der kerk waren. In de kerkelijke armenzorg was echter vooruitgang op te merken ,
daar sommige armbesturen neiging betoonden haar u i t t e
breiden. Hoewel in enkele gemeenten daarop eene u i t zondering werd gemaakt, bleef in de meeste de geneeskundige armenverzorging ten laste der burgerlijke gemeenten.
Tusseben de besturen der kerkelijke instellingen van weldadigheid en de algemeene of burgerlijke armbesturen,
zoowel als tusseben. die besturen en de gemeentebesturen
heston.I eene gewensehte overeenstemming met betrekking
tot de toepassing der bestaande bepalingen op het armwezen , zoodat ten deze geene moeijelijkheden werden
ondervonden. In de gemeenten waar het algemeen of
burgerlijk armbestuur is opgeheven , werd daarvan , met
betrekking tot de uitbreiding der kerkelijke armverzorging ,
een g u n s t i g gevolg ondervonden.
Uit Xoordholland
werd berigt, d a t , behoudens het
hiervoren vermelde, zich geene bijzonderheden aangaande
de toepassing der armenwet hadden voorgedaan.
In 1875 waren geen gevallen ter kennis van Gedeputeerde Staten van Zeeland gekomen, waarin de kerkelijke
[192.
2.]
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
of bijzondere Instellingen ven weldadigheid door bet burgerüjk gezag '" hunne armenzorg werden beperkt of belemmerd. Door (i gemeentebesturen iatekennen gegeven i
«lat, naar hunne meening, de kerkelijke armbesturen niet
doen wat in hun vermogen ie, om, door beroep op de
liefdadigheid ven de leden hunner kerk, de middelen tot
armenverzorging uit te breiden. Door achttien gemeentebesturen is getracht om door onderling overleg en temen»
spreking de aorg ven de kerkelijke armbesturen voor do
armen te bevorderen en uit te breiden. De overige gemeentebesturen hebben gemeend daartoe; geen vernieuwde
of nadere pogingen te moeten aanwenden, hetzij omdat er
geene aanleiding voor bestond, hetsij omdal se overtuigd
w a r e n , dat de kerkelijke armbesturen alles deden, Wat in
hun vermogen w a s , om liet hoofddoel der wet, in art. "20
u i t g e d r u k t , te bereiken, en gebrek aan middelen de 00r-
saak was, dat sommige dier armbesturen niet geheel,
maar slechts gedeeltelijk, TOOT zoover hunne loodsen dit
toelaten , in dé armenzorg hebben voorzien. Door hot ge-
meentebestuur van Kruhungen ia meermalen bij liet kerkbestuur der Roomsch-katholijke gemeente te Hansweert
aangedrongen om tot oprigting van een Icerkelyk armbestuur aldaar over te gaan, doch dit beefl nog geen
gunstig gevolg gehad. De toepassing en werking der wet
gaf voor zoover bekend is, geene aanleiding tot bezwaren.
Door den burgemeester van Krabbendijke werd detusscbenkomst van het eollegie van Gedeputeerde Staten ingeroepen , om ontheven tu worden van de verpleging van
een persoon, die, in behoeftige omstandigheden, uit de gemeeute St. Philipaland derwaarts was overgebragt. Uiteen
ingesteld onderzoek bleek, lat die overbrenging had plaats
gehad zonder Benige voorkennis of medewerking van het
bestuur van St. Philipaland. Bene klagt van de diakonie
der Hervormde gemeente te Grijpskerke over de verplaatsing
van een behoeftig gezin uit Aagtekerke naar die gemeente,
ingekomen bijden Commissaris in die provincie, had, na
ingesteld onderzoek , aanleiding gegeven tot eene terégtwijzing.
De verstandhouding tusschen de burgerlijke en kerkelijke instellingen had i n d e provincie utrecht eeitige verbetering ondergaan. Over het algemeen hadden de g
e ebesturen in den geest der wet op het armbestuur gehani leid.
De aandrang van Gedeputeerde Staten van dat gewest om
zich bij de armenbedeeling te bepalen tol da volstrekte
onvermijdelijkheid, was met zonder gevolg gebleven. Te
Amersfoort had in '^een jaren de uit de gemeentekas toegekende on.ierstand zoo weinig bedragen als in J87Ó. betgeen voor een groot deel moet toegeschreven worden aan
den gunstigen staat van liet armwezen aldaar.
In Friesland bleef eene goeie zaïnemverking tusschen
de burgerlijke en kerkelijke armbesturen bestaan. De bezadigde houding vaneerstgenoemden maakte in sommige
gemeenten de tusschenkomst van het openbaar g e z a g geheel
overbodig. Echter kon nog steeds met worden verklaard,
dat de armenzorg in werkelijkheid het werk der kerkelijke
en particuliere liefdadigheid was en dat de burgerlijke
armbesturen alleen bij wijze van politie-maatregel optraden.
Evenwel scheen hier en daar langzamerhan : verandering
ten goede te komen. In de meeste gemeenten strekte de
zorg der kerkelijke armbesturen zich hoofdzakelijk uit tot
hunne lidmaten , hetwelk veelal was toe te schrijven aan
de beperktheid der middelen, waarover de meeste besturen
van dien aard konden beschikken. Achteruitgang was in
dit opzigt echter niet te bespeuren, veeleer zou uit de
verslagen der gemeentebesturen het tegendeel zijn af te
leiden. Uit enkele gemeenten althans werd gemeld, dat
sedert 1870 de diakonien hoe langer hoe meer de behoeftige
leden der gemeenten bedeelden. In ééne gemeente heeft
zich eene diakonie genoodzaakt gezien, de ondersteuning
van vijf en dertig armen over te laten aan het burgerlijk
armbestuur, wijl de kerkvoogdij het sinds jaren verleend
subsidie aan die diakonie had ingetrokken. De burgerlijke
armbesturen in de aan vaarwaters gelegen dorpen ondervonden bij voortduring veel overlast van doortrekkende
armen , die zich in zoogenaamde woonscheepjes ophouden.
Zij maakten liet den armvoogden soms zoo l i s t i g , dat
reeds meer dan één van hen, alleen om die reden , nntslag als armvoogd heeft gevraagd. Die nioeijelijkheid werd
VOOr een deel verholpen, door, volgens Onderlinge over-
eenkomst. elke; aanvraag om onderstand *teeds te verwijzen
naar 't zelfde armbestuur, 't welk later di er.st rokte giften
met de armbesturen der andere betrokken dorpen verrekende.
In verscheidene gemeenten van Overtfuel was de armenzorg geheel tot de kerkelijke
en bijzondere
instellingen
van weldadigheid teruggebragt, en bleven sommige kerkelijke armbesturen niet vasthouden aan het eenmaal dooi'
hen genomen beginsel om niet anderen dan lidmaten te
bedeêlen . 'iet hoofddoel der armenwet zoude reeds in een
groot aantal gemeenten van dit gewest bereikt zijn.
Slechts een enkel berigt maakte melding van onwil bij
de kerkelijke; armbesturen om tot het bereiken van dat
hoofddoel mede te werken. Te Kampen toch bleef de
de diakonie der Roomsch-katholijke gemeente zich bij
voortduring aan de ondersteuning der behoeftigen onttrekken, terwijl te Enschedé de armbesturen der \ederduitsche Hervormde en der Roomsch-katholijke gemeenten
de armenzorg op het burgerlijk armbestuur trachtten over
te brengen ; door eene krachtige houding had. het gemeentebestuur aldaar dat streven zooveel mogelijk verijdeld.
Door sommige gemeentebesturen in de provincie Groningen werden weder klagten aangeheven o ver de kerkelijke
armbesturen: deze bedeelden enkel lidmaten hunner kerk*
gemeente en lieten de overige armen , geen lidmaten zijode,
aan de burgerlijke instellingen ter verpleging over. De
oorzaak van dit laatste lag in de omstandigheid , dat het
sommige liakonien san de noodige fondsen ontbrak, om
hare bedeelingen verder uit te strekken, doch ook, dat
eenige diakonien, ook al lieten hare fondsen het toe , zich
niet verpligt achtten om meer personen te bedeêlen. Het
zal wel geen betoog behoeven , dat daardoor nog een groot
getal armen ten laste van de burgerlijke armbesturen of
gemeenten kwamen, waardoor e uitgaven 'Ier burgerlijke
gemeenten aanzienlijk bleven. De oorzaken van de beperktheid eer fondsen bij diakonien waren gelogen 'o de
kerkcollecten en m de sul>3tdiün: de eerste bragten hier
en '.•.::;• weinig o p , ten gevolge van het gering aantal
personen lie do kerk bezochten; do laatste namen e r af
dan to '.
De verstandhouding tusschen de burgerlijke besturen
en de kerkelijke instellingen in Drenthe was over 'oei
algemeen goed. Te Vries «ros t.ij tusschen het gemeentebestuur en de liakonie der Hervormden beter dar. i:i de
vorige jaren; er bestond tusschen ben nog steeds verschil
••voelen over iie toepassing van het Synodaal Reglement.
Uit Ddoorn werd gemeld dat de verstandhouding tusschen
het burgerlijke bestuur en dat der kerkelijke instellingen
tot geene » botsingen" aanleiding gegeven heeft. Ook te
Diever bet de verhouding van bet gemeentebestuur tot de
diakonie der Hervormden te wenschen over. Volgens het
verslag van liet gemeentebestuur trachtte de genoemde
diakonie de; armen zooveel mogelijk ten laste van de burgerlijke gemeente te brengen. Van ->vsge de burgerlijke besturen werd in 1875 de onafhankelijkheid der
kerkelijke instellingen van weldadigheid ! ehoorUjk geüerbiedigd. Wat aangaat het beginsel, dat de kerkelijke en
bijzondere instellingen in hoofdzaak in de ondersteuning
der armen moeten voorzien , «vas de toestand in 1875 de
volgende:
ii,, genoemde instellingen voorzagen in 1875 in de
armenzorg; geheel in I
m enten;
i !eelsin5gemeenten, gedeeltelijk in 24 gemeenten. Voor 1874 waren
deze cyfera geheel in 4 gemeenten, grootendeels in 4 gemeenten, gedeeltelijk in 25 gemeenten.
in 1875 bedroeg het getal Hervormde diakonien, die het
Synodaal Reglement nog niet hadden aangenomen, 6 , dus
l minder dan in 1874. In de toepassing er van bleven
in 187ó niet of niet geheel getrouw 2 8 , t e g e n 2(\ in 1874.
In Limburg bleef de onafhankelijkheid der kerkelijke
en bijzondere instellingen geëerbiedigd. Goede verstandhouding en onderlinge /.«menwerkingtusschen kerkelijke,
bijzondere en burgerlijke armbesturen werden voortdurend
met den gewenschten uitslag bevorderd. In de gemeenten
Maasbrée en Noorbeek bleef echter het burgerlijk arm1 estuur de medewerking van het kerkelijk missen , terwijl
lift. 2J
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1S75
te Itoeruioud da dinkuuie dar Promtiitoolia gemeente
voortdurend verkoos op zich zelve werkzaam te zijn. Waar
tevens kerkelijke en bijzondere instellingen bestaan , werd
do uitbreiding van die armverzorging zooveel mogelijk
bevorderd. Limburg'» toestand ten aanzien van bet beginsel van overlaten, in den regel, van de ondersteuning
der armen aan de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid,
bleef wederom ineerendeels dezelfde als die van vorige jaren.
De oorzaak er van is in de verslagen aangaande bet armbestuur over vroegere jaren medegedeeld. De onderstand
werd voor 't overige bijna in alle plaatsen waar kerkelijke
en bijzondere instellingen bestonden , aan deze naar gelang van baar vermogen overgelaten. Overal bleven de
burgerlijke fondsen , bij volstrekten nood en aangetoonde
onvermijdelijkheid in de behoeften der armen voorzien , en
maakten zeer enkele burgerlijke armbesturen hierop soms
uitzondering, bet was omdat zij zich die, met hunne ruime
fondsen van liefdadigen oorsprong, mogten veroorloven.
Moeijelijkheden opzigtens die wetsbepaling behoefden in
1875 niet behandeld te worden.
Hier ter plaatse moet de Regering terugkomen op de
uitdrukking : » de individuele liefdadigheid kwam echter
die besturen voor een goed deel te gemoet", gebezigd in
het verslag aangaande het armbestuur over 1873, bladz. 5,
kolom 1. Daar de gemelde Commissie uit de Tweede Kamer
het niet van belang ontbloot acht te weten, hoe die te
gemoetkoming plaats vond, deelt de Regering dienaangaaude het volgende mede: Vele ingezetenen van gemeenten in Limburg, waar alleen burgerlijke armbesturen
gevestigd zijn, verleenden persoonlijk aan minvermogenden
bij voortduring hulp. Sommige dezer werden daardoor
gevrijwaard onderstand uit armenfondsen te vragen , ter-
wijl vele andere mindere bedeeliug dan anders wel liet
geval zou geweest zijn, noodig badden.
Ofschoon liet gewijzigde art. 26 der wet regelmatig
werkte , was bet getal arme krankzinnigen , voor welke
geene woonplaats in den zin van het Burgerlijk Wetboek
kon worden aangewezen , eenigzins toegenomen. Dien ten
gevolge klom het getal lijders, die ten laste van het Kijk
in de gestichten voor krankzinnigen verpleegd werden.
Artt. 4 9 - 5 4 » 58.
Gedeputeerde Staten van alle provinciën berigtten, dat
de in deze artikelen vervatte bepalingen , betreffende het
verhaal van verstrekten onderstand op de ondersteunden
zelve, hunne bloedverwanten of nalatenschappen, tot geene
bezwaren hebben geleid, en dat niet is gebleken dat daarvau in eenig opzigt is afgeweken.
Artt. 59—61.
In Drenthe en Limburg was ook nu weder het bedrag
der subsidien uit de gemeentefondsen aan de besturen van
instellingen van weldadigheid verstrekt, verre weg het
laagst.
De staat, die hier in navolging van vorige verslagen
wordt overgelegd, wijst het bedrag aan der subsidien,
welke naar de ontvangen opgaven aan elk der onderscheiden soorten van instellingen van weldadigheid, in art. 2
der wet omschreven, in iedere provincie over 1874 uitbetaald en voor 1875 en 1876 op de door Gedeputeerde Staten
goedgekeurde gemeentebegrootingen uitgetrokken zijn.
Bijlagen E.
[tff.
2.]
Tweede Kamer. 9
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1H75.
BEDRAG
der sommen voor subsidien uit de gemeentefondsen aan
instellingen van weldadigheid.
Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877—1878
[122.
2.]
[122.
Uitgetrokken op
UYC1' 1 8 7 4 .
u
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1X7{>.
Verslag over de verrigtingcn aangaande het armbestuur over 1875.
1 illirlilillll
2.]
AAN INSTELLINGEN VAN WELDADIGHEID , VERMELD
de goedgekeurde gemet'iilebe^gruutiu^eu over 1871». Uitgetrokken op de goedgekeurde genieentebegrooliitgcii over 187(i.
IN ART. 2 DEK WET OI* HET ARMBESTUUR, ONDER LITT.
ITiOWV.II.Y
B.
A.
Noord brabant.
.
f
46 591,91» f
197,50
f
1750,00
»
42 138,43
4 334,00
Zuidholland . .
597 493,99»
20 882,50
500,00
Noordholland.
.
457 024,14'
53 920,00
3 775,00
5 570,00
»
Gelderland.
. .
Zeeland.
.
. .
101 141,64»
Utrecht.
. . .
41 844,93»
1S
Friesland . . . ( )
Overijssel .
Groningen.
Drenthe
. .
. .
. . .
Limburg .
:
. . ( °)
Te zamen . .
»
»
27 993,86
7 885,50
12885,08
208 370,07
9 760,00
6 513,54
»
1 870,00
»
13 735,07
f 1991248,95
f
98 958,04
f
900,00
1 450,00
445 154,88'
f
Te zamen.
D.
€.
f
112,50 f 1 662,50i
»
(>) f
48 539,41» f
44 284.13
»
(»)
46 472,43
43 006,25
4 065,00
»
(»)
618 876,49'
615 078,73
18492,00
2 500,00
1500,00 C)
» (»)
518 014,14»
452 591,59
53 815,00
4100,00 f
104 916,64»
100 440,92
3 775,00
25 812,41' (")
»
68557,35
40 563,28
7 035,94' ('»)
» C7)
Te zamen.
l»
A.
900,00
446 604,88»
454 319,08»
1 450,00
55 800,38'
30 708,40
7 896,50
216 753,61
208850,00
7 345,23
f
1500,00
30 571,64»
Te zamen.
46 059,13 f
39963,86' f
47 071,25
43 230,25
3 850,00
636 070,73
583 176,12
17 986,50
2 500,00
512 000,59
473 855,90
53 480,00
3 800,00 f 1000,00 (8) 532 135,96'
104 215,92
95 897,13
3 650,00
41 263,28
72034,92»
M
9 271,36
900,00
7 512,72»
455 769,08'( ) 461335,58
30 186,55»
55 388,98
217 095,23
207 425,00
112,50
»
1 450,00
f
1500,00
(=) f 41 576,36»
(4) 47 080,25
»
»
900,00
»
7 891,40
7 993,14
6 966,00
800,00
(6) 603 662,62
>
30 686,64
(10) 99 547,13
('=) 72 849,92
»
462 785,58»
6
7818,94 O ) 53 890,03'
(,8)215191,00
a
»
9 760,00
7 750,00
7 750,00
9 800,00
('•) 9 800.00
T>
»
13 735,07
16 356,38
(»») 16 356,38
14 087,64
(==) 14 087,64
23 475,08
f
34 348,36
f 2148 030,43
f 2 013 948,76»
f 96 951,23 ( 19 333,86 f 39 584,37 f2169 818,22» f2 OüO 221,39
AANMER
KINGEN.
(1) Te Breda werd f 1450, te Dinther f 100, te Helmond f 530, te Maashees f 28,01, te Vught f 25, te de Werken
f 25 en te Werkendam f 400 minder uitbetaald dan in 1874 was uitgetrokken, terwijl te Empel het geraamde hedrag
niet werd uitgekeerd; een en ander geeft een verschil in minder ad f 2758,01.
(2) Daar vijf gemeentebesturen, die op de begrooting over 1875 gelden badden uitgetrokken ten behoeve van instellingen van weldadigheid, dit in 1876 achterwege lieten en vijf en twintig andere de suhsidien aanmerkelijk verminderden, is dit bedrag, vergeleken met dat over eerstgenoemd jaar, f 4482,76» lager.
(3) Omtrent het verschil tusscben het over 1874 toegestaan en in dat, jaar werkelijk uitbetaald bedrag werd medegedeeld, dat te Arnhem f 1128,53», te Groesbeek f 188,54, te Harderwijk f 445,25, te Hoevelaken f 30 en te Nijmegen
f 1063,59» minder uitgekeerd werd dan geraamd was.
(4) Dit bedrag is f 9 hooger dan dat over 1875, door dat, hoewel in sommige gemeenten het bedrag der suhsidien
verminderd werd, in eenige andere, zij het ook met geene groote bedragen, verhooging heeft plaats gehad.
(5) Over 1874 was f 650 126,01» uitgetrokken, en in dat jaar slechts f 618 876,49' uitgekeerd, hetwelk een verschil
in minder oplevert van f 31 249,52.
(6) Ook dit bedrag is aanmerkelijk minder dan dat over 1875 toegekend, en wel f 32 408,11, welke vermindering
voor een groot gedeelte het gevolg is van de naauwkeurige beoordeel ing door het betrokken collegie van Gedeputeerde
Staten der op de gemeeiitebegrootingen uitgetrokken suhsidien, waardoor menig voorgedragen subsidie werd verminderd.
(7) Het verschil tusschen liet toegekende en uitgekeerde, ten bedrage van f 10 629,35, is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de omstandigheid, dat de bij de begrooting in vele gemeenten uitgetrokken sommen wegens mindere behoeften
bleken niet geheel benoodigd te zijn. Te Bussum en Hoogwoud werd het geraamde, respectivelijk groot f 200en f500,
niet uitbetaald.
(8) Hoewel vele gemeentebesturen minder subsidie ten behoeve van instellingen van weldadigheid uittrokken dan m
1875, is dit bedrag f 20 129,37» meer dan in dat jaar. De oorzaak hiervan ligt hoofdzakelijk in de gemeente Amsterdam, wi.ar voor de beide gasthuizen f 25 150 meer is uitgetrokken dan in 1875.
(9) Uit de vergelijking van het uitgetrokken bedrag over 1874 met het uitbetaalde in dat jaar, blijkt, dat het eerste
het laatste met f2058,07» overtrof. Te Middelburg, Tholen, Vlissingen, Zaamslag werd minder, te Heinkenszand,
Hoek en Oostkapelle meer uitbetaald dan het geraamde beliep. Een en ander veroorzaakte het genoemd verschil in minder.
(10) Dit bedrag is f 4660,79 minder dan dat van 1875. Die vermindering betreft de instellingen a met f 4543,79
en de instellingen b met f 125. In enkele gemeenten is voor 1876 het subsidie verhoogd, ten gevolge van minder goed
slot van rekening in het vorige dienstjaar, of van de vele uitgaven voor de verpleging van ouderlooze kinderen; in vele
andere aanmerkelijk verminderd, waarvoor geene bijzondere redenen zijn opgegeven.
(11) Vergeleken met de raming, is dit bedrag f 5901,48» minder en wel voor de instellingen a f 1904,25» en voor de
instellingen d f 3997,20. Wat de eerste betreft, bleef het uitbetaalde te Utrecht (het burgerlijk armbestuur), Amersfoort
(het burgerlijk armbestuur), Linscboten en Woudenberg, en wat de laatste aangaat, te Amersfoort (het burgerweeshuis)
en Utrecht (het ziekenhuis) beneden de raming; een en ander was het gevolg van mindere behoeften in die gemeenten.
(12) Drie gemeentebesturen verhoogden het subsidie voor 1876; drie andere verlaagden het; van daar een verschil
met dat over 1875 van f 815.
f 95 386,40
f 17 493,14 f39 505,58» f2152 606,61'
(13) Hoofdzakelijk ten gevolge van mindere uitbetaling dan was uitgetrokken te Franeker aan de armenvoogdij en
te Leeuwarden aan de algemeene armenkamer, is dit bedrag f 7779,35 beneden het geraamde.
(14) Dit bedrag is f 7016,50 hooger dan dat over 1875. Voor een groot aantal armbesturen werd op de dorpsbegrootingen een weinig meer subsidie uitgetrokken, waarvoor geene bepaalde reden is opgegeven.
(15) Minder werd uitbetaald dan was uitgetrokken, f 2X12,54, veroorzaakt door het burgerlijk armbestuur te Wilsum, dat niet over het uitgetrokken subsidie beschikte en door het bestuur van het werkhuis te Kampen, dat slechts
de helft van het geraamde behoefde. Ten gevolge eener misstelling van het gemeentebestuur te Lonneker in de opgaven over 1874, is het voor de instellingen a aldaar f 1245 minder en voor die van c f 1190 meer dan bet geraamde op
de tabel van dat jaar vermeld.
(16) In drie gemeenten werd minder, in twee meer en in bet geheel f 1498,95 minder subsidie uitgetrokken dan in
1875. Te Zwolle, waar het hooger is, vloeit die verhooging voort uit bet vermeerderd salaris, de hulponderwijzeressen
en helpsters aan de bewaarschool der armeninrigting aldaar toegekend.
(17) Dit bedrag is minder dan op de gemeentebegrootingen was uitgetrokken. De vermindering betrof de instellingen b, aan een diakonie werd het geraamde niet uitgekeerd, aan sommige andere diakonien werd een minder bedrag
uitbetaald dan op de gemelde begroetingen voorkwam: welk een en ander het gevolg was van mindere behoeften. Wat
betreft de instellingen « e n c, aan deze werd iets meer uitbetaald dan het geraamde bedroeg. Voor de eerste, een verschil zeer gering, konden geene bepaalde redenen worden opgegeven, omdat het liep over vele gemeenten, hier in
meer, daar in minder; voor de laatste was de vermeerdering hoofdzakelijk het gevolg van de omstandigheid, dat aan
eene instelling een subsidie werd gegeven dat niet op de begrooting der betrokken gemeente voorkwam.
(18) De suhsidien voor de instellingen a zijn lager dan die over 1875, hoofdzakelijk doordien er minder polderwerkers
aanwezig waren; voor b dewijl aan sommige diakonien geen en aan andere minder subsidie werd toegekend en voor c
omdat het getal gesubsidieerde instellingen met een verminderde. Een en ander is oorzaak dat dit uitgetrokken bedra«met dat over 1875 een verschil uitmaakt van f 1904,23.
(19) Door de gemeentebesturen van Meppel, Nijeveen en Smilde werd een hooger subsidie uitgetrokken dan over
1875. Van daar dat dit bedrag f 1050 meer is dan dat van gemeld jaar.
(20) In 5 gemeenten werd tot een gezamenlijk bedrag van f 479,17 minder en in 2 daarentegen f 207 meer uitbetaald dan het geraamde bedroeg'; van daar een verschil in minder van f 272,17.
(21) Het totale bedrag der aanvankelijk op de begrootingen voor 1875 uitgetrokkene suhsidien ten behoeve van arm
besturen beliep f 13 481,11». Dit bedrag is echter in den loop van het jaar met f2875,26* verhoogd en dus geklommen
tot f 16 356,38. De oorzaak hiervan ligt in 4 gemeenten, waar, hoofdzakelijk tot dekking van nadeelige saldo's bij de
aldaar gevestigde instellingen, een hooger subsidie noodig was.
(22) Eenige gemeentebesturen hebben het subsidie ten behoeve van instellingen van weldadigheid verhoogd; drie een
subsidie voor 1876 toegekend aan zulke instellingen, voor welke in 1875 geen subsidie was uitgetrokken; daarentegen
is in 10 gemeenten een minder bedrag voor suhsidien uitgetrokken of is het vervallen; een en ander maakt een verschil
uit in minder van f 2268,74.
[122. Z.]
12
Verslag over de verrijrtingen aangaande hel armbestuur over 1X7 5
De verschillen tusselien de cijfers op dezen st:i;it en on
dien liij liet Verslag over 1874 OTergelegd , voor zoover!
die cijfers, nis gelijke feiten aanwijzende, niet elkander
zouden moeteu overeenstemmen, zijn in de aanmerkingen
toegelicht.
Blijkens den staat, 1 Jij het Verslag O W 1874 gevoegd)
was u|) de gemeentebegrootingen van dat jaar voer subsidien
uitgetrokken
f 2 214 552,37'
er werd in het geheel slechts uitbetaald
2 148 030,43
De raming over 1876 was minder dan die ener 1N75.
Zij beliep weer in de provinciën:
Oeldeiland
Noordholland
Utrecht
f
.
Friesland
7 016,50
Drenthe
2 050,00
en alzoo minder uitbetaald dan liet geraamde bedroeg
f
Dat bedrag in minder was i n :
Noordbrabant
f
2 758,01
Gelderland
2 855,92
Zuidholland
31249,52
Noordbolland
10 629,35
Zeeland
2 058,07'
Utrecht
5 901,48 s
Friesland
7 779,35
Overijssel
2 812,54
Groningen
205,52'
Limburg
272,17
Verschil als boven
. . .
f
66 521,94 5
Uit het bovenstaande blijkt dat in Noordholland, Utrecht
en Friesland maar vooral in Zuidholland belangrijk minder
in 1874 is uitbetaald dan op de goedgekeurde begrootingen
was uitgetrokken; ook het verschil in minder in vele
andere provinciën is mede aanmerkelijk.
De verschillen tusselien de uitbetaling en de raming
verdeelden zich blijkens de op den staat gestelde toelichtende aanmerkingen , zoo in meer als in minder, weder
over een grooter of kleiner aantal gemeenten, in van e l k a n der ufwijkenden zin , zoodat er in sommige provinciën gemeenten waren , in welke het tegenovergestelde van de
algemeene uitkomst der provincie plaats had.
Het geheele beloop der subsidien, over 1876 u i t g e t r o k k e n , g i n g , hetgeen in 1874 uitbetaald w e r d , te
boven in:
Gelderland
met
f
607,82
Noordholland
»
14121,82
Utrecht
»
Friesland
>
16 180,70
Drenthe
»
40,C0
Limburg
»
352,57
4 292,57'
te zamen
f
35 595,48 *
en bleef beneden dat uitbetaalde i n :
Noordbrabant.
. . .
f
Zuidholland . . . .
6963,05
15213,87'
Zeeland
5 369,51'
Overijssel
1 910,35
Groningen
1562 61
Het geheel was dus meer
'
31019.40
f
te zamen
60 5 2 1 , 9 4 '
.Met uitzondering van Drenthe , waar het geraamd b e d r a g geheel werd uitgekeerd, is in alle provinciën minier
uitbetaald dan oorspronkelijk was uitgetrokken.
4 576,08'
De raming in 1875 bleef, blijkens het Verslag over 1874,
f 18 303,51 beneden het uitbetaalde in 1873.
9,00
20 129,37'
815,00
doch was minder
Noordbrabant
. . .
f
30 019,87 •
in :
. . .
f
4482,76'
Zuidholland . . . .
32408,11
Zeeland
4 668,79
Overijssel
1498,95
Groningen
1 904,23
Limburg
2 268,74
47 231,58'
en alzoo in het geheel minder
. . .
f
17211,71
Ook deze uitkomsten verdeelden zich over vele ge ineenten in verschillenden zin , zoowel in de provinciën , in welke
de ramingen meer als in die, waar zij minder dan vroeger
waren.
In de kolom » aanmerkingen", op den staat voorkomende,
zijn mede de verschillen tusschen het uitbetaalde in 1874
en het geraamde in 1876, gelijk ook die tusschen de
ramingen van 1875 en 1876, zoo veel mogelijk toegelicht.
Op de goedgekeurde gemeentebegrootingen was voor
subsidien aan instellingen van weldadigheid uitgetrokken
over:
1875.
in Noordbrabant
» Gelderland
.
.
.f
. . . .
46 059,13
1876.
f
41576,36'
47071,25
47080,35
• Utrecht
72 034,92'
72 849,92'
• Overijssel
55 388,98'
53890,03'
» Drenthe
7 750,00
9 800,00
• Limburg
16 356,38
14 087,64
en
in Zuidholland . . . .
• Noordholland
.
f
603 662,62
532135,96'
» Zeeland
104 215,92
99 547,13
» Friesland
455 769,08'
462 785,58'
217095,23
215191,00
. . . .
.
636 070,73
512 006,59
» Groningen
.
f
Belangrijk zijn de verschillen der cijfers tusschen de zes
eerstgenoemde en de vijf overige provinciën in beide jaren;
even belangrijke verschillen als de hierbedoelde , bestonden
echter ook in vorige jaren. Het verschil in 1873 heeft de
aandacht der meergemelde Commissie uit de Tweede Kamer
der Staten-Generaal getrokken.
Zoo als de Commissie teregt opmerkt, is het hooge b e drag der subsidien aan instellingen van weldadigheid in
Zuid- en Noordholland verleend , hoofdzakelijk het gevolg
van de belangrijke bijdragen , aan de ziekenhuizen in die
provincie toegekend. Ten bewijze daarvan s t r e k k e , dat
de gemeente Rotterdam , in 1875 , als subsidie aan de ziekenhuizen , aan het krankzinnigengesticht en aan het gesticht voor minvermogende ooglijders aldaar de belangrijke
som van f 163170,85"' uitbetaald en het gemeentebestuur van
Amsterdam voor de beide gasthuizen aldaar op de gemeentebegrooting over dat jaar het aanzienlijk bedrag van f213 740
uitgetrokken heeft. Vele burgerlijke armbesturen , vooral
[122.
Bijlagen E.
2.]
Tweede Kamer. 13
Verslag over d t verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
in Zuidholland , ontvingen echter ook belangrijke bijdragen
uit de gemeentefondsen. Zoo werd onder anderen aan liet
burgerlijk armbestuur te 's Gravenhage van wege de ge-
meente In 1875 ('89 355,31 fl) verstrekt! zoo ontving dat
te Rotterdam la dat jaar uit de gemeentekas een bedrag
van f M) 879,10.
Wat nu liet booge bedrag der verleende subsidien aan
instellingen van weldadigheid In de drie andere provinciën
betreft, daarvan valt bet volgende on te merken :
Zedattd.
Schoon niet in die mate als in Zuidbolland ,
Noordbolland, Friesland en Groningen, was het bedrag
der toegekende sulisidien toch hooger dan in de overige
provinciën. Volgene Gedeputeerde staten was dit toe ie
schrijven aan den toestand der burgerlijke armbesturen te
Middelburg, Zierikzee, Nemen en Hulst. Blijkens deont-
vangen opgaven waren in 1875 de inkomsten van die instellingen reapectivehjk geraamd op f 5808,83 , f 368,11,
f 315,72 en f 1054,40, en de QOO l/.akelijke uitgaven be-"groot op f 40808,83 , f 8368,11, f 2628,20 en f 2854,40.
Om in de tekorten te voorzien , werden f 35 000 , f 8000 ,
f 2200 en f 1890 als subsidie uit de gemeentefondsen
aangevraagd en f 31 9o2,57*, f 7 333,32, f 2 512,63 en
f 18()0 toegestaan. Het gasthuis te Middelburg ontving uit
de gemeentekas aldaar ook een subsidie groot f 10 795,47*.
Friesland.
Het gemeentebestuur van Leeuwarden verstrekte in 1875 aanzienlijke bijdragen ter bestrijding deikosten van bet stadsziekenhuis aldaar, aanzienlijker dan
in vorige jaren , ten gevolge der inrigting van een g e bouw tot verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten.
Overigens konden Gedeputeerde Staten van dat gewest
geene afdoende redenen opgeven, waarom bet bedrag der
subsidien, aan instellingen van weldadigheid verleend,
zooveel hooger was dan in de provinciën Noordbrabant,
Gelderland, Utrecht, 0 verijssel, Drenthe en L i m b u r g .
W a t echter Gedeputeerde Staten Van Friesland niet kunnen
opgeven , i s , naar de meening der Regering — althans
voor een groot deel — in de volgende vergelijkende opgaaf
te vinden.
In 1875 was in de
het getal
gemeentebesturen,
die regtstreeks,
1
zonder tus*chenkomst van
arm besturen , aan
1
armen onderstand
verleenden.
PROVINCIËN',
het bedrag
uit de gemeentefondsen voor de
160
48 232,17
Gelderland.
.
.
116
36 657,94
Utrecht.
.
.
.
72
20 869,18
Overijssel .
.
.
61
11343,78*
Drenthe
.
.
.
33
14 021,85
Limburg .
.
.
21
2 570,90*
daarentegen in :
.
9
1
bij wijze van
maatregel van poUtie regtstreeks bedeeld worden, dan wel
of zulks door tusschenkomst van armbesturen geschiedt,
die , bij gemis van genoegzame eigen inkomsten , daarVOOr een subsidie van de betrokken gemeentebesturen ontvangen , komt nagenoeg op hetzelfde neer. In het eerste
geval kan echter meer dan in het laatste toezigt gehouden
worden, dat niet dan bij volstrekte onvermijdelijkheid onderstand verleend worde.
Ten opzigte van Friesland zij nog opgemerkt, dat het
getal burgerlijke armbesturen grooter is dan in elke andere
provincie. In 1875 bedroeg het 325. Van het bedrag der
subsidien uit gemeentefondsen aan instellingen van weldadigheid toegekend , ontvingen die armbesturen f 396 796.
Ofschoon opvallend b o o g , bedroeg het gemiddeld voor elk
armbestuur toch slechts f 1221, wat zeker niet ruim kan
genoemd worden. wanneer men daarbij in aanmerking
neemt de weinige eigen inkomsten van vele dier instellingen en het getal behoeftigen, d a t , al is het slechts bij
wijze van maatregel van politie, moet ondersteund worden.
Ln dat getal was , vergeleken met vele andere provinciën ,
in Friesland gedurende 1875 nog al aanzienlijk: bet bedroeg 8489 hoofden van huisgezinnen en 4084 eenloopende
personen, dus te samen 12 573.
(xroiiiatjen. Reeds is opgemerkt, dat de kerkelijke armbesturen'in dit g e w e s t , wegens beperktheid van fondsen,
veelal de zorg voor armen tot de lidmaten hunner gemeente
bepalen. Dientengevolge verleenen, bij volstrekte onvermijdelijkheid , de burgerlijke armbesturen onderstand : in
1875 aan 3361 hoofden van huisgezinnen en aan 3565 eenloopende personen. Met inbegrip van de kosten van b e heer, enz. werd voor dien onderstand de belangrijke som
van f 2 0 8 010 vereisebt. Dij gemis van de noodige fondsen
ter bestrijding daarvan waren subsidien uit de gemeentekassen noodig tot een bedrag, hooger dan in vele andere
provinciën, want in 1875 beliep:
armen door de
gemeentebesturen
regtstreeks aangewend.
.
.
lager voor onderstand regtstreeks uit de gemeentekassen
verstrekt.
Of nu armen door de gemeentebesturen,
ondersteuning van
Noordbrabant.
Friesland .
Het bedrag voor geneeskundige armenverzorging regtstreeks uitgegeven, w a s , hoewel niet in die mate, mede
in Friesland aanmerkelijk lager dan in dezes overige provincien.
In tegenstelling met die provinciën stond derhalve in
Friesland tegenover een hooger bedrag voor subsidien een
703,00*
(1) Door het burgerlijk armbestuur te 's Gravenhage werd in 1875
uitgegeven voor:
onderstand, waaronder f 9173,78' voor het bestelingenhuis en
f 10 548,59' voor besteding van behoeftigen in daartoe bestemde
inrigtingen
f 44 371,15
geneeskundigen bijstand , geneesmiddelen , bcgrafeniskostcn , enz
40 990,45 s
schrijf" en drukbehoeften, jaarwedden van arabtenaren , bedienden , enz
5 694,02 6s
uitgaven van allerlei aard
351,86
f 91 407,49 *
en , behalve het subsidie uit de gemeentekas, slechts ontvangen
f 2052,18».
Bijblad van de Nederlandsche Staats-courant. 1877—1878.
bet getal
door de
burgerlijke
armbesturen
het bedrag
der
inkomsten
van
bezittingen
ondersteunde
hoofden van
huisgezinnen
en eenloopende enz. van die
personen.
instellingen.
PROVINCIE.
f
278 567
de opbrengst
der door
de besturen
dier
instellingen
gehouden
collecten.
f
38 004
Noordbrabant.
9 426
Gelderland.
.
4 093
142 140
0 587
Utrecht.
.
.
957
10 675
104
Overijssel .
.
2 006
23 208
15 943
Limburg .
.
6 938
182 573
11229
en daarentegen in:
Groningen.
6 926
797
377
Terwijl de burgerlijke armbesturen in de vijf eerstgenoemde provinciën hunne uitgaven voor een ruim deel uit
gemelde inkomsten konden bestrijden, was zulks voor die
in de provincie Groningen niet het geval. Noo Iwendig
moest dus daarin, en wel tot een aanmerkelijk b e d r a g ,
door de betrokken gemeentebesturen worden voorzien.
[1*2.
14
2.]
Verslag over de verrigtiugen aangaande het armbestuur over 1875.
De algemeene kerkeruad der Nederduitsch Hervormde
gemeente te Leiden riep de Koninklijke tusschenkomst of
beslissende magt in ter vereffening van een geschil tusschen
het gemeentebestuur en de Nederduitsch Hervormde gemeente over het Heilige Geest- of Arme wees- en kindorhuis aldaar. Aan dat bestuur is namens den Koning te
kennen gegeven, dat de vraag, tot welke der in art. 2
De verschillende collegien van Gedeputeerde Staten gaven
op nieuw de verzekering , dat door hen, bij het beoordeelen der wet op het armbestuur omschreven soorten eene inen vaststellen der gemeentebegrootingen, in overeenstem- stelling van weldadigheid behoort, niet valt onder art. 69
ming met bet tweede lid van art. (il der wet, alle maat- maar onder art. 72 dier wet en alzoo ter beslissing staat
niet van den Koning maar van de regterlijke magt. Blijregelen , waartoe zij bevoegd zijn , werden genomen , om
de vermindering der subsidien aan instellingen van wel- kens ontvangen berigt van Gedeputeerde Staten van Zuiddadigheid te bevorderen, welke maatregelen , blijkens de holland was de zaak niet bij den regter aanhangig
gemaakt.
vorenstaande cijfers niet zonder vrucht bleven.
Volgens opgaven van het Departement van Justitie zijn
Ten opzigte van het in het vorig verslag vermelde
noch bij den Hoogen Baad, noch bij de geregtshoveu
geschil tusschen Gedeputeerde Staten van Utrecht en het
geschillen , krachtens art. 72 der armenwet, gedurende het
gemeentebestuur van Montfoort, naar aanleiding van de
jaar 1875 behandeld.
door (Jedeputeerde Staten gemaakte bedenkingen tegen
De geschillen over het verhaal en verhaalbaar bedrag
het uittrekken van een subsidie uit de gemeentefondsen
aan eene kerkelijke instelling van liefdadigheid aldaar, • van onderstand waren slechts 9 in getal; 6 daarvan werden
zonder dat de volstrekte onvermijdelijkheid daarvan was door de betrokken collegien van Gedeputeerde Staten in der
minne beëindigd , terwijl 3 onbeslist bleven.
gebleken , werd eene beslissing genomen. Het door he
gemeentebestuur ingesteld hooger beroep bij den Koning
is ongegrond verklaard , waarna gemeld subsidie, overArtt. 73, 74, artt. 15 en 16 der wel van 1 Junij
eenkomstig het verlangen van Gedeputeerde Staten , van
1870 (Staatsblad m*. 85) en artt. 76 — 78.
de begrooting is afgevoerd.
Deze artikelen gaven geene aanleiding tot bezwaren;
zij werkten regelmatig.
Artt. 63 — 67.
Gedeputeerde Staten vun Groningen verklaren dut het
armwezen voor sommige gemeenten in hunne provincie
nog grooter afmetingen zou gehad hebben, indien daar,
in de laatste jaren, niet zulke groote waterstaatswerken
waren uitgevoerd.
In 1875 werden, vergeleken met 1874. 23 tuchtigingen minder opgelegd aan de verpleegden in de gestichten
Ommerschans en Veenhuizen.
Wegens desertie of poging daartoe, het verkoopen van
kleeding en verzet tegen overheden , werden meer tuchtigingen opgelegd dan in 1874 ; daarentegen was het getal
gestraften ter zake van het opkoopen of verwaarloozen van
gesticlitskleeding, misbruik van sterken drank, ongehoorzaamheid , onzedelijkheid en ouderlingen twist lager
dan in het voorgaande jaar.
De krachtens art. 64 vastgestelde bepalingen ten aanzien
van de voorwaarden, den tijd en de wijze van ontslag uit
de bedelaarsgestichten , welke zijn vervat in het Koninklijk
besluit van 22 September 187Ó (Staatsblad n°. 164), zoo
als dit is gewijzigd bij besluit van 16 Julij 1873 (Staatsblail n°. 109) hebben niet ongunstig gewerkt. Door het
gebruik maken van de bevoegdheid om tusschentijds ontslag te kunnen verleenen , werd een aantal verpleegden
in de gelegenheid gesteld partij te trekken van de hun
gedane aanbiedingen tot dadelijke werkverschaffing, of
om in bet voorjaar bij den aanvang van velerlei werkzaamheden , pogingen aan te wenden in eigen levensonderhoud te voorzien. Voor sommigen , die daartoe het
verlangen hadden te kennen gegeven , werd het ontslag
zoodanig geregeld, dat zij niet in de wintermaanden de
gestichten behoefden te verlaten.
Bij Koninklijk besluit van 20 September 1875 (Staatsblad
n°. 172) werden, met wijziging van het besluit van 22 September 1870 (Staatsblad n°. 164), eenige nadere regelen
gesteld ten aanzien van de kleeding en voeding der verpleegden en omtrent de gelden, welke aan hen bij ontslag
uit de gestichten zullen worden ter hand gesteld. Met ingang van 1 Januarij 1876 werden de gelden , die zij bij
aankomst hebben medegebragt of die te hunnen behoeve
van Luiten de gestichten zijn toegezonden, tot het ontslag
bewaard. Daarentegen is afgeschaft de uitbetaling bij het
verlaten der gestichten van te goed wegens kleeding.
Opmerkingen omtrent de oorzaken Tan meer of
minder armoede.
Afgescheiden van de hiervoren behandelde gevolgen van
de werking der gewijzigde armenwet, blijkt uit de verslagen over 1875 door de collegien van Gedeputeerde Staten
in 1876 uitgebragt, nopens den toestand van het armwezen,
vergeleken met 1874 , in hoofdzaak nog het volgende:
Xoordbrabaid. Ofschoon de verhooging der dagloouen
en de vele werkzaamheden, die in 1875 overal te vinden
waren , eenigzins bijdroegen tot vermindering der armoede,
de behoeften vermeerderden daarentegen door de steeds
toenemende stijging van den prijs der levensmiddelen. De
door de meeste armbesturen aangenomen maatregel om
niet dan bij hooge noodzakelijkheid onderstand te verleenen,
was evenwel oorzaak, dat in 1875 bet getal ondersteunden
en de uitgaven voor onderstand minder waren dan ten
vorigen jare, zoodat de toestand van het armwezen over
het algemeen bevredigend kan worden genoemd.
Gelderland. Bij vergelijking met het jaar 1874 werd in
den totstand der behoeftige klasse geen achteruitgang bespeurd. De hooge loonen en de genoegzame gelegenheid
tot handenarbeid stelden over het algemeen den werkman
in staat zooveel te verdienen als tot onderhoud van het gezin
vereischt werd. Met betrekking tot dezen niet ongunstigen
toestand was echter eene uitzondering van tijdelijken aard
op te merken , die in de laag gelegen gemeenten in het
najaar door den hoogen waterstand en meer algemeen door
de vroeg ingevallen vorst veroorzaakt werd.
Artt. 69 , 70 en 72.
Zuidholland. De staat van bet armwezen was over het
algemeen gunstig te noemen. Voldoende gelegenheid om
werk te bekomen droeg daartoe veel bij, terwijl overigens
de gezondheidstoestand in de meeste gemeenten zeer voldoende was, wegens het niet heerschen van epidemiën.
In enkele gemeenten was de toestand minder gunstig ,
wegens de slechte vlasteelt, waardoor aldaar gebrek aan
werk was en de loonen geringer waren dan in vorige jaren.
Geene geschillen over de inrigting of bestemming van
instellingen , onder litt. a en d van art. 2 der wet op het
armbestuur vermeld, en over het regt tot benoeming,
schorsing of ontslag harer besturen , werden in 1875 aan
de Koninklijke beslissing onderworpen.
Het getal geschillen over de woonplaats van krankzinnigen , waarin de Koning , na den Raad van State gehoord
te hebben , uitspraak deed, bedroeg in dat jaar 19 tegen
i a in 1874.
De meeste gemeentebesturen van Noordhollaid deelden
aan de Gedeputeerde Staten van dat gewest mede, dat de
toestand van het armwezen, even als in 1874, vrij gunstig
kon genoemd worden, enkele zelfs dat er vooruitgang
was te bespeuren. De gezondheidstoestand was dan ook.
over het algemeen goed; er bestond vooral in de groote
gemeenten, ruim gelegenheid om werk te vinden. Wel
was de winter van langen duur, doch slecl.ts in weinige
gemeenten werkte dit nadeelig op het cijfer der bedeelden..
[122.
2.]
15
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
Uit Zulandweni omtrent den toestand van de behoeftige
klasse in 1875 medegedeeld , dat hij in H gemeenten gun«tiger en in 17 gemeenten min of meer ongunstiger was
dun in 1874. In 50 gemeenten daarentegen bleef hij onveranderd of bevredigend, en in 31 gemeenten werd hij gunstig
of niet ongunstiger geacht. Tot den gunstiger toestand
gaven aanleiding de ruime gelegenheid tot bet verkrijgen
van w e r k , minder ziekten onder de behoeftigen, meer bedrijvigheid door de scheepvaart en hoogere dagloonen.
Tot den min of meer ongunstigen toestand de achteru i t g a n g der meekrapcultuur, de mislukking van bet vlas
en koolzaad en gemis daardoor aan werk. Over het algemeen
kon de toestand der minvermogende klasse als bevredigend
worden a a n g e m e r k t , alhoewel in de eerste helft van 1875
de algemeene gezondheidstoestand ongunstig was, wegens
menigvuldige ziekten. De geldelijke toestand was over 't
algemeen niet g u n s t i g , uit hoofde van den betrekkelijk
boogen prijs der aardappelen. Bovendien liet de oogst dier
vrucht bier en daar nog al te wenschen over, zoowel wat
betreft het beschot als de hoedanigheid. Intusschen waren
de prijzen der t a r w e , rogge, gerst, het geheele jaar door
iets minder, en in bet najaar ook die der erwten en boonen.
Voor zooveel bekend is geworden , werden slechts te \Vestkapelle buitengewone maatregelen vereischt of aangewend
voor de behoeften der armen en minvermogenden ter voorzien ing in den nood aldaar ; daartoe werd ook de bijzondere
liefdadigheid van elders ingeroepen. Die gemeente verkeert
des winters doorgaans in armoedigen toestaud door gebrek
aan werk. In den winter van 1874/75 was de armoede
zeer g r o o t , en bet gemis aan werk , ook in bet voorjaar
van 1875 , deed dien treurigen toestand tot in den zomer
voortduren. Ru:me bijdragen werden ontvangen, waardoor
de armoede eeuigzins kon worden gelenigd.
In de provincie Utrecht was de toestand van het armwezen gedurende 1875 over het algemeen voldoende. Op
vele plaatsen bestond voor de mindere klasse, even als in
de laatste jaren , ruimschoots gelegenheid om door bandenarbeid in het noodige onderhoud te voorzien. Alleen te
Oud-Loosdrecht bleef men klagen over gebrek aan werk ,
wegens vermindering der werkzaamheden in de veenderijen , en scheen te Zeist de toestand nog altijd te wenscben
over te laten.
Omtrent den toestand van de behoeftige klasse in Friesland luidden de berigten vrij gunstig. Over bet geheel
was er bijna onafgebroken gelegenheid werk te bekomen
en waren de loonen hoog te noemen. Hier en daar echter
drukte de langdurige winter. Meer bijzonder was dit het
geval in de aan zee gelegen plaatsen, waar de arbeidende
klasse, ten gevolge van de stremmingder scheepvaart, nu
langer dan anders van werk bleef verstoken. De op vele
plaatsen bestaande werkinrigtingen oefenden , vooral tijdens
den winter, een g u n s t gen invloed uit. Niet alleen dat
zij verdiensten opleverden, maar zij sneden ook voor menigeen, die tot werken in staat was, den weg af toevlugt
tot de armenkas te nemen. Ylasbraken bleef in die inrigtingen h-:t voornaamste werk; daarop volgden mattenweven en houtkappen in de bosschen. Op eene enkele
plaats was een patronaat over minvermogenden gevestigd.
Het leverde dikwijls krachtigen steun, zoowel op stoffelijk
als op zedelijk gebied. Met de verbetering van woningen
voor de mindere standen werd op verscheidene plaatsen
voortgegaan. Wel is waar klommen te gelijker tijd de
huurprijzen, doch de daar tegenover staande voordeden
eener goede woning wogen, volgens veler getuigenis, wel
tegen dit bezwaar op. Verscheidene armbesturen bleven
zich ten taak stellen, op het getrouw schoolbezoek van
de kinderen uit bedeelde huisgezinnen toe te zien. Her
toekennen van onderstand werd op meer dan één plaats
van dat bezoek afhankelijk gemaakt.
Terwijl in verreweg de meeste gemeenten der provincie
Overijssel de toestand der minvermogenden vooruitgaande
werd genoemd, in sommige zelfs zeer g u n s t i g , en als
redenen daarvoor voldoend werk, hooge loonen en een
goede oogst werden aangegeven, waren er toch enkelen ,
waarin over achteruitgang werd geklaagd. Te Gramsbergen onder anderen moest meerdere onderstand worden ver-
leend; te Lonneker waren de levensmiddelen duur en de
dagloonen niet gefivenredifrd aan de behoeften; te StadVollenhove had men na November rad te lijden door
strenge vorst en gebrek aan werk. Kven als in bet vorige
jaar begaven zich ook t h a n s , ten gevolge der hooge loonen,
vele arbeiders naar Pruissen.
Het was Gedeputeerde Staten van de provincie C{rouiugen bijzonder aangenaam te kunnen mededeelen, dat de
toestand van de behoeftige klasse over bet algemeen b e vredigend was. Daartoe hadden vooral medegewerkt het
overvloedig w e r k , 't welk tegen hooge dngloonen voorden
arbeider zoowel op het veld als in de fabrieken te vinden
was. Ook had tot dien gunstigen toestand de uitvoering
van openbare werken in de provincie niet weinig bijgedragen. De comniissien voor werkverschaffing en uitdeeling van levensmiddelen in den winter hadden weder
g u n s t i g g e w e r k t ; ook door zooveel mogelijk te voorzien
in het onderwijs van kinderen van minvermogenden.
In de provincie Drenthe was de toestand van het a r m wezen in 1875 over het algemeen g u n s t i g , in eenige
gemeenten zelfs beter dan in het vorige jaar. Als voorname oorzaken daarvan waren te beschouwen de meerendeels goede oogst en de ruime gelegenheid die de arbeider
had om werk te vinden.
Limburg.
De toestand van het armwezen bleef in de
meeste gemeenten onveranderd. In sommige was die toestand bevredigend; in vele andere daarentegen niet zoo
gunstig als in 1874, veroorzaakt door mindere gelegenheid
tot het bekomen van werk, vooral in plaatsen aan de
grenzen gelegen.
Behouüens in een klein getal gemeenten , w a a r , ten gevolge van bijzondere omstandigheden , de toestand van de
minvermogenden ongunstig was , kan uit het bovenstaande
worden afgeleid , dat de toestand van die volksklasse, in
weerwil van de steeds voortdurende hooge prijzen der meeste
levensmiddelen , over het algemeen in 1875 minstens even
bevredigend genoemd kan worden als i:i 1874 , wat ook uit
het volgende gedeelte van dit Vershur meermalen zal blijken.
Werking der wet tan 13 Augustus
1849 (Staatsblad u°. 39).
Volgens opgave van het Departement van Justitie werden in 1875 over de grenzen geleid 2007 vreemdelingen,
dus 555 meer dan in 1874, als uit :
in 1874. in 1875.
Noordbrabant
127
119
Gelderland
442
761
Zuidbolland
238
351
Noordholland
98
99
Zeeland
29
4
Utrecht
35
59
Friesland
3
8
Overijssel
57
85
Groningen
40
69
Drenthe
Limburg
1
3S2
1452
1
451
2007
Ofschoon het getal uitgeleide personen der meeste provincien grooter was dan in 1874, was echter het verschil
in meer , wat betreft de provincie Gelderland, aanmerkelijk.
De oorzaak daarvan ligt in het koloniaal werfdepöt te
Harderwijk. Volgens mededeeling waren van daar in 1875
niet minder dan 396 vreemdelingen over de grenzen verwijderd, meest uit Indie teruggekeerde militairen , die ,
zonder genot van pensioen ontslagen waren , of personen ,
die zich voor de dienst in de koloniën wilden doen a a n -
[«I,
lü
2.]
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 S 7 5 .
w e r v e n , doch wegens ongeschiktheid of gemis van bowijss t u k k c n . niet aangenomen werden.
Uit de ontvangen berigten 1)1 ijkt, dut de goede tooi>assing van die w e t , op het armwezen een gunstigen invloed
heeft uitgeoefend, en werd b a n werking daarom , evenals
in vorige jaren , door de verschillende gemeentebesturen
zeer geroemd.
kerkelijke gemeente, of door bijzondere personen of bijzondere niet kerkelijke vereenigingen gezamenlijk wordt
voorzien.
De inrigting der overgelegde tabellen is gelijk aan die,
bij het verslag over 1871 gevoegd , on toen, voor de daarin
gebragte vereenvoudiging, toegelicht.
Voor zooverre de uitgaven en ontvangsten van besturen,
die meer dan ééne instelling beheeren, voor splitsing vatbaar waren, en de onderscheidene instellingen tot meer
dan ééne der bij dit verslag overgelegde tabellen behoorden, werd die splitsing daarbij in acht genomen. Dit kon
evenmin als vroeger overal geschieden, en in dit geval
moesten wel de uitgaven en ontvangsten van deze en gene
soort van instellingen begrepen worden in de tabellen voor
eene andere soort bestemd.
In de kolom « a a n m e r k i n g e n ' ' op den r u g der tabellen
voorkomende, wordt vermeld, voor boevele en voor welke
instellingen deze omstandigheid zich voordeed.
Zahicii /clrokken uitkomsten der mrgèUgdt
tabellen ,
iiiliiiiidcnde de statistiek rau hel armmezen over 1875.
W a t den vorm van het verslag betreft, wordt verwezen
naar bladz. 12 van dat over 1807.
In plaats van de totalen der bevolking van de provincien zijn, zoo als hiervoren reeds is gebleken , weder gegeven
die der vier groepen van gemeenten naar het bevolkingscijfer a l ; : de gemeenten van 3000 en minder zielen, van
3001 tot 10 000, van 10 001 tot 20 000 en van meer dan
20 000 zielen.
De bevolking was op 31 December 1875 van dei
eerste groep
tweede »
derde
•
vierde
>
en dus van het Rijk . . .
Bij de mededeeling der volgende uit de tabellen en nota's
getrokken uitkomsten , is de wijze van bewerking van de
voorgaande verslagen behouden.
Nog zij opgemerkt, dat de toelichtingen en bijzonderlieden, in deze zamengetrokken uitkomsten niet opgenomen, voorkomen op den r u g der tabellen, waartoe ze
betrekking hebben.
1 167 818 inwoners.
1357 751
»
303 684
«80 274
»
3 809 527 inwoners.
De eerste groep van gemeenten behoort van verre weg
het grootste deel , tot wat men doorgaans plattelandsbevolking noemt; de tweede bevat mede voor het meerendeel eene verspreide of landelijke bevolking; de derde
bestaat grootendeels uit eene in kommen vereenigde (stedelijke) bevolking , terwijl eindelijk de laatste groep bestaat
uit de 18 grootste gemeenten (steden), met name Amsterd a m , Rotterdam, 's Gravenhage, Utrecht, Leiden, G r o n i n g e n , Haarlem, Leeuwarden, Maastricht, A r n h e m ,
's Hertogen bosch, Dordrecht. Delft, Nijmegen, Zwolle,
T i l b u r g , den Helder en Schiedam.
De aard der instellingen , waartoe de overgelegde tabellen betrekking hebben, zijn duidelijk op die tabellen
omschreven.
At ie instellingen van weldadigheid
gemeentebesturen te zamen.
In lo75 waren er, met uitzondering van de gestichten
Ommeraohana en Veenhuizen, van de instellingen der
Maatschappij van Weldadigheid en van de gestichten voor
krankzinnigen, 5309 instellingen. Daarvan behoorden er
1414 tot lit. a. 3245 tot lit. b, 602 tot lit. c en 48 tot
lit. d van art. 2 der wet op het armbestuur.
In voorgaande verslagen is steeds eene verzameling opgenomen van het getal personen die in de weldaden van
de verschillende soorten van instellingen deelden.
Zulk eene opgave volgt ook hier, waarbij echter, wat
de besturen voor huiszittende en schamele armen betreft,
moet gewaarschuwd worden tegen het maken van vergelijkingen met de aan 1867 voorafgegane jaren, omdat toen
door vele besturen alle leden van de bedeelde gezinnen als
zoovele ondersteunden werden medegeteld, en thans, even
als over de jaren 1867-1874, slechts opgave geschiedt van
het getal hoofden van huisgezinnen en eenloopende personen.
Het getal personen , die gedurende den winter levensmiddelen en brandstoffen ontvingen van de commissien of
vereenigingen ter uitdeeling daarvan, was evenmin als
vroeger bekend, omdat in den regel ieder inschrijver , naar
goedvinden, beschikt over het aantal kaartjes, waarvoor
hij inschreef.
Het cijfer van h e n , die in de weldaden der instellingen
deelden eu die regtstreeks van de gemeentebesturen onderstand erlangden, bedroeg:
Even als in de voorgaande verslagen duiden de letters
a, b, e e n d de onderscheiding naar art. 2 der wet van
28 Junij 1854 (Staatsblad n°. 100) aan, als volgt:
a. instellingen, door de burgerlijke overheid geregeld
en van harentwege bestuurd;
b. die van kerkelijke gemeenten, bestemd voor de armen
eener bepaalde godsdienstige gezindte, en van wege die
kerkelijke gemeenten geregeld en bestuurd;
c. die door bijzondere personen of door bijzondere niet
kerkelijke vereenigingen geregeld en bestuurd; en
d. die van gemengden aard, in welker regeling of
bestuur door de burgerlijke overheid, of van wege eene
Hoofden
van
huisgezinnen.
Door de gemeentebesturen regtstreeks ondersteund
i door de 1202 armbesturen a en d
4026 j > » 2729
»
b
) » »
95
»
e
.
.
.
Te zamen.
205
.
.
.
door het ééne genootschap tot ondersteuning van schamele
armen a
door de 132 genootschappen b
» » 72
»
c
Te zamen.
en de
Eenloopende
personen.
Te zamen.
5 034
3 227
8 261
39 367
68 131
3 487
23 382
37 482
1116
62 749
105 613
4 603
61980
172 965
29
8 026
5 012
36
2 042
1 132
65
10 068
6 144
13 067
3 210
16 277
110 985
1
Bijlagen E.
[122.
Tweede Kamer, u
2.]
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1875.
Kraamvrouwen.
58
door het ééne genootschap tot ondersteuning
van
behoeftige
kraamvrouwen a
566
door de 3 genootschappen b
118
»
» 54
»
c
3 602
Te zamen.
4 286
52
5 j » » 343
»
b .
.
11786
> » 218
»
c .
.
6 099
Te zamen .
27 006
in de 37 ziekenhuizen a en d
11707
22
* .
1714
► 15
c .
5 333
Te zamen,
18 754
Personen.
in of door de 13 instellingen tot
werkverschaffing aan behoeftigen,
met daartoe ingerig-te werkplaats e n , litt. a en d, is werk ver33 \ schaft aan
1 188
in of door de 5 idem b a a n .
.
.
198
» » >
.
.
466
» 15
>
c
» .
765
door de 6 idem b aan
609
»
Verpleegden.
) '
door de 7 instellingen tot werkverschaffing aan behoeftigen , op andere wijze ilan in daartoe ingerigte
werkplaatsen , litt. a en d, is werk
verschaft aan
» 39
»
2 038
3 412
Uit deze opgaven is met geene genoegzame naauwkeurigheid het totaalcijfer van het getal bedeelden of ondersteunden in het geheele Rijk zamen te stellen, zoowel
omdat het getal leden der gezinnen , die in den onderstand
deelden, niet kan worden g e k e n d , als omdat zeer vele
personen in twee en zelfs in meer tabellen zijn begrepen.
Dit is het geval niet allen, die voor rekening van besturen voor buiszittende armen werden verpleegd in gods-,
g a s t - of ziekenhuizen en in of door instellingen ter werkverschaffing aan behoeftigen , met de kraamvrouwen , verzorgd door daarvoor bestaande genootschappen , voor zoover
zij tevens behoorden tot de bedeelden van besturen voor
huiszittende armen of van genootschappen tot ondersteuning
van schamele armen , of die gedurende korter of langer
tijd in gast- of ziekenhuizen werden verpleegd en eindelijk met hen , die voor instellingen ter werkverschaffing
hebben gearbeid, zonder daarin gehuisvest te zijn g e weest, en die tevens in den loop van bet j a a r , g e durende langer of korter tijd , van deze of gene andere
instelling, hulp genoten. Voorts bevond zich onder de
verpleegden in de gods-, gast- of ziekenhuizen een niet
onbelangrijk getal personen , die niet tot de behoeftigen
behoorden, maar op eigen kosten of voor rekening van
hunne betrekkingen in die inrigtingen werden verzorgd.
De ondersteunden of verpleegden , zoo als zij hierboven
zijn opgegeven , werden niet allen gedurende het geheele
jaar onafgebroken ondersteund of verpleegd, maar velen
daarvan slechts één of meermalen , dus tijdelijk. Dit was
het geval met het volgend getal personen :
1852
Te zamen
c »
Te zamen
Verpleegden.
9 121
in de 184 godshuizen a en d
\
Personen.
Hoofden
Eenloopende
Te zamen.
van
personen.
huisgezinnen.
3 994
1725
5 719
24405
10 000
34 405
36 890
14 723
51613
2 617
636
3 253
63 912
25 359
89 271
7
6
13
de genootschappen b
6 407
1673
8 080
>
4 439
833
5 272
10 853
2 512
13 365
door de gemeentebesturen regtstreeks
door de besturen voor huiszittende armen a en d .
>
»
>
»
»
»
b
»
>
»
>
>
>
c
.
.
.
Te zamen .
door het eene genootschap voor schamele armen a en d
»
c
Te zamen .
1
Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877—1878"
[fff.
is
2.]
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1H75.
Kraamvrouwen.
door liet ééne genootschap tot het verleenen van onderstand aan behoeftige
kraamvrouwen a
door de genootschappen b
»
»
»
566
118
c
3 602
Te zamen
4 286
Zieken.
door de ziekenhuizen a en d .
in de ziekenhuizen bedroeg 18 754 tegen 17 333 in 1874
en was dus 1421 meer dan in laatstgenoemd jaar. In het
geheel was het verschil voor de godshuizen niet veel: de
instellingen a en d verpleegden echter 408 personen meer,
de instellingen b 82 en c289 minder dan in 1874. Behalve
in de oprigting van hot armenhuis te Amsterdam , lag de
oorzaak hoofdzakelijk in de rangschikking onder a van 5
instellingen te Doesburg en 4 te Kampen, die vroeger tot
c behoorden. Daarin is dus ook de oorzaak te zoeken van
het minder getal verpleegden door laatstgenoemde instellingen. Waaraan de vermindering van b is toe te schrijven , werd niet opgegeven.
Het getal personen in de ziekenhuizen meer verpleegd
dan in 1874, verdeelde zich als volgt:
11707
»
•
»
b .
.
.
1714
»
*
*
c .
.
.
5 333
door a en d
»
Te zamen
243
*
22
c
1 156
18 754
Dit was ook het geval met een Igrooter of kleiner aantal
personen, die door de andere soorten van instellingen
werden geholpen.
De vergelijking van het getal ondersteunden met dat
van 1874 levert de volgende uitkomsten op.
Het getal der door de gemeentebesturen, de besturen
voor huiszittende armen en de genootschappen voor schamele armen , ondersteunde hoofden van huisgezinnen (doorloopend en tijdelijk te zamen) is van 128168 in 1874
vermeerderd tot 129 086 in 1875 ; daarentegen daalde het
getal door die bestureu en genootschappen ondersteunde
eenloopende personen (doorloopend en tijdelijk te zamen)
van 70 517 in 1874 tot 68 417 in 1875. In laatstgenoemd
jaar werden derhalve 918 hoofden van huisgezinnen meer
en 2100 eenloopende personen minder, en dus in het geheel 1182 minder ondersteund dan in 1874.
Het getal der alleen tijdelijk door de gemeentebesturen,
de armbesturen en de genootschappen voor schamele armen
ondersteunde hoofden van huisgezinnen klom van 76 063
in 1874 tot 78 759 in 1875 en was dus 2696 meer; daarentegen daalde het getal der tijdelijk door de vermelde
besturen en genootschappen bedeelde eenloopende personen
van 31431 in 1874 tot 29 596 in 1875, en beliep dus
1835 minder.
Nog valt op te merken dat het getal der door de gemeentebesturen ondersteunde hoofden van huisgezinnen en
eenloopende personen (doorloopend en tijdelijk te zamen)
194 en dat der alleen tijdelijke 116 minderwas dan in 1874,
terwijl, wat de instellingen a en d betreft, die getallen
respectivelijk 295 en 978 in meer waren.
Hoewel bet aan te nemen i s , dat er bij de 4231 hiervoren gemelde instellingen , verscheidene zullen zijn g e weest, die ten gevolge van plaatselijke of andere omstandigheden meer behoeftigen dan in 1874 hebben ondersteund ,
verdient het echter opmerking dat in het geheel het getal
verpleegden in 1875 weder minder was dan in 1874.
Bepaalde redenen voor die vermindering op te geven , is
hoogst inoeijelijk. Waarschijnlijk heeft de reeds liiervoren
gemelde niet ongunstige toestand der arbeidende volksklasse tot de vermindering veel bijgedragen. Dat het getal
door a en d onderstende behoeftigen, ondanks de opheffing
van 9 instellingen van dien aard , meer was dan in 1874,
kan wel — althans voor een deel — daaraan worden toegeschreven , dat de kerkelijke instellingen zich meer en
meer vau de geneeskundige armenverzorging onthielden.
Uit liet feit, dat van de 2275 door het burgerlijk armbestuur te Maastricht ondersteunde hoofden van huisgezinnen
1997 alleen geneeskundige hulp genoten, is trouwens wel
af te leiden , dat de door de instellingen a en d ondersteunden , grootendeels alleen dien onderstand genoten.
Het aantal der. door de genootschappen tot het verleenen
van onderstand aan behoeftige kraamvrouwen, ondersteunde
kraamvrouwen bedroeg 4286 tegen 4255 in 1874 en was
d u s 31 meer.
Het getal verpleegden in de godshuizen bedroeg 27 006
personen tegen 26 969 in 1874 en was dus 37 meer; dat
dus te zameu 1 421 personen meer dan in laatstgenoemd
jaar. De toeneming voor a en d had grootendeels plaats
in de ziekenhuizen der groote gemeenten. De oorzaak daarvan werd , behalve uit Leeuwarden, niet opgegeven. Uit
die gemeenten is gemeld, dat het voornamelijk is toe te
schrijven aan de opneming van lijders aan besmettelijke
ziekten in het hulpziekenhuis aan het aldaar bestaande
gesticht verbonden. Opmerking verdient het, dat de verpleging van zieken door de instellingen c zoo belangrijk
is toegenomen, waaruit wel met eenigen grond is af te
leiden, dat het hoofdbeginsel der wet op het armbestuur
ook hierin vooruitgaande is.
Het getal personen, door de instellingen ter werkverschaffing geholpen, was, vergeleken met 1874, belangrijk
minder. Het daalde bij die met werkplaatsen van 2586
in 1874 tot 1852 in 1875 en bij die zonder werkplaatsen
van 3739 tot 3412. De verschillen in minder strekten zich
bijna over alle soorten van instellingen van dezen aard
uit. Grootendeels is dit toe te schrijven aan den hiervoren
besproken toestand van de arbeidende volksklasse. Er werd
gemeld, dat er over het algemeen veel werk gedurende
bijna het geheele jaar tegen goed loon te verkrijgen was.
Als ndtuurlijk gevolg daarvan moest het getal personen,
die gemelde instellingen werk verschaften, minder zijn dan.
in 1874, want alleen bij gemis aan gelegenheid om bij
particulieren werk te vinden, wordt van die instellingen
gebruik gemaakt.
Dat de instellingen a en d met werkplaatsen een verschil in minder van 590 personen opleveren, is ook althans
voor een ruim deel toe te schrijven aan de opheffing van
het werkhuis te Amsterdam.
De tabellen wijzen het bedrag a a n , wat regtstreeks
voor ondersteuning van behoeftigen is aangewend en de
inkomsten, waaruit die uitgaven hoofdzakelijk werden
bestreden.
Door de gemeentebesturen en de onderscheidene instelstellingen van weldadigheid, met uitzondering van die ter
werkverschaffing aan behoeftigen , werd voor onderstand
van allerlei aard f 10 637 211 uitgegeven. De reden dier
uitzondering is in de verslagen aangaande het armbestuur
over 1862 en vroeger medegedeeld.
In dit cijfer zijn niet begrepen de subsidien van de genieeiitebesturen aan instellingen van weldadigheid , noch
de subsidien van instellingen aan instellingen, omdat die
gelden op nieuw door de instellingen , die ze ontvingen,
zijn uitgegeven, en dus , zonder aftrekking , tweemaal in
rekening zouden worden gebragt.
Van gemelde som ad f 10 637 211 zou kunnen worden
afgetrokken , hetgeen door verschillende oorzaken, volgens
de ontvangen opgaven, in de onderscheidene tabellen tweemaal in uitgaaf werd g e b r a g t , en hetgeen werd uitgegeven
voor verpleging van niet-behoeftigen in g o d s - , g a s t - en
ziekenhuizen ; daartegenover staat echter, dat onder het
na te melden beloop der uitgaven voor onderhoud van
gebouwen enz., voor die van beheer en onder die van verschillenden aard (op de tabellen gebragt als u i t g a v e n ,
niet in andere kolommen vervat), wel een en ander zal
voorkomen , d a t , in strikten zin , kan geacht worden te
[122. 2.]
19
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
belmoren t o t , of in liet wezen der zaak gelijk te staan ,
i.met onderstand aan liehoeftigen verstrekt. Het is niet
mogelijk dit met jnistlwid te benalen. Waarschijnlijk zal
het niet veel verschillen van het beloop, dai anders van
den onderstand zou moeten worden afgetrokken. Door te
onderstellen , dat het eene genoegzaam tegen het andere
o p w e e g t , komt men der waarheid zoo nabij als bereik:baar is.
Van de som van f 1©<>37 211 werd voor onderstand
• uitgegeven door d e :
gemeentebesturen regtstoeeks
instellingen a en d
. . . .
. . . . . . .
f
.
3520046
4865817
e
1 175 152
4
De verstrekkingen had das plaats voor ruim /4, door de
•gemeentebesturen regtstreeks, voor ruim "/ 4 , door de burgerlijke en gemengde instellingen van weldadigheid, voor
.ruim 18/49 door de kerkelijke ea voor ruim 4/49 door de
bijzondere. Deze verhoudingen waren in 1874 ruim 4/4) ,
,ruim , 3 / 4 0 , ruim ,g / 4 , en bijna %.
De geheele onderstand bedroeg in 1874 f 10 638 8 3 1 ,
"waarvan werd uitgegeven door d e :
.
instellingen a en d . . . . . .
.
. (1) f
.
1058 688
3 486 351
b
4 886 724
c
1207 068
Uit de vergelijking tussehen beide jaren blijkt, dat die
uitgaven in 1875 voor d e :
gemeentebesturen regtstreeks . . .
en instellingen « en d
1
17 508 meer
33 695
»
Daarentegen voor d e :
instellingen b
»
c
in geld.
gemeentebesturen.
20 907 minder
31916
waren dan in 1874; terwijl in het geheel het verschil in
minder f 1620 beliep.
De vermeerderde uitgaven voor de gemeentebesturen
zijn vermoedelijk het gevolg der opheffing van eenige
burgerlijke armbesturen. Wel w a s , blijkens het biervoren
gemelde, aan een minder getal behoeftigen onderstand
verleend, maar de bij wijze van maatregel van politie uitgereikte bedeeliug* moest in vele gevallen ruimer zijn dan
in 1874.
Dat bet bedrag, door a en d voor onderstand uitgegeven,
ten gevolge der bovenbedoelde opheffing, in plaats van
minder, meer was dan in 1874, vindt zijne oorzaak i n d e
hiervoreu gemelde overbrenging van c naar a van 5 insteb
lingen te Doesburg en 4 te Kampen , zoomede in de oprigting van het armenhuis te Amsterdam. Het bestuur
van die inrigting gaf voor onderstand f 30 058 uit. Door
nu alleen die som af te trekken van het gezamenlijk bedrag
ad f 3 520 046, door a en d voor onderstand uitgegeven,
levert de uitkomst f 3489 988, een bedrag, door al Ie andere
instellingen a en d te zamen voor onderstand uitgegeven ,
reeds nagenoeg gelijk aan flat, daarvoor in 1874 verstrekt.
Uit de overbrenging van de bovengenoemde instellingen
v o l g t , dat de verminderde uitgaaf voor c daaraan hoofdzakelijk ia toe te schrijven.
Dat door b voor onderstand belangrijk minder was uitgegeven dan in 1874, lag meerendeels in de godshuizen,
ten behoeve waarvan in dat jaar vele meubels, l i g g i n g en kleedingstukken werden aangeschaft, wat in 1875 niet
zooveel plaats vond. De instellingen voor huiszittende armen
daarentegen g a v e n , blijkens het hiernavolgende, voor
onderstand enz. f 25 225 meer uit dan in 1874.
Van de som, door alle instellingen te zamen voor onder(1) In het verslag over 1874 is een drukfout geslopen, er staat:
f 1508 688; dit moet zjjn: f 1058688.
.
instellingen a en d .
1076196
b
gemeentebesturen r e g t s t r e e k s .
stand uitgegeven, ad f 10 637 2 1 1 , werd f 3 121696 in
geld en f 7 515 515 in geldswaarde verstrekt,
Die splitsing was voor de onderscheidene soorten van
besturen en instellingen , als v o l g t :
f
in geldswaarde.
121509
.
.
f
954 687
1010 367
.
.
2509 679
I .
.
.
1 893 264
.
.
2 972 553
c .
.
.
96 556
.
.
1078 596
De gemeentebesturen gaven dus in geldswaarde ruim
"M« > de instellingen a en d ruim " / 4 , , b ruim S4/4e en
c bijna *'/4,.
Vermits de onderstand, door de cominissien ter uitdeeling
van levensmiddelen en brandstoffen gedurende den winter,
door de genootschappen voor behoeftige kraamvrouwen,
door de g o d s - , g a s t - en ziekenhuizen verstrekt, geheel
of bijna geheel In geldswaarde bestaat, was de algemeene
reden, blijkens bet later volgende, geheel anders voor de
verschillende soorten van instellingen.
Behalve het gemelde bedrag voor onderstand werd n o g
door de gezamenlijke instellingen, met uitzondering van
die ter werkverschaffing en van de gemeentebesturen, u i t gegeven:
1°. door de instellingen a en d, voor welke alleen opgaven omtrent de onderscheidene hier volgende onderwerpen gevraagd konden worden:
voor gewoon onderhoud van gebouwen, gronden, meubelen en andere bezittingen, de verdere lasten, waarmede
de eigendommen en inkomsten bezwaard zijn, en voor alle
kosten van beheer
ï
845 536
voor renten van opgenomen of verschuldigde kapitalen
6 690
voor aflossing van kapitalen, belegging van
gelden, hetzij op hypotheek, hetzij door aankoop van vaste goederen , effecten, hetzij op
eenigerhande andere wijze, en voor de renten
op de aangekochte effecten, verschenen of
bijbetaald
927 708
voor subsidien aan andere instellingen van
weldadigheid
136 441
voor verschillende onderwerpen, niet in de
overige kolommen der tabellen begrepen (')
310 212
voor nadeelige saldo's van vorige dienstjaren
32753
2°.
*
c
door de instellingen b en c voor kosten van beheer
f
255 070
139 015
Onder de bovengemelde uitgaven van f 845 536 voor
gewoon onderhoud van gebouwen enz. en alle kosten van
beheer voor a en d zijn weder, even als vroeger, begrepen
de kosten van onderhoud enz. der godshuizen en ziekenhui/.en, namelijk die van de gestichten zelven, de daarin
voorhanden meubelen en kosten van beheer, welke in de
kolom 2 der tabellen 154 en 18/y gebragt en daar, onder
het hoofd » onderstand van allerlei a a r d " , gerangschikt zijn.
Daar de instellingen ter werkverschaffing niet in het
algemeen overzigt der uitgaven werden begrepen, zijn zij
mede niet opgenomen onder bet nu volgend algemeen
overzigt der ontvangsten.
Art. 10 der wet van 1854 sluit, met opzigt der insteb
lingen b en c, uit het vragen van andere opgaven van
(1) Hieronder z(jn ook begrepen alle kosten van \verkver»ehaffing aan armen, anders dan in de daarvoor bestemde instellingen
en zonder aftrek van de opbrengst van het werk.
[122. 2.]
20
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1875
ontvangsten, dan het bedrag der collecten, inschrijvingen
e n andere vrijwillige bijdragen en dat der subsidien.
Deze ontvangsten bedroegen voor de onderscheidene in•tellingen te u r n e n f 5 7 2 1 6 6 4 , a l s :
wegens collecten, inschrijvingen
bijdragen
en andere vrijwillige
f 3 215 231
en wegens subsidien
2 506 433
Daarvan werd ontvangen :
1°.
wegens collecten, enz.:
door a en d
f
*
b
2 564 897
»
c
511 564
te zamen . . .
2°.
a.
138 770
f
3215231
wegens subsidien:
van andere instellingen, door :
ö en d
f
94 900
l
352 032
c
17 320
464 252
b.
van gemeenten of provinciën, door:
a en d
f 1 927 121
b
104 178
c
10 882
De subsidien waren voor:
a en d
.f
22 117 meer;
b
1 873 minder;
c
6224
»
dan in 1874.
De vermeerdering voor a en d was het gevolg der o p rigting van het armenhuis te Amsterdam, aan welke
instelling in 1875 het belangrijk bedrag van f 35 931 als
subsidie is uitgekeerd. Daar, blijkens ontvangen inlichtingen, eene som van f 35 162 aan het in 1874 nog bestaande werkhuis aldaar in dat jaar is uitgekeerd , en de
subsidien aan werkinrigtingen , om de in de verslagen over
1862 en vroeger medegedeelde redenen , zoo als reeds is o p gemerkt , in 1874 evenmin als in dit verslag, in de hier
behandelde ontvangsten begrepen zijn , zoo volgt er uit
dat om eene juiste vergelijking te maken gemelde som ad
f 35 931 van het door a en d als subsidie ontvangene, ad
f 1 927 1 2 1 , moet afgetrokken worden. Het overblijvende ,
vergeleken met de subsidien door die instellingen in 1874
ontvangen, geeft dan voor a en d een verschil in minder
van f 13 814.
Uit een en ander volgt dus , d a t , in tegenstelling der opbrengst van de collecten, de ontvangen subsidien uit de fondsen i:er gemeenten of provinciën voor de verschillende soorten
van instellingen in 1875 veel minder waren dan in 1874.
Onder die subsidien , ten bedrage van f 2 042 181 , was
f 7004 van de provinciën en f 2 035177 (1) van de g e meenten.
Voor onderstand werd door alle instellingen te zamen
uitgegeven
f 9 561 015
Trekt men hiervan af het voormelde bedrag:
wegens collecten, enz.
.
. f
3 215 231
en wegens subsidien .
.
.
2 506 433
2 042 181
f 5 721 664
te zamen
Vergeleken
enz. voor:
met 1874, was de opbrengst der collecten
a en d
b
. . . .
f
,
c
dus in het geheel
i
9 681 meer.
54893
»
594
>
65 168 meer.
In zoo verre de redenen voor de vermeerderde opbrengst
der collecten , enz. zijn opgegeven, worden zij bierachter
bij de afzonderlijke behandeling der verschillende soorten
van instellingen medegedeeld. Hier zij echter opgemerkt,
dat in de meeste gevallen die redenen niet bekend kunnen
zijn. Toevallige omstandigheden oefenen veeltijds op die
soort van inkomsten een merkbaren invloed uit. Van daar
dan ook dat e r , onder het groote getal instellingen, verscheidene w a r e n , ten opzigte waarvan die bronnen van
inkomsten niet zoo ruim vloeiden als in 1874. Aandacht
verdient het echter, d a t , voor zooveel de instellingen b
betreft, die opbrengst weder aanmerkelijk hooger was dan
in het voorafgaande jaar en dat ook voor de instellingen c,
niettegenstaande den reeds gemeldeu overgang naar a,
van vele instellingen, hetgeen noodwendig belangrijken
invloed moest uitoefenen op het totaalcijfer der ontvangst,
die inkomsten ook hooger waren dan in 1874. Uit een en
ander zou wel met eenigen grond kunnen worden afgeleid dat in dit opzigt het streven tot naleving van het
hoofdbeginsel der w e t , » armenverzorging door kerkelijke
en bijzondere instellingen" , weder meer dan in 1874 te
bespeuren is.
Het gevoelen aangaan het naleven der wet wordt versterkt bij vergelijking, tusschen beide j a r e n , van de subsidien. door de gemeentebsturen en provinciën aan de
verschillende instellingen verstrekt.
5 721 664
dan blijkt dat uit de inkomsten van bezittingen van allerlei aard der instellingen van
weldadigheid en uit de opbrengst van aan
haar toegekende regten en andere inkomsten ,
in de uitgaaf is bijgedragen
f 3 839 351
Hieruit volgt, dat de onderstand bestreden werd voor
ruim ls / 40 door collecten, inschrijvingen en vrijwillige
bijdragen , voor ruim "/ 4 t uit subsidien en voor ruim 16/40
uit inkomsten van bezittingen en andere gewone inkomsten.
Die reden was in 1874 ruim l 3 / 4 0 , ruim 10/40 en bijna 17/40.
Het bedrag der inkomsten van bezittingen was alleen
(1) Door bü dit bedrag ad
te voegen:
f 2 035 177
1°. de subsidien aan de instellingen tot \verkverschaffing
19 048
2°. het subsidie van het gemeentebestuur van :
Kotterdam , aan het krankzinnigengesticht aldaar
Utrecht,
,
„
,
Deventer,
„
„
,
31 338
900
.
200
Zwolle, aan de armeninrigting aldaar tot gedeeltelijke
goedmaking der kosten voor de bjj die inrigting bestaandc bewaarscholen
„
3 579
Goirle, aan de inrigting voor onderwijs in vrouwelijke
handwerken aldaar
115
St. Michielsgestel, aan het doofstommen-instituut in
die gemeente
10
welke subsidien in de betrekkelijke tabellen als ontvangsten voorkomen , dan verkrijgt men het bedrag in
kolom 7 van tabel 2 vermeld ad
f 2 090 367
In 1874 was het f 2 118 615, zoodat er in het geheel in 1875
f 28 248 minder van de gemeentebesturen is ontvangen dan in eerstgenoemd jaar.
[122.
Bijlagen Ë.
2.]
Tweede Kamer. 21
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over J 8 7 5 .
bekend voor a en d. Deze instellingen gaven voor onderstand uit
f 3 520 046
en ontvingen:
wegens collecten enz . . f
138 770
Uit het vorenstaande volgt dat e r , even als vroeger,
een aanmerkelijk VANollU bestond tusschen de verhouding,
in welke, voor de burgerlijke, kerkelijke en
bijzondere
Instellingen , ieder der bedoelde hoofdbronnen van ontvnngst stond tot de uitgaaf wegens onderstand. Zij w a s :
wegens opbrengst van vor-
koebte voedingsmiddelen door
Collecten.
decoiniuissicniif' vereenigingen,
die gedurende den winter uitdeelingen doen var. levensmid»
delen en grondstoffen . . .
53
wegens subsidien van andere
instellingen
94 900
wegens subsidien van gemeenten en provinciën . . .
1927 121
wegens inkomsten van bezittingen en toegekende regten.
2 494 934
Subsidien.
Voor dei
instellingen a en d bijna
»
4G55 778
b
'/«o,
ruim " / . o ,
bijna
5S
»
4
/ 40 ,
BigOU
inkomsten,
ruim "/«„ (!)
l,o,
»
"/«
c
»
»
"/«>.
»
' / « . l'ij'" 1 "l™
Het groot verscbil in de reden der collecten enz., tusschen
de onderscheidene soorten van instellingen onderling, ontsproot hoofdzakelijk uit dezelfde oorzaken , die daarvoor
in vroegere verslagen zijn opgegeven»
Het verscbil in omgekeerden zin in de reden der subsidien stond met dat der collecten in naauw verband.
Er werd nog door de instellingen a en d ontvangen:
Verscbil
.f
1 135 732
In 1874 overtroffen die ontvangsten bet bedrag , voor
onderstand uitgegeven , met f 1007 403. Het verscbil was
dus aanmerkelijk booger in 1875 dan in bet voorafgaande
jaar.
De onderstand, door de instellingen b verstrekt, beliep
f 4 865 817
Deze instellingen ontvingen:
aan collecten , enz. . . . f 2 564 897
wegens erfstellingen, legaten en schenkingen f
21791
opgenomen gelden
22 134
erlangde aflossingen van hypotheken, koopprijzen van verkochte vaste goederen en te gelde
gemaakte inschulden, effecten en andere bezittingen en de daarop verschenen en ontvangen
renten
t e r u g ontvangen kosten van verpleging in
gods- en gast- of ziekenhuizen van:
aan subsidien van andere instellingen van weldadigheid .
352 032
a. de verpleegden zelven of van andere particulieren
f 136 821
aan subsidien van gemeenten , enz
104 178
b. gemeenten of van andere instellingen van weldadigheid . . .
3 021107
c.
Voor deze werd dus uit eigen inkomsten
aangevuld
bet Rijk en de provinciën.
.
81 945
3 647
222 413
1844 710
f
4 865 817
Deze aanvulling beliep in 1874 de som van f 1 953 602.
De onderstand, door de instellingen c verstrekt, beliep
f 1 175 152
Deze instellingen ontvingen:
aan collecten, enz. . . . f
511564
682 323
verschillende onderwerpen , niet in de vorige
ontvangsten begrepen (2)
190 752
voordeelige saldo's van vorige dienstjaren
849 881
De erfstellingen en legaten strekten grootendeels ter vermeerdering van de bezittingen, want aan de m a g t i g i n g
tot aanvaarding daarvan werd voor de instellingen n en d
genoegzaam altoos de voorwaarde verbonden van rentegevende belegging volgens art. 15 der wet op het armbestuur.
aan subsidien van andere inDe opgenomen gelden en erlangde aflossingen , e n z . ,
17 320
stellingen van weldadigheid .
behoorden, even als de uitgaven wegens aflossingen , enz.,
tot de kapitaalsrekeningen. Uit den aard der zaak leveren
aan subsidien van gemeenten
10 882
die ontvangsten en uitgaven van het eene jaar tot bet
539 766
andere aanmerkelijke verschillen op.
De ontvangsten in de tabellen vermeld a l s : » alle in de
Voor deze werd dus uit eigen inkomsten,
vorige kolommen niet begrepen ontvangsten''. werden
enz. aangevuld
f
635 386
mede gebruikt ter voorziening in de behoeften. Een gedeelte
daarvan
heeft gestrekt tot dekking van uitgaven voor
Als boven .
.f
1 175 152
onderstand.
De voormelde zamengetrokken uitgaven en ontvangsten
worden nader gesplitst bij de volgende afzonderlijke b e In 1874 bedroeg de aanvulling de som van f 662 369.
bandeling der ontvangsten en uitgaven van de burgerlijke
Wanneer men nu bij die voor 1875 aangevulde sommen ; gemeenten, in zake armwezen, en van de onderscheidene
voegt bet bedrag der uitgaven wegens kosten van beheer j soorten van instellingen. Die besturen en instellingen,
der instellingen b en c, welke mede uit eigen inkomsten \ waartoe de tabellen 1—26 betrekking hebben, geven, in
moesten worden best reden , dan volgt daaruit, dat deze
verband met den inhoud dier tabellen en de verdere te
eigen inkomsten in 1875 minstens bedroegen:
haren aanzien ontvangen berigten, stof tot de hieronder
bij de afzonderlijke behandeling van iedere soort van i n voor de instellingen b
f 2 099 780
stellingen volgende opmerkingen, mededeelingen en ver» >
>
c
774 401
gelijkingen , ook in verband met hetgeen op den r u g der
tabellen ter toelichting voorkomt. Die toelichtingen zijn,
Dus te zamen . . .
f 2874181
Daar zij van de instellingen a en d waren
2 494 934
(1) Het meerdere der inkomsten voor a en d heeft gestrekt ter
beliepen zij dus van al de instellingen
voorziening in andere uitgaven.
te zamen minstens
f 5 369 115
(2) Hierbij /.(jn gevoegd alle opbrengsten van de donr wcrktegen
5 354 044
verscliafting aan armen, anders dan in daarvoor bestemde instelin 1874.
lingen , verkregen en verkochte voorwerpen.
Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877—1878.
2.]
[122.
22
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5
voor KOOVM] II en 0 betreft, niiinler volledig, omdat de
bmtUTOll dezer instellingen naar de wet tot het verstrekken
d a a r n a niet verpligt zijn en niet ulle genegen zijn om ze
onverpligt te geven.
Do vergelijkingen met vroeger worden , behoudens enkele
uitzonderingen, noodig voor de beantwoording der door
de Commissie uit de Tweede Kamer gedane vragen, beperkt tot het jaar 1874, even als do vergelijkingen van
dat jaar in het vorige verslag tot 1873 beperkt waren.
De redenen, waarom de vergelijkingen van dit en de acht
vorige jaren met 1866 en vroeger tot verkeerde gevolgtrekkingen aanleiding zouden geven, zijn vermeld in het
verslag over 1867, bladz. 15, waarnaar wordt verwezen.
Gemeen tebes turen.
Volgens art. 22 der armenwet wordt daar, waar geen
burgerlijk of algemeen of gemengd armbestuur bestaat,
Óp de aanvragen om onderstand door het gemeentebestuur
beslist. Dm dus eene volledige statistiek te verkrijgen,
moeten de op die wijze regtstreeks door de gemeentebesturen ondersteunden en de daarvoor regtstreeks gedane
uitgaven en ontvangsten mede in de tabellen voorkomen.
De tabellen 1 en 2 vernielden een en ander. De laatste
bevat, wat de uitgaven betreft, die door gemeenten ged a a n , van onderstand van allerlei nard, voor de bezoldig i n g van genees-, heel- en verloskundigen, voor kosten
van verpleging van behoeftige krankzinnigen in gestichten
en voor het begraven van armen, alle welke uitgaven
voor verreweg het grootste gedeelte regtstreeks uit de
gemeentekassen worden bestreden, en vereenigd met de
uitgaven der burgerlijke en gemengde instellingen, den
boven reeds medegedeeld en omvang van den geheelen
plautselijken en burgerlijken arinenlast in Nederland doen
kennen.
In gemelde tabel 2 zijn de subsidien aan instellingen
van weldadigheid mede opgenomen, welke bij eene afzon*
derlijke behandeling der gemeente-uitgaven, in zake het
a r m w e z e n , in aanmerking kunnen komen, daar, zoo als
reels is opgemerkt, die gelden natuurlijk op nieuw als
kosten van onderstand enz. onder de uitgaven der instellingeu voorkomen.
De verhouding van het getal regtstreeks door de gemeentebesturen tot dat der door de armbesturen ondersteunde personen , hangt geheel af van de gebruiken in
de verschillende provinciën en gemeenten en van de overeenkomaten tusschen de beide soorten van besturen daaromtrent aangegaan. Dp grond hiervan heeft eene afzonderlij ke behandeling van de cijfers der regtstreeks uit de
gemeentekassen bedeelde personen minder waarde en zijn
deze cijfers, hoewel afzonderlijk, met de door de burgerlijke en gemengde instellingen ondersteunden in ééne tabel
(tabel \) vereenigd.
G E M E E N T E N
van :
Van meer belang voor eene afzonderlijk beschouwing
zijn de uitgaven en ontvangsten der gemeenten, in zake
het armwezen , zoo als die in tabel 2 voorkomen.
Om de hoegrootheid der uitgaven door de gemeentebesturen , te dier zake gedaan , te kennen , moet het bedrag in kolom 8 van gemelde tabel 2 , ad . f
3 166 563
verminderd worden met de daartegen overstaande ontvangsten, kolom 1 3 , ad . . .
waaruit blijkt, dat het armwezen in 1875
aan de gezamenlijke gemeenten heeft gekost . f
2 928 971
of f 0,77 per inwoner, berekend naar de bevolking op 31
December 1875.
In 1874 waren de kosten f 2 956 527 of f 0 , 7 8 ' per inwoner.
Wanneer men deze berekening toepast op de groepen
der gemeenten naar het zielental, dan blijkt daaruit, dat
in 1875 alle kosten van armenzorg, na aftrek der ontvangsten , vermeld in kolom 13 van genoemde tabel, beliepen in de gemeenten v a n :
3000 en minder zielen f
467 638 of f 0,40 per inwoner;
3001 — 10 000
»
906 442 •
0,6(1 • »
10 001—20 000
»
322 6 9 2 »
1,06
meer dan 20 000
•
1232199 »
»
,
»
1,25' »
Daar deze cijfers in 1874 per inwoner bedroegen f 0 , 4 0 ' ,
f 0,68, f 1,12 "en f 1,28', volgt daaruit dat de uitgaven
voor alle kategorien van gemeenten lager waren dan in
dat jaar.
Per inwoner bestaat er tusschen de vier kategorien van
gemeenten onderling eene groote wanverhouding in de
kosten voor het armwezen. Eene nagenoeg gelijke w a n verhouding is echter ook waar te nemen in de vroegere
verslagen aangaande het armbestuur. Zij geeft aanleiding
tot het beantwoorden der opmerking van de meergemelde
commissie, dat »het verschil in het bedrag der kosten
van de armenverzorging in verhouding tot de bevolking
opvallend groot i s " ; en verder, dat »in gemeenten boven
de 20 000 zielen de kosten, per inwoner berekend, ongeveer
drie maal het bedrag beliepen, waarop ze te staan kwamen
in gemeenten van 3000 zielen en daar beneden". Te regt
merkt de commissie daarbij op dat » het verschil gezocht
moet worden in de kosten van verpleging van krankzinnigen in gestichten en van het bedrag der subsidien
door de gemeenten aan de verschillende instellingen van
weldadigheid verleend", want de uitgaven per inwoner
berekend waren in 1875 voor:
Onderstand
Kosten
met inbegrip van
van verpleging
geneeskundige
van k r a n k hulp en kosten
zinnigen
van begrafenissen
in gestichten ,
en na aftrek der
na aftrek der
terugontvangen
bijdragen ,
gelden,
door
het Rijk en
krachtens de
de
provinciën
artt. 49—52 der
verstrekt.
wet.
f
237 592
0,15
f
0,05'
Subsidien.
f
0,19'
Totaal.
f
0,40
3 0 0 1 - 1 0 000
»
0,15
0,06»
0,45
0,66'
10 0 0 1 - 2 0 000
»
0,16
0,08
0,82
1,06
meer dan 20 000
>
0,07
0,16'
1,02
1,25'
[122.
2.]
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
Do commissie v r a a g t :
» Waarom is het getal van d e in de gestichten verpleegde
krankzinnigen in da grootere gemeenten vergelijkenderwijs,
zoo buitengewoon groot ? "
en
» Waaraan is de vrij sterke, maar toch onregelmatige
progressie in het bedrag der subsidien aan de instellingen
van weldadigheid te wijten ? "
Volgens liet gevoelen van onderscheidene collegien van
Gedeputeerde Staten , ligt de oorzaak van het in de eerste
vraag bedoeld verschil hoofdzakelijk in de omstandigheid,
dat de bewoners van het platteland veel meer dan die van
groote gemeenten, krankzinnigen in eigen woningen verplegen , en niet dan bij dringende noodzakelijkheid tot
plaatsing in geneeskundige gestichten overgaan.
Ten plattenlande toch kan de verpleging gemakkelijk
en bijna tonder gevaar geschieden, want de woningen
zijn er veelal ruimer dan in groote gemeenten en meerendeels gyilijkvloers. Zonder aanstoot te geven of hindernis
te veroorzaken , kunnen bovendien personen , in geringe
mate lijdende aan krankzinnigheid, zoo ook idioten, langs
de wegen gaan en zijn daardoor veeltijds tot vekl- en
anderen arbeid, onder toezigt, met gunstig gevolg te
bezigen. Hierbij komt dat de verpleging aan huis veelal
weinig kost aan kleeding- en liggingstukken en dat aan
de voeding van een persoon meer of minder, wegens het
bebouwen voor eigen rekening van eenige aren grond en
het mesten van een stuk vee, door bijna eiken minvermogende zelden veel waarde gehecht wordt.
Van deze omstandigheden schijnen de besturen van
kleine gemeenten , bevreesd als zij zijn voor stijging der
kosten van het armwezen , gebruik te maken ; zij geven
voor de verpleging van behoeftige krankzinnigen, die niet
gevaarlijk zijn, bij bloedverwanten een ruimen onderstand
of besteden ze bij andere particulieren , in stede van plaatsing in een geneeskundig gesticht, waaraan, zelfs lij het
ontvangen van een subsidie van het Kijk en de provincie,
ter gedeeltelijke bestrijding der kosten , tccli altijd meer
uitgaven verbonden zijn.
Tegen die uitgaven zien daarentegen de besturen van
groote gemeenten veelal niet o p , omdat zij overtuigd zijn,
dat verpleging aan h u i s , zelfs van personen die in geringe mate krankzinnig zijn , door het digt ineen wonen
der bevolking, groote moeijelijk heden baart, vele gevaren
oplevert en menigwerf tot Idagten aanleiding geeft,
waarbij dan nog k o m t , dat vele minvermogenden in die
gemeenten , welke zich schamen om onderstand te vragen,
er niet te^en op zien dat hunne krankzinnige bloed verwanten voor rekening der gemeente in gestichten worden
verpleegd.
Behalve op bovengemelde omstandigheid , wordt door
sommige gemeentebesturen ook gewezen op de levenswijze
ten plattenlande, die in den regel gezonder, eenvoudiger
en minder kommervol i s , waardoor in die gemeenten de
gevallen van krankzinnigheid welligt minder talrijk voorkomen dan in de steden; alsmede op het vestigen uit
kleinere in grootere gemeenten van dienstboden en werklieden , die , bij krankzinnigheid , vóór de invoering van de
gewijzigde armenwet, voor rekening van de geboorteplaats
in gestichten opgenomen , na dat tijdstip voor rekening
van de woonplaats daarin geplaatst worden.
Een en ander heeft veel tot het verschil, waarop de
gemelde Commissie uit de Kamer de aandacht vestigt,
bijgedragen.
Gedeputeerde Staten van Zuidholland zijn echter van
oordeel, dat de vraag het meest afdoende uit een genees*
kundig oogpunt te beantwoorden is.
De Regering heeft ook het gevoelen van de inspecteurs
der gestichten voor krankzinnigen dienaangaande ingewonnen en acht het daarop ontvangen antwoord belangrijk
genoeg om het hier in zijn geheel te laten volgen.
Het luidt:
» Waarschijnlijk is er meer dan ééne reden waarom het
getal van de in de gestichten verpleegde krankzinnigen
uit de grootere gemeenten vergelijkenderwijs zoo buiten-
gewoon groot ia.
» Blijkens da verslagen onzer voorgangers zijn de krank*
ziiinigcngesticliten bier te lande steeds meer door bewoners
van grootere gemeenten dan van kleinere bevolkt geworden ; in het verslag over de jaren 1860—1862 (bladz 151)
werd opgemerkt dat de verhouding der landbouwers gedurende de laatste tien jaren , met de vorige tien jaren vergeleken, met 10 pet. vermeerderd was ; hiertoe zou hebben
bijgedragen dat voor Noordbrabant in den loop van het
tweede tijdvak besloten i s , voor de verpleging van alle
arme krankzinnigen subsidien uit provinciale fondsen aan
al de gemeenten te verstrekken , waaruit ook het verleenen
van Rijksbijdragen is voo; tgevloeid, en dat ook voor Limburg in de laatste tijden in dit opzigt met eenige meerdere
mildheid dan vroeger werd gehandeld , dat hierdoor en
ten gevolge van strengere waakzaamheid tegen het mishandelen van krankzinnigen buiten gestichten , de plaat*
sing van zulke ongelukkigen , op het platteland behoorende , toegenomen is. In de verslagen van het gesticht
te Zutphen (18Ö8—1860) die als bijlagen tot de notulen
van de vergaderingen der Staten van Gelderland gedrukt
zijn , is medegedeeld over 1838 , dat uit de steden 1 krankzinnige op 650 inwoners en van het platteland 1 op 2200
inwoners, en over 1859 en 1860 dat uit de steden 1 krank*
zinnige op 650 en van de landelijke gemeenten 1 op 1700
inwoners in het gesticht verpleegd werd. Maar ook in
andere landen doet zich hetzelfde verschijnsel voor; onder
anderen lezen wij in het tweede verslag der commission
permanente d'inspection des établissements d'aliénés en
Belgique (bladz. 7 ) , dat in de steden 1 krankzinnige op
476 en in de landelijke gemeenten 1 op 1368 inwoners
voorgekomen was. Het verschijnsel op zich zelf kan dus
geene verwondering wekken , en waarschijnlijk is meer dan
eene oorzaak daarvoor te vinden , zoo als wij in den aanhef
reeds opmerkten.
Uit de toelichting die omtrent de aanleiding der vraag
gegeven werd . blijkt dat de Commissie uit de Tweede
Kamer, die haar opperde, het oog had op behoeftige
krankrinigen. Uit de cijfers van betaalde verpleegkoaten
voor behoeftige krankzinnigen uit volkrijke en uit minder volkrijke gemeenten , was gebleken dat die k o s ten in eerstbedoelde gemeenten aanmerkelijk grooter
waren.
Eene der redenen , die daartoe leiden , is , naar ons oordeel, gelegen in de omstandigheid dat alle krankzinnigengestichten in of nabij groote steden gelegen zijn, zuodat
het vervoer derwaarts niet bezwaarlijk i s , en in de daaruit
sedert jaren ontstane gewoonte om de behoeftige krankzinnigen na ir een gesticht ter verpleging te zenden. Utrecht,
Rotterdam, Delft, 's Gravenhage, Dorlrecht, Deventer,
Maastricht, 's Hertogen bosch , Franeker, hebben gesttch*
ten binnen hare muren, Amsterdam en Haarlem in hare
nabijheid, terwijl Amsterdam nog een afzonderlijk gesticht
voor Israëliten binnen haren omtrek bezit. Men besluit
daar gemakkelijker dan in van gestichten verwijderde
plaatsen om de krankzinnigen naar een gesticht te zenden,
gelijk reeds daaruit blijkt dat uit de provinciën, waar
geene gestichten zijn , het kleinste getal krankzinnigen
in gestichten verpleegd wordt, niet uitzondering alleen
van Drenthe.
Bene andere reien komt ons voor gelegen te zijn in bet
verschil van de toestanden in de steden en op bet land.
Veel gemakkelijker dan in steden kan men op het land
een krankzinnige te huis verplegen. In steden kuunen
vele krankzinnigen bezwaarlijk buiten 's huis verkeeren.
Zij strekken daar tut bespotting van kinderen of min beschaafden, geven daardoor en door hunne handelingen ligt
aanleiding tot ongeregeldheden en oploopen en komen in
gevaar een ongeluk te krijgen. Ook bevordert de politie
in de steden de overbrenging van krankzinnigen naar de
gestichten. Buiten kunnen de meeste krankzinnigen bij
goed weder de lucht genieten, soms eenigen arbeid verrigten , en daar kan meestal beter dan in steden toezigt
in huis op hen gehouden worden , omdat de behoeftigen in groote steden veelal hunne werkzaamheden
buiten 's huis hebben, op het land meer in of nabij het
huis.
Uit de navolgende talxd blijkt dat in provinciën, waarin
groote steden en ruime krankzinnigengestichten zijn, het
(122. 2.J
24
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1875.
aantal behoeftige krankzinnigen, die in gestichten verpleegd
worden, veel grooter is dan in andere provinciën.
De volgende tabel geeft daaromtrent inlichting.
Bevolking
Aantal behoeftige
krankzinnigen op 3t Dcc.
1875 verpleegd
Van 100 behoeftige
krankz innigen
werden verpleegd
op
PROVINCIËN.
31 J)ec 1875.
Op 3) l)ec. 1875
Op 100 000
waren
inwoners waren
behoeftige
op 31 D M . 1875
krankzinnigen
behoeftige
bekend.
krankzinnigen
PROVINCIËN.
in
gestichten.
buiten
gestichten.
in
gestichten.
buiten
gestichten.
Noordbrabant.
451 095
748
165
Gelderland.
.
448 820
683
152
Noordbrabant. .
418
330
55.8
44.2
Zuidholland .
748 162
871
116
Gelderland . .
350
333
51.2
48.8
Noordholland.
629 345
826
131
Zuidholland.
.
650
221
74.6
25.4
Zeeland.
. .
185 628
206
110
Noordholland .
741
85
89.7
10.3
Utrecht.
. .
184 084
300
162
Zeeland . . .
79
127
38.3
61.7
Friesland . .
313 804
361
114
265 144
Utrecht
. . .
231
69
77
83
Overijssel . .
291
109
238 662
263
110
. .
197
164
54.5
45.5
Groningen.
. .
158
133
54.2
45.8
Drenthe
. .
112 221
94
83
Groningen . .
119
144
45.2
54.8
Limburg . .
232562
410
176
Drenthe . . .
50
44
53.1
46.9
Limburg . . .
272
138
66.3
33.7
Friesland.
Overijssel.
Er zou eindelijk nog eene derde oorzaak kunnen zijn.
Indien de aanleidende oorzaken tot het ontstaan van
krankzinnigheid bij behoeftigen in groote steden menigvuldiger waren, zouden er aldaar in reden tot de beTolking meer krankzinnigen zijn, en dan ware daarin een
reden te vinden voor de betrekkelijk hoogere vcrplegingskosten die voor behoeftige krankzinnigen worden betaald.
1870.
Uit deze tabel blijkt dat krankzinnigheid onder behoeftigen in provinciën met groote steden in het algemeen
niet menigvuldiger is dan in de andere provinciën. Het
aantal dier krankzinnigen immers, in verhouding tot de
bevolking, is in Noord- en Zuidholland lager dan in Noordbrabant, Gelderland, Utrechten Limburg, doch ietshooger
dan in Zeeland, Friesland, Overijssel, Groningen en Drenthe."
Ter beantwoording der tweede vraag strekt het volgende:
De subsidien uit gemeentefondsen aan instellingen van
weldadigheid verleend, zijn sedert de invoering van de
wijzigingswet allengs minder geworden.
Zij waren in :
1872.
1871.
1873.
1874.
187 5.
In de gemeenten van de:
f
356 917
333 593
311045
f
263 961
. . . .
2de
»
. . . .
729 884
706 560
661384
636 023
626 579
612 199
3de
>
. . . .
334 394
294 586
268 334
234 812
253 599
248 363
4de
»
. . . .
915 372
989 023
998 431
1 016 887
1 000 434
1001 683
. . . .
f 2 336 567
f 2 323 762
f 2 239 194
f 2151683
f 2118614
f 2 090 367
en in het geheel
f
f
1ste kategorie
Dat de subsidien, door de gemeenten der 4de kategorie
verstrekt, in tegenstelling der overige waren toegenomen,
is aan de ziekenhuizen toe te schrijven. Die instellingen ,
althans die van a en d, ontvangen meestal subsidien naar
gelang der behoeften, en deze behoeften waren in de laatste
jaren, ten gevolge van het steeds grooter getal verpleegden,
niet weinig toegenomen.
De door de Commissie bedoelde wanverhouding in de
subsidien , per inwoner berekend , bleef echter bij voortduring tusschen de vier kategorien van gemeenten onderling, in meerdere of mindere mate bestaan.
f
238 002
f
228122
De verhouding per inwoner was, in :
1870.
in de 1ste kategorie
f
0,31
1873.
f
0,23
1875.
f
0,19»
» » 2de
>
0,55'
0,48
0,45
>
3de
>
1,09'
0,82
0,82
> » 4de
»
1,00
1,07
1,02
>
[122.
BUIagen E.
2.]
Tweede Kamer. 25
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
Uit die cijfers blijkt dut het bedrag in de vierde kategorie,
per inwoner berekend, grooter is dau dat in de eerste:
in 1870 bijna
3.23 maal,
» 1873 ruiin
4.(55
1875
»
204 809
2de
»
524 023
3de
»
192 388
4de
»
352 990
als boven
.
f
1274 370
doch in diezelfde tabel 3 b , kolom 1 , is tevens te vinden,
dat de renten van effecten en van uitstaande kapitalen,
huv.r- e:i pnehtpsrmingen , enz. waren :
voor de instellingen der 1ste kategorie
f
der onderscheidene kerkgenootschappen , bijzondere uiterfof van bijzondere, niet-kerkeUjke, vereenigingen ontsproten
Hoewel de gemelde wanverhouding , althans gedeeltelijk ,
is toe te schrijven aan de ruime gelegenheid voor minvermogenden ten platten lande oir. voortdurend werk te krijgen
en dus in eigen behoefte te voorzien , ten gevolge waarvan
de besturen 'Ier instellingen van weldadigheid aldaar
meestal niet veel onderstand behoeven uit te reiken en
daardoor minder subsidie noodig hebben ; zoomede aan de
omstandigheid , d a t , blijkens kolom 1 en 2 van tabel 2 ,
de kleine gemeenten meer regtstreeks bedeelen dan de
groote, waarbij dan nog gevoegd kan worden, dat in
sommige groote gemeenten op het gebied van bet a r m wezen veel meer gedaan wordt dan ten platten lande,
bestaat er nog eene andere meer afdoende oorzaak van die
wanverhouding, welke, zoowel in het verslag aangaande
het armbestuur over 1873 als in dit verslag te vinden is.
Reeds hiervoreu werd opgemerkt, dat een aanzienlijk deel
der door de gemeentebesturen verstrekte subsidien tengoede komt van de ziekenhuizen. Blijkens de aanmerkhv
gen , op den r u g van tabel 2 vermeld en de tabellen 18 c
en 20 was van het in 1875 uitbetaald bedrag voor s u b sidien , groot f 2 090 3G7 de belangrijke som van f 454 038
aan die inrigtingen uitgekeerd. Een ander deel, een bedrag uitmakende van f 1 274 270, dus meer dan de helft
van de bovenvermelde f 2 090 367 , is , als subsidie , aan
de burgerlijke armbesturen verstrekt. Kolom 5 van tabel
3 b wijst aan , dat gemelde s o m , ad f 1 274 270 zich verdeelde , als volgt:
f
Deze besturen (tabellen 1 , 3a , '3b , 4 en 5) bestonden
uit burgerlijke en algemeene armbesturen, gemengde armbesturen, weezen-armbesturen , diaconien of armbesturen
niaking of uit andere handelingen van bijzondere personen
5.23
lste kategorie
Btitvren voor huittittende
595 093
»
»
»
»
2de
»
269 207
»
»
»
»
3de
»
56 878
»
»
»
»
4de
»
279 622
besturen , die geene gestichten bezitten en dus niet tot de
godshuizen behooren , en enkele besturen, die niet bepaaldelijk onder eene of andere dezer onderscheidene omschrijvingen kunnen worden gerangschikt.
Da uitkomsten van liet beheer der besturen voor huis-
zittende armen en van de godshuizen verdienende meeste
aandacht, omdat zij den voornaainsten leiddraad opleveren
ter beoordeeling of de last der armoede toeneemt of vermindert.
Het aantal dezer instellingen was gelijk aan in in 1874
en bedroeg dus 4026 , waarvan er in 1875 tot a en d 1202,
tot b 2729 , tot 0 95 en in 1874 tot a en d 1209 , tot b
2723 en tot c 94 behoorden.
Het aantal instellingen a en d verminderde derhalve
met 7 ; daarentegen vermeerderde dat van b met 6 en van
0 met 1.
Deze verschillen zijn veroorzaakt,
voor zooveel betreft:
de instellingen a en d:
door de oprigting van een algemeen of burgerlijk armbestuur te noodkerk , gemeente Dantumadeel en de veranderde rangschikking van de instelling de Valeweerd te
Doesburg; en
door de opheffing van de burgerlijke armbesturen te
Werkendam , Woudenberg , Hoogvliet, P o o r t u g a a l , Rijswijk , Noordwijkerhout , Klooster-.Ynjum , Schingen en
Slappeterp; de drie laatsten zijn vereenigd met die te
Berlicum , Dronrijp en Menaldum ;
de instellingen b:
door de oprigting van een Roomseh-katholijk parochiaal
armbestuur voor het rectoraat der H. Anna te Molenschot,
gemeente Gilze, van een Israëlitisch armbestuur te Hengelo,
(Gelderland), van diaconie-armbesturen der Christelijk
Gereformeerde gemeente te Spijkenisse, Monster, Waddinxveen , Beverwijk , Lopik en Rijssen , van een Roomschkatliolijk armbestuur van O. L. Vrouwe voor de buiten*
armen te Utrecht, en van een Roomseh-katholijk parochiaal
armbestuur te Wittem ; en
door de opheffing van het Hervormd armbestuur te
Eschmarke, gemeente Lonneker, door de vereeniging van
bet Roomseh-katholijk armbestuur te Zoetermeer met dat
te Zeg waart , zoomede door de overbrenging van het
Hervormd armbestuur te Kallenkole, gemeente Steenwijkerwoud naar c:
de instellingen c:
Hieruit volgt dus , dat de instellingen der 1ste kategorie
veel uit eigen inkomsten konden bestrijden , en dus min*
der subsidie noodig hadden dan die in de 2de kategorie,
van welke de inkomsten, niet de helft bedroegen van die
der eerste. Daar dit mede het geval is niet de twee andere
kategorien van gemeenten , wanneer daarbij de bevolking
in aanmerking genomen wordt, dan is daaruit met grond
af te leiden, dat de renten van effecten , enz. van de burgerlijke armbesturen hoofdzakelijk de oorzaak zijn van de
vrij sterke, maar toch onregelmatige progressie in het
bedrag der subsidien.
door de bovengemelde overbrenging van het Hervormd
armbestuur te Kallenkote, de oprigting van eene instelling
te 's Gravesande; en
door de rangschikking van de stichting Valeweerd
Doesburg onder die van a.
De gezamenlijke armbesturen
gL'iid getal personen :
Bijblad van de Nederlaudsche Staats-Courant. 1877—1878.
te
ondersteunden het vol-
[122. 2J
20
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1875.
Gedurende liet gcheele jaar
onafgebroken.
Hoofden van Kenloopende
huisgezinnen.
personen.
> 2729 *
Te zamen
.
.
In den loop van het jaar
eens of meermalen.
Hoofden van
huisgezinnen.
.. .
personen.
Hoofden van
huisgezinnen.
Kenloojiende
personen.
14 962
13 382
24 405
10 000
39 367
23 382
31 241
22759
38 890
14 723
68131
37 482
880
480
2 617
636
3 487
1 116
47 073
36 621
63 912
25 359
110 985
61980
83 394
Tegen
Benloopende
Te zamen.
36 905
48 245
172 965
89 271
85 150
•
27173
60 994
88167
64 078
109 239
173 317
in 1874.
Onder de som van f 979 301, door a en d in geldsUit deze cijfers blijkt, dat het getal verpleegde personen
in 1875 niet veel verschilt met dat in 1874. In liet geheel
waarde verstrekt, is begrepen f 15 384 , in 1875 voor
was het 352 minder dan in laatst genoemd jaar; de in- j verplegingskosten van behoeftige krankzinnigen in gestellingen b ondersteunden 527 en die van e 120 personen stichten uitgegeven. In 1874 waren deze verplegingskosten
minder; de instellingen a en <l daarentegen 295 personen f 14 788.
meer dan in 1874. De oorzaak van dit laatste is hoofdVan het in 1875 verstrekte bedrag voor onderstand ad
zakelijk toe te schrijven aan het grooter getal personen i f 5 399 471 , werd door a en d bijna ls/40 , door b bijna
dan in 1874, aan welke geneesmiddelen werden verstrekt, ' :6/40 en door 0 bijna 'ƒ40 uitgegeven. De verhoudingen
en aan den hoogen waterstand in liet najaar van 1875 , . waren gelijk aan die ovtr 1874.
waardoor in enkele provinciën de veldarbeid tijdelijk moest
In geld was, even als in 1874, door alle soorten van
gestaakt worden.
! instellingen meer uitgegeven dan in geldswaarde.
Het getal der voortdurend bedeelden was voor « en d
De onderstand in geld bedroeg f 26 425 , in geldswaarde
ruim ls/,,0, voor b ruim "°j40 en voor c bijna "ji0 van het
f 2750 en in het geheel f 29 175 meer dan in 1874.
geheele getal bedeelden van elk dezer soorten van instel*
Door de instellingen a en cl was f 7760 en door die van
lingen.
Daar
het
in
1874
respectivelijk
bijna
"/
40 , bijna 1 b f 2 5 225 meer uitgegeven dan in 1874; daarentegen
ïl
/ 48 en bijna l:/40 was, is uit een en ander af te leiden : 1 door die van c f 3810 minder dan in dat jaar.
1°. dat door de instellingen a en d, zoomede door b, in
De vermeerderde uitgaven voor a en d moeten hoofdverhouding, minder personen voortdurend en meer tijdelijk
zakelijk worden toegeschreven aan:
ondersteund werden dan in 1874; en 2°. dat de kerkelijke
armbesturen, even als in vroegere jaren , meer dan de overige
1°. de oprigting van een oude mamien- en vrouweninstellingen , ouden en gebrekkigen , die tot allen arbeid huis te Stiphout, een onderdeel van het algemeen armongeschikt zijn en dus in de eerste plaats hulp behoeven, bestuur aldaar. Dat gesticht, ten gevolge eener erfstelling
ondersteunden.
opgerigt, veroorzaakte eene verhooging van onderstand
van f 3249;
Voor onderstand werd uitgegeven :
In geld.
,,
,
Totaal
| geldswaarde.
door a en d.
.
f 1008 591
t b .
.
.
1 879 853
.
.
54404
Te zamen
.
f 2 942 848
f 2 456 623 j f 5 399 471
Tegen
.
f 2 916 423
f
» c
.
in 1874.
f
979 301
1437192
40 130 '
2 453 873
f
1 987 892
3 317 045
94 534
f 5 370 296
2°. aan den hoogen waterstand in vele gemeenten van
het Rijk, waardoor reeds in de helft van November het
werk moest gestaakt worden ; en
3°. aan de verhoogde kosten voor genees- en heelkundige hulp. welke alleen te Utrecht f 1755 hooger waren
dan in 1874.
De verhoogde uitgaven van de instellingen b zijn mede
voor een deel het gevolg van den hoogen waterstand op
het einde van 1875, doch ook aan de vele kerkelijke armbesturen , in den loop van het dienstjaar in het leven
geroepen.
Het verdient aandacht, dat, volgens bekomen inlichtingen , de uitgaven der burgerlijke instellingen voor onderstand in tal van gemeenten aanmerkelijk waren ingekrompen , terwijl de uitgaven der kerkelijke en bijzondere
instellingen in die gemeenten meer en meer toenamen.
[122. 2.]
27
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1S75
Wanneer de gemelde gezamenlijke uitgaven worden omgeshigen over liet geheide getal personen, aan wie ondersteuning uitgereikt is (hoofden van huisgezinnen en eenloopende personen) dan bedraagt het geheele beloop van
den onderstand per hoofd in 1875:
in gemeenten v a n :
beneden 3 000
van
3 001-10 000
»
»
10 001-20 000
meer dan 20 000
a en d.
zielen,
»
»
i
b.
f40,45
f31,02
34,24
33,44
11,62
33,79
22,49
22,29
23,92
24,71
in alle gemeenten vereenigd.
31,68
31,41
20,54
In 1874 waren deze cijfers
voor alle gemeenten vereenigd.
31,71
31,01
20,82
In het geheel was dus de bedeeling per hoofd, voor
zooveel de instellingen a en d en c betreft lager, en voor
zooveel die van b aangaat, hooger dan in 1874.
Daar vele leden van gezinnen in den onderstand hebben
gedeeld, was het bedrag, hetwelk elke arme genoot, veel
minder.
De verdere uitgaven, door a en d gedaan, bedroegen:
voor gewoon onderhoud van gebouwen enz. en voor
alle kosten van beheer (1)
1 310 995
voor werkverschaffing aan armen, zonder
aftrek van de opbrengst van het werk . .
9 591
voor teruggaaf aan gemeenten, van onderstand door deze, zouder tusschenkomst van
armbesturen verstrekt
9 831
voor subsidien aan andere instellingen van
weldadigheid
82 761
voor renten aan opgenomen of verschuldigde kapitalen
4 715
voor aflossing van kapitalen en belegging
van gelden , enz. (2)
voor alle andere uitgaven (3)
de nadeelige saldo's van vroegere jaren
bedroegen
»
e
door a en d. .
f
114 278
Subsidien.
f 1 319 582 f 1433 860
187 666
2 126 986
16 691
4 071
20 762
Te zamen
f 2 070 289
f 1511319
f 3 581 608
Togen
f 2 047 984
f 1536 035
f 3 581019
» b
in 1874.
De opbrengst der collecten was dus voor alle instellingen meer dan in 1874, en wel voor a en d f 5644, v o o r i
f 1 6 450 en voor c f 2 1 1 . Ofschoon de bronnen dezer
inkomsten in vele gemeenten ruimer vloeiden, vooral
ten opzigte der kerkelijke instellingen, dan in het voorafgaande j a a r , waren er toch ook gemeenten, waar het
tegendeel plaats vond, zonder dat daarvoor bepaalde redenen
waren op te geven. Als regel is echter wel aan te n e m e n ,
dat er bij het in het leven roepen van instellingen , veel
gegeven wordt en vermits dit wat b betreft, in het dienstjaar veel plaats had , zoo is de vermeerderde opbrengst
der collecten althans voor een deel, daaraan toe te schrijven.
28 915
98 209
4 040
De voormelde aflossing en belegging, voor zooveel«en
d betreft, hadden voor een deel plaats uit de algemeeue
inkomsten, want tegenover het bedrag van f 360 265 stond
f 281 395 wegens opgenomen gelden , erlangde aflossing
enz., zoodat er meer werd afgelost en belegd dan terug
ontvangen wegens aflossing en opgenomen gelden f 78870.
In 1874 was het verschil in meer slechts f 45 320.
Uit den aard der zaak volgt, dat de voormelde verdere
uitgaven bij 1202 instellingen, het eene jaar vergeleken
bij het andere, menigwerf afwisseling ondergaat, zoowel
in meer als in minder.
.
.
f
Vermindert men dit b e d r a g , met de
som door collecten, enz. en subsidien verk r e g e n , ad
dan blijkt daaruit, dat uit de iukomsten
van bezittingen en uit andere bronnen,
in die uitgaven werd bijgedragen . . .
3 .'.81608
f
1817863
a en d
f
554 032
b
1 190 059
c
73 772
Voor zooveel de instellingen a en d betreft, bedroegen
in 1875 de inkomsten van bezittingen f 1 201 400 tegen
f 1 165 380 in 1874 en dus in eerstgenoemd jaar f 36 020
meer. De oorzaak hiervan lag hoofdzakelijk in de meer
gemelde stichting te Stiphout, in de rangschikking onder
a der instelling » Valeweerd" te Doesburg, in de verboogde pachtpemiingen van landerijen en in de ruime
opbrengst van het rijswaardenhout, enz. Door van de
inkomsten , ad f 1 201 400 , f 554 032 te gebruiken voor
onderstand , bleef er nog f 647 368 over, waardoor ruim
voorzien kon worden in de uitgaaf voor onderhoud van
gebouwen, enz., die in 1875 f 310 995 beliep t e g e n
f 311527 in 1874.
Voegt men nu voor b en c bij de voormelde uitgaven ,
ad f 1 190 059 en f 73 772, liet bedrag voor kosten van
beheer, die mede uit diezelfde bron zijn bestreden , dau
volgt daaruit, dat de inkomsten, enz. in 1875 minstens
bedroegen voor :
f
(1) Zie voor de verdere omschrijving dezer uitgaven de vermelding in het vorenstaand algemeen overzigt.
(2) De omschrijving dezer uitgaven komt mede voor in vorenstaand algemeen overzigt.
(3) Zie de specificatie dezer uitgaven op den rug van tabel 3 a.
5 399 471
en wel voor:
360 265
97 387
Totaal.
1 939 320
Voor onderstand werd uitgegeven
terwijl voor kosten van beheer werd uitgegeven :
door I
Collecten,
inschrijvingen, giften
en
bijdragen.
c.
f 38,38
33,59
lir werd ontvangen aan
1 288 268
77 812
zij waren voor a en d
en beliepen dus minstens voor de besturen
van alle instellingen voor huiszittende
armen te zamen
1 201 400
f
2 567 4S0
[122. 2.]
18
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
De uitlaai' voor onderstand
opbrengst van :
werd dus bestreden uit de
Inkomsten
Collecten ., . . . .
enz.
1 kubsuhen.
Totaal.
enz.
subsidien van de provinciën en van bet
Rijk voor verpleging van krankzinnigen in
de gestichten voor deze
f
3 647
opbrengst van de door werkverschaffing
verkregen en verkochte voorwerpen . . .
10 791
alle verdere ontvangsten (1)
f
II r n d . . .
b
114278 f 1319582 f
554032 f 1987892
1939320
187060
1190059
3317 045
16691
4071
73772
94534
Te zamen.
f 2070289 f 1511319 f 1817863 f 5399471
Tegen. . .
f 2047984 f 1536 03.") f 1786277 f 5370296
in 1 8 7 4 ,
of wel in 1875 u i t :
38 897
terwijl de roordeelige saldo's van vorige
dienstjaren beliepen
502 058
Aan erfstelling-en , legaten , enz werd ontvangen door de
instellingen h f 200 179 en door de instellingen e f 1 2 699.
Behalve eerstgenoemd bedrag is nog aan eene instelling b,
de Hervormde diaconie te Amsterdam een legaat groot
f 80 000 2 l L pets. inschrijving op bet grootboek der nationale werkelijke schuld gemaakt.
Door de burgerlijke armbesturen te 's Heer Hendrikskinderen, .Maire, W a a x e n , Schnrl, Elahuizen, Warstiens
en R i m b u r g , gelijk mede door het gemengd armbestuur
te Hontenisse werd gaen onderstand verstrekt. Eenige
kerkelijke armbesturen onthielden zich mede van het geven
van onderstand.
De armbesturen , in 1875 ongerigt, waren van denzelfden
aard en hadden gelijke s t r e k k i n g , als die reeds vroeger
bestonden en in dit Verslag zijn opgenomen.
voor a en d .
s
ruim
Genootschappen,
/ 40
» i . . ..
» c . . ..
en in liet geheel.
bijna "/ 40
ruim " / „
ruim 7 <0
• IL
Mjna 740
• TL
ruim
u
iA0
• '74.
Over het algemeen wijken deze verhoudingen niet veel
af van die in 1874.
De verdere ontvangsten voor a en d waren :
erfstellingen , legaten en schenkingen .
. f
10 965
onderstand, krachtens artt. 49—52der wet
op het armbestuur , t e r u g ontvangen. . .
8 953
Gedurende het geheele jaar
onafgebroken.
Hoofden van
huisgezinnen.
die aan schamele armen
verkenen.
onderstand
Het aantal genootschappen, die aan schamele armen
onderstand verstrekten (tabellen 6a, b en e, 7 en 8), was
2 0 5 , waarvan 1 (in Drenthe) tot a, 132 tot b en 72 tot
c behoorden.
In 1874 waren er ook 2 0 5 , zijnde er toen 1 onder a, 131
onder b en 73 onder c gerangschikt.
Hoewel dus het aantal niet verschilde met dat van 1874,
was er toch, voor zooveel betreft de verhouding der onderse heidene soorten van instellingen onderling, eene veraudering gekomen. Die verandering was veroorzaakt door
de oprigting van een genootschap te Zevenbergen en de
opheffing van dat te Uithoorn.
In 1875 waren ondersteun 1 door :
In den loop van het jaar
slechts een of meermalen.
Te zamen.
Kenloopeude Hoofden van j Eenloopend ! Hoofden van
huisgezinnen. | personen.
huisgezinnen.
personen.
Eenloopende
personen.
a
22
30
7
6
29
36
i
1619
369
6 407
1673
8026
2 042
573
299
4 439
833
5 012
1132
2 214
698
10 853
2 512
13 067
l
Te samen . . .
29 12
13 165
3 210
16 277
In 1874 werd onderstand ver2800
Dus te zamen
.
.
.
621
3 4 21
(1) Zie de specificatie dezer uitg.-nen op den rug van tabel 'ih.
2 623
10 869
13' i92
13 669
I
16 913
3244
Bijlagen E.
|122.
2.]
Tweede Kamer. 29
Verslag over dt verrigtingen aangaande het armbestuur over 1875.
Hoewel in het geheel 636 personen minder bedeeld
werden dan in 1874, is toch het verschil betrekkelijk
weinig te noemen , vooral wanneer men hierbij in aanmerking neerr.t de «gunstige tijdsomstandigbeden , waarvan
hiervoren reeds werd gewaagd. De instellingen b ondersteunden 602 en die van c 31 personen minder dun in 1874;
het verschil, voor zoo veel a betreft, bepaalde zich tot 3.
Gedurende het geheele jaar onafgebroken bei teelde b 609
personen minder en c 100 meer; de verschillen der cijfers,
betreffende de Mrtonen , die eens of meermalen door b on e
ondersteund werden , waren respactivelijk 7 meer en 131
minder dan in bet voorafgaande jaar.
Er werd verstrekt:
In
In geld.
welke sommen in de eerste plaats strekfen ter bestrijding
der uitgaven voor onderstand ; het overige werd bijna geheel belegd.
Dat niettegenstaande het minder getal ondersteunden,
de uitgaven , zoowel van de instellingen b als van c, nagenoeg gelijk waren aan die van 1874 , vindt zijn grond
in de omstandigheid , dat deze zich meestal regelen naar
de ontvangsten; da bronnen daarvan, althans wat de
collecten enz. aangaat, hadden ruimer gevloeid dan in
laatstgenoemd jaar; er was namelijk f 20 794 meer ontvangen. De oorzaak van het verschil, dat zich over verschillende genootschappen, hier in minder, daar in meer,
verdeelde, was met geene zekerheid op te geven. Deze
inkomsten zijn zeer wisselvallig; bijzondere omstandig.
heden oefenen soms daarop aanmerkelijken invloed uit.
De subsidien, zoo ook de bedragen, verkregen door
makingen enz., waren minder dan in 1874.
Totaal.
geldswaarde.
Deze laatste bedroegeu in 1875:
voor b
door a . . . .
f
1327
»
* . . . .
12915
»
c . . . .
31229
f
f
1327
145 601
158 516
27 845
59 074
Te zamen. .
f
45471
f
173 446
f
218 917
Tegen . . .
f
52 078
f
167 326
f
219 404
in 1874.
Voorts werd in 1875 nog uitgegeven voor kostan van
beheer enz., door:
a
f
7 232
c
7 008
tegen
14 373
12 624
in 1874.
Ontvangen werd er in 1875 aan:
Collecten,
Subsidien.
Totaal.
enz.
I
178 353
500
f
41 066
f
178 853
42 729
1663
Te zamen . .
f
219 419
f
2163
f
221 582
Tegen . . .
f
198 625
f
2 530
f
201 155
in 1874.
De ontvangsten der instellingen a bestonden in:
renten van kapitalen , enz
f
1 565
verkregen aflossingen , enz
655
en voordeelige saldo's van vorige dienst286
jaren
te zamen .
r
e
7136, en
5815
tegen f 8885 en f 11 245 in 1874.
Uit het vorenstaande blijkt, dat de burgerlijke armenverzorging , op deze wijze uitgeoefend, van weinig beteekenis is geweest; trouwens de aard der instellingen
brengt dit van zelf mede. Daarentegen moet de armverzorging , zoo van de instellingen b als van die van c
weder belangrijk genoemd worden; de cijfers van het getal ondersteunden, gelijk mede van ontvang en uitgaaf toonen
dit duidelijk aan. De belangrijkheid der instellingen b,
zoo zelf dat zij die van c in aantal en in werking verre
overtroffen, is een gevolg van de omstandigheid, dat de
vereeniging van den H. Vincentius van Paulo er op gesteld
is, dat hare afdeeliugen onder b behooren en als zoodanig
zijn gerangschikt.
133
b
f
•
f
2 506
Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877- 1878.
Commissien of verenigingen, die gedurende den
winter uitdeelingen doen van levensmiddelen
en brandstoffen.
Blijkens de tabellen 9, 10 en 11 bedroeg het aantal
commissien of vereenigingen , die gedurende den winter
uitdeelingen deden van levensmiddelen en brandstoffen 116 ,
waarvan 17 tot a en d, 5 tot b en 94 tot c behoorden.
Vergeleken met 1874 waren de instellingen a en d
met ééne vermeerderd; het aantal instellingen b bleef
onveranderd ; dit was mede bet geval met die van c; de
laatste alleen ten gevolge der omstandigheid, dat tegenover de oprigting van eene de opheffing van eene andere
stond.
Te Monster werd eene commissie d in het leven geroepen , met het doel, het nieuwjaarwenschen tegen te
gaan door het verstrekken van een buitengewonen onderstand
op dat tijdstip, zoo mede, bij strenge winters , het lot
van hulpbehoevenden te verzachten; te Amsterdam eene
commissie c , genaamd Beth Hamedras Etz Haïm , die zich ,
— althans zoo luiden de berigten — onder anderen ten doel
stelt, onder zekere voorwaarden erfstellingen te aanvaarden,
met den last om, of de hoofdsom na Tiet overlijden des
erflaters, of de renten van het kapitaal aan behoeftigen
uit te deelen. Tegenover de oprigting der twee gemelde
instellingen stond echter de opheffing van de commissie C
te Vreeland.
Instellingen aead werden aangetroffen in de provinciën
Gelderland , Zuidholland , Noordholland , Zeeland , Overijssel en Groningen; b in Zuidholland, Noordholland,
Overijssel en Groningen, en c in alle provinciën, met uitzondering van Overijssel, Drenthe en Limburg.
Even als in vorige jaren was de kerkelijke armenverzorging van deze soort weder zeer gering; de burgerlijke
omvangrijker dan eerstgenoemde, doch beide werden verre
overtroffen door de bijzondere vereenigingen; de laatste
waren ruim vier maal zoo sterk in getal als de beide
eerstgenoemde te zamen.
[122. 2.]
30
Verslag over de verrigtingen aangaande liet armbestuur over 1 8 7 5
De uitgaven in 1875 konden dus worden bestreden door:
In 1875 werd verstrekt:
a en d voor ruim *jw uit collecten, voor bijna ,,,3j4t
subsidien , en voor ruim "/ 40 uit inkomsten , enz.;
In geld.
In gelds-
Totaal.
waarde.
uit
b voor ruim "/«„ uit collecten , en
c voor ruim
subsidien.
s,
/ 49 uit collecten en voor ruim
0-1
/4o uit
Door a en d werd nog genoten wegens ontrentten,
door a en d . . . f
»
. .
21558 f
22 007
494
2 554
3 048
7 784
121 860
129 844
f
8 727 f 145 972
f 154 699
f
5 8G9 f 150 367 f 156 236
b
Dus te zamen
449 f
in 1874.
Bovenstaande cijfers duiden aan dat de onderstand
grootendeels in natura werd uitgereikt; alleen in buitengewone omstandigheden ondersteunde men de behoeftigen
met eenig geld.
Behalve de bovenvermelde sommen werd nog uitgegeven :
voor onderhoud van gebouwen, kosten van beheer, e n z . :
door a en d
f
4 066
en voor de kosten van beheer:
door b
302
» c
20 997
terwijl alle andere uitgaven , door a en d
gedaan , beliejien
. 6 843
32 208
De geheele uitgaaf was dus voor:
a en d
b
c
' f
32 916
3 350
150 641
186 907
In 1874 beliep zij voor:
a end
b
c
f
30 510
2 738
153 822
f
187 070
Ter bestrijding van de uitgaven in 1875 werd in dat
aar ontvangen aan :
Inkomsten
van
Collecten,
bezittingen
en
Subsidien.
verkochte
enz.
levensmiddelen.
Totaal.
Genootschappen tot het verkenen van onderstand aan
behoeftige
kraamvrouwen.
f 21 683 f
29133
3 027
21
»
T>
3 027
139 800
465
1
door a en d f
7 429
» i . . .
» c. . .
f
140 265
Dus te zamen . . . f 150 256
f
486
f 21683 f 172 425
Tegen. . f 146 087
f
400
f 21274
in 1874.
niet in andere kolommen vermeld, f 203 en als voor leelige
saldo's van vorige dienstjaren f 947 opgegeven.
Boewei de uitgaven over het geheel weinig verschilden
met die over 1874 , waren zij , voor elke soort van insteU
lingen afzonderlijk , meer uiteenloopend. Door a and, zoomede door b, schoon in mindere m a t e , werd meer, door
c daarentegen minder uitgegeven dan in genoemd jaar.
W a t de ontvangsten betreft, deze waren voor alle soorten van instellingen, vergeleken met 1874, liooger; voor
a en d was dit verschil in meer f 3382, voor b f 217, en
voor c f 1065. Grootendeels was dat meerdere toe te scbrijven aan de ruime opbrengst der collecten, daar de ontvangen
subsidien slechts f 86 en de inkomsten van bezittingen
slechts f 409 meer beliepen dan in 1874.
Voor de gemelde meerdere uitgaven door a en d en b
en de mindere door c gedaan , welke verschillen trouwens
betrekkelijk gering kunnen genoemd worden , zijn nagenoeg geene redenen opgegeven. Dit was mede grootendeels het g e v a l , voor zooveel aangaat de meerdere opbrengst
der collecten.
Alleen werd uit Noordbrabant gemeld , dat verschillende
commissien gedurende den winter meer voor kleeding,
beddegoed , enz. hadden uitgegeven , terwijl de vermeerdering der ontvangsten hoofdzakelijk het gevolg was van
do hernieuwde openstelling der inschrijving voor vrijwillige
bijdragen te Rergen op Zoom, waardoor ze daar met ruim
f 900 werden verhoogd'; uit sommige andere provinciën ,
dat eenige commissien meer collecten dan in 1874 hadden
gehouden, anderen daarentegen minder. In de provincie
Groningen , waar in 1874 ten behoeve van twee instellingen tweemaal voor ieder gecollecteerd werd , geschiedde
dit slechts ééns in 1875 , dewijl, volgens de van daar ontvangen berigten, de armoede niet zoo groot was als in 1874.
Op grond van laatstgenoemde omstandigheid, zoomede
ten gevolge van den toestand der minvermogende volksklasse , die in eenige gemeenten zoodanig was, dat de hulp
der commissien ontbeerd kon worden , hadden vele instellingen in 1875 niet gewerkt. De kolom » Aanmerkingen"
der hiervoren genoemde tabellen , melden de namen der
gemeenten , waar dit plaats had.
Voorts zij bier ter plaatse , even als in vorige verslagen,
gewaagd van de sociëteit » Momus" te Maastricht, wier
doel niet is geregelde armenverzorging , waarom hare ontvangsten en uitgaven niet in de tabellen voorkomen.
De sociëteit droeg in den winter van 1875/1876 weder
veel bij tot leniging van het lot der armen. Zij verstrekte
25 805 portien soep ter waarde van f 1659 , gaf vele andere
levensmiddelen , zoo ook brandstoffen en liggingstukken
en reikte bovendien nog bijna f 414 in geld uit.
De middelen tot bestrijding der kosten, zoo van de
spijzen , als van de verder door de sociëteit gedane uitreik i n g e n , werden hoofdzakelijk verkregen door inschrijvingen
en de opbrengst van verkochte soep ; voorts door giften
op de wintergaderingen ingezameld.
f 167 761
Het aantal genootschappen tot het verleenen van onderstand aan behoeftige kraamvrouwen (tabellen 1 2 , 1 3 e n 14)
bedroeg 5 8 , waarvan 1 tot a, 3 tot b en 54 tot c behoorden. Het was d u s , vergeleken met 1874, met één
verminderd, en wel ten gevolge van de opheffing van het
genootschap c te Schoonhoven.
Blijkens de genoemde tabellen was de ééne instelling a
in Zuidholland gevestigd; de instellingen b in Noordbrabant,
Zuidholland en Friesland; die van c in alle provinciën,
met uitzondering van Drenthe en Limburg.
De instelling te 'eHertogenboeh s t r e k t e , even als in
vorige jaren , hare zorgen ook uit over behoeftige kraam-
2.]
[122.
31
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over IS75.
vrouwen in vele andere gemeenten; die In Hoxtel verleende
tevens hulp aan zieke vrouwen buiten de kraam.
terwijl die in 1874 beliep vuur
a
In 1875 werden er ondersteund door:
a
566 kraamvrouwen;
b
118
»
c
3602
»
Deze getallen waren in 1874 respectivelijk 566, 99,
3590 en 4255.
De bovenstaande cijfers, in verband met het aantal instellingen van iedere soort, leveren het bewijs, dat, ook
in 1875, deze armenverzorging voor verreweg het grootste;
deel door de vereenigingen van bijzondere personen geschiedde. Behoeftige kraamvrouwen , niet langs dezen weg
ondersteund , staan voorde burgerlijke en kerkelijke armenverzorging in het algemeen gelijk met alle andere behoeftigen, die uit de middelen der armbesturen of der gastof ziekenhuizen worden ondersteund.
In 1875 bedroeg de onderstand:
b
1 256
e
38 378
»
Verstrekt door a . .
»
» * . .
»
» c . .
Te zamen
. .
f
f
f
Subsidien.
enz.
f
1780
f
1 237
3 139
31392
34 531
f 34 407
4 902
f 39132
f 34 230
Uit bovenstaande cijfers blijkt, dat de onderstand meerendeels in geldswaarde en weinig in geld bestond, een gevolg
van den bijzonderen aard dezer instellingen. In liggingsen kleedingsstukken , zoowel voor de kraamvrouwen als
voor de pasgeboren kinderen, versterkend voedsel voor de
moeders en brandstoffen gedurende (.'en winter, bestond
veelal de bedeeling.
Gemiddeld ontving elke kraamvrouw, ondersteund door
de instellingen:
a
f 3,15
In 1874
3,01
b
c
ï 10,48
12,69
f
9,59
10,07
Voor onderhoud van gebouwen enz. en kosten van beheer
werd uitgegeven door:
a
en voor kosten van beheer door:
c
f
.
240
2 286
In 1875 was de geheele uitgaaf, voor zooveel betreft:
a
b
c
f
.
In 1874 beliepen die
sommen .
Totaal.
f
40
2 034
»
»
660
f
2 034
1234
37 806
f 38 340
f
700
f
2 034
f 41074
f 36 578
f
685
f
2 019
f 39 282
f 37 548
In 1874 beliepen deze
f
f
37146
1 780
1235
1 194
van
bezittingen.
§
Totaal.
2
3141
Inkomsten
Collecten,
b
In geld.
-ïl 6.r
De uitgaven, In 1875gedaan, waren f 1581 minderdan
in het voorafgaande jaar, waarvoor echter geene bepaalde
redenen zijn opgegeven.
De gemelde uitgaven ad f 40 074 werden bestreden uit
de opbrengst van:
a
In geldswaarde.
2 021
f
4286
dus in liet geheel
f
2 020
1 237
36 817
40 074
In 1875 werden dus de uitgaven bestreden door:
uit de inkomsten van bezitttingen;
b.
bijna 3*/40 uit collecten en ruim '/<o uit subsidien;
C. bijna '/«o uit subsidien;
de opbrengst der collecten overtrof de uitgaven met f 329.
Behalve de bovenstaande ontvangsten bragt a nog in rekening f 1342, voordeelige saldo's van vorige dienstjaren,
en c f 4801 , erfstellingen , legaten, enz.
Alleen door de instellingen c werd meer ontvangen dan
in 1874 aan collecten enz. f 1825; de ontvangsten der
^verige instellingen waren nagenoeg gelijk aan die van
dat jaar. Omtrent de oorzaken der gemelde vermeerdering
voor c waren geene bijzonderheden opgegeven.
Ten opzigte van de instelling te Appmgedam werd nog
gemeld, dat hare werking zeer gering was en dat zij
waarschijnlijk niet lang zal blijven bestaan.
Godshuizen., andere dan. ziekenhuizen.
Deze instellingen (tabellen 15 8 , i en c, 16 en 17) bestaan uit weeshuizen , gestichten voor oude en gebrekkige
lieden , gestichten voor oude lieden en kinderen te zamen,
bestedelinghuizen , arni- en werkhuizen , proveniershuizen
of huizen voor kostkoopers en hofjes.
Uit de vergelijking der gemelde tabellen met die over
1874 blijkt, dat er eene aanmerkelijke verandering in het
aantal dezer instellingen gekomen is. De instellingen a en
d vermeerderden met 9 en die van b met 2 , terwijl die
van c daarentegen met 5 verminderden.
Een en ander is veroorzaakt, voor zooveel betreft de
instellingen a en d:
door de oprigting van een armenhuis te Amsterdam, in
plaats van de opgeheven werkinrigting aldaar;
door het weeshuis, het weduwenhuis, het gasthuis en
de Broekhuizerfundatie te Doesburg van de instellingen c
naar a over te brengen ; en
[122. 2J
32
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1875.
door de rangschikking onder do instelling a van het
groot burger-weeshuis, het Hervormd armen-weeshuis en
de twee proveniershuizen te Kampen , die vroeger onder
C voorkwamen ;
de instellingen b:
door de oprigting van een gesticht voor arme weezen ,
oude mannen en vrouwen van de Roomseh-katholijke godsdienst te Herlicum ; en
door het in het leven roepen van de inrigting » dr. MEIJERSstichting" genaamd, te 's (iravenhage, waar Roomsch-katholijke mannen uit den burgerstand , hoogstens ten getale van
50 , minstens 55 jaren oud eu aldaar geboren of gewoond
hebben , kostelooze verzorging genieten ;
door de oprigting van een gesticht voor oude mannen
en vrouwen te Stiphout, van eene vereeniging tot verzorging van ouderlooze knapen te Apeldoorn en van een
gesticht, genaamd » het Oranje-weeshuis" te Huizen, bestemd tot opneming van weezen uit die gemeente en bestuurd door eene vereeniging waarvan de zetel is gevestigd te Utrecht; en
door het rangschikken onder de instellingen a der hovengenoemde gestichten te Doesburg en Kampen.
Ten gevolge van al het vorenstaande was in 1875 het
aantal godshuizen 745, waarvan 184 tot a en d, 343 tot
b en 218 tot c behoorden.
Het getal verpleegden bedroeg:
Oude
Gebrek»
Kin-
lieden.
kigen.
deren.
Totaal.
3511
1019
4 591
9121
In de 184 instellingen
In de 343 instellingen b
5 283
941
5 562
11786
» » 218
3 317
213
2 569
6 099
dus te zamen
. . 12111
2173
12 722
27 006
tegen
. . 12 210
2 028
12731
26 969
c
Van het getal verpleegden werden derhalve in 1875 verzorgd door a en d bijna u / 4 e , door b ruim ,?/4() en
door e ruim •/„.
Het verschil van het aantal personen , door alle instellingen te zamen verpleegd, tusschen de jaren 1874 en
1875 , was niet noemenswaard, het bedroeg slechts 37.
Daartegenover stond echter, dat ( eu d 408 personen
meer, b 82 en e 289 minder verpleegden, ten gevolge
waarvan de verhouding, hiervoren gemeld, met die van
1874 vergeleken , eene niet onbelangrijke verandering oplevert. Hoofdzakelijk ligt de oorzaak van een en ander in
de meergemelde veranderde rangschikking.
Het getal in de godshuizen verpleegden stond tot de
bevolking, als:
, 1874 .
f
971 593
b
1 284 924
c
756 320
f
3 012 837
Door a en d werd van het geheele bedrag bijna "/ 4 ,,
door b ruim "/40 e'1 door c ruim '"/^ uitgegeven.
In 1874 waren die uitgaven voor de instellingen:
f
901 379
b
1 341 047
c
787 889
f
3 030 315
Vergeleken met 1874, waren die uitgaven voor a en d
f 70 214 meer , daarentegen voor b f 56 123 en voor c
f 31 569 minder; over het geheel was er f 17478 minder
uitgegeven dan in genoemd jaar.
(
Hoewel tot de vermeerderde uitgaven van a en d en de
verminderde van c de bovengemelde overbrenging van vier
instellingen te Zutphen en van vier te Kampen, veel heeft
bijgedragen, moet echter, voor zooveel eerstgenoemde instellingen betreft, de oorzaak daarvan ook vooral gezocht
worden in de reeds gemelde oprigting van het armhuis te
Amsterdam. De uitgaven voor onderstand door die instelling, begrepen in het vorengemelde bedrag van f 971 593,
bedroeg in 1875 de belangrijke som van f 30 058.
Wat de instellingen h aangaat, de oorzaak der verminderde uitgaven van deze , is toe te schrijven , eensdeels aan
het kleiner getal verpleegden, anderdeels aan de mindere
behoefte dan in 1874 tot aankoop van nieuwe kleedingen ligging-stukkeu , meubels, enz. Bovendien heeft de
splitsing der uitgaven eu ontvangsten van de Roomsehkatholijke arm- en weeshuizen te Harlingen, onderdeelen
van het Roomseh-katholijk armbestuur aldaar, daartoe
veel bijgedragen.
Hier zij nog opgemerkt, dat vele godshuizen met instellingen voor huiszittende armen vereenigd zijn ; de uitgaven , daardoor voor geene splitsing vatbaar, zijn meestal
opgenomen in de tabel voor huiszittende armen. Ten opzigte
van het getal instellingen , waarmede zulks het geval was ,
wordt verwezen naar de aanmerkingen op de betrekkelijke
tabellen.
De verdere uitgas-en , door a en d gedaan , bestonden in :
in 1874.
in 1875 .
a eu d
a en d
de instellingen c;
»
der kosten voor geneeskundige hulp en begrafenis, werd
daarvoor in 1875 uitgegeven door:
voor a en d.
2.39 3.09
2.31
3.15
c.
1.60 tot 1000 zielen.
1.70
»
»
De aard dezer instellingen brengt mede, dat de onderstand bijna geheel in geldswaarde geschiedt. Met inbegrip
gewone kosten voor herstelling, onderhoud, belastingen
en verdere kosten der gestichten, van de daarin voorhanden meubelen en alle kosten van beheer f 242 399
herstelling, onderhoud, belastingen en verdere lasten van roerende en onroerende bezittingen, met uitsluiting van de gebouwen,
in welke de gestichten zijn gevestigd en van
de daarin voorkomende meubelen . . . .
114921
werkverschaffing aan verpleegden, zonder
aftrek van de opbrengst van het werk . .
49 318
subsidien aan andere instellingen van weldadigheid
47 691
renten van opgenomen of verschuldigde
kapitalen
1 520
aflossing van kapitalen en belegging van
gelden
485655
alle andere uitgaven (1)
115 268
(1) Zie de specificatie dezer uitgaven, waaronder alle kosten
van buitengewone verbetering van gebouwen zün gebragt, op den
rug van tabel 15 b.
Bijlagen E.
[12S.
2.]
Tweede Kamer. 33
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1875.
terwijl als nadeelige saldo's vun vorige dienstjaren in
uitgaaf' werd gebragt f 3809.
Tegenover de gemelde aflossing en belegging ad
f 485 655, stond slechts irn bedrag van t'334 238, wegens
opgenomen gelden en ontvangen iflnwlllfl
Het meer
afgeloste en belegde dan het opgenomene en te gelde
gemaakte bedroeg dus f 151 417, welk bedrag is gevonden,
althans voor een groot deel, uit de algemeen*, inkomsten
der gestichten.
Behalve laatstgemeld bedrog en de gewone uitgaven,
zijn uit de Inkomsten ook nog bestreden de kosten voor
het oprigten van nieuwe of het vernieuwen van bestaande
gebouwen en het doen van buitengewone met vernieuwing
gelijkstaande herstellingen, welke kosten in 1875 weder
aanzienlijk waren.
De uitgaven voor kosten van beheer beliepen voor:
b
f
c
145 517
89 362
In 1874 bedroegen die kosten voor:
I
126 260
0
'. .
87 968
Voor b waren die uitgaven dus belangrijk meer dan in
1874; voor c was het verschil in meer mede niet onaanzienlijk, wanneer daarbij de omstandigheid in aanmerking
genomen wordt, dat het getal dezer soort vai instellingen
5 minder was dan in 1874.
Voor gene ligt de oorzaak vermoedelijk in deoprigting
van de instelling » MEIJERS stichting" te 'sGravenhage
en van het gesticht voor arme weezen, oude mannen en
vrouwen te Berlicum ; voor deze in de stichtingen te Apeldoorn en Huizen. Althans, de rubrieken der betrekkelijke
tabellen , waarin deze instellingen voorkomen, wijzen , vergeleken met 1874, aanmerkelijk hoogere cijfers aan; terwijl de wetenschap, dat onder de kosten van beheer de
uitgaven voor meubels enz. veelal begrepen zijn, dit vermoeden versterkt. Bepaalde redenen zijn er echter niet
voor opgegeven.
Er werd ontvangen aan :
Collecten
Subsidien.
Totaal.
enz.
gerangschikte instellingen medeeenige bijdragen verkregen
hebben , wat veel tot die verbooging beeft Omgedragen.
Iets anders was het, wat de instellingen b aangaat. Vergeleken niet 1874 was de gemelde opbrengst belangrijk
meer ; het verschil bedroeg, zoo als reeds is opgemerkt,
f 11121. Grootendeels is die vermeerderde opbrengst toe
te schrijven aan de opgerigte instellingen , want in den
regel vloeijen dan de bronnen dezer inkomsten hetmild.it.
Vele andere; gestichten daalden echter ook in dit voorregt.
Het Diaconie-weeshuis der Nederd. Hervormde gemeente
te Utrecht ontving onder anderen f 6305 en het wees-,
oude manoen-en vrouwenhuis der Evangelisch Luthenobe
gemeente aldaar f1538 meer aan liefdegaven dan in 1874.
Van meer belang nog dan van b, was, vergeleken met
laatstgenoemd jaar, de vei meerderde opbrengst der collecten
voor de instellingen c. Het verschil bedroeg, bij een minder
getal gestichten, f 29 772 in meer. Even als bij b, was
ook bij deze de oprigting van nieuwe gestichten de voorname oorzaak daarvan. Vele andere gestichten hadden
echter ook ruimer ontvangsten van dezen aard dan in 1874.
Zoo verkreeg het iR.-K. liefdehuis te Amersfoort f 21 865
en het centraal Israëlitisch weeshuis te Utrecht f 15 438
aan liefdegiften ; terwijl aan het bestuur van het R.-K.
gasthuis te Groningen de aanzienlijke som van f 11 642
ter hand gesteld werd.
Hoewel de opbrengst der collecten over het geheel voor
alle soorten van instellingen grooter was dan iii 1874,
moet hier echter worden opgemerkt, dat er ook verscheidene waren , die zich — de aard van deze ontvangsten
brengt zulks mede — in dat voorregt niet mogten verheugen.
Het bedrag der subsidien was voor a en d f 39 254 en
voor b f 39 837 meer dan in 1874; voor c daarentegen
f 7709 minder dan in dat jaar.
De oorzaak der verhoogde subsidien voor a en d lag
hoofdzakelijk in de oprigting van het armhuis te Amsterdam , welke inrigting van die gemeente eene subsidie van
f 35 931 genoot.
Dat de subsidien voor b zooveel hooger waren dan in 1874
lag niet in de gemeentebesturen, maar in de instellingen
zelve. De subsidien toch door sommige instellingen aan
andere verstrekt, en mede begrepen in bovengemeld bedrag van f 266 500, waren blijkens tabel 16, vergeleken
met die van 1874, f40 154 meer dan in genoemd jaar.
De subsidien, door de instellingen c ontvangen, waren
daarentegen veel minder dan in het voorafgaande jaar.
Hoofdzakelijk is dit toe te schrijven aan de bovengemelde
veranderde rangschikking van sommige instellingen.
Voor onderstand werd in 1875 uitgegeven, f
door a en d .
f
» b
Te zameu
f
16 983
f
275 333
f
292316
393 882
266 500
660 382
233 166
13 338
246 504
644 031
f
555171
f 1199 202
3 012 837
trekt men hiervan af het bedrag, door
collecten en subsidien te zamen verkregen.
1 199 202
dan blijkt, dat uit de inkomsten van bezittingen en andere bronnen , in die uitgaven
werd bijgedragen
f
1 813 635
en wel voor:
In 1874 bedroegen deze
sommen...
a en d
f
602 065
f
483 789
f 1085 854
Blijkens deze cijfers was de opbrengst der collecten
belangrijk meer dan in 1874. Voor a en d was dit f 1073,
voor * f 11 121, voor c f 29 772.
Hoogst moeijelijk is het de oorzaak daarvan op te geven,
ook omdat onder deze ontvangsten vele giften en vrijwillige bijdragen begrepen zijn.
Wat a en d betreft, het verschil van f 1073 verdeelde
zich, blijkens de tabel 15c, over vele instellingen, hierin
meer, daar in minder; het was daardoor betrekkelijk
gering voor elke instelling, te gering om daarvan de
oorzaak te vermelden. Alleen zij hier opgemerkt, dat het
nieuwe stadsweeshuis te Leeuwarden eene buitengewone
gift van f 500 ontving, en dat de meer gemelde onder a
Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877—1878.
f
679 277
b
624 542
c
509 816
Te zamen als boven . . .
f
1813 635
Voor a en d bedroegen de inkomsten van bezittingen
alleen de som van f 1 100 697, zoodat van dit bedrag gevoegd bij de andere gewone ontvangsten , nog eene aanzienlijke som overbleef voor kosten van onderhoud van
gebouwen , van beheer, enz.
Voegt men voor b en c bij de voormelde bijdragen uit
inkomsten, enz. het bedrag der kosten van beheer, die
mede uit dezelfde bron moesten worden bestreden , dan
[!*».
84
2.]
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1875.
volgt daaruit , dat de inkomsten , vu/., minstens hebben
bedragen:
voor I
»
f
770 059
c
599 178
zij waren voor a en d
1 100 697
De nog niet vermelde ontvangsten voor a en d waren:
erfstellingen, legaten en schenkingen.
terug ontvangen verplegingskosten
2469 934
De uitgaaf voor onderstand werd dus bestreden uit de
opbrengst van :
Collecten
enz.
a en d . • • f
b
Subsidien.
Inkomsten
enz.
Totaal.
f 275 333 f 679 277 f
16 983
971593
393 882
266 500
624 542
1284 924
233 166
13 338
509 816
756 320
Te zamen . f 644 031 f 555 171 f1813 635 f3012 837
]n 1874 waren
do cjjfers. . f 602 065 f 483 789 f1944461 f3030 315
Ten gevolge van de meerdere opbrengst der collecten
en het hooger bedrag der subsidien , werd minder dan in
1874 uit de inkomsten van bezittingen voor onderstand
aangewend.
De verhouding in 1875 was als volgt:
Voor «en d. .
•
I . . . .
» c . . . .
Uit
collecten.
Uit
subsidien.
bijna 740
ruim
ruim
I2
»
12
/40
/
MO
n
Uit
inkomsten
van
bezittingen.
M0
bijna *%
/„
ruim "/„
bijna 'M0
bijna "/<„
»
8
In het geheel.
bijna »M.
ruim
7
M0
ruim =4/40
In 1874 was de
verhouding in
het geheel. .
bijna »/40
ruim
%
bijna "/«,
Vergeleken met de uitkomsten van de instellingen voor
huiszittende armen , blijkt, dat door de godshuizen over
het algemeen minder werd bestreden uit collecten en
subsidien; daarentegen meer uit inkomsten van bezittingen.
Verscheidene godshuizen voorzagen ook in 1875 in al
de behoeften uit de inkomsten hunner bezittingen. Voor
zooverre zij tot b en c behoorden, werden derhalve geene
ontvangsten vermeld.
. . .
opbrengst van de door werkverschaffing verkregen en verkochte voorwerpen
alle overige ontvangsten (1)
en beliepen dus voor alle gestichten te
zaïnen
f
. .
f
10 826
98 717
55 818
80 931
terwijl als voordeelige saldo's van vroegere dienstjaren
in rekening werd gebrast f 304 207 en bij hot opmaken
der tabel nog te vorderen bleef f 647.
Voor aflossing van kapitalen en belegging vim gelden
werd f 73 567 minder uitgegeven en voor erlangde allossing f 77 987 minder ontvangen dan in 1874.
Door de instellingen b werd f 103 521 en door de instellingen c f 47 761 aan legaten enz. in 1875 ontvangen.
Een aanzienlijk minder bedrag, vergeleken met 1874,
werd dus door alle soorten van instellingen aan legaten
ontvangen. Daarentegen was de opbrengst van de door
werkverschaffing verkregen en verkochte voorwerpen, voor
zooveel a en d betreft, belangrijk meer. Dat meerdere
beliep f 46 966. De oorzaak daarvan lag in het opgerigte
armenhuis te Amsterdam. Die inrigting, in de plaats
gekomen voor het vroeger aldaar bestaan hebbende werkhuis, verschafte veel werk aan behoeftigen; de opbrengst
daarvan beliep in 1875 de som van f 50 528.
Omtrent de nagenoemde instellingen werd nog het volgende medegedeeld.
Het Godshuis te Heusden verpleegde 58 hoofden van
huisgezinnen en 49 eenloopende personen; het gaf daarvoor uit f 6409.
De procedure tusschen het stads wees- en armkinderhuis
en het Protestantsche weeshuis te Bergen op Zoom, vermeld in het vorig verslag, werd in 1875 nog niet beöindigd.
Het eerste gesticht keerde , met goedkeuring van het betrokken collegie van Gedeputeerde Staten , aan het laatste
een bedrag van f 2220 uit.
In het Heyms- of mannengasthuis te Vught werd in
1875 niemand verpleegd.
De te Heythuizen in Limburg gevestigde landbouwkolonie » de Heyblom", waarvan de zetel is gevestigd te
Amsterdam, verpleegde 160 kinderen; de kosten van beheer bedroegen f 328 en die van verpleging f 16 719; de
opbrengst van de collecten, inschrijvingen en andere bijdragen beliepen f 19 477.
De te Sneek gevestigde instelling b heeft, gedurende
1875, geene personen verpleegd.
Ziekenhuizen.
Het getal ziekenhuizen is in 1875 met een vermeerderd
door de oprigting van een gesticht te Breda, bestemd
voor zieke dienstboden van de Hervormde godsdienst.
Er waren dus (tabellen 18 a, b en c, 19 en 20) 74
ziekenhuizen, waarvan 37 tot a en d, 22 tot ben 15totc
behoorden, tegen 73 in 1874, van welke er 37 onder a
en d, 21 onder b en 15 onder c gerangschikt waren.
In de gestichten a en d werden 11 707, in die van b
1714 en in die van e 5333 personen verpleegd. In 1874
waren de getallen der verpleegde personen respectivelijk
11464, 1692 en 4177.
Van de 18 754 personen , die in al de gestichten te zamen
gedurende
1875 verpleegd waren , werden dus door a en d
bijna 26/4o, door b bijna *j„ en door c ruim n M 0 verzorgd.
Voor a en d was de verhouding iets lager dan in 1874,
toen zij ruim :*/40 beliep, voor b was zij gelijk aan die in
gemeld jaar , terwijl voor c de verhouding
hooger was dan
in het jaar 1874, toen zij bijna 10/4o bedroeg.
Onder de gestichten is niet begrepen het te Groningen
bestaande provinciaal stads- en akademisch ziekenhuis,
dat, om redenen , in de Verslagen aangaande het arml>estuur over 1860 en vroeger medegedeeld, beweerd wordt
het karakter van instelling van weldadigheid te missen.
In Drenthe waren geene ziekenhuizen; in Noordholland
hadden zij den meesten omvang, vooral door de belangrijkheid dezer instellingen in de hoofdstad des Rijks. Daarop
(1) Zie de specificatie dezer ontvangsten op denragvan tabel 15c
[122. 2.]
85
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1875.
volgden , wat bet getal Instellingen betreft, Noordbrabanti
en , wat bat getal verpleegden en de uitgaven voor onderstand aangaat) Zuidbolland.
In de andere provinciën
waren deze instellingen minder uitgebreid.
lasten van de gestichten , van de daarin voorhanden meubelen en van alle kosten van beheer . . .
f
161 823
herstelling, onderhoud, belastingenen 'erdere
lasten van roerende en onroerende 'iezitVoor onderstand, geheel In geldswaarde, met Inbegrip
der kosten van geneeskundige verzorging en begrafenis, tingen, met uitsluiting van de gebouwen,
i in welke de gestichten zijn gevestigd en van
werd uitgegeven :
de daarin voorhanden meubelen
door a en d
f
535 447
subsklien aan andere Instellingen van wel• b
101 047 dadigheid
»
c
te zamen
renten van opgenomen en verschuldigde
kapitalen
455
737 543
aflossing van kapitalen en belegging van
gelden
81788
In 1874 bedroeg die uitgaaf:
f
581 072
•
b . . . . •
92 649
»
e
91039
te zamen .
f
3 000
101048
Door u en (l werd derhalve van liet gezameld ijk bedrag,
ad f 737 543, uitgegeven ruim s, / 40 , door b en door c ieder
ruim %\u.
voor a en d
10 959
764 760
De verhoudingen waren dus in 1874 voor a en d, ruim
"/«o, voor b en voor c bijna 6/4oHoewel, vergeleken met 1874, zoowel in de gestichten
a en d, als in die van b en c meer zieken verpleegd werden , waren de uitgaven voor a en d f 45 625 minder; voor
b daarentegen f 8398 en voor c f 10 010 meer, en in het
geheel f 27 217 minder.
De oorzaak van het verschil is voor zooveel het de instellingen a en d betreft, gelegen in eene andere plaatsing
der cijfers in de kolommen 2 en 3 van tabel 18 b. Over
1874 zijn alle door de directie der beide gasthuizen te
Amsterdam uitbetaalde tractementen en loonen gebragtin
kolom 3, kosten van genees-, heel- en verloskundige hulp
en geneesmiddelen. Over 1875 zijn de cijfers verdeeld: in
kolom 2 heeft men behalve de kosten van reparatie en
meubilair, ook gebragt de tractementen van den directeur,
huismeester, suppoosten, enz., benevens de loonen
van dienstboden, in kolom 3 , nevens de kosten van
geneesmiddelen, de tractementen der geneesheeren,
apothekers, enz. Deze verdeeling is juist, doch veroorzaakte, vergeleken met 1874, het bovengemelde verschil
in minder, en tevens in meer het nu te melden bedrag
voor herstelling van gestichten enz. De meerdere uitgaven
voor de instellingen b en c staan in verhouding tot het
grooter getal zieken dat in 1875, vergeleken met het
voorafgaande jaar, in die gestichten verpleegd werd.
Even als in de verslagen aangaande het armbestuur over
vroegere dienstjaren werd opgemerkt, strekte een gedeelte
der vorengemelde uitgaven ter verzorging van niet-behoeftigen, in ziekenhuizen verpleegd. Daarvan met juistheid
het cijfer te bepalen , is niet wel mogelijk. Voor a en d
kan het echter geraamd worden op f 86 278, omdat, blijkens de kolommen 9 en 14 van tabel 18c, die som van
de verpleegden zelven of van andere particulieren voor
verplegingskosten werd terugontvangen.
Daar het terugbetaalde in 1874 slechts f67 743 bedroeg,
volgt daaruit dat in 1875 veel meer niet-behoeftigen in
de ziekenhuizen werden verpleegd dan in het voorafgaande
jaar. De gemelde uitgaven voor a end, ad f 535 447, zijn
mede nog te verminderen met f 25 475, welke som van
het Rijk werd terugontvangen wegens verpleging in 1875
van 2212 militairen gedurende 37 378 dagen in het ziekenhuis te 's Hertogenbosch. In 1874 werd voor die verpleging
slechts f 19 822 door het Rijk aan dat gesticht terugbetaald.
Blijkens tabel l&b is nog door de instellingen a en d
uitgegeven voor:
gewone herstelling, onderhoud, belastingen en verdere
nadeclige saldo's van vorige dienstjaren .
Nihil.
alle andere uitgaven (1).
34 823
.
. . . .
Uit den aard der bovengemelde uitgaven volgt, dat ze,
het eene jaar vergeleken met het andere, hier in meer,
daar in minder, van elkander moeten afwijken. Belangrijk
waren de verschillen wat betreft de kosten voor onderhoud
van gestichten enz. en het bedrag, dat belegd werd tusschen 1874 en 1875. De gemelde kosten beliepen f Kil 823
in 1875 tegen f 116 183 in 1874, en dus f 45 640 meer
dan in laatstgenoemd jaar. Zoo als reeds hiervoren is opgemerkt ligt de oorzaak der vermeerdering grootendeels
in de gasthuizen te Amsterdam. Daar werden in 1875 de
bezoldiging van den directeur, den huismeester, de suppoosten, de dienstboden enz., als kosten van beheer, te
regt onder gemeld bedrag opgenomen, die in 1874 en
vroeger als uitgaven voor onderstand werden beschouwd.
Echter heeft ook tot die vermeerdering bijgedragen de inrigting van localen tot verpleging van personen , aan besmettelijke ziekten lijdende , te Leeuwarden , zoomede de buitengewone herstellingen aan de gasthuizen te Amsterdam en
het aanschaffen v?.n nieuwe meubelen voor die gestichten.
Niet minder uiteenloopend waren de bedragen, die
in 1875 en in 1874 belegd werden. Zij beliepen respectivelijk f 81788 en f 129 861 en waren dus in 1874
f 48 073 meer. Daar evenwel deze uitgaven in onmiddellijk verband staan met de ontvangen aflossingen, die
f 88 169 bedroegen tegen f 152 699 in 1874 , zoo volgt uit
een en ander dat de verhouding der cijfers tusschen beide
jaren gunstiger is voor 1875 , niettegenstaande er in laatstgenoemd jaar belangrijke sommen, zoo als hierboven
en op den rug van tabel 18 b is gemeld, voor herstelling
van gebouwen , enz., waren uitgegeven.
Er werd ontvangen aan :
Collecten,
enz.
door a en d.
»
T
f
„ , .,.
Subsidien.
80 .' f
427 085
Totaal.
f
427165
b. . . .
49121 i
1504
50 625
C . . .
43 695
8 005
51700
.
Te zamen.
f
92896
f
436 594
f
529 490
Tegen.
f
118 724
f
422459
f
541183
!
in 1874.
De opbrengst der collecten was voor b f 7348 meer en
voor c f 33 188 minder.
(1) Zie de specificatie dezer uitgaven op den rug van tabel 18i,
[122.
80
2.1
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
Vuur de vermeerdering van b werden geene redenen opgegeven. De vermindering der gemelde opbrengst voorc
l a g hoofdzakelijk in liet ooglijdersgestichl te Rotterdam ,
in liet kinderziekenhuis te Amsterdam en in liet gesticht
voor diaconessen te Utreeht. Het bestuur der inrigting
te Hotterdain h a d , volgens opgave, in 1874, abusivelijk,
kapitaal , het gestieht toekomende , bij gemelde opbrengst
gevoegd; dat van liet kinderziekenhuis te Amsterdam ontving in 1874, op eene eirculaire om giften, nog f 1100,
bovendien eene .schuldvordering van do erfgenamen van
wijlen mr. C. A. ('HOMMKI.IN , groot f 4000, de belangrijke opbrengst van eenige uitvoeringen , ten voordeele van
dat gesticht g e g e v e n , eu nog ruim f 2000 aan gewone
giften, terwijl in 1875 die inkomsten slechts bestonden
uit de opbrengst van een concert, in het Amstelhótel gegeven en uit eenige nog al belangrijke giften ; dat van
de diacoiiessen-inrigting te Utrecht had in 1874 twee belangrijke sommen gelds ten geschenke ontvangen: eene
van f 9280 en ééne van f 6000; in 1875 waren echter
zulke belangrijke liefdegaven niet ingekomen.
De subsidien , uit gemeentekassen aan ziekenhuizen vers t r e k t , waren zoowel voor de instellingen a en d als voor
b en c hooger dan in 1874. Het verschil voor b was echter
onbeduidend , het bedroeg slechts f 99 ; dat van c beliep
de niet onbelangrijke som van f 2793. De oorzaak daarvan lag grootendeels in een subsidie , door den gemeenteraad te Rotterdam aan eene instelling caldaar uitgekeerd,
•wat in 1874 niet plaats vond. Het verschil in meer was
voor a en d aanmerkelijk, liet bedroeg f 11243. Hoofdzakelijk is de reden daarvan te zoeken in de groote gasthuizen in Zuid- en Noordholland , welke meest allen voor
rekening der gemeenten worden gehouden. Het bedrag
der subsidien klimt of daalt met het afwisselend beloop
der uitgaven, dat grootendeels afhankelijk is van liet
grooter of kleiner getal zieken. Vermits n u dat getal
grooter was dan in 1874, moesten de subsidien ook meer
zijn dan in dat jaar.
Bij voormelde som in 1875 door de instellingen a en d
wegens collecten en subsidien ontvangen , ad. f
427 165
komen nog de t e r u g ontvangen verplegingskosten, ad (1)
111095
Te zamen
. . f
538 260
zoodat de onderstand door a en d in 1875 verstrekt ad
f 535 447 geheel was bestreden uit de opbrengst van collecten, uit de subsidien en uit de terug ontvangen verplegingskosten.
Voor b werd in den onderstand voorzien voor ruim "/ <0
uit collecten , enz., voor bijna 'ƒ40 uit subsidien en voor ruim
20
/40 uit inkomsten van bezittingen, enz.; voor c voor ruim
17
jM uit collecten, ruim 3/4, uit subsidien en ruim :o / 40 uit
inkomsten van he/.ittingen, enz.
Die inkomsten van bezittingen der instellingen a en d
beliepen f 167 609 tegen f 192 218 in 1874 en waren dus
f 24 609 minder dan in laatstgenoemd jaar. De oorzaak
hiervan is te zoeken eensdeels in de belangrijke kapitalen ,
die te Haarlem benoodigd waren voor den opbouw van het
nieuwe gasthuis aldaar, ten gevolge waarvan de renten
van die kapitalen niet meer doorgemeld gesticht genoten
•worden , anderdeels in eene wijziging tier administratie van
het ziekenhuis te 's Hertogenbosch , waardoor eene nuttelooze verhooging van de uitgaven, voor zooveel betreft de
voeding, enz. en van de ontvangsten , voor zooveel aangaat de gemelde inkomsten , opgenomen in de tabellen
18 b en c, werd vermeden. Er bestaat namelijk eene broodbakkerij , ten behoeve der gestichten , onder beheer van
regenten over de godshuizen en de algemeene armen aldaar
in een der gebouwen , toebehoorende aan het ziekenhuis.
De rekening dier bakkerij , jaarlijks + f 18 000 bedragende,
werd steeds gevoegd bij de ontvangsten en uitgaven van
het gasthuis. Dit nu is in 1875 niet meer geschied , omdat het bakken van brood voor de andere gestichten met
het ziekenverplegen , het doel van het g a s t h u i s , niets te
maken heeft.
De nog niet vermelde ontvangsten der ziekenhuizen a
(1) Hieronder is niet begrepen het bedrag van f 4026, nog in te
vorderen bjj het opmaken der tabel over 1875.
en d zijn d i e , voorkomende in kolom 12 van tabel 1 8 c ,
waarvan de specificatie voorkomt op den r u g dier tabel.
ad f 4 1 1 2 , zoomede de voordeelige saldo's van vroegere
dienstjaren , ad f 41 041.
Aan erfstellingen,
vangen:
legaten en schenkingen werd ont-
door de instellingen b
» »
»
c
f
4 865
21007
Uit al het vorenstaande blijkt, d a t , ofschoon do burgerlijke instellingen van dezen aard in aantal gelijk waren
aan die der kerkelijke en bijzondere te zamen , zij in om-
vang en belangrijkheid, de laatstgenoemde verre overtreffen. Zoo als in vorige verslagen ook is o p g e m e r k t ,
ligt de oorzaak hiervan in vroegere tijden , toen de zorg
voor de armen, voor zoover die was geregeld, vooral en
in de eerste plaats zich bepaalde tot de zieken, als de
meest hulpbehoevenden. Het verdient echter de aandacht,
dat de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid, overeenkomstig het hoofdbeginsel der wet op het armbestuur zich
ook op dit gebied in 1875 meer uitbreidde.
Instellingen
ter werkverschaffing
aan behoeftiyeti.
De redenen waarom de cijfers betreffende deze instellingen niet worden opgenomen in het algemeen overzigt der
geldelijke uitkomsten van het beheer van alle instellingen
van weldadigheid, zijn vermeld in het verslag aangaande
het armbestuur over 1854 en gelden ook voor 1875.
1°.
In daartoe ingerigte
werkplaatsen.
De hierachter voorkomende tabellen 21 a en b, 22 en 23
wijzen a a n , dat in 1875 het aantal instellingen van deze
soort bedroeg 3 3 , waarvan 13 tot a en d, 5 tot b en 15
tot c behoorden.
In 1874 waren deze cijfers respectivelijk 3 5 , 1 5 , 5 en 15.
Het aantal instellingen a en d verminderde alleen, en
wel met twee, een gevolg van de reeds in het verslag
over 1874 gemelde opheffing van het werkhuis te V u g h t ,
en van de verandering van het werkhuis te Amsterdam in
een armenhuis, waardoor die instelling, zoo als reeds is
opgemerkt, nu voor het eerst onder de godshuizen voorkomt.
Ofschoon het getal instellingen b noch vermeerderde noch
verminderde, was er toch eene verandering ontstaan, en
wel: 1°. door de opheffing vau de inrigting te St. Michielsgestel, en 2°. door de vermelding voor het eerst van die
te Ruinen.
De eerste werd opgeheven, ten gevolge der wet op den
arbeid; de laatste, in 1864 opgerigt door het leesgezelschap: » N u t en Genoegen" te Ruinen, werd later overgenomen door de Hervormde diaconie aldaar, die over 1875
voor het eerst de verlangde opgaven deed.
In Noordbrabant, Gelderland en Limburg waren geene
instellingen van dezen aard.
In Noordholland, Zeeland en Utrecht ontbraken ook instellingen a en d, en in Utrecht, Friesland, Overijssel en
Groningen instellingen b.
In 1875 bedioeg het getal personen wien werk werd
verschaft door de instellingen:
In de
Niet in de
instellingen
gehuisvest en instellingen
of
gevoed of gehuisvest
gevoed.
alleen gevoed.
a en d . . . .
200
Totaal.
988
1188
198
198
42
424
466
Totaal . .
242
1610
1852
Deze cijfers
waren in 1874
707
1879
2586
*
c
[122.
Bijlagen Ë.
2.]
Tweede Kamer. 37
Verslag over dt verrigtingen aangaande het armbestuur over 1875.
Van de bovengemelde 1610 personen, die niet in de
instellingen gehuisvest en gevoed waren, hadden er 1016
in hunne woningen gewerkt.
Hetgeen
van het verder
uitgegevens
Henten
en verzorging voor werkvervan opgenoseliaffing,
der in
Kosten
na aftrek der
nii'M e u
de instellingen tegenoverstaande
ontvangst
van beheer.
gehuisveste
«regensopbrengst verschuldigde
of alleen gevoede van het werk,
kapitalen.
als verstrekte
personen.
onderstand wordt
beschouwd.
Onderhoud
Onderhoud
van gebouwen,
roerende
en onroerende
bezittingen
en alle kosten
van beheer.
f
Te zamen . .
i
11537
»
*
De uitgaven bedroegen voor
f
f
f
11488
f
931
verdere
uitgaven.
1071
•
2 907
f
1372
>
6 636
7 787
9 032
»
f
11537
i'
7 707
f
19 275
f
34 144
f
931
f
1372
f
28402
f
7 955
f
50 876
f
32107
f
1013
f
5 773
In 1874 beliepen die
Tegenover de gemelde uitgaven in 1875 stonden de
volgende ontvangsten :
De nadeelige saldo's van vorige dienstjaren, in bovenstaande uitgaven niet begrepen, bedroegen voor a en d f 405.
Inkomsten
Collecten,
van
inschrijvingen,
bezittingen.
enz.
f
204
»
Te zamen
. .
f
In 1874 bedroegen die sommen.
f
6 423
17 054
f
19 480
f
20 933
f
59 816
de opbrengst van vervaardigde voorwerpen in het dienstjaar verkocht, ad
t
40 743
3 636
>
f
28 200
»
f
28 200
f
24 368
5 656
f
Onder de bovenstaande ontvangsten zijn niet begrepen,
voor zooveel betreft de instellingen a en d:
en de voordeelige saldo's van vorige dienstjaren , ad
'
13 824
Alle verdere
hieronder niet
vermelde
ontvangsten.
»
189
7>
()pgenomen
gelden
en
erlangde
aflossingen.
Subsidieii.
16 661
f
2 700
Minder werd uitgegeven voor:
onderhoud van gebouwen , roerende en onroerende bezittingen en alle kosten van beheer . . . . f
17 113
voeding en verzorging der in de gestichten
gehuisveste of alleen gevoede personen . .
en verdere uitgaven
31 601
4 401
en minder ontvangen aan :
en de instellingeu c:
legaten
22205
Alle
600
collecten, inschrijvingen, enz
subsidien
Belangrijk minder was het aantal personen, aan wie
werk was verschaft, vergeleken met 1874. Voor de instellingen a en d bedroeg dit 590, voor b 76 en voor c 68.
Ook de uitgaven en ontvangsten waren ook nagenoeg
alle lager.
Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877— 1878.
opbrengst van vervaardigde en verkochte
voorwerpen
3 879
40 336
86 113
terwijl onder de ontvangsten geene inkomsten van bezit-tingen meer voorkomen.
[ I f f . 2.]
3S
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
De oorzaak fan die lu bei oog loopende verschillen ligt
hoofdzakelijk in de meergemelde verandering van betwerkImis te Amaterdani in een armenhuis. In dat buis werd
achter ook aan behoeftigen werk verachaft. Set bestuur
dier Lnrigting gaf daarvoor in 1875 alleen <le belangrijke
som van f 4(> 180 uit, en ontving voor de vervaardigde en
verkochte voorwerpen f 6 0 5 2 8 .
De opheffing van de instelling te St. Michielsgestel en
de ruime gelegenheid om bij voortduring geregeld werk
te krijgen , waren mede oorzaak van bet nihiiler getal
werklieden en van bet lager bedrag der uitgaven en
ontvangaten.
Dat de collecten zooveel minder hebben opgebragt ligt
vooral in de mindere behoefte om werk te verschaffen ,
waardoor de besturen dezer instellingen niet zooveel steun
ondervonden als in tijden van gebrek aan werk in vroeger
jaren. Het grootste vn-schil dezer ontvangaten tuaachen
1874 en 1875 was bij de instelling ie Gouda. Daar werd,
ten gevolge van bet vijfentwintigjarig bestaan, in 1874,
zoo als reeds in bet vorige verslag is vernield, ten behoeve
van dat werkhuis voor belangrijke sommen ingeschreven.
wat in 1875 niet plaats vond.
Even als in vorige jaren was deze wijze van werkverschafiing, w a t aangaat de instellingen b, van weinig
beteekenis; daarentegen, wat de overigen betreft, van
ruimen omvang ; de cijfers zoo van het aantal werklieden ,
als van uitgaaf en o n t v a n g , hierboven en in de biervoren
genoemde tabellen vermeld, duiden dit genoegzaam aan.
Behalve de inlichtingen, aangaande het bestuur en de
in de instellingen verrigte werkzaamheden, opgenomen iu
de kolom » aanmerkingen " van de meergemelde tabellen
21« , 22 en 23 , werd ten opzigte der inrigtingen van dezen
aard in Friesland n o g het volgende medegedeeld.
De instellingen werkten over het algemeen gunstig en
beantwoordden derhalve aan haar deel. De armen der
gemeenten, waar zij gevestigd w a r e n , werden, bij gemis
aan werk , in de gelegenheid gesteld om in hun eigen
onderhoud t e voorzien, en behoefden dus nimmer om
onderstand te vrager.. Voor de armbesturen in diegemeenten waren de werkhuizen van geene geringe beteekenis ,
want die besturen behoefden nu slechts hulp te verleenen
aan weezen, ouden van dagen en gebrekkigen, en konden
met grond de verzoeken om onderstand afwijzen van ben,
die, schoon geschikt om te werken, daartoe ongenegen
waren.
Vermits in de wintermaanden het werk bij particulieren
minder is, waren d meeste instellingen alleen gedurende
dien tijd geopend.
Op aiidcre wijze dan in, daartoe iugerigU
plaatsen.
tegen, in 1874, door de instellingen
« en d aan
759 personen ;
b
i
766
c
»
2214
dus te zamen .
Br werd in 1875 uitgegeven door:
Onderhoud,
belasting, enz.
van
bezittingen
en kosten van
beheer.
a en d .
.
.
f
In
Kosten
van
beheer.
»
202
»
b
f
Hetgeen op
hovengenoemde
wijze als verstrekte
onderstand
werd
beschouwd.
f
7 094
440
4 034
6 816
25 243
Te zamen
f
202
f
7 256
f
36 371
1874 bedrosgen die
uitgaven. .
f
431
f
8 056
f
36 636
\>a ontvangsten bedroegen:
Collecten,
inschrijvingen
Subsidien.
enz.
f
b
In 1875 werd werk verschaft door de instellingen :
a en d aan
765 personen ;
*
»
609
c
•
2038
3412
3739
Alle verdere
hieronder
niet vernielde
ontvangsten.
werk-
Het aantal dezer instellingen (tabellen 24a en b, 25 en
20) beliep 5 2 , waarvan 7 tot a en d, 6 tot b en 39 t o t c
behoorden. In 1874 waren deze getallen reapectivelnk 5 4 ,
7, 6 en 4 1 . Alleen in het getal instellingen c is verandering
gekomen , ten gevolge van de opheffing van die te Texel
en te Termunten. W a t de oorzaak dier opheffing i s , werd
aan de Regering niet medegedeeld.
In Gelderland, Friesland, Overijssel en Groningen waren
instellingen a en d, in Nbordbrabant, Gelderland, Zuidholland , Groningen en Drenthe instellingen b, en in Noordbrabant, Gelderland, Zuidholland, Noordholland,Utrecht,
Friesland, Overijssel, Groningen en Drenthe instellingen c
aanwezig.
Alleen in Zeeland en Limburg ontbraken derhalve instellingen van dezen aard.
te zinnen.
.
»
>
500
f
75
f
54
4 263
23
>
15 540
640
»
Te zamen. .
f
20 303
f
738
f
54
Die ontvangsteu beliepen
in 1874 . . .
f
21446
f
2 021
f
54
Behalve de bovenstaande bedragen ontvingen de instellingen a en d voor de vervaardigde en verkochte voorwerpen f 9537 en was door haar als voordeelige saldo's
van vorige dienstjaren, eene som van f 423 uitgetrokken.
Vergeleken met 1874 was het aantal personen , aan welke
werk werd verschaft, 327 minder. De oorzaak hiervan l a g
vooral in de hiervoren gemelde opheffing der instelling te
Texel en Termunten , in het niet verschaffen van opgaven
door het bestuur der instelling te Oldeboorn en in de ruime
gelegenheid om bij particulieren werk te vinden. Dat de
uitgaven , niettegenstaande het kleiner getal werklieden ,
nagenoeg gelijk waren aan die in 1874, is hoofdzakelijk
te zoeken in de duurte der grondstoffen en de hoogere
loonen , die hier en daar waren uitbetaald. De opbrengst
der collecten was niet zoo ruim als in 1874; de subsidien
/
[lil.
2.]
Verslag over de verrigtingen aangaande liet arinbeatuut over 1 s 7r>.
waren belangrijk min.Ier dan in dal jaar. Alleen tenop.Men verlieze niet uit het oog dat bet bevolkingscijfer,
zigte der laatstgenoemde vermindering verden Benige zoolang de gestichten bestaan, afwisselend geweest is,
oorzaken opgegeven. Zoo behoefden te Termunten en en — het ligt in den aard der inrigtiiig
wel afwisselend
Koordbroek de subsidien niet uitbetaald te worden; in de zal blijven. Was het in 1873 ook al eonigermato toegeeerste gemeente , ten gevolge der boven gemelde opheffing; noinen , was dit mede hel geval in 1874, aanmerkelijk
i,i de laatste door bel niet werken der instelling aldaar kan daarentegen de daling in 1875 genoemd worden.
in 1875. Wegens den buitengewoon gunstigen Anantielen
Omdat de o|izending van bedelaan naar de gemelde
toestand, waarin de instelling te Oude Pekela verkeerde, ; gestichten, zoo als hierboven werd opgemerkt, het gevolg
bad ook zij geene behoefte aan subsidie.
is van door den strafregter uitgebroken vonnissen, zijn
Ten opzigte van sommige instellingen werd nog go- om aan de Kamer de verlangde i phel 'ering te kunnen
meldi dut de ontvangsten de uitgaven verre overtroffen; geven, ook bij bet Departement van Justitie pogingen
van andere, dat /.ij met verlies gewerkt badden.
aangewend om de oorzaak der gemelde vermeerdering op
Zoo als i eds boven is opgemerkt , waren over 1875geene te sporen, doch met geen gunstig gevolg.
opgaven aangaande de instelling te Oldeboorn ontvangen.
Beseheiden, waaruit blijkt wat de oorzaak is, dat in
Wegens verwaarloozing in de boekhouding was bet be- 1873 meer personen dan in het laatst voorgaande jaar ter
stuur daartoe niet bij magte.
zake van bedelarij of landloo[ierij tot opzending naar de
Behalve te Noordbroek, reeds gemeld, badden mede de bedelaarsgestichten werden veroordeeld , waren bij dat
instelling te iturum en Wormerveer in 1875 geen wern
Departement niet aanwezig.
verschaft.
Volgens dat Departement zouden dergelijke beseheiden
Even als in vorige jaren vanehaften onderscheidene be- niet te verkrijgen zijn ; is rijzing of daling van het besturen van instellingen voor huiszittende armen en van
volkingscijfer der genoemde gestichten van vele en velerlei
godshuizen aan hunne bedeelden en verpleegden werk, omstandigheden afhankelijk, welke niet bekend zijn of
zonder dat daarvoor op zich zelve staande instelling-en slechts in onderstellenden zin genoemd zouden mogen
bestonden.
worden.
Alleen kan , met opzigt tot de belangrijke vermindering
van de bevolking der gestichte: in 1875, worden geGestichten te Ommerschaus en Veenhuizen.
wezen op de maatregelen, welke zijn genomen, om het
Tengevolge van het Koninklijk besluit van 10 Bepteml i r verblijf in de gestichten minder aanlokkelijk te maken.
1874, :f. 14, is met ingang van 1 Januari] daaraanvol- <>ok beeft tot die vermindering bijgedragen bettU88cbengende ^'~^ beheer der Bykagestichten Ommerschana en tijdscll ontslag aan velen t. egestaan , in de verwachting,
Veenhuizen van bet Departement van Binnenlandsche dat de indruk der bedoelde maatregelen van het terug*
Zaken naar hut Departement van Justitie overgebragt. keeren naar de gestichten zou afschrikken.
De maatregelen in het Verslag van 1870 vermeld,
Het besluit is genomen naar aanleiding der overweging,
dal de opzending naar en de verpleging in die gestichten werkten ook in 1875 gunstig.
Het getal ontvlugten bedroeg 70; hiervan zijn terugvan de daartoe veroordeelden, bet gevolg ia van diorden
strafregter uitgesproken vonnissen, waarojj aan die veroor- gebragt of teruggekeerd 51.
Van de 2517 (behalve militairen en enkele weezen) op
deelden eene aan hunne opzending voorafgaande gevangerrisstraf is opgelegd, en dat de regelmaat der administratie ultimo December 1875 in de gestichten aanwezige bedeme lebrengt de uitvoering van die maatregelen op te dragen laars , landloopers en vrijwilligers waren :
aan hetzelfde departement van algemeen bestuur, hetwelk
322 voor de 1ste maal 13 pet.
met de uitvoering der veroordeeling tot gevangenisstraf
heiast is.
» 2de » 17
427
»
Van het Departi inent van Justitie zijn aangaande den
toestand van gemelde gestichten in 1875 de volgendie in» 3de » 13,4 r>
337
lichtingen ontvangen.
» 4de » 11,0 »
291
De laarlijksche begrootingen en Staatarekeningen maken
de geldelijke uitkometen van het beheer der inrigtingen
» 5de
» 10,7 •
2G9
aan de Staten-Generaal hekend.
De bevolking van de gestichten verminderde in 1875
» 6de »
240
9,5 1
met 381 personen, in tegenstelling van 1873en 1874,toen
zij eenigzins vermeerderde. De vermeerdering in 1873 met
I
237
7de •
9,5 T>
110 personen, trok de aandacht der Commissie uit de
Tweede Kamer. Zij zegt dat in het, Kegeringsverslag over
t>
134
8ste »
5,3 »
1873 daaraan kennelijk weinig of geene waarde wordt
» 9de 7>
toegekend, en is van oordeel, dat, met het oog én op liet
97
»
4
vele werk dat overal tegen hoog loon te vinden was, en
» 10de »
70
2,7 »
op de vermindering die voortdurend in de laatst voorgaande
jaren werd waargenomen, die toeneming van de bevolking,
» 11de 1>
83
3.3 »
juist in dat jaar wel eenige meerdere aandacht verdient.
Hierop moet worden geantwoord, dat, bij de samenHet getal overledenen bedroeg 161 of 5*/i pet. van het
stelling van het verslag over 1873, die vermeerdering van
bevolking wel de aandacht heeft getrokken, doch dat, bij gemiddeld getal verpleegden ; in 1874 was het sterftegemis aan bescheiden, waaruit kon worden nagegaan wai cijfer 117.
De gezondheidstoestand was, met uitzondering van het
van die vermeerdering" de oorzaak was, alleen het feit kon
worden medegedeeld. i)e Regering gaf daarbij echter te gesticht Ommerschans alwaar zij gunstig kon genoemd
kennen, dat de vrees voor eene zeer groote vermeerdering worden, niet zoo bevredigend als in het voorgaande jaar.
van het getal verpleegde bedelaars, geuit bij de behan- Als redenen hiervan woi den opgegeven, het heerschen van
mazelen , hoewel deze zich door een goedaardig karakter
deling der wet van 1 Juni] 1870 {Staatsblad n°. 85), ook
in 1873 niet was verwezenlijkt. De tabel 27 van dat ver- onderscheidden, zoomede' de aankomst in de gestichten van
meer oude en zwakke personen dan vroeger werden opslag toont dit aan, want de bevolking beliep:
genomen.
op 31 December 1873 2960 verpleegden, en
Het getal ooglijders dat op 1 Januarij 1875, 172 bedroeg', was op het einde van liet jaar 140. Bij den aan• 31
»
1869 4700
>
vang van 1875 bedroeg het getal lepralijders, verpleegd
iu het uitsluitend voor hen bestemd locaal, 10 ; in den loop
» 31
»
1868 5485
»
van het jaar zijn er 2 bijgekomen. Allen bleven op het
> 31
»
1867 5596
»
einde des jaars in behandeling. In het nachtleger dier lijders
werd eenige verbetering aangebragt.
» 31
»
1866 5475
»
Orde en gezag werden zooveel mogelijk en met goed
• 31
>
1865 5424
>
gevolg gehandhaafd.
[122. 2J
4U
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1S75.
Krachtens het reglement van tucht, werden m 1875
394 verpleegden gestraft. als wegens :
desertie of poging daartoe
11")
paarden
67
trekossen
verkoop van kleedingstukken
opkoopon van gestichtskleeding
»
misbruik van sterken drank
5
verzet tegen overheden
4
ongehoorzaamheid
142
ontvreemding en verwaarloozing van goederen
.
14
onzedelijkheid
11
twist en mishandeling
36
tegen 417 in 1874 , dus 23 minder, van die 394 behoorden
388 tot de wegens bedelarij of landlooperij veroordeelden ,
5 tot de militaire huisgezinnen en 1 tot de niet veroordeelde overgeblevenen uit het opgeheven kindergesticht.
Drie hoofden van militaire huisgezinnen werden gestraft
wegens misbruik van sterken drank, twee andere wegens
ongehoorzaamheid.
In 1875 werden aan de justitie overgeleverd 67 verpleegden , en wel wegens:
mishandeling van ambtenaren en andere personen.
diefstal
8
12
diefstal met inbraak
3
vechterij
1
overtreding der wet op de jagt en visscherij. . .
7
verbreking van sluiting
2
vervanging van geldboeten
9
misdrijven en politieovertredingen vóór de opneming in de gestichten of tijdens de desertie gepleegd 25
Te zamen
Op 31 December 1875 bestond de veestapel dergestichten uit:
67
tegen 58 in 1874. Van de vernielde 67 waren 47 veroordeeld tot eene gevangenisstraf van 1 dag tot 1 maand ; 2
tot 6 weken ; 1 tot 2 , 1 tot 3 , 1 tot 5 , 5 tot 6 maanden,
1 tot 6 maanden en 3 dagen , 3 tot 1 jaar, terwijl van
6 hunner de straf niet bekend werd.
In den godsdienstigen en zedelijken toestand der bevolking werd geene verandering bespeurd. Het kerkbezoek
door de verpleegden liet bij voortduring veel te wenschen
over. Het catecliisatieonderwijs werd geregeld bijgewoond.
De drie te Ommerschans en Veenhuizen aanwezige scholeii werden gemiddeld door 255 leerlingen geregeld bezocht.
Van de avondschool werd slechts door een 37tal leerlingen
waaronder ook verpleegden, gebruik gemaakt. Het onderwijzend personeel kweet zich voldoende van zijne taak.
De bibliotheken in de onderscheidene gestichten namen
ook in 1875 in omvang toe. Daarvan werd bij voortduring,
vooral door de mannenverpleegden, veel gehruik gemaakt.
De bevolking der in de gestichten verpleegde militaire
gezinnen verminderde in den loop des jaars van 88 tot op
81 gezinnen. Dtze gezinnen bestor den uit 38 mannen,
68 vrouwen en 50 kinderen ; totaal 156 personen.
Het gedrag en de levenswijze dezer lieden was over het
algemeen goed; slechts 5 werden door den raad van tucht
huishoudelijk gestraft. De opleiding der kinderen was
bevredigend; een jongeling behaalde de acte van hulponderwijzer en werd spoedig daarna elders als zoodanig
aangesteld.
De kinderen, die den ouderdom van 23 jaren bereikt
hadden, verlieten met ontslag de gestichten, zoo niet om
bijzondere redenen eenig uitstel werd verleend. Onder de
vertrokken personen bevond zich een gezin bestaande uit
man , vrouw en 3 kinderen.
138
1
koeijen
429
stieren en driejarig vee
117
vaarsen
99
pinken . . ,
102
kalveren
>
schapen
1307
varkens
55
Te zamen
2248 stuks.
De veestapel was in den regel gezond; de sterfte beliep
ongeveer l1/» pet. van de kapitaalswaarde. Ofschoon in de
behoefte aan vee in den regel door het aaufokken in de
gestichten wordt voorzien, heeft men echter in 1875 moeten
aankoopen 3 guste koeijen voor den vetstal, zoomede 4
stieren, 220 schapen en 2 springbeeren , voor een gezamenlijk bedrag van f 2174. Voor 12 aangekochte paarden
werd besteed f 5 271,50.
Tegenover deze uitgaven, ten gezamenlijke bedrage van
f 7 445,50 , staat eene ontvangst van omstreeks f 6000 ,
zijnde de opbrengst van het verkochte vee.
De oogst bragt in 1875 op:
wiliterrogge . . '.
. .
Hektaren.
. 255,75
haver
boonen
Opbrengst,
5 887,1 hektol.
102,75'
3 067,2
10,28
240,6
aardappelen
105,90
25 466,14
hooi
351,11
f31092,48,
»
dus
1036 416 kilo, per voer of
500 kilo f 15;
tuinvruchten , groenten en
zaden
13,34
f
5 221,28 s
rogge en haverstroo
f 23 933,00 , dus
1 196 650 kilo, per voer of 500 kilo f20;
hakhout en andere houtwaren, met
inbegrip der waarde van het eigen
verbruikte
2 171,64
Aan rogge werd 853 hektoliter minder geoogst dan in
1874, bij een minder verbouw van 35.59 hektare. Per
hektare bedroeg de oogst echter slechts 13 liter minder.
In 1875 was daarentegen het gemiddelde gewigt 2 kilogram
per hektoliter zwaarder. Ook de haveroogst was ongeveer
1200 hektoliter minder van eene kleinere oppervlakte van
omstreeks 15 hektaren dan in 1874 werd bebouwd; het
gemiddelde gewigt per hektoliter was 4 kilogram ligter
dan in 1874. Het verbouw der paardenboonen kan daarentegen gunstig genoemd worden, want per hektare is
1.40 hektoliter meer geoogst dan in het jaar te voren.
Met dit gewas werden 11.36 hektaren minder bezaaid dan
vroeger. Aan aardappelen was per hektare 16 en in het
geheel 1665 hektoliter meer geoogst dan in 1874.
Buiten aanbesteding is aangekocht aan hooi voor ongeveer f 1990 en aan paardenboonen voor p. m. f 2637, dat
is voor nagenoeg f 3900 minder dan in 1874.
De minder gunstige oogst moet grootendeels worden
toegeschreven aan het drooge voorjaar en aan strenge
nachtvorsten in de maand Junij en in het najaar.
[ I W . 2.]
Bjjiagen E.
Tweede Ramcr. u
Verslag over de verriglingcn aangaande liet armbestuur over J 8 7 5 .
De opbrengt! van den veestajKil bedroeg in geldswaarde:
f 38 259,68s
20447,86
uan zuivel
» vleeaoh en ipek
»
afval van slagtvee
»
huiden van geslagt en gestorven vee.
1642,30'
»
WOl
2169,00
»
verkocht vee, zoo als hierboven
opgegeven
289,64
7446,60
. f 70 154,38
Die houtcultuur werd zoowel te Ommerschans als te
Veenhuizen voortgezet. De oppervlakte bosch bedroeg op
ultimo December 1874 300 hektaren. De uitgaven voor
arbeidsloon , plantsoen , zaden , gereedschappen enz. be-
droegen f 16 626.
Verkoop van hout beeft niet plaats gehad; aan de werkplaatsen en gehouwen werd voor een bedrag van ongeveer
f 1191 afgeleverd.
Te Veenhuizen werden 4 4 7 9 000 stuks turven gegraven.
Door de verpleegden werden de volgende stollen geweven:
voorteken
22 281 * meter,
grijs linnen
1 615
bangmatlinnen
1787
paklinnen
950
»
»
5
»
1 9596
»
roode baai
467
»
vaatdoeklinnen
189
»
katoenen bonten
117
»
noppendoek
katoenen dekens
doeken
koffij zakken
kousen
beschikbare gelden voorzien. Bovendien werden de volgende
buitengewone werken of getimmerten tot stand gebragt,
van een stookhul op eene andere hoeve zoomede het maken
van eene werkplaats voor de wagenmaker^, smederij en
kuiperij.
Te Veenhuizen eene klapbrug afgebroken en door eene
draaibrug vervangen, 2 kokers en een duiker in waterlossingen
vernieuwd; een zaalopzieiicrs-woning vergroot
op een der boeven; eene bergplaats voor wagens gemaakt.
De waterleidingen, bruggen, sluizen eu duikers, waren,
voor zoover dit kon geschieden , in Loeien staat gehouden.
In bet laatst van het jaar w ir I da vernieuwing eener
sluis bij het 1ste gesticht Veenhuizen uitbesteed.
Kolr/nii'ii, der Maatschappij
eau
Wtliaiigheü.
De Regering bleef bij voortduring vreemd aan het beheer
der Maatschappij van Weldadigheid. Uit liet verslag,door
het bestuur dier instelling over 1875 openbaar gemaakt,
worden hier de volgende bijzonderheden medegedeeld.
Het jaar 1875 was weder niet gunsti f voor den landbouw van die instelling. Vele gewassen gaven eene o p brengst beneden het middelmatige. De boekweit, beteenige
gewaa dat zonder bemesting bebouwd kan worden en dus
bij welslagen veel winst afwerpt, was als mislukt te beschouwen. De opbrengst beliep slechts 8 % hektoL per
hektare, tegen 15 in 1874. Met dat gewas waren 4 8 hektaren land bezet.
Ook de oogst der tarwe en paardeboonen was minder
dan in laatstgenoemd j a a r ; de tarwe bragt op 17 hektol.
per hektare, tegen 19 in 1874: de paardeboonen 1 8 ' / , ,
tegen 20V4- Voordeeliger was de opbrengst van de rogge,
Verder werden nog vervaardigd:
wollendekens
doen verrigten ; de uitvoering daarvan leverde geene
iiioeijelijkheden op.
In hét Onderhoud der gebouwen werd uit de daarvoor
a l s : te Ommerschans, bet vernieuwen van twee hoevenen
is
. . .
Te zamen .
nuttig kon zijn. De takken van bedrijf werden uitgebreid
mei het maken van matten van sport. In 1875 werd meer
dan vroeger als beginsel aangenomen de werkzaamheden
in de gestichten zonder hulp van vreemde arbeiders te
46
stuks,
517
»
2 600
i
291289
den haver en de aardappelen; zij bedroegrespectivelijkper
hektare 2 5 , 31 en 275 hektol.', tegen 2 3 , 29 en 258 in
1874. Hoewel niet g u n s t i g , was de opbrengst van bet
gras- en klaverland in 1875 toch meer dan in het daaraan
voorafgaande jaar; aan hooi werd 172 000 kilogr. verkregen
tegen 124 000 in 1874.
In 1875 werden in het geheel verkocht 108 stuks vee
voor f 15 532, of gemiddeld voor:
3 395
paar,
1 392
stuks,
tegen
165
»
»
in 1874
schoenen
378
paar,
en
200
»
•
» 1873.
klompen
4 501
»
303
»
petten
'
handschoenen
13 583
»
matten
militaire sokken
1746
meter ,
matten
3 063
stuks ,
breeuwerk
8 698
kilogr.
De meerdere of mindere aanmaak van een of ander
regelde zich naar de behoefte der bevolking, de werkkrachten en de ontvangen bestellingen. De koffijzakken
waren bestemd voor de Handelmaatschappij ; de sokken en
een gedeelte der handschoenen werden voor het leger vervaardigd.
De borstels benoodigd voor al de gestichten werden te
Ommerschans gemaakt.
De timmerwinkels, smederijen, wagenmakerijen, mandeumakerijen, kuiperijen, blikslagerij, touwslagerijen, klompenmakerijen en bezembinderijen voorzagen voldoende in
de behoeften voor de gestichten. Door deze werkplaatsen
als ook door de kleermakerijen en de bakkerijen werden
vele verpleegden in de gelegenheid gesteld hun handwerk
uit te oefenen of zich daarin verder te bekwamen, het"welk voor hen, bij terugkeer in de gewone maatschappij,
Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877—1878
f 144 per s t u k ,
Gekocht werden 93 stuks vee voor f 9243, of gemiddeld
f 100 per stuk.
De opbrengst aan vette kalveren . boter en melk bedroeg
f 10 548, dus iets meer dan in 1N74.
De gemiddelde bruto-opbrengst per rund was f 9 7 tegen
f 100 in 1874.
Het verlies op den landbouw beliep, na aftrek van de
winst op den verkoop van veldvruchten en zaden, r u i m
f 200; dat op de veeteelt, na aftrek der winst op de kalveren en schapen, f 2495.
De houtteelt leverde in 1875 weder gunstiger u i t k o m sten dan in bet voorafgaande j a a r : de opbrengst daarvan
bedroeg f 4 0 5 5 , dus f 955 meer dan in 1874. Met kracht
was weder voortgegaan met den aanleg van nieuwj bosschen, omdat de houtteelt wordt beschouwd als bet middel
om bet bestaan der Maatschappij op den duur te verzekeren.
Als een bewijs daarvoor is medegedeeld , dat een eiken
houtwal, groot ongeveer een hektare, noch diep g e s p i t ,
noch behoorlijk behandeld, dit jaar voor "het eerst g e h a k t ,
netto heeft opgebragt f 619, of, gerekend op een gemiddelden groei van 10 j a r e u , f 61,90 per j a a r en per hektare.
Sedert 1866 zijn reeds 53 hektaren grond toe eikenbosch
aangelegd, waarvan de opbrengst in den regel hooger zal
zijn, omdat die grond beter bewerkt is.
W a t den fabriekmatigen arbeid betreft, werd uied^gedeeld, dat de stroovlechterij en touwslager^, om de in bet
42
[MS. 2.]
Veftlag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
vorig verslag opgegeven reden, warden gesloten; da laatste I Rn er kan nog veel in Nederland gedaan worden,
telt
in den loop van liet jiuir 811 tijdelijk. In de mandenmakcrij I de Maatschappij 53 afdeelingen en 109 correspondentichappen; is ook In India eene commissie werkzaam, om
<>n mattenmaker!
re w e r k t . <n deze industrii
de belangstelling in die instelling op te w e k k e n ; in
had dan ook een voorJaelig saldo opgeleverd.
Nederland zijn nog 1000 gemeenten, waar geen enkele
De juteweverij gaf een niet onaanzienlijk verlies, ten
bijdrage werd afgezonderd voor eene Maatschappij, die
gevolg? van de levering van 40 OUD koliijzakkon aan de
eene eerste plaats bekleedt o n d e r d e philanlropisehe instelHandelmaatschappij tegen den laagsten prijs van inschrijlingen hier te lande.
ving en den achteruitgang van de prijzen der grondstof,
waardoor de inventaris-waarde op ultimo December belangrijk minder was dan op 1 Januarij. Met liet handweefgetouw was bovendien de concurrentie tegen de; itoomrkInstellingen ter voorkoming van armoede.'
brieken niet vol te houden. Looper- en kleedengoed, een
nieuw fabrikaat, vond veel aftrek. Behalve de gemelde
Tot de instellingen ter voorkoming van armoede be40 000 koilijzakken , werden in het geheel nog afgeleverd:
hooren de banken van l e e n i n g , de zieken- en begrafenisbussen , de spaarbanken, de spaarkassen, de hulpbanken,
3000 koedekken , 2800 steenkolenzakken , 17 700 inande vereenigingen ter uitoefening van patronaat over de
d e n , 700 rollen m a t t e n , 5000 kilo t o u w e n 1700 paar
armen en die ter verschaffing van betere woningen aan
sokken ; bovendien voor f 4005 aan paklinnen en voor f' 120
armen en minvermogenden.
aan loopcr- en kleedengoed. Voor eigen gebruik waren
Uit de ontvangen opgaven omtrent de vijf eerste soorten
er 172 stukken katoen geweven.
van instellingen zijn de hierbij overgelegde tabellen
Op 1 Januarij 1875 was de bevolking van deze instel(28a—33 b) opgemaakt, en zijn ten aanzien van dexe als
ling 1956 zielen tegen 1887 op ultimo December van dat
van de andere soorten de verder hieronder volgende medejaar. Ter vervanging van de vertrokken gezinnen , w e r deelingen geput.
den er 9 verplaatst.
Niet minder dan 110 zonen en dochters van arbeiders en
Banken van leening.
vrijboeren , benevens 20 bestedelingen verlieten in verschillende betrekkingen de Maatschappij, terwijl 19 jongens
De tabellen 28a, 2 8 J , 29a en 294 betreden de banken
uit militaire dienst en 12 meisjes wegens ongesteldheid
van leening : de beide eerste , die , welke door administraof andere oorzaken tijdelijk terug kwamen. In den loop
tien , op openbaar gezag ingesteld, worden beheerd ; de
van het jaar werden 18 bestedelingen opgenomen.
beide laatste, die, welke ten gevolge van verpachting of
Behalve de gemelde gezinnen en personen werden er
concessie , door particulieren voor eigen rekening worden
nog 7 , meest jonggehuwden , die niet iü de koloniën gegehouden.
plaatst , maar wel opgevoed waren , aan voordeelige betrekTen gevolge der opheffing van 2 banken van de eerste
kingen , op landgoederen of in boom - en bloemkweekesoort, die te Schiedam en Alkmaar , en van 3 banken van
rijen, geholpen.
de tweede soort, die te Doetinchem (stad), Naarden en
Deze gunstige uitkomsten werden hoofdzakelijk aan de
Appingedam, loop'en de opgaven in gemelde tabellen over
opleiding en bet onderwijs toegeschreven. Daaraan had
5 banken van leening minder dan in die over 1874.
de directie, ouder toezigt van eene in 1875 benoemde
De oorzaken der gemelde opheffingen waren :
commissie en van de provinciale inspecteurs, de moest
mogelijke zorgen besteed. Om zonder dwang het geregeld
te Schiedam , de weinige behoefte , die er bestond tot
schoolbezoek te bevorderen , was er een schoolfeest g e instandhouding van de bauk en de jaarlijksche achteruitorga iseerd en bij die gelegenheid aan 27 leerlingen , die
g a n g van die instelling. Gewoonlijk werden er dezelfde
minstens in 3 hoofdvakken u i t m u n t t e n , een een-diploma
panden beleend en gelost; wekelijks geschiedden de inuitgereikt.
brenging en aflossing van die panden, zoodat de bank
(Jok het voortgezet onderwijs droeg goede vruchten :
niet meer geacht kon worden te strekken als middel
een jongeling deed met g u n s t i g gevolg het examen als
voor pandgevers om, alleen bij dringende noodzakehjkhulponderwijzer; een ander werd als kweekeling geplaatst.
heid, zich zelven te helpen. KÏagten over het gemis van
Het onderwijs in de naai- en breischolen werd gekegeld
eene bank waren daar dan ook niet vernomen; integengegeven en bijgewoond.
deel , algemeen werd de maatregel goedgekeurd, ook
De gebouwen , 464 in g e t a l , waaronder 4 kerken , 4
om den gameiden achteruitgang van die instelling.
pastorien , 9 fabriek-gebouwen of werkplaatsen en (i boerJaarlijks sloot hare rekening met een nadeelig saldo, telderijen , eischten weder belangrijke uitgaven : alleen voor
ken jare smolt een gedeelte van haar kapitaal w e g , zoodat
onderhoud werd niet minder dan f 14632 besteed. Vele
er eindelijk van de f 50 000 slechts ongeveer f 1 2 000 was
gebouwen eischten nog belangrijke verbeteringen, doch
overgebleven;
middelen om daarin afdoende te voorzien, waren nog niet
aanwezig.
te Alkmaar, het verminderd gebruik dat er van de bank
Op 1 Januarij 1875 was de waarde van alle bezittingen
gemaakt werd en de nadeelige saldo's, die, volgens het
f 943 384,13 en bedroegen de schulden f 147 006,17; op
reglement, geheel ten laste der gemeente kwamen. Volultimo December van hetzelfde jaar waren die sommen
gens ontvangen schrijven was sedert 1862 het aantal zoo
respectivelijk f 935 293,42 en f 134 837.77', zoodat in 1875
beleende als geloste panden in die bank steeds verminderd ,
op het kapitaal eene winst werd behaald van f 4677,68\
zoo zelfs, dat het jaar 1872, vergeleken met 1862, een
De balans over 1875, opleverende een ver] ea van f 18452,31*,
getal van 9420 minder beleende en 8973 minder geloste
sluit in ontvang en uitgaaf met f 953 745.73 5 .
panden aangaf; de beleensom was f 23 657 en de lossingsom f 18 582 minder dan in eerstgenoemd jaar. Uit deze
Volgens het verslag der Maatschappij , zijn de vooruitcijfers bleek het dat allengs minder gebruik van de bank
zigten van dien a a r d , dat men nog van geen zelfstandig
van leening gemaakt werd. Het gevolg daarvan was dat
gevestigd bestaan kan spreken , m a a r , zoo als die instelling
de balans in de jaren 1870—1873 met een nadeelig saldo
n u is i n g e r i g t , evenmin van opheffing.
sloot, d a t , zoo als reeds is opgemerkt,, geheel ten laste der
Zij moet blijven voortgaan hare werk verschafiing daartoe
gemeente k w a m , waardoor die inrigting een lastpost voor
t e leiden , dat een productief kapitaal wordt verkregen
de gemeente geworden was. W e r d , volgens dat schrijven,
(houtteelt).
de opheffing in het finantieel belang der gemeente aan beDe bereiking van dat doel zal nog offers kosten , maar
volen, in het belang van vele ingezetenen was zij ook
in geen verhouding tot het te bereiken nut. Met verwijwenschelijk. Talrijk toch waren de panden die, week in,
zing naar de vele giften en legaten , in de laatste tien
week u i t , ' s Z a t u r d a g s gelost en 's Maandags weder bejaren ontvangen , die de Maatschappij van Weldadigheid
leend werden; talrijk de panden die bij g-elegenheid van
in staat hebben gesteld werkzaam te blijven tot heil der
de kermis werden ingebragt, zoodat de bank het middel
bevolking , roept het bestuur met aandrang de hulp der
W*S geworden voor vele inbrengers om meer en meer
leden in , en het doet dit met te meer gerustheid , omdat
achteruit te gaan. Daar bovendien zij, die tijdelijke hulp
hier niet gepleit wordt voor het behalen van een geldelijk
noodig hadden, die hulp bij spaar- en hulpbank aldaar
dividend, maar voor eene z a a k , voor eene instelling,
konden vinden, werd op grond van een en ander de bank
welke het g e l u k van eene talrijke bevolking bedoelt.
[ f i t . 2.]
13
Verslag over de vejrigtingen aangaande het arinhestuur over ] H 7 ö .
bij raadsbesluit van 26 Augustus 1874 In die gemeente
opgeheven;
te Doetinchem (Stad) bet gebrek aan een geschilden
pachter en de weinige behoefte welkfl er in die gemeente
aan eene bank bestond. Volgens bet raadsbesluit, waarbij
die bank werd opgeheven, werd aangaande bet laatstgernelde medegedeeld, dat bet aantal beleende panden uit die
gemeente jaarlijks afnam, terwijl een groot getal heleeningen door bewoners van naburige gemeenten geschiedden ;
te Naarden, de welvaart in die gemeente. De pachter
had daarom de pacht aan de gemeente opge/.egd ; (ie bank
rendeerde te weinig;
te Appingedam, de achteruitgang der bank. Door de
hooge dagloonen waren de arbeiders in staat vroeger beleende panden at' te lossen en behoefden zij niet meer te
beleenen. Het getal ingebragte panden beliep daardoor in
1874 belangrijk minder, ten gevolge waarvan er met 1 Januiirij 1875 geen pachter voor de beleenbank te vinden
was. De raad dier gemeente, van oordeel, dat de bank
zeer goed kon gemist worden, beeft haar, met ingang van
1 Januarij 1875, opgeheven.
De opgaven betreffen, ten gevolge van de bovengemelde
opheffingen., 31 banken , die onder eigen beheer en 33 die
verpacht zijn; dus te samen 6 4 , tegen 33en 36, te zamen
6!) in 1874.
Even als in vorige jaren overtroffen ook in 1875 de
banken, op openbaar gezag ingesteld, zoo in omvang als
in w e r k i n g , weder verre die, door particulieren, voor eigen
rekening gehouden; bij de 31 der eerste soort werden
2 361784 beleend, 2 325 052 gelost en 64 27^ verkocht;
bij de 33 der laatste soort respectivelijk slechts 244 122,
230 172 en 5970.
Er werden in alle banken te zamen 200 671 panden
minder heleend, 171450 minder gelost en 6169 meer verkocht dan in 1874. De verschillen tusschen laatstgenoemd
jaar en 1873 waren respectivelijk 22 464, 38 442 en 2004
in minder.
Vergeleken met 1874 werd bij 16 banken meer en bij
48 minder beleend, bij 15 meer en 49 minder gelost, bij
32 meer en 31 minder verkocht; bij eene bank was het
getal verkochte panden gelijk aan dat in 1874.
Niettegenstaande er dus 16 banken waren, waar meer
panden werden i n g e b r a g t , was echter, blijkens vorenstaande cijfers, het aantal beleende panden, alle banken
te zamen genomen, belangrijk minder dan in 1874. Hoofdzakelijk ligt de oorzaak in de opheffing der hiervorengemelde banken ; doch ook de gunstige tijdsomstandigheden, als uitmuntende volksgezondheid in vele gemeenten
waar banken gevestigd zijn, en de ruime gelegenheid tot
bet verkrijgen van werk tegen goed loon, dat den werk*
man in staat stelde, in weerwil van de duurte der eerste
levensbehoeften en van hooge huren der woningen, zooveel te verdienen , als tot onderhoud van zijn gezin vereischt werd , badden , volgens bijna algemeen gevoelen ,
veel tot die vermindering bijgedragen. Te Harderwijk werd
de groote vermindering toegeschreven aan de drukke
werving voor het leger in Üost-Indie; te Zutphcu aan het
schorsen der inbrenging van panden , ten gevolge van het
overlijden van den hankhouder; te Yenlo aan het geringe
gebruik , dat ingezetenen van naburige gemeenten in 1875
van de bank aldaar maakten.
Bepaalde redenen voor de vermindering van het getal
beleende panden waren hij de besturen van vele banken ,
even als in vorige jaren , niet bekend.
Mede was dit bet geval met de banken, waar het getal
panden, dat beleend werd, meer bedroeg dan in 1874.
Alleen ten opzigte van de banken te Amsterdam, lh;rlingen , Kampen en Maastricht werd medegedeeld waaraan
de vermeerdering vermoedelijk is toe te schrijven: te Amsterdam aan de vermindering van het aantal geheime
beleenbuizen; te Harlingen aan het niet meer bestaan
eener bank te Franeker; te Kampen aan de toeneming der
bevolking van de arbeidende klasse, aan de duurte der
levensmiddelen en aan de hooge huishuren ; te Maastricht
aan de duurte der eerste levensbehoeften.
Ten aanzien van de mindere of meerdere aflossingen bij
de verschillende b a n k e n , vergeleken met 1874, valt niets
op te merken ; de verhouding tusschen beleeningen en
aflossingen in de jaren 1874 en 1875 loopt weinig uitren.
De reeds gemelde gunstige tijdsomstandigheden in aanmerking nemende, kon dit wel niet anders. omdat dan
bet grootste getal panden slechts korten tijd in de banken
verbujven.
Het getal verkochte panden was, vergeleken met 1874,
616!) meer, waarvan 5813 l/ij de bank te Rotterdam beleend waren. Voor de vermeerdering daar , evenmin als
voor die bij eenige andere banken, konden bepaalde redenen
worden opgegeven. Alleen uit Maastricht gewaagde men
van geldgebrek bij de belaeners, om de panden af ie losten
of de beleeningen te vernieuwen, eene reden echter die bij
de overige banken, waar meer verkocht werd, ook wel zal
gelden. Hierbij zij Opgemerkt, dat bet hoogst inoeijelijk
is te ontdekken, waaraan de gemelde vermeerdering is
toe te schrijven. De panden worden ingebragt, blijven
gedurende den bij het goedgekeurde reglement bepaalden
tijd, gewoonlijk bijna twee j a r e n , in de bank en worden,
bij niet aflossing of vernieuwing van de heleening, in liet
openbaar verkocht. De besturen der banken weten daar*
door niet wat de oorzaak i s , dat soms vele panden onafgelost blijven , dus verkocht moeten worden , en kunnen
alleen in buitengewone tijdsomstandigheden, als: gebrek
aan voortdurend werk in eene gemeente, het heer.-chen
van epidemische ziekten, e n t . . omstandigheden . d i e e c h t e r
in 1875 niet plaats hadden, daarop als \vrmoedelijke oorzaken wijzen.
Zoowel de uitgaven als de ontvangsten der verpachte
banken waren , blijkens de aangehaalde tabellen 29a en '29i,
nagenoeg alle minder dan in 1874. De vermindering
stond ongeveer in gelijke verhouding tot het kleiner getal
beleende panden. Waren de voorschotten bij sommige
banken hooger dan in 1874, een gevolg van (ie moordere
waarde der panden, daartegenover stond dan een groot
getid panden van geringe waarde bij andere banken.
Ook de op de panden voorgeschoten en d e , wegens aflos*
singen , t e r u g ontvangen gelden bij de ! anken onder eigen
beheer, stonden nagenoeg in gelijke verhouding tot het
aantal beleende en geloste panden. Bij de meeste ':.anken
van deze soort waren die gelden minder dan in 1874; dit
was eveneens het geval met vele andere bedragen, zoo van
uitgaaf als van ontvang in de tabellen 28« en 284 voorkomende. In de gemeenten, waar zij hooger waren dan
in laatstgenoemd j a a r , moet dit meer aan plaatselijke omatandigbeden worden toegeschreven. Voor zoover ze bij
de Regering bekend zijn, meldt dekolom » aanmerkingen
van die tabellen de redenen dier vermeerdering.
Tabel 28/; gewaagt tevens van de omstandigheid . dat
van de 31 banken onder eigen helieer, 10 mei verlies gewerkt hebbenen dat bet gezamenlijk verlies f 10777 heeft
bedragen. De oorzaak daarvan is echter door de betrokken
bestureu niet opgegeven. Vermoedelijk heeft bet minder
getal beleeningen en het groot getal zoogenaamde weekpanden , gewoonlijk weinig waarde hebbende , tot de verBezen veel bijgedragen.
In den rente-standaard bij de verschillende banken werd
in 1875 geene verandering gebragt.
De raad der geinccutc U ' t . , uiu r.tcltle in zijne vergadering van 7 September 1875 een nieuw regl(
ntvoor
de hulpkantoren der bank van leening aldaar vaal. waarop
de Koninklijke goedkeuring werd verkregen bij besluit
van 1 December 1875, n°. 30. Mede werd bij besluit van
10 November 1875, n \ 1 3 , goedgekeurd eene wijziging
in bet reglement voor de bank te beiden . vastgesteld door
tien raad dier gemeente op 14 October 1875.
In 1875 werden opgeheven de banken te Gorinchein en te
Zaandam, behooreuau tot die, beheerd door administratien,
op openbaar gezag ingesteld ; en te Zutplien , \ laan tingen
en Edam , behoorende tot de verpachte.
Tegenover de gemelde opheffingen stond het plan tot
oprigting van eene bank te Roermond , die verpacht zou
worden. Daartoe besloten op 11 December 1874 en 4
Januarij 1875, stelde de raad dier gemeente in zijne vergadering van 8 .Maart 1875 een reglement vast en onderwierp dit aan de Koninklijke goedkeuring ; deze werd verkregen bij besluit van 10 April daaraanvolgende, n°. 6.
Blijkens schrijven van Gedeputeerde Staten van Limburg
van 17 Maart 1876 was echter die bank tot op dat tijdstip
nog niet verpacht en dus nog niet in werking gekomen.
Bij Koninklijk besluit van 24 Augustus 1875 , n°. 31 ,
[122.
4;
2.]
Verslag over du rerrigtingen aangaande het armbestuur over J S 7 5 .
is magtiging verleend de bank te Amersfoort, tot dusverre
onder eigen beheer. te verpachten voor den tijd van één
j a a r . niet ingang vun 1 Jnnuarij 1870. De reden, \\aar-
om die overgang wenaoindijk werd geacht, was: de gemeente In bel vervolg te vrijwaren voor verliezen als in
de laatste jaren , wegens mindere beleonlngen geleden.
Xieken- en bet/ra feniisbuwu.
Volgena de ontvangen opgaven was liet aantal Lij do
gemeentebesturen bekende staken* en begrafenitbunen gelijk aan dat van het vorige jaar.
Uit de tabellen 30a en b over heide jaren blijkt, dat dit
getal 376 bedroeg.
Was echter bet aantal instellingen in beide jaren gelijk,
die tabellen toonen tevens aan, dat er toch veranderingen
hehhen plaats gehad; sommige komen niet meer op die
van 187") voor; andere zijn alleen op die van dat jaar ver-
meld. Ben en ander is liet gevolg van opheffing en oprigting van butsen.
Zeven werden er opgeheven en een
gelijk getal opgerigt of voor bet eerst vermeld
De eerstgenoemde rijn gevestigd geweest te Bergen op
Zoom 1 , Rotterdam 2, Gouda 1, Krommenie 1, Zaandam 1 en Workiini 1 ; de laatste werden aangetroffen te
Neede 1, 'sGravenhage 1, Zijpe 1, Harluigen 1, Warga 1, Zwolle 1 en Haasbrèe 1.
Daar de besturen van sommige bussen weigerden om
opgaven te verstrekken , loopen de cijfers der meergemelde
tabellen over 260 instellingen van dien aard.
De reden van het getal deelnemers tot de bevolking was
weder toegenomen. Zij bedroeg 155,19 tegen 152,21 in
1874 op de 1000 zielen.
Die reden was i n :
Noordbrabsnt
Gelderland
3.21
17,90
Zuidholland
452,07
Noordholland
133.95
Zeeland
Utrecht
Friesland
99,41
29,58
379,40
Overijssel
40,99
Groningen
9,78
Drenthe
3,31
Limburg
11,39
Zij w a s , vergeleken met 1874, hooger voor Gelderland,
Zuidholland , Noordholland , Zeeland , Friesland en Overijssel ; lager voor Noordbrabant, U t r e c h t , Groningen en
Drenthe , dezelfde voor Limburg. De meeste toeneming had
plaats in Friesland, waar zij van 308,14 tot 379,40 klom.
Het bedrag van den onderstand, omgeslagen over het
getal ondersteunde personen , was per hoofd over het geheel f 21,28 tegen f 21,03 in 1874.
In 1875 was h e t , in :
Noordbrabant
f
13,80
Gelderland
11,02
Zuidholland
110,67
Noordholland
5,26
Zeeland
29,61
Utrecht
24,13
Friesland
47,30
Overijssel
20,89
Groningen
31,31
Drenthe
19,14
Limburg
7,81
Het bedrag per hoofd was lager dan in 1874 in (ielderland , Zuidholland, Friesland, Overijssel , ( i r o n i n g e n ,
Drenthe en Limburg'; booger in Noordbrabsnt i Noordholland, Zeeland en Utrecht. Het verschil was het grootst
in laatstgenoemde proviuoie; bet beliep daar f 24,13 tegen
f I7,ü;i in 1874, waarvoor achter geene redenen rijn opgegeven.
vergeleken met 1874 was er meer uitgegeven voor
riekongelden f 19 925, voor begrafenisgelden f 91077,
voor geneesmiddelen f 10593 en voor toelagen aan geneeson heelkundigen f il 191. Die vermeerderde uitgaven rijn
hoofdzakelijk toe te schrijven aan het grooter getal deel~
nemers dat van 573 434 in 1874 tot 591 186 in 1875 k l o m ,
en aan liet ruimer getal ondersteunde personen , dat 5540
meer beliep dan in eerstgenoemd jaar. Voor zoo verre er
bijzondere oorzaken voor de verschillen in meer zijn opge*
g e v e n , komen zij in de kolom » Aanmerkingen" van
tabel 30a voor.
Het spreekt overigen! van zelf, dat zich ten opzigte
van dit alles van liet eene jaar tot het andere hij de verschillende instellingen, meer of minder beduidende afwisselingen voordoen . waarvoor niet altijd bepaalde redenen
zijn op te geven.
Voor onderhoud van gebouwen enz., en voor alle ko.-ten
van administratie werd f 182429 uitgegeven tegen f171 190,
en dus meer f 11 239.
Het kapitaal, dat belegd werd, overtrof het te gelde
gemaakte met f 126 603. Die uitkomst deed zich vooral
in Friesland voor, waar het alleen f 105 838 in meer bedroeg; voorts in mindere mate in Gelderland, Zuidholland,
Noordholland, Zeeland, Overijssel on Gelderland.
In Noordbrabant werd noch iets te gelde g e m a a k t , noch
belegd ; in Drenthe en Limburg alleen een klein bedrag
te gelde g e m a a k t , niets belegd; in Utrecht overtrof het
afgeloste het belegde met f 750.
De VOOfdeelige sloten van rekening waren f 244 665
meer dan in 1874.
Ook alle overige ontvangsten bedroegen meer dan in
laatstgenoemd jaar; een natuurlijk gevolg van bet grooter
getal deelnemers.
In zoo verre bijzondere oorzaken dienaangaande door
enkele besturen van bussen werden medegedeeld, komen
zij voor in de kolom » Aanmerkingen" van tabel 30 b.
Door eenige bussen werden hij voortduring, uit voordeelige sloten van r e k e n i n g , aan deelnemers en aan leden,
die een bepaalden ouderdom bereikt hadden, of die als
blijvend gevolg van ziekten , voor arbeid ongeschikt w a r e n ,
weder uitkeeringen gedaan ; de leden van sommige andere
busseu verdeelden ondorliiiir, de voordeelijre saldo's.
Spaarbanken.
Het getal spaarbanken, vermeld in de ontvangen opgaven der onderscheidene collegien van Gedeputeerde Staten,
en opgenomen in de tabellen 31 a en b van dit verslag,
bedraagt 223.
Er werden spaarbanken opgerigt te Vegbel, Hummelo
en Keppel, Oosterdijk , gemeente Andijk en Oldeboorn.
De oprigting in de beide eerste gemeenten geschiedde
door bijzondere personen en in de beide laatste door de
betrokken afdeelingen der Maatschappij tot Nut van 't A1gemeen.
Voor het eerst i's de spaarbank van het Nederlaudsch
onderwijzersgeuootschap, waarvan de zetel te Amsterdam
is gevestigd, onder het getal spaarbanken in de bovengenoemde tabellen vermeld; de cijfers van ontvang en uitgaaf
van die bank komen mede daarin voor de eerste maal voor.
Het is gebleken dat er niet één maar twee spaarbanken
te Oosterhout bestaan.
De spaarbanken te W a r g a en Reek werden opgeheven.
Ten opzigte der banken te Arum en Wommels zijn in
1875 de noodige opgaven ontvangen.
Omtrent 11 van de 223 banken zijn geene opgaven verstrekt. Die instellingen waren gevestigd te Waalwijk,
Oosterhout, Sprang, Veghel, Nijkerk, W a m e l , Boskoop,
Montfoort, Soest en Scheemda.
Het bestuur van de inrigting te Veghel was daartoe
wegens het kortstondig bestaan niet in de gelegenheid; ze
trad op het einde van December 1875 eerst in werking.
Bijlagen
E.
[122.
2.]
Tweede Kamer. 45
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
Ten gevolge van een en ander loopen over 212 banken
da opgaven, dia in gemelde tabellen Sla en h zijn opgenomen, en die tot de hier volgende beschouwingen nauleiiling geven.
liet getal deelnemers stond tot de bevolking iils 39,09
tot 1000 zielen.
De verhouding* was in j
Noordbrabant
14,0.")
(ielderland
30,39
Zuidholland
69,36
Noordholland
57,39
Zeeland
21,48
Utrecht
40,87
Friesland
31,83
Overijssel
24,59
Groningen
43,14
Drenthe
12,31
Limburg
4,18
In 1874 was de verhouding over het geheel 35,05.
Zoowel in het geheel, als in iedere provincie afzonderlijk, was 'lus de deelneming, vergeleken met die in laatstgenoeind j a a r , weder belangrijk toegenomen. Ook hier
stond Zuidholland, wat het getal deelnemers betreft, verre
boven alle andere provinciën.
Het getal deelnemers in al de banken te zamen was
148 922, tegen 132 061 in 1874, en dus 16 861 meer dan
in genoemd j a a r ; het verschil in meer tusschen de jaren
1874 en 1873 beliep 13 405.
Blijkens gemelde tabellen werd er f 8 791 568 ingelegd
en siechts f 5 786 586 terug betaald; het eerste overtrof
liet laatste derhalve met f 3 004 982.
Het bedrag der ingelegde gelden was in alle provinciën
honger dan in 1874; het bedroeg in het geheel f 8 791 568
teilen f 7 125 840 m dat jaar en was dus t' 1 665 728 meer.
De terugbetalingen bedroegen meer in alle provinciën,
met uitzondering van Zuidholland en Overijssel, waar zij
minder beliepen dan in 1874.
Voor onderhoud van gebouwen enz. werd f 9433 meer
uitgegeven; daarentegen bedroegen de inkomsten van b e zittingen f 128 885 meer dan in 1874.
Het zuiver bedrag der reservefondsen klom van f 2 751 071
in 1874 rot f 3 032 466 in 1875, en was dus met f 281 395
vermeerderd.
Uit een en ander blijkt de algemeene vooruitgang der
spaarbanken. Die vooruitgang was doorgaande. Het getal
instellingen k l o m , blijkens de tabellen, van 1865tot 1875
van 158 tot 2 2 3 ; het bedrag der inlagen van f 2 845 592
tot f 8 791568.
Vergeleken met 1874, waren er in 1875 in de 206 b a n k e n ,
van welke opgaven over beide jaren werden verkregen,
meer deelnemers bij 183 en minder bij 19 banken; bij 4
bleef het getal onveranderd; bij de gemelde 206 banken
bedroegen de : nlagen bij 165 meer en bij slechts 41 minder.
Een en ander zijn sprekende bewijzen van den steeds
toenemenden bloei der meeste spaarbanken. Veilig kan in
de eerste plaats de oorzaak daarvan worden toegeschreven
aan den welstand der werkende klasseen der zoogenaamde
kleine burgerij. Veel werk was er te krijgen , in vele
gemeenten gedurende bijna het geheelejaar; meestal ruim
waren de loonen voor dat werk uitbetaald. Daardoor kon er
iets bespaard worden, zelfs iets meer dan in vorige jaren.
Erkend moet het echter worden dat vele besturen van
spaarbanken alle mogelijke pogingen in 1875 weder hebben
aangewend, om den bloei der onder hun beheer staande
instellingen te bevorderen. Sommige gaven door verspreiding van gedrukte verslagen aangaande ontvangsten en
uitgaven enz. meer bekendheid aan de banken; andere
stelden meer gelegenheid tot het inbrengen en terugnemen
van gelden ; weder andere verhoogden den intrest, aan de
deelnemers uit te betalen.
Wel is waar was de deelneming in enkele banken, zoo
in getal als in b e d r a g , minder dan in 1874; wel werd er
bij eenige in 1875 minder ingehragt dan teruggenomen,
doch dies gevallen waren , blijkens vorenstaande opgaven ,
niet talrijk. Hij dia banken , waar zulks plaats had , lag
de reden meer in toevallige omstandigheden , soms van
plaatselijken aard of in veranderingen der reglementen,
om daardoor de instellingen meer aan het doel, waarvoor
zij in het leven wer ,en geroepen, te doen beantwoorden.
Zoo werd onder anderen uit Eist gemeld , dat daar f 6000
minder in de bank werd belegd en f 8000 meer teruggevraagd , alleen ten gevolge; dar bepaling, om kapitalen
van f 1000 en honger niet meer aan te nemen. Dien ten
gevolge verminderde ook het aantal deelnemers in die
bank. Door de bank te Dwingelo werd ruim f 5 0 0 5 meer
aan de deelnemers terugbetaald dan in 1874, een gevolg
van de gemaakte bepaling, om geen grootere som dan
f 1000 van één persoon in de bank te bebouden. Het getal
deelnemers was , vermoedelijk daardoor, bij die bank minder
dan in 1874; dit was evenzeer het freval wat betreft het,
bedrag der inlagen. Het aangaan \an huwelijken of het
beginnen van eene handelszaak was mede oorzaak van het
terugnemen van vele gelden. Althans door de besturen
der banken te Buren , Beduin, Hoogezand en Sappemeer,
Nieuwe Pekela, T e r m u n t e n , werd dit gemald.
Hier zij echter o p g e m e r k t , dat verschillendeomstandigheden, die volstrekt niet in verband staan met de meerdere
of mindere zucht tot sparen, ook niet met den meerderen
of minderen vooruitgang van de banken , aanleiding kunnen geven tot het in die instellingen plaatsen, geplaatst
laten of het daaruit t e r u g nemen van gelden. Zoo wordt
o. a. vaak van de spaarbank gebruik g e m a a k t , tot tijdelijke belegging van gelden, in afwachting van de gelegenheid om ze voordeeliger dan daar te beleggen, of wel
worden de bespaarde gelden terug genomen , zoodra zij
een bedrag hebben bereikt, voldoende, om ze meer winstgevend te kunnen plaateen.
Bij Koninklijk besluit van 28 December 1875 (Staatsblad
r.°. 250) i s , met ingang van 1 Mei 1876, de gelegenheid
opengesteld tot het overmaken door tussch inkomst der
postadministratie, van gelden aan en het erlangen van
terug betaling van spaarbanken, welker besturen zich tot
medewerking op den voet van dat besluit bereid verklaren.
Spaarkassen.
Ten gevolge van de opheffing der spaarkas te H o l t e n ,
ontstaan door iiet vertrek uit die gemeente van den oprigter en bestuurder dier instelling , is het getal in tabel
32 vermelde spaarkassen één minder dan in die over 1874
en bedraagt dus 31.
Het bestuur der spaarkas te Ede heeft weder geweigerd
de verlangde opgaven te verstrekken; de opgaven omtrent
de instellingen van .dien aard te St. Nicolaasga en Groningen ontbreken mede ; de kas te 's Graven hage heeft
tijdelijk hare werkzaamheden g e s t a a k t , terwijl die te
Brouwershaven, te Zonneinaire en te Smallingerland, wegens gemis aan deelneming nog steeds buiten werking
bleven.
Vergeleken met 1874 leverde 1875 de volgende resultaten op.
Het getal deelnemers bedroeg 6710 tegen 7116 in 1874
en was dus 406 minder. Het bedrag der gedane inlagen
was f 17 956, en het t e r u g betaalde , zoo in geld als in
n a t u r e , f 8573 minder dan in 1874. Ook de inschrijvingen
of bijdragen door particulieren waren minier dan in laatst
genoemd jaar en wel tot een bedrag van f 1965.
De oorzaak van die verschillen ligt in het niet werken
gedurende 1875 van de kas te 's Gravunhage en in het opheffen van die te Holten. Eerstgenoemde kas telde in 1874
579 leden, het ingelegde bedrag beliep in dat jaar f 15 929
en het terug betaalde f 16 072; de laatst genoemde telde
slechts 19 leden, die het niet onaanzienlijk bedrag van
f 6361 hadden ingelegd , terwijl het t e r u g betaalde slechts
f 1251 beliep.
Door nu deze cijfers zamen te tellen en de verkregen
uitkomsten te vergelijken met de hierboven aangewezen
verschillen tusschen beide jaren , wordt een resultaat verkregen , dat aantoont eene meer uitgebreide w e r k k r i n g
dan in 1874 bij vele der overige instellingen van dezen aard.
En werkelijk; er w a r e n , blijkens gemelde tabel 3 2 , ver-
Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877—1878.
|122.
46
2.]
Venlag over de vcrrigtingen aangaande het armbestuur over 1 8 7 5 .
scheidenc spaarbanken, waarin HUMT deelgenomen werd
Zeeland
2,04
dan in 1874. Badenen voor die vermeerdering in 1875
zijn echter niet opgegeven.
Utrecht
2,11
Dat de Inkomsten van bezittingen f 452 moer bedroegen
dan in 1874, en dat er in 1875 ruim f 15 595 meer is
belegd dan te gelde gemaakt, ligt vooral in de spaarkas
te Holwerd, welke instelling meer liet karakter heeft van
eene spaarbank, zoo als ook is opgemerkt in het verslag aan-
gaiindü het armbestuur over 1874. De inkomsten van bezittingen van die kas waren f 118:1 tegen f573 in 1874; door
haar werd in 1875 f9364 belegd en slechts f 3149 afgelost.
Ook te Buitenpost en te Koudum was er in 1875 veel
meer belegd dan te gelde g e m a a k t ; daar was het belegde
f (5971 en het afgeloste slechts f 14G9; hier het belegde
f 2190, terwijl er niets werd afgelost.
In Noordbrabant en Limburg bestonden geene spaarkast e n ; in die van Zeeland was, zoo als hiervoren reeds werd
vermeld, ook in 1875 geen deel genomen
Het getal deelnemen stond tot de bevolking in:
Gelderland
als
0,39
Zuidholland
»
4,41
Noord holland
»
0,(13
Utrecht
»
0,85
Friesland
»
4,04
Overijssel
»
3,23
Groningen
»
1,27
Drenthe
»
0,58
en tot de bevolking van het geheele Rijk als 1,76 tot
1000 zielen.
De verhouding was lager dan in 1874 in Gelderland,
Zuidholland. Noordholland en Groningen, en hooger dan
in dat jaar in l ' t r e c h t , Friesland, Overijssel en Drenthe.
Aangaande deze soort van instellingen werd nog gemeld :
uit Zuidholland , dat de kas te Dordrecht, even als in 1874 ,
geen intrest betaalde, maar eene premie van 2 pet. uitgekeerd heeft en dat het nadeelig saldo f 1(28 bedroeg; uit
Noordholland, dat volgens opgaaf, de verminderde deelneming in de kas te Purnierende haren grond vindt in de
omstandigheid, dat vele van hen , die zich belast hadden
met het ophalen der spaarpeiiningen aan de huizen der
deelnemers, nalatig waren gebleven, doch dat het bestuur
maatregelen had genomen om de inleggelden geregeld op
te halen, waarvan het voor 1875 gunstige gevolgen verwachtte; uit Zeeland, dat de reserve-fondsen van de kas
te Brouwershaven en Zonnemaire nog steeds berustten in
de spaarbank te Zierikzee; uit Friesland, dat aan de kas
te Kouilum eene spaarbank verbonden w a s , die 56 deelneiners telde, dat de cijfers der beide instellingen, zelfs
bij benadering, niet voor splitsing vatbaar waren en derhalve in de tabel der spaarkassen zijn g e b r a g t ; uit Gron i n g e n , dat de kas in de gemeente Groningen 3 pet.
vergoed heeft als premie voor lederen gulden , onverschillig
op welk tijdstip van het jaar ook ingelegd.
llulpbanken.
Het getal hulpbanken, talellen 3 3 a en b, was één meer
dan dat in 1874 en bedroeg 46.
Opgaven werden er voor het eerst gedaan aangaande da
in 1871 door de Evangelisch-Luthersche diaconie te A m sterdam opgerigte hulpkas. Zij verstrekte rentelooze voorschotten onder borgstelling.
In Limburg ontbraken nog instellingen van dien aard.
Het getal personen aan welke voorschotten werden g e d a a n , bedroeg 6574, en was dus 339 minder dan in 1874.
Het stond tot de bevolking der provinciën, in welke de
banken zich bevinden, in het geheel als 1,73, en i n :
Noordbrabant als
0,23
Gelderland
»
2,11
Zuidholland
»
2,58
Noordholland
>
2,41
Friesland
1,35
Overijssel
2,01
Groningen
1,36
Drenthe
0,28
tot 1000 zielen.
In 1874 was die reden in het geheel 1.95. Zij was in
1875 hooger in Groningen en Drenthe en lager dan in eerstgenoemd jaar , in al de overige provinciën.
In 1875 werden 8017 voorschotten gedaan tot een bedrag
van f 723 742, tegen 8032 en f 698 261 in 1874.
De kapitalen , waarmede de banken werkten beliepen
f 409 857 of f 15 488 meer dan in 1874. Van die kapitalen
was f 275 739 aan geldschieters — waaronder spaarbanken,
enz., met welke eenige hulpbanken in verband staan —
of aan aandeelhouders verschuldigd, en kwam f 134 118
aan de banken t o e , als gesproten, uit vrijwillige bijdragen , overwinsten en andere bronnen. \ an de eerstbedoelde
kapitalen werden van \66\0a tot 6 pet renten of dividend,
tot een gezamenlijk bedrag van f 11942 betaald. Voor
aflossing van verschuldigde kapitalen en belegging van
voorhanden gelden werd 1' 95 3 2 4 , of f 15 391 minder dan
in 1874 uitgegeven; voor onderhoud van gebouwen, enz.
en voor alle kosten van administratie , waren daarentegen
de uitgaven f 8523 of f 251 meer dan in dat jaar. De
verschillende uitgaven bedroegen f 988 tegen t 3933 in
1874. De geheele uitgaaf was f 840 519 tegen f 832 301
in laatstgenoemd jaar.
De voorschotten waren gedaan tegen eene rente van
1 tot 5 pet. en bij enkele banken renteloos. Van de leeners werd ontvangen voor terugbetaling van voorschotten
f 722 872; voor renten , na aftrek van het kwijtgescholdene
wegens geregel»ie of vervroegde terugbetaling der voorschotten , f 23 5 0 8 , en voor boeten wegens vertraagde
terugbetaling f 661. Deze drie sommen waren in 1874
respectivelijk f 698 999 , f 22 698 en f 690. Voorts werd
nog ontvangen wegens renten van belegde kapitalen en
inkomsten van andere bezittingen f 1917 of f 642 meer
dan in 1874; van inschrijvingen of bijdragen van particulieren f' 1576, tegen f 1Ó13 in 1874; wegens opgenomen
gelden , ook door plaatsing van aandeelen, ter vermeerdering van het kapitaal, waarmede de banken werken,
f 95 764 of 5262 minder dan in 1874. De verschillende
ontvangsten, grootendeels bestaande uit gelden, op 1 Januarij in kas, teruggenomen tijdelijk belegde gelden, opbrengst van livretten, enz. bedroegen f 4 9 2 5 tegen f7270
in 1874. De geheele ontvangst beliep f' 851223 tegen
f 8 3 2 971 in laatstgenoemd jaar.
Als onverhaalbaar op de gedane voorschotten werd f283
tegen f 343 in 1874 afgeschreven.
De gemaakte overwinst bedroeg f 9542 en het geleden
verlies f 270 tegen f 7663 en f 215 in laatstgemeld jaar.
De verliezen zijn geleden door de banken te Enkhuizen,
Hoorn en Holwerd.
De bovenstaande cijfers bewijzen dat de werking dezer
zoo heilzame iustellingen in 1875 weder eenigzins was
toegenomen.
Opmerking verdient h e t , dat het geleende bedrag f 25 481
meer bedroeg , niettegenstaande het getal voorschotten 15
minder was dan in 1874. Dat meerdere en mindere deed
zich slechts bij eenige banken voor. Alleen ten opzigte
van de banken te Nijmegen en te Middelburg, waar dit
ook plaats had, waren daarvoor bepaalde redenen opgegeven. Te Nijmegen had het bestuur der bank geweigerd
aan het verzoek van verscheidene personen, aan wie vroeger
voorschotten waren verstrekt, te voldoen, op grond dat
deze geene neringdoenden meer waren. Daar de in 1874
verleende voorschotten aan die personen zich steeds tot
kleine sommen bepaalden , en daarentegen aan een kleiner
getal andere een ruimer voorschot werd gedaan, verklaart
zich aldaar de vermindering van het getal voorschotten
bij grooter voorgeschoten b e d r a g , vergeleken met 1874.
Te Middelburg, waar 517 voorschotten waren gedaan tegen
536 in 1874, en dus 19 minder, was het geleende bedrag;
[122.
2.]
47
Verslag over de verrigtingen aangaande het armbi stuur over 1875
f 1904 moer dan in dat j a a r , waarvnu du oor/mik wordt toegeschreven aan het vrij groots getal voorschotten van f200.
Bij eenige andere banken waren èn de voorschotten en
de geleende bedragen minder dan in liet voorafgaande j a a r ;
bij andere had het omgekeerde plaats. Dit zijn echter de
gewone jaarlijksche afwisselingen , waar-oor niet altijd
bepaalde oorzaken kunnen worden opgegeven.
Te Arnhem was een en ander hooger dan in het vorige
j a a r ; het bestuur kon de oorzaak daarvan niet aanwijzen,
aan 70 personen werk verschaft, bestaande in wollen- en
linnennaaijen, zoomede in breijen. Voor daggelden en
arbeidsloonen werd uitgegeven f 2172. voor grondstoffen
en gereedschappen f 7 4 2 ° , voor schoolgelden f 22 en voor
kosten waarmede de eigendommen en inkomsten bezwaard
waren en alle kosten van beheer f 0 6 1 . Die uitgaven \verdeii bestreden uit de inkomsten van allerlei aard en toegekende ree-ten ad f 2 4 5 , uit de opbrengst van bet werk
ad f 9436 en uit die van collecten en giften ad f 1124;
maar meende bet verschijnsel eer verblijdend dan ongunstig
de voordeelige sloten van rekening beliepen f 14 075.
te mogen noemen. Ofschoon bij de hulpkas \oor miuvermogende Israi'diten in die gemeente , in 1875 minder
aanvragen om voorschotten waren ingekomen , en die kas
ook f 2 4 5 minder verstrekte dan in 1874, toonen de
cijfers van deze instelling, zoo van uitgaven als ontvangsten, gelijk mede die van de aan de hulpkas verbonden
bewaarkas aan , dat de toestand niet ongunstig was. Br
werden in 1875 door de hulpbank te Apeldoorn 45 voorschotten minder gedaan en f 1812 minder uitgegeven dan
in 1874; de oorzaak daarvan is echter niet opgegeven Dit
laatste was mede het g e v a l , voor zooveel betreft de hulpbank te Zwolle, waar het aantal voorschotten 4 minder
bedroeg dan in 1874; bet bedrag was echter, niettegenataande die vermindering, f 175 hooger dan in het vorige
jaar.
liet bestuur der bank te Almelo kon slechts karig aan
de vele aanvragen om voorschotten voldoen. Grootendeels
geschiedde in 1875 de terugbetaling der geleende gelden
vrij g e r e g e l d , zelfs losten verscheidene personen de o n t vangen voorschotten vóór den vervaltijd af, waarvoor zij
restitutie van de betaalde renten of ook wel daarvoor k o r ting ontvingen. Zeldzaam behoefde de borgen om betaling
aangesproken te worden, en uit de ontvangen bescheiden
blijkt, dat slechts eenmaal een begin van uitvoering moest
gegeven worden aan cene geregtelijke vervolging, die
eehter niet behoefde te worden voortgezet
De vereeniging » Hulp en Arbeid" te Oostzaan heeft,
wegens den vroeg ingevallen winter , in 1875 geen werk
aan mingegoeden kunnen verschallen. Aan onderstand
werd echter uitgegeven f' '540, zijnde f 15 meer dan in het
Vereeniyini/eu tot het uitoefenen tan
over armen.
patronaat
Uit de berigten omtrent deze vereenigingen over 1875
ontvangen, blijkt hoofdzakelijk het volgende:
De Maatschappij van weldadigheid tot welstand .Ier bewoners van de kerkelijke gemeente t e St. Willebrord heeft
in 1875 weder gunstig gewerkt. Ter bereiking van naar
doel: ondersteuning van het aldaar gegeven weidende
lager onderwijs en van de in die gemeente gunstig" werkende industrieschool, had het bestuur de som van f1178
uitgegeven. Deze uitgaven werden bestreden uit de o p brengst van den verkoop der gewerkte kant en gebreide
goederen, zoomede uit de landpaebten, liefdegiften en uit
bijdragen van de commissarissen der Maatschappij.
Al de heidegronden, door dio instelling bebouwd oui
werk te verschaffen, werden voor een geringen huurprijs
aan de bewoners der gemeente afgestaan; de dennenbos»
schen hadden in 1875 geene inkomsten afgeworpen.
» De vereeniging » Hulpbetoon" te Arnhem strekte hare
zorgen uit over 120 huisgezinnen. Behalve huisbezoek en
toespraak , bestond de werkkring van deze instelling hoofdzakelijk in het verschaffen van naaiwerk.
De 'oestand en de werkzaamheden der Vrouwenvereenb
g i n g tot uitoefening van patronaat over behoeftigen te
Apeldoorn, waren gelijk aan die in 1874 en bestonden in
het verplegen van zieken, het ondersteunen van ouden van
dagen er het verschaffen van werk aan gebrekkigen.
Aangaande de algemeene commissie van weldadigheid
ter werkverschaffing in die gemeente werd gemeld, dat
zij, voor zoo verre hare middelen strekten, was voortge»
gaan behoeftigen te ondersteunen, hoofdzakelijk door liet
verschaffen van geneesmiddelen aan zieken en van werk
aan onderscheidene personen. Een aanzienlijke gift stelde
haar in de gelegenheid hare zorgen over vele behoeftigen
uit te strekken.
De vereeniging tot verbetering van den toestand der
arbeidende klasse te Lienden , verschafte gedurende den
winter werk, bestaande in het pluizen van touw. Het
werk leverde goede rtsultaten.
Omtrent de vereeniging > Hulpbetoon aan eerlijke en
"vlijtige armoede" te Rotterdam werd medegedeeld, dat zij
voorafgaande jaar. Het getal ondersteunden, weduwen eu
ouden van dagen bedroeg 24.
Omtrent de christelijke \rouweh\ereeniging » Tot heil
der armen" te Hilversum werd medegeeld , dat in 1875
door haar 72 personen onafgebroken waren bedeeld • dat
voor onderstand f 733 en voor kosten van beheer f 885
werd uitgegeven , terwijl de ontvang-sten , bestaande uit
vrijwillige giften en Uit de opbrengst van een gehouden
baznr, een som van f 1041 beliepen.
Door de vereeniging tot behartiging \ a u de stoffelijke
en geesstelijke behingen der armen te Haarlem inherigt,
dat zij, behalve liet bezoeken van behoeftigen aan hunne
woningen , teven aan vrouwen , naai- en breiwerk verschafte en aan meisjes onderligt deed geven in vrouwelijke handwerken. On de naaischool genoten 23 meisjes
en op de bretsohool 36 dat onderligt. Ten behoeve van
de 127 gezinnen, tot welke het huisbezoek zich uitstrekte,
te samen uitmakende 635 personen , waaronder 270 kinderen beneneden de 18 en 150 boven de 18 jaren , werd
f 3 8 3 7 uitgegeven, a l s : voor administratiekosten f 182,
voor gereedschappen en grondstoffen f 2311 ; voor spijs,
onderwijs en giften f 6 6 6 , voor arbeidsloon f 039 en voor
verschillende kleine uitgaven f 39. De middelen, ter voorziening in die uitgaven waren : inkomsten van bezittingen
f 4 2 , opbrengst van het werk f 3227 , opbrengst van collecten en giften f' 6f<3 en het voordeelig slot van rekeoing f 478.
Behalve van de bovenstaande instellingen is nog bij de
Regering ingekomen bet verslag der maatschappij tot opvoeding van weezen in het huisgezin. Het is het tweede
door het b e s t u u r , sedert de oprigting op 19 Mei 1874,
uitgebragt.
S e t dankbaarheid zag het bestuur bn het tweede jaar
van het bestaan der instelling terug, Al vloeide de bron
van inkomsten en giften niet te ruim , dat verminderde
in geen opzigt de dankbaarheid , waarmede sedert de jongste
jaarvergadering eeue som van ruim f 385 werd ontvangen.
Het viertal comité's groeide in den loop van het jaar
tot een negental a a n : behalve te Oosterbeek, Rotterdam,
Uvermaascne dorpen en Nijmegen, waren nu ook comité's
gevestigd te Assen , te Zutpben , te Dordrecht, te Utrecht,
te Brammen en omstreken.
Het aantal leden der maatschappij was van 213 tot 249
en dat der begunstigers van 13-J tot IC3 geklommen. De
getallen waren niet groot en oogenschijnlijk was de vermeerdering uiterst gering. Maar daarbij is in het oog
te houden dat het cijfer der comité's-leden van 124
tot 20(i, dat der begunstigers van 87 tot 133 aangroeide,
zoodat de maatschappij in het geheel 118 leden en 170
begunstigers heeft aangewonnen en alzoo 456 leden en 395
begunstigers telde.
Het aantal weezen , aan de zorg der maatschappij toevertrouwd , klom van 10 tot 31. Van de 31 weezen werden ter verzorging aan de maatschappij opgedragen 6 door
voogden , 5 door regenten van weeshuizen , 3 door armvoogden en 13 door het Kijk. Van de gemelde 31 weezen
behooren 13 tot de Hoomsch-katholijke, 15 tot de Gereformeerde, 2 tot de Doopsgezinde en 1 tot de Vereenigd
christelijke gemeenten. Grootendeels werden de verplegingskosten geheel vergoed; voor sommigen komt de m a a t schappij , de comité's, of armbesturen of voogdijen in de
kosten te g e m o e t , voor enkelen werden zij geheel door
de maatschappij gedragen.
Ten gevolge der bepaling van art. 22 der statuten , m a g
slechts de helft der inkomsten van het comité in de algemeene kas worden gestort, terwijl daarentegen zoo moge-
[122.
4^
Verslag
0 ,
T rif» verrigtingen aangaande het armbestuur over 1K75.
lijk. uit Y\-' kfH zou moeten geholpen worden, wanneer
de middelen van een comité niet voldoende zijn om in de
verzorging" van een wees te voorzien. Daar zoo doende de
oprigting van een comité der algemeens kus oneen aanzien*
lijk Bnailtieel verliet komt te staan , lieeft men zich geene
moeite gegeven te Amsterdam , (ironingen, Zwolle, 's (i ra-
ven liage. Leeuwarden, Schevenlngen en andere plaateen,
waar net aantal leden en begunstigen daartoe groot ge*
noeg was. oomité's te vormen, vóór dat in dit beswaar
was voorzien.
Ben daartoe strekkend voorstel !• gedaan en bet bestuur
zng de beraadslaging daarover met vertrouwen te gemoet
Verenigingen
M het verschil feu
2.]
van betere wonhti/ni
aan minvermogenden.
Du berigtan . aangaande deze vereeüigingen ontvangen,
bevatten in hoofdzaak het volgende:
De duanttele toestand der te Arnhem bestaande vereeniging tot liet verschaffen van geschikte woningen aan
dfl arbeidende klasse aldaar was zeer gunstig. De in 1874
onbetaald gebleven rekeningen werden voldaan , die wegens
onderhoud der gebouwen over 187.") verevend, en toch
bedroeg liet voordeelig saldo over laatstgenoemd jaar nog
f 1360. Behalve dat bedrag bestonden de bezittingen uit
134 woningen, die, verhuurd van f 0,80 tot f 1,50 par
week . eene som van f' <i80fi ophragtcn. Wanbetalingen
waren zeldzaam voorgekomen. Slechts aan één huurder
was de huur bij deurwaarders-exploit opgezegd.
De bevolking der 134 woningen bestond uit 10!) mannen,
127 vrouwen en 333 kinderen, d u s te samen uit 569 perso*
nen. Het getal geborenen bedroeg 18, dat der overledenen 12.
Aangaande de huurwoningen (Ier Nederduitsch-Heryormde
diaconie te Dordrecht waren over 1875 weder gunstige
uitkomsten verkragen. Van het renteloos opgenomen kapitaal werden acht aandeelen afgelost Door de bedeelden
dier diaconie, alleen als huurders aangenomen, werden
de woningen zeer gezocht e n , behoudens enkele uitzonderingen , zindelijk bewoond, terwijl allen den zeer matigen
huurprijs geregeld voldeden. Over liet geheel was de
gezondheids! ' tand der bevolking gunstig geweest; zeldzaam waren sterfgevallen voorgekomen.
Gedu vnde het jaar 1875 is door het bestuur der ver-
eeniging t >t verbetering der woningen van de arbeidende
klasse te 'sGravenhage voortgewerkt op de bestaande
grondslagen, en waren daarvan uitkomsten verkregen,
die allezins bevredigend inogten genoemd worden.
De 141 woningen aan de "Hoefkade voldeden zeer goed
in de bewoning; waarvan dan ook liet gevolg was, dat
de aanvankelijk hier, gelijk in alle nieuwe panden, eenigermate vlottende bevolking voor huurders van meerdere
stabiliteit plaats maakte. De opbrengst der huurpenningen
van deze woningen heeft bedragen f 13 248; die van alle
woningen dezer vereeniging te zamen f 43 (505.
Met kracht was er weder naar gestreefd om de woningen
steeds in voldoenden staat van onderhoud te hebben; hieraan was p. in. f 1900 meer besteed dan in 1874.
De ges! iten tistumntien vnrwi . voor zoover het bedrag
daarvan niet meer beantwoordde aan de waarde der woningen , verhoogd.
Als maatregel ter bevordering van de gezondheid der
bewoners werd gemeld, dat voor alle woningen duinwater
verkrijgbaar was, hetgeen ten vorigen jare nog slechts
op vier plaatsen het geval was geweest. De uitgaven
daarvoor beliepen in 1875 f 523.
Nog langs anderen weg trachtte het bestuur het welzijn
der bewoners te bevorderen. Zoo waren enkele gezinnen,
die zich voortdurend aan onreinheid overgaven, ofschoon
zij hun huur geregeld betaalden, uit de woningen verw n d e r d ; hetzelfde lot wedervoer een persoon, die met een
iedt r over alles twist zocht, en tot grooten last was van
de geheele buurt.
Overigens bleek bij voortduring, dat het streven der
vereeniging in het algemeen bij de arbeidende klasse hoog
gewaardeerd wordt.
De geldelijke toestand bleef, ook bij de gemelde uitbreiding , g u n s t i g , 'niettegenstaande het veel bezwaarlijker
viel dan voor eenige j a r e n , wegens stijging van prijzen ,
goede arbeiderswoningen te bouwen, zonder de huur
bovenmatig op te drijven.
Uit de balans der vereeniging blijkt toch, dal het actief
OP 31 December 1875 beliep I' 021 808 en het passief
f 5 1 3 0 8 3 , zoodat het perste het laatste met f 108 215
overtrof.
Voorts werd nog vermeld, dat het bestuur had besloten,
deel te nemen aan de wereldtentoonstelling te Philadelphia,
door inzending van het model der woningen in den Zusterpolder, met een in het Bllgelsuu gestelde schets van den
Werkkring der Vereeniging. De op de Weeiier-tentoonsteiiiug behaalde medaille, was uit handen van Z. K. HPrins Hendrik der Nederlanden, honorair lid der Vereent*
g i n g , ontvangen.
Het bestuur der Vereeniging tot het verschallen van
betere oningen aan de arbeidende klasse te Amsterdam
liet in 1875 weder 104 woningen bouwen; keelde aan de
aandeelhouders een dividend uit van 5 pet. en schreef eene
som van f 2005 op de waarde der perceelen af.
De Vereeniging » des Werkmans vriend" te Haarlem,
kocht 14.40 aren grond tot aanbouw van 18 arbeiderswoningen.
Door de Vereenining tot aanbouw van geschikte woningen
te Hilversum werd noch bijgebouwd, noch aangekocht.
Aan de aandeelhouders werd 3V» pet. rente uitgekeerd en
een aandeel ad t' 250 uitgeloot.
De vereeniging tot aanbouw van doelmatige woningen
eü andere inrigtnigen voor den arbeidersstand in die g ineente , kon , wegens gebrek aan kapitaal, slechts een
blok woningen , geschikt voor zes huisgezinnen oprigten.
Gedurende 1875 werden door de drie Maatschappijen tot
verbetering der woningen voor aroeidenden te Utrecht
geene bouwgronden aangekocht. De geldmiddelen dier
.Maatschappijen verkeerden echter in bloeijenden toestand.
De eene keerde een divident uit van 6 ; de andere van 5
en de derde van 4 ' / : pet., terwijl de voordeelige saldo's
werden aangewend tot belooning der huurders, die zich
door zindelijkheid. i:i de bewoning en trouwe betaling van
het huurgeld onderscheiden hadden.
Het kapitaal der eerste Maatschappij, opgenomen onder
hypothecair verband, wrerd in den loop van 1875 met f 300
verminderd, welk bedrag op de waarde der eigendommen
was afgeschreven; dat van de tweede onderging geene
verandering, terwijl dat van de derde aanmerkelijk vermeerderd werd door de uitgifte van obligatien tot een
bedrag van f 40 000. Deze som heeft grootendeels gestrekt
ter bestrijding der kosteu van den aanbouw der woningen
nabij de Kruisstraat.
Het bestuur der vereeniging tot verbetering der arbeiderswoningen te Zwolle bleef uitzien naar eene geschikte gelegenheid tot aankoop van nieuw bouw terrein; het betwijlelde echter , of zich die gelegenheid wel spoedig zou
voordoen, ten gevolge van den bovenmatigen prijs der
gronden , die voor bouwing in aanmerking' kunnen komen.
De woningen buiten de Diezerpoort werden voltooid; zij
waren in den loop van het jaar verhuurd ; de exploitatie,
zoo van deze, als van de overige woningen der vereenig i n g leverde zeer bevredigende resultaten. Het bedrag
wegens wanbetaling beliep iets meer dan in 1874; de uitgaven voor onderhoud waren daarentegen minder dan in
dat jaar. Twee aandeelen der geldleening, groot f 20 000 ,
werden afgelost.
De armen woningen van het algemeen diakengezelschap
der Nederduitsch Hervormde gemeente in Groningen, 100
in g e t a l , werden even als in vorige jaren, en bloc, aan
de diaconie der gemeente verhuurd voor f 2800. De b e woning en de gezondheidstoestand der bewoners, bedeelden
der diaconie, gaven geene aanleiding tot eenige opmerking.
Van het tot aankoop der woningen genegotieerde kapitaal
werd weder f 1200 afgelost, zoodat de schuld , op 31 December 1875 op die woningen nog rustende, bedroeg f 8000.
De bouwvereeniging te Groningen begon het jaar 1875
met 221 leden en f 133 900 in kapitaal, verdeeld in 1339
aandeelen. Ledental en maatschappelijk kapitaal bleven
op dezelfde hoogte, geen van beiden werd in dat jaar vermeerderd, De werkkring der vereeniging breidde zich
evenwel uit. In den loop van het jaar werd een aanvang
gemaakt met den aanbouw van 7 woningen. Dit werk
was aanbesteed voor de som van f 20 884. Door de Vereeniging werden aangekocht een huis met erf voor f 2025
en een perceel bouwgrond voor f 9400. Een gedeelte van
dit laatste werd bestemd voor den aanbouw van 19 woniu
Bijlagen E.
[fff.
3.]
Tweede Kam«r. n
Verslag over dt verrigtingen aangaande het armbestuur over 1S75.
gen, waarvan in de laatste maanden van het jaar <le fundamenten warden gelegd, Het werk was aanbesteed voor
f35 709. Met inbegrip van de bovengemelde 7 woningen.
die eebter op net einde van bet jaar oog niet voltooid
waren en van het aangekoelito huis, had de vereenig'ing
op ultimo December l!S7ó in bezit 118 woningen, waarvan
f10 172 werd ontvangen. De onderhoudakotten beliepen
f 1076. Ben dividend van 5 pot. werd uitgekeerd en f' IÖ58
gevoegd bij het reservefonds, welk fonds daardoor klom
tot f 8738.
Verdere intUtllngM tot noorMmimj tan armoede.
De Hervormde Provisorio van Neede ondersteunde (i huisgeziunen gedurende het geheele jaar en 1!) huisgezinnen,
benevens 2 eenloopende personen alleen gedurende den
winter. Voor ondersteuningen van allerlei aard, begrafèniskosten daaronder begrepen, werd door die instelling uitgegeven f 317. De kosten van administratie, benevens die
voor onderhoud van eigendommen beliepen f 49. Die uitgaven konden worden bestreden uit de inkomsten van be-
[132.
zittingen van allerlei aard on toegekende regten ad f387.
Door de voordeelige laldo'a van rekening, de verschillende
ontvangaten, gelden behoorenda tot <le vorige dienstjaren
an bet bedrag der erlangde afloeaingen kon eene som va»
f 328 belegd worden.
Omtrent de provenierabuiien te Alkmaar zijn over 187;>
geene opgaven ontvangen.
Aangaande de instelling, St. Antony-gilde, te Dwingelo
werd gemeld dat zij 5 peraonen gedurende 187Ö een of
meer malen onderstand verleende en daarvoor bijna f 10(5
uitgaf; de kosten van administratie beliepen ruim f 12.
Die uitgaven weiden bestreden uit de opbrengst der colloeten en vrijwillige bijdragon.
'sGravenhage, 31 Januarij 1878.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
KAPPEYNE.
3.]
TABEL 1 .
ONDERSTEUNDEN zoo door gemeentebesturen regtstreeks, als door besturen voor huis/.iüende.
a r m e n , behoorende tot de instellingen van weldadigheid, bedoeld bij litt. a en d van a r t 2
der wet van 28 Junij 1854 (Staatsblad
n°. 100).
Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. 1877—1878.
Download PDF