Remko PG25E Handleiding
Annonce
Annonce
Bedienings- en installatiehandleiding
REMKO serie PG (S-Line)
Propaangas-verwarmingsautomaten
PG 25, PG 25 S-Line, PG 50, PG 50 S-Line
Dit product is niet geschikt als hoofdverwarming.
Versie NL - Y04 Voor het begin van alle werkzaamheden de handleiding
Inhoud
Veiligheidsinstructies
Beschrijving van het apparaat
Opstellingsvoorwaarden
Gasaansluiting
Inbedrijfstelling
Buiten bedrijf stellen
Reiniging en onderhoud
Verhelpen van storingen
Bedoeld gebruik
Klantenservice en garantie
Milieubescherming en recycling
Apparaatafbeelding PG 25 (S-Line)
Reserveonderdelenlijst PG 25 (S-Line)
Apparaatafbeelding PG 50 (S-Line)
Reserveonderdelenlijst PG 50 (S-Line)
Onderhoudsprotocol
Technische gegevens
Elektrisch aansluitschema
Voor het in bedrijf nemen/gebruik van dit apparaat deze gebruikshandleiding zorgvuldig lezen!
Deze Nederlandse gebruiksaanwijzing is een vertaling van de originele Duitse handleiding.
Deze handleiding maakt deel uit van het apparaat en moet altijd in de onmiddellijke nabijheid van de opstellocatie, resp. bij het apparaat worden bewaard.
Wijzigingen voorbehouden; geen aansprakelijkheid voor vergissingen en drukfouten!
3
17
18
19
20
14
14
14
16
21
22
9-10
11
11-12
13
6
7-9
4
5
REMKO serie PG
Veiligheidsinstructies
Bij het gebruik van de apparaten moeten in principe altijd de desbetreffende plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschriften evenals de voorschriften van de ongevallenverzekering in acht worden genomen.
De apparaten zijn vóór levering onderworpen aan uitgebreide controles op materiaal, werking en kwaliteit. Desondanks kunnen de apparaten gevaren opleveren als ze door niet-geïnstrueerde personen ondeskundig of niet volgens de voorschriften worden gebruikt!
De volgende aanwijzingen in acht nemen a.u.b.
:
■ De apparaten moeten zo opgesteld en in bedrijf gesteld worden, dat personen niet door de verbrandingsgassen en stralingswarmte in gevaar worden gebracht en er geen brand kan ontstaan
■ Mobiele flessen met vloeibaar gas moeten stabiel en rechtop worden gezet
■ De apparaten mogen alleen worden bediend door personen die geïnstrueerd zijn in de bediening van de apparaten
■ Flessen met vloeibaar gas mogen tijdens het bedrijf van het apparaat nooit liggend worden gebruikt
■ Voorafgaand aan onderhouds- of reparatiewerkzaamheden moet de voedingsstekker uit het stopcontact worden verwijderd
■ Alle elektrische kabels van de apparaten moeten worden beschermd tegen beschadiging door bijvoorbeeld dieren
■ De apparaten moeten op een stabiele, niet-brandbare ondergrond worden geplaatst
■ Er moet voor worden gezorgd dat er geen brandbare voorwerpen of materialen kunnen worden aangezogen
■ De apparaten mogen uitsluitend in ruimtes worden opgesteld en gebruikt als de apparaten worden voorzien van een toereikende luchthoeveelheid voor de verbranding
■ De apparaten mogen uitsluitend in goed geventileerde ruimtes uit de buurt van brandbare materialen worden opgesteld.
Personen mogen niet langdurig in de opstellingsruimte aanwezig zijn
Er moeten overeenkomstige verbodsborden bij de ingangen worden aangebracht!
■ Dit apparaat kan door kinderen van 8 jaar en ouder en door personen met verminderde fysieke, sensorische of geestelijke vermogens of gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, indien zij onder toezicht staan of geïnstrueerd zijn over het veilige gebruik van het apparaat en zij de daaruit voortvloeiende gevaren begrijpen. Kinderen mogen niet met het apparaat spelen.
Reiniging en onderhoud mogen niet door kinderen zonder toezicht worden uitgevoerd.
■ Er moet een veiligheidszone van
1,5 m rondom het apparaat in acht worden genomen, ook bij de niet-brandbare voorwerpen
■ Er moet een minimale afstand van
3 m tot de uitblaasopening van het apparaat worden aangehouden
■ De uitblaasopening van het apparaat mag niet vernauwd worden of van slangen of buizen worden voorzien
4
■ Steek nooit vreemde voorwerpen in het apparaat
■ Het luchtaanzuigrooster moet altijd vrij zijn van vuil en losse voorwerpen
■ De apparaten mogen niet aan directe waterstralen worden blootgesteld, bijv. van een hogedrukreiniger
LET OP
Bij gebruik in openbare gebouwen moeten de nationale voorschriften worden nageleefd.
LET OP
Bij een gaslek moeten direct de afsluitklep van het gastoevoersysteem worden gesloten, de gasverwarming worden uitgeschakeld, de voedingsstekker worden losgetrokken, venster/ deuren voor ventilatie worden geopend en de oorzaak van de gaslek worden achterhaald en worden geneutraliseerd.
Het apparaat mag pas weer worden gebruikt als de gaslek is verholpen!
Beschrijving van het apparaat
De apparaten zijn verplaatsbare, op vloeibaar gas gestookte luchtverwarmers (LV's) zonder warmtewisselaars.
De apparaten werken zonder aansluiting voor de verbrandingsgassen en zijn alleen bedoeld voor professioneel gebruik.
De apparaten zijn uitgerust met een ingebouwde Power-regeling voor een traploze regeling van het verwarmingsvermogen, een geluids- en onderhoudsarme axiale ventilator, robuuste gasbrander met thermische bewaking, magneetklep, piëzo-ontsteking en netkabel met geaarde stekker.
De apparaten zijn uitsluitend bedoeld voor handmatig bedrijf en kunnen niet thermostatisch worden geregeld.
De apparaten voldoen aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van de betreffende EU-bepalingen en zijn eenvoudig te bedienen.
De apparaten zijn getest op basis van het EG-typeonderzoek,
DVGW-geregistreerd en toegelaten voor de landen van de EU.
Werking
Na inschakeling van de apparaten wordt de luchttoevoerventilator ingeschakeld en de magneetklep geopend.
De gastoevoer naar de brander blijft echter nog gesloten.
Pas als op de drukpen van de ontstekingsbeveiliging wordt gedrukt, wordt de gastoevoer naar de gasbrander vrijgegeven.
Het vloeibaar gas wordt nu via het gasmondstuk onder druk in de mengbuis geleid.
Hier wordt het vloeibaar gas verrijkt met een op de betreffende brandercapaciteit afgestemde hoeveelheid zuurstof.
Het ontstane gas-luchtmengsel wordt bij de branderkop door middel van een elektrische vonk ontstoken.
De ontstekingsvonk wordt gegenereerd door handmatig de piëzo-ontsteker te bedienen.
Door de opwarming van het thermoelement wordt de thermische vlambeveiliging ingeschakeld.
De drukpen van de ontstekingsbeveiliging moet nu worden losgelaten.
Bij eventuele onregelmatigheden of het doven van de vlam wordt de gastoevoer onderbroken.
De apparaten worden onder meer gebruikt voor:
■ Het drogen van nieuwbouw
■ Plaatselijk verwarmen van werkplekken in de buitenlucht
■ Plaatselijk verwarmen van werkplekken in open, niet-brandgevaarlijke productieruimtes en hallen
■ Tijdelijk verwarmen van ruimtes met voldoende aanvoer van frisse lucht
■ Het ijsvrij maken van machines, voertuigen en niet-brandbare opslaggoederen
■ Het op temperatuur houden van aan vorst blootgestelde delen
Een veiligheidstemperatuurbegrenzer
(STB) onderbreekt de gastoevoer bij oververhitting en vergrendelt alle apparaatfuncties.
Het min./max. verwarmingsvermogen kan tijdens het bedrijf van het apparaat traploos worden geregeld met de ingebouwde "Power-regeling".
AANWIJZING
Voor een optimaal bedrijf mogen de apparaten niet worden gebruikt bij een omgevingstemperatuur die hoger is dan 25 °C.
Bewaking van de apparaten
Alle functies worden veilig bewaakt door de veiligheidsinrichtingen van de apparaten.
Bij onregelmatigheden of het doven van de vlam worden de apparaten uitgeschakeld en vergrendeld.
Veiligheids- temperatuurbegrenzer (STB)
De apparaten zijn voorzien van een veiligheidstemperatuurbegrenzer (STB) die bij oververhitting de gastoevoer onderbreekt en de elektronica van het apparaat vergrendelt.
Handmatige ontgrendeling (reset) van de STB is pas mogelijk na afkoeling van de apparaten.
LET OP
Als de veiligheidstemperatuurbegrenzer is geactiveerd, moet de oorzaak van de storing worden gelokaliseerd en verholpen voordat de begrenzer wordt ontgrendeld.
Het resetten van de STB volgt door een kort indrukken van de resettoets 2.
1. Beschermkap 1 losschroeven.
1
2
2. Penknop 2 indrukken.
3. Beschermkap 1 weer terugplaatsen.
LET OP
Veiligheidsinrichtingen mogen niet worden overbrugd of geblokkeerd.
5
REMKO serie PG
Opstellingsvoorwaarden
Voor het gebruik van de apparaten moeten in principe altijd de ARBO-veiligheidsvoorschriften en de desbetreffende bouw- en brandveiligheidsvoorschriften in acht worden genomen.
Bijvoorbeeld voor Duitsland:
■ Verordening voor verbrandingsinstallaties (FeuVo) van de afzonderlijke deelstaten
■ Ongevallenpreventievoorschrift
DGUV-voorschrift 79 "Gebruik
■
■ van vloeibaar gas"
ARBO-richtlijnen ASR 5
■ Arbeitsstättenverordnung
(Duitse wetgeving op werkplaatsverordening) §§ 5 en 14
Opstelling in de buitenlucht
■ Door het bedrijf van apparaten mogen geen gevaren of onmogelijke belastingen ontstaan
De exploitant van het apparaat moet ervoor zorgen dat onbevoegden de apparaten of de stroomvoorziening niet kunnen manipuleren
■ Om schade door het weer te voorkomen, moeten de apparaten in de open lucht in een beschermde omgeving worden geïnstalleerd
Opstelling in afgesloten, goed geventileerde ruimtes
■ De apparaten zijn afhankelijk van het type zonder aansluiting voor de verbrandingsgassen uitgevoerd en ze mogen in afgesloten ruimtes slechts onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt
■ Er moet in ieder geval voor een betrouwbare afvoer van de verbrandingsgassen worden gezorgd om te voorkomen dat de omgevingslucht binnen ontoelaatbaar wordt belast met schadelijke stoffen
6
■ De toevoer van frisse lucht voor
■ een probleemloze verbranding moet worden gewaarborgd.
Aanvoer van frisse lucht via ramen en deuren of door voldoende grote openingen in de buitenmuur kan hierbij nuttig zijn
De apparaten mogen niet zonder toezicht in continubedrijf worden gebruikt
De apparaten mogen alleen in ruimtes worden gebruikt, als:
■ de apparaten een voor de verbranding toereikende luchthoeveelheid krijgen toegevoerd
■ deze ruimtes goed worden geventileerd
■ het aandeel schadelijke stoffen in de ingeademde lucht geen ongezonde concentratie bereikt
Een goede natuurlijke ventilatie wordt verkregen als bijv.:
1. bij een ruimte-inhoud in m 3 ten minste aan 30 keer de nominale warmtebelasting van alle in de ruimte in bedrijf zijnde apparaten wordt voldaan en door vensters en deuren een natuurlijke luchtverversing is gewaarborgd, of
2. continu geopende ventilatieopeningen voor de toevoer- en afvoerlucht bij de plafonds en vloeren beschikbaar zijn waarvan de afmeting in m 2 ten minste aan 0,003 keer de nominale warmtebelasting in kW van alle in bedrijf zijnde apparaten in de ruimte wordt voldaan.
LET OP
Bij gebruik in openbare gebouwen moeten de aangegeven instructies worden opgevolgd.
LET OP
De apparaten mogen uitsluitend in goed geventileerde ruimtes en niet in woonruimtes of soortgelijke verblijfsruimtes worden opgesteld.
Gasaansluiting
De gasaansluiting en het bedrijf van het apparaat mogen alleen worden uitgevoerd op basis van ongevallenpreventievoorschrift
DGUV 79 "Gebruik van vloeibaar gas" en de desbetreffende plaatselijke bouw- en brandbeveiligingsvoorschriften.
De brandstoftoevoer moet worden geïnstalleerd volgens
DIN 4755 voor oliegestookte luchtverwarmers, van de
DVGW-gedragscode G 600 voor gasgestookte luchtverwarmers en
TRF voor vloeibaar gas.
De apparaten werken met vloeibaar gas volgens DIN 51622.
U hebt een constante aansluitdruk van 1,5 bar op de apparaten nodig.
De aansluitdruk mag niet worden onder- of overschreden.
LET OP
Er moet een constante aansluitdruk bij de apparaten van 1,5 bar
(1500 mbar) gegarandeerd zijn, zelfs bij continubedrijf.
■ Als langere slangen worden gebruikt, moet rekening worden gehouden met drukverlies
■ Er mogen uitsluitend componenten – zoals een gasslang, drukregelaar, slangbreukbeveiliging of lekgasbeveiliging – worden gebruikt die getest en voor het betreffende doel geschikt zijn
■ De lengte van de gasslang mag bij voorkeur niet meer dan 2 m bedragen
■ Er zijn alleen drukregelaars met een vaste uitgangsdruk toegestaan. De apparaten mogen uitsluitend gebruikt met gas in de gasfase
LET OP
Voorafgaand aan werkzaamheden aan de gastoevoer en bij vervanging van de gasflessen moeten alle afsluiters gesloten worden en mogen er geen ontstekingsbronnen in de directe omgeving aanwezig zijn.
■ Er mogen langere slangen worden gebruikt, als:
- er sprake is van bijzondere bedrijfsgerelateerde redenen
- daarnaast adequate veiligheidsmaatregelen in acht worden genomen en de slanglengtes zo kort mogelijk worden gehouden
■ Slangen moeten altijd worden beschermd tegen chemische, thermische en mechanische beschadigingen
■ Torsiebelasting moet in het bijzonder worden vermeden
■ De apparaten mogen alleen in worden gebruikt met gas in de gasfase
■ De apparaten mogen alleen door deskundige personen worden gerepareerd
■ Voor de reparaties mogen alleen originele reserveonderdelen worden gebruikt
■ Onderdelen van het apparaat die aan slijtage en veroudering onderhevig zijn (zoals gasslangen), moeten periodiek worden vervangen
■ Gasaansluitnippel op het apparaat - G1/4 LH - KN
■ Bij de keuze van de slang moet in acht worden genomen dat de drukklasse toereikend is
■ Voor de gastoevoer zijn alle gangbare gasflesformaten toegestaan. Wij adviseren echter een gasfles met een vulgewicht van ten minste
11 kg. Bij langduriger bedrijf en een nominale verwarmingscapaciteit van meer dan 50 kW adviseren wij om gas uit meerdere parallel geschakelde gasflessen te betrekken. (accessoire meerflessenset)
■ Voor de reparaties mogen alleen originele reserveonderdelen worden gebruikt
AANWIJZING
Dit is niet van toepassing als door een gekwalificeerd persoon wordt bevestigd dat het onderdeel aan de voorschriften voldoet.
LET OP
De apparaten mogen niet
ondergronds
, bijv. in kelders, worden gebruikt als er geen geschikte gasbewakingsinrichting is.
AANWIJZING
De vereiste aansluitdruk mag niet worden onder- of overschreden.
7
REMKO serie PG
Aansluiting van de gastoevoer Montage-instructie
1. Sluit de drukregelaar aan op de gasfles of het gastoevoersysteem.
Let op de linkse schroefdraad!
2. Open de flesafsluiter(s) of de afsluiter van de toevoerleiding.
Als gelijktijdig gas uit meerdere gasflessen wordt betrokken, moeten alle afsluiters worden geopend.
Bij het monteren of demonteren van de gasslang moet deze met een steeksleutel maat 17 op de gasaansluitnippel van het apparaat worden tegengehouden , rekening houdend met de linkse schroefdraad.
Dit geldt ook voor de drukregelaar, de slangbreukbeveiliging en alle andere gascomponenten.
Gasslang vastdraaien:
Draai de wartelmoer tegen de klok in tegenhouden
IJsvorming op gasflessen
Als het gastoevoersysteem ontoereikend is gedimensioneerd, bestaat er risico op ijsvorming op de gasflessen met drukgas.
Omdat de gasdruk dan daalt, kan een goede gastoevoer naar de apparaten niet meer worden gegarandeerd.
Kristallijne rijpvorming op de gasfles(sen) mag niet door middel van open vuur, gloeiende voorwerpen, stralers en dergelijke worden verwijderd.
3. Druk op de ontgrendelingsknop van de slangbreukbeveiliging nadat u de afsluiter(s) hebt geopend.
Deze handeling moet ook altijd worden uitgevoerd nadat een gasfles is vervangen.
AANWIJZING
Aangezien het hier gaat om een kogelschroefnippel volgens
DIN 4815, deel 2, mogen alleen slangen worden gebruikt die hiervoor geschikt zijn.
AANWIJZING
Bij werkzaamheden op bouwplaatsen mogen alleen slangen voor vloeibaar gas volgens DIN EN 16436-1, drukklasse 30 worden gebruikt.
Gasslang losdraaien:
Draai de wartelmoer met de klok mee tegenhouden
4. Controleer alle gasaanvoerverbindingen met de juiste middelen op lekkage.
Bijvoorbeeld met: zeepoplossing of lekopsporingsspray.
Om ijsvorming op de gasfles(sen) te voorkomen, moet bij het ontwerp van de gastoevoer rekening worden gehouden met de aansluitwaarde van het apparaat, de bedrijfsduur en de omgevingstemperatuur van de flessen.
Opbouw meerflessenset (accessoire)
Om een zo gelijkmatig mogelijke gasafname te garanderen, moeten alle flesafsluiters geopend zijn.
De batterij met flessen kan eenvoudig met extra flessen worden uitgebreid.
6
4
Legenda:
6
5
1= Gasslang naar apparaat
2 = Slangbreukbeveiliging
3 = Gasdrukregelaar
4 = Hogedrukslang 0,4 m
5 = T-stuk
6 = Flesafsluiter
6
4
5
3
2
1
8
Inbedrijfstelling
Tankgasinstallaties
Bij het aansluiten van de apparaten op de tankgasinstallaties moet afhankelijk van de leidinglengte worden gelet op een toereikende dimensionering van de leidingen.
Door gebruikmaking van een verdamper kan worden gegarandeerd dat de gastoevoer naar de apparaten toereikend is.
Om een foutloze werking van het apparaat te garanderen, wordt aanbevolen om in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat een drukregelaar met een vast ingestelde uitgangsdruk van 1,5 bar en een overeenkomstig gasdebiet
(zie het typeplaatje van het apparaat) én een op de betreffende voordruk afgestemde en toegelaten afsluitinrichting te monteren.
Voorafgaande aan de inbedrijfstelling moet worden gecontroleerd of de apparaten geen zichtbare gebreken aan de bedienings- en veiligheidsinrichtingen hebben en of de opstelling en elektrische/ gasaansluitingen correct zijn.
De bediening en bewaking van de apparaten moet worden toegewezen aan een persoon die voldoende is geïnstrueerd over de juiste omgang met de apparaten en het gebruik van vloeibaar gas volgens DGUV 79.
LET OP
Bij gebreken die de bedrijfszekerheid van de apparaten in gevaar brengen, moeten de apparaten direct buiten bedrijf worden gesteld en moet de toezichthoudende persoon op de hoogte worden gesteld!
Ter vermijding van storingen in de werking van de regel- en veiligheidsinrichtingen van de apparaten door schadelijke stoffen zoals roest en stof uit de gastoevoerleiding of -fles(sen), is de installatie van gasfilters vóór de regel- en veiligheidsinrichtingen van de apparaten beslist noodzakelijk gebleken (zie DIN
EN 676 en TRF 88 sectie 5).
AANWIJZING
Installatiewerkzaamheden aan tankgasinstallaties en voedingsleidingen mogen alleen door bevoegd vakpersoneel worden uitgevoerd.
Stroomvoorziening van de apparaten aansluiten
1. Zet
.
de bedrijfsschakelaar in stand "0" (uit).
2. Steek de voedingsstekker van het apparaat in een correct geïnstalleerd en beveiligd stopcontact.
Aansluitwaarde: 230
V/50 Hz
AANWIJZING
De elektrische aansluiting van de apparaten moet op een aansluitpunt met aardlekschakelaar volgens
VDE 0100, deel 55 geschieden.
Voordat u het apparaat start, moet u controleren of de gasflessen goed zijn vastgezet en niet direct in de warmtestraling van de apparaten zijn geplaatst.
De gasflessen met drukgas moeten aan de apparaat worden geplaatst.
zijkant / achterkant van het
LET OP
Voorafgaand aan werkzaamheden aan de gastoevoer en bij vervanging van de gasflessen moeten alle afsluiters gesloten worden en mogen er geen ontstekingsbronnen in de directe omgeving aanwezig zijn.
LET OP
De flessen mogen nooit worden verwarmd of ontdooid door middel van de warme luchtstroom van de apparaten.
Explosiegevaar!
LET OP
Gasflessen met drukgas mogen tijdens het bedrijf van het apparaat nooit liggend worden gebruikt.
Ontsnappend gas in de vloeibare fase.
9
REMKO serie PG
Verwarmingsbedrijf
1. Zet de bedrijfsschakelaar in stand "I".
De luchttoevoerventilator schakelt in .
LET OP
Voordat de ontstekingsprocedure wordt gestart, moet u beslist controleren of luchttoevoerventilator correct werkt.
Instelling en regeling van het verwarmingsvermogen
Het gewenste of vereiste verwarmingsvermogen kan traploos worden ingesteld met de " Power-regeling ".
Linksom: groter verwarmingsvermogen
Ventileren
In deze bedrijfsmodus draait de luchttoevoerventilator in continubedrijf.
De apparaten kunnen worden gebruikt voor luchtcirculatie of ventilatiedoeleinden.
1. Sluit de afsluiter(s) van het gastoevoersysteem en laat de gasvlam uitbranden.
2. Druk op drukpen 2 van de ontstekingsbeveiliging en houd deze ingedrukt.
LET OP
De apparaten mogen niet
ondergronds
, bijv. in kelders, worden gebruikt als er geen geschikte gasbewakingsinrichting is.
2
3. Activeer, terwijl drukpen 2 wordt ingedrukt, na circa
2 tot 3 seconden de piëzo-ontsteker 3.
Druk zo nodig meermaals op de piëzo-ontsteker.
3
4. Houd na de ontsteking drukpen
2 nog circa 10-15 seconden ingedrukt totdat de thermische vlambewaking is geactiveerd.
5. Herhaal de ontstekingsprocedure als de vlam dooft na het loslaten van drukpen 2.
Houd een wachttijd van ongeveer 1 minuut aan.
Houd de drukpen iets langer ingedrukt bij een hernieuwde ontstekingsprocedure.
Rechtsom: kleiner verwarmingsvermogen
Het verwarmingsvermogen kan ook tijdens bedrijf van het apparaat traploos worden gewijzigd.
2. Zet de bedrijfsschakelaar in stand "II"
(ventileren).
Veiligheidsafstanden
■ Om een veilig bedrijf van het apparaat te waarborgen, moet een veiligheidsafstand van 1 m rondom het apparaat in acht worden genomen
■ Er moet een minimale afstand van
3 m tot de uitblaasopening van het apparaat worden aangehouden
In deze bedrijfsmodus is geen verwarmingsbedrijf mogelijk.
LET OP
De vereiste veiligheidsafstanden tot ontvlambare en brandgevaarlijke materialen moeten beslist worden aangehouden.
AANWIJZING
Onder- of bovendruk in de opstellingsruimtes moet worden vermeden, aangezien dit onvermijdelijk tot verbrandingstechnische storingen leidt.
■ Vloer en plafond moeten brandwerend zijn
LET OP
In het geval van een gaslek moet het apparaat onmiddellijk worden gestopt.
Alle gasafsluiters moeten worden gesloten en de apparaten moeten van het elektriciteitsnet worden losgekoppeld.
LET OP
Er moet voor worden gezorgd dat de toevoerlucht vrij aangezogen en de verwarmde lucht ongehinderd uitgeblazen kan worden.
De aanzuig- en uitblaasopening van het apparaat mag niet vernauwd worden of van slangen of buizen worden voorzien.
10
Buiten bedrijf stellen
1. Sluit de afsluiter(s) van het gastoevoersysteem en laat de gasvlam uitbranden.
2. Zet de bedrijfsschakelaar in stand "0" (uit).
3. Bij langere stilstandstijden moeten de apparaten van het elektriciteitsnet worden losgekoppeld.
Reiniging en onderhoud
AANWIJZING
Het regelmatige onderhoud, uiterlijk na elke verwarmingsperiode is de basisvoorwaarde voor een lange levensduur en storingsvrij bedrijf van de apparaten.
■
■
Controleer het aanzuig- en uitblaasrooster regelmatig op vervuiling
Controleer slangen enafdichtingen regelmatig op beschadigingen
De apparaten moeten afhankelijk van de gebruiksomstandigheden, naar behoefte en periodiek minimaal om de twee jaar , door een deskundige worden geïnspecteerd op hun bedrijfsveiligheid.
Het resultaat van deze keuring moet in een keuringscertificaat worden vastgelegd.
Het keuringscertificaat moet tot de volgende inspectie worden bewaard en op elk gewenst moment aan de bevoegde persoon kunnen worden overhandigd.
LET OP
Voorafgaand aan werkzaamheden aan het apparaat moet altijd de gastoevoer worden afgesloten en de voedingsstekker uit het stopcontact worden verwijderd.
■ Beschadigde slangen, afdichtingen en dergelijke moeten onmiddellijk worden vervangen
■ Maak de gasbrander, het gasmondstuk en de verbrandingsluchtopeningen regelmatig schoon
■ Controleer de ontstekings- en ionisatie-elektrode regelmatig en stel ze indien nodig bij en maak ze schoon
AANWIJZING
Defecte of beschadigde onderdelen moeten direct worden vervangen.
Gebruik ter vervanging uitsluitend originele onderdelen.
■ De apparaten moeten vrij van stof en andere afzettingen worden gehouden
■ De apparaten mogen uitsluitend droog of met een vochtige doek worden gereinigd
■ Geen directe waterstraal gebruiken. bijv. hogedrukreiniger enz.
■ Geen bijtende of oplosmiddelen bevattende reinigingsmiddelen gebruiken
■ Ook bij sterke verontreinigingen alleen geschikte reinigingsmiddelen gebruiken
AANWIJZING
Instellings- en onderhoudswerkzaamheden mogen alleen door geautoriseerd vakpersoneel worden uitgevoerd.
LET OP
Na alle werkzaamheden aan de apparaten moet een elektrische veiligheidscontrole volgens
VDE 0701 worden uitgevoerd.
11
REMKO serie PG
Demontage en reiniging van de gasbrander
1. Sluit de gastoevoer naar het apparaat en haal de voedingsstekker uit het stopcontact.
2. Demonteer het uitblaasrooster, de buitenmantel en het inspectiedeksel.
3. Draai klemschroef 6 van de mondstukhouder los.
4. Koppel de ontstekingskabel los van ontstekingselektrode 4.
5. Demonteer capillaire buis 3 van het thermo-element van de ontstekingsbeveiliging.
6. Draai klemschroef 5 op de elektrodenhouder los en trek de ontstekingselektrode er voorzichtig uit.
7. Trek het thermo-element met de capillaire buis voorzichtig naar beneden eruit.
Let hierbij speciaal op de zeer gevoelige capillaire buis!
8. Verwijder voorzichtig eventuele vuilafzettingen van de ontstekingselektrode en het thermo-element.
9. Verwijder de bevestigingsbouten van de gasbrander en neem de complete gasbrander uit het apparaat.
10. Reinig de gasbrander zorgvuldig met een geschikte borstel of met perslucht.
11. Reinig zo nodig het gasmondstuk.
Gebruik geen voorwerpen met scherpe randen!
Gasbrander
12. Verwijder voorzichtig afzettingen of vervuiling in het voetstuk van het apparaat.
13. Monteer na de reinigingswerkzaamheden de gasbrander weer voorzichtig in omgekeerde volgorde.
14. Draai klemschroef 6 weer vast nadat het gasmondstuk is geplaatst.
15. Stel de ontstekingselektrode en het thermo-element in aan de hand van de schets en draai klemschroef 5 van de elektrodenhouder vast.
16. Monteer alle andere onderdelen van het apparaat weer zorgvuldig in omgekeerde volgorde.
4
5
6
B
3
2
A
1
C
Apparaattype A
PG 25
B C ca. 3 ca. 15 ca. 20
PG 50 ca. 3 ca. 15 ca. 35
Alle maten in mm
Legenda:
1 = Gasbrander
2 = Thermo-element
3 = Capillaire buis
(vast onderdeel van het thermo-element)
4 = Ontstekingselektrode
5 = Klemschroef
(elektrode)
6 = Klemschroef
(gasmondstuk) LET OP
Er moet een functionele controle van alle apparaten worden uitgevoerd, waaronder een lekkagecontrole van alle gasaanvoerverbindingen
Bijvoorbeeld met: zeepoplossing of lekopsporingsspray.
AANWIJZING
Een sterk geelachtig vlampatroon duidt op onvoldoende toevoer van verse lucht of verontreiniging in het apparaat.
12
Verhelpen van storingen
Storingen:
Het apparaat start niet op.
Het apparaat schakelt uit tijdens bedrijf.
De ventilator draait, maar de gastoevoer is geblokkeerd of er is geen vlam.
De vlam dooft als de drukpen van de ontstekingsbeveiliging wordt losgelaten.
De gastoevoer is onderbroken of de vlam dooft.
Het apparaat verbruikt te veel brandstof.
Het apparaat kan niet worden uitgeschakeld.
Het verwarmingsvermogen daalt tijdens continubedrijf.
Oorzaak:
1 – 2 – 3 – 4 – 7
2 – 4 – 7 – 12 – 13
4 – 5 – 8 – 9 – 12
8 – 10 – 11
4 – 6 – 7 –10 – 11 – 12 – 13
12 – 15
3 – 14
13
Oorzaak:
1. Het apparaat heeft geen elektrische aansluiting.
Oplossing:
Sluit de stekker aan op een geschikt stopcontact
(230 V/50 Hz). Vervang de stekker als deze defect is.
Controleer de motor, ventilatorwaaier en meenemerkoppeling.
2. De ventilatormotor is overbelast of de luchttoevoerventilator loopt onregelmatig of is geblokkeerd.
3. De bedrijfsschakelaar is defect.
4. Geen gasdruk.
5. Er ontstaan geen ontstekingsvonken.
6. Het aanzuigrooster van de luchttoevoerventilator is vervuild.
7. Er is sprake van een uitschakeling door de temperatuurbegrenzer.
8. De ontstekingsbeveiliging opent de gastoevoer niet of houdt deze niet geopend.
9. De piëzo-ontsteker is defect.
10. Het thermo-element of de temperatuurbegrenzer is defect.
Vervang de bedrijfsschakelaar.
Controleer of er gas naar het apparaat wordt aangevoerd.
Controleer de inhoud van de gasflessen.
Controleer de gasslang op beschadigingen.
Ontgrendel de slangbreukbeveiliging of vervang deze.
Stel de ontstekingselektrode in volgens de specificatie.
Controleer de ontstekingskabel.
Controleerde de porseleinen isolatie van de elektrode.
Reinig de het aanzuigrooster.
Controleer het aanzuig- en uitblaasrooster (evt. reinigen).
Controleer of er voldoende frisse lucht wordt aangevoerd.
Vervang de ontstekingsbeveiliging.
Vervang de piëzo-ontsteker.
Controleer het thermo-element of de temperatuurbegrenzer en vervang deze zo nodig
Controleer de verbinding en reinig deze zo nodig.
11. Losse of vervuilde verbinding tussen de ontstekingsbeveiliging en het thermo-element.
12. De drukregelaar is defect, er is een verkeerde drukregelaar gemonteerd of de slangbreukbeveiliging (sbb) is vergrendeld.
13. De gasfles(sen) is/zijn bevroren als gevolg van grote gasafname en lage temperaturen.
14. De magneetklep sluit niet. Sluit de gastoevoer.
Monteer een originele drukregelaar.
Ontgrendel de slangbreukbeveiliging of vervang deze.
Vervang de gasfles(sen) en sluit 2-3 flessen aan met de meerflessenset, EDV-nr. 1014050.
Laat de vlam uitbranden.
Zet de bedrijfsschakelaar in stand "0" en haal de voedingsstekker uit het stopcontact.
Vervang de magneetklep.
Lokaliseer de lekkage met een schuimmiddel en verhelp de lekkage.
15. Lekkende gasleiding.
13
REMKO serie PG
Bedoeld gebruik
De apparaten zijn op basis van hun bouwkundige vervaardiging en uitrusting uitsluitend voor verwarmings- en ventilatiedoeleinden in industriële resp. commerciële (geen verwarming van woonruimte in particulier bereik) bereiken ontwikkeld.
Volgens DIN EN 1596 luidt de apparaatdefinitie: "niet voor huishoudelijk gebruik bedoelde luchtverwarmers zonder warmtewisselaars met geforceerde convectie".
De apparaten mogen uitsluitend door overeenkomstig geïnstrueerd personeel worden bediend.
Bij het niet opvolgen van de voorschriften van de fabrikant, van de betreffende wettelijke eisen of na eigenhandige wijzigingen aan de apparaten, is de fabrikant niet aansprakelijk voor de schade die dat tot gevolg heeft.
Klantenservice en garantie
Voorwaarde voor eventuele aanspraken op garantie is, dat de besteller of zijn afnemer in de periode van de verkoop en inbedrijfstelling de bij het apparaat meegeleverde
"Garantiecertificaat" volledig ingevuld naar
REMKO GmbH & Co. KG heeft teruggestuurd.
De apparaten zijn in de fabriek meerdere keren op de correcte werking gecontroleerd.
Mochten zich toch een keer storingen in de werking voordoen, die niet met behulp van het verhelpen van storingen door de gebruiker te verhelpen zijn, neem dan contact op met uw vakhandelaar resp. leverancier.
AANWIJZING
Een ander bedrijf/andere bediening dan in deze handleiding is aangegeven, is niet toegestaan.
Bij het niet opvolgen ervan vervalt iedere aansprakelijkheid en aanspraak op garantie.
AANWIJZING
Instellings- en onderhoudswerkzaamheden mogen alleen door geautoriseerd vakpersoneel worden uitgevoerd.
LET OP
Copyright
Het vermenigvuldigen, ook deels, of onbedoeld gebruik van deze documentatie is zonder schriftelijke toestemming van
REMKO GmbH & Co. KG niet toegestaan.
Milieubescherming en recycling
Afvoeren van de verpakking
Het afvoeren van het verpakkingsmateriaal dient op milieuvriendelijke wijze te worden uitgevoerd.
Onze apparaten zijn voor transport zorgvuldig verpakt en worden in een stabiele transportverpakking van karton en styropor geleverd.
Het verpakkingsmateriaal is milieuvriendelijk en kan worden gerecycled.
Met de recycling van verpakkingsmateriaal levert u een waardevolle bijdrage aan de afvalvermindering en het behoud van grondstoffen.
Lever het verpakkingsmateriaal daarom alleen in bij de daarvoor aangewezen inzamelplaatsen.
Afvoeren van een gebruikt apparaat
De productie van de apparaten wordt voortdurend op kwaliteit bewaakt.
Er worden uitsluitend hoogwaardige materialen gebruikt, die voor het grootste deel hergebruikt kunnen worden.
Draag ook bij aan de bescherming van het milieu door ervoor te zorgen dat uw gebruikte apparaat alleen milieuvriendelijk wordt verwerkt.
Breng het oude apparaat daarom alleen naar een geautoriseerd afvalverwerkingsstation of naar een overeenkomstig verzamelpunt.
14
15
REMKO serie PG
Apparaatafbeelding PG 25 (S-Line)
1
31 32 33 34
2, 2a
27
26
25
29
28
16
10
35
30
24
23
15
19
17
20
18
15
19
14
21
12
14
9
12
13
10
9
7
11
8
36 6 37
3
6
4
5
16
Wijzigingen in de afmetingen en de constructie, door de technische vooruitgang, voorbehouden.
Reserveonderdelenlijst
Nr. Omschrijving
1 Transportgreep
2 Buitenmantel PG 25
2a Buitenmantel PG 25 S-Line
3 Verbrandingskamer
4 Afsluitpaneel voor
5 Uitblaasrooster
6 Veiligheidstemperatuurbegrenzer
7 Inspectiedeksel
8 Klemmenstrook 6 contacten
9 Thermo-element
10 Ontstekingskabel
11 Ontstekingselektrode
12 Hoekstuk met buitendraad
13 Gasmondstuk
14 Gastoevoerleiding Z/D
15 Gastoevoerleiding M/R
16 Piëzo-ontsteker
17 Gasregelaar
18 Schroefverbinding M10x1
19 Gastoevoerleiding R/Z
20 Hoekstuk met binnendraad
21 Ontstekingsbeveiliging
23 GE-schroefverbinding
24 Magneetklep
25 Gasaansluitnippel
26 Instelknop cpl.
27 Bedrijfsschakelaar
28 Trekontlasting
29 Aansluitkabel met stekker
30 Afsluitpaneel achter
31 Ventilatormotor
32 Meenemerkoppeling B 6 Ø
33 Ventilatorwaaier
34 Koppelingsschijf
35 Gasbrander
36 Beschermhuls
37 Borgklem xx Drukregelaar met slangbreukbeveiliging xx 2 str. gasslang xx 2 str. hogedruk-gasslang (uitvoering voor bouwplaatsen volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30) xx 5 str. hogedruk-gasslang (uitvoering voor bouwplaatsen volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30) xx 10 str. hogedruk-gasslang (uitvoering voor bouwplaatsen volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30) xx Meerflessenset (2-3 flessen) xx T-stuk voor meerflessenset xx Nylon afdichting voor T-stuk xx Hogedrukslang 0,4 m voor meerflessenset xx = zonder afbeelding
Bij bestellingen van reserveonderdelen naast het EDV-nr. graag ook altijd het apparaatnummer (zie typeplaatje) opgeven!
17
1101375
1101417
1101304
1101395
1101470
1101419
1101174
1108410
1108411
1014050
1101177
1101178
1101179
1101169
1101396
1101376
1101134
1101192
1101188
1101267
1101320
1101480
1108049
1108455
1101392
1101164
1101283
1101180
1101316
1101159
1101452
1101441
1101364
1101411
1101409
1101451
1101468
EDV-nr.
1101142
1101399
1101072
1121186
1101479
1101383
1101197
1101385
1101366
REMKO serie PG
Apparaatafbeelding PG 50 (S-Line)
1
36
37
38
39
2, 2a
3
41
34
33
28
35
31
27
29
26
11
20 8
19
18
30
22
24
17
32
12
16
23
16 21 22
15
14 13
4
7
24
8
9
10 11 12
40
5
6
18
Wijzigingen in de afmetingen en de constructie, door de technische vooruitgang, voorbehouden.
Reserveonderdelenlijst
Nr. Omschrijving
1 Transportgreep
2 Buitenmantel PG 50
2a Buitenmantel PG 50 S-Line
3 Isolatie
4 Verbrandingskamer
5 Gasbrander
6 Uitblaasrooster
7 Gasmondstuk
8 Gastoevoerleiding Z/D
9 Hoekstuk met buitendraad
10 Ontstekingselektrode
11 Ontstekingskabel
12 Thermo-element
13 Steun, voor
14 Voetstuk van apparaat
15 Inspectiedeksel
16 Gastoevoerleiding R/Z
17 Hoekstuk met binnendraad
18 Ontstekingsbeveiliging
19 GE-schroefverbinding
20 Gasregelaar
21 Schroefverbinding M10x1
22 Gastoevoerleiding M/R
23 Steun, achter
24 Veiligheidstemperatuurbegrenzer
26 GE-schroefverbinding
27 Magneetklep
28 Piëzo-ontsteker
29 Gasaansluitnippel
30 Instelknop cpl.
31 Trekontlasting
32 Bedrijfsschakelaar
33 Klemmenstrook 6 contacten
34 Beschermhuls
35 Aansluitkabel met stekker
36 Aanzuigrooster
37 Ventilatormotor
38 Meenemerkoppeling B 8 Ø
39 Ventilatorwaaier
40 Borgklem
41 Koppelingsschijf xx Drukregelaar met slangbreukbeveiliging xx 2 str. gasslang xx 2 str. hogedruk-gasslang (uitvoering voor bouwplaatsen volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30) xx 5 str. hogedruk-gasslang (uitvoering voor bouwplaatsen volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30) xx 10 str. hogedruk-gasslang (uitvoering voor bouwplaatsen volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30) xx Meerflessenset (2-3 flessen) xx T-stuk voor meerflessenset xx Nylon afdichting voor T-stuk xx Hogedrukslang 0,4 m voor meerflessenset xx = zonder afbeelding
Bij bestellingen van reserveonderdelen naast het EDV-nr. graag ook altijd het apparaatnummer (zie typeplaatje) opgeven!
19
EDV-nr.
1101142
1101378
Op aanvraag
1101169
1101359
1101412
1101409
1101441
1101249
1101197
1101396
1101376
1101364
1101134
1101192
1101267
1101188
1101366
1101304
1101421
1101422
1101423
1101424
1101426
1101458
1101316
1101280
1101283
1101164
1101427
1101428
1101469
1101459
1101468
1101320
1101432
1101254
1101255
1101150
1101395
1101375
1101470
1101419
1101174
1108410
1108411
1014050
1101177
1101178
1101179
REMKO serie PG
Onderhoudsprotocol
✍
Apparaattype: ............................
Apparaatnummer: ...................................
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20
Apparaat gereinigd – buiten –
Apparaat gereinigd – binnen –
Ventilatorlamel gereinigd
Verbrandingskamer gereinigd
Gasbrander gereinigd
Ontstekingselektrode afgesteld
Gasslang op beschadigingen gecontroleerd
Gasaanvoeronderdelen op lekkage gecontr.
Veiligheidsinrichtingen gecontroleerd
Beschermende voorzieningen gecontroleerd
Apparaat op beschadigingen gecontroleerd
Alle bevestigingsschroeven gecontroleerd
Controle elektrische veiligheid
Testloop
Opmerkingen: .....................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
1. Datum: ..............
..............................
Handtekening
2. Datum: ..............
..............................
Handtekening
3. Datum: ..............
..............................
Handtekening
4. Datum: ..............
..............................
Handtekening
5. Datum: ..............
..............................
Handtekening
6. Datum: ..............
..............................
Handtekening
7. Datum: ..............
..............................
Handtekening
8. Datum: ..............
..............................
Handtekening
9. Datum: ..............
..............................
Handtekening
10. Datum: ............
..............................
Handtekening
11. Datum: ............
..............................
Handtekening
12. Datum: ............
..............................
Handtekening
13. Datum: ............
..............................
Handtekening
14. Datum: ............
..............................
Handtekening
15. Datum: ............
..............................
Handtekening
16. Datum: ............
..............................
Handtekening
17. Datum: ............
..............................
Handtekening
18. Datum: ............
..............................
Handtekening
19. Datum: ............
..............................
Handtekening
20. Datum: ............
..............................
Handtekening
20
Apparaat volgens de wettelijke voorschriften alleen door geautoriseerd vakpersoneel laten onderhouden.
Opmerkingen: .....................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
Technische gegevens
Serie
Nominale warmtebelasting max .
Nominaal verwarmingsvermogen P nom
Minimum verwarmingsvermogen P min
Luchtverplaatsing
Brandstof
Brandstof-/gastype
Energie-efficiëntieklasse
Aansluitdruk apparaat
Apparaataansluitwaarde
Hulpstroomverbruik bij nominaal verwarmingsvermogen el max bij minimum verwarmingsvermogen el min bij gereedheidstatus el
SB
Vermogensbehoefte van de pilotvlam P pilot
Thermisch rendement bij nominaal verwarmingsvermogen
η th,nom
Thermisch rendement bij minimum verwarmingsvermogen
η th,min kW kW kW m 3 /h bar kg/h kW kW kW kW
%
%
PG 25 (S-Line)
26,00
26,00
10,00
725
A
1,5
0,78 - 2,0
0,070
0,070
0,000
N/A
100,0
100,0
Vloeibaar gas
Cat I
3P
PG 50 (S-Line
55,00
55,00
25,00
1310
A
1,5
1,95 - 4,27
0,100
0,100
0,000
N/A
100,0
100,0
Type ruimtetemperatuurregeling
Twee of meer handmatig instelbare trappen, geen regeling van de ruimtetemperatuur
Stroomvoorziening
Nom. stroomopname
Zekering ( ter plaatse)
Beschermingsgraad
Geluidsdrukniveau L pA
1 m 1)
Afmetingen: Lengte
Breedte
Hoogte
Gewicht
Product-id
V/Ph/Hz
A
A
IP dB(A) mm mm mm kg
1) Geluidsmeting volgens DIN 45635 - 01 - KL 3 tijdens verwarmingsbedrijf
230/1~/50
0,6
10
11
56 - 69
450
260
410
12
CE-0085AP0240
230/1~/50
0,95
10
11
62 - 72
650
320
510
20
Wijzigingen in de afmetingen en de constructie, door de technische vooruitgang, voorbehouden.
21
REMKO serie PG
Elektrisch aansluitschema
PE L1 N
TE
6
L1 N 3 2 1
5 4 3 2 1
KL
STB
M
1 ~
C 1
Legenda:
KL = Klemmenstrook
M = Ventilatormotor
MV = Magneetklep
PZ = Piëzo-ontsteker
A3
A2
A1
MV
S
B6
B5
B4
PZ
Z
TMV
S = Bedrijfsschakelaar
STB = Veiligheidstemperatuurbegrenzer
TE = Thermo-element
TMV = Ontstekingsbeveiliging (thermo-elektrische gasklep)
Z = Ontstekingselektrode
22
23
REMKO KWALITEIT MEET SYSTEEM
Air-Conditioning | Warmte | Nieuwe energievormen
REMKO GmbH & Co. KG
Klima- und Wärmetechnik
Im Seelenkamp 12
32791 Lage
Telefoon +49 (0) 5232 606-0
Fax +49 (0) 5232 606-260
E-mail [email protected]
Internet www.remko.de
Hotline Nationaal
+49 (0) 5232 606-0
Hotline Internationaal
+49 (0) 5232 606-130
Download
Annonce