Minolta Dimage Z10 de handleiding
Advertisement
Advertisement
NL GEBRUIKSAANWIJZING
9222-2735-15 SY-A406/0406/109678
Voordat u begint
Gefeliciteerd met uw aanschaf van deze Minolta digitale camera. Neem uw tijd deze gebruiksaanwijzing goed door te lezen; dan bent u er zeker van dat u alle mogelijkheden van uw camera maximaal zult benutten. Controleer onderstaande paklijst voordat u dit product gaat gebruiken. Ontbreekt er iets, neem dan contact op met uw handelaar of wend u tot Konica Minolta.
DiMAGE Z10 digitale camera
Draagriem NS-DG800
Lensdop LF-243B
SD-geheugenkaart
Videokabel VC-400
USB-kabel USB-3
4 AA alkalinebatterijen
DiMAGE Viewer CD-ROM
“DiMAGE Instruction Manuals” CD-ROM
Verkorte handleiding
Konica Minolta Internationaal Garantiecertificaat
Dit product werd ontwikkeld voor gebruik in combinatie met accessoires die door Konica Minolta worden vervaardigd en gedistribueerd. Gebruik van accessoires of apparatuur die niet van Konica Minolta afkomstig is kan mogelijk leiden tot onbevredigende prestaties van het product en de erbij horende accessoires.
Alles wat redelijkerwijs mogelijk is werd gedaan om de juistheid van de gegeven informatie te verwezenlijken; Konica Minolta ervaart geen aansprakelijkheid voor fouten of onvolkomenheden in de gebruiksaanwijzing.
Konica Minolta is een handelsmerk van Konica Minolta Holdings, Inc. DiMAGE is een handelsmerk van Konica Minolta Holdings, Inc.Apple, Macintosh en Mac OS zijn gedeponeerde handelsmerken van
Apple Computer Inc. Microsoft en Windows zijn gedeponeerde handelsmerken van Microsoft
Corporation. De officiële naam van Windows is Microsoft Windows Operating System. Pentium is een gedeponeerd handelsmerk van Intel Corporation. Power PC is een handelsmerk van International
Business Machines Corporation. QuickTime is handelsmerk dat onder licentie wordt gebruikt. Alle andere handelsmerken en productnamen zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van hun respectievelijke eigenaren.
2 V
OORDAT U BEGINT
Correct en veilig gebruik
Neem onderstaande opmerkingen en waarschuwingen ter harte voordat u dit product gebruikt.
WAARSCHUWING
Verkeerd gebruik van batterijen kan leiden tot het vrijkomen van schadelijk vloeistoffen, oververhitting of explosie, waardoor schade en letsel kunnen ontstaan. Volg onderstaande waarschuwingen op:
• Gebruik alleen batterijen van het in deze gebruiksaanwijzing opgegeven type.
• Plaats de batterijen niet met de polen (+/-) verkeerd om.
• Gebruik batterijen niet als ze beschadigd of aangetast zijn.
• Stel batterijen niet bloot aan vuur, hoge temperaturen, water of vochtigheid.
• Probeer batterijen niet kort te sluiten of te demonteren.
• Bewaar batterijen niet in of bij metalen voorwerpen.
• Gebruik geen batterijen van verschillende typen, merken, fabricagedata en of laadniveaus door elkaar.
• Laad alkalinebatterijen niet op.
• Gebruik voor oplaadbare batterijen de aanbevolen lader.
• Gebruik nooit batterijen die zijn gaan lekken. Komt er batterijvloeistof in een oog, spoel het oog dan onmiddellijk schoon met veel water en neem contact op met een arts. Komt batterijvloeistof in contact met uw huid of kleding, was de vervuilde plek dan grondig met water.
• Plak de contacten van batterijen die u wilt wegdoen af om kortsluiting bij ingezamelde batterijen te voorkomen; houd u altijd aan de voorschriften voor de inzameling van batterijen.
• Gebruik alleen de aangegeven netstroomadapter, en dan uitsluitend op het voltage waarvoor de adapter geschikt is. Een defecte adapter of een onjuist voltage kan schade of letsel als gevolg van brand of een elektrische schok veroorzaken.
• Demonteer dit product niet. Wanneer u een hoog-voltage-circuit in het binnenwerk aanraakt kunt u een elektrische schok oplopen.
• Wordt de camera zodanig beschadigd dat het binnenwerk, met name het flitsgedeelte, wordt blootgelegd, dan moet u onmiddellijk de batterijen verwijderen of de verbinding met het lichtnet verbreken en de camera verder niet meer gebruiken. De flitser heeft een hoog-voltage-circuit dat elektrische schokken kan veroorzaken die tot letsel kunnen leiden. Voortgaand gebruik van een beschadigd product kan tot letsel of brand leiden.
3
• Houd batterijen en andere voorwerpen die ingeslikt kunnen worden buiten het bereik van kleine kinderen. Neem onmiddellijk contact op met een arts wanneer er een voorwerp wordt ingeslikt.
• Bewaar dit product buiten het bereik van kinderen. Wees in de nabijheid van kinderen voorzichtig, zodat u ze niet met dit product of onderdelen ervan kunt verwonden.
• Flits niet van korte afstand rechtstreeks in iemands ogen. Het kan tot aantasting van het gezichtsvermogen leiden.
• Flits niet in de richting van bestuurders van voertuigen. Afleiding of verblinding kan tot een ongeluk leiden.
• Kijk niet op de lcd-monitor wanneer u loopt of een voertuig bestuurt. Het kan tot een ongeluk of letsel leiden.
• Kijk niet via de zoeker in de zon of sterke lichtbronnen. Het kan uw gezichtsvermogen aantasten of blindheid veroorzaken.
• Gebruik dit product niet in een vochtige omgeving, en pak het niet met natte handen beet. Komt er toch vloeistof in het product terecht, verwijder dan meteen de batterijen of verbreek de netstroomaansluiting, en gebruik het product verder niet meer. Voortgaand gebruik van een product dat aan vloeistof is blootgesteld kan schade of letsel als gevolg van een elektrische schok of brand veroorzaken.
• Gebruik dit product niet in de nabijheid van ontvlambare gassen of vloeistoffen als benzine, wasbenzine of verfverdunner. Gebruik geen ontvlambare producten als alcohol, wasbenzine of verfverdunner om dit product te reinigen. Het gebruik van ontvlambare reinigingsmiddelen of oplosmiddelen kan een explosie of brand veroorzaken.
• Verwijder de netstroomadapter nooit uit het stopcontact door aan de stroomkabel te trekken. Houd de adapter zelf vast wanneer u hem verwijdert.
• Zorg ervoor dat de adapterkabel niet wordt beschadigd, verdraaid, aangepast, verhit of met zware voorwerpen wordt belast. Een beschadigde kabel kan schade of letsel als gevolg van een elektrische schok of brand ten gevolge hebben.
• Verspreidt het product een vreemde geur, hitte, of rook, schakel het dan meteen uit. Verwijder meteen de batterijen en houd er daarbij rekening mee dat batterijen heet kunnen worden.
Voortgaand gebruik van een beschadigd product of onderdeel kan letsel of brand veroorzaken.
• Is reparatie nodig, breng of stuur het product dan naar de Technische Dienst van Konica Minolta of laat uw handelaar voor afhandeling zorgdragen.
4 C
ORECT EN VEILIG GEBRUIK
WEES VOORZICHTIG
• Gebruik of bewaar dit product niet in een warme of vochtige omgeving als het dashboardkastje of de bagageruimte van een auto. Het kan leiden tot schade aan het product of de batterijen, wat brandwonden of ander letsel als gevolg hitte, brand, explosie, of lekkende batterijvloeistof kan veroorzaken.
• Het objectief trekt zich terug wanneer de camera wordt uitgeschakeld. Raak het objectief tijdens het terugtrekken niet aan; het kan tot letsel leiden.
• Bij lang voortdurend gebruik wordt de camera warm.
• Houd rekening met de hitte van de batterijen of geheugenkaart wanneer u ze uit de camera haalt op een moment dat de camera lang in bedrijf is geweest. Zet de camera uit en laat hem afkoelen.
• Laat de flitser niet ontsteken wanneer hij in contact is met mensen of voorwerpen. Bij de flits komt veel warmte vrij.
• Oefen geen druk uit op de monitor. Een beschadigde lcd-monitor kan letsel veroorzaken, en de vloeistof uit de monitor is brandbaar. Komt vloeistof uit de monitor in contact met de huid, was die dan schoon met schoon water. Komt de vloeistof in contact met de ogen, spoel de ogen dan onmiddellijk met veel water schoon en neem contact op met een arts.
• Steek de stekker van de netstroomadapter veilig en zorgvuldig in het stopcontact.
• Gebruik de netstroomadapter niet wanneer de kabel beschadigd is.
• Dek de netstroomadapter niet af. U kunt er brand mee veroorzaken.
• Zorg ervoor dat u in geval van nood altijd makkelijk bij de netstroomadapter kunt komen.
• Haal de netstroomadapter uit het stopcontact wanneer u hem schoonmaakt of wanneer u de camera niet gebruikt.
5
Inhoud
De basishandelingen voor deze camera worden behandeld op de pagina’s 12 tot en met 33. In dit deel van de gebruiksaanwijzing worden de onderdelen van de camera behandeld, de voorbereiding van de camera voor gebruik, plus de basishandelingen voor opname, weergave en het wissen van beelden.
Veel van de mogelijkheden van deze camera worden met menu’s geregeld. In de hoofdstukken over menu-navigatie leest hoe u de menu-instellingen verandert. Na de navigatiemogelijkheden volgt de uitleg van elke instelling.
6 I
NHOUD
7
8 I
NHOUD
9
Benaming van de onderdelen
* Deze camera is een geavanceerd optisch instrument. Houd de aangewezen plaatsen zorgvuldig schoon. Lees ook de informatie over onderhoud en opslag achterin deze gebruiksaanwijzing (blz.
112).
Ontspanknop Flitser (blz. 26)
Belichtings-keuzeknop
(blz. 21, 29, 36 - 40)
AFvenster*
Belichtings-keuzeknop (blz. 21,
29, 36 - 40)
Kaartsleuf
(blz. 16) Objectief*
Zelfontspannerlampje (blz. 46)
USB-aansluiting/Video-uitgang
(blz. 82, 94, 104)
Draagoog (blz. 12)
Het deurtje van de batterijruimte (blz. 13) en de statiefaansluiting zitten onderop de camera.
10 N
AMES OF PARTS
Dioptrie-instelwiel (blz. 17)
Zoeker* (blz. 17)
Macrotoets(blz. 35)
Zoomknop
(blz. 20)
Lcd-monitor*
Voedingsaansluiting
(blz. 15)
Hoofdschakelaar
Stuureenheid
Toegangslampje
Menu-toets
Quick View / Wissen-toets
(blz. 30, 31)
Informatietoets (blz. 28, 32)
Schakelaar gebruiksstand
11
AAN DE SLAG
Riem en lensdop bevestigen
Houd altijd de riem om uw hals om te voorkomen dat de camera per ongeluk valt. Als extra is leverbaar de lederen halsriem NS-DG1000; informeer hierover bij uw handelaar.
Steek het eind van het koord door het oogje op de camerabody (1).
1
Voer de riem door de binnenkant van de gesp als afgebeeld (2). Herhaal dit met het andere eind van de riem.
2
Druk de nokken aan weerszijden met duim en wijsvinger naar elkaar toe om de lensdop te verwijderen of te plaatsen.
Wordt de camera niet gebruikt, plaats dan altijd de lensdop op het objectief.
12 A
AN DE SLAG
Batterijen plaatsen
Deze digitale camera gebruikt vier AA-formaat Ni-MH-batterijen. Gebruik geen andere typen AA-batterijen. Wanneer u de batterijen verwisselt dient de camera uitgeschakeld te zijn.
3
Schuif om het deurtje van de batterijruimte te openen de vergrendeling open (1). Schuif het deurtje naar de voorzijde van de camera (2) om de veiligheidskoppeling los te maken. Til het deurtje op om het te openen (3).
2
1
Plaats de batterijen zoals aangegeven op het diagram binnenin de batterijruimte. Controleer of de positieve en de negatieve baterijpolen goed zitten.
4
5
Sluit het deurtje van de batterijruimte en schuif het naar de achterzijde van de camerabody (4) om de veiligheidskoppeling te activeren. Schuif de vergrendeling van de batterijruimte in de sluitstand (5).
13
Aanduiding batterijconditie
Deze camera is uitgerust met een automatische aanduiding voor de batterijconditie. Wanneer de camera aan staat verschijnt de batterij-indicatie op de lcd-monitor. Is de lcd-monitor blanco, dan zijn de batterijen leeg of verkeerd geïnstalleerd.
Batterijen vol - De batterijen zijn vers/geheel geladen. Na inschakeling van de camera is deze aanduiding drie seconden lang op de lcd-monitor te zien.
Batterijen bijna leeg aankondiging - Energievoorraad is beperkt. Lcdmonitor gaat tijdens opladen flitser uit om stroom te sparen.
Batterijen bijna leeg waarschuwing - De energievoorraad is zeer beperkt.
De aanduiding op de monitor is rood geworden. De batterij dient zo snel mogelijk vervangen te worden. Deze waarschuwing verschijnt automatisch en blijft zichtbaar totdat de batterij is vervangen. Om stroom te sparen gaat de monitor uit als de flitser wordt geladen. Bereikt de energie een lager niveau, dan verschijnt het symbool voor een uitgeputte batterij vlak voordat de camera wordt uitgeschakeld. Verschijnt de waarschuwing dat de batterij bijna leeg is, dan kan de filmopnamestand niet worden gebruikt.
Automatische spaarschakeling
Om de batterijen te sparen zal de camera displays en onnodige functies uitschakelen wanneer hij een minuut niet is gebruikt. Wilt u de camera weer activeren, druk dan op willekeurig welke knop of toets, of zet het belichtings-instelwiel in een andere stand. De periode voor de automatische spaarschakeling kan worden ingesteld in sectie 1 van het setup-menu (blz. 86).
14 A
AN DE SLAG
Netstroomadapter aansluiten (apart verkrijgbaar)
Zet de camera altijd uit wanneer u op een andere stroombron overgaat.
1
Met de netstroomadapter kunt u de camera vanuit het lichtnet van stroom laten voorzien. Gebruik de netstroomadapter wanneer de camera op de computer wordt aangesloten of wanneer hij langdurig intensief moet worden gebruikt. Netstroomadapter model AC-1L is voor gebruik in Noord-Amerika en Japan, en AC-11 is voor gebruik in alle andere gebieden.
Steek de miniplug van de netstroomadapter in de netstroomaansluiting van de camera (1).
Steek de stekker van de netstroomadapter in een stopcontact.
15
Geheugenkaart verwisselen
Om te kunnen functioneren moet de camera van een SD-geheugenkaart of een MultiMedia-kaart worden voorzien. Zit er geen kaart in de camera, dan verschijnt er automatisch een “No card” waarschuwing op de lcd-monitor. Meer informatie over geheugenkaarten op blz 114.
Wilt u een geheugenkaart uitnemen, let er dan op dat het toegangslampje niet rood oplicht, anders kan er schade of dataverlies ontstaan.
1 2
1. Schuif de geheugenkaart geheel in de kaartsleuf en laat hem los; de kaart moet nu in sleuf zijn vastgeklikt. Plaats de kaart zo dat zijn voorzijde naar de achterzijde van de camera wijst. Schuif de kaart altijd rechtstandig naar binnen, nooit scheef. Forceer de kaart nooit. Past de kaart niet, controleer dan of hij correct wordt geplaatst.
2. Wilt u een kaart uitvoeren, duw hem dan in de sleuf omlaag en laat hem los. Nu kunt u de kaart uit de sleuf trekken. Wees voorzichtig bij het uitnemen; door gebruik kan de kaart heet worden.
Een geheugenkaart die in een andere camera werd gebruikt moet mogelijk worden geformatteerd voordat hij wordt gebruikt. Verschijnt de melding dat de kaart niet kan worden gebruikt (unable to use card) dan dient de kaart met de camera te worden geformatteerd. Formatteren doet u in sectie 1 van het weergavemenu (blz. 74). Is de kaart geformatteerd, dan wordt alle informatie op de kaart definitief gewist. Verschijnt de melding dat er problemen met de kaart zijn (card error), druk dan op de centrale toets van de stuureenheid om het venster te sluiten; kijk op de Konica Minolta web site voor de meest recente informatie aangaande compatibliteit:
Noord-Amerika: http://www.konicaminolta.us/
Europa: http://www.konicaminoltaeurope.com/
16 A
AN DE SLAG
Camera en displays inschakelen
Druk op de hoofdschakelaar om de camera aan te zetten. Met opnieuw indrukken zet u de camera uit.
De schakelaar voor de gebruiksstand is om de hoofdschakelaar heen geplaatst.
Met deze schakelaar wisselt u van opname- naar weergavestand, en ook tussen zoeker- en monitorweergave.
Opnamestand (Zoekerweergave) de camera kan opnamen maken, het opnamebeeld wordt via de zoeker bekeken. De zoeker heeft een dioptrie-instelling. Draai voor aanpassing aan de oogsterkte aan de dioptrieknop totdat het zoekerbeeld scherp is.
Opnamestand (Monitorweergave) - de camera kan opnamen maken, het opnamebeeld wordt via de monitor bekeken.
Weergavestand (Monitorweergave) beelden kunnen worden afgespeeld en bewerkt. Het beeld wordt op de monitor bekeken.
1
Camera-info
Wilt u het beeld bij weergave in de zoeker bekijken, houd dan de flitstoets (1) ingedrukt en druk vervolgens de informatietoets (i + ) in en houd hem ingedrukt (2) totdat de monitor overgaat naar de zoekerstand.
2
17
Datum en tijd instellen
1
Set date/time?
Yes No
Nadat u voor de eerste maal een geheugenkaart en de batterijen in de camera hebt geplaatst moet u de klok en de kalender van de camera instellen. Bij het opslaan van gemaakte opnamen wordt altijd de datum en de tijd van opname geregistreerd.
Zijn de klok en de kalender niet ingesteld, dan verschijnt er na het inschakelen van de camera gedurende enkele seconden een melding. Deze boodschap verschijnt ook als de klok en kalender werden teruggezet doordat de camera lange tijd zonder batterijen werd bewaard.
Gebruik de links- of rechts-toets van de stuureenheid
(1) om “Yes” te selecteren met “No” heft u de handeling op.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om het instelscherm voor datum en tijd op te roepen.
Date/Time set
2004 . 01 . 01
00 : 00
MM / DD / YYYY
:move :sel.
:enter
Instelscherm datum/tijd
Gebruik de links- en rechts-toets om het onderdeel te selecteren dat u wilt instellen.
Met de op- of neer-toets stelt u de waarden in.
Druk op de centrale toets om klok en kalender in te stellen.
Het instelscherm voor datum en tijd kan worden geopend in sectie
2 van het setup-menu.
18 A
AN DE SLAG
Menutaal instellen
2
1
Drive m
Image
Quality
Auto D
Digital
Drive mode
Image size
Quality
Auto DSP
Digital zoom
Single
2048x1536
Standard
On
Off
LCDbrightness
Power save
Inst.Playback
Lens acc.
Language English
/JPN
English
Deutsch
Français
Español
/CHN
Afhankelijk van het land van aankoop kan het ook nodig zijn de menutaal in te stellen. Druk op de menutoets (1) om het menu te openen; het aanzien van het menu is afhankelijk van de instelling van de camera.
Navigeren door het menu is eenvoudig. Met de op/neer-toetsen en de links/rechts-toetsen van de stuureenheid (2) verplaatst u de cursor en verandert u instellingen in het menu.
Met de centrale toets van de stuureenheid selecteert u menu-opties en stelt u veranderingen in.
Gebruik de rechts-toets van de stuureenheid om
“SETUP” bovenin het menu te markeren.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om het setup--menu te openen.
Gebruik de neer-toets om de menu-optie voor taal (language) te markeren, druk vervolgens op de rechts-toets.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om het taalscherm te openen.
Gebruik de vierwegtoetsen van de stuureenheid om de nieuwe menutaal te markeren.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om de taal in te stellen.
19
BASISTECHNIEK OPNAME
In dit deel van de gebruiksaanwijzing komen de basishandelingen aan de orde. Maak uzelf goed vertrouwd met de handelingen die hier worden behandeld voordat u verder gaat met meer specialistische handelingen en technieken.
Zet de camera aan. Zet de schakelaar gebruiksstand in de opnamestand.
Hanteren van de camera
Of u nu via de zoeker of de lcd-monitor kijkt, pak de camera stevig vast met uw rechterhand, terwijl u hem met de linkerhand ondersteunt. Houd uw ellebogen tegen uw zij en plaats uw voeten iets uit elkaar: Zo houdt u de camera stabiel. Let goed op dat u het objectief niet met uw vingers of met de riem afdekt.
Gebruik van het zoomobjectief
Zoomschaal
1
Met de zoomknop regelt u de beeldhoek
(1). Door de knop naar rechts (T) te drukken zoomt u in naar de telestand van het objectief. Door de knop naar links (W) te drukken zoomt u uit naar de groothoekstand.
Na het zoomen verschijnt de zoomschaal kort. Is de digitale zoom actief, dan geeft het gele deel van de zoomschaal het digitale zoombereik weer.
20 B
ASISTECHNIEK
O
PNAME
Automatische opnamestand
Zet de belichtingskeuzeknop in de automatische opnamestand (1); alle camerafuncties werken nu automatisch. De autofocus-, belichtings- en beeldverwerkingssystemen werken nu samen om u zonder rompslomp mooie opnamen te bezorgen.
1
Veel van de systemen in de camera mogen dan wel automatisch zijn, de flitsstand (blz. 26) en de transportstand (blz. 45) kunnen gewoon worden ingesteld. Beeldgrootte en -kwaliteit zijn instelbaar in het menu van de automatische opnamestand (blz. 44, 51-52).
Lichtmeetmethode
Cameragevoeligheid(ISO)
Flitsstand
Scherpstelveld
Scherpstelling
Transportstand
Kleurinstelling
Witbalans
–
–
–
–
–
–
–
–
Meerveldsmeting (vast)
Automatisch (vast)
Automatisch flitsen (blijft instelbaar*)
Breed scherpstelveld (blijft instelbaar*)
Autofocus - enkelvoudige AF ( vast)
Enkelbeeld (blijft instelbaar*)
Natuurlijke kleuren (Natural Color) (vast)
Automatisch (vast)
* Veranderingen in de flitsstand, het scherpstelveld of de transportstand worden ongedaan gemaakt wanneer de belichtings-keuzeknop in een andere stand wordt gezet.
** Werd het sport/actieprogramma gekozen via de automatische selectie van digitale onderwerpsprogramma's (blz. 23), dan blijft de scherpstelling van de camera actief zolang de ontspanknop half ingedrukt wordt gehouden (continu AF).
Camera-info
De camera gebrtuikt het belichtingssysteem voor de regeling van het helderheidsniveau van het live monitorbeeld. Dat vindt plaats door de gevoeligheid van de CCD te variëren en het diafragma te regelen. Bij aanpassing aan de helderheid in het onderwerp kan het verstellen van het diafragma soms hoorbaar zijn.
21
Basishandelingen opname
In dit voorbeeld wordt uitgegaan van de automatische opnamestand. De instructies voor andere standen zijn gelijk, behalve voor de filmstand. Automatische Selectie
Digitale Onderwerpsprogramma’s is alleen beschikbaar in de automatisch opnamestand.
Plaats het onderwerp ergens in het scherpstelkader. Zorg ervoor dat het onderwerp zich binnen het scherpstelbereik van het objectief bevindt (blz. 24). Gebruik voor onderwerpen op zeer korte afstand de macrofunctie (blz. 35).
c a d b
Druk de ontspanknop half in om scherpstelling en belichting te vergrendelen. Er verschijnt een kader van een AF-sensor (a) om aan te geven waarop de camera scherpstelt. De Automatische Selectie
Digitale Onderwerpsprogramma’s bepaalt zelf de juiste belichtingsmethode (zie volgende bladzijde).
Het scherpstelsignaal (b) op de monitor bevestigt vergrendeling van de scherpstelling. Is het scherpstelsignaal rood, dan kon camera het onderwerp niet lokaliseren. Herhaal voorgaande stappen totdat u een wit signaal krijgt. Sluitertijd (c) en diafragma (d) verschijnen in zwart om aan te geven dat de belichting is vergrendeld.
Druk de ontspanknop geheel in om de foto te maken.
Het toegangslampje brandt om aan te geven dat de beeldinformatie op de geheugenkaart wordt weggeschreven. Verwijder nooit de geheugenkaart als er nog beeldinformatie wordt weggeschreven.
Camera-info
U kunt het opgenomen beeld meteen bekijken door na de opname de ontspanknop ingedrukt te houden. U kunt ook gebruik maken van de directe weergavefunctie (blz. 86).
22 B
ASISTECHNIEK OPNAME
Automatische Selectie Digitale Onderwerpsprogramma’s
De Automatische Selectie Digitale Onderwerpsprogramma’s kiest tussen programma-automatiek en de vijf onderwerpsprogramma’s. De digitale onderwerpsprogramma’s optimaliseren de prestaties van de camera voor speciale situaties en onderwerpen. Belichting, witbalans en beeldverwerkingssystemen werken samen voor fraaie resultaten. Over de programma’s zelf leest u meer op blz. 29.
Een rij met grijze aanduidingen bovenaan de monitor geeft aan dat de
Automatische Onderwerpsselectie actief is. Plaats het onderwerp in het scherpstelkader; de procedure is dezelfde als de basis-opnamehandelingen die op blz. 22 worden beschreven.
Druk de ontspanknop half in. Het AF-systeem zal het onderwerp lokaliseren en de automatische digitale onderwerpsselectie zal een onderwerpsprogramma kiezen. Verschijnen er geen aanduidingen, dan blijft de standaard programma-automatiek actief. Druk de ontspanknop geheel in om de foto te maken.
Houd de camera stabiel wanneer de stand voor zonsondergang is gekozen, want er kunnen lange sluitertijden worden gebruikt.
Programma-automatiek (Aanduingen Digitale Onderwerpsprogramma’s verdwijnen)
Portret Landschap
Sport/actie Zonsondergang
23
Scherpstelvergrendeling
Scherpstelvergrendeling zet de scherpstelling vast. Dat kan van pas komen bij onderwerpen buiten het beeldmidden of de scherpstelvelden of bij moeilijke scherpstelsituaties (blz. 25).
Plaats het onderwerp ergens in het scherpstelkader. Druk de ontspanknop half in en houd hem in deze stand.
• Scherpstelsignalen op de monitor geven aan dat de scherpstelling is vergrendeld. Sluitertijd en diafragma veranderen van wit in zwart om aan te geven dat de belichting is vergrendeld.
• Is de scherpstelling ingesteld, dan verschijnt een AF-sensor in in het live-beeld die aangeeft waarop werd scherpgesteld.
Houd de ontspanknop half ingedrukt, ga terug naar de oorspronkelijke beeldcompositie. Druk de ontspanknop geheel in om de opname te maken.
Scherpstelbereik
Alle afstanden zijn gemeten vanaf de CCD. Op blz. 35 vindt u het scherpstelbereik in de macrostand.
Groothoekstand
0,57 m – oneindig
Telestand
1,57 m – oneindig
Globale ligging van de CCD.
24 B
ASISTECHNIEK OPNAME
Scherpstelsignalen
De scherpstelsignalen rechtsonder op de lcd-monitor geven de status aan. De sluiter kan worden ontspannen, ook als de camera niet op het onderwerp kan scherpstellen.
Scherpstelling vergrendeld.
Scherpstelling bevestigd (P, A, S en M continu AF stand en Sport/actie Digitaal
Onderwerpsprogramma); belichting blijft continu bijstellen.
Kan niet scherpstellen. Onderwerp te dichtbij of speciale scherpstelsituatie verhindert goede instelling.
Bij gebruik van het Sport/actie Digitale Onderwerpsprogramma stelt de camera continu scherp zolang de ontspanknop half ingedrukt wordt gehouden; de scherpstelkaders worden rood. Houd het onderwerp binnen de rode scherpstelkaders. Scherpstelvergrendeling is niet mogelijk.
Kan het AF-systeem niet op een bepaald onderwerp scherpstellen, dan kan de scherpstelvergrendeling worden gebruikt voor meting op een object op gelijke afstand. Ook is het mogelijk handmatig scherp te stellen in de Digitale Onderwerpsprogramma’s of in de stand P (blz. 54).
Speciale scherpstelsituaties
In sommige situaties zal de camera niet goed kunnen scherpstellen. Kan het AF-systeem niet op een onderwerp scherpstellen, dan wordt het scherpstelsymbool rood. Gebruik dan scherpstelvergrendeling om scherp te stellen op een onderwerp op gelijke afstand als het eigenlijke onderwerp, en kies vervolgens voor de oorspronkelijke beelduitsnede.
Onderwerp in scherpstelveld heeft te laag contrast.
Twee onderwerpen op verschillende afstanden overlappen elkaar in scherpstelkader.
Onderwerp vlakbij zeer heldere beeldpartij.
Onderwerp is te donker.
25
Flitsstanden
Druk om de flitsstand te wijzigen eenvoudigweg zo vaak op de flitstoets (1) dat de gewenste stand verschijnt.
Automatisch flitsen – De flitser wordt automatisch ontstoken bij weinig licht en tegenlicht.
Rode-ogen-reductie – Voorafgaand aan de werkelijke flitsopname geeft de flitser een serie flitspulsen af om het rode-ogen-effect te verminderen. Gebruik deze stand wanneer bij weinig licht flitsfoto’s van mensen of dieren moeten worden gemaakt. Door de voorflitsen trekken de pupillen zich samen, wat de reflectie in het oog verhult.
Invulflits – De flitser wordt bij elke opname ontstoken, ongeacht de hoeveelheid licht. Invulflits kan worden gebruikt om de diepe schaduwen op te helderen die worden veroorzaakt door gericht licht en/of zonneschijn.
Flitsen met lange sluitertijden - Flits en omgevingslicht worden met elkaar in evenwicht gebracht; de rode-ogen-reductie wordt gebruikt. Gebruik flitsen met lange sluitertijden om details in de achtergrond zichtbaarder te maken.
Mensen moeten na de flits goed stil blijven staan omdat de sluiter nog open kan zijn voor de benodigde lange belichtingstijd. In verband met de lange belichtingstijden is gebruik van een statief aan te raden.
Invulflits
Flitser uit - de flitser wordt bij de opname niet gebruikt.
1
Automatisch flitsen
Automatisch flitsen met rode-ogen-reductie
Invulflits
Flitsen met lange sluitertijd
Flitser uit
26 B
ASISTECHNIEK OPNAME
Flitsbereik - automatische opnamestand
De camera regelt de flits-output automatisch. Voor goed belichte opnamen moet het onderwerp zich binnen het flitsbereik bevinden. De gegeven afstanden gelden vanaf het
CCD-vlak. Door de constructie van het objectief is het flitsbereik in de telestand kleiner dan in de groothoekstand.
Groothoekstand
0,57 - 5,3 m
Telestand
1,57 - 5,3 m
Globale positie van de CCD
Was de gegeven hoeveelheid flitslicht voldoende om het onderwerp goed te verlichten, dan verschijnt na de opname kort de OK-aanduiding op de plaats van de flitsaanduiding. Het toegangslampje wordt rood en knippert langzaam als de flitser weer wordt opgeladen; zijn de baterijen bijna leeg, dan gaat de monitor in deze periode uit.
Camera-info
Gebruikt u continu AF of het sport/actieprogramma in combinatie met flitslicht, dan toont als de ontspanknop half wordt ingedrukt het beeld op de monitor de belichting die nodig is voor de flits.
Bij weinig licht kan het monitor-beeld hierdoor donker worden.
Waarschuwing voor cameratrilling
Valt de sluitertijd buiten het bereik waarin met de camera veilig uit de hand kan worden gefotografeerd, dan verschijnt de waarschuwing voor cameratrilling op de monitor. Opnamen uit de hand worden bij de wat langere sluitertijden onscherp door trilling; in de telestand is dat effect veel sterker dan in de groothoekstand. Wanneer de waarschuwing verschijnt kan de camera overigens wel worden ontspannen.
Neem dan echter ook een van de volgende maatregelen:
Waarschuwing cameratrilling
27
i+ toets
Met indrukken van de informatietoets (i + ) verandert u wat er op de monitor te zien is. U kunt kiezen tussen volledige weergave en weergave van alleen het live-beeld.
Standaardweergave Real-time histogram Alleen live-beeld
Het real-time histogram toont bij benadering de helderheidsverdeling van het live-beeld. Dit histogram kan het effect van flitslicht laten zien. Het histogram van een opgenomen beeld geeft mogelijk niet precies dezelfde verbetering als het realtime histogram.
Informatietoets
LCD-helderheid instellen
Het monitorbeeld kan lichter of donkerder worden gemaakt. Het helderheidsniveau kan separaat worden ingesteld voor zoekerbeeld of weergave met de schakelaar gebruiksstand. Druk op de informatietoets (i+) en houd hem ingedrukt om het scherm voor de lcd-helderheid op te roepen.
Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om de helderheid aan te passen; het beeld van de monitor wordt meteen aangepast. Druk midden op de stuureenheid om het helderheidsniveau in te stellen.
Set LCD brightness
Low High
:adjust :enter
28 B
ASISTECHNIEK OPNAME
Digitale onderwerpsprogramma’s
De digitale onderwerpsprogramma’s optimaliseren de prestaties van de camera voor speciale situaties en onderwerpen. Zet de belichtings-keuzeknop op het gewenste onderwerpsprogramma; het actieve onderwerpsprogramma wordt weergegeven in de linker benedenhoek van de monitor.
Aanduiding belichtingsstand
Portret – speciaal afgestemd op het bereiken van een zachte huidtoonweergave en een lichte onscherpte in de achtergrond. Portretten worden vaak het mooist in de telestand; door de grotere opname-afstand worden de verhoudingen in het gezicht niet overdreven, terwijl de beperkte scherptediepte de achtergrond onscherp houdt.
Sport/Actie – speciaal afgestemd op het opnemen van actie met korte sluitertijden. De autofocus werkt continu; zie blz. 21. Bij gebruik van flitslicht dient het onderwerp zich binnen het flitsbereik te bevinden (blz. 27). Een eenbeenstatief biedt zeker als er sterk wordt ingezoomd een nuttige ondersteuning, en werkt makkelijker dan een driebeenstatief.
Landschap – speciaal afgestemd op het produceren van scherpe, kleurrijke landschapsopname. Voor landschapsfoto's bij mooi weer.
Zonsondergang – speciaal afgestemd op het produceren van rijke, warme zonsondergangen. Bevindt de zon zich boven de horizon, richt de camera er dan niet voor langere tijd op.
De intensiteit van het zonlicht zou de CCD kunnen beschadigen. Zet de camera tussen de opnamen door uit of dek het objectief af.
Nachtportret – voor fraai doortekende nachtopnamen waarbij onderwerp en achtergrond uitgebalanceerd worden weergegeven. Gebruik een statief om trillingsonscherpte tegen te gaan. Het flitslicht is alleen toereikend voor onderwerpen op niet te grote afstand, zoals een persoon. Gebruikt u flitslicht, vraag uw onderwerp om ook na de flits nog stil te blijven staan; de sluiter blijft enige tijd open om de achtergrond goed weer te geven.
29
1
BASISTECHNIEK WEERGAVE
U kunt foto’s bekijken in de gewone weergavestand of met de stand snelweergave (Quick View). Dit hoofdstuk behandelt de basishandelingen voor beide standen. De weergavestand heeft extra functies, zie blz. 68.
Zet voor het bekijken van beelden in de gewone weergavestand de schakelaar gebruiksstand op weergave (1).
Wilt u beelden bekijken vanuit de opnamestand, druk dan op de toets Quick View/Wisse (2).
2
Enkelbeeldweergave en histogramweergave
Gebruiks stand
Beeldgrootte (blz. 51)
Beeldkwaliteit (blz. 51)
Diafragma
Sluitertijd
Opname tijdstip
Opnamedatum
Sterkte belichtingscorrectie (blz. 41)
Witbalansinstelling
(blz. 55)
Gevoeligheids instelling (blz. 59)
Mapnaam Vergrendeling (blz. 75)
DPOF-aanduiding (blz. 80)
Beeldnummer/ totaal aantal beelden Mapnummer - nummer beeldbestand
Histogram
Voor weergave naar histogramweergave drukt u op de op-toets van de stuureenheid.
Druk op de neer-toets om terug te keren naar enkelbeeldweergave.
30 B
ASISTECHNIEK OPNAME
Het histogram geeft de helderheidsverdeling van de opname weer, van zwart (links) naar wit (rechts).
Elk van de 256 verticale lijnen geeft aan hoe sterk een bepaalde helderheidswaarde aanwezig is. Met het histogram kunt u de belichting evalueren; het geeft geen kleurinformatie.
Beelden bekijken en roteren
In de snelweergave- (Quick View) of weergavestand kunt u de links/rechts-toetsen van de stuureenheid gebruiken om de beelden te doorlopen.
Wilt u een verticaal beeld roteren, druk dan op de neer-toets van de stuureenheid om de drie standen te doorlopen: 90º tegen de klok in, 90º met de klok mee, horizontaal.
Wilt u vanuit snelweergave terugkeren naar de opnamestand, druk dan op de menu-toets of druk de ontspanknop half in.
Quick View/Wissen-toets
Individuele beelden wissen
Het weergegeven beeld kan worden gewist. Een beeld dat is gewist kan niet worden teruggehaald.
Wilt u het weergegeven beeld wissen, druk dan op de
QV/Wissen-toets. Er verschijnt een bevestigingsscherm.
Delete this frame?
Yes No
Gebruik de links/rechts-toetsen om “Yes” te markeren,
“No” heft de handelingen op.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om het beeld te wissen.
31
i+ toets
Met de weergavetoets (i + ) bepaalt u de wijze van weergeven. Elke keer dat u de knop indrukt wordt de volgende weergavemethode geactiveerd: volledige weergave, alleen beeld en indexweergave.
Volledige weergave
Alleen beeld
Indexweergave
Informatietoets
Bij indexweergave verplaatst u het gele kader met de vierwegtoetsen van de stuureenheid. Wordt een beeld met het kader gemarkeerd, dan verschijnen opnamedatum, de vergrendelings- en printstatus en het opnamenummer onderin beeld. Met de QV/Wissen-toets kunt u het gemarkeerde beeld wissen (blz. 31). Een filmbestand kunt u afspelen door op de centrale knop van de stuureenheid te drukken. Drukt u opnieuw op de informatietoets (i+), dan verschijnt de gemarkeerde foto in de enkelvoudige weergavestand.
32 B
ASISTECHNIEK OPNAME
Vergrote weergave
In enkelbeeldweergave in snel- of gewone weergave kan een foto worden vergroot tot 6x, in stappen van 0,2, zodat u details van het beeld nader kunt bekijken.
Druk terwijl de te vergroten foto te zien is, op de rechterzijde (T) van de zoomknop om de vergrote weergave te activeren. De vergrotingsfactor verschijnt op de LCDmonitor.
Druk op de rechterzijde (T) van de zoomknop om het beeld sterker te vergroten. Druk op de linkerzijde (W) van de zoomknop om de vergroting te verminderen.
Gebruik de vierwegtoetsen van de stuureenheid om het beeld te scrollen. Bij het scrollen verdwijnen de pijlen van de lcd-monitor wanneer de rand van het beeld is bereikt.
De locatie-aanduiding rechtsboven in de monitor geeft aan welk deel van het beeld wordt weergegeven.
Met de informatietoets (i + ) schakelt u over tussen volledige weergave en alleen beeld.
Druk op de menutoets of midden op de stuureenheid om de vergrote weergave te verlaten.
33
OPNAMETECHNIEK - GEAVANCEERD
In dit hoofdstuk worden de geavanceerde opnamemogelijkheden van de camera behandeld. Lees eerst de teksten over de basistechniek voordat u hier verder gaat.
Display opnamestand
A. Scherpstelkader
B. Spotmeetveld (blz. 58)
1.
Aanduiding groothoekconverter (blz. 87)
2.
Filmaanduiding
3.
Flitsstand (blz. 26)
4.
Flitscorrectie (blz. 57)
5.
Scherpte (blz. 61)
6.
Contrast (blz. 60)
7.
Witbalans (blz. 55)
8.
Cameragevoeligheid (ISO) (blz. 59)
9.
Belichtingscorrectie (blz. 41)
10. Cameratrilling (blz. 27)
11. Belichtingsstand (blz. 36 - 38)
12. Lichtmeetmethode (blz. 58)
13. Sluitertijd
14. Diafragma
15. Macrostand (blz. 35)
16. Aanduiding scherpstelstand (blz. 54)
17. Datum in beeld (blz. 89)
18. Opnameteller (blz. 52)
19. Transportstand (blz. 45)
20. Schaal handmatige scherpstelling (blz. 54)
21. Batterijconditie (blz. 14)
22. Beeldkwaliteit (blz. 51)
23. Beeldgrootte (blz. 51)
24. Digitale zoom (blz. 53)
25. Kleurinstelling (blz. 60)
34 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Macro
Macro-aanduiding
1
Met de macrostand kan de camera scherpstellen tot 1 cm vanaf de voorzijde van het objectief of 8 cm vanaf de CCD. Het scherpstelbereik verandert met de zoomstand, zie hieronder.
Druk op de macrotoets (1) om de macrostand te activeren.
Druk opnieuw op de macrotoets als u de macrostand wilt uitschakelen.
In het volgende overzicht ziet u het macrobereik van de verschillende standen. Alle afstanden zijn gemeten vanaf de CCD.
Groothoekstand: 8 - 107 cm
26,5 - 30,8 mm: 107 - 237 cm
Telestand: 67 - 207 cm
Globale positie vanf CCD
35
Programma-automatiek (P)
In de programmastand regelt de camera zowel de sluitertijd als het diafragma om een goede belichting te krijgen. Het belichtingssysteem stelt de fotograaf in staat in alle vrijheid te werken, zonder zich te bekommeren om de belichtingsinstellingen. De gekozen sluitertijd- en diafragmawaarden verschijnen op de monitor, wanneer de ontspanknop half wordt ingedrukt. Worden sluitertijd en diafragma rood, dan liggen de lichtomstandigheden buiten het regelbereik van de camera.
Diafragmavoorkeuze (A)
De fotograaf kiest het diafragma en de camera kiest de sluitertijd die nodig is om de goede belichting te krijgen. Wanneer de A-stand is geselecteerd wordt de diafragmawaarde in de monitor blauw en ernaast verschijnt een dubbele pijlaanduiding. De flitsstand is instelbaar op invulflits, invulflits met rode-ogen-reductie en flitsen met lange sluitertijden met rode-ogen-reductie, (blz. 26).
Gebruik de op/neer-toetsen van de stuureenheid (1) om het diafragma in te stellen. Het diafragma heeft drie standen. Druk de ontspanknop half in om het belichtingssysteem te activeren; de corresponderende sluitertijd verschijnt op de monitor.
1
Bij het inzoomen wordt het grootste diafragma automatisch aangepast. Leidt de diafragmawaarde tot een sluitertijd die niet kan worden ingesteld, dan wordt de sluitertijdaanduiding op de monitor rood.
36 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Sluitertijdvoorkeuze (S)
De fotograaf stelt de sluitertijd in, de camera kiest de diafragma-instelling die een juiste belichting oplevert. Is sluitertijdvoorkeuze geselecteerd, dan is de sluitertijd op de monitor blauw, en er verschijnt een dubbele pijaanduiding naast. De sluitertijd is instelbaar tussen 1/2000 en 15 seconden. Wordt bij een bepaalde sluitertijd het diafragmabereik overschreden, dan wordt de diafragma-aanduiding rood. De flitsstand is instelbaar op invulflits, invulflits met rode-ogen-reductie en flitsen met lange sluitertijden met rode-ogen-reductie (blz. 26).
Gebruik de op/neer-toetsen van de stuureenheid (1) om de sluitertijd in te stellen. Druk de ontspanknop half in om het belichtingssysteem te activeren: het gekozen diafragma zal op de monitor verschijnen.
1
Opnametips
Sluitertijd en diafragma regelen meer dan de belichting. De sluitertijd bepaalt hoe scherp een bewegend onderwerp wordt weergegeven. Het diafragma regelt de scherptediepte, de zone voor de camera waarbinnen alles scherp wordt weergegeven. Meer informatie over de belichtingsregeling vindt u op blz. 66.
Camera-info
Is de sluitertijd één seconde of langer, dan markeert het sluitergeluid zowel het begin als het einde van de belichting.
37
Handmatige belichtingsregeling (M)
Handinstelling maakt een vrije keuze van sluitertijd en diafragma mogelijk. In deze stand worden sluitertijd en diafragma niet door de camera geregeld; de fotograaf heeft zelf alle zeggenschap over de belichting.
Gebruik de op/neer-toetsen van de stuureenheid om de sluitertijd te veranderen.
Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om het diafragma te veranderen.
De veranderingen in de belichting zijn zichtbaar in het live-beeld op de monitor. De aanduidingen voor sluitertijd en diafragma op de lcd-monitor worden rood wanneer het beeld sterk wordt onder- of overbelicht. Is de lcd-monitor zwart, dan dient u de belichting te vermeerderen totdat er een zichtbaar beeld ontstaat; verminder de belichting wanneer het monitorbeeld wit is. Wordt de ontspanknop half ingedrukt, dan kan de helderheid van het live-beeld bij het scherpstellen veranderen.
In de stand handinstelling wordt de automatische gevoeligheidsinstelling ingesteld op ISO 100. De cameragevoeligheid kan worden veranderd in sectie 3 van het opnamemenu (blz. 59). De flitsstand kan worden ingesteld op invulflits, invulflits met rode-ogen-reductie of flitsen met lange sluitertijden met rode-ogen-reductie (blz. 26). Het effect van de flits is in de opnamestand echter niet zichtbaar via het live beeld op de monitor.
Camera-info
Is de sluitertijd één seconde of langer, dan markeert het sluitergeluid zowel het begin als het einde van de belichting.
38 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Tijdopnamen
Tijdopnamen maakt u met de handmatige belichtingsregeling. U kunt belichtingstijden van maximaal dertig seconden instellen. Gebruik van een statief is belangrijk. Het belichtingssysteem van de camera kan niet worden gebruikt om de gewenste duur van tijdopnamen te bepalen. Het is aan te bevelen voor de belichtingsmeting een losse belichtingsmeter te gebruiken.
1
Gebruik de neer-toets van de stuureenheid om de sluitertijdinstelling te verlagen tot voorbij 15 seconden, totdat de aanduiding "T" verschijnt.
Stel het diafragma in met de links/rechts-toetsen van de stuureenheid.
Druk eenmaal op de ontspanknop (1) om de opname te starten. Druk nogmaals op de ontspanknop om de belichting te stoppen.
Tijdens de belichting verschijnt een melding. Na de opname wordt ruisonderdrukking op het beeld toegepast. U kunt de ruisonderdrukking uitschakelen in de sectie 2 van het setup-menu (blz. 88).
39
Filmopnamen
Deze camera kan digitale video opnemen, zonder geluid. De totale opnameduur varieert met beeldgrootte en beeldfrequentie, zie blz. 64. De belichtingscorrectie en de macrostanden kunnen worden gebruikt. Andere instellingen kunt u uitvoeren in het filmmenu voor opname (blz. 44).
Beeldgrootte
Beeldfrequentie
Voordat u begint met opnemen geeft de teller de maximale tijd in seconden die voor de volgende filmclip beschikbaar is.
Opnameduur
Neem het onderwerp in beeld zoals omschreven bij de basistechniek voor de opname (blz. 22). Druk de ontspanknop half in om scherpstelling en belichting in te stellen. Druk de ontspanknop geheel in om de opname te starten.
Tijdens de opname blijft de camera scherpstellen. De camera gaat door met opnemen totdat de opnametijd is verbruikt of de ontspanknop opnieuw wordt ingedrukt.
Opname-aanduiding
Resterende tijd
40 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Belichtingscorrectie
De belichtingsinstelling van de camera kan worden gecorrigeerd om de foto lichter of donkerder te maken, bereik ±2 LW in stappen van 1/3 LW. De belichtingscorrectie kan alleen worden gebruikt met de digitale onderwerpsprogramma's, de belichtingsstanden P, A en S, en de film-opnamestand. In de film-opnamestand wordt de belichtingscorrectie teruggezet als de camera wordt uitgeschakeld. Bij de digitale onderwerpsprogramma's en de belichtingsstanden P, A en S blijft de belichtingscorrectie van kracht totdat hij wordt teruggezet.
Druk voor het instellen van een correctie op de links- of de rechts-toets van de stuureenheid; het scherm van de belichtingscorrectie verschijnt.
Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om de waarde van de belichtingscorrectie te veranderen. Belichtingsveranderingen zijn zichtbaar in het live-beeld op de monitor.
Druk de ontspanknop half in of druk op de centrale toets van de stuureenheid om de instelling vast te leggen.
Wanneer u de belichtingscorrectie instelt verschijnt de correctiefactor in LW (blz. 50). Nadat de instelling is uitgevoerd geven de sluitertijd- en/of diafragma-aanduidingen de werkelijke belichting weer.
Omdat de correcties in kleine stapjes kunnen worden uitgevoerd kan het soms gebeuren dat u dezelfde sluitertijden en/of diafragmawaarde ziet als voor de correctie. Wordt er een andere waarde dan 0.0
gekozen, dan blijft er een waarschuwing op de monitor zichtbaar.
Camera-info
De belichtingscorrectie kan worden gebruikt wanneer de lichtmeter van de camera wordt misleid door overwegend donkere of lichte onderwerpen.
Hier zorgde het donkere water ervoor dat het de camera dit beeld te licht maakte (overbelichting). Door een belichtingscorrectie uit te voeren kwam er weer detaillering in de bladeren, en de stenen en het water worden donkerder.
Camerabelichting
–1,0 LW
–2,0 LW
41
Scherpstelveldselectie
Bij foto-opnamen kunt u individuele scherpstelvelden selecteren. In de automatische opnamestand en bij de Digitale Onderwerpsprogramma’s wordt de scherpstelveldselectie teruggezet wanneer de belichtings-keuzeknop in een andere stand wordt gezet of de camera uit wordt gezet. In de de P-, A-
S- en M-stand blijft het gekozen scherpstelveld actief totdat een andere keuze wordt gemaakt.
Druk de centrale toets van de stuureenheid in en houd hem ingedrukt totdat de drie spot-AF-velden verschijnen.
Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om het gewenste scherpstelveld te laten oplichten; het actieve veld is blauw.
Druk de ontspanknop half in of druk op de centrale toets van de stuureenheid om het gewenste veld te selecteren; de andere twee velden verdwijnen. Pas als een scherpstelveld is geselecteerd kan de stuureenheid worden gebruikt voor andere handelingen.
Maak de foto zoals beschreven bij de basistechnieken voor de opname; druk ontspanknop half in om scherpstelling en belichting te vergrendelen. Druk de ontspanknop geheel in om de foto te maken.
Is een scherpstelveld eenmaal geselecteerd, dan blijft het actief, ook nadat de opname is gemaakt. Druk de centrale toets van de stuureenheid in en houd hem ingedrukt om terug te keren naar het standaard scherpstelkader.
42 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Navigeren door de opnamemenu’s
Welk opnamemenu verschijnt is afhankelijk van de stand van de belichtings-keuzeknop.
Welk van de vier menu’s verschijnt is afhankelijk van de instelling: automatische opnamestand, filmopname, Digitale Onderwerpsprogramma’s of P-, A-, S- en M-stand.
Kijk op de volgende bladzijde voor meer informatie.
Door te drukken op de menutoets (1) schakelt u het menu in en uit. Met de vierwegtoetsen van de stuureenheid (2) verplaatst u de cursor door het menu. Door op de centrale toets van de stuureenheid te drukken wordt een instelling geactiveerd; na sommige opties volgt een selectiescherm.
Activeer het menu met de menutoets.
Gebruik in het menu van P, A, S en M de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om de gewenste menu-tab te doen oplichten; bij markeren van de tabs veranderen ook de menu's.
Gebruik de op/neer-toetsen om door de menu-opties te scrollen. Laat de optie waarin u iets wilt veranderen oplichten.
De te wijzigen menu-optie licht op, druk nu op de rechts- toets van de stuureenheid; u krijgt nu de instellingen te zien, met de huidige instelling oplichtend. Om terug te keren naar de menu-opties moet u op de links-toets te drukken.
Gebruik de op/neer-toetsen om de nieuwe instelling te markeren.
2
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om de gemarkeerde instelling te selecteren.
1
Is een instelling eenmaal geselecteerd, dan keert de cursor terug naar de menu-opties en de nieuwe instelling wordt getoond. Druk op de menu-toets om terug te keren naar de opnamestand.
43
Drive mode
Image size
Quality
Auto DSP
Digital zoom
Single
2048x1536
Standard
On
Off
Menu automatische opname
Drive mode
Image size
Quality
White balance
Key func.
Single
2048x1536
Standard
Auto
Flash mode
Index menufuncties
Auto DSP, 53
Color mode, 60
Contrast, 60
Digital zoom, 53
Drive mode, 45
Flash compensation, 57
Flash mode, 57, 26
Drive mode
Image size
Quality
Focus mode
Digital zoom
Single
2048x1536
Standard
Autofocus
Off
Menu Digitale
Onderwerpsprogramma's
Focus mode
Color mode
Image size
Frame rate
White balance
Movie mode
Cont. AF
NaturalColor
320x240
15ps
Auto
STD. movie
Filmmenu
Focus mode
Full-time AF
Flash mode
Flash comp.
Metering mode
Single AF
On
Autoflash
0
MultiSegment
Sensitivity
Digital zoom
Color mode
Sharpness
Contrast
Auto
Off
NaturalColor
Normal
Normal
Menu P-, A-, S- en M-stand
Focus mode, 54
Frame rate, 64
Full-time AF, 57
Image size, 51
Image size (movie), 64
Key function, 62
Metering mode, 58
Movie mode, 65
Quality, 51
Sensitivity, 59
Sharpness, 61
White balance, 55
44 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Transportstanden (Drive modes)
Met de transportstand regelt u met welke snelheid en methode de opnamen worden vastgelegd. De transportstand kan in alle standen worden ingesteld, behalve via het filmmenu. In de automatische opnamestand wordt de transportstand teruggezet op enkelbeeldtransport wanneer de belichtings-keuzeknop in een andere stand wordt gezet of de camera wordt uitgeschakeld. Bij de digitale onderwerpsprogramma's en de belichtingsstanden P, A, S en M blijft de transportstand van kracht totdat hij wordt veranderd. Kijk in de nu volgende hoofdstukken voor informatie over de transportstanden.
Enkelbeeldtransport – elke keer dat de ontspanknop wordt ingedrukt wordt een enkele opname gemaakt (blz. 22).
Zelfontspanner – om het moment van de opname te vertragen. Om zelf op de foto te komen.
Continu transport - voor het maken van opnameseries door het ingedrukt houden van de ontspanknop.
Progressieve opname - voor continu opnemen door het ingedrukt houden van de ontspanknop. Na loslaten van de ontspanknop worden de laatste zes opnamen opgeslagen.
Bracketing - voor het maken van drie opnamen achtereen, elk met een verschillende belichtingsinstelling.
45
Zelfontspanner
Om zelf op de foto te komen; de zelfontspanner stelt de opname tien of twee seconden uit na het indrukken van de ontspanknop. De zelfontspanner wordt ingesteld in sectie 1 van de opnamemenu-
's (blz. 44). De vertraging van de zelfontspanner wordt ingesteld in sectie 4 van setup-menu (blz. 92).
Plaats de camera op statief, bepaal de beelduitsnede zodanig dat het onderwerp binnen de scherpstelkaders valt.
Druk de ontspanknop half in om belichting en scherpstelling te vergrendelen (1). Druk de ontspanknop geheel in om het aftellen te starten (2).
1 2
Omdat scherpstelling en belichting worden bepaald bij half indrukken van de ontspanknop moet u niet voor de camera gaan staan. Controleer altijd de scherpstelling met de scherpstelsignalen voordat u het aftellen start (blz. 25).
3
De zelfontspanner telt af op de LCD-monitor. Tijdens het aftellen zal het zelfontspannerlampje voorop de camera (3) knipperen; het wordt begeleid door een audiosignaal. Enkele seconden voor de opname zal het zelfontspannerlampje snel knipperen. Vlak voor de opname brandt het lampje continu. Wilt u het aftellen stoppen, druk dan op de rechterzijde (T) of de linkerzijde (W) van de zoomknop. Bij gebruik van de 10 seconden vertraging wordt de zelfontspanner-transportstand na de opname teruggezet op enkelbeeld transport. Het audiosignaal kan worden uitgeschakeld in sectie 3 van het setupmenu (blz. 91).
Opnametips
U kunt de zelfontspanner ook gebruiken om bij lange tijdopnamen cameratrilling te vermijden.
Wanneer u vanaf statief fotografeert kunt u opnamen van statische onderwerpen (landschappen, stillevens, macro-opnamen) met de zelfontspanner maken. Omdat er op het moment dat de opname begint geen contact met de camera is kan de fotograaf zo geen trilling veroorzaken.
46 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
De continu transportstanden gebruiken
Met de continu-transportstand kunt u een opnameserie maken door de ontspanknop ingedrukt te houden. Het aantal foto's dat u achtereen kunt maken en de opnamesnelheid zijn afhankelijk van de instellingen voor beeldgrootte en beeldkwaliteit. De maximale opnamesnelheid is circa 1,5 bps (beelden per seconde).
Deze transportstand wordt ingesteld in sectie 1 van het opnamemenu.
Drive mode
Image size
Quality
White balance
Key func.
Single
Self-timer
Continuous
Progressive
Bracketing
Bepaal de beeldcompositie zoals beschreven bij de basistechniek opname (blz. 22).
Druk de ontspanknop half in (1) om de belichting voor de serie te vergrendelen.
1
Druk de ontspanknop geheel in en houd hem ingedrukt (2) om de opnameserie te starten; de scherpstelling wordt vergrendeld op de eerste opname. Zolang de ontspanknop ingedrukt wordt gehouden, blijft de camera opnamen maken totdat het maximum aantal is bereikt of de ontspanknop wordt losgelaten.
Het maximum aantal beelden en de opnamefrequentie is afhankelijk van de gekozen continu-stand. Kijk daarvoor op de volgende bladzijden.
2
Was continu AF (blz. 54) geselecteerd, dan is de scherpstelling voor de serie niet vergrendeld. Het AFsysteem stelt tussen de opnamen door scherp. De belichting voor de serie wordt vergrendeld wanneer de ontspanknop half wordt ingedrukt.
Gebruik van de ingebouwde flitser, de stand continu AF of het opnemen van de datum in beeld (blz.
89) verlaagt de opnamesnelheid. Hier ziet u het maximum aantal foto's dat u met de verschillende instellingen voor beeldkwaliteit en -grootte kunt opnemen:
Fine
Standard
Economy
2048 X 1536
5
10
19
1600 X 1200
8
16
30
1280 X 960
13
24
42
640 X 480
42
67
94
47
Progressieve opneemstand gebruiken
In de progressieve opnamestand maakt de camera continu opnamen zolang u de ontspanknop ingedrukt houdt. Wordt de ontspanknop losgelaten, dan worden de laatste zes opnamen uit het buffergeheugen van de camera opgeslagen. Deze transportstand wordt ingesteld in sectie 1 van het opnamemenu. Verschijnt de waarschuwing dat de batterij bijna leeg is, dan kan deze transportstand niet worden gebruikt.
Bepaal de beeldcompositie zoals beschreven bij de basistechniek opname (blz. 22). Druk de ontspanknop half in
(1) om de belichting voor de serie te vergrendelen.
Druk de ontspanknop geheel in en houd hem ingedrukt (2) om de opnameserie te starten; de scherpstelling wordt vergrendeld op de eerste opname. Zolang de ontspanknop ingedrukt wordt gehouden, blijft de camera opnamen maken.
1
Laat de ontspanknop los (3) om de beelden uit de geheugenbuffer op de kaart op te slaan. Met de progressieve opnamefunctie worden de laatste zes opnamen uit het buffergeheugen van de camera opgeslagen. Is er een serie opgenomen, dan verschijnt tijdens het wegschrijven een index met daarin thumbnails (miniatuurbeeldjes) van de zes opnamen.
Drive mode
Image size
Quality
White balance
Key func.
Single
Self-timer
Continuous
Progressive
Bracketing
2 3
Was continu AF (blz. 54) geselecteerd, dan is de scherpstelling voor de serie niet vergrendeld. Het AF-systeem stelt tussen de opnamen door scherp. De belichting voor de serie wordt vergrendeld wanneer de ontspanknop half wordt ingedrukt.
De maximale opnamesnelheid is circa 1,3 bps (beelden per seconde). Gebruik van de stand continu AF verlaagt de opnamesnelheid.
De ingebouwde flitser en in beeld opnemen van de datum (blz. 89) kunnen niet worden gebruikt.
48 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Bracketing
In deze stand maakt de camera een belichtingstrapje van drie opnamen. Elke opname wordt met een iets andere belichting gemaakt, zodat later de beste kan worden uitgekozen.
Belichtingstrapjes zijn alleen geschikt voor statische onderwerpen. De bracketing-stand wordt ingesteld in sectie 1 van het opnamemenu.
Nadat met de transport-toets de bracketing-optie in het menu wordt gekozen verschijnt er een selectiescherm waarin u de variatiegrootte kunt instellen.
Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om de bracketingwaarde in te stellen. Druk op de centrale toets om de instelling vast te leggen. Wilt u de bracketingwaarde veranderen, kies dan opnieuw de bracketingfunctie via het menu.
Drive mode
Image size
Quality
White balance
Key func.
Single
Self-timer
Continuous
Progressive
Bracketing
:select :enter
Bepaal de beeldcompositie zoals beschreven bij de basistechniek opname (blz. 22). 1
Druk de ontspanknop half in (1) om de belichting voor de serie te vergrendelen.
Druk de ontspanknop geheel in (2) om de bracketingserie te starten; er worden drie opnamen achtereen gemaakt. De scherpstelling wordt vergrendeld op de eerste opname.
Was continu AF (blz. 54) geselecteerd, dan is de scherpstelling voor de serie niet vergrendeld. Het AF-systeem stelt tussen de opnamen door scherp. De belichting voor de serie wordt vergrendeld wanneer de ontspanknop half wordt ingedrukt.
2
49
Aantal beelden in bracketing-serie
Opnameteller
Het resterende aantal opnamen van de bracketing-serie verschijnt naast de bracketing-aanduiding op de monitor. Is de geheugenkaart vol of wordt de ontspanknop losgelaten voordat de serie is voltooid, dan wordt de camera teruggesteld en moet de gehele serie opnieuw worden gemaakt. Verschijnt de rode batterijwaarschuwing, dan wordt de bracketing-functie uitgeschakeld. In de bracketingstand kan de flitser niet worden gebruikt.
De volgorde van de bracketing-reeks is: normale belichting, onderbelichting en overbelichting. Het verschil tussen de opnamen kan worden ingesteld op 0,3, 0,5 of 1,0 LW (lichtwaarde). Hoe hoger de waarde, des te groter is het verschil in belichting tussen de opnamen van de bracketing-serie.
Normaal
Onder
Over
0,3 LW verschil
0,5 LW verschil
1,0 LW verschil
Bij gebruik van de belichtingscorrectie (blz. 41) wordt de bracketing-serie gemaakt in relatie tot de gecorrigeerde belichting. Onder extreme lichtomstandigheden kunnen bracketing-belichtingen onnauwkeurig worden vanwege het feit dat ze buiten het regelbereik van de camera vallen.
Wat is een LW?
LW staat voor lichtwaarde. Een verschil van 1 lichtwaarde of 1 stop betekent een vermindering of verdubbeling van de hoeveelheid licht.
+2,0 LW
+1,0 LW
±0,0 LW
–1,0 LW
–2,0 LW
4X zoveel licht
2X zoveel licht
Gemeten belichting
1/2 zoveel licht
1/4 zoveel licht
50 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Beeldgrootte en beeldkwaliteit
De beeldgrootte is bepalend voor het aantal pixels dat het beeld bevat. Hoe groter de maat, des te groter is het beeldbestand. Kies de beeldgrootte op basis van de toepassing van het beeld. Voor een hoge printkwaliteit en grote formaten hebt u grote bestanden nodig, voor web-toepassingen volstaan kleine.
LCD-monitor
2048
1600
1280
640
Aantal pixels
(hor. X vert.)
2048 X 1536
1600 X 1200
1280 X 960
640 X 480
FINE
STD.
ECON.
Fine - JPEG-beeld van hoge kwaliteit
Standard - standaardinstelling (JPEG)
Economy - kleinste beeldbestanden (JPEG)
De beeldkwaliteit wordt bepaald door de sterkte van de compressie, maar heeft geen gevolgen voor het aantal pixels in het beeld. Hoe hoger de beeldkwaliteit, des te lager is de compressie en des te groter is het beeldbestand. Is economisch ruimtegebruik op de kaart van groot belang, gebruik dan de economy stand. De standaardinstelling is voor normaal gebruik voldoende. De Fine stand geeft de hoogste beeldkwaliteit en de grootste beeldbestanden.
De beeldgrootte moet voor de opname worden gekozen. Veranderingen zijn te zien op op de lcdmonitor. Verandering die in het ene menu zijn ingesteld gelden ook voor andere standen, behalve de filmstand. Beeldgrootte en -kwaliteit moeten handmatig worden teruggezet. Kijk bij "Navigeren door het opnamemenu" op blz. 43.
Wordt de beeldgrootte gewijzigd, dan is er op de opnameteller te zien hoeveel opnamen er bij benadering bij deze instellingen op de geheugenkaart kunnen worden opgeslagen. Op één geheugenkaart kunnen beelden van uiteenlopende beeldgrootte worden opgeslagen. Het aantal beelden dat u op een geheugenkaart kunt opslaan wordt bepaald door de capaciteit van de kaart en de bestandsgrootte van de opnamen. De werkelijke bestandsgrootte wordt bepaald door de inhoud van het beeld.
Opnamen met veel details kunnen vaak minder sterk worden gecomprimeerd dan andere. Zie de tabel op de volgende bladzijde.
51
Globale bestandsgrootte
2048 X 1536 1600 X 1200 1280 X 960 640 X 480
Fine
Standard
Economy
1,3 MB
830 KB
440 KB
770 KB
440 KB
290 KB
550 KB
300 KB
210 KB
170 KB
120 KB
100 KB
Globaal aantal foto’s dat kan worden opgeslagen op een 16 MB geheugenkaart
Fine
Standard
Economy
9
17
32
14
27
47
22
39
69
69
100
150
Camera-info
De opnameteller geeft bij benadering het aantal beelden dat op de geheugenkaart van de camera kan worden opgeslagen bij gebruik van de op dat moment geldende instellingen voor beeldgrootte en -kwaliteit. Worden de instellingen veranderd, dan past de teller zich aan. De berekeningen zijn gebaseerd op gemiddelde bestandsgrootten; daardoor kan het gebeuren dat de teller na een opname niet of juist met meer dan 1 verspringt. Staat de teller op nul, dan kunnen bij de geldende instellingen geen foto’s meer worden opgenomen. Door de instellingen te veranderen is het misschien mogelijk toch nog beelden op de geheugenkaart op te slaan.
52 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Auto DSP
Automatische Selectie van Digitale Onderwerpsprogramma’s (Auto
DSP) kan tijdelijk worden uitgeschakeld in het menu van de automatische opnamestand. In dat geval wordt de programma-automatiek actief. Na uitzetten van de camera wordt Automatische Selectie van
Digitale Onderwerpsprogramma’s weer actief.
Drive mode
Image size
Quality
Auto DSP
Digital zoom
Single
2048x1536
Standard
On
Off
Digitale zoom
De digitale zoom wordt geactiveerd in de auto-opnamestand, in de digitale onderwerpsprogramma's en in sectie 3 van de menu's van de P, A, S en M belichtingsstand (blz. 44).
De digitale zoom verlengt het telebereik van de optische zoom tot 4 x, in stappen van 0,1 x. De overgang tussen optische en digitale zoom is zonder onderbreking. Is de digitale zoom actief, dan wordt de vergroting op de monitor weergegeven en veranderen de scherpstelkaders in een enkelvoudig scherpstelveld. Wegens de vaak sterke vergroting is gebruik van een statief aan te raden.
Zoomschaal
Vergroting
1
De digitale zoom wordt bediend met de zoomknop (1). Door de knop naar rechts
(T) te drukken zoomt u in naar de telestand van het objectief. Wanneer de digitale zoom wordt geactiveerd verschijnt de vergrotingsfactor op de monitor. Door de knop naar links (W) te drukken zoomt u uit naar de groothoekstand. Na het zoomen verschijnt de zoomschaal kort. De gele sectie duidt op het digitale zoombereik.
Digitale zoom-opnamen worden geïnterpoleerd naar de ingestelde beeldgrootte.
Bij opnamen met digitale zoom kan enig verlies in beeldkwaliteit optreden.
53
Scherpstelstanden
Deze camera is voorzien van automatische en handmatige scherpstelling. De scherpstelstand wordt apart geactiveerd in de menu’s voor Digitale Onderwerpsprogramma’s, film en P-, A-, S-, en M-standen. De gekozen scherpstelstand wordt niet teruggezet wanneer de camera wordt uitgeschakeld.
Bij de belichtingsstanden P, A, S of M of bij filmopnamen kan voor de autofocus worden gekozen tussen enkelvoudig (single shot) en continu (continuous) in sectie 2 van het menu (blz. 44). Bij enkelvoudige AF kunt u de scherpstelling voorafgaand aan de opname vergrendelen, als beschreven bij de basistechniek opname. Continu AF blijft continu de afstand instellen. Maakt u foto’s, dan blijft de camera scherpstellen totdat u de ontspanknop half indrukt. Bij een filmopname wordt de scherpstelling vergrendeld wanneer de ontspanknop half wordt ingedrukt, maar tijdens de opname blijft de camera de scherpstelling bijregelen.
Stelt u handmatig scherp, dan verschijnt er een schaal die de globale afstand tot het onderwerp aangeeft. De schaal wordt aan het scherpstelbereik aangepast.
Gebruik de op/neer-toetsen van de stuureenheid om te zoomen of scherp te stellen. Bij het scherpstellen wordt het monitor-beeld automatisch vergroot met een maximum van
2,5X, afhankelijk van de digitale zoominstelling. Het livebeeld keert terug naar normaal na twee seconden, bij het zoomen of bij half indrukken van de ontspanknop.
Wanneer u bij handmatige afstandsinstelling gebruik maakt van sluitertijdvoorkeuze, diafragmavoorkeuze of handmatige belichtingsregeling (blz. 36 - 38), dient u op de centrale toets van de stuureenheid te drukken om over te schakelen tussen de op/neer-toetsen voor scherpstellen en de links/rechts-toetsen voor het bijregelen van de belichting. De actieve functie wordt weergegeven in blauw.
54 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Witbalans (White balance)
De witbalans zorgt ervoor dat er onder uiteenlopende lichtomstandigheden een neutrale kleurweergave wordt verkregen. Het effect is vergelijkbaar met de keuze voor daglicht- of kunstlichtfilm of kleurcorrectiefilters bij traditionele fotografie. Er verschijnt een aanduiding op de monitor wanneer er een andere instelling dan automatische witbalans is gekozen. De witbalans wordt separaat ingesteld in sectie 1 van het filmmenu en het menu voor de P-, A-, S- en M-stand (blz. 44).
Automatische witbalans (Auto)
De automatische witbalans houdt automatisch rekening met de kleurtemperatuur van een scène. In veel gevallen zal de AUTO-instelling voor een uitgebalanceerd resultaat zorgen, zelfs bij menglicht
(verschillende lichtbronnen). Bij gebruik van de ingebouwde flitser wordt de witbalans ingesteld op de kleurtemperatuur van de flitser.
Vaste witbalansinstellingen (Preset)
De vaste witbalansinstellingen moeten worden gekozen voordat de opname wordt gemaakt. Na de instelling is het effect zichtbaar op de lcd-monitor.
Direct na het selecteren van de optie Preset in het menu verschijnt een selectiescherm.
Drive mode
Image size
Quality
White balance
Key func.
Cust.set
CustRecall
Auto
Preset
Druk op de link/rechts-toetsen van de stuureenheid om de vaste witbalansinstelling te selecteren. Druk op de centrale toets van de stuureenheid in om de gekozen instelling toe te passen. De volgende vaste instellingen zijn beschikbaar:
:select :enter
Daylight – binnen en buiten bij zonlicht.
Cloudy – bewolkt weer buiten.
Tungsten – bij kunstlicht van gloeidraadlampen.
Fluorescent – fluorescentielicht
(TL, vaak in kantoren).
Flits voor gebruik met de ingebouwdeflitser.
55
Eigen witbalansinstelling (Cust.set)
Het is mogelijk de witbalans van de camera op een speciale lichtsituatie af te stemmen. U kunt deze instelling blijven gebruiken totdat u hem terugzet. Een eigen witbalansinstelling kan vooral goed van pas komen wanneer er verschillende soorten licht in het geding zijn en wanneer er om een zeer zorgvuldige instelling wordt gevraagd. Het meetobject voor de witbalans-kalibratie moet wit zijn. Een vel wit papier is een ideaal ijk-object en kan makkelijk in de fototas worden meegenomen.
Kies om de camera te kalibreren custom setup (Cust.set) in de witbalans-optie in sectie 1 van het filmmenu of menu voor de P-, A-, S- en M-stand (blz. 44); het scherm voor kalibratie van de witbalans verschijnt.
Zorg ervoor dat het witte meetobject het beeld helemaal vult. Het hoeft niet scherp te zijn. Druk de centrale toets van de stuureenheid om de ijking uit te voeren, op de menutoets om de handelingen op te heffen.
Het live-beeld toont het effect van de nieuwe witbalansinstelling. De eigen instelling blijft van kracht totdat een andere kalibratie wordt gemaakt of de witbalansinstelling wordt veranderd.
Drive mode
Image size
Quality
White balance
Key func.
Auto
Cust.set
CustRecall
Preset
:enter
Moet de eigen witbalansinstelling opnieuw worden gebruikt, kies dan custom recall in de witbalans-optie van het menu; de laatst gebruikte eigen wit-balansinstelling wordt actief gemaakt. Dezelfde eigen witbalansinstelling kan worden gemaakt en opgeroepen vanuit de filmstand en de P-, A-, S- en M-standen.
Drive mode
Image size
Quality
White balance
Key func.
Cust.set
CustRecall
Auto
Preset
56 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Full-time AF
Wanneer full-time AF actief is stelt de autofocus permanent scherp, zodat het beeld op de monitor scherp blijft. Het vermindert ook de scherpsteltijd wanneer u foto's wilt maken.
Wordt de camera ingesteld op handinstelling, dan wordt full-time AF uitgeschakeld. Uitschakelen van de full-time AF zal batterijen sparen. Full-time AF kan worden geactiveerd in sectie 2 van het P-, A-,
S- en M-menu (blz. 44).
Flitsstand
De flitsstanden kunnen worden veranderd in sectie 2 van het P-, A-
S- en M-menu (blz. 44). Deze menu-optie wordt gebruikt wanneer een andere functie is toegewezen aan de flitstoets, zie blz. 62 over de Custom key functie. Meer over de flitsstanden op blz. 26.
Focus mode
Full-time AF
Flash mode
Flash comp.
Metering mode
Single AF
On
Autoflash
0
MultiSegment
Flitscorrectie (Flash comp.)
Flitscorrectie verhoogt of verlaagt de dosis flitslicht van de ingebouwde flitser binnen een bereik van -2 tot +2 LW.
Selecteer de optie flitscorrectie (Flash comp.) in sectie 2 van het P-
A-, S- en M-menu (blz. 44). Gebruik de op/neer-toetsen om de sterkte van de correctie in te stellen. Druk op de centrale toets van de stuureenheid om die waarde vast te leggen. Wordt er een andere waarde dan 0 ingesteld, dan verschijnt er als waarschuwing een aanduiding op de monitor.
Focus mode
Full-time AF
Flash mode
Flash comp.
Metering mode
–2 ~ +2
+0.3
Positieve correctie Geen correctie Negatieve correctie Geen flits
57
Flitscorrectie regelt de verhouding tussen omgevingslicht en flitslicht. Wordt bijvoorbeeld een invulflits gebruikt om de diepe schaduwen op te heffen op een onderwerp in fel zonlicht, dan kan met de flitscorrectie de sterkte van de schaduwopheldering door het flitslicht worden geregeld. De flits heeft invloed op de diepte van de schaduwen zonder de lichte partijen aan te tasten. Door een negatieve flitscorrectie te geven krijgen de schaduwen minder licht en blijven ze donkerder, maar details die zonder flits verloren zouden gaan blijven zichtbaar. Met een positieve flitscorrectie verhoogt u de flitsdosis en kunt u een zacht en teer effect bereiken.
Lichtmeetmethode (Metering mode)
Op de monitor wordt aangegeven welke lichtmethode is gekozen. De lichtmeetmethode wordt ingesteld in sectie 2 van het P-, A, S, en Mmenu (blz. 44).
Meerveldsmeting : gebruikt 256 segmenten om helderheid en kleur te meten. Deze informatie wordt gecombineerd met afstandsinformatie om de juiste belichting te realiseren. Dit geavanceerde lichtmeetsysteem geeft accurate, probleemloze belichtingsresultaten in bijna alle situaties.
Focus mode
Full-time AF
Flash mode
Flash comp.
Metering mode
Single AF
On
Autoflash
0
MultiSegment
Centrumgerichte meting: traditionele meetmethode die in veel conventionele camera’s wordt gebruikt. Het systeem meet het totale beeld maar legt de nadruk op het centrale gedeelte.
Spotmeting: gebruikt een klein deel van het beeld om de belichting te meten. Er verschijnt een klein cirkeltje in het midden van het live-beeld om het meetgebied te markeren.
Hiermee kunt u zeer precies een bepaald gedeelte van het onderwerp meten, zonder dat extreem lichte en/of extreem donkere beeldpartijen daar invloed op hebben.
58 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Cameragevoeligheid - ISO (Sensitivity)
Voor de cameragevoeligheid kunt u kiezen uit vijf instellingen: Auto,
64, 100, 200, en 400; de waarden zijn gebaseerd op ISO-equivalenten. ISO is de standaard voor filmgevoeligheid; hoe hoger het getal, des te gevoeliger is de film. De cameragevoeligheid wordt ingesteld in sectie 3 van het P-, A-, S- en M-menu (blz. 44).
Sensitivity
Digital zoom
Color mode
Sharpness
Contrast
Auto
Off
NaturalColor
Normal
Normal
In de auto-stand past de camera de gevoeligheid automatisch aan de lichtomstandigheden aan, tussen 64 en 200. Wordt er een andere dan de auto-stand gekozen, dan verschijnen "ISO" en de ingestelde waarde in de monitor.
Een verdubbeling van de ISO-waarde betekent een verdubbeling van de cameragevoeligheid. Neemt bij film de korrel toe naarmate de film gevoeliger is, in de digitale beeldtechniek neemt de beeldruis toe. Een ISO-instelling van 64 geeft zeer weinig ruis, een instelling op 400 de meeste. Bij ISO 800 is het vaak mogelijk bij weinig licht zonder flits te fotograferen. Het effect van ruis op foto's met een belichtingstijd van een seconde of meer, wordt verminderd met de ruisonderdrukkingsfunctie in sectie 2 van het setup-menu (blz. 88).
Flitsbereik en cameragevoeligheid
Het flitsbereik wordt gemeten vanaf de CCD. Als gevolg van de opbouw van het objectief is het flitsbereik in de telestand korter dan in de groothoekstand.
ISO-stand
AUTO
64
100
200
400
Flitsbereik groothoek
0,57 - 5,3 m
0,57 - 3,0 m
0,57 - 3,8 m
0,57 - 5,3 m
0,57 - 7,5 m
Flitsbereik tele
1,57 - 5,3 m
1,57 - 3,0 m
1,57 - 3,8 m
1,57 - 5,3 m
1,57 - 7,5 m
59
Kleurinstelling (Color Mode)
Met de kleurinstelling regelt u of een foto in kleur of in zwartwit wordt opgetekend. Tevens kan het type kleurweergave worden gekozen. Deze instelling moet worden uitgevoerd voordat het beeld wordt opgenomen, in sectie 3 van het film-menu (blz. 44).
Het live-beeld volgt de gekozen instelling. De kleurinstelling is niet van invloed op de grootte van het beeldbestand.
Natural Color geeft een natuurgetrouwe kleurweergave. Er verschijnt speciale aanduiding op de monitor wanneer deze stand actief is. Vivid Color verhoogt de kleurverzadiging. Black & White geeft zwartwitfoto’s. In de sepia-stand krijgt u zwartwitfoto’s met een nostalgische warme tint.
Vivid Color
Black & White
Sepia
Contrast
Met deze functie kunt u het contrast van een scène veranderen: hoog (+), normaal en laag (–). Het is instelbaar in sectie 3 van het P-, A-, S- en M-menu (blz. 44). Het effect van de gekozen instelling is op het live-beeld te zien. Is er een andere stand gekozen dan normaal, dan verschijnt er een waarschuwingsaanduiding op de monitor.
Contrast: laag
Contrast: normaal
Contrast: hoog
60 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Scherpte (Sharpness)
Met de verscherping regelt u of de contouren van details worden verhard of verzacht. Er zijn drie instellingen: hard (+), normal en zacht (–). De instelling wordt uitgevoerd in sectie 3 van het P-, A-, Sen M-menu (blz. 44).
Het effect van de instelling is op het live-beeld te zien, maar mogelijk moeilijk te onderscheiden. Op de monitor van een computer zijn de verschillen duidelijk zichtbaar. Wordt een ander niveau dan normaal ingesteld, dan verschijnt een aanduiding op de monitor.
Sensitivity
Digital zoom
Color mode
Sharpness
Contrast
Auto
Off
NaturalColor
Normal
Normal
Normaal
Sharpness: zacht
Sharpness: hard
61
Custom Key functie (Key.func.)
Voor de functie die wordt toegekend aan de flitstoets kunt u kiezen uit flitsstand, transportstand, witbalans, scherpstelstand, kleurinstelling en gevoeligheid. Dit kan worden ingesteld in sectie 1 van de P, A, S en M menu's (blz. 44).
De flitsstand kan ook worden veranderd in sectie 2 van de
P, A, S en M menu's.
Drive mode
Image size
Quality
White balance
Key func.
Flash mode
Flash mode
Drive mode
White balance
Focus mode
Color mode
Sensitivity
Kies de functie Custom key in het menu en druk op de centrale toets van de stuureenheid om het selectiescherm te laten verschijnen. Gebruik de vierwegtoetsen van de stuureenheid om de functie te markeren.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om de functie van de toets in te stellen. Door op de menutoets te drukken heft u de instellingsprocedure op zonder dat er een instelling is gewijzigd.
Selectiescherm
Door op de flitstoets te drukken verandert u de functie die in het menu wordt gekozen. Druk op de centrale toets van de stuureenheid of druk de ontspanknop half in om de instelling te activeren.
62 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Wanneer u de bracketing-transportstand of de vooringestelde witbalans (preset) kiest verschijnt een selectiescherm. Gebruik de link/rechts-toetsen van de stuureenheid om de bracketing-interval of de vooringestelde witbalans te laten verschijnen, en druk op de centrale toets van de stuureenheid om hem te selecteren.
Selecteert u de optie voor de eigen witbalansinstelling, dan verschijnt het kalibratiescherm. Vul het beeld met een wit object (zorg ervoor dat het beschenen wordt door het licht dat het onderwerp zal verlichten) en druk op de centrale toets van de stuureenheid om de camera te kalibreren.
:select :enter
:enter
63
Beeldgrootte (Image size; filmstand)
Films kunnen worden opgenomen in twee formaten: 640x480 en
320x240. Hoe groter de beeldgrootte, des te hoger is de beeldkwaliteit en des te groter zijn de beeldbestanden. De beeldgrootte wordt ingesteld in sectie 1 van de opnamemenu's (blz. 44).
Image size
Frame rate
White balance
Movie mode
320x240
15ps
Auto
STD. movie
Beeldfrequentie (Frame rate)
Films kunnen worden opgenomen op twee beeldfrequenties: 15 bps (fps) en 30 bps. 640 x 480 beelden kunnen alleen worden opgenomen op 15 bps. Hoe hoger de beeldfrequentie, des te vloeiender wordt bewegend beeld weergegeven en des te groter worden ook de beeldbestanden. De beeldfrequentie wordt ingesteld in sectie 1 van het filmmenu (blz. 44).
Bestandsgrootte films
Is de beeldgrootte of de beeldfrequentie veranderd, dan geeft de beeldteller bij benadering het aantal seconden weer dat op de geheugenkaart kan worden weggeschreven. De totale tijd die kan worden opgeslagen op een geheugenkaart wordt bepaald door de capaciteit van de kaart, de beeldgrootte en de beeldfrequentie. De uiteindelijke bestandsgrootte wordt mede bepaald door de inhoud van het beeld; het ene beeld kan sterker worden gecomprimeerd dan het andere.
Beeldfrequentie
Globale bestandsgrootte
Beeldgrootte
640 x 480 320 X 240
30 bps
15 bps
–
540 KB/s
670 KB/s
340 KB/s
Globaal aantal seconden film dat kan worden opgeslagen op 16 MB geheugenkaart
30 bps
15 bps
–
26 seconden
21 seconden
42 seconden
64 O
PNAMETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Door de schrijfsnelheid van de geheugenkaart kan de opname van een filmclip voortijdig worden gestopt. Test de kaart voordat u belangrijke opnamen gaat maken. Kijk op de Konica Minolta website voor de meest recente informatie:
Noord-Amerika: http://www.konicaminolta.us/
Europa: http://www.konicaminoltasupport.com.
Filmstand (Movie mode)
Onder Movie Mode kiest u het type film. Standaard wordt er een normale film opgenomen. Night
Movie maakt gebruikt van een hoge cameragevoeligheid om bij weinig licht te kunnen opnemen. Bij weinig licht wordt de cameragevoeligheid automatisch verhoogd. In de stand Night Movies kan de beeldkwaliteit door de hogere gevoeligheid lager zijn dan normaal. De filmstand wordt ingesteld in sectie 1 van het filmmenu (blz. 44).
65
FOTOGRAFISCHE BASISPRINCIPES
Fotograferen is een waardevolle en aangename bezigheid. Met de moderne cameratechniek wordt u gelukkig veel meet- en regelwerk uit handen genomen. Kennis van nu de volgende basisprincipes zal u helpen uw foto's nog meer naar uw hand te zetten.
Het diafragma, de regelbare opening in het objectief, regelt niet alleen de hoeveelheid doorgelaten licht, maar ook de scherptediepte; dat is de zone voor en achter het onderwerp waarin alles scherp wordt weergegeven. Hoe hoger het diafragmagetal, des te groter is de scherptediepte. Dan is bijvoorbeeld alles vanaf 1,5 m van de camera tot aan de horizon scherp. Bij een hoog diafragmagetal is de opening in het objectief klein, dus dat vraagt wel om relatief lange sluitertijden. Dat is weer niet het geval bij een laag diafragmagetal (een grote opening), dat een beperkte scherptediepte geeft; dan is bijvoorbeeld alleen het onderwerp scherp maar blijft de achtergrond onscherp. Een goede instelling voor portretten, met een scherp onderwerp en een onscherpe achtergrond.
Landschapsfoto's moeten vaak van voor tot achter scherp zijn en vragen doorgaans dus om een hoog diafragmagetal voor veel scherptediepte.
66 F
OTOGRAFISCHE BASISPRINCIPES
De sluiter regelt niet alleen de duur van de belichting maar bepaalt ook in hoeverre beweging scherp
(bevroren) worden weergegeven.
Korte sluitertijden worden gebruikt in actiefotografie om beweging te bevriezen. Lange sluitertijden geven bewegingen in een waas weer, denk bijvoorbeeld aan het stromen van een waterval. Bij lange sluitertijden is gebruik van een goed statief belangrijk.
De uitwerking van een diafragma/sluitertijdcombinatie is niet op het live-beeld van de camera te zien.
Het grote voordeel van een digitale camera is wel dat u even een opname kunt maken om te zien of alles naar wens is. Maak dus bij werk waar het er erg op aan komt eerste testopnamen en bekijk ze meteen met Snelweergave/Quick View (blz. 30). Bevalt het beeld u niet, dan wist u het en probeert u het opnieuw met een andere instelling van sluitertijd en/of diafragma.
67
WEERGAVETECHNIEK - GEAVANCEERD
De basisfuncties van deze stand worden beschreven in het hoofdstuk over de basismogelijkheden voor weergave op blz. 30 tot 33. Het nu voor u liggende hoofdstuk behandelt de weergave van filmclips en de geavanceerde mogelijkheden van het weergavemenu. Filmclips zijn afspeelbaar in
QuickView.
Films afspelen
Play
Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om de film af te spelen.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om het afspelen te starten.
Druk op de centrale toets om het afspelen te pauseren; met opnieuw indrukken vervolgt u het afspelen.
Druk op de informatietoets om de film met of zonder voortgangsbalk te zien.
Pause Rew Fwd Vol
Tijdens weergave kunt u met de links/rechts-toetsen terugspoelen en versneld vooruit spoelen.
Druk op de menu-toets om het afspelen te stoppen.
68 W
EERGAVETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Een filmbeeld vastleggen
Het is mogelijk een beeldje uit een filmclip te kopiëren en als foto op te slaan. Het gekopieerde beeld heeft dezelfde beeldgrootte als de oorspronkelijke film.
Druk tijdens het afspelen op de centrale toets van de stuureenheid om de filmweergave te pauseren. Staat het beeld stil, dan kunt u met de links/rechts-toetsen de film doorlopen om exact het juiste beeldje op te zoeken.
Pause Rew Fwd Vol
Druk op de op-toets van de stuureenheid om het beeldje vast te leggen. Voordat het beeld wordt vastgelegd verschijnt nog een bevestigingsscherm. Klikt u op
“Yes” dan wordt de opdracht uitgevoerd, met “No” wordt de handeling opgeheven.
Play Rew Fwd
Saved as PICT0015.JPG.
OK
Play Rew Fwd
De bestandsnaam van het vastgelegde beeld verschijnt. Druk op de centrale toets van de stuureenheid om de handeling af te ronden.
69
Navigeren door het weergavemenu
Met drukken op de menu-toets (1) zet u het menu aan en uit. Gebruik de vierwegtoetsen van de stuureenheid (2) om de cursor in het menu te verplaatsen. Met de centrale toets opent u een instelling.
Activeer het menu met de menutoets.
Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om de gewenste menu-tab te markeren; het menu verandert als de tabs worden gemarkeerd.
Gebruik de op/neer-toetsen om door de menu-opties te scrollen. Markeer de optie waarin u iets wilt veranderen.
De te wijzigen menu-optie is gemarkeerd, druk nu op de rechts-toets van de stuureenheid; u krijgt nu de instellingen te zien, met de huidige instelling gemarkeerd. Verschijnt
“Enter” druk dan op de centrale toets van de stuureenheid om verder te gaan.
Gebruik de op/neer-toetsen om de nieuwe instelling te markeren.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om de gemarkeerde instelling te selecteren.
Is een instelling eenmaal geselecteerd, dan keert de cursor terug naar de menu-opties en de nieuwe instelling wordt getoond. Druk op de menu-toets om terug te keren naar de weergavestand.
2
1
70 W
EERGAVETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Delete
Format
Lock
Copy –
–
–
–
Beelden van de geheugenkaart wissen (blz. 73).
Geheugenkaart formatteren (blz. 74).
Beelden tegen wissen beschermen (blz. 75).
Beelden van de ene naar de andere kaart kopiëren (blz. 76).
Slide show
Playback
Duration
Repeat
–
–
5 sec.
No
Diashow: beelden automatisch afspelen (blz. 78)
Beelden voor Diashow selecteren (blz. 78).
Opgeven hoe lang elk beeld wordt weergeven (blz. 78)
Automatisch herhalen van diashow (blz. 78).
DPOF set
Date print
Index print
E-mail copy –
–
–
Off
Beelden voor DPOF printen selecteren (blz. 80).
Datum in DPOF-beelden printen (blz. 81).
Beelden van de ene naar de andere kaart overspelen (blz. 81).
Beelden voor e-mail kopiëren en verkleinen (blz. 76).
Op de volgende bladzijden worden deze menu-opties behandeld.
71
Beeldselectiescherm
Wanneer u in een menu een instelling hebt gekozen waarbij beelden moeten worden gemarkeerd, dan verschijnt het beeldselectiescherm. Het biedt keuze uit een aantal beelden.
Met de links/rechts-toetsen van de stuureenheid verplaatst u het gele selectiekader om het beeld te selecteren.
:move :sel.
:enter
Met de op-toets kiest u het beeld; wanneer het beeld is gekozen verschijnt ernaast een aanduiding. Met de neer-toets maakt u de selectie ongedaan en verdwijnt de aanduiding.
Geeft aan dat het beeld is geselecteerd om te worden gewist.
Geeft aan dat het beeld vergrendeld is of geselecteerd is om te worden vergrendeld.
Geeft aan dat het beeld is geselecteerd om te worden geprint. Het getal naast het symbool is het aantal afdrukken.
Geeft aan dat het beeld is geselecteerd voor de dia-show of voor kopiëren naar een andere geheugenkaart.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om de handelingen te voltooien.
Met de menu-toets laat u het selectiescherm verdwijnen en worden instellingen opgeheven.
Deze aanduidingen kunnen rechts van een index-beeldje komen te staan om aan te geven dat het om een filmbestand of een E-mail-kopie gaat.
Filmbestand
E-mail-kopiebestand
72 W
EERGAVETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Wissen (Delete)
Wissen verwijdert bestanden permanent.
Een gewist beeld kan niet worden teruggehaald. Ga bij wissen zorgvuldig te werk.
Delete
Format
Lock
Copy
In sectie 1 van het weergavemenu (blz. 71) kunt u enkele beelden wissen, maar ook meerdere beelden tegelijk of alle beelden van de geheugenkaart. De wisfunctie heeft drie instellingen:
This frame
Dit beeld: het weergegeven of gemarkeerde beeld wordt gewist.
–
–
–
–
All frames Alle beelden: alle niet vergrendelde beelden worden gewist.
Marked frames
Gemarkeerde beelden: voor het wissen van meerdere bestanden. Kiest u deze instelling, dan verschijnt het beeldselectiescherm. Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om het eerste beeld te markeren (laten oplichten) dat moet worden gewist. Met de op-toets markeert u het beeld met een vuilnisbaksymbool. Wilt u een beeld toch niet wissen, markeer het dan met het gele kader en druk op de neer-toets van de stuureenheid: het vuilnisbak-symbool verdwijnt dan. Maak op deze wijze een selectie van te wissen beelden. Druk op de stuureenheid om verder te gaan (het bevestigingsscherm verschijnt), of druk op de menu-toets om de handelingen op te heffen en naar het weergavemenu terug te keren. Op het bevestigingsscherm moet u "Yes" selecteren en met een druk op de stuureenheid bevestigen.
Voordat een bestand wordt gewist verschijnt een bevestigingsscherm. Met “Yes” wordt het wissen uitgevoerd, “No” heft de handelingen op.
De wisfunctie wist alleen niet vergrendelde opnamen. Is een beeld vergrendeld, dan moet u eerst de vergrendeling opheffen voordat u het kunt wissen.
C
Delete –
Delete this frame?
Yes No
73
Formatteren (Format)
Bij het formatteren van een geheugenkaart gaat alle informatie verloren.
Met de formatteerfunctie wist u alle informatie op de geheugenkaart.
Breng voordat u een kaart formatteert de informatie die erop staat over naar de computer of een ander opslagmedium. Vergrendelen van beeldbestanden geeft geen bescherming tegen verlies bij formatteren. Formatteer een geheugenkaart altijd met de camera, nooit vanuit een computer.
Wanneer de formatteerfunctie wordt geselecteerd in sectie 1 van het weergavemenu (blz. 71) dan verschijnt er een bevestigingsscherm.
Door "Yes" te kiezen laat u de kaart formatteren, met "No" gaat u terug. Er verschijnt een melding dat de kaart geformatteerd is.
Delete
Format
Lock
Copy –
–
–
–
C
Delete
Format?
Yes
–
No
Een geheugenkaart die in een andere camera is gebruikt moet mogelijk ook opnieuw worden geformatteerd voordat u hem met deze camera kunt gebruiken. Verschijnt er een boodschap dat het niet mogelijk is de kaart te gebruiken ("unable to use") formateer dan de kaart in de camera. Verschijnt een foutmelding (“card error”), druk dan op de centrale toets van de stuureenheid om het venster te sluiten; kijk op de Konica Minolta web site voor de meest recente informatie over compatibliteit:
Noord-Amerika:
Europa: http://www.konicaminolta.us/ http://www.konicaminoltaeurope.com/
74 W
EERGAVETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Vergrendelen (Lock)
U kunt een beeld, een selectie van beelden en alle beelden van een map vergrendelen. Een vergrendeld beeld kan niet worden gewist, noch via het weergavemenu noch met de QV/Wissen-toets. De formatteerfunctie (blz. 74) wist echter alle bestanden, of ze nu vergrendeld zijn of niet. Het is verstandig belangrijke opnamen te vergrendelen. De vergrendelfunctie vindt u in sectie 1 van het weergavemenu (blz. 71). Er zijn vier instellingen voor de vergrendelingsfunctie:
This frame
Dit beeld: het weergegeven of gemarkeerde beeld wordt vergrendeld.
All frames Alle beelden: alle beelden in de map worden vergrendeld.
Marked frames
Gemarkeerde beelden: om meerdere bestanden te vergrendelen. Kiest u deze instelling, dan verschijnt het beeldselectiescherm. Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om het beeld te markeren dat u wilt vergrendelen. Met de op-toets markeert u het beeld met de vergrendelingsaanduiding. Wilt u een beeld ontgrendelen, markeer het dan met het gele kader en druk op de neertoets van de stuureenheid: de vergrendelingsaanduiding verdwijnt dan. Maak op deze wijze een selectie van te vergrendelen beelden. Druk op de stuureenheid om de geselecteerde beelden te vergrendelen, of druk op de menu-toets om de handelingen op te heffen en naar het weergavemenu terug te keren.
Unlock all Ontgrendel beelden: alle beelden in de map worden ontgrendeld.
75
Kopie, E-mail-kopie (Copy, E-mail)
De kopieerfunctie (copy) in sectie 1 van het weergavemenu (blz. 71) maakt exacte kopieën van foto- of filmbestanden en kan de opgeslagen beeldinformatie op een andere geheugenkaart wegschrijven. Met de optie E-mail copy in menu-sectie 3 maakt u een standaard 640 X 480 (VGA)
JPEG-kopie van een originele foto-opname, die gemakkelijk per e-mail kan worden verzonden. E-mail-kopieën kunnen alleen naar de originele kaart worden gekopieerd.
Delete
Format
Lock
Copy
DPOF set
Date print
Index print
E-mail copy –
–
–
Off
Wanneer een kopieerfunctie wordt gebruikt wordt er een map voor de bestanden aangemaakt (blz.
98); kopiebestanden worden in een map geplaatst met een naam die eindigt op CP, en E-mail-kopiebeelden worden geplaatst in een map waarvan de naam eindigt op EM. Dezelfde map wordt gebruikt om kopieën op te slaan tot het aantal beelden hoger is dan 9999. Kopieën van vergrendelde beelden zijn niet vergrendeld. DPOF-informatie wordt niet gekopieerd.
De kopie- en E-mail-kopie-functies hebben twee menu-opties:
This frame
Marked frames
Dit beeld: kopieert het bestand dat in de weergavestand wordt weergegeven of is gemarkeerd.
Gemarkeerde beelden: kopieert enkele of meerdere bestanden. Is deze optie geselecteerd, dan verschijnt een selectiescherm; markeer het te kopiëren bestand met het gele kader en druk dan op de op-toets om het van een selectieteken te voorzien. Wilt u de selectie van een beeld ongedaan maken, markeer dan het beeldje ervan en druk op de neer-toets; het selectieteken verdwijnt. Ga verder tot alle gewenste beelden zijn geselecteerd. Druk op de centrale toets van de stuureenheid om verder te gaan, of druk op de menu-toets om de handelingen op te heffen en terug te keren naar het weergavemenu.
Er kan maximaal 32 MB worden gekopieerd. Zijn er teveel bestanden geselecteerd, dan verschijnt er een waarschuwing en wordt de kopieerhandeling niet uitgevoerd. Verdeel het aantal beelden dan in twee of drie groepen. Van hoeveel beelden er e-mail-kopieën kunnen worden gemaakt is afhankelijk van de beschikbare vrije ruimte op de geheugenkaart.
76 W
EERGAVETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Kopiëren (Copy)
Zijn de beelden geselecteerd, dan verschijnt er een scherm met vier meldingen. Tijdens de kopieerprocedure lichten de meldingen beurtelings op.
Copy
Copying to camera memory.
Change card.
Copying to card.
Copying completed.
Wanneer de boodschap ”Change card” oplicht moet u de geheugenkaart uit de camera verwijderen en de kaart in de camera plaatsen waarop de kopieën moeten worden weggeschreven. Druk op de centrale toets om verder te gaan of op de menu-toets om de procedure te verlaten.
Enter
Copied to 101KM_CP.
OK
Als “Copying completed” heeft opgelicht verschijnt een scherm dat de naam aangeeft van de map waarin de kopieën zijn opgeslagen. Druk op de centrale toets van de stuureenheid om terug te gaan naar het menu.
E-mail-kopie (E-mail Copy)
Copied to 102KM_EM.
OK
Wanneer de beelden zijn geselecteerd waarvan e-mailbestanden moeten worden gemaakt, dan begint de kopieerroutine en verschijnt de naam van de map waarin de gekopieerde beelden worden opgeslagen; druk op de centrale toets van de stuureenheid om terug te keren naar het menu.
Wilt u vastgelegde filmbeelden kopieren, dan dient de beeldgrootte gelijk te zijn zijn aan of kleiner te zijn dan de gebruikte beeldgrootte.
Camera-info
De melding ”Copy unsuccessful” verschijnt wanneer een of alle beelden niet konden worden gekopieerd. Controleer de tweede geheugenkaart om te zien welke bestanden werden gekopieerd en herhaal de procedure voor de beelden die niet werden overgeschreven.
77
Diashow (Slideshow)
Met sectie 2 van het weergavemenu regelt u de dia-show-functie. Hiermee worden alle foto’s en filmclips op de geheugenkaart automatisch weergegeven in aflopende numerieke volgorde. U kunt kiezen uit de volgende mogelijkheden:
Slide show Enter
Hiermee start u de dia-vertoning. Markeer “Enter” en druk op de centrale toets van de stuureenheid om de diashow te starten.
All frames
Hiermee kiest u alle beelden in een map voor presentatie in een dia-show.
Playback
Marked
Frames
Hiermee selecteert u specifieke beelden in de map voor weergave in een dia-show. Wordt deze instelling gekozen, dan verschijnt het beeldselectiescherm. Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om de beelden te markeren. Met de op-toets voorziet u een gemarkeerd beeld van een selectieteken. Wilt u de selectie van een beeld ongedaan maken, markeer het dan en druk op de neer-toets van de stuureenheid; het selectieteken verdwijnt dan. Zijn alle opnamen geselecteerd, druk dan op de stuureenheid om de selectie te bevestigen, of druk op de menutoets om de handelingen op te heffen en terug te keren naar het weergavemenu.
Duration 1 - 60 s
Hiermee stelt u in hoe lang elk beeld tijdens de dia-show wordt vertoond.
Repeat Yes / No
Kiest u "Yes", dan blijft de dia-show doorlopen totdat het met een druk op de menutoets is gestopt.
Kiest u "No", dan stopt de dia-show en keert de camera terug naar het weergavemenu wanneer alle beelden eenmaal zijn weergegeven.
78 W
EERGAVETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Tijdens de presentatie kunt u de stuureenheid voor commando’s gebruiken.
Met de centrale toets van de stuureenheid pauzeert u en hervat u de presentatie.
Met de links/rechts-toetsen gaat u een beeld voor- of achteruit. Tijdens een filmclip gebruikt u de toets voor vooruit of achteruit spoelen.
Druk op de menu-toets om de presentatie op te heffen.
Camera-info
U kunt de presentatie ook zonder beeldinformatie bekijken. Druk voordat u het weergavemenu opent op de informatietoets (i*) om de informatieweergave uit te zetten.
Slide show
Playback
Duration
Repeat
–
–
5 sec.
No
79
Over DPOF
Deze camera wordt ondersteund door DPOF™ versie 1.1. DPOF (Digital Print Order Format) maakt het mogelijk direct vanuit de camera prints van foto's te (laten) maken. Na het vormen van een DPOF orderbestand kunt u de geheugenkaart simpelweg inleveren bij een foto-afwerkadres, of u steekt de kaart in de sleuf van een DPOF-compatible printer. Is een DPOF-bestand aangemaakt, dan wordt er op de geheugenkaart automatisch een 'misc.' map aangemaakt (blz. 98).
DPOF setup
De DPOF-set menu-optie wordt gebruikt om een opdracht voor standaardprints aan te maken van beelden op de geheugenkaart. U kunt enkele beelden, alle beelden of een selectie printen.
Printopdrachten worden aangemaakt in sectie 3 van het weergavemenu (blz. 71). De optie print menu heeft vier instellingen.
This frame
All frames
Marked frames
Dit beeld: hiermee maakt u een DPOF-bestand voor het weergegeven of geselecteerde beeld.
Alle beelden: hiermee maakt u een DPOF-bestand voor alle beelden op de geheugenkaart.
Gemarkeerde beelden: hiermee kiest een aantal beelden dat u wilt laten printen, of wanneer u van een aantal beelden verschillende aantallen wilt hebben. Kiest u deze instelling, dan verschijnt het beeldselectiescherm. Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om elk beeld te markeren (laten oplichten) dat moet worden geprint. Met de op-toets markeert u het beeld met een printaanduiding. Het getal naast de printaanduiding is het aantal prints dat van het beeld zal worden gemaakt. Druk op de op-toets van de stuureenheid om het aantal te verhogen, op de neer-toets om het te verlagen. U kunt per opname maximaal negen prints bestellen. Wilt u een beeld toch niet laten printen, druk dan op de neer-toets van de stuureenheid totdat het aantal op nul staat en de printaanduiding verdwijnt. Maak op deze wijze een selectie van te printen beelden. Druk op de stuureenheid om het DPOF-orderbestand aan te maken, of druk op de menu-toets om de handelingen op te heffen en naar het weergavemenu terug te keren.
Cancel all Alles opheffen: hiermee wist u een DPOF-bestand.
80 W
EERGAVETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
Kiest u voor een enkel beeld of voor alle beelden, dan verschijnt een scherm waarin gevraagd wordt hoeveel prints er van elke opname moeten worden gemaakt; het maximum is negen prints per beeld.
Gebruik de op/neer-toetsen van de stuureenheid om het gewenste aantal in te stellen. Werd de instelling “All frames” gebruikt om een printopdracht aan te maken, dan worden opnamen die daarna worden opgenomen niet geprint.
DPOF-orderbestanden die met een andere camera zijn opgenomen worden opgeheven. Na het printen van de opnamen blijft het DPOF-bestand op de geheugenkaart aanwezig. Het moet handmatig worden verwijderd.
Datum printen
Wilt u de opnamedatum in elke foto laten verschijnen bij het printen via een DPOF compatible printer, zet dan de optie “Date print” in sectie 3 aan. Wilt u deze opheffen, zet dan de optie uit (Off). Hoe en waar de datum wordt geprint is afhankelijk van de printer.
Index print
Wilt u een index-print van alle opnamen op de kaart, kies dan "Yes" in de optie index print in sectie 3 van het weergavemenu.
Wilt u geen index-print, kies dan de instelling "No."
Is er een order voor een index-print gemaakt, dan worden opnamen die later op de kaart worden opgeslagen, niet in de index-print verwerkt. Hoeveel index-beeldjes op een index-print passen verschilt per printer. De informatie die bij een beeldje wordt geprint kan ook verschillen.
Camera-info
DPOF-bestanden en -beelden kunnen rechtstreeks vanuit de printer worden geprint met een
DPOF compatible PictBridge printer; zie blz. 104.
81
Beelden op TV bekijken
Het is mogelijk beelden van de camera via de televisie te bekijken. De camera heeft een video-uitgang, voor verbinding via de meegeleverde videokabel VC-400. De camera is compatible met zowel de PAL- als de NTSC-standaard. U kunt controleren voor welk van deze twee systemen de camera is ingesteld in sectie 4 van het setup-menu (blz. 92).
2
1. Zet de televisie en de camera uit.
2. Steek de kleine stekker van de videokabel in de video-uitgang van de camera. De pijlmarkering op de stekker dient naar de achterzijde van de camera te wijzen.
3. Steek het andere eind van de videokabel in de video-ingang van de televisie.
4. Zet de televisie aan.
5. Kies het video-kanaal van de televisie.
6. Zet de camera in de weergavestand en zet de camera aan.
Wanneer de camera op een televisie is aangesloten worden zoeker en lcd-monitor van de camera niet gebruikt. Het weergavescherm verschijnt op het tv-scherm.
7. Bekijk de opnamen zoals beschreven bij de instructies over weergave.
82 W
EERGAVETECHNIEK
-
GEAVANCEERD
SETUP-MENU
In de setup-stand kunt u de camerafuncties en instellingen regelen. In "Navigeren door het setupmenu" vindt u eerst een overzicht van het setup-menu. Daarna worden de instellingen apart behandeld.
Openen van het setup menu
Het setup-menu wordt geopend vanuit de andere menu’s. U kunt er vanuit elk van de opname- of weergavemenu's toegang toe krijgen.
Drive m
Image
Quality
Auto D
Digital
Drive mode
Image size
Quality
Auto DSP
Digital zoom
Single
2048x1536
Standard
On
Off
Markeer met de rechts-toets van de stuureenheid de setup-tab bovenin het menu.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om het setup-menu te openen.
LCDbrightness
Power save
Inst.Playback
Lens acc.
Language
–
1 min.
Off
None
English
Setup-menu
Ga de omgekeerde weg om naar het oorspronkelijke menu terug te keren. Door op de menutoets te drukken sluit u het menu en keert u terug naar de opname- en weergavestanden.
83
Navigeren door het setup-menu
Kijk op blz. 83 voor het openen van het menu. Gebruik de vierwegtoetsen van de stuureenheid (1) om de cursor in het menu te verplaatsen. Druk op centrale toets van de stuureenheid om een instelling te bevestigen.
Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om de gewenste menu-tab te doen oplichten; het menu verandert als de tabs worden gemarkeerd.
Gebruik de op/neer-toetsen om door de menu-opties te scrollen. Laat de optie waarin u iets wilt veranderen oplichten.
De te wijzigen menu-optie licht op, druk nu op de rechts-toets van de stuureenheid; u krijgt nu de instellingen te zien waaruit u kunt kiezen, met de huidige instelling oplichtend.
Verschijnt “Enter”, druk dan midden op de stuureenheid om verder te gaan.
Gebruik de op/neer-toetsen om de nieuwe instelling te markeren.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om de gemarkeerde instelling te selecteren. Is een instelling eenmaal geselecteerd, dan keert de cursor terug naar de menuopties; de nieuwe instelling verschijnt.
Sluit het menu met de menu-toets.
1
84 S
ETUP
-
MENU
LCDbrightness
Power save
Inst.Playback
Lens acc.
Language
–
1 min.
Off
None
English
File # memory
Folder name
Noise reductn
Date/Time set
Date imprint
Off
Std. form
–
On
Off
Reset default
Audio signals
Focus signal
Shutter FX
1
1
–
1
2
Instellen lcd-helderheid (blz. 86).
Instellen wachttijd voor automatische spaarschakeling (blz. 86).
Weergave foto direct na de opname (blz. 86).
Voor het gebruik van objectiefaccessoires (blz. 87).
Instellen van de menutaal (blz. 19).
Activeren geheugen bestandsnummers (blz. 87).
Type mapnaam kiezen (blz. 88).
Ruisonderdrukking uitschakelen. (blz. 88).
Klok en kalender instellen (blz. 89, 18).
Datum in beeld activeren (blz. 89).
Camerafuncties op standaard terugzetten (blz. 90).
Audiosignalen wijzigen of uitzetten (blz. 91).
Scherpstelsignalen in- of uitschakelen (blz. 92)
Sluitergeluid wijzigen of uitzetten (blz. 92).
Video output
Transfer mode
Self-timer
NTSC
Data storage
10 sec.
Kiezen tussen NTSC en PAL videostandaard (blz. 92).
Cameragebruik opgeven voor computer of printer (blz. 92).
Zo stelt u de vertraging van de zelfontspanner in (blz. 92).
85
LCD-helderheid (LCD brightness)
De monitorhelderheid is regelbaar over 11 standen. De helderheid kan separaat worden ingesteld voor zoekergebruik en monitorgebruik achterop de camera. Zet de monitor in de gewenste stand voordat u de helderheidsoptie in sectie 1 van het setup-menu opent (blz. 85). Kijk ook op blz. 28.
Set LCD brightness
Low High
Gebruik de links/rechts-toetsen van de stuureenheid om de helderheid in te stellen; de verandering is meteen op het monitorbeeld te zien. Druk op de centrale toets van de stuureenheid om de instelling te bevestigen.
:adjust :enter
Automatische spaarschakeling (Auto power save)
De camera schakelt zich om stroom te sparen uit wanneer er binnen een bepaalde tijd geen handeling is uitgevoerd. De wachttijd is instelbaar op 1, 3, 5, en 10 minuten. Is de camera op een computer aangesloten, dan wordt de automatische spaarschakeling ingesteld op 10 min. Deze waarde kan niet worden veranderd. De spaarschakeling wordt ingesteld in sectie 1 van het setup-menu (blz. 85).
Directe weergave (Instant playback)
U kunt een beeld direct na de opname op de monitor laten weergeven. Wanneer deze functie wordt gebruikt in combinatie met de continu-stand (blz. 47, 48), dan verschijnen er thumbnails van de laatste zes beelden in de serie.
Directe weergave wordt geactiveerd in sectie 1 van het setup-menu
(blz. 85). Er is keuze tussen een weergave van 2 of 12 seconden. Wilt u de weergave stoppen en het beeld opslaan voor het einde van de weergavetijd, druk dan de ontspanknop half in.
Camera-info
Enkelvoudige foto’s kunnen meteen na de opname worden weergegeven, ook als directe weergave niet actief is. Houd na de opname eenvoudigweg de ontspanknop ingedrukt om het beeld op het lcd-scherm te laten verschijnen. De weergave stopt als u de ontspanknop loslaat.
86 S
ETUP
-
MENU
Objectiefaccessoire (Lens accessory)
Deze camera is compatible met de als extra leverbare
Groothoekconverter ZCW-200. Deze 0,7x groothoekconverter verkort de brandpuntsafstand van de groothoekstand van het zoomobjectief, waardoor het equivalent ontstaat van een 26 mm objectief op een kleinbeeldcamera.
Is de converter op het objectief geplaatst, dan dient de optie “Lens acc.” in sectie 1 van het setup-menu te worden ingesteld op
“WideConvertr”. Er verschijnt een aanduiding (W) in de linker bovenhoek van de monitor. De optische zoom wordt automatisch in de groothoekstand gezet. Optische zoom is uitgeschakeld.
Taal (Language)
De taal van de menu’s is instelbaar. De taal wordt geselecteerd in sectie 1 van het setup-menu.
Geheugen bestandsnummers (File (#) memory)
Is het geheugen voor bestandsnummering geselecteerd en wordt er een nieuwe map aangemaakt of een nieuwe geheugenkaart in gebruik genomen, dan krijgt het volgende bestand dat in de map wordt opgeslagen een nummer dat 1 hoger is dan het laatst opgeslagen bestand. Bevat de nieuwe kaart een beeld met een hoger bestandsnummer, dan krijgt de nieuwe foto een bestandsnummer dat 1 hoger is dan het hoogste nummer op de kaart.
Wordt het geheugen voor bestandsnummers uitgeschakeld, dan wordt het nummer van het beeldbestand teruggezet op 0001 als het in een nieuwe map of op een nieuwe kaart wordt opgeslagen. Het geheugen voor bestandsnummers wordt geactiveerd in sectie 2 van het setup-menu.
File # memory
Folder name
Noise reductn
Date/Time set
Date imprint
Off
Std. form
–
On
Off
87
Mapnaam (Folder name)
Alle beelden worden op de geheugenkaart opgeslagen in mappen. Er zijn twee typen mapnamen selecteerbaar in sectie 2 van het setup-menu: standaard
(Standard) en met datum (Date).
Standaard-mappen hebben namen van acht tekens. De eerste map krijgt de naam
100KM008. De eerste drie tekens zijn het serienummer van de map, wat met 1 wordt verhoogd als er een nieuwe mapnaam wordt toegekend. De volgende twee letters hebben betrekking op Konica Minolta, en de laatste drie cijfers staan voor de gebruikte camera; 008 is de DiMAGE Z10.
De naam van een datum-map begint ook met het driecijferige volgnummer; dat wordt gevolgd door één teken voor het jaar, twee voor de maand en twee voor de dag: 101YMMDD. De map 10140625 werd aangemaakt op 25 juni 2004.
100KM008
(Standard)
10140625
(Date)
Is er voor datummappen gekozen, dan wordt er voor elke dag dat er wordt gefotografeerd een nieuwe map gemaakt. Alle beelden die die dag zijn gemaakt worden dan in die map geplaatst. Staat het geheugen voor bestandsnummers uit (blz. 87), dan wordt na het aanmaken van een nieuwe map begonnen met bestandsnummering vanaf 0001. Is het geheugen voor bestandsnummers ingeschakeld, dan wordt het serienummer van het beeldbestand 1 hoger dan het laatst opgenomen beeldbestand. Kijk voor meer informatie over mapstructuur en bestandsnamen op blz 98.
Ruisonderdrukking (Noise reduction)
Deze functie vermindert de aanwezigheid van ruis in opnamen die met lange belichtingstijden zijn gemaakt. De ruisonderdrukking wordt alleen toegepast op belichtingstijden van 1 seconde en langer. Darkframe subtraction wordt na de opname op de foto toegepast. De bewerkingstijd varieert van beeld tot beeld; tijdens de bewerking verschijnt een melding. Ruisonderdrukking kan worden uitgeschakeld in sectie 2 van het setup-menu.
File # memory
Folder name
Noise reductn
Date/Time set
Date imprint
Off
Std. form
–
On
Off
88 S
ETUP MENU
Datum en tijd instellen (Date and time setup)
Het is belangrijk dat u de klok goed gelijk zet. Wanneer u een foto of filmclip opneemt worden datum en tijd bij de beeldinformatie opgeslagen; bij weergave worden ze afgebeeld. Ook kunt u datum en tijd oproepen met behulp van de meegeleverde DiMAGE Viewer software. De wijze waarop de datum verschijnt en kan worden geprint is instelbaar: YYYY/MM/DD (jaar, maand, dag), MM/DD/YYYY (maand, dag, jaar), DD/MM/YYYY (dag, maand, jaar). Op blz. 18 leest u hoe u datum en tijd instelt.
Datum in beeld (Date imprinting)
Het is mogelijk de datum van de opname in het beeld op te nemen.
Deze functie moet worden geactiveerd in sectie 2 van het setup-menu
(blz. 85), voordat de opname wordt gemaakt. Daarna blijft de datumopname actief totdat de functie weer wordt uitgezet. Een gele balk achter de opnameteller geeft aan dat de imprint-functie actief is.
Date-imprinting indicator
De datum verschijnt rechtsonder in het beeld wanneer het horizontaal wordt bekeken. De datum wordt over de originele beeldinformatie heen geplaatst. Er zijn drie volgorden mogelijk: jaar/maand/dag, maand/dag/jaar en dag/maand/ jaar. De datum en de volgorde kunt u instellen in sectie 2 van het setup-menu (blz. 85).
Camera-info
Elk beeld dat wordt opgenomen wordt aangevuld met een elektronisch label, de Exif tag, waarin de datum en tijd van de opname zijn opgeslagen alsook opname-informatie. U kunt deze informatie bekijken met de camera in de weergave of snelweergavestand (Quick View) of op een computer met de DiMAGE Viewer software.
89
Terugzetten op standaard (Reset default)
Deze functie geldt voor alle standen. Na selectie verschijnt een bevestigingsscherm; “Yes” kiezen zet onderstaande instellingen terug op standaard, met “No” verandert er niets.
Opnamestand
Scherpstelgebied
Monitorweergave
Belichtingscorrectie
Flitsstand
Grote scherpstelkaders
Standaard
0,0
Autom. flitsen (Invulflits in A, S, M)
Transportstand
Beeldgrootte
Enkelbeeldtransport
2048 x 1536
Beeldkwaliteit Standaard
Automatische Digitale Onderwerpsselectie Aan (Automatische opnamestand)
Digitale zoom
AF-stand
Witbalans
Toekennen toetsfunctie
Full-time AF
Flitscorrectie
Lichtmeetmethode
Cameragevoeligheid (ISO)
Kleurinstelling
Scherpte
Contrast
Filmmenu
Uit (Off)
Autofocus / Enkelvoudige AF
Auto
Flitsstand
Uit (Off)
0.0
Meerveldsmeting
Auto
Natuurlijke kleuren (Natural color)
Normaal
Normaal
Beeldgrootte
Beeldfrequentie
Witbalans
Filmstand
Scherpstelstand (AF-stand)
Kleurinstelling
320 x 240
15 bps
Auto
Standard movie
Continu AF
Natuurlijke kleuren (Natural color) blz. 64 blz. 64 blz. 55 blz. 65 blz. 54 blz. 60 blz. 53 blz. 54 blz. 55 blz. 62 blz. 57 blz. 57 blz. 58 blz. 59 blz. 60 blz. 61 blz. 61 blz. 42 blz. 28 blz. 41 blz. 26 blz. 45 blz. 51 blz. 51 blz. 23
90 S
ETUP MENU
Weergavemenu
Weergave (Diashow)
Duur (Diashow)
Herhaal (Diashow)
Datum in beeld
Index print
Alle beelden
5 seconden
Nee
Uit (Off)
Nee
Setup-menu
LCD-helderheid Normaal
Wachttijd automatische spaarschakeling 1 minuut
Directe weergave
Objectiefaccessoires
Geheugen bestandsnummers (#)
Uit (Off)
Geen
Uit (Off)
Mapnaam
Ruisonderdrukking
Datum in beeld
Audiosignalen
Scherpstelsignalen
Shutter FX
Overspeelstand
Zelfontspanner
Standaard
Aan (On)
Uit (Off)
1
1
1
Data storage
10 seconden
Audiosignalen
Elke keer dat er op een knop wordt gedrukt geeft een audiosignaal een bevestiging. U kunt de audiosignalen uitzetten in sectie 3 van het setup-menu (blz. 85). De toon van het signaal kan ook worden veranderd.
Reset default
Audio signals
Focus signal
Shutter FX
1
1
–
1
2 blz. 78 blz. 78 blz. 78 blz. 81 blz. 81 blz. 86 blz. 86 blz. 86 blz. 87 blz. 87 blz. 88 blz. 88 blz. 89 blz. 91 blz. 92 blz. 92 blz. 92 blz. 92
91
Scherpstelsignaal
Drukt u de ontspanknop half in, dan bevestigt een audiosignaal dat de camera heeft scherpgesteld.
De scherpstelsignalen kunnen worden geregeld of uitgezet in sectie 3 van het setup-menu (blz. 85).
Er zijn twee audiosignalen beschikbaar.
Shutter FX
Drukt u de ontspanknop geheel in, dan geeft een sluitergeluid de bevestiging dat de foto werd gemaakt. Het geluid kan worden uitgeschakeld in de sectie 3 van het setup-menu (blz. 85). Er zijn twee sluitergeluiden beschikbaar
Video output
U kunt de beelden van de camera op een televisie weergeven (blz. 82). U kunt het video-signaal afstemmen op de PAL en de NTSC televisie-norm, via sectie 4 van het setup-menu. Noord-Amerika gebruikt de NTSC standaard, Europa gebruikt de PAL standaard.
Overspeelmethode
De overspeelmethode moet worden opgegeven afhankelijk van het gebruik: of de beelden naar een computer worden overgespeeld of rechtstreeks vanuit de camera worden geprint. De optie “Data storage” moet worden geselecteerd voor het overspelen van bestanden van de camera naar de computer, of voor gebruik van de DiMAGE Viewer software. De optie “PictBridge” is bestemd voor rechtstreeks printen vanuit de camera met een PictBridge compatible printer (blz. 104).
Zelfontspanner
De vertraging van de zelfontspanner kan worden veranderd in sectie 4 van het setup-menu (blz. 85).
Er zijn twee tijden beschikbaar, 10 seconden en 2 seconden.
92 S
ETUP MENU
DATA-OVERSPEELSTAND
Lees dit hoofdstuk goed door voordat u de camera met een computer verbindt. Instructies voor de
DiMAGE Image Viewer Utility software vindt u in de software-gebruiksaanwijzing. De DiMAGE gebruiksaanwijzingen geven geen informatie over de basishandelingen voor het gebruik van computers en hun besturingssystemen; kijk in de documentatie die daarvoor bij uw computer is geleverd.
Systeemeisen
Wilt u de camera direct op de computer aansluiten en gebruiken als een mass storage device (extern opslagmedium) dan moet de computer zijn uitgerust met een USB-aansluiting als standaard interface. Zowel de computer als het besturingssysteem moeten gegarandeerd goed werken met USB interface. De volgende besturingssystemen zijn compatible met de camera:
Windows 98, 98SE, Me, 2000 Professional en XP home en professional editions
Mac OS 9.0–9.2.2 en Mac OS X 10.1.3–10.1.5, 10.2.1–10.2.8, 10.3–10.3.3.
Kijk op de Konica Minolta website voor de meest recente compatibiliteitsinformatie:
Noord-Amerika: http://www.konicaminolta.us/
Europa: http://www.konicaminoltaeurope.com/software/pi_customer.html
Gebruikers van Windows 98 of 98 second edition moeten de driver-software van de meegeleverde
DiMAGE Viewer CD-ROM (blz. 95) installeren. Er is geen speciale driver-software vereist voor andere
Windows en Macintosh besturingssystemen.
Gebruikers die in het bezit zijn van een eerdere DiMAGE digitale camera en de Windows 98 driversoftware hebben geïnstalleerd, moeten deze installatieprocedure herhalen. De updated versie van de driver-software die op de meegeleverde DiMAGE Viewer CD-ROM staat is noodzakelijk om de
DiMAGE Z10 goed met de computer te laten werken. De nieuwe software heeft geen gevolgen voor het werken met oudere DiMAGE camera’s.
Een remote camera driver is aanwezig op de Windows editie van de DiMAGE Viewer CD-ROM. De driver is niet compatible met deze camera.
93
Camera op de computer aansluiten
Controleer of de batterij voldoende energie levert voordat u de camera op de computer aansluit. Het symbool voor volle batterijen moet te zien zijn. Het gebruik van een netstroomadapter (apart verkrijgbaar) is bij overspelen overigens te prefereren boven batterijvoeding. Gebruikers van Windows 98 of
98 Second Edition dienen eerst de tekst op blz. 95 te lezen over installatie van de USB-driver voordat ze de camera op de computer aansluiten.
1. Start de computer. De computer moet aan staan voordat u de camera aansluit.
4
3
2. Plaats de geheugenkaart in de camera. Instructies over het verwisselen van een geheugenkaart terwijl de camera op de computer is aangesloten vindt u op blz. 102.
3. Open het deksel van de USB-aansluiting/Video-uitgang. Steek de kleine stekker van de USB-kabel in de camera. De pijlmarkering op de stekker dient naar de achterzijde van de camera te wijzen.
let op dat de stekker goed vast zit.
4. Steek het andere eind van de USB-kabel in de USB-aansluiting van de computer. Let er op dat de stekker stevig vast zit. De camera moet rechtstreeks op de USB-aansluiting van de camera zijn aangesloten. Gebruik van een USB-hub (een meerweg-koppelstuk) kan ertoe leiden dat er storing optreedt.
5. Druk op de hoofdschakelaar om de camera aan te zetten. De
USB-verbinding wordt automatisch tot stand gebracht; er verschijnt een scherm dat de status aangeeft. De monitor gaat uit wanneer de verbinding tot stand is gebracht. Wordt de USB-verbinding niet tot stand gebracht, ontkoppel dan de camera en herstart de computer. Herhaal de aansluitprocedure.
Initializing USB connection.
94 D
ATA
-
OVERSPEELSTAND
Wanneer de USB-aansluiting is voltooid verschijnt er een drive-symbool of
“volume” in Deze Computer op het bureaublad; de naam varieert per geheugenkaart. Werkt u met Windows XP of Mac OS X, dan verschijnt er een scherm waarin wordt gevraagd wat er met de beeldinformatie moet gebeuren; volg de instructies in het venster.
Mac OS X
Mac OS
Windows XP
Windows
Verbinding met Windows 98 en 98 SE
De driver hoeft maar eenmaal te worden geïnstalleerd. Kan de driver niet automatisch worden geïnstalleerd, dan kunt u hem handmatig installeren met de wizard voor nieuwe hardware; kijk bij de instructies op de volgende bladzijde. Vraagt het besturingssysteem tijdens de installatie om de
Windows 98 CD-ROM; plaats die dan in de CD-ROM drive en volg de verdere instructies op het scherm. Er is geen speciale driver-software nodig voor andere Windows of Macintosh systemen.
Automatische installatie
Plaats de DiMAGE Viewer CD-ROM in de CD-ROM drive voordat u de camera met de computer verbindt. Het DiMAGE installer-menu wordt automatisch geactiveerd.
Klik voor automatische installatie van de Windows 98 USB driver op de knop "Starting up USB device driver installer".
Er verschijnt een scherm dat bevestigt dat de driver moet worden geïnstalleerd; klik op "Yes" om verder te gaan.
Is de driver goed geïnstalleerd, dan verschijnt er een scherm.
Klik op “OK”. Herstart de computer en sluit de camera aan
(blz. 94) om de procedure af te ronden.
95
Handmatige installatie
Wilt u de Windows 98 driver handmatig installeren, volg dan eerst de instructies voor het aansluiten van de camera op de computer op blz 94.
Wanneer de camera op de computer is aangesloten merkt het besturingssysteem dat er nieuwe hardware is aangesloten en de wizard voor nieuwe hardware wordt geopend. Plaats de
DiMAGE Viewer CD-ROM in de CD-ROM drive. Klik om naar het volgende scherm te gaan.
Klik op de aanbevolen optie voor het zoeken naar een geschikte driver (stuurprogramma). Klik daarna op
Volgende.
Kies de optie waarbij u zelf een locatie voor de driver opgeeft. U kunt het bladervenster gebruiken om de locatie op te geven. Wordt de driver-locatie weergegeven, klik dan op
Volgende.
96 D
ATA
-
OVERSPEELSTAND
De wizard voor nieuwe hardware zal de locatie van de driver bevestigen. Klik om te vervolgen met de installatie van de driver in het systeem.
Een van deze drie drivers zal worden gevonden:
MNLVENUM.inf, USBPDR.inf of USBSTRG.inf
Het laatste venster bevestigt de installatie van de driver. Klik op Voltooien om de wizard te sluiten. Herstart de computer.
Wanneer u het venster voor "Deze computer" opent, zult u een nieuw symbool zien, voor een verwisselbare schijf.
Dubbelklik daarop om toegang te krijgen tot de geheugenkaart van de camera, zie blz. 98.
97
Werken met mappen op de geheugenkaart
Is de camera eenmaal aangesloten op de computer, dan kunt u beeldbestanden openen door er simpelweg dubbel op te klikken.
Mappen met beeldbestanden vindt u in de map DCIM. De map Misc bevat DPOF-printbestanden (blz. 80).
Drive Icoon
Bestanden en mappen op de geheugenkaart kunt u via de computer wissen. Formatteer een geheugenkaart nooit vanuit de computer, doe dat altijd met de camera. Alleen met de camera opgenomen bestanden horen op de geheugenkaart te worden opgeslagen.
Dcim Misc
100KM008 10140625 102KM_CP 103KM_EM
Van links naar rechts: standaard map, datummap, kopieënmap, e-mail-kopieenmap.
PICT0001.JPG
Foto
PICT0002.MOV
Filmclip
Namen van beeldbestanden beginnen met “PICT” gevolgd door een viercijferig nummer en een jpg of mov extensie.
U kunt beelden naar een bepaalde locatie op de computer toe kopiëren door ze te slepen.
Kopie-beelden (blz. 76) worden geplaatst in een map met een naam die eindigt met “CP.” E-mail-kopie-beelden worden geplaatst in een map waarvan de naam eindigt met “EM.” Wordt er een nieuwe map aangemaakt, dan zal het getal van de eerste drie tekens 1 hoger zijn dan de het hoogste mapnummer op de kaart. Komt het indexnummer in de bestandsnaam boven 9.999, dan wordt er een nieuwe map aangemaakt met een nummer dan 1 hoger is dan het hoogste mapnummer op de geheugenkaart: bijv.
van 100KM008 naar 101KM008.
98 D
ATA
-
OVERSPEELSTAND
Het nummer in de naam van het beeldbestand zal soms niet overeenstemmen met het nummer van het beeldbestand zelf. Worden beelden in de camera gewist, dat zal de opnameteller zich aanpassen om het aantal opnamen in de map aan te geven en zal de nummering voor nieuwe opnamen daaraan aanpassen. De serienummers die worden gebruikt voor de beeldbestanden veranderen niet wanneer een beeldbestand wordt gewist. Wordt er een nieuw beeld opgenomen, dan krijgt het een nummer dat 1 hoger is dan het hoogste indexnummer in de map. Bestandsserienummers kunt u regelen met de instelling voor het geheugen voor de bestandsnummering (file number memory) in sectie 2 van het setup-menu (blz. 87).
Beeldbestanden bevatten exif tag gegevens, zoals tijdstip en datum van de opname, plus de voor de opname gebruikte instellingen. U kunt deze informatie via de camera bekijken, maar ook met de
DiMAGE Viewer software.
Wordt een beeld van de camera geopend in een beeldbewerkingsprogramma dat Exif tags niet ondersteunt en wordt het beeld vervolgens opnieuw opgeslagen door de oorspronkelijke beeldinformatie te overschrijven, dan wordt de exif tag informatie gewist. Gebruikt u andere software dan de DiMAGE
Viewer, maak dan eerst backups van de beeldbestanden om de exif tag informatie te kunnen behouden.
Om de beelden correct op uw computermonitor te zien dient u mogelijk de kleurruimte-instelling van de monitor aan te passen. Kijk in de gebruiksaanwijzing van de monitor hoe u de weergave op de volgende eisen moet afstemmen: sRGB, met een kleurtemperatuur van 6500K en een gamma van 2.2.
Veranderingen aan het opgenomen beeld met contrast- en verzadigingsinstelling van de camera werken door in elke gebruikte kleurafstemmingssoftware.
Automatische spaarschakeling (overspeelstand)
Krijgt de camera wanneer hij is aangesloten op een computer of een printer niet binnen tien minuten een lees- of schrijfopdracht, dan schakelt hij zich uit om stroom te sparen. Schakelt de camera zichzelf uit, dan kan een waarschuwing voor een incorrecte afsluiting op de computer-monitor verschijnen. Klik dan op "OK". Camera en computer ondervinden hier geen schade van. Zet de camera uit met de hoofdschakelaar. Herstel de USB-verbinding door de camera weer in te schakelen.
99
Camera van de computer loskoppelen
Ontkoppel de camera nooit wanneer het toegangslampje rood brandt
– de informatie of de geheugenkaart kan er door beschadigen
Windows 98 / 98 Second Edition
Controleer of het toegangsglampje niet rood brandt. Zet de camera uit en ontkoppel de USB-kabel.
Windows Me, 2000 Professional en XP
Klik met de linker muisknop op het symbool voor het ontkoppelen van hardware in de taakbalk. Er verschijnt een venster met het apparaat dat kan worden afgesloten.
Klik in het kleine venster om het apparaat te stoppen. Er verschijnt een melding dat de hardware nu veilig kan worden verwijderd. Sluit het venster, zet de camera uit en maak de USB-kabel los.
Is er meer dan één apparaat op de computer aangesloten, herhaal dan bovenstaande procedure op de rechter muisklik op het symbool voor het ontkoppelen van hardware na. Dit opent het venster voor het loskoppelen of uitwerpen van hardware na klikken op het kleine venster voor 1``ontkoppelen of uitwerpen van hardware.
100 D
ATA
-
OVERSPEELSTAND
De te stoppen apparaten worden in een lijst weergegeven. Markeer het apparaat door er op te klikken en klik op "Stop”.
Er verschijnt een bevestigingsscherm, met daarin de af te sluiten apparaten. "OK" zal het apparaat stoppen.
Het derde en laatste scherm verschijnt om aan te geven dat de camera nu veilig van de computer kan worden losgekoppeld. Sluit het venster, zet de camera uit en ontkoppel de USB-kabel.
Macintosh
Controleer dat het toegangslampje niet brandt en sleep het opslagsymbool van de camera naar de prullenbak. Zet de camera uit en maak de USB-kabel los.
101
Verwisselen van de geheugenkaart
Kijk altijd goed of het toegangslampje niet rood brandt voordat u de geheugenkaart verwijdert.
Windows 98 en 98 Second Edition
1. Zet de camera uit
2. Verwissel de geheugenkaart.
3. Zet de camera aan om de USB-verbinding tot stand te brengen.
Windows Me, 2000 Professional en XP
1. Stop de USB-verbinding met de ontkoppelingsprocedure (blz. 100).
2. Zet de camera uit.
3. Verwissel de geheugenkaart.
4. Zet de camera aan om de USB verbinding tot stand te brengen.
Macintosh
1. Stop de USB-verbinding door het symbool van de drive naar de prullenbak te slepen (blz. 101).
2. Zet de camera uit.
3. Verwissel de geheugenkaart.
4. Zet de camera aan om de USB-verbinding tot stand te brengen.
102 D
ATA
-
OVERSPEELSTAND
Driver-software verwijderen – Windows
1. Plaats een geheugenkaart in de camera en verbind hem met een USB-kabel met de computer.
Tijdens deze procedure mogen er geen andere apparaten zijn aangesloten.
2. Rechts-klik op Deze Computer en kies “Eigenschappen” uit het menu.
Windows XP: ga van het Start-menu naar het Configuratiescherm. Klik op Prestaties en onderhoud. Klik op “Systeem” om het venster met eigenschappen te openen.
3. Windows 2000 en XP: selecteer de hardware-tab in het eigenschappen-venster en klik op de knop voor Apparaatbeheer.
Windows 98 en Me: klik op de tab Apparaatbeheer in het Eigenschappen-venster.
4. Het driver-bestand zal te vinden zijn bij de universal-serial-bus-controller of de andere apparaten in het overzicht van Apparaatbeheer. Klik op de locaties om de bestanden weer te geven. De driver moet onder de cameranaam te vinden zijn. Onder bepaalde omstandigheden kan de driver soms niet de cameranaam dragen. De driver zal dan worden gemarkeerd met een vraag- of uitroepteken.
5. Klik op de driver om hem te selecteren.
6. Windows 2000 en XP: klik op de actie-knop om het menu te laten verschijnen. Selecteer verwijderen (uninstall). Er verschijnt een Bevestigingsscherm. Op “Yes” klikken verwijdert de driver uit het systeem.
Windows 98 en Me: klik op de knop voor verwijderen. Er verschijnt een Bevestigingsscherm. Op
“Yes” klikken verwijdert de driver uit het systeem
7. Maak de USB-kabel los en zet de camera uit. Herstart de computer.
103
PictBridge
Controleer of de overspeeloptie (transfer mode) in sectie 4 van het setup-menu is ingesteld op PictBridge. Sluit de camera aan op een
PictBridge compatible printer met de USB-kabel van de camera. De grote stekker van de kabel wordt op de printer aangesloten. Open het deksel van de USB-aansluiting / Video-uitgang en steek de kleine stekker van de kabel in de camera. Zet de camera aan; het
PictBridge scherm verschijnt automatisch.
Individuele foto’s kunt u voor printen selecteren in het PictBridge scherm. Kijk voor andere opties in de tekst over navigeren door het menu op blz. 106.
Met de informatietoets (i+) wisselt u tussen enkelbeeld en indexweergave op het PictBridge scherm.
Vergrote weergave, geactiveerd met de zoomtoets, kan worden gebruikt om beelden op het scherm beter te bekijken.
Totaal aantal prints
Aantal exemplaren
Gebruik de links/rechts-toetsen om het te printen beeld op te roepen.
Druk op de op-toets om het aantal afdrukken in te stellen. Wilt u een beeld voor printen deselecteren, druk dan de stuurtoets omlaag totdat het aantal op nul staat.
:move :select :print
Herhaal de vorige stappen totdat alle beelden zijn geselecteerd. Druk de stuurtoets in om verder te gaan.
104 D
ATA
-
OVERSPEELSTAND
No. of prints:
Print size:
Layout:
Print quality:
Data print:
:start
7
Printer setup
Printer setup
Printer setup
Printer setup
Het aantal prints in de print-run verschijnt, samen met de print-parameters die met het menu werden geselecteerd. Kijk in de tekst over navigeren door het menu voor meer informatie (blz. 106). Druk op de stuurtoets om het printen te starten, of druk op de menu-toets om terug te keren naar het PictBridge scherm.
Is het printen eenmaal begonnen, dan kan het worden gestopt door op de stuurtoets te drukken. De melding “Printing finished” geeft het einde van de procedure aan; zet de camera uit om te stoppen.
Printing finished.
OK
Over storingen bij het printen
Zijn de batterijen leeg voordat de print-run is voltooid, dan wordt het printen gestopt. Gebruik volle batterijen of de als extra leverbare netstroomadapter.
Doet er zich tijdens het printen een klein probleem voor, zoals het opraken van het papier, volg dan de aanbevolen procedure voor de printer; voor de camera hoeft u geen actie te ondernemen. Doet er zich een belangrijke printerstoring voor, druk dan op de centrale toets van de stuureenheid om de procedure te stoppen. Zoek in de gebruiksaanwijzing van de printer op hoe u het onderhavige printerprobleem dient op te lossen. Controleer de printer-instellingen voordat u opnieuw start en de al geprinte beelden deselecteert.
105
Navigeren door het PictBridge-menu
Druk op de menu-toets (1) om het menu in- en uit te schakelen. Stuur de cursor met de toetsen van de stuureenheid (2) en verander de instellingen in het menu. Indrukken van de centrale toets van de stuureenheid selecteert menu-opties en doet instellingen ingaan.
Druk op de menutoets om het menu te activeren.
Gebruik de links/rechts-toetsen om de juiste menutab te markeren; de menu’s veranderen als de tabs worden gemarkeerd.
Gebruik de op/neer-toetsen om door de menu-opties te scrollen. Markeer de optie die u wilt veranderen.
De te veranderen optie is gemarkeerd, druk op de rechts-toets; de instellingen verschijnen, met de huidige instelling gemarkeerd. Verschijnt “Start”, druk dan op de centrale toets van de stuureenheid om verder te gaan.
Gebruik de op/neer-toetsen om de nieuwe instelling te markeren.
Druk op centrale toets van de stuureenheid om de gemarkeerde instelling te markeren.
Is een instelling eenmaal geselecteerd, dan keert de cursor terug naar de menu-opties en de nieuwe instelling verschijnt.
Druk op de menutoets om terug te keren naar het PictBridge scherm. Op de volgende bladzijden krijgt u informatie over de menu-opties.
2
1
106 D
ATA
-
OVERSPEELSTAND
Batch print
Index print –
– Paper size
Layout
Print quality
Data print
Printer setup
Printer setup
Printer setup
Printer setup
DPOF print –
Index menufuncties
Batch print (Serieprinten), 107
Index print, 107
Paper size (papiergrootte), 108
Layout, 108
Print quality (printkwaliteit), 109
Data print (data printen), 109
DPOF print, 109
Serieprinten (Batch print)
Batch print in sectie 1 van het menu selecteert alle foto’s op de geheugenkaart om te worden geprint.
Er zijn twee opties beschikbaar:
All-frames - print alle foto’s op de kaart. Er wordt een scherm geopend, waarin u kunt opgeven hoeveel exemplaren u van elke foto wilt. Vijftig is het maximum.
Reset - heft instellingen op die zijn uitgevoerd met de optie “Batch print” of met het printselectiescherm.
Index print
Het is mogelijk een index print van alle foto’s op de geheugenkaart te maken. De kwaliteit en grootte van de index print kunnen worden opgegeven in het menu van de camera. Het aantal beelden per pagina varieert per printer. Het print-setup bevestigingsscherm verschijnt voordat de printroutine start.
107
Paper size
Layout
Print quality
Data print
Printer setup
Papiergrootte (Paper size)
De papiergrootte van de print kan worden opgegeven in sectie 2 van het PictBridge menu. De optie Printer setup gebruikt de grootte die bij de printer werd ingesteld.
Printer setup
L
Postcard
2L
A4
2” X 3” card
100mmX150mm
4” X 6”
8” X 10”
Letter
Markeer de huidige grootte-instelling in het menu en druk op de centrale toets van de stuureenheid om het scherm voor de papiergrootte te openen.
Gebruik de vierwegtoetsen van de stuureenheid om de nieuwe papiergrootte te markeren.
Druk op de centrale toets van de stuureenheid om de papiergrootte in te stellen.
Print-info
Hier vindt u de papierformaten postcard, L en 2L, zowel in millimeters als in inches
Postcard
L
2L
100 x 148 mm
89 x 127 mm
127 x 178 mm
3.9 x 5.9 in.
3.5 x 5.0 in.
5.0 x 7.0 in.
Layout
De layout van de print kan worden ingesteld in sectie 2 van het PictBridge menu. De optie Printersetup gebruikt de layout-parameters van de printer. Randloos printen kan ook vanuit de camera worden opgegeven, evenals het aantal beelden per pagina.
108 D
ATA
-
OVERSPEELSTAND
Printkwaliteit (Print quality)
De printkwaliteit kan worden ingesteld in sectie 2 van het PictBridge menu. De optie Printer setup gebruikt de kwaliteit die bij de printer werd ingesteld. De kwaliteit "fine" kan met de camera worden opgegeven.
Data print
Het is mogelijk informatie met het beeld mee te printen. De optie Printer-setup gebruikt de opties die werden ingesteld met de printer. De opnamedatum en bestandsnaam kunnen voor printen worden geselecteerd. Datum printen kan met het menu ook worden uitgeschakeld.
DPOF print
DPOF print in sectie 3 van het PictBridge menu stelt u in staat foto's en een index print, geselecteerd met de DPOF print-opties in sectie 3 van het weergavemenu, te maken met een DPOF compatible
PictBridge printer. Selecteer simpelweg de optie Start in het menu om de handelingen te starten.
No. of prints:
Print size:
Layout:
Print quality:
Data print:
:start
7
Printer setup
Printer setup
Printer setup
Printer setup
Het aantal prints van de print-run verschijnt; een index print telt als een print. Druk op centrale toets van de stuureenheid om het printen te starten, of druk op de menutoets om terug te keren naar het
PictBridge menu.
Als het printen is begonnen kunt u het printen afbreken door op de centrale toets van de stuureenheid te drukken. De melding “Printing finished” markeert het einde van de handeling; druk op de centrale toets van de stuureenheid en zet de camera uit om af te sluiten.
Printing finished.
OK
109
APPENDIX
Problemen oplossen
Hieronder wordt een aantal eenvoudige bedieningsproblemen behandeld. Voor verdergaande problemen of defecten of wanneer bepaalde problemen steeds terugkeren kunt u het beste contact opnemen met de Technische Dienst van Konica Minolta.
Probleem Symptoom Oorzaak
Batterij is leeg.
Oplossing
Vervang batterijen (blz. 13).
De camera werkt niet.
Er verschijnt niets op de monitor.
AA Ni-MH batterijen zijn verkeerd geplaatst.
Herplaats de batterijen en let goed op dat de negatieve en positieve polen geplaatst worden overeenkomstig de afbeelding op de binnenkant van het batterijdeurtje (blz. 13).
Netstroomadapter is niet goed aangesloten.
Controleer of de adapter goed op de camera en op het lichtnet is aangesloten (blz. 15).
Er kan geen foto worden gemaakt
“000” verschijnt op de opnameteller.
De geheugenkaart is vol.
En kan bij de huidige instellingen voor beeldkwaliteit en beeldgrootte geen opname meer opslaan.
Plaats een nieuwe geheugenkaart (blz. 16), wis een paar opnamen (blz. 31) of kies een lagere grootte- of kwaliteitsinstelling (blz. 51).
Waarschuwing
“No-card” verschijnt op monitor
Geen geheugenkaart in de camera.
Plaats een geheugenkaart in de camera (blz. 16).
110 A
PPENDIX
Probleem Symptoom Oorzaak
Onderwerp te dichtbij.
Oplossing
Let er op dat het onderwerp zich binnen het AF-bereik bevindt (blz. 24) of gebruik de macro-stand (blz. 35).
Scherpstelsignaal is rood.
Camera staat in de macrostand
Verlaat de macro-instelling
(blz. 35).
Foto’s zijn niet scherp.
In de onderhavige situatie kan er niet goed worden scherpgesteld (blz.
25).
Gebruik de scherpstelvergrendeling om op een object op dezelfde afstand als het onderwerp in te stellen (blz. 24), of stel handmatig scherp (blz. 54).
Opnamen zijn zonder flits binnen of bij weinig licht gemaakt.
Lange sluitertijden geven wanneer de camera in de hand wordt gehouden trillingsonscherpte.
Gebruik een statief, stel de cameragevoeligheid hoger in
(blz. 59) of gebruik de flitser
(blz. 26).
Bij gebruik van de flitserzijn de opnamen te donker.
Onderwerp buiten het flitsbereik
(blz. 27, 59).
Ga dichter bij het onderwerp of stel de cameragevoeligheid hoger in (blz. 59).
Bij langdurig gebruik stijgt de temperatuur van de camera. Houd daar rekening mee wanneer u de camera, de batterijen of de geheugenkaart vastpakt.
Werkt de camera niet naar behoren of verschijnt er een foutmelding, schakel de camera dan uit, verwijder en herplaats de batterijen of verbreek en herstel de netstroomverbinding. Is de camera door langdurig gebruik heet geworden, wacht dan totdat hij is afgekoeld voordat u de voeding verwijdert of ontkoppelt. Schakel de camera altijd uit met de hoofdschakelaar, anders kan de geheugenkaart beschadigd raken en worden de camera-instellingen op de standaard instellingen teruggezet.
Deze gebruiksaanwijzing bevat informatie over producten en accessoires die verkrijgbsaar waren op het moment van druk. Neem voor informatie over compatibiliteit met producten die niet in deze gebruiksaanwijzing staan contact op met Konica Minolta.
111
Verzorging en opslag
Lees dit hoofdstuk in z’n geheel door, zodat u uw camera optimaal zult kunnen gebruiken. Bij een juist gebruik zult u lang plezier van uw camera hebben.
Camera-onderhoud
• Stel de camera niet bloot aan slagen of schokken.
• Zet de camera tijdens transport uit.
• Deze camera is niet water- of spatwaterdicht. Met natte handen plaatsen/verwijderen van de batterijen of de geheugenkaart of met natte handen bedienen van de camera kan tot schade leiden.
• Denk er aan het water en op het strand aan dat u de camera niet aan water en zand blootstelt.
Water, zand, stof of zout kan de camera beschadigen.
• Laat de camera niet langdurig in de zon liggen. Richt het objectief niet rechtstreeks naar de zon; de CCD kan erdoor beschadigd raken.
Opslag
• Bewaar de camera op een koele, droge, goed geventileerde plaats, uit de buurt van stof en chemicaliën. Gaat u de camera lange tijd niet gebruiken, bewaar hem dan in een luchtdichte doos met silicagel droogmiddel.
• Verwijder de batterijen en de geheugenkaart uit de camera wanneer u de camera langere tijd niet gaat gebruiken.
• Bewaar de camera niet in een ruimte waar naftaleen of mottenballen worden gebruikt.
• Tijdens lange opslag is het goed de camera af en toe eens te laten werken. Gaat u hem na langdurige opslag weer gebruiken, controleer dan eerst of alles goed functioneert.
Cleaning
• Is de camera, de buitenzijde van het objectief, de flitser of het AF-venster vuil, zorg dan voor reiniging met een zachte, schonen en droge doek.Komt de camera of het objectief in contact met zand, blaas dan loszittende deeltjes voorzichtig weg. Poetsen kan het oppervlak beschadigen.
• Wilt u het oppervlak van het objectief schoonmaken, blaas dan eerst stof of zand weg; veeg dan het objectief voorzichtig schoon met een reinigingsdoek of tissue voor lenzen. Gebruik indien nodig lensreinigingsvloeistof.
• Gebruik nooit organische oplossingen voor het reinigen van de camera.
• Raak het oppervlak van het objectief, de flitser of het AF-venster nooit met uw vingers aan.
112 A
PPENDIX
LCD-monitor
• De LCD-monitor is met precisietechniek vervaardigd, en meer dan 99,9 procent van de pixels werkt naar behoren. Minder dan 0,01 procent van de monitorpixels verschijnen als gekleurde of heldere beeldpunten:dit is geen monitor-defect en tast het opgeslagen beeld niet aan.
• Oefen geen druk uit op het oppervlak van het lcd-scherm. Er kan permanente schade door ontstaan.
• Bij lage temperaturen zal het LCD-scherm tijdelijk donker worden. Bij normale temperaturen wordt de normale weergave weer hersteld.
• Zitten er vingerafdrukken op het oppervlak van de LCD-monitor, poets hem dan zachtjes schoon met een zachte, schone en droge doek.
Batterijen
• Batterijprestaties nemen af naarmate het kouder is. In een koude omgeving is het aan te bevelen reservebatterijen op een warme plaats te bewaren, onder een jas bijvoorbeeld. Wanneer ze weer op temperatuur komen kunnen batterijen zich weer herstellen.
• Zijn batterijen uitgeput geraakt bij gebruik in de camera, herlaad ze dan niet, ook al lijkt hun lading zich na enige tijd te herstellen. Deze batterijen zullen de normale camerawerking onmogelijk maken.
• Een speciale ingebouwde batterij met een lange levensduur voedt de klok en het geheugen wanneer de camera uit staat. Keert de camera elke keer na uitschakeling terug naar de fabrieksinstellingen, dan is batterij leeg. Hij dient te worden verwisseld door de Technische Dienst van Konica Minolta.
Bedrijfstemperatuur en -omstandigheden
• Deze camera is ontworpen voor gebruik in temperaturen van 0°C tot 40°C.
• Laat de camera nooit achter in een omgeving waarin het erg warm kan worden, zoals in een auto die in de zon staat, of waar het erg vochtig is.
• Brengt u de camera van een koude naar een warme omgeving, doe hem dan in een goed afgesloten plastic zak om condensvorming te voorkomen. Laat de camera acclimatiseren en haal hem dan uit de plastic zak.
113
Geheugenkaarten
SD geheugenkaarten en MultiMediaCards worden vervaardigd met elektronische precisiecomponenten. Onderstaande omstandigheden kunnen leiden tot beschadiging, of verlies van informatie:
• Onjuist gebruik van de kaart.
• Verbuigen, laten vallen en blootstellen aan stoten.
• Hitte, vocht en direct zonlicht.
• Statische elektrische ontlading en sterke elektromagnetische velden bij de kaart.
• Verwijdering van de kaart of onderbreken van de stroomtoevoer wanneer er tussen camera en kaart gegevensuitwisseling plaatsvindt (lezen, schrijven, formatteren, enz.).
• Aanraking van de elektrische contacten van de kaart met uw vingers of metalen voorwerpen.
• Gebruik van de kaart buiten zijn levensduur. Het kan nodig zijn een kaart op den duur te vervangen.
De responstijd bij gebruik van MultiMediaCards is langer dan bij gebruik van SD Memory Cards. Dat duidt niet op een storing, maar heeft te maken met de eigenschappen van de kaarten. Bij gebruik van kaarten met een grote opslagcapaciteit kunnen bewerkingen als wissen meer tijd in beslag nemen.
SD Memory Cards hebben een beveiligingsschuif, waarmee bestanden tegen ongewild wissen kunnen worden beveiligd. Door het schuifje omlaag te schuiven wordt de informatie op de kaart beveiligd. Als de kaart is beveiligd is het niet mogelijk opnamen op de kaart op te slaan. Probeert u een opname op te nemen of te wissen, dan verschijnt de melding “Card locked” op de monitor.
Beveiligingsschuif
Beveiligde stand
Gebruik geheugenkaarten niet voor permanente opslag van beeldinformatie. Maak altijd een kopie van de opnamen op een daarvoor geschikt opslagmedium. Konica Minolta is niet aansprakelijk voor verlies van of schade aan beeldinformatie.
114 A
PPENDIX
Voor belangrijke evenementen en reizen
• Controleer de werking van de camera, maak testopnamen en koop reservebatterijen.
• Konica Minolta draagt geen verantwoordelijkheid voor schade of verlies als gevolg van een defect aan de apparatuur
Copyright
• Op TV programma's, film, videotapes, foto's en andere materialen kan auteursrecht rusten.
Ongeoorloofd opnemen of dupliceren van zulk materiaal kan een inbreuk op de auteursrechten zijn.
Zonder toestemming opnemen van uitvoeringen, tentoonstellingen, enzovoorts is verboden.
Materialen waarop auteursrecht rust kunnen alleen worden gebruikt wanneer aan de voorwaarden van het auteursrecht is voldaan.
Vragen en service
• Hebt u vragen omtrent uw camera, neem dan contact met uw handelaar of neem contact op met
Konica Minolta.
• Neem voordat u apparatuur ter reparatie opstuurt eerst even contact op met de Technische Dienst van Konica Minolta.
115
QuickTime systeemeisen
IBM PC / AT Compatible
Op Pentium processor gebaseerde PC of compatible computer
Windows 98, Me, 2000 of XP
128MB of meer RAM
Volg voor het installeren van QuickTime de instructies bij de installer. Macintosh gebruikers kunnen de nieuwste versie van QuickTime gratis downloaden van de Apple Computer web site: http://www.apple.com
116 A
PPENDIX
Dit teken aan de onderkant van dit product geeft aan dat het voldoet aan de eisen van de EU (Europese Unie) op het gebied van apparatuur die storing kan veroorzaken. CE staat voor Conformité Européenne (Europese Conformiteit).
FCC Compliance Statement
Declaration on Conformity
Responsible Party: Konica Minolta Photo Imaging U.S.A. Inc.
Address: 725 Darlington Avenue, Mahwah, NJ 07430
Digital Camera: DiMAGE Z10
Tested To Comply
With FCC Standards
FOR HOME OR OFFICE USE
This device complies with Part 15 of the FCC Rules. Operation is subject to the following two conditions: (1) This device may not cause harmful interference, and (2) this device must accept any interference received, including interference that may cause undesired operation. Changes or modifications not approved by the party responsible for compliance could void the user's authority to operate the equipment. This equipment has been tested and found to comply with the limits for a Class B digital device, pursuant to Part 15 of the FCC Rules. These limits are designed to provide reasonable protection against harmful interference in a residential installation.
This equipment generates, uses and can radiate radio frequency energy and, if not installed and used in accordance with the instructions, may cause harmful interference to radio communications.
However, there is no guarantee that interference will not occur in a particular installation. If this equipment does cause harmful interference to radio or television reception, which can be determined by turning the equipment off and on, the user is encouraged to try to correct the interference by one or more of the following measures:
• Reorient or relocate the receiving antenna.
• Increase the separation between the equipment and the receiver.
• Connect the equipment to an outlet on a circuit different from that to which the receiver is connected.
• Consult the dealer or an experienced radio/TV technician for help.
Do not remove the ferrite cores from the cables.
This Class B digital apparatus complies with Canadian ICES-003.
117
Technische gegevens
CCD:
Aantal effectieve pixels:
Totaal aantal pixels:
Cameragevoeligheid (ISO):
Breedte/hoogteverhouding:
Objectiefconstructie:
Grootste diafragma:
Brandpuntsafstand:
Regeling print-output:
Menu-talen:
Video-output:
1/2,5-type interline primary-color CCD
3,2 miljoen
3,3 miljoen
Auto en 64, 100, 200 en 400 ISO equivalent
4:3
11 elementen in 9 groepen f/3,2 (groothoekstand), f/3,4 (telestand)
6 – 48 mm (kleinbeeldequivalent: 36 – 290 mm)
Scherpstelbereik (vanaf de CCD): 0,57 m - oneindig (groothoekstand)
1,57 m - oneindig (telestand)
Autofocus-systeem:
Scherpstelstanden
0,08 – 1,07 m in Macrostand
Rapid AF met passieve AF en video AF
Enkelvoudige AF, Continu AF met anticiperende scherpstelling, Fulltime AF
Sluiter:
Sluitertijden:
Oplaadtijd ingebouwde flitser:
Monitor-lcd:
CCD elektronische sluiter en mechanische sluiter
1/2000 – 15s, tijdopnamen (T; maximaal 30 s)
5 s (ongeveer)
38 mm low-temperature polysilicon TFT kleur
Beeldveld monitor:
Beeldveld zoeker:
A/D-conversie:
Opslagmedia:
Bestandsformaten:
Circa 100%
Circa 98 %
10 bit
SD-geheugenkaarten en MultiMedia-kaarten
JPEG, Motion JPEG (mov, zonder audio)
DCF 2.0 en aansluitend op DPOF.
Exif print, Print Image Matching II, PictBridge
Japans, Engels, Duits, Frans, Spaans en Chinees
(vereenvoudigd)
NTSC en PAL
118 A
PPENDIX
Batterijen:
Batterijprestaties (opname):
Batterijprestaties (weergave):
Externe stroombron:
Afmetingen:
Gewicht:
Bedrijfstemperatuur:
Luchtvochtigheidsbereik:
Vier AA alkaline- of Ni-MH batterijen.
Circa 500 opnamen, gebaseerd op de CIPA standaard, met alkalinebatterijen, lcd-monitor aan, volle beeldgrootte (2048 X 1536), standaard beeldkwaliteit, geen directe weergave, geen full-time AF, flits gebruikt bij 50% van de beelden.
Circa 240 minuten voor continu filmopnamen met alkalinebatterijen
Continu weergavetijd circa 600 minuten met alkalinebatterijen.
Netstroomadapter AC-1L of AC-11 (apart leverbaar)
109 (B) X 82 (H) X 94 (D) mm
Circa 300 gram
(zonder batterij en geheugenkaart)
0° – 40°C
5 – 85% (niet condenserend)
Specificaties zijn gebaseerd op meest recente informatie op moment van druk en kunnen zonder aankondiging worden gewijzigd.
119
Konica Minolta Customer Support: www.konicaminoltasupport.com
Konica Minolta Photoworld: www.konicaminoltaphotoworld.com
Become a member of the Konica Minolta Photo World today.
It is free for registered customers of Konica Minolta
Werden Sie noch heute Mitglied der Konica Minolta Photo World.
Die Mitgliedschaft ist für registrierte Konica Minolta-Kunden kostenlos!
Devenez dès aujourd’hui, membre du Konica Minolta Photo World.
L’inscription est gratuite.
© 2004 Konica Minolta Photo Imaging, Inc. under the Berne Convention and the Universal Copyright Convention.
0-43325-53314-3 9222-2735-15 SY-A406/0406/109678
Printed in Germany
Download
Advertisement