MX250E/F/FE/MX300E/W/WE Operation Manual NL

MX250E/F/FE/MX300E/W/WE Operation Manual NL

DIGITAAL MULTIFUNCTIONEEL

FULL-COLOURSYSTEEM

BEDIENINGSGIDS

MODEL: MX-C250E

MX-C250F

MX-C250FE

MX-C300E

MX-C300W

MX-C300WE

INLEIDING

In deze handleidingen wordt beschreven het digitaal multifunctioneel full-coloursysteem van het model MX-C250E/

MX-C250F/MX-C250FE/MX-C300E/MX-C300W/MX-C300WE.

Opmerking

• Wanneer u in deze handleiding "MX-XXXX" ziet, leest u in plaats van "XXXX" de naam van uw model. Zie p.8

voor de naam van uw model.

• De schermafbeeldingen en procedures die in deze handleiding vermeld staan, zijn hoofdzakelijk bedoeld voor

Windows 7. Voor andere versies van Windows kunnen sommige schermen verschillen van de schermen in deze handleiding.

• Raadpleeg de handleiding van uw besturingssysteem of online-Help voor informatie over het gebruik van uw besturingssysteem.

De in de handleiding getoonde weergaveschermen, berichten en toetsnamen kunnen verschillen van die op de huidige machine vanwege productverbeteringen en -wijzigingen.

2

INHOUD

INLEIDING ......................................................... 2

DE HANDLEIDING GEBRUIKEN ...................... 7

● OVER DE HANDLEIDINGEN ...........................7

● GEBRUIKTE CONVENTIES IN DEZE

HANDLEIDING .................................................7

VERSCHILLEN TUSSEN MODELLEN ............. 8

1

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

ONDERDEELBENAMINGEN EN FUNCTIES ... 9

● BEDIENINGSPANEEL....................................11

DISPLAY .......................................................... 13

● LINKERMENU EN RECHTERMENU .............13

● HET DISPLAY GEBRUIKEN ..........................14

STROOM IN- EN UITSCHAKELEN................. 15

● INSCHAKELEN...............................................15

● UITSCHAKELEN ............................................15

● ENERGIEBESPARINGSFUNCTIES ..............15

● STANDAARDINSTELLINGEN........................15

PAPIER BIJVULLEN ....................................... 16

● PAPIER...........................................................16

● AFDRUKZIJDE NAAR BOVEN OF NAAR

BENEDEN.......................................................17

● PAPIER BIJVULLEN.......................................19

● PAPIERLADE-INSTELLINGEN ......................22

GEBRUIKERSAUTHENTICATIEMODUS ....... 23

● GEBRUIKERSAUTHENTICATIEMODUS

GEBRUIKEN...................................................23

TEKENS INVOEREN ....................................... 24

● LETTERS DIE KUNNEN WORDEN

INGEVOERD ..................................................24

2

KOPIEERFUNCTIES

NORMAAL KOPIËREN ................................... 26

● HET ORIGINEEL PLAATSEN ....................... 27

● KOPIE DONKERDER OF LICHTER MAKEN ....... 28

● LADE SELECTEREN..................................... 28

● AANTAL KOPIEËN INSTELLEN ................... 28

● FORMAAT ORIGINEEL SELECTEREN........ 29

● DE HANDINVOERLADE GEBRUIKEN OM EEN

SPECIAAL FORMAAT ORIGINEEL TE

KOPIËREN .................................................... 29

● EEN KOPIE VERKLEINEN OF

VERGROTEN ................................................ 29

● AUTOMATISCH DUBBELZIJDIG

KOPIËREN .................................................... 30

HANDIGE KOPIEERFUNCTIES...................... 31

● KOPIE SORTEREN ....................................... 31

● ID-KAARTKOPIE ........................................... 32

● RESOLUTIE-INSTELLINGEN........................ 33

SPECIALE FUNCTIES .................................... 34

● MEERDERE ORIGINELEN KOPIËREN OP

ÉÉN VEL PAPIER (2-IN-1 / 4-IN-1 KOPIE) ... 34

● KAARTFORMAAT ......................................... 35

● ROOD/GROEN/BLAUW AANPASSEN IN

KOPIEËN (RGB Aanpassen) ......................... 35

● DE SCHERPTE VAN EEN AFBEELDING

AANPASSEN (Scherpte) ............................... 36

● VAGE KLEUREN IN KOPIEËN WIT MAKEN

(Onderdruk BG (achtergrond)) ....................... 36

REGELMATIG GEBRUIKTE INSTELLINGEN

(PROGRAMMA'S) .............................................. 37

3

3

PRINTER

● PRINTERFUNCTIE VAN DE MACHINE.........39

AFDRUKKEN VANUIT WINDOWS ................. 40

● HET EIGENSCHAPPENVENSTER VAN DE

PRINTERDRIVER ............................................40

● BASISPROCEDURE VOOR AFDRUKKEN .......41

● AFDRUKKEN ALS DE

GEBRUIKERSAUTHENTICATIEFUNCTIE IS

INGESCHAKELD .............................................43

● DE HELP-FUNCTIE VAN DE PRINTERDRIVER

WEERGEVEN .................................................... 44

● VEELGEBRUIKTE AFDRUKINSTELLINGEN OPSLAAN.....45

● DE STANDAARDINSTELLINGEN VAN DE

PRINTERDRIVER WIJZIGEN ........................47

AFDRUKKEN VANAF EEN MACINTOSH-

COMPUTER ..................................................... 48

● BASISPROCEDURE VOOR AFDRUKKEN....48

● AFDRUKKEN ALS DE

GEBRUIKERSAUTHENTICATIEFUNCTIE IS

INGESCHAKELD .............................................51

VEELGEBRUIKTE FUNCTIES ........................ 52

● KLEURENMODUS SELECTEREN ...................52

● EEN INSTELLING VOOR DE AFDRUKMODUS

SELECTEREN .................................................54

● DUBBELZIJDIG AFDRUKKEN .........................55

● DE AFBEELDING AANPASSEN AAN HET PAPIER.......56

● MEERDERE PAGINA'S OP ÉÉN PAGINA

AFDRUKKEN ....................................................57

HANDIGE AFDRUKFUNCTIES....................... 59

● HANDIGE FUNCTIES VOOR HET MAKEN VAN

BOEKJES EN POSTERS .................................59

● FUNCTIES VOOR HET AANPASSEN VAN HET

FORMAAT EN DE STAND VAN DE AFBEELDING ... 62

● INSTELFUNCTIE VOOR KLEURENMODUS ....64

● FUNCTIES VOOR HET COMBINEREN VAN

TEKST EN AFBEELDINGEN ............................. 68

● AFDRUKFUNCTIES VOOR SPECIALE

DOELEINDEN.............................................................71

● HANDIGE PRINTERFUNCTIES .......................72

AFDRUKKEN ZONDER DE PRINTERDRIVER .. 74

● DIRECT AFDRUKKEN VAN EEN BESTAND IN EEN

USB-GEHEUGEN ........................................................75

● DIRECT AFDRUKKEN VANAF EEN COMPUTER......76

● EEN AFDRUKTAAK ANNULEREN OP DE MACHINE..... 76

● DE MACHINE INSTELLEN OP OFFLINE............... 76

BIJLAGE .......................................................... 77

● SPECIFICATIELIJST PRINTERDRIVER .................77

4

FAXFUNCTIES

DIT PRODUCT OP JUISTE WIJZE ALS FAX

GEBRUIKEN.................................................... 79

PUNTEN DIE GECONTROLEERD EN

GEPROGRAMMEERD MOETEN WORDEN NA

DE INSTALLATIE ............................................ 80

● FAXMODUS (BASISSCHERM) ..................... 81

ORIGINELEN ................................................... 82

● ORIGINELEN DIE GEFAXT KUNNEN WORDEN ...... 82

HANDIGE KIESMETHODEN (AUTOMATISCH KIEZEN)... 83

MANIEREN OM EEN FAX TE VERZENDEN .. 84

● Adrescontrole................................................. 84

FAXBERICHT VERZENDEN ........................... 85

● BASISPROCEDURE VOOR FAXBERICHTEN

VERZENDEN ...............................................................85

● VERZENDEN VIA AUTOMATISCH KIEZEN

(SNELKIEZEN EN GROEPSNUMMER KIEZEN) ..... 87

● ZOEKEN NAAR EEN GEPROGRAMMEERDE

BESTEMMING (MET DE [ADRES] TOETS) (

)) .... 87

● DUBBELZIJDIGE ORIGINELEN FAXEN....... 88

● DE RESOLUTIE SELECTEREN.................... 92

● DE BELICHTING WIJZIGEN ......................... 92

● ANNULEREN VAN FAXVERZENDING......... 93

FAXBERICHTEN ONTVANGEN ..................... 95

● FAXBERICHT ONTVANGEN......................... 95

● HANDMATIGE FAXONTVANGST................. 96

FUNCTIETOETS.............................................. 97

● FAX VASTHOUDMODE ................................ 97

● AUTOMATISCH VERZENDEN OP EEN

BEPAALDE TIJD ........................................... 98

● HETZELFDE DOCUMENT IN EEN

HANDELING NAAR MEERDERE

BESTEMMINGEN VERZENDEN................... 99

● VERZENDOPTIES....................................... 100

● POLLINGGEHEUGEN................................. 101

● NUMMERS VOOR AUTOMATISCH KIEZEN OPSLAAN,

BEWERKEN EN VERWIJDEREN (SNELKIESNUMMERS

EN GROEPSNUMMERS) ................................... 103

● PROGRAMMA'S OPSLAAN, BEWERKEN EN

VERWIJDEREN ........................................... 107

LIJSTEN MET GEPROGRAMMEERDE

INFORMATIE EN INSTELLINGEN AFDRUKKEN 109

● AFZENDERINFORMATIE TOEVOEGEN AAN UW

FAXEN (EIGEN NUMMER VERZENDEN)....... 109

● DOORSTUURFUNCTIE .............................. 110

● DE DOORSTUURFUNCTIE GEBRUIKEN ..... 111

INSTELLINGEN GEBRUIKEN DIE ALS

PROGRAMMA ZIJN OPGESLAGEN ................ 112

● EEN PROGRAMMA GEBRUIKEN............... 112

4

ONTVANGEN GEGEVENS NAAR EEN

NETWERKADRES DOORSTUREN (INSTELLING

VOOR INKOMENDE ROUTING) ....................... 113

● DE BASISINSTELLINGEN CONFIGUREREN.....113

● DE BESTEMMING INSTELLEN ...................115

EEN FAX RECHTSTREEKS VANUIT EEN

COMPUTER VERZENDEN (PC-Fax) ................ 116

EEN EXTRA TELEFOON AANSLUITEN .......... 117

● EEN EXTRA TELEFOON AANSLUITEN......117

● EEN EXTRA TELEFOON GEBRUIKEN .......118

WANNEER EEN TRANSACTIERAPPORT WORDT

AFGEDRUKT ..........................................................120

● INFORMATIE IN DE KOLOM TYPE/NOOT.....120

RAPPORT MET EEN REGELMATIG INTERVAL

(COMMUNICATIEACTIVITEITEN- RAPPORT)......121

WANNEER ER EEN ALARM AFGAAT EN EEN

WAARSCHUWINGSMELDING VERSCHIJNT .......122

● ZELFDIAGNOSEFUNCTIE...........................122

● MELDINGEN TIJDENS NORMALE

FUNCTIONERING ................................................ 122

5

SCANNERFUNCTIES

OVER DE SCANNERFUNCTIES................... 123

● HET BASISSCHERM VAN DE SCANNERMODUS......125

AFBEELDING VERZENDEN ......................... 126

● ELEMENTAIRE VERZENDPROCEDURE ....126

● BESTEMMING SELECTEREN (MET DE

[ADRES] TOETS) (

)) .................................128

● DUBBELZIJDIGE ORIGINELEN VERZENDEN....129

SCANINSTELLINGEN OPSLAAN ................ 130

● HET SCANFORMAAT INSTELLEN130

● RESOLUTIE SELECTEREN.........................130

● BESTANDSINDELING SELECTEREN.........131

● DE GRIJSTINTEN VAN DE ZWART-

WITMODUS AANPASSEN ...........................131

● DE SCANBELICHTING AANPASSEN .............132

● SCANMARGES INSCHAKELEN (LEEG

GEBIED) .......................................................132

● VAGE KLEUREN IN KOPIEËN WIT MAKEN

(ONDERDRUK BG (ACHTERGROND)).......132

● DE SCHERPTE VAN EEN AFBEELDING

AANPASSEN (SCHERPTE) .........................132

● VISITEKAARTEN SCANNEN (SCANNEN

ADRESKAART) ............................................133

● AFDRUKSTAND EN STANDAARD

PLAATSINGSRICHTING ORIGINELEN .......133

● EEN PROGRAMMA OPSLAAN EN

BEWERKEN/VERWIJDEREN ......................134

● OPGESLAGEN INSTELLINGEN GEBRUIKEN

(PROGRAMMA)............................................134

SCANNEN VANAF UW COMPUTER (PC SCAN) 135

● SCANNEN VANUIT EEN TWAIN-

COMPATIBELE TOEPASSING ....................135

USB-GEHEUGENSCAN ................................ 139

● DE FUNCTIE USB-GEHEUGENSCAN

GEBRUIKEN.................................................................139

5

6

PROBLEEMOPLOSSING

PROBLEEMOPLOSSING.............................. 141

● NETWERKPROBLEMEN............................. 143

● MACHINE- EN KOPIEERPROBLEMEN...... 143

● PRINT- EN SCANPROBLEMEN.................. 146

● FAXPROBLEMEN ....................................... 149

INDICATORS EN DISPLAYMELDINGEN ..... 151

ALS UW E-MAIL WORDT

TERUGGEZONDEN ...................................... 152

VASTGELOPEN PAPIER VERWIJDEREN .......... 153

● PAPIERSTORING IN DE

ORIGINEELINVOER.................................... 153

● PAPIERSTORING IN DE

HANDINVOERLADE.................................... 155

● PAPIERSTORING IN DE MACHINE ........... 156

● PAPIERSTORING IN PAPIERLADE 1 ........ 159

● PAPIERSTORING IN PAPIERLADE 2 ........ 159

TONERCARTRIDGE VERVANGEN.............. 160

DE TONERAFVALBAK VERVANGEN ......... 161

7

ROUTINEONDERHOUD

HET TOTALE AANTAL KOPIEËN EN DE

RESTERENDE TONER CONTROLEREN ...... 163

ROUTINEONDERHOUD................................ 163

● DE GLASPLAAT EN ORIGINEELINVOER

REINIGEN.................................................... 163

● DE SCANPLAAT REINIGEN (ALLEEN

WANNEER ER EEN ORIGINEELINVOER IS

GEÏNSTALLEERD) ...................................... 164

● DE PAPIERINVOERROL VAN DE

HANDINVOERLADE REINIGEN ................. 164

● DE ROLLEN VAN DE AUTOMATISCHE

ORIGINEELINVOER REINIGEN ................. 164

● DE TONERKANALEN VAN DE

FOTOGELEIDENDE DRUM REINIGEN...... 165

● DE LASEREENHEID REINIGEN................. 166

CONTRAST DISPLAY AFSTELLEN................ 167

8

SYSTEEMINSTELLINGEN

DOEL VAN DE SYSTEEMINSTELLINGEN.... 168

● PROGRAMMA'S DIE BETREKKING HEBBEN

OP ALLE FUNCTIES VAN DE MACHINE ....168

● WACHTWOORD VOOR DE BEHEERDER

PROGRAMMEREN ......................................168

WACHTWOORD VOOR DE BEHEERDER

PROGRAMMEREN ........................................ 169

LIJST MET SYSTEEMINSTELLINGEN .......... 170

SYSTEEMINSTELLINGEN GEBRUIKEN ....... 175

● Beheer. # Wijz...............................................176

● Standaard-instellingen ..................................176

● Netwerk.........................................................176

● Accountcontrole ............................................178

● Apparaatbeheer ............................................179

● Registratie aanpassen ..................................179

● Energie besparen..........................................180

● Lijst Afdrukken ..............................................181

● Autokleurkalib. ..............................................181

● Beveiligings-instellingen................................182

● Kopieerapparaat ...........................................182

● Printer ...........................................................183

● Faxen ............................................................183

● SCANNER ....................................................189

9

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

OVER DE WEBPAGINA’S ............................. 190

● TOEGANG TOT DE WEBPAGINA .............. 190

OVER DE WEBPAGINA’S (VOOR

GEBRUIKERS)............................................... 191

DE INSTELLINGEN PRINTERVOORWAARDEN

CONFIGUREREN ............................................ 192

● DE INSTELLINGEN CONFIGUREREN....... 192

● INSTELLINGENMENU

PRINTERVOORWAARDEN ........................ 193

● INSTELLINGEN

PRINTERVOORWAARDEN ........................ 193

DE INSTELLINGEN VAN DE

SCANNERVOORWAARDEN

CONFIGUREREN........................................... 195

● BESTEMMINGEN INSTELLEN ................... 195

● BASISINSTELLINGEN VOOR SCANNEN VIA

HET NETWERK (VOOR DE

BEHEERDER) ............................................. 201

OVER DE WEBPAGINA’S (VOOR DE

BEHEERDER) ................................................ 202

SMTP-, DNS- EN LDAP-

SERVERINSTELLINGEN CONFIGUREREN.. 203

INFORMATIE BEVEILIGEN DIE IN DE

WEBPAGINA IS GEPROGRAMMEERD

([Wachtwoorden]) ......................................... 204

BEHEERDERINSTELLINGEN ....................... 205

● EEN INSTELLING IN DE

BEHEERDERINSTELLINGEN

CONFIGUREREN ........................................ 205

● BEHEERDERINSTELLINGEN..................... 205

INSTELLINGEN E-MAILSTATUS EN E-

MAILWAARSCHUWINGEN ........................... 206

● INFORMATIE-INSTALLATIE ....................... 206

● SMTP-instelling............................................ 206

● INSTALLATIE STATUSBERICHTEN........... 207

● INSTALLATIE

WAARSCHUWINGSBERICHT .................... 207

HANDELSMERKEN ........................................ 209

6

DE HANDLEIDING GEBRUIKEN

Deze machine werd ontworpen om in een klein bemeten kantoorruimte en met een groot bedieningsgemak handige kopieerfuncties te verschaffen. Zorg dat u vertrouwd raakt met deze handleiding en de machine om volledig gebruik te kunnen maken van alle machinefuncties. Om deze handleiding als snelle referentie te gebruiken tijdens machinegebruik, raadt SHARP aan deze handleiding uit te printen en te bewaren op een eenvoudig te bereiken plaats.

OVER DE HANDLEIDINGEN

De handleidingen voor de machine zien er als volgt uit:

Startgids

Deze handleiding geeft uitleg over:

• Specificaties

• Waarschuwingen voor veilig gebruik van de machine

Bedieningsgids (op de accessoire-CD-ROM)

Deze handleiding geeft uitleg over:

Het gebruik van de machine en wat u moet doen bij problemen

Handleiding software-installatie (op de accessoire-CD-ROM)

Deze handleiding geeft uitleg over:

Het installeren van de software voor gebruik van de machine vanaf uw computer

GEBRUIKTE CONVENTIES IN DEZE HANDLEIDING

De pictogrammen in de handleidingen wijzen op de volgende soorten informatie:

Waarschuwing

Waarschuwt de gebruiker voor letsel wanneer de inhoud van de waarschuwing niet correct wordt opgevolgd.

Let op

Waarschuwt de gebruiker voor beschadigingen aan de machine of onderdelen als gevolg van het verkeerd uitvoeren van de veiligheidsmaatregelen.

Opmerking

De opmerkingen geven nuttige informatie over de specificaties, functies, prestaties, bediening e.d. van de machine.

7

VERSCHILLEN TUSSEN

MODELLEN

Deze handleiding omvat de volgende modellen.

Model Kopieersnelheid

MX-C300W

MX-C300WE

30 kpm

MX-C250F

MX-C250FE

MX-C250E

MX-C300E

25 kpm

25 kpm

30 kpm

Draadloos LAN

Ja

Nee

Faxfunctie

Ja

Nee

Origineelinvoer

Dubbelzijdig

Enkelzijdig

Enkelzijdig

Dubbelzijdig

Specificaties AB-serie (Europese maten) en inch-serie (Amerikaanse maten)

Indien van toepassing worden beide specificaties vermeld.

Bijvoorbeeld:

Pagina 4: A4 en B5 (8-1/2" x 11" en 5-1/2" x 8-1/2")

Startgids: 50%, 70%, 81%, 86%, 100%, 115%, 122%, 141%, 200% (50%, 64%, 77%, 95%, 100%, 121%, 129%,

141%, 200%)

Het bedieningspaneel in deze handleiding laat de gegevens van de AB-serie zien.

Het bedieningspaneel van machines uit de inch-serie laat echter wel de Amerikaanse maten zien.

8

1

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

Dit hoofdstuk bevat basisinformatie die u moet lezen voordat u de machine gebruikt.

ONDERDEELBENAMINGEN EN FUNCTIES

(17)

(15)

(16)

(18)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(4)

(8)

(9)

(10)

(11)

(12)

(13)

(14)

(19)

(4)

(6)

(7)

(1) Glasplaat

Plaats hier de originelen die u wilt scannen met

de kopiezijde naar beneden. (p.27)

(2) Hoofdschakelaar

Gebruik deze schakelaar om de machine aan en uit te zetten.

(3) Verlengstukken middelste papierlade

Wanneer u papier van A4-formaat of groter uitwerpt, kunt u deze naar buiten halen.

(4) Handgrepen

Worden gebruikt bij het verplaatsen van de machine. Gebruik de handgreep onderaan wanneer u lade 2 aanbrengt.

Opmerking

De hoofdeenheid is erg zwaar. Doe dit daarom met twee personen. Pak de handgrepen aan beide zijden goed vast wanneer u de hoofdeenheid optilt.

(5) Middelste papierlade

Kopieën en afdrukken komen in deze lade terecht.

(6) Lade 1

In lade 1 gaan ca.250 bladen van kopieerpapier

(80 g/m

2

). Zie "PAPIER" (p.16) voor beperkingen

over papiersoorten, -formaten en -gewichten.

(7) Lade 2 (optie)

In lade 2 gaan ca. 500 bladen kopieerpapier (80 g/m

2

(21 lbs.)). Zie "PAPIER" (p.16) voor beperkingen over

papiersoorten, -formaten en -gewichten.

(8) Bedieningspaneel

Bevat bedieningstoetsen en indicatorlampjes.

(9) USB 2.0-poort (type A)

Gebruik deze poort om een USB-apparaat, zoals

USB-geheugen, aan te sluiten op de machine.

(10) Voorklep

Open deze klep om de tonercartridge te vervangen enz.

(11) Zijklep handgreep

Opentrekken om zijklep te openen.

(12) Zijklep

Open deze geleider om vastgelopen papier te verwijderen.

(13) Papiergeleiders van de handinvoerlade

Pas de handinvoergeleiders aan de breedte van het papier aan.

(14) Handinvoerlade

Speciaal papier (zwaar papier of transparante film) kunnen in de handinvoerlade worden ingevoerd.

(15) Aansluiting voor extra telefoon

Op deze aansluiting kan een extra telefoon worden aangesloten voor gebruik van de telefoonfunctie.

(16) Aansluiting voor telefoonlijn

Bij gebruik van de faxfunctie van de machine wordt op deze aansluiting de telefoonlijn aangesloten.

(17) USB 2.0-poort (type B)

Sluit uw computer op deze poort aan als u de printerfunctie wilt gebruiken.

(18) LAN-aansluiting

Sluit de LAN-kabel aan op deze aansluiting als de machine binnen een netwerk wordt gebruikt.

9

(28)

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

(23) (24)

(25)

(26)

(27)

(21)

(29)

(30)

(22)

(20)

(19) Verlenging van de handinvoerlade

Open deze lade wanneer u papier plaatst in de handinvoerlade.

(20) Tonercartridge (Y/M/C/Bk)

Bevat de toner. Wanneer de toner in een cartridge op is, moet de cartridge met de desbetreffende kleur worden vervangen.

(21) Origineelinvoerlade

Plaats hier de originelen die u wilt scannen met de kopiezijde naar boven.

(22) Tonerafvalbak

Hierin wordt het teveel aan toner opgevangen dat achterblijft na het afdrukken.

(23) Klep van de invoerrol

Open deze klep om vastgelopen originelen te verwijderen.

(24) Origineelgeleiders

Pas deze aan het formaat van de originelen aan.

(25) Lade van de invoerrol

Openen om de originelen te plaatsen.

(26) Verlenglade

Openen wanneer u een lang origineel scant.

(27) Uitvoergedeelte

De originelen worden hier uitgevoerd na het kopiëren/scannen wanneer de origineelinvoer wordt gebruikt.

(28) Papiergeleider van de fuseereenheid

Open deze geleider om vastgelopen papier te verwijderen.

(29) Kijkgat

Gebruik het kijkgat (zie afbeelding rechts) om de positie van het origineel te controleren.

(Alleen voor modellen met enkelzijdige scanfunctie).

(32)

(33)

(31)

(30) Ontgrendelingen van de fuseereenheid

Duw deze hendels omlaag om de druk te verminderen bij het verwijderen van vastgelopen papier uit de fuseereenheid of bij het invoeren van een envelop via de handinvoerlade.

Waarschuwing

• De fuseereenheid is heet. Raak de fuseereenheid niet aan tijdens het verwijderen van vastgelopen papier. Dit kan brandwonden of letsel veroorzaken.

• Knijp de hendels eerst samen met uw duim en wijsvinger en duw ze vervolgens langzaam naar beneden. Als u te hard duwt, kunnen de hendels tegen uw vingers slaan.

(31) Draaiknop van de rollen

Draai deze knop om vastgelopen papier te verwijderen.

(32) Rechterzijklep van papierlade

Openen om vastgelopen papier uit de laden te verwijderen.

(33) Klep van duplextransport

Openen om vastgelopen papier te verwijderen.

Opmerking

Blokkeer de ventilatieopeningen van de machine nooit door er iets voor te zetten of door de machine te dicht tegen een muur te plaatsen.

10

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

BEDIENINGSPANEEL

(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8) (9) (10) (11) (12) (13)

(14)

(1) Display

Geeft verschillende meldingen weer. (p.13, 81,

125)

(2) [FAX] toets / indicator ( )

Druk hierop om de faxmodus te selecteren.

(3) [PROGRAMMA 1 / PROGRAMMA 2] toets

( )

Druk hierop om de opgeslagen

scannerinstellingen te gebruiken. (p.134)

(4) [SCANNEN] toets / indicator ( )

Druk hierop om de scanmodus te selecteren.

(5) [ZOOM] toets ( )

Druk op deze toets om de kopieerfactor voor

verkleining/vergroting te selecteren. (p.29)

(6) [KOPIE] toets / indicator ( )

Druk hierop om de kopieermodus te selecteren.

(7) [KAARTFORM. KOPIE] toets ( )

Kaartform. kopie inschakelen.

(8) Pijltjestoetsen

Druk op deze toetsen om de markering (die aangeeft dat er een item geselecteerd is) in het display te verplaatsen.

(9) [OK] toets

Druk op deze toets om de geselecteerde instelling in te voeren.

(15)(16)

(10) [BELICHTING] toets )

Met deze toets kunt u de belichtingsfunctie

selecteren. (p.28)

(11) [ENERGIE BESPAREN] toets / indicator ( )

Druk hierop om de energiebesparingsmodus te activeren.

(12) [TERUG] toets ( )

Druk op deze toets om terug te keren naar het vorige scherm.

(13) [SPECIALE FUNCTIE] toets ( )

Druk op deze toets om de speciale functies te selecteren.

(14) [C] toets

Druk hierop om het aantal ingestelde kopieën te wissen of een kopieerproces te stoppen.

(15) [ADRES] toets ( )

Voor het zoeken naar een adres, nummer of andere contactgegevens die zijn opgeslagen om

automatisch te kunnen kiezen. (p.87)

(16) [DUBBELZIJDIG] toets ( )

Selecteren om dubbelzijdig te kopiëren/faxen/scannen.

11

(17) (18) (19) (20) (21)

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

(22) (23)

(24) (25) (26) (27) (28)

(17) [COMM. INSTELLING] toets ( )

Hiermee kunt u schakelen tussen de geheugenverzendmodus en directe verzending, en tussen automatische ontvangst en handmatige

ontvangst.(p.89)

(18) [VERKORTKIES] toets ( )

Dit wordt gebruikt om snelkiesnummers te

gebruiken. (p.83)

(19) [FAXSTATUS] toets ( )

Hiermee kunt u het verzenden van een fax of

een opgeslagen fax annuleren. (p.93)

(20) [SPEAKER] toets ( )

Deze functie wordt gebruikt om te kiezen zonder de hoorn op te nemen van een extra telefoon die met

de machine verbonden is. (p.83)

(21) [OPNIEUW KIEZEN/PAUZE] toets ( )

Hiermee kunt u het laatst gekozen nummer opnieuw kiezen en een pauze inlassen bij het

invoeren van een faxnummer. (p.83, p.85)

(22) [KLEUR START] toets / indicator

Druk op deze toets om een origineel te kopiëren of te scannen in kleur.

Deze toets kan niet worden gebruikt voor een fax.

(23) [ZWART-WIT START] toets / indicator

Druk op deze toets om een origineel te kopiëren of te scannen in zwart-wit. Deze toets wordt ook gebruikt om een fax te verzenden in de faxmodus.

(24) [UITLOGGEN] toets ( )

Druk op deze toets om uit te loggen nadat u bent ingelogd en de machine hebt gebruikt. Bij gebruik van de faxfunctie kan deze toets ook worden gebruikt voor het verzenden van tonen op een lijst voor pulskiezen.

(29)

(25) Numerieke toetsen

Tekens/cijfers invoeren.

(26) [EINDE LEZEN] toets ( )

Wanneer u in sorteerfunctie van de glasplaat kopieert, drukt u op deze toets, zodra u klaar bent met scannen van de originelen en met kopiëren wilt beginnen.

(27) [CA] toets

Wist alle geselecteerde instellingen en herstelt

de standaard instellingen van de machine. (p.15)

(28) [STOP] toets ( )

Druk op deze toets om een kopieertaak of het scannen van een origineel te stoppen.

(29) Indicatoren van de faxmodus ( )

LIJN indicator ( )

Brandt wanneer een fax wordt verzonden of ontvangen.

GEGEVENS indicator ( )

Knippert wanneer een fax niet kan worden afgedrukt door een tekort aan papier of anderszins. Blijft branden wanneer er een niet-verzonden fax is.

(30) Indicatoren van de printermodus ( )

ONLINE indicator ( )

Wanneer dit lampje brandt, kunnen afdrukgegevens worden ontvangen.

GEGEVENS indicator ( )

Knippert wanneer afdrukgegevens worden ontvangen. Blijft branden tijdens het afdrukken.

Opmerking

(30)

De inhoud van het bedieningspaneel verschilt per model.

12

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

DISPLAY

Dit gedeelte geeft uitleg over het gebruik van het display.

LINKERMENU EN RECHTERMENU

Het display van de machine heeft een rechtermenu met daarin de veelgebruikte instellingen en een linkermenu waarin de instellingen en schermen van elke functie worden weergegeven.

Klaar v. kopiëren

Belichtng

Lade 1

Orig. Afm.

Papier

Uitvoer

Programma

Linkermenu

Linkermenu (voorbeeld: kopieermodus)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

Klaar v. kopiëren

Belichtng

Lade 1

(6)

(1) Mededelingweergave

Hier ziet u berichten over de status en werking van de machine.

(2) Weergave van pictogrammen voor speciale functies

Hier worden pictogrammen weergegeven van de speciale functies die worden gebruikt.

Enkelzijdig naar dubbelzijdig kopiëren

Dubbelzijdig naar dubbelzijdig kopiëren

(Alleen voor modellen met dubbelzijdige scanfunctie)

Dubbelzijdig naar enkelzijdig kopiëren

(Alleen voor modellen met dubbelzijdige scanfunctie)

Sorteerfunctie

RGB Aanpassen

Onderdruk BG

2-in-1 kopiëren

4-in-1 kopiëren

Kaart Formaat

Kaartform. kopie

Scherpte

13

Rechtermenu

(3) Weergave van het papierformaat

Hier ziet u het geselecteerde papierformaat.

(4) Weergave van de belichting

Hier ziet u de geselecteerde belichtingsmodus.

(5) Weergave van de kopieerfactor

Hier ziet u de kopieerfactor voor de verkleining of vergroting.

(6) Weergave van het formaat van het origineel

Wanneer het formaat van het origineel is opgegeven bij "Orig. Afm." in het rechtermenu, is hier het opgegeven formaat te zien.

De volgende pictogrammen worden weergegeven wanneer het origineel is geplaatst.

Geen: Glasplaat

: Automatische origineelinvoer (enkelzijdig scannen)

: Automatische origineelinvoer

(dubbelzijdig scannen)

(Alleen voor modellen met dubbelzijdige scanfunctie)

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

Rechtermenu

(7) (8)

Orig. Afm.

Papier

Uitvoer

Programma

(9)

(7) Weergave van de verbindingsstatus

(Alleen voor modellen met draadloos netwerk)

Weergegeven wanneer het draadloos netwerk aan is.

Draadloze Infrastructuur: Verbinding maken

Draadloze Infrastructuur:

Geen verbinding

Bedraad + Access Point Mode: met aangesloten handset

Bedraad + Access Point Mode: zonder aangesloten handset

Verbindingsfout van draadloze netwerkmodule in machine

(8) Weergave van het aantal kopieën

Hier ziet u het ingestelde aantal kopieën.

(9) Functieweergave

Hier ziet u de basisfuncties van elke modus.

HET DISPLAY GEBRUIKEN

Een item selecteren met de pijltoetsen (omhoog/omlaag)

Gebruik de pijltoetsen omhoog/omlaag (in deze handleiding aangegeven met [ ] [ ])om naar een item in het selectiescherm te gaan en dat item te selecteren (markeren). Druk op de [OK] toets om het scherm voor het geselecteerde item weer te geven. Druk op [OK] in het instelscherm om uw instellingen op te slaan.

Klaar v. kopiëren

Belichtng

Lade 1

Orig. Afm.

Papier

Uitvoer

Programma

De pictogrammen [ ] [ ] worden in het selectiescherm weergegeven voor instellingen waarvoor de pijl omhoog/omlaag kan worden gebruikt.

Een item selecteren met de pijltoetsen (links/rechts)

De pijlen links/rechts (in deze handleiding aangegeven met [ ] [ ]) worden gebruikt om de belichting en waarden in te stellen in de instelschermen. Druk op [OK] om uw instellingen op te slaan.

Kopieerfactor

115%

Zoom

De pictogrammen [ ] [ ] worden weergegeven in de instelschermen waarin de pijl links/rechts kan worden gebruikt.

Gebruik de [TERUG] toets ( ) om terug te keren naar het vorige instelscherm.

14

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

STROOM IN- EN UITSCHAKELEN

De hoofdschakelaar bevindt zich aan de linkerzijde van de machine.

INSCHAKELEN

Draai de hoofdschakelaar naar de "AAN" positie.

Terwijl de machine opwarmt, knippert het bericht

"Opwarmen" in de display.

UITSCHAKELEN

Verzeker u ervan dat de machine uitstaat en zet vervolgens de hoofdschakelaar op de "UIT" positie.

Wanneer de kopieermachine wordt uitgeschakeld, terwijl deze in bedrijf is, kan er een papierstoring optreden en wordt de kopieertaak die aan de gang is geannuleerd.

Opmerking

• De machine keert terug naar de begininstellingen wanneer deze voor de eerste keer wordt ingeschakeld, wanneer de [CA] toets wordt ingedrukt of wanneer er geen toetsen zijn ingedrukt voor de voorgeprogrammeerde "Auto wissen" tijd na het einde van een kopieertaak. Wanneer de machine terugkeert naar de begininstellingen, worden alle geselecteerde instellingen en functies op dat punt geannuleerd. De "Auto

wissen" tijd kan in de systeeminstellingen worden gewijzigd. (p.179)

• De machine is aanvankelijk ingesteld om automatisch naar de energiebesparende modus te gaan als de machine gedurende een voorgeprogrammeerde tijd niet wordt gebruikt voor zowel kopiëren als printen. Deze

instelling kan in de systeeminstellingen worden gewijzigd. (p.180)

• Lees de volgende gedeelten en schakel vervolgens de voeding in, voordat u de faxmodus gebruikt.

"DIT PRODUCT OP JUISTE WIJZE ALS FAX GEBRUIKEN" (p.79)

"PUNTEN DIE GECONTROLEERD EN GEPROGRAMMEERD MOETEN WORDEN NA DE INSTALLATIE"

(p.80)

ENERGIEBESPARINGSFUNCTIES

De machine is voorzien van twee energiebesparingsfuncties om de kosten te verminderen. Bovendien ontzien deze functies natuurlijke hulpbronnen en dragen ze bij aan het verminderen van de milieuvervuiling. De twee energiebesparingsfuncties zijn "Voorverwarmfunctie" en "Automatische uitschakelfunctie".

Voorverwarmfunctie

Met deze functie wordt het apparaat automatisch naar een toestand met een lager stroomverbruik geschakeld, als de in de systeeminstellingen ingestelde tijdsduur is verstreken zonder dat het apparaat is gebruikt met de stroom ingeschakeld. In de voorverwarmfunctie wordt de display uitgeschakeld. De normale werking wordt automatisch hervat zodra er een toets op het bedieningspaneel wordt ingedrukt, een origineel wordt geplaatst, of een printtaak of faxbericht wordt ontvangen.

Automatische uitschakelfunctie

Met deze functie wordt het apparaat automatisch naar een toestand gebracht die zelfs minder stroom verbruikt dan in de voorverwarmfunctie, als de in de systeeminstellingen ingestelde tijdsduur is verstreken zonder dat het apparaat is gebruikt met de stroom ingeschakeld. Tijdens de automatische uitschakelfunctie knippert alleen de [ENERGIE

BESPAREN] indicator ( ). Druk op de [ENERGIE BESPAREN] toets ( ) als u de normale werking van het apparaat wilt herstellen. Normale werking wordt tevens automatisch hervat wanneer er een printtaak of faxbericht wordt ontvangen of wanneer er vanaf een computer wordt gescand. Wanneer automatisch uitschakelen is geactiveerd, heeft het indrukken van andere toetsen dan [ENERGIE BESPAREN] ( ) geen effect.

Opmerking

De activeringstijd voor de voorverwarmfunctie en de "Automatische uitschakelfunctie" kunnen in de systeeminstellingen worden gewijzigd.

STANDAARDINSTELLINGEN

De machine is in de fabriek zo ingesteld dat alle instellingen één minuut na afloop van een kopieertaak terugkeren naar de standaardinstellingen

(auto wissen) of wanneer de [CA] toets wordt ingedrukt. Wanneer de instellingen terugkeren naar de standaardinstellingen, worden alle geselecteerde functies geannuleerd.

U kunt de tijd voor auto wissen wijzigen in de systeeminstellingen.

(p.179)

In de standaardtoestand verschijnt de display zoals hieronder weergegeven. De standaardtoestand van de display hangt af van de opgegeven systeeminstellingen.

15

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

PAPIER BIJVULLEN

De melding "LADE< >:Papier toev." wordt weergegeven wanneer er geen kopieerpapier in de geselecteerde papierlade ligt. (< > is het ladenummer.) Vul papier bij in de aangegeven papierlade.

PAPIER

Gebruik voor de beste resultaten alleen door SHARP aanbevolen papier.

Type papierlade

Lade 1

Lade 2 (optie)

Handinvoerlade

Papiertype

Normaal papier

Gerecycled papier

Kleur

Briefpapier

Voorbedrukt

Geperforeerd

Normaal papier

Gerecycled papier

Kleur

Briefpapier

Voorbedrukt

Geperforeerd

Etiketten

Transparanten

Zwaar papier

Glossy papier

Enveloppen

*2

Formaat

A4, B5, A5, 16K,

8-1/2" x 11",

5-1/2" x 8-1/2",

7-1/4" x 10-1/2"

A4, B5, A5, A6, 16K,

8-1/2" x 11",

5-1/2" x 8-1/2",

7-1/4" x 10-1/2",

8-1/2" x 14",

8-1/2" x 13-1/2",

8-1/2" x 13-2/5",

8-1/2" x 13"

55 g/m

Gewicht

60 g/m

2

tot 105 g/m

2

(16 lbs. tot 28 lbs.)

2

tot 105 g/m

(13 lbs. tot 28 lbs.)

106 g/m

220 g/m

2

2

tot

(28 lbs. tot 80 lbs.)

2

Capaciteit

250 vel

500 vel

50 vel

1 vel

10 vel

20 vel

1 vel

10 vel

*1

Aangepast

International DL

(110 mm x 220 mm)

International C5

(162 mm x 229 mm)

Monarch

(98 mm x 191 mm)

Commercial 10

(105 mm x 241 mm)

Horizontaal:140 tot 356 mm

(5-1/2" tot 14")

Verticaal: 90 tot 216 mm

(3-5/8" tot

8-1/2")

*1 Het aantal vellen papier dat kan worden ingesteld, wisselt met het gewicht van een vel papier. Het papier mag niet boven de hoogte-indicator komen.

*2 Wanneer u een envelop wilt invoeren, moet u de ontgrendelingen van de fuseereenheid omlaag duwen om de

druk te verminderen. "De handinvoerlade plaatsen" (p.20)

NORMAAL PAPIER, SPECIALE MEDIA

Normaal papier dat kan worden gebruikt

• Standaardpapier van SHARP (80 g/m

2

(21 lbs.)). Raadpleeg de specificaties in de Starthandleiding voor papierspecificaties.

• Ander normaal papier dan SHARP-standaardpapier (60 g/m

2

tot 105 g/m

2

(16 lbs. tot 28 lbs.))

Gerecycled papier, gekleurd papier en geperforeerd papier moeten aan dezelfde specificaties voldoen als normaal papier. Neem contact op met uw dealer of de dichtstbijzijnde erkende servicevertegenwoordiger als u advies wilt over het gebruik van deze soorten papier.

* De eenheden "g/m

2

" (lbs.) in deze uitleg geven het papiergewicht aan.

16

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

AFDRUKZIJDE NAAR BOVEN OF NAAR BENEDEN

Papier wordt geladen met de afdrukzijde naar boven of naar beneden afhankelijk van het papiertype en de lade.

De stand waarin geperforeerd papier, briefpapier en voorbedrukt papier wordt geladen, is anders dan die van ander papier.

Zie "Voorbeeld: plaatsingsstand van geperforeerd papier, briefpapier en voorbedrukt papier" (p.17) voor meer informatie.

Laden 1 tot 2

Plaats het papier met de afdrukzijde naar boven.

Als het papiertype echter "Geperforeerd", "Briefpapier" of "Voorbedrukt" is, laad het papier dan met de afdrukzijde naar beneden.

Handinvoerlade

Plaats het papier met de afdrukzijde naar beneden.

Als het papiertype echter "Geperforeerd", "Briefpapier" of "Voorbedrukt" is, laad het papier dan met de afdrukzijde naar boven.

Voorbeeld: plaatsingsstand van geperforeerd papier, briefpapier en voorbedrukt papier

Origineelinvoerlade Glasplaat

Lade 1 tot 2

Voorgeperforeerd (links inbinden)

Briefpapier Voorbedrukt

A

ABC

A A

-1-

Laad de te bedrukken kant van het papier naar onderen met de perforatiegaten naar voren en de bovenrand rechts.

Laad de te bedrukken kant van het papier naar onderen met het briefhoofd (bovenrand) rechts.

Laad de te bedrukken

(voorbedrukte) kant van het papier naar onderen met de bovenrand rechts.

Handinvoerlade

A

ABC

A

-1-

Laad de te bedrukken kant van het papier naar boven met de perforatiegaten naar voren en de bovenrand links.

Laad de te bedrukken kant van het papier naar boven met het briefhoofd (bovenrand) links.

Laad de te bedrukken

(voorbedrukte) kant van het papier naar boven met de bovenrand links.

17

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

Papier dat u niet kunt gebruiken

• Speciale media voor inkjetprinters (fijn papier, glanspapier, glansfilm enz.)

• Carbonpapier of thermisch papier

• Geplakt papier

• Papier met clips

• Papier met vouwen

• Gescheurd papier

• Geoliede transparanten

• Dun papier van minder dan 55 g/m

2

(13 lbs.)

• Papier van 220 g/m

2

(80 lbs. index) of meer

Niet-aanbevolen papier

• Strijkpapier

• Japans papier

• Papier met onregelmatige afmetingen

• Geniet papier

• Vochtig papier

• Opgekruld papier

• Papier waarvan ofwel de afdrukzijde ofwel de achterzijde door een ander(e) printer of multifunctioneel apparaat is bedrukt.

• Papier met golfpatronen als gevolg van vochtabsorptie

• Geperforeerd papier

Opmerking

• Diverse typen normaal papier en speciale media zijn verkrijgbaar. Sommige typen zijn met de machine niet te gebruiken. Neem contact op met uw dealer of de dichtstbijzijnde erkende servicevertegenwoordiger als u advies wilt over het gebruik van deze soorten papier.

• De beeldkwaliteit en geschiktheid voor fusing van het papier wisselt mogelijk naargelang de omgeving, bedrijfssituatie en papiereigenschappen. De afbeeldingkwaliteit is dan minder dan u zou verkrijgen op

SHARP-standaardpapier. Neem contact op met uw dealer of de dichtstbijzijnde erkende servicevertegenwoordiger als u advies wilt over het gebruik van deze soorten papier.

• Wanneer u niet-aanbevolen of niet-bruikbaar papier gebruikt, kan dit leiden tot scheve invoer, papierstoringen en slechte fusing van de toner (de toner hecht niet goed aan het papier en geeft af), of storingen van de machine.

• Wanneer u niet-aanbevolen papier gebruikt, kan dit leiden tot papierstoringen of een slechte beeldkwaliteit.

Voordat u niet-aanbevolen papier gebruikt, controleert u of u hiermee goed kunt afdrukken.

Papier dat kan worden gebruikt voor automatisch dubbelzijdig afdrukken

Papier dat wordt gebruikt voor automatisch dubbelzijdig afdrukken moet aan de volgende voorwaarden voldoen.

Papiertype: Normaal papier (speciaal papier kan niet worden gebruikt).

Papierformaat: Standaardformaten (A4, B5, A5, 16K, 8-1/2" x 14", 8-1/2" x 13", 8-1/2" x 11")

Papiergewicht: 60 g/m

2

tot 105 g/m

2

(16 lbs. tot 28 lbs.)

Speciaal papier

Volg de hieronder beschreven maatregelen bij het gebruik van speciaal papier.

• Gebruik door SHARP goedgekeurde transparante film en etiketvellen. Gebruik van papier dat niet door SHARP is goedgekeurd, kan leiden tot papierstoringen of vlekken op de kopieën. Als er andere media worden gebruikt dan door SHARP aanbevolen, moet elk veld afzonderlijk worden ingevoerd met behulp van de handinvoerlade (vermijd continu kopiëren of afdrukken).

• Er zijn veel verschillende soorten papier op de markt en niet elke papiersoort kan in deze machine worden gebruikt. Neem contact op met uw service leverancier voordat u speciaal papier gaat gebruiken.

• Maak eerst een testkopie met het speciale papier om te controleren of dit geschikt is voordat u papier dat niet is goedgekeurd door SHARP gaat gebruiken.

18

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

PAPIER BIJVULLEN

Zorg ervoor dat de machine niet kopieert of afdrukt en voer vervolgens de volgende stappen uit om het papier bij te vullen.

Papier in de papierlade plaatsen

1

Til de bovenste papierlade voorzichtig omhoog en trek de papierlade er zover mogelijk uit.

2

Duw de drukplaat naar beneden en stem de geleiders in de lade af op de lengte en breedte van het papier.

(2)

(1)

(1) Duw de drukplaat in het midden naar beneden totdat deze vastklikt.

(2) Plaat A en B zijn schuifgeleiders. Pak de vergrendelknop op de geleider en verschuif de geleiders zodat u het papier goed kunt laden.

(2)

(2)

Plaat B

Plaat A

3

Plaats het papier in de lade.

Streep op geleider

• Open het pak papier en plaats het zonder het papier los te waaieren.

• Zorg ervoor dat de stapel papier recht is voordat het wordt geplaatst.

• Nadat u het papier hebt geladen, stemt u de geleiders af op de papierbreedte. Goed laten aansluiten.

Uitsteeksel

Invoerrol

Opmerking

• Maak de stapel niet hoger dan de streep op de geleider (tot 250 vellen).

• Voeg geen papier toe aan het geplaatste papier. Hierdoor kan de papiertoevoer vastlopen.

• Het geladen papier mag niet boven het uitsteeksel van plaat A komen.

4

Duw de papierlade voorzichtig in de machine.

Druk de lade volledig terug in de machine.

Opmerking

• Als u een ander formaat papier laadt dan voorafgaand in de lade werd

geladen, ga dan naar "PAPIERFORMAATINSTELLING VAN EEN

LADE WIJZIGEN" (p.22).

• Wanneer zich een papierstoring voordoet, draai het papier 180 graden en laad opnieuw.

• Strijk gekreukeld papier glad voordat het wordt gebruikt.

19

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

De handinvoerlade plaatsen

Wanneer u een envelop wilt invoeren, moet u de ontgrendelingen van de fuseereenheid omlaag duwen (2 plaatsen) om de druk te verminderen.

Daarna volgt u de onderstaande stappen.

1

Ontvouw de handinvoerlade.

Open het verlengstuk van de handinvoerlade.

2

Duw de drukplaat in het midden naar beneden totdat deze vastklikt.

3

Pas de papiergeleiders aan de breedte van het kopieerpapier aan.

4

Plaats het papier (afdrukzijde beneden) helemaal in de handinvoerlade.

Controleer, om papierstoringen te voorkomen, nogmaals of de papiergeleiders aan de breedte van het papier zijn aangepast.

Waarschuwing

Nadat u een envelop hebt ingevoerd, moet u de ontgrendelingen van de fusereenheid weer omhoog duwen

(2 plaatsen) naar de oorspronkelijke stand.

Opmerking

Als u papier in de handinvoerlade hebt geplaatst, drukt u op de [SPECIALE FUNCTIE] toets

( )

en selecteert u "Papierformaat" om de handinvoerlade te selecteren.

20

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

Belangrijke richtlijnen m.b.t. het plaatsen van papier in de handinvoerlade

• U kunt tot 50 vellen standaard kopieerpapier in de handinvoerlade plaatsen.

• Zorg ervoor dat u de papierformaten A6, en B6 of enveloppen horizontaal plaatst zoals afgebeeld in onderstaand diagram. (Bij het gebruik van de printer: Hetzelfde als de richting voor A4-formaat papier, enz.)

Beschikbaar

Niet beschikbaar

• Zorg er bij het plaatsen van enveloppen voor dat deze glad en vlak zijn en, afgezien van de sluitklep, geen losse lijmdelen bevatten.

• Speciaal papier, met uitzondering van door SHARP goedgekeurde transparante film, etiketten en enveloppen moeten één vel per keer in de handinvoerlade worden geplaatst.

• Wanneer u papier wilt toevoegen, haal dan eerst het reeds geplaatste papier uit de handinvoerlade, voeg dit aan de nieuwe stapel toe en plaats de nieuwe stapel in zijn geheel weer in de handinvoerlade. Het papier dat wordt toegevoegd moet van hetzelfde formaat zijn.

• Gebruik door SHARP aanbevolen transparanten.

• Gebruik geen papierformaat dat kleiner is dan het origineel. Dit kan leiden tot vlekken of onduidelijke afbeeldingen.

• Gebruik geen papier dat is bedrukt door een laserprinter of faxapparaat. Dit kan leiden tot vlekken of onduidelijke afbeeldingen.

Belangrijke wenken voor het laden van enveloppen

Enveloppen die u niet kunt gebruiken

Gebruik de volgende enveloppen niet. Enveloppen lopen vast met vegen en vlekken als resultaat.

• Enveloppen met metalen plaatjes, plastic haken of • Enveloppen met een verkeerd uitgelijnde plaknaad linten

• Enveloppen met een sluitkoord aan de achterzijde kunnen niet worden gebruikt, aangezien deze kunnen kreuken.

• Enveloppen met vensters of schutlaag

• Enveloppen met een oneffen voorzijde als gevolg van bosselering

• Dubbellaags enveloppen

• Enveloppen met een kleefstrook

• Handgemaakte enveloppen

• Bubbeltjesenveloppen

• Enveloppen met kreuken of vouwen, gescheurde of beschadigde enveloppen

Kan worden gebruikt

Kan niet worden gebruikt

Afdrukkwaliteit op enveloppen

• De afdrukkwaliteit is niet gegarandeerd in het gebied van 10 mm (13/32") rond de randen van de envelop.

• De afdrukkwaliteit is niet gegarandeerd op delen van enveloppen met een stapsgewijs verloop in dikte, zoals op vierlaagse delen of delen met minder dan drie lagen.

• De afdrukkwaliteit is niet gegarandeerd op enveloppen met sluitstrips.

21

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

Transparanten plaatsen

• Gebruik door SHARP aanbevolen transparanten.

• Raak de afdrukzijde van een transparant niet aan.

• Vergeet bij het laden van meerdere transparanten in de handinvoerlade niet om de vellen enkele malen te doorbladeren.

• Verwijder bij het afdrukken op transparanten elk vel zodra dit uit de machine komt. Als de vellen in de uitvoerlade worden opgestapeld kunnen deze omkrullen.

PAPIERLADE-INSTELLINGEN

Deze programma's worden gebruikt om de instelling voor het papierformaat in een lade en de automatische papierlade-omschakeling te wijzigen.

PAPIERFORMAATINSTELLING VAN EEN LADE WIJZIGEN

Als het formaat van het geladen papier verschilt van het formaat in het display, volg dan de stappen hieronder om de papierformaatinstellingen van de lade te wijzigen.

De papierformaatinstelling kan niet worden gewijzigd tijdens het kopiëren of afdrukken, of het afdrukken van faxen

(als de faxoptie geïnstalleerd is), of wanneer er een papierstoring is opgetreden. Als er geen papier of toner meer aanwezig is, kan de papierformaatinstelling echter veranderd worden tijdens kopiëren, afdrukken en fax afdrukken.

Zie

"PAPIER" (p.16)

voor informatie over de specificaties voor de papiertypen en papierformaten die in de papierladen

kunnen worden geladen.

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ) en druk vervolgens op [ ] of [ ] om "Ingest Pap Form" te selecteren.

Druk op [ ] of [ ] om de papierlade te selecteren waarvan u het papierformaat wilt wijzigen. Druk op [ ] om het papierformaat te selecteren.

Druk op [OK].

Opmerking

: Betekent lade "1".

: Betekent lade "2".

: Betekent de handinvoerlade.

Zie "PAPIER" (p.16) voor de papierladen en ladenummers.

LADE AUTOMATISCH OMSCHAKELEN DEACTIVEREN (Activeren)

Wanneer "lade automatisch omschakelen" geactiveerd is en het papier opraakt tijdens kopiëren of afdrukken, wordt de opdracht voortgezet met papier uit een andere lade als deze lade hetzelfde formaat en type bevat. (Deze functie werkt niet als de handinvoerlade gebruikt wordt of er een faxbericht afgedrukt wordt.)

Deze functie is standaard geactiveerd. Als u de functie wilt deactiveren, volgt u de stappen hieronder.

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ), selecteer "Papierformaat" en druk herhaaldelijk op de [ ] toets totdat "Lade automatisch omschakelen" verschijnt.

Om de automatische lade-omschakeling opnieuw in te schakelen drukt u op

[OK]. Er moet een vinkje worden weergegeven.

22

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

PAPIERTYPE VAN EEN LADE WIJZIGEN

Volg de onderstaande stappen om het ingestelde papiertype voor een lade te wijzigen.

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ), selecteer "Papiertype", selecteer de lade met [ ] of [ ] en druk op

[OK]. Selecteer het gewenste papiertype en druk op [OK].

Zie

"PAPIER" (p.16)

voor informatie over de specificaties voor de papiertypen en papierformaten die in de papierladen

kunnen worden geladen.

GEBRUIKERSAUTHENTICATIEMODUS

Wanneer Gebruikersauthenticatie ingeschakeld is, wordt bijgehouden hoeveel pagina's door elke account worden afgedrukt. De aantallen pagina's kunnen op het display worden weergegeven. Gebruikers die faxen kunnen verzenden (tot 30) kunnen worden vastgesteld, en de verzendtijd en andere informatie kan worden opgespoord voor

iedere account. De ACC. Gebr. Lijst (p.181) kan worden afgedrukt, waarbij de door elke account gebruikte

verzendtijd en verzonden pagina's worden weergegeven.

Deze functie wordt ingeschakeld in de systeeminstellingen. ("Gebruikers Registratie" (p.178))

Er kunnen 30 items worden opgeslagen.

GEBRUIKERSAUTHENTICATIEMODUS GEBRUIKEN

Wanneer Gebruikersauthenticatie wordt ingeschakeld, wordt het scherm voor invoer van het accountnummer weergegeven. Voer uw accountnummer (identificatienummer van vijf cijfers) in, zoals hierna uitgelegd, voordat u kopieert, faxt of scant.

1

Voer uw accountnummer (5 cijfers) met de cijfertoetsen in.

Wanneer u uw accountnummer invoert, veranderen de liggende streepjes (-) in sterretjes ( ). Druk op de [C] toets als u een ongeldig nummer hebt ingevoerd en voer vervolgens het juiste nummer in.

2

Druk op de [UITLOGGEN] toets

( )

wanneer de kopieertaak is voltooid.

Opmerking

• Wanneer een geldig accountnummer wordt ingevoerd, verschijnt het huidige aantal van de account in het display van het basisscherm. Na 6 seconden

(standaardinstelling) verschijnt het basisscherm. (p.15)

* In de kopieermodus wordt ook het aantal resterende vellen

totdat de limiet is bereikt weergegeven als "Functie Limiet

Instelling" (p.178) is ingeschakeld in de systeeminstellingen.

• Als u voor de kopieermodus een gebruikersnummer invoert dat ook is geprogrammeerd voor de faxmodus, kunt u na voltooiing van de kopieertaak omschakelen naar de faxmodus en doorgaan met de faxtaak zonder dat u het gebruikersnummer opnieuw hoeft in te voeren. Als u voor de kopieermodus een gebruikersnummer invoert dat niet is geprogrammeerd voor de faxmodus, moet u uw gebruikersnummer voor de faxmodus invoeren nadat u op de [FAX] toets

( )

hebt gedrukt.

• Als er een ongeldig accountnummer wordt ingevoerd in stap 1, verschijnt het scherm accountnummerinvoer opnieuw.

• Wanneer "Waarschuw als inlog misl." (p.178) in de systeeminstellingen is ingeschakeld, wordt een

waarschuwingsbericht weergegeven en wordt de bediening gedurende 1 minuut niet toegestaan als driemaal achtereen een ongeldig accountnummer wordt ingevoerd.

23

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

TEKENS INVOEREN

Dit gedeelte geeft uitleg over het invoeren en bewerken van tekens voor namen van snelkiestoetsen, snelkiesnummers en groepsnummers, maar ook voor accountnamen, programmanamen en zoektekens voor de adreslijst.

LETTERS DIE KUNNEN WORDEN INGEVOERD

Letters die voor namen kunnen worden ingevoerd

De onderstaande letters kunnen worden ingevoerd:

• U kunt voor een naam maximaal 36 letters invoeren.

Voor een accountnaam of afzendernaam kunt u echter maximaal 18 letters invoeren.

• Hoofdletters, kleine letters, cijfers, speciale tekens en symbolen.

Letters die als zoekletters kunnen worden gebruikt

De onderstaande letters kunnen worden gebruikt:

• U kunt voor zoekletters maximaal 10 letters invoeren.

• Hoofdletters, kleine letters, cijfers, speciale letters.

Opmerking

• Zoekletters zijn gewoonlijk de eerste 10 letters van een naam die voor een bestemming ingevoerd is.

• Zoekletters worden gebruikt wanneer er automatische kiestoetsen en -nummers opgeslagen en gebruikt worden.

• Wanneer een bestemmingsnaam een teken bevat, kan dit niet als zoekletter opgeslagen worden.

• Zoekletters kunnen worden bewerkt.

24

VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN

Tekens worden ingevoerd door te drukken op de cijfertoetsen op het bedieningspaneel. Hieronder wordt weergegeven welke letters u invoert met elke cijfertoets.

Tekens die u kunt invoeren

Toet s

Tekens die voor namen kunnen worden ingevoerd

1 1 spatie -

Tekens die als zoekletters kunnen worden gebruikt

1 spatie -

2 A B C 2 a b c A B C 2 a b c

3 D E F 3 d e f

4 G H I 4 g h i

5 J K L 5 j k l

6 M N O 6 m n o

7 P Q R S 7 p q r s

D E F 3 d e f

G H I 4 g h i

J K L 5 j k l

M N O 6 m n o

P Q R S 7 p q r s

8 T U V 8 t u v

9 W X Y Z 9 w x y z

*}{][?>=;:,+)('&%$"!/[email protected]#

0 0

Hiermee voert u speciale tekens in.

T U V 8 t u v

W X Y Z 9 w x y z

0

Hiermee voert u speciale tekens in.

Opmerking

Als u twee tekens achter elkaar wilt invoeren die op dezelfde toets staan, druk dan op de [ ] toets om de cursor te verplaatsen nadat u het eerste teken hebt ingevoerd.

Voorbeeld:Invoer van "ab" (bij rechtstreekse invoer van een e-mailadres)

Druk eenmaal op de [2] toets, druk eenmaal op de [ ] toets om de cursor te verplaatsen en druk vervolgens tweemaal op de [2] toets.

25

2

KOPIEERFUNCTIES

Dit hoofdstuk geeft uitleg over het gebruik van de kopieerfuncties.

NORMAAL KOPIËREN

Dit gedeelte geeft uitleg over het maken van een gewone kopie.

Als "Gebruikersauthenticatie" is ingeschakeld (p.178), voer dan uw accountnummer van vijf cijfers in.

1

Zorg ervoor dat op het bedieningspaneel het kopieerscherm te zien is.

Als de machine niet in de kopieermodus staat, druk dan op de

[KOPIE] toets ( ).

2

Plaats het origineel op de glasplaat of in de automatische origineelinvoer.

Zie "Plaats het origineel op de glasplaat." (p.27)" of "Plaats het origineel in de automatische origineelinvoer."

(p.27) voor het plaatsen van het origineel.

Zie "FORMAAT ORIGINEEL SELECTEREN" (p.29) voor het bepalen van het formaat van het origineel.

3

Geef de kopieerinstellingen op voor elke functie.

Zie "KOPIE DONKERDER OF LICHTER MAKEN" (p.28) tot pagina "VAGE KLEUREN IN KOPIEËN WIT

MAKEN (Onderdruk BG (achtergrond))" (p.36) voor de functies en instellingen.

4

Stel het aantal kopieën in met de cijfertoetsen.

5

Druk op de [KLEUR START] toets als u een kleurenkopie wilt maken. Druk op de

[ZWART-WIT START] toets als u een zwart-witkopie wilt maken.

• Ongeveer één minuut nadat het kopiëren is afgelopen, wordt "Auto wissen" (p.179) geactiveerd en springen

de kopieerinstellingen terug op de standaardinstellingen. De instellingen voor "Auto wissen" kunnen in de systeeminstellingen worden gewijzigd.

• Tijdens het selecteren van kopieerinstellingen kunt u op de [CA] toets drukken als u de instellingen wilt annuleren.

• Druk op de [STOP] toets ( ) als u halverwege een taak wilt stoppen met kopiëren. Als u het moeilijk vindt om het origineel uit de origineelinvoerlade te halen, open dan eerst de klep van de invoerrol voordat u het origineel verwijdert. Als u het origineel naar buiten trekt zonder de klep van de invoerrol te openen, kan het origineel vies worden.

26

KOPIEERFUNCTIES

HET ORIGINEEL PLAATSEN

Plaats het origineel op de glasplaat.

Open de origineelinvoer en plaats het origineel op de glasplaat met de kopiezijde naar beneden.

A5 (5-1/2" x 8-1/2")

B5

A4 (8-1/2" x 11")

Alleen voor modellen met enkelzijdige scanfunctie

Plaats de originelen met de voorzijde naar boven in de origineelinvoerlade.

Kijkgat

Gebruik het kijkgat (zie afbeelding rechts) om de positie van het origineel te controleren.

In het kijkgat bevindt zich een teken voor de bovenrand van het origineel: . Leg de bovenrand van het origineel gelijk met het teken.

Leg de linkerbovenhoek van het origineel gelijk met de punt van het teken .

* Originelen met afmetingen tot A4 (8-1/2" x 11") kunnen op de glasplaat worden geplaatst.

Het kopiëren van boeken of originelen met vouwen of kreukels

Druk tijdens het kopiëren op de origineelinvoer zoals op de afbeelding. Wanneer de origineelinvoer niet volledig gesloten is, kunnen er schaduwen ontstaan op de kopie of kan de afdruk vaag zijn.

Strijk originelen met vouwen of kreukels goed glad voordat u deze plaatst.

Originelen die kunnen worden aangevoerd via de origineelinvoer

Originelen van het formaat A5 tot A4 (5-1/2" x 8-1/2" tot 8-1/2" x 14") en een gewicht van 50 g/m

2

tot 105 g/m

2

(15 lbs. tot 24 lbs.) kunnen worden gebruikt. U kunt maximaal 50 pagina's tegelijk plaatsen.

• Alleen voor modellen met dubbelzijdige scanfunctie

U kunt maximaal 50 pagina's tegelijk plaatsen.

• Alleen voor modellen met enkelzijdige scanfunctie

U kunt maximaal 35 pagina's tegelijk plaatsen.

Opmerking

• Sluit de automatische origineelinvoer voorzichtig. Hardhandig sluiten van de automatische origineelinvoer kan tot beschadiging leiden.

• Zorg ervoor dat u uw vingers niet klemt bij het sluiten van de automatische origineelinvoer.

• Druk niet hard op de automatisch origineelinvoer. Dat kan storingen veroorzaken.

Opmerking

• Zorg ervoor dat het origineel geen paperclips of nietjes heeft.

• Maak gekrulde originelen recht voordat u ze in de origineelinvoerlade plaatst.

Gekrulde originelen kunnen een papierstoring veroorzaken.

• Wanneer u een dik origineel met meerdere vellen plaatst en het origineel wordt niet ingevoerd, plaats dan minder originelen.

Plaats het origineel in de automatische origineelinvoer.

Open de verlenglade van de uitvoeropening voor originelen en open de origineelinvoerlade.

Originelen die niet kunnen worden aangevoerd via de origineelinvoer

De onderstaande originelen kunnen niet worden gebruikt. Dit kan leiden tot papierstoringen, vlekken of onduidelijke afbeeldingen.

• Transparanten, overtrekpapier, ander transparant of doorschijnend papier en foto's.

• Carbonpapier of thermisch papier.

• Originelen die zijn gekreukt, gevouwen of gescheurd.

• Gelijmde originelen, uitgesneden originelen.

• Originelen met ringbandgaten anders dan 2, 3 of 4 gaten of 4 gaten breed.

• Originelen die zijn afgedrukt met een inktlint (thermal transfer print), originelen op thermisch afdrukpapier.

Origineelgeleiders

Stel de origineelgeleiders af op de breedte van het

(de) origine(e)l(en).

Leg het (de) origine(e)l(en) met de bedrukte zijde naar boven in de lade van de invoerrol.

27

KOPIEERFUNCTIES

• Geef het formaat van het origineel op nadat u het origineel hebt geplaatst. (p.29)

• Plaats geen originelen van verschillende formaten tegelijk in de origineelinvoerlade.

Dat kan papierstoringen veroorzaken.

• De volgende pictogrammen worden weergegeven wanneer het origineel is geplaatst.

Geen: Glasplaat

: Automatische origineelinvoer (enkelzijdig scannen)

: Automatische origineelinvoer (dubbelzijdig scannen)(Alleen voor modellen met dubbelzijdige scanfunctie)

KOPIE DONKERDER OF LICHTER MAKEN

Druk op de [Belichtng] toets ( ) op het bedieningspaneel om het belichtingsscherm weer te geven.

De belichting van de kopie kan naar wens worden aangepast.

Er zijn drie belichtingsmodi: "Tekst", "Tkst/AfdrFoto" en "Foto".

Afhankelijk van de instellingen, gebruikt u "Auto" of een van de vijf beveiligingsniveaus.

Selecteer het type origineel met de [ ][ ] toetsen, pas zo nodig de belichting aan met de [ ][ ] toetsen en druk vervolgens op de [OK] toets.

LADE SELECTEREN

Wanneer u het papier in de handinvoerlade wilt gebruiken of wanneer lade 2 is geïnstalleerd en u wilt de gebruikte lade aanpassen, selecteer dan "Papier" in het rechtermenu van het basisscherm van de kopieermodus en druk op de [OK] toets.

De lade wijzigt telkens wanneer u drukt op [OK].

AANTAL KOPIEËN INSTELLEN

Druk op de cijfertoetsen om het aantal kopieën in te stellen.

Het ingestelde aantal kopieën verschijnt in het display. U kunt maximaal 999 kopieën (fabrieksinstelling) instellen.

• Druk op de [C] (wis) toets wanneer u het verkeerde nummer hebt ingevoerd en voer vervolgens het juiste nummer in.

• U kunt de limiet voor het aantal kopieën wijzigen in de systeeminstellingen. (p.183)

28

KOPIEERFUNCTIES

FORMAAT ORIGINEEL SELECTEREN

Wanneer u het formaat van het origineel wilt wijzigen, selecteer dan "Orig. Afm." in het rechtermenu en druk op de

[OK] toets.

Selecteer AB of inch met de [ ][ ] toetsen en selecteer het formaat met de [ ][ ] toetsen.

Druk op [OK]. U keert terug naar het basisscherm voor het kopiëren.

DE HANDINVOERLADE GEBRUIKEN OM EEN

SPECIAAL FORMAAT ORIGINEEL TE KOPIËREN

Selecteer "Orig. Afm." in het rechtermenu van het basisscherm van de kopieermodus en druk op de [OK] toets.

Selecteer "Invoer formaat" in het scherm voor het selecteren van het origineelformaat en druk op de [OK] toets om het scherm voor het invoeren van het formaat (mm) weer te geven.

Selecteer "X" (breedte) met de [ ] of [ ] toets en voer de breedte in met de [ ] of [ ] toets. Doe vervolgens hetzelfde voor de lengte (Y) en druk op [OK].

EEN KOPIE VERKLEINEN OF VERGROTEN

Plaats het origineel en druk op de [ZOOM] toets ( van de zoomfactor weer te geven.

) op het bedieningspaneel om het scherm voor het selecteren

Een factor van 25% tot 400% opgeven: Gebruik de voorgeconfigureerde factoren/zoom.

(Wanneer u de origineelinvoer gebruikt, is de zoomfactor bij het kopiëren tussen 25% en 200%.)

Selecteer de factor met de [ ][ ] toetsen. U kunt dit in stappen van 1% bijregelen met de [ ][ ] toetsen.

Druk op [OK] om de factor in te voeren.

29

KOPIEERFUNCTIES

AUTOMATISCH DUBBELZIJDIG KOPIËREN

Twee op de glasplaat geplaatste originelen kunnen aan iedere zijde van een enkel vel papier worden gekopieerd.

Bovendien kan een origineelinvoer (voor modellen met dubbelzijdige scanfunctie) worden gebruikt om twee originelen op één blad papier te kopiëren, om één dubbelzijdig origineel op twee bladen papier te kopiëren of om

één dubbelzijdig origineel op elke zijde van één blad papier te kopiëren. Deze functie is handig om kopieën te maken ter identificatie en om papier te sparen.

Origineel

Papier

Enkelzijdig origineel

Twee zijden

Bruikbaar papier

Glasplaat

A4, B5, A5

(8-1/2" x 11", 5-1/2" x 8-1/2")

Enkelzijdig origineel

Twee zijden

Origineelinvoer

(modellen met enkelzijdige scanfunctie)

Origineelinvoer

(modellen met dubbelzijdige scanfunctie)

Eenzijdig origineel

Twee zijden

Dubbelzijdig origineel

Twee zijden

Dubbelzijdig

→ origineel

Eén zijde

A4, B5, A5

(8-1/2" x 14", 8-1/2" x 13-1/2",

8-1/2" x 13-2/5", 8-1/2" x 13",

8-1/2" x 11", 5-1/2" x 8-1/2")

Als u het scherm voor dubbelzijdig kopiëren wilt weergeven, drukt u op de [DUBBELZIJDIG] toets ( ) op het bedieningspaneel terwijl het basisscherm van de kopieermodus wordt weergegeven.

Er gelden restricties voor het papier dat kan worden gebruikt voor het automatisch dubbelzijdig kopiëren. Zie

"Papier dat kan worden gebruikt voor automatisch dubbelzijdig afdrukken" (p.18).

Selecteer "1 op 2", "2 op 2" of "2 op 1" met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

Wanneer u een origineel op de glasplaat scant, druk dan op de [START] toets nadat de voorzijde is gescand, draai het origineel om op het glas en druk op de [KLEUR START] toets of [ZWART-WIT START] toets. Het dubbelzijdig kopiëren begint.

Als u de afdrukstand van de kopie op de voor- en achterzijde van het papier wilt wijzigen, zet u "Inbin. wijzig." op

"AAN" met de [ ][ ] toetsen.

staand origineel

Normaal automatisch dubbelzijdig kopiëren

Als de afdrukstand wordt gewijzigd bij het dubbelzijdig kopiëren

2

1

2

Afdrukstand van het geplaatste origineel

De onder- en bovenzijde van de beelden aan de voor- en achterzijde zijn omgekeerd.

De onder- en bovenzijde van de beelden aan de voor- en achterzijde zijn hetzelfde.

30

KOPIEERFUNCTIES

HANDIGE KOPIEERFUNCTIES

Deze sectie geeft uitleg over handige kopieerfuncties.

KOPIE SORTEREN

● Kopieën van meerdere originele pagina’s kunnen in sets worden gesorteerd. (Sorteren)

● Kopieën van meerdere originele pagina’s kunnen op pagina worden gegroepeerd. (Niet sorteren)

Sorteren Niet sorteren

Wanneer de glasplaat wordt gebruikt, wordt automatisch "Niet sorteren" geselecteerd. Wanneer de automatische origineelinvoer wordt gebruikt, wordt automatisch "Sorteren" geselecteerd.

Als u de sorteerinstelling handmatig wilt wijzigen, selecteer dan "Sorteren" in het rechtermenu van het basisscherm van de kopieermodus en druk op de [OK] toets.

Selecteer "Niet sorteren" of "Sorteren" met de [ ] [ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

Opmerking

• Als het geheugen vol raakt tijdens het scannen van de originelen, wordt dit gemeld op het display ("Geheugen vol").

Om de originelen te kopiëren die tot dat moment zijn gescand, drukt u op [KLEUR START] of [ZWART-WIT

START]. Druk op de [CA] toets als u de kopieertaak wilt annuleren.

• De automatische selectie voor de sorteerfunctie van de automatische origineelinvoer kan worden gewijzigd in

"SELECT AUTO SORT" in de systeeminstellingen (p.183).

31

KOPIEERFUNCTIES

ID-KAARTKOPIE

Met deze functie kunt u de voor- en achterzijde van een ID-kaart kopiëren op één pagina.

U kunt de lay-out van de kopie instellen met "ID Card Setting" in de SYSTEEMINSTELLINGEN (p.180).

Origineel Kopieën

Voor

Achter

• Horiz. Instellen

• Vert. Instellen

Horiz. Instellen Vert. Instellen

Hiermee kopieert u in horizontale richting (vaste positie), ongeacht papierformaat.

Hiermee kopieert u in verticale richting (vaste positie), ongeacht papierformaat.

Druk op de [KAARTFORM. KOPIE] toets ( ) op het bedieningspaneel.

Plaats de ID-kaart op het teken voor ID-kaarten op de glasplaat en druk op de [KLEUR START] toets of de

[ZWART-WIT START] toets.

Draai de ID-kaart om en druk op [KLEUR START] of [ZWART-WIT START].

Opmerking

• De functie voor het kopiëren van ID-kaarten kan niet worden gebruikt samen met dubbelzijdig kopiëren,

2in1/4in1 kopiëren, sorteren en kaartformaten.

• De papierformaten die geschikt zijn voor Kaartform. kopie zijn de standaardformaten.

• In de modus ID-kaartkopie kunnen scangedeelte en scanaantal (1 pagina) niet worden gewijzigd. Het scangebied is:

X: 86 + 5 mm (1/4") (marge), Y: 54 + 5 mm (1/4") (marge).

• Automatische ladewisseling is ongeldig in de modus ID-kaartkopie.

Selecteer papier en lade handmatig.

32

KOPIEERFUNCTIES

RESOLUTIE-INSTELLINGEN

U kunt de resolutie voor het scannen van een origineel op de glasplaat of in de automatische origineelinvoer wijzigen en kiezen voor een hoge kwaliteit of hoge snelheid, afhankelijk van uw specifieke wensen.

Wanneer het basisscherm van de kopieermodus wordt weergegeven, drukt u op de [SPECIALE FUNCTIE] toets

(

), waarna u "Resolutie" selecteert met de [ ][ ] toetsen en vervolgens op de [OK] toets drukt om het resolutiescherm weer te geven.

1

Selecteer "Glasplaat" of "Documenteninvoer" met de [ ] [ ] toetsen en druk op de

[OK] toets.

2

Selecteer "Z/W" of "KLEUR" met de [ ] [ ] toetsen, selecteer "600 x 400dpi", "600 x

600dpi" (Glasplaat) of "600 x 300dpi", "600 x 600dpi" (Documenteninvoer) met de [ ]

[ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

33

KOPIEERFUNCTIES

SPECIALE FUNCTIES

Als u het menu met speciale functies wilt weergeven, drukt u op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ) terwijl het basisscherm voor het kopiëren wordt weergegeven en drukt u op de [ ][ ] toetsen om "SPECIALE FUNCTIE" te selecteren.

MEERDERE ORIGINELEN KOPIËREN OP ÉÉN VEL

PAPIER

(2-IN-1 / 4-IN-1 KOPIE)

Meerdere originelen kunnen worden gekopieerd op een enkelzijdige kopie volgens een vooraf geselecteerde lay-out.

Deze functie is handig wanneer u meerdere pagina's op een compact formaat wilt presenteren of alle pagina's in een document wilt bekijken of presenteren.

4-IN-1 KOPIE

2-IN-1 KOPIE

Patroon 1

Patroon 2

Patroon 1 Patroon 2 Patroon 3 Patroon 4

Selecteer "2in1/4in1" met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets. Selecteer in het scherm voor 2in1 / 4in1 de optie "2-in-1" of "4-in-1" met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

Selecteer de lay-out met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets. Zie hierboven voor de lay-outs waaruit u kunt kiezen.

Opmerking

2in1 / 4in1 kopie kan niet worden gebruikt in combinatie met de volgende functies. De eerst geselecteerde functie heeft prioriteit.

Kaart kopie, Kaartform. kopie

• Voor 2in1 / 4in1 kopie kunnen geen speciale papierformaten worden gebruikt.

• Er wordt automatisch een geschikte kopieerfactor geselecteerd op basis van het origineel- en papierformaat en het geselecteerde aantal beelden. Wanneer u de glasplaat gebruikt, is een verkleining tot 25% mogelijk.

Sommige combinaties van origineelformaat, papierformaat en aantal afbeeldingen kunnen leiden tot het afbreken van afbeeldingen.

34

KOPIEERFUNCTIES

KAARTFORMAAT

Met deze functie kunt u de voor- en achterzijden van de kaart naast elkaar op een enkel vel papier afdrukken.

Deze functie creëert 2 in 1 beelden van de voor- en achterkant van de kaart en centreert deze op het papier.

Origineel Kopie Origineel Kopie

Voorzijde kaart

CARD

Voorzijde kaart

CARD

Achterzijde kaart

Achterzijde kaart

Selecteer Kaart Formaat met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

Geef het kaartformaat op in het scherm daarvoor.

Selecteer horizontaal (X) of verticaal (Y) met de [ ][ ] toetsen, geef de afmetingen op met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets. Doe dit ook voor de andere maat.

Opmerking

• De horizontale en verticale maat kan worden ingesteld op een waarde van 25 tot 210 mm.

• Papier kan niet vanuit de handinvoer worden ingevoerd.

• De kaartformaatfunctie kan niet worden gebruikt in combinatie met de 2 in 1 / 4 in 1 kopie en

Kaartform. kopie.

• De standaardinstelling voor de horizontale en verticale maat in dit scherm kan worden ingesteld

"Kaartformaat Stnd." (p.182) in de systeeminstellingen.

ROOD/GROEN/BLAUW AANPASSEN IN KOPIEËN (RGB

Aanpassen)

Deze functie versterkt of verzwakt een van de drie kleurcomponenten rood (R), groen (G) of blauw (B).

Selecteer "RGB Aanpassen" met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

Selecteer "R (rood)", "G (groen)" of "B (blauw)" met de [ ][ ] toetsen, pas de kleurtint aan met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

35

KOPIEERFUNCTIES

DE SCHERPTE VAN EEN AFBEELDING AANPASSEN

(Scherpte)

Hiermee maakt u een afbeelding scherper of zachter.

Selecteer "Scherpte" met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

Selecteer "Afbreken", "Onscherp" of "Scherp" met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

VAGE KLEUREN IN KOPIEËN WIT MAKEN

(Onderdruk BG (achtergrond))

Met deze functie worden lichte achtergronden onderdrukt.

Selecteer "Onderdruk BG" met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

: Alleen lichte achtergronden worden onderdrukt.

: Lichte tot donkere achtergronden worden onderdrukt.

Selecteer een van de drie beschikbare niveaus met de [ ] [ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

Opmerking

Wanneer Onderdruk BG is geselecteerd, wordt de belichtingsinstelling voor de kopie niet toegepast.

"KOPIE DONKERDER OF LICHTER MAKEN" (p.28)

36

KOPIEERFUNCTIES

REGELMATIG GEBRUIKTE

INSTELLINGEN (PROGRAMMA'S)

Een groep kopieerinstellingen kan samen worden opgeslagen als programma. Een opgeslagen programma kan daarna gemakkelijk worden opgeroepen.

EEN PROGRAMMA OPSLAAN

De volgende kopieerinstellingen kunnen worden opgeslagen:

Duplex, Zoom, Belichting, Resolutie, Orig. form. inv., Papierformaat, Sorteren, 2in1/4in1, Kaart Formaat, RGB

Aanpassen, Scherpte, Onderdruk BG

Wanneer het basisscherm van de kopieermodus wordt weergegeven, drukt u op de [SPECIALE FUNCTIE] toets

( ), waarna u "Registr. Progr." selecteert met de [ ][ ] toetsen en op de [OK] toets drukt. Het scherm voor het registreren van een programma verschijnt.

Selecteer "Enter" als u een nieuw programma wilt opslaan. Selecteer "Veranderen" als u een opgeslagen programma wilt aanpassen. Selecteer "Wissen" als u een opgeslagen programma wilt verwijderen. Druk op [OK].

EEN PROGRAMMA OPSLAAN/WIJZIGEN

1

Selecteer het nummer van het programma dat u wilt opslaan of wijzigen met de

[ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

"No stored" wordt weergegeven op locaties waar geen programma is opgeslagen. "Programma 1 - 3" wordt weergegeven op locaties waar al een programma is opgeslagen.

2

Selecteer met de [ ][ ] toetsen een instelling die u wilt opslaan in een programma. Kies uit de lijst met instellingen die kunnen worden opgeslagen en druk op de [OK] toets.

3

Zie "RESOLUTIE-INSTELLINGEN" (p.33) tot "VAGE KLEUREN IN KOPIEËN WIT

MAKEN (Onderdruk BG (achtergrond))" (p.36) voor informatie over de instellingen.

Voor elke instelling die u hebt geselecteerd wordt een vinkje weergegeven. Wanneer u klaar bent met het selecteren van instellingen drukt u op de [KLEUR START] of [ZWART-WIT START] toets.

Opmerking

• Er kunnen maximaal drie programma's worden opgeslagen.

• Sommige combinaties van instellingen zijn niet mogelijk.

(Bijvoorbeeld 2in1/4in1 en Kaart Formaat)

37

KOPIEERFUNCTIES

EEN PROGRAMMA VERWIJDEREN

1

Selecteer het nummer van het programma dat u wilt verwijderen met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

2

Selecteer "Verwijderen" met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

De locatie van het geselecteerde programma verandert in "No stored".

EEN PROGRAMMA GEBRUIKEN

Selecteer "Programma" in het rechtermenu van het basisscherm van de kopieermodus en druk op de [OK] toets.

Selecteer het nummer van het programma dat u wilt gebruiken met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

De instellingen van het geselecteerde programma worden toegepast op de kopieertaak.

38

3

PRINTER

PRINTERFUNCTIE VAN DE

MACHINE

De machine is standaard uitgerust met een full-colour printerfunctie. Om te kunnen afdrukken vanuit uw computer moet een printerdriver zijn geïnstalleerd.

Stel met behulp van de onderstaande tabel vast welke printerdriver bij uw omgeving past.

Omgeving Type printerdriver

Windows

Windows /

Macintosh

PCL6

Het apparaat ondersteunt de printerbesturingstaal Hewlett-Packard PCL6.

PS

Deze printerdriver ondersteunt de paginabeschrijvingstaal PostScript 3 die is ontwikkeld door Adobe

Systems Incorporated zodat de machine als een met PostScript 3 compatibele printer kan worden gebruikt.

(Voor gebruikers die de standaard Windows PS-printerdriver willen gebruiken, is een PPD-bestand beschikbaar.)

De printerdriver installeren in een Windows-omgeving

Zie de Handleiding software-installatie om de printerdriver en configuratie-instellingen te installeren in een

Windows-omgeving.

Opmerking

Voor de uitleg over afdrukken in Windows-omgevingen in deze handleiding zijn voornamelijk de schermen van de PCL6-printerdriver gebruikt. De schermen van de printerdriver kunnen iets verschillen naargelang de printerdriver die u gebruikt.

De printerdriver installeren in een Macintosh-omgeving

Zie de Handleiding software-installatie om de printerdriver en configuratie-instellingen te installeren in een

Macintosh-omgeving.

39

AFDRUKKEN VANUIT WINDOWS

HET EIGENSCHAPPENVENSTER VAN DE

PRINTERDRIVER

PRINTER

(1) (2)

(1) Selecteer de printerdriver van de machine.

• Als de printerdrivers worden weergegeven als pictogrammen, klik dan op het pictogram van de gewenste printerdriver.

• Als de printerdrivers worden weergegeven in een lijst, selecteer dan de naam van de gewenste printerdriver uit de lijst.

(2) Klik op de knop [Voorkeursinstellingen].

Opmerking

De knop die wordt gebruikt om het instelvenster van de printerdriver te openen (meestal [Eigenschappen] of

[Voorkeursinstellingen]) kan variëren naargelang de gebruikte software.

40

PRINTER

BASISPROCEDURE VOOR AFDRUKKEN

In het volgende voorbeeld wordt uitgelegd hoe u een document kunt afdrukken vanuit "WordPad", een standaardonderdeel van Windows.

1

Selecteer [Afdrukken] in het menu

[Bestand] van WordPad.

2

Open het instelvenster van de printerdriver.

(1) Klik op het tabblad [Papier].

(2) Selecteer het papierformaat.

Als u instellingen op andere tabbladen wilt wijzigen, klikt u op het gewenste tabblad en kiest u vervolgens de instellingen.

(3) Klik op de knop [OK].

3

Selecteer de afdrukinstellingen.

(1)

(2)

Opmerking

• Zorg dat het papierformaat gelijk is aan het ingestelde papierformaat in de softwareapplicatie.

• Er kunnen negen aangepaste papierformaten worden opgeslagen. Door aangepaste papierformaten op te slaan kunt u dat formaat eenvoudiger opgeven als u het nodig hebt.

Sla een paperformaat op door [Extra papier] of een van de opties [Gebruiker 1] tot [Gebruiker 7] of [Lang papier] uit het vervolgmenu te selecteren en op de knop

[Extra] te klikken.

4

Klik op de knop [Afdrukken].

Het afdrukken begint.

(3)

HET PAPIER SELECTEREN

In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u de instelling "Papierkeuze" configureert op het tabblad [Papier] van het instelvenster van de printerdriver.

Controleer voordat u gaat afdrukken het papiertype en -formaat en de aanwezige hoeveelheid papier in de laden van het apparaat. Als u de meest actuele informatie over de laden wilt bekijken, klikt u op de knop [Ladestatus].

• Als [Automatische keuze] is geselecteerd in "Papierinvoerbron"

Het apparaat selecteert automatisch de lade die papier bevat van het onder

"Papierformaat" en "Papiertype" op het tabblad [Papier] gespecificeerde formaat en type.

• Als een andere optie dan [Automatische keuze] is geselecteerd in "Papierinvoerbron"

De opgegeven lade wordt gebruikt om af te drukken, ongeacht de instelling van "Papierformaat".

• Als [Handinvoer] is geselecteerd

"Papiertype" moet ook geselecteerd zijn. Controleer de handinvoer en zorg dat het gewenste soort papier is geladen. Selecteer vervolgens de juiste instelling voor "Papiertype".

Opmerking

Ook speciale media zoals enveloppen kunt u in de handinvoer plaatsen. Zie "De handinvoerlade plaatsen" (p.20)

voor de procedure van het laden van papier en andere media in de handinvoerlade.

• Als [Automatische keuze] is geselecteerd in "Papiertype"

Er wordt automatisch een lade geselecteerd met normaal papier van het formaat dat is opgegeven bij

"Papierformaat".

• Als een andere optie dan [Automatische keuze] is geselecteerd in "Papiertype"

Voor het afdrukken wordt een lade gebruikt met de opgegeven soort papier van het opgegeven formaat bij

"Papierformaat".

41

PRINTER

AFDRUKKEN OP ENVELOPPEN

Met de handinvoerlade kunt u op speciale media zoals enveloppen afdrukken. De procedure voor het afdrukken op een envelop vanuit het eigenschappenscherm van de printerdriver wordt hieronder beschreven.

Zie "PAPIER" (p.16) in "VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN" voor de soorten papier die in de handinvoerlade kunnen worden gebruikt. Zie "De handinvoerlade plaatsen" (p.20) in "VOORDAT U DE MACHINE

GAAT GEBRUIKEN" voor de procedure van het laden van papier in de handinvoerlade.

Selecteer het envelopformaat (zoals DL-envelop) bij de betreffende instellingen van de applicatie (in de meeste applicaties "Pagina-instellingen") en voer dan de volgende stappen uit.

(1) (2)

(1) Klik op het tabblad [Papier].

(2) Selecteer het envelopformaat uit het menu

"Papierformaat".

De papierlade en het papiertype worden automatisch geselecteerd.

Opmerking

• We raden aan om eerst een testpagina af te drukken om het afdrukresultaat te controleren voordat u een envelop gebruikt.

• Bij media die alleen in een bepaalde stand kunnen worden geplaatst zoals een envelop, kunt u het beeld

desnoods 180 graden draaien. Zie "HET AFDRUKBEELD 180 GRADEN DRAAIEN (180 graden draaien)"

voor meer informatie.

• Wanneer u een envelop wilt invoeren, moet u de ontgrendelingen van de fuseereenheid omlaag duwen om

de druk te verminderen (zie p.10).

42

PRINTER

AFDRUKKEN ALS DE

GEBRUIKERSAUTHENTICATIEFUNCTIE IS INGESCHAKELD

Als de functie gebruikersauthenticatie is ingeschakeld in de systeeminstellingen van het apparaat (beheerder), moet u uw gebruikersinformatie (loginnaam, wachtwoord etc.) invoeren in het eigenschappenvenster van de printerdriver voordat u kunt afdrukken. De in te voeren informatie varieert naargelang de gebruikte authenticatiemethode, dus neem contact op met de beheerder van het apparaat voordat u gaat afdrukken.

1

Open het eigenschappenvenster voor de printerdriver vanuit het afdrukvenster van de softwaretoepassing.

2

Voer uw accountnummer in.

(1) (2)

(3) Voer zo nodig de gebruikersnaam en taaknaam in.

• Gebruikersnaam

Klik op het vakje [Gebruikersnaam] en voer uw gebruikersnaam in (maximaal 32 tekens).

De door u ingevoerde gebruikersnaam verschijnt bovenaan het bedieningspaneel. Als u geen gebruikersnaam invoert, wordt de aanmeldnaam van uw computer weergegeven.

• Naam taak

Klik op het vakje [Naam taak] en voer een taaknaam in (maximaal 80 tekens). De door u ingevoerde taaknaam verschijnt bovenaan het bedieningspaneel als bestandnaam.

Als u geen taaknaam invoert, wordt de ingestelde bestandnaam uit de softwareapplicatie weergegeven.

(4) Klik op de knop [OK].

Opmerking

Als u wilt dat een bevestigingsvenster wordt weergegeven voordat het afdrukken start, schakelt u het selectievakje

[Contr.opd.regeling] in zodat er een vinkje

in verschijnt.

3

Begin met afdrukken.

(4) (3)

(1) Klik op het tabblad [Taakverwerking].

(2) Voer uw accountnummer in.

Als de authenticatie plaatsvindt op gebruikersnummer.

Klik op het vakje [Gebruikersnummer] en voer een gebruikersnummer in

(5 cijfers).

Opmerking

Wanneer [Gebruikersauthenticatie] is ingeschakeld bij [Afdrukbeleid] op het tabblad [Configuratie], is het niet mogelijk om het gebruikersnummer in te voeren.

Voer de gebruikersgegevens in het dialoogvenster in bij het afdrukken.

Opmerking

• De functie gebruikersauthenticatie van de machine kan niet worden gebruikt wanneer het PPD-bestand* is geïnstalleerd en de standaard

PS-printerdriver van Windows wordt gebruikt. Om die reden is afdrukken niet mogelijk wanneer afdrukken door ongeldige gebruikers is geblokkeerd in de systeeminstellingen (beheerder).

• Het PPD-bestand stelt de machine in staat om af te drukken door middel van de standaard PS-printerdriver van het besturingssysteem.

Systeeminstelling (Beheerder): Afdr uitsch bij ong gebr.

“Afdr uitsch bij ong gebr.” kan worden ingeschakeld in de systeeminstellingen

(beheerder) van de machine om te voorkomen dat gebruikers van wie geen gebruikersinformatie in de machine is opgeslagen kunnen afdrukken. Als deze optie is ingeschakeld, is afdrukken niet mogelijk wanneer geen of onjuiste gebruikersinformatie wordt ingevoerd.

43

PRINTER

DE HELP-FUNCTIE VAN DE PRINTERDRIVER

WEERGEVEN

Wanneer u de instellingen voor de printerdriver configureert, kunt u de Help-functie weergeven voor uitleg over de verschillende opties.

1

Open het eigenschappenvenster voor de printerdriver vanuit het afdrukvenster van de softwaretoepassing.

2

Klik op de knop [Help].

Het hulpscherm wordt geopend om u de uitleg van de instellingen op het tabblad te laten zien.

Om de Help-functie voor instellingen in een dialoogvenster te zien, klikt u op de onderstreepte tekst bovenaan in het

Help-venster.

Pop-up Help

De Help kan voor een instelling worden weergegeven door op de instelling te klikken en op de toets [F1] te drukken.

* Als u de Help voor een instelling in Windows XP/Server 2003 wilt weergeven, klikt u op de knop in de rechterbovenhoek van het eigenschappenvenster van de printerdriver en klikt u vervolgens op de instelling.

Informatiepictogram

Er gelden bepaalde beperkingen voor de combinaties van instellingen die kunnen worden geselecteerd in het instelvenster voor de printerdriver. Als er een beperking geldt op een geselecteerde instelling, dan verschijnt er een informatiepictogram ( ) naast de instelling.

Klik op het pictogram voor uitleg over de beperking.

44

PRINTER

VEELGEBRUIKTE AFDRUKINSTELLINGEN OPSLAAN

De instellingen die bij het afdrukken worden geconfigureerd op de tabbladen, kunnen worden opgeslagen als gebruikersinstellingen. Regelmatig opslaan van veelgebruikte instellingen of ingewikkelde kleureninstellingen onder een toegewezen naam vereenvoudigt de configuratie van dergelijke instellingen wanneer u ze weer nodig hebt.

INSTELLINGEN OPSLAAN TIJDENS HET AFDRUKKEN

U kunt instellingen opslaan vanaf elk tabblad van het instelvenster van de printerdriver. De op elk tabblad geselecteerde instellingen worden voor het opslaan in een lijst geplaatst, zodat u deze kunt controleren.

1

Open het eigenschappenvenster voor de printerdriver vanuit het afdrukvenster van de softwaretoepassing.

2

Sla de afdrukinstellingen op.

3

Controleer de instellingen en sla deze op.

(1) (2)

(1) (2)

(1) Configureer de afdrukinstellingen op elk tabblad.

(2) Klik op de knop [Opslaan].

(3)

(1) Controleer de weergegeven instellingen.

(2) Voer een naam voor de instellingen in

(maximaal 20 tekens).

(3) Klik op de knop [OK].

4

Klik op de knop [OK].

5

Begin met afdrukken.

Opmerking

• Er kunnen maximaal 30 sets gebruikersinstellingen worden opgeslagen.

• De volgende zaken kunnen niet in de gebruikersinstellingen worden opgeslagen.

• Een watermerk dat u hebt gemaakt

• Instellingen voor het invoegen van papier

• Overlaybestand

• Het gebruikersnummer, de gebruikersnaam en de naam van de taak zoals ingevoerd op het tabblad

[Taakverwerking]

45

PRINTER

OPGESLAGEN INSTELLINGEN GEBRUIKEN

1

Open het eigenschappenvenster voor de printerdriver vanuit het afdrukvenster van de softwaretoepassing.

2

Selecteer de afdrukinstellingen.

(1) Selecteer de gebruikersinstellingen die u wilt gebruiken.

(2) Klik op de knop [OK].

(1) (2)

3

Begin met afdrukken.

Opgeslagen instellingen verwijderen

Selecteer de gebruikersinstellingen die u wilt verwijderen in (1) van stap 2 hierboven en klik op de knop [Wissen].

46

PRINTER

DE STANDAARDINSTELLINGEN VAN DE

PRINTERDRIVER WIJZIGEN

U kunt de standaardinstellingen van de printerdriver wijzigen volgens de onderstaande procedure. De hier geselecteerde instellingen worden opgeslagen en als standaardinstellingen gebruikt wanneer met het apparaat wordt afgedrukt vanuit een softwaretoepassing. (Instellingen die u in het instelvenster van de printerdriver hebt geselecteerd bij het afdrukken vanuit een softwaretoepassing blijven geldig zolang de toepassing wordt gebruikt.)

1

Klik op de knop [Start] ( ) en selecteer [Configuratiescherm] en dan

[Apparaten en printers weergeven].

• Klik in Windows XP/Server 2003 op de knop

[Start] en klik dan op [Printers en faxapparaten].

• Klik in Windows 8/Server 2012 met de rechtermuisknop in het startscherm (of veeg naar boven vanaf de onderrand van het scherm) en klik op de taakbalk op [Alle apps] -

[Configuratiescherm] - [Apparaten en printers weergeven] - [Printer].

3

Klik op de knop

[Voorkeursinstellingen] op het tabblad

[Algemeen].

Opmerking

Als in Windows XP [Printers en faxapparaten] niet in het menu [start] wordt weergegeven, selecteer dan

[Configuratiescherm], selecteer [Printers en andere hardware] en vervolgens [Printers en faxapparaten].

2

Open het instelvenster voor de machine.

(1)

4

Configureer de instellingen en klik op

[OK].

(2)

(1) Klik op het pictogram van de printerdriver van de machine.

(2) Selecteer [Eigenschappen van printer].

Opmerking

Klik in Windows XP/Server 2003 op het menu [Bestand].

Zie voor meer informatie over de instellingen de Help van de printerdriver.

47

PRINTER

AFDRUKKEN VANAF EEN

MACINTOSH-COMPUTER

BASISPROCEDURE VOOR AFDRUKKEN

In het onderstaande voorbeeld wordt uitgelegd hoe u een document kunt afdrukken vanuit "TextEdit", een standaardonderdeel van Mac OS X.

Opmerking

U kunt de machine alleen als printer gebruiken voor een Macintosh als de machine op een netwerk is aangesloten.

Zie de Handleiding software-installatie om het PPD-bestand te installeren en de instellingen van de printerdriver te configureren.

PAPIERINSTELLINGEN SELECTEREN

Selecteer de papierinstellingen in de printerdriver alvorens de afdrukopdracht te selecteren.

1

Selecteer [Pagina-instelling] in het menu [Archief] van TextEdit.

2

Selecteer de papierinstellingen.

(1)

AFDRUKKEN

1

Selecteer [Druk af] in het menu

[Archief] van TextEdit.

(2)

(3)

(1) Controleer of de juiste printer is geselecteerd.

(2) Selecteer de papierinstellingen.

U kunt het formaat en de richting van het papier en vergroten/verkleinen selecteren.

(3) Klik op de knop [OK].

2

Controleer of de juiste printer is geselecteerd.

Opmerking

Het menu om af te drukken varieert mogelijk naargelang de softwareapplicatie.

48

Opmerking

De machinenaam die verschijnt in het menu

"Printer" is normaal gesproken [MX-xxxx].

("xxxx" is een reeks tekens die varieert naargelang het model van de machine.)

3

Selecteer de afdrukinstellingen.

4

Klik op de knop [Druk af].

PRINTER

Klik op naast [Aantal en pagina's] en selecteer de instellingen die u wilt configureren in het vervolgmenu. Het bijbehorende instellingenscherm verschijnt.

Als de instellingen niet verschijnen in Mac OS X

10.5, 10.6 en 10.7, klik dan op " " naast de printernaam.

Het afdrukken begint.

HET PAPIER SELECTEREN

In dit gedeelte wordt het instellen van [Papierinvoer] in het venster met afdrukinstellingen uitgelegd.

• Als [Automatische keuze] is geselecteerd

Een lade met normaal of gerecycled papier (standaard fabrieksinstelling is alleen normaal papier) van het formaat dat is opgegeven in "Papierformaat" in het pagina-instelvenster, wordt automatisch geselecteerd.

• Als een papierlade is geselecteerd

De opgegeven lade wordt gebruikt om af te drukken, ongeacht de instellingen voor "Papierformaat".

Ook kunt u een papiertype opgeven voor de handinvoer. Zorg ervoor dat de instellingen voor het papiertype voor de handinvoer correct zijn en dat het type papier zich inderdaad in de handinvoer bevindt. Selecteer vervolgens de juiste handinvoer (papiertype).

Opmerking

• Ook speciale media zoals enveloppen kunt u in de handinvoer plaatsen. Zie

"De handinvoerlade plaatsen"

(p.20)

in "VOORDAT U DE MACHINE GAAT GEBRUIKEN" voor de procedure van het laden van papier en

andere media in de handinvoerlade.

• Wanneer "Papierformaat herkenning handinvoer inschakelen" (uitgeschakeld in fabrieksstandaard) of

"Papiersoort herkenning handinvoer inschakelen" (ingeschakeld in fabrieksstandaard) is ingeschakeld in de systeeminstellingen (beheerder), wordt niet afgedrukt als het papierformaat en de papiersoort die zijn opgegeven in de printerdriver anders zijn dan het papierformaat of de papiersoort die zijn opgegeven in de instellingen van de handinvoer.

• Als een papiertype is geselecteerd

Voor het afdrukken wordt een lade gebruikt met de in het pagina-instelvenster opgegeven soort papier van het formaat dat is opgegeven bij "Papierformaat".

49

PRINTER

AFDRUKKEN OP ENVELOPPEN

Met de handinvoerlade kunt u op speciale media zoals enveloppen afdrukken. De procedure voor het afdrukken op een envelop vanuit het eigenschappenscherm van de printerdriver wordt hieronder beschreven.

Zie "PAPIER" (p.16) voor de soorten papier die in de handinvoerlade kunnen worden gebruikt. Zie "De handinvoerlade plaatsen" (p.20) voor de procedure van het laden van papier in de handinvoerlade.

Selecteer het envelopformaat (zoals DL-envelop) bij de betreffende instellingen van de applicatie (in de meeste applicaties "Pagina-instellingen") en voer dan de volgende stappen uit.

1

Selecteer het papierformaat.

Selecteer het envelopformaat uit het menu "Papierformaat" van het scherm met pagina-instellingen.

Opmerking

Bij media die alleen in een bepaalde stand kunnen worden geplaatst zoals een envelop, kunt u het beeld

desnoods 180 graden draaien. Zie "HET AFDRUKBEELD 180 GRADEN DRAAIEN (180 graden draaien)" (p.62)

voor meer informatie.

2

Selecteer de handinvoer.

(1)

(2)

(1) Selecteer [Papierinvoer] op het afdrukscherm.

(2) Selecteer [Handinvoer (Envelop)] uit het menu "Alle pagina's uit".

Stel het papiertype van de handinvoer in op [Envelop] bij “Setup papiertype” van de machine en zorg ervoor dat de handinvoerlade een envelop bevat.

Opmerking

We raden aan om eerst een testpagina af te drukken om het afdrukresultaat te controleren voordat u een envelop gebruikt.

50

PRINTER

AFDRUKKEN ALS DE

GEBRUIKERSAUTHENTICATIEFUNCTIE IS

INGESCHAKELD

Als de functie gebruikersauthenticatie is ingeschakeld in de systeeminstellingen (beheerder) van de machine moet u uw gebruikersnaam invoeren voordat u kunt afdrukken.

1

Selecteer [Druk af] in het menu

[Archief] van de toepassing.

3

Begin met afdrukken.

Opmerking

Het menu om af te drukken varieert mogelijk naargelang de softwareapplicatie.

2

Open het taakverwerkingsvenster.

(1)

(2)

(1) Controleer of de printernaam van de machine is geselecteerd.

(2) Selecteer [Taakverwerking] en klik dan op het tabblad [Verificatie] in het scherm dat verschijnt.

Selecteer [Taakverwerking] in Mac OS X 10.4.

Opmerking

De machinenaam die verschijnt in het menu

"Printer" is normaal gesproken [MX-xxxx].

("xxxx" is een reeks tekens die varieert naargelang het model van de machine.)

(1) (2) (3)

(1) Voer uw gebruikersinformatie in.

Als de authenticatie plaatsvindt op gebruikersnummer

Voer uw gebruikersnummer (5 cijfers) in bij

"Gebruikersnummer".

(2) Voer zo nodig de gebruikersnaam en taaknaam in.

• Gebruikersnaam

Voer uw gebruikersnaam in (maximaal 32 tekens). De door u ingevoerde gebruikersnaam verschijnt bovenaan het bedieningspaneel. Als u geen gebruikersnaam invoert, wordt de aanmeldnaam van uw computer weergegeven.

• Naam taak

Voer een taaknaam in (maximaal 30 tekens).

De door u ingevoerde taaknaam verschijnt bovenaan het bedieningspaneel als bestandnaam. Als u geen taaknaam invoert, wordt de ingestelde bestandnaam uit de softwareapplicatie weergegeven.

(3) Klik op de knop [Druk af].

Opmerking

U kunt klikken op de (vergrendel)knop na het invoeren van uw loginnaam en wachtwoord, zodat u de volgende keer minder handelingen hoeft uit te voeren om op basis van dezelfde gebruikersauthenticatie te kunnen afdrukken.

Opmerking

"Afdr uitsch bij ong gebr." kan worden ingeschakeld in de systeeminstellingen (beheerder) van de machine om te voorkomen dat gebruikers van wie geen gebruikersinformatie in de machine is opgeslagen kunnen afdrukken.

51

PRINTER

VEELGEBRUIKTE FUNCTIES

.

In dit gedeelte worden veelgebruikte functies uitgelegd.

• "KLEURENMODUS SELECTEREN" (p.52)

• "DUBBELZIJDIG AFDRUKKEN" (p.55)

• "DE AFBEELDING AANPASSEN AAN HET

PAPIER" (p.56)

• "MEERDERE PAGINA'S OP ÉÉN PAGINA

AFDRUKKEN" (p.57)

Deze uitleg veronderstelt dat het papierformaat en andere basisinstellingen al zijn geselecteerd. Zie het volgende gedeelte voor de basisprocedure voor het afdrukken en de stappen voor het openen van het instelvenster van de printerdriver:

• Windows: "BASISPROCEDURE VOOR AFDRUKKEN" (p.41)

• Macintosh: "BASISPROCEDURE VOOR AFDRUKKEN" (p.48)

Raadpleeg voor Windows de Help van de printerdriver voor informatie over de printerdriver-instellingen voor elke afdrukfunctie.

KLEURENMODUS SELECTEREN

In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u de Kleurfunctie selecteert in het instelvenster van de printerdriver. U kunt kiezen uit drie mogelijkheden voor de Kleurfunctie.

Automatisch:

Kleur:

Zwart/wit:

De machine bepaalt automatisch of de pagina kleur of zwart-wit is en drukt de pagina navenant af. Pagina's met andere kleuren dan met zwart en wit, worden afgedrukt met toner in de kleuren

Y (geel), M (magenta), C (cyaan) en Bk (zwart). Pagina's met alleen zwart-wit worden afgedrukt met uitsluitend Bk (zwart). Dit is handig wanneer u een document afdrukt met zowel kleuren- als zwart-witpagina's. De afdruksnelheid is echter lager.

Alle pagina's worden in kleur afgedrukt. Zowel kleur als zwart-wit wordt afgedrukt met toner in de kleuren Y (geel), M (magenta), C (cyaan) en Bk (zwart).

Alle pagina's worden afgedrukt in zwart-wit. Kleurengegevens, zoals afbeeldingen of materiaal voor een presentatie, worden uitsluitend met zwarte toner afgedrukt. Deze functie bespaart kleurentoner als er geen kleurenafdrukken nodig zijn, zoals bij proeflezen of het controleren van de opmaak van een document.

Wanneer "Kleurfunctie" is ingesteld op [Automatisch]

Zelfs als het afdrukresultaat zwart-wit is, worden de volgende typen afdruktaken beschouwd als afdruktaken met vier kleuren (Y of G voor geel, M voor magenta, C voor cyaan en Bk voor zwart). Om een afdruktaak altijd als zwart-wittaak te laten beschouwen selecteert u [Zwart/wit].

• Als de gegevens als kleurengegevens worden gecreëerd.

• Als de toepassing de gegevens als kleurengegevens behandelt, ook al zijn de gegevens zwart/wit.

• Als een afbeelding onder een zwart-witafbeelding verborgen zit.

Windows

(2) (1)

(1) Klik op het tabblad [Kleur].

(2) Selecteer de "Kleurfunctie" die u wilt gebruiken.

52

PRINTER

ZWART-WIT AFDRUKKEN

U kunt [Zwart/wit] selecteren op het tabblad [Algemeen] en op het tabblad [Kleur]. Klik op het selectievakje

[Zwart/wit-afdruk] op het tabblad [Algemeen] zodat er een vinkje verschijnt.

Het selectievakje [Zwart/wit-afdruk] op het tabblad [Algemeen] en de instelling "Kleurfunctie" op het tabblad [Kleur] zijn gekoppeld. Als het selectievakje [Zwart/wit-afdruk] is geselecteerd op het tabblad [Algemeen], is [Zwart/wit] ook geselecteerd op het tabblad [Kleur].

Macintosh

(2)

(1)

(1) Selecteer [Kleur].

(2) Selecteer de "Kleurfunctie" die u wilt gebruiken.

53

PRINTER

EEN INSTELLING VOOR DE AFDRUKMODUS

SELECTEREN

In dit gedeelte wordt de procedure voor het selecteren van een afdrukmodusinstelling uitgelegd. De "Instellingen afdrukmodus" bestaan uit de volgende twee items:

Normaal: Deze modus is geschikt voor het afdrukken van gewone tekst of tabellen.

Hoge kwaliteit: De afdrukkwaliteit van kleurenfoto's en tekst is hoog.

Windows

(1) (2)

(1) Klik op het tabblad [Geavanceerd].

(2) Selecteer "Afdrukmodus".

Macintosh

(2) (1)

(1) Selecteer [Kleur].

(2) Selecteer "Afdrukmodus".

54

PRINTER

DUBBELZIJDIG AFDRUKKEN

De machine kan op beide zijden van het papier afdrukken. Deze functie komt bij veel afdruktaken van pas en is vooral handig wanneer u een eenvoudig boekje wilt afdrukken. Dubbelzijdig afdrukken bespaart bovendien papier.

Papierstand Afdrukresultaten

Windows

Dubbelzijdig (boek)

Macintosh

Lange kant binden

(Omslaan langs lange zijkant)

Windows

Dubbelzijdig

(schrijfblok)

Macintosh

Korte kant binden

(Omslaan langs korte zijkant)

Verticaal

Horizontaal

Windows

Dubbelzijdig (boek)

Macintosh

Korte kant binden

(Omslaan langs korte zijkant)

Windows

Dubbelzijdig

(schrijfblok)

Macintosh

Lange kant binden

(Omslaan langs lange zijkant)

Windows

De pagina's worden zo afgedrukt dat deze aan de zijkant kunnen worden gebonden.

De pagina's worden zo afgedrukt dat deze aan de bovenzijde kunnen worden gebonden.

Macintosh

(1) (2)

(1)

(2)

(1) Configureer de instellingen op het tabblad

[Algemeen].

(2) Selecteer [Dubbelzijdig(Boek)] of

[Dubbelzijdig(Schrijfblok)].

(1) Selecteer [Lay-out].

(2) Selecteer [Lange kant binden] of [Korte kant binden].

55

PRINTER

DE AFBEELDING AANPASSEN AAN HET PAPIER

Deze functie wordt gebruikt om de grootte van de afbeelding automatisch aan te passen aan het formaat van het in de machine geladen papier.

Dit is handig als u bijvoorbeeld een document van A5- of Letter-formaat wilt vergroten tot het formaat A4 of Ledger om dit beter leesbaar te maken of als u toch afdrukken wilt maken wanneer er geen papier van het juiste formaat in het apparaat is geladen.

A5

A4

Het volgende voorbeeld legt uit hoe u een document van A

5-formaat kunt afdrukken op A4-papier.

Windows

(1) (3) (2) (4)

(1) Klik op het tabblad [Papier].

(2) Selecteer het formaat van de afbeelding

(bijvoorbeeld: A5).

(3) Selecteer [Aanpassen aan pagina].

(4) Selecteer het papierformaat dat u voor het afdrukken wilt gebruiken (bijvoorbeeld: A4).

Macintosh

(1)

(3) (4)

(2)

(1) Selecteer [Papierafhandeling].

(2) Controleer het formaat van de afbeelding

(bijvoorbeeld: A5).

Om het formaat van de afdrukafbeelding te wijzigen, kunt u het menu "Papierformaat" gebruiken dat verschijnt wanneer [Pagina-instelling] is geselecteerd.

(3) Selecteer [Pas aan papierformaat aan].

(4) Selecteer het papierformaat dat u voor het afdrukken wilt gebruiken (bijvoorbeeld: A4).

56

PRINTER

MEERDERE PAGINA'S OP ÉÉN PAGINA AFDRUKKEN

Met deze functie kunt u de afdrukafbeelding verkleinen en meerdere pagina's afdrukken op één vel papier.

Dit is handig als u meerdere afbeeldingen zoals foto's op één pagina wilt afdrukken of als u papier wilt besparen.

Deze functie kan ook worden gecombineerd met dubbelzijdig afdrukken voor een maximale papierbesparing.

Met de PCL6-printerdriver is het mogelijk om alleen de eerste pagina af te drukken in het oorspronkelijke formaat en de rest van de pagina's in een kleiner formaat op het papier erna.

Wanneer er bijvoorbeeld [2 pagina's op 1 vel] en [4 pagina's op 1 vel] zijn geselecteerd, zullen afhankelijk van de volgorde die is geselecteerd de volgende afdrukresultaten het gevolg zijn.

Afdrukresultaten

X pagina's op

1 vel

(Pagina's per vel)

Links naar rechts Rechts naar links

Boven naar onderen

(Als de afdrukstand liggend is)

2 pagina's op 1 vel

(2 pagina's per vel)

X pagina's op

1 vel

(Pagina's per vel)

Rechts, en omlaag Omlaag, en rechts

4 pagina's op 1 vel

(4 pagina's per vel)

Links, en omlaag Omlaag, en links

• De paginavolgorde van 6 pagina's op 1 vel, 8 pagina's op 1 vel, 9 pagina's op 1 vel en 16 pagina's op 1 vel is gelijk aan die van 4 pagina's op 1 vel.

• In een Windows-omgeving kan de paginavolgorde worden weergegeven in de afdrukweergave in het eigenschappenvenster van de printerdriver.

In een Macintosh-omgeving wordt de paginavolgorde als selecties weergegeven.

• In een Macintosh-omgeving is het aantal pagina's dat op een enkel vel kan worden afgedrukt 2, 4, 6, 9, of 16.

57

Windows

(1)

PRINTER

(1) Configureer de instellingen op het tabblad

[Algemeen].

(2) Selecteer het aantal pagina's per vel.

(3) Als u randen wilt afdrukken, schakel dan het selectievakje [Rand] in zodat er een vinkje in verschijnt.

(4) Selecteer de volgorde van de pagina's.

(2) (3)

Macintosh

(4)

(1) (2)

(1) Selecteer [Lay-out].

(2) Selecteer het aantal pagina's per vel.

(3) Selecteer de volgorde van de pagina's.

(4) Als u randen wilt afdrukken, selecteer dan het gewenste type rand.

(4) (3)

58

PRINTER

HANDIGE AFDRUKFUNCTIES

In dit gedeelte worden handige functies voor specifieke afdrukdoeleinden uitgelegd.

• "HANDIGE FUNCTIES VOOR HET MAKEN VAN

BOEKJES EN POSTERS" (p.59)

• "FUNCTIES VOOR HET AANPASSEN VAN HET

FORMAAT EN DE STAND VAN DE AFBEELDING"

(p.62)

• "INSTELFUNCTIE VOOR KLEURENMODUS"

(p.64)

• "FUNCTIES VOOR HET COMBINEREN VAN

TEKST EN AFBEELDINGEN" (p.68)

• "AFDRUKFUNCTIES VOOR SPECIALE

DOELEINDEN" (p.71)

• "HANDIGE PRINTERFUNCTIES" (p.72)

Deze uitleg veronderstelt dat het papierformaat en andere basisinstellingen al zijn geselecteerd. Zie het volgende gedeelte voor de basisprocedure voor het afdrukken en de stappen voor het openen van het instelvenster van de printerdriver:

• Windows : "BASISPROCEDURE VOOR AFDRUKKEN" (p.41)

• Macintosh : "BASISPROCEDURE VOOR AFDRUKKEN" (p.48)

Raadpleeg voor Windows de Help van de printerdriver voor informatie over de printerdriver-instellingen voor elke afdrukfunctie.

HANDIGE FUNCTIES VOOR HET MAKEN VAN

BOEKJES EN POSTERS

EEN BOEKJE MAKEN (Inbindkopie)

De pamfletfunctie drukt af op de voor- en achterzijde van elk vel zodat de afdrukken kunnen worden gevouwen en tot een boekje kunnen worden samengevoegd. Dit is handig wanneer u de afdruk wilt samenvoegen tot een brochure.

Windows

(1) (2) (3)

(1) Configureer de instellingen op het tabblad

[Algemeen].

(2) Selecteer [Inbindkopie]

(3) Selecteer de "Zijde voor inbinden".

59

PRINTER

Macintosh

(1) (2)

(1) Selecteer [Printerfuncties].

(2) Selecteer de "Zijde voor inbinden".

(3) Selecteer [Pamfletten naast elkaar] of [Twee op één pamflet].

(3)

DE MARGE VERGROTEN (Margeverschuiving)

Deze functie wordt gebruikt om de afbeelding te verschuiven zodat de marge rechts, links of boven aan het vel wordt vergroot. Dit is handig wanneer u de afdrukken wilt nieten of perforeren, maar de inbindstrook de tekst overlapt.

Windows

(1) (2)

(1) Configureer de instellingen op het tabblad

[Algemeen].

(2) Selecteer de "Zijde voor inbinden".

(3) Selecteer de "Margeverschuiving".

Selecteer uit het menu "Margeverschuiving". Als u nog een cijferwaarde wilt instellen, selecteer de instelling dan uit het vervolgkeuzemenu en klik op de knop

[Instellingen]. Klik op de knop om het getal direct in te voeren.

(3)

Macintosh

(1) (2)

(1) Selecteer de "Printerfuncties".

(2) Selecteer de "Zijde voor inbinden".

(3) Selecteer de "Margeverschuiving".

(3)

60

PRINTER

EEN POSTER MAKEN (Poster afdrukken)

(Deze functie is alleen beschikbaar in Windows.)

U kunt een pagina met afdrukgegevens vergroten en afdrukken door meerdere vellen papier te gebruiken

(4 vellen (2x2), 9 vellen (3x3) of 16 vellen (4x4)). De vellen kunnen dan worden samengevoegd tot een grotere poster.

Voor een nauwkeurige uitlijning van de vellen kunt u er lijnen op afdrukken en overlapranden maken

(overlapfunctie).

Windows

(1)

(1) Klik op het tabblad [Papier].

(2) Schakel het selectievakje [Poster afdrukken] in en klik op de knop [Posterinstellingen].

(3) Selecteer de posterinstellingen.

Selecteer het gewenste aantal vellen in het vervolgkeuzemenu. Als u lijnen wilt afdrukken en/of de overlapfunctie wilt gebruiken, schakel dan de overeenkomstige selectievakjes in

.

(2)

(3)

61

PRINTER

FUNCTIES VOOR HET AANPASSEN VAN

HET FORMAAT EN DE STAND VAN DE

AFBEELDING

HET AFDRUKBEELD 180 GRADEN DRAAIEN (180 graden draaien)

Met deze functie kunt u de afbeelding 180 graden draaien zodat deze correct kan worden afgedrukt op papier dat maar in één richting kan worden geladen

(zoals enveloppen of geperforeerde vellen). (In Mac

OS X kan een staand beeld niet 180 graden worden gedraaid.)

ABCD

ABCD

Windows

(1) (2)

(1) Selecteer de instelling op het tabblad

[Algemeen].

(2) Schakel het selectievakje [180 graden draaien] in .

Macintosh

(1) (2)

62

(1) Selecteer [Pagina-instelling] in het menu

[Archief] en klik op de knop .

(2) Klik op de knop [OK].

PRINTER

HET AFDRUKBEELD VERGROTEN/VERKLEINEN

(Zoom/XY-zoom)

Deze functie wordt gebruikt om de afbeelding met een geselecteerd percentage te vergroten of verkleinen.

Zo kunt u een kleine afbeelding vergroten of marges toevoegen aan het papier door het beeld enigszins te verkleinen.

Als u de PS-printerdriver (Windows) van het apparaat gebruikt, kunt u de breedte- en lengtepercentages afzonderlijk instellen om de verhoudingen van de afbeelding te wijzigen. (XY-zoom)

Windows

(1)

(1) Klik op het tabblad [Papier].

(2) Selecteer [Zoom] en klik op de knop

[Instellingen].

In het vervolgkeuzemenu kunt u selecteren op welk papierformaat u wilt afdrukken.

(3) Selecteer de zoomfactor.

Voer direct een waarde in (%) of klik op de knop om de factor in stappen van 1% te wijzigen. U kunt ook

[Linksboven] en [Midden] selecteren als basispunt op het papier.

(2)

(3)

DE AFBEELDING SPIEGELEN (Spiegelbeeld)

(Deze functie is alleen beschikbaar in Windows.)

De afbeelding kan zodanig worden gedraaid dat een spiegelbeeld ontstaat. Deze functie kan worden gebruikt om een sjabloon te maken voor houtbewerking of een ander afdrukmedium.

B

Windows

(Voor deze functie is de PS-printerdriver vereist.)

(1) (2)

B

(1) Klik op het tabblad [Geavanceerd].

(2) Selecteer de instelling voor een gespiegelde afbeelding.

Als u de afbeelding horizontaal wilt spiegelen, selecteert u [Horizontaal]. Als u de afbeelding verticaal wilt spiegelen, selecteert u [Verticaal].

63

PRINTER

INSTELFUNCTIE VOOR KLEURENMODUS

HELDERHEID EN CONTRAST VAN DE AFBEELDING INSTELLEN

(Kleurafstelling)

Bij het afdrukken van een foto of andere afbeelding kunnen de helderheid en het contrast worden ingesteld in de afdrukinstellingen. Deze instellingen kunnen worden gebruikt voor eenvoudige correcties wanneer er geen beeldbewerkingssoftware op uw computer is geïnstalleerd.

Windows Macintosh

(Deze functie kan alleen in Mac OS X v10.4. worden gebruikt.)

(1)

(1)

(2)

(3)

(2)

(3)

(1) Klik op het tabblad [Kleur].

(2) Klik op de knop [Kleurafstelling].

(3) Stel de Kleurinstellingen af.

Om een instelling te wijzigen gebruikt u de schuifbalk

of klikt u op de knop of .

(1) Selecteer [Kleur].

(2) Klik op de knop [Kleurafstelling].

(3) Selecteer het selectievakje [Kleurafstelling] en stel de kleur af.

Stel met de schuifbalken de instellingen af.

64

PRINTER

ONDUIDELIJKE TEKST EN LIJNEN IN ZWART AFDRUKKEN

(Tekst naar zwart/Vector naar zwart)

(Deze functie is alleen beschikbaar in Windows.)

Bij het afdrukken van een afbeelding in grijstinten kunnen kleurentekst en vage lijnen worden afgedrukt in zwart. (Rastergegevens zoals bitmapafbeeldingen kunnen niet worden aangepast.) Hierdoor kunt u kleurentekst en vage lijnen die bij afdrukken in grijstinten moeilijk te zien zijn naar voren halen.

• [Tekst naar zwart] kan worden geselecteerd om alle tekst die niet wit is in zwart af te drukken.

• [Vector naar zwart] kan worden geselecteerd om alle vectorgrafieken behalve witte lijnen en vlakken in zwart af te drukken.

ABCD

Windows

(1)

ABCD

(1) Klik op het tabblad [Kleur].

(2) Schakel het selectievakje [Tekst naar zwart]

.

en/of het selectievakje [Vector naar zwart]

(2)

65

PRINTER

KLEURENINSTELLINGEN AFSTEMMEN OP HET AFBEELDINGSTYPE

(Geavanceerde kleuren)

De printerdriver biedt diverse standaard kleurinstellingen voor verschillende toepassingen. Hierdoor kunt u afdrukken met de meest geschikte kleurinstellingen voor het type kleurenafbeelding.

De geavanceerde kleurinstellingen kunt u ook zo configureren dat ze bij het doel van de kleurenafbeelding passen, zoals kleurenbeheerinstellingen en de filterinstellingen waarmee de weergave van tinten wordt aangepast.

Windows

(2) (1)

(3)

(1) Klik op het tabblad [Kleur].

(2) Selecteer het "Afbeeldingstype".

In het vervolgkeuzemenu kunt u een documenttype selecteren dat past bij de gegevens die u wilt afdrukken.

• Standaard (voor gegevens met tekst, foto's, afbeeldingen, etc.)

• Grafische beelden (voor gegevens met veel tekeningen of illustraties)

• Foto (voor fotogegevens of gegevens waarbij foto's worden gebruikt)

• CAD (voor gegevens van ontwerptekeningen)

• Scannen (voor gegevens die door een scanner zijn gescand)

• Colorimetrisch (gegevens die in bijna dezelfde kleuren moeten worden afgedrukt als die op het scherm)

• Extra (voor gegevens die met speciale instellingen moeten worden afgedrukt)

(3) Selecteer geavanceerde kleurinstellingen.

Als u geavanceerde instellingen wilt selecteren, klikt u op de knop [Geavanceerde kleur].

Als u kleurbeheer wilt uitvoeren met Windows ICM* in uw besturingssysteem, selecteert u [Extra] voor het afbeeldingstype bij stap (2) en vink dan het selectievakje [Windows ICM] aan. Geavanceerde kleurbeheerinstellingen zoals "Bronprofiel" configureert u door de gewenste instellingen te selecteren in de menu's.

* Kan bij gebruik van de PS-printerdriver in Windows

7/Vista/Server 2008/8/Server 2012 niet worden geselecteerd.

66

PRINTER

Macintosh

(1)

(4)

(2)

(3)

(1) Selecteer [Kleur].

(2) Selecteer de kleurenafdrukinstellingen.

Selecteer het selectievakje [ColorSync] om de kleurbeheerfunctie van Mac OS te gebruiken. Als dit is gedaan, kan "Afbeeldingstype" niet meer geselecteerd worden.

(3) Selecteer het "Afbeeldingstype".

In het vervolgkeuzemenu kunt u een afbeeldingstype selecteren dat past bij de gegevens die u wilt afdrukken.

• Standaard (voor gegevens met tekst, foto's, afbeeldingen, etc.)

• Grafische beelden (voor gegevens met veel tekeningen of illustraties)

• Foto (voor fotogegevens of gegevens waarbij foto's worden gebruikt)

• CAD (voor gegevens van ontwerptekeningen)

• Scannen (voor gegevens die door een scanner zijn gescand)

• Colorimetrisch (gegevens die in bijna dezelfde kleuren moeten worden afgedrukt als die op het scherm)

• Extra (voor gegevens die met speciale instellingen moeten worden afgedrukt)

[Neutraal grijs] kan worden gebruikt als [Extra] is geselecteerd.

(4) Selecteer geavanceerde kleurinstellingen.

Als u uitgebreide instellingen wilt selecteren, klikt u op het tabblad [Geavanceerd].

Kleurbeheerinstellingen configureert u door de gewenste instellingen te selecteren in de menu's. Om

"CMYK-simulatie" te gebruiken selecteert u het selectievakje [CMYK-simulatie] en dan de gewenste instelling.

De volgende kleurbeheerinstellingen zijn beschikbaar.

(Het is mogelijk dat bepaalde instellingen niet kunnen worden geconfigureerd, afhankelijk van uw besturingssysteem en het type van uw printerdriver.)

• Selectievakje Windows ICM*

1

:Kleurenbeheermethode in een Windows-omgeving

• Selectievakje ColorSync:

• Bronprofiel:

Kleurenbeheermethode in een Macintosh-omgeving

Selecteer het kleurprofiel waarmee de afbeelding wordt weergegeven op het

• Weergavedoel: computerscherm.

Standaardwaarde die wordt gebruikt bij het converteren van de kleurbalans van de afbeelding die wordt weergegeven op het computerscherm naar de kleurbalans die het apparaat kan afdrukken.

• Uitvoerprofiel:

• CMYK-correctie*

2

:

• Afscherming:

• Neutraal grijs:

• Zuiver zwarte afdruk:

Selecteer een kleurprofiel voor de af te drukken afbeelding.

Bij het afdrukken van een CMYK-afbeelding kunt u de afbeelding corrigeren voor een optimaal resultaat.

Selecteer de geschiktste beeldverwerkingsmethode voor het beeld dat u afdrukt.

Selecteer of grijze halftonen worden afgedrukt met zwarte toner (één kleur) of

CMYK-toner (vier kleuren).

Selecteer of zwarte gebieden worden afgedrukt met zwarte toner (één kleur) of

CMYK-toner (vier kleuren).

• Zwarte overdruk:

• CMYK-simulatie:

Voorkomt dat de omtrek van zwarte tekst wit wordt.

De kleur kan worden bijgesteld om het afdrukken met de verwerkingskleuren die afdrukpersen gebruiken te simuleren.

• Simulatieprofiel: Het selecteren van een verwerkingskleur.

*1 Kan bij gebruik van de PS-printerdriver in Windows 7/Vista/Server 2008/8/Server 2012 niet worden gebruikt.

*2 Alleen de SPDL2-c-printerdriver kan worden gebruikt.

SPDL staat voor Sharp Printer Description Language.

67

PRINTER

FUNCTIES VOOR HET COMBINEREN VAN TEKST EN

AFBEELDINGEN

EEN WATERMERK TOEVOEGEN AAN AFDRUKKEN (Watermerk)

U kunt lichte, schaduwachtige tekst toevoegen aan de achtergrond van de afgedrukte afbeelding, als een watermerk. Het formaat, de kleur, de dichtheid en de hoek van het watermerk kunnen worden aangepast.

De tekst kan worden geselecteerd uit een standaardlijst of worden ingevoerd om een persoonlijk watermerk te maken.

CONFIDENTIAL

Windows

(1) (2)

(1) Klik op het tabblad [Watermerken].

(2) Selecteer de watermerkinstellingen.

Selecteer een opgeslagen watermerk in het vervolgkeuzemenu. Klik op de knop [Bewerken] om de kleur van het lettertype te wijzigen en andere uitgebreide instellingen te configureren.

Als u een nieuw watermerk wilt maken…

Voer de tekst van het watermerk in het vak "Tekst" in en klik op de knop [Toev.].

Macintosh

(2) (1)

(1) Selecteer [Watermerken].

(2) Klik op het selectievakje [Watermerk] en configureer de watermerkinstellingen.

U kunt uitgebreide watermerkinstellingen configureren, zoals het selecteren van tekst en het bewerken van het lettertype en de kleur. Stel het formaat en de hoek van de tekst af met de schuifbalk .

68

PRINTER

EEN AFBEELDING OVER DE AFDRUKGEGEVENS AFDRUKKEN

(Afbeeldingsstempel)

(Deze functie is alleen beschikbaar in Windows.)

U kunt een op uw computer opgeslagen bitmap- of

JPEG-afbeelding afdrukken over de afdrukgegevens.

Het formaat, de positie en de hoek van de afbeelding kunnen worden ingesteld. Deze functie kan worden gebruikt om de afdrukgegevens te "merken" met een veelgebruikte afbeelding of een persoonlijk beeldmerk.

MEMO

MEMO

Windows

(1) (2)

(1) Klik op het tabblad [Watermerken].

(2) Selecteer de instellingen voor het beeldmerk.

Als er al een afbeeldingsstempel is opgeslagen, kan deze uit het vervolgkeuzemenu worden geselecteerd.

Als u nog geen afbeeldingsstempel hebt opgeslagen, klik dan op [Afbeeldingsbestand], selecteer het bestand voor de afbeeldingsstempel en klik op de knop [Toev.].

69

PRINTER

OVERLAYS MAKEN VOOR AFDRUKGEGEVENS (Overlays)

(Deze functie is alleen beschikbaar in Windows.)

U kunt afdrukgegevens afdrukken in een eerder gemaakte overlay. Door tabellijnen of een decoratieve rand te maken in een andere toepassing dan het tekstbestand en deze gegevens te registreren als overlaybestand kunt u eenvoudig een aantrekkelijk afdrukresultaat bereiken.

XXXX

XXX

XXXX

XXX

XXXX

1 100

10 150

0 120

10 250

XXXX

XXX

XXXX

XXX

XXXX

1 100

10 150

0 120

10 250

Overlaybestand

Windows

Een overlaybestand maken.

(1) (2)

(3)

(1) Klik op het tabblad [Geavanceerd].

Configureer de instellingen van de printerdriver vanuit de softwaretoepassing die u wilt gebruiken om het overlaybestand te maken.

(2) Klik op de knop [Bewerken].

(3) Een overlaybestand maken.

Klik op de knop [Maak] en geef de naam en de map op voor het overlaybestand dat u wilt maken. Het bestand wordt gemaakt als de instellingen zijn voltooid en het afdrukken is gestart.

• Zodra het afdrukken is gestart, verschijnt een bevestigingsbericht. Het overlaybestand wordt pas gemaakt nadat u op de knop [Ja] hebt geklikt.

• Klik op de knop [Overlay laden] om het al bestaande overlaybestand op te slaan.

Afdrukken met een overlaybestand

(1) (2)

(1) Klik op het tabblad [Geavanceerd].

Configureer de instellingen van de printerdriver vanuit de softwaretoepassing vanwaaruit u met behulp van het overlaybestand wilt afdrukken.

(2) Selecteer het overlaybestand.

Een vooraf gecreëerd of opgeslagen overlaybestand kunt u selecteren in het vervolgkeuzemenu.

70

PRINTER

AFDRUKFUNCTIES VOOR SPECIALE DOELEINDEN

GESPECIFICEERDE PAGINA'S OP ANDER PAPIER AFDRUKKEN (Ander papier)

Deze functie in een Windows-omgeving

gebruiken

De voorkaft kan op ander papier worden afgedrukt dan de andere pagina's. Gebruik deze functie als u de voorkaft op zwaar papier of ander papier, gekleurd bijvoorbeeld, wilt afdrukken.

Deze functie in een Macintosh-omgeving

gebruiken

De voorkaft en de laatste pagina kunnen op ander papier worden afgedrukt dan de andere pagina's.

Deze functie kan bijvoorbeeld worden gebruikt wanneer u alleen de voorkaft en de laatste pagina op zwaar papier wilt afdrukken.

1

2

3

4

5

Windows Macintosh

(1) (1) (2) (3)

(2)

(3)

(1) Selecteer [Printerfuncties].

(2) Selecteer [Ander papier].

(3) Selecteer de instellingen voor het invoegen van kaften.

Selecteer de afdrukinstelling, papierlade en papiersoort voor de kaftpagina en de laatste pagina.

(1) Klik op het tabblad [Speciale modus].

(2) Selecteer [Ander papier] en klik op de knop

[Instellingen].

(3) Selecteer de instellingen voor het invoegen van papier.

Klik op het selectievakje [Kaft invoegen] ( ) en selecteer de invoermethode en afdrukmethode voor het ingevoegde papier uit de betreffende menu's. Selecteer de invoegpositie, papierinvoerbron en afdrukwijze uit de betreffende menu's.

Wanneer [Handinvoer] is geselecteerd bij

"Papierinvoerbron", denk er dan aan om het

"Papiertype" te selecteren en dit papier in de handinvoerlade te plaatsen.

71

HANDIGE PRINTERFUNCTIES

AFDRUKBESTANDEN OPSLAAN EN GEBRUIKEN (Vasthouden)

Deze functie wordt gebruikt om een afdruktaak als bestand op te slaan op de machine, zodat de taak kan worden afgedrukt via het bedieningspaneel. U kunt een locatie selecteren voor het opslaan van een bestand om te voorkomen dat het bestand wordt samengevoegd bij de bestanden van andere gebruikers.

Wanneer u iets afdrukt vanaf een computer, kunt u een wachtwoord instellen (5 tot 8 cijfers) om de informatie in een opgeslagen bestand geheim te houden.

Wanneer dit wachtwoord eenmaal is vastgesteld, moet het worden ingevoerd als een opgeslagen bestand vanaf de machine moet worden afgedrukt.

• Wanneer de machine wordt uitgeschakeld, worden de afdrukgegevens gewist.

• Afdrukgegevens die de limiet van 5 MB overschrijden, kunnen niet worden opgeslagen.

• Er kunnen maximaal 5 bestanden worden opgeslagen.

Windows

(1)

Macintosh

(2) (1)

PRINTER

(2)

(1) Klik op het tabblad [Taakverwerking].

(2) Selecteer de instelling voor vasthouden.

Schakel het selectievakje [Vasthouden] in .

Selecteer de methode van vasthouden in "Vasthouden instellingen". Schakel om een wachtwoord (getal van 5 tot 8 cijfers) in te voeren het selectievakje [Wachtwoord] in .

(1) Selecteer [Taakverwerking].

(2) Selecteer de instelling voor vasthouden.

Schakel het selectievakje [Vasthouden] in . Om de handeling te vereenvoudigen wanneer u de volgende keer hetzelfde wachtwoord instelt, kunt u op de toets

(vergrendelen) klikken nadat u het wachtwoord hebt ingevoerd (5 tot 8 cijfers).

72

PRINTER

Een vastgehouden taak afdrukken

Wanneer vasthouden wordt gebruikt, wordt het volgende scherm weergegeven.

1

Druk op de [ ] toets om de lijst met vastgehouden afdruktaken weer te geven.

2

Selecteer de afdruktaak met de [ ][ ] toetsen.

3

Druk op [OK].

4

Druk de afdruktaak af of verwijder de afdruktaak met de [ ][ ] toetsen.

Selecteer "Print" om de taak af te drukken.

Selecteer "Verwijderen" om de taak te verwijderen zonder afdrukken.

Met "Niet Afdrukken" keert u terug naar stap 1.

5

Druk op [OK].

De afdruktaak wordt afgedrukt of verwijderd. Als een wachtwoord is ingesteld, wordt de taak afgedrukt of verwijderd nadat u het wachtwoord hebt ingevoerd met de cijfertoetsen en op [OK] hebt gedrukt.

73

PRINTER

AFDRUKKEN ZONDER DE

PRINTERDRIVER

Wanneer de printerdriver niet is geïnstalleerd op uw computer, of wanneer de applicatie om een af te drukken bestand te openen niet beschikbaar is, kunt u direct op het apparaat afdrukken zonder de printerdriver.

Hieronder ziet u de bestandstypen (en overeenkomstige extensies) die u direct kunt afdrukken.

Bestandstype

Extensie

TIFF tiff, tif

JPEG jpeg, jpg, jpe, jfif

PCL pcl, prn, txt

PDF, versleutelde PDF pdf

PS ps

• Zelfs als het afdrukresultaat zwart-wit is, worden de volgende typen afdruktaken beschouwd als afdruktaken met vier kleuren (Y of G voor geel, M voor magenta, C voor cyaan en Bk voor zwart). Om een afdruktaak altijd als zwart/wit-taak te laten beschouwen, selecteert u afdrukken als zwart/wit.

• Als de gegevens als kleurengegevens worden gecreëerd.

• Als de toepassing de gegevens als kleurengegevens behandelt, ook al zijn de gegevens zwart/wit.

• Als een afbeelding onder een zwart-witafbeelding verborgen zit.

• De bestandsindeling van sommige bestanden kan mogelijk niet worden afgedrukt, ook al komt de bestandsindeling voor in de bovenstaande tabel.

• Een PDF-bestand dat met een wachtwoord is beveiligd, kan niet worden afgedrukt.

74

PRINTER

DIRECT AFDRUKKEN VAN EEN BESTAND IN EEN

USB-GEHEUGEN

Een bestand in een op het apparaat aangesloten USB-geheugen kan worden afgedrukt via het bedieningspaneel van het apparaat zonder gebruik te maken van de printerdriver. Als de printerdriver van het apparaat niet is geïnstalleerd op uw computer, kunt u een bestand kopiëren naar een in de handel verkrijgbaar USB-geheugen en het geheugen aansluiten op het apparaat om het bestand direct af te drukken.

1

Sluit het USB-geheugen aan op het apparaat.

Wanneer een USB-geheugen wordt aangesloten en de machine herkent het USB-apparaat, dan wordt het volgende scherm weergegeven.

Gebruik een FAT32 USB-geheugen met een capaciteit van meer dan 32 GB.

2

Selecteer "Afdrukken vanaf geheugenapp." met de [ ] of [ ] toets en selecteer vervolgens de toets voor het bestand dat u wilt afdrukken.

Een naam met "/" links ernaast is de naam van een map op het USB-apparaat. Als u de bestanden en mappen in een bepaalde map wilt weergeven, selecteert u die map en drukt u op de [OK] toets.

• Er kunnen in totaal 100 toetsen voor bestanden en mappen worden weergegeven.

• Druk op de [EINDE LEZEN] toets ( ) om een mapniveau omhoog te gaan.

3

Druk op [OK].

4

Selecteer "Afdrukken" met [ ] of [ ] en druk op [OK].

Zodra het geselecteerde bestand is overgezet, wordt het afdrukken gestart.

De afdrukinstellingen kunnen worden geselecteerd via de webpagina van de machine. Als u echter een bestand selecteert dat afdrukinstellingen (PCL, PS) bevat, worden de afdrukinstellingen in het bestand zelf gebruikt.

75

PRINTER

DIRECT AFDRUKKEN VANAF EEN COMPUTER

U kunt instellingen configureren op de webpagina's van het apparaat zodat u direct vanaf de computer kunt

afdrukken zonder gebruik van de printerdriver. Zie "OVER DE WEBPAGINA’S" (p.190) voor de procedure om de

webpagina's te openen.

FTP AFDRUKKEN

U kunt een bestand afdrukken vanaf uw computer door het gewoon te slepen (drag & drop) naar de FTP-server van de machine.

Instellingen configureren

Klik voor het inschakelen van FTP afdrukken op [Toepassingsinstellingen] en dan op [Instelling voor afdrukken vanaf de PC] in het webpaginamenu, en configureer het poortnummer. (Beheerderrechten zijn vereist.)

FTP afdrukken uitvoeren

Typ "ftp://" en vervolgens het IP-adres van het apparaat in de adresbalk van Explorer op de computer, zoals hieronder aangegeven.

(Voorbeeld) ftp://192.168.1.28

Sleep het af te drukken bestand op de "lp"-map die in uw webbrowser verschijnt. Het bestand wordt automatisch afgedrukt.

• Als u een bestand (PCL of PS) hebt afgedrukt met afdrukinstellingen, worden deze instellingen toegepast.

• Wanneer gebruikersauthenticatie ingeschakeld staat in de systeeminstellingen (beheerder) van de machine, is het mogelijk dat de afdrukfunctie wordt beperkt. Vraag uw beheerder om meer informatie.

EEN AFDRUKTAAK ANNULEREN OP DE MACHINE

Druk op de [STOP] toets ( ) op het bedieningspaneel.

DE MACHINE INSTELLEN OP OFFLINE

Volg de onderstaande stappen om de machine in te stellen op offline.

1

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ) en selecteer "Online/Offline" met de

[ ][ ] toetsen.

2

Selecteer "Offline" met de [ ][ ] toetsen en druk op de [OK] toets.

Het afdrukken wordt gestopt en de machine gaat offline. Druk op de wistoets om het afdrukken te annuleren. Als u wilt doorgaan met afdrukken, selecteert u

"Online" en drukt u op de [OK] toets.

76

PRINTER

BIJLAGE

SPECIFICATIELIJST PRINTERDRIVER

De beschikbare functies en resultaten kunnen verschillen volgens het type printerdriver dat wordt gebruikt.

Functie PCL6 PS

Windows

PPD

*1

Macintosh

PPD

*1

Veelgebruikte functies

Papier

Handige printerfuncties

Speciale functies

Instelfunctie kleurenmodus

Functies voor het combineren van tekst en afbeeldingen

Kopieën

Afdrukstand

X pagina's op 1 vel

Aantal pagina's

1-999

Ja

2,4,6,8,9,16

Volgorde Ja

Rand Ja

Dubbelzijdig afdrukken

Aanpassen aan pagina

Ja

Ja

Zijde voor inbinden

Zwart/wit-afdruk

Papierformaat

Aangepast papier

Papierkeuze

Inbindkopie

Margeverschuiving

Poster afdrukken

180 graden draaien

Zoom/XY-zoom

Spiegel-Beeld

Ander papier

Tussenblad

Vasthouden

Kleur instelling

Tekst naar zwart/

Vector naar zwart

Geavanceerde kleuren

Ja

Ja

0 mm tot

30 mm

Ja

Ja

Ja*

2

Nee

Ja

Ja

Ja

8 formaat

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Watermerk

Afbeeldingsstempel

Overlay

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

1-999

Ja

2,4,6,8,9,16

Ja

Nee

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

8 formaat

Ja

Ja

0 mm tot

30 mm

Ja

Ja

Ja

Ja

1-999

Ja

2,4,6,9,16

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Ja

Ja*

2

Ja

*5

Ja

Ja

Ja

Nee

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Nee

Nee

Nee

Ja

*4

Ja*

2

Nee

Ja

Nee

Ja

Ja

*3

Nee

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

1-999

Ja

2,4,6,9,16

Ja

Ja

Ja

Nee

Nee

77

PRINTER

Functie

beeldkwaliteit

Afdrukmodus

PCL6

Normaal/

Hoge kwaliteit

Ja

PS

Normaal/

Hoge kwaliteit

Nee

Windows

PPD

*1

Normaal/

Hoge kwaliteit

Nee

Macintosh

PPD

*1

Normaal/

Hoge kwaliteit

Nee

Lettertype

Grafische functie selectie

Tonerbesparing

Eigen lettertypen

Ja

80 lettertypen

Ja Ja Ja

136 lettertypen 136 lettertypen 136 lettertypen

Andere functies

Selecteerbare lettertypen downloaden bitmap,

TrueType, grafisch

Automatische configuratie

Ja

Gebruikersauthenticatie Ja bitmap,

TrueType,

Type1

Ja bitmap,

TrueType,

Type1

Nee

Nee

Ja

Ja Nee Ja

*1 De specificaties voor elke functie in Windows PPD en Macintosh PPD variëren afhankelijk van de versie van het besturingssysteem en de toepassing.

*2 De horizontale en verticale afmetingen kunnen niet afzonderlijk worden ingesteld.

*3 Alleen Mac OS X v10.4 kan worden gebruikt.

*4 Alleen documenten in liggende richting worden ondersteund.

*5 Alleen horizontaal.

78

4

FAXFUNCTIES

DIT PRODUCT OP JUISTE WIJZE

ALS FAX GEBRUIKEN

Er zijn een aantal punten waarop u moet letten wanneer u dit product als fax gebruikt.

Let op het volgende.

Lijnverbinding

Gebruik alleen de meegeleverde telefoonkabel om het toestel op de wandcontactdoos aan te sluiten. Steek het ene einde van het telefoonsnoer in de telefoonplug aan de linkerkant van de machine, zoals aangegeven. Steek het andere eind van het telefoonsnoer in de contactdoos.

Indien noodzakelijk gebruikt de adapter.

In sommige landen is een adapter vereist om de telefoonkabel aan te sluiten op de wandcontactdoos (zie afbeelding).

Verenigd

Koninkrijk

Telefoonplug stopcontact

Adapter

Voor Australië

Voor Nieuw-

Zeeland

De datum en tijd instellen en uw naam en nummer als afzender programmeren

Voordat u de faxfunctie gebruikt, moet u eerst de datum en tijd instellen en uw naam en nummer als afzender

vastleggen in de machine. Deze procedure wordt in deze handleiding uitgelegd in "PUNTEN DIE

GECONTROLEERD EN GEPROGRAMMEERD MOETEN WORDEN NA DE INSTALLATIE" (p.80).

Lithiumbatterij

Datum en tijd worden bewaard dankzij een lithiumbatterij in de machine.

• Neem, zodra de batterij leeg is, contact op met uw lokale Sharp dealer of klantenservice van een erkende vertegenwoordiger over de afvalverwerking van deze batterij. De machine werkt niet, wanneer de batterij leeg is.

Let op

Bij onweer trekt u voor veiligheidsredenen de netstekker uit het stopcontact. Informatie blijft in het geheugen staan, zelfs als de stekker uitgetrokken is.

79

FAXFUNCTIES

PUNTEN DIE GECONTROLEERD

EN GEPROGRAMMEERD MOETEN

WORDEN NA DE INSTALLATIE

Na de installatie van de machine en voor het gebruik ervan als faxmachine controleert u de volgende punten en programmeert u de noodzakelijke informatie

Datum en tijd instellen

De machine is voorzien van een interne klok. Het is belangrijk de juiste datum en tijd in te stellen, omdat deze

worden gebruikt voor functies zoals timerverzending (p.98).

Datum en tijd worden ingesteld met behulp van de systeeminstellingen. (p.176)

Datum en tijd verschijnen in de display. Let erop dat de correcte datum en tijd verschijnen. Als datum en tijd fout zijn, verbeter deze dan.

Naam en nummer van de afzender instellen

De naam en het faxnummer van de gebruiker van de machine worden geprogrammeerd in "Eig toegangs ins"

(p.184) in de systeeminstellingen. (Er kan slechts één naam en faxnummer worden geprogrammeerd.)

De naam en het nummer die u programmeert, worden bovenaan elke verzonden faxpagina afgedrukt. Het nummer van de afzender wordt ook gebruik als identificatienummer bij gebruik van de pollingfunctie (wanneer u een ander

faxapparaat vraagt om een bepaald document te faxen)."VERZENDOPTIES" (p.100)).

Opmerking

U kunt de naam en het nummer die zijn geprogrammeerd controleren door de "Lijst beheerdersinstellignen" uit de systeeminstellingen af te drukken. (Zie

"Lijst instelling" (p.183)

.)

Papierformaten die geschikt zijn voor de faxmodus

De machine kan papier gebruiken van het formaat , A4, B5, A5, 8-1/2" x 14", 8-1/2" x 13" en 5-1/2"x 8-1/2". (Als uw machine AB-formaten gebruikt, kan het formaat 8-1/2" x 14", 8-1/2" x 13" of 5-1/2" x 8-1/2" niet worden gebruikt in de faxmodus.

Van de inch-maten kan alleen 8-1/2" x 11" of 5-1/2"x 8-1/2" worden gebruikt.)

Als u alleen papierformaten gebruikt die wel geschikt zijn voor andere modi maar niet voor de faxmodus, kunnen ontvangen faxen niet worden afgedrukt.

(Zie "FAXBERICHTEN ONTVANGEN" (p.95) voor andere punten met betrekking tot het ontvangen van faxen.)

Opmerking

Zie "PAPIER BIJVULLEN" (p.19) voor de procedure van het laden van papier in de laden.

80

FAXFUNCTIES

FAXMODUS (BASISSCHERM)

Het basisscherm van faxmodus wordt weergegeven als u drukt op de [FAX] toets ( ), zodra het scherm met kopieer- of scanfuncties verschijnt.

Het basisscherm van de faxmodus

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

Gereed

OKT Za 18:12

Gehgen Handm.

Cont

Standaard

Linkermenu

(1) Mededelingweergave

Hier verschijnen berichten om de huidige status van het apparaat aan te geven.

(2) Weergave van de datum en tijd

Geeft datum en tijd weer.

(3)

Verzendfunctiedisplay (p.89)

Er zijn drie verzendfuncties: geheugenverzending, directe verzending en handmatige verzending. Geeft de huidige geselecteerde verzendfunctie aan.

(4) Weergave van de belichting

Dit geeft de belichting weer voor het scannen van het origineel.

(5) Weergave van de resolutie

Dit geeft de resolutie weer voor het scannen van het origineel.

(6) Weergave van het beschikbare faxgeheugen

Geeft het percentage vrij faxgeheugen weer.

(6)

(7)

(8)

Orig. Afm.

Resolutie

Uitzenden

Programma

Rechtermenu

(9)

(10)

(11)

(12)

(7)

Weergave van de ontvangstfunctie (p.96)

Er zijn twee functies voor het ontvangen van faxen: automatische ontvangst en handmatige ontvangst. Geeft de huidige geselecteerde ontvangstfunctie weer.

(8)

Weergave van het origineel (p.27)

Hier wordt de originele scanmodus door middel van een pictogram aangegeven wanneer er een origineel wordt geplaatst.

: Enkelzijdig origineel wordt gescand in de origineelinvoer.

: Dubbelzijdig origineel wordt gescand in de origineelinvoer (modellen met dubbelzijdige scanfunctie).

Geen: Glasplaat

Hier is ook het nu geselecteerde formaat te zien van het origineel dat wordt gescand.

(9)

Origineelformaat (p.85)

Dit wordt gebruikt om het formaat van het origineel in te stellen voor het scannen.

(10) Resolutie (p.92)

Dit menu wordt gebruikt om de resolutie in te stellen.

(11) Distribueren (p.99)

Dit wordt gebruikt om een fax naar meerdere bestemmingen te sturen.

(12) Programma (p.107)

Selecteer dit menu om een programma te gebruiken.

Opmerking

De volgende functies werken ook wanneer een andere modus dan de faxmodus is geselecteerd:

• Automatische ontvangst

• Handmatige ontvangst

• Timerverzending

• Verzending van opgeslagen geheugenverzendopdrachten

• Gesprekken (met extra telefoon geïnstalleerd)

• Ontvangst op afstand

81

FAXFUNCTIES

ORIGINELEN

ORIGINELEN DIE GEFAXT KUNNEN WORDEN

Origineelformaten

Werken met de origineelinvoer

Werken met de glasplaat

De scanbreedte is vast ingesteld op A4-breedte (210 mm) of 8-1/2" (216 mm). De scanlengte wordt automatisch aangepast tussen 148 mm en 500 mm.

Alles wordt gescand op A4 of 8-1/2" x 11".

Opmerking

• Er gelden restricties voor de originelen die kunnen worden gescand met de origineelinvoer. Zie "NORMAAL

KOPIËREN" (p.26) voor meer informatie.

• Wanneer u een fax wilt verzenden, kunt u originelen met een verschillende lengte samen scannen in de origineelinvoer, zolang de breedte maar gelijk is. (enkelzijdig scannen)

*Lange originelen

Afhankelijk van de resolutie-instellingen en de breedte van het origineel is er misschien niet voldoende geheugenruimte om een lang origineel op te slaan. Wanneer een lang origineel niet volledig kan worden gescand, gebruik dan directe verzending of handmatige verzending (on-hook kiezen).

82

FAXFUNCTIES

HANDIGE KIESMETHODEN

(AUTOMATISCH KIEZEN)

Bij de faxfunctie zit ook een handige automatische kiesfunctie (snelkiezen en groepsnummer kiezen). Door veelgekozen nummers te programmeren kunt u bellen en faxen versturen naar deze bestemmingen door middel van

een eenvoudige kieshandeling (p.87). Er zijn twee verschillende typen automatisch kiezen: snelkiezen en

groepsnummer kiezen. Zie p.103 voor het programmeren van nummers.

Verkort kiezen (300 stations)

U kunt een opgeslagen bestemming kiezen door op de [VERKORTKIES] toets ( ) te drukken, waarbij u een 3-cijferig nummer (000 tot 299) moet invoeren en op de [ZWART-WIT START] toets moet drukken.

Er kan voor elke bestemming een naam (maximaal

36 letters) opgeslagen worden.

Groepsnummer kiezen

U kunt meerdere nummers opslaan onder een snelkiesnummer. Dit is handig voor communicatie met een groep andere faxapparaten.

OPNIEUW KIEZEN

De machine onthoudt het laatst gekozen fax- of telefoonnummer. Dit nummer kunt u opnieuw kiezen door eenvoudig op de [OPNIEUW KIEZEN] toets

( ) en daarna op de [ZWART-WIT START] toets te drukken.

• Als u een cijfertoets ingedrukt hebt tijdens het vorige telefoongesprek, is de [OPNIEUW KIEZEN] toets ( ) misschien niet het goede nummer.

• Opnieuw kiezen is niet mogelijk voor

bestemmingen met distributieverzending (p.99),

seriële polling (p.100), timerverzending (p.98) of

groepsnummers (p.87).

ON-HOOK KIEZEN

Deze functie maakt het mogelijk te kiezen zonder de hoorn op te nemen van een extra telefoon die met de machine verbonden is.

Druk op de [SPEAKER] toets ( ), luister naar de kiestoon via de speaker en kies het nummer.

• Faxberichten dienen handmatig verzonden te worden wanneer on-hook kiezen gebruikt wordt.

(p.90)

Opmerking

• U kunt maximaal 100 bestemmingen opslaan onder een groepsnummer. Gecombineerd kunt u in totaal 300 snelkies- en groepsnummers opslaan.

• Opgeslagen groepsnummers en verkorte kiesbestemmingen kunnen worden opgeroepen via het gebruik van

een zoeknaam die werd ingevoerd terwijl de toets of bestemming werd opgeslagen. (p.87)

• Om te voorkomen dat u een verkeerd nummer kiest en een faxbericht naar een onjuiste bestemming stuurt, dient u de display tijdens het opslaan zorgvuldig te controleren. U kunt ook opgeslagen nummers controleren

door de geprogrammeerde informatie af te drukken nadat het nummer opgeslagen is. (p.109)

83

FAXFUNCTIES

MANIEREN OM EEN FAX TE

VERZENDEN

Er zijn drie basismethoden voor faxverzending: geheugenverzending, directe verzending en handmatige verzending. Wanneer het verzenden van geheugen gebruikt wordt, wordt het document tijdelijk opgeslagen in het geheugen voordat het verzonden wordt. Wanneer u directe verzending of handmatige verzending gebruikt, wordt het document verzonden zonder dat het in het geheugen wordt opgeslagen.

De verzendinstelling kan standaard worden ingesteld op "Geheugen TX" of "Direct TX" met "Verzend mode" (p.186)

in de systeeminstellingen.

Als u handmatig wilt kiezen uit "Geheugen TX" of "Direct TX", gebruikt dan de [COMM. INSTELLING] toets ( ).

(Zie "Faxen met directe verzending" (p.89).)

De volgende uitleg gaat er in principe van uit dat geheugenverzending wordt gebruikt.

Adrescontrole

Met de functie Adrescontrole kunt u de faxbestemmingen controleren en voorkomen dat u iets faxt naar een verkeerde bestemming.

Wanneer een faxnummer wordt ingevoerd met de cijfertoetsen of geselecteerd met de [OPNIEUW KIEZEN] toets

( ), wordt (na invoer van het nummer) een scherm weergegeven met de vraag om het nummer nog een keer in te voeren ter bevestiging.

• Wanneer u een snelkiesnummer (p.87) gebruikt, wordt u gevraagd om de opgeslagen naam en het opgeslagen

nummer te bevestigen.

• Wanneer u een groepsnummer (p.87) gebruikt, wordt u gevraagd om alle nummers die in die groep zijn

opgeslagen te bevestigen.

Deze functie kan worden ingesteld in "Adrescontrole" in de systeeminstellingen (p.186).

Opmerking

• Wanneer Adrescontrole is ingeschakeld, kan de [SPEAKER] toets ( ) alleen worden gebruikt voor

handmatige ontvangst

(p.90)

. Als u op de [SPEAKER] toets ( ) drukt wanneer de machine overgaat bij een inkomende oproep, wordt een scherm weergegeven waarin u moet bevestigen dat u de ontvangst wilt starten.

U kunt de speakertoets gebruiken op een aangesloten extra telefoon.

• Als het selectievakje voor exclusieve toepassing op directe invoer ingeschakeld is wanneer de functie

Adrescontrole wordt ingeschakeld, wordt het scherm Adrescontrole alleen weergegeven bij het invoeren van een nummer met de cijfertoetsen of de [OPNIEUW KIEZEN] toets ( ).

84

FAXFUNCTIES

FAXBERICHT VERZENDEN

BASISPROCEDURE VOOR FAXBERICHTEN

VERZENDEN

1

Zorg dat het apparaat in faxmodus staat.

De FAX indicator brandt wanneer de machine in faxmodus staat. Druk op de [FAX] ( ) toets wanneer de indicator niet brandt.

Wanneer in de systeeminstellingen gebruikersauthenticatie is ingeschakeld voor de faxfunctie, verschijnt er een melding dat u uw gebruikersnummer moet invoeren wanneer u overschakelt naar de faxmodus. Voer uw

accountnummer (5 cijfers) met de cijfertoetsen in. (p.178)

Werken met de origineelinvoer

2

Plaats het (de) origine(e)l(en).

Werken met de origineelinvoer: p.27

Werken met de glasplaat

2

Plaats het (de) origine(e)l(en) op de glasplaat.

Werken met de glasplaat: p.27

Wilt u meerdere pagina's met de glasplaat verzenden, plaats dan eerst de voorste pagina.

Opmerking

Dit is één zending. Originelen kunnen daarom niet opeenvolgend worden gescand wanneer zowel de automatische origineelinvoer als de glasplaat wordt gebruikt.

3

Geef het formaat van het origineel op.

Enkelzijdig scannen

Wanneer het origineel in de origineelinvoer wordt geplaatst, verandert het pictogram in [AUTO].

Opmerking

Originelen met een lengte van maximaal

500 mm kunnen automatisch worden verzonden.

Dubbelzijdig scannen

Zie "DUBBELZIJDIGE ORIGINELEN FAXEN"

(p.88) voor de procedure om het formaat van het

origineel op te geven.

Gereed

OKT Za 18:12

Gehgen

Auto

Cont

Standaard

3

Geef het formaat van het origineel op.

Selecteer het "Formaat Origineel" in het rechtermenu.

Het papierformaat dat u kunt selecteren, is A4 of

8-1/2" x 11".

A4:

AUTO: Enkelzijdig scannen in de origineelinvoer.

A4: Dubbelzijdig scannen in de origineelinvoer (modellen met dubbelzijdige scanfunctie).

Glasplaat

4

Pas de resolutie- en belichtinginstellingen zo nodig aan.

5

Kies het faxnummer.

• Het ingevoerde nummer verschijnt in de display. U kunt maximaal 50 cijfers invoeren. Druk op de [C] toets wanneer u een ongeldig nummer hebt ingevoerd en voer vervolgens het juiste nummer in.

• U kunt ook herhalen en automatisch kiezen gebruiken (p.83, p.87).

85

FAXFUNCTIES

Een onderbreking invoeren

Als een pauze nodig is wanneer u naar buiten belt via een bedrijfscentrale (PBX) of wanneer u een internationaal nummer kiest, druk dan op de [OPNIEUW KIEZEN] toets ( ). (Bij het invoeren van een nummer fungeert deze toets als pauzetoets.)

Als u eenmaal op de [PAUZE] toets ( ) drukt, wordt een streepje ("-") weergegeven en wordt een pauze van 2 seconden* ingelast.

Nadat u een nummer hebt ingevoerd, kunt u ook op de [PAUZE] toets ( ) drukken om een streepje in te voeren en vervolgens voert u nog een nummer in met de cijfertoetsen. (Op deze manier worden de nummers samengevoegd.

Dit wordt Chain bellen genoemd.)

* De duur van de pauze kan in de systeeminstellingen worden gewijzigd. (Zie "Pauze tijd" (p.184).)

Opmerking

Groepsnummers kunnen niet worden gebruikt voor Chain bellen.

6

Druk op [OK].

7

Voer het faxnummer nog een keer in wanneer het scherm hiervoor wordt weergegeven.

• "Adrescontrole" (p.186)

8

Druk op [OK].

Opmerking

Werken met de origineelinvoer

9

Druk op de [ZWART-WIT START] toets.

• Het scannen begint.

• Indien de lijn vrij is, zal de machine het nummer van het ontvangende apparaat kiezen en met verzenden beginnen, zodra de eerste pagina

gescand is. ("Snel online" (p.91))

• Wanneer er van te voren een opdracht opgeslagen is, een opdracht op dit moment verzonden wordt of de lijn bezet is, worden alle pagina's van het origineel in het geheugen gescand en opgeslagen als een verzendopdracht. (Dit heet geheugenverzending: de bestemming wordt automatisch gebeld en het document wordt verzonden, nadat eerder opgeslagen opdrachten verstuurd zijn.)

Als het scannen is afgelopen, verschijnt het volgende scherm kort. Daarna verschijnt het basisscherm weer op het display.

Werken met de glasplaat

9

Druk op de [ZWART-WIT START] toets.

Het scannen begint.

10

Wanneer u een andere pagina wilt scannen, vervangt u de pagina's en drukt u op de toets [ZWART-WIT

START].

• Herhaal dit totdat u alle pagina’s hebt gescand.

• U kunt de resolutie- en belichtinginstellingen zonodig voor iedere pagina veranderen.

11

Nadat de laatste pagina gescand is, drukt u op de [EINDE LEZEN] toets

( )

.

Open de origineelinvoer en verwijder het origineel. Wanneer het origineel is verwijderd of er op een willekeurige toets wordt gedrukt, verschijnt het basisscherm weer in het display.

De bestemming wordt automatisch gebeld en het document wordt verzonden nadat eerder opgeslagen opdrachten verstuurd zijn.

Het verzenden annuleren

Als u het verzenden wilt annuleren, terwijl "LEZEN" verschijnt of voordat de [EINDE LEZEN] toets ( ) is ingedrukt, drukt u op de [C] of [CA] toets. Als u een verzendopdracht wilt annuleren die al opgeslagen is, drukt u op de [FAX STATUS] toets (

) en annuleert u de opdracht zoals aangegeven op p.93.

• Een opdrachtnummer (3 cijfers) verschijnt in de display met "EINDE LEZEN" wanneer geheugenverzending wordt uitgevoerd.

Als u een aantekening maakt van dit nummer, nadat een distributieverzending is uitgevoerd, kunt u het nummer gebruiken om de resultaten van het verzenden in het transactierapport of activiteitenrapport te controleren.

• Als de stroom wordt uitgeschakeld of een stroomonderbreking optreedt terwijl een origineel wordt gescand in de origineelinvoer, stopt de machine en loopt het origineel vast. Verwijder het origineel nadat de voeding is

hersteld, zoals uitgelegd in "PAPIERSTORING IN DE ORIGINEELINVOER" (p.153).

86

FAXFUNCTIES

VERZENDEN VIA AUTOMATISCH KIEZEN

(SNELKIEZEN EN GROEPSNUMMER KIEZEN)

In plaats van een volledig faxnummer in te voeren met de cijfertoetsen kunt u ook een fax verzenden door op de

[VERKORTKIES] toets ( ) te drukken en vervolgens een nummer van 3 cijfers in te voeren. Als u automatisch wilt kiezen, moet u wel eerst het 3-cijferige nummer en de naam en het faxnummer van de bestemming hebben

opgeslagen. Zie p.83 voor meer informatie over het automatisch kiezen en p.103 voor meer informatie over het

programmeren van bestemmingen voor het automatisch kiezen.

1

Voer het 3-cijferige nummer in via de cijfertoetsen.

• Voer het 3-cijferige nummer in dat is ingevoerd bij het programmeren van het snelkiesnummer.

• Druk op de [C] toets wanneer u een ongeldig nummer hebt ingevoerd en voer vervolgens het juiste nummer in. Druk op de [C] toets wanneer u een 3-cijferig nummer invoert dat niet is geprogrammeerd en voer vervolgens het juiste nummer in. Als u het snelkiesnummer niet weet, drukt u de "Verk.kies lijst" of

"Groepslijst" af. (Zie "LIJSTEN MET GEPROGRAMMEERDE INFORMATIE EN INSTELLINGEN

AFDRUKKEN" (p.109).)

2

Druk op [OK].

Controleer de bestemming. Druk opnieuw op [OK] als alles klopt.

Opmerking

Het verzenden annuleren

Als u het verzenden wilt annuleren, terwijl "LEZEN" verschijnt of voordat de [EINDE LEZEN] toets ( ) is ingedrukt, drukt u op de [C] of [CA] toets. Als u een verzendopdracht wilt annuleren die al opgeslagen is, drukt u op de [FAX STATUS] toets (

) en annuleert u de opdracht zoals aangegeven op p.93.

Een opdrachtnummer (3 cijfers) verschijnt in de display met "EINDE LEZEN" wanneer verzenden wordt uitgevoerd. Als u een aantekening maakt van dit nummer, nadat een distributieverzending is uitgevoerd, kunt u het nummer gebruiken om de resultaten van het verzenden in transactierapport of activiteitenrapport te controleren.

ZOEKEN NAAR EEN GEPROGRAMMEERDE

BESTEMMING (MET DE [ADRES] TOETS ( ))

Tijdens het kiezen kunt u letters invoeren om een bestemming te zoeken die is opgeslagen in een snelkiesnummer of groepsnummer.

1

Druk op de [ADRES] toets ( ) en voer de letters in die u zoekt. (U kunt de invoer van letters ook overslaan en direct naar de volgende stap gaan om de eerste bestemming van de adreslijst weer te geven.)

U kunt maximaal 10 van de volgende soorten letters invoeren.

Hoofdletters, kleine letters, getallen, speciale letters

(Zie "TEKENS INVOEREN" (p.24).)

2

Druk op de [OK] toets en selecteer de gewenste bestemming met de [ ] of [ ] toets.

• De zoekresultaten verschijnen in onderstaande volgorde: hoofdletters, kleine letters, speciale tekens en getallen.

• Als niet alle letters van de bestemmingsnaam verschijnen, drukt u op de [EINDE LEZEN] toets ( ) om de volledige naam weer te geven. Druk nogmaals op de [EINDE LEZEN] toets ( ) om terug te keren naar het oorspronkelijke scherm.

Opmerking

Het verzenden annuleren

Als u het verzenden wilt annuleren, terwijl "LEZEN" verschijnt of voordat de [EINDE LEZEN] toets ( ) is ingedrukt, drukt u op de [C] of [CA] toets. Als u een verzendopdracht wilt annuleren die al opgeslagen is, drukt u op de [FAX STATUS] toets (

) en annuleert u de opdracht zoals aangegeven op p.93.

• Een opdrachtnummer (3 cijfers) verschijnt in de display met "EINDE LEZEN" wanneer verzenden wordt uitgevoerd. Als u een aantekening maakt van dit nummer, nadat een distributieverzending is uitgevoerd, kunt u het nummer gebruiken om de resultaten van het verzenden in transactierapport of activiteitenrapport te controleren.

87

FAXFUNCTIES

DUBBELZIJDIGE ORIGINELEN FAXEN

Volg de stappen hieronder voor automatisch verzenden van beide zijden van een tweezijdig origineel. (Alleen voor modellen met dubbelzijdige scanfunctie.)

1

Druk op de [DUBBELZIJDIG] toets ( ) op het bedieningspaneel en selecteer

"2-ZIJDIG".

2

Select "Staand-Boek", "Staand-Schrijfblok", "Liggend-Boek" of "Liggend-Schrijfblok" met de [ ] of [ ] toets.

Opmerking

• Boekjes en schrijfblokken: Dubbelzijdige originelen die aan de zijkant zijn gebonden noemen we boeken, dubbelzijdige originelen die bovenaan zijn gebonden noemen we schrijfblokken.

• Dubbelzijdig scannen wordt geannuleerd wanneer de verzending is voltooid of de [CA] toets wordt ingedrukt.

• Dubbelzijdig scannen van dubbelzijdige originelen is alleen mogelijk wanneer een origineelinvoer wordt gebruikt (modellen met dubbelzijdige scanfunctie).

Automatisch scannen van beide zijden van een origineel kan niet met de

BOEK SCHRIJFBLOK glasplaat.

• De afbeelding van de achterkant van het origineel wordt zonodig tijdens de verzending 180 graden gedraaid en het is dus niet nodig bij de ontvangende machine het blad om te draaien.

• Als u dubbelzijdig scannen wilt annuleren, selecteert u "ENKELZIJDIG" in stap 1 en drukt u op de [OK] toets.

• Alleen de volgende dubbelzijdige documentformaten kunnen worden gebruikt:

A4, 8-1/2 x 14, 8-1/2 x 13-1/2, 8-1/2 x 13-2/5, 8-1/2 x 13, 8-1/2 x 11

3

Druk op de [OK] toets.

88

FAXFUNCTIES

Verzendinstellingen (geheugenverzending en directe verzending)

De mogelijke vormen van verzending zijn geheugenverzending, waarbij het origineel tijdelijk in het geheugen wordt opgeslagen en dan pas wordt verzonden, en directe verzending, waarbij het origineel rechtstreeks wordt verzonden, dus zonder eerst in het geheugen te worden opgeslagen.

Er zijn twee soorten geheugenverzending: "Verzendtaken opslaan (geheugenverzending)" (p.90), waarbij alle

pagina's van het origineel in het geheugen worden opgeslagen voordat de verzending begint, en "Snel online"

(p.91), waarbij de bestemming wordt gekozen zodra de eerste pagina is gescand. De overige pagina's worden

verzonden tijdens het scannen.

Bij een geheugenverzending kan het gebeuren dat het geheugen vol loopt tijdens het scannen van de originelen.

Zie "Als het geheugen vol raakt tijdens het verzenden van een opgeslagen verzendtaak" (p.90) en "Wanneer het geheugen vol raakt tijdens een snelle onlineverzending" (p.91)

Als er te veel pagina's zijn en geheugenverzending niet mogelijk is, kunt u drukken op de [COMM. INSTELLING] toets ( ) om van geheugenverzending om te schakelen naar directe verzending. Wanneer u directe verzending gebruikt, begint de verzending zodra de huidige taak is voltooid. Zo kunt u voorrang geven aan een verzendtaak.

Directe verzending is dus handig om de verzending van een groot aantal opgeslagen verzendtaken te onderbreken.

Zie "Faxen met directe verzending" als u heen en weer wilt gaan tussen geheugenverzending en directe verzending.

Opmerking

Wanneer u handmatig verzendt met een extra telefoon aangesloten op de machine of on-hook kiezen gebruikt, wordt automatisch directe verzending geselecteerd. (Geheugenverzending is niet mogelijk.)

Faxen met directe verzending

1

Druk op de [COMM. INSTELLING] toets

( ).

Het scherm met communicatie-instellingen verschijnt.

2

Selecteer "TX" met de [ ] of [ ] toets.

Opmerking

Het scherm met communicatie-instellingen kan ook worden weergegeven vanuit het scherm voor het selecteren van een functie.

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ) om het scherm voor het selecteren van een speciale functie weer te geven, selecteer "COMM. INSTELLING" met de [ ] of [ ] toets en druk op [OK].

3

Selecteer "Geheugen TX" met de [ ] of [ ] toets en druk op [OK].

4

Kies het faxnummer en druk op de [ZWART-WIT START] toets.

Bij gebruik van de glasplaat is het niet mogelijk om meerdere originele pagina's te verzenden in één keer.

Opmerking

• Als u van "Directe verzending" wilt terugkeren naar "Geheugenverzending", selecteert u "GEHEUGEN TX" in stap 3.

• Als u een directe verzending wilt annuleren, drukt u op de [C] toets.

89

FAXFUNCTIES

Faxen met handmatige verzending (met de [SPEAKER] toets ( ))

1

Druk op de [SPEAKER] toets ( ).

Wanneer u op deze toets drukt, wordt kort een bericht weergegeven over een aanpassing van het volume.

Daarna wordt het invoerscherm weergegeven. U kunt het speakervolume aanpassen (hoog, middel of laag) door te drukken op de

[ ] of [ ]

toets.

De instellingen voor het volume in de systeeminstellingen veranderen hierdoor echter niet. Wanneer de

[SPEAKER] toets

( )

wordt gebruikt om te kiezen, is uit de speaker achter op de machine te horen dat de machine overgaat.

2

Kies het faxnummer en druk op de [ZWART-WIT START] toets.

Opmerking

• Wanneer de functie Adrescontrole is ingeschakeld (p.186), is verzenden met de [SPEAKER] toets (

) niet mogelijk.

• Als u het kiezen met de [SPEAKER] toets ( ) wilt annuleren wanneer u het nummer opnieuw wilt kiezen of omdat de verzending is onderbroken, drukt u nog een keer op de [SPEAKER] toets ( ).

• Aangezien bij directe en handmatige verzending het origineel niet in het geheugen wordt opgeslagen, kunnen

de volgende functies niet worden gebruikt. Distributieverzending "HETZELFDE DOCUMENT IN EEN

HANDELING NAAR MEERDERE BESTEMMINGEN VERZENDEN" (p.99), "AUTOMATISCH VERZENDEN

OP EEN BEPAALDE TIJD" (p.98), "Herhaal instel. (Bezet)" (p.186), dubbelzijdig scannen, Adrescontrole en

meer.

• Wanneer een fax wordt verzonden met directe verzending of handmatige verzending, wordt de fax verzonden zodra er verbinding is met de ontvangende machine.

3

Selecteer "TX" en druk op de [OK] toets.

Verzendtaken opslaan (geheugenverzending)

Wanneer de lijn bezet is, wordt de verzendtaak tijdelijk in het geheugen opgeslagen. Wanneer de huidig taak en eerder opgeslagen taken voltooid zijn, begint de verzending automatisch. (Dit heet geheugenverzending.)

Dit betekent dat verzendtaken in het geheugen kunnen worden opgeslagen door een verzendopdracht te geven wanneer de machine bezig is met een andere verzending/ontvangst. Er kan een gecombineerd totaal van 50 taken

voor geheugen- en timerverzending (p.98) tegelijk worden opgeslagen. Na verzending worden de gescande

documenten uit het geheugen verwijderd.

In het scherm met de faxstatus kunt u de in het geheugen opgeslagen verzendtaken zien. (p.93)

Afhankelijk van het aantal pagina's in het geheugen en de instellingen voor de verzending, is het misschien niet mogelijk om 50 taken op te slaan in het geheugen.

• De procedure voor het opslaan van een verzendtaak is gelijk aan de procedure in "BASISPROCEDURE VOOR

FAXBERICHTEN VERZENDEN" (p.85).

• Als u nog niet op de [ZWART-WIT START] toets hebt gedrukt, kunt u een verzendtaak annuleren door op de [C] toets te drukken.

• Als u al wel op [ZWART-WIT START] hebt gedrukt, zie dan "Een opgeslagen verzendtaak annuleren" (p.93). As het

origineel nog steeds wordt gescand nadat u op de [ZWART-WIT START] toets hebt gedrukt, kunt u op de [C] toets drukken om de verzending te annuleren.

• Als u een verzendtaak opslaat in de modus voor directe verzending, kunt u verder geen verzendtaken opslaan.

Na verzending worden de gescande documenten uit het geheugen verwijderd. In het scherm met de faxstatus kunt

u de in het geheugen opgeslagen verzendtaken zien. (p.93)

Als het geheugen vol raakt tijdens het verzenden van een opgeslagen verzendtaak

Als het geheugen vol raakt tijdens het scannen van de eerste pagina van het origineel, zal de verzending automatisch worden geannuleerd.

Als het geheugen vol raakt tijdens het scannen van de tweede of volgende pagina, wordt het scannen onderbroken.

In dit geval kunt u op de [C] toets drukken om de verzending te annuleren of op [OK] om alleen die pagina's te verzenden die volledig zijn gescand.

90

FAXFUNCTIES

Snel online

Wanneer u de origineelinvoer gebruikt om een document met meerdere pagina's te verzenden en er staan geen van tevoren opgeslagen opdrachten in de wacht of er worden geen opdrachten op dit moment uitgevoerd (en de lijn is niet bezet), kiest de machine de bestemming nadat de eerste pagina is gescand, en begint deze met de verzending van gescande pagina's, terwijl de resterende pagina's worden gescand. Deze verzendmethode heet Snel online.

Wanneer u Snel online gebruikt, ziet u op het display de tekst "Lezen" - "Bellen" - "Verbinding." - "Verzenden" (in deze volgorde) totdat alle resterende pagina's zijn gescand. Wanneer alle pagina's zijn gescand, verschijnt "Einde lezen" voordat de meldingen hierboven verschijnen.

Wanneer de ontvangende kant bezet is, verandert de snelle onlineverzending in een opgeslagen verzendopdracht

(geheugenverzending). (Zie "Verzendtaken opslaan (geheugenverzending)" (p.90).)

Wanneer het geheugen vol raakt tijdens een snelle onlineverzending

Als het geheugen vol raakt tijdens het scannen van de eerste pagina van het origineel, zal de verzending automatisch worden geannuleerd. Als het geheugen vol raakt tijdens het scannen van de tweede of volgende pagina, zullen de pagina's die volledig gescand zijn verzonden worden.

Opmerking

De machine is standaard ingesteld (fabrieksinstelling) om een snelle onlineverzending te kunnen uitvoeren.

Indien gewenst kunt u deze functie uitschakelen met de systeeminstellingen. (Zie "Snel online TX" (p.186).)

Wanneer een origineel wordt verzonden via de volgende methoden, wordt de opdracht in het geheugen opgeslagen. (Snelle onlineverzending wordt niet uitgevoerd.)

• Een fax versturen van de glasplaat.

• "HETZELFDE DOCUMENT IN EEN HANDELING NAAR MEERDERE BESTEMMINGEN VERZENDEN"

(p.99)

• "AUTOMATISCH VERZENDEN OP EEN BEPAALDE TIJD" (p.98)

Als de ontvangende kant bezet is

Wanneer de ontvangende kant bezet is, wordt de verzending tijdelijk geannuleerd en na een korte onderbreking wordt een nieuwe poging gedaan verbinding te krijgen. (Er worden twee pogingen gedaan met een tussenpoos van

3 minuten.*

1

)

Wanneer u niet wilt dat de machine een nieuwe poging onderneemt, drukt u op de [FAX STATUS] toets ( ) en

annuleert u de opdracht. (p.93)

*1 De instellingen kunnen worden gewijzigd met de systeeminstellingen. (Zie

"Herhaal instel. (Bezet)" (p.186)

.)

Als er zich een fout voordoet die verzending onmogelijk maakt

Als er zich een fout voordoet waardoor de verzendende of ontvangende machine de oproep niet binnen 45 seconden*

2

beantwoordt, wordt de verzending gestopt en wordt er later automatisch een nieuwe poging gedaan. Er wordt één poging gedaan na een tussenpoos van 1 minuut.*

2

) Wanneer u niet wilt dat de machine een nieuwe poging onderneemt, drukt u op de [FAX STATUS] toets (

) en annuleert u de opdracht. (p.93) Deze machine

ondersteunt ook de foutcorrectiemodus (ECM) en wordt automatisch ingesteld om een deel van het faxbericht dat, wegens storing op de lijn niet overgekomen is, opnieuw te sturen.*

3

*2 De instellingen kunnen worden gewijzigd met de systeeminstellingen. (Zie "Bel tijd autom. verzenden" (p.186) en

"Herh inst.(Fout)" (p.186).)

*3 Als ECM niet wordt ondersteund door de andere machine of ECM niet werkt, vindt er geen foutcorrectie plaats.

91

FAXFUNCTIES

DE RESOLUTIE SELECTEREN

De resolutie kan worden aangepast aan het formaat van de tekst op het origineel of aan het type origineel, bijvoorbeeld een foto. Selecteer "Resolutie" in het rechtermenu van het basisscherm van de faxmodus en druk op de [OK] toets.

Standaard

Fijn

Extra Fijn

Selecteer deze instelling voor originelen met een tekst in normaal formaat.

Selecteer deze instelling voor originelen met kleine letters of afbeeldingen met dunne lijnen.

Het origineel wordt gescand met een tweemaal zo hoge nauwkeurigheid als met "Standaard".

Selecteer deze instelling voor originelen met complexe tekeningen of afbeeldingen. Er wordt een afbeelding verkregen van betere kwaliteit dan met de instelling "Fijn".

Fijn/Halftoon

Superfijn/

Halftoon

Selecteer deze instelling voor foto's of originelen met kleurvlakken (documenten e.d. in kleur).

Hiermee wordt een scherpere afbeelding verzonden dan met alleen "Fijn" of "Extra Fijn".

Wanneer u Halftoon selecteert, duurt het verzenden langer.

Opmerking

• De fabrieksinstellingen voor de resolutie en het contrast zijn respectievelijk "Standaard" en Auto".

De standaardinstellingen voor de resolutie en het contrast kunnen worden gewijzigd in de systeeminstellingen

"Inst. Res.Con." (p.186). Als u de glasplaat gebruikt om meerdere pagina's van een origineel te scannen, kunt

u de resolutie en het contrast aanpassen telkens wanneer u van pagina verandert. Als u de automatische origineelinvoer gebruikt, is het niet meer mogelijk om de resolutie en het contrast aan te passen wanneer het scannen eenmaal is begonnen.

• Ook al verzendt u een fax met de instelling "Fijn" of "Extra Fijn", de fax zal mogelijk niet op die resolutie worden ontvangen en afgedrukt als de ontvangende fax die resolutie niet aankan.

• Als u de ingestelde resolutie wilt annuleren, drukt u op de "Reset" toets.

DE BELICHTING WIJZIGEN

De belichting kan worden aangepast aan de helderheid van het origineel.

1

Selecteer de [Belichtng] toets ( ).

2

Pas de belichting aan.

(1) Selecteer het item.

(2) Pas de belichting aan.

Als u het origineel donkerder wilt maken, selecteert u de [ ] toets. Als u het origineel lichter wilt maken, selecteert u de [ ] toets.

(3) Selecteer de [OK] toets.

92

FAXFUNCTIES

ANNULEREN VAN FAXVERZENDING

Als u een verzending die aan de gang of opgeslagen is wilt annuleren, volgt u de stappen hieronder. Een verzendopdracht die aan de gang of opgeslagen is, kan worden geannuleerd vanuit het faxstatusscherm.

(Afdrukken van een ontvangen fax kan niet worden geannuleerd.)

Opmerking

Als u een verzending wilt annuleren terwijl het origineel gescand wordt, ("LEZEN" verschijnt in de display) of voordat de toets wordt ingedrukt ([EINDE LEZEN] toets ( ) wanneer u het origineel van de glasplaat scant), kan de [C] of [CA] toets worden ingedrukt.

Annuleren van faxverzending

1

Druk op de [FAX STATUS] toets ( ).

• Wanneer een verzending aan de gang is, wordt de verzonden opdracht weergegeven.

• Als de weergegeven opdracht niet de opdracht is die u wilt annuleren, is het waarschijnlijk dat de te annuleren opdracht een opgeslagen opdracht is die in de wacht staat om te worden verzonden. Druk op de toets [TERUG] ( ) om het selectiescherm van de faxstatus weer te geven en volg de procedure in "Een

opgeslagen verzendtaak annuleren" op "Een opgeslagen verzendtaak annuleren" (p.94) om de opdracht te

annuleren.

Wanneer er geen verzending aan de gang is, verschijnt het volgende faxstatusscherm.

Opmerking

2

Druk dan op de [C] toets.

3

Druk op [OK].

De verzending wordt geannuleerd.

Opmerking

• Als u de verzending niet wilt annuleren, drukt u op de [ ] toets in het scherm van stap 2, waarna u "NEE" selecteert en op de [OK] toets drukt.

• U kunt geannuleerde handelingen controleren in het activiteitenrapport. "Annuleren" verschijnt in de kolom

"TYPE/OPMERKING" van het rapport. Aanvullende informatie op de display tijdens verzending

Verbinding

(A)

(B)

(C)

Geheugen TX

P-

(D)

(A) Bestemmingsnaam

De naam van de bestemming verschijnt, indien geprogrammeerd.

(B) Naam verzendmethode

Bij een timerverzending verschijnt het timerpictogram " " aan het begin van de naam van de verzendmethode.

(C) Huidige aantal verzonden pagina's

Verschijnt tijdens het verzenden.

(D) Documentnummer

Het documentnummer, dat tijdens het scannen in de geheugenverzendmodus is toegewezen, verschijnt.

93

FAXFUNCTIES

Een opgeslagen verzendtaak annuleren

Als u een opgeslagen verzendtaak niet wilt annuleren en alleen maar de status wilt controleren, druk dan in stap 4 op de [TERUG] toets ( ) in plaats van de [C] toets om af te sluiten.

1

Druk op de [FAX STATUS] toets ( ).

Het scherm met de faxstatus wordt weergegeven.

Opmerking

Wanneer een verzending aan de gang is, wordt de verzonden opdracht weergegeven. Druk op de [TERUG] toets

( ) om het selectiescherm van de faxstatus weer te geven.

2

Selecteer "TX/RX RESERVE" met de [ ] of [ ] toets.

3

Druk op [OK].

De eerste opgeslagen verzendtaak wordt weergegeven.

Druk op de

[ ] of [ ]

toets totdat u de verzendtaak ziet die u wilt annuleren.

4

Druk dan op de [C] toets.

U wordt gevraagd het annuleren van de verzending te bevestigen.

5

Selecteer "JA" met de [ ] of [ ] toets.

6

Druk op [OK].

De geselecteerde verzendtaak wordt geannuleerd.

Wilt u nog een verzendtaak annuleren, herhaal dan stap 1 tot en met 6.

Opmerking

U kunt geannuleerde terugbeltaken controleren in het activiteitenrapport. "Annuleren" verschijnt in de kolom

"TYPE/OPMERKING" van het rapport.

Inhoud van het scherm met opgeslagen taken (scherm van stap 3)

Wachten

(A)

(B)

(C)

(D)

(F)

TX

P-

(E)

(A) Huidige status

"Wachten" wordt weergegeven naast de opgeslagen verzendtaken en timertaken. "Herhalen" wordt weergegeven naast taken die opnieuw moeten worden uitgevoerd.

(B) Bestemming

De naam van de bestemming verschijnt, indien geprogrammeerd.

(C) Naam verzendmethode

Bij een timerverzending verschijnt het timerpictogram " " aan het begin van de naam van de verzendmethode.

(D) Aantal opgeslagen pagina's

Voor een opgeslagen verzendtaak wordt het documentnummer van het moment van scannen weergegeven.

(E) Voor een timerverzending wordt het nummer van de timertaak weergegeven.

(F) Voor een timerverzending wordt de opgegeven tijd van de reservering weergegeven. "Bereid" wordt weergegeven voor een opgeslagen verzendtaak.

Status van voltooide taken

U kunt de status van voltooide taken bekijken door in stap 2 "TX/RX Compleet" te selecteren en in stap 3 op de

[OK] toets te drukken.

94

FAXFUNCTIES

FAXBERICHTEN ONTVANGEN

Wanneer een andere faxmachine een faxbericht verzendt naar uw machine, gaat uw machine over*, waarna het faxbericht automatisch wordt ontvangen en afgedrukt. (Dit heet automatische ontvangst.)

Als u niet wilt dat ontvangen faxen meteen geprint worden, gebruikt u de printgeheugenfunctie om ontvangen faxberichten in het geheugen op te slaan en ze op een voor u geschikt tijdstip af te drukken (alle ontvangen

faxberichten worden in een keer afgedrukt). Zie "FAX VASTHOUDMODE" (p.97) als u deze functie wilt inschakelen

en ontvangen faxen wilt afdrukken.

Opmerking

• U kunt een verzendopdracht opslaan, terwijl de faxberichtontvangst aan de gang is. (Zie "Verzendtaken opslaan (geheugenverzending)" (p.90)

• Als u ontvangen faxpagina's aan beide zijden van het papier wilt afdrukken, schakelt u "Dubbelz. Ontv." (p.187)

in de systeeminstellingen in.

• Als er geen extra telefoon met de machine verbonden is, gebruikt u automatische ontvangst.

• Als de functie Adrescontrole (p.186) ingeschakeld is, kunt u op de [SPEAKER] toets (

) drukken wanneer de machine overgaat en bepalen of de fax wordt ontvangen. Selecteer "Ja" om de fax te ontvangen en "Nee" om de fax te weigeren met [ ] [ ]. Druk vervolgens op [OK].

• Om faxberichten te ontvangen moet u zorgen dat er papier in de papierlade ligt. Zie "PAPIER BIJVULLEN"

(p.19) voor het laden van geschikt papier.

FAXBERICHT ONTVANGEN

1

De machine gaat bellen* en de ontvangst begint automatisch.

De LINE indicator ( ) gaat branden.

Opmerking

Als u een extra telefoon hebt aangesloten en iemand stuurt u een fax door middel van

handmatige verzending (p.120), dan kunt u

de telefoon aannemen voordat de fax wordt ontvangen en even praten met de persoon aan de andere kant van de lijn.

*Aantal beltonen

De machine is ingesteld op twee beltonen voordat de automatische ontvangst begint. U kunt te allen tijde het aantal beltonen wijzigen van 0 tot 9 in de systeeminstellingen.

(Zie "Aant. bel sig. RX" (p.187).)

Als het aantal beltonen ingesteld is op 0, ontvangt de machine de faxberichten zonder te gaan bellen.

2

Ontvangst wordt beëindigd.

• Wanneer de ontvangst eindigt, geeft de machine een pieptoon.

• Wanneer de optionele taakscheidingslade-set geïnstalleerd is, worden ontvangen faxberichten via de documentsorteereenheid uitgevoerd.

Opmerking

De documentsorteereenheid heeft een sensor die detecteert wanneer een lade vol is. Wanneer er ongeveer 100 bladen in een lade verzameld zijn, verschijnt een melding in de display en het afdrukken van faxberichten wordt stopgezet.

Als dit gebeurt, verwijdert u de bladen. Het afdrukken wordt onmiddellijk hervat.

95

FAXFUNCTIES

Als ontvangen gegevens niet kunnen worden afgedrukt

Als de machine geen papier meer heeft of als er een papierstoring optreedt, of als de machine een afdruk- of kopieertaak afdrukt, blijven de ontvangen faxen opgeslagen in het geheugen totdat afdrukken mogelijk is. De ontvangen faxen worden automatisch afgedrukt zodra dit kan. Wanneer er ontvangen faxen in het geheugen staan, knippert het FAX [GEGEVENS] lampje ( ). U kunt ook de doorstuurfunctie gebruiken om de ontvangen faxen te

laten afdrukken op een andere faxmachine. (Zie "DOORSTUURFUNCTIE" (p.110).)

Opmerking

Om faxberichten te ontvangen moet u zorgen dat er papier in de papierlade ligt. Laad geschikt papier zoals

uitgelegd in "PAPIER BIJVULLEN" (p.19).

• Als u een fax ontvangt die groter is dan het geladen papier, wordt uitgegaan van de systeeminstelling

"Ontvangen data afdruk condities" (p.187) om de fax af te drukken op de volgende manier:

Als "Verkleinen" is ingesteld, wordt de afbeelding automatisch verkleind vóór het afdrukken.*

1

Als "Divisie" is ingesteld, wordt de afbeelding verdeeld over meerdere vellen papier en op ware grootte daarop afgedrukt.*

1

Al "Huidig formaat" is ingesteld, wordt de afbeelding op ware grootte afgedrukt zonder te worden opgedeeld.*

2

*1 Als u papier van het formaat B5 of kleiner hebt geladen, wordt de ontvangen afbeelding mogelijk niet afgedrukt, afhankelijk van de breedte en lengte van de afbeeldingsgegevens.

*2 De ontvangen afbeelding wordt pas afgedrukt wanneer u papier laadt dat groter is dan het formaat dat u nu gebruikt.

• In de faxmodus is afdrukken op B5 en A5 niet mogelijk. (Van alle AB-formaten kan alleen A4 worden gebruikt voor het afdrukken.)

(Als uw machine AB-papierformaten gebruikt, kan papier van het formaat 8-1/2" x 14" niet worden gebruikt in de faxmodus. (Van de AB-formaten kunnen alleen 8-1/2" x 11" en 8-1/2" x 11" worden gebruikt voor het afdrukken.))

• Als het papier op is tijdens het afdrukken van een fax, wordt automatisch verder afgedrukt op papier uit een andere lade met het formaat dat er het meest op lijkt.

• Als u een ander formaat papier in een lade legt, wijzig dan de instelling van het papierformaat in de lade.

• Faxen kunnen niet goed worden afgedrukt als u in werkelijkheid een ander formaat gebruikt dan is ingesteld.

Stel voor de lade hetzelfde papierformaat in als het papierformaat dat ook echt in de lade ligt. Een voorbeeld:

Als u een fax met het formaat B4 (11" x 17") ontvangt terwijl het formaat A4 (8-1/2" x 14") in de lade ligt en voor die lade B4 (11" x 17") is ingesteld, dan wordt de fax afgedrukt op papier van het formaat A4 (8-1/2" x 14") en kan een deel van de afbeelding wegvallen als het papier in de lade groter is dan is ingesteld. Als het papier in de lade groter is dan is ingesteld, wordt groter papier gebruikt dan het herkende faxformaat. (Er wordt een bericht weergegeven met de vraag om de papierformaatinstelling van de lade na te kijken.)

• Ontvangen faxen kunnen niet worden afgedrukt op papier dat u in de handinvoerlade plaatst.

HANDMATIGE FAXONTVANGST

Wanneer de functie Adrescontrole (p.186) is ingeschakeld, kunt u zelf bepalen of u een fax wilt ontvangen (dit wordt

in deze handleiding "handmatige ontvangst" genoemd).

DE ONTVANGSTMODUS INSTELLEN

1

Druk op de [COMM. INSTELLING] toets

( )

in de uitgangstoestand van de faxmodus.

Opmerking

Het scherm met communicatie-instellingen kan ook worden weergegeven vanuit het scherm voor het selecteren van een functie.

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ) om het functieselectiescherm weer te geven, selecteer "Comm. instelling" met de [ ] of [ ] toets en druk op [OK].

2

Selecteer "Handmatig" en druk op de [OK] toets.

Opmerking

Als u wilt terugkeren naar automatische ontvangst, selecteert u "Auto" in stap 1 hierboven.

Handmatig een fax ontvangen

Wanneer de machine overgaat, drukt u op de [SPEAKER] toets ( ). Selecteer "Ja" om de fax te ontvangen. Als u de geselecteerde fax niet wilt ontvangen, selecteert u "Nee".

96

FAXFUNCTIES

FUNCTIETOETS

Dit is de instelling die in eerste instantie wordt weergegeven wanneer u in de faxmodus op de [SPECIALE

FUNCTIE] toets ( ) drukt.

FAX VASTHOUDMODE

Normaal gesproken worden faxen afgedrukt zodra ze worden ontvangen.

Deze functie wordt gebruikt om ontvangen faxen vast te houden in het geheugen in plaats van ze meteen bij ontvangst af te drukken.

Faxen die in het geheugen worden vastgehouden, worden handmatig en allemaal tegelijk afgedrukt.

Instellingen die nodig zijn voor Fax Vasthoudmode

Als een fax wordt ontvangen wanneer de automatische uitschakelfunctie is geactiveerd ("STROOM IN- EN

UITSCHAKELEN" (p.15)), keert de machine terug naar de normale werking om de fax te kunnen afdrukken. Als er

regelmatig faxen binnenkomen, komt de automatische uitschakelfunctie dus regelmatig in actie. Zo bespaart u stroom.

Als u zo veel mogelijk stroom wilt besparen, ook 's nachts en op andere momenten dat uw ontvangen faxen niet meteen hoeven te worden afgedrukt, schakel dan de Fax Vasthoudmode in. Wanneer Fax Vasthoudmode tegelijk met de automatische uitschakelfunctie actief is, wordt de automatische uitschakelfunctie niet uitgeschakeld op het moment dat een fax binnenkomt.

U wordt aangeraden om Fax Vasthoudmode in en uit te schakelen volgens uw specifieke omstandigheden. U schakelt deze functie bijvoorbeeld in 's nachts en uit overdag.

Opmerking

• Wanneer Fax Vasthoudmode is ingeschakeld en er staan ontvangen faxen in het geheugen, dan knippert de

GEGEVENS indicator ( ) boven de [FAX] toets ( ) op het bedieningspaneel en ziet u een bericht op het scherm. (Wanneer de ontvangen faxberichten worden afgedrukt, stopt de indicator met knipperen en verdwijnt het bericht.)

• Als het resterende vrije geheugen op 0% komt, kunnen geen faxen meer worden ontvangen. Daarom is het belangrijk dat u altijd goed controleert of er nog voldoende geheugen vrij is en dat u uw ontvangen faxen regelmatig afdrukt.

Het percentage vrij geheugen is te zien in het basisscherm van de faxmodus. (p.81)

Selecteer de functie "Fax Vasthoudmode".

Fax Vasthoudmode inschakelen

Opmerking

Als het in de systeeminstellingen met

"Uitschakelen Fax Vasthoud Modus" (p.185)

onmogelijk is gemaakt dat Fax

Vasthoudmode wordt gebruikt, is inschakelen van deze functie niet mogelijk.

Selecteer "Instelling" gevolgd door

"AAN".

Selecteer "UIT" als u Fax Vasthoudmode wilt uitschakelen.

97

Ontvangen faxen uit het geheugen afdrukken

Selecteer "Fax Vasthoudmode" gevolgd door "Afdrukken".

FAXFUNCTIES

AUTOMATISCH VERZENDEN OP EEN BEPAALDE

TIJD

Het is mogelijk om automatisch een verzending of polling te laten uitvoeren op een bepaald tijdstip (maximaal één week later). Dit is handig wanneer u niet op kantoor bent of wanneer u het daltarief ('s nachts) wilt gebruiken. Er kan een gecombineerd totaal van 50 taken voor timer- en geheugenverzending tegelijk worden opgeslagen.

Opmerking

• Nadat een timerverzending is uitgevoerd, worden de gegevens (afbeelding, bestemming enz.) automatisch uit het geheugen gewist.

• Voor een timerverzending moet het origineel eerst worden gescand en in het geheugen worden opgeslagen. U kunt het origineel niet in de automatische origineelinvoer of op de glasplaat achterlaten en het pas laten scannen op het moment van verzending.

• De datum en tijd worden ingesteld met behulp van de systeeminstellingen.

(Zie "Zomertijd" (p.176).)

• Voor polling kan er maar één timerbewerking worden ingesteld. Als u meerdere pollingtaken wilt instellen, breng de machines waar u een fax wilt opvragen dan onder in één opdracht voor seriële polling met een

timerinstelling (zie "Seriële polling" (p.101)).

1

Selecteer "Timer mode" en druk op de [OK] toets.

Als er een tijd is opgegeven, staat er een vinkje voor "Timer mode". Als u de opgegeven tijd wilt annuleren, druk dan op de [UITLOGGEN] toets ( ) van het bovenstaande scherm met "Timer Mode" geselecteerd.

De huidige tijd wordt weergegeven. Als de huidige tijd niet correct is, drukt u op de [CA] toets om de bewerking

te annuleren. Zie "Zomertijd" (p.176) om de ingestelde tijd aan te passen.

2

Selecteer de dag van de week met de [ ] of [ ] toets.

De geselecteerde dag wordt gemarkeerd. Als u "Geen dag geselec" selecteerd, wordt de verzending uitgevoerd op het opgegeven tijdstip. Als u wilt terugkeren naar [TIJD INSTELLING], drukt u op de [TERUG] toets ( ).

Opmerking

• Als u een timeropdracht wilt annuleren nadat de bovenstaande procedure beëindigd is, volgt u de procedure in

"ANNULEREN VAN FAXVERZENDING" (p.93).

• De opdracht krijgt automatisch een taaknummer toegewezen. Dit nummer kunt u gebruiken om een

opgeslagen taak te annuleren. (Zie Een opgeslagen verzendtaak annuleren (scherm van stap 3) op p.94.)

• U kunt andere handelingen uitvoeren nadat u een timeropdracht hebt geprogrammeerd. Als er een andere taak wordt uitgevoerd op het opgegeven tijdstip, begint de timerverzending zodra die taak is voltooid.

98

FAXFUNCTIES

HETZELFDE DOCUMENT IN EEN HANDELING NAAR

MEERDERE BESTEMMINGEN VERZENDEN

Deze functie wordt gebruikt om een faxbericht naar meerdere bestemmingen te zenden in een enkele handeling.

Het origineel dat verzonden moet worden, wordt gescand in het geheugen en daarna naar de geselecteerde bestemmingen verzonden. Deze functie is handig voor doeleinden zoals de verspreiding van een rapport aan de verschillende afdelingen van het bedrijf. U kunt maximaal 100 bestemmingen selecteren.

Als verzending naar alle bestemmingen voltooid is, wordt het document automatisch uit het geheugen gewist.

Opmerking

• Als u vaak faxen naar dezelfde groep bestemmingen rondzendt, is het handig om deze bestemmingen onder een

groepsnummer op te slaan. De procedure voor het programmeren van groepsnummers wordt uitgelegd op p.103.

• Als er een groepsnummer wordt gebruikt om een faxbericht te versturen, wordt de fax verspreid (verzonden) naar alle bestemmingen uit die groep. Bijvoorbeeld, als vijf bestemmingen zijn geprogrammeerd in een groepsnummer en de toets voor die groep wordt ingedrukt voor distributieverzending, heeft de distributieverzending vijf bestemmingen.

Beep

Bestemming A

(ontvanger)

Afzender

Orig. Afm.

Resolutie

Uitzenden

Programma

Selecteer de distributiefunctie.

Ontvangst

Opeenvolgende verzending

Beep

Bestemming B

(ontvanger)

Het document wordt gescand naar het geheugen.

Ontvangst

Beep

Bestemming B

(ontvanger)

Ontvangst

1

Voer een volledig faxnummer in met de cijfertoetsen of druk op een automatische kiestoets (snelkiestoets, verkort kiesnummer of groepsnummertoets) om de eerste

bestemming te selecteren. (p.87)

Het selectiescherm bestemmingen verschijnt. Als u een fout wilt wissen tijdens de invoer van een volledig nummer met de cijfertoetsen, drukt u op de [C] toets en wist u één cijfer per keer. Een met een snelkiesnummer of groepsnummer geselecteerde bestemming wordt aangegeven met een pictogram en een nummer. Als u een ingevoerd gegeven wilt wissen, drukt u op de [C] toets.

2

Druk op de [OK] toets en selecteer de volgende bestemming door een volledig faxnummer in te voeren of op een automatische kiestoets te drukken.

Nadat u een volledig nummer met de cijfertoetsen hebt ingevoerd, drukt u op de [OK] toets om de invoer te voltooien. Als u op een automatische kiestoets drukt in stap 1, hoeft u niet op de [OK] toets te drukken. U kunt onmiddellijk op een andere automatische kiestoets drukken voor de volgende bestemming. Herhaal de stappen 1 en 2 om de resterende bestemmingen te selecteren.

Opmerking

• Als u een nummer moet wissen waarvan de invoer al voltooid is door op de [OK] toets te drukken, gebruikt u de [ ] of [ ] toets om het nummer te selecteren en drukt daarna op de [C] toets.

• Als de geselecteerde bestemmingen het displaybereik van het meldingscherm overschrijden, drukt u op de

[ ] of [ ] toets om door de lijst te scrollen en de bestemmingen te controleren.

• Bestemmingen kunnen ook worden geselecteerd met de adresdirectory en de [OPNIEUW KIEZEN] toets (

Let er echter op dat de [OPNIEUW KIEZEN] toets (

).

) alleen kan worden gebruikt om de eerste bestemming te selecteren (de toets moet worden gebruikt voordat andere bestemmingen zijn geselecteerd).

• Als u twee groepsnummers met elk 50 stations gebruikt, is het totaal aantal ingevoerde bestemmingen 100.

3

Vervolg vanaf stap 7 in "BASISPROCEDURE VOOR FAXBERICHTEN VERZENDEN" (p.85).

Opmerking

Een distributieverzending annuleren

Als u een distributieverzending wilt annuleren tijdens het selecteren van bestemmingen, drukt u op de [CA] toets.

Als u een verzending wilt annuleren nadat de verzendprocedure beëindigd is, volgt u de procedure in

"ANNULEREN VAN FAXVERZENDING" (p.93).

99

FAXFUNCTIES

VERZENDOPTIES

Met deze functie kan uw machine een andere faxmachine bellen en de ontvangst van het document in die machine starten. Een timerinstelling kan ook worden ingesteld voor een handeling die 's nachts plaats vindt of op een ander specifiek tijdstip.

(Zie "AUTOMATISCH VERZENDEN OP EEN BEPAALDE TIJD" (p.98).)

Uw machine De andere machine

(2) Staat polling toe.

(1) Polling (of Navragen, een andere machine vragen om een document te sturen)

(4) Het document wordt automatisch naar uw machine gestuurd

(3) Document dat eerder is gescand en in het geheugen is opgeslagen

Groepsnummers en "HETZELFDE DOCUMENT IN EEN HANDELING NAAR MEERDERE BESTEMMINGEN

VERZENDEN" (p.99) kunnen worden gebruikt om meerdere faxmachines in een enkele handeling te pollen (dit heet

"seriële polling"). U kunt maximaal 100 machines pollen.

In dit geval wordt de volgorde van de handelingen in het diagram hierboven herhaald voor iedere geselecteerde verzendende machine.

Wanneer u de functie Openbaar Vak gebruikt, mag u de faxontvangstmodus niet op "Handmatig" zetten. (Zie

"HANDMATIGE FAXONTVANGST" (p.96).)

Opmerking

Als de andere machine Poll beveiliging gebruikt (zie "Pollingtoegang beperken (pollbeveiliging)" (p.103)), moet

uw faxnummer (nummer van afzender) in de systeeminstellingen zijn geprogrammeerd (zie "Eig toegangs ins"

(p.184)) en moet uw nummer ook zijn geprogrammeerd in de andere machine.

1

Selecteer "Verzendopties".

NAVRAGEN

2

Selecteer "Navragen".

3

Druk op de [OK] toets en voer met de cijfertoetsen het faxnummer van de andere machine in of geef een snelkiesnummer op (groepsnummer niet mogelijk).

4

Druk op [OK]. Druk op de [ZWART-WIT START] toets. "Poll reservering is ingesteld." wordt weergegeven. Na communicatie met de andere machine drukt uw machine de ontvangen fax af.

Opmerking

Als u de bewerking wilt annuleren

Tijdens de communicatie: Annuleer zoals uitgelegd in "Annuleren van faxverzending" (p.93).

Tijdens het opslaan van de taak: Annuleer zoals uitgelegd in "Een opgeslagen verzendtaak annuleren" (p.94).

100

FAXFUNCTIES

Seriële polling

U kunt instellen dat u polling wilt gebruiken voor meerdere faxmachines.

Selecteer "Ser. poll" in stap 1 tot en met 2 van de pollingprocedure "NAVRAGEN" (p.100).

Voordat u in stap 3 op de [ZWART-WIT START] toets drukt, herhaalt u stap 1 en 2 voor elke machine die u wilt pollen.

De ontvangende machine draagt de kosten (telefoonkosten) van de pollingverzending.

Opmerking

POLLINGGEHEUGEN

Met deze functie kan uw machine automatisch een van te voren gescand document verzenden naar het geheugen wanneer een andere machine opbelt en uw machine polt.

Uw machine De andere machine

(2) Staat polling toe.

(3) Document dat eerder is gescand en in het geheugen is opgeslagen

(1) Polling

(vraagt verzending aan)

(4) Het document wordt automatisch naar de andere machine gestuurd

Opmerking

De machine die om verzending vraagt draagt de kosten (telefoonkosten) van de verzending.

Wanneer u de functie Openbaar Vak gebruikt, mag u de faxontvangstmodus niet op "Handmatig" zetten. (Zie

"HANDMATIGE FAXONTVANGST" (p.96).)

101

FAXFUNCTIES

Een document in het pollinggeheugen scannen

In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u een document scant en opslaat in het pollinggeheugen. Als het pollinggeheugen al andere documenten bevat, wordt het nieuwe document aan die documenten toegevoegd. Als de vorige documenten niet meer nodig zijn, kunnen ze worden vervangen.

1

Selecteer "Geheugen polling".

2

Druk op de [OK] toets en selecteer "1 Maal" of "Herhalen".

Als u "1 Maal" selecteert, wordt het document automatisch uit het geheugen gewist zodra het document eenmaal is opgevraagd bij uw machine. Als u

"Herhalen" selecteert, kan het document in het geheugen meerdere keren worden opgevraagd.

• Als het pollinggeheugen geen eerder opgeslagen documenten bevat , wordt het bovenstaande scherm weergegeven.

• Als er wel eerder opgeslagen documenten in het pollinggeheugen staan, wordt u in een scherm gevraagd wat u wilt doen.

(1) Als u het nieuwe document wilt toevoegen, selecteert u "Toevoegen" met de [ ] of [ ] toets, waarna u op de [OK] toets drukt en naar stap 2 gaat.

(2) Als u het vorige document wilt vervangen door het nieuwe document, selecteert u "Veranderen" met de [ ] of [ ] toets, waarna u op [OK] drukt en naar stap 2 gaat.

3

Druk op de [OK] toets en vervolgens op de [ZWART-WIT START] toets.

• Het scannen begint.

• Als u scant vanaf de glasplaat en nog een pagina wilt scannen, verander dan van pagina en druk op de

[ZWART-WIT START] toets. Herhaal dit tot alle pagina's zijn gescand en druk dan op de [EINDE LEZEN] toets ( ).

4

Zorg ervoor dat de ontvangstmodus op automatische ontvangst staat. ("DE

ONTVANGSTMODUS INSTELLEN" (p.96))

De verzending begint wanneer de andere machine belt en het document opvraagt bij uw machine.

Opmerking

Het scannen annuleren

Als u het scannen van een document wilt annuleren tijdens het scannen, drukt u op de [C] toets. Als u

documenten uit het Openbaar Vak wilt verwijderen, volgt u de procedure in "Documenten uit het pollinggeheugen verwijderen" (p.103).

Documenten uit het pollinggeheugen afdrukken

Als u een document in het Openbaar Vak wilt controleren, volgt u deze stappen om het document af te drukken.

1

Volg stap 1 in "Een document in het pollinggeheugen scannen" (p.102) en volg verder

de stappen hieronder.

2

Selecteer "Print" met [ ] of [ ] en druk op [OK].

Het afdrukken begint automatisch.

102

FAXFUNCTIES

Documenten uit het pollinggeheugen verwijderen

Met deze procedure verwijdert u documenten uit het pollinggeheugen die niet meer nodig zijn.

1

Selecteer "Verwijderen".

2

Druk op [OK].

Er verschijnt een scherm waarin u wordt verzocht om de verwijdering te bevestigen.

3

Selecteer "JA" met de [ ] of [ ] toets en druk op [OK].

De documenten worden uit het pollinggeheugen verwijderd.

Opmerking

Verwijderen is niet mogelijk wanneer het pollinggeheugen in gebruik is.

Pollingtoegang beperken (pollbeveiliging)

Als u wilt voorkomen dat faxmachines die daar geen toestemming voor hebben iets opvragen bij uw machine, kunt u de pollbeveiliging inschakelen. Wanneer deze functie is ingeschakeld, is polling alleen mogelijk als het faxnummer van de andere machine (geprogrammeerd in die machine als nummer van de afzender) is vastgelegd in uw machine als wachtwoordnummer. U kunt maximaal 10 faxnummers programmeren als wachtwoordnummer.

Zie "Polling toegangs Nr.mode" (p.189) in de systeeminstellingen als u de pollbeveiliging wilt inschakelen en

wachtwoordnummers wilt programmeren.

Opmerking

• Als u de pollbeveiliging niet gebruikt, wordt het document verzonden naar elke faxmachine die een document bij u opvraagt.

• Als u het pollinggeheugen wilt gebruiken met de beveiliging ingeschakeld, moet in de andere machine een nummer zijn geprogrammeerd als afzender en in uw machine moet datzelfde nummer zijn vastgelegd.

NUMMERS VOOR AUTOMATISCH KIEZEN OPSLAAN,

BEWERKEN EN VERWIJDEREN (SNELKIESNUMMERS EN

GROEPSNUMMERS)

Nummers om automatisch te kiezen worden opgeslagen in het scherm daarvoor. Volg de stappen hieronder om het scherm voor het opslaan van nummers voor de automatische kiesfunctie weer te geven en sla vervolgens een nummer op.

1

Selecteer "Ingave" en druk op de [OK] toets.

2

Selecteer "Kies" met de [ ] of [ ] toets.

3

Selecteer "Snelheid", "Groep" of "Verander/Verwijd" met de [ ] of [ ] toets.

4

Druk op de [VERKORTKIES] toets ( ) en voer het faxnummer van de bestemming in met de cijfertoetsen.

• Voer het gewenste snelkiesnummer (000 tot 299) in met de cijfertoetsen.

• U kunt maximaal 50 cijfers invoeren voor het faxnummer. Als u een pauze wilt inlassen tussen de cijfers, drukt u op de [OPNIEUW KIEZEN/PAUZE] toets ( ). De pauze wordt weergegeven als streepje (-). Zie

"Pauze tijd" (p.184) als u de duur van de pauze wilt instellen.

103

FAXFUNCTIES

5

Voer zoektekens in (zie "TEKENS INVOEREN" (p.24)).

6

U beëindigt het opslaan door te drukken op de [ZWART-WIT START] toets. Als u een optie zoals Chain bellen, de verzendsnelheid of de modus voor internationale verzending wilt programmeren, drukt u op de [OK] toets.

• Als u op [ZWART-WIT START] hebt gedrukt, keert u terug naar stap 3. Als u nog een nummer wilt opslaan, herhaalt u stap 3 tot en met 6. Als u klaar bent met het opslaan van nummers, drukt u op de [TERUG] toets

( ).

• Als u op [OK] hebt gedrukt, gaat u naar de desbetreffende pagina voor de optie die u wilt programmeren.

• Als u "CHAIN BELLEN" wilt gebruiken, gaat u naar "Chain bellen" (p.104).

• Als u "VERZENDSNELHEID" wilt instellen, gaat u naar "Verzendsnelheid instellen" (p.104).

• Als u "INTERNATIONAL TX" wilt instellen, gaat u naar "Internationale verzending instellen" (p.105).

Opmerking

Over de opties

Bij het opslaan en bewerken van snelkiesnummers kunt u ook de onderstaande opties selecteren. Chain bellen kan niet samen met een van de andere opties worden gebruikt.

Wanneer u een optie selecteert, wordt er een vinkje bij weergegeven.

• Chain bellen U kunt deze functie in- of uitschakelen voor een snelkiesnummer.

• Verzendsnelheid

(p.104)

U kunt de verzendsnelheid instellen op 33.600 bps (maximale

• Internationale verzending snelheid), 14.400 bps (hoge snelheid), 9.600 bps (matige snelheid) of

4.800 bps (lage snelheid). De standaardinstelling is 33.600 bps

(maximale snelheid). (p.104)

U kunt de functie voor internationale verzending uitschakelen of op een van de modi 1 tot en met 3 instellen. De standaardinstelling is "UIT".

(p.105)

Chain bellen

Als u een nummer voor automatisch kiezen wilt instellen als nummer voor Chain bellen, voer dan de procedure in "Nummers om automatisch te kiezen bewerken en verwijderen" (p.106) uit.

Opmerking

Wanneer een nummer is ingesteld voor Chain bellen, kan het faxnummer van de bestemming maximaal 48 cijfers lang zijn.

1

Selecteer "Chain bellen" met de [ ] of [ ] toets en druk op [OK].

• Als er een vinkje staat links naast "Chain bellen", is deze optie al geselecteerd.

• Sluit af door op de [ZWART-WIT START] toets te drukken.

2

Selecteer "Aan" of "Uit" met de [ ] of [ ] toets.

Verzendsnelheid instellen

Als u de verzendsnelheid wilt instellen, voert u de procedure in "Nummers om automatisch te kiezen bewerken en verwijderen" (p.106) uit.

Opmerking

Stel de verzendsnelheid alleen in wanneer u weet welke snelheid het meest geschikt is, bijvoorbeeld wanneer u een fax wilt verzenden naar het buitenland en de telefoonlijn minder goed is. Wijzig deze instelling niet als u niet op de hoogte bent van de kwaliteit van de telefoonverbinding.

1

Selecteer "TX Snelheid" met de [ ] of [ ] toets en druk op [OK].

2

Selecteer de gewenste verzendsnelheid met de [ ] of [ ] toets.

Opmerking

Als u een andere snelheid dan 33.600 bps (maximale snelheid) selecteert, wordt een vinkje weergegeven naast

"TX Verkort" wanneer u terugkeert naar het optiescherm. Deze instelling werkt niet bij polling.

Als u het vinkje wilt verwijderen en de verzendsnelheid weer op "33.600bps" (maximale snelheid) wilt zetten, druk dan op de [UITLOGGEN] toets ( ).

104

FAXFUNCTIES

Internationale verzending instellen

Als u een fax naar het buitenland wilt sturen, voert u de procedure in "Nummers om automatisch te kiezen bewerken en verwijderen" (p.106) uit.

Opmerking

• Wanneer u een fax stuurt naar het buitenland, kan het voorkomen dat er storing optreedt op de telefoonlijn waardoor de faxverzending wordt onderbroken. Met de juiste instelling kunt u iets doen aan deze problemen.

• Als u regelmatig last hebt van storingen tijdens het faxen naar het buitenland, probeer dan de modi 1 tot 3 en selecteer de modus die het beste resultaat oplevert.

1

Selecteer "Chain bellen" met de [ ] of [ ] toets en druk op [OK].

2

Selecteer de gewenste functie met de [ ] of [ ] toets.

Opmerking

Als u een andere snelheid dan "Uit" selecteert, wordt een vinkje weergegeven naast "International TX" wanneer u terugkeert naar het optiescherm.

Als u het vinkje wilt verwijderen en de internationale verzending weer op "Uit" wilt zetten, druk dan op de

[UITLOGGEN] toets ( ).

Een groepsnummer opslaan

U kunt een groepsnummer opslaan door de onderstaande stappen uit te voeren in het scherm daarvoor.

1

Druk op de [VERKORTKIES] toets ( ).

Voer het gewenste groepsnummer (000 tot 299) in met de cijfertoetsen.

Als u op een nummer drukt dat al is opgeslagen, wordt een waarschuwing weergegeven.

Opmerking

Een groepsnummer is een nummer waaronder u meerdere bestemmingen opslaat. Als u vaak faxen stuurt naar dezelfde groep bestemmingen met de distributiefunctie (waarmee u hetzelfde document in één handeling

verzendt naar meerdere bestemmingen (p.99)), is het handig om die bestemmingen te programmeren onder een

toets.

2

Voer een naam voor de groep in (zie "TEKENS INVOEREN" (p.24)).

3

Sla de bestemmingen op met behulp van snelkiesnummers en de cijfertoetsen.

• Als u een snelkiesnummer wilt opslaan, drukt u op de [VERKORTKIES] toets ( ) en voert u vervolgens het gewenste snelkiesnummer (000 tot 299) in met de cijfertoetsen. Als u op de verkeerde toets drukt, druk dan op de [C] toets en vervolgens op de juiste toets.

• Chain bellen, verzendsnelheid en internationale verzending kunnen niet worden geselecteerd. Als u een optie wilt selecteren voor de bestemming, sla de bestemming dan eerst op onder een snelkiesnummer en sla de bestemming vervolgens op in een groep. U kunt maximaal 50 cijfers invoeren voor het faxnummer.

Als u een pauze wilt inlassen tussen de cijfers, drukt u op de [OPNIEUW KIEZEN/PAUZE] toets ( ). De

pauze wordt weergegeven als streepje (-). Zie "Pauze tijd" (p.184) als u de duur van de pauze wilt instellen.

Als u klaar bent met het invoeren van het faxnummer, drukt u op [OK].

4

Herhaal stap 3 voor alle bestemmingen die u wilt opslaan onder het groepsnummer.

U kunt maximaal 100 bestemmingen opslaan in één groep.

105

FAXFUNCTIES

Nummers om automatisch te kiezen bewerken en verwijderen

Als u een nummer om automatisch te kiezen wilt bewerken of verwijderen, volgt u eerst stap 1 tot en met 6 op

p.103

en volgt u

verder de stappen hieronder.

Opmerking

Een snelkiesnummer dat op dat moment wordt gebruikt voor een verzending die bezig is of voor een opgeslagen verzending, kan niet worden bewerkt of verwijderd.

Een snelkiesnummer bewerken

1

Selecteer "VERKORTKIES" en selecteer "VERANDEREN" met de [ ] of [ ] toets.

2

Druk op de [VERKORTKIES] toets ( ) en pas het faxnummer aan met de cijfertoetsen.

• Druk op de [VERKORTKIES] toets ( ) en voer vervolgens met de cijfertoetsen het snelkiesnummer

(000 tot 299) in dat u wilt aanpassen.

• Beweeg de cursor met de [ ] of [ ] toets naar het (de) cijfers(s) dat (die) u wilt aanpassen en voer vervolgens met de cijfertoetsen het (de) juiste cijfer(s) in.

• Als u een cijfer wilt verwijderen, beweegt u de cursor naar dat cijfer met de [ ] of [ ] toets en drukt u vervolgens op [C].

3

U beëindigt het opslaan door te drukken op de [ZWART-WIT START] toets. Als u een optie zoals de F-code, Chain bellen, de verzendsnelheid of de modus voor internationale verzending wilt programmeren, drukt u op de [OK] toets.

Een snelkiesnummer verwijderen

1

Selecteer "VERWIJDEREN" en druk op de [VERKORTKIES] toets ( ).

Druk op de [VERKORTKIES] toets ( ) en voer vervolgens met de cijfertoetsen het snelkiesnummer

(000 tot 299) in dat u wilt verwijderen.

2

Selecteer "VERWIJDEREN" met de [ ] of [ ] toets.

Opmerking

Als u "Niet verwijderen" selecteert, kunt u op de ( ) toets drukken om de naam van de bestemming te controleren. Als u een bestemming wilt verwijderen, controleer dan eerst de naam van de bestemming voordat u de bestemming verwijdert.

Groepsnummers bewerken en verwijderen

Als u een groepsnummer wilt bewerken of verwijderen, volgt u eerst stap 1 tot en met 3 in "NUMMERS VOOR

AUTOMATISCH KIEZEN OPSLAAN, BEWERKEN EN VERWIJDEREN (SNELKIESNUMMERS EN

GROEPSNUMMERS)" (p.103) en volgt u verder de stappen hieronder.

Opmerking

In de onderstaande situaties kunt u geen groepsnummers bewerken of verwijderen.

• Het groepsnummer is opgeslagen in een programma

Een groepsnummer bewerken

1

Selecteer "G

ROEP" en druk op de [OK] toets.

2

Druk op het groepsnummer (een van de snelkiesnummers [01] tot [50]) die u wilt

bewerken en pas aan.

3

Wanneer u klaar bent met het bewerken van de bestemmingen, drukt u op de

[ZWART-WIT START] toets.

Een groepsnummer verwijderen

1

Selecteer "VERWIJDEREN" met de [ ] of [ ] toets en druk op de groep die u wilt verwijderen.

2

Selecteer "Verwijderen" met de [ ] of [ ] toets.

Opmerking

Als u "NIET VERWIJDEREN" selecteert, kunt u op de ( ) toets drukken om de naam van de bestemming te controleren. Als u een bestemming wilt verwijderen, controleer dan eerst de naam van de bestemming voordat u de bestemming verwijdert.

106

FAXFUNCTIES

PROGRAMMA'S OPSLAAN, BEWERKEN EN

VERWIJDEREN

U kunt de adresinstelling, de verzendmethode, de invoer van het origineelformaat, het dubbelzijdig scannen, de resolutie en belichting, het verzenden van uw eigen nummer en de verzendinstellingen opslaan.

Op deze manier kunt u de instellingen gebruiken voor een verzending in één eenvoudige handeling (zie

"INSTELLINGEN GEBRUIKEN DIE ALS PROGRAMMA ZIJN OPGESLAGEN" (p.112)).

* Verzendmethoden: normaal, distribueren, polling en seriële polling.

Opmerking

Instellingen voor een scherm en timer kunnen niet in een programma worden opgeslagen.

Als u een programma wilt opslaan, volgt u eerst stap 1 tot en met 3 in "NUMMERS VOOR AUTOMATISCH KIEZEN

OPSLAAN, BEWERKEN EN VERWIJDEREN (SNELKIESNUMMERS EN GROEPSNUMMERS)" (p.103) en volgt u

verder de stappen hieronder.

1

Selecteer "Ingeven" en vervolgens "Registr. Progr." met de [ ] of [ ] toets.

2

Selecteer "Enter", "Veranderen" of "Wissen" met de [ ] of [ ] toets.

• Als u een programma wilt opslaan, selecteert u "Enter" en drukt u op [OK].

Vervolg vanaf stap 3 van .

• Als u een programma wilt bewerken, selecteert u "Veranderen" en drukt u op

[OK].

Volg verder de stappen in "PROGRAMMA'S BEWERKEN" (p.108).

• Als u een programma wilt verwijderen, selecteert u "Wissen" en drukt u op

[OK].

Volg verder de stappen in "PROGRAMMA'S VERWIJDEREN" (p.108).

EEN PROGRAMMA OPSLAAN

3

Selecteer het programma dat u wilt opslaan met de [ ] of [ ] toets.

Als u een programma selecteert dat al is opgeslagen, wordt een bericht weergegeven. Selecteer een

programma dat niet is opgeslagen of wis het programma eerst (p.108) en selecteer het dan.

4

Selecteer het programma dat u wilt opslaan met de [ ] of [ ] toets.

• U kunt een verzendmethode, voorblad/bericht, instellingen voor resolutie/belichting, dubbele pagina's, naam afzender en verzendinstellingen opslaan.

• Het opslaan van een verzendmethode is verplicht. De opslagprocedure kan alleen worden voltooid als u ook een verzendmethode opslaat.

• Zie de uitleg bij de instellingen voor de procedure voor het selecteren van de verschillende instellingen.

• Als u het selecteren van een instelling wilt annuleren, selecteert u eerst de instelling die u wilt annuleren en drukt u vervolgens op de toets.

• Sommige instellingen kunnen niet in combinatie met elkaar worden gebruikt.

Als u een combinatie hebt geselecteerd die niet mogelijk is volgt er een melding op het display.

107

FAXFUNCTIES

PROGRAMMA'S BEWERKEN

Volg deze stappen als u een eerder opgeslagen programma wilt wijzigen.

3

Selecteer het programma dat u wilt bewerken met de [ ] of [ ] toets.

4

Pas de naam van het programma aan (zie "TEKENS INVOEREN" (p.24)).

• Zie stap 3 van .

• Als u de naam van het programma niet wilt wijzigen, ga dan naar de volgende stap.

5

Selecteer de opgeslagen instelling die u wilt bewerken met de [ ] of [ ] toets.

• Zie stap 4 van .

• Als u de opgeslagen instellingen niet wilt bewerken, druk dan op de [ZWART-WIT START] toets en druk vervolgens op [TERUG] ( ) om af te sluiten.

PROGRAMMA'S VERWIJDEREN

Voordat u een programma verwijdert, kunt u een "Programmalijst" afdrukken om de inhoud te controleren. (p.109)

Volg deze stappen als u een eerder opgeslagen programma wilt verwijderen.

3

Selecteer het programma dat u wilt verwijderen met de [ ] of [ ] toets.

4

Selecteer "VERWIJDEREN" met de [ ] of [ ] toets.

108

FAXFUNCTIES

LIJSTEN MET

GEPROGRAMMEERDE INFORMATIE

EN INSTELLINGEN AFDRUKKEN

Het is mogelijk om lijsten af te drukken met de geprogrammeerde informatie, instellingen en communicatieactiviteit.

U kunt de volgende lijsten uitprinten.

• Bestemmingslijst.: Deze lijst bevat de bestemmingen die in een snelkiesnummer zijn opgeslagen (in de volgorde van hun zoektekens).

• Groepslijst: Deze lijst bevat de bestemmingen die in een groepsnummer zijn opgeslagen.

• Programmalijst: Deze lijst bevat de handelingen die in een programma zijn opgeslagen.

• Timer lijst: Deze lijst bevat de timerverzendingen en herhaalde verzendingen.

• Geh. pollinglijst: Deze lijst bevat de documenten die zijn opgeslagen voor geheugenpolling.

Zie "Lijst Afdrukken" (p.181) voor de overige lijsten die u kunt afdrukken.

1

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ).

2

Selecteer "Lijst Afdrukken" en "Fax" met de [ ] of [ ] toets

3

Selecteer de lijst die u wilt afdrukken met de [ ] of [ ] toets.

Zie hierboven de uitleg van de lijsten die kunnen worden afgedrukt.

AFZENDERINFORMATIE TOEVOEGEN AAN UW

FAXEN (EIGEN NUMMER VERZENDEN)

Deze functie drukt de datum en tijd, uw geprogrammeerde naam en faxnummer en het paginanummer af in het midden bovenaan elke pagina die u faxt. Alle pagina's die u faxt, bevatten deze informatie.

Voorbeeld van faxpagina zoals afgedrukt door ontvangende machine

1-AP-2015-WED 03:00 PM SHARP PLANNING DIV.

FAX No. 0666211221 P. 001/001

(1)

(1) Datum en tijd:

(2) Naam afzender:

(3) Nummer afzender:

(4) Paginanummer:

(2) (3) (4)

Geprogrammeerd in de systeeminstellingen (zie "Zomertijd" (p.176)).

Geprogrammeerd in de systeeminstellingen (zie "Eig toegangs ins" (p.184)).

Geprogrammeerd in de systeeminstellingen (zie "Eig toegangs ins" (p.184)).

Nummer van drie cijfers in de notatie "pagina/totaal aantal verzonden pagina's".

(Bij handmatige verzending, directe verzending en snelle onlineverzending wordt alleen het paginanummer weergegeven.)

Positie van de gegevens van de afzender

In de systeeminstellingen kunt u zelf bepalen of de gegevens van de afzender worden toegevoegd buiten of binnen de

documentgegevens (zie "Afdruk stationnr in ontvangendata" (p.186)). De standaardinstelling is buiten de documentgegevens.

Richting van verzending

Buiten gescande gegevens

(documentgegevens)

Er valt niets van de verzonden afbeelding weg.

De afbeelding is wel langer dan de gescande afbeelding. Wanneer de afzender en ontvanger beide hetzelfde papierformaat gebruiken, kan de fax bij het afdrukken ofwel worden verkleind ofwel over twee pagina's worden verdeeld.

109

Richting van verzending

Binnen gescande gegevens

(documentgegevens)

De bovenrand van de gescande afbeelding valt weg. In de plaats daarvan komen de gegevens van de afzender. Wanneer de afzender en de ontvanger beide hetzelfde papierformaat gebruiken, wordt de fax bij het afdrukken noch verkleind noch over twee pagina's verdeeld.

FAXFUNCTIES

DOORSTUURFUNCTIE

Wanneer afdrukken niet mogelijk is, omdat er een probleem is met papier, toner of anderszins, kunt u de ontvangen faxen doorsturen naar een andere machine, als deze machine correct geprogrammeerd is in uw machine. Deze functie is handig voor het gebruik in een kantoor of andersoortige werkruimte waar een faxmachine aangesloten is op een andere telefoonlijn. Wanneer een fax in het geheugen is ontvangen, knippert het FAX [GEGEVENS] lampje

(zie "Als ontvangen gegevens niet kunnen worden afgedrukt" (p.96)).

(2) Afdrukken niet mogelijk door een papier- of tonerprobleem

(3) "Transfer"-instructie

(5) Afdrukken

(4) Automatisch kiezen en verzenden naar geprogrammeerde transferbestemming

(1) Faxverzending naar uw machine

Opmerking

• Alle ontvangen faxberichten worden doorgestuurd; een bepaald faxbericht kan niet geselecteerd worden voor doorsturen.

• Faxberichten die ontvangen zijn in het geheugen via de functie faxvasthoudmethode (p.97) worden ook

doorgestuurd.

• Het resultaat van het doorsturen wordt aangegeven in het activiteitenrapport (zie "RAPPORT MET EEN

REGELMATIG INTERVAL (COMMUNICATIEACTIVITEITEN- RAPPORT)" (p.121)).

110

FAXFUNCTIES

DE DOORSTUURFUNCTIE GEBRUIKEN

Het faxnummer van de doorstuurbestemming programmeren

Het aantal doorstuurbestemmingen wordt geprogrammeerd in de systeeminstellingen (zie "Ontvangen data Doorst. toestelnr" (p.188)). Er kan slechts een faxnummer geprogrammeerd worden. De doorstuurfunctie kan allen worden

gebruikt, als er een nummer geprogrammeerd is.

Ontvangen faxberichten doorsturen

1

Selecteer "D

oorst. RX. data" met de [ ] of [ ] toets en druk op de [OK] toets.

2

Selecteer "Transfer" met de [ ] of [ ] toets en druk op [OK].

De machine kiest automatisch het doorstuurnummer dat geprogrammeerd is in de systeeminstellingen en begint met doorsturen van de fax of faxen.

Opmerking

Een doorstuurhandeling annuleren

Druk op de [FAX STATUS] toets ( ) en annuleer daarna het doorsturen op dezelfde manier als een gewone

faxverzending. (Zie "ANNULEREN VAN FAXVERZENDING" (p.93).)

De fax(en) die zou(den) worden doorgestuurd keert (keren) terug naar afdrukstandbystatus in uw machine.

• Als doorsturen niet mogelijk is omdat de andere machine bezig is of er een verzendfout optreedt, wordt geprobeerd terug te bellen. Hoe vaak dit gebeurt, is een instelling. Als het doorsturen nog steeds niet is gelukt na het ingestelde aantal pogingen, keert (keren) de fax(en) terug naar de afdrukstandbystatus in uw machine.

• Bij het doorsturen worden alle faxen doorgestuurd die tot op dat moment in het geheugen zijn ontvangen.

De pagina die werd afgedrukt toen het probleem zich voordeed en alle volgende pagina's worden doorgestuurd.

• Nadat een fax is doorgestuurd, worden de faxgegevens automatisch uit het geheugen verwijderd.

111

FAXFUNCTIES

INSTELLINGEN GEBRUIKEN DIE

ALS PROGRAMMA ZIJN

OPGESLAGEN

Met deze functie kunt u de stappen van een bepaalde handeling, inclusief bestemming en scaninstellingen, opslaan in een programma. Deze functie is handig wanneer u vaak documenten, zoals een dagrapport, naar dezelfde bestemming stuurt. Er kunnen 9 programma's worden opgeslagen voor het verzenden van faxen.

Bij het opslaan van een programma kunt u er een naam (maximaal 36 letters) aan geven.

Zie "NUMMERS VOOR AUTOMATISCH KIEZEN OPSLAAN, BEWERKEN EN VERWIJDEREN

(SNELKIESNUMMERS EN GROEPSNUMMERS)" (p.103) voor meer informatie over het opslaan, bewerken en

verwijderen van programma's.

De volgende instellingen kunnen in een programma worden opgeslagen.

(1) Adresinstelling

(2) Verzendmethode

Normale verzending (p.85), distributieverzending

(p.99), polling (p.100), seriële polling (p.101)

(3) Invoer van origineelformaat

(4) Dubbelzijdig scannen

(5) Resolutie en belichting

(6) Eigen nummer verzenden (p.109)

(7) Verzendinstellingen (p.89)

Bij het opslaan van een distributieverzending of opdracht voor seriële polling in een programma kunt u maximaal

200 faxnummers opslaan als bestemming.

Opmerking

• Een programma is anders dan een timerverzending (p.98) in de zin dat een programma niet uit het geheugen

wordt gewist zodra de verzending is gebeurd. Een programma maakt het dus mogelijk om meerdere keren dezelfde verzending uit te voeren. Met programma's is het echter niet mogelijk om een timerinstelling op te geven voor een verzending.

• Een instelling die in een programma kan worden opgeslagen, kan niet worden gewijzigd wanneer een programma wordt gebruikt voor verzending, ook al is die instelling niet opgeslagen in het programma.

• De enige instellingen die u kunt selecteren bij gebruik van een programma, zijn de invoer van het origineelformaat, dubbelzijdig scannen en een timerinstelling.

EEN PROGRAMMA GEBRUIKEN

1

Plaats een origineel in de faxmodus en selecteer "Programma" met de [ ] of [ ] toets.

2

Selecteer het programma dat u wilt gebruiken.

Als niet alle letters van de programmanaam verschijnen, drukt u op de

[EINDE

LEZEN] toets ( )

om alle letters weer te geven. Druk nogmaals op de

[EINDE

LEZEN] toets ( )

om terug te keren naar het oorspronkelijke scherm.

3

Selecteer zo nodig het formaat van het origineel en de overige instellingen, en druk vervolgens op de [ZWART-WIT START] toets.

• De verzending gebeurt volgens het programma.

• Als u een programma hebt geselecteerd dat geen verzendmethode bevat, stel dan eerst de verzendmethode en bestemmingen in voordat u op [ZWART-WIT START] drukt.

Opmerking

Selecteer de instellingen die niet in een programma kunnen worden opgeslagen, voordat u in stap 3 op de

[ZWART-WIT START] toets drukt. Dit zijn het origineelformaat (zie "FORMAAT ORIGINEEL SELECTEREN"

(p.29)), dubbelzijdig scannen (zie "DUBBELZIJDIGE ORIGINELEN FAXEN" (p.88)) en een timerinstelling (zie

"AUTOMATISCH VERZENDEN OP EEN BEPAALDE TIJD" (p.98)).

112

FAXFUNCTIES

ONTVANGEN GEGEVENS NAAR

EEN NETWERKADRES

DOORSTUREN (INSTELLING VOOR

INKOMENDE ROUTING)

U kunt ontvangen faxen automatisch naar een bepaalde gedeelde map laten doorsturen. Deze functie kan bijvoorbeeld worden gebruikt om ontvangen faxen naar een bepaalde map door te sturen zonder ze af te drukken.

Alle instelling voor inkomende routing worden in de webpagina geconfigureerd.

De volgende uitleg veronderstelt dat de webpagina werd geopend met beheerderrechten.

Zie "OVER DE WEBPAGINA’S" (p.190) voor de procedure om de webpagina's te openen.

Configureer de basisinstellingen om Inkomende routing te activeren, voordat de bestemming wordt gespecificeerd.

Klik in het menuframe op [instelling voor inkomende routing]. Klik op de knop [Indienen] na het instellen.

DE BASISINSTELLINGEN CONFIGUREREN

Configureer de basisinstellingen voor Inkomende routing.

De functie Inkomende routing inschakelen

Selecteer [Inschakelen] in [Inkomende routing].

De printstijl van ontvangen gegevens veranderen

Selecteer een printstijl in [Instelling printstijl].

Item

Inkomende routing

Instelling afdrukstijl

Instellingen Beschrijving

Inschakelen, Uitschakelen

De functie Inkomende routing in- of uitschakelen.

Altijd Afdrukken, Afdrukken bij fouten

Selecteer een printstijl van ontvangen gegevens.

113

FAXFUNCTIES

Stel een bestandsnaam in voor het doorsturen van ontvangen gegevens

Selecteer uit het vervolgmenu met items voor de bestandsnaam.

Selecteer het selectievakje "Tekens" om een gewenste tekststring toe te voegen en voer de string in "Voorinstelling van teken" in, waarbij maximaal 64 enkelbyte tekens worden gebruikt.

Selecteer het artikel dat moet worden gebruikt als bestandsnaam onder

"Bestandsnaaminstellingen".

Item

Serienummer

Naam afzender

Datum & tijd

Sessiepaginateller

Unieke identificatie

Tekens

Voorinstelling van teken

Beschrijving

Door Serienummer te selecteren wordt het serienummer van de eenheid aan de bestandsnaam toegevoegd.

Door Naam Afzender te selecteren wordt de naam van de afzender aan de bestandsnaam toegevoegd.

Door Datum & tijd te selecteren worden de datum en tijd aan de bestandsnaam toegevoegd.

Door Sessiepaginateller te selecteren wordt de teller aan de bestandsnaam toegevoegd.

Door Unieke identificatie te selecteren wordt de unieke identificatie aan de bestandsnaam toegevoegd.

Selecteer dit selectievakje om een tekenstring aan de bestandsnaam toe te voegen en voer de tekststring in "Voorinstelling van teken" in, waarbij maximaal 64 tekens worden gebruikt.

Voer een te gebruiken tekststring in "Tekens" in, waarbij maximaal 64 tekens worden gebruikt.

Instelling om te bepalen of het transactierapport moet worden afgedrukt

Selecteer of het transactierapport wordt afgedrukt, wanneer ontvangen gegevens worden doorgestuurd.

Specificeer de bestandsnaam in "Instelling Afdrukken Transactierapport".

Item

Instelling Afdrukken

Transactierapport

Instellingen Beschrijving

Altijd Afdrukken,

Afdrukken bij fouten, Niet afdrukken

Selecteer een printstijl van het transactierapport.

114

FAXFUNCTIES

DE BESTEMMING INSTELLEN

Specificeer een afzenderbron van ontvangen gegevens en een netwerkmap als doorstuurbestemming om een doorstuurtabel in te stellen.

Er kunnen maximaal 10 doorgestuurde tabellen worden geconfigureerd.

Stel voor elke doorgestuurde tabel de volgende items in:

Doorstuurvoorwaarde (inschakelen/uitschakelen doorsturen en voorwaarden om doorsturen te bepalen)

Nummer van afzender (faxnummer)

Bestemming voor doorsturen (netwerkmap)

Opmerking

• De namen van het bestemmingsnummer (doorstuurbestemming 1 tot 10) kan niet worden gewijzigd.

• Alleen de netwerkmap kan worden gespecificeerd als doorstuurbestemming. Scannen naar FTP, desktop en faxnummer kunnen niet worden gespecificeerd.

De lijst met bestemmingen bekijken

1

Klik op [Bestemming].

De lijst met bestemmingen verschijnt.

Item

Inkomende routing

Nummer

Beschrijving

Geeft weer of de functie Inkomende routing is ingeschakeld.

Toont het nummer voor de bestemming voor doorsturen (Bestemming voor doorsturen 1 tot 10).

Door hier op te klikken wordt het scherm "Bestemmingsinstellingen doorsturen" weergegeven.

Doorstuurvoorwaarde

[Verwijderen] toets

Geeft de doorstuurvoorwaarden van de bestemming (inschakelen/uitschakelen en de bestemmingsinstelling bepalen) weer.

Selecteer het selectievakje "Nummer" van het bestemmingsnummer om de doorstuurvoorwaarden, opgeslagen in een bestemmingsnummer, te verwijderen en klik op [Verwijderen].

Toets [Gemarkeerde wissen] Klikt u op deze toets, dan worden alle selectievakjes "Nummer" gewist.

De bestemming instellen

1

Klik op [Bestemming] en klik vervolgens op het bestemmingsnummer om in te stellen.

2

Selecteer [Inschakelen] in "Doostuurvoorwaarde" en selecteer de voorwaarde voor het doorsturen.

Selecteer [Doorsturen (Alle)] of [Doorsturen (Afzender)].

3

Als u ontvangen gegevens van een gespecificeerde afzender wilt doorsturen, voert u het faxnummer van de afzender in "Nummer van afzender" in.

Voer het faxnummer in met behulp van maximaal 20 cijfers. Klik op de toets [Selecteren uit adresboek] om het faxnummer in te voeren uit de faxadressen die op de machine zijn opgeslagen. Het scherm

"FAX-bestemmingen" verschijnt en u kunt het nummer van de afzender uit de faxadreslijst selecteren.

4

Voer de netwerkmap van bestemming in "Bestemming voor doorsturen (Max. 5)" in.

Er kunnen maximaal vijf netwerkmappen als bestemming worden gespecificeerd.

Twee soorten methoden zijn beschikbaar voor het invoeren van de bestemming. De ingestelde netwerkmappen worden in "Bestemmingsinstellingen doorsturen" weergegeven.

• Een netwerkmap rechtstreeks invoeren

Klik op de knop [Directe Invoer]. Wanneer "Bestemmingsinstellingen doorsturen (Directe invoer)" verschijnt, voert u gegevens voor een netwerkmap in ("Hostnaam of IP-adres", "Gebruikersnaam", "Wachtwoord") en klikt u op de knop [Indienen].

• Een netwerkmap uit het adresboek selecteren

Klik op de knop [Selecteren uit adresboek]. Het scherm "Bestemmingslijst." verschijnt en u kunt een netwerkmap uit de lijst met netwerkmappen selecteren.

Opmerking

Om een ingestelde netwerkmap te verwijderen, selecteert u het selectievakje links van de netwerkmap die u wilt verwijderen en klik vervolgens op de knop [Verwijderen].

115

FAXFUNCTIES

Doorstuurvoorwaarde

Item

Doorsturen

Voorwaarde

Instellingen

Inschakelen,

Uitschakelen

Doorsturen (Alle),

Doorsturen

(Afzender)

Beschrijving

Schakel de in te stellen bestemming in of uit in dit scherm.

Selecteer de bepalingsvoorwaarde voor het doorsturen van ontvangen

FAX-gegevens.

Nummer van afzender

Item Beschrijving

Faxnr.

Voer het faxnummer van de afzender in als u "Doorsturen (Afzender)" hebt geselecteerd onder de "Doorstuurvoorwaarden"-instellingen. U kunt maximaal 20 cijfers invoeren.

[Selecteren uit adresboek] knop Klik hierop om het faxnummer te selecteren uit de faxnummers die zijn opgeslagen in deze machine.

Bestemming voor doorsturen (Max. 5)

Item

Bestemmingsinstellingen doorsturen

[Verwijderen] toets

Beschrijving

Geeft de opgeslagen bestemmingen weer. Als er geen bestemming wordt opgeslagen, verschijnt "Niet ingesteld".

Verwijdert de geselecteerde bestemming.

[Directe invoer] toets Klik hierop om een netwerkmap rechtstreeks in te voeren.

[Selecteren uit adresboek] knop Klik hierop om een netwerkmap te selecteren uit de lijst met adressen die in deze machine is opgeslagen.

EEN FAX RECHTSTREEKS VANUIT

EEN COMPUTER VERZENDEN

(PC-Fax)

U kunt een document in een computer via de machine versturen als fax. De procedure voor het faxen via de functie

PC-Fax is hetzelfde als de procedure voor het afdrukken van documenten. Selecteer het stuurprogramma van de

PC-Fax als stuurprogramma voor het afdrukken en selecteer dan de opdracht Afdrukken in de softwaretoepassing.

Beeldgegevens voor de verzending zullen worden aangemaakt en worden verzonden als fax.

Faxverzending

Opmerking

• Het PC-faxstuurprogramma moet zijn geïnstalleerd om de functie PC-Fax te kunnen gebruiken. Zie voor meer informatie de Handleiding software-installatie.

• Deze functie is alleen beschikbaar voor Windows-computers.

• Deze functie kan alleen worden gebruikt voor verzending. U kunt geen faxen ontvangen op uw computer.

116

FAXFUNCTIES

EEN EXTRA TELEFOON AANSLUITEN

U kunt een telefoon met de machine verbinden en deze als extratelefoon gebruiken om gesprekken te voeren en te ontvangen zoals een normale telefoon. Faxontvangst kan ook geactiveerd worden van een extra telefoon die met de machine verbonden is. (bediening op afstand)

EEN EXTRA TELEFOON AANSLUITEN

Steek het uiteinde van het verlengsnoer in de plug voor de extra telefoon aan de linkerkant van de machine.

Plug voor extra telefoon

Let op of u een kliktoon hoort, waardoor wordt aangegeven dat het snoer stevig is aangesloten.

Opmerking

Gebruik alleen een extra telefoon die in een modulaire aansluiting past.

Als de stekker aan het snoer niet geschikt is voor de aansluiting, informeert u bij uw dealer of het dichtstbijzijnde servicecentrum van Sharp.

117

FAXFUNCTIES

EEN EXTRA TELEFOON GEBRUIKEN

Een extra telefoon gebruiken voor gesprekken

Een extra telefoon verbonden met de machine kan gebruikt worden om telefoongesprekken te voeren en te ontvangen, zoals via een normale telefoon.

Een extra telefoon kan tegelijk met een andere modus (kopiëren bijvoorbeeld) worden gebruikt.

Opmerking

• Tijdens een stroomstoring kunt u mogelijk niet bellen via uw lijn. Dit hangt af van het soort lijn (glasvezel en dergelijke).

• Als de faxontvangstmodus ingesteld is op automatische ontvangst, moet u voor de beantwoording de hoorn optillen, voordat de machine automatisch antwoordt. De machine is standaard ingesteld op beantwoording na twee beltonen. U kunt het aantal beltonen wijzigen van 0 tot 9 in de systeeminstellingen. (Zie

"Aant. bel sig.

RX" (p.187)

.)

• Een gesprek kan niet in de wacht worden geplaatst.

Faxontvangst activeren vanaf een extra telefoon (ontvangst op afstand)

Nadat u een oproep hebt aangenomen op de extra telefoon, kunt u vanaf dat toestel de ontvangst van een fax activeren. (Dit heet "ontvangst op afstand".) Na een gesprek of nadat u hebt gehoord dat het een fax is, voert u de volgende procedure uit (zonder op te hangen). (Als u de oproep zelf bent begonnen, is ontvangst op afstand niet mogelijk.)

Opmerking

De volgende procedure is niet mogelijk als pulskiezen wordt gebruikt op uw lijn en uw extra telefoon niet in staat is om toonsignalen te produceren. Zie de handleiding van uw extra telefoon als u wilt weten of dat toestel toonsignalen kan produceren.

1

Als u met een pulstelefoonlijn werkt, stel de extra telefoon dan zo in dat het toestel toonsignalen produceert.

Zie de handleiding van de telefoon om het toestel in te stellen op toonsignalen.

Als uw telefoon al is ingesteld op toonsignalen, ga dan naar de volgende stap.

2

Druk eenmaal op de toets en tweemaal op de toets op de extra telefoon.

De faxontvangst wordt geactiveerd.

3

Hang de extra telefoon weer op.

Opmerking

Het eencijferige nummer waarmee de faxontvangst vanaf een extra telefoon wordt geactiveerd (standaard is dit

"5"), heet het "extern ontvangstnummer". U kunt dit nummer te allen tijde wijzigen (van 0 tot 9) in de

systeeminstellingen. (Zie "Activeringsmode" (p.185).)

118

FAXFUNCTIES

Een fax verzenden na een gesprek via de telefoon (handmatige verzending)

Als de andere faxmachine op handmatige ontvangst is ingesteld, kunt u met de andere partij praten en vervolgens een fax verzenden zonder de verbinding te verbreken.

Opmerking

Als de lijn bezet is, wordt niet automatisch opnieuw gekozen (p.91).

1

Volg stap 1 tot en met 4 in "BASISPROCEDURE VOOR FAXBERICHTEN VERZENDEN"

(p.85) en volg verder de stappen hieronder.

2

Pak de extra telefoon.

3

Kies het nummer dat u wilt bellen.

4

Praat met de andere partij wanneer die opneemt.

5

Druk, nadat de andere partij is overgeschakeld naar faxontvangst, op de [ZWART-WIT

START] toets.

De verzending begint.

Opmerking

• Als u het origineel op de glasplaat hebt gelegd, kunt u maar één pagina handmatig verzenden.

Annuleren van faxverzending...

Druk op de [C] toets. Er verschijnt een scherm waarin u wordt gevraagd of u het verzenden van de fax wilt annuleren. Selecteer "Ja" met de [ ] [ ] toetsen

en druk op de [OK] toets.

6

Hang de extra telefoon weer op.

Een fax ontvangen na een gesprek (handmatige ontvangst)

Wanneer een extra telefoon op de machine is aangesloten en de faxontvangstmodus is ingesteld op Handmatig

(p.96), kunt u met de andere partij (die de fax handmatig wil verzenden) praten en vervolgens de faxontvangst

starten zonder de verbinding te verbreken.

119

FAXFUNCTIES

WANNEER EEN

TRANSACTIERAPPORT WORDT

AFGEDRUKT

De machine is zo ingesteld dat automatisch een transactierapport wordt afgedrukt om u het resultaat te laten weten wanneer een verzending mislukt of wanneer distributie is gebruikt.

Wanneer de verzending mislukt en een rapport wordt afgedrukt waarin wordt aangegeven dat bepaalde gegevens niet kunnen worden verzonden en dat u het rapport aan XXX moet bezorgen, lees dit rapport dan en neem maatregelen.

De machine is in de fabriek zo ingesteld dat het transactierapport wordt afgedrukt in de hieronder in grijs aangegeven gevallen.

Dit kan echter worden gewijzigd in de systeeminstellingen. (Zie "Lijst instelling"

(p.183).)

Normale verzending:

Distributieverzending:

Origineel afgedr op trans rapport*: ALTIJD AFDRUKKEN /

Ontvangst:

ALTIJD AFDRUKKEN /

ALTIJD

FOUT ALLEEN

/NOOIT AFDRUKKEN

/FOUT ALLEEN/NOOIT AFDRUKKEN

FOUT ALLEEN

ALTIJD AFDRUKKEN /FOUT ALLEEN/

/NOOIT AFDRUKKEN

NOOIT

Het transactierapport bevat de datum van verzending, de naam van de ontvanger, de duur van de opdracht, het aantal pagina's, het type verzending, het resultaat, de afdeling en andere informatie.

* U kunt zelf bepalen of een deel van het verzonden origineel wordt afgedrukt bij de transactierapporten die worden afgedrukt voor een normale verzending of distributieverzending.

Opmerking

Het lijstaantal staat in de kolom "#" van het transactierapport. De kolom BESTAND bevat een serienummer.

(Deze getallen houden geen verband met de transactie.)

INFORMATIE IN DE KOLOM TYPE/NOOT

Informatie zoals verzendingstype en fouttype verschijnt in de kolom TYPE/NOOT van "RAPPORT MET EEN

REGELMATIG INTERVAL (COMMUNICATIEACTIVITEITEN- RAPPORT)" (p.121).

De volgende aantekeningen kunnen verschijnen.

Verzendresultaat

OKE

BEZET

STOP

S. STORING

GEEN RX POLL

TOEG. NR FOUT

ORG FOUT

FOUTXXXXXX

Eerste twee cijfers

Laatste vier cijfers

XX-XX OKE

Uitleg

Verzending is succesvol uitgevoerd.

Verzending is niet succesvol uitgevoerd, omdat de lijn bezet was.

Een verzending die aan de gang was of opgeslagen was, is geannuleerd.

De stroom stond uit of er is een stroomonderbreking opgetreden.

Omdat er in de pollingmachine geen eigen faxnummer geprogrammeerd was, is er een pollingverzoek genegeerd.

Er is een pollingverzoek genegeerd, omdat het faxnummer van de andere machine niet opgeslagen was als pollingwachtwoord in uw machine.

Terwijl u een fax van de origineelinvoer in directe verzendmodus probeerde te versturen, is er een papierstoring opgetreden.

Wegens condities van de telefoonverbinding heeft verzending niet normaal plaatsgevonden.

Een code bestemd voor gebruik door technici.

Als een groepsnummer is gekozen of een distributieverzending heeft plaatsgevonden: xxx- : Geeft het totaal aantal verzendingen aan.

xxx OK: Geeft de voltooide verzendingen aan.

120

FAXFUNCTIES

Ontvangstresultaat

OKE

S. STORING

GEHEUGEN VOL

ORG. TE LANG

GEEN RX POLL

RX GEEN POLL

Uitleg

Ontvangst succesvol uitgevoerd.

De stroom stond uit of er is een stroomonderbreking opgetreden.

Het beeldgeheugen is tijdens vervangende ontvangst naar het geheugen vol geraakt.

Het verzonden document was meer dan 800 mm lang en kon daardoor niet worden ontvangen.

Toen er geprobeerd is polling uit te voeren:

(1) Was uw faxnummer (nummer van de verzender) niet in uw machine geprogrammeerd.

(2) Was uw faxnummer niet geprogrammeerd als een pollingwachtwoordnummer in de andere machine.

Toen er geprobeerd is polling uit te voeren:

(1) Had de andere machine had geen pollingfunctie.

(2) Had de andere machine geen document opgeslagen in het pollinggeheugen.

Wegens condities van de telefoonverbinding heeft ontvangst niet normaal plaatsgevonden.

Een code bestemd voor gebruik door technici.

FOUTXXXXXX

Eerste twee cijfers

Laatste vier cijfers

XX-XX OKE

JUNK FAX FOUT

Toen een seriële polling normaal beëindigd werd, xxx- : Geeft het totaal aantal verzendingen aan.

xxx OK: Geeft de voltooide verzendingen aan.

Faxontvangst is genegeerd door de negeerfunctie ontvangst.

RAPPORT MET EEN REGELMATIG

INTERVAL

(COMMUNICATIEACTIVITEITEN-

RAPPORT)

Uw machine houdt de laatste 50 transacties (zowel verzending als ontvangst) bij. De gegevens die worden bijgehouden, zijn de transactiedatum, naam van de andere machine, de duur en het resultaat.

U kunt het rapport automatisch laten afdrukken wanneer het aantal van 50 transacties wordt bereikt of op een specifiek tijdstip. Op deze manier kunt u regelmatig controleren wat er op de machine is gebeurd.

De machine is standaard zo ingesteld (fabrieksinstelling) dat het rapport niet wordt afgedrukt. Als u het rapport wilt

laten afdrukken, moet u de instelling aanpassen in de systeeminstellingen. (Zie "Lijst instelling" (p.183).)

Opmerking

• Zie de tabel in "WANNEER EEN TRANSACTIERAPPORT WORDT AFGEDRUKT" (p.120) voor de informatie

in de kolom TYPE/NOOT.

• Het activiteitenrapport kan ook tussendoor worden afgedrukt. (Zie "LIJSTEN MET GEPROGRAMMEERDE

INFORMATIE EN INSTELLINGEN AFDRUKKEN" (p.109).)

121

FAXFUNCTIES

WANNEER ER EEN ALARM AFGAAT

EN EEN

WAARSCHUWINGSMELDING

VERSCHIJNT

Wanneer er een fout optreedt tijdens een transactie, gaat er een alarm af en verschijnt er een melding in de display.

Als één van de volgende meldingen verschijnt, volgt u de instructies in de tabel.

Zie "INDICATORS EN DISPLAYMELDINGEN" (p.151) als een andere melding verschijnt.

Melding

(alarm gaat af)

Betekenis van melding Oplossing Pagina

XXXXXX

Lijnfout.

Een fout heeft de voltooiing van de transactie verstoord.

Probeer de transactie opnieuw uit te voeren.

ZELFDIAGNOSEFUNCTIE

De machine heeft een zelfdiagnosefunctie die automatisch de machine stopzet zodra er een probleem in de machine optreedt. Als er een probleem in faxmodus optreedt, verschijnt de volgende display.

Berichtweergave

Bel om service.

code:xx xx.

Hoofdcode Subcode

Oplossing

Zet de stroom uit en vervolgens weer aan. Als de fout niet weg is, noteer dan de 2-cijferige hoofdcode en de 2-cijferige subcode en neem contact op met uw dealer.

MELDINGEN TIJDENS NORMALE FUNCTIONERING

Melding Betekenis van melding

VERZONDEN xx%

No.001 P-xxx

Dit verschijnt wanneer er een directe verzending eindigt ("xx" geeft het aantal pagina's aan).

Het origineel wordt in het geheugen van het apparaat gescand.(tijdens geheugenverzending).

LEZEN xx%

No.001 P-xxx

Gereed. 100%

VRIJ 22 AUG 10.25

INGEVEN KIES NR.

De machine staat in de standbystatus.

Dit verschijnt wanneer u op de [SPEAKER] toets ( ) hebt gedrukt.

122

5

SCANNERFUNCTIES

OVER DE SCANNERFUNCTIES

Met deze machine kan een document of foto naar een beeldbestand worden gescand.

Door de netwerkuitbreidingskit op de machine te installeren, kunt u documenten, foto’s of andere originelen scannen om zo een gegevensbestand te creëren. U kunt het gegevensbestand met behulp van het ingebouwde netwerk

(intranet) of het internet naar de bestandserver of uw computer zenden. Specificeer de opgeslagen bestemming

(informatienaam afleveradres) op het bedieningspaneel (display) van de machine om originelen met de scannerfunctie te verzenden.

1.

Scannen vanaf een TWAIN-compatibele toepassing

4. De gescande gegevens naar een computer verzenden die met hetzelfde netwerk is verbonden

1. Het gescande beeld naar een

USB-geheugen verzenden

3. De gescande gegevens naar

FTP verzenden

123

5. De gescande gegevens per e-mail verzenden

SCANNERFUNCTIES

1

Scannen vanaf een TWAIN-compatibele toepassing

Er wordt een TWAIN-compatibele toepassing gebruikt op een computer die op hetzelfde netwerk als de machine is aangesloten om een document of afbeelding te scannen.

Voor het gebruik van PC Scan moet het stuurprogramma van de scanner zijn geïnstalleerd van de "Software cd-rom" bij de machine.

Zie "SCANNEN VANAF UW COMPUTER (PC SCAN)" (p.135) voor meer informatie over het scannen met een

TWAIN-compatibele toepassing.

2

Het gescande beeld naar een USB-geheugen verzenden

Het gescande beeld kan naar een USB-geheugen worden verzonden dat op de machine is geïnstalleerd. (Dit

wordt "USB-geheugenscan" genoemd in deze gebruiksaanwijzing.) Zie "USB-GEHEUGENSCAN" (p.139) voor

meer informatie over USB-geheugenscan.

3

De gescande gegevens naar FTP verzenden

U kunt de gescande afbeelding naar een opslagapparaat op een netwerk zenden (een ingestelde directory op een FTP-server). (Dit wordt "Scannen naar FTP" genoemd in deze gebruiksaanwijzing.)

4

De gescande gegevens naar een computer verzenden die met hetzelfde netwerk is verbonden

Het gescande bestand wordt naar een gedeelde map op een Windows-computer op hetzelfde netwerk als de machine gezonden.

Het gescande bestand wordt naar een opgegeven map op uw computer gezonden.

Voor het gebruik van Scannen naar Desktop moet software worden geïnstalleerd van de cd-rom

"Sharpdesk/Network Scanner Utilities" bij deze machine. Raadpleeg de handleiding (PDF-formaat) of het

Leesmij-bestand op de cd-rom voor de systeemvereisten voor de software. De procedures voor het installeren van de software vindt u in het "Sharpdesk installatiehandboek".

5

De gescande gegevens per e-mail verzenden

U kunt de gescande afbeelding naar een e-mailadres zenden. (Dit wordt "Scannen naar E-mail" genoemd in deze gebruiksaanwijzing.)

124

SCANNERFUNCTIES

HET BASISSCHERM VAN DE SCANNERMODUS

Het basisscherm voor de scanmodus wordt weergegeven als u op [SCANNEN] ( ) drukt vanuit het basisscherm voor de kopieer- of faxmodus.

Opmerking

Als er na het drukken op [SCANNEN] ( ) een scherm verschijnt waarin u wordt gevraagd welk verbindingstype u gebruikt, selecteer dan "NETWERK" met de [ ] of [ ] toets en druk op [OK].

Basisscherm voor scanmodus

(1)

(2)

(3)

(4)

Gereed voor scannen

Kleur

Z/W

200dpi

Middel

G4

Orig. Afm.

Resolutie

Formaat

Mono/Grijs

(5)

(1) Mededelingweergave

Hier verschijnen berichten om de huidige status van het apparaat aan te geven.

(2) Bestemmingsweergave

Hier wordt de geselecteerde bestemming weergegeven.

Er zijn scannertransmissiemodi:

Scannen naar E-mail, Scannen naar netwerkmap,

Scannen naar FTP, Scannen naar desktop en

USB-geheugenscan.

Hier verschijnt de momenteel geselecteerde modus voor bestemming en verzending.

(3) Scanmodus voor origineel / Weergave van het formaat van het origineel

Hier wordt de geselecteerde scanmodus en het scanformaat weergegeven.

: Enkelzijdig scannen in de origineelinvoer.

: Dubbelzijdig scannen in de origineelinvoer

(modellen met dubbelzijdige scanfunctie).

Geen: Glasplaat

(4) Bestandstype-weergave

Hier worden het te maken afbeeldingsbestandstype en de bestandsmethode weergegeven.

(6)

(7)

(8)

(9)

(5) Weergave van de resolutie

Hier verschijnt de resolutie voor het scannen.

(6) Origineelformaat (p.130)

Dit wordt gebruikt om het formaat van het te verzenden origineel in te stellen.

(7) Resolutie (p.130)

Dit wordt gebruikt om de scanresolutie te selecteren.

(8) Indeling (p.130)

Dit wordt gebruikt om het te maken afbeeldingsbestandstype en de bestandsmethode te selecteren.

(9) Mono/Grijs (p.131)

Hiermee stelt u in of een origineel wordt gescand in Mono2 of Grijsschaal wanneer u op de

[ZWART-WIT START] toets drukt.

125

SCANNERFUNCTIES

AFBEELDING VERZENDEN

ELEMENTAIRE VERZENDPROCEDURE

1

Zorg dat het apparaat op scanmodus staat.

Als de SCAN indicator brandt, is het apparaat in scanmodus. Als het lampje niet brandt, drukt u op de toets

[SCANNEN] ( ). Als de controlemodus voor de scanfunctie is ingeschakeld in de systeeminstellingen, verschijnt een melding met het verzoek om uw accountnummer in te voeren wanneer u overschakelt naar de

scanmodus. Voer uw accountnummer (5 cijfers) met de cijfertoetsen in. (p.178)

2

Plaats het (de) origine(e)l(en) in de documentinvoerlade of op de glasplaat.

• Zie p.27 als u de origineelinvoer wilt gebruiken.

• Zie p.27 als u de glasplaat wilt gebruiken.

Wilt u meerdere pagina's met de glasplaat verzenden, plaats dan eerst de voorste pagina.

Opmerking

Het is niet mogelijk om originelen zowel in de documentinvoerlade als op de glasplaat te plaatsen en deze te verzenden in één transmissie.

3

Controleer het formaat van het origineel.

Wijzig desgewenst het formaat van het origineel zoals uitgelegd in "HET SCANFORMAAT INSTELLEN"

(p.130).

4

Selecteer desgewenst de resolutie-instelling (p.130).

De fabrieksinstelling is [200dpi].

5

Selecteer desgewenst de bestandsindeling (p.131).

De fabrieksinstelling

Kleur/Grijstint: PDF M

Z/W: PDF G4

6

Als u "Z/W" selecteert, pas dan desgewenst de belichting in de modus Z/W aan.

(p.131)

De fabrieksinstelling is [Z/W].

7

Druk op de [ADRES] toets ( ).

8

Selecteer de methode voor bestemmingsselectie (p.128).

Kies uit de volgende drie methodes voor bestemmingsselectie:

• "ADRESBOEK" (p.128)

Selecteer een van de opgeslagen bestemmingen rechtstreeks via het bedieningspaneel.

• "ADRESINVOER" (p.128)

Voer het e-mailadres rechtstreeks in. (Alleen voor Scannen naar E-mail.)

• "ADRES ZOEKEN" (p.128)

Benader een adreslijstdatabase op het internet of op uw intranet en zoek naar een e-mailbestemmingsadres.

Tijdens het zoeken in Globaal adresboek kunnen er meerdere adressen worden ingevoerd om een mail rond te zenden.

Opmerking

• Op de webpagina kan informatie over de bestemming worden opgeslagen.

• Normaliter wordt de naam van de afzender ingesteld op basis van de naam die is opgeslagen onder

"E-mailantwoordadres" bij "SMTP-instelling" op de webpagina.

Als u klaar bent met het zoeken naar de bestemming, keert u terug naar het volgende basisscherm.

126

SCANNERFUNCTIES

Werken met de origineelinvoer Werken met de glasplaat

9

Druk op de [KLEUR START] toets of

[ZWART-WIT START] toets.

Het scannen begint.

Als het scannen is afgelopen, verschijnt het volgende scherm kort. Daarna verschijnt het basisscherm weer op het display.

Opmerking

9

Druk op de [KLEUR START] toets of

[ZWART-WIT START] toets.

Het scannen begint.

10

Wanneer u een andere pagina wilt scannen, vervangt u de pagina's en drukt u op [KLEUR START] of

[ZWART-WIT START].

• Herhaal dit totdat u alle pagina’s hebt gescand.

• Als u een minuut lang niets doet (de [KLEUR

START] toets of [ZWART-WIT START] toets niet indrukt), stopt het scannen automatisch en begint de verzending.

11

Druk op de [EINDE LEZEN] toets ( ) als de laatste pagina van de originelen is gescand.

Open de origineelinvoer en verwijder het document. Wanneer het origineel is verwijderd of er op een willekeurige toets wordt gedrukt, verschijnt het basisscherm weer in het display.

Verzending annuleren

• Als u het verzenden wilt annuleren, terwijl "Lezen" verschijnt of voordat de [EINDE LEZEN] toets ( ) wordt ingedrukt, drukt u op de [C] of [CA] toets.

• Als de stroom wordt uitgezet of er een stroomstoring optreedt tijdens het scannen in de origineelinvoer, zal de machine stoppen en loopt het document vast. Verwijder het origineel nadat de voeding is hersteld, zoals

uitgelegd in "VASTGELOPEN PAPIER VERWIJDEREN" (p.153).

• Belangrijke punten wanneer u verzendt met Scannen naar E-mail:

Zend beslist geen afbeeldingsbestanden die te groot zijn. De systeembeheerder van uw mailserver kan een limiet aangebracht hebben voor wat betreft de hoeveelheid gegevens die in één e-mailtransmissie verzonden kunnen worden. Als deze limiet wordt overschreden, zal de e-mail niet naar de ontvanger doorgestuurd worden. Ook als er geen limiet is en uw e-mail met succes wordt doorgezonden, zal het ontvangen van een groot gegevensbestand veel tijd in beslag nemen en een grote belasting op het netwerk van de ontvanger uitoefenen, afhankelijk van de netwerkomgeving (Internet) van de ontvanger. Als grote afbeeldinggegevensbestanden herhaalde malen worden verzonden, kan de resulterende belasting op het netwerk de snelheid van overige, niet verband houdende gegevenstransmissies vertragen en in bepaalde gevallen zelfs er toe leiden dat de mailserver of het netwerk buiten bedrijf raakt. Mocht het toch nodig zijn om een groot bestand of meerdere afbeeldingen te verzenden, probeer dan de resolutie te verlagen of het gescande formaat van het origineel te verkleinen.

127

SCANNERFUNCTIES

BESTEMMING SELECTEREN (MET DE [ADRES]

TOETS ( ))

Er zijn drie manieren om een bestemming te selecteren: Selecteren uit "ADRESBOEK", met "ADRESINVOER" of met "ADRES ZOEKEN".

Opmerking

• Er kunnen meerdere bestemmingen worden geselecteerd voor Scannen naar E-mail. (Maximaal 20.)

• Er kan maar één bestemming worden geselecteerd voor Scannen naar netwerk, Scannen naar FTP of

Scannen naar desktop.

ADRESBOEK

1

Druk op de [ADRES] toets ( ) en selecteer "Adresboek".

2

Ga desgewenst naar een ander tabblad met de [ ] of [ ] toets en selecteer de bestemming met de [ ] or [ ] toets.

U kunt wisselen tussen informatie over de geselecteerde bestemming en de bestemmingslijst door op de [EINDE LEZEN] toets ( ) te drukken.

3

Druk op de [EINDE LEZEN] toets ( ).

Er verschijnt een vinkje bij de geselecteerde bestemming. Annuleer uw keuze eventueel door nogmaals op de

[EINDE LEZEN] toets ( ) te drukken om het vinkje te verwijderen. Herhaal deze stappen als u meerdere bestemmingen wilt selecteren.

ADRESINVOER

1

Druk op de [ADRES] toets ( ) en selecteer "Adresinvoer" met de [ ] toets en druk op de [OK] toets.

2

Typ het bestemmingsadres in.

3

Druk op [OK].

ADRES ZOEKEN

1

Druk op de [ADRES] toets ( ) en selecteer "Globaal Adres Zoeken" met de

[ ] toets en druk op de [OK] toets.

2

Voer de zoektekens in.

3

Selecteer de gewenste bestemming met de [ ] of [ ] toets.

4

Druk op [OK].

128

SCANNERFUNCTIES

DUBBELZIJDIGE ORIGINELEN VERZENDEN

Op het scherm wordt het formaat weergegeven van het origineel dat wordt gescand.

De modus waarin het origineel wordt gescand, wordt aangegeven met een pictogram.

:

: Enkelzijdig scannen in de origineelinvoer.

Dubbelzijdig scannen in de origineelinvoer (modellen met dubbelzijdige scanfunctie).

Geen: Glasplaat

Volg deze stappen om automatisch een dubbelzijdig origineel te verzenden. (Alleen voor modellen met dubbelzijdige scanfunctie.)

Opmerking

Alleen de volgende dubbelzijdige documentformaten kunnen worden gebruikt:

Standaardformaten

A4, B5, A5, 8-1/2" x 14", 8-1/2" x 13-1/2", 8-1/2" x 13-2/5", 8-1/2" x 13", 8-1/2" x 11", 5-1/2" x 8-1/2"

Afwijkende formaten

AB X: 170 tot 356 mm, Y: 140 tot 216 mm

Inch X: 6-3/4 tot 14 inch, Y: 5-1/2 tot 8-1/2 inch

1

Plaats het (de) origine(e)l(en) in de documentinvoerlade en controleer het formaat van het origineel.

Zie voor informatie over het plaatsen van een origineel: "4. KOPIEERFUNCTIES" in de "Gebruiksaanwijzing

(voor algemene informatie en kopieermachine)".

2

Druk op de [DUBBELZIJDIG] toets ( ), selecteer "2-Zijdig" met de [ ] of [ ] toets en druk op de [OK] toets.

3

Selecteer "Staand-Boek", "Staand-Schrijfblok", "Liggend-Boek" of

"Liggend-Schrijfblok" met de [ ] of [ ] toets en druk op de [OK] toets.

4

Druk op [OK].

Opmerking

• Boekjes en schrijfblokken: Dubbelzijdige originelen die aan de zijkant zijn gebonden noemen we boeken, dubbelzijdige originelen die bovenaan zijn gebonden noemen we schrijfblokken.

• De functie dubbelzijdig scannen wordt uitgeschakeld nadat de verzending is beëindigd. U kunt de functie dubbelzijdig scannen ook annuleren door op de toets [CA] te drukken.

• Dubbelzijdig scannen is alleen mogelijk wanneer een origineelinvoer wordt gebruikt (modellen met dubbelzijdige scanfunctie). Automatisch scannen van

BOEK SCHRIJFBLOK beide zijden van een origineel kan niet met de glasplaat.

• Het dubbelzijdig scannen van originelen groter dan A4 (8-1/2" x 11") is niet mogelijk.

• Annuleer het dubbelzijdig scannen door in stap 2 "ENKELZ." te selecteren en op [OK] te drukken.

129

SCANNERFUNCTIES

SCANINSTELLINGEN OPSLAAN

U kunt sets met scaninstellingen (scanformaat, resolutie, bestandstype enz.) aanpassen voor gebruik in diverse scantoepassingen.

HET SCANFORMAAT INSTELLEN

Standaard is het scanformaat ingesteld op A4. (Als "VISITEKAARTEN SCANNEN (SCANNEN ADRESKAART)"

(p.133) is geselecteerd, is het scanformaat ingesteld op visitekaartjes.)

Als u het origineelformaat wilt wijzigen, volg dan de stappen hieronder om de instelling te wijzigen nadat u het

origineel in de origineelinvoer of op de glasplaat hebt gelegd (p.27).

1

Selecteer "Origineelformaat" met de [ ] of [ ] toets en selecteer het formaat van het origineel.

Opmerking

Als u een inch-formaat wilt selecteren, drukt u op de

[ ] toets.

Het formaat van het origineel dat u wilt scannen kan handmatig worden ingesteld.

In het scherm voor selectie van een AB-formaat selecteert u [Invoer formaat] en drukt u op de [OK] toets om het onderstaande scherm weer te geven.

Selecteer de breedte (X) of de lengte (Y) met de [ ] of [ ] toets en pas aan in stappen van 1 mm of 1/8" met de [ ] of [ ] toets.

Invoerbereik

X: 140 tot 356 mm* / 5-1/2" tot 14"

Y: 140 tot 216 mm / 5-1/2" tot 8-1/2"

* 140 tot 297 mm / 5-1/2" x 11-5/8" bij gebruik van de glasplaat

Opmerking

U annuleert een handmatig ingesteld origineelformaat met de toets [CA].

Indien het niet mogelijk is om het eigenlijke origineelformaat te selecteren, selecteer dan het formaat dat het eigenlijke formaat het beste benadert.

Als er een kleiner formaat wordt geselecteerd, dan wordt een gedeelte van het origineel niet verzonden.

RESOLUTIE SELECTEREN

U kunt de resolutie voor het scannen selecteren. Volg de onderstaande procedure nadat u de scanmodus hebt

geselecteerd en het origineel hebt geplaatst (stap 1 tot 3 op p.126).

De fabrieksinstelling voor de resolutie is "200dpi".

Mocht u de resolutie willen veranderen, volg dan deze stappen.

1

Selecteer "Resolutie" met de [ ] of [ ] toets en selecteer de resolutie.

2

Druk op [OK].

Opmerking

Resolutie

• De resolutie staat standaard ingesteld op 200 dpi Voor normale tekstdocumenten levert een resolutie van

200 dpi of 300 dpi voldoende leesbare afbeeldinggegevens. (200 dpi is het equivalent van de resolutie "Fijn" van vele faxapparaten.) De instelling 600 dpi gebruikt u alleen wanneer zeer duidelijke afbeeldingen vereist zijn, zoals bij originelen waarop foto’s of illustraties voorkomen.

• De resolutie van een origineel dat op de maximale scanresolutie (600 dpi) wordt ingesteld, kan toch worden gewijzigd als gevolg van het origineelformaat, de kleurmodus of andere omstandigheden.

• De standaardinstellingen kunnen worden gewijzigd met de systeeminstellingen. (p.189)

130

SCANNERFUNCTIES

BESTANDSINDELING SELECTEREN

Volg de onderstaande procedure nadat u de scanmodus hebt geselecteerd en het origineel hebt geplaatst (stap 1

tot 3 op p.126).

De fabrieksinstellingen zijn "PDF" voor bestandstype en "Multi" voor de manier waarop bestanden worden gecreëerd (meerdere gescande afbeeldingen worden in één bestand gecombineerd).

Mocht u de bestandsindeling willen veranderen, volg dan deze stappen.

1

Selecteer "Indeling" met de [ ] of [ ] toets en selecteer "Kleur/Grijstint" of "Z/W" en druk op de [OK] toets.

2

Selecteer het bestandstype met de [ ] of [ ] toets en selecteer de bestandsaanmaakmethode.

Indien "ENKEL" wordt geselecteerd, wordt er een bestand van één pagina gemaakt van de gescande afbeelding.

Met "Multi" kunnen alle gescande afbeeldingen in één bestand worden gecombineerd.

3

Druk op [OK].

Opmerking

• Met het bestandstype ingesteld op "TIFF" kan alleen de bestandsaanmaakmethode worden geselecteerd.

• Als de ontvanger de gescande afbeelding wil openen zonder het softwareprogramma van de bijgeleverde cd-rom, moet hij een viewerprogramma hebben waarmee hij de afbeeldingsindeling (het bestandstype) die

(dat) u hierboven heeft geselecteerd, kan openen.

Als de ontvanger het bestand niet kan openen, probeer de afbeelding dan in een andere indeling te versturen.

DE GRIJSTINTEN VAN DE ZWART-WITMODUS

AANPASSEN

Hiermee stelt u in of een origineel in zwart-wit wordt gescand in Mono2 of Grijsschaal wanneer u op de

[ZWART-WIT START] toets drukt.

Selecteer de scanmodus, plaats de originelen (stap 1 tot 3 op p.126) en volg dan onderstaande procedure.

Z/W (ZWART-WIT)

De kleuren van het origineel worden gescand in zwart of wit.

Grijstinten

De kleuren van het origineel worden gescand in zwart-wit in gradaties van grijs (grijsschaal).

1

Selecteer "Mono2 / Grijsschaal" met de [ ] of [ ] toets.

2

Selecteer "Z/W" of "Grijsschaal" met de [ ] of [ ] toets.

3

Druk op [OK].

131

SCANNERFUNCTIES

DE SCANBELICHTING AANPASSEN

U kunt de belichting van een afbeelding aanpassen. Hoe hoger de waarde, des te donkerder de afbeelding.

Selecteer de scanmodus, plaats de originelen (stap 1 tot 3 op p.126) en volg dan onderstaande procedure.

De scanbelichting staat standaard ingesteld op "Tkst/AfdrFoto Auto".

1

Druk op de [BELICHTING] toets ( ) met de [ ] of [ ] toets en selecteer "Tekst",

"Tkst/AfdrFoto" of "Foto" voor het type origineel.

2

Selecteer een van de 5 beschikbare niveaus met de [ ] [ ] toetsen en druk op de

[OK] toets.

3

Druk op [OK].

SCANMARGES INSCHAKELEN (LEEG GEBIED)

Als deze functie wordt ingeschakeld, verschijnen er marges (lege gebieden die niet worden gescand) rondom de randen van het maximale scangebied van het apparaat.

Selecteer de scanmodus, plaats de originelen (stap 1 tot 3 op p.126) en volg dan onderstaande procedure.

De fabrieksinstelling voor het lege gebied is "Uit" (uitgeschakeld).

Wilt u de instelling voor het lege gebied wijzigen, volg dan deze stappen.

Leeg gebied:2,5 mm (7/64") vanaf de boven- en onderrand

3,0 mm (1/8") vanaf de linker- en rechterrand

1

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ) en selecteer "Leeg gebied" met de [ ] of

[ ] toets.

2

Selecteer "Aan" of "Uit" met de [ ] of [ ] toets.

3

Druk op [OK].

VAGE KLEUREN IN KOPIEËN WIT MAKEN

(ONDERDRUK BG (ACHTERGROND))

Zie "VAGE KLEUREN IN KOPIEËN WIT MAKEN (Onderdruk BG (achtergrond))" (p.36) voor meer informatie over

het wit maken van vage kleuren in kopieën.

DE SCHERPTE VAN EEN AFBEELDING AANPASSEN

(SCHERPTE)

Zie "DE SCHERPTE VAN EEN AFBEELDING AANPASSEN (Scherpte)" (p.36) voor meer informatie over het

aanpassen van de scherpte.

132

SCANNERFUNCTIES

VISITEKAARTEN SCANNEN (SCANNEN ADRESKAART)

(modellen met dubbelzijdige scanfunctie)

U kunt visitekaartjes scannen.

Alleen met deze functie kunnen visitekaartjes worden gescand via de automatische origineelinvoer.

Glasplaat Origineelinvoerlade

1

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ) en druk vervolgens op de [ ] of [ ] toets om "Bus. Card Scan" te selecteren.

Het formaat van het origineel wordt ingesteld op visitekaartjesformaat

(aangepast).

2

Druk op [OK].

Opmerking

• Wanneer u de scanmodus voor visitekaartjes selecteert, kan het origineelformaat niet worden gewijzigd.

• Wanneer u de scanmodus voor visitekaartjes selecteert, is dubbelzijdig scannen niet mogelijk.

• Bij gebruik van de automatische origineelinvoer lukt het mogelijk niet om de kaart goed in te voeren of te scannen, afhankelijk van de toestand, het materiaal of de vorm van de kaart of de gebruikte verwerkingsmethode.

AFDRUKSTAND EN STANDAARD

PLAATSINGSRICHTING ORIGINELEN

Bij gebruik van de glasplaat dient u het origineel met de voorzijde naar onder in de linkerbovenhoek van de glasplaat te leggen met de bovenrand van het origineel tegen de linkerrand van het glas.

Bij gebruik van de origineelinvoer dient u het origineel met de voorzijde naar boven in het midden van de origineelinvoerlade te leggen, met de bovenzijde van het origineel rechts.

Glasplaat Origineelinvoer Scanresultaat

133

SCANNERFUNCTIES

EEN PROGRAMMA OPSLAAN EN

BEWERKEN/VERWIJDEREN

Met deze functie kunt u een verzendadres en scaninstellingen opslaan. Het adres en de instellingen kunnen worden opgeroepen voor het scannen van een document. Zo hoeft u het adres en de instellingen niet steeds opnieuw op te geven. Er kunnen maximaal twee programma's worden opgeslagen voor het scannen.

• Adresinstelling • Invoer van origineelformaat • Resolutie • Indeling • Belichting • en de scanmodus voor het origineel kunnen worden opgeslagen in een programma.

1

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ), selecteer "Registr. Progr." met de [ ] of

[ ] toets en druk op [OK].

2

Selecteer "Ingeven", "Veranderen", "Verwijderen" en druk op de [OK] toets.

Programma registreren

1

Selecteer "No stored" en druk op de [OK] toets.

2

Selecteer het programma dat u wilt opslaan met de [ ] of [ ] toets en druk op de [OK] toets.

De schermen met instellingen worden weergegeven.

3

Druk op de [OK] toets om de gewenste instellingen vast te leggen.

Keer terug naar stap 2.

4

Druk op de [START] toets.

De programma's worden opgeslagen.

Programma wijzigen

Selecteer het programma dat u wilt wijzigen en druk op de [OK] toets.

Wijzig de instellingen op dezelfde manier zoals bij het registreren ervan.

Programma verwijderen

1

Selecteer het programma dat u wilt verwijderen en druk op de [OK] toets.

2

Selecteer "Verwijderen" en druk op de [OK] toets.

OPGESLAGEN INSTELLINGEN GEBRUIKEN

(PROGRAMMA)

Druk op de [Programma 1] of [Programma 2] toets (

(p.126).

). Zie "ELEMENTAIRE VERZENDPROCEDURE"

134

SCANNERFUNCTIES

SCANNEN VANAF UW COMPUTER

(PC SCAN)

De machine ondersteunt de TWAIN-norm, waardoor het mogelijk is om vanuit TWAIN-compatibele toepassingen te scannen.

SCANNEN VANUIT EEN TWAIN-COMPATIBELE

TOEPASSING

Scannen in de modus PC Scan is alleen mogelijk wanneer de scannerdriver is geïnstalleerd vanaf de "Software

CD-ROM" met het geïntegreerde installatieprogramma. Zie de Handleiding software-installatie voor de procedures voor het installeren van het scannerstuurprogramma en het configureren van de instellingen.

1

Plaats het origineel dat of de originelen die u wilt scannen op de glasplaat of in de origineelinvoer. Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ) en selecteer "PC SCAN".

2

Na het starten van een TWAIN-compatibele toepassing klik u op het menu "Bestand" en selecteert u het scanmenu.

Opmerking

De methode voor toegang tot het menu om de scanner te selecteren is afhankelijk van de toepassing.

Raadpleeg voor meer informatie de handleiding of het helpbestand van uw toepassing.

3

Selecteer "SHARP MFP TWAIN V" en klik op de knop "Selecteren".

Opmerking

Afhankelijk van uw systeem kan "SHARP MFP TWAIN V 1.0 (32-32)" worden weergegeven in het scherm hierboven voor het selecteren van een bron.

4

Selecteer in het menu "Bestand" van het programma het menu voor het binnenhalen van een afbeelding.

Het installatiescherm van het scannerstuurprogramma verschijnt.

"INSTELLINGEN SCANNERSTUURPROGRAMMA" (p.137)

5

Selecteer in het menu "Scanpositie" de locatie waar u het origineel in stap 2 hebt geplaatst.

Als u een eenzijdig origineel in de origineelinvoer hebt geplaatst, selecteert u "SPF (enkelzijdig)".

Alleen bij gebruik van de origineelinvoer (modellen met dubbelzijdige scanfunctie):

Als u een dubbelzijdig origineel in de origineelinvoer hebt geplaatst

(modellen met dubbelzijdige scanfunctie), selecteer dan "SPF

(dubbelzijdig - boek)" of "SPF (dubbelzijdig - schrijfblok)" volgens de bindingpositie van het origineel.

Opmerking

Als u "SPF (dubbelzijdig - boek)" of "SPF (dubbelzijdig - schrijfblok)" hebt geselecteerd in het menu "Scanpositie", geef dan aan of het origineel is geplaatst met "Rechterzijde eerst ingevoerd" of "Bovenzijde eerst ingevoerd".

135

SCANNERFUNCTIES

6

Klik op de knop "Voortonen".

Het previewbeeld verschijnt.

Opmerking

• Reset het origineel als de hoek van het beeld niet correct is en klik nogmaals op de knop "Voortonen".

• Klik op "Roteren" in het preview-scherm als het previewbeeld niet in de juiste richting is geplaatst. Dit draait het previewbeeld 90 graden rechtsom, zodat u de richting kunt corrigeren zonder het origineel te

resetten. "Preview-scherm" (p.138)

• Als u meerdere pagina's in de origineelinvoer plaatst, toont de machine alleen een voorvertoning van de bovenste pagina van de originelen en stuurt deze vervolgens naar het uitvoergedeelte. Breng voor het starten van de scantaak het vooraf bekeken origineel terug naar de origineelinvoer.

7

Specificeer het scangedeelte en stel de scanvoorkeuren in.

Voor informatie over het specificeren van het scangedeelte en het instellen van de scanvoorkeuren, zie Help voor scannerstuurprogramma.

"INSTELLINGEN SCANNERSTUURPROGRAMMA" (p.137)

Let op

Het scannen van een groot gedeelte bij een hoge resolutie resulteert in een grote hoeveelheid gegevens en lange scantijden. Het is raadzaam de juiste scanvoorkeuren in te stellen voor het type origineel dat wordt gescand, bijv. webpagina (monitor), foto, FAX of OCR.

8

Klik op de knop "Scan" wanneer u klaar bent om te scannen.

Het scannen begint en het beeld wordt verkregen in de toepassing die u gebruikt.

Wijs in de toepassing een bestandsnaam toe en sla het bestand op.

Opmerking

Druk, om een scantaak te annuleren nadat u op "Scan" hebt geklikt, op de [Esc] toets op uw toetsenbord of de [C] of [CA] toets op het bedieningspaneel.

9

Druk op de [TERUG] toets ( ) op het bedieningspaneel.

136

SCANNERFUNCTIES

INSTELLINGEN SCANNERSTUURPROGRAMMA

Het instelscherm van het scannerstuurprogramma bestaat uit het "instelscherm", waar u de scannerinstellingen kunt selecteren, en het "preview-scherm", dat de gescande afbeelding toont. Voor meer informatie over de scaninstellingen klikt u op "Help" in het preview-scherm om de Help te bekijken.

Instelscherm

1

2

3

4

5

6

7

(1) "Scanpositie" menu

(Soms ook aangegeven met "bron".)

Vink de plaats aan waar het origineel zich bevindt.

U kunt kiezen uit "Tafel" (glasplaat), "SPF

(enkelzijdig)", "SPF (dubbelzijdig - boek)" of "SPF

(dubbelzijdig - schrijfblok)".

"SCANNEN VANUIT EEN TWAIN-COMPATIBELE

TOEPASSING" (p.135)

(4) Selectievakje "Zoomvoorbeeld"

Wanneer dit selectievakje is aangevinkt, zal het selectiegebied van de preview-afbeelding worden vergroot bij het drukken op de [Voortonen] knop.

Om terug te keren naar de gewone weergave dient u het vinkje te verwijderen.

Opmerking

Bij machines zonder origineelinvoer is de standaardinstelling onveranderlijk "Tafel".

Opmerking

[Zoomvoorbeeld] kan niet worden gebruikt wanneer u [SPF] heeft geselecteerd in het

"Scanpositie" menu.

(2) "Scanmodus" menu

Selecteer "Standaard" of "Aangepaste instellingen" (soms ook "Standaard" of

"Professioneel") voor de scanmodus.

In het "Standaard" scherm kunt u het type origineel selecteren evenals monitor, foto, fax of OCR afhankelijk van het doel van het scannen.

Indien u de standaardinstellingen voor deze vier knoppen wilt wijzigen, of aangepaste instellingen wilt selecteren zoals het type afbeelding en de resolutie voorafgaand aan het scannen, schakel dan over naar het scherm "Professioneel".

Voor meer informatie over de instellingen, klik op

"Help" in het preview-scherm om het helpbestand te bekijken.

(3) "Beeldgebied" menu

Het scangebied instellen. Selecteer "Automatisch" om het originele formaat dat het apparaat waarneemt te scannen.

Het scangebied kan ook worden aangegeven in het preview-venster.

137

(5) "Voortonen" knop

Geeft een voorbeeld van het document weer.

Opmerking

Opmerking

Indien [Voortonen] wordt geannuleerd door onmiddellijk de [Esc] toets op uw toetsenbord in te drukken, verschijnt er niets op het preview-scherm.

(6) "Scannen" knop

(Soms ook aangegeven met "Scan".)

Klik hierop om een origineel te scannen gebruik makend van de geselecteerde instellingen.

Voordat u op de "Scannen" knop drukt, dient u na te gaan of de instellingen juist zijn.

Om een scantaak te annuleren nadat u op de "Scannen" knop hebt geklikt, drukt u op de [Esc] toets van uw toetsenbord.

(7) "Sluiten" knop

Klik hierop om het instelscherm van het scannerstuurprogramma te sluiten.

SCANNERFUNCTIES

Preview-scherm

1

2

3

4

5

(1) Preview-scherm

Klik op de "Voortonen" knop in het installatiescherm om het gescande beeld weer te geven. U kunt het scangedeelte specificeren door met de muis binnen het venster te slepen. De binnenkant van het frame dat wordt gecreëerd wanneer u met de muis sleept, wordt het scangedeelte. Klik op een willekeurige plek buiten het frame om een gespecificeerd scangedeelte te annuleren en het frame te wissen.

(2) Knop "Roteren"

Klik om het previewbeeld 90 graden rechtsom te draaien. Zo kunt u de richting corrigeren zonder het origineel te resetten. Bij het scannen wordt het beeldbestand volgens de richting gecreëerd die is aangeduid in het previewscherm.

(3) Knop "Beeldgrootte"

Klik om een dialoogvenster te openen waarin u het scangedeelte kunt specificeren met behulp van invoeren van nummers. U kunt pixels, mm of inches selecteren voor de eenheden van de nummers. Door in eerste instantie een scangedeelte te specificeren, kunnen nummers worden ingevoerd om het betreffende gedeelte ten opzichte van de linkerbovenhoek als een vaste standaardinstelling te wijzigen.

(4) "Auto beoordeling scangedeelte" toets

Klik wanneer het previewscherm wordt weergegeven om automatisch het scangedeelte voor het gehele previewbeeld in te stellen.

Klik op de "Auto beoordeling scangedeelte" toets om automatisch het scangedeelte voor het gehele previewbeeld in te stellen.

Previewbeeld

Preview-scherm

(5) Knop "Help"

Klik om het helpbestand voor het scannerstuurprogramma weer te geven.

138

SCANNERFUNCTIES

USB-GEHEUGENSCAN

DE FUNCTIE USB-GEHEUGENSCAN GEBRUIKEN

Een gescand beeld kan niet naar een commercieel beschikbaar USB-geheugenapparaat worden verzonden

(opgeslagen) dat op de machine is aangesloten.

1

Zorg dat het apparaat op scanmodus staat.

Als de SCAN indicator brandt, is het apparaat in scanmodus. Als het lampje niet brandt, drukt u op de toets

[SCANNEN] ( ). Als de controlemodus voor de scanfunctie is ingeschakeld in de systeeminstellingen, verschijnt een melding met het verzoek om uw accountnummer in te voeren wanneer u overschakelt naar de

scanmodus. Voer uw accountnummer (5 cijfers) met de cijfertoetsen in. (p.178)

2

Plaats het (de) origine(e)l(en) in de documentinvoerlade of op de glasplaat.

Zie voor meer informatie over het plaatsen van een origineel:"HET ORIGINEEL PLAATSEN" (p.27).

Wilt u meerdere pagina's met de glasplaat verzenden, plaats dan eerst de voorste pagina.

Opmerking

Het is niet mogelijk om originelen zowel in de documentinvoerlade als op de glasplaat te plaatsen en deze te verzenden in één transmissie.

3

Druk op de [ADRES] toets ( ).

4

Selecteer "USB Geheugen Scan" met behulp van de toets [ ] of druk op [OK].

139

SCANNERFUNCTIES

5

Sluit het USB-geheugen aan op het apparaat.

Opmerking

Als u al vóór stap 4 een USB-geheugen op de machine hebt aangesloten, wordt het volgende scherm weergegeven.

In plaats van stap 3 en 4 uit te voeren, kunt u "Scannen naar geheugenapp." selecteren met de [ ] of [ ] toets in het scherm hierboven en op [OK] drukken om het USB-geheugen te selecteren als bestemming.

Werken met de origineelinvoer

6

Druk op de [KLEUR START] toets of

[ZWART-WIT START] toets.

Het scannen begint.

Als het scannen is afgelopen, wordt dit kort gemeld op het scherm. Daarna verschijnt het basisscherm weer op het display.

Werken met de glasplaat

6

Druk op de [KLEUR START] toets of

[ZWART-WIT START] toets.

Het scannen begint.

7

Wanneer u een andere pagina wilt scannen, vervangt u de pagina's en drukt u op [KLEUR START] of

[ZWART-WIT START].

• Herhaal dit totdat u alle pagina’s hebt gescand.

• Als u een minuut lang niets doet (de [START] toets niet indrukt), stopt het scannen automatisch en begint de verzending.

8

Druk op de toets [READ-END] ( ) als de laatste pagina van de originelen is gescand.

Open de origineelinvoer en verwijder het document. Wanneer het origineel is verwijderd of er op een willekeurige toets wordt gedrukt, verschijnt het basisscherm weer in het display.

140

6

PROBLEEMOPLOSSING

Dit hoofdstuk beschrijft probleemoplossing en het verwijderen van vastgelopen papier.

Controleer, als u problemen ondervindt tijdens het gebruik van de machine, de volgende gids voor probleemoplossing voordat u contact opneemt voor service. Zet de hoofdschakelaar uit, haal de stekker uit het stopcontact en neem contact op met uw dealer wanneer u het probleem niet met behulp van deze probleemoplossing kunt verhelpen.

Controleer, als u problemen ondervindt tijdens het gebruik van de machine, de volgende gids voor probleemoplossing voordat u contact opneemt voor service. Vele problemen kunnen eenvoudig door de gebruiker worden opgelost. Zet de stroomschakelaar uit en haal de stekker uit het stopcontact en neem contact op met uw geautoriseerde servicevertegenwoordiger wanneer u het probleem niet met behulp van deze probleemoplossing kunt verhelpen.

"**-**" staat voor een code die bestaat uit cijfers en letters. Geef uw dealer de getoonde code door wanneer u contact opneemt.

PROBLEEMOPLOSSING

NETWERKPROBLEMEN

De machine maakt geen verbinding met het netwerk. ............................................................................. 143

MACHINE- EN KOPIEERPROBLEMEN

De machine werkt niet. ............................................................................................................................ 143

Machine staat wel aan, maar kopieert niet. ............................................................................................. 143

Kopieën zijn te donker of te licht. ............................................................................................................. 143

De tekst is onscherp wanneer ik een kopie maak.................................................................................... 144

Blanco kopieën. ....................................................................................................................................... 144

Een gedeelte van het beeld is afgesneden of er is te veel witruimte. ...................................................... 144

Er verschijnen kreukels in het papier of het beeld vertoont bleke plekken............................................... 144

Papierstoring............................................................................................................................................ 144

Kopieën zijn vlekkerig of vuil.................................................................................................................... 145

Er verschijnen witte of zwarte strepen op kopieën................................................................................... 145

Papierformaatinstelling van de lade kan niet worden ingesteld. .............................................................. 145

Een kopieertaak stopt voortijdig............................................................................................................... 145

De display schakelt uit. ............................................................................................................................ 145

De verlichting knippert. ............................................................................................................................ 145

PRINT- EN SCANPROBLEMEN

De machine drukt niet af. (ONLINE indicator ( ) knippert niet.)............................................................. 146

De machine drukt niet af. (ONLINE indicator ( ) knippert.) ................................................................... 146

Afdrukken wordt traag uitgevoerd. ........................................................................................................... 147

Het afgedrukte beeld is licht en ongelijk. ................................................................................................. 147

Het afgedrukte beeld is vuil...................................................................................................................... 147

Het afgedrukte beeld is scheef of het loopt weg van het papier. ............................................................. 147

Slechte scankwaliteit................................................................................................................................ 148

Het beeld kan niet worden gescand......................................................................................................... 148

De ontvanger ontvangt de verstuurde gegevens niet. ............................................................................. 148

De ontvanger ontvangt geen gegevens die per e-mail zijn verzonden (Scannen naar E-mail). .............. 149

Transmissie duurt lang............................................................................................................................. 149

De [KLEUR START] of [ZWART-WIT START] indicator brandt niet in de modus USB Geheugen Scan. ............... 149

"Controleer USB geheugen." wordt weergegeven op het display tijdens USB Geheugen Scan. ............ 149

"Geheugen vol. Opdracht gewist." wordt weergegeven op het display tijdens USB Geheugen Scan..... 149

141

PROBLEEMOPLOSSING

FAXPROBLEMEN

De machine werkt niet. ............................................................................................................................ 149

Kiezen is niet mogelijk. ............................................................................................................................ 149

Kan geen fax verzenden. ......................................................................................................................... 150

Het verzonden beeld wordt aan de ontvangende zijde blanco afgedrukt. ............................................... 150

Het verzonden beeld is vervormd. ........................................................................................................... 150

Er verschijnen witte of zwarte strepen op het verzonden beeld............................................................... 150

Verzending vindt niet op het gedefinieerde tijdstip plaats........................................................................ 150

Afdrukken vindt niet plaats na ontvangst. ................................................................................................ 150

Een ontvangen faxbericht wordt blanco afgedrukt. .................................................................................. 150

Het ontvangen beeld is vaag. .................................................................................................................. 150

Het ontvangen beeld is vervormd. ........................................................................................................... 150

Geen kiestoon te horen door de speaker................................................................................................. 151

De machine belt niet. ............................................................................................................................... 151

Kiezen is niet mogelijk. ............................................................................................................................ 151

INDICATORS EN DISPLAYMELDINGEN .................................................... 151

ALS UW E-MAIL WORDT TERUGGEZONDEN........................................... 152

VASTGELOPEN PAPIER VERWIJDEREN .................................................. 153

PAPIERSTORING IN DE ORIGINEELINVOER ...................................................................................... 153

PAPIERSTORING IN DE HANDINVOERLADE ...................................................................................... 155

PAPIERSTORING IN DE MACHINE ....................................................................................................... 156

PAPIERSTORING IN PAPIERLADE 1 .................................................................................................... 159

PAPIERSTORING IN PAPIERLADE 2 .................................................................................................... 159

TONERCARTRIDGE VERVANGEN ............................................................. 160

DE TONERAFVALBAK VERVANGEN......................................................... 161

142

PROBLEEMOPLOSSING

PROBLEEMOPLOSSING

NETWERKPROBLEMEN

Probleem

De machine maakt geen verbinding met het netwerk.

Oorzaak en oplossing

De LAN-kabel is niet aangesloten.

→ Controleer of de LAN-kabel stevig vastzit in de machine en uw computer. Zie de "Software-installatiegids" voor het aansluiten van de kabel.

Is de machine geconfigureerd voor gebruik op hetzelfde netwerk als de computer?

→ Het apparaat kan niet worden gebruikt als het niet is aangesloten op hetzelfde netwerk als de computer, of als het niet is geconfigureerd voor gebruik op het netwerk.

Raadpleeg uw netwerkbeheerder voor meer informatie.

Pagina

9

MACHINE- EN KOPIEERPROBLEMEN

De onderstaande problemen hebben betrekking op de algemene werking van de machine en het kopiëren.

Probleem

De machine werkt niet.

Machine staat wel aan, maar kopieert niet.

Kopieën zijn te donker of te licht.

Oorzaak en oplossing

Het snoer is niet aangesloten op een stopcontact.

→ Sluit het snoer aan op een geaard stopcontact.

Hoofdschakelaar UIT.

→ Zet de hoofdschakelaar op ON.

De machine is bezig met opwarmen.

→ De machine heeft enige tijd nodig om op te warmen nadat de schakelaar is ingeschakeld. Terwijl de machine opwarmt, kunnen de kopieerinstellingen geselecteerd worden, maar is kopiëren niet mogelijk. Wacht tot "Klaar v. kopiëren" verschijnt.

De voor- of zijklep is niet volledig gesloten.

→ Sluit de voor- of zijklep.

De machine staat in de automatische uitschakelfunctie.

→ Wanneer de modus voor automatisch uitschakelen is geactiveerd, knippert alleen de [ENERGIE BESPAREN] indicator

( ). Alle andere indicatoren en de display zijn uitgeschakeld. De machine keert terug naar de normale werking wanneer op de

[ENERGIE BESPAREN] toets ( ) wordt gedrukt, wanneer een afdruktaak of faxbericht wordt ontvangen of wanneer scannen vanaf een computer wordt gestart.

* Behalve wanneer het printgeheugen voor de faxfunctie is geactiveerd.

Er is een papierstoring opgetreden.

→ Zie "VASTGELOPEN PAPIER VERWIJDEREN" om het

vastgelopen papier te verwijderen.

Geen papier meer aanwezig in de papierlade.

→ Vul papier bij.

→ Druk op de [KOPIE] toets ( selecteren.

) om de kopieermodus te

Er werd geen juiste belichting voor het origineel geselecteerd.

→ Selecteer de gewenste belichting met de [BELICHTING] toets

( ) en stel de juiste belichting in met de [ ] of [ ] toets.

→ Als de kopie te licht of te donker is, zelfs als "AUTO" is geselecteerd met de [BELICHTING] toets ( ), stel dan handmatig het belichtingsniveau bij met de [ ] of [ ] toets.

143

Pagina

15

15

15

153

19

28

PROBLEEMOPLOSSING

Een gedeelte van het beeld is afgesneden of er is te veel witruimte.

Probleem

De tekst is onscherp wanneer ik een kopie maak.

Blanco kopieën.

Er verschijnen kreukels in het papier of het beeld vertoont bleke plekken.

Papierstoring.

Oorzaak en oplossing

Selecteer een geschikte belichting voor het origineel in het belichtingsscherm.

→ Wijzig de belichting in "Tekst" met de [BELICHTING] toets (

).

Het origineel is niet met de bedrukte zijde naar boven in de origineelinvoer of met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat geplaatst.

→ Leg het origineel met de bedrukte zijde omhoog in de origineelinvoer of met de bedrukte zijde omlaag op de glasplaat.

Het origineel is niet in de correcte positie geplaatst.

→ Plaats het origineel in de correcte positie.

Het papierformaat in een lade is gewijzigd zonder dat het papierformaat van de lade is gewijzigd.

→ Stel het papierformaat van de lade in dezelfde positie/formaat in als het in de lade geplaatste papier.

Formaat en gewicht van het gebruikte papier komt niet overeen met het gedefinieerde bereik.

→ Gebruik kopieerpapier dat overeenkomt met de gespecificeerde instellingen.

Het papier is gekreukeld of vochtig.

→ Gebruik geen gekreukeld of geribbeld papier. Vervang het papier voor droog kopieerpapier. Verwijder het papier uit de papierlade en bewaar het in een zak op een donkere plaats om vochtabsorptie te voorkomen wanneer de machine gedurende langere tijd niet wordt gebruikt.

De ontgrendelingen van de fusereenheid zijn niet teruggezet op hun oorspronkelijke positie.

→ Als u de ontgrendelingen van de fusereenheid niet terugzet, kunnen een slechte tonerhechting, vlekken en strepen het resultaat zijn. Duw beide hendels omhoog om ze terug te zetten.

Formaat en gewicht van het gebruikte papier komt niet overeen met het gedefinieerde bereik.

→ Gebruik kopieerpapier dat overeenkomt met de gespecificeerde instellingen.

Het papier is gekreukeld of vochtig.

→ Gebruik geen gekreukeld of geribbeld papier. Vervang het papier voor droog kopieerpapier. Verwijder het papier uit de papierlade en bewaar het in een zak op een donkere plaats om vochtabsorptie te voorkomen wanneer de machine gedurende langere tijd niet wordt gebruikt.

Het papier is niet goed geladen.

→ Verzeker u ervan dat het papier goed geladen is.

Er is een stuk papier achtergebleven in de machine.

→ Verwijder alle vastgelopen papierdelen.

Een aantal vellen papier plakken aan elkaar.

→ Waai het papier goed los voordat u het plaatst.

Er is een papierstoring opgetreden in de lade.

→ Draai het papier om (stapel omdraaien of boven-/onderzijde omwisselen) en plaats het opnieuw.

Er is te veel papier in de papierlade geladen.

→ Verklein de papierstapel wanneer de papierstapel hoger is dan de hoogte-indicator op de lade en herplaats de stapel zo dat deze onder de hoogte-indicator blijft.

De geleiders op de handinvoerlade zijn niet aangepast aan de breedte van het papier.

→ Pas de geleiders aan de breedte van het papier aan.

Als de papiergeleider te hard tegen het papier is geduwd, kan een papierstoring optreden. Laat de geleider lichtjes tegen het papier komen.

De verlenging van de handinvoerlade is niet uitgetrokken.

→ Open de verlenging wanneer u papier laadt.

144

Pagina

28

27

27

22

19

157

16

19

153

19

19

19

20

20

PROBLEEMOPLOSSING

Probleem

Papierstoring.

Kopieën zijn vlekkerig of vuil.

Er verschijnen witte of zwarte strepen op kopieën.

Papierformaatinstelling van de lade kan niet worden ingesteld.

Een kopieertaak stopt voortijdig.

De display schakelt uit.

De verlichting knippert.

Oorzaak en oplossing

De papierinvoerrol van de handinvoerlade is vuil.

→ Reinig de invoerrol.

De glasplaat of de onderzijde van de origineelinvoer is vuil.

→ Reinig deze regelmatig.

Er zitten vlekken of vegen op het origineel.

→ Gebruik een schoon origineel.

De scanplaat van de origineelinvoer is vuil.

→ Reinig de lange, smalle scanplaat.

Druk op de [KOPIE] toets ( ) om de kopieermodus te selecteren.

Er wordt een kopieer- of printtaak uitgevoerd.

→ Stel het papierformaat in nadat het kopiëren of afdrukken is beëindigd.

De machine is tijdelijk gestopt als gevolg van papierstoring.

→ Verwijder het vastgelopen papier en stel vervolgens het papierformaat in.

De papieruitvoerlade is vol.

→ Verwijder de kopieën uit de lade en druk op de [KLEUR START] toets of [ZWART-WIT TOETS] om het kopiëren te hervatten.

Geen papier meer aanwezig in de papierlade.

→ Vul papier bij.

Alle andere indicators werden uitgeschakeld.

→ Als andere indicators branden, staat de machine in de

"Voorverwarmfunctie". Druk op een willekeurige toets op het bedieningspaneel om normale werking te hervatten.

[ENERGIE BESPAREN] indicator ( ) knippert.

→ De machine staat in de automatische uitschakelfunctie. Druk op de [ENERGIE BESPAREN] toets ( ) om normale werking te hervatten.

Voor de verlichting wordt hetzelfde stopcontact gebruikt als voor de machine.

→ Sluit de machine op een stopcontact aan dat niet voor andere elektrische apparaten wordt gebruikt.

Pagina

164

163

164

11

19, 153

9

19

15

15

145

PROBLEEMOPLOSSING

PRINT- EN SCANPROBLEMEN

Behalve in deze sectie kan er ook informatie over probleemoplossing worden geraadpleegd in de

LEESMIJ-bestanden van de softwareprogramma's. Zie de "HANDLEIDING SOFTWARE-INSTALLATIE" om een

LEESMIJ-bestand te bekijken.

Probleem

De machine drukt niet af.

(ONLINE indicator ( ) knippert niet.)

De machine drukt niet af.

(ONLINE indicator ( ) knippert.)

Oorzaak en oplossing

De machine staat ingesteld op offline.

→ Druk, als de ONLINE indicator (

) niet brandt, op de

[SPECIALE FUNCTIE] toets ( )

om naar de printermodus te gaan en gebruik vervolgens de [ ] toets om "ONLINE/OFFLINE" te selecteren.

De machine is niet correct met uw computer verbonden.

→ Controleer beide einden van de printerkabel en zorg ervoor dat u een ononderbroken verbinding heeft. Probeer een andere kabel.

Zie "SPECIFICATIES (STARTHANDLEIDING)" voor informatie over kabels.

Er wordt een kopieertaak uitgevoerd.

→ Wacht totdat de kopieertaak is voltooid.

In de huidige toepassing is uw machine niet correct geselecteerd voor de printtaak.

→ Wanneer u "Afdrukken" kiest in het menu "Bestand" van een toepassing, moet "SHARP MX-XXXX" zijn geselecteerd in het dialoogvenster "Afdrukken" (waarbij XXXX de modelnaam van uw machine is).

Het printerstuurprogramma werd niet juist geïnstalleerd.

→ Volg deze stappen en controleer en bekijk of het printerstuurprogramma juist is geïnstalleerd.

1 Klik op de knop "Start" en dan op "Apparaten en printers".

Klik in Windows Vista op de knop "Start" gevolgd door

"Configuratiescherm" en "Printer".

Klik in Windows XP op de knop "Start" en klik dan op "Printers en faxapparaten".

Klik in Windows 2000 op de knop "Start", selecteer

"Instellingen" en klik vervolgens op "Printers".

2 Als het pictogram van het printerstuurprogramma van de

"SHARP MX-XXXX" wordt getoond terwijl u nog steeds niet kunt afdrukken, is het printerstuurprogramma mogelijk niet correct geïnstalleerd. Verwijder in zulke gevallen de software en installeer het opnieuw.

De poortinstelling is niet correct.

→ Afdrukken is niet mogelijk als de poortinstelling voor het printerstuurprogramma niet correct is. Stel de poort juist in. Zie voor meer informatie de Handleiding software-installatie.

Afdrukken is uitgeschakeld.

→ Als "TAKEN VAN ONGELDIGE ACCOUNTS ANNULEREN" wordt ingeschakeld in systeeminstellingen, is afdrukken niet mogelijk. Raadpleeg de beheerder.

De instellingen voor het ladeformaat zijn op de machine anders dan in het printerstuurprogramma.

→ Zorg ervoor dat hetzelfde papierformaat voor de lade is ingesteld op de machine en in het printerstuurprogramma. Zie

"PAPIERFORMAATINSTELLING VAN EEN LADE WIJZIGEN"

(p.22) om de instelling voor het papierformaat van de lade te

wijzigen of zie de Handleiding software-installatie om dit in het printerstuurprogramma te wijzigen.

Het gespecificeerde papierformaat werd niet geladen.

→ Laad het gespecificeerde papierformaat in de papierlade.

Pagina

76

9

9

178

22

19

146

PROBLEEMOPLOSSING

Probleem

Afdrukken wordt traag uitgevoerd.

Het afgedrukte beeld is licht en ongelijk.

Het afgedrukte beeld is vuil.

Het afgedrukte beeld is scheef of het loopt weg van het papier.

Oorzaak en oplossing

Gelijktijdig gebruik van twee of meer softwareprogramma's.

→ Start het afdrukken na het afsluiten van alle ongebruikte softwareprogramma's.

Het papier is zodanig geplaatst, dat het afdrukken op de achterzijde van het papier wordt uitgevoerd.

→ Bepaalde papiersoorten hebben een voor- en achterzijde. Als het papier zodanig is geplaatst, dat het afdrukken op de achterzijde plaatsvindt, zal de toner niet goed aan het papier hechten en wordt er geen goed beeld verkregen.

U gebruikt papier dat buiten het gespecificeerde formaat en gewichtsbereik valt.

→ Gebruik kopieerpapier dat overeenkomt met de gespecificeerde instellingen.

Het papier is gekreukeld of vochtig.

→ Gebruik geen gekreukeld of geribbeld papier. Vervang het papier voor droog kopieerpapier. Verwijder het papier uit de papierlade en bewaar het in een zak op een donkere plaats om vochtabsorptie te voorkomen wanneer de machine gedurende langere tijd niet wordt gebruikt.

U heeft onvoldoende marges in de papierinstellingen van uw toepassing ingesteld.

→ De onder- en bovenzijde van het papier kunnen vuil worden als de marges buiten het gespecificeerde printkwaliteitsgedeelte wordt ingesteld.

→ Stel de marges in de softwaretoepassing binnen het gespecificeerde printkwaliteitsgedeelte in.

Zwarte puntjes of vlekken zichtbaar in de afdruk.

→ Voer een reiniging van de fuseereenheid uit. De letter "V" wordt afgedrukt op een vel papier en de fuseereenheid wordt gereinigd.

Het geplaatste papier in de lade is niet hetzelfde formaat als dat gespecificeerd in het printerstuurprogramma.

→ Controleer of de opties voor "Papierformaat" geschikt zijn voor het papierformaat dat in de lade is geplaatst.

Als de instelling "Aanpassen aan pagina" wordt geactiveerd, moet het papierformaat dat is geselecteerd in de vervolgkeuzelijst hetzelfde zijn als het formaat van het geplaatste papier.

De richting van de documentinstelling is niet correct.

→ Klik op het tabblad "Algemeen" in het installatiescherm van het printerstuurprogramma en controleer of de optie "Beeldrichting" goed is ingesteld.

Het papier is niet goed geladen.

→ Verzeker u ervan dat het papier goed geladen is.

U heeft de marges voor de in gebruikzijnde toepassing niet correct gespecificeerd.

→ Controleer de lay-out van de documentmarges en de papierformaatinstellingen voor de toepassing die u gebruikt.

Controleer tevens of de printinstellingen correct zijn gespecificeerd, passend bij het papierformaat.

Pagina

19

16

179

19

147

Probleem

Slechte scankwaliteit.

Het beeld kan niet worden gescand.

De ontvanger ontvangt de verstuurde gegevens niet.

PROBLEEMOPLOSSING

Oorzaak en oplossing

De glasplaat of de onderzijde van de origineelinvoer is vuil.

→ Reinig deze regelmatig.

Er zitten vlekken of vegen op het origineel.

→ Gebruik een schoon origineel.

U heeft geen geschikte resolutie gespecificeerd.

→ Zorg ervoor dat de resolutie-instelling in het scannerstuurprogramma geschikt is voor het origineel.

U hebt geen geschikte waarde gespecificeerd voor "Z/W

Drempelwaarde".

→ Als u met een TWAIN-compatibele toepassing scant, moet er een geschikte waarde worden gespecificeerd voor "Z/W

Drempelwaarde". Een grotere drempelwaarde zorgt voor een donkere uitvoer, terwijl een kleinere drempelwaarde het lichter maakt. Om de drempel automatisch aan te passen klikt u op

"Auto drempel" op het tabblad "Beeld" van het scherm

"Professioneel".

De instellingen voor helderheid en contrast zijn niet geschikt.

→ Als u met een TWAIN-compatibele toepassing scant en het gescande beeld heeft een onjuiste helderheid of contrast

(bijvoorbeeld te helder), klik dan op "Automatische afstelling van helderheid / contrast" op het tabblad "Kleur" van het scherm

"Professioneel". Klik op de knop "Helderheid/Contrast" om de helderheid en het contrast aan te passen terwijl het gescande beeld op het scherm wordt bekeken.

Het origineel is niet met de bedrukte zijde naar boven in de origineelinvoer of met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat geplaatst.

→ Leg het origineel met de bedrukte zijde omhoog in de origineelinvoer of met de bedrukte zijde omlaag op de glasplaat.

Het origineel is niet in de correcte positie geplaatst.

→ Plaats het origineel in de correcte positie.

Uw toepassing is niet TWAIN-compatibel.

→ Als uw toepassing niet TWAIN-compatibel is, is scannen niet mogelijk. Zorg ervoor dat uw toepassing TWAIN-compatibel is.

Het scannerstuurprogramma van de machine is niet geselecteerd in uw toepassing.

→ Zorg ervoor dat het scannerstuurprogramma is geselecteerd in uw TWAIN-compatibele toepassing.

U heeft niet alle scanvoorkeuren juist gespecificeerd.

→ Het scannen van een groot gedeelte bij een hoge resolutie resulteert in een grote hoeveelheid gegevens en lange scantijden. De scanvoorkeuren moeten juist ingesteld worden voor het type origineel dat moet worden gescand, bijv. tekst/tekeningen, foto's.

Er zit een fout in de opgeslagen bestemmingsinformatie of u hebt een onjuiste bestemming geselecteerd.

→ Controleer of de juiste bestemmingsinformatie is opgeslagen.

Corrigeer eventuele fouten.

* Als zending per e-mail (Scannen naar E-mail) niet succesvol is, wordt er mogelijk een foutbericht zoals "Onverzonden bericht" gestuurd naar het ingestelde e-mailadres van de beheerder.

Deze informatie kan u helpen het probleem op te lossen.

Pagina

163

27

27

195

148

PROBLEEMOPLOSSING

Probleem

De ontvanger ontvangt geen gegevens die per e-mail zijn verzonden (Scannen naar E-mail).

Transmissie duurt lang.

Oorzaak en oplossing

Controleer de webpagina om te zien of een limiet is ingesteld voor het formaat van afbeeldingbestanden die worden verzonden met

Scannen naar E-mail (de standaardfabrieksinstelling is "Onbeperkt").

U kunt een limiet instellen tussen 1 MB en 10 MB. Overleg met de beheerder van de webpagina wat een geschikte limiet is.

De beheerder van de mailserver kan een beperking instellen op de hoeveelheid gegevens die kan worden verzonden in één e-mailverzending . Ook al blijft de bestandsgrootte binnen de hierboven beschreven limiet, als het de limiet van de mailserverbeheerder overschrijdt, wordt het bestand niet afgeleverd bij de ontvanger.

Verminder de hoeveelheid gegevens die wordt verzonden in de e-mailverzending (verklein het aantal gescande pagina’s). (Vraag de mailserverbeheerder wat de gegevenslimiet is voor één e-mail.)

Wanneer het een grote hoeveelheid afbeeldinginformatie betreft, is het gegevensbestand eveneens groot en zal de transmissie langere tijd duren.

De [KLEUR START] of [ZWART-WIT

START] indicator brandt niet in de modus USB Geheugen Scan.

"Controleer USB geheugen." wordt weergegeven op het display tijdens USB Geheugen Scan.

Het USB-geheugen wordt niet herkend of is niet geplaatst of een ander apparaat dan het USB-geheugen is in de

USB-poort geplaatst.

→ Controleer de USB-poort.

Een ander apparaat dan het USB-geheugen is in de

USB-poort geplaatst, het USB-geheugen is tegen schrijven beveiligd of het werd verwijderd tijdens USB

Geheugen Scan.

→ Controleer uw USB-geheugenapparaat en gebruik het op juiste wijze.

"Geheugen vol. Opdracht gewist." wordt weergegeven op het display tijdens USB Geheugen Scan.

Het geheugen van het USB-apparaat is vol.

→ Gebruik het USB-apparaat met voldoende geheugen.

Pagina

195

FAXPROBLEMEN

Als u een probleem met de faxfunctie waarneemt, controleer dan eerst de volgende tabel.

In dit hoofdstuk worden problemen met de faxfunctie beschreven. Voor problemen met betrekking tot de algemene bediening van de machine raadpleegt u "PROBLEEMOPLOSSING" in de Bedieningsgids van de machine.

Probleem

De machine werkt niet.

Kiezen is niet mogelijk.

Oorzaak en oplossing

Staat de hoofdschakelaar aan?

→ Zet de hoofdschakelaar op ON.

Verschijnt er een foutmelding op de display?

→ Wis de fout zoals aangeven in de melding.

Is de juiste kies mode ingesteld voor uw lijn?

→ Controleer uw lijn en stel de juiste kies mode in.

Is de telefoonkabel goed aangesloten?

→ Controleer de aansluitingen.

Staat de hoofdschakelaar aan?

→ Zet de hoofdschakelaar op ON.

Staat de machine in faxmodus?

→ Druk op de [FAX] toets (

) om de machine in faxmodus te zetten.

85

Pagina

15

120

184

79

15

149

PROBLEEMOPLOSSING

Probleem

Kan geen fax verzenden.

Oorzaak en oplossing

Bevindt er zich papier in de ontvangende faxmachine?

→ Neem contact op met de operator van het ontvangende faxapparaat.

Is de ontvangende machine klaar om te ontvangen?

→ Neem contact op met de operator van het ontvangende faxapparaat.

Gebruikt u een geschikt origineelformaat?

→ Controleer de verzendbare formaten.

Is het origineelformaat correct gedetecteerd?

→ Controleer het formaat van het origineel.

De melding "Lezen afgebroken. A.U.B. Herhaal verzend operatie." wordt weergegeven.

→ Als u probeert te verzenden terwijl de melding "Opwarmen" verschijnt, kan de verzending niet correct plaatsvinden. Herhaal de verzending.

Het verzonden beeld wordt aan de ontvangende zijde blanco afgedrukt.

Was het origineel zo geplaatst dat de correcte zijde gescand is?

→ Zorg ervoor dat het origineel zo geplaatst is dat de correcte zijde gescand wordt.

Als de ontvangende machine thermisch papier gebruikt, was het thermische papier met de verkeerde kant naar buiten geplaatst?

→ Neem contact op met de operator van het ontvangende faxapparaat.

Het verzonden beeld is vervormd.

Er verschijnen witte of zwarte strepen op het verzonden beeld.

Verzending vindt niet op het gedefinieerde tijdstip plaats.

Waren de telefoonverbindingcondities slecht vanwege onweer of andere redenen?

→ Probeer de verzending opnieuw.

Zijn resolutie- en belichtinginstellingen correct?

→ Controleer de resolutie- en belichtinginstellingen.

Is de glasplaat of de scanplaat voor de origineelinvoer

(het lange smalle glas) vuil?

→ Reinig de glasplaat of de scanplaat voor de origineelinvoer.

Is de klok van de machine op de juiste tijd ingesteld?

→ Stel de klok van de machine op de juiste tijd in.

Verschijnt er een foutmelding met betrekking tot papier bijvullen, toner bijvullen of een papierstoring? (Dit betekent dat afdrukken niet mogelijk is.)

→ Herstel afdrukfunctie zoals aangegeven in de melding. Het afdrukken begint.

Afdrukken vindt niet plaats na ontvangst.

Een ontvangen faxbericht wordt blanco afgedrukt.

Het ontvangen beeld is vaag.

Het ontvangen beeld is vervormd.

Is de doorstuuroptie (functie Inkomende routing) ingeschakeld voor een ontvangen fax?

→ Vraag uw beheerder als u een ontvangen fax wilt afdrukken.

Wanneer de functie Inkomende routing is ingeschakeld, worden ontvangen faxen automatisch naar een opgegeven adres doorgestuurd. Als "Afdrukken bij fouten" is geselecteerd wanneer de functie Inkomende routing is ingeschakeld, worden ontvangen faxen alleen afgedrukt wanneer een fout optreedt.

Is de verkeerde kant van het origineel gescand in de verzendende machine?

→ Neem contact op met de operator van het verzendende faxapparaat.

Is het origineel vaag?

→ Vraag de andere partij de fax opnieuw te sturen met een juiste belichtinginstelling.

Waren de telefoonverbindingcondities slecht vanwege onweer of andere redenen?

→ Vraag de andere partij het faxbericht opnieuw te versturen.

150

Pagina

82

82

27

163

176

122

PROBLEEMOPLOSSING

Probleem Oorzaak en oplossing

Geen kiestoon te horen door de speaker.

De machine belt niet.

Kiezen is niet mogelijk.

Is het volume ingesteld op "laag"?

→ Stel het volume in op "middel" of "hoog".

Is het belvolume uitgeschakeld?

→ Stel het belvolume in op "laag", "middel" of "hoog".

Is de telefoonkabel goed aangesloten?

→ Controleer de aansluitingen.

Pagina

184

184

79

INDICATORS EN

DISPLAYMELDINGEN

Als één van de volgende meldingen verschijnt, neemt u onmiddellijk actie en volgt u de instructies in de melding.

Onderhoud

Melding

Verwijder papier uit middelste lade.

Laad < > in lade < >.

Oplossing

Het is tijd voor regelmatig onderhoud. Neem contact op met uw service leverancier.

Onderhoud spoedig vereist. Neem contact op met uw service leverancier.

Onderhoud nodig. Bel voor service.

Bel om service. –

Zorg voor nieuwe toner.

Controleer de tonercartridge.

Neem de tonercassette uit en schud deze op en neer.

Plaats hem opnieuw en sluit de voorklep.

Vervang toneropvangbak.

Zet de stroom uit en vervolgens weer aan. Als hierdoor het bericht niet verdwijnt, noteer dan de 2-cijferige hoofdcode en de 2-cijferige subcode

(" "), zet de stroom uit en neem onmiddellijk contact op met een erkend servicebedrijf.

Tonercartridge moet spoedig worden vervangen.

Controleer of de tonercartridge correct is geplaatst.

Verwijder de tonercartridge zoals uitgelegd in "TONERCARTRIDGE

VERVANGEN" (p.160), schud de cartridge en installeer hem opnieuw.

Vervang de tonercassette.

Vervang de tonerafvalbak zoals uitgelegd in "DE TONERAFVALBAK

VERVANGEN" (p.161).

Vervang de tonercartridge zoals uitgelegd in "TONERCARTRIDGE

VERVANGEN" (p.160).

Het aantal bladen in de uitvoerlade heeft de grens bereikt. Verwijder het papier.

Het gedefinieerde papierformaat voor de lade verschilt van het huidige formaat.

(p.22)

< >: Ladenummer

< >: Formaat van het te laden papier

151

PROBLEEMOPLOSSING

Als een van de volgende foutcodes in het display verschijnt als communicatiefout bij het verzenden van het gescande beeld, volg dan de hieronder beschreven oplossing.

Foutcode

CE-00

CE01

CE-02

CE-04

CE-03

CE-05

CE-06

CE-09

CE-11

CE-12

CE-14

Oplossing

Zet de stroom uit en vervolgens weer aan. Raadpleeg uw netwerkbeheerder om na te gaan of er geen problemen zijn met het netwerk of de server. Als de fout niet is verholpen na het uit- en weer inschakelen, zet dan de stroomschakelaar uit en neem contact op met uw dealer.

Het gescande beeld is niet verzonden omdat er geen verbinding kon worden gemaakt met de server. Controleer of de instellingen van de SMTP-server of de bestemmingen voor scannen naar

FTP in de webpagina correct zijn.

De procedure voor het configureren van de SMTP-server wordt uitgelegd in "SMTP-, DNS- en

LDAP-serverinstellingen configureren" en de procedure voor het bewerken van bestemmingen voor scannen naar FTP wordt uitgelegd in "Geprogrammeerde verzendbestemmingen bewerken en verwijderen".

Het gescande beeld is niet verzonden omdat de server bezet was of omdat er te veel verkeer op de lijn was. Wacht even en probeer het opnieuw.

Het gescande beeld is niet verzonden omdat de directory van de als bestemming gebruikte

FTP-server niet correct was. Zorg ervoor dat in de webpagina de juiste gegevens zijn opgegeven voor de FTP-server.

Scangegevens kunnen niet worden verzonden omdat het e-mailadres dat in de bestemmingslijst is opgeslagen niet klopt.

Controleer of de opgeslagen bestemmingsinformatie correct is.

Het bestand met het gescande beeld overschrijdt de limiet die in de webpagina is ingesteld bij

"Maximum formaat van de E-mail bijlage". Verklein het aantal pagina's in het bestand of wijzig de limiet bij "Maximum formaat van de E-mail bijlage". Mogelijk is de limiet voor de bestandsgrootte van de e-mailserver overschreden. Maak het origineel minder groot of wijzig de resolutie of kleurmodus om het bestand met de scan kleiner te maken.

Het geheugen raakt vol tijdens het scannen. Scan minder pagina's, verlaag de resolutie of wijzig de kleurmodus zodat het bestand kleiner wordt en scan vervolgens opnieuw.

Het maximale aantal bestemmingen bij het zoeken in het globaal adresboek is overschreden.

Voer meer zoektekens in om het zoekbereik kleiner te maken.

Controleer of het USB-geheugen niet tegen schrijven is beveiligd.

CE-15

CE-16

CE-17

Controleer of er op het USB-geheugen voldoende ruimte vrij is voor de hoeveelheid gegevens van de scan.

Controleer of het USB-geheugen niet defect is.

Controleer of de bestandsnamen in het USB-geheugen niet langer zijn dan 256 tekens per bestand of controleer of het USB-geheugen niet defect is.

Pagina

200, 203

200

200

201

130, 131

128

ALS UW E-MAIL WORDT

TERUGGEZONDEN

Als Scannen naar E-mail niet goed wordt verzonden, ontvangt u een e-mail op het antwoordadres dat is ingesteld in de SMTP-server om dit te melden. Lees deze e-mail, ga na wat de oorzaak van de fout is. Herhaal de verzending.

152

PROBLEEMOPLOSSING

VASTGELOPEN PAPIER

VERWIJDEREN

Wanneer er een papierstoring optreedt tijdens het kopiëren, verschijnt de melding " Verwijder pap." met de locatie van de papierstoring.

Controleer de plaats van de papierstoring en verwijder het vastgelopen papier.

Opmerking

Het papier kan scheuren wanneer u het verwijdert. Zorg er in zulke gevallen voor dat alle papierdelen uit de machine worden verwijderd.

(Zie hieronder)

(p.156)

(p.155)

(p.159)

(p.159)

(p.159)

(p.159)

PAPIERSTORING IN DE ORIGINEELINVOER

1

Verwijder het vastgelopen origineel.

Verwijder het origineel uit de origineelinvoer.

Controleer de gedeelten A, B en C die in de afbeelding links worden getoond (zie ook de volgende pagina) en verwijder het vastgelopen origineel.

Gedeelte A

Duw de ontgrendelingshendel omhoog en verwijder het vastgelopen origineel uit de origineelinvoerlade. Trek de ontgrendelingshendel omlaag.

153

PROBLEEMOPLOSSING

Gedeelte B

Open de origineelinvoer en draai de ontgrendelingsrol in de richting van de pijl om het origineel naar buiten te laten komen. Sluit de origineelinvoer en verwijder het origineel.

Invoerrol

Als u het origineel niet kunt verwijderen, probeer het dan via gedeelte C.

Gedeelte C

Verwijder het vastgelopen origineel uit het uitvoergedeelte.

Als het origineel is vastgelopen in de omkeerinrichting, open dan het uitvoergedeelte en verwijder het vastgelopen origineel voorzichtig.

2

Druk op de [OK] toets zodat de papierstoringslocatie-indicator stopt met knipperen.

3

Plaats het aantal originelen dat in de display wordt aangegeven door het getal terug in de origineelinvoerlade en druk op de [KLEUR START] of [ZWART-WIT START] toets.

Het kopiëren wordt hervat vanaf de originelen die nog resteerden toen de storing optrad.

154

PROBLEEMOPLOSSING

PAPIERSTORING IN DE HANDINVOERLADE

1

Verwijder al het eventueel resterend papier uit de handinvoer.

2

Verwijder het vastgelopen papier voorzichtig uit de handinvoer.

Als u het vastgelopen papier kon verwijderen

3

Sluit de hulplade en vervolgens de handinvoer, pak de hendel voor het openen/sluiten van de zijklep en doe de zijklep voorzichtig open en dicht.

(1)

(2)

Als u het vastgelopen papier niet kon verwijderen

3

Pak de hendel voor het openen/sluiten van de zijklep en doe de zijklep voorzichtig open.

De melding " Verwijder pap." verdwijnt en kopiëren is mogelijk.

4

Draai aan de papierdoorvoerknop en laat het papier naar buiten komen.

("Papierstoring in het papierinvoergedeelte A" (p.156))

5

Sluit de zijklep.

De melding " Verwijder pap." verdwijnt en kopiëren is mogelijk.

155

PROBLEEMOPLOSSING

PAPIERSTORING IN DE MACHINE

Als u vastgelopen papier uit het binnenwerk van de machine wilt verwijderen, open dan de zijklep, controleer of de storing is opgetreden in "A", "B" of "C" hieronder en volg verder de procedure voor het verwijderen van vastgelopen papier.

1

Open de handvoerinlade en de zijklep.

Opmerking

Als er papier achterblijft in de handinvoer, moet u dit verwijderen.

2

Controleer de vastgelopen locatie. Verwijder het vastgelopen papier volgens de instructies voor elke locatie, zoals afgebeeld in de onderstaande afbeelding.

Gebied B

Als het vastgelopen papier hier zichtbaar is, ga naar

"Papierstoring in het fuseergedeelte B" (p.157).

Gebied A

Als het papier hier is vastgelopen, ga naar

"Papierstoring in het papierinvoergedeelte A"

(p.156).

Gebied C

Als het papier hier is vastgelopen, ga naar

"Papierstoring in het transportgedeelte C" (p.158).

Papierstoring in het papierinvoergedeelte A

1

Verwijder voorzichtig het vastgelopen papier. Draai de draaiknop van de rollen in de richting van de pijl om het vastgelopen papier te verwijderen.

Draaiknop van de rollen

Fuseereenheid Zorg ervoor dat het papier niet scheurt tijdens het verwijderen.

Waarschuwing

De fuseereenheid is heet. Raak de fuseereenheid niet aan tijdens het verwijderen van vastgelopen papier. Dit kan brandwonden of letsel veroorzaken.

Let op

Wanneer u vastgelopen papier verwijdert, mag u de transportband niet aanraken of beschadigen.

2

Sluit de zijklep.

De melding " Verwijder pap." verdwijnt en kopiëren is mogelijk.

Opmerking

• Druk bij het sluiten van de zijklep op de hendel.

• Als de melding niet verdwijnt, kijkt u opnieuw om er zeker van te zijn dat er geen papier is achtergebleven.

156

PROBLEEMOPLOSSING

Papierstoring in het fuseergedeelte B

1

Breng de ontgrendeling van de rechter- en linkerfuseereenheid naar beneden en verwijder vastgelopen papier.

Ontgrendelingen van de fuseereenheid

2

Laat het gedeelte met het groene label dat uitsteekt uit de papiergeleider van de fuseereenheid zakken en open deze papiergeleider.

3

Verwijder het vastgelopen papier.

Zorg ervoor dat het papier niet scheurt tijdens het verwijderen.

Waarschuwing

De fuseereenheid is heet. Raak de fuseereenheid niet aan tijdens het verwijderen van vastgelopen papier. Dit kan brandwonden of letsel veroorzaken.

Let op

• Wanneer u vastgelopen papier verwijdert, mag u de transportband niet aanraken of beschadigen.

• Zorg ervoor dat het vastgelopen papier of de losse toner niet uw handen of kleren bevuilt.

4

Als het vastgelopen papier niet kan worden verwijderd, moet u het papier verwijderen door het in het papieruitvoergedeelte te trekken.

Zorg ervoor dat het papier niet scheurt tijdens het verwijderen.

5

Til het gedeelte met het groene label dat uitsteekt uit de papiergeleider van de fuseereenheid op en sluit deze papiergeleider.

6

Haal de ontgrendeling van de fuseereenheid omhoog.

157

PROBLEEMOPLOSSING

7

Sluit de zijklep.

De melding " Verwijder pap." verdwijnt en kopiëren is mogelijk.

Opmerking

• Druk bij het sluiten van de zijklep de hendel naar beneden.

• Zorg ervoor dat er geen stukken papier achterblijven in de machine wanneer het papier scheurt.

• Als de melding niet verdwijnt, kijkt u opnieuw om er zeker van te zijn dat er geen papier is achtergebleven.

Papierstoring in het transportgedeelte C

1

Til de duplextransporthendel op en open de omkeerinrichting.

2

Verwijder het vastgelopen papier.

3

Zet de duplextransporthendel terug en sluit de zijklep.

De melding " Verwijder pap." verdwijnt en kopiëren is mogelijk.

Opmerking

• Druk bij het sluiten van de zijklep op de hendel.

• Zorg ervoor dat er geen stukken papier achterblijven in de machine wanneer het papier scheurt.

• Als de melding niet verdwijnt, kijkt u opnieuw om er zeker van te zijn dat er geen papier is achtergebleven.

158

PROBLEEMOPLOSSING

PAPIERSTORING IN

PAPIERLADE 1

Opmerking

Verzeker u ervan dat er geen vastgelopen papier aanwezig is in de papierlade voordat u

deze uittrekt. (p.156)

1

Open de zijklep en verwijder het

vastgelopen papier. (p.156)

2

Til de bovenste papierlade omhoog en trek deze eruit en verwijder het vastgelopen papier.

Zorg ervoor dat het papier niet scheurt tijdens het verwijderen.

PAPIERSTORING IN

PAPIERLADE 2

1

Open de onderste zijklep.

Pak de hendel om de onderste zijklep te openen.

2

Verwijder het vastgelopen papier.

Zorg ervoor dat het papier niet scheurt tijdens het verwijderen.

3

Druk de bovenste papierlade volledig terug in de machine.

Druk de lade volledig terug in de machine.

4

Open en sluit de zijklep.

De melding " Verwijder pap." verdwijnt en kopiëren is mogelijk.

(2)

(1)

3

Sluit de onderste zijklep.

De melding " Verwijder pap." verdwijnt en kopiëren is mogelijk.

4

Indien er in stap 2 geen vastgelopen papier werd gevonden, trekt u de onderste lade eruit en verwijdert u het vastgelopen papier.

Zorg ervoor dat het papier niet scheurt tijdens het verwijderen.

Opmerking

• Druk bij het sluiten van de zijklep de hendel naar beneden.

• Als de melding niet verdwijnt, kijkt u opnieuw om er zeker van te zijn dat er geen papier is achtergebleven.

5

Sluit de onderste papierlade.

Druk de lade volledig terug in de machine.

Opmerking

Als de melding niet verdwijnt, kijkt u opnieuw om er zeker van te zijn dat er geen papier is achtergebleven.

159

PROBLEEMOPLOSSING

TONERCARTRIDGE VERVANGEN

Wanneer "Bereid nieuwe toner voor." wordt weergegeven, is de toner bijna op.

Vervang de tonercartridge wanneer "Vervang de tonercassette." wordt weergegeven.

Bereid nieuwe toner voor.

Als u de tonercartridge blijft gebruiken en niet vervangt, krijgt u de hieronder getoonde melding.

Vervang de tonercassette.

(

Kleuren die bijna of helemaal op zijn, worden aangegeven in

).

: Gele toner

: Magenta toner

: Cyaan toner

: Zwarte toner

Vervang de tonercartridges voor de aangegeven kleuren.

Opmerking

• Als een van de tonerkleuren op is (of de zwarte toner), is afdrukken in kleur niet meer mogelijk.

Als de gele, magenta of cyaan toner op is maar er is nog wel zwarte toner, dan is afdrukken in zwart-wit nog wel mogelijk.

• Installeer vier tonercartridges (Y/M/C/Bk).

Waarschuwing

Werp tonercartridges niet

in het vuur.

De toner kan in het rond vliegen en brandwonden veroorzaken.

Bewaar tonercartridges

buiten het bereik van kleine kinderen.

1

Open de voorplaat.

Druk op de beide uiteinden van de voorplaat en open deze.

Locatie van kleurentonercartridges

(A)(B) (C) (D)

(A): Geel

(B): Magenta

(C): Cyaan

(D): Zwart

2

Pak de handgreep aan de boven- en onderkant van de tonercartridge en trek de tonercartridge naar buiten.

Let op

Niet op de tonercartridge kloppen en niet schudden na verwijdering. Dit kan lekkage van de tonercartridge veroorzaken. Plaats de oude cartridge meteen in de lege verpakking van de nieuwe cartridge.

Opmerking

Doe de gebruikte tonercartridges in een plastic zak (niet weggooien).

De gebruikte tonercartridges kunnen worden meegegeven aan uw onderhoudstechnicus.

3

Haal de nieuwe tonercartridge uit de verpakking. Vijf of zes keer schudden in verticale richting.

Let op

Houd de tonercartridge niet vast aan de sluiting. Er zou toner kunnen lekken.

160

PROBLEEMOPLOSSING

4

Duw de tonercartridge er helemaal in langs de geleiders (moet vastklikken).

Verwijder vuil en stof voordat u de tonercartridge plaatst.

Opmerking

Een tonercartridge van een andere kleur kan niet worden geïnstalleerd.

Installeer altijd een tonercartridge van dezelfde kleur.

5

Druk de tonercartridge in het midden aan totdat de cartridge vastklikt.

6

Sluit de afdekplaat.

De indicator tonercartridge-vervanging vereist ( ) verschijnt niet meer.

Opmerking

• Zelfs nadat de tonercartridge is geplaatst kan de tonercartridge-vervangingsindicator ( ) nog steeds branden, wat betekent dat het kopiëren niet kan worden hervat (omdat de tonertoevoer onvoldoende is). Open en sluit in dit geval de afdekplaat. De machine zal vervolgens gedurende twee minuten de tonertoevoer weer op gang brengen waarna het kopiëren kan worden hervat.

• Verzeker u ervan dat de tonercartridge goed is geplaatst voordat u de voorklep sluit.

• Houd beide uiteinden van de voorklep licht ingedrukt wanneer u deze sluit.

DE TONERAFVALBAK VERVANGEN

In dit gedeelte wordt de procedure voor het vervangen van de tonerafvalbak uitgelegd.

De tonerafvalbak vangt het teveel aan toner op dat vrijkomt bij het afdrukken. Wanneer de tonerafvalbak bijna vol is, wordt "Vervang toneropvangbak." weergegeven.

Let op

Werp de tonerafvalbak niet in het vuur. De toner kan in het rond vliegen en brandwonden veroorzaken.

Berg de tonerafvalbak buiten het bereik van kinderen op.

1

Trek papierlade 1 naar buiten.

Trek de lade met beide handen langzaam naar buiten en iets omhoog.

De tonerafvalbak kan pas worden verwijderd nadat u lade 1 hebt verwijderd.

161

PROBLEEMOPLOSSING

2

Open de voorplaat.

3

Trek de tonerafvalbak naar buiten.

Trek de tonerafvalbak met beide handen voorzichtig naar buiten.

Opmerking

De tonerafvalbak is gemakkelijker te verwijderen wanneer u aan één kant tegelijk trekt.

4

Plaats de tonerafvalbak op een vlakke ondergrond.

Leg eerst een krant op die ondergrond.

Opmerking

• Houd de opening niet naar onder, want dan morst u toner.

• Gooi de tonerafvalbak niet zomaar weg. Doe de toneropvangbak in een plastic zak voor bewaring.

Uw onderhoudstechnicus neemt de tonerafvalbak mee bij de volgende onderhoudsbeurt.

5

Installeer een toneropvangbak.

Druk de toneropvangbak volledig in de machine.

6

Sluit de afdekplaat.

Opmerking

U kunt de voorplaat niet sluiten zonder dat de tonerafvalbak is geplaatst.

7

Breng lade 1 weer aan.

162

7

ROUTINEONDERHOUD

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe u de machine probleemloos gebruikt, inclusief het bekijken van de kopieteller en het reinigen van de machine.

HET TOTALE AANTAL KOPIEËN EN

DE RESTERENDE TONER

CONTROLEREN

Als u het totale aantal uitgevoerde pagina's wilt controleren die gekopieerd, afgedrukt of gefaxt zijn, houdt u de [KOPIE] toets ( ) ingedrukt wanneer de machine in stand-by staat. De aantallen zullen verschijnen zolang de toets ingedrukt is. Het totale aantal kunt u gebruiken als richtlijn voor het reinigen. Wanneer het totale aantal hoger is dan "99.999.999" gaat de teller terug naar "0".

De hoeveelheid toner wordt onderaan het scherm weergegeven.

Opmerking

• U kunt dit ook controleren door te drukken op de [SPECIALE FUNCTIES] toets ( selecteren in het functiescherm.

• Elk tweezijdig blad dat uitgevoerd wordt telt als twee pagina's.

• Blanco kopieën en blanco afdrukken worden meegeteld.

) en "Totaal teller" te

• Als de laatste pagina van een tweezijdige printopdracht blanco is, wordt deze niet meegeteld.

ROUTINEONDERHOUD

Waarschuwing

Niet behandelen met ontvlambare reinigingsmiddelen. Als het gas van de spuitbus in contact komt met de binnenste elektrische onderdelen of hete gedeelten van de fuseereenheid, kan dit brand of elektrische schokken veroorzaken.

DE GLASPLAAT EN ORIGINEELINVOER REINIGEN

Wanneer de glasplaat, onderkant van de origineelinvoer of de scanner voor originelen vanaf de origineelinvoer (het lange, dunne glazen oppervlak aan de rechterkant van de glasplaat) bevuild raakt, kan dit vuil zichtbaar worden op de kopieën. Houd deze onderdelen dus altijd schoon.

Glasplaat

Vlekken of vuil op de glasplaat/origineelinvoer worden ook gekopieerd. Reinig de glasplaat, onderkant van de origineelinvoer en het scanvenster op de glasplaat met een zachte, schone doek.

Maak, indien nodig, de doek vochtig met water. Gebruik geen verdunner, benzeen of soortgelijke schoonmaakmiddelen.

163

ROUTINEONDERHOUD

DE SCANPLAAT REINIGEN

(ALLEEN WANNEER ER EEN ORIGINEELINVOER IS

GEÏNSTALLEERD)

Als er witte of zwarte lijnen verschijnen op de kopieën die gemaakt zijn met de origineelinvoer, gebruik dan een zachte, schone doek om de scanplaat te reinigen.

(Zie "DE LASEREENHEID REINIGEN"

als er witte of zwarte lijnen verschijnen op kopieën of afgedrukte pagina's wanneer de origineelinvoer niet wordt gebruikt.)

Voorbeeld van vuil printbeeld

Zwarte lijnen

Witte lijnen

DE PAPIERINVOERROL VAN DE HANDINVOERLADE

REINIGEN

Als er regelmatig papierstoringen plaatsvinden bij het invoeren van enveloppen, zwaar papier enz. in de handinvoerlade. Verwijder voordat u begint eerst al het papier uit de handinvoerlade. Schakel de machine uit, verwijder de klep van de invoerrol van de handinvoerlade en veeg de papierinvoerrol van de handinvoerlade schoon met een zachte, schone doek die u hebt bevochtigd met alcohol of water.

Nadat u de papierinvoerrol hebt gereinigd, brengt u de klep van de invoerrol weer op de handinvoerlade aan en schakelt u de machine weer in.

Papierdoorvoer- rol

Waarschuwing

Pas op uw handen bij het reinigen van de rollen.

Opmerking

Komt niet aan het oppervlak van de rol als uw handen vies zijn.

DE ROLLEN VAN DE AUTOMATISCHE

ORIGINEELINVOER REINIGEN

Als u merkt dat originelen die u invoert via de automatische documentinvoer verkeerd worden ingevoerd of vies worden, dan moet u de invoerrol verwijderen en reinigen. Als u papierstoringen of verontreiniging blijft krijgen, moet u de rollen vervangen.

Verwijder voordat u begint eerst alle originelen uit de automatische origineelinvoer.

1

Zet de hoofdschakelaar uit.

2

Open de transportklep van de automatische origineelinvoer.

164

ROUTINEONDERHOUD

3

Veeg de verwijderde rollen schoon met een schone doek.

Waarschuwing

Pas op uw handen bij het reinigen van de rollen.

Opmerking

Komt niet aan het oppervlak van de rol als uw handen vies zijn.

4

Sluit de transportklep van de automatische origineelinvoer.

Opmerking

Zorg ervoor dat u uw vingers niet klemt bij het sluiten van de klep.

5

Schakel de voeding in.

DE TONERKANALEN VAN DE FOTOGELEIDENDE

DRUM REINIGEN

Als u zwarte of gekleurde strepen ziet nadat u de glasplaat en de automatische origineelinvoer hebt gereinigd, dan moet u de tonerkanalen reinigen.

1

Procedure: "DE TONERAFVALBAK VERVANGEN" (p.161), maak de tonerafvalbak los.

2

Hef de vergrendeling op met de groene knop en verwijder de tonerkanaalreiniger voorzichtig.

3

Duw de reiniger volledig naar binnen.

4

Herhaal stap 2 en 3 voor alle overige tonerkanalen.

5

Procedure: "DE TONERAFVALBAK VERVANGEN" (p.161), duw de tonerafvalbak in de

machine.

Opmerking

• Als het probleem hiermee niet is verholpen, moet u de knop nog twee keer uittrekken en weer induwen.

• Trek en duw de knop langzaam van de ene naar de andere kant.

• Wanneer u de opening voor overtollige toner of de tonerafvalbak aanraakt, kunnen u uw handen en kleding vies worden. Wees voorzichtig bij het reinigen.

165

ROUTINEONDERHOUD

DE LASEREENHEID REINIGEN

Wanneer de lasereenheid in de machine vies wordt, kunnen lijnpatronen (gekleurde lijnen) zichtbaar worden op de afdruk.

Lijnen (gekleurde strepen) identificeren die zijn veroorzaakt door een vieze lasereenheid

Volg de onderstaande procedure om de lasereenheid te reinigen als u de bovenstaande problemen ondervindt.

1

Zet de hoofdschakelaar uit.

2

Procedure: "DE TONERAFVALBAK VERVANGEN" (p.161).

3

Verwijder de reiniger van de lasereenheid.

De reiniger is bevestigd aan de voorklep.

Trek aan de rechterkant van de reiniger om deze los te maken uit de houder.

(2)

(1) uitsteeksel

4

Reinig de lasereenheid.

(1) Duw de klep van de lasereenheid omhoog en open de klep (grijs).

(2) Wijs de reiniger naar beneden en duw de reiniger volledig naar binnen.

(3) Trek de reiniger voorzichtig naar buiten.

(4) Duw de klep van de lasereenheid omlaag en sluit de klep

166

ROUTINEONDERHOUD

5

Herhaal stap 4 om alle openingen van de lasereenheid te reinigen (4 openingen).

In totaal heeft de lasereenheid vier openingen om te reinigen, inclusief de opening die u in stap 4 hebt gereinigd. Maak alle openingen schoon.

Klep

6

Breng de reiniger op zijn plaats aan.

(1) Draai de reiniger nadat u deze op het uitsteeksel hebt geplaatst en haak de zijde zonder handvat vast aan de linkerkant. Haak de reiniger vast met de schone zijde naar boven.

(2) Plaats de rechterkant van de reiniger aan de binnenkant, boven op de houder.

(3) Haak de reiniger vast.

7

Procedure: "DE TONERAFVALBAK VERVANGEN" (p.161), duw de tonerafvalbak in de

machine.

CONTRAST DISPLAY AFSTELLEN

Het displaycontrast kan volgens de beschrijving hieronder worden afgesteld.

1

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ).

2

Selecteer "CONTRAST DISPLAY" met de [ ] of [ ] toets.

3

Druk op de [OK] toets.

4

Stel het contrast bij met de [ ] of [ ] toets.

Als u het contrast wilt terugzetten in de standaardinstelling, drukt u op de [C] toets.

5

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ).

U keert terug naar het basisscherm.

167

8

SYSTEEMINSTELLINGEN

DOEL VAN DE SYSTEEMINSTELLINGEN

De systeeminstellingen worden gebruikt door de beheerder van het apparaat om functies in of uit te schakelen aan de hand van de behoeften van uw werkplek.

In deze handleiding worden alleen de systeeminstellingen uitgelegd die gemeenschappelijk zijn voor alle functies van het apparaat (kopieer- en printerfuncties), en systeeminstellingen die specifiek voor de kopieerfunctie zijn.

PROGRAMMA'S DIE BETREKKING HEBBEN OP ALLE

FUNCTIES VAN DE MACHINE

Deze programma's worden gebruikt om de gebruikersauthenticatie in te schakelen, het stroomverbruik aan te passen en de randapparatuur te beheren.

Gebruikersauthenticatie kan afzonderlijk worden ingeschakeld voor de kopie. Wanneer gebruikersauthenticatie is ingeschakeld voor een bepaalde functie moet een geldig accountnummer worden ingevoerd om deze functie te kunnen gebruiken. (Als geen geldig accountnummer wordt ingevoerd, kan de functie niet worden gebruikt.)

Wanneer gebruikersauthenticatie is ingeschakeld voor de printerfunctie, moet een accountnummer worden ingevoerd op de computer van de gebruiker zodra een afdrukopdracht wordt geselecteerd. (Afhankelijk van de systeeminstellingen kan een taak zelfs worden afgedrukt als een onjuist accountnummer is ingevoerd. Daarom moet u voorzichtig zijn bij het beheren van aantallen printerpagina's.) Als "Afdr uitsch bij ong gebr." is ingeschakeld in de systeeminstellingen, is afdrukken verboden als een ongeldig accountnummer wordt ingevoerd.

WACHTWOORD VOOR DE BEHEERDER

PROGRAMMEREN

Het beheerderswachtwoord is een vijfcijferig nummer dat moet worden ingevoerd om de systeeminstellingen te kunnen openen. De beheerder (beheerder van de machine) moet het standaardbeheerderswachtwoord dat in de fabriek is ingesteld wijzigen in een nieuw vijfcijferig nummer. Zorg dat u het nieuwe beheerderswachtwoord niet vergeet, aangezien dit elke volgende keer wanneer de systeeminstellingen worden gebruikt moet worden ingevoerd.

(U kunt slechts een beheerderswachtwoord programmeren.)

Raadpleeg de Startgids voor het standaardingestelde beheerderwachtwoord.

Zie WACHTWOORD VOOR DE BEHEERDER PROGRAMMEREN (p.169) voor het wijzigen van het

beheerderswachtwoord.

168

SYSTEEMINSTELLINGEN

WACHTWOORD VOOR DE

BEHEERDER PROGRAMMEREN

1

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ).

Het speciale functiescherm verschijnt.

2

Selecteer "SYSTEEMINSTELLINGEN" met de toets [ ] of [ ].

3

Druk op [OK].

Het invoerscherm voor het beheerderswachtwoord verschijnt.

4

Voer het vijfcijferige beheerderswachtwoord in met de cijfertoetsen.

• Als dit de eerste keer is dat u het beheerderswachtwoord programmeert, voert u de standaardfabriekscode in. (Raadpleeg de Startgids)

• " " verschijnt voor ieder cijfer dat u invoert.

• Het speciale functiescherm verschijnt met "Beheer. # wijz." geselecteerd.

5

Druk op [OK].

Het wijzigingsscherm voor het beheerderswachtwoord verschijnt.

6

Voer het nieuwe vijfcijferige beheerderswachtwoord in met de cijfertoetsen.

Het wijzigingsscherm voor het beheerderswachtwoord verschijnt.

7

Druk op de [OK] toets.

• Het eerder geprogrammeerde beheerderswachtwoord wordt vervangen door het nieuwe beheerderswachtwoord.

• Druk op de [CA] toets om naar het basisscherm terug te keren.

169

SYSTEEMINSTELLINGEN

LIJST MET SYSTEEMINSTELLINGEN

Dit is een lijst met de systeeminstellingen van de machine.

Programma's voor het algemeen gebruik van de machine

Programmanaam

Beheer. # Wijz.

Beheer. # Wijz.

Standaard-instellingen

Datum&Tijd inst.

Zomertijd

Netwerk

Bevestiging van Netwerk

Verbindingstype

Bekabelde Instellingen

Draadloos (Infrastructuur)

Draadloos (Access Point)

Accountcontrole

Gebruikers Authenticatie

Gebruikers Registratie

Functie Limiet Instelling

Account Limiet Instelling

Gebruikersaantal Tonen

Gebruikersaantal Reset

Waarschuw als inlog misl.

Afdr uitsch bij ong gebr.

Apparaatbeheer

Fusing Control

Fusing Reinigen

Registratie aanpassen

Bedienings Instel

Auto wissen

Display time-out uitschakelen

Taalinstelling

Berichtentijd

Toetsdrukgeluid

Toetsdrukgeluid bij startpunt

Toetsdrukduur

Autom. toetsherhaling uitsch

Inst. papierformaat uitsch.

Energie besparen

Timer Automat. Uitschakelen

Voorverwarming

Voer Automatisch Uitschakelen in na

Externe Taak

Tonerbesparing (Kopie)

Tonerbesparing (Print)

Pagina

176

176

176

178

178

178

178

178

178

178

178

176

176

176

177

177

179

179

179

179

179

179

179

180

180

180

180

180

180

180

181

181

181

Programmanaam

Lijst Afdrukken

Fax Instellingen

Inkomende routing

ACC. Gebr. lijst

Activ. journaal

Junk faxnr lijst

Gebr. Info Afdr.

Autokleurkalib.

Autokleurkalib.

Beveiligings-instellingen

IPsec-instellingen

Initialiseer Prive Gegevens/ Gegevens in

Machine

Pagina

181

181

181

181

181

181

181

182

182

Programma's voor de kopieerfunctie

Programmanaam

Kopieerapparaat

Kaartform. inst.

Kaartformaat Stnd.

Standaard lade

Stndrd belichtng

Select Auto Sort

Max. aant. kop.

Programmanaam

Printer

Notificatiepage.

Pagina

182

182

182

182

183

183

Programma's voor de printerfunctie

Pagina

183

170

SYSTEEMINSTELLINGEN

Programma's voor de faxfunctie

Pagina Programmanaam

Lijst instelling

Print selectie

Auto afdrukken

Standaard instel

Kies Mode

Pauze tijd

Eig toegangs ins

Volume instel.

TX/RX Eindgeluid

Einde geluidleng

Activeringsmode

PBX Instell.Mode

Uitschakelen Fax Vasthoud Modus

Zend Functie

Invoer van origineelformaat

Inst. Res.Con.

Verzend mode

Snel online TX

Afdruk stationnr in ontvangendata

Adrescontrole

Herhaal instel. (Bezet)

Herh inst.(Fout)

Bel tijd autom. verzenden

Ontvangst funct.

Aant. bel sig. RX

#Bellen handm. RX

Lade selectie

Ontvangen data afdruk condities

Auto ontv.verkl. reguliereformaat

Dubbelz. Ontv.

8 1/2x11 RX Afdruk verklein.

Doorst. RX data

Ontvangen data Doorst. toestelnr

Anti junk fax

Invoer Junkfaxnr

Poll beveiliging

Poll beveiliging

Polling toegangs Nr.mode

183

184

188

189

185

185

185

185

185

184

184

184

184

186

186

186

186

186

186

186

186

186

187

187

188

188

187

187

187

187

188

188

188

Programma's voor de scanfunctie

Programmanaam

USB-Scan uitsch.

Nieuwe standaard

Pagina

189

189

171

SYSTEEMINSTELLINGEN

BEHEERDERSINSTELLINGEN

U hebt toegang tot de systeeminstellingen via de volgende menustructuur.

Zie dit menu wanneer u de instellingen in- of uitschakelt die worden uitgelegd op p.176 en verder.

Sommige instellingen bevatten een extra niveau met instellingen (een instelscherm).

Level 1 Level 2 Level 3

Beheer. # Wijz.

Standaard-instellingen

Kopieerapparaat

Printer

SCANNER

Faxen

Datum&Tijd inst.

Zomertijd

Kaartform. inst.

Kaartformaat Stnd.

Standaard lade

Stndrd belichtng

Select Auto Sort

Max. aant. kop.

Notificatiepage.

USB-Scan uitsch.

Nieuwe standaard

Lijst instelling

Standaard instel

Zend Functie

Print selectie

Auto afdrukken

Kies Mode

Pauze tijd

Eig toegangs ins

Volume instel.

TX/RX Eindgeluid

Einde geluidleng

Activeringsmode

PBX Instell.Mode

Uitschakelen Fax Vasthoud Modus

Invoer van origineelformaat

Inst. Res.Con.

Verzend mode

Snel online TX

Afdruk stationnr in ontvangendata

Adrescontrole

Herhaal instel. (Bezet)

Herh inst.(Fout)

Bel tijd autom. verzenden

172

Netwerk

Level 1

Accountcontrole

Apparaatbeheer

Level 2

Ontvangst funct.

Poll beveiliging

Bevestiging van Netwerk

Verbindingstype

Bekabelde Instellingen

Draadloos (Infrastructuur)

Draadloos (Access Point)

SYSTEEMINSTELLINGEN

Level 3

Aant. bel sig. RX

#Bellen handm. RX

Lade selectie

Ontvangen data afdruk condities

Auto ontv.verkl. reguliereformaat

Dubbelz. Ontv.

8 1/2x11 RX Afdruk verklein.

Doorst. RX data

Ontvangen data Doorst. toestelnr

Anti junk fax

Invoer Junkfaxnr

Poll beveiliging

Polling toegangs Nr.mode

Bedraad

Draadloze Infrastructuur

Bedraad + Draadloos AP

IPv4-instellingen

IPv6-instellingen

Handmatige invoer van SSID

SSID Instellingen

Beveil. Instellgn

Device IP Adres Instellingen

Kanaal Instellingen

Verzending Uitvoer Instell.

Bandbreedte Instellingen

IP Adres Distributie Bereik

Gebruikers Authenticatie

Gebruikers Registratie

Functie Limiet Instelling

Account Limiet Instelling

Gebruikersaantal Tonen

Gebruikersaantal Reset

Waarschuw als inlog misl.

Afdr uitsch bij ong gebr.

Fusing Control

Fusing Reinigen

Registratie aanpassen

173

Level 1

Bedienings Instel

Energie besparen

Lijst Afdrukken

Autokleurkalib.

Beveiligings-instellingen

Auto wissen

Level 2

Display time-out uitschakelen

Taalinstelling

Berichtentijd

Toetsdrukgeluid

Toetsdrukgeluid bij startpunt

Toetsdrukduur

Autom. toetsherhaling uitsch

Inst. papierformaat uitsch.

Timer Automat. Uitschakelen

Voorverwarming

Voer Automatisch Uitschakelen in na Externe Taak

Tonerbesparing (Kopie)

Tonerbesparing (Print)

Fax Instellingen

Inkomende routing

ACC. Gebr. lijst

Activ. journaal

Junk faxnr lijst

Gebr. Info Afdr.

IPsec-instellingen

Initialiseer Prive Gegevens/ Gegevens in Machine

SYSTEEMINSTELLINGEN

Level 3

174

SYSTEEMINSTELLINGEN

SYSTEEMINSTELLINGEN

GEBRUIKEN

1

Druk op de [SPECIALE FUNCTIE] toets ( ).

2

Selecteer "Systeminstellin." met de [ ] of [ ] toets en druk op [OK].

3

Voer het beheerderswachtwoord in met de cijfertoetsen.

• " " verschijnt voor ieder cijfer dat u invoert.

• Het functieselectiescherm verschijnt.

4

Selecteer de gewenste functie met de [ ] of [ ] toets.

5

Druk op [OK].

6

Selecteer de gewenste instelling met de [ ] of [ ] toets.

7

Druk op de [OK] toets en volg de instructies in het instelscherm.

Sommige instellingen worden voorafgegaan door een selectievakje. Om een functie in te schakelen (zorg ervoor dat er een checkmarkering verschijnt), druk op de [OK] toets. Als u de functie wilt uitschakelen, drukt u nog een keer op de [OK] toets om het vinkje te verwijderen. Als u een instelling met een selectievakje wilt configureren, gaat u naar stap 8.

8

Als u een andere instelling wilt gebruiken voor dezelfde functie, selecteert u de gewenste instelling met de [ ] of [ ] toets.

Als u een instelling wilt gebruiken voor een andere functie, drukt u op de [TERUG] toets ( ) en selecteert u de gewenste functie. Als u de systeeminstellingen wilt afsluiten, drukt u op de toets [CA].

175

SYSTEEMINSTELLINGEN

Beheer. # Wijz.

Met deze functie wijzigt u het beheerderswachtwoord.

Zie WACHTWOORD VOOR DE BEHEERDER

PROGRAMMEREN (p.169) voor het wijzigen van het

beheerderswachtwoord.

Standaard-instellingen

De standaardinstellingen voor de bediening van de machine kunnen worden geconfigureerd. Selecteer

[Standaardinstellingen] om de instellingen te configureren.

Datum&Tijd inst.

Hiermee stelt u de datum en tijd van de ingebouwde klok van de machine in.

Zomertijd

Hiermee schakelt u de zomertijd in.

Netwerk

De netwerkinstellingen worden hieronder beschreven.

Selecteer de toets [Netwerk] om de instellingen te configureren.

Bevestiging van Netwerk

Bevestig de netwerkinstellingen.

Verbindingstype

U kunt het type netwerkverbinding van de machine aanpassen.

Bekabelde Instellingen

IPv4-instellingen

Gebruik deze instelling om het IP-adres van de machine in te stellen wanneer u de machine gebruikt in een TCP/IP-netwerk met IPv4. De instellingen worden hieronder weergegeven.

DHCP Inschak.

Gebruik deze instelling om het IP-adres automatisch te verkrijgen met behulp van DHCP (Dynamic Host

Configuration Protocol). Wanneer deze instelling is ingeschakeld, is het niet nodig om het IP-adres handmatig in te voeren.

IPv4-adres

Voer het IP-adres van de machine in.

Subnetmasker

Voer het subnetmasker in.

Standaard gateway

Voer de standaardgateway in.

IPv6-instellingen

Gebruik deze instelling om het IP-adres van de machine in te stellen wanneer u de machine gebruikt in een TCP/IP-netwerk met IPv6.

De instellingen worden hieronder weergegeven.

Maak IPv6 mogelijk

Schakel deze instelling in.

Maak DHCPv6 mogelijk

Gebruik deze instelling om het IP-adres automatisch te verkrijgen met behulp van DHCP (Dynamic Host

Configuration Protocol). Wanneer deze instelling is ingeschakeld, is het niet nodig om het IP-adres handmatig in te voeren.

Handmatig adres

Voer het IP-adres van de machine in.

Prefix Lengte

Voer de lengte van het kengetal in (0 tot 128).

Standaard gateway

Voer het IP-gatewayadres in.

Opmerking

• Als er gebruik wordt gemaakt van DHCP, kan het aan de machine toegewezen

IP-adres automatisch veranderen. Als het

IP-adres verandert, is afdrukken niet mogelijk.

• In een IPv6-omgeving kan het apparaat met het LPD-protocol werken.

176

SYSTEEMINSTELLINGEN

Draadloos (Infrastructuur)

(Alleen voor modellen met draadloos netwerk)

Hiermee wordt de verbinding ingesteld voor een draadloze infrastructuur.

Handmatige invoer van SSID

U kunt maximaal 32 tekens invoeren voor de SSID.

Beveiligingstype

Selecteer het type beveiliging. (Geen/WEP/WPA persoonlijk/WPA2 persoonlijk)

Versleutel Instellingen

Selecteer de manier van versleutelen op basis van de instelling bij "Veiligheidstype Instellingen".

(Geen/WEP/TKIP/AES)

Security Key Instell.

Stel de beveiligingscode voor de draadloze verbinding in.

WEP

WPA persoonlijk

WPA2 persoonlijk

Een code van 5 numerieke cijfers,

10 hexadecimale cijfers (64-bits),

13 numerieke cijfers, of 26 hexadecimale cijfers (128-bits)

8 tot 63 numerieke cijfers of 64 hexadecimale cijfers

Draadloos (Access Point)

(Alleen voor modellen met draadloos netwerk)

Hiermee wordt de verbinding ingesteld voor gebruik van een toegangspunt.

SSID Instellingen

U kunt maximaal 32 tekens invoeren voor de SSID.

Beveil. Instellgn

• Beveiligingstype

Selecteer het type beveiliging. (Geen/WEP/WPA persoonlijk/WPA2 persoonlijk)

• Versleutel Instellingen

Selecteer de manier van versleutelen op basis van de instelling bij "Veiligheidstype Instellingen".

(Geen/WEP/TKIP/AES)

• Security Key Instell.

Stel de beveiligingscode voor de draadloze verbinding in.

WEP

WPA persoonlijk

8 tot 63 numerieke cijfers of 64 hexadecimale cijfers

WPA2 persoonlijk

Een code van 5 numerieke cijfers,

10 hexadecimale cijfers (64-bits),

13 numerieke cijfers, of 26 hexadecimale cijfers (128-bits)

Device IP Adres Instellingen

Voer het IP-adres van het toegangspunt in.

Kanaal Instellingen

Voer het kanaal van het toegangspunt in.

Verzending Uitvoer Instell.

Voer de zendvermogen van het toegangspunt in.

Bandbreedte Instellingen

Stel de frequentieband van het toegangspunt in.

IP Adres Distributie Bereik

Stel het leasebereik en de leaseperiode van het

IP-adres van het toegangspunt in.

177

SYSTEEMINSTELLINGEN

Accountcontrole

Gebruikersbediening wordt gebruikt om instellingen voor gebruikersauthenticatie te configureren.

Selecteer [Gebruikersbediening] om de instellingen te configureren.

Gebruikers Authenticatie

Met deze instellingen kunt u de gebruikersauthenticatie in- of uitschakelen en de methode voor authenticatie specificeren.

Wanneer gebruikersauthenticatie is ingeschakeld wordt elke gebruiker van de machine geregistreerd.

Wanneer een gebruiker inlogt, zijn de instellingen voor die gebruiker van toepassing.

Gebruikers Registratie

Gebruikers kunnen worden toegevoegd, verwijderd en gewijzigd.

Opmerking

• Bij het invoeren van een gebruikersnummer kan de [OK] toets pas worden gebruikt wanneer 5 cijfers zijn ingevoerd.

• Als tijdens het invoeren van een gebruikersnummer op de [Clear] toets wordt gedrukt, verandert het weergegeven gebruikersnummer in "-----".

Functie Limiet Instelling

Hiermee bepaalt u de functies die alle gebruikers of specifieke gebruikers mogen gebruiken.

• Kopieen (Kleur)/Kopieen (Z/W)

• Printer (Kleur)/Printer (Z/W)/Rechtstreeks afdrukken van USB-geheugen

• Scanner

• Fax

Hiermee stelt u de papierlimieten in voor het kopiëren

(kleur, zwart-wit) en afdrukken (kleur, zwart-wit).

Account Limiet Instelling

Hiermee kunt u papierlimieten voor het kopiëren en afdrukken instellen voor alle gebruikers of specifieke gebruikers.

Gebruikersaantal Tonen

Deze instelling wordt gebruikt om de pagina-aantallen weer te geven per account in de kopieer-, afdruk- en scanmodus, en de gebruikslimieten voor de kopieer- en afdrukmodus. Pagina-aantallen zijn exclusief vastgelopen pagina's.

Voor de netwerkscannerfunctie wordt het aantal verzonden pagina's weergegeven.

Selecteer "Gebruikersaantal Tonen" en druk op de

[OK] toets. Schakel om naar de pagina-aantallen van de andere modi van dezelfde account, en naar de paginalimieten, met de [ ] of [ ] toets.

Druk op de [ ] of [ ] toets om naar een ander accountnummer te gaan.

Gebruikersaantal Reset

Deze instelling wordt gebruikt om de aantallen pagina's van de kopieer-, afdruk- en scanmodus van een afzonderlijke account of van alle accounts weer op nul te zetten.

Waarschuw als inlog misl.

Wanneer deze instelling is ingeschakeld, maakt de machine het gedurende één minuut onmogelijk om te worden bediend als er driemaal achter elkaar een verkeerd accountnummer wordt ingevoerd. Zolang dit duurt, wordt "Deze operatie is uitgeschakeld. Neem contact op met uw beheerder." weergegeven.

Afdr uitsch bij ong gebr.

Als deze instelling is ingeschakeld, wordt een afdruktaak geannuleerd als er geen of een ongeldig accountnummer is ingevoerd. Deze instelling werkt alleen wanneer "Gebruikersauthenticatie" is ingeschakeld voor de afdrukmodus.

Deze functie is aanvankelijk niet geactiveerd

(standaardfabrieksinstelling).

Opmerking

Pagina's die door een ongeldig accountnummer worden afgedrukt, worden toegevoegd aan het aantal pagina's van de account "Overige".

178

SYSTEEMINSTELLINGEN

Apparaatbeheer

Deze instellingen worden gebruikt om de instellingen van de hardwarefuncties van de machine te configureren. Als u toegang wilt hebben tot een van deze instellingen, selecteert u "Apparaatbeheer" in het functieselectiescherm, selecteert u de gewenste instelling in het scherm apparaatbeheer en drukt op de

[OK] toets.

Bedienings Instel

Deze instellingen worden gebruikt om verschillende instellingen met betrekking tot het bedieningspaneel te configureren. Als u toegang wilt hebben tot één van deze instellingen, selecteert u "Bedienings instel" in het functieselectiescherm, selecteert u de gewenste instelling in het scherm bedieningsinstelling en drukt u op de [OK] toets.

Fusing Control

De temperatuur waarmee de toner wordt gesmolten wordt geregeld op basis van het papiergewicht van het papier dat wordt gebruikt.

Opmerking

• Zorg dat u alleen papier gebruikt dat in dezelfde gewichtsklasse ligt als de hier ingestelde gewichtsklasse. Meng geen papier van verschillende klassen.

• Als instellingen worden gewijzigd, gaan ze pas in nadat de machine opnieuw is

gestart. Zie "STROOM IN- EN

UITSCHAKELEN" (p.15) voor het

opnieuw starten van de machine.

Auto wissen

Deze functie zet de kopieerinstellingen terug naar de begininstellingen, als er gedurende een vooringestelde duur geen toetsen worden ingedrukt nadat de kopieeropdracht is voltooid. Tijdkeuze: "0 sec.", "10 sec.", "20 sec.", "60 sec.", "90 sec." en "120 sec.".

De fabrieksinstelling is 60 seconden.

Selecteer "Auto wissen" en druk op de [OK] toets. Het onderstaande scherm verschijnt.

Selecteer het gewenste tijd met de [ ] of [ ] toets.

Selecteer "0" als u auto wissen niet wilt gebruiken.

Fusing Reinigen

Met deze functie wijzigt u de fuseereenheid van de machine wanneer u puntjes of ander vuil ziet op de afdrukzijde van het papier. Wanneer deze functie wordt uitgevoerd, wordt een grote "V" op het papier afgedrukt, waardoor de fuseereenheid wordt gereinigd.

Opmerking

De functie Automatisch wissen wordt uitgeschakeld wanneer gescande gegevens onder de volgende status zijn opgeslagen:

Wanneer de laatste pagina niet werd gescand tijdens het 2-IN-1 of 4-IN-1 kopieerproces (er werd één pagina gescand voor een set van twee pagina's of er werden drie pagina's gescand in een set van vier pagina's), of er werd slechts één zijde gescand in het proces van de ID-kaartkopie.

Opmerking

Als u na één keer reinigen geen verbetering ziet, kunt u de functie nog een keer uitvoeren.

Registratie aanpassen

Als de kleuren niet op de juiste plaats zitten op het afdrukoppervlak bij het afdrukken in kleur, kunnen de afdrukposities van de kleuren worden aangepast.

Selecteer "Registr. Aanpass." en druk op de [OK] toets om de automatische registratie te starten. De aanpassing is voltooid zodra dit wordt gemeld.

Opmerking

Afhankelijk van de toestand van de machine kan een foutmelding over de aanpassing verschijnen.

Voer de registratieaanpassing in dat geval opnieuw uit.

Display time-out uitschakelen

Deze instelling wordt gebruikt om te selecteren of u al dan niet wilt dat het display automatisch teruggaat naar het basisscherm als gedurende één minuut in scan- of faxmodus geen toetsen worden ingedrukt op het bedieningspaneel.

De fabrieksinstelling gaat automatisch terug naar het basisscherm.

Taalinstelling

Deze instelling wordt gebruikt om de taalkeuze van het display te selecteren.

Selecteer "Taalinstelling", druk op de [OK] toets en volg de stappen hieronder.

Berichtentijd

179

Met deze instelling wordt de tijdsduur ingesteld dat mededelingen in het display verschijnen (dit geldt voor meldingen die een bepaalde tijdsduur worden weergegeven en daarna automatisch verdwijnen).

Selecteer uit "Kort (3 sec.)", "Normaal (6 sec.)" en

"Lang (9 sec.)".

De fabrieksinstelling is "Normaal (6 sec.)".

SYSTEEMINSTELLINGEN

Toetsdrukgeluid

Deze instelling wordt gebruikt om de lengte van het toetsdrukgeluid in te stellen dat u hoort wanneer er een toets wordt ingedrukt.

De fabrieksinstelling is "Kort".

Selecteer de gewenste lengte met de [ ] of [ ] toets.

Als u het toetsdrukgeluid wilt uitschakelen, selecteert u

"UIT".

Toetsdrukgeluid bij startpunt

Deze instelling wordt gebruikt om te selecteren of er al dan niet een pieptoon klinkt bij de vooringestelde basisinstellingen wanneer op een toets wordt gedrukt om een instelling te selecteren.

De fabrieksinstelling is ingesteld op geen pieptoon.

Toetsdrukduur

Deze instelling wordt gebruikt om de tijdsduur in te stellen die een toets moet worden ingedrukt om effect te hebben.

Een langere instelling kan geselecteerd worden om te voorkomen date en toets die per ongeluk ingedrukt wordt effect heeft. Houd er wel rekening mee dat, wanneer u een langere tijdsduur instelt voor een instelling, u er goed op moet letten of de toetsinvoer wordt geregistreerd.

De fabrieksinstelling is "Minimum".

Autom. toetsherhaling uitsch

Deze instelling wordt gebruikt om te voorkomen dat een instelling voortdurend verandert wanneer de [ ] of [ ] toets ingedrukt wordt gehouden, en ook wanneer de zoomfactor of het origineelformaat

(automatische toetsherhaling werkt niet) wordt ingesteld. Wanneer deze instelling is ingeschakeld, moet een toets meerdere keren worden ingedrukt in plaats van de toets ingedrukt te houden.

Auto toetsherhaling is aanvankelijk niet geactiveerd

(standaardfabrieksinstelling).

Inst. papierformaat uitsch.

Deze instelling wordt gebruikt om "Pap. Form. Inst." uit te schakelen in het speciale functiemenu. Wanneer de functie uitgeschakeld is, kan "Pap. Form. Inst." niet worden gebruikt op het moment dat de [SPECIALE

FUNCTIE] toets( ) wordt ingedrukt, zodat wordt voorkomen dat, behalve de beheerder, gebruikers de papierformaatinstelling gemakkelijk kunnen wijzigen.

"Inst. papierformaat uitsch." is aanvankelijk niet geactiveerd (standaardfabrieksinstelling).

Energie besparen

Deze instellingen worden gebruikt om energiebesparende instellingen te configureren. Als u toegang wilt hebben tot een van deze instellingen, selecteert u "Energie besparen" in het functieselectiescherm en de gewenste instelling in het energiebesparingscherm. Daarna drukt u op de [OK] toets.

Timer Automat. Uitschakelen

Deze instelling wordt gebruikt om de tijdsduur in te stellen waarna de automatische uitschakelfunctie wordt geactiveerd, nadat het bedieningspaneel niet wordt aangeraakt. De functie gebruiken helpt energie te besparen, de natuurlijke hulpbronnen te besparen en milieuvervuiling te beperken.

"1 min.", "3 min.", "5 min.", "10 min.", "15 min.",

"30 min.", "45 min." of "60 min." kan geselecteerd worden als tijdsduur. Selecteer een instelling die bij uw werkomstandigheden past.

Voorverwarming

Deze instelling wordt gebruikt om de tijdsduur in te stellen totdat de voorverwarmmodus, die automatisch de temperatuur van de fuseereenheid verlaagt, wordt geactiveerd, nadat het bedieningspaneel niet wordt aangeraakt. De functie gebruiken helpt energie te besparen, de natuurlijke hulpbronnen te besparen en milieuvervuiling te beperken. "1 min.", "3 min.",

"5 min.", "10 min.", "15 min.", "30 min.", "45 min."of

"60 min." kan geselecteerd worden als tijdsduur.

Selecteer een instelling die bij uw werkomstandigheden past.

180

SYSTEEMINSTELLINGEN

Voer Automatisch Uitschakelen in na Externe Taak

Deze functie werkt in de automatische uitschakelfunctie. Wanneer de machine een afdruktaak voltooit die van de computer afkomstig is of ontvangen faxgegevens afdrukt, keert de machine meteen terug naar de modus Autom. uitschakelen.

Tonerbesparing (Kopie)

Tonerbesparing (Print)

U kunt de hoeveelheid toner reduceren die wordt gebruikt voor het kopiëren/afdrukken.

Opmerking

Tonerbesparing (Print) werkt alleen wanneer de printerdriver van de machine niet wordt gebruikt. Wanneer de printerdriver wordt gebruikt, krijgen de printerdriverinstellingen voorrang.

Deze functie werkt mogelijk niet in sommige toepassingen en besturingssystemen.

Autokleurkalib.

Hiermee kunt u een automatische kleurcorrectie uitvoeren wanneer de kleur in de kopieën niet goed is.

De machine drukt een testpagina af die vervolgens wordt gescand, waarna de kleur automatisch wordt gecorrigeerd.

Nadat u op de [OK] toets hebt gedrukt en er een testpagina is afgedrukt, verschijnt er een melding waarin u wordt gevraagd de automatische kalibratie te starten. Plaats de testpagina op de glasplaat zoals hieronder afgebeeld (met de dunne lijn op de rand van de pagina aan de linkerkant).

Lijst Afdrukken

Deze instelling wordt gebruikt om lijsten en rapporten af te drukken die uitsluitend worden gebruikt door de beheerder van de machine.

Selecteer [Lijst Afdrukken] om de instellingen te configureren.

Fax Instellingen

Inkomende routing

ACC. Gebr. lijst

Activ. journaal

Junk faxnr lijst

Gebr. Info Afdr.

Toont de huidige status van de systeeminstellingen, evenals naam en nummer van de afzender, wachtwoordnummers voor polling en doorstuurnummers.

Toont een logboek van de eerdere communicatie die op het de machine heeft plaatsgevonden

(datum van communicatie, naam van de andere machine, benodigde tijd, resultaat, enz.).

Toont de instellingen voor de inkomende routing voor het doorsturen van ontvangen faxen in uw netwerk.

Toont de communicatietijd en het aantal pagina's dat elke gebruiker heeft verzonden.

Toont de opgeslagen faxnummers waarvoor de ontvangst is

geblokkeerd in "Anti junk fax"

(p.188).

De gebruikersnaam, het gebruikersnummer, het gebruikte papier, de papierlimieten en de ingestelde functierechten kunnen worden afgedrukt voor elke gebruiker.

*Afdrukken is niet mogelijk als er geen gebruikers zijn geregistreerd.

181

Leg de linkerbovenhoek van het origineel gelijk met het teken .

Leg de linkerbovenhoek van het origineel gelijk met het teken.

Plaats (ongeveer 5 vel) kopieerpapier van hetzelfde formaat als de testpagina boven op de testpagina, sluit de automatische origineelinvoer en selecteer de toets

[OK].

Opmerking

• Controleer of de registratieaanpassing correct is voordat u de automatische

kleurkalibratie uitvoert. Voer "Registratie aanpassen" (p.179) uit als de

registratieaanpassing niet correct is.

• Voor de automatische kleurkalibratie nogmaals uit om de kleur te verbeteren als de kleur na de eerste kleurkalibratie nog steeds niet goed is.

SYSTEEMINSTELLINGEN

Beveiligings-instellingen

De volgende instellingen zijn bedoeld voor beveiliging.

Selecteer [Beveiligingsinstellingen] om de instellingen te configureren.

Kopieerapparaat

Deze instellingen worden gebruikt om verschillende kopieerfuncties in te schakelen. Als u toegang wilt hebben tot één van deze programma's, selecteert u

"Kopieerapparaat" in het functieselectiescherm, waarna u de gewenste instellingen in selecteert in het scherm met kopieerinstellingen en op de [OK] toets drukt.

IPsec-instellingen

IPsec kan worden gebruikt voor verzending/ontvangst van gegevens in een netwerk.

IKEv1-instellingen

Configureer de IKEv1-instellingen.

Initialiseer Prive Gegevens/

Gegevens in Machine

De in het systeem ingestelde waarden kunnen worden teruggezet op de van fabriekswege vastgelegde standaardinstellingen nadat de gegevens die in de machine zijn opgeslagen zijn verwijderd.

• Alle gegevens die in de faxstatus worden weergegeven

• Afbeeldingsgeheugen in geheugenvakken

• Niet verzonden faxgegevens

• Huidige waarden die voor de systeeminstellingen zijn ingesteld

• Huidige waarden die voor de netwerkinstellingen zijn ingesteld

• Gebruikersinformatie > Gebruikersregistratie

• Gebruikersinformatie > Papierlimieten

• Gebruikersinformatie > Restricties in functiegebruik

• Gebruikersinformatie > Aantallen gebruikers

• (Exclusief standaardgebruikers)

• Fax-/scanneradressen

• Groepen

• Gebruikersindex (scanner)

• Programma's

• Automatisch doorsturen van ontvangen faxen

• Gegevens in openbaar vak

• Afzenderinformatie

• Nummers waarvan ontvangst wordt geweigerd

• Doorstuurinformatie

• Productcode

Kaartform. inst.

Het lay-outpatroon voor het kopiëren van de ID-kaart kan tijdens het kopieerproces van de ID-kaart worden gewijzigd.

Raadpleeg de afbeelding in "ID-KAARTKOPIE" (p.32)

voor de beschikbare lay-outpatronen.

Kaartformaat Stnd.

Deze instelling wordt gebruikt om de standaardafmetingen in te stellen die verschijnen zodra het scherm kaartformaatinvoer wordt weergegeven.

De fabrieksinstellingen zijn 86 mm voor de breedte (X) en 54 mm voor de lengte (Y).

Selecteer X of Y en pas de corresponderende standaardwaarde aan met de [ ] of [ ] toets.

Standaard lade

Deze instelling wordt gebruikt om in te stellen welke lade standaard is geselecteerd.

Laden die voor selectie verschijnen variëren afhankelijk van de optionele laden die geïnstalleerd zijn.

De fabrieksinstelling is "Lade 1".

Stndrd belichtng

Deze instelling wordt gebruikt om het origineeltype en de belichtingsmodus in te stellen die in eerste instantie zijn geselecteerd zodra op de [BELICHITNG] toets

( ) wordt gedrukt.

Er zijn drie belichtingsmodi: "Tekst", "Tkst/AfdrFoto" en

"Foto".

Afhankelijk van de instellingen, gebruikt u "Auto" of een van de vijf belichtingsniveaus.

Selecteer het type origineel met de [ ][ ] toetsen, pas zo nodig de belichting aan met de [ ][ ] toetsen en druk vervolgens op de [OK] toets.

182

SYSTEEMINSTELLINGEN

Select Auto Sort

Deze instelling wordt gebruikt om de standaarduitvoermodus te selecteren wanneer de origineelinvoer wordt gebruikt voor het kopiëren.

De fabrieksinstelling is "Sorteren".

Max. aant. kop.

Deze instelling wordt gebruikt om de limiet van het aantal kopieën in te stellen dat kan worden ingesteld

(en in het display kan verschijnen) voor één kopieeropdracht.

De fabrieksinstelling is "999 kopieën".

Printer

U kunt instellingen voor de printerfunctie configureren.

Selecteer de [Printer] om de instellingen te configureren.

Notificatiepage.

Hiermee stelt u in of een kennisgevingspagina wordt afgedrukt wanneer niet wordt afgedrukt als gevolg van een fout zoals vol geheugen.

Faxen

De systeeminstellingen voor de faxfunctie worden hieronder uitgelegd.

Lijst instelling

Deze instelling wordt gebruikt om lijsten af te drukken met de actuele systeeminstellingen en andere geprogrammeerde informatie.

Selecteer [Lijst instelling] om de instellingen te configureren.

Print selectie

Deze instelling wordt gebruikt om de afdrukvoorwaarden te selecteren voor het afdrukken van transactierapporten voor een normale verzending, distributieverzending, afdruk van een origineel en ontvangst.

Verzending

Altijd afdrukken

Distribueren

Altijd afdrukken

Origineel afgedr op trans rapport

Altijd afdrukken

Fout alleen

Nooit afdrukken

Fout alleen

Nooit afdrukken

Fout alleen

Nooit afdrukken

Ontvangst

Altijd afdrukken

Fout alleen

Nooit afdrukken

Normaal gesproken zijn de hierboven grijs

U kunt kiezen uit "Transactie", "Distribueren",

"Origineel afgedr op trans rapport" of "Ontvangst" selecteren.

• Als u "Transactie" selecteert, selecteer dan "Altijd afdrukken", "Fout alleen" of "Nooit afdrukken".

• Als u "Distribueren" selecteert, selecteer dan "Altijd afdrukken", "Fout alleen" of "Nooit afdrukken".

• Als u "Origineel afgedr op trans rapport" selecteert, selecteer dan "Altijd afdrukken", "Fout alleen" of

"Nooit afdrukken".

• Als u "Ontvangst" selecteert, selecteer dan "Altijd afdrukken", "Fout alleen" of "Nooit afdrukken".

Opmerking

"Origineel afgedr op trans rapport" wordt gebruikt om de eerste pagina van het verzonden document te laten afdrukken op het transactierapport. Deze instelling werkt niet wanneer het transactierapport staat ingesteld op niet afdrukken.

183

SYSTEEMINSTELLINGEN

Auto afdrukken

Deze instelling wordt gebruikt om het activiteitenrapport dat is opgeslagen in het geheugen van de machine, regelmatig af te drukken.

U kunt het rapport automatisch laten afdrukken telkens wanneer het aantal van 50 opgeslagen transacties wordt bereikt of op een aangegeven tijdstip (slechts eenmaal per dag). U kunt ook beide afdrukmethoden inschakelen.

Normaal gesproken is het rapport ingesteld op niet afdrukken. Als u het rapport automatisch wilt laten afdrukken wanneer het aantal van 50 opgeslagen transacties (gecombineerd totaal van verzending en ontvangst) wordt bereikt, selecteer dan "Auto afdruk bij geheugen vol".

Als u het rapport wilt laten afdrukken op een bepaald tijdstip, schakel dan "Afdr. Tijd Inst." in en voer het gewenste tijdstip in.

• De instelling wordt ingeschakeld en er wordt een vinkje weergegeven in het selectievakje.

• Als u deze procedure uitvoert wanneer de instelling actief is, verdwijnt het selectievakje en is de instelling niet langer actief.

Opmerking

• Als u "Afdr. Tijd Inst." wilt annuleren, selecteer dan "ANNULEREN".

• Selecteer "Annuleren" met [ ] of [ ] en druk op [OK].

• Als "Auto afdruk bij geheugen vol" niet is ingeschakeld en het aantal geregistreerde transacties komt boven de 50, dan wordt bij elke nieuwe transactie de oudste transactie verwijderd.

• Het activiteitenrapport kan ook tussendoor worden afgedrukt. (Zie

"LIJSTEN MET GEPROGRAMMEERDE

INFORMATIE EN INSTELLINGEN

AFDRUKKEN" (p.109).)

Standaard instel

Deze instellingen worden gebruikt om de standaardinstellingen (in de fabriek vastgelegd) van de diverse faxfuncties te wijzigen zodat ze beter aansluiten op uw voorkeuren.

Selecteer [Standaard instel] om de instellingen te configureren.

Kies Mode

Deze instelling wordt gebruikt om de juiste kiesmodus in te stellen voor de lijn waarop de machine is aangesloten. Selecteer Toon voor een lijn met kiestonen en Pulse voor een lijn met kiespulsen.

Pauze tijd

Deze instelling wordt gebruikt om de duur van pauzes te selecteren die in een faxnummer worden ingevoegd.

Normaal gesproken staat deze instelling op 2 seconden. Dit betekent dat er een pauze van 2 seconden in het faxnummer wordt ingelast telkens wanneer op de [PAUSE] toets ( ) wordt gedrukt bij het kiezen of opslaan van een faxnummer.

De pauze kan worden gewijzigd in elk getal tussen 1 en 15 seconden.

Eig toegangs ins

Hiermee stelt u het faxnummer van de machine en naam van de gebruiker in. De naam en het nummer die u programmeert, worden bovenaan elke verzonden faxpagina afgedrukt. Het nummer wordt ook gebruikt als wachtwoordnummer voor polling

"VERZENDOPTIES" (p.100).

U kunt de naam en het nummer die zijn

geprogrammeerd controleren door de "Lijst Afdrukken"

(p.181) af te drukken.

U kunt maximaal 20 cijfers invoeren voor het faxnummer.

• U kunt maximaal 18 letters invoeren voor de naam.

Opmerking

Volg deze stappen als u het faxnummer en de naam die zijn geprogrammeerd wilt wissen:

(1) Selecteer "VERWIJDEREN" en druk op de [OK] toets.

(2) Selecteer "VERWIJDEREN" met [ ] of

[ ] en druk op [OK].

Volume instel.

Deze instelling wordt gebruikt om het volume op de haak, het volume van het overgaan, het volume van de lijnmonitor, het volume van het eindgeluid bij verzenden/ontvangen, het volume van het eindgeluid bij het scannen en het volume van de tonen aan te passen. Alle volume-instellingen staan in eerste instantie op "Middel".

• Voor het volume op de haak kunt u kiezen uit

"Hoog", "Middel" en "Laag".

Voor alle andere volumes dan het volume op de haak kunt u kiezen uit "Hoog", "Middel", "Laag" en "Uit".

184

SYSTEEMINSTELLINGEN

TX/RX Eindgeluid

Deze instelling wordt gebruikt om het geluidspatroon te selecteren dat het einde van een verzending of ontvangst aangeeft.

U kunt kiezen uit "Patroon 1", "Patroon 2" en "Patroon 3".

Voordat u op de [OK] toets drukt om uw selectie op te slaan, kunt u op de toets drukken om het geselecteerde patroon te beluisteren.

Einde geluidleng

Deze instelling wordt gebruikt om de lengte (duur) van het eindgeluid te selecteren (in seconden). U kunt kiezen uit "2,0 sec.", "2,5sec.", "3,0sec.", "3,5sec." en "4,0sec.".

Normaal gesproken is "3,0sec." geselecteerd.

Activeringsmode

(Alleen wanneer er een extra telefoon is geïnstalleerd)

Wanneer een oproep wordt ontvangen op een extra telefoon die op de machine is aangesloten, kan de faxontvangst worden geactiveerd door een nummer in te voeren en tweemaal op op het toetsenpaneel van de telefoon te drukken. Welk nummer dit is, kunt u zelf bepalen (tussen "0" en "9"). Normaal gesproken is dit nummer ingesteld op "5".

Opmerking

Een eventueel eerder opgeslagen nummer wordt automatisch overschreven zodra u een nieuw nummer opgeeft.

PBX Instell.Mode

(Wisselt afhankelijk van land en regio)

Deze instelling wordt gebruikt om faxen standaard naar de buitenlijn te laten gaan wanneer de machine is aangesloten op een bedrijfscentrale. Standaard is deze instelling uitgeschakeld.

Als u deze instelling wilt activeren, schakelt u het selectievakje voor de PBX-VERBINDING in (vinkje zichtbaar) en vervolgens selecteert u de methode voor de verbinding met de buitenlijn door de "Flash" toets of

"ID" toets te kiezen.

Selecteer "Flash" als u verbinding met de buitenlijn maakt met een registeroproep. Selecteer "ID" als u een nummer moet kiezen om een buitenlijn te krijgen.

Als u "ID" selecteert, voer dan het nummer in dat moet worden gekozen om een buitenlijn te krijgen (drie cijfers maximaal). Het nummer wordt ingevoerd door het invoervak te selecteren voor elk van de cijfers en met [ ] of [ ] het cijfer in te voeren in elk vak. Begin bij het vak aan de linkerkant. In het vak aan de linkerkant kunt u een cijfer van 0 tot en met 9 invoeren.

In het vakken in het midden en het vak rechts kunt u de cijfers 0 tot en met 9 en "-" invoeren. Als u voor uw buitenlijn twee cijfers moet kiezen, voer dan rechts een streepje "-" in. Als u voor uw buitenlijn één cijfer moet kiezen, voer dan in het midden en rechts een streepje

"-" in.

Wanneer PBX-VERBINDING is ingeschakeld, wordt de "R" toets weergegeven in het basisscherm van de faxmodus. Deze toets kan worden geselecteerd om naar de faxverzending te gaan binnen uw PBX. Als het nummer dat u in deze schermen opslaat binnen uw

PBX valt, selecteer dan "R" voordat u het nummer invoert. Uw fax gaat dan automatisch naar de PBX wanneer het nummer wordt gekozen.

Opmerking

De "R" toets is niet beschikbaar in

Groot-Brittannië, België en Nederland.

Uitschakelen Fax Vasthoud Modus

Deze instelling wordt gebruikt om de functie voor het vasthouden van faxen uit te schakelen, waarmee faxen in het geheugen blijven staan in plaats van ze af te drukken zodra ze worden ontvangen.

(p.97)

Normaal gesproken worden faxafdrukken niet vastgehouden.

• De instelling (faxen vasthouden uitgeschakeld) is ingeschakeld er wordt een vinkje weergegeven in het selectievakje.

• Als u deze procedure uitvoert wanneer de instelling actief is, verdwijnt het selectievakje en is de instelling niet langer actief (faxen vasthouden ingeschakeld).

185

SYSTEEMINSTELLINGEN

Zend Functie

Deze instellingen worden gebruikt om de standaardinstellingen (in de fabriek vastgelegd) van de diverse faxverzendfuncties te wijzigen zodat ze beter aansluiten op uw voorkeuren.

Selecteer [Zend Functie] om de instellingen te configureren.

Invoer van origineelformaat

Stel het formaat in van de originelen die u wilt scannen via de glasplaat. Normaal gesproken wordt A4 gebruikt.

Inst. Res.Con.

Deze instelling wordt gebruikt om het belichtingsniveau aan te passen bij het scannen van een origineel dat u wilt faxen De fabrieksinstelling is standaardresolutie en automatische belichting.

Verzend mode

Deze instelling wordt gebruikt om aan te geven of de standaardmodus voor het verzenden van faxen geheugenverzending of directe verzending is.

De fabrieksinstelling is "Geheugen TX".

Snel online TX

Deze instelling wordt gebruikt om aan te geven of snelle online verzending moet plaatsvinden

(verzending terwijl de pagina's van het origineel nog worden gescand in het geheugen).

Als snelle online verzending is uitgeschakeld, zal de fax worden verzonden nadat alle pagina's zijn gescand en in het geheugen staan.

Normaal gesproken is Snel online TX ingeschakeld.

Als deze functie is ingeschakeld, begint de verzending pas wanneer alle pagina's van het document zijn gescand. NB: deze instelling geldt niet voor

handmatige verzending. (Zie "Verzendtaken opslaan

(geheugenverzending)" (p.90).)

• Snel online TX wordt ingeschakeld en er wordt een vinkje weergegeven in het selectievakje.

• Als u deze procedure uitvoert wanneer Snel online

TX actief is, verdwijnt het selectievakje en is de instelling niet langer actief.

Afdruk stationnr in ontvangendata

Met deze instelling kunt u de positie bepalen (binnen of buiten de afbeelding van het origineel) van de datum en afzendergegevens die worden afgedrukt bovenaan elke fax die u verzendt. Normaal gesproken is buiten de originele afbeelding geselecteerd.

Selecteer "Data" als u uw naam en nummer wilt laten afdrukken binnen de afbeelding van het origineel.

Zie "AFZENDERINFORMATIE TOEVOEGEN AAN

UW FAXEN (EIGEN NUMMER VERZENDEN)"

(p.109) voor meer informatie over de positie van elke

instelling.

Adrescontrole

U kunt opgeven of bij het verzenden van een fax een scherm wordt weergegeven waarin u de bestemming kunt controleren.

Opmerking

Als het selectievakje voor exclusieve toepassing op directe invoer is geselecteerd, wordt het scherm

Adrescontrole alleen weergegeven bij het invoeren van een nummer met de cijfertoetsen of de [OPNIEUW KIEZEN] toets ( ).

Herhaal instel. (Bezet)

Deze instelling wordt gebruikt om het aantal belpogingen en ook het interval tussen de pogingen in te stellen wanneer een verzending mislukt als gevolg van een bezette lijn of een andere reden.

Normaal gesproken is de machine ingesteld op 2* nieuwe pogingen met een interval van 3* minuten.

Als u niet wilt dat opnieuw wordt gebeld, moet u het aantal pogingen instellen op "0".

* Wisselt afhankelijk van land en regio.

Opmerking

Zelfs met deze instelling ingeschakeld zal de machine het niet opnieuw proberen als de fax handmatig wordt verzonden.

Herh inst.(Fout)

Bij het verzenden van een fax wordt met deze instelling aangegeven of de machine al dan niet automatisch een nieuwe poging zal ondernemen als de verzending mislukt door een lijnfout. Normaal gesproken is de machine ingesteld op 1* nieuwe poging met een interval van 1* minuut.

Als u niet wilt dat opnieuw wordt gebeld, moet u het aantal pogingen instellen op "0".

* Wisselt afhankelijk van land en regio.

Opmerking

• Als het interval is ingesteld op "0", begint de machine meteen opnieuw te kiezen zodra de verbinding door een lijnfout wordt verbroken.

• Zelfs met deze instelling ingeschakeld zal de machine het niet opnieuw proberen als de fax handmatig wordt verzonden.

Bel tijd autom. verzenden

Wanneer u faxt met automatische verzending (zie

"Verzendtaken opslaan (geheugenverzending)"

(p.90)), kunt u met deze instelling aangeven hoe lang

de machine moet wachten voordat de verbinding wordt verbroken, als de andere machine de oproep van uw machine niet aanneemt. Als de andere machine niet reageert binnen de ingestelde tijd, hangt uw machine automatisch op.

U kunt kiezen uit "30 sec.", "45 sec." en "60 sec.".

Normaal gesproken is "45 sec." geselecteerd.

186

SYSTEEMINSTELLINGEN

Ontvangst funct.

Deze instellingen worden gebruikt om de standaardinstellingen (in de fabriek vastgelegd) van de diverse faxontvangstfuncties te wijzigen zodat ze beter aansluiten op uw voorkeuren.

Selecteer de [Ontvangst funct.] om de instellingen te configureren.

Aant. bel sig. RX

Wanneer de ontvangstmodus op automatisch staat, wordt deze instelling gebruikt om het aantal keer overgaan te selecteren waarna de machine automatisch een oproep aanneemt en begint met de

faxontvangst. (Zie "FAXBERICHT ONTVANGEN"

(p.95).)

• U kunt een aantal keren overgaan instellen van 0 tot 15.*

* Het "Aant. bel sig. RX" dat in elk land kan worden ingesteld, is aangegeven in de volgende tabel.

Aantal beltonen

Verenigd Koninkrijk, Frankrijk,

Duitsland, Zweden, Italië,

Spanje, Nederland, Thailand,

Hongkong, Saudi-Arabië,

Zuid-Afrika, Hongarije, Tsjechië,

0 tot en met 9

Slowakije, Polen, Griekenland,

Rusland, Filipijnen en Indonesië

Australië, Nieuw-Zeeland

Singapore

2 tot en met 4

0 tot en met 3

Maleisië, India, Canada, Taiwan 0 tot en met 15

Ontvangen data afdruk condities

Deze instelling bepaalt de selectievoorwaarde voor papier bij het afdrukken van ontvangen documenten.

Selecteer een van de drie onderstaande voorwaarden.

Normaal gesproken is "Verkleinen" geselecteerd.

• Verkleinen

Elk ontvangen beeld wordt, indien mogelijk, op ware grootte afgedrukt. Als dit niet mogelijk is, wordt het beeld automatisch verkleind vóór het afdrukken.

• Divisie

Elk ontvangen beeld wordt op ware grootte afgedrukt.

Indien nodig wordt het beeld verdeeld over meerdere vellen papier.

• Huidig formaat

De ontvangen fax wordt afgedrukt op ware grootte

(zonder te verdelen over meerdere vellen papier).

Als er geen papier van hetzelfde formaat of groter is geladen, wordt de fax in het geheugen ontvangen en pas afgedrukt wanneer papier van een geschikt formaat wordt geladen.

Auto ontv.verkl. reguliereformaat

Wanneer er een fax wordt ontvangen waarin de naam en het nummer van de verzender zijn opgenomen, is het ontvangen beeld iets groter dan het standaardformaat*. Met deze instelling bepaalt u of het ontvangen beeld vóór het afdrukken al dan niet automatisch wordt verkleind om op het standaardformaat te passen. Normaal gesproken is deze instelling ingeschakeld.

* Standaardformaten zijn formaten als A4 en B5.

• Als u een fout maakt, verplaatst u de cursor met [ ]

[ ] naar de fout en voert u de juiste gegevens in.

Opmerking

• Als het aantal beltonen ingesteld is op 0, ontvangt de machine de faxberichten zonder te gaan bellen.

• Als het aantal keer overgaan is ingesteld op 14 of 15, is ontvangst wellicht niet mogelijk. Dit hangt af van de functies en instellingen van de andere machine.

Opmerking

• Als deze instelling is uitgeschakeld (geen verkleining) en de afdrukcondities voor ontvangen data staan op Divisie, dan kan een deel van de fax wegvallen.

• Als automatische verkleining bij ontvangst is uitgeschakeld, valt een deel weg als het beeld groter is dan het standaardformaat. Het beeld wordt wel duidelijker want er wordt afgedrukt op hetzelfde formaat als het origineel.

#Bellen handm. RX

U kunt instellen bij hoeveel keer overgaan de machine omschakelt naar automatische ontvangst wanneer er een inkomende fax is in de handmatige ontvangstmodus.

Lade selectie

Deze instelling wordt gebruikt om aan te geven welke uitvoerladen kunnen worden gebruikt voor ontvangen faxen. Standaard zijn alle uitvoerladen ingeschakeld.

• De geselecteerde lade wordt ingeschakeld en er wordt een vinkje weergegeven in het selectievakje.

• Als u deze procedure uitvoert wanneer de lade actief is, verdwijnt het selectievakje en is de lade niet langer actief.

Opmerking

• Welke laden kunnen worden gebruikt, hangt af van de opties die zijn geïnstalleerd.

• De laden kunnen niet allemaal uitgeschakeld zijn.

187

Dubbelz. Ontv.

Met deze instelling kunt u ontvangen faxen op beide zijden van het papier afdrukken. Wanneer dubbelzijdig afdrukken is ingeschakeld en er een fax binnenkomt die bestaat uit twee of meer pagina's (de pagina's moeten hetzelfde formaat hebben), worden de pagina's aan beide zijden van het papier afgedrukt.

Zelfs als de pagina's een andere afdrukstand hebben, worden de pagina's correct geroteerd om afdrukken op beide zijden van het papier mogelijk te maken.

• De instelling wordt ingeschakeld (er wordt dus dubbelzijdig afgedrukt) en er wordt een vinkje weergegeven in het selectievakje.

• Als u deze procedure uitvoert wanneer de instelling actief is, verdwijnt het selectievakje en is de instelling niet langer actief.

SYSTEEMINSTELLINGEN

8 1/2x11 RX Afdruk verklein.

(In sommige landen mogelijk niet beschikbaar.)

Deze instelling wordt gebruikt om aan te geven of faxen die op het formaat 8-1/2" x 11" worden ontvangen, worden verkleind. Wanneer een fax van

8-1/2" x 11" wordt ontvangen, valt normaal gesproken een deel van het document weg. Deze instelling kan worden ingeschakeld, waardoor faxen van 8-1/2" x 11" worden verkleind zodat ze op A4-papier passen.

Standaard staat deze instelling uit.

• De instelling wordt ingeschakeld en er wordt een vinkje weergegeven in het selectievakje.

• Als u deze procedure uitvoert wanneer de instelling actief is, verdwijnt het selectievakje en is de instelling niet langer actief.

Opmerking

Als deze instelling wordt uitgeschakeld, kan een deel van het beeld wegvallen.

Doorst. RX data

Deze instelling wordt gebruikt om aan te geven of ontvangen faxen worden doorgestuurd naar een

faxmachine zoals uitgelegd in "Ontvangen data

Doorst. toestelnr" (p.188), mocht de machine de faxen

zelf niet kunnen afdrukken. Standaard staat deze instelling uit.

• De instelling wordt ingeschakeld en er wordt een vinkje weergegeven in het selectievakje.

• Als u deze procedure uitvoert wanneer de instelling actief is, verdwijnt het selectievakje en is de instelling niet langer actief.

Opmerking

Deze instelling werkt alleen als er een faxnummer is geprogrammeerd voor een andere faxmachine.

Ontvangen data Doorst. toestelnr

Wanneer de machine als gevolg van een probleem een ontvangen fax niet kan afdrukken, kan de fax worden

doorgestuurd naar een andere faxmachine (p.111). Deze

instelling wordt gebruikt om het faxnummer van de andere machine in te stellen. Er kan slechts één faxnummer worden geprogrammeerd (van maximaal 50 cijfers).

Opmerking

Volg deze stappen als u het nummer wilt verwijderen:

(1) Selecteer "VERWIJDEREN" en druk op de [OK] toets.

(2) Selecteer "VERWIJDEREN" met [ ] of

[ ] en druk op [OK].

Anti junk fax

Wanneer deze instelling is ingeschakeld, worden alle faxen geblokkeerd die afkomstig zijn van het nummer

dat met "Invoer Junkfaxnr" is ingesteld.

Normaal gesproken staat deze instelling uit.

• De instelling wordt ingeschakeld en er wordt een vinkje weergegeven in het selectievakje.

188

• Als u deze procedure uitvoert wanneer de instelling actief is, verdwijnt het selectievakje en is de instelling niet langer actief.

Invoer Junkfaxnr

Deze instelling wordt gebruikt om faxnummers te programmeren waarvan u geen faxen wilt ontvangen.

U kunt maximaal 50 faxnummers opslaan (van elk maximaal 20 cijfers). Als u faxen van de geprogrammeerde faxnummers wilt blokkeren, moet de instelling "Anti junk fax" ingeschakeld zijn.

Opmerking

Volg deze stappen als u een nummer wilt verwijderen: Voordat u een nummer

verwijdert, kijkt u met "Lijst instelling" (p.183)

welk nummer (01 tot 50) het faxnummer is dat u wilt verwijderen. U moet het controlegetal invoeren om het faxnummer te kunnen verwijderen. (Het faxnummer verschijnt niet in het display. Als u per ongeldig een verkeerd controlegetal invoert, wordt een ander faxnummer verwijderd dan het faxnummer dat de bedoeling was.)

(1) Selecteer "VERWIJDEREN" en druk op de [OK] toets.

(2) Selecteer met de [ ] of [ ] toets het controlegetal van 2 cijfers (01 tot 50) voor het faxnummer dat u wilt verwijderen en druk op [OK].

(3) Selecteer "VERWIJDEREN" met [ ] of

[ ] en druk op [OK].

Poll beveiliging

Deze instellingen worden gebruikt voor het openbare vak.

Selecteer [Poll Beveiliging] om de instellingen te configureren.

Poll beveiliging

Wanneer u het pollinggeheugen gebruikt, bepaalt deze instelling of elke machine navraag kan doen bij uw machine, of dat alleen de machines die zijn opgeslagen navraag kunnen doen. Normaal gesproken is deze instelling ingeschakeld.

• De instelling wordt ingeschakeld en er wordt een vinkje weergegeven in het selectievakje.

• Als u deze procedure uitvoert wanneer de instelling actief is, verdwijnt het selectievakje en is de instelling niet langer actief.

Polling toegangs Nr.mode

Wanneer "Poll beveiliging" is ingeschakeld, gebruik dan deze instelling om faxnummers van de machines die toestemming hebben om navraag te doen bij uw machine op te slaan (of te wissen). Geprogrammeerde faxnummers worden wachtwoordnummers genoemd.

U kunt maximaal 10 faxnummers programmeren. Druk

de "Lijst Afdrukken" (p.181) af als u de

geprogrammeerde nummers wilt bekijken.

Als u een fout maakt, verplaatst u de cursor met [ ] of

[ ] naar de fout en voert u de juiste gegevens in.

Opmerking

Volg deze stappen als u een wachtwoordnummer wilt verwijderen:

(1) Selecteer "VERWIJDEREN" en druk op de [OK] toets.

(2) Voer het controlegetal in voor het nummer dat u wilt verwijderen en druk op [OK].

(3) Selecteer "VERWIJDEREN" met [ ] of

[ ] en druk op [OK].

SCANNER

De systeeminstellingen voor de scanfunctie worden hieronder uitgelegd.

Selecteer [SCANNER] om de instellingen te configureren.

USB-Scan uitsch.

Geef aan of scannen vanaf een computer en scannen vanaf de machine zijn uitgeschakeld wanneer een

USB-verbinding wordt gebruikt.

De standaardinstelling is "Nee" (uitgeschakeld).

Nieuwe standaard

Deze instelling wordt gebruikt om de standaardinstellingen te wijzigen voor origineelformaat, resolutie, indeling en scanbelichting

in zwart-witmodus. (Zie "SCANINSTELLINGEN

OPSLAAN" (p.130) voor meer informatie.)

• Zie de onderstaande pagina's voor alle instellingen.

"Invoer van origineelformaatl" (p.130)

"Resolutie"

(p.130)

"Indeling"

"Mono2/Grijsschaal"

(p.131)

(p.131)

189

SYSTEEMINSTELLINGEN

9

WEBFUNCTIES IN DE

MACHINE

OVER DE WEBPAGINA’S

De machine bevat een ingebouwde webserver. De webserver is toegankelijk met behulp van een webbrowser op uw computer. De Webpagina’s bevatten zowel pagina’s voor gebruikers als pagina’s voor de beheerder. In de

Webpagina’s van de gebruiker kunnen gebruikers de machine bewaken en printerconfiguratie-instellingen configureren. In de Webpagina's van de beheerder kan de beheerder e-mailinstellingen van de machine, instellingen voor afdrukken via e-mail en wachtwoorden configureren. Alleen de beheerder kan deze instellingen configureren.

TOEGANG TOT DE WEBPAGINA

Gebruik de volgende procedure voor toegang tot de Webpagina’s. Onderaan het menuframe kan op [Help] worden geklikt om informatie en verschillende functie-instellingen te bekijken die via het netwerk van de Webpagina's van de machine op afstand kunnen worden geconfigureerd. Zie de uitleg in de Help voor de instellingen van elke functie.

1

Open de webbrowser op uw computer.

Ondersteunde browsers:

Internet Explorer: 6.0 of hoger (Windows

Netscape Navigator: 9 (Windows

®

)

®

)

Firefox: 2.0 of hoger (Windows

®

)

2

In het veld "Adres" van uw webbrowser voert u het IP-adres in dat werd geconfigureerd in de machine.

Wanneer de verbinding is voltooid, verschijnt de webpagina in uw webbrowser.

"OVER DE WEBPAGINA’S (VOOR GEBRUIKERS)" (p.191)

3

Sluit de webpagina’s af wanneer u klaar bent.

Wanneer u klaar bent met het gebruik van de webpagina's, klikt u op de (sluiten) toets in de rechterbovenhoek van de pagina.

190

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

OVER DE WEBPAGINA’S

(VOOR GEBRUIKERS)

Wanneer u naar de webpagina’s van de gebruiker in de machine gaat, verschijnt de volgende pagina in uw browser.

Aan de linkerzijde van de pagina verschijnt een menuframe. Wanneer u op een item in het menu klikt, verschijnt een scherm in het rechterframe waarmee u de instellingen voor het betreffende item kunt configureren.

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

Menu

Systeeminformatie

Apparaatstatus

Apparaatconfiguratie

Netwerkstatus

Beeldverzendingsbeheer

Bestemming

Netwerkscanning

Functie

Lijst afdrukken (gebruiker)

Koppeling

Instelling Apparaat

VOORWAARDE-INSTELLINGEN

Beheermodus

Systeeminformatie

Serienummer:

0123456700

Naam:

Niet ingesteld

Modelnaam:

Machinelocatie:

MX-XXXX

SDC1-2

Huidige status:

Online

Status bijwerken (U)

Taalinstelling:

Amerikaans

Uitvoeren(J)

(1) Menuframe

Klik op een instelling in het menu om het te configureren.

(2) Systeeminformatie

Toont de huidige status van de machine en modelnaam.

• Apparaatstatus

Toont de huidige status van de machine, papierlades, uitvoerlades en andere onderdelen en pagina-aantallen.

Als het papier op is en andere waarschuwingen verschijnen in het rood.

• Apparaatconfiguratie

Toont welke opties zijn geïnstalleerd.

• Netwerkstatus

Toont de netwerkstatus. Informatie over

"Algemeen" en "TCP/IP" wordt op de betreffende pagina's getoond.

(3) Lijst Afdrukken

U kunt de diverse instellingen afdrukken die u hebt geselecteerd.

(4) Voorwaarde-instellingen

Configureer basisprinterinstellingen en printertaalinstellingen.

"DE INSTELLINGEN PRINTERVOORWAARDEN

CONFIGUREREN" (p.192)

(5) Beheermodus

Klik hier om de webpagina's voor de beheerder te openen en voer vervolgens de gebruikersnaam en het wachtwoord van de beheerder in.

"OVER DE WEBPAGINA’S (VOOR DE

BEHEERDER)" (p.202)

"INFORMATIE BEVEILIGEN DIE IN DE

WEBPAGINA IS GEPROGRAMMEERD

([Wachtwoorden])" (p.204)

(6) Taalinstelling Weergeven

Selecteer de gewenste taalinstelling uit het pulldownmenu.

191

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

DE INSTELLINGEN

PRINTERVOORWAARDEN

CONFIGUREREN

Met de instellingen voor de printervoorwaarden kunnen eenvoudige printerinstellingen worden geconfigureerd. De volgende items kunnen worden ingesteld:

● "Standaardinstellingen" (p.193):Basisinstellingen die voornamelijk worden gebruikt wanneer het

printerstuurprogramma niet wordt gebruikt.

● "PCL-instellingen" (p.194): PCL-symbolenset, lettertype, regeltoevoercode en andere instellingen.

Opmerking

Wanneer het printerstuurprogramma wordt gebruikt en dezelfde instellingen zowel in het printerstuurprogramma als in de bovenstaande schermen worden geconfigureerd, overschrijven de geconfigureerde instellingen in het printerstuurprogramma de instellingen in de bovenstaande schermen.

Gebruik het printerstuurprogramma als een instelling beschikbaar is in het printerstuurprogramma om de instelling te configureren.

DE INSTELLINGEN CONFIGUREREN

Als u het scherm Voorwaarde-instellingen wilt weergeven, klikt u op [Voorwaarde-instellingen] in het menuframe.

(2)

(3)

(1)

(4)

(1) Voorwaarde-instellingen

Dit geeft de pagina weer voor het configureren van de instellingen voor de printervoorwaarden.

(2) Standaardinstellingen/PCL/PS

Selecteer het type voorwaardeninstellingen, dat u wilt configureren.

(3) Instellingen

De standaardinstellingen worden weergegeven.

Wijzig, door uit dropdownlijsten te selecteren en door rechtstreeks instellingen in te voeren, de instellingen, zoals gewenst.

Zie "INSTELLINGEN PRINTERVOORWAARDEN"

(p.193) voor informatie over deze instellingen.

192

(4) Indienen

Klik om de instellingen van de webpagina in de machine op te slaan.

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

INSTELLINGENMENU PRINTERVOORWAARDEN

Voorwaarde-instellingen

Standaardinstellingen Standaardinstellingen

Afdrukstand

Staand

Standaard papierformaat A4

Standaard Papiersoort Standaard

600dpi (Hoge kwaliteit)

Standaardresolutie

Afdrukken Lege

Pagina Uitschakelen

2-Zijdige Afdruk

Kleurmodus

Uit

Enkelzijdig

Auto

Aanpassen aan pagina

Aan

Voorwaarde-instellingen

PCL-instellingen

PCL-symbolenset

Lettertype

Lijninvoercode

Standaardinstellingen

PC-8

0: Courier (intern lettertype)

CR=CR; LF=LF; FF=FF

PS-instellingen Standaardinstellingen

PS-fouten afdrukken Uitschakelen

INSTELLINGEN PRINTERVOORWAARDEN

Standaardinstellingen worden vetgedrukt aangeduid.

Standaardinstellingen

Item

Afdrukstand

Selecties

Staand, Liggend

Standaard papierformaat

Standaard

Papiersoort

A4, B5, A5, Letter,

Invoice, Executive

Standaard,

Briefpapier,

Voorbedrukt,

Geperforeerd,

Recycled, Kleur

Standaardresolutie 600dpi,

600dpi (Hoge kwaliteit)

Afdrukken Lege

Pagina Uitschakelen

AAN, UIT

2-Zijdige Afdruk 1-Zijdig,

Dubbelz.(Boek)

Dubbelzijdig

(schrijfblok)

Kleurmodus

Beschrijving

Dit stelt de afdrukstand van de afgedrukte pagina in. Selecteer

[Staand] wanneer het beeld langer is in verticale richting of [Liggend] wanneer het beeld langer is in horizontale richting.

Dit stelt het standaard papierformaat in dat wordt gebruikt voor het afdrukken.

Hiermee stelt u het type papier in waarop u afdrukt.

Stel de afdrukresolutie in.

Wanneer dit is gespecificeerd, worden blanco pagina's zonder afdrukgegevens niet afgedrukt.

Wanneer [Dubbelz.(Boek)] is geselecteerd, wordt het tweezijdig afdrukken zodanig uitgevoerd dat inbinden aan de linkerzijde mogelijk wordt gemaakt. Wanneer [Dubbelz.(Schrijfblok)] is geselecteerd, wordt het tweezijdig afdrukken zodanig uitgevoerd dat inbinden aan de bovenzijde mogelijk wordt gemaakt. (Alleen voor modellen die tweezijdig afdrukken ondersteunen.)

Hiermee stelt u de kleurmodus in voor papier waarop u afdrukt.

Aanpassen aan pagina

Automatisch,

Zwart-wit

AAN, UIT Bepaal of het afgedrukte beeld wordt aangepast aan de maat van het papier.

193

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

PCL-instellingen

Item

PCL-symbolenset

Lettertype

Lijninvoercode

Selecties

Selecteer één van de 35 sets.

Selecteer één intern lettertype.

CR=CR; LF=LF;

FF=FF,

CR=CR+LF; LF=LF;

FF=FF,

CR=CR;

LF=CR+LF;

FF=CR+FF,

CR=CR+LF;

LF=CR+LF;

FF=CR+FF

Beschrijving

Dit specificeert welke tekens voor elk land (PCL-symbolenset) worden toegewezen aan enkele van de symbolen in de codelijst met tekens.

De fabrieksinstelling is [PC-8].

Dit specificeert welk PCL-lettertype er voor het afdrukken moet worden gebruikt. U kunt één lettertype specificeren uit de interne lettertypen. De fabrieksinstelling is [0: Courier].

Dit specificeert de code voor regeleinde door middel van een combinatie van de "CR" (return) code, "LF" (regeleinde) code en

"FF" (pagina-einde) code. De standaardinstelling drukt af op basis van de verzonden code. Met behulp van één van de vier combinaties kan de instelling worden gewijzigd.

PostScript-instellingen

Item Instellingen Beschrijving

PS-fouten afdrukken Inschakelen, Uitschakelen Wanneer u deze instelling heb ingeschakeld, wordt er iedere keer dat zich een PostScript-fout voordoet, een foutbeschrijving geprint.

194

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

DE INSTELLINGEN VAN DE

SCANNERVOORWAARDEN

CONFIGUREREN

BESTEMMINGEN INSTELLEN

Klik op [Bestemming] in het menuframe van de webpagina om bestemmingsgegevens op te slaan. Met dit scherm is

het ook mogelijk om opgeslagen bestemmingen te bewerken of te verwijderen. (p.200)

In totaal kunt u 200 bestemmingen* opslaan, zoals E-mail-, Netwerkmap, FTP-, Bureaublad- en groepsbestemmingen.*

* U kunt meerdere e-mailadressen (maximaal 100) opslaan als groep. Hierdoor wordt mogelijk het maximum aantal bestemmingen (normaliter 200) dat u kunt opslaan, kleiner.

Klik hier om bestemmingen op te slaan.

Bestemmingen opslaan voor Scannen naar E-mail

Klik op [E-mail] en voer de gegevens van de bestemming in.

Zie onderstaande tabel voor alle instellingen.

Opmerking

Als u Scannen naar E-mail wilt uitvoeren, moet u eerst de SMTP-serverinstellingen opgeven. (p.203)

E-mailbestemmingsinformatie

Item

Naam (Verplicht)

Beschrijving

Voer de naam van de bestemming in (maximaal 36 tekens).

Voorletter (optioneel) Voer voorletters in voor de bestemming (maximaal 10 tekens). Bij weergave van de bestemmingslijst in het bestemmingsbeheerscherm worden de bestemmingen gegroepeerd op basis van hun voorletters.

Aangepaste index

Er kunnen desgewenst namen worden toegewezen aan aangepaste indexlijsten (p.191),

waardoor de bestemmingen handig gegroepeerd kunnen worden.

Vervolgkeuzelijst: Selecteer een aangepaste index voor de bestemming die u op wilt slaan.

Selectievakje Gebruiker: Als dit vakje is geselecteerd, wordt de bestemming opgeslagen onder het tabblad

Gebruiker van het adresboek. (p.128)

E-Mailadres

(Verplicht)

Voer het e-mailadres van de bestemming in (maximaal 64 tekens). Als er een LDAP-server wordt gebruikt, kunt u klikken op [Zoeken in Globaal adresboek] om een adres op de

LDAP-server te zoeken.

195

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

Bestemmingen opslaan voor Scannen naar FTP

Klik op [FTP] en voer de gegevens van de bestemming in.

Zie onderstaande tabel voor de instellingen.

FTP-bestemmingsinformatie

Item

Naam (Verplicht)

Voorletter (optioneel)

Beschrijving

Voer de naam van de bestemming in (maximaal 36 tekens).

Aangepaste index

Voer voorletters in voor de bestemming (maximaal 10 tekens). Bij weergave van de bestemmingslijst in het bestemmingsbeheerscherm worden de bestemmingen gegroepeerd op basis van hun voorletters.

Er kunnen desgewenst namen worden toegewezen aan aangepaste indexlijsten

(p.191), waardoor de bestemmingen handig gegroepeerd kunnen worden.

Vervolgkeuzelijst: Selecteer een aangepaste index voor de bestemming die u op wilt slaan.

Selectievakje Gebruiker: Als dit vakje is geselecteerd, wordt de bestemming opgeslagen onder het tabblad Gebruiker van het adresboek.

(p.128)

Voer het IP-adres of de hostnaam in van de FTP-server (maximaal 127 tekens).

Hostnaam of IP-adres

(Verplicht)*

Gebruikersnaam

(Optioneel)

Voer de gebruikersinlognaam in voor de FTP-server (maximaal 32 tekens).

Wachtwoord (Optioneel) Voer het aanmeldingswachtwoord in voor de FTP-server (maximaal 32 tekens).

Directory (optioneel) Als u een bestemmingsdirectory wilt opgeven op de FTP-server, voer dan de directory in

(maximaal 200 tekens).

* Wanneer u een hostnaam hebt ingevoerd bij "Hostnaam of IP-adres", moet u de DNS-serverinstellingen invoeren.

(p.203)

196

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

Bestemmingen opslaan voor Netwerkmap

Klik op [Netwerkmap] en voer de gegevens van de bestemming in.

Zie onderstaande tabel voor de instellingen.

Bestemmingsinformatie netwerkmap

Item

Naam (verplicht)

Voorletter (optioneel)

Aangepaste index

Beschrijving

Voer de naam van de bestemming in (maximaal 36 tekens).

Voer voorletters in voor de bestemming (maximaal 10 tekens). Bij weergave van de bestemmingslijst in het bestemmingsbeheerscherm worden de bestemmingen gegroepeerd op basis van hun voorletters.

Er kunnen desgewenst namen worden toegewezen aan aangepaste indexlijsten

(p.191), waardoor de bestemmingen handig gegroepeerd kunnen worden.

Vervolgkeuzelijst: Selecteer een aangepaste index voor de bestemming die u op wilt slaan.

Selectievakje Gebruiker: Als dit vakje is geselecteerd, wordt de bestemming opgeslagen onder het tabblad Gebruiker van het adresboek.

(p.128)

Voer het IP-adres of de hostnaam in van de netwerkmap (maximaal 127 tekens).

Hostnaam of IP-adres

(verplicht)*

Gebruikersnaam

(optioneel)

Wachtwoord (optioneel)

Voer de gebruikersinlognaam in voor de netwerkmap (maximaal 32 tekens).

Voer het gebruikersinlogwachtwoord in voor de netwerkmap (maximaal 32 tekens).

* Wanneer u een hostnaam hebt ingevoerd bij "Hostnaam of IP-adres", moet u de DNS-serverinstellingen invoeren.

(p.203)

197

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

Bestemmingen opslaan voor Scannen naar desktop

De bestemming voor Scannen naar Desktop wordt opgeslagen door de Setup Wizard van de Sharp Network

Scanner Tool wanneer u "Network Scanner Tool" installeert op uw computer. Daarom hoeft u de bestemming voor

Scannen naar desktop niet op te slaan op de webpagina. (De Network Scanner Tool staat op de cd-rom

"Sharpdesk".)

Informatie over de systeemeisen voor Scannen naar desktop, de installatieprocedure voor de Network

Scanner Tool, en het opslaan van de bestemming, vindt u in het "Sharpdesk installatiehandboek".

Normaliter wordt uw computer opgeslagen als de bestemming volgens de hierboven aangegeven methode.

De volgende pagina voor het opslaan van bestemmingsinformatie voor Scannen naar desktop verschijnt als u

[Bestemming] selecteert in het menuframe, en vervolgens [Bureaublad]. Deze pagina wordt hoofdzakelijk gebruikt door de systeembeheerder in de volgende situaties.

• Wanneer een ander apparaat dat eveneens is uitgerust met de netwerkuitbreidingskit aan uw netwerk wordt toegevoegd en u een afbeelding die op het nieuwe apparaat is gescand wilt verzenden naar een bestemming op het bestaande apparaat.

Zie "Geprogrammeerde verzendbestemmingen bewerken en verwijderen" (p.200) om de bestemmingsinformatie voor

Scannen naar desktop te selecteren die u wilt gebruiken op het nieuwe apparaat en voer de weergegeven informatie in op dit scherm van het nieuwe apparaat. (Wanneer u alle instellingen hebt ingevoerd, klikt u op [Indienen].)

Als u meerdere bestemmingen wilt gebruiken op het nieuwe apparaat, herhaal deze procedure dan indien nodig.

Als de hier ingevoerde gegevens afwijken van de gegevens op de hostcomputer, is verzending/ontvangst niet mogelijk.

Zie onderstaande tabel voor de instellingen.

Bestemmingsinformatie voor Scannen naar desktop

Item

Naam (Verplicht)

Voorletter (optioneel)

Aangepaste index

Beschrijving

Voer de naam van de bestemming in (maximaal 36 tekens).

Voer voorletters in voor de bestemming (maximaal 10 tekens). Bij weergave van de bestemmingslijst in het bestemmingsbeheerscherm worden de bestemmingen gegroepeerd op basis van hun voorletters.

Er kunnen desgewenst namen worden toegewezen aan aangepaste indexlijsten

(p.191), waardoor de bestemmingen handig gegroepeerd kunnen worden.

Vervolgkeuzelijst: Selecteer een aangepaste index voor de bestemming die u op wilt slaan.

Selectievakje Gebruiker: Als dit vakje is geselecteerd, wordt de bestemming opgeslagen onder het tabblad Gebruiker van het adresboek.

(p.128)

Hostnaam of IP-adres

(Verplicht)*

Voer het IP-adres of de hostnaam in van de FTP-server (maximaal 127 tekens).

Poortnummer (Verplicht) Voer een poortnummer van 0 tot 65535 in voor de network scanner tool van het bureaublad.

Procesdirectory

(Optioneel)

Voer de naam in van de bestemmingsdirectory voor het bestand (maximaal 200 tekens). Het bestand wordt na ontvangst in deze directory verwerkt.

Gebruikersnaam (Optioneel) Voer de gebruikersinlognaam in voor de network scanner tool (maximaal 32 tekens).

Wachtwoord (Optioneel) Voer het aanmeldingswachtwoord in voor de network scanner tool (maximaal 32 tekens).

* Wanneer u een hostnaam hebt ingevoerd bij "Hostnaam of IP-adres", moet u de DNS-serverinstellingen invoeren.

(p.203)

198

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

Groepen opslaan (Scannen naar E-mail)

Met Scannen naar E-mail kunt u in één handeling een gescande afbeelding naar meerdere e-mailbestemmingen zenden. Als u regelmatig verzendt naar een vaste groep bestemmingen, kunt u deze bestemmingen als groep opslaan.

Opmerking

U kunt maximaal 100 bestemmingen opslaan in één groep.

Klik op [Groep (e-mail)] en voer de gegevens van de bestemming in.

Zie onderstaande tabel voor de instellingen.

Een groep bestemmingen opslaan

Item

Naam (Verplicht)

Voorletter (optioneel)

Aangepaste index

Adres(sen) (Verplicht)

Beschrijving

Voer een naam voor de groep in (maximaal 36 tekens).

Voer voorletters in voor de bestemmingen (maximaal 10 tekens). Bij weergave van de bestemmingslijst in het bestemmingsbeheerscherm worden de bestemmingen gegroepeerd op basis van hun voorletters.

Er kunnen desgewenst namen worden toegewezen aan aangepaste indexlijsten

(p.191), waardoor de bestemmingen handig gegroepeerd kunnen worden.

Vervolgkeuzelijst: Selecteer een aangepaste index voor de bestemming die u op wilt slaan.

Selectievakje Gebruiker:Als dit vakje is geselecteerd, wordt de bestemming opgeslagen onder het tabblad Gebruiker van het adresboek.

(p.128)

Selecteer de adressen voor elke bestemming uit het "E-Mail" keuzevenster. Voor elk van de bestemmingslijsten verschijnen geprogrammeerde e-mailbestemmingen.

Selecteer meerdere bestemmingen door elk adres aan te klikken terwijl u de [Ctrl] toets op uw toetsenbord ingedrukt houdt. Mocht u een geselecteerd adres willen annuleren, klik dan nogmaals op het adres terwijl u de [Ctrl] toets ingedrukt houdt.

Als er een LDAP-server wordt gebruikt, kunt u klikken op [Zoeken in Globaal adresboek] om een adres op de LDAP-server te zoeken. Er kunnen meerdere e-mailadressen worden ingevoerd. Scheid de e-mailadressen met een komma (,), puntkomma (;), spatie ( ), of dubbelepunt (:).

199

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

Geprogrammeerde verzendbestemmingen bewerken en verwijderen

Als u geprogrammeerde bestemmingen wilt bewerken of verwijderen klikt u op [Bestemming] in het menuframe van de webpagina.

Als u de geselecteerde bestemming wilt bewerken klikt u op [Bewerken] onder de Lijst

Bestemmingen.

Het programmeerscherm van de bestemming die u hebt geselecteerd verschijnt.

Bewerk de informatie op dezelfde manier als u deze aanvankelijk hebt opgeslagen.

Als u de geselecteerde bestemming wilt verwijderen, klikt u op [Verwijderen] onder de

Lijst Bestemmingen.

Opmerking

Als u in de volgende situaties probeert om een geprogrammeerde bestemming te verwijderen, verschijnt een waarschuwingsmelding.

• De bestemming is opgenomen in een groep.

Als de bestemming wordt gebruikt voor een huidige verzending, annuleert u deze verzending of wacht u totdat deze is uitgevoerd. Daarna kunt u de bestemming verwijderen. Als de bestemming is opgenomen in een groep, verwijdert u de bestemming uit de groep.

Lijsten afdrukken van geprogrammeerde bestemmingen

Het is mogelijk om lijsten af te drukken van de geprogrammeerde bestemmingen.

U kunt de volgende lijsten uitprinten.

● Individuele lijst afdrukken:Toont de informatie die is geprogrammeerd onder E-Mail-, FTP-, Bureaublad- en groepsbestemmingen.

● Groepslijst afdrukken:Toont de informatie die is geprogrammeerd onder groeps(e-mail)bestemmingen.

Als u de individuele lijst wilt afdrukken, klikt u op [Individuele lijst afdrukken] onder de bestemmingslijst.

Als u de groepslijst wilt afdrukken, klikt u op [Groepslijst afdrukken] onder de bestemmingslijst.

200

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

BASISINSTELLINGEN VOOR SCANNEN VIA HET

NETWERK

(VOOR DE BEHEERDER)

Om te kunnen scannen via het netwerk is instelling vanaf de webpagina vereist.

Klik in het menuframe en configureer de vereiste instellingen. Er is een wachtwoord vereist om het scherm te openen.

Deze instellingen kunnen alleen door de netwerkbeheerder worden geconfigureerd.

1

Klik op [Netwerkscanning] in het menuframe.

De pagina Setup van netwerkscanning wordt weergegeven.

2

Selecteer de scannermodus.

Klik in het veld "Scanneraflevering inschakelen bij:" op het selectievakje, zodat er een vinkje in het selectievakje verschijnt.

3

Selecteer de methode voor het toewijzen van een bestandsnaam aan een gescand beeld.

Selecteer de methode voor het toewijzen van een bestandsnaam aan een gescand beeld. Klik in

"Bestandsnaamgeving" op de items die u wenst te gebruiken in de bestandsnaam. Standaard is "Datum & tijd" geselecteerd.

4

Klik op [Indienen].

Klik na het invoeren van de instellingen op [Indienen] om ze op te slaan.

201

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

OVER DE WEBPAGINA’S

(VOOR DE BEHEERDER)

Behalve de menu’s die voor gebruikers verschijnen, kunnen andere menu’s die alleen door de beheerder kunnen worden gebruikt, in de webpagina’s van de beheerder verschijnen.

Aan de linkerzijde van de pagina verschijnt een menuframe. Wanneer u op een item in het menu klikt, verschijnt een scherm in het rechterframe waarmee u de instellingen voor het betreffende item kunt configureren. Instellingen die alleen door de beheerder kunnen worden geconfigureerd, worden hier nader toegelicht.

Instelling Apparaat

Informatie

Wachtwoorden

VOORWAARDE-INSTELLINGEN

Beheerdersinstellingen

Aangepaste koppelingen

Logboek

Statusbericht

Waarschuwings- bericht

Klokinstelling

Instelling productcode

Energie besparen

Apparaat kopiëren

Netwerkinstelling

Snelle setup

Beveiliging

IPsec-instellingen

IPsec-regels

ALGEMEEN

Protocol

Services

Direct print

LDAP

Verbindingstest

Proxy-instelling

Instellingen voor draadloos

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

(8)

(9)

(1)Informatie

Configureer machine-identificatie-informatie voor de status & waarschuwingsemailfunctie.

"INFORMATIE-INSTALLATIE" (p.206)

(2)Wachtwoorden

Om de website te beveiligen, kan de systeembeheerder wachtwoorden samenstellen.

Voer een door u gekozen wachtwoord in en klik op de [Indienen] toets.

Er kan één wachtwoord voor de beheerder worden samengesteld en één wachtwoord voor gebruikers worden samengesteld.

"INFORMATIE BEVEILIGEN DIE IN DE

WEBPAGINA IS GEPROGRAMMEERD

([Wachtwoorden])" (p.204)

(3)Beheerdersinstellingen

Het wijzigen van instellingen kan worden verboden en interface-instellingen kunnen worden geconfigureerd.

"BEHEERDERINSTELLINGEN" (p.205)

(4)Statusbericht

Configureer parameters die vereist zijn voor het verzenden van statusberichten, zoals bestemmingsadressen en tijdschema’s.

"INSTALLATIE STATUSBERICHTEN" (p.207)

(5)Waarschuwingsbericht

Bewaar bestemmingsadressen voor waarschuwingsberichten.

"INSTALLATIE WAARSCHUWINGSBERICHT"

(p.207)

(6)Beveiliging

Voor een betere beveiliging kunnen ongebruikte poorten worden uitgeschakeld en poortnummers worden gewijzigd.

(7)Services

Configureer informatie met betrekking tot het e-mailsysteem.

"SMTP-instelling" (p.206)

(8)Direct print

Configureer instellingen voor LPD en Raw print.

(9)LDAP

Instellingen voor LDAP configureren.

202

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

SMTP-, DNS- EN

LDAP-SERVERINSTELLINGEN

CONFIGUREREN

Hier worden de procedures voor het werken met [Snelle setup] beschreven. Met [Snelle setup] configureert u op een snelle manier alleen de vereiste instellingen voor de servers "SMTP", "DNS" en "LDAP". Deze instellingen worden normaliter als eerste geconfigureerd.

SMTP-server:

DNS-server:

LDAP-server:

SMTP wordt gebruikt om e-mail te verzenden met Scannen naar E-mail.

Wilt u deze verzendmethoden kunnen gebruiken, dan moeten uw SMTP-serverinstellingen zijn geconfigureerd.

Als u een hostnaam hebt ingevoerd bij "Primaire SMTP-server" of "Secundaire SMTP-server" van "SMTP", moet u ook uw DNS-serverinstellingen configureren.

Als u een hostnaam gaat invoeren bij "Hostnaam of IP-adres" bij het opslaan van een bestemming voor Scannen naar desktop, moet u ook instellingen voor de DNS-server invoeren.

Als op uw netwerk mailadressen worden beheerd via een LDAP-server, kunnen de e-mailadressen die zijn opgeslagen op de LDAP-server worden gebruikt voor Scannen naar

E-mail.

Wil de machine e-mailadressen op de LDAP-server kunnen gebruiken, dan moet u de

LDAP-serverinstellingen op de webpagina configureren.

5

Klik op [Snelle setup] in het menuframe.

Netwerkinstelling

Snelle setup

Beveiliging

IPsec-instellingen

IPsec-regels

6

Voer de vereiste informatie in bij "SMTP", "DNS" en "LDAP".

7

Wanneer u alle instellingen hebt ingevoerd, klikt u op [Indienen].

De ingevoerde instellingen worden opgeslagen.

Opmerking

Volg onderstaande procedures als u geavanceerde instellingen wilt configureren voor de SMTP-, DNS- en

LDAP-servers.

• Configureren van SMTP- en DNS-serverinstellingen

Klik op [Services] in het menuframe om het scherm Services instellingen op te roepen. Selecteer de gewenste server en configureer dan de benodigde kenmerken voor die server.

• Configureren van LDAP-serverinstellingen

Klik op [LDAP] in het menuframe om het scherm LDAP-installatie op te roepen. Configureer de benodigde kenmerken.

203

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

INFORMATIE BEVEILIGEN DIE IN

DE WEBPAGINA IS

GEPROGRAMMEERD

([Wachtwoorden])

Om toegang tot de webpagina te beperken en instellingen te beveiligen kunnen wachtwoorden worden ingesteld

(klik op [Wachtwoorden] in het menuframe).

De beheerder moet het wachtwoord van de standaardinstelling wijzigen. De beheerder moet ook zorg dragen voor het onthouden van het nieuwe wachtwoord. De volgende keer dat er naar de webpagina’s wordt gegaan, moet het nieuwe wachtwoord worden ingevoerd.

Er kan een wachtwoord voor de beheerder worden ingesteld en een wachtwoord voor gebruikers worden ingesteld.

1

Klik op [Wachtwoorden] in het menuframe.

2

Voer in "Beheerderswachtwoord" het huidige wachtwoord in.

Voer "admin" in bij "Beheerderswachtwoord" wanneer een wachtwoord voor de eerste keer wordt samengesteld.

Let op

Zorg ervoor dat "admin" in kleine letters worden ingevoerd (wachtwoorden zijn hoofdlettergevoelig).

3

Voer een wachtwoord in bij "Wachtwoorden" en "Beheerderswachtwoord".

• Maximaal 7 tekens en/of nummers kunnen voor elk wachtwoord (wachtwoorden zijn hoofdlettergevoelig) worden ingevoerd.

• Zorg ervoor dat u bij "Wachtwoord bevestigen" hetzelfde wachtwoord invoert als bij "Nieuw wachtwoord".

4

Wanneer u alle instellingen hebt ingevoerd, klikt u op [Indienen].

Het ingevoerde wachtwoord wordt opgeslagen.

Schakel na het instellen van het wachtwoord de machine uit en vervolgens weer in.

Opmerking

Wanneer u het verzoek krijgt een gebruikersnaam in te voeren, moet een gebruiker "users" invoeren en een beheerder moet "admin" invoeren bij "Gebruik.Naam". Bij "Wachtwoord" moet het betreffende wachtwoord voor de ingevoerde gebruikersnaam worden ingevoerd.

204

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

BEHEERDERINSTELLINGEN

De beheerderinstellingen worden gebruikt om wijzigingen van de [Voorwaarde-instellingen] te verbieden en interface-instellingen te configureren.

● "Standaardinstellingen"

● "Fusing Control" :

:

Selecteer

De temperatuur waarmee de toner wordt gesmolten wordt geregeld op basis van het papiergewicht van het papier dat wordt gebruikt.

● "Interface-instellingen"

:

Schakel bewaken van gegevens in die naar de netwerkpoort zijn verzonden en stel de beperkingen in.

EEN INSTELLING IN DE BEHEERDERINSTELLINGEN

CONFIGUREREN

1

Klik op [Beheerdersinstellingen] in het menuframe.

Het scherm "Standaardinstellingen" van de [Beheerdersinstellingen] wordt weergegeven. Ga naar stap 3 als u een instelling wilt selecteren in het scherm "Standaardinstellingen".

2

Klik op de gewenste instelling en maak een selectie voor de instelling in het scherm dat verschijnt.

Zie "BEHEERDERINSTELLINGEN" voor beschrijvingen van de instellingen.

3

Klik op [Indienen] om de ingevoerde informatie op te slaan.

BEHEERDERINSTELLINGEN

Wanneer "JA, NEE" verschijnt in de kolom "Instellingen", wordt "JA" geselecteerd wanneer er een vinkje in het selectievakje van het item verschijnt en "NEE" wanneer er geen vinkje verschijnt.

Standaardinstellingen

Item

Testpagina Blokkeren

Instellingen

JA, NEE

Wijzigen van instellingen uitschakelen

JA, NEE

Klokinstelling uitschakelen JA, NEE

Beschrijving

Deze instelling wordt gebruikt om het afdrukken van een printertestpagina te verbieden.

Deze instelling wordt gebruikt om wijzigingen van de standaard voorwaardeninstellingen te verbieden.

Met deze instelling belemmert u dat de datum- en tijdinstellingen worden gewijzigd.

Fusing Control

Item

Fusing Control

Instellingen

60-89 g/m

2

90-105 g/m

,

2

Beschrijving

De temperatuur waarmee de toner wordt gesmolten wordt geregeld op basis van het papiergewicht van het papier dat wordt gebruikt.

205

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

Interface-instellingen

I/O-timeout

Item

Poortwissel-methode

Emulatiewissel

Instellingen Beschrijving

1- 60 - 999 (sec) Tijdens ontvangst van een printopdracht, indien resterende gegevens niet ontvangen zijn nadat de hier ingestelde tijd is verstreken, wordt de poortverbinding verbroken en is de volgende printopdracht begonnen.

Selecteer de methode voor het wisselen van netwerkpoorten.

Aan einde van

taak, Na

I/O-timeout

Auto*,

PostScript, PCL

Selecteer de printertaal. Indien [Auto] is geselecteerd, wordt de taal automatisch geselecteerd uit de data die naar de printer wordt gezonden. Wijzig de instelling niet van [Auto] naar een andere instelling, tenzij zich veelvuldig fouten voordoen.

INSTELLINGEN E-MAILSTATUS EN

E-MAILWAARSCHUWINGEN

Deze functies verzenden informatie over machinegebruik (printaantallen, kopieaantallen, enz.) en foutvoorwaarden

(papierstoring, geen papier, geen toner, enz.) via e-mail naar de beheerder van de machine of de dealer.

INFORMATIE-INSTALLATIE

Machine-identificatie-informatie voor de status en waarschuwings-e-mailfuncties wordt in het scherm "Instelling

Informatie" geconfigureerd. De ingevoerde informatie wordt in de status en waarschuwingsemailberichten opgenomen.

1

Klik op [Informatie] in het menuframe.

Het scherm "Instelling Informatie" verschijnt.

2

Voer de machine-informatie in.

Klik voor gedetailleerde informatie op de [Help] toets in de rechterbovenhoek van het venster.

3

Klik op [Indienen] om de ingevoerde informatie op te slaan.

SMTP-instelling

De status en waarschuwings-e-mailfuncties gebruiken SMTP (Simple Mail Transport Protocol) om e-mail te verzenden. De volgende procedure wordt gebruikt om de e-mailomgeving in te stellen. Dit moet door de systeembeheerder worden uitgevoerd of door een ander persoon die bekend is met het netwerk.

1

Klik op [Services] in het menuframe.

Het scherm "Services instellingen" verschijnt.

2

Klik op [SMTP].

3

Voer de vereiste informatie in om de e-mailomgeving in te stellen.

Klik voor gedetailleerde informatie op de [Help] toets in de rechterbovenhoek van het venster.

4

Klik op [Indienen] om de ingevoerde informatie op te slaan.

206

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

INSTALLATIE STATUSBERICHTEN

Gebruik de statusberichtfunctie om de huidige aantalleninformatie te verzenden, omvattend de kopieaantallen, printaantallen en totale uitvoeraantallen, gebaseerd op het gespecificeerde schema. De bestemmingen kunnen respectievelijk voor beheerders en dealers worden ingesteld.

Volg de volgende stappen om het statusbericht in te stellen.

1

Klik op [Statusbericht] in het menuframe.

Het scherm "Statusbericht-setup" verschijnt.

2

Voer de vereiste informatie in, inclusief de bestemmingsadressen en het tijdschema.

3

Klik op [Indienen] om de ingevoerde informatie op te slaan.

Wanneer de e-mailstatusinstellingen zijn voltooid, wordt informatie van de printeraantallen periodiek per e-mail naar de gespecificeerde e-mailadressen verzonden.

Opmerking

Als de browser wordt afgesloten voordat u op [Indienen] klikt, worden de instellingen geannuleerd. Klik op [Nu verzenden] om onmiddellijk printerinformatie naar de gespecificeerde e-mailadressen te verzenden.

INSTALLATIE WAARSCHUWINGSBERICHT

Gebruik de functie waarschuwingsberichten om waarschuwingsinformatie, zoals een lege toner en geen papier en problemen zoals papierstoringen, naar gespecificeerde bestemmingen te verzenden wanneer dergelijke problemen zich voordoen. De bestemmingen kunnen respectievelijk voor beheerders en dealers worden ingesteld.

Volg de onderstaande procedure om het waarschuwingsbericht in te stellen.

1

Klik op [Waarschuwingsbericht] in het menuframe.

Het scherm "Waarschuwingsbericht-setup" verschijnt.

2

Voer de bestemmingsadressen in.

3

Klik op [Indienen] om de ingevoerde informatie op te slaan.

Als deze parameters zijn ingesteld, wordt informatie voor de printer naar de gespecificeerde adressen via e-mail verzonden, telkens wanneer zich een gespecificeerde gebeurtenis voordoet. De betekenis van elke gebeurtenis wordt hieronder getoond.

(Voorbeeld)

Papierstoring: Er heeft zich een papierstoring voorgedaan.

Toner is bijna op: Tonerniveau laag.

Toner is op:

Papier leeg:

Er moet toner worden toegevoegd.

Er moet papier worden geladen.

Opmerking

Als de browser wordt afgesloten voordat u op [Indienen] klikt, worden de instellingen geannuleerd.

207

WEBFUNCTIES IN DE MACHINE

Informatie over de softwarelicentie voor dit product

Samenstelling van de software

De software die bij dit product wordt geleverd bestaat uit diverse softwarecomponenten waarvan de individuele copyrights (auteursrechten) in handen zijn van SHARP of van derden.

Software ontwikkeld door SHARP en open source software

De copyrights van de softwarecomponenten en de diverse verband houdende documenten die bij dit product worden geleverd en die ontwikkeld of geschreven zijn door SHARP, zijn het eigendom van SHARP en worden beschermd door de copyrightwetgeving, internationale verdragen en andere relevante wetten. Dit product maakt ook gebruik van vrij gedistribueerde software en softwarecomponenten waarvan het copyright in handen is van derden. Hieronder vallen de softwarecomponenten die beschermd worden door een GNU General Public License

(wordt hierna GPL genoemd), een GNU Lesser General Public License (wordt hierna LGPL genoemd) of een andere licentie-overeenkomst.

Verkrijgen van de broncode

Sommigen licentiegevers van open source software vereisen dat de distributeur de open source code verschaft bij de uitvoerbare softwarecomponenten. GPL en LGPL bevatten gelijkwaardige vereisten.

Voor informatie over het verkrijgen van de broncode voor open source software en voor het verkrijgen van de GPL,

LGPL en andere informatie over de licentieovereenkomst, kunt u de volgende website bezoeken: http://sharp-world.com/products/copier/source/download/index.html

Wij zijn niet in staat eventuele vragen te beantwoorden over de broncode voor open source software. De broncode voor de softwarecomponenten waarvan de copyrights in handen zijn van SHARP worden niet gedistribueerd.

208

HANDELSMERKEN

De volgende handelsmerken en gedeponeerde handelsmerken worden gebruikt samen met de machine, de randapparatuur en accessoires.

• Microsoft

®

, Windows

®

, Windows

®

XP, Windows Server

®

2003, Windows Vista

®

, Windows Server

®

2008, Windows

®

7, Windows

®

8, Windows Server

®

2012 en Internet Explorer

®

zijn gedeponeerde of gewone handelsmerken van Microsoft Corporation in de VS en andere landen.

• Intel

®

een handelsmerk van Intel Corporation in de VS en/of andere landen.

• Adobe, het Adobe-logo, PostScript, Acrobat, het Adobe PDF-logo, Reader en Flash zijn gedeponeerde handelsmerken of gewone handelsmerken van Adobe Systems Incorporated in de Verenigde Staten en/of andere landen.

• Apple, Macintosh, Mac OS, AppleTalk, EtherTalk en LaserWriter zijn gedeponeerde handelsmerken van Apple Inc.

• Netscape Navigator is een handelsmerk van Netscape Communications Corporation.

• PCL is een gedeponeerd handelsmerk van de Hewlett-Packard Company.

• IBM, PC/AT en PowerPC zijn handelsmerken van International Business Machines Corporation.

• Sharpdesk is een handelsmerk van Sharp Corporation.

• Alle andere handelsmerken en auteursrechten behoren toe aan hun desbetreffende eigenaren.

Candid en Taffy zijn handelsmerken van Monotype Imaging, Inc. gedeponeerd bij het United States Patent and

Trademark Office en mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. CG Omega, CG Times, Garamond Antiqua,

Garamond Halbfett, Garamond Kursiv, Garamond en Halbfett Kursiv zijn handelsmerken van Monotype Imaging,

Inc. en zijn mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. Albertus, Arial, Coronet, Gill Sans, Joanna en Times

New Roman zijn handelsmerken van The Monotype Corporation gedeponeerd bij het United States Patent and

Trademark Office en mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. Avant Garde, ITC Bookman, Lubalin Graph,

Mona Lisa, Zapf Chancery en Zapf Dingbats zijn handelsmerken van International Typeface Corporation gedeponeerd bij het United States Patent and Trademark Office en mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. Clarendon, Eurostile, Helvetica, Optima, Palatino, Stempel Garamond, Times en Univers zijn handelsmerken van Heidelberger Druckmaschinen AG en zijn mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden, onder exclusieve licentie aan Linotype Library GmbH en de geheel eigen dochtermaatschappijen van Heidelberger

Druckmaschinen AG. Apple Chancery, Chicago, Geneva, Monaco en New York zijn handelsmerken van Apple

Computer Inc. en zijn mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. HGGothicB, HGMinchoL, HGPGothicB en

HGPMinchoL zijn handelsmerken van Ricoh Company, Ltd. en zijn mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden.

Wingdings is een gedeponeerd handelsmerk van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en andere landen.

Marigold en Oxford zijn handelsmerken van Arthur Baker en zijn mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden.

Antique Olive is een handelsmerk van Marcel Olive en is mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. Hoefler

Text is een handelsmerk van Jonathan Hoefler en is mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. ITC is een handelsmerk van International Typeface Corporation gedeponeerd bij het United States Patent and Trademark

Office en mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. Agfa is een handelsmerk van de Agfa-Gevaert Group en is mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. Intellifont, MicroType en UFST zijn handelsmerken van

Monotype Imaging, Inc. gedeponeerd bij het United States Patent and Trademark Office en mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. Macintosh en TrueType zijn handelsmerken van Apple Computer Inc. gedeponeerd bij het United States Patent and Trademark Office en andere landen. PostScript is een handelsmerk van Adobe

Systems Incorporated en is mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. HP, PCL, FontSmart en LaserJet zijn handelsmerken van Hewlett-Packard Company en zijn mogelijk gedeponeerd in zekere rechtsgebieden. De Type 1processor die resident is in het UFST-product van Monotype Imaging is onder licentie van Electronics For Imaging,

Inc. Alle andere handelsmerken zijn eigendom van hun respectieve eigenaren.

209

BEDIENINGSGIDS

MXC300W-NL1

Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement

Table of contents