manuals 523459-f-datum-van-uitgave

manuals 523459-f-datum-van-uitgave
INDUSTRIËLE DROOGKASTEN
13kg
13/13kg
OORSPRONKELIJKE INSTALLATIE-,
ONDERHOUDS- EN BEDIENINGSHANDLEIDING
523459 F
Uitgave datum: 4.1.2013
BEDIENINGSHANDBOEK
1. INHOUD
1. INHOUD......................................................................................................................... 1
2. WAARSCHUWINGEN EN ETIKETTEN ........................................................................ 2
2.1. SYMBOLEN OP DE MACHINE...............................................................................................................3
2.2. DROOGINSTRUCTIES...........................................................................................................................3
2.3. ONJUIST GEBRUIK VAN DE MACHINE................................................................................................4
2.4. AANWIJZINGEN VOOR ONDERHOUD, INSTELLING EN VEILIGHEID VAN MENSEN .....................4
3. SYMBOLEN OP HET BEDIENINGSPANEEL............................................................... 5
3.1. VERSIE „FULL CONTROL“ ....................................................................................................................5
3.2. VERSIE „EASY CONTROL“....................................................................................................................5
4. BEDRIJFSINSTRUCTIES ............................................................................................. 6
4.1. START.....................................................................................................................................................6
4.2. INSCHAKELEN VAN ELEKTRISCHE ENERGIE ...................................................................................6
4.3. HET DROOGPROCES WORDT GESTART...........................................................................................6
4.3.1. DROOGPROGRAMMA´S .................................................................................................................6
4.3.2. VERSIE „FULL CONTROL“ ..............................................................................................................6
4.3.3. VERSIE „EASY CONTROL“ .............................................................................................................7
4.4. BEËINDIGING VAN DROGEN................................................................................................................8
4.5. NOODSTOP VAN DE MACHINE............................................................................................................8
4.6. WERKWIJZE BIJ FOUTMELDINGEN ....................................................................................................8
4.7. DE TOEVOER VAN ELEKTRISCHE ENERGIE IS ONDERBROKEN ...................................................9
4.8. ONDERBREKING VAN GASTOEVOER ................................................................................................9
4.9. RESET VAN GASVERWARMING ..........................................................................................................9
5. VERKLARINGEN VOOR FOUTMELDINGEN............................................................. 10
5.1. VOCHTIGHEIDSCONTROLE - PROBLEEMVERWIJDERING............................................................22
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BEDIENINGSHANDBOEK
1
2. WAARSCHUWINGEN EN ETIKETTEN
LEES EN LEEF DE VOLGENDE AANWIJZINGEN ZORGVULDIG NA OM BRANDGEVAAR,
ONGEVAL DOOR ELEKTRISCHE STROOM, ERNSTIGE VERWONDING VAN MENSEN OF
MATERIËLE SCHADEN TE VOORKOMEN:
– Deze versie van het bedieningshandboek is vertaald uit de originele Engelse versie. Zonder de originele versie
zijn deze instructies niet compleet.
– Vóór de installatie, inbedrijfname en onderhoud van de machine leest u zorgvuldig de complete handleidingen,
d.w.z. deze „Installatie-, onderhouds- en gebruikershandleiding“, „Programmeerhandleiding“ en „Catalogus
van vervangstukken“. De programmeerhandleiding en het catalogus van vervangstukken worden niet
standaard met de machine geleverd. Verzoek uw leverancier/producent om de programmeerhandleiding en
het catalogus van vervangstukken.
– Werk overeenkomstig de aanwijzingen die in de handleidingen vermeld staan, en bewaar de handleidingen
nabij de machine t.b.v. later gebruik.
– Overtreed nooit de instructies in de handboeken en waarschuwingen op de etiketten. Leeft alle geldige
veiligheidsbepalingen na.
– Deze machine mag niet door kinderen bediend worden. Voordat u de machine („ON“) inschakelt, hoeft u
zich te overtuigen dat er zich geen mensen of dieren in de machine of in haar omgeving bevinden.
Gebruik de machine niet met defecte of ontbrekende delen of met geopende deksels. Manipuleer niet doelloos
de schakelaars van de machine.
– Laat de machine niet werken, indien de onderdelen kapot of niet gemonteerd zijn, indien de deksels geopend
zijn of indien de machine niet overeenkomstig de aanwijzingen in de installatiehandleiding geïnstalleerd en in
bedrijf genomen was.
– Manipuleer niet doelloos met de bedieningsknoppen van de machine.
– Versie OPL (zonder muntautomaat) dient door gekwalificeerd personeel bediend te worden.
– Bewaar geen brandstoffen in de omgeving van de machine. Houd het machineoppervlak schoon en
zonder brandstoffen en neem één keer per dag het stof af van de filter.
– Spray geen aërosols in de omgeving van dit apparaat.
– Verscheidene chemicaliën, die in wasinrichtingen gebruikt worden, bevatten chloor (vloeistoffen voor chemisch
reinigen, aërosols, bleekmiddelen). Wanneer deze stoffen desintegreren in een vlam, kunnen zij snel
corroderen en dit apparaat vernietigen.
– De toevoerklemmen zijn onder spanning ook als de hoofdschakelaar van de machine uitgeschakeld is.
– OVERTREED niet de veiligheidsbepalingen.
– Verwijder niet de waarschuwingssymbolen van de machine. Leef de aanwijzingen na die op de
etiketten en symbolen vermeld staan, om kwetsuren te voorkomen.
– Houdt u zich altijd aan de instructies die de producent van de kleren voorschrijft.
– RAAK nooit de trommel, indien de trommel draait.
– De droger moet over een uitlaat naar buiten beschikken en de ruimte rond de droger moet vrij zijn van pluisjes,
want de droger porduceert brandbare pluisjes.
– De machine produceert een equivalente voortdurende waarde van het geluid, waarvan het niveau 70 dB (A) niet
overschrijdt.
– Gebruik de droogkast slechts voor het drogen van linnen dat in water gewassen werd.
– Onderhoud kan slechts door een vakbekwame onderhoudstechnicus uitgevoerd worden.
– Leef alle geldige veiligheidsmaatregelen en wetten na. Aanwijzingen en waarschuwingen die in deze
handleiding vermeld staan, kunnen niet alle eventueel voorkomende gevaarlijke situaties beschrijven. Ze
moeten als algemene aanwijzingen begrepen worden. Voorzichtigheid en zorgvuldigheid zijn factoren
die door de constructie van de machine niet opgelost kunnen worden. Deze factoren moeten voorwaarde
voor de vakbekwaamheid van de personen zijn die de machine installeren, gebruiken of onderhouden.
De gebruiker moet bij de bediening van de machine voorzichtig handelen.
– De producent behoudt zich het recht voor, wijzigingen in de handleidingen zonder voorafgaande
waarschuwing aan te brengen.
– Indien er een probleem of een storing voorkomt, neem onmiddelijk contact op met uw dealer,
onderhoudstechnicus of producent.
Om de vorming van brandbare dampen die ontploffen, ontvlammen of etsing veroorzaken zouden kunnen,
te voorkomen, DROOG NIET de volgende materialen:
– Stukken kleren die met benzine, oplosmiddelen voor droge reiniging of andere brand-/explosiestoffen
gereinigd, gewassen of bevlekt werden.
– Plastics of stukken die schuimrubber bevatten of materialen van rubber met dergelijke structuur.
– Stukken kleren met vlekken van brandstoffen zoals keukenolie, machineolie, brandbare chemicaliën of
oplosmiddelen.
– Stukken kleren die was of reinigingschemicaliën bevatten.
– Gordijnen of voorhangen van glasvezels (indien op het etiket niet staat, dat het mogelijk is).
2
BEDIENINGSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
VOOR DE VERSIE MET GASVERWARMING
– Indien u vaststelt dat er gas uit de machine ontsnapt, sluit de gastoevoerleiding, lucht de kamer, schakel
geen elektrische toestellen in, rook niet, gebruik geen open vuur en haal de onderhoudstechnieker erbij.
– Verander niet de instelling van de onderdrukschakelaar, veiligheidsthermostaat, aanzuigbuis van primaire
lucht en van alle toestellen die in het productiebedrijf ingesteld werden.
VOOR DE VERSIE MET STOOMVERWARMING
– Indien u vaststelt dat er stoom uit de machine ontsnapt, sluit de stoomtoevoerleiding en haal de
onderhoudstechnieker erbij.
! WAARSCHUWING!
INDIEN DE MACHINE D.M.V. MUNTEN, JETONS OF OP EEN DERGELIJKE WIJZE/ZELFBEDIENING BEDIEND
WORDT, HOEFT DE EIGENAAR-UITBATER EEN AFSTANDSBEDIENING TER BERSCHIKKING TE STELLEN
OM DE MACHINE IN NOODGEVAL TE KUNNEN STOPPEN. DEZE AFSTANDSBEDIENING MOET ZODANIG
GEPLAATST WORDEN DAT DE GEBRUIKER HEM EENVOUDIG EN VEILIG KAN BEDIENEN. DEZE
AFSTANDSBEDIENING VOOR NOODSTOP ZORGT DAARVOOR DAT TENMINSTE HET STUURCIRCUIT VAN
DE MACHINE ONDERBROKEN WORDT.
! WAARSCHUWING!
ALS VERVANGSTUKKEN VOOR DEZE MACHINE MOETEN DE ORIGINELE OF VERGELIJKBARE STUKKEN
GEBRUIKT WORDEN.
NA DE HERSTELLING MOETEN ALLE PANELEN OP HUN PLAATS BEVESTIGD WORDEN ZOALS DIT
OORSPRONKELIJK GEDAAN WAS. DEZE MAATREGEL DIENT GEZIEN TE WORDEN ALS
BESCHERMING TEGEN ELEKTRISCHE SCHOK, KWETSUUR, BRAND EN/OF BESCHADIGING VAN
EIGENDOM.
2.1. SYMBOLEN OP DE MACHINE
Waarschuwing, gevaarlijke elektrische spanning, elektrisch toestel.
Voordat u in de machine grijpt, schakel de toevoer van elektrische energie af.
Ook als de hoofdschakelaar uitgeschakeld is („OFF“), zijn de toevoerklemmen steeds onder
spanning.
Waarschuwing, hoge temperatuur
Filteretiket
531406
Raak de oppervlakte niet aan, nadat de
machine opgewarmd is.
Hoofdschakelaar
Gevaar, lees en leef de geschreven aanwijzingen na.
2.2. DROOGINSTRUCTIES
De machine dient slechts tot drogen van glad wasgoed (beddengoed, tafelkleden, drrogdoeken, handdoeken,
zakdoeken en anderen soorten van glad wasgoed) en van stukken kleren van linnen, wol, zijden, polyacrylen polyestervezel. Overtuigt u zich voor het drogen of het wasgoed in de droogkast gedroogd mag worden.
De producent van de machine is niet verantwoordelijk voor de beschadiging van het linnen die door onjuist
droogproces veroorzaakt wordt.
De machine dient niet tot het drogen van wasgoed dat delen van plastic, glasvezels en schuimrubber bevat.
Voordat u het droogproces start, verwijder van het wasgoed vreemde voorwerpen zoals spijkers, nadels,
schroeven e.d. die het wasgoed en de machine zouden kunnen beschadigen. Het wasgoed dient goed
uitgespoeld en gezwierd te worden. Voor het droogproces zal de aanbevolen restvochtigheid van het
wasgoed tussen 50% en 70% bedragen, zodat het wasgoed optimaal uitgedroogd kan worden.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BEDIENINGSHANDBOEK
3
Reinig tenminste één keer per week de stoffilter, zodat de machine juist kan functioneren. Voordat u de filter
begint te reinigen, stop de machine. Klap het deksel van het benedenpaneel op. Maak bij een tweevoudige
droogautomaat van 13/13kg de bovenafdekking van de machine open. Neem de stoffilter uit en reinig hem.
Reinig tegelijkertijd de hele ruimte voor de stoffilter. De stofresten in deze ruimte zouden de stoffilter snel
dichtstoppen en de effectiviteit van het drogen verlagen. Plaats de gereinigde filter weer terug en klap het
deksel dicht.
Beëindig het droogproces altijd met afkoeling van het wasgoed. Neem het wasgoed onmiddelijk uit nadat de
droogcyclus beëindigd is.
2.3. ONJUIST GEBRUIK VAN DE MACHINE
! WAARSCHUWING !
DEZE MACHINE IS ONTWORPEN VOOR INDUSTRIEEL DROGEN VAN WASGOED. HET IS GEEN
TOESTEL DAT THUIS GEBRUIKT KAN WORDEN. IEDER ANDER GEBRUIK DAT VAN HET
BOVENGENOEMDE VERSCHILT WORDT ZONDER SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN DE
PRODUCENT ALS ONJUIST GEBRUIK BESCHOUWD.
– Vul de machine niet met een groter volume wasgoed dan voorgeschreven.
– Vergeet niet de stoffilter regelmatig te reinigen.
– Stop de machine niet voordat de droogcyclus incl. afkoelen beëindigd is, met uitzondering van
buitengewone gevallen.
– Droog het synthetische linnen niet bij hoge temperaturen.
– Laat het wasgoed niet in de machine nadat het droogcyclus beëindigd is.
2.4. AANWIJZINGEN VOOR ONDERHOUD, INSTELLING EN VEILIGHEID
VAN MENSEN
De volgende aanwijzingen zijn in dit „Bedieningshandboek“ niet aangegeven. Vind deze aanwijzingen in het
„Installatie- en onderhoudshandboek“ dat samen met de machine geleverd wordt.
Verwijzingen naar het „Installatie- en onderhoudshandboek“, volgens de norm EN ISO 10472-1(-4):
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
4
Inlichtingen voor het bekomen van het bedieningshandboek
Gebruiksomvang van de machine en beperkingen
Onderhoud en instelling
Luchten
Deksels
Storingen, reiniging, onderhoud
Warmterisico´s
Afzuigen
Manipulatie, installatie
BEDIENINGSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
3. SYMBOLEN OP HET BEDIENINGSPANEEL
3.1. VERSIE „FULL CONTROL“
BEDIENIGSTOETSEN
 START
- Programma starten
- Onderbroken programma voortzetten
- Programma stap voor stap laten verlopen
 STOP
- Programma onderbreken
- Programma stoppen
 KEUZE VAN PROGRAMMA
- Keuze van programma-nummer
 ONDERHOUD
- Geeft de toestanden en het totaalcijfer
van de machine-cyclussen weer
 TERUGGANG
- Inschakelen/uitschakelen van de
teruggang
 PIJL NAAR BOVEN
- Waarde stijgt
 PIJL NAAR BENEDEN
- Waarde daalt
 DROOGTIJD
- Droogtijd instellen
 DROOGTEMPERATUUR
- Temperatuur instellen
 AFKOELINGSTIJD
- Afkoelingstijd instellen
 VOCHTIGHEIDSGRAAD
- Graad van restvochtigheid instellen
PROGRAMMATOETSEN
 PIJL NAAR BOVEN
- Keuze van het volgende punt
van de lijst
- Waarde stijgt
 PIJL NAAR BENEDEN
- Keuze van het voorafgaande punt
van de lijst
- Waarde daalt
 LINKERPIJL
- Keuze van het voorafgaande punt
van het menu
 RECHTERPIJL
- Keuze van het volgende punt
van het menu
 ENTER
- Keuze van het volgende punt van het menu
- Bevestiging van de nieuwe waarde of het punt
van de lijst en overgang naar het volgende punt
van het menu
3.2. VERSIE „EASY CONTROL“
BEDIENIGSTOETSEN
 START
- Programma starten
- Onderbroken programma voortzetten
- Programma in de volgende sequentie verschuiven
 PROGRAMMA HOGE TEMPERATUUR
- Keuzeknop van het programma
Hoge temperatuur
 PROGRAMMA LAGE TEMPERATUUR
- Keuzeknop van het programma
lage temperatuur
 ALARMNDICATIE
- Bij alarm flikkert het rode licht
 PROGRAMMA MIDDENTEMPERATUUR
- Keuzeknop van het programma
Middentemperatuur
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BEDIENINGSHANDBOEK
5
4. BEDRIJFSINSTRUCTIES
4.1. START
Voordat u de machine de eerste keer start, overtuigt u of de machine juist geïnstalleerd is - zie. „Installatieen onderhoudshandboek“. Controleer de stoffiler en andere delen van de machine volgens het „Installatieen onderhoudshandboek“.
4.2. INSCHAKELEN VAN ELEKTRISCHE ENERGIE
Schakel de hoofdschkelaar die zich op het achterpaneel van de machine bevindt, in positie „ON“. Als de
machine van de noodstop-toets voorzien is, draai hem zacht naar rechts. Het display licht op. Na een paar
seconden gaat het display uit – dit geldt alleen voor de versie „Easy control“. De machine blijft in staat van
paraatheid.
4.3. HET DROOGPROCES WORDT GESTART
4.3.1. DROOGPROGRAMMA´S
1. Hoge temperatuur
1. Afkoelen
2. Middentemperatuur
2. Lage temperatuur
(versie „EASY CONTROL“)
3. Lage
temperatuur
(versie „EASY CONTROL“)
4. Middentemperatuur
5. Middentemperatuur
6. Middentemperatuur
7. Hoge temperatuur
8. Hoge temperatuur
9. Hoge temperatuur
(versie „FULL CONTROL“)
10. Hoge temperatuur
(versie „FULL CONTROL“)
11. Hoge temperatuur
(versie „FULL CONTROL“)
12. - 20. Drogen
(versie „FULL CONTROL“)
(versie „EASY CONTROL“)
(versie „FULL CONTROL“)
(versie „FULL CONTROL“)
(versie „FULL CONTROL“)
(versie „FULL CONTROL“)
(versie „FULL CONTROL“)
(versie „FULL CONTROL“)
(versie „FULL CONTROL“)
(versie „FULL CONTROL“)
70°C
20 min
55°C
30°C
40°C
35°C
40°C
45°C
50°C
60°C
65°C
70°C
70°C - 9kg (20lb), 11kg (24lb), 13kg (27lb),
13/13kg (27/27lb), 16kg (35lb)
70°C - 24kg (53lb), 35kg (77lb) stoomverwarming
75°C - 24kg (53lb), 35kg (77lb) slechts gasverwarming
80°C - 24kg (53lb), 35kg (77lb) alleen elektrische
verwarming
70°C - 9kg (20lb), 11kg (24lb), 13kg (27lb), 13/13kg
(27/27lb),16kg (35lb)
70°C - 24kg (53lb), 35kg (77lb) stoomverwarming
82°C - 24kg (53lb), 35kg (77lb) enkel gas- en
elektrische verwarming
45°C
4.3.2. VERSIE „FULL CONTROL“
1. Open de deur van de trommel, vul de trommel met wasgoed en sluit de deur veilig.
2. Kies het gewenste Programma. Kies niet de temperatuur
die hoger is dan de maximale droogtemperatuur. (Voor uitvoerigere
informatie over voorgeprogrammeerde droogtemperaturen en tijden
– zie het Programmeerhandboek Full Control). Op het display
verschijnt het programmanummer.Voor de manuele instelling van
het drogen druk herhaardelijk de toets Programma tot u boven
het programa 20 bent. Druk de toets Droogtijd, Droogtemperatuur, Afkoelingstijd,
Vochtigheidsgraad om de afzonderlijke parameters in te stellen.
D.m.v. de toets Pijl naar boven of Pijl naar beneden stel de gewenste waarde in.
Bevestig de ingestelde waarde met Enter.
6
BEDIENINGSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
3. Druk Start.
4. Kies Teruggang of Zonder teruggang. Deze keuze is niet verplicht.
5. Wilt u de trommel tijdens de droogcyclus vullen of leegmaken, vervolg de volgende werkwijze:
a. Stop de trommel door het openen van deurtrommel.
b. Vul de trommel of maak hem leeg.
c. Start de machine opnieuw:
1. Sluit de deur van de trommel.
2. Druk Start.
6. De cyclus is beëindigd zodra de aanwijzing „!LEEGMAKEN!“ verschijnt.
7. Neem het wasgoed onmiddelijk uit nadat de cyclus beëindigd wordt.
OPMERKING: WILT U HET PROGRAMMA ONDERBREKEN, DRUK ÉÉN KEER DE STOP-TOETS. INDIEN U
HET PROGRAMMA WILT STOPPEN, DRUK TWEE KEER DE STOP-TOETS.
Stop-toets:
4.3.3. VERSIE „EASY CONTROL“
1. Open de deur en leg het wasgoed in de trommel. Als de trommel vol is, sluit de deur.
2. Droogprogramma kiezen:
Versie - Easy Control zonder muntapparaat : Kies het
programma door het drukken van de temperatuurtoets.
Kies niet zulke temperatuur die hoger is dan de maximale
droogtemperatuur. (Voor uitvoerigere informatie over
voorgeprogrammeerde droogtemperaturen en tijden – zie het Programmeerhandboek Easy control). Op
het display verschijnt het programmanummer.
Versie - Easy Control met muntapparaat: Kies het programma door het drukken van de
temperatuurtoets. Kies niet zulke temperatuur die hoger is dan de maximale droogtemperatuur. Leg een
munt in. De lengte van de betaalde tijd verschijnt. Leg andere munten in tot de gewenste tijd bereikt
wordt.
3. Start het droogprogramma:
De LED-diode van de startknop flikkert. Druk de START-knop.
4. Droogprogramma wijzigen:
Tijdens de werking van de machine kan
het droogprogramma gewijzigd worden.
Versie - Easy Control zonder muntapparaat : Door het drukken van de bepaalde temperatuurtoets kies
een ander programma. De droogtemperatuur wordt daardoor verhoogd of verlaagd. De droogtijd blijft
onveranderd.
Versie - Easy Control met muntapparaat : Door het drukken van de bepaalde temperatuurtoets kies een
ander programma. De droogtemperatuur wordt daardoor verhoogd of verlaagd. Het restbedrag wordt
door het programma omgerekend en op grond daarvan de droogtijd gewijzigd.
5. Droogtemperatuur verhogen:
Versie - Easy Control zonder muntapparaat :
Druk de actieve temperatuurtoets.
Het punt op display flikkert niet meer.
Druk de toets opnieuw om de temperatuur te verhogen.
Versie - Easy Control met muntapparaat: De temperatuur kan niet verhoogd worden.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BEDIENINGSHANDBOEK
7
6. Droogprogramma verschuiven:
Versie - Easy Control zonder muntapparaat :
Druk de START-knop, terwijl de machine werkt.
Het programma wordt in de volgende stap verschoven.
Versie - Easy Control met muntapparaat: Het programma kan niet verschoven worden.
7. Programma beëindigen:
De tijd op het display wordt tot „0“ afgeteld. Als „0“ bereikt wordt, wordt de droogcyclus beëindigd en de deur
kan geopend worden. Neem het wasgoed onmiddelijk uit nadat de cyclus beëindigd wordt, om het
verbrandingsgevaar te voorkomen.
OPMERKINGEN:
1. Machine vullen en leegmaken tijdens de droogcyclus :
Stop de machine door het openen van de deur. Neem het wasgoed
uit de droogkast of steek het in. Wees voorzichtig omdat
het wasgoed heel heet kan zijn. Sluit de deur. Druk de START-knop.
2. Droogcyclus beëindigen:
Versie - Easy Control zonder muntapparaat: Door
het drukken van de START-knop verschuif
het droogprogramma in de volgende stap.
Herhaal dit tot het einde van het programma bereikt wordt.
Versie - Easy Control met muntapparaat: Het droogprogramma kan tijdens de werking niet onderbroken
worden.
BELANGRIJK: ALLE DROOGKASTEN DIE MANUEEL BEDIEND WORDEN, ZIJN VAN DE
NOODSTOPTOETS VOORZIEN DIE ZICH OP HET VOORPANEEL BEVINDT (DIT GELDT
NIET VOOR DE VERSIE MET MUNTAPPARAAT).
Noodstop-toets:
4.4. BEËINDIGING VAN DROGEN
Na de beëindiging van de droogcyclus is de machine voorbereid op de volgende cyclus. Als u de machine
wilt uitschakelen, druk de noodstoptoets (dit geldt niet voor de versie Easy Control met muntapparaat). Voor
de volledige uitschakeling van de machine dient de hoofdschakelaar op het achterpaneel van de machine in
positie „OFF“ geschakeld te worden.
! WAARSCHUWING !
HET WORDT NIET AANBEVOLEN OM HET DROGEN TE ONDERBREKEN EN HET AFKOELINGSPROCES IN
HET EINDE VAN DE DROOGCYCLUS OVER TE SLAAN.
4.5. NOODSTOP VAN DE MACHINE
Versie - Full Control en Easy Control zonder muntapparaat: Als de veiligheid of gezondheid van de
bediening in gevaar is, kan de machine door het drukken van de noodstoptoets gestopt worden, zie
daarvoor kap. 4.3. De noodstoptoets bevindt zich op het boven-voorpaneel van de machine.
Versie - Easy Control met muntapparaat : De machine is niet van de noodstoptoets voorzien. De eigenaar
van de wasserij moet voor een afstandsbediening van de noodstop zorgen.
! WAARSCHUWING !
NEEM HET WASGOED UIT DE DROOGTROMMEL ONMIDDELIJK NADAT DE OORZAAK VAN DE
MACHINESTOP VERWIJDERD IS. BRANDGEVAAR!
4.6. WERKWIJZE BIJ FOUTMELDINGEN
Versie Full Control : De foutmelding verschijnt op het display in de vorm van Er: en het foutnummer (001 tot
999). In sommige gevallen begint de zoemer van het bedieningsapparaat te luiden. In sommige gevallen
draait de trommel verder, maar zonder verwarming. De machine wordt afgekoeld en stopt zodra de veilige
temperatuur bereikt wordt. Als de machine stilstaat, kan de foutmelding door het openen en sluiten van de deur
gewist worden, eventueel door het drukken op de noodstop-toets. Als de fouttoestand echter voortbestaat,
verschijnt de foutmelding opnieuw. Voor nadere inlichtingen over foutmeldingen – zie het
„Programmeerhandboek“.
8
BEDIENINGSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
Versie - Easy Control zonder muntapparaat en met muntapparaat: In geval van fout begint de LED- diode
van alarm te schijnen. Het nummer op het display signaleert de toebehorende fout. In sommige gevallen
draait de trommel verder, maar zonder verwarming. De machine wordt afgekoeld en stopt zodra de veilige
temperatuur bereikt wordt. Voor uitvoerigere informatie over foutmeldingen – zie het
„Programmeerhandboek“.
4.7. DE TOEVOER VAN ELEKTRISCHE ENERGIE IS ONDERBROKEN
Versie - Full Control : Als de toevoer van elektrische energie onderbroken en dan opnieuw hersteld wordt,
blijft de machine in staat van paraatheid. Het display telt naar beneden af. Als „0“ bereikt wordt, zal de
machine op volgende instructies wachten. Sluit de deur, indien zij open is. Op het display verschijnt het
programmanummer. Druk de START-knop om het programma voort te zetten of STOP om de droogcyclus
te beëindigen.
Versie - Easy Control zonder muntapparaat en met muntapparaat: Als de toevoer van elektrische energie
onderbroken en dan opnieuw hersteld wordt, blijft de machine in staat van paraatheid. Het display telt naar
beneden af. Als „0“ bereikt wordt, zal de machine op volgende instructies wachten. Sluit de deur, indien zij
open is. Op het display verschijnt het programmanummer en de LED-diode van de START-knop flikkert. Druk
de START-knop om het programma voort te zetten.
! WAARSCHUWING !
NEEM HET WASGOED UIT DE DROOGTROMMEL. BIJ HOGE DROOTEMPERATUREN BESTAAT ER
BRANDGEVAAR!
4.8. ONDERBREKING VAN GASTOEVOER
Versie - Full Control : Als de toevoer van gas onderbroken wordt, verschijnt op het display de foutmelding
„FOUT VAN VERWARMING“ en als de temperatuur niet bereikt wordt „GEEN VERWARMING“. De trommel
draait verder, maar zonder verwarming. Nadat de veilige temperatuur bereikt wordt, stopt de machine. De
foutmelding kan verwijderd worden - zie kapittel 4.6. Zodra de toevoer van gas hersteld wordt, kan de machine
weer gestart worden.
Versie - Easy Control zonder muntapparaat en met muntapparaat: Als de toevoer van gas onderbroken
wordt, verschijnt op het display de foutmelding 22, 23 of 24. De trommel draait verder, maar zonder
verwarming. Nadat de veilige temperatuur bereikt wordt, stopt de machine. Voor uitvoerigere informatie over
foutmeldingen – zie het „Programmeerhandboek“.
!
WAARSCHUWING !
NEEM HET WASGOED UIT DE DROOGTROMMEL. BIJ HOGE DROOGTEMPERATUREN BESTAAT ER
BRANDRISICO!
4.9. RESET VAN GASVERWARMING
Nadat de machine gestart wordt, probeert het elektronische systeem van de machine drie keer het gas aan
te steken. Als tijdens deze tijd het gas niet aangestoken wordt, wordt de stuureenheid van aansteking
veiligheidhalve geblokkeerd en het ventiel opent zich niet tot de stuureenheid gereset wordt.
Op het display verschijnt:
Versie - Full Control: „FOUT VAN GASAANSTEKING RESET/STOP“ weergegeven. Controleer de
gastoevoer en of het handsluitventiel van gas open is. Door het drukken op de toets „START“ wordt het
elektronische systeem van de aansteking gereset en de machine herhaalt de aanstekingscyclus. Het zal
waarschijnlijk noodzakelijk zijn om herhaaldelijk de lucht uit de gasleiding proberen uit te drukken. Indien de
foutmelding voortduurt, zet de machine buiten bedrijf en neem contact op met de producent of
leverancier.Nadat de toets „STOP“ gedrukt wordt, stopt de machine en de foutmelding „fout van aansteking“
verschijnt. Zie het kap. 4.6. voor de verwijdering van de foutmelding.
Versie - Easy Control zonder muntapparaat en met muntapparaat: „22“. Controleer de gastoevoer en of het
manueel sluitbare gasventiel geopend is. Schakel de machine uit en in door het drukken van de
noodstoptoets (dit geldt alleen voor Easy Control zonder muntapparaat) of d.m.v. de hoofdschakelaar. De
aanstekingseenheid van de machine wordt opnieuw ingesteld (gereset). Het zal waarschijnlijk noodzakelijk zijn de
lucht uit de gasleiding te persen. Als de foutmelding voortduurt, zet de machine buiten bedrijf en neem contact
op met de producent of uw leverancier.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BEDIENINGSHANDBOEK
9
5. VERKLARINGEN VOOR FOUTMELDINGEN
Voor elke foutmelding wordt een werkwijze gedefinieerd hoe de fout moet verholpen worden.
BELANGRIJK!
EEN TECHNISCHE INGREEP IN DE MACHINE MAG ALLEEN GEBEUREN DOOR KWALIFICEERDE
TECHNICI MET EEN TOEREIKENDE TECHNISCHE KENNIS VAN DE DROOGAUTOMAAT MET DE
PROGRAMMATOR “EASY CONTROL”.
FOUT 1: DE THERMISCHE TERMOSTAAT 1
Foutmelding 1 wordt weergegeven als het bedieningsapparaat vaststelt dat de veiligheidsthermostaat die in
de uitgangslucht geplaatst is, het NC contact losgekoppeld heeft. (NC warmtecontact) (foutmelding 1 kan
slechts tijdens de droogcyclus weergegeven worden).
Voordat de machine opnieuw wordt gestart, moet een kwalificeerde en ervaren vakman het systeem van
verwarming en luchtuitvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer het ventilatiesysteem.
2. Controleer de temperatuursensor.
3. Controleer het verwarmingssysteem.
4. Controleer de veiligheidsschakelaar van
verwarming (ventiel)
5. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
6. Als de veiligheidsthermostaat binnen 15
minuten niet weer inschakelt.
7. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
8. Controleer het ingangssignaal in het
Onderhoudsmenu.
Als de luchtstroming onvoldoende is, stel het
ventilatiesysteem juist in.
Als de temperatuursensor niet juist meet, wissel
hem uit.
Als het verwarmingssysteem beschadigd is,
herstel het of wissel het uit.
Als de veiligheidsschakelaar van verwarming
(ventiel) niet functioneert, herstel hem of wissel
hem uit.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze
gerepareerd te worden.
De veiligheidsthermostaat is waarschijnlijk
beschadigd en moet uitgewisseld worden.
Als het uitgangsrelais niet functioneert, wissel
de plaat van het bedieningsapparaat uit.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat
van het bedieningsapparaat uit.
FOUT 2: TEMPERATUUR-THERMOSTAAT 2
Foutmelding 2 wordt weergegeven als het bedieningsapparaat vaststelt dat de veiligheidsthermostaat die
op het verwarmingslichaam geplaatst is, het NC contact losgekoppeld heeft. (NC warmtecontact)
(foutmelding 2 kan slechts tijdens de droogcyclus weergegeven worden).
Voordat de machine opnieuw wordt gestart, moet een kwalificeerde en ervaren vakman het systeem van
verwarming en luchtuitvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer het ventilatiesysteem.
2. Controleer de temperatuursensor.
3. Controleer het verwarmingssysteem.
4. Controleer de veiligheidsschakelaar van
verwarming (ventiel)
5. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
6. Als de veiligheidsthermostaat binnen 15
minuten niet weer inschakelt.
7. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
8. Controleer het ingangssignaal in het
Onderhoudsmenu.
10
BEDIENINGSHANDBOEK
Als de luchtstroming onvoldoende is, stel het
ventilatiesysteem juist in.
Als de temperatuursensor niet juist meet, wissel
hem uit.
Als het verwarmingssysteem beschadigd is,
herstel het of wissel het uit.
Als de veiligheidsschakelaar van verwarming
(ventiel) niet functioneert, herstel hem of wissel
hem uit.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze
gerepareerd te worden.
De veiligheidsthermostaat is waarschijnlijk
beschadigd en moet uitgewisseld worden.
Als het uitgangsrelais niet functioneert, wissel
de plaat van het bedieningsapparaat uit.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat
van het bedieningsapparaat uit.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
FOUT 5: WARMTEBEVEILIGING VAN MOTOR
Fout 5 wordt weergegeven zodra de bovenstrooms-warmtebeveiliging van motor overschreden wordt. Het
contact wordt na een tijd weer automatisch gesloten (het warmtecontact wordt alleen dan gecontroleerd, als het
uitgangsrelais van de motor ingeschakeld is). (Fout 5 wordt bij machines met één motor weergegeven). (NCwarmtecontact).
Voordat de machine opnieuw in bedrijf genomen wordt, moet een gekwalificeerde technicus het systeem
van motoraandrijving controleren.
Werkwijze:
1. Controleer of de thermische motorbeveiliging
onderbroken is.
2. Controleer of de ventilatie, de trommel of de
ventilator niet geblokkeerd zijn.
3. Als de warmtebeveiliging van motor binnen 15
minuten niet weer inschakelt.
4. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
5. Controleer het ingangssignaal in het
Onderhoudsmenu.
Indien de thermische beveiliging opengegaan is,
zal ze binnen de 15 min. opnieuw automatisch
toegaan.
Indien de motor defect is, kan de thermische
beveiliging bij het herstarten van de
droogautomaat opnieuw opengaan.
Indien het slechts gaat over een thermisch
probleem en de motor niet defect is: de controle
van overbelasting zal niet opnieuw geactiveerd
worden.
Los het mechanische probleem op.
De warmtebeveiliging van motor is waarschijnlijk
beschadigd.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze
gerepareerd te worden.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat
van het bedieningsapparaat uit.
FOUT 6: WARMTEBEVEILIGING VAN VENTILATORMOTOR
Fout 6 wordt weergegeven zodra de bovenstrooms-warmtebeveiliging van ventilatormotor overschreden
wordt. Het contact wordt na een tijd weer automatisch gesloten (het warmtecontact is gecontroleerd alleen
als het uitgangsrelais van de motor ingeschakeld is). (fout 6 wordt alleen bij machines met 2 motoren
weergegeven) (NC-warmtecontact)
Voordat de machine opnieuw in bedrijf genomen wordt, moet een gekwalificeerde technicus het systeem
van motoraandrijving controleren.
Werkwijze:
1. Controleer of de thermische
motorbeveiliging onderbroken is.
2. Controleer of de ventilatie, de trommel of
de ventilator niet geblokkeerd zijn.
3. Als de warmtebeveiliging van motor
binnen 15 minuten niet weer inschakelt.
4. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
5. Controleer het ingangssignaal in het
Onderhoudsmenu.
Indien de thermische beveiliging opengegaan is, zal
ze binnen de 15 min. opnieuw automatisch toegaan.
Indien de motor defect is, kan de thermische
beveiliging bij het herstarten van de droogautomaat
opnieuw opengaan.
Indien het slechts gaat over een thermisch probleem
en de motor niet defect is: de controle van
overbelasting zal niet opnieuw geactiveerd worden.
Los het mechanische probleem op.
De warmtebeveiliging van motor is waarschijnlijk
beschadigd.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat van
het bedieningsapparaat uit.
FOUT 7: WARMTEBEVEILIGING VAN TROMMELMOTOR
Fout 7 wordt weergegeven zodra de bovenstrooms-warmtebeveiliging van motor overschreden wordt.. Het
contact wordt na een tijd weer automatisch gesloten (het warmtecontact is gecontroleerd alleen als het
uitgangsrelais van de motor ingeschakeld is). (fout 7 wordt alleen bij machines met 2 motoren
weergegeven) (NC-warmtecontact)
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BEDIENINGSHANDBOEK
11
Voordat de machine opnieuw in bedrijf genomen wordt, moet een gekwalificeerde technicus het systeem
van motoraandrijving controleren.
Werkwijze:
1. Controleer of de thermische motorbeveiliging
onderbroken is.
2. Controleer of de ventilatie, de trommel of de
ventilator niet geblokkeerd zijn.
3. Als de warmtebeveiliging van motor binnen
15 minuten niet weer inschakelt.
4. Controleer of de leiding niet onderbroken wordt.
5. Controleer het ingangssignaal in het
Onderhoudsmenu.
Indien de thermische beveiliging opengegaan is,
zal ze binnen de 15 min. opnieuw automatisch
toegaan.
Indien de motor defect is, kan de thermische
beveiliging bij het herstarten van de droogautomaat
opnieuw opengaan.
Indien het slechts gaat over een thermisch
probleem en de motor niet defect is: de controle
van overbelasting zal niet opnieuw geactiveerd
worden.
Los het mechanische probleem op.
De warmtebeveiliging van motor is waarschijnlijk
beschadigd.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze
gerepareerd te worden.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat
van het bedieningsapparaat uit.
FOUT 8: ONDERDRUKKLEP VAN VENTILATIE IS BIJ START GEOPEND
Fout 8 wordt weergegeven als de ventilatie onvoldoende luchtstroming produceert. Deze veiligheidsfunctie zorgt
ervoor dat de verwarming niet ingeschakeld wordt als de ventilator niet functioneert of de luchtstroming
geblokkeerd is.
(Fout 8 wordt alleen bij start weergegeven) (GEEN contact)
De onderdrukklep heeft een veiligheidsfunctie, d.w.z. dat de functie niet verhinderd mag worden. Voordat
de machine opnieuw in bedrijf genomen wordt, moet een gekwalificeerde technicus het systeem van de
droogkast controleren.
! WAARSCHUWING !!!
BIJ EEN NIEUWE INSTALLATIE MOET DE PIJPLEIDING VOOR DE LUCHTAFVOER DE JUISTE
AFMETINGEN HEBBEN. VOLG DE AANWIJZINGEN IN HET INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK.
Werkwijze:
1. Controleer of de ventilator goed
functioneert.
2. Controleer of de luchtstroming voldoende is.
Controleer of de droogautomaat gesloten is.
(De deur van de stoffilter en de
mechanische panelen moeten goed
gesloten zijn).
3. Controleer of de schakelaar, de
metaalplaat en het detectiesysteem voor
de luchtstroming functioneel zijn.
4. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
5. Controleer het ingangssignaal in het
Onderhoudsmenu.
12
Indien de ventilator niet goed functioneert, herstel of
vervang de ventilator, de riem, het
motorregelingsysteem, de schakeling of het circuit
van de stroomtoevoer naar de ventilator.
Bij een normale werking zal de ventilator automatisch
onmiddellijk starten na het indrukken van de toets
START.
Ventilator moet tijdens de hele droogcyclus
ingeschakeld zijn.
Indien de droogautomaat niet gesloten is, zal de lucht
lekken en de luchtstroming zal niet voldoende zijn om
de luchtstromingsschakelaar af te sluiten.
Vergewist u ervan dat er geen verlies van de stromende
lucht voorkomt.
Voorbeeld: doe de deur van de stoffilter goed toe.
Indien het detectiesysteem van luchtstroming of de
schakelaar daarvan niet in orde is, dient het
gerepareerd of uitgewisseld te worden.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat van
het bedieningsapparaat uit.
BEDIENINGSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
FOUT 9: ONDERDRUKKLEP VAN VENTILATIE IS NA START GEOPEND
Fout 9 wordt weergegeven als er bij het draaien van de ventilator onvoldoende luchtstroming is. Deze
veiligheidsfunctie zorgt ervoor dat de verwarming uitgeschakeld wordt als de ventilator niet functioneert
nebo of de luchtstroming geblokkeerd is.
(Fout 9 wordt alleen na start weergegeven). (GEEN contact).
De onderdrukklep heeft een veiligheidsfunctie, d.w.z. dat de functie niet verhinderd mag worden. Voordat
de machine opnieuw in bedrijf genomen wordt, moet een gekwalificeerde technicus het systeem van de
droogkast controleren.
Werkwijze:
1. Controleer of de ventilator goed
functioneert.
2. Controleer of de luchtstroming voldoende is.
Controleer of de droogautomaat gesloten is.
(De deur van de stoffilter en de
mechanische panelen moeten goed
gesloten zijn).
3. Controleer of de schakelaar, de
metaalplaat en het detectiesysteem voor
de luchtstroming functioneel zijn.
4. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
5. Controleer het ingangssignaal in het
Onderhoudsmenu.
Indien de ventilator niet goed functioneert, herstel of
vervang de ventilator, de riem, het
motorregelingsysteem, de schakeling of het circuit
van de stroomtoevoer naar de ventilator.
Bij een normale werking zal de ventilator automatisch
onmiddellijk starten na het indrukken van de toets
START.
Ventilator moet tijdens de hele droogcyclus
ingeschakeld zijn.
Indien de droogautomaat niet gesloten is, zal de lucht
lekken en de luchtstroming zal niet voldoende zijn om
de luchtstromingsschakelaar af te sluiten.
Vergewist u ervan dat er geen verlies van de stromende
lucht voorkomt.
Voorbeeld: doe de deur van de stoffilter goed toe.
Indien het detectiesysteem van luchtstroming of de
schakelaar daarvan niet in orde is, dient het
gerepareerd of uitgewisseld te worden.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat van
het bedieningsapparaat uit.
FOUT 10: ONDERDRUKKLEP VAN VENTILATIE IS GESLOTEN
Fout 10 wordt weergegeven, als de droogcyclus gestart wordt. Voordat de ventilator ingeschakeld wordt, moet
de onderdrukklep geopend worden. Als het detectiesysteem van ventilatie niet in orde is en de schakelaar
uitgeschakeld wordt, verschijnt een foutmelding.
(Fout 10 wordt alleen in stilstand weergegeven) (GEEN contact)
De onderdrukklep heeft een veiligheidsfunctie, d.w.z. dat de functie niet verhinderd mag worden. Voordat
de machine opnieuw in bedrijf genomen wordt, moet een gekwalificeerde technicus het systeem van de
droogkast controleren.
Werkwijze:
1. Controleer of het detectiesysteem van
ventilatie functioneert.
2. Controleer of de ventilator onmiddellijk
start na de toets Start te hebben
ingedrukt.
3. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
4. Controleer of de ventilator op het einde
van de droogcyclus uitgeschakeld wordt.
5. Controleer het ingangssignaal in het
Onderhoudsmenu.
6. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
Indien het detectiesysteem van luchtstroming of de
schakelaar daarvan niet in orde is, dient het
gerepareerd of uitgewisseld te worden.
Controleer de contactgever, de schakeling en het
stuursignaal van de ventilator.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
Als de veiligheidsschakelaar niet juist functioneert,
wissel hem uit.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat van
het bedieningsapparaat uit.
Als het uitgangsrelais niet juist functioneert, wissel de
plaat van het bedieningsapparaat uit.
FOUT 11: FOUT VAN AFKOELING
Fout 11 wordt weergegeven als de temperatuur tijdens de sequentie van afkoelen niet daalt.
(Geen daling van temperatuur na 15 minuten lange afkoeling van de temperatuur boven 50°C.)
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BEDIENINGSHANDBOEK
13
Voordat de machine weer in bedrijf gezet wordt, moet een gekwalificeerde en ervaren technicus het
verwarmingssysteem en de luchtafvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer of het verwarmingssysteem
uitgeschakeld is.
2. Controleer of de temperatuursensor
functioneert.
3. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
Indien de temperatuurverlagingsfunctie voor de
afkoelingsfase niet geprogrammeerd werd, is het
nodig het verwarmingssysteem uit te schakelen.
Controleer de contactgever (het ventiel), de
schakeling en het stuursignaal van de ventilator
Als de temperatuursensor niet juist meet, wissel hem
uit.
Als het uitgangsrelais niet juist functioneert, wissel de
plaat van het bedieningsapparaat uit.
FOUT 12: DE HERHAALDE VERWARMING FUNCTIONEERT NIET
Fout 12 wordt tijdens de sequentie van verwarmen weergegeven, als de verwarming niet opnieuw
ingeschakeld wordt nadat de laagste temperatuur bereikt wordt.
Voordat de machine weer in bedrijf gezet wordt, moet een gekwalificeerde en ervaren technicus het
verwarmingssysteem en de luchtafvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer of de energie-, gas- of
stoomtoevoer niet onderbroken is.
2. Controleer of het verwarmingssysteem
functioneert.
3. Controleer de veiligheidsschakelaar van
verwarming (ventiel)
4. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
5. Controleer of de temperatuursensor
functioneert.
6. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
De verwarming functioneert niet als er stroomstoring
is.
Zorg ervoor dat er geen stroomstoring voorkomt.
Als de verwarming niet functioneert, herstel of wissel
hem uit.
Als de veiligheidsschakelaar van verwarming
(ventiel) niet functioneert, herstel of wissel hem uit.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
Als de temperatuursensor niet juist meet, wissel hem
uit.
Als het uitgangsrelais niet juist functioneert, wissel de
plaat van het bedieningsapparaat uit.
FOUT 13: FOUT VAN VERWARMING
Fout 13 wordt weergegeven als het verwarmingssysteem bij start van de machine niet functioneert.
(Geen verhoging van temperatuur om 5°C tijdens 30 minuten na het opstarten van de droogcyclus.)
(Zie 9.2. Monitoring van temperatuurwaarden)
Voordat de machine weer in bedrijf gezet wordt, moet een gekwalificeerde en ervaren technicus het
verwarmingssysteem en de luchtafvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer of de energie-, gas- of
stoomtoevoer niet onderbroken is.
2. Controleer of het verwarmingssysteem
functioneert.
3. Controleer de veiligheidsschakelaar van
verwarming (ventiel).
4. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
5. Controleer of de temperatuursensor
functioneert.
6. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
14
De verwarming functioneert niet als er stroomstoring
is.
Zorg ervoor dat er geen stroomstoring voorkomt.
Als de verwarming niet functioneert, herstel of wissel
hem uit.
Als de veiligheidsschakelaar van verwarming
(ventiel) niet functioneert, herstel of wissel hem uit.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
Als de temperatuursensor niet juist meet, wissel hem
uit.
Als het uitgangsrelais niet juist functioneert, wissel de
plaat van het bedieningsapparaat uit.
BEDIENINGSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
FOUT 15: HOGE TEMPERATUUR
Fout 15 wordt weergegeven zodra de actuele temperatuur de eindtemperatuur om 15°C overschrijdt.
(Zie 9.2. Monitoring van temperatuurwaarden)
Voordat de machine weer in bedrijf gezet wordt, moet een gekwalificeerde en ervaren technicus het
verwarmingssysteem en de luchtafvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer het ventilatiesysteem.
2. Controleer de temperatuursensor.
3. Controleer het verwarmingssysteem.
4. Controleer de veiligheidsschakelaar van
verwarming (ventiel).
5. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
6. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
7. Controleer het ingangssignaal volgens de
staat in het Servicemenu.
Als de luchtstroming onvoldoende is, stel het
ventilatiesysteem juist in.
Als de temperatuursensor niet juist meet, wissel hem
uit.
Indien het verwarmingssysteem beschadigd is, dient
ze hersteld of vervangen te worden.
Als de veiligheidsschakelaar van verwarming
(ventiel) niet functioneert, herstel of wissel hem uit.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
Als het uitgangsrelais niet juist functioneert, wissel de
plaat van het bedieningsapparaat uit.
Indien de invoer niet functioneel is, vervang het
programmatorpaneel
FOUT 16: MUNTAPPARAAT 1 IS GEBLOKKEERD
De fout 16 wordt weergegeven indien de ingang van de muntinworp 1 meer dan 5 sec. geblokkeerd is.
Optie EP = ON.
Fout 16 wordt weergegeven als het externe startsignaal na het openen van de deur op het eind van het
programma langer dan 10 seconden voortduurt.
Werkwijze:
1. Controleer de juiste functie van het
muntapparaat 1.
2. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
Als het microcontakt van het muntapparaat of het
optodeel niet op 100% functioneert, wissel het
muntapparaat uit.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
FOUT 17: MUNTAPPARAAT 2 IS GEBLOKKEERD DIT GELDT NIET VOOR FULL
CONTROL
Fout 17 wordt weergegeven als de ingang van het muntapparaat 2 langer dan 5 seconden geblokkeerd is.
Werkwijze:
1. Controleer de juiste functie van het
muntapparaat 2.
2. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
Als het microcontakt van het muntapparaat of het
optodeel niet op 100% functioneert, wissel het
muntapparaat uit.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
FOUT 18 : HOGE TEMPERATUUR
Foutmelding 18 wordt weergegeven als de actuele verwarmingstemperatuur de veiligheidstemperatuur van
85°C overschrijdt, terwijl de machine op het starten wacht (hij loopt niet).
Op het display verschijnt „Hot“ en de luchttemperatuur die aangeeft dat de machine in een fouttoestand is.
Controleer de veiligheidsthermostaten ST1 en ST2. De veiligheidsthermostaten zouden het
verwarmingssysteem moeten uitschakelen en hoge temperaturen moeten verhinderen.
! WAARSCHUWING!!!
INDIEN FOUTMELDING 18 WEERGEGEVEN WORDT, BESTAAT ER RISICO VAN VERBRANDING EN
MOETEN MAATREGELEN GENOMEN WORDEN OM DE TEMPERATUUR TE REDUCEREN.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BEDIENINGSHANDBOEK
15
Werkwijze:
1. Controleer het ventilatiesysteem.
2. Controleer de temperatuursensor.
3. Controleer het verwarmingssysteem.
4. Controleer de veiligheidsschakelaar van
verwarming (ventiel).
5. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
6. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
7. Controleer het ingangssignaal in het
Onderhoudsmenu.
Als de luchtstroming onvoldoende is, stel het
ventilatiesysteem juist in.
Als de temperatuursensor niet juist meet, wissel hem
uit.
Als het verwarmingssysteem beschadigd is, herstel
of wissel hem uit.
Als de veiligheidsschakelaar van verwarming
(ventiel) niet functioneert, herstel of wissel hem uit.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
Als het uitgangsrelais niet juist functioneert, wissel de
plaat van het bedieningsapparaat uit.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat van
het bedieningsapparaat uit.
FOUT 19 : DEFECTE TEMPERATUURSENSOR 1
Fout 19 wordt weergegeven als de temperatuursensor beschadigd is. De fout wordt weergegeven alleen als de
machine in stilstand is geen programma verloopt.
De fout kan alleen door uitschakeling en inschakeling van de machine gewist worden. Als de fout na de
inschakeling van de machine voortduurt: foutmelding 19 verschijnt opnieuw.
Voordat de machine weer in bedrijf gezet wordt, moet een gekwalificeerde en ervaren technicus het
verwarmingssysteem en de luchtafvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer of de temperatuursensor op het
bedieningsapparaat aangesloten is.
2. Controleer de temperatuursensor.
3. Meet de resistentie van se sensor.
4. Controleer of de aarding in de middelpositie van de connector is.
5. Als de fout voortduurt
De stekker moet in de contactdoos van de T-plaat
van het bedieningsapparaat gestoken worden.
Als de temperatuursensor beschadigd is, wissel hem
uit.
Als de resistentie niet in orde is, wissel de
temperatuursensor uit.
Als de aarding niet in de middelpositie is, geef de
aarding in de middelpositie van de connector T.
Wissel de plaat van het bedieningsapparaat uit.
Controleer of dit probleem de plaat van het
bedieningsapparaat betreft en niet de defecte
temperatuursensor.
FOUT 20: DEFECTE TEMPERATUURSENSOR 2
De fout 20 wordt weergegeven, indien de temperatuursensor beschadigd is geraakt. Deze fout wordt alleen
weergegeven indien de machine zich in een rustfase bevindt en er geen programma aan is.
De fout kan alleen door uitschakeling en inschakeling van de machine gewist worden. Als de fout na de
inschakeling van de machine voortduurt: foutmelding 20 verschijnt opnieuw.
Voordat de machine weer in bedrijf gezet wordt, moet een gekwalificeerde en ervaren technicus het
verwarmingssysteem en de luchtafvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer of de temperatuursensor op het
bedieningsapparaat aangesloten is.
2. Controleer de temperatuursensor.
3. Meet de resistentie van de sensor.
4. Controleer of de aarding in de middelpositie van de connector is.
5. Controleer of de fout blijvend is
16
De stekker moet in de contactdoos van de T-plaat
van het bedieningsapparaat gestoken worden.
Als de temperatuursensor beschadigd is, wissel
hem uit.
Als de resistentie niet in orde is, wissel de
temperatuursensor uit.
Als de aarding niet in de middelpositie is, geef de
aarding in de middelpositie van de connector T.
Wissel de plaat van het bedieningsapparaat uit.
Controleer of dit probleem de plaat van het
bedieningsapparaat betreft en niet de defecte
temperatuursensor.
BEDIENINGSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
FOUT 22: FOUT VAN AANSTEKING BIJ START ALLEEN GASVERWARMING
Fout 22 wordt weergegeven als het verwarmingssysteem de vlam bij start niet kan aansteken.
Als het probleem ook na drie resetten van de aanstekingseenheid voortduurt, verschijnt de foutmelding 22.
Het bediningsapparaat van de droogkast probeert 9x de gasverwarming in te schakelen.
Het systeem van gasaansteking schakelt contact KA3 in (ingang 4 High) en daardoor wordt het
bedieningsapparaat van de droogkast geїnformeerd dat het systeem van gasaansteking hapert.
Nadien wordt het aanstekingssysteem van de droogkast door het bedieningsapparaat gereset (contact
KA2)).
Voordat de machine weer in bedrijf gezet wordt, moet een gekwalificeerde en ervaren technicus het
verwarmingssysteem en de luchtafvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer de gastoevoer.
2. Controleer het verwarmingssysteem.
3. Controleer het systeem van gasaansteking.
4. Controleer de veiligheidsschakelaar van de
verwarming.
5. Controleer contact KA3 (Fout van
aansteking).
6. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
7. Controleer de elektrische ingang van de
aanstekingsfout op de plaat van het
bedieningsapparaat.
Zonder gastoevoer kan de verwarming niet
functioneren.
De gastoevoer en druk moeten in orde zijn.
Als het verwarmingssysteem beschadigd is, herstel
of wissel het uit.
Als het systeem van gasaansteking niet functioneert,
wissel het uit.
Als de veiligheidsschakelaar van de verwarming niet
functioneert, wissel hem uit.
Indien contact KA3 niet fucntioneert, wissel het uit.
Als het uitgangsrelais niet juist functioneert, wissel de
plaat van het bedieningsapparaat uit.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat van het
bedieningsapparaat uit.
FOUT 23: FOUT VAN ONTSTEKING NA INSCHAKELING (TIJDENS DE
DROOGCYCLUS) ALLEEN GASVERWARMING
De fout 23 wordt weergegeven, als het verwarmingsysteem problemen heeft met de aansteking. De
droogautomaat probeert om het gasverwarmingssysteem te herstarten (tijdens de droogcyclus).
Indien het probleem ook blijft na driemaal proberen automatisch aansteken, wordt de foutmelding 23
weergegeven.
Het bediningsapparaat van de droogkast probeert 9x de gasverwarming in te schakelen.
Het systeem van gasaansteking schakelt contact KA3 in (ingang 4 High) en daardoor wordt het
bedieningsapparaat van de droogkast geїnformeerd dat het systeem van gasaansteking hapert.
Nadien wordt het aanstekingssysteem van de droogkast door het bedieningsapparaat gereset (contact
KA2)).
Voordat de machine weer in bedrijf gezet wordt, moet een gekwalificeerde en ervaren technicus het
verwarmingssysteem en de luchtafvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer de gastoevoer.
2. Controleer het verwarmingssysteem.
3. Controleer het systeem van gasontsteking.
4. Controleer de veiligheidsschakelaar van de
verwarming.
5. Controleer contact KA3 (Fout van
aansteking).
6. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
7. Controleer de elektrische ingang van de
ontstekingsfout op de plaat van het
bedieningsapparaat.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
Zonder gastoevoer kan het verwarmingssysteem niet
functioneren.
De gastoevoer en druk moeten in orde zijn.
Als het verwarmingssysteem beschadigd is, herstel
of wissel hem uit.
Als het systeem van gasontsteking niet functioneert,
wissel het uit.
Als de veiligheidsschakelaar van de verwarming niet
functioneert, wissel hem uit.
Indien contact KA3 niet fucntioneert, wissel het uit.
Als het uitgangsrelais niet juist functioneert, wissel de
plaat van het bedieningsapparaat uit.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat van
het bedieningsapparaat uit.
BEDIENINGSHANDBOEK
17
FOUT 24: FOUT VAN ONTSTEKING ALLEEN GASVERWARMING
Foutmelding 24 wordt weergegeven indien het systeem van gasaansteking na 3 keren niet gereset wordt.
Oorzaak: het ingangssignaal dat de fout van de aansteking aangeeft, blijft ingeschakeld (ingang 4), hoewel
het bedieningsapparaat het systeem van gasaansteking 3 keren probeerde te resetten (contact KA2). Dit is
een zware fout van hardware.
Voordat de machine weer in bedrijf gezet wordt, moet een gekwalificeerde en ervaren technicus het
verwarmingssysteem en de luchtafvoer controleren.
Werkwijze:
1. Controleer het systeem van gasontsteking.
2. Controleer of de leiding niet onderbroken
wordt.
3. Controleer contact KA3 (Fout van
aansteking).
4. Controleer de elektrische ingang van
aansteking op de plaat van het
bedieningsapparaat.
Als het systeem van gasontsteking beschadigd is,
wissel het uit.
Indien de leiding niet in orde is, dient ze gerepareerd
te worden.
Indien contact KA3 niet fucntioneert, wissel het uit.
Als de ingang niet functioneert, wissel de plaat van het
bedieningsapparaat uit.
FOUT 25: ER IS GEEN VOCHTIGHEIDSSENSOR SLECHTS VOCHTIGHEIDSSENSOR
Storing 25 wordt weergegeven als het bedieningsapparaat van de droogkast geen analoog signaal uit de
vochtigheidssensor ontvangt.
Voorbeeld: connector is met het bedieningsapparaat van de droogkast niet verbonden.
(In het „t“-menu kan de functie van de vochtigheidscontrole uitgeschakeld/ingeschakeld worden)
(Opmerking: de vochtigheidssensor heeft 1 minuut nodig om zijn analoog uitgangssignaal te stabiliseren
nadat de toevoer van el. energie ingeschakeld wordt)
(Zie 9.2. Monitoring van temperatuurwaarden)
Foutmelding 25 kan verschijnen, indien de drookast zonder linnen werkt. Dit wordt niet als een
systeemstoring beschouwd. Controleer de juiste functie van de droogkast door het gebruik van de gewone
hoeveelheid nat linnen.
!
WAARSCHUWING!!!
HET SYSTEEM VAN VOCHTIGHEIDSCONTROLE FUNCTIONEERT NIET, INDIEN DE WASMACHINE
NIET OF HEEL WEINIG GELADEN IS. HET SYSTEEM KAN OP EEN NORMALE WIJZE
FUNCTIONEREN SLECHTS ALS ER VOLDOENDE WATER VERDAMPT WAT DOOR DE
LUCHTVOCHTIGHEIDSSENSOR GEMETEN KAN WORDEN.
Werkwijze:
1. Controleer of de vochtigheidssensor op het
bedieningsapparaat van de droogkast
aangesloten is
2. Controleer de aansluiting.
3. Controleer de voedingsspanning van de
vochtigheidssensor.
Indien de vochtigheidssensor op bedieningsapparaat
van de droogkast niet aangesloten is, sluit hem aan.
Indien de aansluiting niet in orde is, herstel hem.
Indien de voedingsspanning niet in orde is of er geen
voedingsspanning is, wissel het bedieningsapparaat
van de droogkast.
4. Controleer de vochtigheidssensor en de
Indien de vochtigheidssensor of de versterker
versterker.
beschadigd zijn, wissel ze uit.
5. Controleer het analoge ingangssignaal. (De Indien de waarde A3 in het analoge ingangsmenu =
ingangen kunnen één voor één in het
„0“ is, dan ontbreekt het analoge ingangssignaal
onderhoudsmenu gecontroleerd worden).
helemaal.
Indien de ingang van het besturingspaneel niet
functioneert, wissel het paneel uit. (controleer echter
eerst de voorafgaande punten)
FOUT 26: ER IS GEEN DEKSEL VAN DE VOCHTIGHEIDSSENSOR SLECHTS
VOCHTIGHEIDSSENSOR
Storing 26 wordt weergegeven, indien het stofdeksel van de vochtigheidssensor ontbreekt.
Als resultaat van de luchtstroming zal de sensor een te hoge waarde meten die buiten de omvang ligt bij
gewoonlijke operaties.
(In het „t“-menu kan de functie van de vochtigheidscontrole uitgeschakeld/ingeschakeld worden)
18
BEDIENINGSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
(Opmerking: de vochtigheidssensor heeft 1 minuut nodig om zijn analoog uitgangssignaal te stabiliseren
nadat de toevoer van el. energie ingeschakeld wordt)
Werkwijze:
1. Controleer of het stofdeksel op de sensor zit.
2. Controleer de aansluiting.
3. Controleer de vodingsspanning van de
vochtigheidssensor.
4. Controleer de vochtigheidssensor en de
versterker.
5. Controleer het analoge ingangssignaal. (De
ingangen kunnen één voor één in het
onderhoudsmenu gecontroleerd worden).
Indien het deksel ontbreekt of beschadigd is,
zet een nieuw stofdeksel op de
vochtigheidssensor.
Indien de aansluiting niet in orde is, herstel
hem.
Indien de voedingsspanning niet in orde is of
er geen voedingsspanning is, wissel het
bedieningsapparaat van de droogkast uit.
Indien de vochtigheidssensor of de versterker
beschadigd zijn, wissel ze uit.
Indien de waarde A3 in het analoge
ingangsmenu > „800“ is, ligt het analoge
ingangssignaal buiten de omvang.
1. Indien de ingang van het besturingspaneel
niet functioneert, wissel het paneel uit.
(controleer echter eerst de voorafgaande
punten)
! WAARSCHUWING!!!
INDIEN DE DROOGKAST VAN EEN VOCHTIGHEIDSSENSOR VOORZIEN IS, KAN HIJ SLECHTS JUIST
FUNCTIONEREN ALS HET VEILIGHEIDSDEKSEL OP DE VOCHTIGHEIDSSENSOR ZIT.
FOUT 27: DE VOCHTIGHEID DAALT NIET SLECHTS VOCHTIGHEIDSSENSOR
Foutmelding 27 verschijnt, indien de vochtigheidswaarde binnen 60 minuten tijdens de droogsequentie niet
daalt. (Maximale droogtijd met gebruik van de vochtigheidscontrole wordt op 60 minuten ingesteld.)
Werkwijze:
1. Controleer of de vochtigheidssensor
functioneert.
2. Controleer of de vochtigheidssensor
functioneert.
3. Controleer of de vochtigheidssensor
functioneert.
4. Controleer of het verwarmings- en droogsysteem functioneert.
5. Controleer of de analoge ingang
en de toevoer van elektriciteit van de
sensor op de plaat van het
bedieningsapparaat functioneert.
Controleer of de juiste functie van de
vochtigheidssensor niet door stof verhinderd wordt
Als de aansluiting niet in orde is, herstel het.
Als de sensor helemaal niet functioneert, wissel hem
uit. (Als u op de sensor blaast, de vochtigheid moet
veranderen.) (Neem eerst het filterdeksel af)
Als de luchtstroming of de verwarming onvoldoende
is, wordt het wasgoed niet gedroogd. Los het
probleem op.
Als de ingang van de plaat van het
bedieningsapparaat niet juist functioneert, wissel de
plaat uit.
FOUT 28: DE STOFFILTER
De fout 28 wordt weergegeven, als de deur van de stoffilter niet geopend werd na 40 beëindigde cycli.
De teller van stoffilterdeurcycli kan ook gecontroleerd worden in werkende toestand – in het Servicemenu.
(De toets met de speciale functie).
Werkwijze:
1. De stoffilter moet elke dag gereinigd
worden.
2. Controleer of de teller van cyclussen door
het openen van de deur van de stoffilter
gereset wordt.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
Indien de stoffilter niet gereinigd werd binnen 40
cycli, maak de stoffilterdeur open en reinig de filter.
Doe de deur daarna opnieuw toe. De teller van de
stoffilter zal op nul gezet worden.
Als de schakelaar van de deur van de stoffilter defect
is, wissel de schakelaar uit (normaal gesloten
contact)
BEDIENINGSHANDBOEK
19
3. Controleer of de teller van cyclussen door
het openen van de deur van de stoffilter
gereset wordt.
4. Controleer of de teller van cyclussen door
het openen van de deur van de stoffilter
gereset wordt.
Als de aansluiting niet in orde is, herstel hem.
Als de ingang van de plaat van het
bedieningsapparaat niet juist functioneert, wissel de
plaat uit.
STORING 30: BESCHADIGD RELAIS VAN EXTERNE MUNTBEDIENING
Foutmelding 30 verschijnt, indien het relais van externe muntbediening gesloten blijft gedurende zulke tijd
die langer is dan de maximale toegelaten droogtijd (60 minuten).
Geldt alleen voor de keuze van instelling „EP = RL3“. De droogkast zal werken tot het relais van externe
muntbediening gesloten blijft. Omdat de droogkast niet langer kan werken dan gedurende de maximale
toegelaten droogtijd, moet hij veiligheidshalve gestopt worden.
Werkwijze:
2. 1. Controleer of de juiste instelling van de
machine gekozen werd.
3. 2. Controleer de externe muntbediening.
Kies de juiste instelling.
Indien de externe muntbediening beschadigd
is, herstel hem.
Indien de aansluiting niet in orde is, herstel hem.
Indien de chip van de elektronische kaart niet
meer functioneert, wissel de kaart uit.
3. Controleer de aansluiting.
4. 4. Controleer de chip van de elektronische
kaart.
FOUT 35: ONJUISTE SOFTWAREVERSIE
Als nieuwe software geïnstalleerd wordt , die met de oude softwareversie niet compatibel is, wordt het
vastgesteld en de configuratie van het bedieningsapparaat van de droogkast moet opnieuw ingesteld
worden. Zie kapittel 4.
WAARSCHUWING !!!
!
ALS U OORSPRONKELIJKE INSTELLING VAN DE PRODUCENT IN HET BEDIENINGSAPPARAAT OPSLAAT,
WORDEN ALLE GEBRUIKERSINSTELLINGEN GEWIST.
Na herhaalde initialisatie van de programmator kan de foutenmelding 35 slechts gewist worden door de
stroomtoevoer uit- en in te schakelen.
FOUT 36: TE HOGE TEMPERATUUR
De foutmelding 36 wordt weergegeven als de actuele afkoelingstemperatuur op het einde van de cyclus
steeds hoger is dan 78°C.
Indien de temperatuur op het einde van de cyclus steeds hoger is dan 78°C, zal de droogkast de afkoeling
60 minuten lang voortzetten (of totdat de temperatuur onder 65°C daalt of de deur geopend wordt). Indien
de temperatuur na deze 60 minuten steeds hoger is dan 70°C, zal de storing 36 gegenereerd worden.
Op het display verschijnt „Hot“ en de luchttemperatuur die aangeeft dat de machine in een fouttoestand is.
Werkwijze:
1. Controleer het systeem van luchtafvoer.
2. Controleer de temperatuursensor.
3. Controleer het verwarmingssysteem.
4. Controleer het verwarmingscontact
(ventiel).
5. Controleer de aansluiting.
6. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
7. Controleer het ingangssignaal van de
temperatuur volgens het
onderhoudsmenu.
20
Indien de luchtstroming niet voldoende is, regel het
systeem van de luchtafvoer.
Indien de temperatuursensor niet juist meet, wissel
hem uit.
Indien het vewarmingssysteem beschadigd is,
herstel het of wissel het uit.
Indien het verwarmingscontact (ventiel) niet
functioneert, herstel het of wissel het uit.
Indien de aansluiting niet in orde is, herstel hem.
Indien het uitgangsrelais niet functioneert, wissel
het paneel van het bedieningsapparaat uit.
Indien de ingang niet functioneert, wissel het paneel
van het bedieningsapparaat uit.
BEDIENINGSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
FOUT 37: VEILIGHEID – TE HEET
Foutmelding 37 wordt weergegeven als de actuele temperatuur de veiligheidstemperatuur van 85°C tijdens
de werking van de machine overschrijdt. (()T24 & T35, ALLEEN ELEKTRISCHE VERWARMING: 100°C
Indien de droogtemperatuur hoger is dan 85°C(()100°C, zal de droogkast de afkoeling 30 minuten lang
voortzetten (of totdat de temperatuur onder 65°C daalt of de deur geopend wordt).
Op het display verschijnt de melding „Hot“ die aangeeft dat dat de machine in een fouttoestand is.
Controleer de veiligheidsthermostaten ST1 en ST2. De veiligheidsthermostaten zouden het
verwarmingssysteem moeten uitschakelen en hoge temperaturen moeten verhinderen.
Voordat de machine weer in bedrijf gezet wordt, moet een gekwalificeerde en ervaren technicus het
verwarmingssysteem en de luchtafvoer controleren.
! WAARSCHUWING!!!
INDIEN FOUTMELDING 37 WEERGEGEVEN WORDT, BESTAAT ER RISICO VAN VERBRANDING EN
MOETEN MAATREGELEN GENOMEN WORDEN OM DE TEMPERATUUR TE REDUCEREN.
Werkwijze:
1. Controleer het systeem van luchtafvoer.
2. Controleer de temperatuursensor.
3. Controleer het verwarmingssysteem.
4. Controleer het verwarmingscontact
(ventiel).
5. Controleer de aansluiting.
6. Controleer de veiligheidsthermostaten
ST1 en ST2.
7. Controleer het uitgangsrelais dat het
verwarmingssysteem stuurt.
8. Controleer het ingangssignaal van de
temperatuur volgens het
onderhoudsmenu.
Indien de luchtstroming niet voldoende is, regel het
systeem van de luchtafvoer.
Indien de temperatuursensor niet juist meet, wissel
hem uit.
Indien het vewarmingssysteem beschadigd is,
herstel het of wissel het uit.
Indien het verwarmingscontact (ventiel) niet
functioneert, herstel het of wissel het uit.
Indien de aansluiting niet in orde is, herstel hem.
De veiligheidsthermostaten zouden moeten
losgekoppeld worden voordat de foutmelding 37
weergegeven wordt.
Indien het uitgangsrelais niet functioneert, wissel
het paneel van het bedieningsapparaat uit.
Indien de ingang niet functioneert, wissel het paneel
van het bedieningsapparaat uit.
FOUT 38: DEURSCHAKELAAR VAN STOFFILTER
Foutmelding 38 wordt weergegeven als de deurschakelaar van de stoffilter tijdens de droogcyclus
losgekoppeld wordt.
Bij de normale werking van de machine wordt niet verondersteld dat de deur van de stoffilter tijdens de
droogcyclus geopend is.
Werkwijze:
1. Controleer of de deur van de stoffilter juist
gesloten is.
2. Controleer of de deurschakelaar van de
stoffilter geschakeld is.
3. Controleer de aansluiting.
4. Controleer het ingangssignaal van de
temperatuur volgens het
onderhoudsmenu.
Indien de deur van de stoffilter niet juist gesloten is,
sluit hem behoorlijk.
Indien de deur van de stoffilter gesloten is, moet het
contact van de deurschakelaar geschakeld zijn.
Indien de schakelaar beschadigd is, wissel hem uit.
Indien de aansluiting niet in orde is, herstel hem.
Indien de ingang niet functioneert, wissel het paneel
van het bedieningsapparaat uit.
FOUT 41: TIJD ONDERHOUD
Foutmedling “Tijd onderhoud” geeft aan dat onderhoud uitgevoerd dient te worden.
Zoek en het Installatie- en onderhoudshandboek het type van de benodigde onderhoudsingreep.
Foutmelding 41 dient slechts voor informatie en de machine kan steeds blijven werken. Voor de
verwijdering van deze foutmelding dient de teller van cyclussen gereset worden.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BEDIENINGSHANDBOEK
21
 Schakel de sleutelschakelaar in het programmeerregime om. Druk de toets van „ MIDDELBARE “
temperatuur.
Op het display wordt weergegeven:
 teller van cyclussen (slechts enkele seconden).
Zodra de teller getoond wordt, druk 3 x de toets „ MIDDELBARE “ temperatuur.

de teller wordt nu gereset op de waarde 0 en de storing 41 „Tijd onderhoud“ wordt ook
gereset.
FOUT 95: BEWAKINGSSYSTEEM
Als het bewakingssysteem geactiveerd wordt, wordt storing 95 op de lijst van foutmeldingen weergegeven.
Indien het niet gebeurt, vraag een technicus om hulp.
FOUT 99: STORING VAN GEHEUGEN EN SOFTWARE
Op de lijst van storingen, storing 99 wordt door overeenkomstige geheugenstoringen(150-165) en
softwarestoringen vervangen (170-199).
FOUT 150 - 165: STORINGEN VAN GEHEUGEN
Indien er een storing van geheugen weergegeven wordt, is er een storing op het geheugen eeprom.
Probeer de programma´s opnieuw in te voeren. Controleer de bron van de elektrische „storing“.
FOUT 170 - 199: STORINGEN VAN SOFTWARE
De softwarestoringen mogen nooit weergegeven worden. Indien er een foutmelding aangaande software
weergegeven wordt, neemt contact op met de producent.
! WAARSCHUWING!!!
OP HET EINDE VAN DE DROOGCYCLUS, ALS DE TEMPERATUUR >74°C EN <79°C IS, ZAL DE
AFKOELINGSTIJD OM 3 MINUTEN VERLENGD WORDEN. TIJDENS DEZE AFKOELING WORDT DE TIJD VAN
0 MINUTEN WEERGEGEVEN.
5.1. VOCHTIGHEIDSCONTROLE - PROBLEEMVERWIJDERING
Tijdens het drogen van het linnen kan de analoge waarde van de vochtigheidssensor gecontroleerd
worden.
De monitoring kan tot diagnostische doelen dienen.
Tijdens de werking van de droogkast is de sleutelschakelaar in het programmeerregime: druk de toets Hoge
temperatuur (High Temperature) en de analoge waarde van de vochtigheidssensor zal 2 seconden lang
getoond worden.
! WAARSCHUWING!!!
HET SYSTEEM VAN VOCHTIGHEIDSCONTROLE FUNCTIONEERT NIET, INDIEN DE WASMACHINE NIET OF
HEEL WEINIG GELADEN IS. HET SYSTEEM KAN OP EEN NORMALE WIJZE FUNCTIONEREN SLECHTS ALS
ER VOLDOENDE WATER VERDAMPT WAT DOOR DE LUCHTVOCHTIGHEIDSSENSOR GEMETEN KAN
WORDEN. CONTROLEER DE JUISTE FUNCTIE VAN DE DROOGKAST DOOR HET GEBRUIK VAN DE
GEWONE HOEVEELHEID NAT LINNEN.
Verwijdering van de problemen met vochtigheidscontrole:
CONTROLE VAN HET DEKSEL VAN DE STOFFILTER
Indien de vochtigheidscontrole niet functioneert, ontbreekt er waarschijnlijk het deksel van de stoffilter.
Het deksel van de stoffilter is een wit deksel dat op de filter moet zitten.
Hoewel het niet zo eruitziet, het deksel van de stoffilter maakt doorgang van lucht mogelijk.
22
BEDIENINGSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
CONTROLE VAN HET DEURSLUITSYSTEEM
Indien de deur van de droogkast niet helemaal gesloten is, wordt de lucht vanuit de kamer in de droogkast
gezogen.
Dit veroorzaakt onjuiste meting van de luchtvochtigheid.
Zorg ervoor dat de droogkast slechts werkt als de deur gesloten is.
(Indien de deur 10 mm geopend is, zou het niet mogelijk kunnen zijn het droogprogramma op te starten.)
CONTROLE VAN VERWARMING EN LUCHTSTROMING
Het meten van de luchtvochtigheid kan slechts functioneren als er voldoende water uit het linnen verdampt.
Deze verdamping is slechts mogelijk als de lucht en indirect ook het linnen voldoende verwarmd wordt.
In het geval dat de droogkast met een lagere verwarming moet werken, dient de luchtstroming adequaat
gereduceerd te worden zodat de verdamping kan verlopen.
Voorbeeld:
Er is niet voldoende elektrische stroom in het gebouw.
De droogkast werkt slechts op 50% van zijn elektrische verwarmingscapaciteit.
De luchtstroming moet voldoende gereduceerd worden zodat de verdamping in de droogkast voldoende is
voor een optimale vochtigheidscontrole.
CONTROLE VAN DE TEMPERATUUR OP HET EINDE VAN DE DROOGCYCLUS
Bij een gewone droogcyclus bereikt de eindtemperatuur de ingestelde eindwaarde als het linnen droog is.
Voor een juist droogproces: voordat de vochtigheidscontrole het droogproces stopt, dient de droogkast de
geprogrammeerde temperatuurwaarde te bereiken.
Indien het niet gebeurt, heeft tijdens het droogproces geen voldoende verdamping plaatsgevonden
vanwege gereduceerde verwarmingscapaciteit. De meting van de luchtvochtigheid zal niet exact zijn voor
een optimale vochtigheidscontrole.
HET LINNEN MOET GESORTEERD WORDEN
Indien er verchillende soorten van linnen in de droogkast zijn, is het niet mogelijk dat het linnen op het einde
gelijkmatig droog is.
Er wordt aanbevolen het linnen te sorteren en altijd dezelfde soorten samen te drogen.
* katoen
* synthetisch linnen
Bij het gebruikt van de vochtigheidscontrole zal het drogen van verschillende soorten van het linnen geen
goed resultaat hebben.
DUNNE – DIKKE STOFFEN
Voor kleren van dikke stoffen zoals b.v. jeans is een langere droogtijd nodig.
Het droogprogramma wordt waarschijnlijk gestopt als het linnen grotendeels droog is, maar de
binnenkanten van de zakken zullen nog vochtig zijn.
Bij kleren van dunne stoffen kan het gebeuren dat het linnen op de genaaide plaatsen vochtig blijft. Het
linnen droogt over nacht.
De vochtigheidscontrole zal de droogkast stoppen als het linnen droog is op grond van de gemeten
luchtvochtigheid.
JUISTE LADING VAN DE TROMMEL
Sommige stoffen hebben in de trommel meer plaats nodig dan andere stoffen.
Het is noodzakelijk de juiste grootte van de droogkast te kiezen zodat er een goede luchtventilatie bereikt
kan worden.
Indien er meer linnen in de trommel is, zal het de luchtstroming verhinderen en het linnen zal ongelijkmatig
gedroogd worden.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BEDIENINGSHANDBOEK
23
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
1. INHOUD
1. INHOUD......................................................................................................................... 1
2. WAARSCHUWINGEN EN SYMBOLEN........................................................................ 3
2.1. VEILIGHEIDSBEPALINGEN ...................................................................................................................3
2.2. SYMBOLEN OP DE MACHINE ...............................................................................................................4
2.3. BELANGRIJKE INFORMATIE VOOR DE INSTALLATIE .......................................................................5
3. TECHNISCHE INFORMATIE ........................................................................................ 6
3.1. GEBRUIK VAN DE DROO ......................................................................................................................6
3.2. UITVOERING VAN DE MACHINE ..........................................................................................................6
3.3. PRODUCTIE-ETIKET ..............................................................................................................................7
3.4. TECHNISCHE SPECIFICATIE................................................................................................................7
3.5. COMPONENTEN EN AFMETINGEN VAN DE MACHINE, AANSLUITING, 13kg (27/lb) ......................9
3.6. COMPONENTEN EN AFMETINGEN VAN DE MACHINE, AANSLUITING, 13/13kg (27/27lb) ...........10
4. INSTALLATIE.............................................................................................................. 12
4.1. MACHINE MANIPULEREN EN UITPAKKEN........................................................................................12
4.2. RUIMTEBEPALINGEN ..........................................................................................................................13
4.3. INSTALLATIE VAN DE MACHINE OP DE BODEM..............................................................................14
4.4. ELEKTRISCHE AANSLUITING.............................................................................................................15
4.5. GASAANSLUITING VAN DE MACHINES MET GASVERWARMING ..................................................20
4.6. VERANDERING VAN GASTYPE ..........................................................................................................23
4.6.1. MOGELIJKE OVERGANG NAAR EEN ANDER GAS.............................................................................23
4.6.1.1. DE DOOR U VEREISTE CATEGORIE VAN HET APPARAAT (ZIE BIJLAGE 530762) VOOR UW
LAND STEMT/STEMT NIET MET DE CATEGORIE EN HET LAND OP HET PRODUCTETIKET
OVEREEN. (GELDT SLECHTS VOOR EU-LANDEN DIE ZICH NAAR DE NORMEN VOOR
GASAPPARATEN RICHTEN) ............................................................................................................................23
4.6.1.2. HET LAND EN DE CATEGORIE VAN HET APPARAAT ZIJN IN BIJLAGE 530762 NIET
AANGEGEVEN (GELDT NIET VOOR EU-LANDEN DIE ZICH NAAR HET DIRECTIEF VOOR
GASAPPARATEN RICHTEN ................................................................................................ 23
4.6.2. WERKWIJZE BIJ GASOMBOUW (GEBRUIK ALTIJD SLECHTS DEGENE PUNTEN DIE VANUIT DE
MOGELIJKHEDEN VAN KAPITTEL 4.6.1. VOORTVLOEIEN – MOGELIJKE OVERGANG NAAR EEN
ANDER GASTYPE) .............................................................................................................................................24
4.7. STOOMAANSLUITING BIJ DE MACHINES MET STOOMVERWARMING .........................................25
4.8. LUCHTTOEVOER EN AFVOER ...........................................................................................................25
4.8.1. LUCHTTOEVOER .....................................................................................................................................25
4.8.2. VENTILATIELEIDING................................................................................................................................26
4.8.3. GEMEENSCHAPPELIJKE VENTILATIE .................................................................................................27
4.8.4. INSTELLING VAN OPTIMALE DOORSTROMING.................................................................................28
4.9. INBEDRIJFSTELLING VAN DE MACHINE...........................................................................................29
5. ONDERHOUD EN INSTELLING ................................................................................. 32
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
1
5.1. VEILIGHEIDSMAATREGELEN VOOR HET ONDERHOUD ................................................................ 32
5.2. DAGELIJKS ........................................................................................................................................... 32
5.3. MAANDELIJKS OF NA 200 WERKUREN............................................................................................. 32
5.4. ALLE 3 MAANDEN OF NA 500 WERKUREN....................................................................................... 32
5.5. ALLE 6 MAANDEN OF NA 3000 WERKUREN..................................................................................... 33
5.6. SMOORKLEP ........................................................................................................................................ 33
5.7. DEURSCHAKELAAR ............................................................................................................................ 33
5.8. RIEMEN SPANNEN .............................................................................................................................. 34
6. PROBLEMEN EN DEFECTEN ....................................................................................35
6.1. HET DISPLAY SCHIJNT NIET NADAT DE MACHINE INGESCHAKELD WORDT............................. 35
6.2. DE TEKST OP HET DISPLAY IS MOEILIJK LEESBAAR .................................................................... 35
6.3. DE MACHINE START NIET .................................................................................................................. 35
6.4. DE MACHINE DOET IETS ANDERS DAN VERWACHT...................................................................... 35
6.5. DE MACHINE WORDT NIET OP DE HOOGSTE TEMPERATUUR OPGEWARMD.......................... 35
6.6. HET RUSTREGIME VERSCHIJNT EN DE TELLER TELT AF............................................................. 35
6.7. FOUTMELDINGEN „UITLADEN“ EN „DE DEUR IS OPEN“................................................................. 35
6.8. FOUTMELDING „DE DEUR VAN DE FILTER“ ..................................................................................... 35
6.9. FOUTMELDING „STOFFILTER“ ........................................................................................................... 36
6.10. DE TROMMEL DRAAIT NIET ............................................................................................................. 36
6.11. DE TERUGGANG FUNCTIONEERT NIET (SLECHTS MODELLEN MET TERUGGANG) ............... 36
6.12. DE SMOORKLEP REAGEERT NIET BIJ DE MACHINESTART (FOUT E8)....................................... 36
6.13. DE SMOORKLEP WORDT TIJDENS DE DROOGCYCLUS GEOPEND (FOUT E9) ......................... 36
7. LIJST VAN AANBEVOLEN VERVANGSTUKKEN .....................................................37
8. MACHINE BUITEN BEDRIJF ZETTEN .......................................................................38
8.1. HET UITSCHAKELEN VAN DE MACHINE...........................................................................................38
8.2. LIQUIDATIE VAN DE MACHINE........................................................................................................... 38
8.2.1. MOGELIJKE liQUIDATIE VAN DE MACHINE DOOR EEN VAKKUNDIGE FIRMA .............................38
8.2.2. MOGELIJKE liQUIDATIE VAN DE MACHINE OP EIGENE KRACHTEN .............................................38
2
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
2. WAARSCHUWINGEN EN SYMBOLEN
LEES EN LEEF DE VOLGENDE AANWIJZINGEN ZORGVULDIG NA OM BRANDGEVAAR,
ONGEVAL DOOR ELEKTRISCHE STROOM, ERNSTIGE VERWONDING VAN MENSEN OF
MATERIËLE SCHADEN TE VOORKOMEN:
2.1. VEILIGHEIDSBEPALINGEN
– Deze versie van het handboek is vertaald uit de originele Engelse versie. Zonder de originele versie zijn
deze aanwijzingen niet compleet.
– Vóór de installatie, inbedrijfname en onderhoud van de machine leest u zorgvuldig de complete
handleidingen, d.w.z. deze „Installatie-, onderhouds- en gebruikershandleiding“, „Programmeerhandleiding“
en „Catalogus van vervangstukken“. De programmeerhandleiding en het catalogus van vervangstukken worden
niet standaard met de machine geleverd. Verzoek uw leverancier/producent om de programmeerhandleiding en
het catalogus van vervangstukken.
– Werk overeenkomstig de aanwijzingen die in de handleidingen vermeld staan, en bewaar de handleidingen
nabij de machine t.b.v. later gebruik.
– Indien er problemen of defecten onstaan die u niet verstaat, neem onmiddelijk contact op met uw
verkoper, onderhoudstechnicus of producent.
– Leef alle in de handleidingen aangegeven veiligheidsaanwijzingen en waarschuwingen op de etiketten
van de machine na.
– Leef alle geldige veiligheidsmaatregelen en wetten na.
– De machine voldoet aan de norm EN 60204-1 Veiligheid van machines - Elektrische installaties.
– Installeer de droogkast nooit op een plaats, waar hij aan de weersomstandigheden of bovenmatige
vochtigheid blootgesteld zou kunnen worden.
– De machine dient aangesloten te worden op de elektriek, aarding, ventilatie en gasleiding volgens het
Installatiehandboek in overeenstemming met de plaatselijke normen en de aansluiting dient door
gekwalificeerde personen met noodzakelijke geldige vergunning uitgevoerd te worden. Bij de aansluiting
op het plaatselijke elektrische net (TT / TN / IT, ...) dienen de geldige voorschriften nageleefd te worden.
– Elke verandering van de installatie die in dit Installatiehandboek niet beschreven is, dient door de
leverancier of producent bewilligd te worden. Anders is de leverancier of producent niet verantwoordelijk
voor eventuele verwondingen van de bediening of materiële schaden.
– De machine mag niet met defecte of ontbrekende delen of geopende deksels in bedrijf gesteld worden.
– Ingrepen in en veranderingen van de machinebouw zijn niet toegelaten en de producent wijst in deze
gevallen alle verantwoordelijkheid af.
– Manipuleer niet doelloos met de bedieningselementen van de machine.
– De kinderen mogen met de machine, binnen of op de machine en in de buurt van de machine niet spelen.
– Bewaar geen brandstoffen in de buurt van de machine.
– Houd het bovendeksel van de machine zuiver, zonder brandstoffen.
– Houd de ruimte rond de ventilatieopening zuiver, zonder stof en stofdeeltjes.
– Controleer regelmatig de juiste functie van de aarding, ventilatie en noodstop van de machine.
– De noodstopinrichting bevindt zich niet bij machines die d.m.v. munten, jetons, een extern
betalingssysteem of een dergelijke zelfbedieningsinrichting bediend worden. De eigenaar - uitbater gebruiker hoeft voor een op afstand bedienbare noodstopinrichting te zorgen die met elke machine
verbonden is.
– Herstel en stel de drijfriem niet in, als de machine in bedrijf is – schakel de hoofdschakelaar van de
machine uit.
– In de aanwijzingen en waarschuwingen van de installatie- en onderhoudshandleiding worden niet alle
mogelijke omstandigheden en situaties beschreven die tijdens de installatie, onderhoud of werking van de
machine kunnen voorkomen. De handleiding is slechts algemeen geschreven. Voorzichtigheid en
zorgvuldigheid zijn factoren die door de constructie van de machine niet opgelost kunnen worden. Deze
factoren dienen door de personen vervuld te worden, die de machine installeren, gebruiken of
onderhouden.
– Droog niet zulk wasgoed dat voordien met benzine, reinigingsmiddelen voor droge reiniging of andere
brand- of explosieve stoffen gereinigd, gewassen of verontreinigd was want ze scheiden uitdampingen af
die ontvlamming of explosie zouden kunnen veroorzaken.
– Grijp niet in de trommel van de droogkast als de trommel draait.
– Reinig de stoffilter elke dag.
– De binnenruimte van de trommel en deventilatieleiding dienen regelmatig gereining te worden door een
gekwalificeerde onderhoudstechnicus.
– Om brandgevaar te elimineren, droog niet het wasgoed dat delen van plastiek of schuimrubber, andere
dergelijke gummimaterialen of was bevat. Leg geen wasgoed in de droogkast dat sporen van
brandstoffen zoals tafelolie, verdunner, brandbare chemicaliën, enz. bevat.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
3
– Gebruik geen verzachtingsmiddelen of producten die de statische elektriciteit reduceren, indien dit door
de producent niet aanbevolen wordt.
– Leg geen wasgoed in de droogkast dat met planten- of keukenolie verontreiningd was want deze oliën
konden tijdens het wassen niet verwijderd worden. Ingevolge daarvan zou zo´n wasgoed van zich zelf
kunnen ontvlammen.
– Droog geen gordijnen of voorhangsels van glasdraden, indien op het etiket niet vermeld is dat het mag.
– Leef altijd de aanwijzingen van de producent na betreffende de verzorging van het wasgoed.
– Leef altijd de aanwijzingen van de producent na die op de etiketten van het wasgoed en de
reinigingsmiddelen vermeld zijn.
– De uitdampingen van oplossingsmiddelen uit de machines voor chemische reiniging vormen zuurstoffen
tijdens de doorgang door het droogcompartiment. Deze zuurstoffen werken als etszuur op de
droogtrommel en op het gedroogde wasgoed. Controleer of de binnengezogen lucht geen uitdampingen
bevat.
– Bij het drogen van chemisch gereinigd wasgoed let op de chemische uitdampingen en uitgedampte
gassen die tot een toxisch gevaar en corrosie zouden kunnen leiden. U moet in zo´n situatie heel
voorzichtig zijn.
– Gebruik de droogkast alleen voor het drogen van wasgoed dat in water gewassen was.
– Stop de machine nooit voor de beëindiging van de complete afkoelingscyclus.
– Neem het wasgoed onmiddelijk uit nadat de droogkast stopt.
– Voordat het onderhoud uitgevoerd wordt, schakel altijd de toevoer van elektrische energie uit.
– De droogkast zal niet functioneren als de deur voor het inladen van het wasgoed open blijft. Gebruik altijd
de veiligheidsschakelaar van de deur en start de droogkast nooit met geopend deur.
– De droogkast stopt met drogen als de deur geopend is. Gebruik de droogkast niet als de trommel draait
en de deur geopend is. Zet de droogkast buiten bedrijf en bel de onderhoudstechnicus.
– De droogkast zal niet functioneren als het deksel van de stoffilter geopend is. Gebruik altijd de
veiligheidsschakelaar op het voorpaneel en start de droogkast nooit met geopend voorpaneel.
VOOR DE MODELLEN MET GASVERWARMING
– Indien u vaststelt dat er gas uit de machine ontsnapt of als u gas riekt, schakel de hoofdtoevoer van gas
uit. Lucht de kamer, schakel geen elektrische toestellen in, raak geen elektrische schakelaar aan, rook
niet, gebruik geen open vuur en bel de onderhoudstechnicus.
– Verander niet de instelling van de drukregelaar, schakelaar van luchtstroming, veiligheidsschakelaar van
de deur, het afzuigtoestel en van alle voorgerpogrammeerde inrichtingen als het voor de installatie en/of
onderhoud niet nodig is. In geval van zulke wijzigingen leef nauwkeurig de aanwijzingen na die in de
kapittels „Installatie“ en „Onderhoud en instelling“ aangevoerd zijn.
– Zorg ervoor dat de kamer tenminste volgens de aanwijzingen van de producent verlucht wordt.
VOOR ALLE MODELLEN
PLAATS DE MACHINE IN EEN GOED VERLUCHTE KAMER.
VUL DE MACHINE VOLGENS HET TYPE VAN WASGOED. OVERBELAST HEM NOOIT.
INSTALLATIE EN HERSTELLINGEN KUNNEN SLECHTS DOOR EEN TECHNICUS UITGEVOERD
WORDEN DIE EEN VERGUNNING VAN DE PRODUCENT HEEFT. INDIEN DE AANWIJZINGEN VAN
DIT HANDBOEK NIET NAGELEEFD WORDEN, KAN DE GARANTIE OPGEHEVEN WORDEN.
!
WAARSCHUWING!
ALS DE AANWIJZINGEN VAN DE PRODUCENT BIJ INSTALLATIE, ONDERHOUD EN/OF BEDIENING
VAN DEZE MACHINE NIET NAGELEEFD WORDEN, ZOUDEN ERNSTIGE VERWONDINGEN EN/OF
MATERIËLE SCHADEN KUNNEN ONTSTAAN.
2.2. SYMBOLEN OP DE MACHINE
Zie – Gebruikershandleiding.
4
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
2.3. BELANGRIJKE INFORMATIE VOOR DE INSTALLATIE
CONTROLE VOOR DE INSTALLATIE
Nadat de machine geleverd wordt, controleer visueel de transportkist en de delen of ze niet beschadigd zijn.
Als de kist of de verpakking beschadigd is, laat deze toestand door de transporteur in het vervoerdocument
noteren voordat u het ondertekent, of informeer de transporteur over de toestand van de levering
onmiddelijk nadat u de beschadiging gevonden had.
BIJ TRANSPORT EN BEWARING
BIJ TRANSPORT EN BEWARING LET OP DE COMPONENTEN DIE ZICH BUITEN DE MACHINE
BEVINDEN (DEURSLOTTEN, BEDIENINGSELEMENTEN ENZ.), ZODAT U ZICH NIET KWETST.
! WAARSCHUWING!
DRUK, TREK EN PERS NOOIT DE COMPONENTEN DIE ZICH BUITEN DE MACHINE BEVINDEN
(BEDIENINGSELEMENTEN, DEURSLOTTEN, DRUKKNOP VAN CENTRAALSTOP,
HOOFDSCHAKELAAR, ENZ.).
CONTROLEER OF DEZE COMPONENTEN ZODANIG BEVEILIGD ZIJN, DAT ZE TIJDENS DE
MANIPULATIE EN INSTALLATIE VAN DE MACHINE NIET BESCHADIGD WORDEN.
– Indien de afnemer de machine zelf transporteert, dient hij de aanwijzingen van de producent betreffende
transport, manipulatie en bewaring van goederen te volgen, en is de producent niet verantwoordelijk voor
eventuele schaden die tijdens het transport zouden kunnen ontstaan.
– Als het product op een vrije ruimte bewaard wordt, dient het tegen mechanische beschadiging en invloed
van weersomstandigheden beschermd te worden.
– De buitentemperatuur bij transport en bewaring mag niet lager zijn dan -25°C en hoger dan +55°C. De
relatieve buitenvochtigheid bij transport en bewaring moet tussen 30% en 80% zonder condensatie
liggen.
– Indien het mogelijk is, laat de machine in de transportverpakking of tenminste op het transportpalet staan tot
de machine op de voorbereide grondplaat in de kamer gemonteerd wordt volgens het kapittel „4.1.
MACHINE MANIPULEREN EN UITPAKKEN“.
BENODIGDE COMPONENTEN (GEEN BESTANDDEEL VAN DE LEVERING)
ALLE MODELLEN
: Schakelaar van zekeringen of beveiligingsschakelaar.
GASMODELLEN
: Één gassluitventiel voor elke gastoevoerleiding van de machine.
STOOMMODELLEN : Drie afsluitventielen (één voor de aansluiting van het elektromagnetische
stoomventiel, twee voor elke terugleiding voor de afvoer van het condensaat).
Twee elastische stoomslangen voor de aansluiting van de stoomomvormer.
Twee afvoerpijpen op elk stoomventiel voor de afvoer van het condensaat.
Twee luchtventielen in de afvoerleiding van het stoomcondensaat.
Twee terugventielen in elke vertakking van de terugleiding.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
5
3. TECHNISCHE INFORMATIE
3.1. GEBRUIK VAN DE DROO
De machines zijn gemaakt voor het drogen van het wasgoed in wasserijen (b.v. beddengoed, kleren,
handdoeken, wasdoeken, zakdoeken en ander wasgoed).
! WAARSCHUWING!
DE MACHINE IS NIET BESTEMD VOOR HET DROGEN VAN HET WASGOED DAT VOORDIEN MET
BENZINE, MIDDELEN VOOR DROGE REINIGING OF ANDERE BRAND- OF EXPLOSIEVE STOFFEN
GEREINIGD, GEWASSEN OF VERONTREINIGD WAS WANT ZE SCHEIDEN UITDAMPINGEN AF DIE
ONTVLAMMING OF EXPLOSIE ZOUDEN KUNNEN VEROORZAKEN.
OM BRANDGEVAAR TE ELIMINEREN DROOG NIET HET WASGOED DAT DELEN VAN PLASTIEK,
SCHUIMRUBBER OF ANDERE DERGELIJKE GUMMIMATERIALEN BEVAT. DE MACHINE IS NIET
BESTEMD VOOR HET DROGEN VAN HET WASGOED DAT VERONTREINIGD IS DOOR PLANTENOF KEUKENOLIE, OMDAT ER INGEVOLGE VAN DE OLIERESTEN ZELFONTVLAMMING ZOU
KUNNEN VOORKOMEN.
OM BRANDGEVAAR TE ELIMINEREN LEG IN DE DROOGKAST GEEN WASGOED DAT SPOREN
VAN BRANDSTOFFEN ZOALS TAFELOLIE, BRANDBARE CHEMICALIËN, VERDUNNER ENZ.
BEVAT, OF NIETS WAT WAS OF CHEMICALIËN BEVAT, ZOALS B.V. ZWABBER OF
REINIGINGSDOEKEN.
3.2. UITVOERING VAN DE MACHINE
Deze handleiding geldt voor standaarddrogers (hierna te noemen drogers) het trommelvolume van 285 l len
voor een tweevoudige droogautomaat met de trommelvolumes van 285 l / 285 l. De vullingshoeveelheid is bij
de vullingsverhouding ca. 1:22
De hogere vulverhouding zoals b.v. 1:25 is aanbevolen voor betere droogcondities. De machines
worden manueel bediend d.m.v. de toetsen op het toetsenbord (verder „OPL“ genoemd). De machines
worden bediend door gekwalificeerd personeel in de wasserijen of m.b.v. van een muntapparaat in
zelfbedieningswasserijen. De machine heeft elektrische (E), stoom- (S) of gasverwarming (G).
Temperatuur en droogtijd kunnen d.m.v. het toetsenbord ingesteld worden.
MACHINE MET GASVERWARMING:
Machinetype, land van bestemming, gastypen en gasdrukken voor welke de machine goedgekeurd
is, zijn vermeld in bijlage 530762.
6
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
3.3. PRODUCTIE-ETIKET
Het productie-etiket bevindt zich op de achterkant van de machine (zie afb. 3.5., 3.6., pos. 8).
3.4. TECHNISCHE SPECIFICATIE
CAPACITEIT:
13kg (27lb)
13/13kg (27/27lb)
AFMETINGEN
AFMETINGEN VAN DE
VERPAKKING:
Breedte
Diepte
Hoogte
AFMETINGEN VAN DE
MACHINE(1):
Breedte
Diepte
Hoogte
880 mm / 34,64“
1325 mm / 52,16“
1160 mm / 45,66“
880 mm / 34,64“
1325 mm / 52,16“
2120 mm / 83,46“
795 mm / 31,29“
1240 mm / 48,81“
1075 mm / 42,32“
795 mm / 31,29“
1240 mm / 48,81“
2030 mm / 79,92“
760 mm / 29,9“
630 mm / 24,8“
285 l
600 mm / 23,6“
2 x 760 mm / 29,9“
2 x 630 mm / 24,8“
2 x 285 l
2 x 600 mm / 23,6“
AFMETINGEN VAN DE
TROMMEL:
Doorsnee
Diepte
Capaciteit van de trommel
De diameter van de opening
voor het inleggen van het
wasgoed in de machine
GEWICHT
GEWICHT
netto
brutto
185 kg / 408 lb
200 kg / 441 lb
370 kg / 816 lb
385 kg / 849 lb
ELEKTRISCHE DATA (UITVOERIGE INFORMATIE, ZIE KAPITTEL 10)
MOTORVERMOGENS:
Aandrijvingmotor (kW)
Ventilatormotor (kW)
0,25
0,75
2 x 0,25
2 x 0,75
ELEKTRISCHE SYSTEEM
VAN DE MACHINE:
3x380-415V 50Hz
3x220-240V 50Hz
Elektrische verwarming
Gasverwarming
3x380-415V+N 50Hz
3x380-415V 50Hz
3x220-240V 50Hz
1x220-240V 50Hz
3x380-415V 50Hz
3x220-240V 50Hz
1x220-240V 50Hz
Stoomverwarming
-
VERBRUIK
Optimale luchtdoorlaat
(m3/h):
Zie kapittel 4.8.
Equivalente weerstand van
de rookbuis (Pa):
Zie kapittel 4.8.
Doorsnee van de
ventilatieleiding (mm)
Zie kapittel 4.8.
Tab. 3.4.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
7
CAPACITEIT:
13kg (27lb)
13/13kg (27/27lb)
VERWARMING
Elektrische verwarming (E)
Gasverwarming (G)
Stoomverwarming (S) - dit geldt voor 13/13kg (27/27lb)
Verwarmingstypen:
MACHINES MET ELEKTRISCHE VERWARMING (E)
Verwarmingstoestel (kW):
Geluidsniveau (2)
Laeq droogsequentie
18 kW
2 x 18 kW
<70
55
MACHINES MET GASVERWARMING (G)
Gasaansluiting:
Vermogen van de
gasverwarming:
Geluidsniveau (2)
Laeq droogsequentie
G3/4“
2 x G3/4“
19,5 kW
2 x 19,5 kW
<70
55
MACHINES MET STOOMVERWARMING (S)
Stoomdruk (bar):
-
3 - 6 bar / 7 - 10 bar
Stoomvermogen (kW):
Druk 3 - 6 bar
Druk 7 - 10 bar
-
2 x 25,5 kW - 29,9 kW
2 x 21,5 kW - 24 kW
Stoomaansluiting
-
2 x G3/4“
Afvoer van het condensaat
-
2 x G3/4“
<70
55
Geluidsniveau (2)
Laeq droogsequentie
WERKINGSCONDITIES
Buitentempeartuur
Doorsneebuitentemperatuur
tijdens 24 uur
Relatieve vochtigheid
Zeespiegelhoogte
Uitvoering van de
machinedekking
(1)
(2)
8
van + 15°C tot + 40°C
tot + 35°C
30%  90% zonder condensatie
tot 1000 m
IP 43
Tab. 3.4. zonder condensatie
maximale afmetingen incl. de uitstekende delen
ISO 3744
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
3.5. COMPONENTEN EN AFMETINGEN VAN DE MACHINE,
AANSLUITING, 13kg (27/lb)
ellips - omtrek komt overeen met een
cirkel Ø 200 mm
GASVERWARMING
ELEKTRISCHE VERWARMING
Afb. 3.5. Afmetingen en componenten van de machine
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
9
3.6. COMPONENTEN EN AFMETINGEN VAN DE MACHINE,
AANSLUITING, 13/13kg (27/27lb)
ellips - omtrek komt overeen met een cirkel Ø 200 mm
GASVERWARMING
ELEKTRISCHE VERWARMING
STOOMVERWARMING
Afb. 3.6. Afmetingen en componenten van de machine
10
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
LEGENDA
1. Elektronisch bedieningsapparaat
2. Slot van het bedieningspaneel
3. Drukknop van noodstop
4. Deksel van de stoffilter
5. Microschakelaar van het deurslot
6. Microschakelaar van het deksel van de stoffilter
7. Stoffilter
8. Productieetiket
9. Hoofdschakelaar
10. Hoofdtovoer van elektrische energie
11.Verwarmingscompartiment
12. Gasventiel (slechts bij machines met gasverwarming)
13. Drukregelaar (slechts bij machines met gasverwarming)
14. Gasleiding (slechts bij machines met gasverwarming)
15. Schakelaar van luchtstroming
16. Zuigen
17.Ventilatie
18. De muntinworp (de versie met een muntinworp)
19.De bak van de muntinworp (de versie met een muntinworp)
20.Stoomtoevoerleiding, dit geldt voor13/13kg (27/27lb)
21. Afvoerleiding voor het condensaat, dit geldt voor13/13kg (27/27lb)
22.Serienummer van de machine.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
11
4. INSTALLATIE
! WAARSCHUWING!
OM FOUTLOZE WERKING VAN DE MACHINE TE BEREIKEN, DIENT DE DROOGKAST PRECIES VOLGENS
DIT INSTALLATIEHANDBOEK GEÏNSTALLEERD TE WORDEN.ALLE WIJZIGINGEN VAN DE INSTALLATIE
DIE IN DIT INSTALLATIEHANDBOEK NIET BESCHREVEN ZIJN, DIENEN DOOR DE LEVERANCIER OF DE
PRODUCENT VAN DE DROOGKAST GOEDGEKEURD TE WORDEN.
MACHINETYPE
Voordat u de machine begint te installeren, controleer het type van uw droogkast en de elektrische aansluiting
volgens het productieetiket dat zich op de achterkant van de machine bevindt (zie afb. 3.5., 3.6., pos. 8).
VOOR MACHINES MET GASVERWARMING
! WAARSCHUWING!
CONTROLEER VOOR DE INSTALLATIE VAN DE DROOGKAST OF DE PLAATSELIJKE CONDITIES
VAN BRANDSTOFTOEVOER, BRANDSTOFEIGENSCHAPPEN EN ZIJN OVERDRUK EN DE
INSTELLING VAN DE MACHINE COMPATIBEL ZIJN.
! WAARSCHUWING!
VOOR EEN TWEEVOUDIGE DROOGAUTOMAAT 13/13kg (27/27lb) DIENT VOOR DE BOVENSTE ALSOOK
DE ONDERSTE DROOGUNIT GELIJKE GASCATEGORIE, -DRUK EN -SOORT GEBRUIKT WORDEN.
Controleer volgende gegevens op het productie-etiket: land van bestemming, categorie, gasdruk en type,
(zie bijlage 530762).
VOOR MACHINES MET STOOMVERWARMING
! WAARSCHUWING!
VOOR DE INSTALLATIE VAN DE MACHINE MOET GECONTROLEERD WORDEN OF DE
STOOMDRUK AAN DE WAARDE BEANTWOORDT DIE OP HET ETIKET AANGEGEVEN IS. DE
MAXIMALE TOEGELATEN STOOMDRUK MAG IN GEEN GEVAL OVERSCHREDEN WORDEN.
4.1. MACHINE MANIPULEREN EN UITPAKKEN
BIJ TRANSPORT
! WAARSCHUWING!
DE VORK VAN DE HEFWAGEN MOET VOLDOENDE LANG ZIJN (ZIE AFB. 4.1).
Voor de manipulatie met de machine in transportverpakking gebruik een hefwagen of een manuele manipulatiewagen.
–De buitentemperatuur voor transport en bewaring moet tussen -25°C en +55°C liggen. De machine is niet bestemd
voor zulk milieu waar direct contact met spuitend water mogelijk is. Bewaar de machine niet op zulke plaatsen waar
ze aan de veranderlijke weersomstandigheden of bovenmatige vochtigheid blootgesteld zou kunnen worden. Als de
machine vochtig wordt onder invloed van een plotselinge verandering van de temperatuur mag het water op de
wanden en deksels van de machine niet afvloeien en op de bodem onder en rond de machine blijven liggen.
Afb. 4.1. Minimale lengte „X“ van de vork
Capaciteit van
de droogkast
13/13kg(27/27lb)
X [mm]
1400
13kg(27lb)
Tab. 4.1.
12
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
MANIPULEREN BIJ INSTALLATIE
Alle handelingen moeten door een gekwalificeerde medewerker uitgevoerd worden. De machine wordt aan
de gebruiker op een houten pallet geleverd, en bovendien beschermd met een PE folie.
Op het houten palet is de machine d.m.v. vier schroeven (M10) vastgeschroefd.
Voor het transport van de machine van het transportmiddel naar de installatieplaats gelden volgende
maatregelen:
– Controleer alle openingen en tussenruimtes waardoor de machine getransporteerd wordt. Ze moeten
voldoende afmetingen hebben die aan de breedte en hoogte van de machine incl. verpakking
beantwoorden.
– Controleer of de deur van de vulopening zodanig beveiligd is dat hij zich tijdens de manipulatie met de
machine niet opent.
– Hef de machine m.b.v. de hefwagen op het transportpalet waarop de machine bevestigd is.
UITPAKKEN
– Na het uitpakken controleer of de machine niet beschadigd is en al toebehoren volgens uw bestelling
met de machine geleverd is. De gebruiksaanwijzing en het toebehoren vindt u binnen de trommel.
– Voordat u de machine gaat opstellen op de plaats van gebruik, gelieve de verpakking te verwijderen. Het
opstellen van de machine – zie de hoofdstuk “4.3. HET OPSTELLEN VAN DE MACHINE OP DE
GROND”.
4.2. RUIMTEBEPALINGEN
WERKINGSCONDITIES VAN DE MACHINE
Zie kapittel „3.4., 3.5. TECHNISCHE SPECIFICATIE“.De machine is niet bestemd voor zulk milieu waar
direct contact met spuitend water mogelijk is. Bewaar de machine niet op zulke plaatsen waar ze aan de
veranderlijke weersomstandigheden of bovenmatige vochtigheid blootgesteld zou kunnen worden. Als de
machine vochtig wordt onder invloed van een plotselinge verandering van de temperatuur mag het water op
de wanden en deksels van de machine niet afvloeien en op de bodem onder en rond de machine blijven
liggen. De producent is niet verantwoordelijk voor de corrosie van de machine die door onvoldoende
ventilatie van de kamer veroorzaakt wordt (b.v.: uitdampingen, agressieve chemicaliën of droge reiniging).
AFMETINGEN VAN DE KAMER
De afmetingen van de machine zijn beschreven in kapittel „3.4. TECHNISCHE SPECIFICATIE“.
Laat tenminste 0,6 m / 1,9 ft (0,9 m / 3 ft is aanbevolen) vrije ruimte tussen de achterkant van de droogkast
en de muur zodat de machine gemakkelijk onderhouden kan worden. Tussen de zijkanten van elke
machine laat een vrije ruimte van tenminste 0,02 m / 0,07 ft. Boven de machine dient een vrije ruimte van
0,5 m / 1,6 ft ten behoeve van het onderhoud gelaten te worden.
Bij de installatie leef alle geldige veiligheidsmaatregelen en voorschriften na. Om de risico van ernstige
verwondingen in de zelfbedieningswasserijen te elimineren, installeer een sluitbare deur om de toegang pro
tot de achterkant van de droogkast te verhinderen.
! WAARSCHUWING!
HOUD DE DROOGKAST ZUIVER EN ZONDER RESTEN VAN BENZINE, BRANDSTOFFEN EN
ANDERE BRANDBARE UITDAMPINGEN EN VLOEISTOFFEN.
WAARSCHUWING!
!
BLOKKEER NIET DE VENTILATIE IN HET ACHTERDEEL VAN DE DROOGKAST. DE
LUCHTTOEVOER IN HET VERBRANDINGSCOMPARTIMENT VAN DE DROOGKAST DIENT
GEGARANDEERD TE WORDEN.
WAARSCHUWING!
!
BLOKKEER NIET DE VENTILATIE IN HET ACHTERDEEL VAN DE DROOGKAST.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
13
Afb. 4.2. Benodigde afmetingen van de kamer
Minimale afmetingen
A
B
C
D*)
0,1m2
13kg (27lb)
600 mm
20 mm
500 mm
0,19m2
13/13kg (27/27lb)
Tab. 4.2.
*) Minimale afmetingen van de opening die noodzakelijk zijn voor vrije luchttoevoer naar één droogkast. Indien er
de benodigde opening niet gemaakt kan worden, dient de vereiste luchthoeveelheid (zie kap.4.8., tab. 4.8.A.)
via een dwangroute toegevoerd te worden.
4.3. INSTALLATIE VAN DE MACHINE OP DE BODEM
De droogkast dient op de bodem geïnstaleerd te worden waarvan het draagvermogen 450 kg/m² is. De
materialen die de bodem bedekken, zoals b.v. tapijten, dienen verwijderd te worden. Om de conformiteit te
kunnen garanderen, vergelijk de benodigheden voor de installatie van de machine met de bepalingen van
de plaatselijke bouwvoorschriften.
MACHINE INSTALLEREN EN UITBALANCEREN
Verwijder vier transportschroeven (in elke hoek is één schroef).
Hef de droogkast voorzichtig van het palet en laat hem zakken op twee
vooraf voorbereidde langwerpige balken zodat de voor- en
achternivelleerpootjes op de onderkant van de droogkast vastgeschroefd
kunnen worden. Monteer de verstelbare voeten altijd met de borgmoer.
Gebruik de openingen die voordien tot de bevestiging van de droogkast
aan het palet dienden. De droogkast kan zachtjes naat voren of achteren
gebogen worden ten behoeve van een eenvoudigere montage.
Gebruik een hefwagen voor de installatie van de machine en zet de droogkast opnieuw op de voorbereidde
balken. Verwijder de balken en zet de machine op de bodem. Stel de afstelpootjes zo bij dat de droogkast
waterpas en zo dicht mogelijk bij de bodem staat. Controleer de juiste positie m.b.v. de waterpas die zich in
het bovendeel van de machine bevindt. De droogkast mag niet wankelen.
BEVEILIG DE VERSTELBARE VOETEN MET BEHULP VAN DE VOORGEMONTEERDE
BORGMOEREN.
WAARSCHUWING!
!
INSTALLEER DE DROOGKAST ZO DICHT MOGELIJK OP DE BODEM. DE DROOGKAST DIENT
VAST OP DE BODEM TE ZITTEN ZODAT HET GEWICHT GELIJKMATIG VERDEELD IS.
14
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
4.4. ELEKTRISCHE AANSLUITING
WAARSCHUWING!
!
DE MACHINE DIENT AANGESLOTEN TE WORDEN OP ELEKTRICITEIT, AARDING, STOOM,
VENTILATIE EN GASTOEVOER VOLGENS HET INSTALLATIEHANDBOEK EN IN
OVEREENSTEMMING MET DE PLAATSELIJKE NORMEN. DE AANSLUITING DIENT DOOR
GEKWALIFICEERDE PERSONEN MET GELDIGE VERGUNNING UITGEVOERD TE WORDEN.
BIJ DE AANSLUITING OP HET PLAATSELIJKE ELEKTRISCHE NET (TT / TN / IT, ...) DIENEN DE GELDIGE
VOORSCHRIFTEN NAGELEEFD TE WORDEN.
DE DROOGKAST IS BESTEMD VOOR VASTE AANSLUITING OP ELEKTRISCH NET.
AANSLUITING OP HET ELEKTRISCHE NET
De machines zijn ontworpen voor de aansluiting op het elektrische net volgens de specificatie van uw
bestelling. Voor de aansluiting hoeft u te controleren, of de el. waarden op het etiket aan uw elektrisch net
beantwoorden. Indien het niet zo is, sluit de machine niet aan en neem contact op met de leverancier.
Indien de machine van geen afschakelinrichting voorzien is, zoals b.v. van de hoofdschakelaar, dienen alle
elektrische toevoerkabels vanuit de energiebron van een afschakelinrichting voorzien worden volgens de
norm EN 60204-1, kapittel 5.3. In noodgeval, b.v. bij onderhoud, schakelt deze inrichting de toevoer van
elektrische energie in de elektrische delen van de machine uit.
NOODSTOPINRICHTING
De machines zijn voorzien van een noodstopinrichting overeenkomstig de norm ISO 13850 - categorie 0 stopfunctie. Toch bevindt zich deze noodstopinrichting niet bij de machines die d.m.v. munten, jetons, een
extern betalingssysteem of een dergelijke zelfbedieningsinrichting bediend worden.
De eigenaar - uitbater - gebruiker hoeft voor een noodstopinrichting te zorgen. Deze noodstopinrichting(en)
moet(en) elke machine stoppen overeenkomstig de norm ISO 13850 - categorie 0. De aansluiting van de
geleiders in de machine is zo uitgevoerd dat de bedieningscircuits onmiddelijk van de voeding afgeschakeld
kunnen worden. De juiste aansluiting van de inrichting – zie het elektrische schema van de machine.
1. Fasekabels
2. Veiligheidskabel
3. Toevoerbeveiliging
4. Machine
5. Elektrische verdeelkast van de wasserij
6. Toevoerschroefbuis van de hoofdschakelaar
Afb. 4.4.A Driefaseaansluiting van de machine op het elektrische net
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
15
AANSLUITING VAN DE MACHINE MET STROOMBESCHERMER
Om het bedieningspersoneel en de onderhoudstechnici tijdens de bediening en het onderhoud van de
machine beter te kunnen beschermen, beveelt de producent aan een stroombeschermer met 30 mA voor de
toevoerkabel in het distributienet van de wasserij te plaatsen. De hoofdcontacten van de beschermer moeten
aan het bovengenoemde vermogen van machine beantwoorden. De aansluiting van de stroombeschermer
en van de machine op het net wordt op afb. 4.4.B. weergegeven.
1. Fasekabels
2. Veiligheidskabel
3. Toevoerbeveiliging
4. Machine
5. Elektrische verdeelkast van de wasserij
6. Toevoerschroefbuis van de hoofdschakelaar
7. Stroombeschermer (zie tab. 4.4.)
Afb. 4.4.B Driefaseaansluiting van de machine op het elektrische net met stroombeschermer
! WAARSCHUWING!
ALS ER OP DE INSTALLATIEPLAATS HET OPVOLGEN VAN DE NORM EN 60519 GEËIST WORDT,
DIENT DE MACHINE BEDREVEN TE WORDEN MET EEN VOORGESCHAKELDE
STROOMBEVEILIGING.
BELANGRIJK!
CONTROLEER DE TOEREN VAN DE VENTILATORMOTOR.
De motor dient in de bepaalde richting te draaien, zie de pijl boven de motor. Indien de motor in de andere
richting draait, zal de machine niet juist functioneren. In dit geval kan de ventilator niet voldoende ventileren.
U moet de fasen L1-L2 door elkaar vervangen zijn.
16
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
BELANGRIJK!
BIJ DE MACHINES MET GASVERWARMING CONTROLEER OF DE FASE - L EN DE MIDDENKABEL –
N NIET DOOR ELKAAR VERVANGEN ZIJN. IN DIT GEVAL ZAL DE AANSTEEKAUTOMATIEK NIET
FUNCTIONEREN!
TOEVOERKABELS EN BEVEILIGING
De toevoerkabels, evt. draden voor de aansluiting van de machine op het elektrische net moeten de
koperkernen hebben. De doorsnee van de toevoergeleiders is afhankelijk van de spanning en het
verwarmingstype van de droogkast, d.w.z. van zijn elektrisch totaalvermogen. De toevoerkabel wordt d.m.v.
beveiligingsschakelaars of zekeringen in de verdeelkast van de wasserij tegen kortsluiting of overbelasting
beveiligd.
Aanbevolen doorsneden van toevoerkabels en waarden van zekeringen voor verschillende machinetypen
t.b.v. toevoerbeveiliging vindt u in tab.4.4..
VOORBEREIDING VAN DE KABEL
! WAARSCHUWING!
VEILIGHEIDSKABEL DIENT ALTIJD IETS LANGER TE ZIJN, ZODAT HIJ BIJ HET
EVENTUELE UITRUKKEN VAN DE KABEL ALS DE LAATSTE AFGESLOTEN WORDT.
Als de kabel gebruikt wordt (harde kopergeleiders), dienen de afzonderlijke aders zodanig geïsoleerd te
worden, dat na de aansluiting van de kabel op de machine het geïsoleerde deel niet uit de klem
vooruitsteekt (4.4.C, 8 - kota X). Als de draad gebruikt wordt (kopergeleiders) kunnen de afzonderlijke aders
net als bij de kabel geïsoleerd worden of er kunnen de persholtes (7) gebruikt worden. In dit geval moeten
holtes met s geïsoleerde hals gebruikt worden, zodat het deel onder spanning niet aangeraakt kan worden.
Afb. 4.4.C Voorbereiding van de toevoerkabel
1. Groengele - veiligheidskabel
2. Zwarte-fasekabel
3. Bruine-fasekabel (driefase-uitvoering)
4. Blauwe-neutrale kabel (eenfase-uitvoering)
5. Zwarte-fasekabel (driefase-uitvoering)
6. Blauwe-neutrale kabel (driefase-uitvoering
geldt voor de gasverwarming)
7. Hals van de persholte moet geïsoleerd worden,
zodat het deel onder spanning niet aangeraakt
kan worden (geleider) als de hoofdschakelaar
uitgeschakeld is.
8. De geïsoleerde geleiders van de toevoerkabel
moeten zo lang zijn dat het geïsoleerde deel uit
de klem van de hoofdschakelaar niet
vooruitsteekt (toevoerklem)
AANSLUITING VAN DE TOEVOERKABEL
De kabel kan naar de machine op twee manieren gebracht worden:
–uit het kabelkanaal (van beneden)
–uit de kabelrooster (van boven)
Indien u de kabel von boven voert, hoeft u daarvoor te zorgen de kabel doorhangt voordat hij in de
kabeldoorvoerdoos bevestigd wordt (zie afb. 4.4.D). Daardoor wordt verhinderd dat het afvloeiende
gecondenseerde water in de kabeldoorvoerdoos, evt. in de machine geraakt.
–De machine kan ook d.m.v. de aansluitingsvork op het circuit van het voedingsnet aangesloten worden
MECHANISCHE BEVEILIGING VAN DE KABEL
Nadat de kabel door de mof (4.4.D, pos. 2) getrokken wordt, maak de dichtmoer van de mof vast. Daardoor
wordt het gummiringetje in de mof gedrukt wat voor de mechanische beveiliging van de kabel en
waterdichtheid zorgt. Indien de mechanische beveiliging niet voldoende is, gebruik de veiligheidskoppeling
(3).
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
17
AANSLUITINGSPLAATS
De toevoerkabel is op de hoofdschakelaar van de machine (1). aangesloten. De faseklemmen zijn
gekenmerkt door U, V, W of L(L1) en A(L2). Sluit de veiligheidskabel direct op de veiligheidsklem die zich
op de binnenkant van de linkerstaander bevindt. De klem wordt door PE gekenmerkt.
1. Hoofdschakelaar
2. Kabelmof
3. Veiligheidsklem
4. Buitenveiligheidsklem
5. Binnenveiligheidsklem
Afb. 4.4.D Aansluiting van de hoofdtoevoer
BEVEILIGINGSINSTALLATIE VAN DE MACHINE IN DE WASSERIJ
Veiligheidshalve dient de machine op de beveiligingskring van de wasserij aangesloten te worden. Daartoe
dient de buitenveiligheidsklem (M6) die zich op de achterbenedenkant van de machine bevindt (afb. 4.4.Epos. 4) en door het kenmerk van aarding voorzien is. De veiligheidskabel voor deze aansluiting is geen
bestanddeel van de levering. De doorsnee van de veiligheidskabel dient tenminste aan de waarden te
beantwoorden die in tab. 4.4. aangegeven zijn. Als de doorsnee van de toevoerkabel kleiner is dan 2,5 mm2
zal een kabel met de minimale doorsnee van 4 mm2 voor de beveiliginngsaansluting genomen worden.
Door de beveiliginngsaansluting en aarding van de machines voorkomt u tegelijk de nadelige invloed van
van statische electriciteit op de werking van de machine.
Afb. 4.4.E Beveiliginngsaansluting van de machines
1. Machine – blik van de achterkant
2. Beveiligingskring van de wasserij
3. Buitenveiligheidsklem
4. Veiligheidskabel – verbinding van machines
5. Aardingskenmerk
INDIEN DE BEVEILIGINGSVERBINDING VAN DE MACHINES DOOR UW NATIONALE
(PLAATSELIJKE) NORMEN VERBODEN IS, MOETEN DE MACHINES VOLGENS DE GELDIGE
NORMEN GEAARD WORDEN.
18
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
Tab.4.4.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
19
4.5. GASAANSLUITING VAN DE MACHINES MET GASVERWARMING
!
WAARSCHUWING !
VOOR DE INSTALLATIE VAN DE MACHINE CONTROLEER OF DE PLAATSELIJKE CONDITITES
VAN BRANDSTOFTOEVOER, EIGENSCHAPPEN VAN BRANDSTOF, ZIJN OVERDRUK EN
INSTELLING COMPATIBEL ZIJN. HET IS NOODZAKELIJK DAT DE GASINSTALLATIE EN HAAR
LATERE HERSTELLINGEN DOOR EEN FIRMA UITGEVOERD WORDEN DIE DAARTOE BEVOEGD
IS. AL GEBRUIKT INSTALLATIEMATERIAAL (REDUCTIEVENTIEL, HANDVENTIL ENZ.) EN DE
UITGEVOERDE GASINSTALLATIE DIENT AAN DE GELDIGE NORMEN VAN HET LAND TE
BEANTWOORDEN WAARIN DE MACHINE GEBRUIKT WORDT.
VOOR DE MACHINE MET EEN CAPACITEIT VAN 13/13kg (27/27lb) IS HET NODIG HET
GASVERBRUIK 2x TE VERMENIGVULDIGEN.
De droogkasten zijn bestemd voor het gebruik met zulk gastype dat op de productie-etiket vermeld is (zie afb. 3.5.,
3.6., pos. 8). Gebruik nooit andere gastypen. Voor elk machinetype en toebehorend gastype moet de juiste
sproeier en gasdruk volgens bijlage 530762 gebruikt worden. Wij willen u daarop attent maken dat het in het
algemeen niet toegelaten is machines met gasverwarming in kelders en kamers te installeren, waar onvoldoende
ventilatie is (zie kapittel 4.2). In deze gevallen moet u de installatie met de firma bespreken die het gas levert.
De machine dient in overeenstemming met de normen van het desbetreffende land geïnstalleerd te worden.
Om de beveiliging van gasinstallaties te verhogen, is het heel belangrijk in de buurt van de machine een
detector van gasontsnapping te installeren.
U BENT VERPLICHT EEN GOED TOEGANKELIJKE EN ZICHTBARE POEDERBLUSSER VAN
TENMINSTE 12 KG IN DE KAMER TE PLAATSEN.
De installatiefirma moet de machine op de gastoevoer aansluiten volgens het wasserijproject. De opening
voor gasaansluiting bevindt zich op de achterkant van elke droogkast. De afmetingen van deze aansluiting
vindt u op afb. 3.5., 3.6.
WAARSCHUWING!
!
VERANDER NOOIT ALLEEN DE GEBRUIKTE DRUKKEN, TYPEN VAN SPROEIERS, AFMETINGEN
VAN SPROEIERS OF HET GASTYPE. U ZOU DAARDOOR ERNSTIGE SCHADEN KUNNEN
VEROORZAKEN.
DE PRODUCENT WIJST IN ZULKE GEVALLEN ALLE VERANTWOORDELIJKHEID AF.
ALLEEN VOOR MACHINES MET EEN GASVENTIEL ZONDER DRUKREGELAAR
Om de juiste drukken te bereiken, installeer in de buurt van elke machine een buitenreductieventiel dat de
druk in de pijpleiding op bedrijfsdruk reduceert. Dit ventiel wordt niet samen met de machine geleverd. Het
is belangrijk dat dezelfde druk op alle plaatsen van de gasaansluiting is.
VOOR ALLE MACHINES
Op een licht toegankelijke plaats installeer in de gasleiding voor de ingangsopening van elke droogkast een
manueel bedienbaar sluitbaar gasventiel in zulke afstand dat de lengte van de leiding vanaf het ventiel tot de
aansluiting van de machine korter is dan 2 m.
Installeer een buis voor vasthouding van stof en
gecondenseerd water op de plaats van
gasaansluiting bij elke droogkast.
1. Gasleiding voor aansluiting op de machine
2. Stop
MIN. 152 mm (6 in.)
3. Systeem van gasleiding
GASBUIS
4. Gas- „T“onderdeel
5. Gasstop
6. Buis voor vasthouding van stof en
gecondenseerd water
7. Sluitventiel
Afb. 4.5. Installatie van de buis voor vasthouding van stof en gecondenseerd water
Installeer de drukmeter tussen het reductieventiel van de machine en het handventiel om het gebruikte gas te
meten, of het ventiel met de drukmeter en de beveiligingsschakelaar voor het aftellen. De pijpleiding tussen het
handventiel en de machine moet vast zijn met voldoende gasdoorloop en de aansluitingsplaatsen moeten altijd
van een waterdicht dichtingsmiddel voorzien zijn dat tegen de gebruikte gassen resistent is.
! WAARSCHUWING!
HET IS NOODZAKELIJK DE DICHTHEID VAN DE AANSLUITINGEN REGELMATIG TE
CONTROLEREN. START DE MACHINE NIET ALS DE GASTOEVOER OF DE GASDRUK MET
DE TECHNISCHE GEGEVENS OP HET ETIKET VAN DE MACHINE NIET OVEREENSTEMMEN. OM
DE AFVOER VAN GASRESIDU´S TE VERZORGEN, CONTROLEER DE DRAAIRICHTING VAN DE
VENTILATOR.
20
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
De gegevens zijn vermeld in
bijlage: code 530762
Tab.4.5.A Aanwijzingen - Sproeiers - Gas – Sproeiers
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
21
De gegevens zijn vermeld in
bijlage: code 530762
Tab.4.5.B Aanwijzingen - Sproeiers - Gas – Sproeiers
22
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
4.6. VERANDERING VAN GASTYPE
WAARSCHUWING!
!
HET IS NOODZAKELIJK DAT DE GASINSTALLATIE EN HAAR LATERE HERSTELLINGEN DOOR
EEN FIRMA UITGEVOERD WORDEN DIE DAARTOE BEVOEGD IS. AL GEBRUIKT
INSTALLATIEMATERIAAL (REDUCTIEVENTIEL, HANDVENTIL ENZ.) EN DE UITGEVOERDE
GASINSTALLATIE DIENT AAN DE GELDIGE NORMEN VAN HET LAND TE BEANTWOORDEN
WAARIN DE MACHINE GEBRUIKT WORDT.
VOORDAT DE HERSTELLINGEN UITGEVOERD WORDEN, MAAK HET SLUITVENTIEL DICHT, ROOK
NIET EN LAAT GEEN ANDERE ELEKTRISCHE INSTALLATIES LOPEN.
ZORG VOOR VOLDOENDE VENTILATIE VAN DE KAMER.
ALLE ANDERE CATEGORIËN, TYPEN, GASDRUK OF DE COMBINATIES DIE IN BIJLAGE „530762“
NIET VERMELD ZIJN, ZIJN ONTOELAATBAAE EN DE PRODUCENT WIJST IN ZULKE GEVALLEN
ALLE VERANTWOORDELIJKHEID AF.
– Neem contact op met uw gasleverancier om het gastype en de gasdruk vast te stellen. Controleer de
gasdruk.
– Controleer of het gastype en de gasdruk met de gegevens op het etiket „ingesteld op“ overeenkomen dat
zich boven de gastoevoer bevindt.
– De gasapparaten zijn goedgekeurd (CE-goedkeuring), zie gegevens op het etiket.
– Indien de gegevens overeenkomen, hoeft u geen maatregelen te nemen. Indien de gegevens niet
overeenkomen, dient u een van de onderstaande mogelijkheden te kiezen:
4.6.1. MOGELIJKE OVERGANG NAAR EEN ANDER GAS
4.6.1.1. DE DOOR U VEREISTE CATEGORIE VAN HET APPARAAT (ZIE BIJLAGE 530762) VOOR UW
LAND STEMT/STEMT NIET MET DE CATEGORIE EN HET LAND OP HET PRODUCTETIKET
OVEREEN. (GELDT SLECHTS VOOR EU-LANDEN DIE ZICH NAAR DE NORMEN VOOR
GASAPPARATEN RICHTEN)
Om deze wijziging te kunnen uitvoeren, heeft u de juiste sproeier, stop en etiket aangaande ombouw nodig:
6. Hoe stelt u de juiste sproeier vast:
– Raadpleeg bijlage 530762. Op grond van de capaciteit en het vermogen van de droogkast, het
installatieland en de door u vereiste categorie van het gasapparaat stelt u vast welke doorsnede en druk
op de injector gebruikt moeten worden.
7. Hoe stelt u vast of een stop gebruikt moet worden:
– Raadpleeg bijlage 530762. Op grond van de capaciteit en het vermogen van de droogkast, het
installatieland en de door u vereiste categorie van het gasapparaat stelt u vast of de drukregelaar
toegelaten is. Indien de drukregelaar niet toegelaten is, moet u de drukregelaar van het gasventiel verwijderen
en hem d.m.v. een stop vervangen.
8. Hoe stelt u het juiste etiket aangaande ombouw vast:
– Raadpleeg bijlage 530762. Op grond van de taal van het land waarin de machine geïnstalleerd wordt, stelt
u het nodige etiketcode vast. De taal van het etiket moet met de taal van het installatieland
overeenstemmen.
Na elke wijziging hoeft u m.b.v. een niet-corrosieve vloeistof (die voor het testen van dichtheid van leidingen
bestemd is) te controleren of de leiding in orde is en juist dicht. Controleer de druk tijdens de werking van alle
overige gasapparaten. Plak het etiket aangaande gasombouw in de betreffende taal naast het productetiket
op en vul het m.b.v. bijlage 530762 in (waarden die vermeld staan in de regel voor het door u vereiste
installatieland, categorie, gastype en gasdruk).
! WAARSCHUWING!
STREEP DE GEGEVENS BETREFFENDE DE CATEGORIE, HET GASTYPE, DE GASDRUK EN HET
GASVERBRUIK OP HET PRODUCTIE-ETIKET DOOR !!!
4.6.1.2. HET LAND EN DE CATEGORIE VAN HET APPARAAT ZIJN IN BIJLAGE 530762 NIET
AANGEGEVEN (GELDT NIET VOOR EU-LANDEN DIE ZICH NAAR HET DIRECTIEF VOOR
GASAPPARATEN RICHTEN
Om deze wijziging te kunnen uitvoeren, heeft u de juiste sproeier en het etiket aangaande ombouw nodig:
1. Hoe stelt u de juiste sproeier vast:
– Raadpleeg bijlage 530762. Op grond van de capaciteit en het vermogen van de droogkast en het
gastype stelt u vast welke doorsnede en druk op de injector gebruikt moeten worden.
2. Hoe stelt u het juiste etiket aangaande ombouw vast:
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
23
– Raadpleeg bijlage 530762. Op grond van de taal van het land waarin de machine geïnstalleerd wordt stelt
u het nodige etiketcode vast. Indien de taal die met het installatieland overeenstemt, ontbreekt gebruik het
etiket met Engelse taal.
Na elke wijziging hoeft u m.b.v. een niet-corrosieve vloeistof (die voor het testen van dichtheid van leidingen
bestemd is) te controleren of de leiding in orde is en juist dicht. Controleer de druk tijdens de werking van alle
overige gasapparaten. Plak het etiket aangaande gasombouw in de betreffende taal naast het productetiket
op en vul het m.b.v. bijlage 530762 in (waarden die vermeld staan in de regel voor het door u vereiste gastype
en gasdruk).
! WAARSCHUWING!
STREEP DE GEGEVENS BETREFFENDE DE CATEGORIE, HET GASTYPE, DE GASDRUK EN HET
GASVERBRUIK OP HET PRODUCTIE-ETIKET DOOR!!!
Indien u uitvoerige informatie nodig hebt, neem contact op met uw dealer, onderhoudstechnicus of
producent van het apparaat.
4.6.2. WERKWIJZE BIJ GASOMBOUW (GEBRUIK ALTIJD SLECHTS DEGENE PUNTEN
DIE VANUIT DE MOGELIJKHEDEN VAN KAPITTEL 4.6.1. VOORTVLOEIEN –
MOGELIJKE OVERGANG NAAR EEN ANDER GASTYPE)
Beneden is de variante beschreven, wanneer de regelateur en de sproeier uitgewisseld moeten worden en
de druk op de sproeier ingesteld wordt:
1. Schakel de hoofdschakelaar uit, sluit het toevoerventiel (afb.4.5., pos.7)
2. Demonteer het achter-bovendeksel van de machine.
3. Uitwisseling van de sproeier:
–Schakel de toevoerleiding van de machine af.
–Maak alle schroeven los die het gasventiel in de houder bevestigen (afb. 4.6.2., pos. 3).
–Neem het ventiel uit de machine. Wissel de sproeier uit (afb. 4.6.2., pos. 5). De afmetingen van de
sproeier vindt u in bijlage 530762.
–Monteer het ventiel terug. Sluit de toevoerleiding van gas weer aan.
4. Vervanging van drukregelaar, evt. afdekstop (stopcode: 102019 – indien nodig bijlage 530762).
–Schroef de regulateur (afb. 4.6.2., pos. 7) of afdekstop (afb. 4.6.2., pos. 10) uit het gasventiel los en
monteer de afdekstop (of regulateur – wordt met de machine geleverd).
–Indien de afdekstop geïnstalleerd is, moeten de toevoerdruk en de sproeier aan de waarden in bijlage
530762 beantwoorden voor het bepaalde gastype.
–Indien de gasregulateur geïnstalleerd is, stel de benodigde druk op de sproeier tijdens de werking van
de machine in d.m.v. een manometer (afb. 4.6.2., pos. 8 en 9) volgens bijlage 530762.
WAARSCHUWING!
!
VERGEET NIET DAT DE DICHTHEID NA ELKE INGREEP IN DE GASLEIDING VAN DE MACHINE
GECONTROLEERD MOET WORDEN. GEBRUIK NOOIT EEN OPEN VUUR VOOR DE CONTROLE
VAN DE DICHTHEID.
5. Monteer het achter-bovendeksel weer terug.
6. Schakel de hoofdschakelaar in, open het toevoerventiel.
7. Start de machine en laat een hele cyclus aflopen.
8. Plak het etiket aangaande ombouw op, vul het etiket in en wijzig het productetiket, zie kap. 4.6.1.
MOGELIJKE OVERGANG NAAR EEN ANDER GASTYPE.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
Gasventiel
Gastoevoerleiding
Houder van het gasventiel
Metaalplaat met een opening
Injector
Schroefverbinding van de injector
Drukregelaar
Gewenste druk volgens de specificatie in bijlage 530762
Manometer
Deksel voor machines die niet gereguleerd zijn
Afb. 4.6.2. Sluitbaar gasventiel
24
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INVLOED VAN DE ZEESPIEGEL
Om een volledige verbranding bij hogere zeespiegel te kunnen garanderen, wordt het vermogen elke 500 m
boven de zeespiegel om 5% verminderd. De injector (sproeier) dient aan het verminderde vermogen vanaf
1000 m boven de zeespiegel aangepast te worden. Bespreek dit probleem met de producent indien nodig.
4.7. STOOMAANSLUITING BIJ DE MACHINES MET
STOOMVERWARMING
De droogkast met stoomverwarming is voorzien van twee aansluitingen voor de aansluiting van stoomtoevoer en
afvoer van het condensaat. De aansluitingsplaats zie afb. 3.5., 3.6. De installatie van de stoomtoevoer kan alleen
een bevoegde persoon uitvoeren. Het schema van stoomtoevoer en afvoer van het condensaat, zie afb. 4.7.
De hoogte van de stoomdruk moet in de omvang liggen dat in kapittel „3.4. TECHNISCHE INFORMATIE“ en
kapittel „3.4. TECHNISCHE SPECIFICATIE“ aangegeven is. Alle andere drukwaarden kunnen een onjuiste of
onvoldoende functie van de droogkast ten gevolge hebben.
! WAARSCHUWING !
DE OVERSCHRIJDING VAN DE MAXIMALE DRUK KAN TOT EEN ERNSTIGE VERWONDING OF DOOD
LEIDEN! DE STOOMLEIDING DIENT HEEL VOORZICHTIG AANGESLOTEN TE WORDEN ZODAT DE
MACHINE NIET BESCHADIGD WORDT (STOOMWISSELAAR) !
!
WAARSCHUWING!
VÓÓR ELK STOOMVENTIEL MOET EEN FILTR MET DOORLAATBREEDTE TOT 300 MICROMETER
GEPLAATST WORDEN. EVENTUELE ONREINHEDEN GROTER DAN 300 MICROMETER KUNNEN HET
STOOMVENTIEL BESCHADIGEN EN ZIJN ONDICHTHEID VEROORZAKEN.
Sluit de stoominstallatie volgens het schema op de juiste aansluitingsplaatsen op de achterkant van de machine.
Afb. 4.7. Schema van de aansluiting van de stoomverwarming
1. Droogkast
2. Stoomtoevoer
3. Stoomafvoer
4. Elastische slang voor de aansluiting van de
doorgkast op toevoer- en afvoerleiding
5. Solenoïdeventiel (bestanddeel van de levering)
6. Filter (bestanddeel van de levering)
7. Terugventiel
8. Afvoerleiding van het condensaat
9. Luchtventiel
10. Terugafvoer van het condensaat uit de leiding
van stoomtoevoer
11. Stoomafvoer
12. Stoomtoevoer
13. Manueel sluitbare stoomventiel
De afmetingen en typen van stoomarmaturen worden vastgesteld door de ontwerper van de kamer (wasserij).
4.8. LUCHTTOEVOER EN AFVOER
4.8.1. LUCHTTOEVOER
Om het maximale prestatievermogen en de kortste droogtijd te kunnen bereiken, dient er voor de toevoer van de nodige
luchthoeveelheid gezorgd te worden. Er dient tenminste zo veel lucht toegevoerd te worden die door de droogkast naar de
ventilatieleiding weggezogen wordt. Afmetingen van de benodigde opening zijn te vinden in tab.4.2. Om het wegzuigen
van de lucht uit de kamer te verhinderen, wordt aanbevolen de luchttoevoer achter de droogkast te plaatsen. Denk
daaraan dat de rooster /jaloezie tot de helft van de vlakte van de ventilatieopening kan blokkeren.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
25
! WAARSCHUWING!
ZORG ERVOOR DAT DE STROMING VAN FRISSE LUCHT EN DE LUCHT VOOR VERBRANDING NIET
GEBLOKKEERD WORDT.
DE POSITIE VAN DE LUCHTVENTILATIE WORDT VASTGESTELD VOLGENS DE GELDIGE
PLAATSELIJKE BOUWVOORSCHRIFTEN.
4.8.2. VENTILATIELEIDING
! WAARSCHUWING !
DE DOORSNEDE VAN DE VENTIKATIELEIDING MAG IN GEEN GEVAL KLEINER ZIJN DAN DE
VENTILATIEOPENING IN DE DROOGKAST.
De droogkast produceert brandstof en in geval van gasverwarming toxisch gas. Om brandrisico en
gezondheidsproblemen te verminderen, dient de droogkast naar „buiten“ ontlucht te worden d.m.v.
ventilatieleiding.
De ontluchtingsbuisleiding van de machines bevindt zich aan het achterste machinegedeelte, zie afb. 3.5.,
3.6., pos. 17. De producent beveelt aan de ontluchting naar „buiten“ bij elke droogkast afzonderlijk uit te
voeren.
De ventilatieleiding dient zodanig geconstrueerd te worden dat het condensaat dat bij het opstarten van de
machine in koude toestand ontstaat, of opgevangen wordt en vervolgens verdampt, of weggezogen wordt. Indien
het mogelijk is, installeer de droogkasten en gasverwarmers voor heet water of andere toestellen met valventilatie
niet in dezelfde ruimte. Op de plaats, waar de ventilatieleiding door brandbare muur of plafond loopt, dient de
opening 10 cm groter gemaakt te worden dan de doorsnede van de leiding en de leiding in het midden van de
opening geplaatst te worden. De spleet tussen de brandbare muur en de droogkast moet d.m.v onbrandbaar
materiaal afgedicht worden.
De binnenvlakte van de ventilatieleiding moet glad zijn (lage weerstand). Gebruik geen scherp gebogen
kniestukken van 90° voor de ventilatieleiding. Gebruik gegalvaniseerd metaal voor de ventilatieleiding.
Controleer vóór de installatie van een nieuwe droogkast of de bestaande leiding waarop de droogkast
aangesloten zal worden, voldoende zuiver is. Indien niet, reinig hem.
Afb 4.8.2.A. Aansluitingen van de ventilatieleiding
In tab.4.8.2. is de maximale terugwerkende statische druk – weerstand van de ventilatieleiding
weergegeven.
Type van droogkast
13kg (27lb) E/G
13/13KG (27/27LB) E/G/S
p
Maximale terugwerkende statische
druk – weerstand van de
ventilatieleiding
[Pa]
320
320
Tab.4.8.2.
Tussen het dak en de overlaat van de ventilatieleiding dient een afstand van tenminste 1 m gelaten te worden (zie afb.
4.8.2.B., afmeting Lmin). De afvoerlucht mag niet naar de muur, het plafond of een ander gebouwgedeelte gericht worden.
De uitgang van de ventilatieleiding moet tegen wind, regen en vreemde voorwerpen beschermd te worden.
26
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
L min.
1,1 m / 3,5
ft
ACCEPTABEL
WIND
WIN
D
OF
NIET ACCEPTABEL
WIND
WIND
Afb 4.8.2.B. Afzonderlijke ventilatieleiding
DE BOVENGENOEMDE AFBEELDINGEN EN AFSTANDEN ZIJN SLECHTS INFORMATIEF.
DE PLAATSELIJKE BOUWVOORSCHRIFTEN AANGAANDE DE LUCHVENTILATIE DIENEN NAGELEEFD
EN MET DE BOUWER BESPROKEN TE WORDEN.
4.8.3. GEMEENSCHAPPELIJKE VENTILATIE
Hoewel er aanbevolen wordt voor elke droogkast een afzonderlijke ventilatieleiding te gebruiken, kan ook
een gemeenschappelijke ventilatieleiding voor enkele droogkasten gebruikt worden. In dit geval moet de
minimale doorsnede van de ventilatieleiding met tabel 4.8.3 overeenkomen. Indien er een combinatie van
droogkasten met verschillende doorsneden van de afvoeropeningen gebruikt wordt, let daarop de
ventilatiesnelheid in het gehele ventilatiesysteem constant is. Dit wordt zo bereikt dat er bij de oppervlakte van
de gewone leiding de oppervlakte van de leiding van elke andere droogkast bijgevoegd wordt.
Aantal van
droogkasten
Doorsnede
(mm)
Type van droogkast
1
2
3
4
5
6
7
D1
D2
D3
D4
D5
D6
D7
150
200
283
346
400
447
490
13kg (27lb)
Tab.4.8.3. Minimale doorsnede van de gemeenschappelijke ventilatieleiding
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
27
Afb.4.8.3. Gemeenschappelijke ventilatieleiding voor een reeks droogkasten
Voor het gemeenschappelijke ventilatiesysteem moeten speciale maatregelen genomen worden
betreffende stofverwijdering en reiniging van de leiding.
Sluit nooit de leiding van de droogkast op het gemeenschappelijke ventilatiesysteem in de hoek van 90°
aan, anders stijgt de terugdruk en daardoor wordt het vermogen van de machine verminderd.
Onjuiste afmetingen of onjuiste montage van het ventilatiesysteem veroorzaakt de verhoging van de terugdruk
wat langzamer drogen, stofverzameling in de leiding en eveneens hoger brandrisico ten gevolge heeft.
Installeer de droogkast volgens de benodigde luchtstroming, d.w.z. dat de doorsnede van de leiding in
afhankelijkheid van de luchtsroming hoger wordt.
4.8.4. INSTELLING VAN OPTIMALE DOORSTROMING
! WAARSCHUWING!
GEVAAR VAN VERWONDING DOOR ELEKTRISCHE STROOM!
SLECHTS GEKWALIFICEERDE TECHNICI MET VOLDOENDE TECHNISCHE KENNIS VAN DE DROOGKAST
MOGEN IN DE MACHINE TECHNISCH INGRIJPEN.
1. Demonteer het achterdeksel. De ventilatiestroming wordt ingesteld d.m.v. het meten van statische druk
op de plaats van de onderdrukklep. De opening voor het meten van statische druk is overplakt met een
plakband, zie afb. 4.8.4.
2. Het meten is aan de gang tijdens het programma zonder verwarming en linnen.
3. Door het openen en sluiten van de klep, zie afb. 4.8.4, wordt de druk verminderd resp. verhoogd.
4. De optimale doorstroming wordt bereikt, indien de gemeten statische druk met de waarden in tabel
4.8.4. overeenkomt.
5. Monteer het achterdeksel terug.
28
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
Afb.4.8.4.
QOPT
p
Optimale
Statische druk
Type van droogkast
luchtdoorlaat
[Pa]*
[m3/h]
550
-75
13kg (27lb) E/G
1050
-75 / -75
13/13kg (27/27lb) E/G/S
Tab.4.8.4. Specificatie van luchtstroming
* Verwissel de statische druk die in tab.4.8.4. vermeld staat, niet met de terugwerkende statische druk van de
ventilatieleiding in tab.4.8.2.
4.9. INBEDRIJFSTELLING VAN DE MACHINE
HET VOLGENDE MOET GEDAAN WORDEN:
1. Verwijder de beschermingsfolie van de kap.
2. Demonteer het achterdeksel en controleer of de schroeven, moeren en armaturen juist vastgedraaid zijn.
3. Verwijder de transportband die de smoorklep op de achterkant van de machine.
4. Controleer de veiligheidsaansluiting (aarding) - „PE“ of „PEN“.
5. Sluit de droogkast op het gemeenschappelijke ventilatiesysteem aan of op de afzonderlijke ventilatieleiding - (aanbevolen).
6. Reinig de trommel met een onbrandbaar reinigingsmiddel. Vul de trommel met zuiver linnen
en start de machine zonder verwarming zodat olie en onreinheden van de trommel verwijderd worden.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
29
Afb. 4.9. Reiniging van de binnentrommel
7. Controleer de instelling van de luchtstroming door de machine, kap. 4.8.
8. Door de instelling van de drukregelaar stel de juiste drukwaarde in die aan de druk in de sproeier
beantwoordt (slechts gasmodellen).
9. Sluit de droogkast op de gas- of stoomleiding (slechts gas- of stoommodellen). Zie kapittels:
„4.5. GASAANSLUITING BIJ DE MACHINES MET GASVERWARMING“, of „4.7. STOOMAANSLUITING
BIJ DE MACHINES MET STOOMVERWARMING“.
10. Voordat de machine gestart wordt, lees zorgvuldig het „Bedieningshandboek“ en leef de daarin
aangegeven aanwijzingen na.
WAARSCHUWING !
!
VOORDAT U DE MACHINE START, CONTROLEER OF ZE (TOEVOER-, AFVOERLEIDINGEN VAN
VERBRAND GAS, PLAATSING VAN DE MACHINE, VOLDOENDE VERLUCHTING VAN DE KAMER,
ENZ.) VOLGENS DIE INSTALLATIEHANDBOEK EN IN OVEREENSTEMMING MET DE
PLAATSELIJKE VOORSCHRIFTEN GEÏNSTALLEERD IS.
11. Schakel de toevoer van elektrische energie in de droogkast in.
12. Open het toevoerventiel voor de gas- en stoomverwarming van de droogkast.
WAARSCHUWING!
!
CONTROLEER ALLE AANSLUITINGSPLAATSEN OP DE LEIDING, BUITEN EN BINNEN, OF ER
GEEN GAS OF STOOM ONTSNAPT. INDIEN ER ONDICHTHEID VASTGESTELD WORDT, LAAT DE
MACHINE NIET WERKEN. CONTROLEER DE GASAANSLUITING REGELMATIG, OF ER GEEN GAS
ONTSNAPT.
13. Schakel de machine in, nadat alle voorgaande stappen uitgevoerd worden zijn. Voor verdere
aanwijzingen zie het „Bedieningshandboek“. Tijdens de werking van de machine dienen volgende
controlestappen verricht te worden. Herstart de droogkast tussen de afzonderlijke stappen (indien het
nodig is):
–Open de deur van de trommel. Indien de deur op een afstand van ongeveer 20 mm geopend wordt, zou
de trommel binnen een paar seconden blijven staan.
–Controleer de juiste functie van de hoofdschakelaar en de noodstoptoets.
–Controleer de juiste functie van de smoorklep. Open het voordeksel van de stoffilter en vergerendel de
beveiligingsschakelaar. Start de machine door het drukken van START. Het bedieningsapparaat zal nu de
fout van de smoorklep melden.
Na de controle van de smoorklep en verwijder de vergrendeling van de beveiligingsschakelaar van de
stoffilter. Geef het voordeksel op zijn oorspronkelijke plaats terug.
–De functie van de smoorklep kan door de transportband beïnvloed worden die zich nog steeds op de
machine bevindt, door onvoldoende lucht of hindernissen in de ventilatieleiding. Deze dingen dienen
gecontroleerd en gecorrigeerd te worden, voordat de instelling van de smoorklep gewijzigd wordt. De
instelling van de smoorklep zie in het kapittel „5.6. SMOORKLEP“.
30
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
WAARSCHUWING !
!
DE DROOGKAST MAG NOOIT WERKEN, ALS DE SMOORKLEP NIET JUIST FUNCTIONEERT,
ANDERS KAN ER ZICH EEN EXPLOSIEF GASMENGSEL VORMEN.
14. Controleer de juiste functie van het aanstekingssysteem (slechts gasmodellen). Het elektronische
aanstekingssysteem probeert het gas d.m.v. een vonk aan te steken. Indien het gas in deze tijd niet
aangestoken wordt, gaat het bedieningselement van aansteking in beveiligingsvergrendeling over en het
ventiel opent zich niet, totdat het bedieningselement gereset wordt. Er moet een paar keer geprobeerd
worden de lucht uit de gasleiding te drukken. Het resetten wordt door het drukken van de toets START
uitgevoerd.
–Als de vergrendeling voortduurt, controleer of zich het manueel sluitbare ventiel in positie „ON“ bevindt en
of de gastoevoer juist aangesloten is. Als deze toestand steeds voorduurt, zet de droogkast buiten bedrijf.
–Verwijder de lucht uit de gasleiding (slechts gasmodellen) doordat u de droogkast in het droogregime laat
lopen.
15. Monteer de achterdeksel terug op de machine.
WAARSCHUWING!
!
ALS U MET BRANDSTOFFEN WERKT, GEBRUIK GEEN OPEN VUUR, LUCHT DE KAMER
VOLDOENDE, ROOK EN EET NIET.
Als de droogkast aan een van de bovengenoemde eisen niet voldoet, zet hem buiten bedrijf.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
31
5. ONDERHOUD EN INSTELLING
5.1. VEILIGHEIDSMAATREGELEN VOOR HET ONDERHOUD
WAARSCHUWING!
!
LEEF DE ONDERSTAANDE AANWIJZINGEN NA DIE IN KAPITTEL „5. ONDERHOUD EN
INSTELLING“ BESCHREVEN ZIJN.
WAARSCHUWING!
!
DE MACHINE KAN ALLEEN DOOR EEN GEKWALIFICEERDE PERSOON ONDERHOUDEN
WORDEN.
VOORDAT U MET DE MACHINE MANIPULEERT, CONTROLEER:
1. of de hoofdschakelaar van de machine uitgeschakeld is
2. of de hoofdschakelaar (beveiligingsschakelaar) van de elektrische verdeelkast van de wasserij
uitgeschakeld en mechanische geblokkeerd is
3. of zich geen onderdeel onder invloed van traagheidskracht beweegt
4. of de hele machine afgekoeld is
5. of er op de machine (evt. ook op de elektrische verdeelkast) het schild „INSTALLATIE IN
HERSTELLING!“ hangt en alle medewerkers daarover ingelicht zijn
5.2. DAGELIJKS
WAARSCHUWING!
!
VEILIGHEIDSHALVE OPEN HET DEKSEL VAN DE STOFFILTER NIET TIJDENS DE WERKING VAN
DE MACHINE. VOORDAT DE STOFFILTER GEREINIGD WORDT, OPEN DE VULOPENING EN
WACHT TOT DE DROOGKAST VOLLEDIG BLIJFT STAAN.
1. Open het deksel van de stoffilter en neem de filter uit.
2. Verwijder het stof uit het compartiment. Reinig de stoffilter zachtjes d.m.v. een borstel. Het stof dat niet
verwijderd wordt zou terug op de stoffilter gezogen worden waardoor de luchtcirculatie verslechtert.
3. Indien de stoffilter beschadigd is, dient hij onmiddelijk uitgewisseld te worden. Een beschadigde
stoffilter zou kunnen veroorzaken dat het stof terug in de leiding geraakt en daardoor de luchtcirculatie
verslechtert.
4. De stoffilter moet de paneelopening verdekken. Eventuele tussenruimtes tussen het raam en de filter
zouden kunnen veroorzaken dat het stof in de leiding geraakt.
5. Plaats de stoffilter terug en beveilig hem. De machine mag zonder een stoffilter niet werken.
5.3. MAANDELIJKS OF NA 200 WERKUREN
SMEREN
WAARSCHUWING!
!
VEILIGHEIDSHALVE SCHAKEL DE TOEVOER VAN ELEKTRISCHE ENERGIE IN DE MACHINE UIT
VOORDAT DE VOLGENDE ACTIVITEITEN VERRICHT WORDEN.
De motorlagers en assen worden niet onderhouden en gesmeerd.
Demonteer de ventilatieleiding in de plaats van de ventilatieopening van de machine en verwijder het stof.
Indien er meer stof in de leiding is, demonteer ook andere delen van de leiding en reinig ze.
Verwijder het stof uit alle openingen in de achterdeksels van de machine. Indien de opening met een grote
heoveelheid stof verstopt zijn, demonteer de achterdeksels en reinig het hele achterdeel van de machine.
5.4. ALLE 3 MAANDEN OF NA 500 WERKUREN
STOF VERWIJDEREN
WAARSCHUWING!
!
VEILIGHEIDSHALVE SCHAKEL DE TOEVOER VAN ELEKTRISCHE ENERGIE IN DE MACHINE UIT
VOORDAT DE VOLGENDE ACTIVITEITEN VERRICHT WORDEN.
1. Verwijder het stof en andere voorwerpen van het wiel en van de afkoelingsventilatoren van de motoren. De
motoren worden afgekoeld met lucht en te veel stof op de afkoelingsventilatoren zou de oververhitting van
de motor kunnen veroorzaken. In dit geval schakelt de motorbeveiliging de machine uit.
2. Gas- en stoommodellen. Controleer de stoomspoelen, verwijder het stof en/of wissel de stoffilter uit.
Controleer het verwarmingscompartiment, de sproeier en brander, verwijder het stof.
3. De ventilatieleiding dient regelmatig gecontroleerd en van stof ontdaan te worden, omdat het de
luchtventilatie verhindert.
32
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
4. De omgeving van de droogkast dient gecontroleerd om vast te stellen, of er geen hindernissen zijn die de
luchtventilatie vermoeilijken.
5. Neem het voorpaneel af en reinig het.
6. Neem het deksel de droogtrommel af. Reinig de binnenruimte d.m.v. een stofzuiger. Geef het deksel terug.
RIEMEN SPANNEN
Controleer de spanning van de riemen. Indien nodig, trek ze volgens de desbetreffende aanwijzingen vast.
kapittel 5.8.
CONTROLE VAN DE SMOORKLEP
Controleer de functie van de smoorklep. Als hij niet juist functioneert, stel zijn positie in.
5.5. ALLE 6 MAANDEN OF NA 3000 WERKUREN
HOOFDCONTROLE
WAARSCHUWING!
!
VEILIGHEIDSHALVE SCHAKEL DE TOEVOER VAN ELEKTRISCHE ENERGIE IN DE MACHINE UIT
VOORDAT DE VOLGENDE ACTIVITEITEN VERRICHT WORDEN.
1. Reinig de hele machine van stof en vreemde voorwerpen volgens de bovengenoemde kapittels.
2. Controleer de schroeven, moeren, gas- en stoomarmaturen en elektrische aansluitingen. Indien nodig, trek
ze vast.
3. Controleer de dichtheid van de gasleiding d.m.v. een zeepoplossing. De ondichtheiden kunnen door de
vibraties van de machine ontstaan.
BIJ DE CONTROLE VAN GASONTSNAPPING GEBRUIK NOOIT OPEN VUUR!
4. De elektrische aansluiting en aarding dienen gecontroleerd te worden. Indien nodig, trek ze vast.
5. Controleer de functie van alle beveiligingsschakelaars (deur, deksel van de stoffilter en smoorklep).
Indien nodig, stel hun positie in.
6. Controleer de instelling van de luchtstroming door de machine, kap. 4.8.
5.6. SMOORKLEP
SMOORKLEP VAN DE LUCHTVENTILATIE
De juiste functie van de smoorklep wordt door de producent ingesteld.
BELANGRIJK!
TIJDENS DE WERKING VAN DE MACHINE DIENT DE SCHIJF VAN DE SMOORKLEP OP
DE ACHTERKANT VAN DE DROOGKAST AANGEDRAAID TE BLIJVEN. ALS HIJ TIJDENS DE WERKING
VAN DE MACHINE AFVALT (ZICH OPENT), STROOMT NIET VOLDOENDE LUCHT DOOR DE
DROOGKAST. ALS ZICH DE SMOORKLEP OPENT EN SLUIT OF TIJDENS DE WERKING VAN DE
MACHINE OPEN BLIJFT, STOPT DE STUURINRICHTING AUTOMATISCH DE VERWARMING EN DE
MACHINE WORDT OP 50°C AFGEKOELD EN NADAT DEZE TEMPERATUUR BEREIKT WORDT,
WORDT DE MACHINE UITGESCHAKELD.
OP HET DISPLAY VERSCHIJNT EEN FOUTMELDING.
OPMERKING!
De functie van de smoorklep kan door stofdeeltjes op de stoffilter of onvoldoende luchtstroming beïnvloed
worden, wat door de buitenblokkering van de luchttoevoer in de machine of door hindernissen in de
ventilatieleiding veroorzaakt wordt. Controleer deze omstandigheden, voordat de instelling van de smoorklep
veranderd wordt.
WAARSCHUWING!
!
DE SCHAKELAAR VAN DE SMOORKLEP DIENT ALTIJD GECONTROLEERD TE WORDEN! ALS DE
SCHAKELAAR NIET JUIST FUNCTIONEERT, MAG DE MACHINE NIET WERKEN!
5.7. DEURSCHAKELAAR
De deurschakelaar wordt de producent ingesteld. De trommel van de machine stopt tijdens het openen van
de deur op de afstand van ca. 20 mm. Als de positie ingesteld moet worden, volg het onderstaande procede:
1. Demonteer de deurscharnieren. Neem de deur uit.
2. Neem het voorpaneel af.
3. Hang de deur op de zijkant. Sluit de deur langzaam en controleer de functie van de microschakelaar.
Maak de bevestigingsschroeven zachtjes los om de positie van de microschakelaar in te stellen. Buig de
microschakelaar tot hij juist in-/uitschakelt.
4. Demonteer de deur.
5. Monteer het voorpaneel en bevestig de deur op de oorspronkelijke plaats.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
33
5.8. RIEMEN SPANNEN
WAARSCHUWING!
!
VEILIGHEIDSHALVE SCHAKEL DE TOEVOER VAN ELEKTRISCHE ENERGIE IN DE MACHINE UIT
VOORDAT DE VOLGENDE ACTIVITEITEN VERRICHT WORDEN.
Bij het spannen van de riemen leef het onderstaande procede na:
1. Neem de achterdeksels af.
2. Maak de bevestigingsschroeven op de middensteunplaat van de riemschijf los. Maak de moeren op de
bevestigingsschroeven los.
3. Verschuif de middensteunplaat d.m.v. de bevestigingsschroef op de kant van de aandrijving. Trek de
roemen vast.
4. Bevestig de positie d.m.v. de bevestigingsschroeven. Bevestig de schroeven d.m.v. de moeren.
5. Maak de veiligheidsschroeven van de steunpaal van de riemschijf vast
DE SPANNING VAN DE CORRECT GESPANNEN RIEM
13kg (27lb),
13/13kg (27/27lb)
De trommel / de spanning
De spanning / de motor
370 - 335N
223 - 210N
Tab. 5.8. Riemen spannen
34
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
6. PROBLEMEN EN DEFECTEN
6.1. HET DISPLAY SCHIJNT NIET NADAT DE MACHINE INGESCHAKELD
WORDT
–
–
Controleer of de buitenvoeding aangesloten is. Schakel de hoofdschakelaar in. Deactiveer de toets van
noodstop (Centraalstop). Controleer de zekeringen in de machine.
Controleer of de netspanning overeenstemt de machine-uitvoering. De spanning mag geen +/- 10% van
de nominale waarde overschrijden. (In geval van disproportie is het mogelijk een spanningsingang op de
primaire geleider van de transformator over te schakelen).
6.2. DE TEKST OP HET DISPLAY IS MOEILIJK LEESBAAR
–
Schakel de omschakelaar „Programmeer / Bedrijfsregime“ in het programmeerregime. In het
configuratiemenu (Programmeerhandboek, kap. 4.2.) stel de lichtsterkte van het display op de gewenste
waarde in.
6.3. DE MACHINE START NIET
–
Op het display schijnt niet het programmeermenu.
Schakel de omschakelaar „Programmeer / Bedrijfsregime“ in het bedrijfsregime.
6.4. DE MACHINE DOET IETS ANDERS DAN VERWACHT
De oorzaak kan zijn dat bij het configureren van de machine een onjuist type gekozen werd, b.v.:
de machine met de capaciteit van 16kg met gasverwarming in plaats van de machine met de capaciteit
van 13kg met elektrische verwarming.
– Schakel de omschakelaar „Programmeer / Bedrijfsregime“ in het programmeerregime. In het
configuratiemenu (Programmeerhandboek kap. 4.2.) controleer het machine- en verwarmingstype, evt.
nog andere instellingen.
6.5. DE MACHINE WORDT NIET OP DE HOOGSTE TEMPERATUUR
OPGEWARMD
De machine is voorzien van een ventilator met hoge capaciteit. Indien de luchtleiding niet juist aangesloten
is (kap. 4.8., alinea 7), kan het gebeuren dat de luchtstroming door de machine hoger is dan toegelaten
wordt. In dit geval betekent het dat de verwarmingstoestellen te intensief afgekoeld worden en de
luchttemperatuur op de ingang van de machine de benodigde waarde niet bereikt.
– Controleer of de ventilatieleiding juist geïnstalleerd is, controleer de instelling van de luchtstroming door de
machine, kap. 4.8
6.6. HET RUSTREGIME VERSCHIJNT EN DE TELLER TELT AF
Het gaat om een toestand die door de voedingsonderbreking of de veiligheidsstop van de machine
veroorzaakt wordt.
– Wacht tot de de waarde 0 bereikt. Schakel de voeding niet opnieuw uit en in, omdat de teller anders se
gereset wordt.
6.7. FOUTMELDINGEN „UITLADEN“ EN „DE DEUR IS OPEN“
Als de deur gesloten is en op het display verschijnt de melding „De deur is open“ of de deur open is en het
display meldt „Uitladen“, gaat het waarschijnlijk om een defect van de microschakelaar van de deur.
– Controleer de functie van de microschakelaar van de deur. Druk met de schroevendraaier op de tong
van de microschakelaar. Als de melding „De deur is open“ verdwijnt, dient de positie van de
microschakelaar (kap. 5.7.) ingesteld te worden. Als de microschakelaar niet reageert, dient hij
uitgewisseld te worden. Het procede van de instelling is hetzelfde.
6.8. FOUTMELDING „DE DEUR VAN DE FILTER“
–
Controleer of de deur van de stoffilter juist gesloten is. Door het drukken van de toets van de
microschakelaar kunt u controleren of de microschakelaar functioneert. Als hij functioneert, stel het
doosje van de microschakelaar in de juiste positie. (Het voorpaneel dient gedemonteerd te worden). Als
de microschakelaar niet functioneert, wissel hem uit.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
35
6.9. FOUTMELDING „STOFFILTER“
Voor de juiste functie van de machine dient de stoffilter dagelijks gereinigd te worden. De machine is
voorzien van een teller van cyclussen. Na 15 cyclussen verschijnt de foutmelding „Stoffilter“. Als de stoffilter
tijdens de volgende 40 cyclussen niet gereinigd wordt, wordt de machine geblokkeerd. De bediening moet
het paneel van de stoffilter openen en de filter reinigen.
– Stop de machine. Open het paneel van de stoffilter en reinig de filter. Sluit het paneel van de stoffilter.
Druk de toets „Onderhoud“. Door het drukken van de toets met rechterpijl wordt de onderhoudsmelding
overgegaan en gecontroleerd of de teller van cyclussen op nul gezet wordt. In geval van de defecte teller
volg het Programmeerhandboek, kap. 8.9., Fout 28.
6.10. DE TROMMEL DRAAIT NIET
–
Controleer of de riemen niet beschadigd en juist gespannen zijn (kap. 5.8.). Controleer de motorspanning
en of de motor functioneert. Controleer eventueel of de warmtebeveiliging van de motor niet beschadigd is.
6.11. DE TERUGGANG FUNCTIONEERT NIET (SLECHTS MODELLEN MET
TERUGGANG)
Controleer of de teruggang ingeschakeld is (toets „Teruggang“).
–
6.12. DE SMOORKLEP REAGEERT NIET BIJ DE MACHINESTART (FOUT E8)
De machine controleert de juiste functie van de smoorklep. Na de machinestart moet de smoorklep
geschakeld worden. De slechte functie is waarschijnlijk door onvoldoende luchtstroming door de machine,
onjuiste instelling van de smoorklep of beschadigde microschakelaar van de smoorklep veroorzaakt.
– Demonteer het achterdeksel van de machine. Controleer of de ventilatormotor draait. Als hij niet draait,
controleer of de motor juist aangesloten is of niet beschadigd is. (De motortoestand kan in het
onderhoudsmenu gecontroleerd worden).
– Conroleer of de ventilatormotor in de juiste richting draait (zie het etiket „Draairichting“ boven de motor).
Als de motor niet in de juiste richting draait, zijn de afzonderlijke fasen van voeding niet juist aangesloten.
Herstel de aansluiting van de machine volgens het bijgevoegde elektrische schema.
– Controleer of er geen valse luchtstroming ontstaat. De deur van de trommel en van de stoffilter moet juist
gesloten zijn.
– Controleer of de stoffilter niet verstopt is en de rotatiewiel van de ventilator niet met stof verontreinigd is.
Indien nodig, reinig ze.
– Controleer of de afvoerleiding niet geblokkeerd is. Controleer of er de hoogste toegelaten statische druk
in de leiding is. Indien nodig, reinig de leiding of neem zulke maatregelen die het drukverlies in de leiding
verminderen.
– Controleer de functie van de microschakelaar van de smoorklep. Hef de schijf van de smoorklep. De
microschakelaar moet in de bovenpositie uitgeschakeld worden. Als hij niet functioneert, wissel hem uit.
Als hij functioneert, stel de microschakelaar door buiging zo in, dat de schijf in de benedenpositie
ingeschakeld en in het moment uitschakeld wordt, als de smoorklep op de achterkant van de machine
gedrukt wordt.
6.13. DE SMOORKLEP WORDT TIJDENS DE DROOGCYCLUS GEOPEND
(FOUT E9)
De slechte functie is waarschijnlijk door onvoldoende luchtstroming door de machine, onjuiste instelling van
de smoorklep, beschadigde microschakelaar van de smoorklep of te grote lading van wasgoed veroorzaakt.
– Controleer of de lading van het wasgoed niet groter is dan de capaciteit van de machine.
– Controleer of er geen valse luchtstroming ontstaat. De deur van de trommel en van de stoffilter moet juist
gesloten zijn.
– Controleer of er geen hindernissen achter de machine zijn die de toevoer van frisse lucht in de machine
zouden kunnen beletten.
– Controleer of de stoffilter niet verstopt is en de rotatiewiel van de ventilator niet met stof verontreinigd is.
Indien nodig, reinig ze.
– Controleer of de afvoerleiding niet geblokkeerd is. Controleer of er de hoogste toegelaten statische druk
in de leiding is. Indien nodig, reinig de leiding of neem zulke maatregelen die het drukverlies in de leiding
verminderen.
36
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
7. LIJST VAN AANBEVOLEN VERVANGSTUKKEN
-
Stoomventiel
Spoel van het stoomventiel
Gasventiel
Sproeier
Gasbrander
Verwarmingstoestel
Microschakelaar
Riem
Beveiligingsschakelaar
Zekering
Deurdichting
Ventilator
Nadere informatie en bestellcodes vindt u in de catalogus van vervangstukken voor elke machine of bij uw
leverancier.
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
37
8. MACHINE BUITEN BEDRIJF ZETTEN
8.1. HET UITSCHAKELEN VAN DE MACHINE
Schakel de buitentoevoer van elektrische energie naar de machine af.
2. Schakel de hoofdschakelaar van de machine uit.
3. Schakel de buitentoevoer van stoom, evt. gas naar de machine af.
4. Controleer of de buitentoevoer van elektrische energie, evt. stoom-, gastoevoer afgeschakeld zijn.
Schakel alle toevoeren van elektrische energie, evt. stoom, gas af.
5. Isoleer de geleiders van buitentoevoer van elektrische energie.
6. Markeer de machine d.m.v. het plaatje „BUITEN WERKING“.
7. Tijdens transport hoeft u te werken overeenkomstig de aanwijzingen van kapittels:
„2.3. BELANGRIJKE INFORMATIE VOOR DE INSTALLATIE “, alinea „Tijdens transport en opslag“,
„4.1. MACHINE INSTALLEREN EN UITPAKKEN“.
Indien de machine nooit meer gebruikt zal worden, beveilig hem zo dat er geen personen gekwetst kunnen
worden en materiële schaden of natuurschaden kunnen ontstaan. Controleer of geen personen of dieren in
de machine opgesloten kunnen worden, personen door beweegbare of scherpe machinedelen, evt. door de
vullingen gekwetst kunnen worden (b.v. verwijder de deur, beveilig de trommel tegen draaien, … enz.)
LET OP DAT U DOOR VALLENDE GEDEMONTEERDE DEUREN OF GLAZEN NIET GEKWETST
WORDT!
8.2. LIQUIDATIE VAN DE MACHINE
! WAARSCHUWING!
GEDURENDE DE DEMONTAGE VAN DE WASMACHINE NEEMT U ALLE MAATREGELEN OM
KWETSUREN DOOR GLAS EN SCHERPE KANTEN VAN METALEN DELEN TE VOORKOMEN.
8.2.1. MOGELIJKE LIQUIDATIE VAN DE MACHINE DOOR EEN VAKKUNDIGE FIRMA
Gegevens in verband met de richtlijn WEEE (Waste Electrical and Electronic Equipment, geldt slechts voor
de landen de leden van EU zijn):
– Voor de machine die u gekocht had, werden natuurmaterialen gebruikt die voor recycling en verder
gebruikt bestemd zijn.
De machine kan materialen bevatten die gevaarlijk zijn voor de gezondheid en de natuur.
– Indien u de machine verwijdert, zorg ervoor dat deze materialen niet in de natuur ontsnappen en wees
milieusparend. Wij bevelen aan vakbedrijven in uw regio te contacteren die zich met afvalafvoer en
recycling bezig houden. Deze bedrijven zorgen voor de recycling van de componenten.
– Symbool „doorgestreepte vuilnisbak met wieltjes“ (
) betekent dat u afval zult sorteren.
– Indien u verdere informatie wenst over de mogelijke afvoer en verwijdering van afval die voor recycling
bestemd is, neem contact op met het bevoegde gemeente- of stadskantoor in uw regio/land (hanteren met
afval).
– Voor meer informatie kunt u ons contacteren omtrent de gevolgen van de verwijdering van onze
producten voor de natuur.
– Denk aub daaraan dat richtlijn WEEE algemeen geldig is slechts voor huisapparaten. In sommige landen
bestaat categorie “professionele apparaten”. In sommige landen bestaat deze categorie niet.
Daarom moet de machine van dit symbool niet voorzien zijn (
).
Informatie voor handelaars: Vanwege de verschillende nationale voorschriften kan de producent niet alle
maatregelen nemen om aan alle nationale voorschriften van elke lidstaat te voldoen. Wij nemen aan dat elke
handelaar die onze producten naar een lidstaat importeert (en op de markt brengt), alle noodzakelijk
maatregelen neemt om aan de bepalingen van de nationale voorschriften (zoals dit de richtlijn vereist) te
voldoen.
8.2.2. MOGELIJKE LIQUIDATIE VAN DE MACHINE OP EIGENE KRACHTEN
Sorteer de delen naar het materiaal: metaal, niet-metaal, glas, plastiek, enz. en geef ze aan een bevoegd
vakbedrijf af dat ze verder kan bewerken. Het materiaal moet in de afzonderlijke afvalcategorieën
gesorteerd worden. Deze afvalcategorieën kunt u vinden op www.euwas.org.
Geef het gesorteerde materiaal aan een bevoegd vakbedrijf af dat het verder kan bewerken.
38
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
OPMERKINGEN:
523459_F_DATUM_VAN_UITGAVE_4.1.2013.DOC
INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSHANDBOEK
39
BELANGRIJK!
TYPE MACHINE:
PROGRAMMAKIEZER:
- PROGRAMMAKIEZER FULL CONTROL
(FC)
- PROGRAMMAKIEZER EASY CONTROL
(EC)
DATUM INSTALLATIE:
GEÏNSTALLEERD
DOOR:
SERIENUMMER:
ELEKTRISCHE SPECIFICATIE:
SPANNING ............IN.......... FASE ........Hz
OPMERKING:
BIJ ELK CONTACT MET UW DEALER BETREFFENDE
MACHINEVEILIGHEID OF RESERVEONDERDELEN
MOET DIT BLAD ZORGVULDIG WORDEN INGEVULD.
BEWAAR GEBRUIKSAANWIJZING VOOR VERDERE
REFERENTIES.
DEALER:
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising