Simrad IS42 Handleiding
PDF
Document
Advertisement
Advertisement
IS42 Gebruikershandleiding NEDERLANDS www.simrad-yachting.com Voorwoord Afstandverklaring Omdat Navico continu werkt aan het verbeteren van zijn producten, behouden wij ons het recht voor om op elk gewenst moment wijzigingen in het product aan te brengen, die mogelijk niet in deze versie van de handleiding worden beschreven. Neem contact op met uw dealer als u hulp of meer informatie nodig hebt. Alleen de eigenaar is verantwoordelijk voor het installeren en gebruiken van de uitrusting op een manier die geen ongevallen, persoonlijk letsel of schade aan eigendommen veroorzaakt. Alleen de gebruiker van dit product is verantwoordelijk voor het in acht nemen van veilige vaarpraktijken. NAVICO HOLDING AS EN ZIJN DOCHTERMAATSCHAPPIJEN, FILIALEN EN GELIEERDE BEDRIJVEN WIJZEN ELKE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE HAND VOOR ELK GEBRUIK VAN DIT PRODUCT OP EEN WIJZE DIE ONGEVALLEN OF SCHADE KAN VEROORZAKEN OF EEN OVERTREDING VAN DE WET INHOUDT. Officiële taal: deze verklaring, eventuele instructieboeken, gebruikershandleidingen en andere informatie met betrekking tot het product (Documentatie) kan worden vertaald in, of is vertaald uit een andere taal (Vertaling). In geval van een conflict tussen een Vertaling van de Documentatie en de Engelstalige versie van de Documentatie is de Engelstalige versie van de Documentatie de officiële versie. Deze handleiding beschrijft het product ten tijde van het ter perse gaan. Navico Holding AS en zijn dochtermaatschappijen, filialen en gelieerde bedrijven behouden zich het recht voor wijzigingen in de specificaties aan te brengen zonder mededeling vooraf. Handelsmerken Simrad® wordt gebruikt onder licentie van Kongsberg. NMEA® en NMEA 2000® zijn gedeponeerde handelsmerken van de National Marine Electronics Association. Copyright Copyright © 2016 Navico Holding AS. Voorwoord | IS42 Gebruikershandleiding 3 Garantie De garantiekaart is als afzonderlijk document meegeleverd. In geval van vragen bezoekt u de website van uw merk display of systeem: www.simrad-yachting.com. Complianceverklaringen Deze apparatuur voldoet aan: • CE volgens EMC-richtlijn 2014/30/EU • De eisen voor niveau 2-apparatuur van de Radiocommunicatienorm 2008 (elektromagnetische compatibiliteit) De relevante conformiteitsverklaring is beschikbaar in de relevante productsectie op de volgende website: www.simrad-yachting.com. Over deze handleiding Deze handleiding is een referentiehandleiding voor de bediening van de IS42. Er wordt vanuit gegaan dat alle apparatuur is geïnstalleerd en geconfigureerd en dat het systeem gereed is voor gebruik. De handleiding gaat ervan uit dat de gebruiker fundamentele kennis heeft van navigatie, nautische terminologie en praktijk. Belangrijke tekst die speciale aandacht van de lezer behoeft, wordt als volgt aangegeven: Ú Notitie: Wordt gebruikt om de aandacht van de lezer op een opmerking of belangrijke informatie te richten. Waarschuwing: Wordt gebruikt als het noodzakelijk is personen te waarschuwen voorzichtig te werk te gaan om letsel en/of schade aan personen/apparatuur te voorkomen. Handleidingversie Deze handleiding is geschreven voor softwareversie 1.0. De handleiding wordt telkens bij het verschijnen van een nieuwe softwareversie bijgewerkt. De meest recente versie van de 4 Voorwoord | IS42 Gebruikershandleiding handleiding kan gedownload worden van www.simradyachting.com. Voorwoord | IS42 Gebruikershandleiding 5 6 Voorwoord | IS42 Gebruikershandleiding Inhoud 9 Inleiding 9 10 Handleidingen Voorpaneel en knoppen 12 Basisbediening 12 12 14 15 15 16 De unit in- en uitschakelen Bedienen van het menusysteem Display instellen Display mode Een gegevenspagina selecteren Man overboord (MOB) 18 Pagina's 18 18 19 26 27 Pagina's in- of uitschakelen Automatisch door pagina's bladeren Vooraf gedefinieerde pagina's en sjabloonpagina's Gegevenspagina's configureren Ontbrekende of onjuiste gegevens 28 Trip log 29 AIS 29 29 30 30 31 31 32 33 34 Pagina AIS Symbolen AIS-doelen Doelen selecteren Weergaveopties AIS-pagina Doelinformatie weergeven AIS-berichten AIS SART Vaartuigalarmen AIS-instellingen 36 Stuurautomaat 36 37 38 39 46 Veilige bediening met de stuurautomaat Stuurautomaatcontroller De stuurautomaatpagina Stuurautomaatmodi Gebruik van de stuurautomaat in een EVC-systeem Inhoud | IS42 Gebruikershandleiding 7 46 47 Stuurautomaatalarmen Instellen stuurautomaat 55 Alarmen 55 55 56 57 57 Alarmindicatie Alarmen bevestigen Het alarmsysteem en de alarmsirene inschakelen Alarmhistorie Alarmlimieten op analoge pagina's 58 Software installeren 58 59 60 66 66 Brandstof Externe schermen Kalibratie Demping Systeeminstellingen 73 Onderhoud 73 73 73 74 Preventief onderhoud Reinigen van de display-unit Aansluitingen controleren Software-update 76 Menu-stroomschema 76 76 Paginamenu's Instellingenmenu 80 Technische specificaties 81 Tekening met afmetingen 82 Termen en afkortingen 84 Ondersteunde gegevens 84 84 8 NMEA 2000 PGN (verzenden) NMEA 2000 PGN (ontvangen) Inhoud | IS42 Gebruikershandleiding 1 Inleiding De IS42 is een multifunctioneel instrument dat deel uitmaakt van een netwerk. Op het display worden de meetgegevens van sensoren en andere op het systeem aangesloten apparaten weergegeven. Het apparaat berekent de parameters voor snelheid, wind, reisafstand en tijd, gemiddelde snelheid, vaste koers en drift. Als er een compatibele stuurautomaatcomputer op het netwerk is aangesloten, wordt op de IS42 ook de status van de stuurautomaat weergegeven. Handleidingen De volgende documentatie is beschikbaar voor het IS42-systeem: • IS42 Bedieningshandleiding (deze handleiding) • IS42 Verkorte handleiding • Gebruikershandleiding stuurautomaatcontroller OP12 • Installatiehandleiding AP44/IS42/Triton2 • Montagesjabloon AP44/IS42/Triton2 • Montagesjabloon stuurautomaatcontroller OP12/Triton2 • Handleiding voor ingebruikname stuurautomaatcontroller NAC-2/NAC-3 • Installatiehandleiding AC12N/AC42N Ú Notitie: Het laatste cijfer van het onderdeelnummer staat voor de documentversie. De nieuwste versie van alle documenten kan worden gedownload van de productwebsite www.simradyachting.com. Inleiding | IS42 Gebruikershandleiding 9 Voorpaneel en knoppen 1 1 2 3 2 4 Knop Pagina's Als er geen menu actief is: • Druk in om door de ingeschakelde gegevenspagina's te bladeren • Houd de knop ingedrukt om een lijst met ingeschakelde pagina's te openen en direct de gewenste pagina te selecteren Werking bij menu's en dialoogvensters: druk in om naar het vorige menuniveau te gaan of om een dialoogvenster te sluiten 10 2 De pijltjesknoppen Druk in om in menu's en dialoogvensters omhoog of omlaag te navigeren Druk in om een waarde aan te passen 3 De enterknop Druk in om een optie in het menu te selecteren en het volgende menuniveau te openen. Druk in om een optie in het menu of dialoogvenster te activeren of te deactiveren Inleiding | IS42 Gebruikershandleiding 4 De knop voor MENU en schermverlichting Druk één keer in om het paginamenu te openen Druk twee keer in om het menu Instellingen te openen Houd ingedrukt om het dialoogvenster Display instellen weer te geven; hier kunt u de achtergrondverlichting van het display aanpassen. Inleiding | IS42 Gebruikershandleiding 11 2 Basisbediening De unit in- en uitschakelen De unit heeft geen aan/uit-knop en blijft in bedrijf zolang de voeding op de NMEA 2000-netwerk-backbone is aangesloten. Voor de eerste keer opstarten Wanneer het apparaat voor de eerste keer wordt opgestart of na een herstel van de waarden naar de fabrieksinstellingen, wordt op het apparaat een installatiewizard weergegeven. Volg de instructies van de installatiewizard om een aantal belangrijke instellingen te selecteren. Deze instellingen kunnen later worden gewijzigd; ook verdere configuratie kan later worden uitgevoerd, zoals beschreven in "Software installeren" op pagina 58. Slaapmodus In de slaapmodus wordt het achtergrondlicht voor het touchscreen en de toetsen uitgeschakeld om energie te besparen. Het systeem blijft op de achtergrond actief. U selecteert de slaapmodus in het dialoogvenster Display instellen, te activeren door de knop MENU ingedrukt te houden. Schakel vanuit de slaapmodus naar normale werking door de knop MENU kort in te drukken. Bedienen van het menusysteem Alle functies en instellingen van de unit zijn toegankelijk via het menusysteem, dat vanuit een willekeurige pagina kan worden geactiveerd door op de knop MENU te drukken. Niet alle pagina's hebben een paginaspecifiek menu, maar alle paginamenu's bieden toegang tot het menu Instellingen. U kunt het menu Instellingen ook openen door twee keer de knop MENU te drukken. 12 Basisbediening | IS42 Gebruikershandleiding Paginamenu Instellingenmenu • Ga met de pijltoetsen omhoog en omlaag in de menu's en dialoogvensters • Bevestig een selectie door op de toets Enter te drukken • Ga terug naar het vorige menuniveau door op de toets Pagina's te drukken Numerieke waarden bewerken 1. Selecteer het invoerveld met de pijltoetsen 2. Druk op de toets Enter om het veld in de bewerkingsmodus te zetten - Het eerste cijfer links begint te knipperen 3. Gebruik de pijltoetsen om de waarde van de knipperende cijfers in te stellen 4. Druk op de toets Enter om naar het volgende cijfer gaan 5. Herhaal stap 3 en 4 tot alle cijfers zijn ingesteld 6. Druk op de toets Enter om de bewerkingsmodus voor het geselecteerde veld te verlaten 7. Gebruik de pijltoetsen om de knop Annuleren of Opslaan te selecteren, en druk dan op de toets Enter om uw selectie te bevestigen en het dialoogvenster te sluiten Geselecteerd veld Basisbediening | IS42 Gebruikershandleiding Veld in bewerkingsmodus 13 Ú Notitie: U kunt op elk moment op de knop Pagina drukken om een dialoogvenster te sluiten zonder gegevens op te slaan. Display instellen De scherminstellingen kunnen op elk willekeurig moment worden aangepast via het dialoogvenster Display instellen. Dit dialoogvenster kunt u activeren door de knop MENU ingedrukt te houden. De volgende opties zijn beschikbaar: • Verlichting stand: hiermee past u het schermverlichtingsniveau aan van minimaal (10%) tot maximaal (100%) in stappen van 10% - Als het veld voor het instellen van de schermverlichting actief is, wordt de helderheid bij elke druk op de knop MENU met 30% verlaagd • Displaygroep: bepaalt tot welke netwerkgroep de unit behoort • Nachtmodus: hiermee activeert/deactiveert u het kleurenpalet van de nachtmodus • Kleur nachtmodus: hiermee stelt u het kleurenpalet van de nachtmodus in • Omvormen dagkleur: verandert de achtergrondkleur van de pagina's van zwart naar wit • Sleep: schakelt de achtergrondverlichting voor het scherm en de toetsen uit om energie te besparen Ú Notitie: Alle wijzigingen in het dialoogvenster Display instellen zijn van toepassing op alle units die deel uitmaken van dezelfde displaygroep. Zie "Netwerkgroepen" op pagina 69 voor meer informatie over netwerkgroepen. 14 Basisbediening | IS42 Gebruikershandleiding Display mode De IS42-unit kan worden ingesteld als alleen instrumentdisplay, alleen stuurautomaatdisplay of als combinatie van deze twee. • Alleen instrument display: geeft de actieve gegevenspagina's weer. De pagina Stuurautomaat kan één van deze gegevenspagina's zijn • Alleen autopiloot display: geeft alleen de pagina Stuurautomaat weer • Autopiloot display bij in bedrijf: schakelt automatisch over naar de pagina Stuurautomaat wanneer de stuurautomaat naar een automatische modus wordt overgeschakeld. Wanneer de stuurautomaat wordt overgeschakeld naar de modus Standby, schakelt het display terug naar de vorige pagina. Voor dit gedrag hoeft de pagina Stuurautomaat niet als een van de 8 ingeschakelde gegevenspagina's te zijn geselecteerd Het dialoogvenster Display mode heeft de volgende aanvullende opties: • Toon MOB: schakelt automatisch over naar de pagina MOB zodra een Man overboord-gebeurtenis vanaf een ander systeem in het netwerk wordt geactiveerd. Zie "Man overboord (MOB)" op pagina 16 Een gegevenspagina selecteren De IS42 bevat 14 vooraf gedefinieerde gegevenspagina's, maar slechts 8 hiervan kunnen worden ingeschakeld. Zie "Pagina's" op pagina 18 voor gedetailleerde informatie over de pagina's. Basisbediening | IS42 Gebruikershandleiding 15 Er zijn twee opties beschikbaar voor het selecteren van een ingeschakelde pagina: • Direct een pagina selecteren • Door pagina's bladeren Zie "Automatisch door pagina's bladeren" op pagina 18 om automatisch door pagina's te bladeren. Direct een pagina selecteren Houd de knop Pagina's ingedrukt om een lijst met ingeschakelde pagina's weer te geven en: • gebruik de pijltoetsen om de weer te geven pagina te selecteren • bevestig uw keuze door op de toets Enter te drukken Als u uw selectie niet bevestigt, treedt er een time-out van het menu op en wordt de gemarkeerde pagina na 3 seconden weergegeven. Door de ingeschakelde gegevenspagina's bladeren Druk op de knop Pagina's om door de ingeschakelde gegevenspagina's te bladeren. Man overboord (MOB) Ú Notitie: MOB en AIS-SART werken uitsluitend met een Simrad multifunctioneel display (MFD) in het netwerk. 16 Basisbediening | IS42 Gebruikershandleiding Als er een Man overboord-gebeurtenis vanaf een ander systeem in het netwerk is geactiveerd, schakelt het apparaat schakelt automatisch over naar de MOB-pagina. Deze functie kan worden in-/uitgeschakeld in het dialoogvenster Display instellen. Zie "Display mode" op pagina 15. De MOB-pagina toont de positie, het bereik en de peiling van de MOB-gebeurtenis op de positie waar de MOB-functie werd geactiveerd. Als de Man overboord-gebeurtenis wordt geactiveerd via een AIS-SART, wordt de MOB-positie bijgewerkt via het AISSART-signaal. Het systeem blijft navigatiegegevens naar het MOB-waypoint weergeven totdat de navigatie in het menu wordt geannuleerd. Basisbediening | IS42 Gebruikershandleiding 17 3 Pagina's De IS42 bevat 14 vooraf gedefinieerde gegevenspagina's. Behalve deze pagina's zijn er 13 sjabloonpagina's voor het maken van door de gebruiker te definiëren pagina's. U kunt maximaal 8 pagina's inschakelen per unit. Deze kunnen bestaan uit een willekeurige combinatie van vooraf gedefinieerde pagina's en door de gebruiker gedefinieerde pagina's. Pagina's in- of uitschakelen Om een pagina beschikbaar te stellen via de optie Pagina's, moet u deze eerst selecteren als een van acht ingeschakelde pagina's. Automatisch door pagina's bladeren U kunt het systeem automatisch door alle ingeschakelde pagina's laten bladeren met een opgegeven tijdsinterval. Ga naar het menu Pagina's om het tijdsinterval in te stellen en de automatische bladerfunctie te starten. 18 Pagina's | IS42 Gebruikershandleiding Vooraf gedefinieerde pagina's en sjabloonpagina's Vooraf gedefinieerde pagina's Status stuurautomaat ft Sjabloonpagina's 000.0 Volledig scherm Snelweg 2x1 raster getij 2x2 raster Weer 2x2 rastercorrectie Dieptehistorie 3x3 raster Basisgegevens snelheid/diepte 1 + 3 digitaal - onder Basisgegevens windhoek/ windsnelheid 1 + 6 digitaal GPS 1 + 3 digitaal - zijkant Composiet wind 1 + 4 digitaal AIS Enkelvoudig analoog Motorgegevens Analoog + 3 Sturen 2x2 digitaal (motor) Enkel tijdplot Composiet wind + 3 Dubbel tijdplot Pagina's | IS42 Gebruikershandleiding 19 Statuspagina stuurautomaat Status stuurautomaat. Zie "Stuurautomaat" op pagina 36. Routepagina Navigatie-informatie, inclusief een 3D-weergave van de positie van de boot op de route. Pagina Getijde Getijdeninformatie ten opzichte van de boeg van de boot. 20 Pagina's | IS42 Gebruikershandleiding Pagina Weer Eenvoudige, grafische visualisatie van de weergegevens in combinatie met de omgevingsomstandigheden. De tijdsduur van de barometer kan worden ingesteld met een duur van 3 uur tot 48 uur. U kunt de tijdsduur wijzigen via het menu of met de pijltoetsen. Pagina met historische dieptegegevens Actuele diepte en histogram van vastgelegde dieptegegevens. De tijdsduur van het dieptehistogram kan worden ingesteld op 5, 10, 30 of 60 minuten. U kunt de tijdsduur wijzigen via het menu of met de pijltoetsen. Pagina's | IS42 Gebruikershandleiding 21 Pagina Snelheid/diepte Basisgegevens voor snelheid en diepte. Het veld Snelheid bevat een acceleratiestaafdiagram. Pagina Windhoek/-snelheid Schijnbare windhoek (AWA) en ware windsnelheid (TWS). De windhoekindicator (1) is rood voor bakboord en groen voor stuurboord. Het veld voor de ware windsnelheid bevat een Beaufort-schaalindicator (2). 22 Pagina's | IS42 Gebruikershandleiding Pagina GPS GPS- en navigatie-informatie. Wanneer u niet navigeert, zijn de navigatievelden gevuld met streepjes. Composiet wind Overzichtelijke visualisatie van de windgegevens. Indicator schijnbare windhoek (1) en indicator ware windhoek (2). AIS-pagina Met deze optie worden de AIS-doelen binnen een geselecteerd bereik weergegeven. Zie "AIS" op pagina 29. Pagina's | IS42 Gebruikershandleiding 23 Motorgegevens Motorgegevens, waaronder een analoge draaiknop voor het motortoerental (1), twee dynamische gegevensvelden (2) en meters voor motortrim (3) en motortemperatuur (4). In de dynamische gegevensvelden wordt informatie weergegeven in de onderstaande volgorde: • Prioriteit 1 - SOG - Snelheid door water - Snelheid (pitot) • Prioriteit 2 - Diepte • Prioriteit 3 - Vaartuig brandstofzuinigheid GPS - Vaartuig brandstofzuinigheid water • Prioriteit 4 - Vaartuig brandstofverbruik Met de kleur van de naald wordt de positie van de motor weergegeven: wit voor midden, rood voor bakboord en groen voor stuurboord. De pagina Motorgegevens kan worden ingesteld voor een of twee motoren. Zie "Engine setup" op pagina 72. 24 Pagina's | IS42 Gebruikershandleiding Eén motor Twee motoren Wanneer er twee meters zijn geselecteerd, worden de gegevens die in de dynamische velden staan niet voor de tweede meter herhaald. Sturen De navigatiegegevens, inclusief een eenvoudige visualisatie van de kompaskoers. Eén tijdplot Eenvoudige visualisatie van zowel huidige als historische gegevens voor een bepaald tijdvak. Pagina's | IS42 Gebruikershandleiding 25 U kunt datum- en tijdsperioden in het menu wijzigen. De tijdsperiode kan ook met de pijltoetsen worden ingesteld. Dubbele tijdplot Eenvoudige visualisatie van zowel huidige als historische gegevens voor een bepaald tijdvak. U kunt gegevens en tijd voor elk van de tijdsplots uit het menu wijzigen. Gegevenspagina's configureren Een pagina vervangen Alle ingeschakelde pagina's kunnen worden vervangen door een andere vooraf gedefinieerde pagina, of door een sjabloonpagina, als u een aangepaste pagina wilt maken. Aangepaste pagina's maken/bewerken Een aangepaste pagina wordt gemaakt in twee stappen: 26 Pagina's | IS42 Gebruikershandleiding • Vervanging van één van de actieve pagina's door een sjabloonpagina (zie hierboven) • Selectie van gegevens voor het veld/de velden van de sjabloonpagina's Ú Notitie: Als de sjabloonpagina meerdere gegevensvelden heeft, selecteert u het actieve veld met de pijltoetsen. Later kunt u de gegevens van alle velden op een aangepaste pagina wijzigen. Het schaalbereik op analoge pagina's wijzigen U kunt het schaalbereik voor een aantal analoge pagina's op volledig scherm wijzigen door op de pijltoetsen te drukken. Ú Notitie: Als de waarde van de data groter is dan de geselecteerde analoge schaal, blijft de analoge naald op het hoogste punt op de schaal staan. Het digitale venster in het midden van het display toont de werkelijke waarde. Ontbrekende of onjuiste gegevens Als gegevens van een bepaald type ontbreken of als deze buiten een bepaald bereik vallen, worden deze niet op het display weergegeven. In het voorbeeld ziet u de basispagina voor diepte/snelheid, waarop de gegevens voor snelheid ontbreken. Pagina's | IS42 Gebruikershandleiding 27 4 Trip log Het trip log is beschikbaar via het menu Instellingen. Het trip log is een tijdelijke pagina; u kunt deze weergave niet configureren als één van de door de gebruiker gedefinieerde pagina's. Het trip log blijft op het scherm staan totdat u op de knop Pagina's drukt. Er zijn drie opties voor het logbestand beschikbaar: • Trip 1: registreert de afgelegde afstand door het water (loggegevens) • Trip 2: registreert de afgelegde afstand op basis van GPS • Log: geeft de totale afgelegde afstand weer vanaf het moment van de installatie van het systeem of een systeemherstel Ú Notitie: Trip 1 vereist een correct gekalibreerde bootsnelheid voor accurate triprecords. Trip 2 vereist dat er een compatibel GPS-systeem op het netwerk is aangesloten. U kunt het actieve trip log vanuit het menu starten, stoppen en resetten. U activeert het trip log door op de knop MENU te drukken. 28 Trip log | IS42 Gebruikershandleiding 5 AIS Indien een compatibel AIS-systeem of een NMEA 2000-VHF voor AIS (Automatic Identification System) op het netwerk is aangesloten, dan kunnen alle door deze apparaten gedetecteerde doelen worden weergegeven op de AIS-pagina. U kunt binnen het vastgestelde bereik ook berichten en positie van SART's en AtoN's zien. Pagina AIS Op de pagina AIS worden de volgende gegevens weergegeven: • eigen boot in het midden van de pagina • AIS-doelen binnen ingesteld bereik • AIS-modus (A) AIS Uitzendmodi Stille modus of modus alleen ontvangst • aantal weergegeven pictogrammen versus totale aantal doelen (B) • afstand tussen afstandsringen (C) • geselecteerd bereik (D). Symbolen AIS-doelen Het systeem maakt gebruik van de volgende symbolen voor AISdoelen: Slapend AIS-doel (niet bewegend of voor anker). Bewegend en veilig AIS-doel met koersverlengingslijn. Gevaarlijk AIS-doel, aangegeven met vette lijn. Een doel wordt gedefinieerd als gevaarlijk op basis van de CPA en TCPA afstandsinstellingen. Raadpleeg "Gevaarlijke vaartuigen definiëren" op pagina 34. AIS | IS42 Gebruikershandleiding 29 Verloren AIS-doel. Als er binnen een tijdslimiet geen signalen zijn ontvangen, wordt een doel als verloren beschouwd. Het doelsymbool vertegenwoordigt de laatste geldige positie van het doel voordat de gegevensontvangst verloren ging. Geselecteerd AIS-doel, geactiveerd door een doelsymbool te selecteren. Zodra de cursor uit het symbool wordt verwijderd, keert het doel terug naar het standaarddoelsymbool. AIS SART (AIS Search And Rescue Transmitter). Doelen selecteren U gebruikt de pijltoetsen voor het selecteren van individuele AISdoelen op de AIS-pagina. Wanneer het doelsymbool is geselecteerd, wijzigt dit in een geselecteerd AIS-doelsymbool. Weergaveopties AIS-pagina De volgende opties zijn beschikbaar voor het weergeven van de AIS-doelen: Bereik Definieert het weergavebereik op de pagina AIS. Het geselecteerde bereik wordt in de rechterbenedenhoek van de pagina AIS weergegeven. Symboolfilters Standaard worden alle doelen binnen het opgegeven bereik op de AIS-pagina getoond. U kunt ervoor kiezen veilige AIS-vaartuigen te verbergen en geen doelen op basis van bootsnelheid te tonen. Verlengingslijnen Definieert de lengte van de koers over de grond en de koersverlengingslijnen voor uw eigen boot en andere boten. De lengte van de verlengingsijnen wordt ingesteld om de afstand aan te geven die de boot in de geselecteerde periode zal afleggen. 30 AIS | IS42 Gebruikershandleiding Voor uw eigen boot wordt de koersinformatie uitgelezen uit de actieve koerssensor; de COG-informatie wordt ontvangen van de actieve GPS. Voor andere vaartuigen worden de COG-gegevens opgenomen in de meldingen die worden ontvangen van het AISsysteem. Doelinformatie weergeven Informatie voor één doel weergeven Als u een doel selecteert, kunt u op de toets Enter drukken om gedetailleerde informatie over het geselecteerde doel weer te geven. Doelenlijst De doelenlijst geeft de basisinformatie van alle ontvangen AISdoelen weer. Door op de knop MENU te drukken, kunt u de doelenlijst op verschillende soorten informatie sorteren. U kunt er ook voor kiezen om alle doelen of alleen de gevaarlijk doelen in de lijst te selecteren. AIS-berichten Een bericht ontvangen Een bericht afkomstig van een AIS-vaartuig wordt onmiddellijk weergegeven op alle pagina's indien de optie Vaartuigmelding in het dialoogvenster Alarminstellingen is ingeschakeld. Zie "Vaartuigalarmen" op pagina 33. AIS | IS42 Gebruikershandleiding 31 Lijst met alle AIS-berichten Alle ontvangen berichten worden weergegeven in de lijst met berichten. Deze lijst kunt u openen door op de knop MENU te drukken wanneer de AIS-pagina wordt weergegeven. Selecteer een bericht en druk op de knop MENU om het oorspronkelijke bericht weer te geven. Boot met AIS oproepen Als het systeem over een VHF-radio beschikt met ondersteuning voor DSC-oproepen (Digital Select Calling) via NMEA 2000 kunt u een DSC-oproep doen aan andere boten van de IS42. Via het dialoogvenster Oproepen kunt u een ander kanaal kiezen of de oproep annuleren. Het dialoogvenster Oproepen wordt gesloten zodra de verbinding tot stand is gekomen. AIS SART Als een AIS SART (Search and Rescue Beacon) wordt geactiveerd, verzendt deze zijn positie- en identificatiegegevens. Deze gegevens worden ontvangen door uw AIS-apparaat. Als uw AIS-ontvanger niet compatibel is met AIS SART, interpreteert deze de ontvangen AIS SART-gegevens als signaal van een standaard AIS-zender. Er verschijnt een pictogram op de AIS-pagina, maar dit pictogram is een AIS-vaartuigpictogram. Als uw AISontvanger compatibel is met AIS SART, gebeurt bij het ontvangen van AIS SART-gegevens het volgende: • Er verschijnt een AIS SART-pictogram op de pagina op de positie die van de AIS SART is ontvangen 32 AIS | IS42 Gebruikershandleiding • Er verschijnt een alarmmelding. Als u de sirene hebt geactiveerd, wordt de alarmmelding gevolgd door een geluidsalarm. Ú Notitie: Als de ontvangen AIS SART-gegevens deel uitmaken van een test en niet van een actieve melding, is het pictogram groen. Vaartuigalarmen U kunt verschillende alarmen instellen om u te waarschuwen als er een doel binnen vooraf gedefinieerde limieten komt, of als een eerder gedefinieerd doel verloren is gegaan. De alarmen worden geactiveerd vanuit het dialoogvenster Alarminstellingen. Zie "Alarmen" op pagina 55 voor meer informatie over alarmen. Gevaarlijk vaartuig Controleert of er een alarm wordt geactiveerd wanneer een boot dichterbij komt dan de afstand voor CPA binnen de tijdlimiet voor de TCPA. Raadpleeg "Gevaarlijke vaartuigen definiëren" op pagina 34. AIS-vaartuig verloren Stelt de afstand in voor verloren vaartuigen. Indien een boot binnen een bepaald bereik verloren gaat, gaat er een alarm af. Ú Notitie: Via het selectievakje kunt u aangeven of het alarmpopupbericht wordt weergegeven en of de sirene afgaat. De CPA en TCPA bepalen wanneer een vaartuig gevaarlijk is, ongeacht de geactiveerde/gedeactiveerde status. AIS | IS42 Gebruikershandleiding 33 Vaartuigbericht Bepaalt of er een alarm wordt geactiveerd als er een bericht wordt ontvangen van een AIS-doel. AIS-instellingen Definiëren van gevaarlijke vaartuigen U kunt een onzichtbare bewakingszone rond uw vaartuig definiëren. Wanneer een doel binnen de ingestelde limieten komt, verandert het symbool in het symbool Gevaarlijk doel. Indien geactiveerd in het alarmpaneel, gaat er een alarm af. Snelheid- en koersindicatie De verlengingslijn kan worden gebruikt om de snelheid en koers voor doelen aan te geven, als absolute (ware) beweging of relatief ten opzichte van de boot. 34 AIS | IS42 Gebruikershandleiding AIS symbool oriëntatie Hiermee stelt u de oriëntatie van het AIS symbool in - gebaseerd op vaarrichting of COG informatie. MMSI-nummer van uw boot Gebruik deze optie voor het invoeren van uw eigen MMSI-nummer (Maritime Mobile Service Identity) in het systeem. Dit nummer moet ingevoerd zijn om gericht meldingen van AIS- en DSC-vaartuigen te kunnen ontvangen. AIS | IS42 Gebruikershandleiding 35 6 Stuurautomaat Indien een compatibele stuurautomaatcomputer op het systeem is aangesloten, is het systeem voorzien van stuurautomaatfunctionaliteit. Het systeem staat niet toe dat meer dan één stuurautomaatcomputer op het netwerk wordt aangesloten. De display-unit herkent de stuurautomaatcomputer die op het netwerk is aangesloten automatisch en biedt instellingen, configuratie en gebruikersopties voor de aangesloten computer. Voor meer informatie over het installeren en configureren van een stuurautomaatcomputer kunt u de met de stuurprogrammacomputer meegeleverde documentatie raadplegen. Veilige bediening met de stuurautomaat Waarschuwing: Een stuurautomaat is een handig hulpmiddel bij het navigeren, maar kan een menselijke navigator NIET vervangen. Waarschuwing: Zorg dat de stuurautomaat voor gebruik correct geïnstalleerd, in bedrijf gesteld en gekalibreerd is. Ú Notitie: U kunt de stuurautomaat te allen tijde uitschakelen door op de knop STBY op de OP12-stuurautomaatcontroller te drukken. Gebruik geen automatische besturing: • Bij druk verkeer of in smalle wateren • Bij slecht zicht of extreme zeecondities • Wanneer in het gebied een verbod op het gebruik van stuurautomaten van kracht is Bij gebruik van een stuurautomaat: • Laat het roer niet onbeheerd achter 36 Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding • Plaats geen magnetisch materiaal of apparatuur in de buurt van de koerssensor die door het stuurautomaatsysteem wordt gebruikt • Controleer met regelmatige tussenpozen de koers en positie van het vaartuig • Schakel altijd naar Standby-modus en verminder tijdig de snelheid om gevaarlijke situaties te vermijden Stuurautomaatcontroller 2 1 <10 10> <1 1> STBY De stuurautomaat wordt aangestuurd door de OP12 stuurautomaatcontroller. 1 LED - Modus en alarmindicator 2 De knoppen voor bakboord en stuurboord In de modus Standby: druk in om de modus Non Follow Up (NFU) te activeren. In de AUTO-modus: • Druk op een knop om de ingestelde ware koers met 1° of 10° naar bakboord of stuurboord te wijzigen • Voor boottypen die zijn ingesteld op ZEILEN: houd beide knoppen voor bakboord of stuurboord ingedrukt om overstag te gaan of te gijpen AUTO MODE 5 4 3 In de Geen drift-modus: • Druk op een knop om de ingestelde ware koers met 1° of 10° naar bakboord of stuurboord te wijzigen In de Wind-modus: • Druk in om de windhoek met 1° of 10° naar bakboord of stuurboord te wijzigen • Druk op beide 1°-knoppen om overstag te gaan of te gijpen 3 De knop AUTO Druk in om de AUTO-modus te activeren. Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding 37 4 De knop MODE Ú Notitie: Wordt alleen gebruikt wanneer de stuurautomaat in de modus AUTO of Geen drift staat. Druk een keer in om de modus te selecteren: • Voor boottypen die zijn ingesteld op ZEILEN: activeert de Wind-modus (A) • Voor andere boottypen: activeert de Geen drift-modus (B) Houd de knop ingedrukt om de NAV-modus te activeren (C) 5 De knop STBY Druk in om de standbymodus te activeren. Modus- en alarmindicator De LED in de stuurautomaatcontroller geeft de actieve modus en de alarmstatus als volgt weer: • AUTO-modus: brandend • Windmodus: knipperend (80% aan, 20% uit) • NAV-modus: knipperend (40% aan, 60% uit) • Alarm op het netwerk: snel knipperend De LED is groen in de dagmodus en rood in de nachtmodus Ú Notitie: Er is geen LED-indicatie voor de modi Geen drift en Non-follow. De stuurautomaatpagina De inhoud van de stuurautomaatpagina varieert afhankelijk van de actieve modus. Alle modi bevatten: • Reactiemodus (AC12N/AC42N/SG05) / Profielmodus (NAC-2/ NAC-3) (A) • Koersindicator, analoog en digitaal (B) • Indicator voor de stuurautomaatmodus (C) • Roerindicator, analoog en digitaal (D) 38 Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding Raadpleeg voor meer informatie de beschrijvingen van de afzonderlijke modi en "Termen en afkortingen" op pagina 82. Stuurautomaatmodi De stuurautomaat heeft verschillende stuurmodi. Het aantal modi en functies binnen een bepaalde modus is afhankelijk van de stuurautomaatcomputer, het boottype en de beschikbare ingangen, zoals uitgelegd in de beschrijving van de volgende besturingsmodi. Stand-bymodus De modus Standby wordt gebruikt wanneer de boot met de hand aan het roer wordt bestuurd. • Schakel over naar de modus Standby door op de knop STBY te drukken. Ú Notitie: Als u in de modus Standby op Bakboord of Stuurboord drukt, schakelt de stuurautomaat over naar de modus NonFollow-Up. Modus Non-Follow-Up (NFU) In de modus NFU kunt u het roer bedienen met de knoppen Bakboord en Stuurboord op de controller. Het roer blijft bewegen zo lang u de knop ingedrukt houdt. • Selecteer de modus NFU door op de knop Bakboord of Stuurboord te drukken wanneer de stuurautomaat zich in de modus Standby bevindt. Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding 39 Automatische modus (vaste koers) In de modus AUTO stuurt de stuurautomaat opdrachten naar het roer om het vaartuig automatisch op een ingestelde koers te houden. In deze modus wordt eventuele drift veroorzaakt door stroming en/of wind niet door de stuurautomaat gecompenseerd (A). A • Schakel over naar de modus AUTO door op de knop AUTO te drukken. Wanneer de modus wordt geactiveerd, selecteert de stuurautomaat de huidige koers van de boot als ingestelde koers. Ingestelde vaarrichting wijzigen in de modus AUTO U kunt de ingestelde koers aanpassen met de knoppen Bakboord en Stuurboord. Er vindt direct een koerswijziging plaats. De nieuwe koers wordt aangehouden totdat er een nieuwe koers wordt ingesteld. Overstag en gijpen in de modus AUTO Ú Notitie: Alleen beschikbaar als het boottype is ingesteld op ZEILEN. Bij overstag en gijpen in de modus AUTO wordt de koers als referentie gebruikt. Bij overstag of gijpen verandert de ingestelde koers met een vaste hoek naar bakboord of stuurboord. De overstagparameters worden ingesteld via Instelling/ Zeilparameters: de Overstag hoek bepaalt de overstaghoek en de Overstag tijd bepaalt de draaisnelheid tijdens overstag/gijpen. Zie "Instellen stuurautomaat" op pagina 47. 40 Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding <10 10> <1 1> • Start de functie Overstag of Gijpen naar bakboord of stuurboord door beide bakboordknoppen of beide stuurboordknoppen op de stuurautomaatcontroller ingedrukt te houden. - De boot begint direct te wenden in de opgegeven richting. Wind-modus Ú Notitie: De modus Wind is alleen beschikbaar als het boottype is ingesteld op ZEILEN. Het is niet mogelijk de modus Wind te activeren als de windinformatie ontbreekt. Wanneer de modus Wind is ingeschakeld, legt de stuurautomaat de huidige windhoek vast als stuurreferentiepunt en wordt de koers van de boot aangepast om deze windhoek te behouden. Voordat u de modus Wind instelt, moet de stuurautomaat op automatische modus zijn ingesteld, met geldige invoer van de windtransducer. • Schakel over naar de modus Wind door op de knop MODE te drukken wanneer de stuurautomaat in de automatische modus staat. De stuurautomaat houdt het vaartuig nu in de ingestelde windhoek tot een nieuwe modus wordt geselecteerd of een nieuwe windhoek wordt ingesteld. Waarschuwing: In Wind-modus stuurt de automaat op de schijnbare of ware windhoek en niet op een kompaskoers. Windveranderingen kunnen tot gevolg hebben dat het vaartuig op een ongewenst koers komt. Overstag en gijpen in de modus Wind De functie Overstag/gijpen kan in de modus Wind worden uitgevoerd tijdens het zeilen met schijnbare of ware wind als referentiepunt. In beide gevallen moet de ware windhoek kleiner dan 90 graden (overstag) en groter dan 120° (gijpen) zijn. De functie Overstag/gijpen spiegelt de ingestelde windhoek in de tegenovergestelde wendhoek. Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding 41 <1 1> De draaisnelheid tijdens overstag/gijpen wordt ingesteld met de parameter Overstag tijd in het menu Instelling/Zeilen. Zie "Instellen stuurautomaat" op pagina 47. • Start de functie Overstag of Gijpen naar bakboord of stuurboord door beide 1°-knoppen Bakboord en Stuurboord op de stuurautomaatcontroller in te drukken. • Bevestig de overstag/gijp in het dialoogvenster door op de knop AUTO op de stuurautomaatcontroller te drukken of op de toets Enter op de IS42. Ú Notitie: De stuurautomaat laat op de nieuwe overstag tijdelijk 5 graden afvallen zodat het vaartuig tempo kan maken. Na korte tijd gaat de windhoek terug naar de ingestelde windhoek. Ú Notitie: Als overstag of gijpen niet in het dialoogvenster wordt bevestigd, wordt het dialoogvenster na 10 seconden gesloten en wordt de overstag/gijp niet gestart. De modus Geen drift Ú Notitie: De modus Geen drift is niet beschikbaar als het boottype is ingesteld op ZEILEN. Het is niet mogelijk om de modus Geen drift te selecteren als de GPS-positie en de koersgegevens ontbreken. In de modus Geen drift wordt de boot langs een berekende tracklijn vanaf de huidige positie in een door de gebruiker ingestelde vaarrichting gestuurd. Als de boot van de oorspronkelijke track afdrijft door stroming en/of wind (A), volgt het vaartuig de lijn als een krab. 42 Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding A Voordat u de modus Geen drift instelt, moet de stuurautomaat in de modus AUTO staan, voorzien van geldige GPS- en koerssensorwaarden. • Schakel over naar de modus Geen drift door op de knop MODE te drukken wanneer de stuurautomaat in de modus AUTO staat - De stuurautomaat tekent een onzichtbare koerslijn op basis van de huidige vaarrichting vanuit de positie van het vaartuig De stuurautomaat berekent aan de hand van de positiegegevens de koersafwijkingsafstand en houdt automatisch de berekende track aan. Ingestelde koers wijzigen in de modus Geen drift U kunt de ingestelde koers aanpassen met de knoppen Bakboord en Stuurboord. Er vindt direct een koerswijziging plaats. De nieuwe koers wordt aangehouden totdat een nieuwe koers wordt ingesteld. Ontwijken Ú Notitie: Alleen beschikbaar voor stuurautomaatcomputers AC12N/AC42N. Als u een obstakel moet ontwijken in de modus Geen drift, kunt u de stuurautomaat in de modus Standby zetten en stuurbekrachtiging of het roer gebruiken totdat het obstakel is gepasseerd. Als u binnen 60 seconden teruggaat naar de modus Geen drift, kunt u kiezen of u verder gaat op de vorige ingestelde peillijn. Als u niet reageert, verdwijnt het dialoogvenster en volgt de stuurautomaat de huidige koers als ingestelde peillijn in de modus Geen drift. Vaarrichting vastleggen Wanneer de boot in de modus AUTO of Geen drift aan het draaien is en u meteen weer op de knop AUTO drukt, wordt de functie voor het vastleggen van de vaarrichting geactiveerd. Hiermee wordt het draaien automatisch geannuleerd. Zodra u op de knop AUTO drukt, gaat het vaartuig verder in de vaarrichting die van het kompas wordt gelezen. Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding 43 De modus NAV Ú Notitie: Voor de modus NAV hebt u een compatibele, op het netwerk aangesloten kaartplotter nodig. De modus NAV kan niet worden geselecteerd als er koersgegevens ontbreken of als er geen stuurgegevens van de externe kaartplotter zijn ontvangen. Waarschuwing: De modus NAV mag alleen in open water gebruikt worden. De navigatiemodus mag niet gebruikt worden tijdens het zeilen; koerswijzigingen kunnen dan resulteren in een ongewenste overstag of gijp! In de modus NAV kan de stuurautomaat de boot op basis van de stuurgegevens van een externe kaartplotter naar één specifieke waypoint-locatie of naar een reeks waypoints laten varen. In de modus NAV wordt de koerssensor van de stuurautomaat als bron gebruikt voor het aanhouden van de juiste koers. De informatie over de snelheid is afkomstig uit de SOG-gegevens (snelheid over de grond) of de geselecteerde snelheidssensor. De van de externe kaartplotter ontvangen stuurgegevens veranderen de ingestelde koers en sturen de boot naar het opgegeven waypoint. Voor een goed werkende navigatiebesturing moet het stuurautomaatsysteem de juiste waarden van de kaartplotter hebben ontvangen. De automatische besturing moet worden getest en goedgekeurd voordat u de modus NAV kunt gaan gebruiken. Ú Notitie: Als de kaartplotter geen bericht met peiling naar het volgende waypoint verzendt, stuurt de stuurautomaat alleen met gebruik van een koersafwijking (XTE). In dit geval moet u bij elk waypoint terug naar de modus AUTO en de koers handmatig met dezelfde peiling instellen op het volgende waypoint en vervolgens de modus NAV opnieuw selecteren. Voordat u de modus NAV inschakelt, moet het stuurautomaatsysteem in de modus AUTO staan. De kaartplotter moet een route weergeven of in de richting van een waypoint wijzen. 44 Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding • Start de modus NAV door de knop MODE gedurende 3 seconden ingedrukt te houden wanneer de stuurautomaat zich in de modus AUTO bevindt. • Bevestig in het dialoogvenster dat u naar de modus NAV wilt overschakelen door op de knop AUTO op de stuurautomaatcontroller te drukken of op de toets Enter op de IS42. Wenden in de modus NAV Zodra de boot een waypoint bereikt, geeft de stuurautomaat een geluidssignaal en verschijnt er een dialoogvenster met de nieuwe koersgegevens. Er is een door de gebruiker ingestelde limiet voor de maximaal toegestane automatische koerswijziging op de route naar het volgende waypoint. Als de vereiste koerswijziging groter is dan de ingestelde limiet, wordt u gevraagd te bevestigen dat de aankomende koerswijziging acceptabel is. • Als de vereiste koerswijziging naar het volgende waypoint kleiner is dan de limiet van de koerswijziging, wijzigt de stuurautomaat de koers automatisch. Het dialoogvenster verdwijnt na 8 seconden, tenzij al eerder gesloten met de knop Pagina's. • Als de vereiste koerswijziging naar het volgende waypoint groter is dan de ingestelde limiet, wordt u gevraagd te controleren of de nieuwe koerswijziging acceptabel is. Als de draai niet wordt geaccepteerd, blijft het vaartuig de ingestelde vaarrichting volgen. Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding 45 Koerswijziging kleiner dan ingestelde limiet Koerswijziging groter dan ingestelde limiet De limietinstelling voor de koerswijziging is afhankelijk van de stuurautomaatcomputer: • NAC-2/NAC-3: bevestiging koerswijzigingshoek, zie "Besturing (NAC-2/NAC-3)" op pagina 48 • AC12N/42N en SG05: navigatiewijzigingslimiet, zie "Automatisch sturen (AC12N/AC42N)" op pagina 52 Gebruik van de stuurautomaat in een EVCsysteem Als de IS42 via de SG05 is aangesloten op een EVC-systeem, kunt u handmatig sturen, ongeacht de modus waarin de stuurautomaat zich bevindt. De modusaanduiding wordt vervangen door een streepje om de overname door het EVC-systeem aan te geven. Het systeem keert terug naar de IS42-besturing in de Standbymodus, indien er binnen een bepaalde vooraf gedefinieerde periode geen roercommando van het EVC-systeem is ontvangen. Stuurautomaatalarmen U kunt meerdere alarmen instellen om u te waarschuwen als de stuurautomaat of de stuurautomaatsensoren niet werken. De alarmen worden geactiveerd vanuit het dialoogvenster Alarminstellingen. 46 Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding Zie "Alarmen" op pagina 55 voor meer informatie over alarmen. Instellen stuurautomaat De stuurautomaatinstellingen kunnen worden gesplitst in instellingen die door de gebruiker kunnen worden aangepast en instellingen die tijdens de installatie en inbedrijfstelling van het stuurautomaatsysteem worden opgegeven. • Gebruikersinstellingen kunnen worden gewijzigd voor verschillende gebruiksomstandigheden en gebruikersvoorkeuren • Installatie-instellingen worden opgegeven tijdens de inbedrijfstelling van het stuurautomaatsysteem. Deze instellingen mogen niet meer worden gewijzigd Zowel de gebruikersinstellingen als de installatie-instellingen zijn afhankelijk van welke stuurautomaat-computer op het systeem is aangesloten. In de volgende hoofdstukken vindt u informatie over instellingen die kunnen worden gewijzigd door de gebruiker. De instellingen worden beschreven per stuurautomaatcomputer. Installatie-instellingen zijn beschikbaar in de documentatie in het gedeelte na de stuurautomaatcomputers. Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding 47 Stuurautomaatcomputer NAC-2/NAC-3 Besturing (NAC-2/NAC-3) Met deze opties is het mogelijk om de parameters die tijdens de ingebruikname van de stuurautomaat zijn ingesteld handmatig te wijzigen. Raadpleeg de documentatie van de stuurautomaatcomputer voor meer informatie. • Draaisnelheid: gewenste draaisnelheid in graden per minuut • Roerversterking: deze parameter bepaalt de verhouding tussen het opgegeven roer en de koersfout. Hoe hoger deze waarde, hoe meer roer er wordt gebruikt. Als de waarde te laag is, duurt het compenseren van een koersfout te lang, waardoor de stuurautomaat niet de juiste koers kan aanhouden. Als de waarde te groot is, neemt de overschrijding toe en wordt de sturing instabiel. • Tegenroer: verhouding tussen wijziging in koersfout en roerkracht. Een hoger tegenroer zorgt ervoor dat de roerkracht bij het naderen van de ingestelde koers sneller afneemt • Autotrim: bepaalt de roerkracht van de stuurautomaat om te compenseren voor een constante koersafwijking, bijvoorbeeld veroorzaakt door externe krachten, zoals wind of stroming. Een lagere autotrim zorgt ervoor dat een constante koersafwijking sneller ongedaan wordt gemaakt Ú Notitie: In de VRF-modus regelt deze parameter de tijdconstante van de geschatte roerkracht. Een lagere waarde maakt het geschatte roer sneller, wat betekent dat het roer de bewegingen van de boot sneller kan volgen. 48 Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding • Roer init.: bepaalt hoe het roer door het systeem wordt gestuurd bij het overschakelen van stuurbekrachtiging naar automatische besturing. - Center (Midscheeps): zet het roer in de nulstand - Actual (Act.): handhaaft de roercorrectie • Roerlimiet: bepaalt de maximale roeruitslag in graden vanuit de midscheepse positie in de automatische modus. De instelling voor de roerlimiet is alleen actief tijdens de automatische besturing op rechte koersen en NIET tijdens koerswijzigingen. De roerlimiet is niet van invloed op de non-follow-up-besturing • Uit-koers limiet: hiermee wordt de alarmlimiet voor koersafwijkingen ingesteld. Er gaat een alarm af wanneer de werkelijke koers meer dan de geselecteerde limiet afwijkt van de ingestelde koers • Track-reactie: bepaalt hoe snel de stuurautomaat reageert na het registreren van een koersafwijkingsafstand • Track-aanvaarhoek: bepaalt de hoek die wordt gebruikt wanneer de boot een etappe nadert. Deze instelling wordt zowel gebruikt wanneer u begint met navigeren als wanneer u de track-offset gebruikt • Bevestiging koerswijzigingshoek: bepaalt de limieten voor de koerswijziging naar het volgende waypoint in een route. Als de vereiste koerswijziging groter is dan de ingestelde limiet, wordt u gevraagd te bevestigen dat de aankomende koerswijziging acceptabel is. Varend (NAC-2/NAC-3) Ú Notitie: De parameterinstellingen voor Varend zijn alleen beschikbaar als het boottype is ingesteld op Zeilen. • Wind functie: selecteer welke windmodus door de stuurautomaat in de modus Wind wordt gebruikt - Auto: Als TWA is <70º: Wind-modus gebruikt AWA Als TWA is ≥ 70º: Wind-modus gebruikt TWA - Schijnbaar - Waar Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding 49 • Overstag tijd: regelt de snelheid van de draai (overstagtijd) in de modus Wind. • Overstag hoek: regelt de hoek van de draai tussen 50º - 150º in de modus AUTO • Handmatige snelheid: indien er geen (betrouwbare) gegevens voor de bootsnelheid of SOG-gegevens beschikbaar zijn, kan een handmatige waarde als snelheidsbron worden ingevoerd en ter beschikking worden gesteld aan de stuurautomaat ter ondersteuning van de stuurberekeningen Stuurautomaatcomputer AC12N/AC42N Reactie (AC12N/AC42N) De AC12N/42N bevat drie verschillende sets stuurmodi: Hoog (HI), Laag (LO) en Wind. De modus kan automatisch of handmatig worden geselecteerd. De snelheid waarmee de stuurautomaat de parameters automatisch verandert van Laag naar Hoog (of omgekeerd) wordt bepaald door de instelling voor de overgangssnelheid, gedefinieerd tijdens de ingebruikname van de stuurautomaat. Raadpleeg de gedetailleerde beschrijving in de documentatie van de stuurautomaatcomputer. U kunt de drie reactiemodi handmatig nog nauwkeuriger afstemmen. Niveau 4 is standaard met parameterwaarden die zijn ingesteld door de functie Autotune. Als er geen autotune plaatsvindt (niet aanbevolen) zijn de waarden van niveau 4 de standaard fabriekswaarden. • Een laag reactieniveau vermindert de roerbewegingen en geeft een wat "lossere" sturing 50 Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding • Een hoog responsniveau zorgt voor meer roerbewegingen en een iets “strakkere” besturing. Een te hoog reactieniveau zorgt dat de boot trage S-bewegingen gaat maken. Het reactieniveau Wind wordt op zeilboten gebruikt • Verhoog de waarde voor Wind als het verschil tussen de ingestelde windhoek en de ware windhoek te groot is • Verlaag de waarde voor Wind als de ware windhoek Sbewegingen rond de ingestelde windhoek maakt of als het roer te veel beweegt De performance-modus wordt weergegeven in de linkerbovenhoek van de stuurautomaatpagina. • HI-A: hoge-reactiemodus automatisch ingesteld • LO-A: lage-reactiemodus automatisch ingesteld • HI-M: hoge-reactiemodus handmatig ingesteld • LO-M: lage-reactiemodus handmatig ingesteld Ú Notitie: Als er geen snelheidsinformatie beschikbaar is, gebruikt de stuurautomaat bij het activeren van een automatische modus automatisch de LO-stuurparameters. Dit is een veiligheidsmaatregel om oversturen te voorkomen Sea state filter (AC12N/AC42N) Dit filter wordt gebruikt om de roeractiviteit en de gevoeligheid van de stuurautomaat in zware weersomstandigheden te verlagen. • Uit: Sea state filter is uitgeschakeld. Dit is de standaardinstelling. • AUTO: vermindert de roeractiviteit en de gevoeligheid van de stuurautomaat in zware weersomstandigheden via een adaptief proces. Als u het filter wilt gebruiken, wordt de instelling AUTO aanbevolen. • HANDMATIG: gekoppeld aan de eerder beschreven stuurreactieinstellingen. Dit kan gebruikt worden om handmatig de beste combinatie te vinden van koers houden en kleine roeractiviteit in een zware maar gelijkmatige zeeconditie. Zeilen (AC12N/AC42N) Ú Notitie: De parameterinstellingen voor Zeilen zijn alleen beschikbaar als het boottype is ingesteld op Zeilen. Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding 51 • Overstag tijd: regelt de snelheid van de draai (overstagtijd) in de modus Wind. • Overstag hoek: regelt de hoek van de draai tussen 50º - 150º in de modus AUTO • Wind functie: selecteer welke windmodus door de stuurautomaat in de modus Wind wordt gebruikt - Auto: Als AWA ≤ 60º: Wind-modus gebruikt AWA Als AWA > 60º: Wind-modus gebruikt TWA - Schijnbaar - Waar • VMG optimaliseren: met deze optie kunt u de VMG optimaal afstemmen op de wind. De functie blijft 5–10 minuten actief nadat een nieuwe windhoek is ingesteld en alleen tijdens het laveren. • Layline sturen: indien deze functie is geactiveerd, blijft de boot dankzij de koersafwijking (XTE) van de navigator op de tracklijn. Als de XTE van de navigator groter is dan 0,15 Nm, berekent de stuurautomaat de layline en track naar het waypoint. Automatisch sturen (AC12N/AC42N) Met deze optie is het mogelijk om de parameters die tijdens de ingebruikname van de stuurautomaat zijn ingesteld te wijzigen. Raadpleeg de documentatie van de stuurautomaat voor meer informatie over de instellingen. • Overgangssnelheid: dit is de snelheid waarmee de stuurautomaat automatisch de stuurparameters wijzigt van Hoog naar Laag of andersom. Op motorboten is het aan te bevelen de overgangssnelheid zo in te stellen dat deze de snelheid vertegenwoordigt waarbij de romp begint te planeren, of de snelheid waarmee u van langzaam naar kruissnelheid gaat Op zeilboten dient de overgangssnelheid te worden ingesteld op 3-4 knopen om de beste respons bij een overstag te krijgen • Hoog/laag - Roerversterking: deze parameter bepaalt de verhouding tussen het opgegeven roer en de koersfout. Hoe hoger deze waarde, hoe meer roer er wordt gebruikt. Als de waarde te laag is, duurt 52 Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding het compenseren van een koersfout te lang, waardoor de stuurautomaat niet de juiste koers kan aanhouden. Als de waarde te groot is, neemt de overschrijding toe en wordt de sturing instabiel. - Tegenroer: verhouding tussen wijziging in koersfout en roerkracht. Een hoger tegenroer zorgt ervoor dat de roerkracht bij het naderen van de ingestelde koers sneller afneemt - Autotrim: bepaalt de roerkracht van de stuurautomaat om te compenseren voor een constante koersafwijking, bijvoorbeeld veroorzaakt door externe krachten, zoals wind of stroming. Een lagere autotrim zorgt ervoor dat een constante koersafwijking sneller ongedaan wordt gemaakt - Snelheidslimiet: de snelheid waarmee het schip draait in graden per minuut • Min. roer: sommige boten kunnen de neiging hebben niet te reageren op kleine roercommando's tijdens een koers vanwege een klein roer, de dode zone van het roer, rondkolkend water dat langs het roer stroomt of omdat het een waterjetboot is met een enkele spuitmond. Door het handmatig aanpassen van de minimale roerfunctie kan de koers bij sommige boten beter worden aangehouden. De roeractiviteit zal daardoor echter toenemen. • Min. windhoek stuurboord/Min. windhoek bakboord: dit is de minimale schijnbare windhoek die zorgt voor goed gevormde zeilen en een aanvaardbare stuwkracht. Deze parameters verschilt van boot tot boot. De instelling geldt voor de functie die overstag voorkomt. Het is ook van toepassing als de stuurautomaat functioneert in WindNAV-modus. U kunt verschillende minimale windhoeken selecteren voor bakboord en stuurboord. Er zal rekening gehouden worden met het verschil tussen bakboord en stuurboord bij het berekenen van de afstand tot de draai (DTT). • Navigatiewijzigingslimiet: bepaalt de limieten voor de koerswijziging naar het volgende waypoint in een route. Als de koerswijziging groter is dan deze ingestelde limiet, wordt u gevraagd te bevestigen dat de aankomende koerswijziging acceptabel is Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding 53 SG05-stuurautomaatcomputer De SG05-stuurautomaatcomputer biedt dezelfde instellingen als de AC12N/AC42N-stuurautomaatcomputers. Zie "Stuurautomaatcomputer AC12N/AC42N" op pagina 50. 54 Stuurautomaat | IS42 Gebruikershandleiding 7 Alarmen Als het systeem is ingeschakeld, wordt er voortdurend gecontroleerd op gevaarlijke situaties en systeemfouten. Het alarmsysteem wordt geactiveerd zodra een van de alarmlimieten wordt overschreden. Alarmindicatie Een alarmsituatie wordt aangegeven met een alarmpop-up. Als u de sirene hebt geactiveerd, wordt de alarmmelding gevolgd door een geluidsalarm. Een enkelvoudig alarm wordt getoond met de naam van het alarm als de titel en met details voor het alarm. Als er meer dan één alarm tegelijk wordt geactiveerd, kunnen in de alarmpop-up 2 alarmmeldingen worden weergegeven. De alarmen staan op volgorde van gebeurtenis, met bovenaan het alarm dat het eerst geactiveerd is. De overige alarmen staan in de Alarmdialoog. Type berichten De berichten worden geclassificeerd naar de manier waarop de gemelde situatie invloed heeft op uw boot. De volgende kleurcodes worden gebruikt: Kleur Belangrijkheid Rood Kritiek Oranje Belangrijk Geel Standaard Blauw Waarschuwing Groen Lichte waarschuwing Alarmen bevestigen Het meest recente alarm bevestigt u door op de toets Enter te drukken. Hierdoor wordt het alarmmelding verwijderd en schakelt u het alarm van alle eenheden die tot dezelfde alarmgroep behoren uit. Alarmen | IS42 Gebruikershandleiding 55 Zolang de alarmconditie bestaat, wordt met bepaalde tussenpozen een herinnering weergegeven. Ú Notitie: Een alarm ontvangen van een netwerkapparaat dat niet van Navico is, moet worden bevestigd op het apparaat dat het alarm genereert. Het alarmsysteem en de alarmsirene inschakelen U kunt het alarmsysteem en de alarmsirene in het menu Alarmen inschakelen. Individuele alarminstellingen U kunt het enkele alarm in- en uitschakelen en de alarmlimieten instellen via het dialoogvenster Alarminstellingen. • Druk op de toets Enter om het alarm in- of uit te schakelen • Druk op de knop MENU om het menu met alarmlimieten te openen 56 Alarmen | IS42 Gebruikershandleiding Alarmhistorie In het dialoogvenster Alarmhistorie worden alarmmeldingen opgeslagen totdat ze handmatig worden gewist. U geeft de informatie over een bepaald alarm weer en wist alle alarmen in de alarmhistorie door op de knop MENU te drukken bij geopend dialoogvenster Alarmhistorie. Menu-opties Alarmgegevens Alarmlimieten op analoge pagina's Op de analoge pagina's op volledige schermgrootte voor ware windsnelheid (TWS) en diepte worden de hoge en lage alarmlimietinstellingen als rood gebied aangegeven. Zo hebt u een visueel overzicht van de alarmgebieden. Pagina Ware windsnelheid met hoge en lage ware windsnelheidslimieten Alarmen | IS42 Gebruikershandleiding Pagina Diepte met ondiepe en diepe waterlimieten 57 8 Software installeren Voordat de IS42 in gebruik kan worden genomen, moet u een aantal instellingen configureren om het systeem te laten werken zoals verwacht. Toegang tot de vereiste opties krijgt u via het menu Instellingen, bereikbaar vanuit het paginamenu of door tweemaal op de knop MENU te drukken. Ú Notitie: De volgende instellingen worden beschreven in andere hoofdstukken van deze handleiding: "Pagina's" op pagina 18 "Trip log" op pagina 28 "Alarmen" op pagina 55 "Instellen stuurautomaat" op pagina 47 "AIS-instellingen" op pagina 34 Brandstof Het hulpprogramma Brandstof bewaakt het brandstofverbruik. Het brandstofverbruik wordt per trip en per seizoen bijgehouden en wordt gebruikt voor het berekenen van de brandstofzuinigheid. Om het hulpprogramma te kunnen gebruiken, moet een Navico brandstofstroomsensor of een NMEA 2000-motoradapterkabel/ gateway met Navico-brandstofgegevensopslagapparaat in de boot worden geplaatst. Voor de Navico-brandstofstroomsensor en de Suzuki-motorinterface is het gebruik van een afzonderlijk brandstofopslagapparaat niet nodig. Vraag de fabrikant van de motor of uw dealer of uw motor de juiste gegevensuitvoer heeft en welke adapter beschikbaar is voor de verbinding met de NMEA 2000. Voor nauwkeurige informatie over het brandstofverbruik moet de installatie van de motor voltooid zijn en moet de brandstofsensor 58 Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding gekalibreerd zijn volgens de aparte documentatie van de sensor. Zie "Engine setup" op pagina 72 en "Bronnen" op pagina 66. Brandstof tanken Om de brandstofcapaciteit nauwkeurig te kunnen berekenen, vult u de tank en kiest u in het dialoogvenster Tanken de optie Zet op vol. Gebruikte brandstof Het dialoogvenster Gebruikte brandstof toont de hoeveelheid brandstof die is verbruikt sinds de laatste keer dat de tank werd gevuld, sinds de laatste tripreset en per seizoen (continue registratie). Indien er meer dan een motor op het netwerk is aangesloten, geldt het brandstofverbruik voor alle motoren samen. Ook wordt een overzicht van de gegevens per motor gegeven. Met de optie Reset in het dialoogvenster kunt u de brandstofgegevens terugzetten op nul. U kunt alle motoren tegelijk of elke motor afzonderlijk resetten. Externe schermen Elk compatibel B&G HV-display dat op het netwerk is aangesloten, kan worden geconfigureerd om de gewenste gegevens via de IS42 weer te geven. In het dialoogvenster Externe displays worden alle HV-displays vermeld. Displays die niet in het netwerk aanwezig zijn, worden grijs weergegeven. 1. Selecteer het displaytype dat u wilt configureren - Aangesloten displays van het geselecteerde type staan in de lijst vermeld 2. Markeer het display dat u wilt configureren - Het HV-display zelf begint te knipperen 3. Druk op de knop MENU om de beschikbare opties weer te geven: Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding 59 • Gegevens selecteren: hiermee kunt u de gegevens definiëren die moeten worden weergegeven op de geselecteerde HV-display • Witte verlichting: hiermee stelt u de achtergrondverlichting in op wit Ú Notitie: Deze optie is niet beschikbaar voor het 40/40 HVdisplay • Displaygroep: hiermee stelt u de netwerkgroep in voor de unit • Instance: hiermee stelt u de netwerkinstantie in voor de unit Zie "Netwerk" op pagina 66 voor meer informatie over netwerkgroepen en instantie-instellingen. Kalibratie Ú Notitie: Controleer, nadat het apparaat opnieuw is ingesteld en voordat u overgaat tot kalibratie, of alle netwerkbronnen geselecteerd en geconfigureerd zijn. Zie "Systeeminstellingen" op pagina 66. Vaartuigsnelheid Snelheidskalibratie is nodig ter compensatie van de vorm van de scheepsromp en de plaats van het schoepenwiel op uw vaartuig. Voor nauwkeurige snelheids- en loggegevens is het cruciaal dat het schoepenwiel is gekalibreerd. SOG-referentie Dit is een automatische kalibratieoptie waarbij gebruik wordt gemaakt van de grondsnelheid (SOG) van uw GPS. Tijdens de duur 60 Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding van het kalibratieproces wordt de gemiddelde SOG vergeleken met de gemiddelde snelheid van de boot gemeten door de snelheidssensor. Ú Notitie: Deze kalibratie dient uitgevoerd te worden op kalme zee zonder effecten van wind of getijdenstroom. • Breng de boot op kruissnelheid (meer dan 5 knopen) en • Selecteer de optie SOG referentie Als de kalibratie is voltooid, toont de kalibratieschaal het percentage waarmee de snelheid is aangepast. Afstandsreferentie Hiermee kunt u het log kalibreren via een referentieafstand. U moet opeenvolgende rondes afleggen, met het vermogen op constante snelheid, over een opgegeven route en afstand. Ú Notitie: De afstand moet groter zijn dan 0,5 NM, bij voorkeur 1 NM. Om getijdeneffecten te elimineren, is het raadzaam ten minste twee vaarten te maken en bij voorkeur drie, langs de gemeten koers. Raadpleeg het schema. A en B zijn de markeringen voor elke ronde. X is de werkelijke afstand voor elke ronde. • Voer de afstand waarover u de referentieafstand wilt berekenen in zeemijlen in • Zodra de boot op de vooraf gedefinieerde startpositie van de referentie-afstandsberekening komt, start u de kalibratietimer • Laat het systeem, telkens als de boot tijdens een ronde langs A en B vaart, starten en stoppen. Selecteer OK om de kalibratie te beëindigen. A x Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding B 61 Gebruik van SOG als vaartuigsnelheid Als de vaartuigsnelheid niet kan worden gegeven door een schoepenwielsensor, kan de grondsnelheid van een GPS gebruikt worden. SOG wordt getoond als vaartuigsnelheid en gebruikt voor berekening van de ware wind en de snelheidslog. Wind MHU-uitlijning (masttop-unit) Deze geeft een offsetkalibratie in graden voor het compenseren van eventuele mechanische uitlijningsverschillen tussen de masttopunit en de middellijn van de boot. Voor het controleren van de uitlijningsfout adviseren wij de volgende methode te gebruiken (hiervoor moet een testvaart worden gemaakt): • Vaar op een stuurboordoverstag op een close-hauled koers en leg de windhoek vast. Herhaal het proces daarna op een bakboordoverstag • Deel het verschil tussen de twee vastgelegde getallen en voer dit in als de windhoekoffset Als de schijnbare windhoek aan stuurboord groter is dan de bakboordhoek, deelt u het verschil door 2 en voert u dit in als negatieve offset. Als de schijnbare windhoek aan bakboord groter is dan de stuurboordhoek, deelt u het verschil door 2 en voert u deze waarde in als positieve offset. Voer de offset in het MHU-uitlijningskalibratieveld in. Diepte Diepte-offset Alle transducers meten de waterdiepte van de transducer tot de bodem. Daardoor tellen de waterdieptewaarden voor de afstand tussen de transducer en het laagste punt van de boot (bijvoorbeeld: de onderkant van de kiel, het roer of de schroef) in het water of vanaf de transducer tot het wateroppervlak niet mee. 62 Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding • Voor de diepte onder de kiel (A): stel de afstand vanaf de transducer tot de onderkant van de kiel in als een negatieve waarde. Bijvoorbeeld -2,0. • Voor de diepte onder de transducer (B): geen offset nodig. • Voor de diepte onder het wateroppervlak (de waterlijn) (C): stel de afstand van de transducer naar het wateroppervlak in als positieve waarde. Bijvoorbeeld +0,5. +0.5 -2.0 +0.0 A B C Diepte-offset achter Deze optie biedt de mogelijkheid om twee dieptewaarden weer te geven. De diepte-offset achter wordt op dezelfde wijze gekalibreerd als de diepte-offset. Ú Notitie: Diepte-offset achter is alleen beschikbaar wanneer er een geldig signaal wordt ontvangen vanaf een tweede, compatibel NMEA 2000 of NMEA 0183-apparaat. Vaarrichting Ú Notitie: Alle magnetische kompassen moeten worden gekalibreerd om ervoor te zorgen dat de correcte koers wordt aangegeven. De kalibratie moet worden uitgevoerd op het actieve kompas. Om goede resultaten te verkrijgen, moet de kalibratie op kalme zee, met weinig wind en minimale stroming worden uitgevoerd. Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding 63 Offset x A B De optie Offset wordt gebruikt ter compensatie van eventuele verschillen tussen de middellijn van de boot (A) en de lubber line van het kompas (B). 1. Zoek de peiling vanaf de positie van het vaartuig naar een zichtbaar object. Gebruik een kaart of een kaartplotter 2. Stuur de boot zo dat de middellijn van de boot op één lijn ligt met de peilingslijn die naar het object wijst. 3. Wijzig de offsetparameter zo, dat de peiling naar het object en de aflezing op het kompas gelijk aan elkaar zijn. Ú Notitie: Zorg dat dezelfde eenheid (°M of °T) voor de kompasrichting en de peiling naar het object wordt gebruikt. Kalibratie, door gebruiker gestart 20% A 030˚ 030˚ C B Ú Notitie: Controleer voordat u de kalibratie start of het vaartuig voldoende ruimte heeft om een volledige draai te kunnen maken. De optie Kalibratie wordt gebruikt voor het handmatig starten van de koerskalibratieprocedure. Tijdens deze kalibratie meet het kompas de sterkte en richting van het lokale magnetische veld. De illustratie toont de sterkte van het lokale veld in een percentage van het magnetische veld van de aarde (A) en de richting van plaatselijke veld (B) ten opzichte van de middellijn van de boot (C). Volg de instructies op het scherm en maak een volledige draai in ongeveer 60-90 seconden. Blijf draaien tot het systeem OK aangeeft. • Als het lokale magnetische veld sterker is dan het magnetische veld van de aarde (het lokale veld geeft meer dan 100% aan), mislukt de kalibratie van het kompas. • Als het lokale veld meer dan 30% aangeeft, moet u eventuele magnetische voorwerpen in de buurt van het kompas verwijderen of het kompas verplaatsen. De (lokale) veldhoek geeft de magnetische voorwerpen aan die de lokale storing veroorzaken. Ú Notitie: In bepaalde gebieden en bij hogere breedtegraden wordt de lokale magnetische interferentie groter en kan het zijn dat u koersfouten van ± 3°moet accepteren. 64 Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding Automatische kalibratie Er is een volledig automatische kalibratieprocedure beschikbaar voor kompassen. Zie de bij de kompas meegeleverde documentatie voor meer informatie. Magnetische variatie Definieert hoe magnetische variatie wordt afgehandeld door het systeem. • Auto: ontvangt variatiegegevens uit een netwerkbron • Handmatig: voor het handmatig invoeren van een waarde voor de magnetische variatie Gebruik van COG als koers Als de koers niet beschikbaar is via een kompassensor, kan de grondkoers (COG) van een GPS gebruikt worden. COG wordt gebruikt in ware-windberekeningen. Ú Notitie: De stuurautomaat kan niet worden bediend met de COG als koersbron. COG kan niet berekend worden als u stilligt. Slagzij/rollen Indien een geschikte sensor is gemonteerd, kan het systeem de helling van de boot bewaken. De offsetwaarde moet zo worden aangepast, dat deze voor zowel Slagzij als Rollen de waarde 0 aangeeft. Omgeving Indien een geschikte sensor is gemonteerd, meet het systeem de huidige zee- en luchttemperatuur en de barometrische druk. Met de in te voeren offsetwaarde moet de waarde van de sensor aan een gekalibreerde bron worden aangepast. Roer Start de automatische kalibratie van de roerstandterugmelding. Met deze procedure wordt de juiste verhouding ingesteld tussen de fysieke beweging van het roer en de opgegeven hoek van het roer. Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding 65 Volg de instructies op het display om de kalibratieprocedure van de roerstandterugmelding uit te voeren. Advanced Deze optie wordt gebruikt voor het handmatig toepassen van offsets op de weergegeven gegevens van sensoren die niet via de IS42 kunnen worden gekalibreerd. Demping Indien gegevens onjuist of te gevoelig zijn, kan demping worden toegepast om de informatie stabieler te maken. Wanneer demping niet is ingeschakeld, worden de gegevens in ruwe vorm gepresenteerd, zonder demping. Ú Notitie: Dempinginstellingen worden toegepast op units die tot dezelfde dempinggroep behoren. Zie "Netwerkgroepen" op pagina 69. Systeeminstellingen Netwerk Bronnen Gegevensbronnen voorzien het systeem van realtime gegevens. De gegevens kunnen afkomstig zijn van modules in de unit (bijvoorbeeld de interne GPS of sonar) of van externe modules aangesloten op de NMEA 2000 of via NMEA 0183, indien beschikbaar op het apparaat. Als een apparaat met meer dan één bron is verbonden die dezelfde gegevens leveren, kan de gebruiker de gewenste bron selecteren. Voordat u de bron selecteert, moet u ervoor zorgen dat alle externe apparaten en de NMEA 2000-backbone zijn aangesloten en ingeschakeld. • Auto-selectie: hiermee zoekt u naar alle bronnen die op het apparaat zijn aangesloten. Indien er meer dan één bron beschikbaar is voor elk gegevenstype, wordt de selectie gemaakt op basis van een interne prioriteitenlijst. Deze optie is geschikt voor de meeste installaties. 66 Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding • Handmatige bronselectie: handmatige selectie is over het algemeen alleen vereist indien er meer dan één bron voor dezelfde gegevens is en de automatisch geselecteerde bron niet de gewenste bron is. Apparatenlijst In deze lijst worden de apparaten weergegeven die gegevens leveren. Dit kan een module binnen in de unit zijn, of een extern NMEA 2000-apparaat. Door een apparaat in deze lijst te selecteren, worden aanvullende gegevens en acties weergegeven: Alle apparaten staan toewijzing van een exemplaarnummer in de configuratie-optie toe. Stel unieke exemplaarnummers in voor identieke apparaten in het netwerk, zodat de unit deze van elkaar kan onderscheiden. De gegevensoptie toont alle gegevens die door het apparaat worden uitgevoerd. Sommige apparaten tonen extra opties die specifiek zijn voor het apparaat. Ú Notitie: Een exemplaarnummer instellen voor een product van derden is meestal niet mogelijk. Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding 67 Diagnostiek Het tabblad NMEA 2000 op de diagnosepagina kan nuttig zijn voor het opsporen van netwerkproblemen. Ú Notitie: De volgende informatie duidt niet altijd op een probleem dat eenvoudig kan worden opgelost met een kleine wijziging in de netwerkstructuur of in de aangesloten apparaten en hun activiteit in het netwerk. Rx- en Tx-fouten geven waarschijnlijk problemen met het fysieke netwerk aan. Dit zijn problemen die kunnen worden opgelost door een connector te vervangen/repareren, een backbone- of netwerkkabel in te korten of het aantal netwerkknooppunten (apparaten) te verminderen. Busstatus Geeft aan of de bus van stroom wordt voorzien, niet per se of deze verbonden is met of meerdere gegevensbronnen. Als echter wordt weergegeven dat de bus niet is ingeschakeld, maar de stroom wel is ingeschakeld en het aantal fouten blijft oplopen, is er mogelijk iets mis met de stekker of het kabelnetwerk. Rx overflows De unit heeft te veel berichten voor de buffer ontvangen, waardoor deze niet door de toepassing kunnen worden gelezen. Rx overruns De unit bevat te veel berichten voor de buffer, waardoor deze niet door de driver kunnen worden gelezen. Rx/Tx-fouten Deze twee waarden worden hoger wanneer er foutmeldingen zijn en worden lager wanneer berichten goed zijn ontvangen. Deze waarden zijn, in tegenstelling tot de overige waarden, niet cumulatief. Bij een normale werking moeten deze op 0 staan. Waarden rond de 96 en hoger wijzen op een uitermate storingsgevoelig netwerk. Als deze waarden voor een bepaald apparaat te hoog worden, wordt dit apparaat automatisch ontkoppeld. 68 Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding Rx/Tx-berichten Hier wordt de communicatie naar en vanuit het apparaat weergegeven. Bus laden Een hoge waarde betekent hier dat de capaciteit van het netwerk bijna volledig in gebruik is. Sommige apparaten passen de transmissiesnelheden bij zwaar netwerkverkeer automatisch aan. Fast packet-fouten Cumulatieve optelling van fast packet-fouten. Dit kan bijvoorbeeld een gemist frame of een frame uit sequentie zijn. NMEA 2000-PGN's bestaan uit maximaal 32 frames. Als er een frame ontbreekt, wordt het volledige bericht genegeerd. Ú Notitie: Rx- en Tx-fouten geven vaak problemen met het fysieke netwerk aan. Dit zijn problemen die kunnen worden opgelost door een connector te vervangen/repareren, een backbone- of netwerkkabel in te korten of het aantal netwerkknooppunten (apparaten) te verminderen. Netwerkgroepen De functie Netwerkgroep wordt gebruikt voor het beheren van de parameterinstellingen, globaal of in groepen van units. De functie wordt gebruikt op grotere boten, waar meerdere units met het netwerk zijn verbonden. Door verschillende units aan dezelfde groep toe te wijzen, wordt een parameterupdate op één unit ook doorgevoerd op de andere units in de groep. Eenheden Eenheden voor verschillende soorten data instellen. Decimalen Definieert het aantal decimalen dat voor snelheid en temperatuur van het zeewater wordt gebruikt. Toetstonen Hiermee bepaalt u het volume van de toon die klinkt wanneer er een toets wordt ingedrukt. Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding 69 Standaard instelling: Luid Taal Bepaalt de taal die op het apparaat wordt gebruikt voor panelen, menu's en dialoogvensters. Bij veranderen van de taal wordt het apparaat opnieuw opgestart. Tijd Bepaalt de lokale tijdzone verstelling en het formaat van tijd en datum. Display instellen Geeft het dialoogvenster Display instellen weer. De volgende opties zijn beschikbaar: • Verlichting stand: hiermee past u het schermverlichtingsniveau aan van minimaal (10%) tot maximaal (100%) in stappen van 10% - Als het veld voor het instellen van de schermverlichting actief is, wordt de helderheid bij elke druk op de knop voor schermverlichting met 30% verlaagd • Displaygroep: bepaalt tot welke netwerkgroep de unit behoort • Nachtmodus: hiermee activeert/deactiveert u het kleurenpalet van de nachtmodus • Nchtmodus kleur: hiermee stelt u het kleurenpalet van de nachtmodus in • Omvormen dagkleur: verandert de achtergrondkleur van de pagina's van zwart naar wit • Sleep: schakelt de achtergrondverlichting voor het scherm en de toetsen uit om energie te besparen 70 Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding Display mode De IS42-unit kan worden ingesteld als alleen instrumentdisplay, alleen stuurautomaatdisplay of als combinatie van deze twee. • Alleen instrument display: geeft de actieve gegevenspagina's weer. De pagina Stuurautomaat kan één van deze gegevenspagina's zijn • Alleen autopiloot display: geeft alleen de pagina Stuurautomaat weer • Autopiloot display bij in bedrijf: schakelt automatisch over naar de pagina Stuurautomaat wanneer de stuurautomaat naar een automatische modus wordt overgeschakeld. Wanneer de stuurautomaat wordt overgeschakeld naar de modus Standby, schakelt het display terug naar de vorige pagina. Voor dit gedrag hoeft de pagina Stuurautomaat niet als een van de 8 ingeschakelde pagina's te zijn geselecteerd Het dialoogvenster Display mode heeft de volgende aanvullende opties: • Toon MOB: schakelt automatisch over naar de pagina MOB zodra een Man overboord-gebeurtenis vanaf een ander systeem in het netwerk wordt geactiveerd. Zie "Man overboord (MOB)" op pagina 16 Files Bestandsbeheersysteem. Wordt gebruikt om te bladeren door de inhoud van het interne geheugen van de unit en de inhoud van een apparaat dat is aangesloten op de USB-poort van de unit. Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding 71 Simulatie Hiermee wordt het display met gesimuleerde gegevens weergegeven. U kunt de simulator gebruiken om bekend te raken met het apparaat voordat u gaat varen. Wanneer deze optie wordt geactiveerd, wordt de simulatormodus weergegeven op het display. Terug naar standaard instellingen Hiermee kunt u selecteren welke instellingen moeten worden teruggezet naar de originele fabrieksinstellingen. Engine setup Vaartuiginstellingen Hiermee kunt u het aantal motoren, de brandstoftanks en de totale brandstofcapaciteit instellen. Motordisplay instellen Op elke meter kunnen de gegevens van maximaal twee motoren worden weergegeven. In het scherm Motordisplay instellen is te zien welke motorgegevens moeten worden weergegeven op een meter als u meer dan 2 motoren hebt. Meter limieten Hier worden de omw/min en de brandstofsnelheidslimieten van het vaartuig ingesteld. Ú Notitie: Deze limieten zijn een visuele richtlijn op de gegevenspagina's. Ze activeren geen alarmen. Algemene reset Hiermee wordt de bronselectie op alle displays in het netwerk gereset. Info over Hier worden de copyrightgegevens, de softwareversie en de technische informatie van dit apparaat weergegeven. 72 Software installeren | IS42 Gebruikershandleiding 9 Onderhoud Preventief onderhoud De unit heeft geen onderdelen die in het veld kunnen worden onderhouden. Daarom is hoeft de gebruiker slechts zeer beperkt preventief onderhoud uit te voeren. Er wordt aanbevolen altijd het meegeleverde zonnescherm te plaatsen als de unit niet in gebruik is. Reinigen van de display-unit Gebruik waar mogelijk een geschikte schoonmaakdoek om het scherm schoon te maken. Gebruik voldoende water om achtergebleven zoutresten op te lossen en weg te spoelen. Gekristalliseerd zout kan de coating beschadigen als er een vochtige doek wordt gebruikt. Oefen zo weinig mogelijk druk op het scherm uit. Wanneer vlekken op het scherm niet verwijderd kunnen worden met alleen de doek, gebruikt u een 50/50-mengsel van warm water en isopropylalcohol om het scherm te reinigen. Gebruik geen oplosmiddelen (aceton, minerale terpentine enzovoort) en reinigingsproducten op ammoniakbasis, omdat deze de antireflectiecoating en de kunststof omlijsting kunnen beschadigen. Om UV-schade aan de kunststof omlijsting te voorkomen, wordt aanbevolen het zonnescherm te plaatsen als de unit voor langere tijd niet gebruikt wordt. Aansluitingen controleren De aansluitingen moeten alleen visueel worden gecontroleerd. Druk de stekker in de aansluiting. Als de stekker een vergrendeling heeft, moet u controleren of die in de juiste stand staat. Onderhoud | IS42 Gebruikershandleiding 73 Software-update De IS42 beschikt over een USB-poort achterop. Deze poort kunt u voor software-updates gebruiken. U kunt software-updates uitveren voor de IS42 zelf en voor de NMEA 2000-sensoren die op het netwerk van de IS42 zijn aangesloten. De softwareversie van de unit kunt u controleren via het dialoogvenster Info. De softwareversie voor aangesloten NMEA 2000-sensoren is beschikbaar in de Apparatenlijst. De nieuwste software kunt u downloaden van onze website: www.simrad-yachting.com. Software-update voor de unit 1. Download de nieuwste software van onze website: www.simrad-yachting.com en sla deze op een USB-apparaat op 74 Onderhoud | IS42 Gebruikershandleiding 2. Sluit het USB-apparaat aan op de IS42-unit en start de IS42-unit opnieuw op - De upgradeprocedure voor alle units wordt nu automatisch uitgevoerd 3. Verwijder het USB-apparaat als de update is voltooid. Waarschuwing: Verwijder het USB-apparaat pas nadat de update is voltooid. Als het USB-apparaat wordt verwijderd voordat de update is voltooid, kan de unit beschadigd raken. Software-update voor externe apparaten 1. Download de nieuwste software van onze website: www.simrad-yachting.com en sla deze op een USB-apparaat op 2. Sluit het USB-apparaat aan op de IS42 3. Start Windows Verkenner en selecteer het updatebestand op het USB-apparaat 4. Start de update vanuit het dialoogvenster Bestandsgegevens 5. Verwijder het USB-apparaat als de update is voltooid. Onderhoud | IS42 Gebruikershandleiding 75 10 Menu-stroomschema Het systeem beschikt over twee menucategorieën: het paginamenu en het menu Instellingen. Elke pagina bevat een paginamenu, dat u kunt openen door eenmaal op de knop MENU te drukken. Het paginamenu bevat de basisfuncties voor de betreffende optie. Alle paginamenu's bieden toegang tot het menu Instellingen. Het menu Instellingen kunt u openen vanuit de paginamenu's of door tweemaal op de knop MENU te drukken. Het menu Instellingen biedt toegang tot instellingen van de sensoren, de boot en het systeem. Paginamenu, pagina Dieptehistorie Instellingenmenu Paginamenu's Elke pagina bevat een paginamenu dat kan worden geopend door op de knop MENU te drukken. Indien van toepassing bevat het paginamenu de basisfuncties voor het betreffende paneel. Alle paginamenu's bieden toegang tot het dialoogvenster Instellingen. Instellingenmenu Niveau 1 Niveau 2 Pagina's Pagina's... AutoScroll AutoScroll-tijd 76 Menu-stroomschema | IS42 Gebruikershandleiding Niveau 1 Niveau 2 Brandstof Bijtanken Fuel Used Externe schermen 10/10 displays... 20/20 displays... 30/30 displays... 40/40 displays... Kalibratie Bootsnelheid... Wind... Diepte... Koers... Rollen/slagzij... Omgeving... Roer... Geavanceerd... Demping Vaarrichting Schijnbare wind Ware wind Vaartuigsnelheid SOG COG Stand rollen Stand slagzij Getijde Trip log Trip 1... Trip 2... Log... Menu-stroomschema | IS42 Gebruikershandleiding 77 Niveau 1 Niveau 2 Alarmen Actieve alarmen... Alarmhistorie... Alarminstellingen... Motoralarminstellingen... Alarm ingeschakeld Siren Enabled Stuurautomaat, NAC-2 en NAC-3 Sturen * Raadpleeg de handleiding voor ingebruikname NAC-2/ NAC-3 (988-11233-00n) Installatie * Stuurautomaat, AC12N/ AC42N Reactie ** Raadpleeg de installatiehandleiding AC12N/ AC42N (988-10276-00n) Zeilen AIS Gevaarlijke vaartuigen... Zeilen Zeeconditiefilter Automatisch sturen Installatie ** Snelheid en koers Richting AIS-pictogram MMSI... 78 Menu-stroomschema | IS42 Gebruikershandleiding Niveau 1 Niveau 2 Systeem Netwerk Units Decimalen Toetstonen Taal Tijd... Display instellen... Display-mode... Files Simulatie Terug naar standaardinstellingen... Engine setup Algemene reset... Info over Menu-stroomschema | IS42 Gebruikershandleiding 79 11 Technische specificaties Afmetingen Zie "Tekening met afmetingen" op pagina 81 Gewicht 0,32 kg (0,7 lbs) Energieverbruik (@13.5 V) Backlight UIT 1.35 W (100 mA) Backlight MAX 2.16 W (160 mA) Netwerkbelasting 4 LEN Kleur Zwart Display Afmeting Type 4,1 inch (diagonaal). Beeldverhouding 4:3 Transmissief TFT-LCD. Witte LED-schermverlichting Resolutie 320 x 240 pixels Wit voor dagmodus. Rood, Verlichting groen, blauw of wit voor nachtmodus Milieubescherming Waterbestendigheid IPx7 Vochtigheid 100% RH Temperatuur Bedrijfstemperatuur -25 ºC tot +65 ºC Opslagtemperatuur -40 ºC tot +85 ºC 80 Technische specificaties | IS42 Gebruikershandleiding 118 mm (4.64") 8 mm (0.31") 36.5 mm (1.43") 28.5 mm (1.12") 115 mm (4.52") 12 Tekening met afmetingen 97.5 mm (3.83") Tekening met afmetingen | IS42 Gebruikershandleiding 81 13 82 Termen en afkortingen In deze lijst worden termen en afkortingen weergegeven die op de pagina's en de dialoogvensters van het IS42-systeem worden gebruikt. AIR TEMP Luchttemperatuur AIS Automatisch identificatiesysteem AVG SPD Gemiddelde snelheid AWA Schijnbare windhoek AWS Schijnbare windsnelheid BSPD Vaartuigsnelheid BTW Peiling tot waypoint BWW Peiling van waypoint naar waypoint COG Grondkoers CTS Stuurkoers DGPS Differentiële GPS DTW Afstand tot volgend waypoint DSC Digital Selective Calling (DSC) EPFS Electronic Position Fixing System EPIRB Emergency Position Indicating Radio Beacon ETA Geschatte aankomsttijd ETW Geschatte aankomsttijd bij volgende waypoint GLONASS Global Orbiting Navigation Satellite System GMDSS Global Maritime Distress And Safety System GNSS Global Navigation Satellite System GPS Global Positioning System HDG Vaarrichting km Kilometer kn Knopen LL DIST Layline-afstand LL TIME Layline-tijd Termen en afkortingen | IS42 Gebruikershandleiding m Meter MAX SPD Maximumsnelheid MIN Minimum MOB Man Overboord NM Nautische mijl OPP HDG Koers op tegenovergestelde koersrichting POS Positie RM Relatieve beweging RNG Bereik ROT Draaisnelheid RTE Route SAR Search And Rescue SOG Grondsnelheid SPD Snelheid STBD Stuurboord STW Snelheid door water TCPA Tijd tot dichtstbijzijnde naderingspunt TGT Doel TIME LOC Plaatselijke tijd TM Ware beweging TRK Track TRK CRS Koers volgen tot volgende waypoint TWA Ware windhoek TWD Ware windrichting TWS Ware windsnelheid WOL Wheel Over Line WOP Wheel Over Point WPT Waypoint-naam WPT BRG Peiling tot waypoint WPT DIST Afstand tot waypoint XTE Koersafwijking Termen en afkortingen | IS42 Gebruikershandleiding 83 14 Ondersteunde gegevens NMEA 2000 PGN (verzenden) 59904 ISO-aanvraag 60928 ISO-adresreservering 126208 ISO-opdrachtgroepfunctie 126996 Productinformatie 127258 Magnetische variatie NMEA 2000 PGN (ontvangen) 59392 ISO-bevestiging 59904 ISO-aanvraag 60928 ISO-adresreservering 126208 ISO-opdrachtgroepfunctie 126992 Systeemtijd 126996 Productinformatie 127237 Koers/trackcontrole 127245 Roer 127250 Voorliggende koers van vaartuig 127251 Draaisnelheid 127257 Attitude 127258 Magnetische variatie 127488 Motorparameters, snelle update 127489 Motorparameters, dynamisch 127493 Transmissieparameters, dynamisch 127505 Vloeistofniveau 127508 Batterijstatus 128259 Snelheid, door het water 128267 Waterdiepte 84 Ondersteunde gegevens | IS42 Gebruikershandleiding 128275 Afstandlog 129025 Positie, snelle update 129026 COG en SOG, snelle update 129029 GNSS-positiegegevens 129033 Tijd & datum 129038 AIS, klasse A, positierapport 129039 AIS, klasse B, positierapport 129040 AIS, klasse B, uitgebreid positierapport 129041 AIS-navigatiehulpmiddelen 129283 Koersafwijking 129284 Navigatiegegevens 129283 Koersafwijking 129284 Navigatiegegevens 129539 GNSS-DOP's 129540 GNSS-satellieten in beeld 129794 AIS, klasse A, vaste gegevens en vaargegevens 129801 AIS-geadresseerd veiligheidsgerelateerd bericht 129802 AIS, veiligheidgerelateerd uitgezonden bericht 129808 DSC Call-informatie 129809 AIS, klasse B, “CS”, rapport met vaste gegevens, deel A 129810 AIS, klasse B, “CS”, rapport met vaste gegevens, deel B 130074 Route en WP-service - WP-lijst - WP-naam en -positie 130306 Windgegevens 130310 Omgevingsparameters 130311 Omgevingsparameters 130312 Temperatuur 130313 Vochtigheid 130314 Werkelijke druk 130576 Status van kleine vaartuigen 130577 Richtinggegevens Ondersteunde gegevens | IS42 Gebruikershandleiding 85 86 Ondersteunde gegevens | IS42 Gebruikershandleiding Index A AIS Doelsymbolen 29 Symbool oriëntatie 35 Alarmen Type berichten 55 Apparatenlijst 67 D Demping 66 Diagnostiek 68 G Garantie 4 Gevaarlijke vaartuigen 34 H Handleiding Info over 4 Handmatig Versie 4 I Instellingen Maateenheden 69 M Maateenheden, instellen 69 P Preventief onderhoud 73 S Stuurautomaat 36 Modi 39 Ontwijken 43 Systeem instellingen Taal 70 Tijd 70 Toetstonen 69 T Taal 70 Tijd 70 Toetstonen 69 *988-11323-001* ">
/
Download
Just a friendly reminder. You can view the document right here. But most importantly, our AI has already read it. It can explain complex things in simple terms, answer your questions in any language, and help you quickly navigate even the longest or most compilcated documents.
Advertisement