Sony | VPCS12C5E | Sony VPCS12C5E Gebruiksaanwijzing

N
Gebruikershandleiding
Personal computer
VPCS12-serie
n 2 N
Inhoud
Voor gebruik ....................................................................... 4
Meer informatie over uw VAIO-computer...................... 5
Ergonomische overwegingen........................................ 8
Het draadloze WAN gebruiken ....................................70
De Bluetooth-functie gebruiken ...................................74
Vingerafdrukverificatie gebruiken ................................80
Aan de slag....................................................................... 10
De besturingselementen en poorten ........................... 11
De lampjes .................................................................. 16
Een stroombron aansluiten ......................................... 17
De batterij gebruiken ................................................... 19
De computer veilig uitschakelen ................................. 26
Energiebesparingsstanden gebruiken......................... 27
Uw computer in optimale conditie houden .................. 30
Randapparaten gebruiken.................................................87
Een dockingstation aansluiten .....................................88
Externe luidsprekers of een hoofdtelefoon
aansluiten ....................................................................96
Een externe monitor aansluiten ...................................97
Weergavemodi selecteren .........................................102
De meerdere-monitorsfunctie gebruiken ...................103
Een externe microfoon aansluiten .............................105
Een USB-apparaat aansluiten ...................................106
Een i.LINK-apparaat aansluiten.................................108
De VAIO-computer gebruiken........................................... 32
Het toetsenbord gebruiken.......................................... 33
Het touchpad gebruiken .............................................. 36
De knoppen voor speciale functies gebruiken ............ 38
De ingebouwde camera gebruiken ............................. 39
Het optische station gebruiken.................................... 40
De Memory Stick gebruiken ........................................ 49
Andere modules/geheugenkaarten gebruiken ............ 56
Het internet gebruiken................................................. 63
Het netwerk (LAN) gebruiken...................................... 64
Het draadloze LAN gebruiken ..................................... 65
Uw VAIO-computer aanpassen.......................................110
Het wachtwoord instellen...........................................111
Intel(R) VT gebruiken ................................................122
VAIO Control Center gebruiken .................................123
VAIO Energiebeheer gebruiken.................................124
De weergavetaal wijzigen ..........................................126
De harde schijf beschermen ......................................127
Uw VAIO-computer uitbreiden.........................................128
Geheugen toevoegen en verwijderen........................129
n 3 N
Voorzorgsmaatregelen ................................................... 135
Informatie over de veiligheid ..................................... 136
Informatie over reinigen en onderhoud ..................... 139
Met de computer omgaan ......................................... 140
Met het LCD-scherm omgaan ................................... 142
De stroomvoorziening gebruiken .............................. 143
Met de ingebouwde camera omgaan........................ 144
Met schijven omgaan ................................................ 145
De batterij gebruiken ................................................. 146
Memory Sticks hanteren ........................................... 147
Met het ingebouwde opslagapparaat omgaan .......... 148
Vingerafdrukverificatie gebruiken.............................. 149
Problemen oplossen ....................................................... 151
Computerbewerkingen .............................................. 153
Systeemupdates/-beveiliging .................................... 159
Herstellen .................................................................. 161
Batterij ....................................................................... 164
Ingebouwde camera.................................................. 166
Netwerken (LAN/draadloos LAN).............................. 168
Draadloos WAN ........................................................ 172
Bluetooth-technologie ............................................... 173
Optische schijven ...................................................... 177
Beeldscherm ............................................................. 182
Afdrukken .................................................................. 186
Microfoon ...................................................................187
Luidsprekers ..............................................................188
Touchpad...................................................................190
Toetsenbord ..............................................................191
Diskettes ....................................................................192
Audio/video ................................................................193
Memory Stick .............................................................195
Randapparatuur.........................................................196
Dockingstation ...........................................................197
Handelsmerken ...............................................................198
Opmerking.......................................................................200
Voor gebruik >
n 4 N
Voor gebruik
Gefeliciteerd met de aankoop van deze Sony VAIO®-computer en welkom bij de Gebruikershandleiding op het scherm.
Sony heeft speerpunttechnologie op het gebied van audio, video, computertechnologie en communicatie gecombineerd en
geïntegreerd in deze uiterst geavanceerde computer.
!
Externe aanzichten die in deze handleiding worden geïllustreerd, kunnen enigszins verschillen van de werkelijke aanzichten van uw computer.
Locatie van specificaties
Mogelijk zijn niet alle voorzieningen, opties en meegeleverde items beschikbaar op uw computer.
Ga naar de website van VAIO-Link op http://support.vaio.sony.eu/ voor meer informatie over de configuratie van uw computer.
Voor gebruik >
Meer informatie over uw VAIO-computer
n 5 N
Meer informatie over uw VAIO-computer
In dit gedeelte vindt u ondersteuningsinformatie over uw VAIO-computer.
1. Gedrukte documentatie
❑ Handleiding Snel aan de slag: een overzicht van het aansluiten van onderdelen, configuratiegegevens, enzovoort.
❑ Gids systeemherstel, back-up en probleemoplossing
❑ Voorschriften, Garantie en Ondersteuning
Lees de informatie in Voorschriften, Garantie en Ondersteuning zorgvuldig door voordat u de functies voor draadloze communicatie, zoals het draadloze
LAN en de Bluetooth-technologie, activeert.
Voor gebruik >
Meer informatie over uw VAIO-computer
n 6 N
2. Documentatie op het scherm
❑ Gebruikershandleiding (deze handleiding): de functies van de computer en informatie over veelvoorkomende problemen.
U geeft deze handleiding als volgt op het scherm weer:
1
Klik op Start
, Alle programma's en VAIO Documentation.
2
Open de map voor uw taal.
3
Kies de handleiding die u wilt lezen.
Als u handmatig in de gebruikershandleiding wilt zoeken, gaat u naar Computer > VAIO (C:) (uw C-schijf) > Documentatie (Documentation) >
Documentatie (Documentation) en opent u de map voor uw taal.
❑ Windows Help en ondersteuning: een uitgebreide bron voor praktisch advies, zelfstudies en demo's die u leren uw
computer te gebruiken.
Voor toegang tot Windows Help en ondersteuning klikt u op Start en op Help en ondersteuning, of houdt u de
Microsoft Windows-toets ingedrukt en drukt u op F1.
Voor gebruik >
Meer informatie over uw VAIO-computer
n 7 N
3. Ondersteuningswebsites
Als u een probleem hebt met de computer, vindt u op de website van VAIO-Link op http://support.vaio.sony.eu/ instructies
voor probleemoplossing.
Verder zijn de volgende informatiebronnen beschikbaar:
❑ Via de Club VAIO community op http://club-vaio.com hebt u de mogelijkheid om vragen te stellen aan andere
VAIO-gebruikers.
❑ Informatie over producten vindt u op onze website met producten op http://www.vaio.eu/ of in de online winkel op
http://www.sonystyle-europe.com.
Zorg dat u het serienummer van uw VAIO-computer bij de hand hebt wanneer u contact opneemt met VAIO-Link.
Het serienummer bevindt zich aan de onderkant, aan de achterkant of in het batterijcompartiment van uw VAIO-computer.
Op de website van VAIO-Link vindt u aanvullende instructies, als u problemen hebt met het vinden van uw serienummer.
Voor gebruik >
Ergonomische overwegingen
n 8 N
Ergonomische overwegingen
U zult uw computer waarschijnlijk op verschillende plaatsen gebruiken. Indien mogelijk moet u rekening houden met de
volgende ergonomische overwegingen die zowel betrekking hebben op gewone als op draagbare computers:
❑ Positie van de computer: plaats de computer direct voor u. Houd uw onderarmen horizontaal, met uw polsen in een
neutrale, comfortabele positie als u het toetsenbord of aanwijsapparaat gebruikt. Houd uw bovenarmen ontspannen naast
uw bovenlichaam. Pauzeer regelmatig tijdens het gebruik van de computer. Als u te veel met de computer werkt, kunt u
uw ogen, spieren of pezen overbelasten.
❑ Meubilair en houding: gebruik een stoel met een goede rugsteun. Stel de hoogte van de stoel zo in dat uw voeten plat
op de grond staan. Gebruik een voetbankje als u daar comfortabeler mee zit. Neem een ontspannen houding aan, houd
uw rug recht en neig niet te ver naar voren (ronde rug) of naar achteren.
Voor gebruik >
Ergonomische overwegingen
n 9 N
❑ Gezichtshoek t.o.v. het scherm: kantel het scherm tot u de optimale gezichtshoek vindt. Dit is minder belastend voor
uw ogen en spieren. Stel ook de helderheid van het scherm optimaal in.
❑ Verlichting: zorg ervoor dat zonlicht of kunstlicht niet direct op het scherm valt om reflectie en schittering te vermijden.
Werk met indirecte verlichting om lichtvlekken op het scherm te vermijden. Met de juiste verlichting werkt u niet alleen
comfortabeler, maar ook efficiënter.
❑ Opstelling van een externe monitor: als u een externe monitor gebruikt, plaatst u deze op een comfortabele
gezichtsafstand. Plaats het scherm op ooghoogte of iets lager als u vlak voor de monitor zit.
Aan de slag >
n 10 N
Aan de slag
In dit deel wordt beschreven hoe u aan de slag kunt met de VAIO-computer.
❑ De besturingselementen en poorten (pagina 11)
❑ De lampjes (pagina 16)
❑ Een stroombron aansluiten (pagina 17)
❑ De batterij gebruiken (pagina 19)
❑ De computer veilig uitschakelen (pagina 26)
❑ Energiebesparingsstanden gebruiken (pagina 27)
❑ Uw computer in optimale conditie houden (pagina 30)
Aan de slag >
De besturingselementen en poorten
n 11 N
De besturingselementen en poorten
Bekijk de besturingselementen en poorten op de volgende pagina's.
!
Het uiterlijk van uw computer zoals dit in deze handleiding wordt geïllustreerd, kan verschillen van het werkelijke uiterlijk van uw computer vanwege
verschillen in de specificaties.
Voorzijde
A
B
C
D
E
F
Ingebouwde MOTION EYE-camera (pagina 39)
G
H
I
J
K
Ingebouwde luidsprekers (stereo)
Lampje voor ingebouwde MOTION EYE-camera (pagina 16)
LCD-scherm (pagina 142)
VAIO-knop (pagina 38)
ASSIST-knop (pagina 38)
Sensor voor omgevingslicht (pagina 35), (pagina 185)
Meet de intensiteit van het omgevingslicht en past de helderheid
van het LCD-scherm aan tot het beste niveau.
Ingebouwde microfoon (mono)
Toetsenbord (pagina 33)
Touchpad (pagina 36)
Rechterknop (pagina 36)
L Vingerafdruksensor* (pagina 80)
M Linkerknop (pagina 36)
*
Alleen op bepaalde modellen.
Aan de slag >
De besturingselementen en poorten
n 12 N
A
B
C
D
E
Num lock-lampje (pagina 16)
F
G
H
I
J
K
L
M
Memory Stick Duo-sleuf* (pagina 49)
*
Uw computer ondersteunt alleen Memory Sticks in het Duo-formaat.
Caps lock-lampje (pagina 16)
Scroll lock-lampje (pagina 16)
Sleuf voor SD-geheugenkaart (pagina 59)
Lampje voor mediatoegang (pagina 16)
WIRELESS-lampje (pagina 16)
Batterijlampje (pagina 16)
Lampje voor schijfstation (pagina 16)
WIRELESS-schakelaar (pagina 65), (pagina 70), (pagina 74)
Hoofdtelefoonconnector (pagina 96)
Microfoonconnector (pagina 105)
Uitwerpknop voor station (pagina 38), (pagina 40)
Aan de slag >
De besturingselementen en poorten
n 13 N
Rechterzijde
A Optisch station (pagina 40)
B Opening voor handmatig uitwerpen (pagina 177)
C ExpressCard/34-sleuf (pagina 56)
D USB-poorten* (pagina 106)
E Netwerkpoort (LAN) (pagina 64)
F Aan/uit-knop / Aan/uit-lampje (pagina 16)
*
Compatibel met de USB 2.0-standaard en ondersteuning voor hoge/volle/lage
snelheid.
Aan de slag >
De besturingselementen en poorten
n 14 N
Linkerzijde
A DC IN-poort (pagina 17)
B Ventilatieopening
C Beveiligingssleuf
D HDMI-uitgangspoort*1 (pagina 100)
E Monitorpoort*2 (pagina 97)
F USB-poort*3 (pagina 106)
G 4-pins i.LINK-poort (S400) (pagina 108)
*1
Op modellen met de NVIDIA-videocontroller komt er de eerste seconden na
het starten van het afspelen mogelijk geen geluid uit het uitvoerapparaat dat
is aangesloten op de HDMI-uitgangspoort. Dit wijst niet op een defect.
*2
Werkt niet wanneer uw computer is aangesloten op het dockingstation.
*3
Compatibel met de USB 2.0-standaard en ondersteuning voor hoge/volle/lage
snelheid.
Aan de slag >
De besturingselementen en poorten
n 15 N
Achter/onderzijde
A Ventilatieopeningen
B SIM-kaartsleuf* (pagina 70)
C Batterijconnector (pagina 19)
D Connector voor een dockingstation* (pagina 90)
E Kapje van geheugenmodulecompartiment (pagina 129)
*
Alleen op bepaalde modellen.
Aan de slag >
De lampjes
n 16 N
De lampjes
Uw computer is voorzien van de volgende lampjes:
Lampje
Functies
Aan/uit 1
Brandt groen als de computer in de normale stand is, knippert langzaam oranje als de computer in de slaapstand
is gezet en gaat uit als de computer wordt uitgeschakeld of in de sluimerstand is gezet.
Batterijlading
Brandt als de batterij wordt opgeladen. Zie De batterij opladen (pagina 22) voor meer informatie.
Mediatoegang
Brandt terwijl gegevens worden gelezen van een geheugenkaart, zoals een Memory Stick of een
SD-geheugenkaart. (Zet de computer niet in de slaapstand of schakel de computer niet uit wanneer dit lampje
brandt.) Als het lampje niet brandt, wordt de geheugenkaart niet gebruikt.
Ingebouwde MOTION EYE-camera
Brandt als de ingebouwde camera in gebruik is.
Schijfstation
Brandt als gegevens worden gelezen van het ingebouwde opslagapparaat of het optische station. Zet de computer
niet in de slaapstand of schakel de computer niet uit wanneer dit lampje brandt.
Num lock
Druk op de toets Num Lk om het numerieke toetsenblok in te schakelen. Druk er nogmaals op om het numerieke
toetsenblok uit te schakelen. Als het lampje niet brandt, is het numerieke toetsenblok uitgeschakeld.
Caps lock
Scroll lock
WIRELESS
Druk op de toets Caps Lock als u hoofdletters wilt typen. Letters worden als kleine letters weergegeven als
u op de toets Shift drukt terwijl het lampje brandt. Druk nogmaals op de toets om het lampje uit te schakelen.
U kunt weer normaal typen als het lampje Caps lock niet meer brandt.
Druk op de toetsen Fn+Scr Lk om het bladeren op het scherm te wijzigen. U kunt weer normaal bladeren als
het lampje Scroll lock niet meer brandt. De functies van de toets Scr Lk kunnen verschillen, afhankelijk van het
gebruikte programma. De toets werkt niet in alle programma's.
Brandt als een of meer draadloze opties zijn ingeschakeld.
Aan de slag >
Een stroombron aansluiten
n 17 N
Een stroombron aansluiten
De computer kan werken op netstroom (via een netadapter) of op een oplaadbare batterij.
De netadapter gebruiken
Wanneer de computer rechtstreeks op een netspanningsbron is aangesloten en er een batterij is geplaatst, wordt netspanning
gebruikt.
Gebruik alleen de meegeleverde netadapter voor uw computer.
De netadapter gebruiken
1
Steek het ene uiteinde van het netsnoer (1) in de netadapter (3).
2
Steek het andere uiteinde van het netsnoer in een stopcontact (2).
3
Sluit de kabel van de netadapter (3) aan op de DC IN-poort (4) van de computer.
!
De vorm van de netadapterconnector kan variëren, afhankelijk van de netadapter.
Aan de slag >
Een stroombron aansluiten
Als u de netstroom naar de computer volledig wilt verbreken, koppelt u de netadapter los van het stopcontact.
Zorg ervoor dat er een gemakkelijk toegankelijk stopcontact is.
Als u de computer langere tijd niet gaat gebruiken, zet u de computer in de sluimerstand. Zie De sluimerstand gebruiken (pagina 29).
n 18 N
Aan de slag >
De batterij gebruiken
De batterij gebruiken
De batterij die bij uw computer wordt geleverd, is niet volledig opgeladen op het moment van de levering.
De batterij plaatsen/verwijderen
De batterij plaatsen
1
Schakel de computer uit en sluit het LCD-scherm.
2
Schuif het vergrendelingslipje LOCK voor de batterij (1) naar binnen.
n 19 N
Aan de slag >
De batterij gebruiken
n 20 N
3
Schuif de batterij diagonaal in het batterijcompartiment tot de uitsteeksels (2) aan beide kanten van het batterijcompartiment
in de U-vormige uitsparingen (3) aan beide kanten van de batterij vastzitten.
4
Duw de batterij omlaag in het compartiment totdat die op zijn plaats klikt.
5
Schuif het vergrendelingslipje LOCK voor de batterij naar buiten om de batterij in de computer vast te zetten.
Aan de slag >
De batterij gebruiken
n 21 N
De batterij verwijderen
!
U verliest alle niet-opgeslagen gegevens als u de batterij verwijdert terwijl de computer is ingeschakeld en niet is aangesloten op de netadapter.
1
Schakel de computer uit en sluit het LCD-scherm.
2
Schuif het vergrendelingslipje LOCK voor de batterij (1) naar binnen.
3
Schuif de RELEASE-pal voor de batterij (2) naar binnen en houd die vast, plaats een vingertop onder het lipje (3) op de
batterij en til de batterij in de richting van de pijl. Schuif de batterij vervolgens uit de computer.
!
Voor uw veiligheid wordt u ten zeerste aanbevolen de originele oplaadbare batterijen en netadapters van Sony te gebruiken die voldoen aan de
kwaliteitsnormen en die Sony voor uw VAIO-computer levert. Sommige VAIO-computers werken mogelijk alleen met een originele Sony-batterij.
Aan de slag >
De batterij gebruiken
n 22 N
De batterij opladen
De batterij die bij uw computer wordt geleverd, is niet volledig opgeladen op het moment van de levering.
De batterij opladen
1
Plaats de batterij.
2
Sluit de computer met de netadapter aan op een stopcontact.
Het batterijlampje brandt als de batterij wordt opgeladen. Wanneer de batterijlading bijna het opgegeven maximale
percentage heeft bereikt, gaat het batterijlampje uit.
Batterijlampje
Betekenis
Brandt oranje
De batterij wordt opgeladen.
Knippert samen met het groene aan/uit-lampje De batterij is bijna leeg. (Normale stand)
Knippert samen met het oranje aan/uit-lampje
De batterij is bijna leeg. (Slaapstand)
Is oranje en knippert snel
Er is een batterijstoring opgetreden vanwege een defecte
of niet goed vergrendelde batterij.
!
Laad de batterij vanaf de eerste keer op zoals is beschreven in deze handleiding.
Aan de slag >
De batterij gebruiken
n 23 N
Laat de batterij in de computer zitten als deze rechtstreeks op een netspanningsbron is aangesloten. De batterij wordt verder opgeladen terwijl u de
computer gebruikt.
Als de batterijlading bijna op is en de batterij- en stroomlampjes knipperen, moet u de netadapter aansluiten zodat de batterij weer kan worden opgeladen
of de computer uitschakelen en een volledig opgeladen batterij plaatsen.
Uw computer wordt geleverd met een oplaadbare lithium-ionbatterij. Het opladen van een gedeeltelijk ontladen batterij heeft geen invloed op de
levensduur van de batterij.
Tijdens het gebruik van sommige toepassingen of randapparaten is het mogelijk dat de computer niet overschakelt op de sluimerstand, zelfs niet als
de batterij bijna leeg is. Om te vermijden dat u gegevens verliest wanneer de computer op batterijstroom werkt, moet u uw gegevens geregeld opslaan
en handmatig een energiebeheerstand activeren, bijvoorbeeld de slaap- of sluimerstand.
Als de batterij leeg raakt terwijl de computer in de slaapstand staat, verliest u alle gegevens die nog niet zijn opgeslagen. Het is niet mogelijk terug te
keren naar de voorgaande werksituatie. Om te vermijden dat u gegevens verliest, moet u uw gegevens geregeld opslaan.
Aan de slag >
De batterij gebruiken
n 24 N
De oplaadcapaciteit van de batterij controleren
De oplaadcapaciteit van de batterij neemt langzamerhand af, als de batterij vaker wordt opgeladen of als de batterij al langer
in gebruik is. Voor een optimaal profijt van de batterij controleert u de laadcapaciteit van de batterij en wijzigt u de instellingen
van de batterij.
De oplaadcapaciteit van de batterij controleren
1
Klik op Start, Alle programma's en VAIO Control Center.
2
Klik op Energiebeheer (Power Management) en Batterij (Battery).
U kunt ook de batterijbeheerfunctie inschakelen om de levensduur van de accu te verlengen.
Aan de slag >
De batterij gebruiken
n 25 N
De levensduur van de batterij verlengen
Als de computer op batterijstroom werkt, kunt u de levensduur van de batterij verlengen met de volgende methoden.
❑ Verminder de helderheid van uw computerscherm.
❑ Gebruik de energiebesparingsstand. Zie Energiebesparingsstanden gebruiken (pagina 27) voor meer informatie.
❑ Wijzig de instellingen voor energiebesparing bij Energiebeheer. Zie VAIO Energiebeheer gebruiken (pagina 124) voor
meer informatie.
❑ Stel de wallpaper in bij Een energiebesparende wallpaper instellen (Long Battery Life Wallpaper Setting) in het
VAIO Control Center als de achtergrond voor uw bureablad.
Aan de slag >
De computer veilig uitschakelen
n 26 N
De computer veilig uitschakelen
Zorg ervoor dat u de computer op de juiste manier afsluit om te vermijden dat u gegevens verliest, zoals hieronder wordt
beschreven.
De computer afsluiten
1
Schakel alle op de computer aangesloten randapparaten uit.
2
Klik op Start en op Afsluiten.
3
Antwoord op alle waarschuwingen om documenten op te slaan of rekening te houden met andere gebruikers en wacht
tot de computer is uitgeschakeld.
Het stroomlampje gaat uit.
Aan de slag >
Energiebesparingsstanden gebruiken
n 27 N
Energiebesparingsstanden gebruiken
Via de instellingen voor energiebeheer kunt u ervoor zorgen dat de batterij minder snel leeg raakt. Naast de normale
werkingsmodus heeft de computer twee andere energiebesparingsstanden waaruit u kunt kiezen: slaap- en sluimerstand.
!
Als u de computer langere tijd niet gaat gebruiken terwijl deze is losgekoppeld van de netspanningsbron, zet u de computer in de sluimerstand of
schakelt u de computer uit.
Als de batterij leeg raakt terwijl de computer in de slaapstand staat, verliest u alle gegevens die nog niet zijn opgeslagen. Het is niet mogelijk terug te
keren naar de voorgaande werksituatie. Om te vermijden dat u gegevens verliest, moet u uw gegevens geregeld opslaan.
Stand
Beschrijving
Normale stand
Dit is de normale toestand als de computer in gebruik is. Als de computer in deze stand staat, brandt het groene
stroomlampje.
Slaapstand
In de slaapstand wordt het LCD-scherm uitgeschakeld en worden de ingebouwde opslagapparatuur en de CPU
ingesteld op laag energieverbruik. Als de computer in deze stand staat, knippert het oranje stroomlampje langzaam.
De computer verlaat de slaapstand sneller dan de sluimerstand. In de slaapstand verbruikt de computer echter
meer stroom dan in de sluimerstand.
Sluimerstand
Als de computer in de sluimerstand staat, wordt de toestand van het systeem opgeslagen in de ingebouwde
opslagapparatuur en wordt de stroom uitgeschakeld. Zelfs als de batterij leeg raakt, zullen er geen gegevens
verloren gaan. Als de computer in deze stand staat, brandt het aan/uit-lampje niet.
Aan de slag >
Energiebesparingsstanden gebruiken
n 28 N
Slaapstand gebruiken
De slaapstand activeren
Klik op Start, de pijl
naast de knop Afsluiten en op Slaapstand.
Terugkeren naar de normale stand
❑ Druk op een willekeurige toets.
❑ Druk op de aan/uit-knop van uw computer.
!
Als u de aan/uit-knop langer dan vier seconden ingedrukt houdt, wordt de computer automatisch uitgeschakeld. Alle nog niet opgeslagen gegevens
gaan hierbij verloren.
Aan de slag >
Energiebesparingsstanden gebruiken
De sluimerstand gebruiken
De sluimerstand activeren
Druk op Fn+F12.
U kunt ook klikken op Start, op de pijl naast de knop Afsluiten en op Sluimerstand.
!
Verplaats de computer niet tot het stroomlampje uitgaat.
Terugkeren naar de normale stand
Druk op de aan/uit-knop.
!
Als u de aan/uit-knop langer dan vier seconden ingedrukt houdt, wordt de computer automatisch uitgeschakeld.
n 29 N
Aan de slag >
Uw computer in optimale conditie houden
n 30 N
Uw computer in optimale conditie houden
Uw computer bijwerken
Werk uw VAIO-computer regelmatig bij met de volgende softwaretoepassingen om de efficiëntie, beveiliging en functionaliteit
van uw computer te verbeteren.
De toepassing VAIO Update waarschuwt u automatisch wanneer er nieuwe updates beschikbaar zijn op het internet,
en downloadt en installeert die op de computer.
❑ Windows Update
Klik op Start, Alle programma's en Windows Update, en volg de instructies op het scherm.
❑ VAIO Update 5
Klik op Start, Alle programma's en VAIO Update 5, en volg de instructies op het scherm.
!
Uw computer moet verbinding hebben met het internet voordat u updates kunt downloaden.
Aan de slag >
Uw computer in optimale conditie houden
n 31 N
VAIO Care gebruiken
Met VAIO Care kunt u regelmatig prestatiecontroles en –afstellingen op uw computer uitvoeren om ervoor te zorgen dat deze
optimaal blijft werken. Start VAIO Care wanneer er een probleem op uw computer is aangetroffen. De functie VAIO Care
levert de juiste maatregelen om het probleem te verhelpen.
VAIO Care starten
❑ Op modellen met de ASSIST-knop
Druk op de ASSIST-knop als uw computer aan staat.
❑ Op modellen zonder de ASSIST-knop
Klik op Start, Alle programma's, VAIO Care en VAIO Care.
!
Druk niet op de ASSIST-knop als de computer in de sluimerstand staat.
Raadpleeg het Help-bestand dat bij VAIO Care wordt geleverd voor meer informatie.
Wanneer u op modellen met de ASSIST-knop op deze knop drukt terwijl de computer uit staat, wordt VAIO Care Rescue gestart. U kunt de functie
VAIO Care Rescue gebruiken om uw computer te herstellen na een storing, bijvoorbeeld wanneer Windows niet wordt gestart.
De VAIO-computer gebruiken >
n 32 N
De VAIO-computer gebruiken
In dit deel wordt beschreven hoe u optimaal kunt gebruikmaken van alle mogelijkheden van de VAIO-computer.
❑ Het toetsenbord gebruiken (pagina 33)
❑ Het touchpad gebruiken (pagina 36)
❑ De knoppen voor speciale functies gebruiken (pagina 38)
❑ De ingebouwde camera gebruiken (pagina 39)
❑ Het optische station gebruiken (pagina 40)
❑ De Memory Stick gebruiken (pagina 49)
❑ Andere modules/geheugenkaarten gebruiken (pagina 56)
❑ Het internet gebruiken (pagina 63)
❑ Het netwerk (LAN) gebruiken (pagina 64)
❑ Het draadloze LAN gebruiken (pagina 65)
❑ Het draadloze WAN gebruiken (pagina 70)
❑ De Bluetooth-functie gebruiken (pagina 74)
❑ Vingerafdrukverificatie gebruiken (pagina 80)
De VAIO-computer gebruiken >
Het toetsenbord gebruiken
n 33 N
Het toetsenbord gebruiken
Het toetsenbord is voorzien van extra toetsen waarmee u specifieke taken voor een bepaald model kunt uitvoeren.
Combinaties en functies met de Fn-toets
Sommige toetsenbordfuncties kunnen pas worden gebruikt wanneer het besturingssysteem volledig is opgestart.
Combinaties/Functie
Functie
Fn + % (F2): dempen
Hiermee worden de ingebouwde luidsprekers of de hoofdtelefoon in- en uitgeschakeld.
Fn + 2 (F3/F4): volumeregeling
Hiermee regelt u het geluidsniveau van de ingebouwde luidspreker.
Om het volume te verhogen, houdt u de toetsen Fn+F4 ingedrukt, of drukt u op de toetsen Fn+F4 en
vervolgens op de toets M of ,.
Om het volume te verlagen, houdt u de toetsen Fn+F3 ingedrukt, of drukt u op de toetsen Fn+F3 en
vervolgens op de toets m of <.
Fn + 8 (F5/F6): helderheidsregeling
Hiermee wijzigt u de helderheid van uw computerscherm.
Om de lichtintensiteit te verhogen, houdt u de toetsen Fn+F6 ingedrukt, of drukt u op de toetsen Fn+F6 en
vervolgens op de toets M of ,.
Om de lichtintensiteit te verlagen, houdt u de toetsen Fn+F5 ingedrukt, of drukt u op de toetsen Fn+F5 en
vervolgens op de toets m of <.
Fn +
Hiermee geeft u de beeldschermuitvoer afwisselend op het computerscherm en een extern beeldscherm
weer. Druk op Enter om de schermuitvoer te selecteren.
/T (F7): schermuitvoer
!
Als u een monitorkabel loskoppelt van de computer terwijl een extern beeldscherm is geselecteerd als bestemming
voor de schermuitvoer, gaat het scherm uit. Druk in dit geval tweemaal op F7 terwijl u de toets Fn ingedrukt houdt en
druk vervolgens op Enter om de schermuitvoer naar het computerscherm te verplaatsen.
Afhankelijk van het externe beeldscherm dat is aangesloten wordt de functie voor het gebruik van meerdere monitors
mogelijk niet ondersteund.
De VAIO-computer gebruiken >
Het toetsenbord gebruiken
Combinaties/Functie
Fn +
Fn +
/
(F9/F10): in- en uitzoomen
(F12): sluimerstand
n 34 N
Functie
Wijzigt de weergavegrootte van een afbeelding of document in bepaalde software.
Als u de weergave wilt verkleinen en de afstand tot de inhoud wilt vergroten (uitzoomen), drukt u op de
toetsen Fn+F9.
Als u de weergave wilt vergroten en de afstand tot de inhoud wilt verkleinen (inzoomen), drukt u op de
toetsen Fn+F10.
Raadpleeg het Help-bestand dat bij VAIO Control Center wordt geleverd voor meer informatie.
In deze stand verbruikt de notebook de minste stroom. Als u deze opdracht uitvoert, wordt de status van
het systeem en de aangesloten randapparaten opgeslagen op het ingebouwde opslagapparaat en wordt
de systeemstroom uitgeschakeld. Om terug te keren naar de oorspronkelijke status van het systeem,
schakelt u de stroom in met de aan/uit-knop.
Zie Energiebesparingsstanden gebruiken (pagina 27) voor meer informatie over energiebeheer.
De VAIO-computer gebruiken >
Het toetsenbord gebruiken
n 35 N
De instellingen voor het toetsenbord met achtergrondlicht wijzigen
Mogelijk zijn niet alle voorzieningen en opties items beschikbaar op uw computer.
Als uw computer is uitgerust met een toetsenbord met achtergrondlicht, kunt u het licht van het toetsenbord zo instellen dat
het automatisch wordt in- en uitgeschakeld afhankelijk van de intensiteit van het omgevingslicht.
Bovendien kunt u een periode van inactiviteit van het toetsenbord instellen waarna het achtergrondlicht van het toetsenbord
wordt uitgeschakeld.
De instellingen voor het toetsenbord met achtergrondlicht wijzigen
1
Klik op Start, Alle programma's en VAIO Control Center.
2
Klik op Toetsenbord en muis (Keyboard and Mouse) en Achtergrondlicht TB (Backlit KB).
De intensiteit van het omgevingslicht wordt gemeten met de sensor voor omgevingslicht. Wanneer de sensor voor omgevingslicht wordt geblokkeerd
wordt mogelijk het achtergrondlicht voor het toetsenbord ingeschakeld.
De VAIO-computer gebruiken >
Het touchpad gebruiken
n 36 N
Het touchpad gebruiken
U kunt objecten op het scherm aanwijzen, selecteren en slepen, en u kunt door een lijst met items bladeren met behulp van
het touchpad.
Actie
Beschrijving
Aanwijzen
Schuif uw vinger over het touchpad (1) om de aanwijzer (2) op een item of object te plaatsen.
Klikken
Druk één keer op de linkerknop (3).
Dubbelklikken
Druk twee keer achtereen op de linkerknop.
Klikken met de
rechtermuisknop
Druk één keer op de rechterknop (4). In veel toepassingen verschijnt in dit geval een contextgevoelig snelmenu (indien
aanwezig).
Slepen
Schuif uw vinger over het touchpad terwijl u de linkerknop ingedrukt houdt.
Bladeren
Schuif uw vinger langs de rechterkant van het touchpad om verticaal te bladeren. Schuif uw vinger langs de onderkant om
horizontaal te bladeren. Als u bent begonnen met verticaal of horizontaal bladeren, kunt u uw vinger in cirkels over het
touchpad bewegen zonder uw vinger van het touchpad te halen (de scrollfunctie is alleen beschikbaar in toepassingen die
de scrollfunctie voor het touchpad ondersteunen).
Snel bewegen
Schuif met twee vingers naast elkaar in een snelle beweging over op het touchpad. In webbrowsers of fotoviewers schuift
u naar links om terug te gaan en naar rechts om verder te gaan.
Knijpbeweging
In sommige softwaretoepassingen kunt u met twee vingers een knijpbeweging maken op het touchpad om te zoomen.
Knijp uw vingers van elkaar om in te zoomen en knijp uw vingers naar elkaar om uit te zoomen.
De VAIO-computer gebruiken >
Het touchpad gebruiken
n 37 N
U kunt het touchpad in- of uitschakelen terwijl een muis is aangesloten op de computer. Als u de instellingen voor het touchpad wilt wijzigen, gebruikt
u VAIO Control Center.
!
Sluit een muis aan voordat u het touchpad uitschakelt. Als u dit niet doet, kunt u alleen het toetsenbord gebruiken voor aanwijsacties.
De VAIO-computer gebruiken >
De knoppen voor speciale functies gebruiken
De knoppen voor speciale functies gebruiken
De computer is uitgerust met speciale knoppen, waarmee u specifieke functies van de computer kunt gebruiken.
Knop met speciale functie
Functies
Start de Media Gallery of schakelt het volume in of uit, afhankelijk van het model.
VAIO-knop
ASSIST-knop
Hiermee start u VAIO Care als de computer aan staat.
Als de computer is uitgeschakeld, start u met de knop ASSIST de toepassing VAIO Care Rescue.
!
Druk niet op de ASSIST-knop als de computer in de sluimerstand staat.
Z Uitwerpknop voor station
Hiermee opent u de lade van het station.
n 38 N
De VAIO-computer gebruiken >
De ingebouwde camera gebruiken
n 39 N
De ingebouwde camera gebruiken
Uw computer is uitgerust met een ingebouwde MOTION EYE-camera.
Met behulp van de juiste software voor het vastleggen van beelden kunt u de volgende bewerkingen doen:
❑ Stilstaande beelden en films vastleggen
❑ Bewegingen van voorwerpen detecteren en vastleggen voor bewakingsdoeleinden
❑ Vastgelegde gegevens bewerken
Als u de computer inschakelt, wordt de ingebouwde camera geactiveerd.
Als u over de juiste software beschikt, kunt u de computer gebruiken voor videogesprekken.
!
Als u software voor expresberichten of videobewerkingssoftware start of afsluit, wordt de ingebouwde camera niet in- of uitgeschakeld.
Zet de computer nooit in de slaap- of sluimerstand als u de ingebouwde camera gebruikt.
De software voor het vastleggen van beelden gebruiken
1
Klik op Start, Alle programma's, ArcSoft WebCam Companion 3 en WebCam Companion 3.
2
Klik op het gewenste pictogram in het hoofdvenster.
Voor gedetailleerde informatie over het gebruik van de software raadpleegt u het Help-bestand dat bij de software wordt
geleverd.
Wanneer u een beeld vastlegt of een film opneemt in een donkere ruimte, klikt u in het hoofdvenster op het pictogram Vastleggen (Capture),
klikt u op het pictogram WebCam Instellingen (WebCam Settings) en selecteert u de optie voor weinig licht of compensatie voor weinig licht
in het eigenschappenvenster.
De VAIO-computer gebruiken >
Het optische station gebruiken
Het optische station gebruiken
De computer is uitgerust met een optisch station.
Mogelijk zijn niet alle voorzieningen en opties uit dit gedeelte beschikbaar op uw computer.
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
Een schijf plaatsen
1
Zet de computer aan.
2
Druk op de uitwerpknop (1) om het station te openen.
De lade schuift uit het station.
n 40 N
De VAIO-computer gebruiken >
Het optische station gebruiken
3
n 41 N
Plaats een schijf met het label naar boven in het midden van de lade van het station en druk de schijf voorzichtig omlaag
totdat deze vastklikt.
!
Oefen geen druk uit op de lade van het station. Houd de onderkant van de lade van het station vast bij het plaatsen van een schijf in de lade of het
verwijderen van een schijf uit de lade.
4
Sluit de lade van het station door die voorzichtig in het station te duwen.
!
Verwijder de optische schijf niet als de computer in een energiebesparingsstand staat (slaap- of sluimerstand). Keer terug naar de normale modus
voordat u de schijf verwijdert.
De VAIO-computer gebruiken >
Het optische station gebruiken
n 42 N
Ondersteunde schijven
Met de computer kunt u CD's, DVD's en Blu-ray Disc™-media afspelen en opnemen, afhankelijk van het model dat u hebt
gekocht.
Raadpleeg de onderstaande referentietabel voor de media die door de verschillende optische schijfstations worden ondersteund.
AB: afspeelbaar en beschrijfbaar
A: afspeelbaar maar niet beschrijfbaar
–: niet afspeelbaar of niet beschrijfbaar
DVD- DVD-R/ DVD+R/ DVD+R DL DVD-R DL DVDBD(Dual
Video RW
RW
(Double
RAM*1 *2 ROM
Layer)
Layer)
BD-R/RE*3
A
A
AB
AB
AB
AB
AB
–
–
AB*5
A
A
AB
AB
AB
AB
AB
A
AB*4
AB*5
A
A
AB
AB
AB
AB
AB
A
A
CDROM
Video- Muziek- CD
CD
CD
Extra
CD-R/ DVDRW
ROM
A
A
A
A
AB*5
Blu-ray Disc™- A
station met
DVD SuperMulti
A
A
A
A
A
A
A
DVD±RW/
±R DL/RAM
Blu-ray Disc™
ROM-station
met DVD
SuperMulti
*1
Het DVD±RW/RAM-schijfstation in de computer ondersteunt de DVD-RAM-cassette niet. Gebruik schijven zonder cassette of schijven met een verwijderbare cassette.
*2
Schrijven van gegevens op enkelzijdige DVD-RAM-schijven (2,6 GB) die compatibel zijn met DVD-RAM-versie 1.0 wordt niet ondersteund.
DVD-RAM-versie 2.2/12X-SPEED DVD-RAM-versie 5.0 wordt niet ondersteund.
*3
Het Blu-ray Disc-station van uw computer ondersteunt geen BD-RE Discs versie 1.0 en Blu-ray Discs met cassette.
*4
Ondersteuning voor schrijven van gegevens op BD-R Part1 versie 1.1/1.2/1.3-schijven (single-layer-schijven met een capaciteit van 25 GB, dual-layer-schijven met een
capaciteit van 50 GB) en BD-RE Part1 versie 2.1-schijven (single-layer-schijven met een capaciteit van 25 GB, dual-layer-schijven met een capaciteit van 50 GB).
*5
Het schrijven van gegevens op Ultra Speed CD-RW-schijven wordt niet ondersteund.
De VAIO-computer gebruiken >
Het optische station gebruiken
n 43 N
!
Deze eenheid is ontworpen om schijven af te spelen die voldoen aan de CD-standaardspecificaties (Compact Disc). DualDiscs en bepaalde muziekschijven
die zijn gecodeerd met auteursrechtbeschermingstechnologieën voldoen niet aan de CD-standaard. Daarom zijn deze schijven mogelijk niet compatibel
met deze eenheid.
Bij het aanschaffen van voorbespeelde of lege schijven voor gebruik in uw VAIO-computer moet u eerst aandachtig de opmerkingen op de verpakking
van de schijven lezen om te zien of u de schijven in het optische station van de computer kunt gebruiken voor afspelen en opnemen. Sony geeft GEEN
garanties voor de compatibiliteit van VAIO optische stations met schijven die niet voldoen aan de officiële 'CD'-, 'DVD'- of 'Blu-ray Disc'-standaard. HET
GEBRUIK VAN INCOMPATIBELE SCHIJVEN KAN LEIDEN TOT ONHERSTELBARE SCHADE AAN UW VAIO-COMPUTER, SOFTWARECONFLICTEN
VEROORZAKEN OF ERVOOR ZORGEN DAT HET SYSTEEM VASTLOOPT.
Neem voor vragen over schijfindelingen contact op met de uitgever van de vooraf opgenomen schijf of de leveranciers van de beschrijfbare schijf.
Het schrijven op 8cm-schijven wordt niet ondersteund.
!
Als u Blu-ray Discs met beveiliging van het auteursrecht continu wilt afspelen, moet u de AACS-sleutel bijwerken. Hiervoor hebt u internettoegang nodig.
Net als bij andere optische apparaten kunnen de omstandigheden de compatibiliteit beperken of het afspelen van Blu-ray Discs onmogelijk maken. VAIOcomputers bieden mogelijk geen ondersteuning voor het afspelen van films op voorverpakte media in AVC- of VC1-indeling met hoge bitsnelheden.
Voor bepaalde DVD- en BD-ROM Disc-inhoud zijn regio-instellingen vereist. Als de regio-instelling van het optische station niet overeenkomt met de
regio van de schijf, kan de schijf niet worden afgespeeld.
U kunt de inhoud van Blu-ray Discs met beveiliging van het auteursrecht alleen afspelen of weergeven als uw externe scherm voldoet aan de HDCPnorm (High-bandwidth Digital Content Protection).
Bepaalde inhoud kan de video-uitvoer beperken tot standaarddefinitie of de uitvoer van analoge video onmogelijk maken. Wanneer u videosignalen
uitvoert via digitale verbindingen als een HDMI- of een DVI-verbinding, wordt het ten zeerste aanbevolen een digitale HDCP-omgeving te gebruiken voor
optimale compatibiliteit en weergavekwaliteit.
Sluit alle geheugenresidente hulpsoftware af voordat een schijf wordt afgespeeld of beschreven aangezien de computer hierdoor mogelijk niet correct werkt.
De VAIO-computer gebruiken >
Het optische station gebruiken
n 44 N
Opmerkingen over het gebruik van het optische station
Opmerkingen over het schrijven van gegevens op een schijf
❑ Gebruik alleen ronde schijven. Gebruik geen schijven met een andere vorm (ster, hart, kaart, enz.) omdat deze het optische
station kunnen beschadigen.
❑ De computer mag niet worden blootgesteld aan schokken wanneer een schijf wordt beschreven door het optische station.
❑ Het netsnoer of de netadapter mag niet worden aangesloten of losgekoppeld wanneer een schijf wordt beschreven door
het optische station.
❑ Sluit uw computer niet aan op het dockingstation* (optioneel) en koppel die niet los wanneer het optische schijfstation
gegevens naar een schijf schrijft.
* Alleen beschikbaar voor modellen met een connector voor het dockingstation. Controleer in de specificaties of uw model is uitgerust met een
connector voor een dockingstation.
Opmerkingen over het afspelen van schijven
Voor optimale prestaties bij het afspelen van schijven volgt u de volgende aanbevelingen:
❑ Sommige CD-spelers en optische stations van computers kunnen mogelijk geen audio-CD's afspelen die zijn gemaakt
met CD-R- of CD-RW-schijven.
❑ Sommige DVD-spelers en optische stations van computers kunnen mogelijk geen DVD's afspelen die zijn gemaakt met
DVD+R DL-, DVD-R DL-, DVD+R-, DVD+RW-, DVD-R-, DVD-RW- of DVD-RAM-schijven.
❑ Wanneer uw computer is uitgerust met een Blu-ray Disc-station, kunt u Blu-ray Discs afspelen op uw computer. Mogelijk
kunt u echter bepaalde inhoud van Blu-ray Discs niet op uw computer afspelen of wordt de computer instabiel tijdens het
afspelen van Blu-ray Discs. Als u de inhoud wilt afspelen, moet u VAIO Update gebruiken om de meest recente updates
voor WinDVD BD te downloaden en te installeren.
Voor informatie over het gebruik van VAIO Update raadpleegt u Uw computer bijwerken (pagina 30).
De VAIO-computer gebruiken >
Het optische station gebruiken
n 45 N
❑ Afhankelijk van de systeemomgeving treden mogelijk onderbrekingen op in het geluid en/of gaan frames verloren tijdens
het afspelen van AVC HD.
❑ Zet de computer niet in een energiebesparingsstand terwijl u op de computer een schijf afspeelt.
De VAIO-computer gebruiken >
Het optische station gebruiken
n 46 N
Opmerkingen over regiocodes
Op de schijf of de verpakking staat een regiocode vermeld om aan te geven in welke regio en op welk type speler u de schijf
kunt afspelen. Als de regiocode "alle" aangeeft, kunt u deze schijf in de meeste regio's afspelen. Als u in een andere regio
woont dan de regio die met de regiocode op het etiket wordt aangeduid, kunt u de schijf niet afspelen op uw computer.
Controleer in de volgende tabel welke regiocode voor uw woonomgeving geldt.
Woonomgeving
Regiocode
Woonomgeving
Regiocode
Woonomgeving
Regiocode
Afrika
5
Australië*
4
China
6
Europa
2
Filippijnen*
3
Hongkong*
3
India*
5
Indonesië*
3
Japan*
2
Koeweit*
2
Korea
3
Maleisië*
3
Nieuw-Zeeland*
4
Rusland
5
Saoedi-Arabië*
2
Singapore*
3
Taiwan
3
Thailand*
3
Verenigde Arabische
Emiraten*
2
Vietnam
3
Zuid-Afrika*
2
*
Er wordt niet standaard een regiocode aan het optische station van uw computer toegewezen.
De VAIO-computer gebruiken >
Het optische station gebruiken
n 47 N
Als u voor het eerst een DVD-video op deze computer wilt afspelen, volgt u de hierna beschreven stappen voordat u de schijf
plaatst:
1
Klik op Start en Computer.
2
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram voor het optische station en selecteer Eigenschappen.
3
Klik op het tabblad Hardware.
4
Selecteer uw optische station in de lijst Alle schijfstations en klik op Eigenschappen.
5
Klik op het tabblad DVD-regio.
6
Selecteer de juiste regio in de lijst en klik op OK.
!
U kunt de regiocode slechts een beperkt aantal keer wijzigen. Wanneer u dit aantal hebt overschreden, wordt de regiocode van het station definitief
toegewezen en kunt u die niet meer wijzigen. U kunt het aantal ook niet opnieuw instellen door uw computer opnieuw te configureren.
Problemen als gevolg van het wijzigen van de regiocode-instellingen van het station worden niet gedekt door de garantie.
Als u de regiocode wijzigt terwijl WinDVD of WinDVD BD actief is, start u de software opnieuw op of verwijdert u de schijf en plaatst u deze opnieuw
in het station om de nieuwe instelling van kracht te laten worden.
De VAIO-computer gebruiken >
Het optische station gebruiken
n 48 N
Schijven afspelen
Een schijf afspelen
1
Plaats een schijf in het optische station.
!
Sluit de netadapter op de computer aan en sluit alle actieve softwaretoepassingen voordat u een schijf afspeelt.
2
Als er niets op het bureaublad verschijnt, klikt u op Start, Alle programma's en de gewenste software om de schijf af
te spelen.
Voor instructies over het gebruik van de software raadpleegt u het Help-bestand dat bij de software wordt geleverd.
Bestanden naar schijven kopiëren
Bestanden naar een schijf kopiëren
1
Plaats een beschrijfbare schijf in het optische station.
!
Sluit de netadapter op de computer aan en sluit alle actieve softwaretoepassingen voordat u bestanden naar een schijf kopieert.
2
Als er niets op het bureaublad verschijnt, klikt u op Start, Alle programma's en de gewenste schijfschrijfsoftware om
bestanden naar de schijf te kopiëren.
Voor instructies over het gebruik van de software raadpleegt u het Help-bestand dat bij de software wordt geleverd.
De VAIO-computer gebruiken >
De Memory Stick gebruiken
n 49 N
De Memory Stick gebruiken
Een Memory Stick is een compact, draagbaar en veelzijdig IC-opnamemedium dat speciaal is ontworpen voor het uitwisselen
en delen van digitale gegevens met compatibele producten, zoals digitale camera's en mobiele telefoons. Doordat een Memory
Stick uitneembaar is, kan deze worden gebruikt voor externe gegevensopslag.
Voordat u een Memory Stick gebruikt
De Memory Stick Duo-sleuf van uw computer kan worden gebruikt voor de media met de hieronder vermelde omvang en typen:
❑ Memory Stick Duo
❑ Memory Stick PRO Duo
❑ Memory Stick PRO-HG Duo
!
Uw computer ondersteunt alleen Memory Sticks in het Duo-formaat en geen Memory Sticks in het standaardformaat.
Ga voor de meest recente informatie over Memory Sticks naar [memorystick.com] op http://www.memorystick.com/en/.
De VAIO-computer gebruiken >
De Memory Stick gebruiken
Een Memory Stick plaatsen en verwijderen
Een Memory Stick plaatsen
1
Zoek de Memory Stick Duo-sleuf.
2
Houd de Memory Stick met de pijl in de richting van de sleuf.
n 50 N
De VAIO-computer gebruiken >
De Memory Stick gebruiken
3
n 51 N
Schuif de Memory Stick voorzichtig in de sleuf tot deze vastklikt.
Forceer de media nooit in de sleuf.
Als de Memory Stick niet gemakkelijk in de sleuf kan worden geplaatst, verwijdert u de module voorzichtig en controleert u of de module in de juiste
richting is geplaatst.
Wanneer u de Memory Stick voor het eerst in de sleuf steekt, wordt u mogelijk gevraagd om de stuurprogrammasoftware te installeren. Volg in dit geval
de instructies op het scherm op om de software te installeren.
De Memory Stick wordt automatisch gedetecteerd door het systeem en de inhoud van de Memory Stick wordt weergegeven. Als er niets op het
bureaublad verschijnt, klikt u op Start, Computer en dubbelklikt u op het pictogram van de Memory Stick.
Het pictogram Memory Stick verschijnt in het venster Computer nadat u de Memory Stick in de sleuf hebt geplaatst.
!
Voordat u een Memory Stick Micro (M2) plaatst, moet u deze in een adapter in een M2 Duo-adapter schuiven. Als u de media rechtstreeks in de Memory
Stick Duo-sleuf plaatst zonder de adapter, kunt u deze mogelijk niet meer uit de sleuf verwijderen.
De VAIO-computer gebruiken >
De Memory Stick gebruiken
n 52 N
Een Memory Stick verwijderen
!
Verwijder de Memory Stick niet terwijl het lampje voor mediatoegang brandt. Als u dit doet, kunnen gegevens verloren gaan. Het duurt even voordat
grote volumes gegevens worden geladen. Controleer dus of het lampje uit is voordat u de Memory Stick verwijdert.
1
Zoek de Memory Stick Duo-sleuf.
2
Controleer of het lampje voor mediatoegang uit is.
3
Duw de Memory Stick in de sleuf en laat vervolgens los.
De Memory Stick wordt uitgeworpen.
4
Trek de Memory Stick uit de sleuf.
!
Verwijder de Memory Stick altijd voorzichtig om te vermijden dat deze onverwachts uit de sleuf springt.
De VAIO-computer gebruiken >
De Memory Stick gebruiken
n 53 N
Een Memory Stick formatteren
Een Memory Stick formatteren
Memory Sticks worden geformatteerd met de standaardinstelling en zijn klaar voor gebruik.
Als u de media opnieuw wilt formatteren op uw computer, voert u de volgende stappen uit.
!
Gebruik voor het formatteren van een Memory Stick altijd een apparaat dat de Memory Stick ondersteunt en is ontworpen voor het formatteren van de
Memory Stick.
Als u een Memory Stick formatteert, worden alle gegevens op de Stick verwijderd. Voordat u een Memory Stick formatteert, moet u controleren of deze
geen belangrijke gegevens bevat.
Verwijder de Memory Stick niet uit de sleuf tijdens het formatteren. Dit kan een defect veroorzaken.
1
Zoek de Memory Stick Duo-sleuf.
2
Schuif de Memory Stick voorzichtig in de sleuf tot deze vastklikt.
3
Klik op Start en Computer.
4
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van de Memory Stick en kies Formatteren.
5
Klik op Standaardinstellingen voor apparaten.
!
Mogelijk worden de clustergrootte en het bestandssysteem gewijzigd.
Selecteer niet NTFS in de vervolgkeuzelijst Bestandssysteem omdat hierdoor een storing kan worden veroorzaakt.
Het formatteerproces is sneller als u Snelformatteren selecteert onder Opties voor formatteren.
De VAIO-computer gebruiken >
De Memory Stick gebruiken
6
Klik op Start.
7
Volg de instructies op het scherm.
!
De tijd die nodig is om de Memory Stick te formatteren, is afhankelijk van het type van de media.
n 54 N
De VAIO-computer gebruiken >
De Memory Stick gebruiken
n 55 N
Opmerkingen over het gebruik van Memory Sticks
❑ Uw computer is getest en compatibel bevonden met Memory Sticks van Sony met een capaciteit van maximaal 32 GB
die met ingang van januari 2010 beschikbaar zijn. Compatibiliteit is echter niet gegarandeerd voor alle Memory Sticks.
❑ Als u de Memory Stick in de sleuf steekt, moet u erop letten dat de pijl in de juiste richting wijst. Forceer de Memory Stick
nooit in de sleuf om beschadiging van de computer of media te vermijden.
❑ Wees voorzichtig bij het plaatsen en verwijderen van de Memory Stick uit de sleuf. Forceer de geheugenkaart nooit in of
uit de sleuf.
❑ De compatibiliteit kan niet worden gegarandeerd als u Memory Sticks met meerdere conversieadapters plaatst.
❑ MagicGate is de algemene naam van de auteursrechtbeschermingstechnologie die door Sony is ontwikkeld. Gebruik
Memory Sticks met het MagicGate-logo als u deze technologie wilt gebruiken.
❑ Behalve voor persoonlijk gebruik is het verboden audio- en/of afbeeldingsgegevens die u hebt opgenomen, te gebruiken
zonder voorafgaande toestemming van de respectieve houders van het auteursrecht. Dit betekent dat Memory Sticks met
gegevens die onder het auteursrecht vallen, alleen mogen worden gebruikt in situaties die door de auteursrechtwet worden
toegestaan.
❑ Plaats niet meer dan één Memory Stick in de sleuf. Als u de media niet goed in de sleuf plaatst, kunt u zowel de computer
als de media beschadigen.
De VAIO-computer gebruiken >
Andere modules/geheugenkaarten gebruiken
n 56 N
Andere modules/geheugenkaarten gebruiken
De ExpressCard-module gebruiken
Uw computer is uitgerust met een ExpressCard/34-sleuf* voor de overdracht van gegevens tussen digitale camera's,
camcorders, muziekspelers en andere audio- en videoapparaten. U kunt deze sleuf alleen voor een ExpressCard/34-module
(34 mm breed)* gebruiken.
*
In deze handleiding worden deze de ExpressCard-sleuf en de ExpressCard-module genoemd.
De VAIO-computer gebruiken >
Andere modules/geheugenkaarten gebruiken
n 57 N
Een ExpressCard-module plaatsen
!
Uw computer wordt geleverd met een sleufbeveiliging in de ExpressCard-sleuf. Verwijder deze sleufbeveiliging voordat u de sleuf gebruikt.
1
Zoek de ExpressCard-sleuf.
2
Duw op de ExpressCard-sleufbeveiliging zodat de beveiliging naar buiten springt.
3
Pak de beveiliging voor de ExpressCard-sleuf voorzichtig vast en trek deze uit de sleuf.
4
Houd de ExpressCard-module met de pijl in de richting van de sleuf.
5
Schuif de ExpressCard-module voorzichtig in de sleuf tot deze vastklikt.
Forceer de module nooit in de sleuf.
Als de module niet gemakkelijk in de sleuf kan worden geplaatst, verwijdert u de module voorzichtig en controleert u of de module in de juiste richting
is geplaatst.
Gebruik de meest recente stuurprogrammasoftware van de fabrikant van de ExpressCard-module.
De VAIO-computer gebruiken >
Andere modules/geheugenkaarten gebruiken
n 58 N
Een ExpressCard-module verwijderen
!
Wanneer u geen ExpressCard-module gebruikt, plaatst u de beveiliging voor de ExpressCard-sleuf om te voorkomen dat er vreemde deeltjes in de sleuf
komen. Plaats de beveiliging voor de ExpressCard-sleuf voordat u de computer verplaatst.
Sla stap 1 tot 4 over als:
- uw computer uit is.
- het pictogram Hardware veilig verwijderen en media uitwerpen niet wordt weergegeven op de taakbalk.
- de hardware die u wilt verwijderen, niet wordt weergegeven in het venster Hardware veilig verwijderen en media uitwerpen.
1
Zoek de ExpressCard-sleuf.
2
Klik op het pictogram Hardware veilig verwijderen en media uitwerpen op de taakbalk.
3
Kies de hardware die u wilt verwijderen.
4
Volg de instructies op het scherm om de ExpressCard-module te verwijderen.
5
Duw de ExpressCard-module in de sleuf zodat de module uitspringt.
6
Neem de ExpressCard-module voorzichtig vast en trek deze uit de sleuf.
De VAIO-computer gebruiken >
Andere modules/geheugenkaarten gebruiken
n 59 N
De SD-geheugenkaart gebruiken
Uw computer is uitgerust met een SD-geheugenkaartsleuf. U kunt deze sleuf gebruiken voor de overdracht van gegevens
tussen digitale camera's, camcorders, muziekspelers en andere audio- en videoapparaten.
Voordat u een SD-geheugenkaart gebruikt
De SD-geheugenkaartsleuf op de computer is geschikt voor de volgende geheugenkaarten:
❑ SD-geheugenkaart
❑ SDHC-geheugenkaart
Zie Meer informatie over uw VAIO-computer (pagina 5) voor het adres van de overeenkomstige website met ondersteuning
voor de meest recente informatie over compatibele geheugenkaarten.
De VAIO-computer gebruiken >
Andere modules/geheugenkaarten gebruiken
n 60 N
Een SD-geheugenkaart plaatsen
1
Zoek de SD-geheugenkaartsleuf.
2
Houd de SD-geheugenkaart met de pijl in de richting van de sleuf.
3
Schuif de SD-geheugenkaart voorzichtig in de sleuf tot deze vastklikt.
Forceer de kaart nooit in de sleuf.
Wanneer u de SD-geheugenkaart voor het eerst in de sleuf steekt, wordt u mogelijk gevraagd om de stuurprogrammasoftware te installeren. Volg in dit
geval de instructies op het scherm op om de software te installeren.
Het pictogram SD-geheugenkaart verschijnt in het venster Computer nadat u de kaart in de sleuf hebt geplaatst.
De VAIO-computer gebruiken >
Andere modules/geheugenkaarten gebruiken
Een SD-geheugenkaart verwijderen
1
Zoek de SD-geheugenkaartsleuf.
2
Controleer of het lampje voor mediatoegang uit is.
3
Duw de SD-geheugenkaart in de sleuf en laat vervolgens los.
De SD-geheugenkaart wordt uitgeworpen.
4
Trek de SD-geheugenkaart uit de sleuf.
n 61 N
De VAIO-computer gebruiken >
Andere modules/geheugenkaarten gebruiken
n 62 N
Opmerkingen over het gebruik van geheugenkaarten
Algemene opmerkingen over het gebruik van geheugenkaarten
❑ Gebruik alleen geheugenkaarten die voldoen aan de standaarden die door uw computer worden ondersteund.
❑ Als u de geheugenkaart in de sleuf steekt, moet u erop letten dat de pijl in de juiste richting wijst. Forceer de geheugenkaart
nooit in de sleuf om beschadiging van de computer of media te vermijden.
❑ Wees voorzichtig bij het plaatsen en verwijderen van de geheugenkaart. Forceer de geheugenkaart nooit in of uit de sleuf.
❑ Verwijder de geheugenkaart niet terwijl het lampje voor mediatoegang brandt. Als u dit doet, kunnen gegevens verloren
gaan.
❑ Probeer geen geheugenkaart of geheugenkaartadapter van een ander type in de geheugenkaartsleuf te plaatsen. Als u
een niet-compatibele geheugenkaart of geheugenkaartadapter plaatst, is deze mogelijk moeilijk uit de sleuf te verwijderen.
De geheugenkaart kan bovendien de computer beschadigen.
Opmerkingen over het gebruik van SD-geheugenkaarten
❑ Uw computer is alleen getest en compatibel bevonden met geheugenkaarten van de belangrijkste fabrikanten die vanaf
januari 2010 verkrijgbaar zijn. Niet voor alle geheugenkaarten kan evenwel de compatibiliteit worden gegarandeerd.
❑ SD-geheugenkaarten met een capaciteit van maximaal 2 GB en SDHC-geheugenkaarten met een capaciteit van maximaal
32 GB zijn getest en compatibel bevonden met uw computer.
De VAIO-computer gebruiken >
Het internet gebruiken
n 63 N
Het internet gebruiken
Voordat u het internet kunt gebruiken, moet u een abonnement nemen bij een internetprovider en de apparatuur configureren
die u nodig hebt om uw computer met het internet te verbinden.
De volgende soorten internetverbindingsservices zijn mogelijk beschikbaar bij uw internetprovider:
❑ FTTH (Fiber to the Home)
❑ DSL (Digital Subscriber Line)
❑ Kabelmodem
❑ Satelliet
❑ Inbelverbinding
Neem contact op met uw internetprovider voor meer informatie over de apparatuur die u nodig hebt om verbinding te maken
met het internet en over hoe u uw computer met het internet kunt verbinden.
Als u uw computer met het internet wilt verbinden met behulp van de draadloze LAN-functie, moet u het draadloze LAN-netwerk instellen. Zie Het draadloze
LAN gebruiken (pagina 65) voor meer informatie.
!
Wanneer u uw computer met het internet verbindt, moet u de nodige veiligheidsmaatregelen in acht nemen om de computer tegen aanvallen via het
internet te beschermen.
Afhankelijk van het servicecontract met uw internetprovider, hebt u mogelijk een externe modem nodig (bijvoorbeeld een USB-telefoonmodem, een
DSL-modem of een kabelmodem) om verbinding te maken met het internet. Raadpleeg de handleiding bij de modem voor gedetailleerde informatie
over het aansluiten en configureren van de modem.
De VAIO-computer gebruiken >
Het netwerk (LAN) gebruiken
n 64 N
Het netwerk (LAN) gebruiken
U kunt de computer aansluiten op netwerken van het type 1000BASE-T/100BASE-TX/10BASE-T via een LAN-kabel. Sluit
het ene uiteinde van een LAN-kabel (niet meegeleverd) aan op de netwerkpoort (LAN) van de computer of het optionele
dockingstation en het andere uiteinde op het netwerk. Raadpleeg de netwerkbeheerder voor de gedetailleerde instellingen
en de apparaten die nodig zijn voor LAN-toegang.
U kunt uw computer op elk netwerk aansluiten zonder de standaardinstellingen te wijzigen.
Wanneer uw computer is aangesloten op het optionele dockingstation, moet u de netwerkpoort (LAN) die u wilt gebruiken selecteren. Volg de instructies
op het scherm.
!
Sluit geen telefoonkabel aan op de netwerkpoort (LAN) van de computer.
Als de netwerkpoort (LAN) is aangesloten op een van de hieronder genoemde telefoonlijnen, kan door hoge elektrische stroom naar de poort schade,
oververhitting of brand worden veroorzaakt.
- Telefoonlijnen voor thuisgebruik (intercom-luidsprekertelefoon) of zakelijk gebruik (bedrijfstelefoon met meerdere lijnen)
- De lijnen van het openbare telefoonnet
- Private branch exchange (PBX)
De VAIO-computer gebruiken >
Het draadloze LAN gebruiken
n 65 N
Het draadloze LAN gebruiken
Via WLAN (Draadloze LAN) kan uw computer verbinding maken met een netwerk via een draadloze verbinding.
WLAN maakt gebruik van de volgende standaard IEEE 802.11a/b/g/n, die de specificaties voor het gebruikte technologietype bevat.
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
Standaard voor WLAN
Frequentieband
Opmerkingen
IEEE 802.11a
5 GHz
-
IEEE 802.11b/g
2,4 GHz
De standaard IEEE 802.11g biedt snellere gegevensoverdracht dan IEEE 802.11b.
IEEE 802.11n
5 GHz/2,4 GHz
Op modellen die voldoen aan de standaard IEEE 802.11b/g/n, kan alleen de 2,4 GHz-band
worden gebruikt.
De VAIO-computer gebruiken >
Het draadloze LAN gebruiken
n 66 N
Opmerkingen over het gebruik van de WLAN-functie
Algemene opmerkingen over het gebruik van de WLAN-functie
❑ In sommige landen of regio's is lokale regelgeving van toepassing op het gebruik van WLAN-producten (bijvoorbeeld een
beperkt aantal kanalen).
❑ De standaarden IEEE 802.11a en IEEE 802.11n zijn niet beschikbaar in ad hoc-netwerken.
❑ De 2,4GHz-band, waarmee apparaten voor een draadloos LAN werken, wordt door verschillende apparaten gebruikt.
Hoewel de apparaten voor een draadloos LAN gebruikmaken van technologie om radio-interferentie van andere apparaten
die dezelfde golfband gebruiken tot een minimum te beperken, kan dergelijke radio-interferentie leiden tot lagere
communicatiesnelheden en een kleiner communicatiebereik of storing in de communicatie.
❑ De communicatiesnelheid en het bereik variëren afhankelijk van de volgende omstandigheden:
❑ De afstand tussen de communicerende apparaten
❑ Of zich obstakels tussen de apparaten bevinden
❑ De configuratie van de apparaten
❑ Zendcondities
❑ De onmiddellijke omgeving, waaronder de aanwezigheid van muren en de materialen waarvan deze gemaakt zijn
❑ De gebruikte software
❑ Afhankelijk van de zendcondities kan de communicatie worden afgesneden.
❑ De daadwerkelijke communicatiesnelheid kan lager zijn dan de snelheid die op de computer wordt weergegeven.
❑ Als u WLAN-producten met verschillende standaarden implementeert die dezelfde band gebruiken op hetzelfde draadloze
netwerk, kan de communicatiesnelheid lager worden als gevolg van radiostoring. Op basis van deze overweging zijn
WLAN-producten zo ontworpen dat de communicatiesnelheid wordt verlaagd om te garanderen dat communicatie mogelijk
is met een ander WLAN-product dat voldoet aan een andere standaard maar gebruikmaakt van dezelfde band. Wanneer
de communicatiesnelheid lager is dan verwacht, kunt u de communicatiesnelheid verhogen door het draadloze kanaal op
het toegangspunt te veranderen.
De VAIO-computer gebruiken >
Het draadloze LAN gebruiken
n 67 N
Opmerking over gegevensversleuteling
De WLAN-standaard omvat de volgende coderingssystemen: Wired Equivalent Privacy (WEP), een beveiligingsprotocol, Wi-Fi
Protected Access 2 (WPA2) en Wi-Fi Protected Access (WPA). WPA2 en WPA zijn ontstaan uit een gezamenlijk voorstel van
de IEEE en de Wi-Fi Alliance. Beide zijn specificaties van standaarden gebaseerd op onderling uitwisselbare verbeteringen in
de beveiliging waardoor de bescherming van de gegevens en de toegangscontrole van de bestaande Wi-Fi-netwerken
worden verbeterd. WPA is ontwikkeld om voorwaarts compatibel te zijn met de specificatie IEEE 802.11i. Het maakt gebruik
van het verbeterde gegevenscodeersysteem Temporal Key Integrity Protocol (TKIP) naast de gebruikersidentificatie met
behulp van 802.1X en het Extensible Authentication Protocol (EAP). De kwetsbare draadloze verbinding tussen de clients en
de toegangspunten wordt beveiligd door middel van codering. Daarnaast zijn er een aantal speciaal voor LAN's ontwikkelde
beveiligingsmechanismen voor het beschermen van de privacy zoals: wachtwoordbeveiliging, end-to-end codering, VPN's
(virtual private networks) en verificatie. WPA2, de tweede generatie van WPA, biedt betere gegevensbeveiliging en
netwerktoegangscontrole, en is ook ontworpen om alle 802.11-apparaten te beveiligen, ongeacht de versie (802.11b,
802.11a, 802.11g en 802.11n, multi-band en multi-mode). Bovendien biedt WPA2 op basis van de geratificeerde norm
IEEE 802.11i beveiliging van overheidsniveau door toepassing van de AES-coderingsalgoritme die voldoet aan NIST (National
Institute of Standards and Technology) FIPS 140-2, en op 802.1X-gebaseerde verificatie. WPA2 is achterwaarts compatibel
met WPA.
De VAIO-computer gebruiken >
Het draadloze LAN gebruiken
n 68 N
Draadloze LAN-communicatie starten
U moet eerst de draadloze LAN-communicatie tussen uw computer en een toegangspunt (niet meegeleverd) tot stand brengen.
Zie Windows Help en ondersteuning voor meer informatie.
!
Verdere informatie over hoe u het kanaal selecteert dat door het toegangspunt zal worden gebruikt, vindt u in de handleiding bij uw toegangspunt.
Draadloze LAN-communicatie starten
1
Controleer of een toegangspunt is ingesteld.
Raadpleeg de handleiding bij uw toegangspunt voor meer informatie.
2
Schakel de schakelaar WIRELESS in.
3
Klik op het pictogram VAIO Smart Network op de taakbalk.
4
Klik op de schakelaar naast de gewenste optie(s) voor draadloze communicatie om deze op Aan (On) te zetten in het
venster VAIO Smart Network.
Controleer of het WIRELESS-lampje gaat branden.
!
Draadloze LAN-communicatie via de 5 GHz-band is slechts op bepaalde modellen beschikbaar en is standaard uitgeschakeld. Als u communicatie via
de 5GHz-band wilt inschakelen, selecteert u de optie voor het gebruik van de 5GHz-band of van zowel de 2,4- als de 5GHz-band in de vervolgkeuzelijst
met Instellingen voor draadloos LAN (Wireless LAN Settings) in het instellingenvenster VAIO Smart Network.
5
Klik op
6
Selecteer het gewenste toegangspunt en klik op Verbinden.
of
op de taakbalk.
Voor WPA-PSK- of WPA2-PSK-verificatie moet u een wachtwoordtekenreeks invoeren. Bij deze wachtwoordtekenreeks wordt een onderscheid gemaakt
tussen hoofdletters en kleine letters. De tekenreeks moet een lengte van 8 tot 63 tekens hebben, of een hexadecimale reeks van 64 tekens zijn.
De VAIO-computer gebruiken >
Het draadloze LAN gebruiken
n 69 N
Draadloze LAN-communicatie stoppen
Draadloze LAN-communicatie stoppen
Klik op de schakelaar naast Draadloos LAN (Wireless LAN) om deze op Uit (Off) te zetten in het venster VAIO Smart Network.
!
Als u de WLAN-functie uitschakelt terwijl externe documenten, bestanden of bronnen worden gebruikt, kan gegevensverlies optreden.
De VAIO-computer gebruiken >
Het draadloze WAN gebruiken
n 70 N
Het draadloze WAN gebruiken
Met behulp van het draadloze WAN (WWAN) kan uw computer via het draadloze netwerk verbinding maken met het internet
op plaatsen waar u uw mobiele telefoon kunt gebruiken.
Het WWAN is mogelijk niet in alle landen of regio's beschikbaar.
Mogelijk zijn niet alle voorzieningen en opties uit dit gedeelte beschikbaar op uw computer.
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
Een SIM-kaart plaatsen
Als u de draadloze WAN-functie wilt gebruiken, moet u eerst een SIM-kaart in de SIM-kaartsleuf van uw computer plaatsen.
De SIM-kaart bevindt zich in een houder die ongeveer de grootte van een creditcard heeft.
Afhankelijk van het land waar u woont en het model dat u hebt aangeschaft, ontvangt u mogelijk een aanbieding van het door VAIO geselecteerde
telecommunicatiebedrijf. In dat geval bevindt de SIM-kaart zich in de kartonnen verpakking in het SIM-pakket van het telecommunicatiebedrijf of is de
SIM-kaart al in de SIM-kaartsleuf geplaatst. Als er geen SIM-kaart bij uw computer is geleverd, kunt u een SIM-kaart aanschaffen bij het
telecommunicatiebedrijf van uw keuze.
De VAIO-computer gebruiken >
Het draadloze WAN gebruiken
Een SIM-kaart plaatsen
1
Zet de computer uit.
2
Verwijder de batterij uit de computer.
Zie De batterij verwijderen (pagina 21) voor gedetailleerde instructies.
3
Verwijder de SIM-kaart (1) door deze uit de houder te duwen.
n 71 N
De VAIO-computer gebruiken >
Het draadloze WAN gebruiken
4
Plaats de SIM-kaart met de printplaatschakelingen omlaag in de SIM-kaartsleuf.
!
Raak de printplaatschakelingen van de SIM-kaart niet aan. Houd de computer stevig vast bij het plaatsen of verwijderen van de kaart.
Zorg dat u de SIM-kaart niet beschadigt door deze te buigen of er druk op uit te oefenen.
5
Breng de batterij weer aan.
!
Zorg dat de batterij correct wordt geplaatst.
n 72 N
De VAIO-computer gebruiken >
Het draadloze WAN gebruiken
n 73 N
De draadloze WAN-communicatie starten
De draadloze WAN-communicatie starten
1
Schakel de schakelaar WIRELESS in.
2
Klik op het pictogram VAIO Smart Network op de taakbalk.
3
Controleer in het venster VAIO Smart Network of de schakelaar naast Draadloos WAN (Wireless WAN) op Aan (On)
staat.
4
Klik op de pijl-omlaag naast de schakelaar Draadloos WAN (Wireless WAN) en op de knop Verbinden (Connect) om,
afhankelijk van uw model of land, uw software voor het beheer van de verbinding of de vooraf geïnstalleerde software van
een telecommunicatiebedrijf te starten.
5
Voer desgevraagd uw PIN-code in.
6
Klik op Verbinden.
Voor meer informatie over het gebruik van de draadloze WAN-functie raadpleegt u het Help-bestand dat bij de VAIO Smart
Network-software wordt geleverd of de documentatie van het telecommunicatiebedrijf.
De VAIO-computer gebruiken >
De Bluetooth-functie gebruiken
n 74 N
De Bluetooth-functie gebruiken
U kunt draadloze communicatie tot stand brengen tussen uw computer en andere Bluetooth®-apparaten, zoals andere
computers of mobiele telefoons. U kunt zonder kabels informatie tussen deze apparaten uitwisselen tot op een afstand van
10 meter in een open ruimte.
Bluetooth-beveiliging
De draadloze technologie van Bluetooth beschikt over een identificatiefunctie waarmee u kunt vaststellen met wie u
communiceert. Met de identificatiefunctie kunt u voorkomen dat anonieme Bluetooth-apparaten toegang kunnen krijgen
tot uw computer.
De eerste keer dat twee Bluetooth-apparaten met elkaar communiceren, dient voor beide apparaten een sleutel
(een wachtwoord dat nodig is voor de verificatie) te worden vastgesteld. Hiermee worden deze apparaten geregistreerd.
Wanneer een apparaat eenmaal is geregistreerd, hoeft u deze sleutel niet opnieuw in te voeren.
De sleutel kan iedere keer verschillend zijn, maar moet wel aan beide zijden hetzelfde zijn.
Voor bepaalde apparaten, zoals een muis, kan geen sleutel worden ingevoerd.
De VAIO-computer gebruiken >
De Bluetooth-functie gebruiken
n 75 N
Communiceren met een ander Bluetooth-apparaat
U kunt een draadloze verbinding tot stand brengen tussen de computer en een Bluetooth-apparaat, bijvoorbeeld een andere
computer, een mobiele telefoon, PDA, hoofdtelefoon, muis of digitale camera.
De VAIO-computer gebruiken >
De Bluetooth-functie gebruiken
n 76 N
Communiceren met een ander Bluetooth-apparaat
Voor de communicatie met een ander Bluetooth-apparaat moet u eerst de Bluetooth-functie instellen. Zoek informatie over
Bluetooth in Windows Help en ondersteuning voor het instellen en gebruiken van de Bluetooth-functie.
1
Schakel de schakelaar WIRELESS in.
2
Klik op het pictogram VAIO Smart Network op de taakbalk.
3
Klik op de schakelaar naast Bluetooth om deze op Aan (On) te zetten in het venster VAIO Smart Network.
Controleer of het WIRELESS-lampje gaat branden.
De VAIO-computer gebruiken >
De Bluetooth-functie gebruiken
Bluetooth-communicatie stoppen
Bluetooth-communicatie stoppen
1
Schakel het Bluetooth-apparaat uit dat met uw computer communiceert.
2
Klik op de schakelaar naast Bluetooth om deze op Uit (Off) te zetten in het venster VAIO Smart Network.
n 77 N
De VAIO-computer gebruiken >
De Bluetooth-functie gebruiken
n 78 N
Opmerkingen over het gebruik van de Bluetooth-functie
❑ De gegevensoverdrachtsnelheid varieert, afhankelijk van de volgende omstandigheden:
❑ Obstakels, zoals muren, die zich tussen apparaten bevinden
❑ De afstand tussen de apparaten
❑ Het in de muren gebruikte materiaal
❑ De nabijheid van magnetrons en draadloze telefoons
❑ Radiofrequentie-interferentie en andere omgevingsfactoren
❑ De configuratie van de apparaten
❑ Het type softwaretoepassing
❑ Het type besturingssysteem
❑ Het gelijktijdig gebruik van functies voor draadloos LAN en Bluetooth op uw computer
❑ De grootte van het bestand dat wordt uitgewisseld
❑ Grote bestanden kunnen tijdens de continue overdracht soms beschadigd raken vanwege de beperkingen van de
Bluetooth-standaard en elektromagnetische interferentie in de omgeving.
❑ Alle Bluetooth-apparaten moeten zijn gecertificeerd om ervoor te zorgen dat de geldende standaardvereisten worden
aangehouden. Zelfs als aan de standaarden wordt voldaan, kunnen de prestaties, specificaties en bedieningsprocedures
van afzonderlijke apparaten verschillen. Niet in alle situaties is het mogelijk gegevens uit te wisselen.
❑ Video en audio zijn mogelijk niet gesynchroniseerd als u video's op uw computer afspeelt terwijl de audio wordt uitgevoerd
vanaf een aangesloten Bluetooth-apparaat. Dit komt regelmatig voor bij het gebruik van Bluetooth-technologie en wijst
niet op een defect.
De VAIO-computer gebruiken >
De Bluetooth-functie gebruiken
n 79 N
❑ De 2,4GHz-band, waar Bluetooth-apparaten of draadloze LAN-apparaten mee werken, wordt door verschillende
apparaten gebruikt. Hoewel Bluetooth-apparaten gebruikmaken van technologie om radio-interferentie van andere
apparaten die dezelfde golfband gebruiken tot een minimum te beperken, kan dergelijke radio-interferentie leiden tot
lagere communicatiesnelheden en een kleiner bereik of storing in de communicatie.
❑ Het is mogelijk dat de Bluetooth-functie niet met andere apparaten werkt, afhankelijk van de fabrikant of de softwareversie
die door de fabrikant wordt gebruikt.
❑ Als u meerdere Bluetooth-apparaten op de computer aansluit, kan dat leiden tot kanaalcongestie, waardoor de prestaties
van de apparaten verminderen. Dit is normaal bij het gebruik van Bluetooth-technologie en wijst niet op een defect.
De VAIO-computer gebruiken >
Vingerafdrukverificatie gebruiken
n 80 N
Vingerafdrukverificatie gebruiken
Mogelijk is uw computer voor extra gemak uitgerust met een vingerafdruksensor.
Mogelijk zijn niet alle voorzieningen en opties uit dit gedeelte beschikbaar op uw computer.
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
Als u eenmaal uw vingerafdruk(ken) hebt geregistreerd, biedt de functie voor vingerafdrukverificatie het volgende:
❑ Een vervanging voor het invoeren van een wachtwoord
❑ De mogelijkheid om u aan te melden bij Windows (pagina 85)
Als u uw vingerafdrukken hebt geregistreerd voor uw gebruikersaccount, kunt u gebruikmaken van
vingerafdrukverificatie in plaats van het wachtwoord in te voeren wanneer u zich aanmeldt bij Windows.
❑ Functie Power-on Security (pagina 85)
Als u het opstartwachtwoord hebt ingesteld (pagina 113), kunt u gebruikmaken van vingerafdrukverificatie in plaats
van het wachtwoord in te voeren wanneer u de computer start.
❑ De Wachtwoorddatabank (Password Bank) voor snelle toegang tot websites
Als u uw gebruikersgegevens (gebruikersaccounts, wachtwoorden en dergelijke) voor websites hebt geregistreerd in de
Wachtwoorddatabank (Password Bank), kunt u gebruikmaken van vingerafdrukverificatie in plaats van de gegevens in
te voeren die nodig zijn om toegang te krijgen tot de websites die met een wachtwoord zijn beveiligd.
Raadpleeg voor gedetailleerde informatie het Help-bestand dat bij Protector Suite wordt geleverd.
!
Afhankelijk van de website die u bezoekt, kunt u wellicht de functie Wachtwoorddatabank (Password Bank) niet gebruiken.
De VAIO-computer gebruiken >
Vingerafdrukverificatie gebruiken
n 81 N
❑ Codering van archiefbestanden
❑ Functie File Safe om gegevens te coderen/decoderen
Met de functie File Safe kunt u een gecodeerd archiefbestand van een bestand en/of map maken om deze te
beschermen tegen toegang door onbevoegden. U kunt het gecodeerde archiefbestand decoderen of ontgrendelen
voor toegang tot de ingesloten bestanden/map door uw vinger over de vingerafdruksensor te halen of door het
reservewachtwoord in te voeren dat u had opgegeven voor de codering.
❑ Functie Persoonlijke safe (Personal Safe)
Met de functie Persoonlijke safe (Personal Safe) kunt u inhoud van elke beschermde map op de desktop of het
ingebouwde opslagapparaat coderen. De gecodeerde map wordt dan verborgen voor andere gebruikers die ook
gebruikmaken van uw computer.
❑ Functie voor het starten van een toepassing voor snelle toegang tot toepassingen
U kunt de functie voor het starten van toepassingen op uw computer gebruiken om uw favoriete toepassing (uitvoerbaar
bestand) die is toegewezen aan een van uw vingers met een geregistreerde vingerafdruk te starten. Wanneer u een
toepassing hebt toegewezen aan uw vinger, kunt u de betreffende toepassing eenvoudig starten door uw vinger over de
vingerafdruklezer te halen.
❑ Functie Generator voor sterke wachtwoorden (Strong Password Generator)
Met de functie Generator voor sterke wachtwoorden (Strong Password Generator) kunt u de beveiliging van uw computer
verbeteren door een sterk wachtwoord te genereren dat bestand is tegen woordenboekaanvallen. Het gegenereerde
wachtwoord kan worden geregistreerd in de Wachtwoorddatabank (Password Bank).
De VAIO-computer gebruiken >
Vingerafdrukverificatie gebruiken
n 82 N
Een vingerafdruk registreren
Als u de functie voor vingerafdrukverificatie wilt gebruiken, moet u uw vingerafdruk(ken) registreren in uw computer.
Stel het Windows-wachtwoord op uw computer in voordat u uw vingerafdruk(ken) registreert. Zie Het Windows-wachtwoord instellen (pagina 117)
voor gedetailleerde instructies.
Een vingerafdruk registreren
1
Klik op Start, Alle programma's, Protector Suite en Controlecentrum (Control Center).
2
Lees de gebruiksrechtovereenkomst goed door en klik op Accepteren (Accept).
3
Volg de instructies op het scherm.
Raadpleeg het Help-bestand voor gedetailleerde informatie.
De VAIO-computer gebruiken >
Vingerafdrukverificatie gebruiken
n 83 N
Als het niet is gelukt om een vingerafdruk te registreren, voert u de volgende stappen uit om het opnieuw te proberen.
1
Plaats het bovenste gewricht van uw vinger op de vingerafdruksensor (1).
2
Haal uw vinger loodrecht naar beneden over de vingerafdruksensor.
De VAIO-computer gebruiken >
Vingerafdrukverificatie gebruiken
n 84 N
!
Leg het topje van uw vinger plat in het midden van de vingerafdruksensor.
Laat uw vingerafdruk van het bovenste gewricht tot het topje van de vinger scannen.
Houd uw vinger tegen de vingerafdruksensor aan terwijl u uw vinger over de sensor haalt.
De registratie van de vingerafdruk kan mislukken wanneer u uw vinger te snel of te langzaam beweegt. Geef de vingerafdruksensor ongeveer één seconde
de tijd om uw vingerafdruk te scannen.
Mogelijk kunt u uw vingerafdruk(ken) niet registreren en/of worden deze niet herkend als uw vingers te nat of te droog zijn, als er rimpels of wondjes
op zitten, als zij vuil zijn enzovoort.
Registreer meerdere vingerafdrukken in het geval dat de vingerafdruksensor de vingerafdruk niet herkent.
Maak het topje van uw vinger(s) en de vingerafdruksensor schoon voordat u uw vinger er overheen haalt om optimale herkenning mogelijk te maken.
Met de functie Power-on Security (pagina 85) kunt u alleen het beperkte aantal vingerafdrukken voor aanmelding bij uw systeem registreren.
Het maximumaantal vingerafdrukken dat u kunt registreren is afhankelijk van de hoeveelheid gegevens die elke vingerafdruk oplevert.
U kunt de vingerafdruk die u wilt gebruiken voor de functie Power-on Security ook later selecteren.
De VAIO-computer gebruiken >
Vingerafdrukverificatie gebruiken
n 85 N
Aanmelden bij uw systeem
Wanneer u in plaats van uw wachtwoord de functie voor vingerafdrukverificatie wilt gebruiken om u aan te melden bij uw
systeem, moet u de wachtwoorden voor opstarten, harde schijf en Windows instellen en moet u uw computer configureren
voor vingerafdrukverificatie.
Raadpleeg Het wachtwoord instellen (pagina 111) voor informatie over het instellen van de wachtwoorden voor opstarten,
de harde schijf en Windows.
Raadpleeg voor gedetailleerde informatie het Help-bestand dat bij Protector Suite wordt geleverd.
Aanmelden bij Windows
Als u uw vingerafdrukken hebt geregistreerd voor uw gebruikersaccount, kunt u gebruikmaken van vingerafdrukverificatie in
plaats van het Windows-wachtwoord in te voeren. Wanneer u zich wilt aanmelden bij Windows haalt u de geregistreerde
vinger over de vingerafdruksensor terwijl het Windows-aanmeldscherm wordt weergegeven.
Functie Power-on Security
Als u het opstartwachtwoord (pagina 113) en/of het wachtwoord voor de harde schijf (pagina 119) hebt ingesteld, kunt u
gebruikmaken van vingerafdrukverificatie in plaats van het wachtwoord in te voeren wanneer u de computer start.
De VAIO-computer gebruiken >
Vingerafdrukverificatie gebruiken
n 86 N
De geregistreerde vingerafdrukken wissen
Voordat u uw computer wegdoet of aan een derde geeft, is het raadzaam de vingerafdrukgegevens die zijn geregistreerd in
de vingerafdruksensor te wissen nadat u de gegevens die zijn opgeslagen op het ingebouwde opslagapparaat hebt gewist.
De geregistreerde vingerafdrukken wissen
1
Zet de computer aan.
2
Druk op F2 wanneer het VAIO-logo verschijnt.
Het scherm BIOS Setup verschijnt. Als dit scherm niet verschijnt, start u de computer opnieuw op en drukt u meerdere
keren op de toets F2 als het VAIO-logo verschijnt.
3
Druk op < of , om Security te selecteren om het tabblad Security weer te geven.
4
Druk op m om Clear Fingerprint Data te selecteren en druk op Enter.
5
Selecteer wanneer u moet bevestigen Continue en druk op Enter.
De vingerafdrukgegevens die zijn geregistreerd in de vingerafdruksensor worden automatisch gewist als het systeem
opnieuw wordt opgestart.
Randapparaten gebruiken >
n 87 N
Randapparaten gebruiken
U kunt de functies van de VAIO-computer uitbreiden met behulp van de verschillende poorten op de computer.
❑ Een dockingstation aansluiten (pagina 88)
❑ Externe luidsprekers of een hoofdtelefoon aansluiten (pagina 96)
❑ Een externe monitor aansluiten (pagina 97)
❑ Weergavemodi selecteren (pagina 102)
❑ De meerdere-monitorsfunctie gebruiken (pagina 103)
❑ Een externe microfoon aansluiten (pagina 105)
❑ Een USB-apparaat aansluiten (pagina 106)
❑ Een i.LINK-apparaat aansluiten (pagina 108)
Randapparaten gebruiken >
Een dockingstation aansluiten
n 88 N
Een dockingstation aansluiten
Met een dockingstation kunt u extra randapparatuur, zoals een printer of een extern beeldscherm, op uw computer aansluiten.
Afhankelijk van het model dat u hebt gekocht is uw computer mogelijk niet uitgerust met een connector voor een dockingstation.
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
Met uw computer wordt er geen dockingstation meegeleverd, maar deze is wel als optie verkrijgbaar.
Randapparaten gebruiken >
Een dockingstation aansluiten
n 89 N
De poorten op het dockingstation
A DC IN-lampje
Brandt wanneer het dockingstation stroom krijgt.
B IN USE-lampje (pagina 93)
C UNDOCK-knop (pagina 93)
D DC IN-poort (pagina 90)
E USB-poorten*1 (pagina 106)
F Netwerkpoort (LAN) (1000BASE-T / 100BASE-TX / 10BASE-T)
G DVI-D-poort*2 (pagina 97)
H MONITOR-poort (pagina 97)
*1
Compatibel met de USB 2.0-standaard en ondersteuning voor hoge/volle/lage
snelheid.
*2
Werkt alleen op modellen met een NVIDIA-videocontroller.
!
Het dockingstation kan alleen stroom krijgen via de netadapter die u met het dockingstation hebt gekregen. Koppel de netadapter niet los van het
dockingstation en het stopcontact terwijl u het dockingstation gebruikt. Hierdoor kunnen namelijk gegevens beschadigd raken of hardwarestoringen
ontstaan.
De volgende poorten kunnen niet gelijktijdig worden gebruikt.
- HDMI-uitgangspoort op uw computer
- DVI-D-poort op het dockingstation
- MONITOR-poort op het dockingstation
Randapparaten gebruiken >
Een dockingstation aansluiten
n 90 N
Uw computer aansluiten op het dockingstation
!
Plaats de batterij voordat u de computer aansluit op het dockingstation.
De computer aansluiten op het dockingstation
!
Gebruik de netadapter die u met het dockingstation hebt ontvangen.
Verplaats de computer niet wanneer deze is aangesloten op het dockingstation. Hierdoor kan het dockingstation namelijk worden losgekoppeld waardoor
schade aan beide eenheden kan ontstaan.
1
Koppel alle randapparatuur los van de computer.
2
Steek het ene eind van het netsnoer (1) in de netadapter (2) en steek het andere eind in een stopcontact.
3
Steek de kabel die is aangesloten op de netadapter (2) in de DC IN-poort (3) op het dockingstation (4).
Randapparaten gebruiken >
Een dockingstation aansluiten
n 91 N
4
Schuif het afdekplaatje voor de connector voor het dockingstation aan de onderkant van de computer open.
5
Plaats de achterste hoeken van de onderkant van de computer op één lijn met de geleiders van het dockingstation.
Randapparaten gebruiken >
Een dockingstation aansluiten
6
Duw de computer voorzichtig naar beneden tot deze op zijn plaats vastklikt.
7
Zet de computer aan.
n 92 N
Randapparaten gebruiken >
Een dockingstation aansluiten
n 93 N
Uw computer loskoppelen van het dockingstation
!
Controleer of geen van de apparaten die zijn aangesloten op het dockingstation in gebruik zijn voordat u uw computer loskoppelt.
Koppel uw computer niet los van het dockingstation terwijl het IN USE-lampje brandt. Als u de computer loskoppelt terwijl het IN USE-lampje brandt,
kan dat leiden tot verlies van niet-opgeslagen gegevens of een storing in de computer.
Wanneer de batterij leegraakt, kunt u niet-opgeslagen gegevens kwijtraken wanneer u uw computer loskoppelt van het dockingstation.
Koppel de computer niet los van het dockingstation terwijl een video wordt afgespeeld. Sluit de software voor het afspelen van video's af voordat u de
computer loskoppelt.
Haal de computer weg van het dockingstation als u de stappen in De computer loskoppelen van het dockingstation (pagina 94) hebt uitgevoerd.
Wanneer u de computer gebruikt terwijl deze op het dockingstation staat, kan dit tot een onstabiele werking leiden.
Randapparaten gebruiken >
Een dockingstation aansluiten
n 94 N
De computer loskoppelen van het dockingstation
1
Druk op de UNDOCK-knop (1) en wacht tot het IN USE-lampje (2) uitgaat.
Als het IN USE-lampje niet brandt, hoeft u niet op de UNDOCK-knop te drukken.
Wanneer u op de UNDOCK-knop drukt terwijl uw computer in een energiebesparingsstand staat, schakelt de computer eerst over naar de normale stand
en wordt vervolgens het ontkoppelingsproces gestart.
!
Als u de computer weer in de normale stand hebt gezet, moet u de computer van het dockingstation wegnemen. Wanneer u de computer gebruikt terwijl
deze op het dockingstation staat, kan dit tot een onstabiele werking leiden.
Randapparaten gebruiken >
Een dockingstation aansluiten
2
Til de computer weg van het dockingstation.
3
Sluit het afdekplaatje voor de connector voor het dockingstation aan de onderkant van de computer.
n 95 N
U kunt ook als volgt de computer loskoppelen van het dockingstation:
1
Klik op Start, de pijl naast de knop Afsluiten en op Loskoppelen.
2
Controleer of er een berichtvakje verschijnt en het IN USE-lampje uitgaat. Til vervolgens de computer weg van het
dockingstation.
3
Sluit het afdekplaatje voor de connector voor het dockingstation aan de onderkant van de computer.
!
Het is zeer belangrijk dat u het afdekplaatje voor de connector voor het dockingstation sluit nadat u de computer hebt losgekoppeld van het dockingstation.
Als het afdekplaatje open blijft, kan er stof in de computer komen dat de computer kan beschadigen.
Als u het dockingstation helemaal van de netvoeding wilt loskoppelen, haalt u de netadapter uit het stopcontact.
Randapparaten gebruiken >
Externe luidsprekers of een hoofdtelefoon aansluiten
n 96 N
Externe luidsprekers of een hoofdtelefoon aansluiten
U kunt externe geluidsuitvoerapparaten (niet meegeleverd) op uw computer aansluiten, zoals luidsprekers of een hoofdtelefoon.
Externe luidsprekers aansluiten
Sluit alleen luidsprekers aan die zijn ontworpen voor gebruik met een computer.
!
Verlaag het volume vóór u de luidsprekers inschakelt.
Sluit externe luidsprekers (1) aan op de hoofdtelefoonconnector (2) i met behulp van een luidsprekerkabel (3)
(niet meegeleverd).
Randapparaten gebruiken >
Een externe monitor aansluiten
n 97 N
Een externe monitor aansluiten
Mogelijk zijn niet alle voorzieningen en opties uit dit gedeelte beschikbaar op uw computer.
Een monitor of een projector aansluiten
U kunt een extern scherm, zoals een computerscherm of een projector, direct op uw computer of via het optionele
dockingstation* aansluiten.
*
Alleen beschikbaar voor modellen met een connector voor het dockingstation. Controleer in de specificaties of uw model is uitgerust met een connector voor een
dockingstation.
Randapparaten gebruiken >
Een externe monitor aansluiten
n 98 N
Een monitor of een projector aansluiten
!
Wanneer de computer is aangesloten op het dockingstation werkt de monitorpoort op uw computer niet.
De DVI-D-poort op het dockingstation werkt alleen op modellen met de NVIDIA-videocontroller.
1
Steek het netsnoer (1) van het externe beeldscherm of de projector in een stopcontact.
2
Sluit het externe beeldscherm of de projector aan op de monitorpoort (2) op de computer of het dockingstation met behulp
van een monitorkabel (3).
Sluit indien gewenst de hoofdtelefoonconnector op de projector en de hoofdtelefoonconnector (4) i op de computer aan met een luidsprekerkabel (5).
Randapparaten gebruiken >
Een externe monitor aansluiten
n 99 N
!
Uw computer voldoet aan de voorwaarden van de HDCP-norm en kan het transmissiekanaal van digitale videosignalen coderen voor het in acht nemen
van de auteursrechtbeveiliging, zodat u videofilms van hoge kwaliteit kunt kiezen uit een breed scala bronnen met auteursrechtbeveiliging. Als u inhoud
met auteursrechtbeveiliging wilt weergeven, sluit u een HDCP-compatibele monitor aan op de HDMI-uitgangspoort op uw computer of op de DVI-Dpoort op het dockingstation. Als u een niet-compatibele monitor op de computer aansluit, kunt u geen videofilms met auteursrechtbeveiliging bekijken.
Als de externe computermonitor is uitgerust met een HDMI-ingangspoort, steekt u het ene uiteinde van een HDMI-kabel in de HDMI-uitgangspoort van
de computer en het andere uiteinde in de HDMI-ingangspoort van de computermonitor.
Als u een TFT-/DVI-monitor wilt aansluiten, gebruikt u een HDMI-naar DVI-D-adapter om die aan te sluiten op de HDMI-uitgangspoort op de computer;
u kunt de TFT-/DVI-monitor ook met een monitorkabel aansluiten op de DVI-D-poort op het dockingstation.
DVI-D staat voor Digital Visual Interface - Digital. Het is een soort DVI-poort die alleen digitale videosignalen (geen analoge videosignalen) ondersteunt.
Deze poort heeft 24 pinnen.
Een DVI-I-poort (Digital Visual Interface - Integrated) biedt ondersteuning voor digitale en analoge videosignalen. Deze poort heeft 29 pinnen.
De HDMI-kabel verzendt zowel video- als audiosignalen.
Randapparaten gebruiken >
Een externe monitor aansluiten
n 100 N
Een TV met een HDMI-ingangspoort aansluiten
U kunt een TV met een HDMI-ingangspoort aansluiten op de computer.
Een TV aansluiten op uw computer
!
Als u het geluid wilt beluisteren van het apparaat dat is aangesloten op de HDMI-uitgangspoort, moet u een ander geluidsuitvoerapparaat selecteren.
Zie Hoe selecteer ik een ander geluidsuitvoerapparaat? (pagina 193) voor gedetailleerde instructies.
1
Steek het netsnoer van de TV (1) in een stopcontact.
2
Steek het ene uiteinde van een HDMI-kabel (2) in de HDMI-uitgangspoort (3) van de computer en het andere uiteinde in
de TV.
3
Stel het ingangskanaal van de TV in op de externe ingang.
4
Stel het TV-configuratiesysteem in.
!
Als er een ander stuurprogramma wordt gebruikt dan het stuurprogramma van Sony, worden beeld en geluid niet weergegeven. Gebruik altijd het door
Sony meegeleverde stuurprogramma voor updates.
Randapparaten gebruiken >
Een externe monitor aansluiten
n 101 N
Raadpleeg de handleiding bij het TV-toestel voor meer informatie over het gebruik en de installatie.
De HDMI-kabel verzendt zowel video- als audiosignalen.
Een digitaal geluidsuitvoerapparaat van hoge kwaliteit tussen uw computer en een TV aansluiten
U kunt een 'home theater'-ontvanger van hoge kwaliteit of een ander 'surround sound'-decodeerapparaat tussen uw computer
en TV aansluiten via een HDMI-verbinding.
!
Voordat u het apparaat op de computer aansluit, controleert u eerst of de HDMI-verbinding tussen de TV en de 'home theater'-ontvanger of het
'surround sound'-decodeerapparaat tot stand is gebracht.
Als u het geluid wilt beluisteren van het apparaat dat is aangesloten op de HDMI-uitgangspoort, moet u een ander geluidsuitvoerapparaat selecteren.
Zie Hoe selecteer ik een ander geluidsuitvoerapparaat? (pagina 193) voor gedetailleerde instructies.
1
Zet de TV aan en selecteer de HDMI-ingang als signaalbron.
2
Zet de 'home theater'-ontvanger of het 'surround sound'-decodeerapparaat aan en selecteer de HDMI-ingang als
signaalbron.
3
Steek het ene uiteinde van een HDMI-kabel in de HDMI-ingangspoort van de 'home theater'-ontvanger of het 'surround
sound'-decodeerapparaat en het andere uiteinde in de HDMI-uitgangspoort van de computer.
U kunt de schermresolutie van de aangesloten TV wijzigen vanaf de computer. Zie Waarom geeft mijn scherm geen video weer? (pagina 184) voor
meer informatie.
Bij het gebruik van een HDMI-verbinding kan het volume alleen door het aangesloten audioapparaat worden geregeld. De computer kan het
uitgangsvolume van aangesloten apparaten niet regelen.
Randapparaten gebruiken >
Weergavemodi selecteren
n 102 N
Weergavemodi selecteren
Wanneer er een externe monitor is aangesloten, kunt u het computerscherm of de aangesloten monitor als primair scherm
selecteren.
!
Wanneer de computer is aangesloten op het dockingstation werkt de monitorpoort op uw computer niet.
Het kan zijn dat gelijktijdige weergave van dezelfde inhoud op uw computerscherm en op de externe monitor of projector niet mogelijk is, afhankelijk
van het type externe monitor of projector.
Schakel het externe scherm in voordat u de computer inschakelt.
Een weergavemodus selecteren met de toetsen Fn+F7
U kunt een weergavemodus selecteren met de toetsen Fn+F7. Zie Combinaties en functies met de Fn-toets (pagina 33)
voor meer informatie.
Een weergavemodus selecteren uit de beeldscherminstellingen
1
Klik met de rechtermuisknop op het bureaublad en selecteer Schermresolutie.
2
Klik op de vervolgkeuzelijst naast Meerdere schermen, selecteer de gewenste instelling en klik op OK.
Randapparaten gebruiken >
De meerdere-monitorsfunctie gebruiken
n 103 N
De meerdere-monitorsfunctie gebruiken
Dankzij de meerdere-monitorsfunctie kunt u specifieke delen van het bureaublad weergeven op verschillende monitoren.
Als u bijvoorbeeld een extern beeldscherm op de monitorpoort hebt aangesloten, kunnen uw computerscherm en het externe
beeldscherm als één bureaubladmonitor fungeren.
U kunt de cursor van het ene naar het andere scherm verplaatsen. Hierdoor kunt u objecten (bijvoorbeeld een
toepassingsvenster of een werkbalk) van het ene scherm naar het andere slepen.
Randapparaten gebruiken >
De meerdere-monitorsfunctie gebruiken
n 104 N
De meerdere-monitorsfunctie gebruiken
!
Wanneer de computer is aangesloten op het dockingstation werkt de monitorpoort op uw computer niet.
Het is mogelijk dat het externe beeldscherm de meerdere-monitorsfunctie niet ondersteunt.
Het is mogelijk dat bepaalde software niet compatibel is met de instellingen van de meerdere-monitorsfunctie.
Zorg dat de computer niet in de slaap- of sluimerstand wordt gezet tijdens het gebruik van de meerdere-monitorsfunctie, omdat de computer dan
mogelijk niet kan worden teruggezet op de normale stand.
Als u voor elk scherm andere kleuren instelt, mag u één venster niet verdelen over twee schermen, anders is het mogelijk dat de software niet behoorlijk
werkt.
1
Klik met de rechtermuisknop op het bureaublad en selecteer Schermresolutie.
2
Klik op de vervolgkeuzelijst naast Meerdere schermen, selecteer Deze beeldschermen uitbreiden en klik op OK.
U kunt de schermkleuren en resolutie voor elke monitor instellen en de meerdere-monitorsfunctie aanpassen.
Stel minder kleuren of een lagere resolutie in voor elk scherm.
Randapparaten gebruiken >
Een externe microfoon aansluiten
Een externe microfoon aansluiten
U kunt een externe microfoon (niet meegeleverd) aansluiten op de computer.
Een externe microfoon aansluiten
Steek de microfoonkabel (1) in de microfoonconnector (2) m.
Sluit alleen microfoons aan die zijn ontworpen voor gebruik met een computer.
n 105 N
Randapparaten gebruiken >
Een USB-apparaat aansluiten
n 106 N
Een USB-apparaat aansluiten
U kunt op uw computer een USB-apparaat (Universal Serial Bus) aansluiten, zoals een muis, diskettestation, luidspreker of
printer.
Een USB-apparaat aansluiten
1
Kies de USB-poort (1) die u wilt gebruiken.
2
Steek de USB-apparaatkabel (2) in de USB-poort.
Randapparaten gebruiken >
Een USB-apparaat aansluiten
n 107 N
Opmerkingen bij het aansluiten van een USB-apparaat
❑ U moet mogelijk de stuurprogrammasoftware installeren die bij uw USB-apparaat is geleverd voordat u het apparaat kunt
gebruiken. Raadpleeg de handleiding bij het USB-apparaat voor meer informatie.
❑ Als u documenten wilt afdrukken, moet u een USB-printer gebruiken die compatibel is met uw versie van Windows.
❑ Raadpleeg de handleiding bij het USB-apparaat voor meer informatie over het verwijderen van USB-apparaten.
❑ Om te voorkomen dat de computer en/of het USB-apparaat beschadigd worden, let u op de volgende punten:
❑ Als u de computer verplaatst terwijl er USB-apparaten zijn aangesloten, let u erop dat de USB-poorten niet worden
blootgesteld aan schokken of grote druk.
❑ Plaats de computer niet in een zak of draagdoos terwijl er USB-apparaten zijn aangesloten.
Randapparaten gebruiken >
Een i.LINK-apparaat aansluiten
n 108 N
Een i.LINK-apparaat aansluiten
Uw computer is voorzien van een i.LINK-poort, waarmee u een i.LINK-apparaat, bijvoorbeeld een digitale camcorder, kunt
aansluiten.
i.LINK is een handelsmerk van Sony Corporation, dat enkel aanduidt dat het product een IEEE 1394-aansluiting bevat. De procedure voor het tot stand
brengen van een i.LINK-verbinding kan variëren, afhankelijk van de toepassing, het besturingssysteem en het i.LINK-compatibele apparaat. Niet alle
producten met een i.LINK-aansluiting kunnen met elkaar communiceren. Raadpleeg de handleiding van het i.LINK-compatibele apparaat voor meer
informatie over gebruiksomstandigheden en de juiste aansluiting. Controleer voordat u i.LINK-compatibele randapparaten, zoals een CD-RW-station of
harde schijf, op het systeem aansluit of ze compatibel zijn met het besturingssysteem en de vereiste gebruiksomstandigheden.
Opmerkingen bij het aansluiten van i.LINK-apparaten
❑ De i.LINK-poort van de computer levert geen stroom voor een extern apparaat. Als het externe apparaat een externe
stroomvoorziening vereist, moet u het aansluiten op een stroombron.
❑ De i.LINK-poort ondersteunt transmissiesnelheden van maximaal 400 Mbps. De eigenlijke transmissiesnelheid is echter
afhankelijk van de transmissiesnelheid van het externe apparaat.
❑ De optionele i.LINK-kabels zijn mogelijk niet in alle landen of regio's beschikbaar.
❑ Een i.LINK-verbinding met andere compatibele apparaten wordt niet volledig gegarandeerd.
❑ De i.LINK-verbinding is mogelijk niet beschikbaar, afhankelijk van de softwaretoepassing, het besturingssysteem en de
i.LINK-compatibele apparaten die u gebruikt. Raadpleeg de handleiding bij uw software voor meer informatie.
❑ Controleer de gebruiksvoorwaarden en de besturingssysteemcompatibiliteit van i.LINK-compatibele pc-randapparaten
(bijvoorbeeld een harde-schijfstation of CD-RW-station) voordat u deze aansluit op de computer.
Randapparaten gebruiken >
Een i.LINK-apparaat aansluiten
n 109 N
Een digitale camcorder aansluiten
Een digitale camcorder aansluiten
Steek het ene uiteinde van een i.LINK-kabel (1) (niet meegeleverd) in de i.LINK-poort (2) van de computer en het andere
uiteinde in de DV In-/Out-poort (3) van de digitale camcorder.
De aansluitingsprocedure varieert afhankelijk van het compatibele i.LINK-apparaat. Raadpleeg de handleiding bij het apparaat voor meer informatie.
U kunt de inhoud van een Memory Stick niet openen op de digitale camcorder via een i.LINK-verbinding.
Uw VAIO-computer aanpassen >
n 110 N
Uw VAIO-computer aanpassen
In dit deel wordt kort beschreven hoe u de standaardinstellingen van uw VAIO-computer kunt aanpassen. U leert onder andere
hoe u uw Sony-software en -hulpprogramma's kunt gebruiken en het uiterlijk ervan kunt aanpassen.
❑ Het wachtwoord instellen (pagina 111)
❑ Intel(R) VT gebruiken (pagina 122)
❑ VAIO Control Center gebruiken (pagina 123)
❑ VAIO Energiebeheer gebruiken (pagina 124)
❑ De weergavetaal wijzigen (pagina 126)
❑ De harde schijf beschermen (pagina 127)
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
n 111 N
Het wachtwoord instellen
Stel een wachtwoord in om uw computer te beveiligen tegen onbevoegd gebruik. De gebruiker moet dat wachtwoord invoeren
als de computer wordt ingeschakeld en als de computer teruggaat naar de normale stand uit de slaapstand of de sluimerstand.
!
Zorg dat u het wachtwoord niet vergeet. Noteer het wachtwoord en bewaar het op een veilige plaats.
Type wachtwoord
Beschrijving
Opstartwachtwoord
Gebruik de BIOS-functies om twee typen wachtwoorden in te stellen:
- Computerwachtwoord: bedoeld voor gebruikers met beheerdersrechten. Met dit wachtwoord kunnen ze alle
configuratieopties in het scherm BIOS Setup aanpassen en de computer opstarten.
- Gebruikerswachtwoord: bedoeld voor standaardgebruikers. Met dit wachtwoord kunnen ze een aantal configuratieopties
in het scherm BIOS Setup aanpassen en de computer opstarten. U kunt het gebruikerswachtwoord pas instellen nadat
u het wachtwoord voor de computer hebt ingesteld.
U wordt gevraagd om het opstartwachtwoord in te voeren nadat het VAIO-logo is weergegeven bij het opstarten van de computer.
!
Als u het computerwachtwoord vergeet, moet u het wachtwoord opnieuw laten instellen. Hiervoor worden kosten in rekening gebracht.
Neem contact op met een bevoegd service-/supportcenter van Sony om het wachtwoord opnieuw in te stellen. Ga naar Meer
informatie over uw VAIO-computer (pagina 5) om een center of vertegenwoordiger bij u in de buurt te zoeken.
U kunt het gebruikerswachtwoord opnieuw instellen in het scherm BIOS Setup nadat u het computerwachtwoord hebt ingevoerd.
Windows-wachtwoord
Gebruikers kunnen zich aanmelden bij de computer en hun gebruikersaccount beveiligen met een eigen wachtwoord.
U wordt gevraagd het Windows-wachtwoord in te voeren wanneer u uw gebruikersaccount selecteert.
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
n 112 N
Type wachtwoord
Beschrijving
Wachtwoord voor de
harde schijf
Biedt extra beveiliging voor de gegevens die zijn opgeslagen op het ingebouwde opslagapparaat. Ook wanneer het met
een wachtwoord beveiligde ingebouwde opslagapparaat wordt verwijderd uit uw computer en in een andere computer
wordt geïnstalleerd, hebben andere gebruikers zonder het wachtwoord geen toegang tot de gegevens.
U wordt gevraagd om het wachtwoord voor de harde schijf, samen met het opstartwachtwoord (indien ingesteld), op te geven nadat
het VAIO-logo op het scherm is verschenen als u de computer hebt ingeschakeld.
!
Als u het wachtwoord voor de harde schijf niet meer weet of wanneer het toetsenbord, dat essentieel is voor de invoer van het
wachtwoord, het niet doet, is er geen andere oplossing mogelijk en zijn de gegevens op het ingebouwde opslagapparaat niet
toegankelijk. U kunt dit wachtwoord NIET OPNIEUW INSTELLEN. U moet het ingebouwde opslagapparaat dan voor eigen kosten
vervangen en verliest dan alle gegevens die oorspronkelijk op de schijf waren opgeslagen.
Als uw computer is uitgerust met een vingerafdruksensor en u het wachtwoord hebt ingesteld in combinatie met de functie voor vingerafdrukverificatie,
kunt u de vingerafdrukverificatie gebruiken in plaats van het wachtwoord in te voeren wanneer u de computer inschakelt. Zie Vingerafdrukverificatie
gebruiken (pagina 80) voor meer informatie.
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
n 113 N
Het opstartwachtwoord instellen
Het opstartwachtwoord (wachtwoord voor de computer) toevoegen
1
Zet de computer aan.
2
Druk op F2 wanneer het VAIO-logo verschijnt.
Het scherm BIOS Setup verschijnt. Als dit scherm niet verschijnt, start u de computer opnieuw op en drukt u meerdere
keren op de toets F2 als het VAIO-logo verschijnt.
3
Druk op de knop < of , om Security te selecteren. Selecteer Set Machine Password om het tabblad Security weer
te geven en druk op Enter.
4
Voer in het scherm voor invoer van het wachtwoord tweemaal het wachtwoord in en druk vervolgens op Enter.
Het wachtwoord mag maximaal 32 alfanumerieke tekens lang zijn (inclusief spaties).
5
Selecteer Password when Power On onder Security en druk op Enter.
6
Verander de instelling van Disabled in Enabled.
7
Druk op de toets < of , om Exit te selecteren en selecteer Exit Setup. Druk vervolgens op Enter.
Druk wanneer om bevestiging wordt gevraagd op Enter.
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
n 114 N
Het opstartwachtwoord (gebruikerswachtwoord) toevoegen
!
U kunt het gebruikerswachtwoord pas instellen nadat u het wachtwoord voor de computer hebt ingesteld.
1
Zet de computer aan.
2
Druk op F2 wanneer het VAIO-logo verschijnt.
Het scherm voor het invoeren van het wachtwoord verschijnt. Als dit scherm niet verschijnt, start u de computer opnieuw
op en drukt u meerdere keren op de toets F2 als het VAIO-logo verschijnt.
3
Voer het wachtwoord voor de computer in en druk op Enter.
4
Druk op de knop < of , om Security te selecteren. Selecteer Set User Password om het tabblad Security weer te
geven en druk op Enter.
5
Voer in het scherm voor invoer van het wachtwoord tweemaal het wachtwoord in en druk vervolgens op Enter.
Het wachtwoord mag maximaal 32 alfanumerieke tekens lang zijn (inclusief spaties).
6
Druk op de toets < of , om Exit te selecteren en selecteer Exit Setup. Druk vervolgens op Enter.
Druk wanneer om bevestiging wordt gevraagd op Enter.
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
n 115 N
Het opstartwachtwoord wijzigen of verwijderen (wachtwoord voor de computer)
1
Zet de computer aan.
2
Druk op F2 wanneer het VAIO-logo verschijnt.
Het scherm voor het invoeren van het wachtwoord verschijnt. Als dit scherm niet verschijnt, start u de computer opnieuw
op en drukt u meerdere keren op de toets F2 als het VAIO-logo verschijnt.
3
Voer het wachtwoord voor de computer in en druk op Enter.
4
Druk op de knop < of , om Security te selecteren. Selecteer Set Machine Password om het tabblad Security weer
te geven en druk op Enter.
5
Voer in het scherm voor invoer van het wachtwoord eenmaal het huidige wachtwoord in en voer vervolgens tweemaal het
nieuwe wachtwoord in. Druk op Enter.
Als u het wachtwoord wilt verwijderen, laat u Enter New Password en Confirm New Password leeg en drukt u op Enter.
6
Druk op de toets < of , om Exit te selecteren en selecteer Exit Setup. Druk vervolgens op Enter.
Druk wanneer om bevestiging wordt gevraagd op Enter.
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
n 116 N
Het opstartwachtwoord wijzigen of verwijderen (gebruikerswachtwoord)
1
Zet de computer aan.
2
Druk op F2 wanneer het VAIO-logo verschijnt.
Het scherm voor het invoeren van het wachtwoord verschijnt. Als dit scherm niet verschijnt, start u de computer opnieuw
op en drukt u meerdere keren op de toets F2 als het VAIO-logo verschijnt.
3
Voer het gebruikerswachtwoord in en druk op Enter.
4
Druk op de knop < of , om Security te selecteren. Selecteer Set User Password om het tabblad Security weer te
geven en druk op Enter.
5
Voer in het scherm voor invoer van het wachtwoord eenmaal het huidige wachtwoord in en voer vervolgens tweemaal het
nieuwe wachtwoord in. Druk op Enter.
Als u het wachtwoord wilt verwijderen, laat u Enter New Password en Confirm New Password leeg en drukt u op Enter.
6
Druk op de toets < of , om Exit te selecteren en selecteer Exit Setup. Druk vervolgens op Enter.
Druk wanneer om bevestiging wordt gevraagd op Enter.
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
n 117 N
Het Windows-wachtwoord instellen
Het Windows-wachtwoord toevoegen
1
Klik op Start en Configuratiescherm.
2
Klik op het pictogram Gebruikersaccounts en Ouderlijk toezicht of Gebruikersaccounts.
3
Klik op Gebruikersaccounts.
4
Klik op Een wachtwoord voor uw account instellen onder Uw gebruikersaccount wijzigen.
5
Voer in de velden Nieuw wachtwoord en Bevestig het nieuwe wachtwoord het wachtwoord voor uw account in.
6
Klik op Wachtwoord instellen.
Zie Windows Help en ondersteuning voor meer informatie over het Windows-wachtwoord.
Het Windows-wachtwoord wijzigen
1
Klik op Start en Configuratiescherm.
2
Klik op het pictogram Gebruikersaccounts en Ouderlijk toezicht of Gebruikersaccounts.
3
Klik op Gebruikersaccounts.
4
Klik op Uw wachtwoord wijzigen.
5
Voer in het veld Huidig wachtwoord het huidige wachtwoord in.
6
Voer in de velden Nieuw wachtwoord en Bevestig het nieuwe wachtwoord het nieuwe wachtwoord in.
7
Klik op Wachtwoord wijzigen.
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
Het Windows-wachtwoord verwijderen
1
Klik op Start en Configuratiescherm.
2
Klik op het pictogram Gebruikersaccounts en Ouderlijk toezicht of Gebruikersaccounts.
3
Klik op Gebruikersaccounts.
4
Klik op Uw wachtwoord verwijderen.
5
Voer in het veld Huidig wachtwoord het huidige wachtwoord in dat u wilt verwijderen.
6
Klik op Wachtwoord verwijderen.
n 118 N
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
n 119 N
Het wachtwoord voor de harde schijf instellen
Het wachtwoord voor de harde schijf toevoegen
1
Zet de computer aan.
2
Druk op F2 wanneer het VAIO-logo verschijnt.
Het scherm BIOS Setup verschijnt. Als dit scherm niet verschijnt, start u de computer opnieuw op en drukt u meerdere
keren op de toets F2 als het VAIO-logo verschijnt.
Als u het opstartwachtwoord hebt ingesteld, voert u het opstartwachtwoord in.
3
Druk op de knop < of , om Security te selecteren om het tabblad Security weer te geven. Selecteer Hard Disk
Password en druk op Enter.
Vervolgens verschijnt het invoerscherm Hard Disk Password.
4
Selecteer Enter Master and User Passwords en druk op Enter.
5
Selecteer op het waarschuwingsscherm de optie Continue en druk op Enter.
6
Voer het hoofdwachtwoord tweemaal in en druk op Enter.
Het wachtwoord mag maximaal 32 alfanumerieke tekens lang zijn (inclusief spaties).
7
Voer het gebruikerswachtwoord tweemaal in en druk op Enter.
Het wachtwoord mag maximaal 32 alfanumerieke tekens lang zijn (inclusief spaties).
8
Druk wanneer om bevestiging wordt gevraagd op Enter.
9
Druk op Esc en vervolgens op < of , om het tabblad Exit te selecteren.
10 Druk op M of m om Exit Setup te selecteren en druk op Enter.
Druk wanneer om bevestiging wordt gevraagd op Enter.
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
n 120 N
Het wachtwoord voor de harde schijf wijzigen
1
Zet de computer aan.
2
Druk op F2 wanneer het VAIO-logo verschijnt.
Het scherm BIOS Setup verschijnt. Als dit scherm niet verschijnt, start u de computer opnieuw op en drukt u meerdere
keren op de toets F2 als het VAIO-logo verschijnt.
Als u het opstartwachtwoord hebt ingesteld, voert u het opstartwachtwoord in.
3
Druk op de knop < of , om Security te selecteren om het tabblad Security weer te geven. Selecteer Hard Disk
Password en druk op Enter.
Vervolgens verschijnt het invoerscherm Hard Disk Password.
4
Selecteer Change Master Password of Change User Password en druk op Enter.
5
Voer het huidige wachtwoord eenmaal in en voer het nieuwe wachtwoord tweemaal in.
6
Druk op Enter.
7
Druk op Enter wanneer het bericht dat het gelukt is, wordt weergegeven.
8
Druk op Esc en vervolgens op < of , om het tabblad Exit te selecteren.
9
Druk op M of m om Exit Setup te selecteren en druk op Enter.
Druk wanneer om bevestiging wordt gevraagd op Enter.
Uw VAIO-computer aanpassen >
Het wachtwoord instellen
n 121 N
Het wachtwoord voor de harde schijf verwijderen
1
Zet de computer aan.
2
Druk op F2 wanneer het VAIO-logo verschijnt.
Het scherm BIOS Setup verschijnt. Als dit scherm niet verschijnt, start u de computer opnieuw op en drukt u meerdere
keren op de toets F2 als het VAIO-logo verschijnt.
Als u het opstartwachtwoord hebt ingesteld, voert u het opstartwachtwoord in.
3
Druk op de knop < of , om Security te selecteren om het tabblad Security weer te geven. Selecteer Hard Disk
Password en druk op Enter.
Vervolgens verschijnt het invoerscherm Hard Disk Password.
4
Selecteer Enter Master and User Passwords en druk op Enter.
5
Voer het huidige wachtwoord in bij Enter Current Hard Disk Master Password en druk op Enter.
6
Druk op Enter zonder dat u iets in de overige velden hebt ingevoerd.
7
Druk op Enter wanneer het bericht dat het gelukt is, wordt weergegeven.
8
Druk op Esc en vervolgens op < of , om het tabblad Exit te selecteren.
9
Druk op M of m om Exit Setup te selecteren en druk op Enter.
Druk wanneer om bevestiging wordt gevraagd op Enter.
Uw VAIO-computer aanpassen >
Intel(R) VT gebruiken
n 122 N
Intel(R) VT gebruiken
Met Intel(R) Virtualization Technology (VT) kunt u software voor hardwarevirtualisatie gebruiken om de prestaties van uw
computer te verbeteren.
!
Of Intel VT beschikbaar is, hangt af van de CPU die in de computer is geïnstalleerd.
Neem voor meer informatie over virtualisatie en over het gebruiken van de software voor hardwarevirtualisatie, contact op met de leverancier van de
software.
Intel VT inschakelen
1
Zet de computer aan.
2
Druk op F2 wanneer het VAIO-logo verschijnt.
Het scherm BIOS Setup verschijnt. Als dit scherm niet verschijnt, start u de computer opnieuw op en drukt u meerdere
keren op de toets F2 als het VAIO-logo verschijnt.
3
Druk op de toets < of , om Advanced te selecteren.
4
Druk op de toets M of m om Intel(R) Virtualization Technology of Intel(R) VT te selecteren, druk op Enter, selecteer
Enabled en druk nogmaals op Enter.
!
Als het tabblad Advanced niet wordt weergegeven in het venster BIOS Setup of als u Intel(R) Virtualization Technology niet kunt selecteren, is Intel
VT niet beschikbaar op de computer.
5
Druk op de toets < of , om Exit te selecteren en selecteer Exit Setup. Druk vervolgens op Enter.
Druk wanneer om bevestiging wordt gevraagd op Enter.
Uw VAIO-computer aanpassen >
VAIO Control Center gebruiken
n 123 N
VAIO Control Center gebruiken
Met het hulpprogramma VAIO Control Center kunt u systeeminformatie bekijken en voorkeuren voor de werking van het
systeem instellen.
VAIO Control Center gebruiken
1
Klik op Start, Alle programma's en VAIO Control Center.
2
Selecteer het gewenste besturingselement en wijzig de instellingen.
3
Als u klaar bent, klikt u op OK.
De instelling van het gewenste item is gewijzigd.
Raadpleeg het Help-bestand dat bij VAIO Control Center wordt geleverd voor meer informatie over de verschillende opties.
Niet alle besturingselementen zijn zichtbaar als u VAIO Control Center opent als een standaardgebruiker.
Uw VAIO-computer aanpassen >
VAIO Energiebeheer gebruiken
n 124 N
VAIO Energiebeheer gebruiken
Met de functies voor energiebeheer kunt u energiebeheerschema's instellen voor werking op netstroom of batterijvoeding,
geheel aangepast aan uw eisen op het gebied van energieverbruik.
VAIO Energiebeheer (VAIO Power Management) wordt toegevoegd aan Energiebeheer van Windows. Met deze
softwaretoepassing kunt u de functies van Windows Energiebeheer gebruiken om een betere werking van de computer en
een langere levensduur van de batterijen zeker te stellen.
Een energiebeheerschema selecteren
Wanneer u de computer start, verschijnt een pictogram met de energiebeheerstatus op de taakbalk. Dit pictogram geeft aan
welke stroombron u momenteel gebruikt. Klik op dit pictogram om een venster te openen waarin de energiebeheerstatus
wordt weergegeven.
Een energiebeheerschema selecteren
1
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram met de energiebeheerstatus op de taakbalk en selecteer Energiebeheer.
2
Selecteer het gewenste energiebeheerschema.
De instellingen voor het energiebeheerschema wijzigen
1
Klik op De schema-instellingen wijzigen onder het gewenste energiebeheerschema in het venster Energiebeheer.
Breng de gewenste wijzigingen aan in de instellingen voor de slaapstand en het scherm.
2
Als u de geavanceerde instellingen moet wijzigen, klikt u op Geavanceerde energie-instellingen wijzigen en gaat u
naar stap 3.
Als dat niet het geval is, klikt u op Wijzigingen opslaan.
3
Klik op het tabblad VAIO Energiebeheer (VAIO Power Management).
Wijzig de instellingen van de verschillende items.
Uw VAIO-computer aanpassen >
VAIO Energiebeheer gebruiken
4
n 125 N
Klik op OK.
U kunt de huidige instellingen voor het energiebeheerschema controleren via De weergave van VAIO Energiebeheer (VAIO Power Management Viewer)
in het VAIO Control Center.
Uw VAIO-computer aanpassen >
De weergavetaal wijzigen
n 126 N
De weergavetaal wijzigen
Bij modellen met Windows 7 Ultimate of Windows 7 Enterprise kunt u het gewenste taalpakket downloaden en installeren.
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
!
U moet verbinding hebben met het internet om een taalpakket te kunnen downloaden. Zie Het internet gebruiken (pagina 63) voor informatie over hoe
u de computer kunt verbinden met het internet.
Een taalpakket installeren
1
Klik op Start, Alle programma's en Windows Update.
2
Klik op xx (aantal) optionele updates zijn beschikbaar.
3
Selecteer het gewenste taalpakket in de lijst.
4
Klik op OK om te beginnen met het downloaden en installeren van het geselecteerde taalpakket.
De weergavetaal wijzigen
1
Klik op Start, Configuratiescherm en Klok, taal en regio.
2
Klik op Land en taal.
3
Klik op het tabblad Toetsenborden en talen.
4
Kies een weergavetaal uit de vervolgkeuzelijst.
5
Klik op OK.
Uw VAIO-computer aanpassen >
De harde schijf beschermen
n 127 N
De harde schijf beschermen
Als uw computer is uitgerust met een ingebouwde harde schijf, is het hulpprogramma VAIO HDD Protection vooraf
geïnstalleerd, zodat u uw instellingen voor de bescherming van uw harde schijf tegen schokken kunt aanpassen. U kunt het
gevoeligheidsniveau van de ingebouwde schoksensor selecteren om het juiste beschermingsniveau in te stellen.
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
!
Houd er rekening mee dat de solid-state schijf niet onder het bereik van het hulpprogramma VAIO HDD Protection valt.
VAIO HDD Protection activeren
Wanneer u uw harde schijf wilt beschermen tegen schokken, moet u eerst VAIO HDD Protection activeren.
VAIO HDD Protection activeren
1
Klik op Start, Alle programma's en VAIO Control Center.
2
Klik op Veiligheid (Security) en Instellingen voor de harde schijf-beveiliging (Hard Disk Drive Protection Settings).
3
Schakel het selectievakje Activate hard disk drive protection in.
4
Selecteer het gewenste gevoeligheidsniveau.
5
Klik op OK.
Raadpleeg voor meer informatie het Help-bestand dat bij de software wordt geleverd.
!
VAIO HDD Protection is speciaal ontwikkeld om de kans op schade aan de harde schijven en gebruikersgegevens tot een minimum te beperken.
Het hulpprogramma biedt in geen enkele situatie 100% beveiliging van de gegevens.
Uw VAIO-computer uitbreiden >
n 128 N
Uw VAIO-computer uitbreiden
Uw VAIO-computer en de geheugenmodules bevatten precisieonderdelen en werken op basis van een elektronischeconnectortechnologie. Om te vermijden dat de garantie vervalt tijdens de garantieperiode voor het product, volgt u de
onderstaande aanbevelingen:
❑ Neem contact op met de dealer als u een nieuwe geheugenmodule wilt installeren.
❑ Installeer geheugenmodules nooit zelf, tenzij u hiermee vertrouwd bent.
❑ Raak de connectors niet aan en open het kapje van het geheugenmodulecompartiment niet.
Neem contact op met een bevoegd service-/supportcenter van Sony. Ga naar Meer informatie over uw VAIO-computer
(pagina 5) om een center of vertegenwoordiger bij u in de buurt te zoeken.
Het type module en de hoeveelheid geheugen die op uw computer zijn geïnstalleerd, zijn afhankelijk van het model dat u hebt gekocht.
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
Uw VAIO-computer uitbreiden >
Geheugen toevoegen en verwijderen
n 129 N
Geheugen toevoegen en verwijderen
Als u de functies van uw computer wilt uitbreiden, kunt u de hoeveelheid geheugen uitbreiden door optionele geheugenmodules
te installeren. Voordat u een upgrade uitvoert voor het geheugen van uw computer, leest u de opmerkingen en procedures
op de volgende pagina's.
Opmerkingen over het toevoegen/verwijderen van geheugenmodules
❑ Plaats de computer op een plat oppervlak voordat u geheugenmodules toevoegt of verwijdert.
❑ Wees voorzichtig als u het geheugen vervangt. Onjuiste installatie van geheugenmodules kan schade aan het systeem
veroorzaken. Hierdoor kan de garantie van de fabrikant vervallen.
❑ Gebruik alleen geheugenmodules die compatibel zijn met de computer. Als een geheugenmodule niet door de computer
wordt gedetecteerd of het besturingssysteem Windows instabiel gedrag vertoont, neemt u contact op met de leverancier
of de fabrikant van uw geheugenmodule.
❑ Elektrostatische ontlading (ESD) kan elektronische componenten beschadigen. Zorg voordat u een geheugenmodule
aanraakt voor het volgende:
❑ Bij de stappen die worden beschreven in dit document wordt verondersteld dat u vertrouwd bent met algemene
computerterminologie en met de veiligheidsgebruiken en wettelijke voorschriften inzake het gebruik en de aanpassing
van elektronische apparatuur.
❑ Schakel de computer uit en koppel deze los van de voedingen (batterij en netadapter) en van alle
telecommunicatieverbindingen, netwerken of modems voordat u een kap of paneel van de computer verwijdert.
Als u dit niet doet, kan dit leiden tot lichamelijk letsel en/of materiële schade.
❑ ESD kan geheugenmodules en andere onderdelen beschadigen. Installeer de geheugenmodule alleen op een
ESD-werkstation. Als geen ESD-werkstation beschikbaar is, mag u niet werken in een ruimte met een vloerbedekking
en mag u geen materialen hanteren die statische elektriciteit kunnen opwekken of vasthouden (bijvoorbeeld
cellofaanverpakking). Maak een verbinding tussen uzelf en de aarde door een ongelakt, metalen deel van de behuizing
vast te houden terwijl u het werk uitvoert.
Uw VAIO-computer uitbreiden >
Geheugen toevoegen en verwijderen
n 130 N
❑ Open de verpakking van de geheugenmodule pas op het moment dat u klaar bent om de module te installeren.
De verpakking beschermt de module tegen ESD.
❑ Gebruik het speciale zakje dat wordt geleverd met de geheugenmodule of wikkel de module in aluminiumfolie om deze
te beschermen tegen ESD.
❑ Het binnendringen van vloeistoffen, andere substanties of objecten in de geheugenmodulesleuven of in andere interne
componenten van de computer leidt tot schade aan de computer. Reparatiekosten vallen dan niet meer onder de garantie.
❑ Leg de geheugenmodule niet op een plaats die blootstaat aan:
❑ Warmtebronnen (bijvoorbeeld radiators of luchtkanalen)
❑ Direct zonlicht
❑ Veel stof
❑ Mechanische trillingen of schokken
❑ Sterke magneten of luidsprekers die niet magnetisch zijn afgeschermd
❑ Omgevingstemperaturen van meer dan 35°C of minder dan 5°C
❑ Hoge vochtigheid
❑ Behandel de geheugenmodule voorzichtig. Raak de randen van de onderdelen en printplaten in de computer niet aan,
om te voorkomen dat u uw handen of vingers verwondt.
Uw VAIO-computer uitbreiden >
Geheugen toevoegen en verwijderen
n 131 N
Een geheugenmodule verwijderen en installeren
Een geheugenmodule verwisselen of toevoegen
1
Sluit de computer af en koppel alle randapparaten los.
2
Haal de stekker uit het stopcontact en verwijder de batterij.
3
Wacht ongeveer een uur tot de computer is afgekoeld.
4
Schroef de schroef (die wordt aangegeven door de onderstaande pijl) aan de onderzijde van de computer los en verwijder
het kapje van het geheugenmodulecompartiment.
5
Raak een metalen voorwerp aan om statische elektriciteit te ontladen.
Uw VAIO-computer uitbreiden >
Geheugen toevoegen en verwijderen
6
Verwijder de aanwezige geheugenmodule als volgt:
❑ Trek de palletjes in de richting van de pijlen (1).
De geheugenmodule komt nu los.
❑ Zorg dat de geheugenmodule omhoog kantelt en trek deze in de richting van de pijl naar buiten (2).
7
Haal de nieuwe geheugenmodule uit de verpakking.
n 132 N
Uw VAIO-computer uitbreiden >
Geheugen toevoegen en verwijderen
8
n 133 N
Schuif de geheugenmodule in de geheugenmodulesleuf en druk die naar binnen totdat die vastklikt.
!
Raak geen andere onderdelen van het moederbord aan dan de geheugenmodule.
Als u slechts één geheugenmodule wilt installeren, moet u de onderste sleuf gebruiken.
Zorg dat u de connectorrand van de geheugenmodule in de sleuf plaatst zodat de inkeping in de module in het kleine uitsteeksel in de open sleuf past.
Forceer de geheugenmodule nooit omgekeerd in de sleuf, omdat de sleuf en de module hierdoor beschadigd kunnen raken.
9
Plaats het kapje van het geheugenmodulecompartiment weer terug.
10 Draai de schroef voorzichtig vast.
11 Plaats de batterij weer terug en schakel de computer in.
Uw VAIO-computer uitbreiden >
Geheugen toevoegen en verwijderen
n 134 N
De geheugencapaciteit controleren
De geheugencapaciteit controleren
1
Zet de computer aan.
2
Klik op Start, Alle programma's en VAIO Control Center.
3
Klik op Systeeminformatie (System Information) en Systeeminformatie (System Information).
U kunt de geheugencapaciteit van het systeem bekijken in het rechterdeelvenster. Als het nieuw geïnstalleerde geheugen
niet verschijnt, herhaalt u de installatieprocedure en start u de computer opnieuw op.
Voorzorgsmaatregelen >
n 135 N
Voorzorgsmaatregelen
In dit deel worden de veiligheidsrichtlijnen en voorzorgsmaatregelen beschreven om beschadiging van de VAIO-computer te
voorkomen.
❑ Informatie over de veiligheid (pagina 136)
❑ Informatie over reinigen en onderhoud (pagina 139)
❑ Met de computer omgaan (pagina 140)
❑ Met het LCD-scherm omgaan (pagina 142)
❑ De stroomvoorziening gebruiken (pagina 143)
❑ Met de ingebouwde camera omgaan (pagina 144)
❑ Met schijven omgaan (pagina 145)
❑ De batterij gebruiken (pagina 146)
❑ Memory Sticks hanteren (pagina 147)
❑ Met het ingebouwde opslagapparaat omgaan (pagina 148)
❑ Vingerafdrukverificatie gebruiken (pagina 149)
Voorzorgsmaatregelen >
Informatie over de veiligheid
n 136 N
Informatie over de veiligheid
Computer
❑ Gebruik de computer op een stevig, stabiel oppervlak.
❑ Zorg voor voldoende luchtcirculatie om te voorkomen dat de temperatuur in de computer te hoog oploopt. Plaats de
computer nooit op zachte oppervlakken zoals tapijten, dekens, zitbanken of bedden, of in de nabijheid van gordijnen,
omdat hierdoor de ventilatieopeningen geblokkeerd kunnen raken.
❑ Het is raadzaam de computer niet direct op uw schoot te plaatsen. De temperatuur van de basis van de eenheid kan
tijdens normaal gebruik oplopen en na verloop van tijd enig ongemak of zelfs brandwonden veroorzaken.
❑ Gebruik alleen de aanbevolen randapparaten en interfacekabels.
Voedingsbron
❑ Voorkom dat de netvoedingsadapter in aanraking komt met uw huid. Houd de netvoedingsadapter niet vlakbij uw lichaam
omdat de warmte ongemak kan veroorzaken.
❑ Plaats geen zware voorwerpen op het netsnoer omdat dit brand kan veroorzaken.
❑ Houd het netsnoer altijd vast bij de stekker als u het uit het stopcontact trekt. Trek nooit aan het snoer zelf.
❑ Verwijder de stekker van de computer uit het stopcontact als u van plan bent de computer gedurende langere tijd niet te
gebruiken.
❑ Trek de netadapter uit het stopcontact als u deze niet gebruikt.
❑ Zorg ervoor dat er een gemakkelijk toegankelijk stopcontact is.
Voorzorgsmaatregelen >
Informatie over de veiligheid
n 137 N
Batterij
❑ Stel de batterij nooit bloot aan een temperatuur van meer dan 60°C (bijvoorbeeld in direct zonlicht of in een auto die
geparkeerd staat in de zon).
❑ Voor uw veiligheid wordt u ten zeerste aanbevolen de originele oplaadbare batterijen en netadapters van Sony te gebruiken
die voldoen aan de kwaliteitsnormen en die Sony voor uw VAIO-computer levert. Sommige VAIO-computers werken
mogelijk alleen met een originele Sony-batterij.
❑ Plaats de batterij nooit in de buurt van een warmtebron.
❑ Houd de batterij droog.
❑ Open de batterij niet en probeer deze niet uit elkaar te halen.
❑ Stel de batterij niet bloot aan mechanische schokken, zoals bij een val op een hard oppervlak.
❑ Als u de computer langere tijd niet gebruikt, verwijdert u de batterij uit de computer om te vermijden dat deze beschadigd
raakt.
❑ Als u de batterij geruime tijd niet hebt gebruikt, is deze mogelijk bijna leeg. Dit is normaal en wijst niet op een defect.
De batterij raakt geleidelijk aan leeg, zelfs wanneer u deze niet gebruikt. Sluit de netadapter op de computer aan en laad
de batterij op voordat u de computer weer gebruikt.
Hoofdtelefoon
❑ Verkeersveiligheid: gebruik geen hoofdtelefoon terwijl u een voertuig/rijtuig bestuurt, fietst of een gemotoriseerd voertuig
bedient. Dit is niet alleen gevaarlijk, maar is in sommige landen zelfs bij wet verboden. Loop niet rond met een hoofdtelefoon
met luide muziek. Dit kan gevaarlijk zijn, vooral op zebrapaden.
❑ Gehoorbeschadiging voorkomen: zet het volume van de hoofdtelefoon niet te hoog. Oorartsen raden af voortdurend en
langdurig luide muziek te beluisteren. Als uw oren beginnen te suizen, verlaagt u het volume of zet u de hoofdtelefoon af.
Voorzorgsmaatregelen >
Informatie over de veiligheid
Memory Stick
Houd Memory Sticks en Memory Stick-adapters buiten het bereik van kinderen. Ze kunnen deze inslikken.
n 138 N
Voorzorgsmaatregelen >
Informatie over reinigen en onderhoud
n 139 N
Informatie over reinigen en onderhoud
Computer
❑ Reinig de behuizing met een zachte, droge of licht bevochtigde doek met een milde oplossing van een schoonmaakmiddel.
Gebruik nooit schuursponsjes, schuurmiddelen of oplosmiddelen zoals alcohol en benzeen, omdat deze de afwerkingslaag
van de computer kunnen beschadigen.
❑ Zorg ervoor dat u altijd de netadapter en de batterij loskoppelt voordat u de computer schoonmaakt.
LCD-scherm
Gebruik een zachte, droge doek om het oppervlak van het LCD-scherm schoon te wrijven. Het scherm kan beschadigd raken
door het wrijven over het oppervlak.
Ingebouwde camera
Maak de lensbeschermingskap van de ingebouwde camera schoon met een lensblazer of een zachte borstel. Als de kap
extreem vuil is, maakt u deze schoon met een zachte, droge doek. Wrijf niet over de kap, aangezien deze gevoelig is voor druk.
Schijven
❑ De betrouwbaarheid van een schijf is alleen gewaarborgd wanneer u hier zorgvuldig mee omgaat. Gebruik nooit
wasbenzine of andere oplosmiddelen, thinner, alcohol, schoonmaakmiddelen of antistatische sprays, omdat de schijf
hierdoor beschadigd kan raken.
❑ Als u een schijf wilt reinigen, houdt u de schijf vast aan de randen en wrijft u deze met een zacht doekje van binnen naar
buiten schoon.
❑ Als de schijf erg vuil is, bevochtigt u een zacht doekje met water, wringt u het goed uit en wrijft u het oppervlak van de
schijf van binnen naar buiten schoon. Wrijf de schijf vervolgens goed droog met een droge, zachte doek.
Voorzorgsmaatregelen >
Met de computer omgaan
n 140 N
Met de computer omgaan
❑ Als er een voorwerp of vloeistof in de computer terechtkomt, sluit u de computer onmiddellijk af, verwijdert u de stekker
uit het stopcontact en verwijdert u de batterij. Het is aan te raden de computer door een gekwalificeerde reparateur te
laten nakijken voordat u de computer weer gebruikt.
❑ Laat de computer niet vallen en plaats geen voorwerpen op de computer.
❑ Plaats de computer niet op een locatie die blootstaat aan:
❑ Warmtebronnen (bijvoorbeeld radiators of luchtkanalen)
❑ Direct zonlicht
❑ Veel stof
❑ Vocht of regen
❑ Mechanische trillingen of schokken
❑ Sterke magneten of luidsprekers die niet magnetisch zijn afgeschermd
❑ Omgevingstemperaturen van meer dan 35°C of minder dan 5°C
❑ Hoge vochtigheid
❑ Plaats geen elektronische apparatuur in de nabijheid van de computer. Het elektromagnetische veld van de apparaten
kan een storing op de computer veroorzaken.
❑ De computer gebruikt hoogfrequente radiosignalen die de radio- of TV-ontvangst kunnen storen. Als dit gebeurt,
verplaatst u de computer naar een locatie op voldoende afstand van de radio of TV.
❑ Gebruik geen beschadigde aansluitkabels.
❑ Wanneer de computer snel van een koude naar een warme ruimte wordt overgebracht, kan er in de computer condensatie
van waterdamp optreden. Wacht in een dergelijke situatie minimaal een uur voordat u de computer inschakelt. Als zich
problemen voordoen, haalt u de stekker van de computer uit het stopcontact en neemt u contact op met een bevoegd
service-/supportcenter van Sony. Ga naar Meer informatie over uw VAIO-computer (pagina 5) om een center of
vertegenwoordiger bij u in de buurt te zoeken.
Voorzorgsmaatregelen >
Met de computer omgaan
n 141 N
❑ Maak regelmatig een reservekopie van uw gegevens om te voorkomen dat er gegevens verloren gaan in geval de computer
beschadigd raakt.
❑ Oefen geen druk uit op het LCD-scherm of de randen van het scherm wanneer u het LCD-scherm openklapt of de
computer optilt. Mogelijk is het LCD-scherm gevoelig voor druk of scheeftrekken en kan het uitoefenen van druk het
scherm beschadigen of de werking ervan verminderen. Als u de computer wilt openen, houdt u met één hand de
basiseenheid vast en klapt u met de andere hand voorzichtig het LCD-scherm open. Als u met de computer wilt rondlopen
met het scherm open, moet u de computer met beide handen vasthouden.
❑ Gebruik voor het dragen van de computer een draagtas die speciaal voor uw computer is ontworpen.
Voorzorgsmaatregelen >
Met het LCD-scherm omgaan
n 142 N
Met het LCD-scherm omgaan
❑ Stel het LCD-scherm niet bloot aan direct zonlicht. Hierdoor kan het LCD-scherm beschadigd raken. Zorg dat u direct
zonlicht tegenhoudt als u de computer gebruikt in de nabijheid van een venster.
❑ Kras niet over het oppervlak van het LCD-scherm en oefen er geen druk op uit. Dit kan schade veroorzaken.
❑ Als u de computer gebruikt bij een lage omgevingstemperatuur, kan het beeld op het LCD-scherm wat blijven hangen.
Dit wijst niet op een defect. Als de computer terug op normale temperatuur komt, doet dit probleem zich niet meer voor.
❑ Het beeld op het LCD-scherm kan enigszins blijven hangen als hetzelfde beeld geruime tijd wordt weergegeven. Na enige
tijd verdwijnt dit 'beeldrestant'. U kunt een schermbeveiliging gebruiken om te vermijden dat het beeld inbrandt in het
scherm.
❑ Het LCD-scherm wordt warm tijdens het gebruik van de computer. Dit is normaal en wijst niet op een defect.
❑ Het LCD-scherm is geproduceerd met behulp van precisietechnologie. Het is echter mogelijk dat voortdurend heel kleine
zwarte en/of heldere puntjes (rood, blauw of groen) verschijnen op het LCD-scherm. Dit is een normaal gevolg van het
productieproces en wijst niet op een defect.
❑ Wijzig de instelling voor de richting van het LCD-scherm niet in het scherm Instellingen voor Tablet PC, zelfs niet als er
wijzigingsopties beschikbaar zijn voor selectie. Hierdoor kan de computer instabiel worden. Sony accepteert geen enkele
aansprakelijkheid voor enige defecten die voortvloeien uit het wijzigen van de instellingen.
❑ Oefen geen druk uit op het LCD-scherm wanneer dit gesloten is. Als u dit wel doet, kunnen er krassen op het LCD-scherm
ontstaan of kan het vuil worden.
Voorzorgsmaatregelen >
De stroomvoorziening gebruiken
n 143 N
De stroomvoorziening gebruiken
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
❑ Sluit op het stopcontact waarop de computer is aangesloten geen andere toestellen aan die stroom verbruiken
(bijvoorbeeld een kopieerapparaat of papierversnipperaar).
❑ U kunt een contactdoos met een stroomstootbeveiliging kopen. Dit apparaat helpt te voorkomen dat de computer
beschadigd raakt door stroomstoten, die zich bijvoorbeeld kunnen voordoen tijdens onweer met bliksem.
❑ Gebruik uitsluitend de netadapter die wordt geleverd met de computer of originele Sony-producten. Gebruik geen enkele
andere netadapter omdat hierdoor een storing kan worden veroorzaakt.
Voorzorgsmaatregelen >
Met de ingebouwde camera omgaan
n 144 N
Met de ingebouwde camera omgaan
❑ Raak de lensbeschermingskap van de ingebouwde camera niet aan. Als u dit wel doet, kunnen er krassen op de kap
ontstaan, die te zien zijn op de vastgelegde beelden.
❑ Laat geen direct zonlicht in de lens van de ingebouwde camera vallen, ongeacht de energiemodus van de computer.
Dit kan zorgen dat de camera niet goed werkt.
Voorzorgsmaatregelen >
Met schijven omgaan
n 145 N
Met schijven omgaan
❑ Vingerafdrukken en stof op het oppervlak van een schijf kunnen tot leesfouten leiden. Houd een schijf vast bij de rand en
het gat in het midden, zoals hieronder wordt weergegeven:
❑ Plak nooit een label op de schijf. De schijf wordt dan mogelijk definitief onbruikbaar.
Voorzorgsmaatregelen >
De batterij gebruiken
n 146 N
De batterij gebruiken
❑ De batterij raakt sneller leeg bij lage temperaturen. Dit komt doordat het rendement van de batterij afneemt bij lage
temperaturen.
❑ Laad de batterijen op bij een temperatuur tussen 10°C en 30°C. Bij lagere temperaturen duurt het opladen langer.
❑ Er wordt hitte gecumuleerd in de batterij terwijl deze wordt gebruikt of opgeladen. Dit is normaal en is geen reden tot
bezorgdheid.
❑ U hoeft de batterij niet te ontladen vóór u deze opnieuw oplaadt.
❑ Als de batterij snel leeg raakt nadat u deze volledig hebt opgeladen, heeft de batterij waarschijnlijk het einde van de
gebruiksduur bereikt en dient u de batterij te vervangen.
Voorzorgsmaatregelen >
Memory Sticks hanteren
n 147 N
Memory Sticks hanteren
❑ Raak de connector van een Memory Stick niet aan met uw vingers of een metalen voorwerp.
❑ Gebruik alleen het label dat wordt geleverd bij de Memory Stick.
❑ Buig een Memory Stick niet, laat hem niet vallen of stel hem niet bloot aan schokken.
❑ Haal een Memory Stick niet uit elkaar of wijzig deze niet.
❑ Houd de Memory Stick droog.
❑ Gebruik of bewaar een Memory Stick niet op plaatsen die blootstaan aan:
❑ Statische elektriciteit
❑ Elektrische ruis
❑ Extreem hoge temperaturen (bijvoorbeeld in een auto die geparkeerd staat in de zon)
❑ Direct zonlicht
❑ Hoge vochtigheid
❑ Corrosieve stoffen
❑ Gebruik het opbergdoosje dat wordt geleverd bij de Memory Stick.
❑ Zorg ervoor dat u een back-up maakt van belangrijke gegevens.
❑ Gebruik bij het gebruik van een Memory Stick Duo geen pen met een fijne punt om het label van de Memory Stick Duo
te beschrijven. Als u druk uitoefent op de Memory Stick Duo, kunt u interne onderdelen beschadigen.
Voorzorgsmaatregelen >
Met het ingebouwde opslagapparaat omgaan
n 148 N
Met het ingebouwde opslagapparaat omgaan
Het ingebouwde opslagapparaat (harde schijf of solid-state schijf) heeft een hoge opslagdichtheid en kan in hoog tempo
gegevens lezen of schrijven. Het is echter ook heel kwetsbaar bij onjuist gebruik. Als het ingebouwde opslagapparaat
beschadigd is, kunnen de gegevens niet worden hersteld. Ga voorzichtig om met de computer om gegevensverlies te
voorkomen.
Mogelijk zijn niet alle voorzieningen en opties uit dit gedeelte beschikbaar op uw computer.
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
Beschadiging van de harde schijf vermijden
❑ Stel de computer nooit bloot aan plotselinge bewegingen.
❑ Plaats de computer nooit in de buurt van een magneet.
❑ Plaats de computer niet op een locatie die blootstaat aan mechanische trillingen of die niet stabiel is.
❑ Verplaats de computer niet terwijl de stroom is ingeschakeld.
❑ Schakel de stroom niet uit of start de computer niet opnieuw op terwijl gegevens worden gelezen van of geschreven naar
de harde schijf.
❑ Gebruik de computer niet op een plaats die blootstaat aan extreme temperatuurschommelingen.
❑ Verwijder de harde schijf niet uit de computer.
Beschadiging van de solid-state schijf vermijden
❑ Schakel de stroom niet uit of start de computer niet opnieuw op terwijl gegevens worden gelezen van of geschreven naar
de solid-state schijf.
❑ Verwijder de solid-state schijf niet uit de computer.
Voorzorgsmaatregelen >
Vingerafdrukverificatie gebruiken
n 149 N
Vingerafdrukverificatie gebruiken
Mogelijk zijn niet alle voorzieningen en opties uit dit gedeelte beschikbaar op uw computer.
Zie de specificaties voor informatie over de configuratie van uw computer.
❑ De vingerafdrukverificatietechnologie zorgt niet voor complete gebruikersverificatie en staat niet garant voor volledige
beveiliging van uw gegevens en hardware.
Sony accepteert geen aansprakelijkheid voor problemen en schade voortvloeiend uit het gebruik van de vingerafdruksensor
door u of de onmogelijkheid om die te gebruiken.
❑ De mate van herkenning van vingerafdrukken is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden en verschilt bovendien per
persoon.
❑ Maak voordat u uw computer ter reparatie aanbiedt een reservekopie van de gegevens die zijn opgeslagen op het
ingebouwde opslagapparaat, en dan met name van gegevens in de gecodeerde archiefbestanden die u hebt gemaakt
met de functie File Safe.
Sony accepteert geen aansprakelijkheid voor eventueel verlies van of wijzigingen in uw gegevens tijdens een reparatie.
❑ Wanneer het ingebouwde opslagapparaat moet worden geïnitialiseerd, bijvoorbeeld na de reparatie, gaan de
vingerafdruksjablonen verloren. U zult deze dan opnieuw moeten registreren.
❑ Het onderhoud en beheer van gegevens met betrekking tot de vingerafdrukverificatie moet u voor eigen risico uitvoeren.
Sony accepteert geen aansprakelijkheid voor defecten die het gevolg zijn van het onderhoud en beheer van gegevens
door u.
❑ Voordat u uw computer wegdoet of aan een derde geeft, is het raadzaam de vingerafdrukgegevens die zijn geregistreerd
in de vingerafdruksensor te wissen nadat u de gegevens die zijn opgeslagen op het ingebouwde opslagapparaat hebt
gewist. Zie De geregistreerde vingerafdrukken wissen (pagina 86) voor de gedetailleerde procedure.
Voorzorgsmaatregelen >
Vingerafdrukverificatie gebruiken
n 150 N
❑ Een vingerafdruksensor werkt mogelijk niet goed of kan beschadigd raken wanneer u het oppervlak ervan bekrast met:
❑ een hard of puntig voorwerp
❑ kleine voorwerpen, bijvoorbeeld wanneer u een vinger met vuil erop over de vingerafdruksensor haalt
❑ Ontlaad voordat u uw vingerafdruk scant statische elektriciteit van uw vinger door een metalen voorwerp aan te raken.
Dit is vooral bij droge weerstomstandigheden (bijvoorbeeld bij vorst) van belang. Mogelijk werkt de vingerafdruksensor
niet goed wanneer er sprake is van statische elektriciteit.
Problemen oplossen >
n 151 N
Problemen oplossen
In deze sectie wordt beschreven hoe u veelvoorkomende problemen met de VAIO-computer kunt oplossen. Veel problemen
zijn eenvoudig op te lossen. Als u met de hier gegeven suggesties uw problemen niet kunt verhelpen, gebruikt u de functie
VAIO Care. Zie VAIO Care gebruiken (pagina 31) voor een beschrijving van de manier waarop u de software start.
Als u ook daarmee uw problemen niet kunt verhelpen, neemt u contact op met een bevoegd service-/supportcenter van Sony.
Mogelijk zijn niet alle voorzieningen en opties uit dit gedeelte beschikbaar op uw computer.
❑ Computerbewerkingen (pagina 153)
❑ Systeemupdates/-beveiliging (pagina 159)
❑ Herstellen (pagina 161)
❑ Batterij (pagina 164)
❑ Ingebouwde camera (pagina 166)
❑ Netwerken (LAN/draadloos LAN) (pagina 168)
❑ Draadloos WAN (pagina 172)
❑ Bluetooth-technologie (pagina 173)
❑ Optische schijven (pagina 177)
❑ Beeldscherm (pagina 182)
❑ Afdrukken (pagina 186)
❑ Microfoon (pagina 187)
❑ Luidsprekers (pagina 188)
Problemen oplossen >
n 152 N
❑ Touchpad (pagina 190)
❑ Toetsenbord (pagina 191)
❑ Diskettes (pagina 192)
❑ Audio/video (pagina 193)
❑ Memory Stick (pagina 195)
❑ Randapparatuur (pagina 196)
❑ Dockingstation (pagina 197)
Problemen oplossen >
Computerbewerkingen
n 153 N
Computerbewerkingen
Wat moet ik doen als mijn computer niet opstart?
❑ Controleer of uw computer correct is aangesloten op een stopcontact en is ingeschakeld, en of het stroomlampje brandt.
❑ Zorg dat de batterij correct is geïnstalleerd en is opgeladen.
❑ Koppel alle aangesloten USB-apparaten (indien aanwezig) los en start vervolgens de computer opnieuw op.
❑ Verwijder eventuele extra geheugenmodules die u na aankoop hebt geplaatst en start vervolgens de computer opnieuw op.
❑ Als uw computer is aangesloten op een contactdoos of een UPS (Uninterruptible Power Supply of noodvoeding),
controleert u of de contactdoos of UPS op het stopcontact is aangesloten en is ingeschakeld.
❑ Als u een extern beeldscherm gebruikt, controleert u of dit op het stopcontact is aangesloten en is ingeschakeld. Zorg
dat de helderheid en het contrast correct zijn ingesteld. Raadpleeg de handleiding van het beeldscherm voor meer
informatie.
❑ Koppel de netadapter los en verwijder de batterij. Wacht drie tot vijf minuten. Plaats de batterij terug, sluit de netadapter
aan en druk op de aan/uit-knop om uw computer aan te zetten.
❑ Condens kan een storing in uw computer veroorzaken. Als dit gebeurt, mag u de computer gedurende ten minste één
uur niet gebruiken.
❑ Controleer of u de meegeleverde Sony-netadapter gebruikt. Voor uw veiligheid dient u alleen de originele oplaadbare
batterij en netadapter van Sony te gebruiken. Deze worden door Sony geleverd voor uw VAIO-computer.
Problemen oplossen >
Computerbewerkingen
n 154 N
Wat moet ik doen als het groene stroomlampje brandt, maar er niets op mijn scherm
verschijnt?
❑ Druk meerdere keren op de toetsen Alt+F4 om het toepassingsvenster te sluiten. Mogelijk is een toepassingsfout
opgetreden.
❑ Als het drukken op de toetsen Alt+F4 niet werkt, klikt u op Start, de pijl naast de knop Afsluiten en op Opnieuw
opstarten om de computer opnieuw te starten.
❑ Als de computer niet opnieuw wordt opgestart, drukt u op de toetsen Ctrl+Alt+Delete en klikt u op de pijl
naast de
knop Afsluiten
en op Opnieuw opstarten.
Als het venster Windows-beveiliging verschijnt, klikt u op Opnieuw opstarten.
❑ Als deze procedure niet werkt, houdt u de aan/uit-knop gedurende meer dan vier seconden ingedrukt om de computer
uit te schakelen. Koppel de netadapter los en laat de computer circa vijf minuten uitgeschakeld. Sluit de netadapter weer
aan en zet de computer weer aan.
!
Als u de computer uitschakelt met de toetsen Ctrl+Alt+Delete of via de aan/uit-knop, kunnen er niet-opgeslagen gegevens verloren gaan.
Problemen oplossen >
Computerbewerkingen
n 155 N
Wat moet ik doen als de computer of software niet meer reageert?
❑ Als uw computer niet meer reageert terwijl een softwaretoepassing wordt uitgevoerd, drukt u op de toetsen Alt+F4 om
het toepassingsvenster te sluiten.
❑ Als het drukken op de toetsen Alt+F4 niet werkt, klikt u op Start en op Afsluiten om de computer uit te schakelen.
❑ Als de computer niet wordt uitgeschakeld, drukt u op de toetsen Ctrl+Alt+Delete en klikt u op Afsluiten.
Als het venster Windows-beveiliging verschijnt, klikt u op Afsluiten.
❑ Als deze procedure niet werkt, houdt u de aan/uit-knop ingedrukt totdat de computer wordt uitgeschakeld.
!
Als u de computer uitschakelt met de toetsen Ctrl+Alt+Delete of via de aan/uit-knop, kunnen er niet-opgeslagen gegevens verloren gaan.
❑ Koppel de netadapter los en verwijder de batterij. Wacht drie tot vijf minuten. Plaats de batterij terug, sluit de netadapter
aan en druk op de aan/uit-knop om uw computer aan te zetten.
❑ Probeer het probleem te verhelpen door de software opnieuw te installeren.
❑ Neem contact op met de maker of leverancier van de software voor technische ondersteuning.
Problemen oplossen >
Computerbewerkingen
n 156 N
Waarom wordt mijn computer niet in de slaap- of sluimerstand gezet?
Uw computer kan instabiel worden als de werkingsmodus wordt gewijzigd voordat de computer volledig in de slaap- of
sluimerstand is gegaan.
De normale modus van uw computer herstellen
1
Sluit alle geopende programma's.
2
Klik op Start, de pijl naast de knop Afsluiten en op Opnieuw opstarten.
3
Als de computer niet opnieuw wordt opgestart, drukt u op de toetsen Ctrl+Alt+Delete, en klikt u op de pijl naast de knop
Afsluiten en op Opnieuw opstarten.
Als het venster Windows-beveiliging verschijnt, klikt u op Opnieuw opstarten.
4
Als deze procedure niet werkt, houdt u de aan/uit-knop ingedrukt totdat de computer wordt uitgeschakeld.
!
Als u de computer uitschakelt met de toetsen Ctrl+Alt+Delete of via de aan/uit-knop, kunnen er niet-opgeslagen gegevens verloren gaan.
Wat moet ik doen als het batterijlampje snel knippert en mijn computer niet opstart?
❑ Dit probleem kan worden veroorzaakt doordat de batterij niet correct is geplaatst. U verhelpt dit probleem door uw
computer uit te schakelen en de batterij te verwijderen. Plaats vervolgens de batterij terug in de computer. Zie De batterij
plaatsen/verwijderen (pagina 19) voor meer informatie.
❑ Als het probleem zich blijft voordoen, betekent dit dat de batterij niet compatibel is. Verwijder de batterij en neem contact
op met een bevoegd service-/supportcenter van Sony. Ga naar Meer informatie over uw VAIO-computer (pagina 5)
om een center of vertegenwoordiger bij u in de buurt te zoeken.
Problemen oplossen >
Computerbewerkingen
n 157 N
Waarom wordt in het venster Systeemeigenschappen een lagere processorsnelheid
weergegeven dan de maximale snelheid?
Dit is normaal. Aangezien uw computerprocessor een technologie voor regeling van de processorsnelheid gebruikt om
energie te besparen, kan in Systeemeigenschappen de huidige processorsnelheid worden weergegeven in plaats van de
maximale snelheid.
Wat moet ik doen als mijn computer mijn wachtwoord niet accepteert en het bericht Enter
Onetime Password verschijnt?
Als u driemaal achter elkaar een verkeerd opstartwachtwoord invoert, verschijnt het bericht Enter Onetime Password en
zal Windows niet meer starten. Houd de aan/uit-knop gedurende meer dan vier seconden ingedrukt om te controleren of het
stroomlampje uit gaat. Wacht 10 tot 15 seconden, start de computer opnieuw op en voer het juiste wachtwoord in. Houd er
bij het invoeren van het wachtwoord rekening mee dat onderscheid wordt gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters.
Wat moet ik doen als mijn spelsoftware niet werkt of steeds vastloopt?
❑ Kijk op de website van het spel of er patches of updates kunnen worden gedownload.
❑ Zorg dat u de meest recente videostuurprogrammasoftware hebt geïnstalleerd.
❑ Op sommige VAIO-modellen wordt het grafische geheugen gedeeld met het systeem. In dit geval kunnen geen optimale
grafische prestaties worden gegarandeerd.
Waarom wordt mijn scherm niet uitgeschakeld nadat de tijd voor automatisch uitschakelen
is verstreken?
Bepaalde softwaretoepassingen of schermbeveiligingen zijn zo ontworpen dat ze tijdelijk de functie van uw besturingssysteem
uitschakelen waardoor het computerscherm wordt uitgezet of waardoor de computer in de slaapstand wordt geplaatst na een
bepaalde periode van inactiviteit. U lost dit probleem op door de actieve toepassingen af te sluiten of een andere
schermbeveiliging te selecteren.
Problemen oplossen >
Computerbewerkingen
n 158 N
Hoe kan ik de volgorde wijzigen waarin apparaten worden opgestart?
U kunt een van de BIOS-functies gebruiken om deze volgorde te wijzigen. Voer de volgende stappen uit:
1
Zet de computer aan.
2
Druk op F2 wanneer het VAIO-logo verschijnt.
Het scherm BIOS Setup verschijnt. Als dit scherm niet verschijnt, start u de computer opnieuw op en drukt u meerdere
keren op de toets F2 als het VAIO-logo verschijnt.
3
Druk op de toets < of , om Boot te selecteren.
4
Druk op de toets M of m om het station te selecteren waarvoor u de opstartvolgorde van apparaten wilt wijzigen.
5
Druk op de toets F5 of F6 om de opstartvolgorde van apparaten te wijzigen.
6
Druk op de toets < of , om Exit te selecteren en selecteer Exit Setup. Druk vervolgens op Enter.
Druk wanneer om bevestiging wordt gevraagd op Enter.
Wat moet ik doen als ik de computer niet kan opstarten vanaf een aangesloten
USB-diskettestation?
Als u uw computer wilt opstarten vanaf het USB-diskettestation, dient u het opstartapparaat te wijzigen.
Zet de computer aan en druk op de F11-toets als het VAIO-logo wordt weergegeven.
Problemen oplossen >
Systeemupdates/-beveiliging
n 159 N
Systeemupdates/-beveiliging
Hoe vind ik belangrijke updates voor mijn computer?
U kunt de laatste updates voor uw computer vinden en installeren met de softwaretoepassingen Windows Update en
VAIO Update. Zie Uw computer bijwerken (pagina 30) voor meer informatie.
Hoe kan ik mijn computer beschermen tegen beveiligingsproblemen, zoals virussen?
Het besturingssysteem Microsoft Windows is vooraf op uw computer geïnstalleerd. De beste manier om uw computer te
beschermen tegen beveiligingsproblemen, zoals virussen, is regelmatig de nieuwste Windows-updates te downloaden en te
installeren.
U ontvangt belangrijke Windows-updates door de volgende stappen uit te voeren:
!
Uw computer moet verbinding hebben met het internet voordat u updates kunt downloaden.
1
Klik op Start en Configuratiescherm.
2
Klik op Systeem en beveiliging.
3
Klik op Onderhoudscentrum.
4
Volg de aanwijzingen op het scherm om automatische of geplande updates in te stellen.
Problemen oplossen >
Systeemupdates/-beveiliging
n 160 N
Hoe zorg ik dat de antivirussoftware bijgewerkt blijft?
U kunt de softwareprogramma's voor internetbeveiliging actueel houden met de recentste updates door deze updates vanaf
de website van de producent te downloaden en te installeren.
!
Uw computer moet verbinding hebben met het internet voordat u updates kunt downloaden.
❑ Wanneer u McAfee gebruikt:
1
Klik op Start, Alle programma's, McAfee en McAfee SecurityCenter.
2
Klik op de knop in de linkerbovenhoek van het venster om de software bij te werken.
3
Volg de aanwijzingen op het scherm op om de update te voltooien.
❑ Wanneer u Norton Internet Security gebruikt:
1
Klik op Start, Alle programma's, Norton Internet Security en LiveUpdate of Norton Internet Security.
2
Volg de aanwijzingen op het scherm op om de update te voltooien.
Raadpleeg het Help-bestand dat bij uw softwareprogramma wordt geleverd voor meer informatie.
!
De werkelijke procedure kan afwijken van hetgeen hiervoor is beschreven, afhankelijk van de updates die op uw computer zijn geïnstalleerd. In dat geval
volgt u de instructies op het scherm op.
Problemen oplossen >
Herstellen
n 161 N
Herstellen
Hoe kan ik herstelmedia maken?
U maakt herstelmedia met de functie VAIO Care. Met deze media kunt u het computersysteem terugzetten op de standaard
fabrieksinstellingen. Wanneer u deze media wilt maken, start u de functie VAIO Care (pagina 31) en klikt u op Herstel
(Recovery & restore), Herstel (Recovery) en Herstelmedia maken (Create Recovery Media).
!
Als uw computer niet is voorzien van een ingebouwd optisch station, moet u een extern optisch station aansluiten (niet meegeleverd).
In de Gids systeemherstel, back-up en probleemoplossing vindt u meer informatie.
Hoe kan ik mijn computersysteem terugzetten op de standaard fabrieksinstellingen?
Er zijn twee manieren om uw computersysteem te herstellen: vanaf de herstelmedia en vanuit het herstelgebied. In de
Gids systeemherstel, back-up en probleemoplossing vindt u meer informatie.
Hoe kan ik de oorspronkelijke software en stuurprogramma's opnieuw installeren?
U kunt de vooraf geïnstalleerde software en de stuurprogramma's herstellen via VAIO Care. Wanneer u deze wilt herstellen,
start u de functie VAIO Care (pagina 31) en klikt u op Herstel (Recovery & restore), Herstel (Recovery) en Toepassingen
en stuurprogramma's opnieuw installeren (Reinstall Applications and Drivers).
Raadpleeg het Help-bestand dat bij VAIO Care wordt geleverd voor meer informatie.
Problemen oplossen >
Herstellen
n 162 N
Hoe controleer ik het volume van het herstelgebied?
Het ingebouwde opslagapparaat bevat het herstelgebied met de gegevens voor het systeemherstel. Als u het volume van
het herstelgebied wilt controleren, voert u de volgende stappen uit:
1
Klik op Start, klik met de rechtermuisknop op Computer en selecteer Beheren.
2
Klik in het linkerdeelvenster op Schijfbeheer onder Opslag.
Het volume van het herstelgebied en het totale volume van de C-schijf worden weergegeven op de rij Schijf 0 in het
middelste deelvenster.
Problemen oplossen >
Herstellen
n 163 N
Hoe verklein ik het volume van het herstelgebied?
Het ingebouwde opslagapparaat bevat het herstelgebied met de gegevens voor systeemherstel. Als uw computer over een
solid-state schijf beschikt, kunt u het herstelgebied minimaliseren door zulke data te verwijderen.
1
Zorg dat de computer in de normale stand staat en plaats het herstelmedium in het optische station. Schakel de computer
vervolgens uit en weer in.
!
Gebruik de herstelmedia die u hebt gemaakt bij ontvangst van de computer.
Gebruikt u een extern optisch station (niet meegeleverd)? Herstart de computer en druk een paar keer op de F11-toets als het VAIO-logo verschijnt.
2
Druk op M of m om VAIO Care Rescue te selecteren en druk op Enter.
3
Klik op Extra (Tools) en Wizard voor geavanceerd herstel starten (Start advanced recovery wizard).
Maak, als het bericht Wilt u uw gegevens herstellen? (Do you need to rescue data?) verschijnt, indien nodig een back-up van uw gegevens.
4
Volg de instructies op het scherm tot het venster Hersteltype selecteren (Select recovery type) verschijnt.
5
Selecteer Aangepast herstel - Herstelinhoud verwijderen (Custom recovery - Remove recovery contents).
6
Volg de instructies op het scherm.
!
Tijdens de bovenstaande procedure wordt systeemherstel uitgevoerd. Alle toepassingen en gegevens die u op het opslagapparaat had toegevoegd
voordat u de gegevens van het systeemherstel verwijderde, gaan verloren.
Wanneer u de systeemherstelgegevens hebt verwijderd, hebt u de herstelmedia nodig voor een toekomstig systeemherstel.
Problemen oplossen >
Batterij
n 164 N
Batterij
Hoe weet ik wat de oplaadstatus van de batterij is?
U kunt naar het batterijlampje voor de oplaadstatus van de batterij kijken. Zie De batterij opladen (pagina 22) voor meer
informatie.
Wanneer werkt de computer op netstroom?
Als uw computer op een stopcontact is aangesloten met de netadapter, werkt deze op netstroom, zelfs als de batterij is
geplaatst.
Wanneer moet ik de batterij opnieuw opladen?
Laad de batterij op:
❑ Wanneer de batterij bijna leeg is en de batterij- en stroomlampjes knipperen.
❑ Als u de batterij gedurende lange tijd niet hebt gebruikt.
Wanneer moet ik de batterij vervangen?
U ziet een bericht dat u de batterij moet vervangen als de batterij aan het einde van de levensduur is. U kunt u de laadcapaciteit
van de batterij controleren met de functie Batterij (Battery) in het VAIO Control Center.
Moet ik me zorgen maken als de geplaatste batterij warm is?
Nee, het is normaal dat de batterij warm wordt wanneer uw computer op batterijstroom werkt.
Problemen oplossen >
Batterij
n 165 N
Kan mijn computer in de sluimerstand gaan terwijl de batterij wordt gebruikt?
Uw computer kan in de sluimerstand gaan terwijl de batterij wordt gebruikt, maar sommige softwareprogramma's en
randapparaten kunnen voorkomen dat de sluimerstand wordt geactiveerd. Als u een programma gebruikt dat voorkomt
dat de sluimerstand wordt geactiveerd, slaat u uw gegevens regelmatig op om te voorkomen dat u gegevens kwijtraakt.
Zie De sluimerstand gebruiken (pagina 29) voor informatie over hoe u de sluimerstand handmatig activeert.
Waarom kan ik mijn batterij niet helemaal opladen?
De batterijbeheerfunctie wordt ingeschakeld om de levensduur van de batterij te verlengen in het VAIO Control Center.
Controleer de instellingen in het VAIO Control Center.
Wat moet ik doen als het bericht verschijnt dat de batterij incompatibel of verkeerd
geplaatst is, en mijn computer vervolgens overgaat op de sluimerstand?
❑ Dit probleem kan worden veroorzaakt doordat de batterij niet correct is geplaatst. U verhelpt dit probleem door uw
computer uit te schakelen en de batterij te verwijderen. Plaats vervolgens de batterij terug in de computer. Zie De batterij
plaatsen/verwijderen (pagina 19) voor meer informatie.
❑ Als het probleem zich blijft voordoen, betekent dit dat de batterij niet compatibel is. Verwijder de batterij en neem contact
op met een bevoegd service-/supportcenter van Sony. Ga naar Meer informatie over uw VAIO-computer (pagina 5)
om een center of vertegenwoordiger bij u in de buurt te zoeken.
Problemen oplossen >
Ingebouwde camera
n 166 N
Ingebouwde camera
Waarom worden er in de zoeker geen beelden of beelden van slechte kwaliteit
weergegeven?
❑ De ingebouwde camera kan niet tegelijk worden gebruikt in meer dan één softwaretoepassing. Sluit de actieve toepassing
voordat u een andere toepassing start.
❑ Als u een snel bewegend object bekijkt, kan de zoeker wat ruis vertonen, zoals horizontale strepen. Dit is normaal en
wijst niet op een defect.
❑ Als het probleem zich blijft voordoen, start u uw computer opnieuw op.
Waarom zijn de vastgelegde beelden van slechte kwaliteit?
❑ Als de beelden zijn vastgelegd bij tl-licht, kunnen lichtreflecties worden weergegeven.
❑ Donkere gedeelten van vastgelegde beelden kunnen worden weergegeven met ruis.
❑ Als de lensbeschermingskap vuil is, kunt u geen scherpe opnamen maken. Maak de kap schoon. Zie Ingebouwde
camera (pagina 139).
Wat moet ik doen als er bij het vastleggen van de beelden frames verloren gaan en
onderbrekingen optreden in het geluid?
❑ De effectinstellingen van uw softwaretoepassingen kunnen de oorzaak zijn van de verloren frames. Raadpleeg het
Help-bestand dat bij uw softwaretoepassing wordt geleverd voor meer informatie.
❑ Er worden mogelijk meer softwaretoepassingen uitgevoerd dan de computer kan verwerken. Sluit de toepassingen die
u op dat moment niet gebruikt.
❑ De functie voor energiebeheer van uw computer is mogelijk actief. Controleer de CPU-prestaties.
Problemen oplossen >
Ingebouwde camera
n 167 N
Wat moet ik doen als er bij het afspelen van films frames verloren gaan als de computer
op batterijvoeding werkt?
De batterij is bijna leeg. Sluit uw computer aan op een stopcontact.
Wat moet ik doen als beelden die worden vastgelegd, flikkeren?
Dit probleem doet zich voor als u de camera gebruikt bij tl-licht. Het wordt veroorzaakt door het verschil tussen de
lichtuitvoerfrequentie en de sluitertijd.
Als u de ruis die wordt veroorzaakt door flikkering wilt verminderen, wijst u de camera naar een andere kant of past u de
helderheid van de camerabeelden aan. In sommige softwaretoepassingen kunt u een van de camera-eigenschappen
(bijvoorbeeld lichtbron, flikkering, enzovoort) instellen op een specifieke waarde om de ruis te verminderen die wordt
veroorzaakt door flikkering.
Waarom wordt de video-invoer van de ingebouwde camera een paar seconden
onderbroken?
De video-invoer kan een paar seconden worden onderbroken als:
❑ u een sneltoets met de toets Fn gebruikt;
❑ de belasting van de CPU hoger wordt.
Dit is normaal en wijst niet op een defect.
Wat moet ik doen als mijn computer instabiel gedrag vertoont wanneer een
energiebesparingsstand wordt ingeschakeld terwijl de ingebouwde camera in gebruik is?
Als de computer automatisch in de slaap- of sluimerstand wordt gezet, wijzigt u de instellingen van de overeenkomstige
energiebesparingsstand. Zie Energiebesparingsstanden gebruiken (pagina 27) voor het wijzigen van de instelling.
Problemen oplossen >
Netwerken (LAN/draadloos LAN)
n 168 N
Netwerken (LAN/draadloos LAN)
Wat moet ik doen als mijn computer geen verbinding kan maken met een draadloos
LAN-toegangspunt?
❑ De prestaties van de verbinding worden beïnvloed door de afstand en door obstakels. Mogelijk moet u uw computer
verder weg van obstakels of dichter bij een gebruikt toegangspunt plaatsen.
❑ Controleer of de WIRELESS-schakelaar is ingeschakeld en of het WIRELESS-lampje op uw computer brandt.
❑ Controleer of het toegangspunt is ingeschakeld.
❑ Als u uw computer wilt verbinden met een draadloos LAN-toegangspunt dat gebruikmaakt van de 5GHz-band, zorgt u
dat de optie voor het gebruik van de 5GHz-band of van zowel de 2,4- als de 5GHz-band is geselecteerd. Ga hiervoor naar
de Instellingen voor draadloos LAN (Wireless LAN Settings) in het instellingenvenster VAIO Smart Network. Draadloze
LAN-communicatie (volgens de standaard IEEE 802.11a) die alleen gebruikmaakt van de 5GHz-band (die niet op alle
modellen beschikbaar is), is standaard uitgeschakeld.
❑ Voer de volgende stappen uit om de instellingen te controleren:
1
Klik op Start en Configuratiescherm.
2
Klik op Netwerkstatus en -taken weergeven onder Netwerk en internet.
3
Klik op Verbinding met een netwerk maken om te controleren of uw toegangspunt is geselecteerd.
❑ Controleer of de coderingssleutel correct is.
Problemen oplossen >
Netwerken (LAN/draadloos LAN)
n 169 N
❑ Controleer of Maximale prestaties is geselecteerd onder Instellingen voor de adapter voor draadloos netwerk in het
venster Energiebeheer. Als u een andere optie selecteert, kunnen communicatieproblemen optreden. Voer de volgende
stappen uit om de instellingen te wijzigen:
1
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram met de energiebeheerstatus op de taakbalk en selecteer Energiebeheer.
2
Klik op De schema-instellingen wijzigen.
3
Klik op Geavanceerde energie-instellingen wijzigen.
4
Klik op het tabblad Geavanceerde instellingen.
5
Dubbelklik op Instellingen voor de adapter voor draadloos netwerk en Modus voor energiebesparing.
6
Selecteer Maximale prestaties in de vervolgkeuzelijst voor zowel Op accu als Netstroom.
Problemen oplossen >
Netwerken (LAN/draadloos LAN)
n 170 N
Wat moet ik doen als ik geen toegang tot het internet krijg?
❑ Controleer de instellingen voor het toegangspunt. Raadpleeg de handleiding bij uw toegangspunt voor meer informatie.
❑ Controleer of uw computer en het toegangspunt verbinding met elkaar hebben.
❑ Plaats uw computer verder weg van obstakels of dichter bij het toegangspunt dat u gebruikt.
❑ Controleer of uw computer correct is geconfigureerd voor internettoegang.
❑ Controleer of Maximale prestaties is geselecteerd onder Instellingen voor de adapter voor draadloos netwerk in het
venster Energiebeheer. Als u een andere optie selecteert, kunnen communicatieproblemen optreden. Volg de stappen
uit Wat moet ik doen als mijn computer geen verbinding kan maken met een draadloos LAN-toegangspunt?
(pagina 168) om de instellingen te wijzigen.
Waarom verloopt de gegevensoverdracht traag?
❑ De gegevensoverdrachtsnelheid van het draadloze LAN wordt beïnvloed door de afstand en obstakels tussen apparaten
en toegangspunten. Andere factoren zijn apparaatconfiguraties, zendomstandigheden en softwarecompatibiliteit. Voor
een maximale overdrachtsnelheid moet u uw computer mogelijk verder weg van obstakels of dichter bij een gebruikt
toegangspunt plaatsen.
❑ Als u een draadloos LAN-toegangspunt gebruikt, kan het apparaat tijdelijk zijn overbelast, afhankelijk van het aantal
apparaten dat communiceert via het toegangspunt.
❑ Als het toegangspunt de werking van andere toegangspunten verstoort, wijzigt u het kanaal voor het toegangspunt.
Raadpleeg de handleiding bij uw toegangspunt voor meer informatie.
❑ Controleer of Maximale prestaties is geselecteerd onder Instellingen voor de adapter voor draadloos netwerk in het
venster Energiebeheer. Als u een andere optie selecteert, kunnen communicatieproblemen optreden. Volg de stappen
uit Wat moet ik doen als mijn computer geen verbinding kan maken met een draadloos LAN-toegangspunt?
(pagina 168) om de instellingen te wijzigen.
Problemen oplossen >
Netwerken (LAN/draadloos LAN)
n 171 N
Hoe voorkom ik onderbrekingen in de gegevensoverdracht?
❑ Als uw computer verbinding heeft met een toegangspunt, kan de gegevensoverdracht worden onderbroken bij overdracht
van een groot bestand of als de computer in de buurt van een magnetron of draadloze telefoon staat.
❑ Plaats uw computer dichter bij het toegangspunt.
❑ Controleer of de verbinding met het toegangspunt intact is.
❑ Wijzig het kanaal van het toegangspunt. Raadpleeg de handleiding bij uw toegangspunt voor meer informatie.
❑ Controleer of Maximale prestaties is geselecteerd onder Instellingen voor de adapter voor draadloos netwerk in het
venster Energiebeheer. Als u een andere optie selecteert, kunnen communicatieproblemen optreden. Volg de stappen
uit Wat moet ik doen als mijn computer geen verbinding kan maken met een draadloos LAN-toegangspunt?
(pagina 168) om de instellingen te wijzigen.
Wat zijn kanalen?
❑ Draadloze LAN-communicatie gebruikt gedeelde frequentiebanden, kanalen genoemd. Draadloze LAN-toegangspunten
van andere fabrikanten kunnen zijn ingesteld op andere kanalen dan Sony-apparaten.
❑ Als u een draadloos LAN-toegangspunt gebruikt, raadpleegt u de verbindingsinformatie in de handleiding bij uw
toegangspunt.
Waarom wordt de netwerkverbinding verbroken als ik de coderingssleutel wijzig?
De peer-to-peer netwerkverbinding tussen twee computers met de draadloze LAN-functie kan worden verbroken als de
coderingssleutel wordt gewijzigd. U kunt de coderingssleutel uit het oorspronkelijke profiel herstellen of de sleutel opnieuw
invoeren op beide computers, zodat de sleutels overeenstemmen.
Problemen oplossen >
Draadloos WAN
n 172 N
Draadloos WAN
Wat moet ik doen als mijn computer geen verbinding kan maken met het draadloze WAN?
❑ Zorg dat de batterij correct is geïnstalleerd en is opgeladen.
❑ Controleer of de SIM-kaart compatibel is met 3G-gegevens en of deze functie is geactiveerd door het
telecommunicatiebedrijf. Volg voor het plaatsen van de SIM-kaart de procedure in Een SIM-kaart plaatsen (pagina 70).
❑ Controleer of uw mobiele telefoon in uw regio kan worden gebruikt. Neem hiervoor contact op met het
telecommunicatiebedrijf.
❑ Controleer of de WIRELESS-schakelaar is ingeschakeld en of het WIRELESS-lampje op uw computer brandt.
❑ Zorg dat de schakelaar naast Draadloos WAN (Wireless WAN) op Aan (On) staat in het venster VAIO Smart Network.
❑ Controleer of het toegangspunt (APN, Access Point Name) correct is geconfigureerd in uw software voor verbindingsbeheer.
Als dat niet gebeurd is, neemt u contact op met uw telecommunicatiebedrijf voor informatie over de juiste configuratie van
het APN. Raadpleeg voor meer informatie over de configuratie van het APN het Help-bestand dat wordt geleverd bij de
software die u voor het beheer van de verbinding gebruikt.
❑ Controleer of de software die u voor het beheer van de verbinding gebruikt, de draadloze WAN-modem detecteert.
Het kan even duren voordat de draadloze WAN-modem door de software wordt gedetecteerd.
Ga voor meer informatie over de draadloze WAN-functie naar de ondersteuningswebsite van VAIO.
Problemen oplossen >
Bluetooth-technologie
n 173 N
Bluetooth-technologie
Wat moet ik doen als andere Bluetooth-apparaten mijn computer niet kunnen detecteren?
❑ Controleer of de Bluetooth-functie op beide apparaten is ingeschakeld.
❑ Controleer of de WIRELESS-schakelaar is ingeschakeld en of het WIRELESS-lampje op uw computer brandt.
❑ U kunt de Bluetooth-functie niet gebruiken wanneer de computer in de slaap- of sluimerstand staat. Zet de computer weer
in de normale modus en zet de WIRELESS-schakelaar aan.
❑ Mogelijk is de afstand tussen de computer en het apparaat te groot. De draadloze technologie van Bluetooth werkt het
beste als de apparaten niet meer dan 10 meter van elkaar verwijderd zijn.
Wat moet ik doen als ik het Bluetooth-apparaat waarmee ik wil communiceren niet kan
vinden?
❑ Controleer of de Bluetooth-functie van het apparaat waarmee u wilt communiceren, is ingeschakeld. Raadpleeg de
handleiding van het andere apparaat voor meer informatie.
❑ Wanneer het apparaat waarmee u wilt communiceren al met een ander Bluetooth-apparaat communiceert, is het mogelijk
dat het niet wordt gevonden of dat het niet met de computer kan communiceren.
❑ Als u wilt dat andere Bluetooth-apparaten met de computer kunnen communiceren, voert u de volgende stappen uit:
1
Klik op Start en Apparaten en printers.
2
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van het Bluetooth-apparaat en klik op Bluetooth-instellingen.
3
Klik op het tabblad Opties en schakel het selectievakje Deze computer kan door Bluetooth-apparaten worden
gedetecteerd in.
Problemen oplossen >
Bluetooth-technologie
n 174 N
Wat moet ik doen als andere Bluetooth-apparaten geen verbinding met mijn computer
kunnen maken?
❑ Controleer de suggesties uit Wat moet ik doen als ik het Bluetooth-apparaat waarmee ik wil communiceren niet kan
vinden? (pagina 173).
❑ Controleer of de andere apparaten zijn geverifieerd.
❑ De afstand waarover gegevens kunnen worden uitgewisseld, kan minder zijn dan 10 meter, afhankelijk van de obstakels
tussen de twee apparaten, de kwaliteit van de radiogolven, het besturingssysteem of de gebruikte software. Zet uw
computer en Bluetooth-apparaten dichter bij elkaar.
Waarom is mijn Bluetooth-verbinding traag?
❑ De snelheid van de gegevensoverdracht hangt af van de obstakels en/of de afstand tussen de twee apparaten, de kwaliteit
van de radiogolven, het besturingssysteem of de gebruikte software. Zet uw computer en Bluetooth-apparaten dichter bij
elkaar.
❑ De 2,4GHz-band, waar Bluetooth-apparaten of draadloze LAN-apparaten mee werken, wordt door verschillende
apparaten gebruikt. Hoewel Bluetooth-apparaten gebruikmaken van technologie om radio-interferentie van andere
apparaten die dezelfde golfband gebruiken tot een minimum te beperken, kan dergelijke radio-interferentie leiden tot
lagere communicatiesnelheden en een kleiner bereik of storing in de communicatie.
❑ Als de versie van de Bluetooth-standaard die wordt gebruikt op het Bluetooth-apparaat waarmee u wilt communiceren
niet dezelfde versie is als op uw computer, neemt de communicatiesnelheid af.
Waarom kan ik de services die worden ondersteund door het aangesloten
Bluetooth-apparaat, niet gebruiken?
Verbinding is alleen mogelijk voor services die ook worden ondersteund op de computer met de Bluetooth-functie.
Zoek informatie over Bluetooth in Windows Help en ondersteuning voor meer details.
Problemen oplossen >
Bluetooth-technologie
n 175 N
Kan ik een apparaat met Bluetooth-technologie in vliegtuigen gebruiken?
Met Bluetooth-technologie verzendt de computer een radiofrequentie van 2,4 GHz. Op gevoelige locaties, zoals in ziekenhuizen
en vliegtuigen, kunnen beperkingen gelden voor het gebruik van Bluetooth-apparaten om radiostoring te voorkomen. Vraag
het personeel of het gebruik van de Bluetooth-functie op de computer is toegestaan.
Waarom kan ik de Bluetooth-functie niet gebruiken wanneer ik me bij de computer aanmeld
met standaard gebruikersrechten?
De Bluetooth-functie is mogelijk niet beschikbaar voor gebruikers met standaardrechten op de computer. Meld u bij de
computer aan als gebruiker met beheerdersrechten.
Waarom kan ik de Bluetooth-apparaten niet gebruiken als een andere gebruiker?
Als de vorige gebruiker zich niet afmeldt van het systeem, werken de Bluetooth-apparaten niet. Meld u af voordat u de
software gebruikt als een andere gebruiker. Als u zich wilt afmelden van het systeem, klikt u op Start, de pijl naast de knop
Afsluiten en Afmelden.
Waarom kan ik geen visitekaartgegevens uitwisselen met een mobiele telefoon?
De functie voor het uitwisselen van visitekaartgegevens wordt niet ondersteund.
Problemen oplossen >
Bluetooth-technologie
n 176 N
Wat moet ik doen als ik geen geluid hoor via de hoofdtelefoon of audio-/videocontroller?
Controleer of uw hoofdtelefoon of audio-/videocontroller SCMS-T-inhoudbeveiliging ondersteunt. Als dit niet het geval is,
moet u de SCMS-T-instellingen wijzigen om het apparaat aan te sluiten met het Advanced Audio Distribution Profile (A2DP).
Voer de volgende stappen uit om de SCMS-T-instellingen te wijzigen:
Sommige VAIO-modellen detecteren ondersteuning voor de SCMS-T-inhoudbeveiliging op een doelapparaat zodat de SCMS-T-instellingen automatisch
opnieuw kunnen worden geconfigureerd. Op deze modellen wordt SCMS-T Settings in stap 3 niet weergegeven omdat het niet nodig is deze handmatig
te wijzigen.
1
Klik op Start en Apparaten en printers.
2
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van het apparaat waarmee u via het A2DP verbinding wilt maken en kies
Control.
3
Klik op SCMS-T Settings.
4
Klik op Nee wanneer het bericht Connect to a device only if it supports SCMS-T content protection wordt weergegeven.
Wat moet ik doen als het Bluetooth-pictogram niet wordt weergegeven op de taakbalk?
❑ Zorg dat de schakelaar naast Bluetooth op Aan (On) staat in het venster VAIO Smart Network.
❑ Als u het Bluetooth-pictogram op de taakbalk wilt weergeven, voert u de volgende stappen uit:
1
Klik op Start en Apparaten en printers.
2
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van het Bluetooth-apparaat en klik op Bluetooth-instellingen.
3
Klik op het tabblad Opties en schakel het selectievakje Het Bluetooth-pictogram in het systeemvak weergeven in.
Problemen oplossen >
Optische schijven
n 177 N
Optische schijven
Waarom blijft mijn computer hangen als ik probeer een schijf te lezen?
De schijf die uw computer probeert te lezen is mogelijk vuil of beschadigd. Voer de volgende stappen uit:
1
Druk op de toetsen Ctrl+Alt+Delete, en klik op de pijl naast de knop Afsluiten en op Opnieuw opstarten om de computer
opnieuw op te starten.
!
Als u de computer uitschakelt met de toetsen Ctrl+Alt+Delete, kunnen er niet-opgeslagen gegevens verloren gaan.
2
Verwijder de schijf uit het optische schijfstation.
3
Controleer of de schijf vuil of beschadigd is. Als u de schijf moet reinigen, raadpleegt u Schijven (pagina 139) voor
aanwijzingen.
Wat moet ik doen als de lade van het station niet opengaat?
❑ Controleer of de computer in de normale stand staat.
❑ Druk op de uitwerpknop voor het station.
❑ Als de uitwerpknop niet werkt, klikt u op Start en Computer, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram van het
optische station en selecteert u Uitwerpen.
❑ Als geen van de bovenstaande opties werkt, duwt u een dun, recht voorwerp (zoals een paperclip) in het uitwerpgaatje
van het optische station.
❑ Probeer het probleem te verhelpen door uw computer opnieuw op te starten.
Problemen oplossen >
Optische schijven
n 178 N
Wat moet ik doen als ik niet naar behoren een schijf op mijn computer kan beluisteren?
❑ Controleer of de schijf met het label omhoog in het optische station is geplaatst.
❑ Controleer of de benodigde toepassingen zijn geïnstalleerd aan de hand van de instructies van de fabrikant.
❑ Als een schijf vuil of beschadigd is, reageert uw computer niet meer. Voer de volgende stappen uit:
1
Druk op de toetsen Ctrl+Alt+Delete, en klik op de pijl naast de knop Afsluiten en op Opnieuw opstarten om de
computer opnieuw op te starten.
!
Als u de computer uitschakelt met de toetsen Ctrl+Alt+Delete, kunnen er niet-opgeslagen gegevens verloren gaan.
2
Verwijder de schijf uit het optische schijfstation.
3
Controleer of de schijf vuil of beschadigd is. Als u de schijf moet reinigen, raadpleegt u Schijven (pagina 139) voor
aanwijzingen.
❑ Als u een schijf afspeelt en geen geluid hoort, voert u een van de volgende stappen uit:
❑ Mogelijk is het volume uitgeschakeld met de toetsen Fn+F2. Druk nogmaals op de toetsen.
❑ Mogelijk is het volume gedempt met de toetsen Fn+F3. Houd de toetsen Fn+F4 ingedrukt om het volume te verhogen
tot u geluid kunt horen.
❑ Klik met de rechtermuisknop op het volumepictogram op de taakbalk en klik op Volumemixer openen om de
instellingen te controleren.
❑ Controleer de volume-instelling van de audiomixer.
❑ Als u externe luidsprekers gebruikt, controleert u de volumeregeling op de luidsprekers en de aansluiting van de
luidsprekers op uw computer.
Problemen oplossen >
Optische schijven
n 179 N
❑ Controleer of de juiste stuurprogrammasoftware is geïnstalleerd. Voer de volgende stappen uit:
1
Klik op Start en Configuratiescherm.
2
Klik op Systeem en beveiliging.
3
Klik op Systeem.
4
Klik in het linkerdeelvenster op Apparaatbeheer.
Het venster Apparaatbeheer verschijnt met een lijst van de hardwareapparaten van uw computer.
Als er een 'X' of een uitroepteken wordt weergegeven op het weergegeven apparaat, moet u mogelijk het apparaat
inschakelen of de stuurprogrammasoftware opnieuw installeren.
5
Dubbelklik op het optische station om een lijst te openen van de optische stations van uw computer.
6
Dubbelklik op het gewenste station.
U kunt het stuurprogramma controleren door te klikken op het tabblad Stuurprogramma en vervolgens op Details.
7
Klik op OK om het venster te sluiten.
❑ Controleer of er geen label op de schijf is geplakt. Labels kunnen losgaan terwijl de schijf zich in het optische station
bevindt en het station beschadigen of defecten veroorzaken.
❑ Als een waarschuwing over een regiocode wordt weergegeven, is de schijf mogelijk incompatibel met het optische station.
Controleer op de doos of de regiocode compatibel is met het station.
❑ Als er condens aanwezig is in uw computer, mag u de computer gedurende ten minste één uur niet gebruiken. Condens
kan een storing in de computer veroorzaken.
❑ Zorg ervoor dat uw computer op netstroom werkt en probeer de schijf opnieuw af te spelen.
Problemen oplossen >
Optische schijven
n 180 N
Wat moet ik doen als ik geen Blu-ray Discs kan afspelen of de computer instabiel wordt
tijdens het afspelen van Blu-ray Discs?
❑ Controleer of het optische station Blu-ray Disc-media ondersteunt.
❑ Mogelijk kunt u bepaalde inhoud van Blu-ray Discs niet op uw computer afspelen of wordt de computer instabiel tijdens
het afspelen van Blu-ray Discs. Als u de inhoud wilt afspelen, moet u VAIO Update gebruiken om de meest recente
updates voor WinDVD BD te downloaden en te installeren.
Voor informatie over het gebruik van VAIO Update raadpleegt u Uw computer bijwerken (pagina 30).
Wat moet ik doen als ik geen gegevens op CD-media kan schrijven?
❑ Start geen software en zorg dat er geen programma's automatisch worden gestart, zelfs geen schermbeveiliging.
❑ Als u een CD-R/RW-schijf gebruikt waarop een label is geplakt, vervangt u die door een schijf waarop geen label is
geplakt. Het gebruik van een schijf waarop een label is geplakt, kan een schrijffout of andere beschadigingen veroorzaken.
Wat moet ik doen als ik geen gegevens op DVD-media kan schrijven?
❑ Zie erop toe dat u de juiste beschrijfbare DVD gebruikt.
❑ Controleer welke indeling voor beschrijfbare DVD's compatibel is met het optische station. Beschrijfbare DVD's van
bepaalde merken werken niet.
Waarom kan ik geen gegevens schrijven naar Blu-ray Discs?
❑ Controleer of het optische station de functie voor het beschrijven van Blu-ray Discs ondersteunt.
❑ BD-R Discs zijn niet opnieuw beschrijfbaar. U kunt geen gegevens toevoegen aan of wissen van BD-R Discs.
Problemen oplossen >
Optische schijven
n 181 N
Wat moet ik doen als mijn externe optische station niet goed werkt?
Controleer of het externe optische station is aangesloten op een netspanningsbron en op de USB-poort op de computer.
Het station moet zijn aangesloten voor een juiste werking.
Problemen oplossen >
Beeldscherm
n 182 N
Beeldscherm
Waarom gaat mijn scherm uit?
❑ Uw computerscherm kan uitgaan als de computer geen stroom meer krijgt of als een energiebesparingsstand wordt
geactiveerd (slaap- of sluimerstand). Als de computer in de slaapstand LCD (Video) staat, drukt u op een toets om de
normale modus van de computer te herstellen. Zie Energiebesparingsstanden gebruiken (pagina 27) voor meer
informatie.
❑ Controleer of uw computer correct is aangesloten op een stopcontact en is ingeschakeld, en of het stroomlampje brandt.
❑ Als uw computer op batterijstroom werkt, controleert u of de batterij correct is geplaatst en is opgeladen. Zie De batterij
gebruiken (pagina 19) voor meer informatie.
❑ Als de beeldschermuitvoer naar een extern beeldscherm wordt geleid, drukt u op Fn+F7. Zie Combinaties en functies
met de Fn-toets (pagina 33) voor meer informatie.
Problemen oplossen >
Beeldscherm
n 183 N
Wat moet ik doen als afbeeldingen of video's niet goed worden weergegeven?
❑ Zorg dat de kleurenoptie Ware kleuren (32 bits) is geselecteerd voordat u grafische of videosoftware gebruikt of het
afspelen van een DVD start. Als u een andere optie selecteert, kan de desbetreffende software mogelijk niet goed
afbeeldingen weergeven. Voer de volgende stappen uit om een andere kleurenoptie te selecteren:
1
Klik met de rechtermuisknop op het bureaublad en selecteer Schermresolutie.
2
Klik op Geavanceerde instellingen.
3
Klik op het tabblad Beeldscherm.
4
Selecteer Ware kleuren (32 bits) onder Hoeveelheid kleuren.
❑ Wijzig de instelling voor de beeldschermresolutie of het aantal kleuren niet tijdens het gebruik van grafische of
videosoftware of het afspelen van een DVD omdat het afspelen/weergeven hierdoor kan worden onderbroken of het
systeem instabiel kan worden.
Het wordt ook aanbevolen de schermbeveiliging uit te schakelen voordat u het afspelen van een DVD start. Als de
schermbeveiliging is ingeschakeld, wordt deze mogelijk geactiveerd tijdens het afspelen van een DVD, waardoor de DVD
niet goed kan worden afgespeeld. Sommige schermbeveiligingen wijzigen zelfs de instelling voor de beeldschermresolutie
en het aantal kleuren.
❑ Afhankelijk van uw model kan het zijn dat frames tijdens weergave van Blu-ray Discs niet worden verwerkt als de
computer op batterijvoeding werkt, omdat de vernieuwingsfrequentie automatisch kan worden gewijzigd in een lagere
frequentie om energie te besparen. Als dit gebeurt, voert u de volgende stappen uit om de vernieuwingsfrequentie te
wijzigen.
1
Klik met de rechtermuisknop op het bureaublad en selecteer Schermresolutie.
2
Klik op Geavanceerde instellingen.
3
Klik op het tabblad Beeldscherm.
4
Wijzig de vernieuwingsfrequentie van het scherm onder Vernieuwingsfrequentie in de beeldscherminstellingen.
Problemen oplossen >
Beeldscherm
n 184 N
Wat moet ik doen als er geen beeld wordt weergegeven op mijn televisiescherm of het
externe beeldscherm dat is aangesloten op de HDMI-uitgangspoort?
Controleer of u een HDCP-compatibel beeldscherm gebruikt. Videofilms met auteursrechtbeveiliging kunnen niet worden
afgespeeld op een beeldscherm dat niet HDCP-compatibel is. Zie Een TV met een HDMI-ingangspoort aansluiten
(pagina 100) of Een monitor of een projector aansluiten (pagina 97) voor meer informatie.
Waarom geeft mijn scherm geen video weer?
❑ Als de beeldschermuitvoer naar het externe beeldscherm wordt geleid, maar het externe beeldscherm niet is aangesloten,
kunt u geen videobeeld op uw computerscherm zien. Stop het afspelen van de video, wijzig de uitvoer naar het
computerscherm en speel de video opnieuw af. Zie Weergavemodi selecteren (pagina 102) voor het wijzigen van de
schermuitvoer. U kunt ook op Fn+F7 drukken om de uitvoer te wijzigen. Zie Combinaties en functies met de Fn-toets
(pagina 33) voor meer informatie.
❑ De computer heeft mogelijk onvoldoende videogeheugen om video's met een hoge resolutie af te spelen. Als dat het
geval is, verlaagt u de resolutie van het LCD-scherm.
Voer de volgende stappen uit om de schermresolutie te wijzigen:
1
Klik met de rechtermuisknop op het bureaublad en selecteer Schermresolutie.
2
Klik op de vervolgkeuzelijst naast Resolutie.
3
Verplaats de schuifregelaar omhoog om de schermresolutie te verhogen of naar beneden om deze te verlagen.
U kunt de totale hoeveelheid beschikbaar grafisch geheugen en videogeheugen bekijken. Klik met de rechtermuisknop op het bureaublad, kies
Schermresolutie en klik op Geavanceerde instellingen en het tabblad Adapter. De weergegeven waarde komt mogelijk niet overeen met de werkelijke
hoeveelheid geheugen in de computer.
Problemen oplossen >
Beeldscherm
n 185 N
Wat moet ik doen als het scherm donker is?
❑ Druk op Fn+F6 om uw computerscherm lichter te maken.
❑ Als de sensor voor het omgevingslicht is geblokkeerd, wordt het scherm donker. Zorg dat de sensor niet worden
geblokkeerd.
Wat moet ik doen als er niets op de externe monitor verschijnt?
Gebruik de toetsen Fn+F7 om de uitvoer te wijzigen. Zie Combinaties en functies met de Fn-toets (pagina 33) voor meer
informatie.
Hoe voer ik Windows Aero uit?
Als u Windows Aero wilt uitvoeren, voert u de volgende stappen uit:
1
Klik met de rechtermuisknop op het bureaublad en selecteer Aan persoonlijke voorkeur aanpassen.
2
Selecteer het gewenste thema bij Aero-thema's.
Zie Windows Help en ondersteuning voor informatie over de Windows Aero-voorzieningen, zoals Windows Flip 3D.
Problemen oplossen >
Afdrukken
n 186 N
Afdrukken
Wat moet ik doen als ik geen document kan afdrukken?
❑ Controleer of uw printer aan staat en of de printerkabel correct is aangesloten op de poorten van de printer en uw computer.
❑ Controleer of uw printer compatibel is met het Windows-besturingssysteem dat op uw computer is geïnstalleerd.
❑ U moet mogelijk een printerstuurprogramma installeren voordat u uw printer kunt gebruiken. Raadpleeg de handleiding
bij uw printer voor meer informatie.
❑ Als uw printer niet werkt nadat uw computer weer wordt geactiveerd vanuit een energiebesparingsstand (slaap- of
sluimerstand), start u de computer opnieuw op.
❑ Als uw printer over functies voor bidirectionele communicatie beschikt, kunt u mogelijk afdrukken door deze functies op
uw computer uit te schakelen. Voer de volgende stappen uit:
1
Klik op Start en Apparaten en printers.
2
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram voor de printer en selecteer Eigenschappen.
3
Klik op het tabblad Poorten.
4
Schakel het selectievakje Ondersteuning in twee richtingen inschakelen uit.
5
Klik op OK.
Hierdoor schakelt u de functies voor bidirectionele communicatie van de printer, zoals gegevensoverdracht,
statuscontrole en extern bedieningspaneel, uit.
Wanneer uw printer is aangesloten op het optionele dockingstation*, controleert u of het dockingstation is aangesloten
op netvoeding.
* Alleen beschikbaar voor modellen met een connector voor het dockingstation. Controleer in de specificaties of uw model is uitgerust met een
connector voor een dockingstation.
Problemen oplossen >
Microfoon
n 187 N
Microfoon
Wat moet ik doen als de microfoon niet werkt?
❑ Als u een externe microfoon gebruikt, controleert u of de microfoon is ingeschakeld en correct is aangesloten op de
microfoonaansluiting van uw computer.
❑ Mogelijk is uw geluidsinvoerapparaat verkeerd geconfigureerd. U configureert het geluidsinvoerapparaat door de
volgende stappen uit te voeren:
1
Sluit alle geopende programma's.
2
Klik op Start en Configuratiescherm.
3
Klik op Hardware en geluiden.
4
Klik op Audioapparaten beheren onder Geluid.
5
Selecteer op het tabblad Opnemen het gewenste apparaat voor de geluidsinvoer en klik op Als standaard instellen.
Hoe kan ik rondzingen voorkomen?
Rondzingen treedt op wanneer de microfoon het geluid van een geluidsuitvoerapparaat (bijvoorbeeld een luidspreker)
opvangt.
U voorkomt dit probleem als volgt:
❑ Plaats de microfoon niet in de buurt van een geluidsuitvoerapparaat.
❑ Verlaag het volume van de luidsprekers en de microfoon.
Problemen oplossen >
Luidsprekers
n 188 N
Luidsprekers
Wat moet ik doen als ik geen geluid hoor via de ingebouwde luidsprekers?
❑ Als u een programma gebruikt dat een eigen volumeregeling heeft, controleert u of het volume correct is ingesteld.
Raadpleeg de Help van dat programma voor meer informatie.
❑ Mogelijk is het volume uitgeschakeld met de toetsen Fn+F2. Druk nogmaals op de toetsen.
❑ Mogelijk is het volume gedempt met de toetsen Fn+F3. Houd de toetsen Fn+F4 ingedrukt om het volume te verhogen tot
u geluid kunt horen.
❑ Controleer de volumeregeling in Windows door op het pictogram Volume op de taakbalk te klikken.
❑ Mogelijk is uw geluidsuitvoerapparaat verkeerd geconfigureerd. Zie Hoe selecteer ik een ander geluidsuitvoerapparaat?
(pagina 193) voor het selecteren van een ander geluidsuitvoerapparaat.
Problemen oplossen >
Luidsprekers
n 189 N
Wat moet ik doen als de externe luidsprekers niet werken?
❑ Controleer de suggesties uit Wat moet ik doen als ik geen geluid hoor via de ingebouwde luidsprekers? (pagina 188).
❑ Als u een programma gebruikt dat een eigen volumeregeling heeft, controleert u of het volume correct is ingesteld.
Raadpleeg de Help van dat programma voor meer informatie.
❑ Controleer of uw luidsprekers correct zijn aangesloten en of het volume hoog genoeg staat om geluid te horen.
❑ Sluit alleen luidsprekers aan die zijn ontworpen voor gebruik met een computer.
❑ Als uw luidsprekers zijn voorzien van een knop om het geluid te dempen, schakelt u deze knop uit.
❑ Als uw luidsprekers een externe stroomvoorziening vereisen, controleert u of de luidsprekers zijn aangesloten op een
stroombron. Raadpleeg de handleiding bij uw luidsprekers voor meer informatie.
❑ Controleer de volumeregeling in Windows door op het pictogram Volume op de taakbalk te klikken.
❑ Mogelijk is uw geluidsuitvoerapparaat verkeerd geconfigureerd. Zie Hoe selecteer ik een ander geluidsuitvoerapparaat?
(pagina 193) voor het selecteren van een ander geluidsuitvoerapparaat.
Problemen oplossen >
Touchpad
n 190 N
Touchpad
Wat moet ik doen als het touchpad niet werkt?
❑ Mogelijk hebt u het touchpad uitgeschakeld voordat u een muis op uw computer aansloot. Zie Het touchpad gebruiken
(pagina 36).
❑ Controleer of er geen muis is aangesloten op de computer.
❑ Als de aanwijzer niet beweegt terwijl een softwaretoepassing wordt uitgevoerd, drukt u op de toetsen Alt+F4 om het
toepassingsvenster te sluiten.
❑ Als de toetsen Alt+F4 niet werken, drukt u één keer op de Windows-toets en vervolgens verschillende keren op de
toets ,. Selecteer Opnieuw opstarten met de toets M of m en druk op Enter om de computer opnieuw op te starten.
❑ Als de computer niet opnieuw opstart, drukt u op de toetsen Ctrl+Alt+Delete, selecteert u de pijl naast de toets Afsluiten
met de toetsen m en ,, drukt u op Enter en selecteert u Opnieuw opstarten met de toets M of m. Druk vervolgens op
Enter om de computer opnieuw op te starten.
❑ Als deze procedure niet werkt, houdt u de aan/uit-knop ingedrukt totdat de computer wordt uitgeschakeld.
!
Als u de computer uitschakelt met de toetsen Ctrl+Alt+Delete of via de aan/uit-knop, kunnen er niet-opgeslagen gegevens verloren gaan.
Problemen oplossen >
Toetsenbord
n 191 N
Toetsenbord
Wat moet ik doen als de toetsenbordconfiguratie onjuist is?
De taalindeling van het toetsenbord van uw computer staat vermeld op de doos. Als u een andere toetsenbordindeling kiest
tijdens de installatie van Windows, komt de toetsenconfiguratie niet overeen.
Voer de volgende stappen uit om de toetsenbordconfiguratie te wijzigen:
1
Klik op Start en Configuratiescherm.
2
Klik op Klok, taal en regio en op Toetsenborden of andere invoermethoden wijzigen onder Land en taal.
3
Klik op Toetsenborden wijzigen op het tabblad Toetsenborden en talen.
4
Wijzig de instellingen naar wens.
Wat moet ik doen als ik bepaalde tekens niet met het toetsenbord kan invoeren?
Als u de U, I, O, P, J, K, L, M en dergelijke niet kunt invoeren, is de Num Lk-toets mogelijk geactiveerd. Controleer of het
lampje van de Num lock-toets niet brandt. Als het Num lock-lampje brandt, drukt u op de Num Lk-toets om deze uit te
schakelen voordat u deze tekens invoert.
Problemen oplossen >
Diskettes
n 192 N
Diskettes
Waarom verschijnt het pictogram Hardware veilig verwijderen en media uitwerpen niet op
de taakbalk wanneer het diskettestation is aangesloten?
Uw computer herkent het diskettestation niet. Controleer eerst of de USB-kabel correct is aangesloten op de USB-poort.
Als u de aansluiting moet herstellen, wacht dan enkele ogenblikken, zodat de computer het station kan herkennen. Als het
pictogram nog steeds niet wordt weergegeven, voert u de volgende stappen uit:
1
Sluit alle programma's waarin het diskettestation wordt gebruikt.
2
Wacht tot het lampje op het diskettestation uit gaat.
3
Druk op de uitwerpknop om de diskette te verwijderen en koppel het USB-diskettestation los van uw computer.
4
Sluit het diskettestation weer aan door de USB-kabel in de USB-poort te steken.
5
Start de computer opnieuw op door op Start, de pijl naast de knop Afsluiten en op Opnieuw opstarten te klikken.
Wat moet ik doen als ik geen gegevens op een diskette kan schrijven?
❑ Controleer of de diskette correct in het station is geplaatst.
❑ Als de diskette correct is geplaatst, maar u nog steeds geen gegevens op de diskette kunt schrijven, is de diskette
mogelijk vol of tegen schrijven beveiligd. Gebruik een diskette die niet tegen schrijven is beveiligd of schakel de
schrijfbeveiliging uit.
Problemen oplossen >
Audio/video
n 193 N
Audio/video
Wat moet ik doen als ik mijn digitale camcorder niet kan gebruiken?
Als het bericht verschijnt dat de verbinding met de i.LINK-apparatuur is verbroken of dat de i.LINK-apparatuur is uitgeschakeld,
is de i.LINK-kabel mogelijk niet goed aangesloten op de poort van uw computer of camcorder. Verwijder de kabel en sluit
deze opnieuw aan. Zie Een i.LINK-apparaat aansluiten (pagina 108) voor meer informatie.
Hoe schakel ik het Windows-opstartgeluid uit?
Voer de volgende stappen uit om het Windows-opstartgeluid uit te schakelen:
1
Klik op Start en Configuratiescherm.
2
Klik op Hardware en geluiden.
3
Klik op Audioapparaten beheren onder Geluid.
4
Klik op het tabblad Geluiden op het selectievakje Geluid van Windows starten afspelen om dit uit te schakelen.
5
Klik op OK.
Hoe selecteer ik een ander geluidsuitvoerapparaat?
Als u het geluid niet hoort van het apparaat dat is aangesloten op een poort, zoals de USB-poort, de HDMI-uitgangspoort,
de optische uitgangspoort of de hoofdtelefoonconnector, moet u een ander geluidsuitvoerapparaat selecteren.
1
Sluit alle geopende programma's.
2
Klik op Start en Configuratiescherm.
3
Klik op Hardware en geluiden.
4
Klik op Audioapparaten beheren onder Geluid.
5
Selecteer het gewenste geluidsuitvoerapparaat op het tabblad Afspelen en klik op Als standaard instellen.
Problemen oplossen >
Audio/video
n 194 N
Wat moet ik doen als ik het geluid niet hoor van het geluidsuitvoerapparaat dat is
aangesloten op de HDMI-uitgangspoort, de optische uitgangspoort of de
hoofdtelefoonconnector?
❑ U moet een ander geluidsuitvoerapparaat selecteren als u het geluid wilt horen van het apparaat dat is aangesloten op
een poort, zoals de HDMI-uitgangspoort, de optische uitgangspoort of de hoofdtelefoonconnector. Zie Hoe selecteer ik
een ander geluidsuitvoerapparaat? (pagina 193) voor de gedetailleerde procedure.
❑ Als u nog altijd geen geluid hoort uit het geluidsuitvoerapparaat, voert u de volgende stappen uit:
1
Volg stap 1 tot 4 in Hoe selecteer ik een ander geluidsuitvoerapparaat? (pagina 193).
2
Selecteer op het tabblad Afspelen het HDMI- of S/PDIF-pictogram en klik op Eigenschappen.
3
Klik op het tabblad Geavanceerd.
4
Selecteer de samplefrequentie en bitdiepte (bijvoorbeeld 48.000 Hz, 16 bits) die door het apparaat worden ondersteund.
5
Klik op OK.
Waarom treden er onderbrekingen op in het geluid en/of gaan er frames verloren bij het
afspelen van high-definition video's, zoals video's die zijn opgenomen met de digitale
AVCHD-camcorder?
Het afspelen van high-definition video's is een grote belasting van de hardwarebronnen, zoals de CPU, GPU of het
systeemgeheugen, waardoor de prestaties van uw computer verminderen. Tijdens het afspelen van video's zijn mogelijk
bepaalde acties en/of functies niet beschikbaar, treden er onderbrekingen op in het geluid, gaan frames verloren of mislukt
het afspelen, afhankelijk van uw computerconfiguratie.
Problemen oplossen >
Memory Stick
n 195 N
Memory Stick
Wat moet ik doen als ik een Memory Stick die op een VAIO-computer is geformatteerd,
niet op andere apparaten kan gebruiken?
U moet uw Memory Stick mogelijk opnieuw formatteren.
Als u een Memory Stick formatteert, worden alle gegevens die er eerder op zijn opgeslagen, zoals muziekgegevens,
verwijderd. Maak voordat u een Memory Stick opnieuw formatteert daarom een reservekopie van belangrijke gegevens erop
en controleer of de Memory Stick geen gegevens bevat die u wilt bewaren.
1
Kopieer de gegevens van de Memory Stick naar het ingebouwde opslagapparaat om de gegevens of foto's te bewaren.
2
Formatteer de Memory Stick door de stappen in Een Memory Stick formatteren (pagina 53) uit te voeren.
Kan ik beelden van een digitale camera kopiëren met een Memory Stick?
Ja, en u kunt videoclips bekijken die u hebt opgenomen met een met Memory Stick-compatibele digitale camera.
Waarom kan ik geen gegevens schrijven naar een Memory Stick?
Sommige versies van de Memory Stick zijn voorzien van een schrijfbeveiliging om te voorkomen dat gegevens per ongeluk
worden gewist of overschreven. Zorg dat het wispreventienokje in de ontgrendelde stand staat.
Problemen oplossen >
Randapparatuur
n 196 N
Randapparatuur
Wat moet ik doen als ik een USB-apparaat niet kan aansluiten?
❑ Controleer indien van toepassing of het USB-apparaat is ingeschakeld en een eigen stroomvoorziening gebruikt. Als u
bijvoorbeeld een digitale camera gebruikt, controleert u of de batterij is opgeladen. Als u een printer gebruikt, controleert
u of de stroomkabel correct is aangesloten op een stopcontact.
❑ Probeer een andere USB-poort van uw computer. De stuurprogrammasoftware kan zijn geconfigureerd voor de poort die
u gebruikte toen u het apparaat voor het eerst aansloot.
❑ Raadpleeg de handleiding bij uw USB-apparaat voor meer informatie. Mogelijk moet u software installeren voordat u het
apparaat aansluit.
❑ Probeer een eenvoudig apparaat met een laag stroomverbruik, zoals een muis, aan te sluiten om te testen of de poort
wel werkt.
❑ USB-hubs kunnen ertoe leiden dat een apparaat niet werkt vanwege een stroomverdelingsstoring. Het wordt aanbevolen
het apparaat rechtstreeks zonder hub op uw computer aan te sluiten.
Problemen oplossen >
Dockingstation
n 197 N
Dockingstation
Wat moet ik doen als er een foutbericht wordt weergegeven wanneer ik mijn computer
loskoppel van het dockingstation?
❑ Wanneer een apparaat dat is ingevoegd in of aangesloten op het dockingstation in gebruik is, kunt u de computer niet
loskoppelen van het dockingstation. Sla niet-opgeslagen gegevens op, sluit toepassingen die deze apparaten gebruiken
af en probeer het opnieuw.
Als dit niet werkt, sluit u de computer af en koppelt u deze los van het dockingstation.
❑ Wanneer de batterij bijna leeg is, kunt u de computer niet loskoppelen van het dockingstation. Laad de batterij op of sluit
de computer af en probeer het opnieuw.
❑ Zorg ervoor dat u zich weer als dezelfde gebruiker als de vorige keer aanmeldt voordat u uw computer loskoppelt van het
dockingstation. Als u de computer loskoppelt als een andere gebruiker, kan dat leiden tot een verkeerde werking.
Zie Windows Help en ondersteuning voor meer informatie over het overschakelen tussen gebruikers.
Handelsmerken >
n 198 N
Handelsmerken
SONY, het SONY-logo, VAIO en het VAIO-logo zijn gedeponeerde handelsmerken van Sony Corporation.
'BRAVIA' is een handelsmerk van Sony Corporation.
en 'Memory Stick', 'Memory Stick Duo', 'MagicGate', 'OpenMG', 'Memory Stick PRO', 'Memory Stick PRO Duo',
'Memory Stick PRO-HG Duo', 'Memory Stick Micro', 'M2' en het 'Memory Stick'-logo zijn handelsmerken of gedeponeerde
handelsmerken van Sony Corporation.
Walkman is een gedeponeerd handelsmerk van Sony Corporation.
i.LINK is een naam die verwijst naar IEEE 1394. i.LINK en het i.LINK-logo " " zijn handelsmerken van Sony Corporation.
Intel, Pentium, Intel SpeedStep en Atom zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Intel Corporation.
Microsoft, MS-DOS, Windows, Windows Vista, BitLocker, Aero en het Windows-logo zijn handelsmerken van de
Microsoft-bedrijvengroep.
Blu-ray Disc™ en het Blu-ray Disc-logo zijn handelsmerken van de Blu-ray Disc Association.
Het Bluetooth-woordmerk en -logo zijn gedeponeerde handelsmerken, eigendom van Bluetooth SIG, Inc. en het gebruik van
dergelijke merken door Sony Corporation valt onder een licentieovereenkomst. Andere handelsmerken en handelsnamen
zijn eigendom van hun respectieve eigenaars.
Roxio Easy Media Creator is een handelsmerk van Sonic Solutions.
WinDVD for VAIO en WinDVD BD zijn handelsmerken van InterVideo, Inc.
ArcSoft en het ArcSoft-logo zijn gedeponeerde handelsmerken van ArcSoft, Inc. ArcSoft WebCam Companion is een
handelsmerk van ArcSoft, Inc.
ATI en ATI Catalyst zijn handelsmerken van Advanced Micro Devices, Inc.
Handelsmerken >
n 199 N
Het SD-logo is een handelsmerk.
Het SDHC-logo is een handelsmerk.
Het ExpressCard-woordmerk en -logo zijn eigendom van PCMCIA en het gebruik van dergelijke merken door Sony Corporation
valt onder een licentieovereenkomst. Andere handelsmerken en handelsnamen zijn eigendom van hun respectieve eigenaars.
HDMI, het HDMI-logo en High-Definition Multimedia Interface zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van
HDMI Licensing LLC in de Verenigde Staten en andere landen.
CompactFlash® is een handelsmerk van SanDisk Corporation.
, 'XMB' en 'xross media bar' zijn handelsmerken van Sony Corporation en Sony Computer Entertainment Inc.
'PlaceEngine' is een gedeponeerd handelsmerk van Koozyt, Inc.
'PlaceEngine' is ontwikkeld door Sony Computer Science Laboratories, Inc. en wordt door Koozyt, Inc. in licentie gegeven.
'AVCHD' is een handelsmerk van Panasonic Corporation en Sony Corporation.
Alle andere namen van systemen, producten en diensten zijn handelsmerken van hun respectieve eigenaars. In de handleiding
zijn de handelsmerksymbolen ™ of ® weggelaten.
Functies en specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.
Alle andere handelsmerken zijn handelsmerken van hun respectieve eigenaars.
Mogelijk wordt niet alle bovenstaande software bij uw model geleverd.
Opmerking >
n 200 N
Opmerking
© 2010 Sony Corporation. Alle rechten voorbehouden.
Deze handleiding en de hierin beschreven software mag noch geheel noch gedeeltelijk worden gereproduceerd, vertaald of
omgezet in machinaal leesbare vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming.
Sony Corporation biedt geen garantie met betrekking tot deze handleiding, de software of andere hierin opgenomen informatie
en wijst hierbij uitdrukkelijk alle impliciete garanties van de hand betreffende de verkoopbaarheid of de geschiktheid voor een
bepaald doel van deze handleiding, de software of andere hierin opgenomen informatie. Sony Corporation is in geen geval
aansprakelijk voor incidentele schade, gevolgschade of bijzondere schade, of die nu het gevolg is van een onrechtmatige
daad, een overeenkomst of een andere oorzaak, of voortvloeit uit of verband houdt met deze handleiding, de software of
andere hierin opgenomen informatie of het gebruik daarvan.
In de handleiding zijn de handelsmerksymbolen ™ of ® weggelaten.
Sony Corporation behoudt zich het recht voor op elk moment en zonder voorafgaande kennisgeving wijzigingen aan te
brengen aan deze handleiding of de hierin opgenomen informatie. Het gebruik van de hierin beschreven software is
onderworpen aan de bepalingen van een afzonderlijke gebruiksrechtovereenkomst.
Sony Corporation is niet aansprakelijk en zal geen vergoeding betalen voor eventuele verloren opnamen op uw computer,
externe opnamemedia of opnameapparatuur, of voor eventuele relevante verliezen, zoals wanneer een opname niet mogelijk
was vanwege een defect aan uw computer, of wanneer de inhoud van een opname verloren of beschadigd is vanwege een
defect of reparatie aan uw computer. Sony Corporation zal in geen enkel geval de opgenomen inhoud op uw computer,
externe opnamemedia of opnameapparatuur herstellen, terughalen of repliceren.
n
© 2010 Sony Corporation
Download PDF