Simrad NSO evo3S Handleiding
PDF
Document
Publicitate
Publicitate
NSO evo3S™
Gebruikershandleiding
Nederlands
www.simrad-yachting.com
Voorwoord
Copyright
© 2024 Navico Group. Alle rechten voorbehouden. Navico Group is een divisie van Brunswick
Corporation.
Handelsmerken
®Reg. U.S. Pat. & Tm. Off en ™ algemene wettelijke markeringen. Ga naar www.navico.com/
intellectual-property om de wereldwijde handelsmerkrechten van Navico Group en andere
entiteiten te bekijken.
• Active Imaging™ is een handelsmerk van Navico Group.
• ActiveTarget® is een handelsmerk van Navico Group.
• Apple® is een handelsmerk van Apple Inc.
• App Store® en App Store-logo's zijn handelsmerken van Apple Inc.
• BEP® is een handelsmerk van Power Products, LLC.
• Bluetooth® is een handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc.
• BRP® is een handelsmerk van Bombardier Recreational Products Inc.
• Broadband 4G™ is een handelsmerk van Navico Group.
• Broadband Radar™ is een handelsmerk van Navico Group.
• C-MAP® is een handelsmerk van Navico Group.
• CZone® is een handelsmerk van Navico Group.
• DownScan Imaging™ is een handelsmerk van Navico Group.
• DownScan Overlay® is een handelsmerk van Navico Group.
• Easy Routing™ is een handelsmerk van Navico Group.
• evo™ is een handelsmerk van Navico Group.
• FishReveal™ is een handelsmerk van Navico Group.
• FLIR® is een handelsmerk van FLIR Systems, Inc.
• FreeSteer™ is een handelsmerk van Navico Group
• FUSION-Link™ is een handelsmerk van Garmin Ltd.
• ForwardScan® is een handelsmerk van Navico Group.
• Genesis® is een handelsmerk van Navico Group.
• Google Play™ store en Google Play-logo's zijn handelsmerken van Google LLC.
• Halo® is een handelsmerk van Navico Group.
• iPhone® is een handelsmerk van Apple, Inc.
• LiveSight™ is een handelsmerk van Navico Group.
• Mercury Marine® is een handelsmerk van Brunswick Corporation.
• Mercury® is een handelsmerk van Brunswick Corporation.
• NAC™ is een handelsmerk van Navico Group.
• Navico® is een handelsmerk van Navico Group.
• Navionics® is een handelsmerk van Navionics S.r.l.
• Naviop Loop® is een handelsmerk van Navico Group.
• NMEA 0183® is een handelsmerk van de National Marine Electronics Association.
• NMEA 2000® is een handelsmerk van de National Marine Electronics Association.
• NMEA® is een handelsmerk van National Marine Electronics Association.
• NSOevo3S™ is een handelsmerk van Navico Group.
• Power-Pole® is een handelsmerk van JL Marine Systems, Inc.
• QR code® is een handelsmerk van Denso Wave Incorporated.
• Recon™ is een handelsmerk van Navico Group
• SailSteer™ is een handelsmerk van Navico Group.
• SeaPro™ is een handelsmerk van Brunswick Corporation.
• Simrad® is een handelsmerk van Kongsberg Maritime AS, in licentie gegeven aan Navico
Group.
• SiriusXM® is een handelsmerk van Sirius XM Radio, Inc.
• SmartCraft® is een handelsmerk van Brunswick Corporation.
• StructureMap™ is een handelsmerk van Navico Group.
• Suzuki® is een handelsmerk van Suzuki Motor Corporation.
• VelocityTrack™ is een handelsmerk van Navico Group.
• Verado® is een handelsmerk van Brunswick Corporation.
• VesselView® is een handelsmerk van Brunswick Corporation.
• Wi-Fi® een handelsmerk van de Wi-Fi Alliance.
• Yamaha® is een handelsmerk van Yamaha Corporation.
Garantie
De garantie van dit product wordt als afzonderlijk document meegeleverd.
Veiligheid, disclaimer en naleving
De veiligheids-, disclaimer- en nalevingsverklaringen van dit product worden als afzonderlijk
document geleverd.
Internetgebruik
Sommige functies van dit product hebben een internetverbinding nodig om gegevens te
kunnen uploaden en downloaden.
Bij gebruik van een internetverbinding via een mobiele telefoon of een verbinding die per
MB wordt betaald dient u er rekening mee te houden dat het dataverbruik hoog kan zijn. Uw
internetprovider kan kosten in rekening brengen voor de hoeveelheid gegevens die u
overbrengt. Neem bij twijfel contract op met uw internetprovider voor de geldende tarieven
en beperkingen.
Meer informatie
Dit document is opgesteld met softwareversie 24.4.
De functies die in dit document staan beschreven en die erin zijn afgebeeld, kunnen
vanwege de voortdurende ontwikkeling van de software afwijken van wat u op uw unit ziet.
Ga voor de nieuwste versie van dit document in de ondersteunde talen, en andere
gerelateerde documentatie, naar www.simrad-yachting.com.
De handleiding op het scherm weergeven
Met de PDF-viewer in de unit kunt u handleidingen en andere PDF-bestanden op het scherm
lezen.
Er kunnen handleidingen worden gelezen vanaf een op de unit aangesloten opslagapparaat
of u kunt ze kopiëren naar het interne geheugen van de unit.
Hieronder ziet u een voorbeeld van de bestandsnaam van een handleiding. De
bestandsnamen van handleidingen variëren per unit.
Contact opnemen
Ga voor productondersteuning en service-informatie naar www.simrad-yachting.com/
contact-us.
Nieuwe functies
Deze softwareversie 24.4 bevat de volgende nieuwe functies:
Pagina
136
Functie
Ondersteuning van Recon trollingmotor
Inhoud
11 Inleiding
11
11
12
12
14
15
15
16
Bediening voorpaneel
Kaartlezer
USB-poort
Home pagina
Applicatiepagina's
Apparaat registreren
Mobiele Simrad app
Ondersteuning voor NMEA 0183® interface
17 Basisbediening
17
17
17
17
18
19
19
De unit in- en uitschakelen
Bediening van touchscreen, toetsenbord en muis
Externe bedieningsunits
Dialoogvenster Systeem regelingen
Single Sign-On
Scherm opname
Resetten naar fabrieksinstellingen
20 Aanpassen van uw systeem
20
20
20
20
21
21
23
23
23
23
24
De achtergrond van de startpagina aanpassen
Configureerbare WheelKey
De lange druk configureren
Pagina's met meerdere panelen
Favoriete pagina's aanpassen
De instrumentenbalk aanpassen
De splitsing aanpassen op pagina’s met meerdere panelen
Functies in- of uitschakelen
Wachtwoordbeveiliging
Functies ontgrendelen
Brug bediening
26 Kaarten
26
26
26
26
26
27
27
27
27
27
28
28
28
29
29
30
31
32
32
35
38
Het kaartpaneel
Kaartgegevens
Kaartbron selecteren
Dubbele kaartbronnen tonen
Vaartuigsymbool
Inzoomen op de kaart
De kaart verschuiven
Kaartoriëntatie
Vooruit kijken
Informatie over kaartitems weergeven
Gebruik van de cursor op het paneel
Afstand meten
Routes aanmaken op het kaartpaneel
Panelen voor het zoeken van objecten op de kaart
De functie Search and Rescue (SAR)
3D kaarten
Tracks kleuren op basis van gegevens
Kaartoverlay
C-MAP kaarten
Navionics-kaarten
Kaartinstellingen
40 Waypoints, routes en tracks
40
Dialoogvensters Waypoints, Routes en Tracks
Inhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
5
40
41
44
44
45
Waypoints
Routes
Tracks
Mijn gegevens synchroniseren
De synchronisatiefunctie gebruiken
46 Navigeren
46
46
47
47
47
Over navigeren
Navigatiepanelen
Menu-opties
Navigeren met de stuurautomaat
Navigatie-instellingen
50 TripIntel
50
50
50
50
51
51
51
52
52
Over TripIntel
Huidige tripstatistieken
Trip automatisch opnemen
Opname van trip starten en stoppen
Langetermijnstatistieken
Ring met geschat brandstofbereik
Brandstofmeter
Getij-meter
Tripopnamen weergeven
53 Radar
53
53
53
54
54
55
56
56
59
60
61
64
65
66
71
71
73
75
Over radar
Het radarpaneel
Dubbele radar
Radar-overlay
Operationele modi radar
Het radarbereik aanpassen
Sector onderdrukking
Het radarbeeld aanpassen
Cursor op een radarpaneel gebruiken
Geavanceerde radaropties
Meer opties
EBL/VRM markering
Een veiligheidszone rond uw vaartuig instellen
Doelen volgen
Radargegevens opnemen
MARPA doelen
Radarinstellingen
Mixed IMO and non-IMO network support
77 AIS
77
77
77
77
78
78
78
79
79
80
82
Over AIS
Selecteren van een AIS-doel
Zoeken naar AIS vaartuigen
Doelinformatie weergeven
Een AIS vaartuig oproepen
DSC-vaartuigtracering
AIS SART
Vaartuigalarmen
Gevaarlijke doelen
AIS-doelsymbolen en -pictogrammen
Vaartuiginstellingen
84 Echosounder
84
6
Vereisten
Inhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
84
84
84
84
85
85
85
85
86
87
88
92
94
Het beeld
Meerdere bronnen
Het beeld zoomen
Gebruik van de cursor op het paneel
Historie weergeven
Loggegevens opnemen
Opgenomen gegevens weergeven
Sonarlogs uploaden naar C-MAP Genesis
Het beeld aanpassen
Geavanceerde opties
Meer opties
Echosounderinstellingen
Active Imaging™ HD support
95 SideScan
95
95
95
95
95
96
96
97
97
98
98
Over SideScan
Het SideScan paneel
Het beeld zoomen
Gebruik van de cursor op het paneel
Historie weergeven
SideScan gegevens opnemen
Het beeld instellen
Geavanceerde opties
Meer opties
Echosounderinstellingen
SideScan FishReveal™
100 DownScan
100
100
100
100
100
100
101
101
102
102
Over DownScan
Het DownScan paneel
Het beeld zoomen
Gebruik van de cursor op het paneel
DownScan historie weergeven
DownScan gegevens opnemen
Instellen van het DownScan beeld
Geavanceerde opties
Meer opties
Echosounderinstellingen
103 3D sonar
103
103
103
103
104
104
104
104
105
105
106
106
Over 3D Sonar
Het 3D paneel
Het beeld zoomen
De cursor gebruiken op een 3D beeld
Waypoints opslaan
Opties 3D modus
Weergave van vissen
Beeldgeschiedenis weergeven
Het beeld instellen
Geavanceerde opties
Meer opties
Echosounderinstellingen
107 StructureMap
107
107
107
108
108
Over StructureMap
Het StructureMap beeld
StructureMap bronnen
StructureMap tips
StructureMaps gebruiken met topografische kaarten
Inhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
7
108 Structuuropties
110 ForwardScan
110
110
110
111
111
112
Informatie over ForwardScan
Het ForwardScan beeld
Het ForwardScan-beeld instellen
Meer opties
Voorl. koers verlenging
ForwardScan installatie-instellingen
115 ActiveTarget
115
115
115
116
116
116
116
116
117
118
119
Over ActiveTarget
ActiveTarget vooruit paneel
ActiveTarget neer paneel
ActiveTarget scout paneel
Het beeld zoomen
De echosounder pauzeren
Gebruik van de cursor op het paneel
ActiveTarget video opnemen
Modi en beeldinstellingen
Meer opties
ActiveTarget installatie-instellingen
121 ActiveTarget 2
121 Over ActiveTarget 2
121 Installatie van ActiveTarget 2
123 ActiveTarget 2 in een gesplitst scherm bekijken
124 LiveSight
124 LiveSight ondersteuning
125 Stuurautomaat
125
125
125
126
126
126
131
133
135
Veilige bediening met de stuurautomaat
Actieve stuurautomaat selecteren
De stuurautomaatcontroller
Inschakelen en uitschakelen van de stuurautomaat
Indicatie stuurautomaat
Stuurautomaatmodi
Een professioneel stuurautomaatsysteem bedienen
Stuurautomaat instellingen
SteadySteer
136 Stuurautomaat trollingmotor
136
136
136
137
137
137
140
140
141
145
Veilige bediening met de stuurautomaat
Actieve stuurautomaat selecteren
De stuurautomaatcontroller voor de trollingmotor
Inschakelen en uitschakelen van de stuurautomaat
Indicatie stuurautomaat
Stuurautomaatmodi
Een track opnemen en opslaan
Richting van onderste unit
Stuurautomaat instellingen
Ondersteuning van Rhodan trollingmotor
146 Buitenboord stuurautomaat
146 Veilige bediening met de stuurautomaat
146 Actieve stuurautomaat selecteren
147 De stuurautomaatcontroller voor de buitenboordmotoren
8
Inhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
147
148
148
152
Inschakelen en uitschakelen van de stuurautomaat
Indicatie stuurautomaat
Stuurautomaatmodi
Stuurautomaat instellen
154 Instrumenten
154
154
154
155
Over instrumentenpanelen
De app Instrumenten activeren/deactiveren
Een dashboard maken
Een dashboard selecteren
156 Video
156 Informatie over de videofunctie
156 Het videopaneel
156 Het videopaneel instellen
157 Audio
157
157
157
158
158
158
159
Over de audiofunctie
De audiocontroller
Audiosysteem opzetten
Een audiobron selecteren
Een AM/FM-radio gebruiken
Sirius radio
DVD video bekijken
160 Weer
160
160
160
160
161
162
166
Informatie over de weerfunctie
Windveren
Weerdetails tonen
Ondersteuning van Navico WM-4 marine satellite receiver
GRIB weer
SiriusXM weer
Weeralarmen
167 Internetverbinding
167
167
167
167
Internetgebruik
Ethernet verbinding
Wi-Fi®-verbinding
Draadloze instellingen
169 Afstandsbediening van de MFD
169
169
169
170
170
Opties voor afstandsbediening
Mobiele Simrad app
Verbinden via een hotspot
Verbinden met een MFD die fungeert als access point
Met Wi-Fi® verbonden afstandsbedieningen beheren
171 Uw telefoon gebruiken met de MFD
171
171
171
172
173
Over telefoonintegratie
Een telefoon aansluiten en koppelen
Telefoonmeldingen
Problemen met de telefoon oplossen
Bluetooth-apparaten beheren
174 Simulator
174 Info over
174 Winkelmodus
174 Simulator bronbestanden
Inhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
9
174 Geavanceerde simulatorinstellingen
175 Tools en instellingen
175 De werkbalk
176 Instellingen
178 Menu Alarms (Alarmen)
178
178
178
178
178
Over het alarmsysteem
Typen meldingen
Alarmindicatie
Een melding bevestigen
Alarmen
180 Onderhoud
180
180
180
180
180
180
182
182
Preventief onderhoud
Zonnescherm
Reinigen van de display-unit
Controleren van de connectoren
Kalibratie touchscreen
Software updates
Servicerapport
Back-up maken van uw systeemgegevens
185 Integratie van apparaten van derden
185
185
186
187
193
193
193
193
194
194
195
196
197
197
199
Integratie SmartCraft VesselView
Ondersteuning meerdere IP-camera's
FLIR® camerabediening
Integratie van Mercury buitenboordmotor
Integratie Suzuki® motor
Integratie van Suzuki® motorgateway
Integratie van Yamaha® motoren
Integratie BRP® motor
FUSION-Link™ integratie
BEP® CZone® integratie
Power-Pole® ankers
Power-Pole® oplaadmodule
Naviop
ITC Lighting
NMEA 2000® RGBW Lighting
206 Bijlage
206
207
208
208
10
Bediening via het aanraakscherm
Bediening met een toetsenbord
Bediening met een muis
Statusbalkpictogrammen
Inhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
1
Inleiding
Bediening voorpaneel
A
B
A
C
Touchscreen
B
Aan/uit-knop
• Ingedrukt houden: schakelt de unit in of uit
• Lang indrukken: hiermee wordt het dialoogvenster Fabrieks reset weergegeven.
Als u Ja selecteert, worden de fabrieksinstellingen van de unit hersteld en
worden alle door gebruikers gemaakte gegevens permanent verwijderd.
• Eenmaal kort indrukken: opent het dialoogvenster Systeem regelingen
• Herhaaldelijk kort indrukken: schakelt door vooraf ingestelde helderheidsniveaus
C
WheelKey: een knop die de gebruiker kan instellen. Voor meer informatie
raadpleegt u "Configureerbare WheelKey" op pagina 20.
Standaardinstelling wanneer er geen stuurautomaat op het systeem is aangesloten
• Kort indrukken: schakelen tussen de panelen op het gesplitste scherm
• Lang indrukken: het actieve paneel op het gesplitste scherm maximaliseren
Standaardinstelling wanneer er een stuurautomaat op het systeem is aangesloten
• Kort indrukken: de stuurautomaatcontroller wordt geopend en de
stuurautomaat wordt in de standby-modus gezet
• Lang indrukken: schakelen tussen de panelen op het gesplitste scherm
Kaartlezer
U kunt een geheugenkaart gebruiken voor:
Inleiding | NSO evo3S Gebruikershandleiding
11
•
•
•
•
•
Kaartgegevens
Software updates
Overdracht van gebruikersgegevens
Gebruikersgegevens loggen
Systeemback-ups
Ú Notitie: Zorg dat u geen bestanden downloadt, overdraagt of kopieert naar een kaart
met cartografische producten. Dat kan de cartografische informatie op de kaart
beschadigen.
Ú Notitie: Er kunnen geheugenkaarten van maximaal 32 GB worden gebruikt. Er kunnen
ook bepaalde kaarten met een hogere capaciteit worden gebruikt, maar die moeten
worden geformatteerd met NTFS.
USB-poort
De USB-poort kan worden gebruikt om:
• Een toetsenbord aansluiten.
• Een muis aansluiten.
• Een opslagapparaat aansluiten.
• Een kaartlezer aansluiten.
Ú Notitie: Als u kaarten wilt lezen met een USB-kaartlezer die is aangesloten op de USBpoort, hebt u een MI10 USB-kaartlezer nodig.
De USB-apparaten dienen standaard pc-compatibele hardware te zijn.
Ú Notitie: USB-kabels mogen niet langer zijn dan 5 m bij gebruik van gewone kabels.
Kabels met een lengte van meer dan 5 m kunnen mogelijk zijn als een actieve USB-kabel
wordt gebruikt.
Home pagina
De Home pagina is op elk moment toegankelijk door de knop Home te selecteren.
A
De knop Instellingen
C
Knoppen voor toepassingspagina's
B
D
E
F
G
H
12
Werkbalk
Statusbalk
Knop Sluiten, sluit het huidige venster
Knop Systeem regelingen
Favorietenbalk
Knop Man overboord (MOB)
Inleiding | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Knop Instellingen
Selecteer om toegang te krijgen tot dialoogvensters voor applicatie- en functie-instellingen.
Deze dialoogvensters worden gebruikt om de functie te configureren tijdens de installatie en
voor het opgeven van gebruikersinstellingen. De dialoogvensters met instellingen worden
aan het einde van elk hoofdstuk van de toepassing uitgelegd.
Knoppen op de werkbalk
Bieden opties en hulpmiddelen die niet paneel-specifiek zijn. Zie "Tools en instellingen" op pagina
175 voor uitleg over de knoppen op de werkbalk.
Statusbalk
Toont de status van het systeem. Zie "Statusbalkpictogrammen" op pagina 208 voor definities van
pictogrammen op de statusbalk.
Applicatieknoppen
Selecteer een applicatieknop om deze te openen. Welke applicatieknoppen er op de
startpagina worden weergegeven, is afhankelijk van de applicaties die in uw systeem zijn
ingesteld.
Houd een applicatieknop ingedrukt om vooraf geconfigureerde gesplitste pagina's voor de
applicatie weer te geven. Selecteer een vooraf gedefinieerde knop Pagina splitsen om de
gesplitste pagina te openen.
Brug bediening
Veeg omlaag op de startpagina om de functie Brug bediening te openen. Met de functie
Brug bediening kunt u bepalen welke pagina's op verschillende beeldschermen tegelijk
worden weergegeven. Raadpleeg "Brug bediening" op pagina 24 voor meer informatie.
Aan/uit-knop
Opent het dialoogvenster Systeem regelingen. Het dialoogvenster Systeem regelingen biedt
snelle toegang tot basisinstellingen van het systeem. Zie "Dialoogvenster Systeem regelingen" op
pagina 17.
Favorietenbalk
De favorietenbalk bevat vooraf geconfigureerde pagina's en favoriete pagina's die u hebt
gemaakt. Selecteer een knop voor een favoriete pagina om de pagina te openen.
Favoriete pagina's kunnen uit één of meerdere panelen bestaan. De weergavegrootte van de
unit bepaalt het aantal panelen dat kan worden opgenomen op een favoriete pagina.
De favorietenbalk bevat ook favoriete functies voor het bewerken van pagina's. Alle favoriete
pagina's kunnen worden gewijzigd. Raadpleeg "Favoriete pagina's aanpassen" op pagina 21 voor
informatie over het toevoegen en wijzigen van favoriete pagina's.
Favoriete balk weergeven als pop-upvenster op een pagina
De favoriete balk kan worden weergegeven op elke pagina door:
• De knop Home ingedrukt te houden
• De knop Pagina’s op een externe bedieningsunit ingedrukt te houden
• Tegelijkertijd op de toetsen Ctrl en puntkomma (;) op een toetsenbord drukken
Ondersteuning voor NMEA 2000® externe knop
Het MFD is compatibel met de NMEA 2000® externe knop, een externe drukknop die is
verbonden met de NMEA® backbone en die wordt gebruikt om een MOB waypoint (crew
overboard) op de locatie van het vaartuig te markeren.
Meer informatie vindt u in de documentatie bij het product.
MOB-waypoint
In een noodsituatie kunt u een MOB-waypoint (crew overboard) opslaan op de huidige
positie van het vaartuig.
Inleiding | NSO evo3S Gebruikershandleiding
13
Een MOB aanmaken
Een MOB waypoint (crew overboard) maken:
• Selecteer de knop MOB op de Home pagina
• Druk op de knop MOB op een externe bedieningsunit
• Houd op een toetsenpaneel de toets F12 ingedrukt
Als u de MOB functie activeert, wordt automatisch één van de volgende acties uitgevoerd:
• Op de positie van het vaartuig wordt een MOB-waypoint geplaatst
• Het display schakelt over naar een ingezoomd kaartpaneel, gecentreerd op de positie van
het vaartuig
• Het systeem geeft informatie over terugnavigeren naar het MOB-waypoint
Er kunnen meerdere MOB-waypoints worden gemaakt. Het vaartuig blijft navigatieinformatie terug naar het initiële MOB-waypoint tonen. De navigatie naar daaropvolgende
MOB-waypoints dient handmatig plaats te vinden.
Een MOB verwijderen
U kunt een MOB-waypoint uit het menu verwijderen als de MOB is geactiveerd.
Stoppen met navigeren naar MOB
Het systeem blijft navigatiegegevens naar het MOB-waypoint weergeven totdat de navigatie
in het menu wordt geannuleerd.
Applicatiepagina's
A
Knop Home/Pagina's
C
Menuknop
B
D
E
Applicatiepaneel
Instrumentenbalk
Bedieningsbalk
Applicatiepanelen
In een applicatiepaneel wordt de applicatie weergegeven en wordt een menu met
aanpassingsopties weergegeven. De applicatiepanelen en de menuopties worden verder
uitgelegd in deze handleiding in elk hoofdstuk van de toepassing.
Vooraf gedefinieerde gesplitste pagina’s
Een vooraf gedefinieerde gesplitste pagina toont meer dan één applicatiepagina op een
paneel.
U kunt de splitsing op een vooraf gedefinieerde gesplitste pagina aanpassen. Zie "De splitsing
aanpassen op pagina’s met meerdere panelen" op pagina 23.
14
Inleiding | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Menuknop
Geeft het menu van het actieve paneel weer. Gebruik menuopties om het beeld aan te
passen. De menu-opties van het paneel worden verderop in deze handleiding in elk
hoofdstuk van de toepassing verder uitgelegd.
Instrumentenbalk
De instrumentenbalk geeft informatie weer van sensoren die op het systeem zijn
aangesloten.
De instrumentenbalk wordt standaard op het paneel getoond. U kunt de instrumentenbalk
uitzetten.
U kunt een vooraf gedefinieerde balk selecteren die weergegeven moet worden en u kunt
de informatie wijzigen die op de vooraf gedefinieerde balk wordt weergegeven. Zie "De
instrumentenbalk aanpassen" op pagina 21.
Bedieningsbalk
De bedieningsbalk bevat knoppen voor het starten van de controllers of functies die in uw
systeem zijn ingeschakeld. De verschillende controllers worden verderop in de handleiding
beschreven in de desbetreffende hoofdstukken.
Apparaat registreren
U wordt tijdens het opstarten gevraagd om uw apparaat te registreren. U kunt het apparaat
ook registreren door de instructies te volgen bij het selecteren van de optie Aansluiten en
registreren in het dialoogvenster met systeeminstellingen of het dialoogvenster met
systeembesturingselementen.
Mobiele Simrad app
U kunt de app Simrad: Boating & Navigation downloaden uit de Apple® App Store® en
Google Play® store.
Ú Notitie: De mobiele app is optioneel en heeft geen invloed op de normale werking van
uw display. Raadpleeg de beschrijving van de App Store om te controleren of de app
compatibel is met uw mobiele apparaat.
Zodra de koppeling tot stand is gebracht, kunt u de app gebruiken om het volgende te
doen:
• Registreer uw display.
• Bekijk en download de productdocumentatie.
• Maak en synchroniseer waypoints, routes en tracks.
Inleiding | NSO evo3S Gebruikershandleiding
15
•
•
•
•
•
Ontdek Points of Interest (nuttige plaatsen, POI).
Houd het scheepvaartverkeer en het weer in de gaten.
Spiegel en bedien uw display vanaf uw mobiele apparaat.
Neem een abonnement op Premium-kaarten.
Download software-updates voor het display en pas deze toe.
Ú Notitie: Er is een internetverbinding vereist om uw gegevens te synchroniseren met
cloudservices vanaf de display-unit of het mobiele apparaat.
Ú Notitie: Gebruik de hotspotfunctie op het display om rechtstreeks verbinding te maken
met uw mobiele apparaat via Wi-Fi® voor schermspiegeling en -regeling.
Ondersteuning voor NMEA 0183® interface
Het MFD is compatibel met het NMEA 0183® interfaceapparaat dat wordt geproduceerd
door Navico Group. Het apparaat decodeert NMEA 0183® en converteert de gegevens naar
NMEA 2000® en omgekeerd.
Het NMEA® 0183 interfaceapparaat kan worden geconfigureerd op het MFD, d.w.z. welke
zinnen worden verzonden of ontvangen, en de baud rate voor de gegevens.
Meer informatie vindt u in de documentatie bij het product.
16
Inleiding | NSO evo3S Gebruikershandleiding
2
Basisbediening
De unit in- en uitschakelen
Het systeem wordt ingeschakeld door op de aan/uit-knop te drukken.
Houd de Aan/uit-knop ingedrukt om de unit uit te schakelen
Als de knop wordt losgelaten voordat de apparatuur is uitgeschakeld, wordt de uitschakeling
geannuleerd.
U kunt de unit ook uitschakelen in het dialoogvenster Systeem regelingen.
Voor de eerste keer opstarten
Wanneer de unit de eerste keer wordt opgestart, of na het resetten, worden er verschillende
dialoogvensters op de unit weergegeven. Volg de aanwijzingen in de dialoogvensters om de
basisinstellingen in te voeren.
In het dialoogvenster Systeem regelingen kunt u verdere instellingen invoeren en
instellingen later wijzigen.
De modus Standby
In de standby-modus wordt het achtergrondlicht voor het touchscreen en de toetsen
uitgeschakeld om energie te besparen. Het systeem blijft op de achtergrond actief.
U kunt de standby-modus selecteren in het dialoogvenster Systeem regelingen.
Schakel vanuit de standby-modus naar normale werking door de Aan/uit-knop kort in te
drukken.
Bediening van touchscreen, toetsenbord en muis
Raadpleeg "Bijlage" op pagina 206 voor meer informatie over het bedienen van touchscreen,
toetsenbord en muis.
Externe bedieningsunits
U kunt een externe bedieningsunit verbinden met het netwerk en de unit op afstand
bedienen. Om te zien welke externe bedieningsunits gebruikt kunnen worden, raadpleegt u
de webpagina van het product op:
www.simrad-yachting.com.
De externe bedieningsunit wordt geleverd met een afzonderlijke handleiding.
Dialoogvenster Systeem regelingen
Het dialoogvenster Systeem regelingen biedt snelle toegang tot basisinstellingen van het
systeem.
Welke knoppen in het dialoogvenster worden weergegeven hangt af van de operationele
modus en de aangesloten apparatuur.
Voor functies die in- en uitgeschakeld kunnen worden, geeft een gemarkeerde knop aan dat
de functie is geactiveerd.
Geef het dialoogvenster weer door:
• op de Aan/uit-knop te drukken
• de knop Systeem regelingen selecteren op de Home pagina
• te vegen vanaf de bovenkant van het scherm op applicatiepagina's
Basisbediening | NSO evo3S Gebruikershandleiding
17
Functies activeren
Selecteer de knop van de functie die u wilt openen, instellen of in- of uitschakelen. Voor
functies die in- en uitgeschakeld kunnen worden, geeft een gemarkeerde knop aan dat de
functie is geactiveerd.
De modus Standby
In de standby-modus wordt het achtergrondlicht voor het touchscreen en de toetsen
uitgeschakeld om energie te besparen. Het systeem blijft op de achtergrond actief.
U kunt de standby-modus selecteren in het dialoogvenster Systeem regelingen.
Schakel vanuit de standby-modus naar normale werking door de Aan/uit-knop kort in te
drukken.
Displayverlichting
Helderheid
U kunt de vooraf ingestelde verlichtingsniveaus doorlopen door telkens kort op de Aan/uitknop te drukken.
De achtergrondverlichting van het display kan ook worden ingesteld in het dialoogvenster
Systeem regelingen.
Nachtmodus
De nachtmodus kan worden geactiveerd in het dialoogvenster Systeem regelingen.
De optie Nachtmodus zorgt voor een optimaal kleurpalet in omstandigheden met weinig
licht.
Het touchscreen vergrendelen
U kunt het touchscreen tijdelijk vergrendelen om te voorkomen dat het per ongeluk wordt
bediend.
U vergrendelt het touchscreen in het dialoogvenster Systeem regelingen.
U heft de vergrendeling op door op de Aan/uit-knop te drukken en deze ingedrukt te
houden.
Instrumentenbalk
Hiermee schakelt u de instrumentenbalk in/uit voor alleen de huidige pagina.
Single Sign-On
Gebruik de SSO-verificatiemethode (Single Sign-On, oftewel eenmalige aanmelding) om u
aan te melden bij uw app-account en automatisch veilige toegang te krijgen zonder dat u
uw aanmeldingsgegevens hoeft in te voeren via het multifunctionele display (MFD). Deze
verificatiemethode vereenvoudigt het proces van toegang tot uw account via het MFDtoetsenbord, terwijl het niet nodig is om een registratie van aanmeldingsreferenties bij te
houden.
Eenmalige aanmelding (SSO)
Notitie: Er is een internetverbinding vereist voor aanmelding bij uw app-account.
U kunt zich aanmelden via SSO met een QR-code® op uw MFD, of via een webbrowser.
Aanmelden via SSO:
1. Ga op uw MFD naar Instellingen > Services en selecteer Mijn gegevens
synchroniseren.
18
Basisbediening | NSO evo3S Gebruikershandleiding
2. Gebruik uw mobiele apparaat om de QR-code® te scannen die wordt weergegeven op de
aanmeldingspagina of open een webbrowser op uw mobiele apparaat en voer
handmatig het webadres in dat wordt vermeld op het MFD.
3. Voer uw e-mailadres in wanneer u daar om wordt gevraagd.
Notitie: Als u geen account hebt, wordt u doorgestuurd naar de aanmeldingspagina. Voeg
uw gegevens toe om een account te maken.
4. Code controleren:
• Wanneer u zich aanmeldt via de webbrowser, voert u de code in die wordt weergegeven
op de MFD.
• Wanneer u zich aanmeldt via QR code®, controleert u of de code op uw mobiele apparaat
overeenkomt met de code op het MFD en selecteert u Ja, verbinding toestaan. Als de
codes niet overeenkomen, kunt u de code handmatig invoeren of het verbindingsverzoek
afwijzen.
Als er verbinding is, wordt er een bericht weergegeven op zowel uw mobiele apparaat als
het MFD en wordt uw gebruikers-ID weergegeven op de pagina Mijn Simrad account .
Als u zich wilt afmelden, gaat u naar Instellingen > Services > Mijn Simrad account en
selecteert u Afmelden.
U kunt Mijn gegevens synchroniseren ook openen vanuit het dialoogvenster
Systeembediening.
Scherm opname
In het dialoogvenster Systeeminstellingen kunt u de functie Scherm opname in- of
uitschakelen.
Het maken van een schermopname:
• Tik op de statusbalk of de dialoogvenstertitel
• Bediening via het toetsenbord: Druk op de toets PrintScrn of druk op Ctrl + \
Schermopnamen worden in het interne geheugen opgeslagen.
Resetten naar fabrieksinstellingen
Indien nodig kunt u de fabrieksinstellingen van het multifunctionele display (MFD) resetten.
Door de fabrieksinstellingen te resetten, verwijdert u alle door gebruikers gemaakte
gegevens permanent. Maak een back-up van belangrijke gebruikersgegevens zoals
waypoints, routes en tracks op een opslagapparaat voordat u de MFD terugzet naar de
fabrieksinstellingen. Raadpleeg "Back-up maken van uw systeemgegevens" op pagina 182 voor meer
informatie.
Als u de fabrieksinstellingen van de unit wilt resetten, schakelt u de unit uit en houdt u de
aan-uitknop (circa tien seconden) ingedrukt totdat u twee pieptonen hoort. Het
dialoogvenster Fabrieks reset wordt weergegeven. Selecteer Ja om de fabrieksinstellingen
van de unit te resetten. Selecteer Nee om de unit normaal te starten.
Ú Notitie: Als u de fabrieksinstellingen reset op een MFD in een systeem met een oudere
stuurautomaatcomputer uit de Simrad AC serie, worden ook de
stuurautomaatinstellingen gereset. Om dit te voorkomen, verbreekt u de verbinding met
het NMEA 2000® netwerk voordat u de reset uitvoert.
Basisbediening | NSO evo3S Gebruikershandleiding
19
3
Aanpassen van uw systeem
De achtergrond van de startpagina aanpassen
U kunt de wallpaper van de Home pagina aanpassen. U kunt een foto uit het systeem
selecteren of uw eigen foto in .jpg- of .png-indeling gebruiken.
De beelden kunnen zich op elke gewenste locatie bevinden die zichtbaar is in de
opslagbrowser. Als u een foto kiest als wallpaper, wordt deze automatische gekopieerd naar
de map Wallpaper.
Configureerbare WheelKey
Configureert de werking van de WheelKey aan de voorkant van de unit.
Als u de Wheelkey wilt configureren, drukt u op Instellen WheelKey in het dialoogvenster
Systeem regelingen.
De lange druk configureren
U kunt instellen of met een lange druk op het paneel het menu wordt geopend of de
cursorondersteuning op het paneel wordt getoond.
Pagina's met meerdere panelen
Paneelformaten in een pagina met meerdere panelen kunnen worden aangepast in het
dialoogvenster Systeem regelingen. Zie "De splitsing aanpassen op pagina’s met meerdere panelen" op
pagina 23.
Op een pagina met meerdere panelen kan er slechts een paneel tegelijk actief zijn. Het
actieve paneel heeft een rand.
U hebt alleen toegang tot het menu van het actieve paneel.
Pagina met 2 panelen
20
Aanpassen van uw systeem | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Pagina met 3 panelen
De schaduwcursor op een pagina met meerdere panelen
Wanneer u de cursor op een sonarbeeld (sonar, DownScan of SideScan) op een pagina met
meerdere panelen gebruikt, wordt de cursor op het andere sonarscherm (sonar, DownScan
en SideScan), kaart- en radarpanelen geschaduwd.
Favoriete pagina's aanpassen
Nieuwe favoriete pagina's toevoegen
Gebruik het pictogram Toevoegen op de home pagina om een favoriete pagina toe te
voegen. Sleep in het dialoogvenster Pagina editor de panelen die u wilt opnemen in de
favoriete pagina naar de gewenste plaats.
Favoriete pagina's bewerken
Selecteer de knop Wijzigen in het favorietenpaneel en daarna:
• Selecteer het pictogram X op favoriete knop om de pagina te verwijderen
• Selecteer het toolpictogram op een favoriete knop om het dialoogvenster Pagina editor
weer te geven
De instrumentenbalk aanpassen
Ú Notitie: U moet de instrumentenbalk in de toepassing activeren om het menu van de
instrumentenbalk te openen.
De instrumentenbalk in- of uitschakelen
De instrumentenbalk wordt standaard op het paneel getoond.
U kunt de instrumentenbalk aan-/uitzetten in het dialoogvenster Systeem regelingen.
Aanpassen van uw systeem | NSO evo3S Gebruikershandleiding
21
Een vooraf gedefinieerde instrumentenbalk selecteren
Gebruik het menu om een vooraf gedefinieerde op activiteit gebaseerde instrumentenbalk
te selecteren.
Gegevens wijzigen
U kunt gegevens in het menu wijzigen.
De instrumentenbalk resetten
U kunt via de menu-optie Bewerken de instrumentenbalk resetten en de vooraf
gedefinieerde standaardmeters weer laten geven.
Brandstofzuinigheidsmeter
U kunt de brandstofzuinigheidsmeter weergeven in de instrumentenbalk op
applicatiepagina's. Selecteer de vooraf gedefinieerde brandstofbalk of wijzig een meterbron
in de optie Brandstofzuinigheid in de categorie Vaartuig van het dialoogvenster Gegevens
kiezen.
A
Digitaal aflezen van het huidige verbruik
C
100% efficiëntie, dit komt neer op het 'nominale verbruik'
B
D
E
F
G
Eenheden waarin brandstofzuinigheid wordt gemeten
120% efficiëntie
Gemiddelde brandstofzuinigheid
Verbruik op dit moment
Huidig brandstofniveau
De brandstofzuinigheidsmeter laat het huidige en het historisch gemiddelde
brandstofverbruik zien. Het begin van de groene zone stelt de ‘nominale
brandstofzuinigheid’ voor, en er is nog een extra gebied van 20% zichtbaar. Hierin wordt uw
brandstofefficiëntie weergegeven als deze hoger dan nominaal is.
Hoe efficiënter uw brandstofverbruik, hoe verder de buitenste blauwe ring opschuift in de
richting van het groene deel van de schaal. Wanneer u met uw vaartuig nominale efficiëntie
bereikt, bevindt u zich in de groene zone. Als het u lukt om een hogere efficiëntie te bereiken
dan uw nominale efficiëntie, dan bevindt u zich ergens in het bovenste deel van de groene
zone.
22
Aanpassen van uw systeem | NSO evo3S Gebruikershandleiding
De nominale brandstofzuinigheid kan worden ingevoerd in het dialoogvenster
Vaartuiginstellingen dat toegankelijk is vanuit het dialoogvenster Brandstofinstellingen.
U kunt uw gemiddelde brandstofzuinigheid resetten met de knop Reset brandstofzuinigheid
in het dialoogvenster Brandstofinstellingen. Wanneer u deze instelling reset begint het
systeem opnieuw met het berekenen van het gemiddelde.
De eenheden voor de brandstofzuinigheidsmeter kunt u instellen in het veld Zuinigheid in
het dialoogvenster Eenheden.
De splitsing aanpassen op pagina’s met meerdere panelen
1. Open de pagina met meerdere panelen
2. Open het dialoogvenster Systeem regelingen
3. Selecteer de optie Splitsing aanpassen. Het aanpassingspictogram wordt weergegeven
op de pagina met meerdere panelen.
4. Gebruik het aanpassingspictogram om de splitsing naar de gewenste positie te
verplaatsen
5. Gebruik de menuopties om uw wijzigingen op te slaan of te annuleren.
Functies in- of uitschakelen
Een compatibel apparaat dat aan de unit is verbonden, wordt automatisch door het systeem
geïdentificeerd. Als dat niet het geval is, kunt u deze functie inschakelen in het
dialoogvenster Geavanceerde instellingen.
Wachtwoordbeveiliging
U kunt een pincode instellen om ongeoorloofde toegang tot uw systeeminstellingen te
voorkomen. Zie "Pincode" op pagina 176.
Functies ontgrendelen
Een aantal extra functies kunnen afzonderlijk worden gekocht. Deze functies kunnen worden
ontgrendeld door een ontgrendelingscode in te voeren.
Selecteer de functie die u wilt ontgrendelden. Volg de instructies voor het aanschaffen en
invoeren van de functie-ontgrendelingscode.
Nadat een functie-ontgrendelingscode is ingevoerd in de unit, is de functie beschikbaar voor
gebruik.
Ú Notitie: De optie Functie ontgrendelen is alleen beschikbaar als uw unit een
vergrendelde functie ondersteunt.
Aanpassen van uw systeem | NSO evo3S Gebruikershandleiding
23
Brug bediening
Over Bridge Control
Met de functie Bridge Control kunt u bepalen welke pagina's tegelijkertijd op verschillende
schermen worden weergegeven. De functie wordt gebruikt op vaartuigen met meerdere
displays die op dezelfde plaats zijn gemonteerd om snel te configureren welke informatie
wordt weergegeven.
Er kunnen maximaal vier verschillende bruggen op uw systeem aanwezig zijn en u kunt
maximaal vier displays binnen één brug hebben. Elk scherm kan slechts binnen één bridge
worden geconfigureerd.
Wanneer de displays in een bridge zijn opgenomen, kunt u voor elke bridge twaalf
paginaconfiguraties (voorinstellingen) configureren.
Displays toevoegen aan een brug
Ú Notitie: Alle displays moeten ingeschakeld zijn om beschikbaar te zijn voor
brugconfiguratie.
1. Open het dialoogvenster Brug configuratie
2. Selecteer of u een nieuwe brug wilt configureren of een bestaande wilt bewerken
- De Brug configuratie voor de geselecteerde brug wordt weergegeven, met alle
displays die nog niet aan een brug zijn toegewezen
3. Selecteer het display dat u wilt toevoegen aan de brug
- Rangschik de displays van links naar rechts in dezelfde fysieke opstelling als de displays
op uw huidige brug/dashboard/roer
4. Wijzig de naam van de brug, indien gewenst
5. Sla de configuratie op
De knop Brug bediening wordt weergegeven op de startpagina van alle displays die voor
een brug zijn geconfigureerd.
De vooraf ingestelde pagina's voor displays in een brug configureren
1. Activeer het paneel Brug bediening door omlaag te vegen op de startpagina.
2. Selecteer het pictogram Toevoegen om een nieuwe brugpagina toe te voegen. Selecteer
het pictogram Wijzigen om een bestaande pagina te bewerken.
3. Selecteer het display waarvoor u de vooraf ingestelde pagina wilt definiëren.
- De pagina-indeling voor het geselecteerde display wordt opgehaald vanaf het netwerk
en bevat de belangrijkste functies en de geconfigureerde favoriete pagina's.
4. Selecteer de voorkeurspagina.
- Selecteer een lege pagina als u niet wilt dat het display wordt toegevoegd aan de
geselecteerde Voorinstellingen brug.
5. Herhaal stap 3 en 4 tot er een pagina is geconfigureerd voor alle displays in alle
Voorinstellingen brug.
24
Aanpassen van uw systeem | NSO evo3S Gebruikershandleiding
6. Selecteer het pictogram Bewerken om de modus Toevoegen of Wijzigen te verlaten en
uw configuratie op te slaan.
Brugvoorinstellingen selecteren
U kunt een overzicht van beschikbare brugvoorinstellingen weergeven door de optie Brug
bediening op de Home pagina te openen.
Wanneer u een van de vooraf ingestelde configuraties selecteert, schakelen alle apparaten in
die brug over naar de vooraf geconfigureerde pagina's.
Aanpassen van uw systeem | NSO evo3S Gebruikershandleiding
25
4
Kaarten
Het kaartpaneel
A
Noordindicator
C
Kaartschaal
B
D
E
Vaartuig
Rasterlijnen*
Afstandsringen*
* Optionele kaartitems. Optionele kaartitems kunnen worden in- en uitgeschakeld vanuit het
dialoogvenster Kaartinstellingen.
Kaartgegevens
Het systeem kan worden geleverd met vooraf geïnstalleerde kaarten.
Ga naar de website voor het volledige aanbod van ondersteunde kaarten.
Ú Notitie: De kaartopties hangen af van de kaart die u gebruikt.
Kaarten die op een elektronische kaart staan, worden gedeeld via het Ethernet-netwerk. Er is
dus meer een elektronische kaart per vaartuig nodig.
Ú Notitie: Als de elektronische kaart wordt verwijderd, schakelt het systeem niet
automatisch over naar vooraf geladen kaarten. Een kaart met lage resolutie wordt
weergegeven tot u de elektronische kaart terugplaatst of handmatig terugschakelt naar
de vooraf geladen kaarten.
Kaartbron selecteren
De beschikbare kaartbronnen worden weergegeven in het menu.
Als u over identieke kaartbronnen beschikt selecteert het systeem automatisch de kaart met
de meeste kaartdetails voor uw weergegeven regio.
Dubbele kaartbronnen tonen
Als u over verschillende kaartbronnen beschikt kunt u twee verschillende kaartbronnen
tegelijk op een pagina met twee kaartpanelen weergeven.
Activeer iedere kaartpagina en selecteer de bron in het menu.
Vaartuigsymbool
Als het systeem over een geldige GPS-positievergrendeling beschikt, geeft het
vaartuigsymbool de vaartuigpositie aan. Als er geen GPS-positie beschikbaar is, staat er een
vraagteken in het vaartuigsymbool.
Als er geen informatie over de koers beschikbaar is, oriënteert het vaartuigpictogram zich
met behulp van de grondkoers (COG).
26
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Inzoomen op de kaart
Op het kaartpaneel worden bereikschalen en bereikringen getoond (indien ingeschakeld). U
kunt de schaal wijzigen door in en uit te zoomen op de kaart.
De kaart verschuiven
U kunt de kaart in alle richtingen verschuiven door:
• Het scherm slepen
• Verplaats de cursor met de pijltoetsen naar de rand van het kaartpaneel
Kaartoriëntatie
U kunt opgeven hoe de kaart wordt geroteerd in het paneel.
Noord boven
Toont de kaart met het noorden naar boven.
Vaarrichting boven
Toont de kaart met de vaarrichting van het vaartuig (A) naar
boven. Vaarrichtingsinformatie wordt ontvangen van een
kompas. Als er geen vaarrichting beschikbaar is, wordt de COG
van de GPS gebruikt.
Koers boven
De kaartrichting hangt af van of u al dan niet navigeert:
• Als u navigeert, is de gewenste koerslijn (B) naar boven
gericht
• Als u niet navigeert, is de richting waarin het vaartuig vaart
(COG) naar boven gericht
Vooruit kijken
Verplaatst het vaartuigpictogram op het paneel om uw zicht vóór het vaartuig te
maximaliseren.
Informatie over kaartitems weergeven
Wanneer u een kaartitem, waypoint, route of doel selecteert, wordt de basisinformatie voor
het geselecteerde item getoond. Selecteer het pop-upvenster van het kaartitem om alle
beschikbare informatie voor dat item weer te geven. U kunt het dialoogvenster met
gedetailleerde informatie ook vanuit het menu openen.
Ú Notitie: Als u geschikte C-MAP kaarten bekijkt op uw systeem kunt u objecten op zee
selecteren en informatie over diensten en multimedia (foto's) weergeven die
beschikbaar zijn voor de locatie van het object.
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
27
Ú Notitie: Pop-upinformatie moet ingeschakeld zijn in de kaartinstellingen om de
basisinformatie van een item te kunnen bekijken.
Gebruik van de cursor op het paneel
Standaard wordt de cursor niet weergegeven op het paneel.
Als u de cursor activeert, verschijnt een venster met de cursorpositie. Als de cursor actief is,
pant of draait het paneel niet om het vaartuig te volgen.
Ga naar cursor
U kunt navigeren naar een geselecteerde positie op het beeld door de cursor op het paneel
te plaatsen en vervolgens in het menu de optie Ga naar Cursor te gebruiken.
De functie Cursorondersteuning
Ú Notitie: Cursorondersteuning is beschikbaar wanneer deze functie is ingeschakeld. Zie
"De lange druk configureren" op pagina 20.
Met de functie Cursorondersteuning kunt u de cursor nauwkeurig gebruiken en plaatsen
zonder gegevens met uw vinger te bedekken.
Activeer de cursor op het paneel en houd uw vinger vervolgens ingedrukt op het scherm om
het cursorsymbool te veranderen in een selectiecirkel, die boven uw vinger verschijnt.
Sleep de selectiecirkel zonder uw vinger van het scherm te halen naar de gewenste positie.
Als u uw vinger van het scherm haalt, keert de cursor terug naar de gewone cursorfunctie.
Afstand meten
De cursor kan worden gebruikt voor het meten van de afstand tussen uw vaartuig en een
geselecteerde positie, of tussen 2 punten op het kaartpaneel.
1. Plaats de cursor op het punt van waaraf u de afstand wilt meten. Start de meetfunctie in
het menu
- De meetsymbolen verschijnen met een lijn die loopt van het midden van het vaartuig
naar de cursorpositie. De afstand wordt getoond in het cursorinformatievenster.
2. De meetpunten kunnen worden verplaatst door pictogrammen te slepen terwijl de
meetfunctie actief is.
Ú Notitie: De vaarrichting wordt altijd gemeten van het grijze pictogram naar het blauwe
pictogram.
De meetfunctie kan ook worden gestart zonder een actieve cursor. Beide
meetpictogrammen zijn dan in eerste instantie op de positie van het vaartuig geplaatst. Het
grijze pictogram volgt het vaartuig als het in beweging is, en het blauwe pictogram blijft op
de locatie die u hebt opgegeven toen u de functie startte. De meetpunten kunnen worden
verplaatst door de pictogrammen te slepen.
U beëindigt de meetfunctie door de meetoptie Meten stoppen te selecteren.
Routes aanmaken op het kaartpaneel
1. Activeer de cursor op het kaartpaneel
28
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
2. Selecteer de optie Nieuwe route in het menu
3. Plaats het eerste waypoint op het kaartpaneel
4. Plaats de overige routepunten
5. Sla de route op door de optie Opslaan te selecteren in het menu.
Panelen voor het zoeken van objecten op de kaart
Hier kunt u in een kaartpaneel zoeken naar andere vaartuigen en verschillende items op de
kaart.
Activeer de cursor in het paneel om vanaf de cursorpositie te zoeken. Als de cursor niet actief
is, zoekt het systeem naar items vanaf de positie van het vaartuig.
Ú Notitie: U dient een SiriusXM Marine abonnement te hebben om tankstations te kunnen
zoeken.
Ú Notitie: U moet een AIS ontvanger aansluiten om naar vaartuigen te kunnen zoeken.
De functie Search and Rescue (SAR)
De maritieme SAR-functie maakt een zoekpatroonroute op de kaart in de vorm van een
parallel lopende of voortglijdende zoeklijn.
Als u de functie wilt gebruiken, moet deze zijn ingeschakeld in het dialoogvenster
Geavanceerde functies.
Hieronder wordt een voorbeeld gegeven van een SAR-gebied op de kaart.
Het paarse gebied is het door u gedefinieerde gebied. Het licht oranje gearceerde gebied is
het gebied dat door het systeem wordt berekend.
Het zoekgebied instellen
Plaats de cursor op de kaart op de locatie van punt A. Gebruik vervolgens de menuoptie
Nieuw zoekpatroon om het zoekgebied in te stellen. Met deze optie wordt het
dialoogvenster SAR wijzigen geopend.
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
29
Definieer de vier hoeken van het zoekgebied door hoekcoördinaten in te voeren.
De volgende instellingen moeten worden gedefinieerd:
• Trackbreedte - regelt hoeveel ruimte er is tussen parallelle routedelen (de langste
routedelen).
• Aantal vaartuigen - bepaalt hoeveel SAR routes worden gegenereerd. Een SAR route
wordt gemaakt voor elk vaartuig. Het eerste vaartuig heeft een rode route en de andere
een gestippelde zwarte route. De ruimte tussen elk vaartuig is de trackruimte-afstand.
• Richting - kan parallel of kruipend zijn. Bij parallelle richting volgt de route de zijde met de
langste lengte. Bij kruipende richting wordt daarentegen de zijde met de kortste lengte
gevolgd.
• Starthoek (CSP) - bepaalt vanuit welke hoek u wilt starten.
Het systeem berekent het aantal routedelen en de afstanden daarvan. Het berekent ook de
startpositie (SP), namelijk de halve trackruimte-afstand vanaf de starthoek. Het startkoers
wordt berekend als de koers die parallel loopt aan de langste zijde van de zoekrechthoek
vanaf de startpositie.
De zoekparameters bewerken
Gebruik het dialoogvenster SAR wijzigen om zoekpatroonparameters te wijzigen.
U kunt ook de 4 hoeken van het zoekgebied wijzigen met behulp van de menuopties voor
instellen op cursor. Plaats de cursor op de kaart en selecteer de gewenste menuoptie voor
instellen op cursor.
Ú Notitie: Met de optie Sluiten in het dialoogvenster SAR wijzigen kunt u de wijzigingen
opslaan en het dialoogvenster sluiten. De SAR wordt er niet door beëindigd.
Deelnemende schepen detecteren die buiten het zoekpatroon vallen
Schakel AIS targets en Radar overlay in om deelnemende schepen weer te geven die buiten
hun zoekpatroon vallen. Na detectie kunt u ze terugleiden naar de track.
De SAR-sessie beëindigen
Gebruik de menuoptie Zoekpatroon annuleren om het zoeken te stoppen.
Een SAR omzetten naar een route
Met de optie Converteren naar route kunt u de SAR een naam geven, bewerken en opslaan
in uw routebibliotheek.
3D kaarten
De 3D optie geeft een driedimensionale grafische weergave van land- en zeecontouren.
30
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Ú Notitie: Alle kaarttypen werken in de 3D modus, maar zonder 3D cartografie voor het
betreffende gebied lijkt de kaart vlak.
Als de optie voor 3D kaarten is geselecteerd verschijnen de pictogrammen Pannen (A) en
Roteren (B) in het kaartpaneel.
De 3D kaart verschuiven
U kunt de kaart in een willekeurige richting bewegen door het pictogram Pannen te
selecteren en in de gewenste richting te draaien.
Gebruik de optie Terug naar vaartuig om de kaart op de vaartuigpositie te positioneren.
De weergavehoek bepalen
U kunt de weergavehoek bepalen door het pictogram Roteren te selecteren en het
kaartpaneel vervolgens te pannen.
• Om de weergegeven richting te wijzigen, pant u horizontaal
• Om de kantelingshoek van de weergave te wijzigen, pant u verticaal
Ú Notitie: Als op de vaartuigpositie gecentreerd is, kan alleen de kantelingshoek
aangepast worden. De weergaverichting wordt bepaald via de instelling Kaartoriëntatie.
Zie "Kaartoriëntatie" op pagina 27.
Tracks kleuren op basis van gegevens
Een track kan worden gekleurd op basis van de brongegevens en de hoog/laag-limieten die
u hebt ingesteld:
• U kunt de bron (gegevenstype) specificeren die moet worden gekleurd. Om kleuring uit te
schakelen selecteert u bron Geen.
• Selecteer de opties Hoog en Laag om hoge en lage waarden in te stellen.
De kleuren kunnen verschillende tinten groen, geel en rood zijn. Groen staat voor de hoge
limiet die u hebt ingesteld. Geel geeft het gemiddelde tussen hoog en laag aan. Rood geeft
de lage limiet aan. Als de waarde ligt tussen hoog en gemiddeld, wordt deze weergegeven
met een groenachtig gele kleur. Als de waarde ligt tussen gemiddeld en laag, wordt deze
weergegeven met een oranje kleur.
Ú Notitie: Standaard zijn tracks gekleurd volgens de kleurinstelling in het dialoogvenster
Track wijzigen. Tracks kleuren op basis van brongegevens heeft voorrang boven de
kleuring opgegeven in het dialoogvenster Track wijzigen.
Als er twee of meer kaarten worden weergegeven in een gesplitst paneel en op één kaart de
kleurbron of hoog/laag-waarden worden gewijzigd, heeft dit geen effect op de andere
kaarten.
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
31
Kaartoverlay
U kunt overlays aan het kaartpaneel toevoegen.
Wanneer een overlay is geselecteerd, wordt het kaartmenu aangevuld met de basisfuncties
voor de geselecteerde overlay.
Gedetailleerde informatie over de opties van het overlaymenu is te vinden in afzonderlijke
hoofdstukken in deze handleiding.
Warmte kaart overlay
Met de functie Warmte kaart overlay kunt u op de kaart een geschiedenis weergeven van
watertemperatuurkleuring. Een watertemperatuurbron is vereist om de
temperatuurgegevens voor de overlay te leveren.
Het kleurbereik wordt automatisch aangepast op basis van de gemeten minimale en
maximale temperaturen.
Transparantie
Hiermee past u de transparantie van de overlay aan. Met minimale transparantie zijn de
paneeldetails vrijwel verborgen door de overlay.
Palet
Specificeert de kleuren voor de weergave van de watertemperatuur. Een legenda op het
paneel geeft de kleuren aan die zijn gekoppeld aan de gemeten temperaturen.
Geschiedenis verwijderen
Verwijdert alle warmtekaartgegevens die zijn verzameld tot het moment waarop de optie
wordt geselecteerd. Warmte kaart gegevens worden automatisch verwijderd als de unit
wordt uitgeschakeld.
C-MAP kaarten
Hieronder worden alle mogelijk menuopties van C-MAP kaarten beschreven. De beschikbare
functies en menuopties kunnen per gebruikte kaart verschillen. In dit hoofdstuk ziet u de
menu's van een C-MAP kaart.
Ú Notitie: Menu-opties die niet beschikbaar zijn voor de getoonde kaart worden in grijs
weergegeven.
C-MAP getijden en stromingen
Het systeem kan getijden en stromingen van C-MAP weergeven. Met deze informatie is het
mogelijk om de tijd, het niveau, de richting en de krachtvan stromingen en getijden te
bepalen. Dit is een belangrijk hulpmiddel bij de planning en navigatie van een trip.
Bij een groter zoombereik worden de getijden en stromingen weergegeven als vierkante
pictogrammen met de letter T (Tides/getijden) of C (Current/stroming). Als u een van de
pictogrammen selecteert, wordt informatie over het getijde of de stroming getoond.
Dynamische gegevens over de stroming kunt u bekijken door te zoomen binnen een
zoombereik van 1 nautische mijl. Bij dat bereik veranderen de stromingspictogrammen in
geanimeerde dynamische pictogrammen die de snelheid en richting van de stroming laten
zien. Dynamische pictogrammen zijn zwart (meer dan 6 knopen), rood (meer dan 2 knopen
en minder of gelijk aan 6 knopen), geel (meer dan 1 knoop en minder of gelijk aan 2 knopen)
of groen (gelijk aan of minder dan 1 knoop), afhankelijk van de stroming op die locatie.
Als er geen stroming is (0 knopen) wordt dit weergegeven als een vierkant wit pictogram.
32
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Statische stromings- en getijdenpictogrammen
Dynamische stromingspictogrammen
Speciale kaartopties voor C-MAP
Foto-overlay
Met deze optie kunt u satellietfoto's van een gebied als overlay weergeven op de kaart. De
beschikbaarheid van dergelijke foto's is beperkt tot bepaalde gebieden en kaartversies.
U kunt foto-overlays in 2D of 3D weergeven.
Geen foto-overlay
Foto-overlay, alleen land
Volledige foto-overlay
Fototransparantie
Met deze optie stelt u de doorzichtigheid van de foto-overlay in. Met minimale transparantie
zijn de kaartdetails vrijwel verborgen door de foto.
Minimale transparantie
Transparantie op 80
Rasterkaarten
Wijzigt de weergave in die van een traditionele papieren kaart.
Rastertransparantie
Regelt de transparantie van rasterbeelden.
Hoge res. bathymetrie
Bepaalt of een hogere of lagere concentratie van contourlijnen wordt getoond.
Kaart detail
• Volledig - toont alle informatie die beschikbaar is voor de gebruikte kaart.
• Gemiddeld - toont de minimale informatie die volstaat voor navigatie.
• Laag - toont het primaire niveau van informatie die niet verwijderd kan worden, en bevat
informatie die in alle geografische gebieden vereist is. Het is niet bedoeld als informatie
die volstaat voor veilige navigatie.
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
33
Kaartcategorieën
Er bestaan diverse categorieën en subcategorieën. U kunt deze afzonderlijk in- en
uitschakelen, afhankelijk van het soort informatie dat u wilt weergeven.
De categorieën van het dialoogvenster zijn afhankelijk van de gebruikte kaarten.
Reliëfweergave
Geeft de zeebodem in reliëf weer.
Geen contouren
Verwijdert de contourlijnen van de kaart.
Dieptepalet
Regelt het dieptepalet dat op de kaart wordt gebruikt.
Navigatie
Arceert de kleuren van dieptegebieden op basis van dieptebereikwaarden die door het
systeem zijn ingesteld. Als de diepte binnen een bepaald bereik ligt, selecteert het systeem
de exacte kleur van dat bereik. Het geeft ondieper water met donkerdere blauwtinten aan en
dieper water met wittere tinten.
Dieptearcering
Ingekleurde dieptegebieden zijn gebaseerd op de dieptewaarde van het
dieptearceringsbereik. Het systeem interpoleert een kleur op basis van de diepte binnen het
bereik. Het kleurt donkerdere blauwtinten in dieper water en witter in ondieper water.
Papieren kaart
De gearceerde kleuren lijken op de kleuren die de National Oceanic and Atmospheric
Administration (NOAA) op papieren kaarten gebruikt.
Traditioneel
Arceert de kleuren van dieptegebieden op basis van de gegevens die zijn gedefinieerd door
de kaartgegevens. Kaarten hebben een eigen kleurenpalet dat is gedefinieerd in de
kaartgegevens.
Veiligheidsarcering
Arceert de kleuren van dieptegebieden op basis van de veiligheidslimiet voor diepte. De
limiet bepaalt welke diepten worden getekend zonder blauwe arcering.
Dieptefilter
Filtert dieptewaarden uit die minder diep zijn dan de geselecteerde dieptefilterlimiet.
Veiligheidsdiepte
Op kaarten worden verschillende kleurschakeringen gebruikt om onderscheid te maken
tussen diep en ondiep water. Nadat u het palet met de veiligheidsarceringsdiepte hebt
ingeschakeld, geeft u de gewenste veiligheidsdieptelimiet en de kleur/arcering voor
verschillende diepten op.
Arcering
Geeft verschillende delen van de zeebodem een andere kleurtint, afhankelijk van de gekozen
arceringscategorie.
Ú Notitie: De arceringsopties Samenstelling en Begroeiing zijn niet van toepassing op CMAP-kaarten.
Diepte 1 en diepte 2
Vooraf ingestelde diepten die de verschillende diepten in verschillende kleuren arceren.
34
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Aangepast
U kunt de dieptedrempel, kleur en ondoorzichtigheid (transparantie) van kleurarcering
aanpassen voor diepte 1 en diepte 2.
3D vergroting
Deze grafische instellingen zijn alleen beschikbaar in de modus 3D. Overdrijving kan worden
toegepast op de getekende hoogte van heuvels op het land en op troggen in het water om
deze hoger of dieper te laten lijken.
Ú Notitie: Deze optie wordt in grijs weergegeven als deze gegevens niet beschikbaar zijn
voor de geplaatste kaart.
Genesis Layer
De Genesis Layer geeft contouren in hoge resolutie weer die zijn bijgedragen door Genesisgebruikers en die de kwaliteitscontrole hebben doorstaan.
Deze optie schakelt de Genesis Layer in/uit op de kaartweergave.
Alleen beschikbaar als de C-MAP kaart Genesis Layer gegevens bevat.
Navionics-kaarten
Voor sommige Navionics-functies zijn de recentste gegevens van Navionics vereist. Voor
deze functies wordt een bericht weergegeven dat de functie niet beschikbaar is als niet de
juiste Navionics-kaart(en) of het juiste kaartgeheugen zijn geplaatst. Ga voor meer informatie
over de vereisten voor deze functies naar www.navionics.com.
U kunt ook een bericht ontvangen als u probeert een beschermde functie te gebruiken,
terwijl de Navionics mediakaart niet is geactiveerd. Neem contact op met Navionics om de
kaart te activeren.
Speciale Navionics® kaartopties
Foto-overlay
Met deze optie kunt u satellietfoto's van een gebied als overlay weergeven op de kaart. De
beschikbaarheid van dergelijke foto's is beperkt tot bepaalde gebieden en kaartversies.
U kunt foto-overlays in 2D of 3D weergeven.
Geen foto-overlay
Foto-overlay, alleen land
Volledige foto-overlay
Fototransparantie
Met deze optie stelt u de doorzichtigheid van de foto-overlay in. Met minimale transparantie
zijn de kaartdetails vrijwel verborgen door de foto.
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
35
Minimale transparantie
Maximale transparantie
Kaartarcering
Deze functie voegt terreininformatie toe aan de kaart.
Vis afstand
Selecteer het dieptebereik dat Navionics® met een witte kleur vult.
Zo kunt u een bepaald dieptebereik markeren als u wilt vissen. Dit bereik is net zo
nauwkeurig als de gegevens op de onderliggende kaart. Dat betekent dat als de kaart een
interval van 5 meter heeft voor contourlijnen, ook de arcering wordt afgerond naar de
dichtstbijzijnde beschikbare contourlijn.
Geen dieptemarkering
Dieptemarkeringsbereik: 6 m – 12 m
Markering van ondiep water
Hiermee markeert u gebieden met ondiep water tussen 0 en de geselecteerde diepte (max.
10 meter).
Geen ondiep water gemarkeerd
Markering van ondiep water: 0 m - 3 m
Veiligheidsdiepte
De Navionics-kaarten gebruiken verschillende schakeringen blauw om onderscheid te
maken tussen ondiep en diep water.
Veiligheidsdiepte, op basis van een geselecteerde limiet, wordt zonder blauwe schakeringen
getekend.
Ú Notitie: De ingebouwde Navionics-database bevat gegevens tot een diepte van 20 m.
Daarna is alles wit.
Community wijzigingen
Hiermee schakelt u de kaartlaag met de Navionics-wijzigingen in. Dit zijn
gebruikerswijzigingen of -informatie die door gebruikers zijn geüpload naar Navionics
Community en die op Navionics-kaarten beschikbaar gemaakt worden.
Raadpleeg voor meer informatie de Navionics-informatie bij uw kaart of ga naar de website
van Navionics: www.navionics.com.
36
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
SonarChart
Het systeem biedt ondersteuning voor de functie Navionics SonarChart.
SonarChart toont een bathymetrische kaart met contourdetails op hoge resolutie en
standaardnavigatiegegevens. Raadpleeg voor meer informatie www.navionics.com.
SonarChart Live
SonarChart Live is een livefunctie waarbij het apparaat een overlay maakt van
dieptecontouren op basis van uw eigen sonargeluiden.
Wanneer u SonarChart Live overlay selecteert, wordt het menu uitgevouwen en worden de
opties van SonarChart Live weergegeven.
Transparantie
De SonarChart Live-overlay wordt weergegeven boven op andere kaartgegevens. Bij
minimale transparantie zijn de kaartgegevens volledig bedekt. Pas de transparantie aan zodat
de kaartdetails zichtbaar zijn.
Minimum diepte
Hiermee past u aan wat SonarChart Live beschouwt als veiligheidsdiepte. Dit is van invloed
op het kleurgebruik in het SonarChart Live-gebied. Wanneer het vaartuig de
veiligheidsdiepte nadert, verandert het SonarChart Live-gebied geleidelijk van eenvoudig
grijs/wit in rood.
Paletten
Voor het instellen van het kleurenpalet van het beeld.
SCL geschiedenis
Selecteer deze optie om eerder vastgelegde gegevens weer te geven op de kaart-overlay.
Ú Notitie: SonarChart Live neemt niet op terwijl SCL geschiedenisbestanden worden
weergegeven.
SC Density
Hiermee beheert u de dichtheid van de contouren in SonarChart en SonarChart Live.
Gekleurde zeebodem delen
Hiermee schakelt u in of uit dat delen van de zeebodem rood worden weergegeven.
Navionics dynamische pictogrammen voor getijden en stromingen
Getijden en stromingen worden met een meter en een pijl weergegeven in plaats van met
de ruitvormige pictogrammen die worden gebruikt voor statische informatie over getijden
en stromingen.
De gegevens over getijden en stromingen die beschikbaar zijn voor Navionics-kaarten zijn
gerelateerd aan een bepaalde datum en tijd. Het systeem maakt een animatie van de pijlen
en/of meters om de ontwikkeling van getijden en stromingen over een bepaalde
tijdsperiode te laten zien.
Dynamische getijdeninformatie
Dynamische stromingsinformatie
De volgende pictogrammen en symbolen worden gebruikt:
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
37
Huidige snelheid
De lengte van de pijl is afhankelijk van de snelheid, en het symbool draait mee met de
richting van de stroming. De stromingssnelheid wordt in het pictogram getoond. Het rode
pictogram wordt gebruikt als de huidige stromingssnelheid toeneemt, en het blauwe
pictogram als deze afneemt.
Hoogte getij
De meter heeft 8 labels en is ingesteld op absolute minimale of maximale waarde van de
geëvalueerde dag. De rode pijl geeft aan dat het getij opkomt en de blauwe pijl dat het getij
afgaat.
Ú Notitie: Alle numerieke waarden worden getoond in de door de gebruiker ingestelde
maateenheid.
Rotsfilter niveau
Hiermee wordt rotsherkenning beneden een bepaalde diepte verborgen op de kaart.
Zo kunt u kaarten opschonen in gebieden waar rotsen liggen op diepten ver onder de
diepgang van uw vaartuig.
Contourdiepte
Bepaalt welke contouren u op de kaart ziet, tot aan de geselecteerde dieptewaarde.
Presentatietype
Geeft maritieme kaartinformatie weer, zoals symbolen, kleuren van de navigatiekaart en
benamingen voor internationale of Amerikaanse presentatietypen.
Annotatie
Bepaalt welke gebiedsinformatie, zoals namen van locaties en aantekeningen over gebieden,
voor weergave beschikbaar is.
Kaartdetails
Geeft u verschillende niveaus van informatie met betrekking tot geografische lagen.
Eenvoudige weergave
Met deze functie vergroot u de weergave van kaartitems en tekst.
Ú Notitie: Op de kaart kunt u niet zien of deze functie geactiveerd is.
Kaartinstellingen
De opties in het dialoogvenster Kaartinstellingen zijn afhankelijk van de kaartbron die is
geselecteerd in het systeem.
3D bootselectie
Bepaalt welk pictogram wordt gebruikt op 3D kaarten.
Afstandsringen
De bereikringen kunnen worden gebruikt om de afstand weer te geven tussen uw vaartuig
en andere paneelobjecten.
De bereikschaal wordt automatisch door het systeem ingesteld zodat deze overeenkomt
met de paneelschaal.
38
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Verlengingslijnen
Stelt de lengte van de verlengingslijnen in voor uw vaartuig en voor andere vaartuigen die
als AIS doelen worden getoond.
Selecteer deze optie om de koersverlengingslijnen voor uw vaartuig te tonen of te
verbergen.
Lengte verlenging
A: Koers
B: Grondkoers (COG)
Ú Notitie: Als er een kompasbron beschikbaar is in het systeem, wordt de koerslijn blauw
weergegeven. Als er geen kompasbron beschikbaar is, wordt de COG-lijn blauw
weergegeven.
De lengte van de verlengingslijn wordt ingesteld als vaste afstand, of als de afstand die het
vaartuig binnen een geselecteerde tijd aflegt. Als voor een vaartuig geen opties worden
ingeschakeld, dan worden er geen verlengingslijnen getoond.
De koers van uw vaartuig wordt gebaseerd op informatie van de actieve koerssensor, en de
COG wordt gebaseerd op informatie van de actieve GPS-sensor.
Voor andere vaartuigen worden de COG-gegevens opgenomen in de meldingen die worden
ontvangen van het AIS systeem.
ForwardScan
Als u over ForwardScan beschikt en deze optie is geselecteerd, wordt de ForwardScankoersverlenging op de kaart getoond. Zie "Voorl. koers verlenging" op pagina 111.
SonarChart Live getijde correctie
Wanneer deze functie geselecteerd is, gebruikt de getijdecorrectie informatie van
getijdestations in de buurt (indien beschikbaar) om de diepte aan te passen die SonarChart
Live gebruikt wanneer de sonar wordt vastgelegd.
2D/3D kaart synchroniseren
Koppelt de positie die op de ene kaart getoond wordt aan de positie op de andere kaart
wanneer een 2D en 3D kaart naast elkaar getoond worden.
Pop-upinformatie
Hiermee wordt bepaald of basisinformatie voor paneelitems wordt getoond als u dat item
selecteert.
Rasterlijnen
Schakelt de weergave van rasterlijnen voor lengte- en breedtegraad op het paneel in of uit.
Waypoints, routes en tracks
Hiermee schakelt u de weergave van deze items op kaartpanelen in/uit.
Ú Notitie: Als u tracks wilt weergeven in het kaartpaneel, moeten de optie Weergeven in
het dialoogvenster Tracks en de optie Tracks in het dialoogvenster Kaartinstellingen
allebei zijn ingeschakeld.
Kaarten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
39
5
Waypoints, routes en tracks
Dialoogvensters Waypoints, Routes en Tracks
Deze dialoogvensters bieden toegang tot geavanceerde bewerkingsfuncties en instellingen
voor deze items.
Waypoints
Over waypoints
Een waypoint is een door de gebruiker gegenereerde markering op een:
• kaart
• echosounderbeeld
• radarbeeld
• navigatiepaneel
Elk waypoint heeft een exacte positie met lengte- en breedtecoördinaten.
Een waypoint dat op het echosounderbeeld is geplaatst, heeft naast positie-informatie ook
een dieptewaarde.
Een waypoint wordt gebruikt om een positie te markeren waarnaar u later mogelijk wilt
terugkeren. Twee of meer waypoints kunnen ook worden gecombineerd om een route te
creëren.
Waypoints opslaan
Sla een waypoint op de cursorpositie op als de cursor actief is, of op de positie van het
vaartuig als de cursor niet actief is.
Een waypoint opslaan:
• Selecteer de optie Nieuw waypoint in het menu
Een waypoint verplaatsen
Een waypoint kan vanaf de huidige positie worden verplaatst als het actief is en in het menu
is geselecteerd.
Als u een waypoint naar een nieuwe positie wilt verplaatsen, selecteert u de menu-optie
Waypoint verplaatsen en vervolgens de nieuwe locatie van het waypoint op de afbeelding.
Als u het waypoint op de nieuwe positie wilt opslaan, selecteert u de menu-optie
Verplaatsen beëindigen
40
Waypoints, routes en tracks | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Waypoints wijzigen
U kunt alle informatie over een waypoint wijzigen in het dialoogvenster Waypoints wijzigen.
Het dialoogvenster wordt geactiveerd door het waypoint te selecteren en vervolgens
Bewerken in het menu te selecteren.
Dit dialoogvenster is ook toegankelijk vanuit de Waypoints tool op de Home pagina.
Waypoints verwijderen
U kunt een waypoint verwijderen door de menu-optie Verwijderen te selecteren wanneer
het waypoint is geactiveerd in het paneel.
U kunt een waypoint ook verwijderen door dit te selecteren in het dialoogvenster Routes en
dit vervolgens te verwijderen in het dialoogvenster Waypoint wijzigen.
U kunt alle waypoints of waypoints met symbolen uit het systeem verwijderen in het
dialoogvenster Waypoints.
U kunt MOB-waypoints op dezelfde manier verwijderen.
U kunt een back-up maken van uw waypoints, routes en tracks voordat u deze verwijdert. Zie
"Onderhoud" op pagina 180.
Waypoint alarminstellingen
U kunt voor elk individueel waypoint een alarmradius inestellen. U kunt het alarm instellen in
het dialoogvenster Waypoint wijzigen.
Ú Notitie: De alarmradius voor het waypoint moet in het alarmdialoogvenster op ON
gezet worden om een alarm te activeren op het moment dat uw vaartuig binnen de
gedefinieerde radius komt. Ga voor meer informatie naar "Dialoogvensters Alarmen" op pagina
179.
Routes
Over routes
Een route bestaat uit een serie routepunten die worden ingevoerd in de volgorde waarin u
wilt navigeren.
Als u ee n route selecteert op het kaartpaneel, wordt de route groen, en wordt de naam van
de route getoond.
Een nieuwe route aanmaken op het kaartpaneel
1. Activeer de cursor op het kaartpaneel
2. Selecteer de optie Nieuwe route in het menu
3. Plaats het eerste waypoint op het kaartpaneel
4. Ga door met het plaatsen van nieuwe routepunten op het kaartpaneel totdat de route af
is
5. Sla de route op door de optie Opslaan te selecteren in het menu.
Een route bewerken in het kaartpaneel
1. Selecteer de route om deze te activeren.
2. Selecteer de optie Route wijzigen in het menu.
3. Plaats het nieuwe routepunt op het kaartpaneel:
- Als u het nieuwe routepunt binnen een etappe plaatst, dan wordt het nieuwe punt
toegevoegd tussen bestaande routepunten.
- Als u het nieuwe routepunt buiten de route plaatst, dan wordt het nieuwe punt achter
het laatste punt in de route toegevoegd.
4. Sleep een routepunt naar een nieuwe positie.
5. Sla de route op door de optie Opslaan te selecteren in het menu.
Ú Notitie: De opties in het menu zijn afhankelijk van de geselecteerde bewerkingsoptie.
Alle bewerkingen kunnen in het menu worden bevestigd of geannuleerd.
Waypoints, routes en tracks | NSO evo3S Gebruikershandleiding
41
Aanmaken van routes met behulp van bestaande waypoints
U maakt een nieuwe route door bestaande waypoints te combineren in het dialoogvenster
Routes. U opent het dialoogvenster met de tool Waypoints op de Home pagina. Vervolgens
drukt u op de tab Routes.
Een route maken op basis van een reis
U kunt een route maken op basis van een reis in het verleden. Selecteer een reis in het
TripIntel historievenster en selecteer vervolgens de optie Route aanmaken.
Tracks omzetten in routes
U kunt een track converteren in een route in het dialoogvenster Track wijzigen. Het
dialoogvenster wordt geactiveerd door de track te activeren en vervolgens:
• Het pop-upvenster van de track selecteren
• Selecteer de track in het menu
Het dialoogvenster Track wijzigen is ook toegankelijk door de Waypoints tool te selecteren
op de Home pagina.
Dock-to-dock Autorouting en Easy Routing
De functies Dock-to-dock Autorouting en Easy Routing doen suggesties voor nieuwe
routepuntposities, gebaseerd op informatie op de kaart en de omvang van uw boot. Voor u
deze functies kunt gebruiken moeten de diepgang, hoogte en breedte van uw boot in het
systeem worden ingevoerd. Het dialoogvenster voor de instellingen van uw boot verschijnt
automatisch als deze informatie ontbreekt bij het opstarten van de functie. Raadpleeg
"Systeeminstellingen" op pagina 176 om bootinstellingen in te voeren.
Waarschuwing: Autorouting is alleen bedoeld voor algemene planning en
moet worden gebruikt in combinatie met conventionele
navigatiemethoden. Dit is GEEN vervanging voor een menselijke navigator
en mag nooit worden gebruikt als enige referentiebron. De enige
verantwoordelijkheid van de gebruiker is om de voorgestelde route te
beoordelen aan de hand van officiële publicaties en omgevingsbewustzijn.
Ú Notitie: U kunt Dock-to-dock Autorouting of Easy Routing niet starten als een van de
geselecteerde routepunten in een onveilig gebied ligt. Er verschijnt een
waarschuwingsvenster en u moet de betreffende routepunt(en) naar een veilig gebied
verplaatsen voordat u kunt doorgaan.
Ú Notitie: Als er geen compatibele kaarten zijn, is de menu-optie Dock-to-dock
Autorouting of Easy Routing niet beschikbaar. Compatibele kaarten zijn onder meer CMAP MAX-N+, C-MAP Discover, C-MAP Reveal, Navionics+ en Navionics Platinum. Voor
een uitgebreide selectie beschikbare kaarten gaat u naar www.c-map.com of
www.navionics.com.
1. Plaats ten minste twee routepunten op een nieuwe route of open een bestaande route
en pas deze aan.
2. Selecteer de menuoptie Dock-to-dock Autorouting, gevolgd door:
- Gehele route - als u wilt dat het systeem nieuwe routepunten toevoegt tussen het
eerste en het laatst routepunt van een open route.
- Selectie - als u handmatig de routepunten wilt selecteren die het begin- en eindpunt
voor autorouting bepalen, selecteert u de gewenste routepunten. De geselecteerde
routepunten zijn rood.
- U kunt maar twee routepunten selecteren. Het systeem negeert eventuele
routepunten tussen uw begin- en eindpunt.
3. Selecteer de optie Accepteren om de automatische routebepaling te starten.
4. Als de automatische routebepaling is voltooid, wordt een preview van de route
weergegeven. De veilige en onveilige gebieden van de etappes worden met
verschillende kleuren aangeduid.
42
Waypoints, routes en tracks | NSO evo3S Gebruikershandleiding
- Navionics® gebruikt rood (onveilig) en groen (veilig), en C-MAP gebruikt rood (onveilig),
geel (gevaarlijk) en groen (veilig).
5. Als het nodig is, kunt u in de previewmodus de routepunten verplaatsen.
6. Selecteer de optie Behouden om de positie van de routepunten te accepteren.
7. Herhaal stap 2 (selectie) en stap 3 als u wilt dat het systeem automatisch routepunten
plaatst voor andere delen van de route.
Voorbeelden van Dock-to-dock Autorouting en Easy Routing
• De optie Gehele route wordt gebruikt wanneer het eerste en laatste routepunt zijn
geselecteerd.
Eerste en laatste routepunt
Resultaat na automatische routebepaling
• De optie Selectie wordt gebruikt voor automatische routebepaling voor een deel van de
route.
Twee routepunten zijn geselecteerd
Resultaat na automatische routebepaling
Het dialoogvenster Route wijzigen
U kunt route beheren, routepunten toevoegen en route-eigenschappen wijzigen in het
dialoogvenster Route wijzigen. U kunt dit dialoogvenster activeren door de pop-up van een
actieve route te selecteren, of door in het menu eerst de route en vervolgens de optie Details
te selecteren.
Het dialoogvenster is ook toegankelijk via de tool Waypoints op de startpagina. Vervolgens
selecteert u een route in het dialoogvenster.
Selecteer een routepunt in het dialoogvenster Bewerken om een nieuw routepunt in te
voegen of het routepunt te verwijderen.
Selecteer de display-opties om de route op de kaart weer te geven.
Routes verwijderen
U kunt een route verwijderen door de menu-optie Verwijderen te selecteren wanneer de
route is geactiveerd in het paneel.
Waypoints, routes en tracks | NSO evo3S Gebruikershandleiding
43
U kunt een route ook verwijderen door deze te selecteren in het dialoogvenster Routes en
deze vervolgens te verwijderen in het dialoogvenster Route wijzigen.
U kunt alle routes uit het systeem verwijderen in het dialoogvenster Routes.
U kunt een back-up maken van uw waypoints, routes en tracks voordat u deze verwijdert. Zie
"Onderhoud" op pagina 180.
Tracks
Over tracks
Tracks geven een grafische voorstelling van de eerder afgelegde route van het vaartuig.
Tracks zorgen ervoor dat u kunt achterhalen welke route uw vaartuig heeft afgelegd.
Voorbeeld van het dialoogvenster Tracks:
Aanmaken van een nieuwe track
U kunt een nieuwe track starten in het dialoogvenster Tracks. Het dialoogvenster wordt als
volgt geactiveerd:
• met de tool Waypoints op de Home pagina en het selecteren van het tabblad Tracks
• met de optie Nieuwe track of Tracks in het dialoogvenster Plot
• Met de optie Info in het kaartmenu
Instellingen voor het in een logboek vastleggen van tracks
Tracks worden samengesteld uit een serie punten die verbonden worden door
lijnsegmenten, afhankelijk van de frequentie van de opname.
U kunt zelf trackpunten positioneren op basis van tijd of afstand, of automatisch een
waypoint door het systeem laten positioneren als er een koerswijziging geregistreerd wordt.
U kunt de logboekinstellingen opgeven in het dialoogvenster met instellingen voor tracks en
trips of door de knop Instellingen te selecteren in het dialoogvenster Tracks.
Tracks kleuren
Tracks kleuren:
• Selecteer de track in het dialoogvenster Tracks en stel in het dialoogvenster Track wijzigen
de kleur voor de hele track in.
• Schakel de optie in om het systeem de track te laten kleuren op basis van de
brongegevens en hoog/laag-instellingen. Zie "Tracks kleuren op basis van gegevens" op pagina 31.
Mijn gegevens synchroniseren
Als u de MFD-gegevens en de accountgegevens van uw Simrad app wilt synchroniseren,
opent u de functie Mijn gegevens synchroniseren vanuit het dialoogvenster
Systeemregelingen of het dialoogvenster Services-instellingen.
44
Waypoints, routes en tracks | NSO evo3S Gebruikershandleiding
De synchronisatiefunctie gebruiken
U kunt een browser gebruiken om u aan te melden op https://appchart.simrad-yachting.com
of u kunt zich vanaf uw mobiele apparaat of tablet aanmelden bij uw SIMRAD® app-account
om informatie te beheren (maken, wijzigen, verplaatsen en verwijderen):
• Waypoints
• Routes
• Tracks
Gebruik de optie Mijn gegevens synchroniseren van uw MFD om te synchroniseren tussen
uw MFD en uw SIMRAD® app-account.
Vereisten
• Een account voor de SIMRAD® mobiele app
Ú Notitie: U kunt uw accountgegevens voor C-MAP Embark of de C-MAP app gebruiken
om u aan te melden bij de mobiele app. U hoeft geen apart account voor de mobiele
app te maken.
• Als u wilt synchroniseren, moet de unit zijn verbonden met internet. Raadpleeg "Draadloze
instellingen" op pagina 167 om de unit met internet te verbinden.
Synchroniseren
Als u de MFD-gegevens en de accountgegevens van uw SIMRAD® app wilt synchroniseren
(inclusief uw gegevens op https://appchart.simrad-yachting.com), opent u de functie Mijn
gegevens synchroniseren vanuit het dialoogvenster Systeemregelingen of het
dialoogvenster Services-instellingen.
Nadat u zich hebt aangemeld, toont het systeem wanneer de laatste synchronisatie heeft
plaatsgevonden en zijn de volgende opties beschikbaar:
• Wijzigen - gebruik deze optie om aanmeldingsgegevens te wijzigen
• Automatisch synchroniseren: synchronisatie vindt periodiek plaats op de achtergrond
wanneer u verbinding hebt met internet
• Nu synchroniseren - synchronisatie gebeurt onmiddellijk
Waypoints, routes en tracks | NSO evo3S Gebruikershandleiding
45
6
Navigeren
Over navigeren
Met behulp van de navigatiefunctie van het systeem kunt u naar de cursorpositie, een
waypoint of langs een eerder opgegeven route navigeren.
Als uw systeem over een stuurautomaat beschikt, kan deze worden ingesteld om het
vaartuig automatisch te besturen.
Raadpleeg "Waypoints, routes en tracks" op pagina 40 voor meer informatie over het plaatsen van
waypoints en het uitzetten van routes.
Navigatiepanelen
Het navigatiepaneel
U kunt het navigatiepaneel activeren op de Home pagina, ofwel als paneel op volledig
paginaformaat, ofwel als onderdeel van een gesplitste pagina.
A
Datavelden
C
Peiling tot volgende routepunt
B
D
E
F
G
H
Vaartuigrichting
Route-informatie
Geeft de afstand van de route, de naam van de route en de geschatte tijd tot het
einde van de route.
Peilingslijn met toegestane limiet voor koersafwijking
Bij het volgen van een route toont de peilingslijn de gewenste koers van het ene
waypoint naar het volgende. Tijdens het navigeren naar een waypoint
(cursorpositie, MOB of een ingevoerde lengte/breedtepositie), toont de peilingslijn
de gewenste koers vanaf het startpunt van de navigatie naar het waypoint.
XTE-limiet
Als de XTE (koersafwijking) de gedefinieerde XTE-limiet overschrijdt, wordt dit
aangegeven met een rode pijl en de afstand vanaf de tracklijn. Zie "XTE-limiet" op
pagina 48.
Vaartuigsymbool
Geeft de positie en richting van de boot aan.
Informatie over routepunten
Geeft de afstand tot het routepunt, de naam van het routepunt en de geschatte
tijd om het routepunt te bereiken.
De positiepanelen
U kunt wisselen tussen het weergeven van het navigatiepaneel en het positiepaneel. U kunt
het positiepaneel activeren in het menu.
46
Navigeren | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Standaard is er een positiepaneel beschikbaar waarop de GPS-positie wordt getoond.
Als Loran is ingeschakeld in het dialoogvenster Navigatie-instellingen, zijn er twee
positiepanelen. Dit wordt aangegeven met pijlsymbolen aan de linker- en rechterkant van
het paneel.
U kunt als volgt tussen de panelen schakelen:
• de pijlsymbolen naar links of rechts selecteren
Informatie over GPS-positie
Informatie over Loran-positie
Menu-opties
U kunt menuopties gebruiken voor:
• navigeren naar cursor
• navigeren naar een waypoint
• navigeren van een route
Tijdens het navigeren wordt het menu uitgebreid met opties voor:
• overslaan van waypoints bij het navigeren van een route
• opnieuw starten van navigatie naar cursor, waypoint of route
• annuleren van navigatie naar cursor, waypoint of route
Navigeren met de stuurautomaat
Wanneer u begint met navigeren op een systeem met een stuurautomaat, wordt u gevraagd
om de stuurautomaat in de navigatiemodus te zetten.
Ú Notitie: De vraag of u de stuurautomaat in de navigatiemodus wilt zetten, wordt niet
weergegeven als het boottype is ingesteld op Zeilboot in het dialoogvenster
Stuurautomaat in bedrijf stellen.
Als u ervoor kiest om de stuurautomaat niet te gebruiken, dan kan deze later met de
stuurautomaatcontroller in de navigatiemodus worden gezet.
Zie voor meer informatie over de functionaliteit van de stuurautomaat het hoofdstuk over de
betreffende stuurautomaat.
Navigatie-instellingen
Navigeren | NSO evo3S Gebruikershandleiding
47
Navigatiemethode
Er zijn verschillende methoden voor het berekenen van de afstand en peiling tussen twee
geografische punten.
De grootcirkelroute is de kortste weg tussen twee punten. Als u echter zo'n route volgt, is het
moeilijk om handmatig te sturen omdat de koers constant verandert (behalve in geval van
pal naar het noorden, zuiden of langs de evenaar).
Loxodromen zijn tracks met een constante peiling. Het is mogelijk tussen twee locaties te
reizen met behulp van loxodroomberekening, maar de afstand is gewoonlijk groter dan
wanneer grootcirkel wordt gebruikt.
Aankomstradius
Stelt een onzichtbare cirkel in rond het bestemmings-waypoint. Het vaartuig wordt
verondersteld te zijn aangekomen bij het waypoint als het zich binnen deze radius bevindt.
Wanneer u een route aflegt, bepaalt de aankomstradius het punt waarop een wending
wordt gestart.
De aankomstcirkel (1) dient te worden ingesteld op de snelheid van de boot. Hoe hoger de
snelheid, des te groter de cirkel.
De bedoeling is de stuurautomaat de koerswijziging op tijd te laten inzetten om een soepele
draai naar de volgende etappe te maken.
Onderstaande illustratie kan worden gebruikt om bij het aanmaken van de route de juiste
waypoint-cirkel te kiezen.
Ú Notitie: De afstand tussen waypoints in een route mag niet kleiner zijn dan de radius
van de aankomstcirkel.
XTE-limiet
Bepaalt hoe ver het vaartuig van de geselecteerde route kan afwijken. Als het vaartuig deze
limiet overschrijdt, gaat er een alarm af.
Aankomstalarm
Wanneer het aankomstalarm is ingeschakeld, gaat er een alarm af wanneer het vaartuig het
waypoint bereikt of zich binnen de opgegeven aankomstradius bevindt.
Magnetische variatie
Magnetische variatie is het verschil tussen ware peilingen en magnetische peilingen,
veroorzaakt door het verschil in locaties tussen de geografische en magnetische Noordpool.
48
Navigeren | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Eventuele plaatselijke afwijkingen veroorzaakt door bv. ijzerafzetting kunnen de magnetische
peilingen ook beïnvloeden.
Als deze functie op Auto staat, zet het systeem het magnetische noorden automatisch om in
het ware noorden. Selecteer de handmatige modus als u uw eigen magnetische variatie wilt
invoeren.
Referentievlak
Dit systeem maakt gebruik van de WGS-datumindeling, een standaard voor cartografie en
satellietnavigatie (inclusief GPS).
U kunt de datumindeling aanpassen aan andere systemen.
Coördinatensysteem
Wordt gebruikt om het geografische coördinatensysteem in te stellen dat op uw systeem
wordt gebruikt.
Phantom Loran
Maakt het gebruik van het Phantom Loran positioneringssysteem mogelijk.
Hier kunt u de Loran-kettingen (GRI) en het station van voorkeur voor de invoer van
waypoints, de cursorpositie en het positiepaneel opgeven.
Het grafische voorbeeld toont een cursorpositievenster met informatie over de Loran-positie.
Raadpleeg voor meer informatie uw Loran systeemdocumentatie.
Navigeren | NSO evo3S Gebruikershandleiding
49
7
TripIntel
Over TripIntel
Met TripIntel kunt u informatie over trips opslaan en ophalen. U kunt de informatie gebruiken
om weloverwogen beslissingen te nemen voordat u aan een trip begint, of terwijl een trip
gaande is.
Huidige tripstatistieken
Het tabblad Informatie op de pagina TripIntel toont de huidige tripstatistieken:
• Afgelegde afstand
• Afgelegde tijd
• Gemiddelde snelheid
• Maximumsnelheid
• Brandstofbesparing
• Gebruikte brandstof
Trip automatisch opnemen
Er is een functie voor automatische tripdetectie. Als u gaat navigeren, wordt u gevraagd om
de trip op te nemen als er op dat moment geen trip bezig is en uw vaarsnelheid hoger is dan
de instelling voor de snelheidsdrempel in het dialoogvenster met instellingen voor tracks en
trips. U wordt gevraagd om een trip voort te zetten of een nieuwe trip te starten als de trip
niet expliciet is opgeslagen voordat het systeem is uitgeschakeld.
U kunt de opname later handmatig starten vanaf de pagina TripIntel.
U kunt de functie voor automatische tripdetectie uitschakelen in het instellingenvenster voor
Tracks en Trips.
Opname van trip starten en stoppen
Als u in de prompt voor automatische tripdetectie hebt gekozen om geen opname van de
trip te starten, kunt u de opname handmatig starten op de pagina TripIntel.
50
TripIntel | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Met de tripopties Start en Stop kunt u een tripopname opgeven. U kunt de opties
gebruiken om een enkele vaartocht te verdelen in meerdere trips, zodat u meer controle
hebt over de informatie die voor een tocht wordt gelogd.
Langetermijnstatistieken
Selecteer Langetermijnstatistieken om tripinformatie per seizoen weer te geven.
Totale afstand aanpassen
Selecteer de knop Totale afstand aanpassen om de totale afstand te wijzigen. Gebruik deze
optie als u een afgelegde trip of een deel van een afgelegde trip niet hebt opgenomen en de
afstand wilt opnemen in de statistieken voor Totale afstand.
Brandstofzuinigheid resetten
Selecteer Brandstofzuinigheid resetten om de brandstofbesparing te resetten in de
meter Brandstofbesparing op de instrumentenbalk.
Ring met geschat brandstofbereik
De ring met het geschatte brandstofbereik op de TripIntel-pagina geeft de geschatte totale
afstand weer die de boot kan afleggen, gebaseerd op historisch verbruik en de resterende
hoeveelheid brandstof in de tank.
Ú Notitie: De ring met het geschatte brandstofbereik geeft alleen het brandstofverbruik
voor de heenreis aan. De benodigde hoeveelheid brandstof voor de terugreis vanaf uw
huidige locatie wordt niet geschat. De ring geeft weer hoeveel afstand uw boot kan
afleggen tot de brandstof helemaal op is.
Ú Notitie: De ring met het geschatte brandstofbereik wordt uitsluitend berekend op basis
van gegevens onder Vaartuig resterende brandstof, en niet op basis van de
niveausensoren. Registreer dat u hebt bijgetankt door 'Op vol zetten' of 'Brandstof
toevoegen' te selecteren. Zo zorgt u dat de ring het bereik accuraat weergeeft.
Brandstofmeter
De brandstofmeter is zichtbaar op de TripIntel-pagina en op de verbruiksmeter wanneer dit
is ingesteld op de pagina Vaartuiginstellingen. Selecteer de meetmethode Resterende
brandstof.
• Brandstof verbruikt door de motor(en)
• Sensor(en) brandstoftankniveau
Ú Notitie: Dit geldt alleen voor de TripIntel-pagina en de zuinigheidsgrafiek.
Getankte brandstof vastleggen
Selecteer de knop Brandstof om de hoeveelheid getankte brandstof vast te leggen. De
brandstofinformatie wordt gebruikt om de hoeveelheid resterende vaartuigbrandstof te
berekenen.
TripIntel | NSO evo3S Gebruikershandleiding
51
Getij-meter
De Getij-meter op de TripIntel-pagina toont de hoogte van het getij op het geselecteerd
getij-station.
De Getij-meter kan ook worden weergegeven op de instrumentenbalk. Zie "De instrumentenbalk
aanpassen" op pagina 21.
Getij-grafieken en -stations
Getij-stations op kaarten geven informatie over getijden die wordt weergegeven in TripIntel.
Tripopnamen weergeven
Vastgelegde trips staan op het tabblad Historie op de TripIntel pagina. Om uitgebreide
tripinformatie weer te geven, selecteert u een trip in de lijst.
Namen van tripopnamen wijzigen
Bij het aanmaken van trips worden generieke namen toegekend. U kunt de tripnaam
wijzigen in een betekenisvollere naam. Selecteer de naam in de historielijst en selecteer
vervolgens de naam in het dialoogvenster Triphistorie details.
52
TripIntel | NSO evo3S Gebruikershandleiding
8
Radar
Over radar
Er worden verschillende radarsensoren ondersteund.
In dit hoofdstuk worden de functies en opties van allerlei ondersteunde radars beschreven.
De functies en opties die voor u beschikbaar zijn, hangen af van de radarantenne(s) die op
uw systeem aangesloten zijn.
Het radarpaneel
A
Radarinformatievenster
C
Kompas*
B
D
E
F
Vaarrichtingslijn*
Afstandsringen *
Snelle beeldbediening
Gegevensbalk**
* Optionele radarsymbolen Radarsymbolen kunnen in het radarmenu collectief in-/
uitgeschakeld worden, of individueel zoals beschreven in het dialoogvenster
radarinstellingen.
** U kunt de gegevensbalk weergeven of verbergen met de optie databalk in het
dialoogvenster Radarinstellingen.
Dubbele radar
U kunt verbinding maken met twee willekeurige ondersteunde radars en beide radarbeelden
tegelijkertijd bekijken.
Ú Notitie: Op Broadband Radar zal bij de meeste bereiken interferentie te zien zijn als een
puls- of Halo-radar en een Broadband-radar tegelijkertijd uitzenden vanaf dezelfde boot.
We raden u aan om met één radar tegelijk uit te zenden. Zend bijvoorbeeld met
Broadband radar uit voor navigatiegebruik, en met een puls- of Halo radar om buien en
bepaalde kustlijnen op afstand te lokaliseren en Racons te activeren.
U selecteert de optie voor dubbele radarpanelen door de knop van de radarapplicatie
ingedrukt te houden op de startpagina, of door onder favorieten een pagina met twee
radarpanelen aan te maken.
De radarbron selecteren
U kunt de radar op het radarpaneel opgeven door een van de beschikbaar radars te
selecteren in de menuoptie Radar bron. Als u een paneel met meerdere radars hebt, wordt
de radar individueel ingesteld voor elk radarpaneel. Activeer een van de radarpanelen en
selecteer vervolgens een van de beschikbare radars in de menuoptie Radar bron. Herhaal het
proces voor het tweede radarpaneel en selecteer een andere radar voor dit paneel.
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
53
Ú Notitie: Het 3-cijferige radarbronnummer bestaat uit de laatste 3 cijfers van het
serienummer van de radar.
Radar-overlay
U kunt de overlay van het radarbeeld op de kaart plaatsen. Dit kan u helpen het radarbeeld
eenvoudig te interpreteren door de radardoelen op één lijn te brengen met de objecten op
de kaart.
Ú Notitie: Voor radaroverlay moet het systeem zijn uitgerust met een koerssensor.
Wanneer u kiest voor radar-overlay, zijn de basisradarfuncties beschikbaar in het
kaartpaneelmenu.
Bron radar-overlay selecteren op kaartpanelen
Om de radarbron te selecteren van de radar-overlay die op het kaartpaneel verschijnt,
gebruikt u de opties in het menu Radaropties en vervolgens in Bron op het kaartpaneel
om de radarbron te selecteren.
Voor kaartpagina's met meer dan een kaart met radar-overlay kunt u verschillende
radarbronnen instellen voor elk kaartpaneel. Activeer een van de kaartpanelen en selecteer
vervolgens een van de beschikbare radars in de menuoptie Radar bron. Herhaal het proces
voor het tweede kaartpaneel met radar-overlay en selecteer een andere radar voor dit
paneel.
Operationele modi radar
U bedient de operationele modi van de radar vanuit het menu Radarpaneel. De beschikbare
modi zijn afhankelijk van uw radar.
Standby
De spanning naar de radarscanner is aan, maar de radar zendt niet.
Ú Notitie: U kunt de radar ook in de standby-modus zetten vanuit het dialoogvenster
Systeem regelingen.
Uit
De voeding voor de radarscanner is uitgeschakeld. De menu-optie Uit is alleen beschikbaar
als de radar in stand-bymodus is.
Notitie: Niet alle radars kunnen met de menu-optie Uit worden uitgeschakeld. Raadpleeg de
installatiehandleiding van de radar voor andere Aan/uit-opties.
Energiebesparing
Ú Notitie: Deze functie is alleen beschikbaar voor Halo20+ en Halo24 radars.
De menu-optie Energiebesparing is van toepassing op de instellingen gemaakt in het
dialoogvenster Instellingen energiebesparing van de radarbron. De menu-optie
Energiebesparing is alleen beschikbaar als de radar in stand-bymodus is.
Selecteer de stand-byoptie en dan de uitzendoptie om terug te keren naar de normale
uitzendmodus.
Opties voor energiebesparing
Hiermee opent u het dialoogvenster Instellingen energiebesparing. De menu-optie
Energiebesparing is alleen beschikbaar als de radar in stand-bymodus is.
54
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
De instellingen opgegeven in het dialoogvenster Instellingen energiebesparing worden
toegepast als de optie Instellen wordt geselecteerd.
Gebruikt het dialoogvenster Instellingen energiebesparing om het aantal scans tijdens het
uitzenden en hoelang de radarbron in stand-by moet zijn tijdens de
energiebesparingsmodus op te geven.
Als de radar stand-by is tijdens de energiebesparingsmodus, wordt het radarbeeld bevroren
en grijs. als de opgegeven stand-bytijd verloopt, begint de radar met uitzenden tot die het
aantal opgegeven scans heeft gedaan. De radar keert dan terug naar de
energiebesparingsmodus. De energiebesparingscyclus gaat door totdat de radarbron in
stand-bymodus of uitzendmodus zit of uitgeschakeld wordt.
Als een radarbedieningsunit tijdens de stand-bytijd wordt aangepast, begint de radar met
uitzenden totdat die het aantal opgegeven scans heeft bereikt.
Alarmen voor de veiligheidszones blijven in de energiebesparingsmodus beschikbaar. Als er
een alarm tijdens de energiebesparingsmodus wordt geactiveerd, blijft de radar voor
onbepaalde tijd uitzenden. De energiebesparingsmodus moet in dit geval handmatig
opnieuw worden ingeschakeld.
De energiebesparingsinstellingen worden toegepast op beide radarbereiken in de modus
dubbel bereik.
Zenden
De scanner is aan en zendt. Ontdekte doelen worden op de PPI (Plan Position Indicator) van
de radar getekend.
Ú Notitie: U kunt de radar ook in de verzendmodus zetten vanuit het dialoogvenster
Systeem regelingen.
Het radarbereik aanpassen
Het radarbereik wordt in het gedeelte systeeminformatie op het radarbeeld weergegeven.
Gebruik de zoomknoppen om het bereik te vergroten of verkleinen.
Dubbel bereik
Ú Notitie: Halo20 ondersteunt tweevoudig bereik niet.
Ú Notitie: Tweevoudig bereik wordt niet ondersteund door Halo 3000 radars in de Bird+
modus.
Wanneer het apparaat is aangesloten op een Broadband 4G of Halo radar (anders dan
Halo20) kunt u de radar in de modus Tweevoudig bereik gebruiken.
De radar wordt in het menu radarbronnen getoond als twee virtuele radarbronnen A en
B.Het bereik en de bediening van iedere virtuele radarbron is volledig onafhankelijk. De bron
voor dubbele radar kan op dezelfde manier worden geselecteerd voor een bepaalde kaart of
een bepaald radarpaneel zoals wordt beschreven in "De radarbron selecteren" op pagina 55.
Ú Notitie: Sommige bedieningselementen die verband houden met de fysieke
eigenschappen van de radar zelf zijn niet onafhankelijk van de bron. Het gaat daarbij om
Fast scan, Antennehoogte, Sectoronderdrukking en Peilingsuitlijning.
Het aantal doelen dat voor elke virtuele radarbron kan worden gevolgd hangt af van uw
radarbron.
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
55
Voor iedere virtuele radarbron kunnen tot twee onafhankelijke doeltrackingzones worden
gedefinieerd.
Sector onderdrukking
Ú Notitie: Deze functie wordt alleen ondersteund door Halo radars.
Als de radar is geïnstalleerd in de buurt van een mast of constructie kan dit leiden tot
ongewenste weerkaatsingen of interferentie op het radarbeeld. Gebruik de functie Sector
onderdrukking om te zorgen dat de radar niet meer scant in de richting van maximaal vier
sectoren.
De optie Sector onderdrukking is beschikbaar in het dialoogvenster voor radar installatie.
Raadpleeg de installatiehandleiding.
Ú Notitie: Sectoren zijn ingesteld ten opzichte van de koerslijn van de radar. De koers van
de sector wordt gemeten vanaf de middellijn van de sector.
Ú Notitie: Sector onderdrukking moet alleen worden toegepast als dit strikt noodzakelijk
is. Bij onnodig gebruik kan het nut van de radar bij het identificeren van geldige en
mogelijk gevaarlijke doelen afnemen.
Hoofdradar-PPI
Radaroverlay op een kaart
Het radarbeeld aanpassen
Het radarbeeld kan worden verbeterd door de versterking aan te passen, ongewenste echo's
door zeeruis, regen of andere weersomstandigheden weg te filteren en door de
gevoeligheid van de radarontvanger af te stemmen.
U kunt de versterking, zeeruis en regenruis aanpassen door het betreffende pictogram in de
rechterbovenhoek van het radarpaneel te selecteren of in het hoofdmenu van het
radarpaneel.
Ú Notitie: De radarbeeldinstellingen hebben geen invloed op de AIS-doelen.
Zee- en regenruis kunnen tegelijkertijd aanwezig zijn en dan zullen de detectiekwaliteit
verder afnemen. Aangezien zeeruis op korte afstand is en regenruis vaak op langere afstand,
kunnen de regenruisinstellingen worden aangepast zonder dat de echo's in het
zeeruisgebied worden aangetast.
Het radarbeeld kan worden aangepast zoals in de volgende onderdelen beschreven.
56
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Radarmodi
Gebruikersmodi zijn beschikbaar met vooraf ingestelde besturingsinstellingen voor
verschillende omgevingen. Niet alle modi zijn beschikbaar voor alle radarmodellen.
Aangepaste modus
In deze modus kunnen alle radarinstellingen worden aangepast en instellingen blijven
bewaard nadat een modus is gewijzigd of de radar opnieuw is ingeschakeld. De
standaardinstellingen van de radar zijn ingesteld voor algemeen gebruik.
Instellingen voor modus Aangepast
Storingsonder
drukking
Ruisonderdru
kking
Doel
vergroting
Snelle scanmodus
Scannen naar
scan
Alle instellingen
zijn beschikbaar
voor de
bestuurder
Alle instellingen
zijn beschikbaar
voor de
bestuurder
Alle instellingen
zijn beschikbaar
voor de
bestuurder
Alle instellingen
zijn beschikbaar
voor de
bestuurder
Alle instellingen
zijn beschikbaar
voor de
bestuurder
Modus Haven
In deze modus worden de radarinstellingen aangepast aan gebieden zoals drukke
waterwegen en grote kunstmatige structuren, waar een goed onderscheid tussen doelen en
tevens snelle beeldbijwerking nodig zijn.
Instellingen van modus Haven
Storingsonder
drukking
Ruisonderdru
kking
Doel
vergroting
Snelle scanmodus
Scannen naar
scan
Alle instellingen
zijn beschikbaar
voor de
bestuurder
Altijd hoog
Altijd laag
Altijd uit
Altijd SC/SC-3
Offshore-modus
In deze modus worden de radarinstellingen geoptimaliseerd voor offshore zeecondities en
zijn geïsoleerde doelen groter en beter zichtbaar.
Instellingen van Offshore-modus
Storingsonder
drukking
Ruisonderdru
kking
Doel
vergroting
Snelle scanmodus
Alle instellingen
zijn beschikbaar
voor de
bestuurder
Altijd hoog
Altijd gemiddeld Altijd uit
Scannen naar
scan
Altijd SC/SC-2
Weermodus
In deze modus worden de radarinstellingen geoptimaliseerd voor de beste detectie en
weergave van regenecho. Het beeld wordt minder snel bijgewerkt en de kleurdiepte is
verhoogd.
Bird modus
De radarinstellingen worden geoptimaliseerd voor de beste detectie van vogels, zowel langs
de kust als offshore. De radar is ingesteld op hoge gevoeligheid.
Waarschuwing: Het gebruik van deze modus wordt afgeraden in drukke
havenomgevingen.
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
57
Bird+ modus
De Bird+ modus werkt met Halo 3000 serie radars en biedt verbeterde mogelijkheden voor
offshore vogeldetectie op lange afstand.
Ú Notitie: Tweevoudig bereik wordt niet ondersteund door Halo 3000 radars in de Bird+
modus, maar bereik A of bereik B werkt wel. Als de Bird+ modus wordt geactiveerd
terwijl het andere bereik al zendt, wordt het andere bereik automatisch in stand-by
gezet. Zodra de Bird+ modus wordt afgesloten, wordt de transmissie automatisch
hervat.
Het maximale bereik is 24 Nm.
Waarschuwing: Het gebruik van deze modus wordt afgeraden in drukke
havenomgevingen.
Beschikbare besturingselementen voor verschillende gebruiksmodi
Niet alle besturingselementen zijn aanpasbaar in elke modus. In de volgende tabel staan de
vooraf ingestelde besturingselementen en de aanpasbaarheid van elk besturingselement.
Aangepast
Harbor
Zeezeilen
Weer
Bird/Bird+
Ruisonderdruk Aanp.
king
Medium
Hoog
Medium
Hoog
Doel
vergroting
Aanp.
30%
Laag
30%
Medium
0%
Uit
0%
Storing
afwijzen
Aanp.
Aanp.
Aanp.
Aanp.
Aanp.
Medium
Uit
Uit
Uit
Snelle scan
Aanp.
Hoog
Hoog
Uit
Uit
Drempel
Aanp.
Doelondersch Aanp.
eiding
Uit
Modi bij dubbel bereik
Wanneer het apparaat is aangesloten op een radar met een dubbel bereik, kunt u de radar in
de modus Dubbel bereik gebruiken.
Ú Notitie: Tweevoudig bereik wordt niet ondersteund door Halo 3000 radars in de Bird+
modus.
De modi kunnen onafhankelijk van elkaar worden ingesteld voor ieder bereik. U kunt
bijvoorbeeld de modus Offshore instellen voor bereik A en de modus Weer voor bereik B. In
sommige gevallen vindt echter een wisselwerking tussen bereiken plaats:
• Wanneer u voor beide bereiken de modus Vogel gebruikt, dan is het maximale bereik
beperkt tot 24 NM en wordt de resolutie van het bereik beperkt.
• Fast scan - De rotatiesnelheid van de antenne wordt ingesteld voor de traagste van beide
modi. Fast scan wordt bijvoorbeeld uitgeschakeld als u de modi Haven en Weer gebruikt,
omdat Fast scan uitstaat in de modus Weer.
• De instellingen voor interferentieonderdrukking kunnen invloed hebben op de
interferentie die in beide bereiken wordt waargenomen en verwijderd.
Directionele echo-onderdrukking
Deze modus is actief als zee-echo is ingesteld op Automatisch of Haven/Offshore (de opties
verschillen per radarmodel). De versterking van de radarontvanger wordt dynamisch
aangepast tijdens de 360-graden sweep volgens het zee-echoniveau voor hogere
doelgevoeligheid benedenwinds en bij zwaardere zeegang. Bij Halo radars is het ook
mogelijk om directionele echo-onderdrukking fijn af te stellen met automatisch offsetaanpassingen.
58
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Ú Notitie: Deze modus kan niet in het menu worden geselecteerd en u kunt niet op het
paneel of in het menu zien dat die is geactiveerd.
Als zee-echo op Handmatig is ingesteld, staat de modus Directionele echo-onderdrukking
UIT (niet-directioneel).
De zeestatusinstellingen Kalm, Matig of Ruw zijn beschikbaar in het menu om het radarbeeld
beter aan uw voorkeur aan te passen.
Gain
De versterking regelt de gevoeligheid van de radarontvanger.
Door een hogere versterking wordt de radar gevoeliger voor radarecho's, zodat er zwakkere
doelen getoond worden. Als de versterking te hoog staat, kan het beeld vollopen met
achtergrondruis.
De versterking heeft een handmatige en een automatische modus. U wisselt tussen de
automatische en de handmatige modus met de schuifbalk.
Zee-echo
Wordt gebruikt om het effect van achtergrondecho van golfslag of ruwe zee rond het
vaartuig te filteren.
Als u de waarde verhoogt, wordt de gevoeligheid van de korteafstandsecho veroorzaakt
door golven verminderd. Als de waarde te veel wordt verhoogd, verdwijnen zowel de zeeecho als doelen van het display. Doelen rond het eigen vaartuig worden dan misschien niet
weergegeven als gevaarlijke doelen.
Het systeem beschikt over vooraf gedefinieerde instelling voor zee-echo in havens en
offshore. Daarnaast is er een handmatige modus waarin u de instellingen kunt aanpassen.
Ú Notitie: Als het niveau zee-echo wordt verhoogd, kunnen sommige doelen niet worden
gedetecteerd, zelfs niet via zee-echofiltering, aangezien boeien of andere kleine
objecten echo's produceren van een lager niveau dan de echo's van de golven.
Zeeconditie
Pas de instelling voor Zeeconditie aan de huidige zeecondities aan voor de beste
onderdrukking van zee-echo.
Regenecho
De functie Regen-echo wordt gebruikt om het effect van regen, sneeuw of andere
weersomstandigheden op het radarbeeld te verminderen. Als u de waarde verhoogt, wordt
de gevoeligheid van de langeafstandsecho veroorzaakt door regen verminderd. De waarde
mag niet teveel verhoogd worden, omdat ook echte doelen gefilterd kunnen worden.
Als de neerslag boven het schip is, heeft de aanpassing van de regen-echo impact op de
weergave van nabije echo's.
Cursor op een radarpaneel gebruiken
Standaard wordt de cursor niet weergegeven op het radarpaneel.
Wanneer u de cursor op het radarpaneel plaatst, wordt het cursorpositievenster geactiveerd.
Ga naar cursor
U kunt navigeren naar een geselecteerde positie op het beeld door de cursor op het paneel
te plaatsen en vervolgens in het menu de optie Ga naar Cursor te gebruiken.
De functie Cursorondersteuning
Ú Notitie: Cursorondersteuning is beschikbaar wanneer deze functie is ingeschakeld. Zie
"De lange druk configureren" op pagina 20.
Met de functie Cursorondersteuning kunt u de cursor nauwkeurig gebruiken en plaatsen
zonder gegevens met uw vinger te bedekken.
Activeer de cursor op het paneel en houd uw vinger vervolgens ingedrukt op het scherm om
het cursorsymbool te veranderen in een selectiecirkel, die boven uw vinger verschijnt.
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
59
Sleep de selectiecirkel zonder uw vinger van het scherm te halen naar de gewenste positie.
Als u uw vinger van het scherm haalt, keert de cursor terug naar de gewone cursorfunctie.
Nieuw waypoint
U kunt een waypoint op een geselecteerde positie opslaan door de cursor op het paneel te
plaatsen en vervolgens de menu-optie Nieuw waypoint te gebruiken.
Geavanceerde radaropties
Ruisonderdrukking
Hiermee bepaalt u hoeveel ruis wordt gefilterd door de radar. De doelgevoeligheid voor de
lange afstand wordt groter wanneer deze instelling op Laag of Hoog staat, maar dit
veroorzaakt wat verlies in doelonderscheiding.
Ú Notitie: Laat voor een maximaal bereik de radar op één bereik uitzenden, stel
Ruisonderdrukking in op Hoog en kies een zo laag mogelijke drempel. De
standaardwaarde is 30% voor minder ruis op het scherm. In sommige gebieden met
ongewoon veel interferentie levert UIT mogelijk het beste radarbeeld op.
Drempel
De drempel bepaalt de vereiste signaalsterkte voor de laagste radarsignalen. Radar beneden
deze drempel wordt gefilterd en wordt niet getoond.
Doel vergroting
Met Doelvergroting wordt de lengte van doelen in het bereik vergroot, zodat ze beter te zien
zijn.
Radarstoring onderdrukken
De optie Radarstoring onderdrukken (RO of Storing ond) wordt gebruikt om tweedespoorecho's van doelen op grote afstand te verwijderen evenals de interferentie van radarunits op
dezelfde frequentieband.
Als de RO aan staat, is pulsspreiding van de transceiver ingeschakeld. Wanneer dit is
ingeschakeld, wordt de PRF van de transceiver voor elke sweep licht gewijzigd. Hierdoor
worden de spiraalverstoringen en tweedespoor-echo's in het bereik van sweep tot sweep
gesplitst. RO-verwerking wist alle echo's die in hetzelfde bereik worden gevonden als ze niet
in elke sweep aanwezig zijn.
De RO moest worden gekozen afhankelijk van de omgeving rond het eigen vaartuig:
• IR uit als het maximale signaal van de receiver nodig is
• IR aan als de verstoring of tweedespoor-echo's het radarbeeld verstoren
Om geen zwakke doelen te missen, dient de storingsonderdrukking uit gezet te worden als
er geen storing is.
Doelonderscheiding
Regelt de doelonderscheiding van de radar (de afstand tussen objecten is opvallender).
Snelle scan
Stelt de rotatiesnelheid van de antenne in. Met deze optie krijgt u sneller een update van
doelen.
60
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Ú Notitie: Of de maximale snelheid wordt bereikt is afhankelijk van de instellingen, de
modus en het bereik die voor de radar zijn geselecteerd. De radar draait zo snel als de
huidige bedieningsinstellingen toelaten.
Doelvergroting
De functie Target boost vergroot de pulslengte en verkleint de bandbreedte van de radar,
zodat doelen groter lijken in het bereik en de radargevoeligheid wordt vergroot.
Meer opties
De menuopties zijn afhankelijk van de mogelijkheden van uw radar.
VelocityTrack
Ú Notitie: Als VelocityTrack is ingeschakeld, kan de rotatiesnelheid van de antenne lager
zijn.
Ú Notitie: Wanneer u de radar in de modus Dubbel bereik gebruikt en een van de
bereiken hebt ingesteld op 36 nm of meer, kan er meer VelocityTrack kleurruis te zien
zijn op de landdelen.
Doppler-kleuring is een navigatiehulpmiddel om bewegende doelen die uw schip naderen
of ervan afwijken te onderscheiden. De radar geeft aan of een doel uw schip nadert of ervan
afwijkt wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan:
• De relatieve snelheid van het doel is hoger dan de maximum VelocityTrack-snelheid.
• Het doel is niet geostationair (bijv. land of een baken).
De volgende opties zijn beschikbaar:
• Uit - schakelt Doppler-kleuring uit
• Normaal - naderende of afwijkende doelen worden gekleurd.
• Naderende doelen - alleen naderende doelen worden gekleurd
De kleur van naderende en afwijkende doelen hangt af van het gebruikte palet:
Radarbeeldpaletten
• Afwijkende doelen zijn blauw gekleurd op alle radarbeeldpaletten.
• Naderende doelen hebben de volgende kleuren op radarbeeldpaletten:
- Zwart/rood palet - geel
- Wit/rood palet - geel
- Zwart/groen palet - rood
- Zwart/geel palet - rood
Radar-overlaypaletten op kaarten
• Afwijkende doelen zijn donkergrijs.
• Naderende doelen zijn geel.
VelocityTrack instellingen
Gebruik dit dialoogvenster om de maximumsnelheid van te kleuren doelen in te stellen.
De maximumsnelheid kan worden ingesteld voor alleen de radarbron van het geselecteerde
radarpaneel of voor alle met het systeem verbonden radarbronnen. De instelling wordt
alleen toegepast op radars die op het moment dat de instelling wordt geëffectueerd, zijn
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
61
ingeschakeld en verbonden met het systeem. Als de optie Alle radarbronnen is geselecteerd,
gebruiken later aangesloten radars automatisch de ingestelde waarden.
VelocityTrack voorbeelden
Naderende en afwijkende bewegende doelen kunnen in sommige omstandigheden als
neutraal (niet gekleurd) worden aangegeven. De navigator dient dergelijke situaties te
kunnen herkennen om veilig gebruik te kunnen maken van de functie VelocityTrack als
hulpmiddel om botsingen te vermijden.
Hieronder wordt geïllustreerd hoe VelocityTrack zich gedraagt in 2 verschillende
navigatiescenario's. De illustraties tonen een doel (A) dat het pad van het eigen schip (B)
kruist.
A
B
0°
5
4
3
0°
2
1
5
C
4
3
2
1
D
In de voorbeelden is de beweging van het doel (1-5) te zien in 5 radarscans, waarbij de radar
in relatieve bewegingsmodus staat.
In voorbeeld C is de grondkoers (COG) van het eigen schip 0° en de snelheid 0 knopen.
In voorbeeld D is de grondkoers van het eigen schip 0° en de snelheid 10 knopen.
In beide voorbeelden is de grondkoers van het doel 270° en de snelheid 20 knopen.
De kleuren in de voorbeelden zijn conform de kleuren die worden gebruikt voor zwart/
groene en zwart/gele radarpaletten:
• Rood (C1/C2 en D1/D2) geeft aan dat het doel een pad volgt dat het eigen schip nadert.
De relatieve snelheid van het doel op dat moment is hoger dan de maximum
VelocityTrack-snelheid.
• Niet gekleurd (C3 en D3/D4) geeft aan dat het doel tijdelijk neutraal is omdat de relatieve
snelheid op dat moment lager is dan de maximum VelocityTrack-snelheid.
• Blauw (C4/C5 en D5) geeft aan dat het doel zich verwijdert van het eigen schip en dat de
relatieve snelheid ervan op dat moment hoger is dan de maximum VelocityTrack-snelheid.
Het radarpalet
Er kunnen verschillende kleuren(paletten) worden gebruikt om details op uw radarpaneel
weer te geven.
Oriëntatie
De radaroriëntatie wordt aangegeven in de linker bovenhoek van het radarpaneel als VB
(Vaarrichting boven), NB (Noord boven) en KB (Koers boven).
62
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Head-up
In de modus Head-up is de koerslijn op de PPI gericht op de 0° op de peilingschaal en naar
de bovenkant van het scherm. Het radarbeeld wordt weergegeven ten opzichte van het
eigen schip en als het schip keert, draait het radarbeeld.
Ú Notitie: Head-up is alleen beschikbaar in de modus Relatieve beweging en het is de
enige oriëntatiemodus die beschikbaar is als de radar niet aangesloten op een
koersbron.
Noord boven
In de modus Noord boven geeft de 0°-indicatie op de PPI het noorden aan. De koerslijn op
de PPI volgt de koers van het vaartuig, zoals die van het kompas wordt verkregen. Als het
schip keert, volgt de koerslijn de wending van het schip, terwijl het radarbeeld stabiel blijft.
De Noord boven oriëntatie is niet beschikbaar als er geen koersbron is verbonden met de
radar. Als er koersinformatie verloren is gegaan, schakelt het systeem automatisch over op
Head-up (Vaarrichting boven) oriëntatie.
Koers boven
In de modus Koers boven wordt bovenaan de peilingschaal de ware koers van het schip
aangegeven, gemeten vanaf het noorden op het moment dat Koers boven werd
geactiveerd. Als het schip keert, blijft de peilingschaal constant, terwijl de koerslijn meedraait
met de koerswijziging van het schip.
De Koers boven oriëntatie wordt gereset door de modus Koers boven opnieuw te selecteren.
Het PPI-midden verplaatsen
U kunt de beginpositie van de antenne instellen op een andere locatie op de PPI van de
radar. De in de volgende paragrafen beschreven opties zijn beschikbaar.
Ppi midden: Midden
Ppi midden: Look Ahead
Ppi midden: Offset
Midden
Met de optie Midden wordt de antenne opnieuw in het midden van de PPI gepositioneerd.
Vooruit kijken
De optie Vooruit kijken wordt gebruikt om het zicht vóór het schip te optimaliseren. Als de
optie is geselecteerd, wordt het PPI-midden geplaatst op 70% van de straal van de PPI, 180°
tegenover de bovenkant van het scherm.
Ú Notitie: De optie Vooruit kijken is alleen beschikbaar voor Vaarrichting boven
radaroriëntatie.
Offset
Met deze optie kunt u de cursor gebruiken om het PPI midden te selecteren.
Verplaats de cursor naar de gewenste offset-positie en bevestig uw selectie.
Modus Radarbeweging
Radarbeweging wordt linksboven op het radarpaneel aangegeven als TM (True motion Ware beweging) of RM (Relative motion - Relatieve beweging).
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
63
Relatieve beweging
In Relatieve beweging blijft uw schip op een vaste locatie op de radar-PPI en bewegen alle
andere objecten ten opzichte van uw positie.
U selecteert de positie van de vaste locatie zoals beschreven in "Het PPI-midden verplaatsen" op
pagina 63.
Ware beweging
In Ware beweging bewegen uw vaartuig en alle bewegende doelen over de radar PPI tijdens
het varen. Alle stilstaande objecten blijven op een vaste positie. Wanneer het
vaartuigsymbool 75% van de PPI radius (A) bereikt, wordt het radarbeeld vernieuwd met het
vaartuigsymbool geherpositioneerd (B) op 180° tegenover de huidige koerspeiling.
A
B
Als ware beweging is geselecteerd, is de optie Reset ware beweging beschikbaar in het
menu. Hiermee kunt u het radarbeeld handmatig resetten en het vaartuigsymbool
terugplaatsen in de beginpositie.
Ú Notitie: Ware beweging is alleen beschikbaar als de PPI in de oriëntatiemodus Noord
boven of Koers boven staat. Als u op uw MFD ware beweging wilt instellen, selecteert u
de optie Positie in het menu Meer en selecteert u vervolgens de optie Ware beweging.
Radar symbolen
Radarsymbolen gedefinieerd in het Radar instellingen paneel kunnen allemaal aan/uit
worden gezet. Zie de afbeelding van het radar paneel met optionele radar items.
Doelsporen
Een doelspoor geeft de doelverplaatsing aan door nalichten, waarbij de intensiteit na verloop
van tijd geleidelijk afneemt.
Doelsporen laten zien waar een doel eerst was. De functies is handig om de beweging van
de doelen relatief ten opzichte van uw vaartuig snel te kunnen beoordelen.
U kunt de lengte van de sporen instellen. De lengte staat voor de tijd tot de sporen vervagen.
U kunt de doelsporen ook UITzetten.
Sporen wissen
Met de optie Sporen wissen worden doelsporen tijdelijk van uw radarpaneel verwijderd. De
sporen zullen weer opbouwen, tenzij u de functie uitschakelt.
EBL/VRM markering
Met de elektronische peillijn (EBL) en de variabele afstandsmarkering (VRM) kunnen snel
afstandsmetingen en peilingen worden gedaan naar vaartuigen en landmassa's binnen
radarbereik. Op het radarbeeld kunnen twee verschillende EBL/VRM's geplaatst worden.
De EBL/VRM's worden standaard gepositioneerd vanuit het midden van het vaartuig. Het is
echter mogelijk het referentiepunt te verschuiven naar een andere geselecteerde positie op
het radarbeeld.
Definiëren van een EBL/VRM markering
1. Zorg dat de cursor niet actief is.
2. Activeer het menu Meer, selecteer EBL/VRM en vervolgens EBL/VRM 1 of EBL/VRM 2.
64
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
De EBL/VRM bevindt zich nu op het radarbeeld.
3. Selecteer de aanpassingsoptie in het menu als u de positie van de markering wilt
wijzigen.
4. Pas de markering aan door deze naar de gewenste positie te slepen.
5. Sla uw instellingen op.
EBL/VRM markeringen met de cursor plaatsen
1. Plaats de cursor op het radarbeeld
2. Activeer het menu
3. Selecteer een van de EBL/VRM-markeringen
- De EBL-lijn en de VRM-cirkel worden geplaatst naar gelang de cursorpositie.
EBL/VRM markering verplaatsen
1. Zorg dat de cursor niet actief is.
2. Activeer het menu en selecteer EBL/VRM, en selecteer vervolgens de markering die u wilt
verplaatsen.
3. Selecteer de optie Offset instellen.
4. Plaats de cursor in het radarpaneel om de offsetpositie in te stellen.
5. Kies Opslaan om uw instellingen op te slaan.
U kunt het EBL/VRM middelpunt ten opzichte van de vaartuigpositie opnieuw instellen in het
menu.
Een veiligheidszone rond uw vaartuig instellen
Een bewakingszone is een gebied (een cirkel of een sector) die u op het radarbeeld kunt
definiëren. Indien geactiveerd, wordt u door een alarm gewaarschuwd wanneer een
radardoel de zone binnenkomt of verlaat.
Een veiligheidszone definiëren
1. Zorg dat de cursor niet actief is
2. Activeer het menu, selecteer Veiligheidszones en selecteer vervolgens een van de
veiligheidszones
3. Selecteer de vorm van de zone
- De aanpassingsopties hangen af van de vorm van de veiligheidszone
4. Selecteer Aanpassen om de instellingen voor de veiligheidszone te definiëren. De
waarden kunnen ingesteld worden in het menu of door te slepen op het radarpaneel.
- A: Peiling, relatief ten opzichte van de vaarrichting van het vaartuig
- B: Diepte
- C: Bereik, relatief ten opzichte van het midden van het vaartuig
- D: Breedte
5. Kies Opslaan om uw instellingen op te slaan.
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
65
D
C A
B
Vorm: Sector
C
B
Vorm: Cirkel
Alarminstellingen
Er wordt een alarm geactiveerd als een radardoel de grenzen van de bewakingszone
doorbreekt. U kunt selecteren of het alarm geactiveerd wordt wanneer het doel de zone
binnenkomt of verlaat.
Gevoeligheid
De gevoeligheid van de bewakingszone kan worden ingesteld om alarms voor kleine doelen
uit te schakelen.
Doelen volgen
Ú Notitie: In deze handleiding worden allerlei trackingopties voor verschillende
radarsystemen beschreven. De beschikbare trackingopties in uw systeem hangen af van
de mogelijkheden van uw radarsysteem.
Ú Notitie: Voor het volgen van doelen is een goede koersbron en een geldige GPS-positie
nodig.
Een radardoel binnen een vooringesteld bereik kan worden verkregen en gevolgd. Het
systeem toont doelen in het radarpaneel afhankelijk van de instellingen die u in het menu en
het dialoogvenster Vaartuigen en gevolgde doelen opgeeft.
U kunt trackingzones instellen (max. bereik 42 Nm). Zie "Doeltrackingzones" op pagina 66. Het
systeem volgt doelen die de zones binnenkomen en voldoen aan de instellingen die u maakt
in het dialoogvenster Vaartuigen en gevolgde doelen.
Er wordt een alarm geactiveerd als het aantal gevolgde doelen de maximum limiet of
capaciteit van het systeem overschrijdt. Als het aantal doelen de limiet of capaciteit
overschrijdt, worden alleen de doelen het dichtst bij het eigen vaartuig weergegeven.
Doeltrackingzones
Met de functie doeltrackingzones kunnen radardoelen automatisch worden verkregen
wanneer ze een door de gebruiker bepaalde zone binnenkomen.
De functie veiligheidszone traceert doelen niet automatisch wanneer zij de veiligheidszone
binnenkomen. De functie geeft alleen een alarmmelding als het doel de veiligheidszone
binnenkomt.
Gebruik het dialoogvenster Vaartuigen en gevolgde doelen om gevaarlijke doelen en
interessante doelen te bepalen en doelfilters te maken om op te geven welke doelen er in
het radarpaneel moeten worden weergegeven. Zie "Vaartuigen en gevolgde doelen" op pagina 74.
De optie veiligheidszone of doeltrackingzone hangt af van de radarbron. Het instellen van de
zones is vergelijkbaar.
66
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Bewakingszones
Doeltrackingzones
Er kunnen twee zones worden bepaald, elk met eigen instellingen.
Als een doel een zone binnenkomt, wordt het automatisch als veilig of gevaarlijk beschouwd
afhankelijk van de CPA/TCPA-instellingen.
ZoneTrack
Als dit geselecteerd is, kunt u trackingzones instellen of trackingzones die al ingesteld zijn
opnieuw activeren. U krijgt een alarmmelding als de radar een doel binnen een zone
verkrijgt.
Schakel dit uit om alle uit te schakelen. De zones worden van het radarbeeld verwijderd. De
radar stopt met het verkrijgen van doelen binnen de zones en er worden geen
alarmmeldingen verzonden.
Ú Notitie: Het ZoneTrack-doellimiet is 50 doelen per zone. Het doellimiet kan niet worden
gewijzigd.
Een veiligheidszone rond uw vaartuig instellen
Een bewakingszone is een gebied (een cirkel of een sector) die u op het radarbeeld kunt
definiëren. Indien geactiveerd, wordt u door een alarm gewaarschuwd wanneer een
radardoel de zone binnenkomt of verlaat.
Veiligheids- of doeltrackingszones maken
Een veiligheidszone of doeltrackingzone is een gebied (een cirkel of een sector) die u op het
radarbeeld kunt definiëren. Indien geactiveerd, wordt u door een alarm gewaarschuwd
wanneer een radardoel de zone binnenkomt of verlaat.
Een bewakings- of doeltrackingszone definiëren
1. Zorg dat de cursor niet actief is.
2. Activeer het menu, selecteer bewakingszone of doeltracking en selecteer vervolgens een
van de zones.
3. Selecteer de vorm van de zone.
De aanpassingsopties hangen af van de vorm van de zone.
4. Selecteer Aanpassen om de instellingen voor de zone te definiëren. De waarden kunnen
ingesteld worden in het menu of door te slepen op het radarpaneel.
A: Peiling, relatief ten opzichte van de vaarrichting van het vaartuig
B: Diepte
C: Bereik, relatief ten opzichte van het midden van het vaartuig
D: Breedte
D
C A
B
Vorm: Sector
5. Kies Opslaan om uw instellingen op te slaan.
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
C
B
Vorm: Cirkel
67
Alarminstellingen voor veiligheids- of doeltrackingzones
Er kan een alarm worden ingesteld om geactiveerd te worden als een radardoel de grenzen
van de zone doorbreekt.
Veiligheidszones: selecteer de optie Alarm wanneer om te schakelen tussen het alarm
activeren als het doel de veiligheidszone binnendringt of verlaat.
Doeltrackingzones: selecteer de optie Alarm als om te schakelen tussen het alarm activeren
als het doel de doeltrackingzone binnendringt of verlaat.
Gevoeligheid
De gevoeligheid van de bewakingszone kan worden ingesteld om alarms voor kleine doelen
uit te schakelen.
Doelen bekijken
Gebruik deze optie om specifieke doelen op het radarbeeld te volgen.
Selecteer een doel en vervolgens de optie Doelen bekijken. Het doel wordt gemarkeerd.
Herhaal het proces om een ander doel te bekijken. U kunt meerdere doelen bekijken.
Stop met doelen bekijken
U kunt stoppen met het bekijken van doelen die niet langer extra aandacht vragen.
Om het bekijken van specifieke doelen te stoppen, selecteert u een bekeken doel op het
radarbeeld en daarna de optie Stop kijken. De optie Stop kijken is beschikbaar in het menu
als het bekeken doel is geselecteerd.
Selecteer de optie Stop alles bekijken om te stoppen met het kijken naar alle doelen. De
optie Stop alles bekijken is beschikbaar als doelen worden bekeken en de cursor van het
radarbeeld is gewist.
Doelsymbolen radar
Het systeem maakt gebruik van de volgende symbolen voor doelen:
Radardoel, niet in beweging.
11
5
2
68
Gevolgd radardoel, niet in beweging. Er zit een ring om gevolgde
radardoelen. Ze geven ook het ID-nummer van het doel weer.
Gevolgd bewegend doel met spoor als doelgeschiedenis is
ingeschakeld. Toont de ring en het ID-nummer van het gevolgde doel.
Gevolgd bewegend radardoel zonder koersverlenging (korte lijn geeft
de richting aan waarin het doel zich beweegt). Toont de ring en het IDnummer van het gevolgde doel.
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Gevolgd bewegend radardoel met koersverlenging. Toont de ring en het
ID-nummer van het gevolgde doel.
5
8
3
4
8
Gevolgd bewegend gevaarlijk doel (geel), met spoor als
doelgeschiedenis is ingeschakeld. De gele kleur wordt weergegeven als
het radarpalet zwart/rood of zwart/groen is. Toont de ring en het IDnummer van het gevolgde doel.
Gevolgd bewegend gevaarlijk doel (paar), met spoor als
doelgeschiedenis is ingeschakeld. De paarse kleur wordt weergegeven
als het radarpalet wit/rood is. Toont de ring en het ID-nummer van het
gevolgde doel.
Gevolgd bewegend gevaarlijk doel (rood), met spoor als
doelgeschiedenis is ingeschakeld. De rode kleur wordt weergegeven als
het radarpalet zwart/geel is. Toont de ring en het ID-nummer van het
gevolgde doel.
Gevolgd gekoppeld doel. Toont de ring en het ID-nummer van het
gevolgde doel. Wanneer het radarsignaal en het AIS signaal hetzelfde
trackingdoel detecteren, geeft het systeem dit doel weer met één
symbool. Dit vermindert het aantal AIS symbolen en radardoelen op de
PPI. De koppelfunctie compenseert ook een mogelijke fout in een van de
twee doelen, bijv. als het door de radar gevolgde doel zich achter een
eiland bevindt, blijft het systeem het AIS-doel volgen en visualiseren.
Ú Notitie: Het systeem blijft het gevolgde radardoel analyseren als
doelkoppeling actief is.
Geselecteerd radardoel.
Verloren radardoel.
Mogelijke fouten bij doeltracking
Sommige factoren kunnen trackingfouten veroorzaken of het radarbeeld slecht af te lezen
maken en daardoor de mogelijkheid om doelen te detecteren verminderen:
• Zee, regen, sneeuw en lage bewolking zorgen voor
• Radarinterferentie
• Nevenbundelecho's
• Blinde vlekken
• Slechte signaal-ruisverhouding en signaal-clutterverhouding
Waarschuwing: De snelheid en koers van een radardoel worden
verkregen door opvolgende metingen van de echopositie. De gegevens
worden dan gefilterd om de juiste nauwkeurigheid te verkrijgen. Dit
betekent dat elke verandering van snelheid en richting met een bepaalde
vertraging wordt gezien om absolute zekerheid te verkrijgen dat het doel
op een manier beweegt. De bevestigingsvertraging is ongeveer vijf scans en
daarna is er nog wat tijd nodig om dezelfde mate van nauwkeurigheid uit
de gegevens te halen als voor de manoeuvre.
Zee, regen, sneeuw en lage bewolking zorgen voor
Radarecho's in zee, regen of slecht weer kunnen door de ruis worden gemaskeerd. De
effecten van dergelijke fouten verschijnen als constante grote veranderingen van de koers en
snelheid van het doel. Soms kan het symbool van een doel dat op hoge snelheid werd
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
69
verkregen na bepaalde tijd wegglippen van de daadwerkelijke doelpositie en dit kan leiden
tot de melding Verloren doel.
Deze fouten kunnen worden voorkomen of in elk geval worden geminimaliseerd door juiste
handmatige aanpassingen van zee- en regenbediening of door de automatische bediening
te selecteren. Zie voor meer informatie "Het radarbeeld aanpassen" op pagina 56.
Radarinterferentie
Andere radars op dezelfde frequentieband kunnen interferentie veroorzaken. Normaal ziet
dit er op het radarscherm uit als een reeks spiralen. Als de interferentie op het gevolgde doel
valt, kan dit een vervorming van de grootte van de echo veroorzaken en daardoor een kleine
fout in de koers- en snelheidswaarden van het doel.
Er is een aanpassingsoptie in het geavanceerde menu. Zie "Radarstoring onderdrukken" op pagina
60.
Tweedespoor-echo
Een tweedespoor-echo is een echo van een doel op grote afstand ontvangen nadat de
volgende puls is uitgezonden.
Tweedespoor-echo's zijn alleen onder abnormale atmosferische omstandigheden of in geval
van superrefractie.
Deze echo's worden met de juiste peiling maar met een verkeerd bereik weergegeven.
U herkent tweedespoor-echo's aan de onregelmatige vorm. Aangezien de tijd tussen twee
opeenvolgend uitgezonden pulsen afhankelijk is van kleine variaties, ziet de tweedespoorecho er vaag en wazig uit.
Tweedespoor-echo's worden automatisch door de radar onderdrukt als de functie
storingsonderdrukking ingeschakeld is. Zie "Radarstoring onderdrukken" op pagina 60.
Nevenbundelecho's
Radarantennes hebben een stralingspatroon dat bestaat uit een hoofdstraal en verschillende
zeer kleine nevenbundels. Het grootste deel van de door de radar uitgezonden energie
wordt teruggestraald en ontvangen op de hoofdbundel, en een zeer klein deel op de
nevenbundels. Dit heeft geen effect in het geval van een doel in de verte of een klein doel,
maar de terugkeer van een groot doel op korte afstand (minder dan 3 NM) kan aan beide
kanten van de hoofdecho en op dezelfde afstand, bogen of reeksen kleine echo's genereren.
Als deze effecten een uitbreiding van de hoofdecho zijn, kunnen kortstondige fouten
veroorzaken voor de tracking en de koers- en snelheidswaarden geleverd door de tracking
kunnen instabiel worden.
Het probleem kan meestal worden verholpen of sterk verminderd door een nauwkeurige
afstelling van de zeeruisfunctie. Zie "Zee-echo" op pagina 59.
Blinde vlekken
Pijpen, masten of andere obstructies (wanneer deze zich in de nabijheid van de
radarantenne bevinden) kunnen blinde vlekken of schaduwsectoren veroorzaken, waardoor
het zicht op het doel volledig verloren kan gaan of sterk wordt gehinderd. Doelen die lange
tijd in deze gebieden blijven (meer dan 10 antenneomwentelingen) worden als verloren
beschouwd en de melding Verloren doel wordt geactiveerd.
Gebruik de functie Sector onderdrukking om te zorgen dat de radar niet meer scant in de
richting van maximaal vier sectoren. Zie "Sector onderdrukking" op pagina 56.
Slechte signaal-ruisverhouding en signaal-clutterverhouding
In situaties waarin de signaal-ruis- of signaal-clutterverhouding van de radarecho's zwak is
(kleine vaartuigen bij zware zeegang of rain clutter of grote vaartuigen dicht bij de
radarhorizon), is doeldetectie slecht en worden de doelen niet na elke antenne-omwenteling
gedetecteerd. Dit veroorzaakt problemen in de tracking, variëren van gemiste informatie tot
volledig verlies van het doel als het verloren raakt na 10 opeenvolgende antenneomwentelingen.
70
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Gevaarlijke doelen
Radardoelen worden bestempeld als gevaarlijke doelen in het dialoogvenster Vaartuigen en
gevolgde doelen (TCPA-/CPA-instellingen), raadpleeg "Vaartuigen en gevolgde doelen" op pagina
74.
De optie Gevaarlijk vaartuig moet zijn ingeschakeld in het gedeelte Vaartuigen van het
dialoogvenster Alarminstellingen anders zal het systeem geen waarschuwingen weergeven
als er een gevaarlijk vaartuig wordt gedetecteerd.
Meldingen voor gevaarlijke doelen
Als een vaartuig voldoet aan de criteria van gevaarlijk vaartuig ingesteld in het
dialoogvenster Vaartuigen en gevolgde doelen (TCPA/CPA-instellingen) en als de alarmoptie
Gevaarlijk vaartuig ingeschakeld is in het dialoogvenster Alarminstellingen, wordt het
berichtendialoogvenster Gevaarlijk vaartuig weergegeven. De volgende opties zijn
beschikbaar in het berichtendialoogvenster:
• Uitschakelen: hiermee wordt het berichtendialoogvenster gesloten en wordt de
meldingen voor gevaarlijke doelen voor alle vaartuigen uitgeschakeld. U kunt de melding
Gevaarlijke vaartuigen opnieuw inschakelen in het gedeelte Vaartuigen van het
dialoogvenster Alarminstellingen.
Ú Notitie: Als Uitschakelen is geselecteerd, wordt de optie Meldingen voor gevaarlijke
doelen in het dialoogvenster Alarminstellingen uitgeschakeld. Als de optie Meldingen
voor gevaarlijke doelen uitstaat (uitgeschakeld), worden er geen berichten over
gevaarlijke doelen weergegeven voor gevaarlijke radar- of AIS-doelen.
• Negeren: hiermee wordt het berichtendialoogvenster gesloten en de melding voor dat
vaartuig uitgeschakeld. Het alarm voor dat vaartuig verschijnt opnieuw als de status van
dat vaartuig verandert, bijvoorbeeld als het vaartuig veilig en daarna weer gevaarlijk
wordt.
• Weergeven: hiermee wordt het berichtendialoogvenster gesloten en het radarpaneel
geopend met de pop-upmelding Gevaarlijk vaartuig geactiveerd. U kunt de popupmelding van het vaartuig in het radarpaneel selecteren om de AIS-vaartuig details te
bekijken.
Radargegevens opnemen
U kunt de radargegevens opnemen en het bestand opslaan in de unit of op een op de unit
aangesloten opslagapparaat.
Een opgenomen radarbestand kan gebruikt worden om een voorval of een operationele fout
te documenteren. Een gelogd radarbestand kan ook gebruikt worden door de simulator.
Ú Notitie: De menuoptie Opnemen is beschikbaar als Opnemen is ingeschakeld in de
Geavanceerde systeeminstellingen.
Als er meer dan één radar beschikbaar is, kunt u selecteren welke bron u wilt opnemen.
MARPA doelen
Als het systeem een koerssensor heeft, kan de MARPA functie (Mini Automatic Radar Plotting
Aid) gebruikt worden om radardoelen te volgen.
U kunt alarmen instellen om te melden wanneer een doel te dichtbij komt. Zie tot
"Radarinstellingen" op pagina 73.
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
71
MARPA is een belangrijk hulpmiddel voor het voorkomen van aanvaringen.
Ú Notitie: Voor MARPA zijn koersgegevens nodig voor zowel de radar als de unit.
MARPA doelsymbolen
Het systeem maakt gebruik van de volgende symbolen voor doelen:
Verkrijgen MARPA-doel. In het algemeen duurt het maximaal 10
volledige rotaties van de scanner.
MARPA doel, niet bewegend.
11
Volgen van MARPA-doel, niet bewegend of voor anker. Er zit een ring om
gevolgde doelen. Ze geven ook het ID-nummer van het doel weer.
5
Volgen van een veilig MARPA-doel met extensielijnen. Toont de ring en
het ID-nummer van het gevolgde doel.
5
Volgen van bewegend MARPA-doel met spoor als doelgeschiedenis is
ingeschakeld. Toont de ring en het ID-nummer van het gevolgde doel.
2
8
3
4
8
Volgen van bewegend MARPA-doel zonder koersverlenging (korte lijn
geeft de richting aan waarin het doel zich beweegt). Toont de ring en
het ID-nummer van het gevolgde doel.
Gevaarlijk MARPA-doel
Een doel wordt als gevaarlijk gezien wanneer het de bewakingszone
binnengaat die op het radarpaneel is aangegeven. De gele kleur wordt
weergegeven als het radarpalet zwart/rood of zwart/groen is. Toont de
ring en het ID-nummer van het gevolgde doel.
Gevaarlijk MARPA-doel
Een doel wordt als gevaarlijk gezien wanneer het de bewakingszone
binnengaat die op het radarpaneel is aangegeven. De paarse kleur wordt
weergegeven als het radarpalet wit/rood is. Toont de ring en het IDnummer van het gevolgde doel.
Gevaarlijk MARPA-doel
Een doel wordt als gevaarlijk gezien wanneer het de bewakingszone
binnengaat die op het radarpaneel is aangegeven. De rode kleur wordt
weergegeven als het radarpalet zwart/geel is. Toont de ring en het IDnummer van het gevolgde doel.
Gevolgd gekoppeld MARPA doel. Toont de ring en het ID-nummer van
het gevolgde doel. Wanneer het radarsignaal en het AIS signaal
hetzelfde trackingdoel detecteren, geeft het systeem dit doel weer met
één symbool. Dit vermindert het aantal AIS symbolen en radardoelen op
de PPI. De koppelfunctie compenseert ook een mogelijke fout in een van
de twee doelen, bijv. als het door de radar gevolgde doel zich achter een
eiland bevindt, blijft het systeem het AIS-doel volgen en visualiseren.
Ú Notitie: Het systeem blijft het gevolgde radardoel analyseren als
doelkoppeling actief is.
Als er binnen een tijdslimiet geen signalen zijn ontvangen, wordt een
doel gedefinieerd als verloren.
Het doelsymbool vertegenwoordigt de laatste geldige positie van het
doel voordat de gegevensontvangst verloren ging.
72
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Geselecteerd MARPA-doel, geactiveerd door de cursor op het
doelpictogram te plaatsen.
Zodra de cursor wordt verwijderd, keert het doel terug naar het
standaarddoelsymbool.
MARPA-doelen volgen
1. Plaats de cursor op het doel op het radarbeeld
2. Selecteer Doelen verkrijgen in het menu
3. Herhaal het proces als u nog meer doelen wilt volgen
Als uw doelen geïdentificeerd zijn, kunnen er tot 10 radar-sweeps nodig zijn om het doel te
verkrijgen en dan te volgen.
Volgen van MARPA doelen annuleren
Als doelen gevolgd worden, wordt het radarmenu uitgebreid met opties voor het annuleren
van individuele doelen of het stoppen van de volgfunctie.
Stop het volgen van individuele doelen door het doelpictogram te selecteren voordat u het
menu activeert.
MARPA doelinformatie weergeven
Als de pop-up is geactiveerd, kunt u een MARPA-doel selecteren voor weergave van
basisinformatie over het doel. Informatie over de dichtstbijzijnde 3 MARPA-doelen bij het
vaartuig wordt ook in de databalk getoond.
Als een doel is geselecteerd, kan gedetailleerde informatie over het doel getoond worden via
het menu.
U kunt informatie over alle MARPA-doelen laten tonen via de optie Vaartuigen op de
startpagina.
MARPA-alarminstellingen
U kunt de volgende MARPA-alarmen instellen:
• MARPA-doel verloren
Bepaalt of er een alarm geactiveerd zal worden als een MARPA-doel verloren is.
• MARPA niet beschikbaar
Bepaalt of er een alarm geactiveerd is als u niet de vereiste invoer hebt om MARPA te
laten werken (geldige GPS-positie en koerssensor aangesloten op de radarserver).
Radarinstellingen
Symbolen op radarpaneel
Kies of u symbolen op het radarpaneel wilt weergeven of verbergen:
• Noordindicator
• Afstandsringen
U kunt het aantal ringen dat op het radarpaneel wordt weergegeven in het
dialoogvenster Geavanceerde instellingen opgeven.
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
73
•
•
•
•
Afstandsmarkeringen
Kompas
Koerslijn
Actieve route
U kunt de symbolen op radarpaneel in- of uitschakelen in het submenu Meer onder de optie
Symbolen als in het dialoogvenster Radarinstellingen is opgegeven dat ze weergegeven
moeten worden.
Peilingen
Hiermee kunt u selecteren of de peiling moet worden gemeten ten opzichte van het ware/
magnetische noorden (°T/°M) of tot uw relatieve vaarrichting (°R).
Ú Notitie: De werkelijke/magnetische peiling kan alleen worden geselecteerd als er een
kompas beschikbaar is.
Databalk
Hiermee schakelt u de databalk van de radar in/uit. Raadpleeg de afbeelding van het
radarpaneel.
Standaard worden doelen weergegeven met de gevaarlijkste doelen bovenaan. U kunt
kiezen voor weergave van radardoelen bovenaan, vóór eventuele AIS doelen, zelfs als de AIS
doelen als gevaarlijker worden beschouwd.
Vaartuigen en gevolgde doelen
Dit dialoogvenster bevat instellingen voor zowel AIS- als radardoelen. Specifieke AISinstellingen zijn alleen beschikbaar als u een compatibel AIS-apparaat op uw systeem hebt
aangesloten.
Gebruik deze optie om het volgende op te geven:
• Gevaarlijke doelen
- Tijd tot dichtstbijzijnde naderingspunt - geef de tijd tot naderingspunt op
waarbinnen een vaartuig als gevaarlijk moet worden beschouwd.
- Dichtstbijzijnde naderingspunt - geef het dichtstbijzijnde naderingspunt op
waarbinnen een vaartuig als gevaarlijk moet worden beschouwd. Deze instelling
bepaalt de grootte van de afstandscirkel als afstandscirkel is ingeschakeld. Raadpleeg
"Veilige cirkel" op pagina 75 voor meer informatie.
• Interessante doelen - doelen verder weg dan de volgende afstand worden verborgen:
- Bereik interessante doelen - geef op of doelen binnen elk bereik moeten worden
weergegeven of alleen doelen binnen een specifieke afstand tot uw vaartuig.
• Filteren - bepaal welke en hoeveel AIS-doelen worden weergegeven. Als het aantal
doelen het ingestelde aantal overschrijdt, worden alleen de interessantste doelen
weergegeven. De volgende doelfilterinstellingen worden ook toegepast op gevolgde
doelen voor radars die doeltracking ondersteunen.
De filteropties zijn:
- Weergeven - geef op of alle doelen, gevaarlijke doelen of geen doelen moeten
worden weergegeven.
- Max. AIS-doelen - geef op of alle AIS-doelen of een maximum aantal AIS-doelen
moeten worden weergegeven.
74
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
- Verberg langzamer dan - geef op of doelen langzamer dan een bepaalde snelheid
of alle doelen ongeacht de snelheid moeten worden verborgen.
- Verberg verloren doelen na – geef op of doelen die na een bepaalde tijd verloren
zijn wel of niet moeten worden verborgen.
Veilige cirkel
Er kan een afstandscirkel worden getrokken rondom het vaartuig om een gevarenzone aan
te duiden. De radius van de cirkel komt overeen met het dichtstbijzijnde naderingspunt dat
is ingesteld in het dialoogvenster Vaartuigen en gevolgde doelen. Zie "Vaartuigen en gevolgde
doelen" op pagina 74.
Historielengte
Opgespoorde doelen en AIS-doelen kunnen sporen weergeven om de vorige posities van
deze doelen te visualiseren. Zie "Vaartuigen en gevolgde doelen" op pagina 82 voor AIS-specifieke
instellingen.
Installatie
De installatie-optie wordt gebruikt voor het opgeven van instellingen voor radarinstallatie.
Installatie-instellingen moeten worden opgegeven voordat u de radar gebruikt. De
instellingen voor installatie/configuratie worden beschreven in de aparte
installatiehandleiding van de radar of de display-unit.
Antenne instellen
Gebruikt om de positie, hoogte en het bereik van de antenne in te stellen.
De geschatte positie van de antenne op het vaartuig moet worden ingesteld voor een juiste
vaartuigcontour bij het bekijken van instellingen op korte afstand. De PPI is gecentreerd op
het pictogram dat de positie van de antenne weergeeft. Voer de antenneafstand vanaf het
gemeenschappelijke referentiepunt in.
De antennehoogte is de afstand tussen antenne en wateroppervlak als het vaartuig normaal
beladen is. Het is erg belangrijk dat de antennehoogte correct is ingesteld aangezien deze
van invloed zal zijn op de functie voor zeeruis. Voer de antennehoogte boven de waterlijn in.
Het antennebereik is de totale lengte van de antenne. Kies een antennelengte van 4, 6, 9 of
12 ft.
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
75
Mixed IMO and non-IMO network support
A non-IMO MFD running a software version 23.4 or newer, can be used on the same network
as an R5000 radar system, an IMO type-approved professional radar system, without
interfering with the navigational task.
The R5000 radar system has either two or four virtual radars—one master (A) and one or
three slaves (B or B, C, D). Only one display can control the master virtual radar. On a mixed
IMO and non-IMO network, if an R5000 display is detected on the network, the MFD hides
the master virtual radar (A) from the radar source list. You will only be able to use the slave
virtual radar(s) (B or B, C, D). Each slave has its own digital processing unit and target tracking.
If an R5000 display is not detected on the network, the MFD grants you full access to the
R5000 radar.
MFD with master virtual radar (A) available
76
Radar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
MFD with only slave virtual radars (B, C, D)
available
9
AIS
Over AIS
Als er een compatibele AIS (automatisch identificatiesysteem) is aangesloten op het systeem,
kunnen AIS doelen worden weergegeven en gevolgd. U kunt ook meldingen en posities zien
voor DSC uitzendende apparatuur binnen bereik.
AIS doelen kunnen worden weergegeven als een overlay op kaarten en radarbeelden.
De AIS is een belangrijke tool voor veilige navigatie en het voorkomen van aanvaringen. U
kunt alarmen zo instellen dat deze u waarschuwen als een AIS doel te dichtbij komt of
verloren raakt.
AIS vaartuigen op een kaartpaneel
AIS vaartuigen op een radarpaneel
Selecteren van een AIS-doel
Wanneer u een AIS-symbool selecteert, verandert het symbool in het geselecteerde
doelsymbool. Er kan slechts één doel tegelijk worden geselecteerd.
Ú Notitie: Pop-upinformatie moeten ingeschakeld zijn om de naam van het vaartuig te
kunnen zien. Zie "Kaartinstellingen" op pagina 38.
Zoeken naar AIS vaartuigen
U kunt naar AIS doelen zoeken met behulp van de optie Zoeken in het menu. Als de cursor
actief is, zoekt het systeem naar vaartuigen nabij de cursorpositie. Als de cursor niet actief is,
zoekt het systeem naar vaartuigen nabij de positie van uw vaartuig.
Doelinformatie weergeven
Dialoogvenster Vaartuigen
Het dialoogvenster Vaartuigen toont een lijst van alle AIS en TT doelen.
Standaard worden de doelen in het dialoogvenster weergegeven op volgorde van afstand
tot het eigen vaartuig. U kunt de weergavevolgorde wijzigen, of alleen een bepaald type
doel laten weergeven.
AIS-vaartuig details
Gedetailleerde informatie over een AIS-doel is verkrijgbaar via het dialoogvenster AISvaartuigen.
Om het dialoogvenster weer te geven:
AIS | NSO evo3S Gebruikershandleiding
77
• selecteer de pop-up AIS
• selecteer de optie Info in het menu
AIS informatie op radarpanelen
Op de balk met radargegevens staat informatie over doelen.
De doelen worden weergegeven met het dichtstbijzijnde doel bovenaan en met
verschillende kleuren wordt de doelstatus aangeduid.
Een AIS vaartuig oproepen
Als het systeem over een VHF radio beschikt met ondersteuning voor DSC oproepen (Digital
Select Calling) via NMEA 2000® of NMEA 0183®, kunt u met de unit een DSC oproep doen aan
andere vaartuigen.
De oproepoptie is beschikbaar in het dialoogvenster AIS Vaartuig Details en in het
statusdialoogvenster Vaartuig. Zie "Doelinformatie weergeven" op pagina 77.
DSC-vaartuigtracering
DSC (Digital Selective Calling) is een semi-geautomatiseerde methode voor het aanvragen
en ontvangen van positiegegevens van een vaartuig met een DSC-marifoon. Raadpleeg uw
marifoonhandleiding voor meer informatie over het gebruik ervan.
Er zijn verschillende soorten DSC-positieberichten, waaronder noodoproepen. Het type
bericht bepaalt welke informatie bij de oproep wordt uitgezonden en hoe de radio en MFD
op de inkomende oproep reageren.
Wanneer er een DSC-bericht is ontvangen, wordt op het MFD op het kaartpaneel
en radarpaneel op de ontvangen coördinaten een DSC-vaartuigpictogram
weergegeven. Bovendien zenden sommige radio's COG en SOG met de
positiegegevens mee. Hierdoor kan het pictogram in de juiste richting worden
geplaatst.
Wanneer u een noodoproep ontvangt, wordt er een alarmvak weergegeven waarin wordt
gemeld dat er een bericht is ontvangen. Het bericht kan worden gelezen op het tabblad
Berichten in het dialoogvenster met vaartuigen. Selecteer de vaartuigknop op de werkbalk
om het dialoogvenster met vaartuigen weer te geven.
AIS SART
Als een AIS SART (Search and Rescue Transponder) wordt geactiveerd, verzendt deze zijn
positie- en identificatiegegevens. Deze gegevens worden ontvangen door uw AIS-apparaat.
Als uw AIS-ontvanger niet compatibel is met AIS SART, interpreteert deze de ontvangen AIS
SART-gegevens als signaal van een standaard AIS-zender. Er verschijnt een pictogram op de
kaart, maar dit pictogram is een AIS-vaartuigpictogram.
Als uw AIS-ontvanger compatibel is met AIS SART, gebeurt bij het ontvangen van AIS SARTgegevens het volgende:
• Er verschijnt een AIS SART-pictogram op de kaart op de positie die van de AIS SART is
ontvangen.
Het AIS SART-pictogram is rood als het in 'actieve staat' is. Het is groen als het in de
'teststaat' is.
78
AIS | NSO evo3S Gebruikershandleiding
• Er wordt een alarmmelding getoond.
Als u de sirene hebt geactiveerd, wordt de alarmmelding gevolgd door een geluidsalarm.
Ú Notitie: Als de ontvangen AIS SART-gegevens deel uitmaken van een test en niet van
een actieve melding, is het pictogram groen.
AIS SART alarmbericht
Wanneer gegevens worden ontvangen van een AIS SART wordt een alarmbericht getoond.
Dit bericht bevat het unieke MMSI-nummer van de AIS SART, en de positie, afstand en
vaarrichting van de AIS SART ten opzichte van uw vaartuig.
U hebt de volgende opties:
• Het alarm negeren
- Het alarm wordt gedempt en het bericht gesloten. Het alarm verschijnt niet opnieuw.
Ú Notitie: Als u het alarm negeert blijft het AIS SART pictogram zichtbaar op uw kaart, en
de AIS SART blijft in de lijst met vaartuigen staan.
• De waypoint opslaan
- De waypoint wordt opgeslagen in uw lijst met waypoints. De naam van deze waypoint
wordt voorafgegaan door MOB AIS SART - gevolgd door het unieke MMSI-nummer van
de SART. Bijvoorbeeld: MOB AIS SART - 12345678.
• De MOB-functie activeren
- De display schakelt over naar een ingezoomd kaartpaneel, gecentreerd op de positie
van de AIS SART.
- Het systeem maakt een actieve route naar de positie van de AIS SART.
Ú Notitie: Als de MOB-functie al actief is, wordt deze beëindigd en vervangen door de
nieuwe route naar de positie van de AIS SART.
Ú Notitie: Als de AIS stopt met het ontvangen van het AIS SART bericht blijft de AIS SART
nog 10 minuten nadat het laatste signaal is ontvangen in de lijst met vaartuigen staan.
Vaartuigalarmen
U kunt verschillende alarmen instellen om u te waarschuwen als er een doel binnen vooraf
gedefinieerde limieten komt, of als een eerder gedefinieerd doel verloren is gegaan.
Ú Notitie: De optie Gevaarlijk vaartuig moet zijn ingeschakeld anders zal het systeem geen
waarschuwingen weergeven als er een gevaarlijk vaartuig wordt gedetecteerd.
Gevaarlijke doelen
AIS-doelen worden bestempeld als gevaarlijke doelen in het dialoogvenster Vaartuigen en
gevolgde doelen (TCPA-/CPA-instellingen), raadpleeg "Vaartuigen en gevolgde doelen" op pagina
82.
AIS | NSO evo3S Gebruikershandleiding
79
Meldingen voor gevaarlijke doelen
Als een vaartuig voldoet aan de criteria van gevaarlijk vaartuig ingesteld in het
dialoogvenster Vaartuigen en gevolgde doelen (TCPA/CPA-instellingen) en als de alarmoptie
Gevaarlijk vaartuig ingeschakeld is in het dialoogvenster Alarminstellingen, wordt het
berichtendialoogvenster Gevaarlijk vaartuig weergegeven. De volgende opties zijn
beschikbaar in het berichtendialoogvenster:
• Uitschakelen: hiermee wordt het berichtendialoogvenster gesloten en wordt de
meldingen voor gevaarlijke doelen voor alle vaartuigen uitgeschakeld. U kunt de melding
Gevaarlijke vaartuigen opnieuw inschakelen in het gedeelte Vaartuigen van het
dialoogvenster Alarminstellingen.
Ú Notitie: Als Uitschakelen is geselecteerd, wordt de optie Meldingen voor gevaarlijke
doelen in het dialoogvenster Alarminstellingen uitgeschakeld. Als de optie Meldingen
voor gevaarlijke doelen uitstaat (uitgeschakeld), worden er geen berichten over
gevaarlijke doelen weergegeven voor gevaarlijke radar- of AIS-doelen.
• Negeren: hiermee wordt het berichtendialoogvenster gesloten en de melding voor dat
vaartuig uitgeschakeld. Het alarm voor dat vaartuig verschijnt opnieuw als de status van
dat vaartuig verandert, bijvoorbeeld als het vaartuig veilig en daarna weer gevaarlijk
wordt.
• Weergeven: hiermee wordt het berichtendialoogvenster gesloten en het kaartpaneel
geopend met de pop-upmelding Gevaarlijk vaartuig geactiveerd. U kunt de popupmelding van het vaartuig in het kaartpaneel selecteren om de AIS-vaartuig details te
bekijken.
AIS-doelsymbolen en -pictogrammen
Symbool
Beschrijving
AIS-doel, stilstaand of bewegend als er geen verlengingslijnen zijn
ingeschakeld
Gevaarlijk AIS-doel (geel). De gele kleur wordt weergegeven als het
radarpalet zwart/rood of zwart/groen is.
Gevaarlijk AIS-doel (paars). De paarse kleur wordt weergegeven als het
radarpalet wit/rood is.
Gevaarlijk AIS-doel (rood). De rode kleur wordt weergegeven als het
radarpalet zwart/geel is.
AIS-doel op schaal. Het symbool is op schaal overeenkomstig het fysieke
formaat van het vaartuig zoals verkregen uit AIS-informatie, indien
beschikbaar.
Bewegend AIS-doel met voorspelde koersverlenging (stippellijn). Wordt
als een rechte lijn weergegeven als het doel recht gaat of als er geen
gegevens over de wendsnelheid van het AIS-doel beschikbaar zijn.
Bewegend AIS-doel met spoor.
80
AIS | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Symbool
Beschrijving
Bewegend AIS-doel met voorspelde koersverlenging (gebaseerd op
wendsnelheid uit AIS-gegevens).
Bewegend AIS-doel met voorspelde koersverlenging (gebaseerd op
wendsnelheid uit AIS-gegevens) en wendspoor.
Gekoppeld doel. Wanneer het radarsignaal en het AIS signaal hetzelfde
doel detecteren, geeft het systeem dit doel weer met één symbool. Dit
vermindert het aantal AIS symbolen en radardoelen op de PPI. De
koppelfunctie compenseert ook een mogelijke fout in een van de twee
doelen, bijv. als het radardoel zich achter een eiland bevindt, blijft het
systeem het AIS-doel volgen en visualiseren.
Ú Notitie: Het systeem blijft het radardoel analyseren als
doelkoppeling actief is.
Geselecteerd AIS doel, aangeduid met vierkante hoeken rond het
doelsymbool.
Verloren AIS doel, aangegeven door een lijn op het doelsymbool. Het
symbool bevindt zich op de laatst ontvangen positie van het doel
AIS AtoN (navigatiehulpmiddelen) doelsymbool.
AIS AtoN (navigatiehulpmiddelen) doelsymbool.
AIS AtoN (navigatiehulpmiddelen) gevaarlijk doel. De gele kleur wordt
weergegeven als het radarpalet zwart/rood of zwart/groen is.
AIS AtoN (navigatiehulpmiddelen) gevaarlijk doel. De paarse kleur wordt
weergegeven als het radarpalet wit/rood is.
AIS AtoN (navigatiehulpmiddelen) gevaarlijk doel. De rode kleur wordt
weergegeven als het radarpalet zwart/geel is.
AIS SART 'actieve pictogrammen' zijn rood.
AIS SART 'testpictogrammen' zijn groen.
AIS | NSO evo3S Gebruikershandleiding
81
Vaartuiginstellingen
MMSI
Gebruik deze optie voor het invoeren van uw eigen MMSI-nummer (Maritime Mobile Service
Identity) in het systeem. Dit nummer moet ingevoerd zijn om gericht meldingen van AIS- en
DSC-vaartuigen te kunnen ontvangen. U moet er ook voor zorgen dat uw MMSI-nummer is
ingevoerd om te voorkomen dat u uw eigen vaartuig als AIS-doel ziet.
Verlengingslijnen
Definieert de lengte van de koers over de grond en de koersverlengingslijnen voor uw eigen
boot en andere boten.
De lengte van de verlengingsijnen wordt ingesteld om de afstand aan te geven die de boot
in de geselecteerde periode zal afleggen.
Voor uw eigen boot wordt de koersinformatie uitgelezen uit de actieve koerssensor; de COGinformatie wordt ontvangen van de actieve GPS. Voor andere vaartuigen worden de COGgegevens opgenomen in de meldingen die worden ontvangen van het AIS systeem.
Vaartuigen en gevolgde doelen
Dit dialoogvenster bevat instellingen voor zowel AIS- als radardoelen. Radarspecifieke
instellingen zijn alleen beschikbaar als u een compatibele radar op uw systeem hebt
aangesloten.
Ú Notitie: Zie "Vaartuigen en gevolgde doelen" op pagina 74 voor radarspecifieke instellingen.
Alle doelen worden standaard weergegeven op het paneel als er een AIS apparaat op het
systeem is aangesloten. U kunt er met deze optie voor kiezen om geen enkel doel te tonen,
of om de symbolen te filteren op basis van veiligheidsinstellingen, afstand en
vaartuigsnelheid.
Gebruik deze optie om het volgende op te geven:
• Gevaarlijke doelen
- Tijd tot dichtstbijzijnde naderingspunt - geef de tijd tot naderingspunt op
waarbinnen een vaartuig als gevaarlijk moet worden beschouwd.
- Dichtstbijzijnde naderingspunt - geef het dichtstbijzijnde naderingspunt op
waarbinnen een vaartuig als gevaarlijk moet worden beschouwd.
• Interessante doelen - doelen verder weg dan de volgende afstand worden verborgen:
- Bereik interessante doelen - opties zijn Automatisch (gebaseerd op radarbereik als
radar beschikbaar is) of op een bepaalde afstand van het eigen vaartuig.
• Filteren - bepaal welke en hoeveel AIS-doelen worden weergegeven. Als het aantal
doelen het ingestelde aantal overschrijdt, worden alleen de interessantste doelen
weergegeven. De volgende doelfilterinstellingen worden ook toegepast op gevolgde
doelen voor radars die doeltracking ondersteunen.
De filteropties zijn:
- Weergeven - alle doelen, gevaarlijke doelen of geen doelen.
- Max AIS targets - alle of een maximum aantal AIS-doelen weergeven.
- Verberg langzamere doelen - doelen langzamer dan een bepaalde snelheid of alle
doelen ongeacht de snelheid weergeven.
- Verberg verloren doelen - verloren doelen die in de opgegeven tijd verloren zijn
gegaan verbergen.
82
AIS | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Snelheid en koers
De verlengingslijn kan worden gebruikt om de snelheid en koers voor doelen aan te geven,
als absolute (ware) beweging of relatief ten opzichte van de boot.
AIS symbool oriëntatie
Stelt de richting in van het AIS-pictogram, gebaseerd op koers- of COG-informatie.
Lengte geschiedenis
Sporen kunnen worden gebruikt om de vorige posities van een doel te visualiseren.
De lengte van de geschiedenis bepaalt de tijdweergave van het trail.
AIS | NSO evo3S Gebruikershandleiding
83
10
Echosounder
Vereisten
Transducers moeten worden aangesloten op een sonarhub of een andere unit die
sonargegevens deelt.
Het beeld
A
Oppervlak
C
Visbogen
B
D
E
F
G
Bodem
Bereikschaal
Diepte
Temperatuur
Frequentie
Meerdere bronnen
U kunt de bron van de voor het beeld opgeven in het actieve paneel. U kunt meerdere
bronnen tegelijk weergeven met behulp van een gesplitst paneel.
Voor meer informatie over het selecteren van de bron voor een paneel raadpleegt u "Bron" op
pagina 86.
Het beeld zoomen
U kunt het beeld zoomen.
Het zoomniveau wordt weergegeven in het beeld. Als de cursor actief is, zoomt het systeem
in op de cursorpositie.
Zoombalk
De zoombalk (A) wordt getoond als u het beeld zoomt.
Ú Notitie: De zoombalk wordt weergegeven als de menuoptie Zoombalk is geselecteerd.
Versleep de zoombalk omhoog of omlaag om verschillende delen van de waterkolom te
zien.
Gebruik van de cursor op het paneel
De cursor wordt niet standaard getoond op het beeld.
Als u de cursor op het paneel plaatst, pauzeert het beeld en wordt het
cursorinformatievenster geactiveerd. Diepte en bereik van de cursor worden getoond op de
cursorpositie.
84
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Historie weergeven
Als de cursor op het paneel wordt getoond, wordt de historiebalk (A) bovenaan het paneel
getoond. De historiebalk toont het beeld dat u op dat moment bekijkt ten opzichte van de
gehele opgeslagen beeldhistorie.
U kunt de sonarhistorie weergeven door het beeld te pannen.
Als u weer normaal wilt scrollen, wist u de cursor.
Loggegevens opnemen
Opname van loggegevens starten
U kunt de opname van loggegevens starten en het bestand intern opslaan in de unit of op
een op de unit aangesloten opslagapparaat.
Wanneer de gegevens worden opgenomen, knippert er in de linkerbovenhoek een rood
symbool en verschijnt er regelmatig een bericht onder in het scherm.
Geef opname-instellingen in het dialoogvenster Opnemen op.
Opname van loggegevens stoppen
Gebruik de optie Stop loggen om het opnemen van logboekgegevens te stoppen.
Opgenomen gegevens weergeven
U kunt zowel intern als extern opgeslagen soundergegevens bekijken als de optie Sonarlogs
bekijken is geselecteerd in het dialoogvenster Echo-instellingen. Zie "Echosounderinstellingen" op
pagina 92.
Sonarlogs uploaden naar C-MAP Genesis
Om sonarlogs te uploaden naar C-Map Genesis gaat u als volgt te werk:
• Gebruik de optie Services. Volg de aanwijzingen om u aan te melden en de logbestanden
naar C-Map Genesis over te dragen.
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
85
• Gebruik het dialoogvenster Opslag. Selecteer het pictogram Sonarlogs en de logs die u
wilt overdragen. Als u al bent aangemeld bij C-Map Genesis, worden de bestanden
overgedragen. Als u nog niet bent aangemeld, selecteert u het pictogram Overdragen en
volgt u de aanwijzingen om u aan te melden en de logbestanden naar C-Map Genesis
over te dragen. U kunt u aanmelden en de bestanden op een later tijdstip overdragen
wanneer het apparaat verbonden met internet is.
Het beeld aanpassen
Gebruik deze menu-opties om het beeld aan te passen. Als de cursor actief is, worden
sommige opties in het menu vervangen door functies in de cursormodus. Selecteer de optie
Cursor wissen om terug te gaan naar het normale menu.
Bereik
De bereikinstelling bepaalt de waterdiepte die zichtbaar is op het scherm.
Ú Notitie: Als u een bereik voor diep water instelt in ondiep water kan het systeem
mogelijk de diepte niet goed bijhouden.
Frequentie
De unit ondersteunt meerdere transducerfrequenties. Beschikbare frequenties hangen af van
het model van de transducer die is geconfigureerd voor gebruik.
• Lage frequenties, bijvoorbeeld 50 kHz, gaan diep. Hij genereert een brede kegel, maar is
gevoeliger voor ruis. Ze zijn geschikt voor bodemonderscheiding en het doorzoeken van
een groot gebied.
• Met hoge frequenties, bijvoorbeeld 200 kHz, is meer te onderscheiden. Ze zijn minder
gevoelig voor ruis. Ze zijn geschikt om doelen te onderscheiden en voor vaartuigen met
een hogere snelheid.
Gain
De versterking bepaalt de gevoeligheid. Hoe meer u de gain verhoogt, hoe meer details er
op het beeld worden getoond. Een hogere gain-instelling kan echter meer
achtergrondecho's veroorzaken. Als de gain te laag wordt ingesteld, worden zwakke echo's
mogelijk niet weergegeven.
Er is een handmatige en een automatische gain-modus beschikbaar. Standaard is gain
ingesteld op Auto.
Kleur
Sterke en zwakke echosignalen hebben verschillende kleuren om de verschillende
signaalsterktes aan te geven. De kleuren die gebruikt worden zijn afhankelijk van het palet
dat u selecteert.
Hoe meer u de kleurinstelling verhoogt, hoe meer echo's er getoond worden in het sterke
echogedeelte van de schaal.
Bron
Ú Notitie: Alleen beschikbaar als er meerdere bronnen met dezelfde mogelijkheden
beschikbaar zijn.
86
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Hiermee geeft u de bron voor het beeld in het geselecteerde paneel op.
U kunt meerdere bronnen tegelijk weergeven met behulp van een gesplitst paneel. De
menu-opties voor elk paneel werken onafhankelijk van elkaar.
Ú Notitie: Het gebruik van meerdere transducers op hetzelfde frequentiebereik kan
interferentie veroorzaken.
Raadpleeg de installatiehandleiding van de NSO evo3S MFD voor informatie over het
instellen van bronnen.
Afstand meten
De cursor kan worden gebruikt om de afstand te meten tussen de positie van twee
waarnemingen op het beeld.
1. Plaats de cursor op het punt van waaraf u de afstand wilt meten
2. Selecteer de menuoptie Meten
Ú Notitie: De optie Meten is alleen beschikbaar in het menu als de cursor op het beeld is
geplaatst.
3. Plaats de cursor op het tweede meetpunt
- Tussen de meetpunten wordt een lijn getrokken en de afstand wordt weergegeven in
het venster Cursorinformatie
4. Indien nodig kunt u nu meer meetpunten kiezen
Zolang de meetfunctie actief is, kunt u het start- en eindpunt steeds opnieuw bepalen via
het menu.
Selecteer de menu-optie Meten stoppen om het beeld weer op de normale manier te laten
scrollen.
Geavanceerde opties
De menuoptie Geavanceerd is alleen beschikbaar als de cursor niet actief is.
Ruisonderdrukking
Filtert signaalinterferentie en vermindert ruis op het scherm.
TVG
De weergave nabij het oppervlak kan vertroebeld raken door golfbewegingen en kielzog van
de boot. De optie TVG (Time Variable Gain) reduceert oppervlakte-echo's door de
gevoeligheid van de ontvanger in de buurt van de oppervlakte te verminderen.
Verschuifsnelheid
U kunt de scrolsnelheid van het beeld op het scherm selecteren. Bij een hoge scrolsnelheid
wordt het beeld snel bijgewerkt, terwijl een lage scrolsnelheid een langere historie
presenteert.
Ú Notitie: In bepaalde omstandigheden moet u de scrolsnelheid wellicht aanpassen voor
een bruikbaarder beeld. U kunt de scrolsnelheid van het beeld bijvoorbeeld verhogen als
u verticaal vist zonder verplaatsing.
Pingsnelheid
De pingsnelheid bepaalt de snelheid waarmee de transducer het signaal in het water
verzendt. De pingsnelheid is standaard ingesteld op max. Het kan nodig zijn om de
pingsnelheid aan te passen om interferentie te beperken.
Sonar loggen
Selecteer deze optie om het vastleggen van echosounder-gegevens te starten of te stoppen.
Raadpleeg "Loggegevens opnemen" op pagina 85 voor meer informatie.
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
87
Meer opties
Gesplitste schermen
Zoomen
A
B
Zoomniveau
Zoombalken
De Zoom-modus presenteert aan de linkerkant van het paneel een vergrote weergave van
het echobeeld.
Standaard staat het zoomniveau op 2x. U kunt maximaal 8x zoomen.
De zoom-balken voor het bereik aan de rechterkant van het display tonen het vergrote
bereik. Als u de zoomfactor vergroot, wordt het bereik verkleind. U ziet dit als een verkleinde
afstand tussen de zoombalken.
Verplaats de zoombalken omhoog/omlaag op het beeld om verschillende diepten van de
waterkolom te zien.
Bodemvergrendeling
De bodemvergrendelingsmodus is handig als u doelen dicht bij de bodem wilt weergeven.
In deze modus toont de linkerkant van het paneel een beeld waar de bodem vlakker wordt.
De bereikschaal wordt veranderd zodat deze vanaf de zeebodem (0) naar boven meet. De
bodem en de nullijn worden altijd op het linkerpaneel getoond, ongeacht de bereikschaal.
De schaalfactor voor het beeld aan de linkerkant van het paneel wordt ingesteld zoals
beschreven voor de zoom-optie.
Paletten
Voor het instellen van het kleurenpalet van het beeld.
Temperatuurgrafiek
De temperatuurgrafiek wordt gebruikt om veranderingen in de watertemperatuur aan te
geven.
Als deze functie is ingeschakeld, worden een gekleurde lijn en temperatuurcijfers op het
beeld weergegeven.
Dieptelijn
Als deze functie is ingeschakeld, wordt er een lijn weergegeven op het onderste oppervlak.
De dieptelijn maakt het eenvoudiger om de bodem te onderscheiden van vissen en
structuren.
88
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Amplitudebereik
Het amplitudebereik is een weergave van een echosounder op het paneel. De sterkte van de
werkelijke echo's worden aangegeven door breedte en kleurintensiteit.
Uitgebreide en horizontale amplitude-indicatoren
Het uitgebreide en horizontale amplitudebereik geven 2 indicatoren weer:
A
Beeld met uitgebreid amplitudebereik
C
Cross-indicator - geeft aan waar in het echosignaal de bodem zich bevindt.
B
D
Beeld met horizontaal amplitudebereik
Drempelwaarde - indicator van de huidige versterking. Deze vertelt u de amplitude
van de retourecho die op het scherm wordt weergegeven. De
versterkingsinstelling helpt bij het onderscheiden van retourecho's tussen
echodoelen en ruis.
Amplitudebereikopties
Regelmatig
Verbeterd
Horizontaal
Uit
Hiermee verwijdert u het amplitudebereik van het paneel.
Regelmatig
Hiermee wordt het amplitudebereik verticaal weergegeven aan de zijkant van het paneel. Er
zijn geen instelbare opties voor de weergave van de regelmatige amplitudebereik-weergave.
Als de cursor op het scherm wordt geplaatst, blijft het amplitudebereik de meest recente
echosounder weergeven als die op het paneel verschijnt.
Verbeterd
Hiermee wordt het amplitudebereik verticaal weergegeven aan de zijkant van het paneel.
Selecteer de menuoptie Weergave om de verbeterde amplitudebereik-weergave te wijzigen.
Als de cursor op het scherm wordt geplaatst, toont het amplitudebereik de echosounder op
de cursorpositie.
Horizontaal
Hiermee wordt het amplitudebereik horizontaal weergegeven aan de onderkant van het
paneel. Selecteer de menuoptie Weergave om de horizontale amplitudebereik-weergave te
wijzigen.
Als de cursor op het scherm wordt geplaatst, toont het amplitudebereik de echosounder op
de cursorpositie.
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
89
Weergave
De menuoptie Weergave is beschikbaar wanneer het amplitudebereik is ingesteld op
Verbeterd of Horizontaal.
Lijn
Toont de amplitudes als een enkele lijn.
Vullen
Illustreert de amplitudes met een grijze vulkleur.
Kleur
Geeft elke amplitude-waarde weer met dezelfde kleur als in het paneel. Voor amplitudes
dicht bij of onder de versterkingsdrempel is de kleur grijs. De grijze amplitudes geven geen
teruggekaatste echo-doelsignalen aan. De grijze amplitudes vervangen de achtergrondkleur
die op het scherm wordt weergegeven, die ook geen echodoelen aangeeft.
Zoombalk
De zoombalk (A) wordt getoond als u het beeld zoomt.
Ú Notitie: De zoombalk wordt weergegeven als de menuoptie Zoombalk is geselecteerd.
Versleep de zoombalk omhoog of omlaag om verschillende delen van de waterkolom te
zien.
DownScan Overlay
Als op uw systeem een DownScan-transducer is aangesloten, kunt u DownScan-beelden
weergeven als overlay op het normale Echosounder beeld.
Als DownScan Overlay is geactiveerd, wordt het Echosounder paneelmenu uitgebreid met
DownScan basisopties.
Pauze
Hiermee pauzeert u het beeld, zodat u het beeld in detail kunt bestuderen.
90
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Met de pauzefunctie stopt de echosounder met pingen. Het systeem verzamelt geen
gegevens als het beeld op deze manier wordt gepauzeerd.
Vis ID
U kunt de manier selecteren waarop de visdoelen op het beeld moeten verschijnen. U kunt
bovendien aangeven of u een waarschuwing wilt krijgen als er een visaanduiding verschijnt
op het paneel.
Traditionele visbogen
Vissymbolen
Vissymbolen en diepte-indicatie
Ú Notitie: Niet alle vissymbolen zijn ook echt vissen.
Kleurmarkering
Met deze optie kunt u bepaalde kleuren op het beeld wijzigen.
Ú Notitie: Alleen de kleuren boven de zeebodem worden gewijzigd in het beeld.
Kleuren wijzigen
Ú Notitie: Gebruik deze functie zorgvuldig, sommige kleurveranderingen kunnen
obstructies en andere objecten verbergen.
1. Selecteer de menuoptie Kleurmarkering
2. Selecteer een of meer kleuren die u wilt wijzigen
3. Selecteer de menuoptie Markeerkleur om vervangende kleuren weer te geven
4. Selecteer de vervangende kleur
5. Selecteer de menuoptie Terug om uw wijzigingen op te slaan.
Wanneer de kleurwijzigingen worden toegepast, wordt de menuoptie Kleurmarkering
vervangen door een kleurenbalk.
Als het palet wordt gewijzigd, worden de kleurwijzigingen daarop toegepast. Als echter wit is
geselecteerd voor een palet met donkere achtergrond, wordt bij wijziging naar een palet
met lichte achtergrond de vervangende kleur automatisch veranderd in zwart. Als een
donkere kleur is geselecteerd op een beeld met lichte achtergrond, verandert de kleur in wit
als het palet wordt gewijzigd naar een achtergrond met donkere kleur.
Kleurwijzigingen verwijderen
Als u kleurwijzigingen wilt verwijderen, selecteert u de menuoptie Kleurmarkering en
selecteert u de kleur. Verwijder alle kleurwijzigingen om de kleurmarkering uit te schakelen.
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
91
Kleur wissen
Wist specifieke kleuren op het beeld zodat in plaats daarvan de achtergrondkleur van het
palet wordt weergegeven. Hierdoor worden de geselecteerde kleuren op het beeld
verborgen.
Ú Notitie: Gebruik deze functie zorgvuldig, sommige kleurveranderingen kunnen
obstructies en andere objecten verbergen.
1. Selecteer de menuoptie Kleur wissen
2. Selecteer een of meer kleuren die u wilt wissen. De geselecteerde kleur verandert in wit in
het menu. De geselecteerde kleur wordt verwijderd uit het beeld en de
paletachtergrondkleur wordt weergegeven.
3. Selecteer de menuoptie Terug om uw wijzigingen op te slaan.
Wanneer kleur wissen wordt toegepast, wordt de menuoptie Kleur wissen vervangen door
een kleurenbalk.
Verwijder alle kleurwijzigingen om de functie kleur wissen uit te schakelen.
Minuut markeerder
Bepaalt of de minutenmarkeringslijn (A) op het beeld wordt weergegeven. Elke zwarte en
elke witte streep in de lijn vertegenwoordigt 1 minuut. Als er een onderbreking is in het
signaal, wordt dit aangegeven met een driehoek (B).
Echosounderinstellingen
Interne echosounder
Als deze optie is geselecteerd, kan de interne echosounder worden geselecteerd in het
paneelmenu van de echosounder.
92
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Wanneer deze optie is uitgeschakeld, wordt de interne echosounder in de unit
uitgeschakeld. Deze wordt niet weergegeven als echosounderbron voor units in het
netwerk. Schakel deze optie uit op units zonder aangesloten transducer.
Netwerk echosounder
U kunt de transducers van deze unit delen met andere units die zijn verbonden met het
Ethernet-netwerk. Bovendien moet deze instelling worden geselecteerd om andere
ingeschakelde sonarapparaten op het netwerk te kunnen zien.
Wanneer deze niet geselecteerd is kunnen op deze unit aangesloten transducers niet
worden gedeeld met andere op het netwerk aangesloten units, en ook andere bronnen op
het netwerk waarvoor deze functie ingeschakeld zijn niet zichtbaar.
Raadpleeg voor meer informatie over het instellen van de echosounder de aparte
installatiehandleiding.
Modus Netwerkechosounder
In de modus Netwerkechosounder kunt u instellen of slechts één echosounderbron of
meerdere echosounderbronnen tegelijk kunnen worden geselecteerd.
Ú Notitie: Er wordt automatisch één bron geselecteerd als er oudere echosounders in het
netwerk aanwezig zijn. U kunt deze instelling niet wijzigen als er zich oudere
echosounders in het netwerk bevinden. Als er geen oudere echosounder op het
netwerk is aangesloten, moet de modus Meervoudige bron worden geselecteerd.
Ú Notitie: Wanneer u de modus wijzigt in Meervoudige bron, moet u 30 seconden
wachten en vervolgens alle bronnen uitschakelen. Wacht 1 minuut en start vervolgens
alle aangesloten bronnen opnieuw op.
Sonarlog weergeven
Wordt gebruikt om opnamen weer te geven. Het logbestand wordt getoond als een
gepauzeerd beeld. U regelt het scrollen en de weergave vanuit het menu.
U kunt de cursor op het beeld gebruiken, afstanden meten en weergaveopties instellen zoals
op een livebeeld. Als er meer dan één kanaal is opgenomen in het geselecteerde logbestand,
kunt u selecteren welk kanaal u wilt weergeven.
Structuur diepte offset
Alle transducers meten de waterdiepte van de transducer tot de bodem. Daardoor zijn de
gemeten waterdiepten exclusief de afstand tussen de transducer en het laagste punt van de
boot in het water of de afstand van de transducer tot het wateroppervlak.
B
A
• Om de diepte vanaf het laagste punt van het vaartuig tot de bodem weer te geven stelt u
de offset in als de verticale afstand tussen de transducer en het laagste punt van het
vaartuig A (negatieve waarde).
• Om de diepte vanaf het wateroppervlak tot de bodem weer te geven stelt u de offset in
als de verticale afstand tussen de transducer en het wateroppervlak B (positieve waarde)
• Zet de offset op 0 voor de diepte onder de transducer.
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
93
Installatie
Gebruikt voor het installeren en instellen van het systeem. Raadpleeg de afzonderlijke
installatiehandleiding.
Herstellen van standaardinstellingen van de echosounder
Zet de instellingen van de echosounder terug naar de standaardinstellingen van de fabriek.
ForwardScan installatie
Beschikbaar wanneer een ForwardScan transducer is aangesloten.
Raadpleeg "ForwardScan installatie-instellingen" op pagina 112 voor informatie over instellingen.
Active Imaging™ HD support
If you have an Active Imaging™ HD transducer connected to your display unit through an
S3100 sonar module, the following higher frequencies are available for selection:
• DownScan: CHIRP: 700 kHz and 1200 kHz
• SideScan: CHIRP: 455 kHz and 1075 kHz.
Higher frequencies provide the sharpest image without sacrificing range, while lower
frequencies can be used in deeper waters, or for expanded range capabilities.
94
Echosounder | NSO evo3S Gebruikershandleiding
11
SideScan
Over SideScan
SideScan biedt een brede, zeer gedetailleerde dekking van de zeebodem aan de zijkanten
van uw boot.
Het SideScan paneel is beschikbaar wanneer een voor SideScan geschikte transducer is
aangesloten op de systeem.
Het SideScan paneel
A
Bodem links
C
Waterkolom midden
B
D
E
F
Structuur op bodem
Bodem rechts
Bereikschaal
Zoomknoppen voor bereik
Het beeld zoomen
Door een verandering in het bereik zal het beeld in- of uitzoomen.
Het bereik bepaalt de afstand naar links en rechts vanuit het midden.
Het bereik wijzigen:
• Druk op de knoppen +/-.
• Selecteer de bereikknoppen.
• Gebruik de instelling van het bereikmenu.
Gebruik van de cursor op het paneel
Als u de cursor op een paneel plaatst, pauzeert het scherm en wordt het
cursorinformatievenster geactiveerd. De afstand links/rechts van het vaartuig tot de cursor
wordt op de cursorpositie getoond.
Historie weergeven
In de SideScan weergave kunt u het beeld pannen om de zijden en historie te bekijken, door
het beeld naar links, rechts en omhoog te bewegen.
Om terug te gaan naar normaal SideScan scrollen, selecteert u de menuoptie Cursor wissen.
SideScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
95
SideScan gegevens opnemen
Hiermee wordt het dialoogvenster Log opnemen weergegeven. SideScan gegevens kunnen
worden opgenomen door het juiste bestandsformaat (xtf) te selecteren in het dialoogvenster
Opnemen. Raadpleeg "Loggegevens opnemen" op pagina 85 voor meer informatie.
Het beeld instellen
Gebruik het SideScan menu om het beeld in te stellen. Als de cursor actief is, worden
sommige opties in het menu vervangen door functies in de cursormodus. Selecteer de optie
Cursor wissen om terug te gaan naar het normale menu.
Bron
Ú Notitie: Alleen beschikbaar als er meerdere bronnen met dezelfde mogelijkheden
beschikbaar zijn.
Hiermee geeft u de bron voor het beeld in het geselecteerde paneel op.
U kunt meerdere bronnen tegelijk weergeven met behulp van een gesplitst paneel. De
menu-opties voor elk paneel werken onafhankelijk van elkaar.
Ú Notitie: Het gebruik van meerdere transducers op hetzelfde frequentiebereik kan
interferentie veroorzaken.
Raadpleeg de installatiehandleiding van de NSO evo3S MFD voor informatie over het
instellen van bronnen.
Bereik
De bereikinstellingen bepalen de afstand tot de linker- en rechterzijde van het midden.
Vooraf ingestelde bereikniveaus
Een handmatig vooraf ingesteld bereikniveau selecteren vanuit het menu.
Auto bereik
Bij gebruik van Auto bereik geeft het systeem automatisch het volledige bereik van het
wateroppervlak tot de bodem weer.
Auto is de voorkeursinstelling wanneer u vis zoekt.
Selecteer de optie Bereik, en selecteer vervolgens optie Auto in het menu.
Frequentie
Hogere frequenties leveren het scherpste beeld zonder concessies te doen aan het bereik,
terwijl lagere frequenties kunnen worden gebruikt in diepere wateren of voor een groter
bereik.
SideScan frequentieopties zijn afhankelijk van het type aangesloten SideScan transducer:
• 455 kHz en 800 kHz, of
• CHIRP: 455 kHz en 1075 kHz (vereist een Active Imaging™ HD transducer die via een S3100
sonarmodule op uw display is aangesloten).
Ú Notitie: Als uw SideScan transducer slechts één frequentie ondersteunt, wordt de optie
Frequentie niet weergegeven in het SideScan paneel.
Contrast
Bepaalt de helderheidsverhouding tussen lichte en donkere gebieden op het scherm.
96
SideScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Ú Notitie: We raden u aan om de optie Auto contrast te gebruiken.
Paletten
Voor het instellen van het kleurenpalet van het beeld.
Weergave
Bepaalt of de SideScan pagina alleen de linkerzijde van het beeld weergeeft, alleen de
rechterzijde, of links en rechts tegelijkertijd.
Geavanceerde opties
TVG
De weergave nabij het oppervlak kan vertroebeld raken door golfbewegingen en kielzog van
de boot. De optie TVG (Time Variable Gain) reduceert oppervlakte-echo's door de
gevoeligheid van de ontvanger in de buurt van de oppervlakte te verminderen.
Draai links/rechts
Indien nodig kan de linker-/rechterkant van het beeld worden omgekeerd om overeen te
komen met de richting van de installatie van de transducer.
Meer opties
Pauze
Hiermee pauzeert u het beeld, zodat u het beeld in detail kunt bestuderen.
Met de pauzefunctie stopt de echosounder met pingen. Het systeem verzamelt geen
gegevens als het beeld op deze manier wordt gepauzeerd.
FishReveal
Selecteer FishOntdekking om visbogen weer te geven in het beeld.
Als FishOntdekking is ingeschakeld, bevat het menu extra Visontdekking opties.
Gain
Controls the sensitivity of the FishReveal data on the DownScan image. Increasing gain
shows more detail on the screen. Decreasing gain displays less. Too much detail clutters the
screen. If the gain is set too low, weak fish arch data might not be displayed.
Kleur
Hiermee past u de kleuren van de visbooggegevens aan om de gegevens te onderscheiden
van andere doelen. De kleur aanpassen kan helpen om vis en belangrijke structuren op of bij
de bodem te onderscheiden van de echte bodem.
TVG
De weergave nabij het oppervlak kan vertroebeld raken door golfbewegingen en kielzog van
de boot. De optie TVG (Time Variable Gain) reduceert oppervlakte-echo's door de
gevoeligheid van de ontvanger in de buurt van de oppervlakte te verminderen.
Palet
U kunt kiezen uit verschillende displaypaletten die zijn geoptimaliseerd voor een
verscheidenheid aan viscondities.
SideScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
97
Ú Notitie: De keuze van een palet is vaak een gebruikersvoorkeur en kan variëren
afhankelijk van de viscondities. U kunt het beste een palet kiezen dat een goed contrast
geeft tussen beelddetails en de VisOntdekking-bogen.
Bereiklijnen
Aan het beeld kunnen bereiklijnen worden toegevoegd om afstand gemakkelijker te kunnen
schatten.
SideScan gegevens opnemen
Hiermee wordt het dialoogvenster Log opnemen weergegeven. SideScan gegevens kunnen
worden opgenomen door het juiste bestandsformaat (xtf) te selecteren in het dialoogvenster
Opnemen. Raadpleeg "Loggegevens opnemen" op pagina 85 voor meer informatie.
Echosounderinstellingen
Gebruik het dialoogvenster Echosounder-instellingen om instellingen voor uw
echosoundersysteem in te voeren. Zie "Echosounderinstellingen" op pagina 92.
SideScan FishReveal™
If you have an Active Imaging™ HD 3-in-1 FishReveal™ transducer connected to your display
unit through an S3100 sonar module, you can now see fish arches on your SideScan imaging.
This feature is known as SideScan FishReveal™.
FishReveal appears in the SideScan More options menu:
When selected, the menu expands to include FishReveal options:
Gain
Controls the sensitivity of the FishReveal data on the DownScan image. Increasing gain
shows more detail on the screen. Decreasing gain displays less. Too much detail clutters the
screen. If the gain is set too low, weak fish arch data might not be displayed.
98
SideScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Kleur
Hiermee past u de kleuren van de visbooggegevens aan om de gegevens te onderscheiden
van andere doelen. De kleur aanpassen kan helpen om vis en belangrijke structuren op of bij
de bodem te onderscheiden van de echte bodem.
TVG
De weergave nabij het oppervlak kan vertroebeld raken door golfbewegingen en kielzog van
de boot. De optie TVG (Time Variable Gain) reduceert oppervlakte-echo's door de
gevoeligheid van de ontvanger in de buurt van de oppervlakte te verminderen.
Palet
U kunt kiezen uit verschillende displaypaletten die zijn geoptimaliseerd voor een
verscheidenheid aan viscondities.
Ú Notitie: De keuze van een palet is vaak een gebruikersvoorkeur en kan variëren
afhankelijk van de viscondities. U kunt het beste een palet kiezen dat een goed contrast
geeft tussen beelddetails en de VisOntdekking-bogen.
SideScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
99
12
DownScan
Over DownScan
DownScan levert gedetailleerde beelden van structuren en vis direct onder uw boot. Het
DownScan paneel is beschikbaar wanneer een voor DownScan geschikte transducer is
aangesloten op de systeem.
Het DownScan paneel
A
Oppervlak
C
Begroeiing onder water
B
D
E
F
Visboog. De visbogen zijn afkomstig van de functie FishReveal. De functie
FishReveal is standaard ingeschakeld, maar als deze is uitgeschakeld, worden de
visbogen niet weergegeven op het Downscan beeld.
Bodem
Diepteschaal
Zoomknoppen voor dieptebereik
Het beeld zoomen
U kunt het beeld zoomen.
Het zoomniveau wordt weergegeven in het beeld. Als de cursor actief is, zoomt het systeem
in op de cursorpositie.
Gebruik van de cursor op het paneel
Als u de cursor op een paneel plaatst, pauzeert het scherm en wordt het
cursorinformatievenster geactiveerd. De diepte van de cursor weergegeven op de
cursorpositie.
DownScan historie weergeven
U kunt de beeldgeschiedenis verschuiven door het beeld naar links en rechts te slepen.
Als u wilt doorgaan met normaal DownScan scrollen, wist u de cursor van het beeld.
DownScan gegevens opnemen
Hiermee wordt het dialoogvenster Log opnemen weergegeven. DownScan gegevens
kunnen worden opgenomen door het juiste bestandsformaat (xtf) te selecteren in het
dialoogvenster Opnemen. Raadpleeg "Loggegevens opnemen" op pagina 85 voor meer informatie.
100
DownScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Instellen van het DownScan beeld
Gebruik het DownScan menu om het beeld in te stellen. Als de cursor actief is, worden
sommige opties in het menu vervangen door functies in de cursormodus. Selecteer de
menuoptie Cursor wissen om terug te gaan naar het normale menu.
Bron
Ú Notitie: Alleen beschikbaar als er meerdere bronnen met dezelfde mogelijkheden
beschikbaar zijn.
Hiermee geeft u de bron voor het beeld in het geselecteerde paneel op.
U kunt meerdere bronnen tegelijk weergeven met behulp van een gesplitst paneel. De
menu-opties voor elk paneel werken onafhankelijk van elkaar.
Ú Notitie: Het gebruik van meerdere transducers op hetzelfde frequentiebereik kan
interferentie veroorzaken.
Raadpleeg de installatiehandleiding van de NSO evo3S MFD voor informatie over het
instellen van bronnen.
Bereik
De bereikinstelling bepaalt de waterdiepte die zichtbaar is op het scherm.
Ú Notitie: Als u een bereik voor diep water instelt in ondiep water kan het systeem
mogelijk de diepte niet goed bijhouden.
Vooraf ingestelde bereikniveaus
Een handmatig vooraf ingesteld bereikniveau selecteren vanuit het menu.
Auto bereik
Bij gebruik van Auto bereik geeft het systeem automatisch het volledige bereik van het
wateroppervlak tot de bodem weer.
Auto is de voorkeursinstelling wanneer u vis zoekt.
Selecteer de optie Bereik, en selecteer vervolgens optie Auto in het menu.
Frequentie
Hogere frequenties leveren het scherpste beeld zonder concessies te doen aan het bereik,
terwijl lagere frequenties kunnen worden gebruikt in diepere wateren of voor een groter
bereik.
De optie DownScan frequentie is afhankelijk van de DownScan transducer:
• 455 kHz en 800 kHz, of
• CHIRP: 700 kHz en 1200 kHz (vereist een Active Imaging™ HD transducer die via een S3100
sonarmodule op uw display is aangesloten).
Ú Notitie: Als uw DownScan transducer slechts één frequentie ondersteunt, wordt de
optie Frequentie niet weergegeven in het DownScan paneel.
Contrast
Bepaalt de helderheidsverhouding tussen lichte en donkere gebieden op het scherm.
Ú Notitie: We raden u aan om de optie Auto contrast te gebruiken.
Paletten
Voor het instellen van het kleurenpalet van het beeld.
DownScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
101
Geavanceerde opties
TVG
De weergave nabij het oppervlak kan vertroebeld raken door golfbewegingen en kielzog van
de boot. De optie TVG (Time Variable Gain) reduceert oppervlakte-echo's door de
gevoeligheid van de ontvanger in de buurt van de oppervlakte te verminderen.
Meer opties
Pauze
Hiermee pauzeert u het beeld, zodat u het beeld in detail kunt bestuderen.
Met de pauzefunctie stopt de echosounder met pingen. Het systeem verzamelt geen
gegevens als het beeld op deze manier wordt gepauzeerd.
FishReveal
Selecteer FishOntdekking om visbogen weer te geven in het beeld.
Als FishOntdekking is ingeschakeld, bevat het menu extra Visontdekking opties.
Gain
Controls the sensitivity of the FishReveal data on the DownScan image. Increasing gain
shows more detail on the screen. Decreasing gain displays less. Too much detail clutters the
screen. If the gain is set too low, weak fish arch data might not be displayed.
Kleur
Hiermee past u de kleuren van de visbooggegevens aan om de gegevens te onderscheiden
van andere doelen. De kleur aanpassen kan helpen om vis en belangrijke structuren op of bij
de bodem te onderscheiden van de echte bodem.
TVG
De weergave nabij het oppervlak kan vertroebeld raken door golfbewegingen en kielzog van
de boot. De optie TVG (Time Variable Gain) reduceert oppervlakte-echo's door de
gevoeligheid van de ontvanger in de buurt van de oppervlakte te verminderen.
Palet
U kunt kiezen uit verschillende displaypaletten die zijn geoptimaliseerd voor een
verscheidenheid aan viscondities.
Ú Notitie: De keuze van een palet is vaak een gebruikersvoorkeur en kan variëren
afhankelijk van de viscondities. U kunt het beste een palet kiezen dat een goed contrast
geeft tussen beelddetails en de VisOntdekking-bogen.
Bereiklijnen
Aan het beeld kunnen bereiklijnen worden toegevoegd om diepte gemakkelijker te kunnen
schatten.
DownScan gegevens opnemen
Hiermee wordt het dialoogvenster Log opnemen weergegeven. DownScan gegevens
kunnen worden opgenomen door het juiste bestandsformaat (xtf) te selecteren in het
dialoogvenster Opnemen. Raadpleeg "Loggegevens opnemen" op pagina 85 voor meer informatie.
Echosounderinstellingen
Gebruik het dialoogvenster Echosounder-instellingen om instellingen voor uw
echosoundersysteem in te voeren. Zie "Echosounderinstellingen" op pagina 92.
102
DownScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
13
3D sonar
Over 3D Sonar
3D Sonar is een sonarsysteem met meerder bundels waarmee vissers vissen,
onderwaterstructuren en bodemcontouren kunnen zien in instelbare, driedimensionale
weergaven.
Het 3D paneel
In 3D weergave wordt de afbeelding van de zeebodem direct onder het vaartuig in real-time
opgebouwd terwijl de boot zich verplaatst. Als de boot niet in beweging is, blijft het beeld
ongewijzigd. U kunt ook andere onderwaterobjecten en scholen vis zien. De 3D weergave
toont zowel het linker als het rechter gegevenskanaal.
A
Diepte, temperatuur en frequentie
C
Bereik
B
D
E
F
G
Transducerbundel
3D paneelknoppen
Diepte-indicatielijn
Knoppen op het zoompaneel
Contrast
Het beeld zoomen
U kunt het beeld zoomen.
Het zoomniveau wordt weergegeven in het beeld. Als de cursor actief is, zoomt het systeem
in op de cursorpositie.
De cursor gebruiken op een 3D beeld
De cursor wordt niet standaard getoond op het beeld.
Selecteer de paneelknop Cursor inschakelen op een 3D beeld om de cursor te gebruiken.
Wanneer de cursor op het beeld wordt geplaatst, worden het cursorinformatievenster en de
geschiedenisbalk geactiveerd.
Het cursorinformatievenster toont beschikbare data op de cursorpositie, waaronder de
afstand en het bereik van het vaartuig tot de cursorpositie.
De geschiedenisbalk wordt gebruikt om terug te gaan naar de opgeslagen gegevens. Het
gemarkeerde deel van de geschiedenisbalk toont het beeld dat u op dat moment bekijkt ten
opzichte van de gehele opgeslagen beeldgeschiedenis. Zie "Beeldgeschiedenis weergeven" op
pagina 104.
Ú Notitie: De geschiedenisbalk kan worden uitgeschakeld. Zie "Live historie wissen" op pagina
106.
3D sonar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
103
Waypoints opslaan
Plaats de cursor op het scherm en selecteer vervolgens de menuoptie Nieuw waypoint om
een waypoint op te slaan.
Als de cursor op een 3D beeld is geplaatst wordt er geen diepte-informatie opgenomen voor
de waypoint. Een waypoint op een 3D beeld wordt weergegeven met een streep eronder
om de positie op de zeebodem aan te geven.
Opties 3D modus
Er zijn twee modi voor het 3D paneel:
• Vaartuigmodus
• Cursormodus
Wissel tussen de vaartuigmodus en de cursormodus door de 3D paneelknoppen te
selecteren. U kunt ook terugkeren van cursormodus naar vaartuigmodus door de menuoptie
Cursor wissen te selecteren.
Modus 3D vaartuig
In deze modus wordt de weergave aan het vaartuig gekoppeld, en beweegt het beeld mee
met het vaartuig.
De camera kan worden gedraaid rond het vaartuig en de hoogte van de camera kan worden
gewijzigd om naar beneden te kijken of wat meer zijwaarts van het vaartuig:
• Sleep horizontaal over het scherm om de draaiing van de camera te wijzigen
• Sleep verticaal over het scherm om de hoogte en hoek van de camera te wijzigen
Modus 3D cursor
Wanneer u de modus Cursor activeert is de camerapositie hetzelfde als wanneer de modus
Cursor werd ingeschakeld.
In de modus Cursor beweegt het beeld niet mee met het vaartuig. U kunt op het beeld
inzoomen en de camera in iedere richting draaien door te slepen op het scherm.
De modus Cursor omvat de cursorfuncties beschreven in "De cursor gebruiken op een 3D beeld" op
pagina 103.
Weergave van vissen
Wanneer objecten worden geïdentificeerd in de waterkolom, worden ze weergegeven als
clusters van stippen. De kleur correspondeert met de dichtheid van het doel, en de kleuren
van de punten worden automatisch aangepast aan het gekozen palet.
Beeldgeschiedenis weergeven
Het gemarkeerde deel van de geschiedenisbalk toont het beeld dat u op dat moment bekijkt
ten opzichte van de gehele opgeslagen beeldgeschiedenis.
De geschiedenisbalk wordt standaard weergegeven als de cursor actief is. U kunt de
geschiedenisbalk uitschakelen, deze altijd bovenin het scherm laten staan of hem alleen
laten verschijnen als de cursor actief is. Zie "Live historie wissen" op pagina 106.
De geschiedenisbalk staat bovenin het scherm van 3D beelden.
104
3D sonar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
U kunt de beeldgeschiedenis verschuiven door het beeld te slepen, of door het gemarkeerde
gebied in de geschiedenisbalk te slepen.
Wis de cursor om het scrollen door de huidige gegevens te hervatten.
Het beeld instellen
Bron
Ú Notitie: Alleen beschikbaar als er meerdere bronnen met dezelfde mogelijkheden
beschikbaar zijn.
Hiermee geeft u de bron voor het beeld in het geselecteerde paneel op.
U kunt meerdere bronnen tegelijk weergeven met behulp van een gesplitst paneel. De
menu-opties voor elk paneel werken onafhankelijk van elkaar.
Ú Notitie: Het gebruik van meerdere transducers op hetzelfde frequentiebereik kan
interferentie veroorzaken.
Raadpleeg de installatiehandleiding van de NSO evo3S MFD voor informatie over het
instellen van bronnen.
Bereik
De bereikinstellingen bepalen de afstand tot de linker- en rechterzijde van het midden.
Vooraf ingestelde bereikniveaus
Een handmatig vooraf ingesteld bereikniveau selecteren vanuit het menu.
Auto bereik
Bij gebruik van Auto bereik geeft het systeem automatisch het volledige bereik van het
wateroppervlak tot de bodem weer.
Auto is de voorkeursinstelling wanneer u vis zoekt.
Selecteer de optie Bereik, en selecteer vervolgens optie Auto in het menu.
Frequentie
Er worden twee frequenties ondersteund. 800 kHz levert het scherpste beeld zonder
concessies aan het bereik, terwijl 455 kHz kan worden gebruikt in diepere wateren of voor
een groter bereik.
Ú Notitie: Als uw SideScan transducer slechts één frequentie ondersteunt, wordt de optie
Frequentie niet weergegeven in het SideScan paneel.
Contrast
Bepaalt de helderheidsverhouding tussen lichte en donkere gebieden op het scherm.
Ú Notitie: We raden u aan om de optie Auto contrast te gebruiken.
Paletten
Voor het instellen van het kleurenpalet van het beeld.
Geavanceerde opties
TVG
De weergave nabij het oppervlak kan vertroebeld raken door golfbewegingen en kielzog van
de boot. De optie TVG (Time Variable Gain) reduceert oppervlakte-echo's door de
gevoeligheid van de ontvanger in de buurt van de oppervlakte te verminderen.
Draai links/rechts
Indien nodig kan de linker-/rechterkant van het beeld worden omgekeerd om overeen te
komen met de richting van de installatie van de transducer.
3D sonar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
105
Verticale verbetering
Deze optie rekt de gegevens uit, zodat de verschillen tussen diepten groter worden op het
paneel. Hierdoor ziet u de veranderingen in diepte in relatief ondiepe gebieden.
Doelgevoeligheid
Met deze instelling kunt u de hoeveelheid en de intensiteit van de punten die zijn
opgenomen in de waterkolom aanpassen. Zet deze instelling lager wanneer u minder ruis of
ongewenste dingen wilt zien, en zet deze hoger als u meer informatie wilt weergeven.
De optie Auto past automatisch de instellingen aan tot het optimale niveau. Autogevoeligheid kan worden afgesteld (+/-) op uw voorkeur met behoud van de autogevoeligheidsfunctionaliteit.
Meer opties
Pauze
Hiermee pauzeert u het beeld, zodat u het beeld in detail kunt bestuderen.
Met de pauzefunctie stopt de echosounder met pingen. Het systeem verzamelt geen
gegevens als het beeld op deze manier wordt gepauzeerd.
Live historie wissen
Hiermee worden de bestaande live historiegegevens van het scherm gewist en worden
alleen de meest recent gegevens getoond.
Beeld vergrendelen
Als deze optie is ingeschakeld behoud de camera de ingestelde relatieve rotatie van het
vaartuig. Als u bijvoorbeeld naar de stuurboordzijde van het schip draait, blijft de camera
draaien om het beeld vanaf stuurboord te behouden wanneer het vaartuig draait.
Dieptemarkering
Markeert (A) het gespecificeerde dieptebereik. De ondergrens stelt de kleinste diepte van het
te markeren bereik in (B). De bovengrens stelt de grootste diepte van het te markeren bereik
in (C).
De markeerkleur is afhankelijk van de kleur van het geselecteerde palet.
Echosounderinstellingen
Gebruik het dialoogvenster Echosounder-instellingen om instellingen voor uw
echosoundersysteem in te voeren. Zie "Echosounderinstellingen" op pagina 92.
106
3D sonar | NSO evo3S Gebruikershandleiding
14
StructureMap
Over StructureMap
Met de functie StructureMap kunnen SideScan beelden uit een SideScan bron op de kaart
worden geprojecteerd. Dit maakt het gemakkelijker om de onderwateromgeving ten
opzichte van uw positie te visualiseren en SideScan beelden te duiden.
Het StructureMap beeld
StructureMap kan als overlay op uw kaartpaneel worden weergegeven. Als de Structure
overlay geselecteerd is, wordt het kaartmenu uitgebreid met de Structure opties.
Het onderstaande voorbeeld is een pagina met twee panelen. Er wordt een kaart met
structuuroverlay weergegeven op het linkerpaneel en een traditioneel SideScan beeld op het
rechterpaneel.
StructureMap bronnen
Er kunnen twee bronnen gebruikt worden om Structure-logs als overlay op de kaarten weer
te geven, maar er kan slechts een tegelijk bekeken worden:
• Live gegevens: wordt gebruikt wanneer SideScan gegevens beschikbaar zijn
• Opgeslagen bestanden: opgenomen SideScan gegevens die zijn geconverteerd naar
StructureMap indeling (*.smf)
Live gegevens
Als live data zijn geselecteerd, wordt de SideScan beeldhistorie getoond als een spoor achter
het vaartuigpictogram. De lengte van dit spoor hangt af van het beschikbare geheugen in de
unit en de bereikinstellingen. Als het geheugen vol raakt, worden de oudste gegevens
automatisch verwijderd en nieuwe gegevens toegevoegd. Als u het zoekbereik vergroot,
wordt de pingsnelheid van de SideScan transducer verlaagd, maar worden de breedte en
lengte van de beeldhistorie verhoogd.
Ú Notitie: In Live-modus worden geen gegevens opgeslagen. Als de unit wordt
uitgeschakeld, worden alle recente gegevens gewist.
Opgeslagen bestanden
De modus Opgeslagen wordt gebruikt om StructureMap bestanden te bekijken en te
controleren, en om het vaartuig op specifieke interessante locaties op een eerder gescand
gebied te positioneren. Als er geen SideScan bronnen beschikbaar zijn, kunnen opgeslagen
bestanden worden gebruikt.
Als deze modus geselecteerd is, wordt het StructureMap bestand als overlay op de kaart
getoond, op basis van de positie-informatie in het bestand.
Als de kaartschaal groot is, wordt het StructureMap gebied afgebakend aangegeven totdat
het bereik groot genoeg is om structuurgegevens weer te geven.
StructureMap | NSO evo3S Gebruikershandleiding
107
Ú Notitie: Als opgeslagen bestanden worden gebruikt als bron, worden alle StructureMap
bestanden weergegeven die zich op het opslagapparaat en in het interne
systeemgeheugen bevinden. Als er meer dan een StructureMap van hetzelfde gebied
bestaat, overlappen de beelden elkaar en is de kaart minder overzichtelijk. Als er
meerdere logs van hetzelfde gebied nodig zijn, moeten de kaarten op aparte
opslagapparaten worden geplaatst.
StructureMap tips
• Als u langere structuren (zoals een wrak e.d.) in kaart wilt brengen, vaar er dan niet
overheen, maar stuur de boot zo dat de structuur aan de linker- of rechterkant van uw
vaartuig ligt.
• Voorkom overlapping van geschiedenissporen bij het maken van een zij-aan-zij scan van
een gebied.
StructureMaps gebruiken met topografische kaarten
Met StructureMap kunt u de volledige kaartcapaciteit behouden. Het kan zowel gebruikt
worden met vooraf geladen cartografie als met elektronische kaarten van Navionics, Insight
en mediakaarten van andere merken die compatibel zijn met het systeem.
Wanneer u StructureMap gebruikt met mediakaarten, kopieert u de StructureMap (.smf )bestanden naar het interne geheugen van de unit. Wij raden u aan om kopieën van
StructureMap-bestanden op externe mediakaarten te bewaren.
Structuuropties
U kunt de StructureMap instellingen aanpassen in het menu Structuuropties. Het menu is
beschikbaar als Structuuroverlay is ingeschakeld.
Niet alle opties zijn beschikbaar als opgeslagen StructureMap bestanden worden gebruikt als
bron. Niet-beschikbare opties worden grijs weergegeven.
Bereik
Hiermee stelt u het zoekbereik in.
Transparantie
Hiermee stelt u de doorzichtigheid van de structuuroverlay in. Met minimale transparantie
zullen de kaartdetails vrijwel verborgen zijn door de StructureMap-overlay.
Paletten
Voor het instellen van het kleurenpalet van het beeld.
Contrast
Bepaalt de helderheidsverhouding tussen lichte en donkere gebieden op het scherm.
Waterkolom
Toont/verbergt de waterkolom in de Live-modus.
Indien uitgeschakeld, zijn scholen aasvissen mogelijk niet zichtbaar op het SideScan-beeld.
Indien ingeschakeld, kan de nauwkeurigheid van het SideScan-beeld op de kaart beïnvloed
worden door de waterdiepte.
Frequentie
Er worden twee frequenties ondersteund. 800 kHz levert het scherpste beeld zonder
concessies aan het bereik, terwijl 455 kHz kan worden gebruikt in diepere wateren of voor
een groter bereik.
Ú Notitie: Als uw SideScan transducer slechts één frequentie ondersteunt, wordt de optie
Frequentie niet weergegeven in het SideScan paneel.
108
StructureMap | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Live historie wissen
Hiermee worden de bestaande live historiegegevens van het scherm gewist en worden
alleen de meest recent gegevens getoond.
Sonargegevens loggen
Geeft het dialoogvenster Sonar loggen weer. Zie "Loggegevens opnemen" op pagina 85.
Bron
Bepaalt de StructureMap bron die wordt weergegeven op de kaart-overlay. Zie "StructureMap
bronnen" op pagina 107.
StructureMap | NSO evo3S Gebruikershandleiding
109
15
ForwardScan
Informatie over ForwardScan
ForwardScan sonar is een navigatiehulpmiddel waarmee u de onderwateromgeving vóór uw
vaartuig kunt weergeven terwijl u manoeuvres op lage snelheid uitvoert.
U kunt de functie ForwardScan alleen gebruiken als er een ForwardScan transducer op uw
vaartuig is bevestigd.
Waarschuwing: Vertrouw niet uitsluitend op deze apparatuur als
hoofdbron voor navigatie of het detecteren van gevaren.
Waarschuwing: Gebruik deze apparatuur niet om diepte of andere
omstandigheden voor zwemmen of duiken te meten.
Het ForwardScan beeld
A
Diepteschaal en vaartuigpositie
C
Puntdata
B
D
E
Schaal vooruitafstand
Bodem
Dieptehistorie
Het ForwardScan-beeld instellen
Bron
Ú Notitie: Alleen beschikbaar als er meerdere bronnen met dezelfde mogelijkheden
beschikbaar zijn.
Hiermee geeft u de bron voor het beeld in het geselecteerde paneel op.
U kunt meerdere bronnen tegelijk weergeven met behulp van een gesplitst paneel. De
menu-opties voor elk paneel werken onafhankelijk van elkaar.
Ú Notitie: Het gebruik van meerdere transducers op hetzelfde frequentiebereik kan
interferentie veroorzaken.
Raadpleeg de installatiehandleiding van de NSO evo3S MFD voor informatie over het
instellen van bronnen.
Diepte
Regelt het dieptebereik. Het dieptebereik is standaard ingesteld op automodus.
110
ForwardScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Vooruit afstand
Bepaalt het bereik waarover vooruit gekeken en gezocht kan worden. Het maximale
voorwaartse bereik is 91 meter (300 voet).
Ruisonderdrukking
Filtert signaalinterferentie en vermindert ruis op het scherm.
Zones tonen
Toont waarschuwingszones (geel) en kritieke zones (rood) op het scherm. Zie "Kritieke afstand
vooruit en Kritieke diepte" op pagina 112.
Meer opties
Pauze
Hiermee pauzeert u het beeld, zodat u het beeld in detail kunt bestuderen.
Met de pauzefunctie stopt de echosounder met pingen. Het systeem verzamelt geen
gegevens als het beeld op deze manier wordt gepauzeerd.
Paletten
Voor het instellen van het kleurenpalet van het beeld.
Historieratio
Bepaalt hoeveel sounderhistorie achter de boot wordt getoond. Hoe hoger de ratio, hoe
meer historie wordt getoond.
Puntdata
ForwardScan geeft standaard alleen de bodem weer. Selecteer deze optie en kies voor
weergave van: geen sounderdatapunten, alle datapunten of alleen punten (objecten) in de
waterkolom.
Dieptelijnen
Toont lijnen op het scherm, waardoor het makkelijker is om snel de diepte en
onderwaterobjecten in te schatten.
ForwardScan gegevens opnemen
Toont het dialoogvenster Opnemen. ForwardScan gegevens kunnen worden opgenomen
door het juiste bestandsformaat (sl3) te selecteren in het dialoogvenster Opnemen.
Raadpleeg "Loggegevens opnemen" op pagina 85 voor meer informatie.
Voorl. koers verlenging
De kleuren van de koersverlengingslijnen veranderen dynamisch op basis van de
gedetecteerde diepte vóór u, en de weergegeven kleuren zijn afhankelijk van de waarden
voor kritieke en waarschuwingsdiepte van ForwardScan die zijn ingesteld in het
installatiedialoogvenster.
ForwardScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
111
A
Rood - kritiek
C
Groen - veilig
B
Geel - waarschuwing
Verlenging ForwardScan instellen
Selecteer ForwardScan in het dialoogvenster Kaartinstellingen om de koersverlenging van
ForwardScan op het kaartpaneel te bekijken.
ForwardScan installatie-instellingen
Geef de instellingen op in het dialoogvenster ForwardScan installatie.
Kritieke afstand vooruit en Kritieke diepte
Kritieke afstand vooruit en Kritieke diepte zijn door de gebruiker ingestelde drempelwaarden
waarmee u een kritieke zone vooruit kunt definiëren.
Als het alarm is ingeschakeld en u in water vaart dat ondiep genoeg is om in de kritieke zone
te belanden, wordt het alarm Kritieke zone geactiveerd.
Om alarmen over kritieke zones te krijgen, schakelt u het vooruit afstand alarm in het
dialoogvenster Alarminstellingen in. Voor meer informatie over het inschakelen van alarmen
raadpleegt u "Menu Alarms (Alarmen)" op pagina 178.
U kunt de kritieke waarschuwingszones op het beeld weergeven door de menu-optie Zones
tonen te activeren.
112
ForwardScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
A
B
Kritieke zone
Kritieke zone
Waarschuwing afstand vooruit en waarschuwing diepte
Stel de drempels in voor de waarschuwing afstand vooruit en waarschuwing diepte. Deze
drempels definiëren de lijnen van de kritieke zone die op het ForwardScan beeld worden
weergegeven.
Transducerhoek
Het wordt aanbevolen de transducer verticaal ten opzichte van de waterlijn te installeren.
Mocht dit niet mogelijk zijn, dan kunt u het verschil tussen de transducerhoek en de waterlijn
aanpassen via de instelling Transducerhoek.
Als de transducer in een hoek richting de voorkant van het vaartuig is gericht, moet er een
positieve waarde (0 tot +15 ) worden ingevoerd in het dialoogvenster Transducerhoek. Als
de transducer in een hoek richting de achterkant van het vaartuig is gericht, moet er een
negatieve waarde (0 tot -15 ) worden ingevoerd in het dialoogvenster Transducerhoek.
Waarschuwing: Aanpassingen aan de hoek dienen met zorg te worden
uitgevoerd. Grote variaties in de hoek kunnen de dieptedata vervormen,
waardoor obstakels onderwater sneller geraakt kunnen worden.
Diepte offset
Alle transducers meten de waterdiepte van de transducer tot de bodem. Daardoor zijn de
gemeten waterdiepten exclusief de afstand tussen de transducer en het laagste punt van de
boot in het water of de afstand van de transducer tot het wateroppervlak.
B
A
• Om de diepte vanaf het laagste punt van het vaartuig tot de bodem weer te geven stelt u
de offset in als de verticale afstand tussen de transducer en het laagste punt van het
vaartuig A (negatieve waarde).
ForwardScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
113
• Om de diepte vanaf het wateroppervlak tot de bodem weer te geven stelt u de offset in
als de verticale afstand tussen de transducer en het wateroppervlak B (positieve waarde)
• Zet de offset op 0 voor de diepte onder de transducer.
114
ForwardScan | NSO evo3S Gebruikershandleiding
16
ActiveTarget
Over ActiveTarget
Deze functie is beschikbaar als een ActiveTarget transducer en de bijbehorende
sonarmodule zijn aangesloten op het Ethernet-netwerk.
Wanneer een ActiveTarget transducer en de bijbehorende sonarmodule zijn verbonden met
het Ethernet-netwerk, is de knop ActiveTarget beschikbaar op de home pagina.
De ActiveTarget transducer kan worden gebruikt in de modus Vooruit (ActiveTarget
Forward), Neer (ActiveTarget Down) of Horizontaal (ActiveTarget Scout). De modus wordt
bepaald door de montage van de transducer.
Meerdere ActiveTarget bronnen werken onafhankelijk van elkaar en elke bron kan worden
toegewezen aan een paneel op het display.
Een ActiveTarget bron kan worden gedeeld via het Ethernet-netwerk. Raadpleeg de
installatiehandleiding van uw systeem voor informatie over het instellen van het systeem
voor het delen van sonargegevens.
ActiveTarget vooruit paneel
A
Afstandsschaal (afstand vanaf de transducer)
C
Constructie (een richel) op de bodem
B
D
E
ActiveTarget pictogram, dat de richting van de bundel aangeeft
Vis
Schaal voor bereik omlaag (afstand onder de transducer)
ActiveTarget neer paneel
A
Afstandsschaal (afstand vanaf de transducer)
C
School vissen
B
ActiveTarget pictogram, dat de richting van de bundel aangeeft
ActiveTarget | NSO evo3S Gebruikershandleiding
115
D
Begroeiing onder water met school vissen erin en eromheen
F
Enkele grotere vis
E
G
School vissen
Schaal voor bereik omlaag (afstand onder de transducer)
ActiveTarget scout paneel
A
ActiveTarget pictogram, dat de richting van de bundel aangeeft
C
Bereikrasterlijnen; deze kunnen worden in- en uitgeschakeld en kunnen worden
ingesteld op recht of boog in het menu Meer.
B
D
E
F
Vis
Schaal afstandsbereik (afstand links/rechts van de transducer)
Onderwaterstructuur (rotsrand)
Bereikschaal (afstand vóór de transducer)
Het beeld zoomen
U kunt het beeld in- en uitzoomen met de zoomopties van het display.
Als de cursor actief is, zoomt het systeem in op de cursorpositie.
De echosounder pauzeren
Als Pauze is geselecteerd, stopt de echosounder met pingen. U kunt deze optie wanneer u
wilt gebruiken om de echosounder uit te schakelen zonder de unit zelf uit te schakelen.
Deselecteer deze optie om het pingen te hervatten.
Ú Notitie: De transducer zou niet moeten pingen als de transducer niet onderwater is. Als
de transducer is op de trollingmotor is gemonteerd en de trollingmotor uit het water
wordt gehaald, moet u deze optie gebruiken zodat de transducer stopt met pingen.
Gebruik van de cursor op het paneel
De cursor wordt niet standaard getoond op het beeld.
Als u de cursor op een paneel plaatst, pauzeert het scherm en wordt het
cursorinformatievenster geactiveerd. Diepte en bereik van de cursor worden getoond op de
cursorpositie.
ActiveTarget video opnemen
U kunt een ActiveTarget video opnemen op een geheugenkaart.
116
ActiveTarget | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Alle ActiveTarget opnamen worden vastgelegd in een standaard .mp4-indeling, waardoor ze
ideaal zijn voor afspelen op een computer of voor delen via internet.
Ú Notitie: Deze optie is alleen beschikbaar als een geheugenkaart is geplaatst.
Video-opname stoppen
Tijdens het opnemen van een video wordt in het menu de optie voor het stoppen van de
opname weergegeven.
Modi en beeldinstellingen
De unit wordt geleverd met verschillende vooraf gedefinieerde aanpassingsmodi, die
worden gebruikt om de beeldinstellingen te regelen.
Modus veranderen
Selecteer de modusknop en vervolgens de modus die u wilt gebruiken.
Wanneer de modus Neer, Vooruit of Scout wordt geselecteerd, wordt het menu
uitgevouwen met opties voor die modus. Alle modi hebben Meer opties, die extra
beeldinstellingen bieden.
Menu van modus Neer
Menu van modus Vooruit
Menu van modus Scout
De modus AUTO
Standaard is de unit ingesteld op Auto. In deze modus zijn de meeste instellingen
geautomatiseerd.
Beneden bereik
De instelling Beneden bereik bepaalt de waterdiepte die zichtbaar is op het beeld.
ActiveTarget | NSO evo3S Gebruikershandleiding
117
Vooruit afstand
De instellingen voor vooruit afstand bepalen de afstand die zichtbaar is op het beeld.
Ú Notitie: Deze optie is alleen beschikbaar in de Vooruit modus.
Bereik
De bereikinstelling bepaalt het bereik dat zichtbaar is op het beeld.
Ú Notitie: Deze optie is alleen beschikbaar in de Scout modus.
Gevoeligheid
Door de gevoeligheid te verhogen, worden op het scherm meer details weergegeven. Door
de gevoeligheid te verlagen, worden minder details weergegeven. Te veel details maken het
scherm onoverzichtelijk. Aan de andere kant worden gewenste doelen mogelijk niet
getoond als de gevoeligheid te laag staat.
Auto gevoeligheid
Deze functie past automatisch de sonarecho's aan de optimale niveaus. Auto-gevoeligheid
kan worden afgesteld (+/-) op uw voorkeur met behoud van de autogevoeligheidsfunctionaliteit.
Ú Notitie: Auto-gevoeligheid is de voorkeursmodus voor de meeste omstandigheden.
Ruisonderdrukking
Filtert signaalinterferentie en vermindert ruis op het scherm.
Meer opties
Doelsporen
Een doelspoor geeft de doelverplaatsing aan door nalichten, waarbij de intensiteit na verloop
van tijd geleidelijk afneemt.
Deze functie is handig voor het snel beoordelen van de beweging van doelen ten opzichte
van uw vaartuig.
Paletten
Voor het instellen van het kleurenpalet van het beeld.
Bereikrasterlijnen
Er kan een bereikraster aan het beeld worden toegevoegd. De rasterlijnen zijn handig voor
het bepalen van de afstand tot doelen. Wanneer u de menuoptie Bereik Raster selecteert,
kunt u Geen, Recht of Boog kiezen.
StableView
Als deze optie is geselecteerd, zal de transducer de beweging van de boot en de transducer
compenseren om een stabieler beeld op het paneel te verkrijgen.
118
ActiveTarget | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Bron
Ú Notitie: Alleen beschikbaar als er meerdere bronnen met dezelfde mogelijkheden
beschikbaar zijn.
Hiermee geeft u de bron voor het beeld in het geselecteerde paneel op.
U kunt meerdere bronnen tegelijk weergeven met behulp van een gesplitst paneel. De
menu-opties voor elk paneel werken onafhankelijk van elkaar.
Ú Notitie: Het ActiveTarget platform staat maximaal twee ActiveTarget transducers op een
netwerk toe en deze moeten zich in verschillende configuraties bevinden. Mogelijke
configuraties zijn weergave Neer, weergave Vooruit en weergave Scout. De ene bron kan
bijvoorbeeld worden ingesteld op de weergave Neer en de andere op de weergave
Vooruit.
Ú Notitie: Het gebruik van meerdere transducers op hetzelfde frequentiebereik kan
interferentie veroorzaken.
Raadpleeg de installatiehandleiding van de unit voor informatie over het instellen van
bronnen.
ActiveTarget installatie-instellingen
Bron
Selecteer deze optie om een lijst van bronnen weer te geven die beschikbaar zijn voor
configuratie. De instellingen die u configureert in de rest van het dialoogvenster gelden
alleen voor de geselecteerde bron.
Ú Notitie: Het ActiveTarget platform staat maximaal twee ActiveTarget transducers op een
netwerk toe en deze moeten zich in verschillende configuraties bevinden. Mogelijke
configuraties zijn weergave Neer, weergave Vooruit en weergave Scout. De ene bron kan
bijvoorbeeld worden ingesteld op de weergave Neer en de andere op de weergave
Vooruit.
ActiveTarget selectie
Gebruik deze optie om aan te geven of de ActiveTarget transducer moet worden gebruikt in
de modus Neer, Vooruit of Scout.
Diepte offset
Alle transducers meten de waterdiepte van de transducer tot de bodem. Daardoor zijn de
gemeten waterdiepten exclusief de afstand tussen de transducer en het laagste punt van de
boot in het water of de afstand van de transducer tot het wateroppervlak.
ActiveTarget | NSO evo3S Gebruikershandleiding
119
B
A
• Om de diepte vanaf het laagste punt van het vaartuig tot de bodem weer te geven stelt u
de offset in als de verticale afstand tussen de transducer en het laagste punt van het
vaartuig A (negatieve waarde).
• Om de diepte vanaf het wateroppervlak tot de bodem weer te geven stelt u de offset in
als de verticale afstand tussen de transducer en het wateroppervlak B (positieve waarde)
• Zet de offset op 0 voor de diepte onder de transducer.
Kalibratie watertemperatuur
Temperatuurkalibratie dient om de watertemperatuurwaarde aangegeven door de
transducer aan te passen. Het kan nodig zijn lokale invloeden op de gemeten temperatuur te
corrigeren.
Kalibratiebereik: -9,9° - +9,9°. 0° is standaard.
Hoek offset (graden)
Ú Notitie: Deze optie is alleen beschikbaar in de modus Vooruit.
Met de beugels kan de transducer slechts onder één vaste hoek op de arm van de
trollingmotor worden gemonteerd. De beste montagehoek voor de transducer wordt
verkregen wanneer de arm van de trollingmotor loodrecht op de waterlijn staat.
Als de arm van de trollingmotor niet loodrecht op de waterlijn staat, kan de optie voor de
offsethoek in het dialoogvenster LiveSight installatie worden gebruikt om de hoek van de
transducer nauwkeurig af te stellen.
Als de montagehoek van de transducer verkeerd is, kan het beeld onjuist worden
weergegeven.
De configuratiewizard opnieuw starten
Gebruik deze optie om de configuratiewizard handmatig te starten.
120
ActiveTarget | NSO evo3S Gebruikershandleiding
17
ActiveTarget 2
Over ActiveTarget 2
ActiveTarget 2 is de volgende generatie ActiveTarget live sonar, met beelden van hogere
resolutie in één weergave van vislocaties rond uw boot.
Als u twee ActiveTarget 2 systemen (twee sonarmodules en twee transducers) op uw boot
installeert, kunt u ook twee afzonderlijke weergavemodi selecteren die worden getoond als
een gesplitst scherm (twee beelden naast elkaar) of als volledige schermen op twee
afzonderlijke MFD's.
Raadpleeg de ActiveTarget 2 installatiehandleiding voor meer informatie over de
ondersteunde montageconfiguraties.
Wanneer een ActiveTarget 2 transducer en de bijbehorende sonarmodule zijn verbonden
met het Ethernet-netwerk, is de knop ActiveTarget beschikbaar op de startpagina. Als de
functie niet automatisch wordt weergegeven op de startpagina, kunt u deze handmatig
inschakelen in het dialoogvenster Geavanceerde instellingen. Raadpleeg "Functies in- of
uitschakelen" op pagina 23 voor meer informatie.
Installatie van ActiveTarget 2
Na het installeren van ActiveTarget 2-systemen op uw boot, moet u elke transducer
configureren.
Wanneer u de unit voor het eerst start, detecteert het systeem automatisch de transducer(s)
en wordt u gevraagd het systeem te configureren. Selecteer Nu configureren en volg de
stappen in de installatiewizard.
Selecteer het type water waarin u navigeert.
Als er meer dan één ActiveTarget 2 systeem is aangesloten, wordt u gevraagd om hetzelfde
configuratieproces voor de tweede ActiveTarget 2 transducer te doorlopen. Er wordt een
bevestigingsbericht weergegeven wanneer de transducers zijn geconfigureerd.
ActiveTarget 2 | NSO evo3S Gebruikershandleiding
121
Als u het ActiveTarget 2 systeem niet hebt geconfigureerd wanneer het systeem u hierom
vroeg, kunt u het handmatig configureren.
Ga naar Instellingen > Echo > ActiveTarget installatie en configureer de opties in het
dialoogvenster ActiveTarget installatie. Nadat u de configuratie voor de eerste
ActiveTarget 2 transducer hebt voltooid, herhaalt u het installatieproces voor de tweede
ActiveTarget 2 transducer en volgt u dezelfde configuratiestappen.
Bron
Selecteer deze optie om een lijst van bronnen weer te geven die beschikbaar zijn voor
configuratie. De instellingen die u configureert in de rest van het dialoogvenster gelden
alleen voor de geselecteerde bron.
Ú Notitie: Het ActiveTarget platform staat maximaal twee ActiveTarget transducers op een
netwerk toe en deze moeten zich in verschillende configuraties bevinden.
Selectie van ActiveTarget modus
Gebruik deze optie om aan te geven of de transducer moet worden gebruikt in de modus
Auto, Omlaag, Vooruit of Scout.
Notitie: Wanneer u twee ActiveTarget transducers op een netwerk gebruikt, moeten ze
verschillende configuraties hebben. Bij de ene transducer kan de modus bijvoorbeeld
worden ingesteld op de weergave Omlaag en bij de andere op de weergave Vooruit.
Diepte offset
Alle transducers meten de waterdiepte van de transducer tot de bodem. Daardoor zijn de
gemeten waterdiepten exclusief de afstand tussen de transducer en het laagste punt van de
boot in het water of de afstand van de transducer tot het wateroppervlak.
B
A
122
ActiveTarget 2 | NSO evo3S Gebruikershandleiding
• Om de diepte vanaf het laagste punt van het vaartuig tot de bodem weer te geven stelt u
de offset in als de verticale afstand tussen de transducer en het laagste punt van het
vaartuig A (negatieve waarde).
• Om de diepte vanaf het wateroppervlak tot de bodem weer te geven stelt u de offset in
als de verticale afstand tussen de transducer en het wateroppervlak B (positieve waarde)
• Zet de offset op 0 voor de diepte onder de transducer.
Water soort selectie
Selecteer het watertype (zoet water of zout water) waarin u de transducer gebruikt.
Kalibratie watertemperatuur
Temperatuurkalibratie dient om de watertemperatuurwaarde aangegeven door de
transducer aan te passen. Het kan nodig zijn lokale invloeden op de gemeten temperatuur te
corrigeren.
Kalibratiebereik: -9,9° - +9,9°. 0° is standaard.
Hoek offset (grd)
Met de beugels kan de transducer slechts onder één vaste hoek op de arm van de
trollingmotor worden gemonteerd. De beste montagehoek voor de transducer wordt
verkregen wanneer de arm van de trollingmotor loodrecht op de waterlijn staat.
Als de arm van de trollingmotor niet loodrecht op de waterlijn staat, kan de optie voor de
offsethoek in het dialoogvenster LiveSight installatie worden gebruikt om de hoek van de
transducer nauwkeurig af te stellen.
Als de montagehoek van de transducer verkeerd is, kan het beeld onjuist worden
weergegeven.
Koers offset (grd)
Gebruik deze optie om het beeld uit te lijnen met de koerssensor om ervoor te zorgen dat
het optimaal is gepositioneerd ten opzichte van het water en de vaarrichting van het
vaartuig.
De configuratiewizard opnieuw starten
Gebruik deze optie om de configuratiewizard handmatig te starten.
ActiveTarget 2 in een gesplitst scherm bekijken
Als u ActiveTarget 2 in een gesplitst scherm wilt weergeven (twee beelden naast elkaar),
moet er een netwerk met twee ActiveTarget 2 systemen zijn geïnstalleerd.
Selecteer het symbool Nieuwe toevoegen in het favorietenpaneel op de startpagina om
een nieuwe aangepaste pagina te maken.
Sleep in het dialoogvenster Pagina-editor twee exemplaren van de ActiveTarget app naar de
aangepaste pagina. Selecteer in het menu de gewenste Bron en Modus voor elk paneel.
ActiveTarget 2 | NSO evo3S Gebruikershandleiding
123
18
124
LiveSight
LiveSight ondersteuning
LiveSight Forward en LiveSight Down weergaven worden ondersteund. Wanneer u een
LiveSight transducer aansluit op uw systeem en de configuratie van de transducer
configureert, wordt de bijbehorende knop van de LiveSight app weergegeven op de
homepagina.
Ú Notitie: Een PSI-1 module en een LiveSight transducer zijn vereist voor LiveSight
ondersteuning.
LiveSight | NSO evo3S Gebruikershandleiding
19
Stuurautomaat
Veilige bediening met de stuurautomaat
Waarschuwing: Een stuurautomaat is een handig hulpmiddel bij het
navigeren, maar kan een menselijke navigator NIET vervangen.
Ú Notitie: De WheelKey kan worden geconfigureerd als standby-knop. Zie "Configureerbare
WheelKey" op pagina 20.
Gebruik geen automatische besturing:
• Bij druk verkeer of in smalle wateren
• Bij slecht zicht of extreme zeecondities
• Wanneer in het gebied een verbod op het gebruik van stuurautomaten van kracht is
Bij gebruik van een stuurautomaat:
• Plaats geen magnetisch materiaal of apparatuur in de buurt van de koerssensor die door
het stuurautomaatsysteem wordt gebruikt
• Controleer met regelmatige tussenpozen de koers en positie van het vaartuig
• Schakel de stuurautomaat altijd naar standby en verminder tijdig de snelheid om
gevaarlijke situaties te vermijden.
Stuurautomaatalarmen
Om veiligheidsredenen is het raadzaam om alle stuurautomaatalarmen in te schakelen bij
het gebruik van de stuurautomaat.
Ga voor meer informatie naar "Menu Alarms (Alarmen)" op pagina 178.
Actieve stuurautomaat selecteren
Als zowel een stuurautomaat-computer als een trollingmotor is geconfigureerd voor MFDbediening, kan slechts een van de units tegelijk actief zijn.
Knoppen voor beide stuurautomaten worden weergegeven in de systeembalk.
Activeer een stuurautomaat door de desbetreffende knop te selecteren op de menubalk en
selecteer vervolgens de knop Stuurautom. wisselen in de stuurautomaatcontroller.
De stuurautomaatcontroller
A
Bedieningsbalk
C
Stuurautomaatcontroller, ingeschakeld
B
D
E
Stuurautomaatcontroller, uitgeschakeld
Knop Modus
Modusafhankelijke informatie
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
125
F
G
Modusafhankelijke knoppen
Knop Inschakelen/Standby
Inschakelen en uitschakelen van de stuurautomaat
De stuurautomaat inschakelen
• Selecteer de knop Inschakelen om de laatste actieve modus te activeren
• Selecteer de knop Modus om de lijst met beschikbare modi weer te geven en selecteer
vervolgens de gewenste modus
De stuurautomaat wordt ingeschakeld in de geselecteerde modus en de
stuurautomaatcontroller geeft de opties voor de actieve modus weer.
De stuurautomaat uitschakelen.
• Selecteer de knop Standby
Wanneer de stuurautomaat in standby staat, moet u de boot handmatig sturen.
Indicatie stuurautomaat
De statusbalk toont te allen tijde informatie over de stuurautomaat zolang een
stuurautomaatcomputer is aangesloten. U kunt deze verbergen in de stuurautomaatinstellingen wanneer u zich niet in de anker-, navigatie- of stuurautomaatmodus bevindt.
Stuurautomaatmodi
De stuurautomaat heeft verschillende stuurmodi. Het aantal modi en functies binnen een
bepaalde modus is afhankelijk van de stuurautomaatcomputer, het boottype en de
beschikbare ingangen.
Modus Non-Follow-Up (NFU)
In deze modus worden de bakboord- en stuurboordknoppen gebruikt om het roer te
bedienen.
Activeer deze modus door op de bakboord- of stuurboordknop te drukken wanneer de
stuurautomaat zich in standby bevindt.
Follow-Up-besturing (FU)
In deze modus beweegt het roer naar een ingestelde roerhoek. De roerpositie wordt in de
ingestelde hoek gehouden.
De huidige roerhoek aanpassen
• Selecteer de bakboord- of stuurboordknop
126
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Modus Koers vasthouden (A)
In deze modus wordt de boot automatisch volgens een ingestelde koers gestuurd door de
stuurautomaat.
Wanneer de modus wordt geactiveerd, selecteert de stuurautomaat de huidige kompaskoers
als ingestelde koers.
W
Ú Notitie: In deze modus wordt eventuele drift veroorzaakt door stroming en/of wind (W)
niet door de stuurautomaat gecompenseerd.
De ingestelde koers wijzigen
• Selecteer een bakboord- of stuurboordknop
Er vindt direct een wijziging van de vaarrichting plaats. De koers wordt aangehouden totdat
er een nieuwe koers wordt ingesteld.
Waarschuwing: De trollingmotor zal een gevraagde actie blijven
uitvoeren, zelfs als het bedieningsapparaat (afstandsbediening, voetpedaal
of MFD) geen voeding meer krijgt. Actieve schroef-, stuurautomaat- en
navigatiemodi worden niet gestopt wanneer u het bedieningsapparaat
uitschakelt. Zorg er altijd voor dat u weet hoe u de trollingmotor in een
noodgeval kunt stoppen door op de aan/uit-knop van de trollingmotor te
drukken of door de voeding los te koppelen. Zorg er altijd voor dat u weet
hoe u de trollingmotor kunt starten en stoppen met de door u gekozen
bedieningsapparaten.
Overstag gaan in de modus Koers vasthouden
Ú Notitie: Alleen beschikbaar als het boottype is ingesteld op zeilen (configuratie van
stuurautomaat).
Ú Notitie: Overstag wordt alleen voor de wind uitgevoerd en moet worden uitgeprobeerd
op rustige zee bij zwakke wind om te onderzoeken hoe dit werkt op uw vaartuig.
Overstag gaan in de modus Koers vasthouden wijzigt de koers met een vaste koershoek naar
bakboord of stuurboord.
De draaisnelheid tijdens overstag/gijpen wordt ingesteld met de optie Overstagtijd in het
instellingsvenster Stuurautomaat. Zie "Stuurautomaat instellingen" op pagina 133.
Overstag gaan initiëren:
• Selecteer de overstagknop in de moduslijst en selecteer vervolgens de richting waarin de
boot overstag moet gaan.
De modus Geen drift
W
In de modus Geen drift wordt de boot langs een berekende tracklijn vanaf de huidige positie
in een door de gebruiker ingestelde vaarrichting gestuurd.
Wanneer de modus Geen drift is geactiveerd, tekent de stuurautomaat een onzichtbare
track-lijn op basis van de huidige vaarrichting vanuit de positie van het vaartuig. De
stuurautomaat berekent aan de hand van de positiegegevens de koersafwijkingsafstand en
houdt automatisch de berekende track aan.
Ú Notitie: Als de boot van de oorspronkelijke tracklijn afdrijft door stroming en/of wind
(W), volgt het vaartuig de lijn als een krab.
De ingestelde track-lijn wijzigen
• Selecteer een bakboord- of stuurboordknop
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
127
De modus NAV
Waarschuwing: De NAV-modus mag alleen in open water gebruikt
worden. De navigatiemodus mag niet gebruikt worden tijdens het zeilen;
koerswijzigingen kunnen dan resulteren in een ongewenste overstag of gijp.
Voordat u de modus NAV inschakelt, moet u een route navigeren of in de richting van een
waypoint navigeren.
In de NAV-modus kunt u het vaartuig met de stuurautomaat automatisch naar een bepaalde
waypoint-locatie of langs een vooraf gedefinieerde route sturen. De positie-informatie wordt
gebruikt voor het wijzigen van de te varen koers om de boot op de track-lijn naar het
bestemmingswaypoint te houden.
Ú Notitie: Zie "Navigeren" op pagina 46 voor meer informatie over navigatie.
Opties NAV-modus
In de NAV-modus zijn de volgende knoppen beschikbaar in de stuurautomaat-controller:
Opnieuw starten
Start de navigatie opnieuw vanaf de huidige locatie van het vaartuig.
Overslaan
Het actieve routepunt wordt overgeslagen en er wordt koers gezet naar het volgende
routepunt. Deze optie is alleen beschikbaar tijdens het navigeren van een route met meer
dan één punt tussen de positie van het vaartuig en het einde van de route.
Annuleren
Annuleert de actieve navigatie en deselecteert de huidige route of waypoint-navigatie. De
stuurautomaat is overgeschakeld naar de modus Koers vasthouden, waardoor het vaartuig
naar de koers wordt gestuurd die actief was toen de knop Annuleren werd gekozen.
Ú Notitie: Dit wijkt af van het selecteren van Standby, waarbij de huidige navigatie niet
wordt gestopt.
Wenden in de modus NAV
Zodra de boot een waypoint bereikt, geeft de stuurautomaat een dialoogvenster met de
nieuwe koersgegevens weer.
Er is een limiet voor de maximaal toegestane automatische koerswijziging op de route naar
het volgende waypoint:
• Als de vereiste koerswijziging naar het volgende waypoint kleiner is dan de limiet van de
koerswijziging, wijzigt de stuurautomaat de koers automatisch
• Als de vereiste koerswijziging naar het volgende waypoint groter is dan de ingestelde
limiet, wordt u gevraagd te controleren of de nieuwe koerswijziging acceptabel is. Als de
draai niet wordt geaccepteerd, blijft het vaartuig de ingestelde vaarrichting volgen.
De limietinstelling voor de koerswijziging is afhankelijk van de stuurautomaatcomputer.
Raadpleeg de documentatie van de stuurautomaatcomputer.
Wind-modus
Ú Notitie: De modus Wind is alleen beschikbaar als het boottype is ingesteld op Zeilen.
Het is niet mogelijk de modus Wind te activeren als de windinformatie ontbreekt.
In de modus Wind legt de stuurautomaat de huidige windhoek vast als stuurreferentiepunt
en wordt de koers van de boot aangepast om deze windhoek te behouden.
De stuurautomaat houdt het vaartuig op de ingestelde windhoek tot er een nieuwe
windhoek wordt ingesteld.
128
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Waarschuwing: In Wind-modus stuurt de automaat op de schijnbare of
ware windhoek en niet op een kompaskoers. Windveranderingen kunnen
tot gevolg hebben dat het vaartuig op een ongewenst koers komt.
De ingestelde windreferentiehoek wijzigen
• Selecteer een bakboord- of stuurboordknop
• Draai aan de draaiknop terwijl de stuurautomaat actief is
Er vindt een direct een verandering van de windreferentiehoek plaats.
Overstag en gijpen in de wind-modus
De functie overstag/gijpen in de wind-modus spiegelt de ingestelde windhoek in de
tegenovergestelde wendhoek.
De functie overstag/gijpen kan in de wind-modus worden uitgevoerd tijdens het zeilen met
schijnbare of ware wind als referentiepunt. In beide gevallen moet de ware windhoek kleiner
dan 90 graden (overstag) en groter dan 120° (gijpen) zijn.
De draaisnelheid tijdens overstag/gijpen wordt ingesteld met de optie Overstagtijd in het
instellingsvenster Stuurautomaat. Zie "Stuurautomaat instellingen" op pagina 133.
Ga als volgt te werk om overstag gaan of gijpen te initiëren:
• Selecteer de optie Overstag/Gijp in de moduslijst
Wendpatronen
Het systeem bevat een aantal wendpatronen.
Wendpatronen zijn beschikbaar als de stuurautomaat in de modus Auto staat. Het aantal
wendpatronen hangt af van stuurautomaatcomputer.
Ú Notitie: Wendpatronen zijn niet beschikbaar als het boottype is ingesteld op Zeilboot.
Een wending starten
Selecteer de bakboord- of stuurboordopties in het dialoogvenster voor draaien.
Wendvariabelen
Alle wendpatronen, behalve de U-bocht, kunnen worden aangepast voordat u een wending
start of op ieder gewenst moment tijdens het wenden.
U-bocht
Wijzigt de huidige ingestelde koers met 180°. Als de stuurautomaat is geactiveerd, wordt
deze in de automatische modus gezet.
De draaisnelheid is gelijk aan de instelling Draaisnelheid.
C-bocht
Met deze optie gaat de boot in een cirkel varen.
Wendvariabele:
• Stuur snelheid. Door de waarde te verhogen maakt het vaartuig een kleinere cirkel.
Spiraal
Hiermee maakt het vaartuig een spiraalbeweging in een steeds groter of kleiner wordende
radius.
Wendvariabelen:
• Initiële radius
• Wijziging/wending. Als deze waarde is ingesteld op nul, draait de boot in een cirkel.
Negatieve waarden geven een afnemende radius aan; positieve waarden geven een
toenemende radius aan
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
129
Zigzag
Met deze optie zorgt u ervoor dat de boot in een zigzagpatroon gaat varen.
Wendvariabelen:
• Koerswijziging
• Etappeafstand
Vierkant
Stuurt het vaartuig in een vierkant patroon, waarbij koerswendingen van 90° worden
gemaakt.
Wendvariabele:
• Etappeafstand
S-bocht
Met deze optie giert het vaartuig langs de hoofdkoers. Wanneer de stuurautomaat is
geactiveerd, wordt deze in de modus S-bocht gezet.
Wendvariabelen:
• Koerswijziging
• Wendradius
Dieptecontouren volgen
Zorgt dat de stuurautomaat een dieptecontour volgt.
Ú Notitie: DCT wendpatroon is alleen beschikbaar als het systeem een geldige diepteinvoer heeft.
Waarschuwing: Gebruik het DCT wendpatroon alleen als de zeebodem
daarvoor geschikt is. Gebruik de functie niet in onrustig water waarbij de
diepte binnen een klein gebied sterk verschilt.
Ú Notitie: Als er tijdens DCT dieptegegevens verloren gaan, schakelt de stuurautomaat
automatisch over naar de modus Auto.
Aanbevolen wordt om bij gebruik van DCT het alarm AP dieptegegevens ontbreken in te
schakelen. Als dit alarm is geactiveerd, gaat een alarm af als de dieptepeiling tijdens DCT
wegvalt.
DCT-wending starten
• Stuur de boot naar de diepte die u wilt volgen en in de richting van het dieptecontour
• Activeer de automatische modus en selecteer vervolgens Depth Contour Tracking, terwijl
u de dieptepeiling controleert
• Selecteer Bakboord of Stuurboord om het DCT-patroon te starten en de helling van de
bodem aan stuurboordzijde of bakboordzijde te volgen
130
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Bakboordoptie
(diepte neemt af aan bakboordzijde)
Stuurboordoptie
(diepte neemt af aan stuurboordzijde)
Wendvariabelen
• Ref. diepte: dit is de referentiediepte voor de DCT-functie. Als DCT is gestart, leest de
stuurautomaat de huidige diepte en wordt deze diepte ingesteld als de referentiediepte.
De referentiediepte kan worden gewijzigd als de functie actief is
• Diepte gain: deze parameter bepaalt de ratio tussen ingesteld roer en de afwijking van de
geselecteerde dieptecontour. Hoe hoger de Depth gain-waarde, hoe meer roer er
gegeven wordt. Als de waarde te klein is, zal het lang duren voordat het afdrijven van de
ingestelde dieptecontour gecompenseerd wordt, en zal de stuurautomaat de boot niet
op de geselecteerde diepte kunnen houden. Als de waarde te groot is, neemt de
overschrijding toe en wordt de sturing instabiel.
• CCA: de CCA is de hoek die wordt opgeteld bij of afgetrokken van de ingestelde koers.
Met deze parameter kunt u de boot met S-bewegingen rond de referentiediepte laten
gieren. Hoe groter de CCA, hoe meer er gegierd mag worden. Als de CCA is ingesteld op
nul, mag er niet gegierd worden.
Een professioneel stuurautomaatsysteem bedienen
Als het MFD systeem op een professioneel stuurautomaatsysteem is aangesloten, kunt u het
MFD gebruiken om de stuurautomaat te bedienen.
Ú Notitie: U kunt met het MFD geen professioneel stuurautomaatsysteem configureren of
activeren.
Raadpleeg de aparte documentatie van de stuurautomaat voor meer informatie over de het
stuurautomaatsysteem.
Bronnen stuurautomaat
Een professioneel stuurautomaatsysteem heeft eigen brongroepen. Als het MFD gebruikt zal
worden om het professionele stuurautomaatsysteem te bedienen, moet het MFD dezelfde
brongroepen gebruiken als het stuurautomaatsysteem.
Het MFD detecteert een aangesloten professioneel stuurautomaatsysteem en er wordt een
prompt weergegeven met de vraag of het MFD professionele stuurautomaat compatibiliteit
moet inschakelen.
• Ja: Het MFD wordt opnieuw gestart met dezelfde brongroepen als de professionele
stuurautomaat en het MFD kan worden gebruikt om de stuurautomaat te bedienen
• Nee: De MFD behoudt zijn eigen brongroepen. De MFD kan niet worden gebruikt om de
stuurautomaat te bedienen
Als er Nee is geselecteerd, wordt de vraag niet opnieuw gesteld. U kunt deze instelling
wijzigen door Professionele stuurautomaat compatibiliteit te selecteren in het
dialoogvenster Geavanceerde instellingen.
De stuurautomaatcontroller voor de professionele stuurautomaten
De controller voor de professionele stuurautomaat beschikt over extra knoppen en velden.
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
131
A
B
Indicatie voor thruster
Knop werkprofiel
Commando overdragen
Een AP70-/AP80-systeem kan worden opgezet als een mastersysteem of open systeem. Deze
opties regelen het overdragen van het commando tussen bedieningseenheden in het
stuurautomaatsysteem. Raadpleeg de bedieningshandleiding van de AP70/80 voor meer
informatie.
Het aanvragen en uitvoeren van de overdracht van het commando is afhankelijk van de
systeeminstellingen en de status van de stuurautomaatcontroller, zoals hieronder wordt
weergegeven.
A
Passieve eenheid - open systeem: commando aanvragen door de toets Besturing
overnemen te selecteren
• Het commando wordt onmiddellijk overgedragen
B
Ontgrendelde eenheid: vergrendel/ontgrendel andere eenheden door het
informatieveld te selecteren
C
Vergrendelde eenheid: commando aanvragen door de knop Besturing
overnemen te selecteren
• Er wordt een verzoek naar de unit gestuurd die het commando heeft
D
Unit met het commando: Verzoek voor overdracht van commando bevestigen
• Het commando wordt overgedragen wanneer de aanvrager de overname
bevestigt
Thrusters in-/uitschakelen
Als er een thruster beschikbaar is voor stuurautomaatbediening, wordt de knop Thruster
weergegeven in de besturingsbalk van de stuurautomaat. De knop heeft de volgende
indicaties en functies:
Thruster beschikbaar, maar uitgeschakeld.
• Selecteer deze optie om de thruster in te schakelen
132
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Thruster in gebruik. Rode en groene pijlen geven de
voortstuwingsrichting aan.
• Selecteer deze optie om de thruster uit te schakelen
Thruster beschikbaar, maar momenteel beperkt vanwege hoge snelheid.
• Verlaag de snelheid van het vaartuig om de thruster in te schakelen
Een werkprofiel selecteren
De AP70/AP80 ondersteunt meerdere werkprofielen met verschillende
stuurautomaatinstellingen. In het MFD wordt het actieve werkprofiel weergegeven in de
stuurautomaatcontroller.
De knop Werkprofiel is beschikbaar in de controller van de stuurautomaat of in het
moduspaneel van de controller van de stuurautomaat, afhankelijk van de grootte van het
MFD-scherm.
Het werkprofiel selecteren:
• Selecteer de knop Werkprofiel om de lijst met beschikbare werkprofielen weer te geven
en selecteer vervolgens het gewenste werkprofiel
Stuurautomaat instellingen
Het instellingenvenster Stuurautomaat is afhankelijk van welke stuurautomaatcomputer op
het systeem is aangesloten. Als er meer dan één stuurautomaat is aangesloten, toont het
instellingenvenster Stuurautomaat de opties voor de actieve stuurautomaat.
De instellingen worden opgegeven tijdens de inbedrijfstelling van de stuurautomaat. Wees
voorzichtig met het wijzigen van de instellingen als de stuurautomaat al in gebruik is
genomen.
Algemene gebruikersinstellingen
De volgende gebruikersinstellingen gelden voor alle stuurautomaten.
Kaartkompas
Selecteer om een kompassymbool rond uw boot weer te geven op het kaartpaneel. Het
kompassymbool wordt niet weergegeven als de cursor actief is op het paneel.
NAC-1 specifieke gebruikersinstellingen
Stuurreactie
Hiermee verhoogt of verlaagt u de stuurgevoeligheid. Een laag reactieniveau zorgt voor
minder roerbewegingen en een iets lossere besturing. Een hoog reactieniveau zorgt voor
meer roerbewegingen en een iets strakkere besturing. Een te hoog reactieniveau zorgt dat
de boot S-bewegingen gaat maken.
NAC-2/NAC-3 specifieke gebruikersinstellingen
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
133
Stuurautomaat
Schakelt de weergave over naar de laatste actieve pagina met de stuurautomaatcontroller
geopend.
Sturen
Met deze opties is het mogelijk om de parameters voor lage en hoge snelheid die tijdens de
ingebruikname van de stuurautomaat zijn ingesteld, handmatig te wijzigen. Raadpleeg de
documentatie van de stuurautomaatcomputer voor meer informatie.
Het selecteren van de optie voor lage snelheid of de optie voor hoge snelheid opent
dialoogvensters waarin de volgende parameters kunnen worden gewijzigd.
• Wendsnelheid: Gewenste wendsnelheid in graden per minuut.
• Roerversterking: Deze parameter bepaalt de verhouding tussen de opgegeven roerhoek
en de fout in de vaarrichting. Hoe hoger deze waarde, hoe meer roer er wordt gebruikt.
Als de waarde te laag is, duurt het lang om een koersfout te compenseren en kan de
stuurautomaat geen stabiele koers aanhouden. Als de waarde te groot is, neemt de
overschrijding toe en wordt de sturing instabiel.
• Tegenroer: De verhouding tussen wijziging in koersfout en roerkracht. Een hoger
tegenroer zorgt ervoor dat de roerkracht bij het naderen van de ingestelde koers sneller
afneemt.
• Autotrim: Bepaalt hoe snel de stuurautomaat het roer wendt om een constante
koersafwijking te compenseren, bijvoorbeeld wanneer externe krachten zoals wind of
stroming een koersafwijking veroorzaken. Hoe lager de automatische koerscorrectie, hoe
sneller een constante koers offset wordt gelimiteerd.
Ú Notitie: In VRF modus regelt deze parameter de tijdconstante van de roerschatting. Bij
een lagere waarde maakt het roer een snellere schatting en wordt het roer sneller
afgestemd op de bewegingen van de boot.
• Roer init: Bepaalt hoe het roer door het systeem wordt bediend wanneer wordt
overgeschakeld van handmatige besturing naar automatische besturing.
- Roer limiet: Bepaalt de maximale roeruitslag in graden vanuit de midscheepse positie
in de automatische modus. De instelling voor de roerlimiet is alleen actief tijdens de
automatische besturing op rechte koersen en niet tijdens koerswijzigingen. De
roerlimiet is niet van invloed op de follow-up-besturing of non-follow-up-besturing.
- Uit-koers limiet: Hiermee stelt u het alarm voor de limiet voor de afwijking van de
vaarrichting in. Er klinkt een alarm wanneer de werkelijke vaarrichting meer dan de
ingestelde limiet afwijkt van de ingestelde vaarrichting.
• Roer limiet: Bepaalt de maximale roeruitslag in graden vanuit de midscheepse positie in
de automatische modus. De instelling voor de roerlimiet is alleen actief tijdens de
automatische besturing op rechte koersen en niet tijdens koerswijzigingen. De roerlimiet
is niet van invloed op de follow-up-besturing of non-follow-up-besturing.
• Uit-koers limiet: Hiermee stelt u het alarm voor de limiet voor de afwijking van de
vaarrichting in. Er klinkt een alarm wanneer de werkelijke vaarrichting meer dan de
ingestelde limiet afwijkt van de ingestelde vaarrichting.
• Track reactie: Bepaalt hoe snel de stuurautomaat reageert na registratie van een
crosstrack-afstand.
• Track naderingshoek: Bepaalt de hoek wanneer het vaartuig een etappe nadert. Deze
instelling wordt zowel gebruikt wanneer u begint met navigeren als wanneer u de trackoffset gebruikt.
• Hoek koerswijziging bevestigen: Bepaalt de limieten voor de koerswijziging naar het
volgende waypoint in de route. Als de vereiste koerswijziging groter is dan de ingestelde
limiet, wordt u gevraagd te bevestigen dat de aankomende koerswijziging acceptabel is.
Zeilen
Ú Notitie: De parameterinstellingen voor Zeilen zijn alleen beschikbaar als het boottype is
ingesteld op Zeilen.
Met deze optie is het mogelijk om de parameters die tijdens de ingebruikname van de
stuurautomaat zijn ingesteld te wijzigen. Raadpleeg de documentatie van de stuurautomaat
voor meer informatie over de instellingen.
134
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
• Overstagtijd: Regelt de snelheid van de draai (overstagtijd) in de modus Wind.
• Overstaghoek: Regelt de hoek van de draai tussen 50º - 150º in de modus Koers
vasthouden.
• Windfunctie: Selecteer welke windfunctie door de stuurautomaat in de modus Wind
wordt gebruikt.
- Auto:
Als TWA is <70º: Wind-modus gebruikt AWA.
Als TWA is ≥ 70º: Wind-modus gebruikt TWA.
- Schijnbaar
- Waar
• Handmatige snelheid: Indien er geen (betrouwbare) gegevens voor de bootsnelheid of
SOG-gegevens beschikbaar zijn, kan een handmatige waarde als snelheidsbron worden
ingevoerd en ter beschikking worden gesteld aan de stuurautomaat ter ondersteuning
van de stuurberekeningen.
AC70/AC80 specifieke gebruikersinstellingen
De AC70/AC80 computers hebben geen specifieke gebruikersinstellingen op het MFD.
Ú Notitie: U kunt met het MFD geen AP70/AP80 systeem configureren of activeren.
Raadpleeg de documentatie van de stuurautomaatcomputer voor meer informatie.
SteadySteer
Met de SteadySteer-functie kunt u instellen hoe de stuurautomaat reageert op handmatige
besturing.
Indien ingeschakeld:
• De handmatige besturing onderdrukt de actieve modus.
• Als de Auto-modus of de Geen drift-modus actief was voordat de handmatige besturing
werd geactiveerd, worden deze automatisch opnieuw ingeschakeld wanneer het vaartuig
zich heeft gestabiliseerd op een nieuwe koers.
• Als de NAV-modus actief was voordat de handmatige besturing werd ingeschakeld,
verschijnt er een dialoogvenster.
- Bevestig de koerswijziging om de NAV-modus opnieuw te activeren.
- Annuleer de koerswijziging om de Auto-modus op de nieuwe koers te activeren.
- Als geen actie wordt ondernomen, schakelt de stuurautomaat over naar de Standbymodus.
• Voor alle andere modi schakelt de stuurautomaat over naar de Standby-modus.
Indien uitgeschakeld:
• De handmatige besturing onderdrukt de actieve modus.
• Onafhankelijk van de modi schakelt de stuurautomaat over naar de Standby-modus.
Raadpleeg de documentatie van uw stuurautomaatcomputer voor meer informatie en hoe u
de functie kunt in- en uitschakelen.
Stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
135
20
Stuurautomaat trollingmotor
Veilige bediening met de stuurautomaat
Waarschuwing: Een stuurautomaat is een handig hulpmiddel bij het
navigeren, maar kan een menselijke navigator NIET vervangen.
Ú Notitie: De WheelKey kan worden geconfigureerd als standby-knop. Zie "Configureerbare
WheelKey" op pagina 20.
Gebruik geen automatische besturing:
• Bij druk verkeer of in smalle wateren
• Bij slecht zicht of extreme zeecondities
• Wanneer in het gebied een verbod op het gebruik van stuurautomaten van kracht is
Bij gebruik van een stuurautomaat:
• Plaats geen magnetisch materiaal of apparatuur in de buurt van de koerssensor die door
het stuurautomaatsysteem wordt gebruikt
• Controleer met regelmatige tussenpozen de koers en positie van het vaartuig
• Schakel de stuurautomaat altijd naar standby en verminder tijdig de snelheid om
gevaarlijke situaties te vermijden.
Stuurautomaatalarmen
Om veiligheidsredenen is het raadzaam om alle stuurautomaatalarmen in te schakelen bij
het gebruik van de stuurautomaat.
Ga voor meer informatie naar "Menu Alarms (Alarmen)" op pagina 178.
Actieve stuurautomaat selecteren
Als zowel een stuurautomaat-computer als een trollingmotor is geconfigureerd voor MFDbediening, kan slechts een van de units tegelijk actief zijn.
Knoppen voor beide stuurautomaten worden weergegeven in de systeembalk.
Activeer een stuurautomaat door de desbetreffende knop te selecteren op de menubalk en
selecteer vervolgens de knop Stuurautom. wisselen in de stuurautomaatcontroller.
De stuurautomaatcontroller voor de trollingmotor
A
Bedieningsbalk
C
Stuurautomaatcontroller, ingeschakeld
B
D
E
F
G
136
Stuurautomaatcontroller, uitgeschakeld
Knop Modus
Modusafhankelijke informatie
Modusafhankelijke knoppen
Knop Inschakelen/Standby
Stuurautomaat trollingmotor | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Wanneer de stuurautomaat-controller het actieve paneel is, ziet u een rand rond het paneel.
Inschakelen en uitschakelen van de stuurautomaat
De stuurautomaat inschakelen
• Selecteer de knop Inschakelen om de laatste actieve modus te activeren
• Selecteer de knop Modus om de lijst met beschikbare modi weer te geven en selecteer
vervolgens de gewenste modus
De stuurautomaat wordt ingeschakeld in de geselecteerde modus en de
stuurautomaatcontroller geeft de opties voor de actieve modus weer.
De stuurautomaat uitschakelen.
• Selecteer de knop Standby
Wanneer de stuurautomaat in standby staat, moet u de boot handmatig sturen.
Indicatie stuurautomaat
De statusbalk toont te allen tijde informatie over de stuurautomaat zolang een
stuurautomaatcomputer is aangesloten. U kunt deze verbergen in de stuurautomaatinstellingen wanneer u zich niet in de anker-, navigatie- of stuurautomaatmodus bevindt.
Stuurautomaatmodi
De stuurautomaat heeft verschillende stuurmodi.
Ankermodi
In deze modi houdt de trollingmotor het vaartuig op de geselecteerde locatie.
Ú Notitie: In de ankermodus kan de oriëntatie van uw vaartuig worden beïnvloed door
wind of stromingen.
De volgende ankeropties zijn beschikbaar:
Cursor
Navigeert naar de cursorpositie en houdt het vaartuig op die positie.
Waypoint
Navigeert naar het geselecteerde waypoint en houdt het vaartuig op die positie.
Hier
Houdt het vaartuig op de huidige positie.
De ankerpositie wijzigen (Ankerjog)
Gebruik de pijlknoppen om de positie van het vaartuig te wijzigen wanneer u in de
ankermodus bent. Met elke druk op de knop wordt de ankerpositie 1,5 m (5 ft) in de gekozen
richting verplaatst.
Stuurautomaat trollingmotor | NSO evo3S Gebruikershandleiding
137
Modus Koers vastzetten
De modus Koers vastzetten handhaaft automatisch de koers op basis van de richting van de
onderste unit. Wanneer u de modus Koers vastzetten start, tekent de trollingmotor een
onzichtbare track (A) op basis van de richting van de onderste unit.
Ú Notitie: In de modus Koers vastzetten kan wind en/of stroom ertoe leiden dat het schip
de koers volgt in een krabbeweging.
Koers vastzetten-modus
Wanneer Koers vastzetten is geselecteerd als de standaard stuurautomaatmodus op de
trollingmotor, wordt Koers vastzetten weergegeven op de bovenste statusbalk.
De modus Koers vastzetten handhaaft automatisch de koers van het vaartuig op basis van de
richting van de onderste unit.
Druk op de toets voor bakboord < of stuurboord > om het om de koers aan te passen.
Er vindt een directe koerswijziging plaats en deze wordt gehandhaafd totdat er een nieuwe
koers wordt ingesteld.
.
Ú Notitie: In de modus Vaarrichting vastzetten wordt eventuele drift die wordt veroorzaakt
door de stroming en/of wind (C) niet door de trollingmotor gecompenseerd.
De modus NAV
Waarschuwing: De NAV-modus mag alleen in open water gebruikt
worden.
Als u de NAV-modus wilt activeren, moet u eerst een opdracht starten om een route te
navigeren, naar een waypoint te gaan of naar de cursorlocatie te gaan.
In de NAV-modus kunt u het vaartuig met de stuurautomaat automatisch naar een bepaalde
waypoint, cursorlocatie of langs een vooraf gedefinieerde route sturen. De informatie over de
GPS-positie wordt gebruikt om de koers te wijzigen, om te sturen om het vaartuig op de
track-lijn te houden en om het vaartuig naar het bestemmingspunt te leiden.
Bij aankomst op de bestemming of aan het einde van een route schakelt de stuurautomaat
over naar de geselecteerde aankomstmodus. Het is belangrijk om een aankomstmodus te
kiezen die past bij uw navigatiebehoeften voordat NAV-modus wordt geactiveerd. Zie
"Aankomstmodus" op pagina 141.
138
Stuurautomaat trollingmotor | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Opties NAV-modus
In de NAV-modus zijn de volgende knoppen beschikbaar in de stuurautomaat-controller:
Opnieuw starten
Start de navigatie opnieuw vanaf de huidige locatie van het vaartuig.
Overslaan
Het actieve routepunt wordt overgeslagen en er wordt koers gezet naar het volgende
routepunt. Deze optie is alleen beschikbaar tijdens het navigeren van een route met meer
dan één punt tussen de positie van het vaartuig en het einde van de route.
Snelheidsregeling trollingmotor
Bij de modus Koers vergrendelen, NAV-modus en Sturen met wendpatroon kan het
stuurautomaatsysteem de snelheid van de trollingmotor regelen.
De ingestelde doelsnelheid wordt weergegeven in de stuurautomaatcontroller.
Er zijn twee manieren om de doelsnelheid van de trollingmotor te regelen:
• Propellorsnelheid, ingesteld als een percentage van het vermogen (A)
• Kruissnelheid (B)
U kunt wisselen tussen de opties door het snelheidspictogram te selecteren.
De snelheid wordt in vooraf ingestelde stappen verhoogd/verlaagd met de plus- en
minknoppen. De snelheid kan ook handmatig worden ingesteld door het veld snelheid (C) te
selecteren.
Sturen met wendpatroon
Het systeem bevat een aantal automatische wendpatronen.
Als u een wendpatroon activeert, maakt het systeem tijdelijke waypoints voor de wending.
Het laatste waypoint van de wending is het eindwaypoint. Als het vaartuig het eindwaypoint
heeft bereikt, wordt het in aankomstmodus geschakeld. Zie "Aankomstmodus" op pagina 141.
Een wending starten
• Druk op de toets voor bakboord < of stuurboord > om het om de koers aan te passen.
Wendvariabelen
De wendpatronen hebben instellingen die u kunt aanpassen voordat u een wending start, of
op elk gewenst moment wanneer de boot aan het wenden is.
U-bocht
Wijzigt de huidige ingestelde koers met 180°.
Stuurautomaat trollingmotor | NSO evo3S Gebruikershandleiding
139
Wendvariabele:
• Wendradius
C-bocht
Met deze optie gaat de boot in een cirkel varen.
Wendvariabele:
• Wendradius
• Aantal graden om te draaien
Spiraal
Hiermee maakt het vaartuig een spiraalbeweging in een steeds groter of kleiner wordende
radius.
Wendvariabelen:
• Initiële radius
• Radiusverandering per lus
• Aantal lussen
Zigzag
Met deze optie zorgt u ervoor dat de boot in een zigzagpatroon gaat varen.
Wendvariabelen:
• Koersverandering per etappe
• Etappeafstand
• Aantal etappes
Vierkant
Stuurt het vaartuig in een vierkant patroon, waarbij koerswendingen van 90° worden
gemaakt.
Wendvariabele:
• Etappeafstand
• Aantal etappes
S-bocht
Met deze optie giert het vaartuig langs de hoofdkoers.
Wendvariabelen:
• Wendradius
• Koerswijziging
• Aantal etappes
Een track opnemen en opslaan
Een track kan vanuit de stuurautomaatcontroller worden opgeslagen als een route. Als het
opnemen van tracks is uitgeschakeld, kan de functie worden ingeschakeld vanaf de
stuurautomaatcontroller.
Ga voor meer informatie naar "Waypoints, routes en tracks" op pagina 40.
Richting van onderste unit
U kunt de richting van de onderste unit van de trollingmotor bekijken op de gegevensbalk
(A).
Als u de richting van de onderste unit wilt weergeven, drukt u op Menu > Balk 1 of Balk 2
> Trollen > Richting onderste unit.
140
Stuurautomaat trollingmotor | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Stuurautomaat instellingen
De beschikbare opties in het dialoogvenster met instellingen voor de stuurautomaat kunnen
variëren.
Kaartkompas
Selecteer om een kompassymbool rond uw boot weer te geven op het kaartpaneel. Het
kompassymbool wordt niet weergegeven als de cursor actief is op het paneel.
Actieve stuurautomaat selecteren
Hiermee selecteert u of de stuurautomaatcontroller de trollingmotor of de
buitenboordmotor(en) bedient.
Stuurautomaatbalk automatisch verbergen
Bepaalt of de gegevensbalk van de stuurautomaat wordt getoond wanneer de
stuurautomaat is ingesteld op Standby.
Aankomstmodus
De stuurautomaat schakelt van de navigatiemodus naar de geselecteerde aankomstmodus
wanneer het vaartuig de bestemming bereikt.
Stuurautomaat trollingmotor | NSO evo3S Gebruikershandleiding
141
Standby
De stuurautomaat wordt uitgeschakeld. De trollingmotor wordt bediend met een handheld
afstandsbediening of met een voetpedaal.
Koers vergrendelen
Vergrendelt de koers en stuurt het vaartuig automatisch langs de koerslijn.
Koers vastzetten
In deze modus wordt de laatste koers van het vaartuig vergrendeld en aangehouden.
Anker
Ankert het vaartuig op de plaats van bestemming.
Ankerpunten instellen
De trollingmotor kan een aantal ankerpunten opslaan, gemarkeerd met het voorvoegsel
MTG (MotorGuide trollingmotoren). Ankerpunten in de trollingmotor worden weergegeven
in het dialoogvenster Ankerpunt.
Deze MTG-ankerpunten worden als waypoint opgeslagen in het MFD-systeem. De positie
van een MTG-ankerpunt kan opnieuw worden ingesteld op een bestaand waypoint of op de
huidige positie van het vaartuig.
Opbergrichting
Hiermee stelt u de richting van de onderste unit in wanneer de trollingmotor wordt
opgeborgen.
Standaard is de opbergrichting ingesteld op Auto op Ghost trollingmotoren en Prop-out
op Recon trollingmotoren.
Ú Notitie: Deze functie is alleen beschikbaar bij Lowrance/Simrad® GPS-trollingmotoren.
Waarschuwing: Als er accessoires zoals transducers zijn geïnstalleerd, stelt
u de opbergrichting in om te voorkomen dat accessoires in contact komen
met de steun van de trollingmotor.
Auto / Uit
In de stand Auto van de Ghost trollingmotor draait de unit automatisch de onderste unit
richting de dichtstbijzijnde opbergpositie tijdens het opbergen.
Als de Recon trollingmotor op Uit staat, moet de onderste unit handmatig in de juiste positie
worden opgeborgen om schade te voorkomen, d.w.z. plat tegen de houder met de schroef
naar buiten of de schroef naar binnen.
Prop-uit
De schroef bevindt zich aan de bakboordzijde van de steun wanneer de trollingmotor wordt
opgeborgen.
142
Stuurautomaat trollingmotor | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Prop-in
De schroef bevindt zich aan de stuurboordzijde van de steun wanneer de trollingmotor
wordt opgeborgen.
Schaal boot
Gebruik de schaal van de boot om de responsiviteit van de trollingmotor aan te passen.
Selecteer een hoger getal voor een grote boot en een lager getal voor een kleinere boot.
Waarschuwingen en diagnose
De MFD kan waarschuwingen en diagnostische informatie over de trollingmotor weergeven.
Als u waarschuwingen wilt inschakelen, gaat u naar Instellingen > Stuurautomaat >
Waarschuwingen voor trollingmotor weergeven.
Ú Notitie: Deze functie is alleen beschikbaar bij Lowrance/Simrad® GPS-trollingmotoren.
Typen meldingen
• Controlemeldingen zijn geel (A)
• Servicemeldingen zijn rood (B)
Selecteer Meer info om een QR-code® weer te geven en scan deze vervolgens met uw
mobiele Lowrance of Simrad® app voor meer informatie.
Selecteer Bevestigen om de waarschuwing te bevestigen.
De knoppen van het voetpedaal van de Ghost trollingmotor configureren
Hiermee kunt u drie van de actieknoppen op het voetpedaal van de Ghost trollingmotor
configureren. Selecteer een actie in de vervolgkeuzelijst voor elk van de knoppen die u wilt
configureren.
Stuurautomaat trollingmotor | NSO evo3S Gebruikershandleiding
143
Knoppen van het geavanceerde draadloze voetpedaal configureren
Hiermee kunt u maximaal zes actieknoppen op het geavanceerde draadloze voetpedaal
configureren. Selecteer eerst het voetpedaal dat u wilt configureren en selecteer vervolgens
een actie in de vervolgkeuzelijst voor elk van de knoppen die u wilt configureren.
Selecteer Opslaan wanneer u klaar bent met de configuratiewijzigingen.
Ú Notitie: Er kunnen maximaal acht apparaten worden gekoppeld en er kunnen vijf
apparaten tegelijkertijd worden verbonden met de trollingmotor. Volg de instructies
voor het koppelen/ontkoppelen in de handleiding van de trollingmotor.
De knoppen van de FreeSteer joystickafstandsbediening configureren
Gebruik dit om twee van de actieknoppen op de FreeSteer joystickafstandsbediening te
configureren.
144
Stuurautomaat trollingmotor | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Selecteer eerst de afstandsbediening die u wilt configureren en selecteer vervolgens een
actie in de vervolgkeuzelijst voor elk van de knoppen die u wilt configureren. Elke toets heeft
twee functies: een voor kort indrukken en een voor lang indrukken.
Selecteer Opslaan wanneer u klaar bent met de configuratie.
Ú Notitie: Er kunnen maximaal acht apparaten worden gekoppeld en er kunnen vijf
apparaten tegelijkertijd worden verbonden met de trollingmotor. Volg de instructies
voor het koppelen/ontkoppelen in de handleiding van de trollingmotor.
Ondersteuning van Rhodan trollingmotor
If a Rhodan trolling motor is connected to the NMEA 2000® network, the trolling motor is
supported and can be controlled from the MFD. For more information about this trolling
motor, refer to Rhodan.
The trolling motor controls described in the operator manual are applicable to the Rhodan
trolling motor.
Stuurautomaat trollingmotor | NSO evo3S Gebruikershandleiding
145
21
Buitenboord stuurautomaat
Veilige bediening met de stuurautomaat
Waarschuwing: Een stuurautomaat is een handig hulpmiddel bij het
navigeren, maar kan een menselijke navigator NIET vervangen.
Ú Notitie: De WheelKey kan worden geconfigureerd als standby-knop. Zie "Configureerbare
WheelKey" op pagina 20.
Gebruik geen automatische besturing:
• Bij druk verkeer of in smalle wateren
• Bij slecht zicht of extreme zeecondities
• Wanneer in het gebied een verbod op het gebruik van stuurautomaten van kracht is
Bij gebruik van een stuurautomaat:
• Plaats geen magnetisch materiaal of apparatuur in de buurt van de koerssensor die door
het stuurautomaatsysteem wordt gebruikt
• Controleer met regelmatige tussenpozen de koers en positie van het vaartuig
• Schakel de stuurautomaat altijd naar standby en verminder tijdig de snelheid om
gevaarlijke situaties te vermijden.
Stuurautomaatalarmen
Om veiligheidsredenen is het raadzaam om alle stuurautomaatalarmen in te schakelen bij
het gebruik van de stuurautomaat.
Ga voor meer informatie naar "Menu Alarms (Alarmen)" op pagina 178.
Actieve stuurautomaat selecteren
Als zowel een stuurautomaat-computer als een trollingmotor is geconfigureerd voor MFDbediening, kan slechts een van de units tegelijk actief zijn.
Knoppen voor beide stuurautomaten worden weergegeven in de systeembalk.
Activeer een stuurautomaat door de desbetreffende knop te selecteren op de menubalk en
selecteer vervolgens de knop Stuurautom. wisselen in de stuurautomaatcontroller.
146
Buitenboord stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
De stuurautomaatcontroller voor de buitenboordmotoren
A
Bedieningsbalk
C
Stuurautomaatcontroller, ingeschakeld
B
D
E
F
G
H
Stuurautomaatcontroller, uitgeschakeld
Modusindicatie
Modusknoppen
Knop Bochten
Modusafhankelijke knoppen
Knop Standby
Wanneer de stuurautomaat-controller het actieve paneel is, ziet u een rand rond het paneel.
Inschakelen en uitschakelen van de stuurautomaat
De stuurautomaat inschakelen
• Selecteer de knop Inschakelen om de laatste actieve modus te activeren
• Selecteer de knop Modus om de lijst met beschikbare modi weer te geven en selecteer
vervolgens de gewenste modus
De stuurautomaat wordt ingeschakeld in de geselecteerde modus en de
stuurautomaatcontroller geeft de opties voor de actieve modus weer.
De stuurautomaat uitschakelen.
• Selecteer de knop Standby
Wanneer de stuurautomaat in standby staat, moet u de boot handmatig sturen.
Buitenboord stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
147
Indicatie stuurautomaat
De statusbalk toont te allen tijde informatie over de stuurautomaat zolang een
stuurautomaatcomputer is aangesloten. U kunt deze verbergen in de stuurautomaatinstellingen wanneer u zich niet in de anker-, navigatie- of stuurautomaatmodus bevindt.
Stuurautomaatmodi
De stuurautomaat heeft verschillende stuurmodi. Het aantal modi en functies binnen een
bepaalde modus is afhankelijk van de stuurautomaatcomputer, het boottype en de
beschikbare ingangen.
Modus Non-Follow-Up (NFU)
In deze modus worden de bakboord- en stuurboordknoppen gebruikt om het roer te
bedienen.
Activeer deze modus door op de bakboord- of stuurboordknop te drukken wanneer de
stuurautomaat zich in standby bevindt.
De roerstand wijzigen
• Selecteer een bakboord- of stuurboord-knop.
Het roer beweegt zolang u de knop ingedrukt houdt.
Modus Koers vasthouden (A)
In deze modus wordt de boot automatisch volgens een ingestelde koers gestuurd door de
stuurautomaat.
Wanneer de modus wordt geactiveerd, selecteert de stuurautomaat de huidige kompaskoers
als ingestelde koers.
W
Ú Notitie: In deze modus wordt eventuele drift veroorzaakt door stroming en/of wind (W)
niet door de stuurautomaat gecompenseerd.
De ingestelde koers wijzigen
• Selecteer een bakboord- of stuurboordknop
Er vindt direct een wijziging van de vaarrichting plaats. De koers wordt aangehouden totdat
er een nieuwe koers wordt ingesteld.
Waarschuwing: De trollingmotor zal een gevraagde actie blijven
uitvoeren, zelfs als het bedieningsapparaat (afstandsbediening, voetpedaal
of MFD) geen voeding meer krijgt. Actieve schroef-, stuurautomaat- en
navigatiemodi worden niet gestopt wanneer u het bedieningsapparaat
uitschakelt. Zorg er altijd voor dat u weet hoe u de trollingmotor in een
noodgeval kunt stoppen door op de aan/uit-knop van de trollingmotor te
drukken of door de voeding los te koppelen. Zorg er altijd voor dat u weet
hoe u de trollingmotor kunt starten en stoppen met de door u gekozen
bedieningsapparaten.
148
Buitenboord stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
De modus Geen drift
W
In de modus Geen drift wordt de boot langs een berekende tracklijn vanaf de huidige positie
in een door de gebruiker ingestelde vaarrichting gestuurd.
Wanneer de modus Geen drift is geactiveerd, tekent de stuurautomaat een onzichtbare
track-lijn op basis van de huidige vaarrichting vanuit de positie van het vaartuig. De
stuurautomaat berekent aan de hand van de positiegegevens de koersafwijkingsafstand en
houdt automatisch de berekende track aan.
Ú Notitie: Als de boot van de oorspronkelijke tracklijn afdrijft door stroming en/of wind
(W), volgt het vaartuig de lijn als een krab.
De ingestelde track-lijn wijzigen
• Selecteer een bakboord- of stuurboordknop
De modus NAV
Waarschuwing: De NAV-modus mag alleen in open water gebruikt
worden. De navigatiemodus mag niet gebruikt worden tijdens het zeilen;
koerswijzigingen kunnen dan resulteren in een ongewenste overstag of gijp.
Voordat u de modus NAV inschakelt, moet u een route navigeren of in de richting van een
waypoint navigeren.
In de NAV-modus kunt u het vaartuig met de stuurautomaat automatisch naar een bepaalde
waypoint-locatie of langs een vooraf gedefinieerde route sturen. De positie-informatie wordt
gebruikt voor het wijzigen van de te varen koers om de boot op de track-lijn naar het
bestemmingswaypoint te houden.
Ú Notitie: Zie "Navigeren" op pagina 46 voor meer informatie over navigatie.
Opties NAV-modus
In de NAV-modus zijn de volgende knoppen beschikbaar in de stuurautomaat-controller:
Opnieuw starten
Start de navigatie opnieuw vanaf de huidige locatie van het vaartuig.
Overslaan
Het actieve routepunt wordt overgeslagen en er wordt koers gezet naar het volgende
routepunt. Deze optie is alleen beschikbaar tijdens het navigeren van een route met meer
dan één punt tussen de positie van het vaartuig en het einde van de route.
Annuleren
Annuleert de actieve navigatie en deselecteert de huidige route of waypoint-navigatie. De
stuurautomaat is overgeschakeld naar de modus Koers vasthouden, waardoor het vaartuig
naar de koers wordt gestuurd die actief was toen de knop Annuleren werd gekozen.
Ú Notitie: Dit wijkt af van het selecteren van Standby, waarbij de huidige navigatie niet
wordt gestopt.
Wenden in de modus NAV
Zodra de boot een waypoint bereikt, geeft de stuurautomaat een dialoogvenster met de
nieuwe koersgegevens weer.
Er is een limiet voor de maximaal toegestane automatische koerswijziging op de route naar
het volgende waypoint:
• Als de vereiste koerswijziging naar het volgende waypoint kleiner is dan de limiet van de
koerswijziging, wijzigt de stuurautomaat de koers automatisch
Buitenboord stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
149
• Als de vereiste koerswijziging naar het volgende waypoint groter is dan de ingestelde
limiet, wordt u gevraagd te controleren of de nieuwe koerswijziging acceptabel is. Als de
draai niet wordt geaccepteerd, blijft het vaartuig de ingestelde vaarrichting volgen.
De limietinstelling voor de koerswijziging is afhankelijk van de stuurautomaatcomputer.
Raadpleeg de documentatie van de stuurautomaatcomputer.
Wendpatronen
Het systeem bevat een aantal wendpatronen.
Wendpatronen zijn beschikbaar als de stuurautomaat in de modus Auto staat. Het aantal
wendpatronen hangt af van stuurautomaatcomputer.
Ú Notitie: Wendpatronen zijn niet beschikbaar als het boottype is ingesteld op Zeilboot.
Een wending starten
• Selecteer de bakboord- of stuurboordknop
Wendvariabelen
Alle wendpatronen, behalve de U-bocht, kunnen worden aangepast voordat u een wending
start of op ieder gewenst moment tijdens het wenden.
U-bocht
Wijzigt de huidige ingestelde koers met 180°. Als de stuurautomaat is geactiveerd, wordt
deze in de automatische modus gezet.
De draaisnelheid is gelijk aan de instelling Draaisnelheid.
C-bocht
Met deze optie gaat de boot in een cirkel varen.
Wendvariabele:
• Stuur snelheid. Door de waarde te verhogen maakt het vaartuig een kleinere cirkel.
Spiraal
Hiermee maakt het vaartuig een spiraalbeweging in een steeds groter of kleiner wordende
radius.
Wendvariabelen:
• Initiële radius
• Wijziging/wending. Als deze waarde is ingesteld op nul, draait de boot in een cirkel.
Negatieve waarden geven een afnemende radius aan; positieve waarden geven een
toenemende radius aan
Zigzag
Met deze optie zorgt u ervoor dat de boot in een zigzagpatroon gaat varen.
Wendvariabelen:
• Koerswijziging
150
Buitenboord stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
• Etappeafstand
Vierkant
Stuurt het vaartuig in een vierkant patroon, waarbij koerswendingen van 90° worden
gemaakt.
Wendvariabele:
• Etappeafstand
S-bocht
Met deze optie giert het vaartuig langs de hoofdkoers. Wanneer de stuurautomaat is
geactiveerd, wordt deze in de modus S-bocht gezet.
Wendvariabelen:
• Koerswijziging
• Wendradius
Dieptecontouren volgen
Zorgt dat de stuurautomaat een dieptecontour volgt.
Ú Notitie: DCT wendpatroon is alleen beschikbaar als het systeem een geldige diepteinvoer heeft.
Waarschuwing: Gebruik het DCT wendpatroon alleen als de zeebodem
daarvoor geschikt is. Gebruik de functie niet in onrustig water waarbij de
diepte binnen een klein gebied sterk verschilt.
Ú Notitie: Als er tijdens DCT dieptegegevens verloren gaan, schakelt de stuurautomaat
automatisch over naar de modus Auto.
Aanbevolen wordt om bij gebruik van DCT het alarm AP dieptegegevens ontbreken in te
schakelen. Als dit alarm is geactiveerd, gaat een alarm af als de dieptepeiling tijdens DCT
wegvalt.
DCT-wending starten
• Stuur de boot naar de diepte die u wilt volgen en in de richting van het dieptecontour
• Activeer de automatische modus en selecteer vervolgens Depth Contour Tracking, terwijl
u de dieptepeiling controleert
• Selecteer Bakboord of Stuurboord om het DCT-patroon te starten en de helling van de
bodem aan stuurboordzijde of bakboordzijde te volgen
Buitenboord stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
151
Bakboordoptie
(diepte neemt af aan bakboordzijde)
Stuurboordoptie
(diepte neemt af aan stuurboordzijde)
Wendvariabelen
• Ref. diepte: dit is de referentiediepte voor de DCT-functie. Als DCT is gestart, leest de
stuurautomaat de huidige diepte en wordt deze diepte ingesteld als de referentiediepte.
De referentiediepte kan worden gewijzigd als de functie actief is
• Diepte gain: deze parameter bepaalt de ratio tussen ingesteld roer en de afwijking van de
geselecteerde dieptecontour. Hoe hoger de Depth gain-waarde, hoe meer roer er
gegeven wordt. Als de waarde te klein is, zal het lang duren voordat het afdrijven van de
ingestelde dieptecontour gecompenseerd wordt, en zal de stuurautomaat de boot niet
op de geselecteerde diepte kunnen houden. Als de waarde te groot is, neemt de
overschrijding toe en wordt de sturing instabiel.
• CCA: de CCA is de hoek die wordt opgeteld bij of afgetrokken van de ingestelde koers.
Met deze parameter kunt u de boot met S-bewegingen rond de referentiediepte laten
gieren. Hoe groter de CCA, hoe meer er gegierd mag worden. Als de CCA is ingesteld op
nul, mag er niet gegierd worden.
Stuurautomaat instellen
Het instellingenvenster Stuurautomaat is afhankelijk van welke stuurautomaatcomputer op
het systeem is aangesloten. Als er meer dan één stuurautomaat is aangesloten, toont het
instellingenvenster Stuurautomaat de opties voor de actieve stuurautomaat.
Kaartkompas
Selecteer om een kompassymbool rond uw boot weer te geven op het kaartpaneel. Het
kompassymbool wordt niet weergegeven als de cursor actief is op het paneel.
Actieve stuurautomaat selecteren
Hiermee selecteert u of de stuurautomaatcontroller de trollingmotor of de
buitenboordmotor(en) bedient.
Gegevensbronnen van de stuurautomaat
Zorgt voor automatische en handmatige selectie van gegevensbronnen voor de
stuurautomaat voor de buitenboordmotor.
Stuurautomaatbalk automatisch verbergen
Bepaalt of de gegevensbalk van de stuurautomaat wordt getoond wanneer de
stuurautomaat is ingesteld op Standby.
Inbedrijfstelling
Deze functie wordt gebruikt om de stuurinrichting van uw boot (kabelstuurinrichting of
hydraulisch stuursysteem) te kalibreren met de NAC-1.
152
Buitenboord stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Ú Notitie: De stuurautomaat moet in bedrijf worden gesteld voor eerste gebruik en elke
keer nadat de stuurautomaat is teruggezet op de standaardinstellingen.
Stuurreactie
Hiermee verhoogt of verlaagt u de stuurgevoeligheid. Een laag reactieniveau zorgt voor
minder roerbewegingen en een iets lossere besturing. Een hoog reactieniveau zorgt voor
meer roerbewegingen en een iets strakkere besturing. Een te hoog reactieniveau zorgt dat
de boot S-bewegingen gaat maken.
Buitenboord stuurautomaat | NSO evo3S Gebruikershandleiding
153
22
Instrumenten
Over instrumentenpanelen
De panelen bestaan uit meerdere meters die op dashboards kunnen worden gerangschikt.
De panelen kunnen worden gemaakt met analoge, digitale en staafmeters. Vooraf
gedefinieerde dashboards en sjablonen zijn meegeleverd.
Voorbeeld:
De app Instrumenten activeren/deactiveren
Gebruik de optie met functies voor systeeminstellingen om de app Instrumenten te
activeren/deactiveren.
Wanneer de app wordt verwijderd, wordt het pictogram van de startpagina verwijderd. De
functie/app kan opnieuw worden geïnstalleerd via hetzelfde dialoogvenster.
Een dashboard maken
Gebruik de nieuwe menuoptie om uw eigen dashboard te maken.
Beginnen met leeg dashboard
Selecteer deze optie om uw eigen dashboard geheel opnieuw te maken.
Gebruik de menuopties om het dashboard een naam te geven en de meters op het
dashboard te beheren.
Een bestaande indeling kopiëren
Selecteer deze optie om een bestaande indeling die u hebt gemaakt te kopiëren.
Gebruik de menuopties om het dashboard een naam te geven en de meters op het
dashboard te beheren.
154
Instrumenten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Een ingebouwde sjabloon gebruiken
Selecteer een vooraf gedefinieerde sjabloon om een dashboard te maken. De
sjabloondashboards zijn afgestemd op uw vaartuigconfiguratie.
Gebruik de menuopties om het dashboard een naam te geven en de meters op het
dashboard te beheren.
Het dashboard aanpassen
U kunt de opties in het menu Wijzigen gebruiken om:
• de gegevens voor elk van de meters in het dashboard te wijzigen
• limieten in te stellen voor analoge meters
• de lay-out van het dashboard te wijzigen
Ú Notitie: U kunt de lay-out van vooraf gedefinieerde dashboards of dashboards die u met
ingebouwde sjablonen hebt gemaakt, niet wijzigen.
Meters toevoegen
Selecteer een meter in het menu en plaats deze op het dashboard.
Toetsbediening
Gebruik de pijltoetsen om het item te selecteren dat u wilt toevoegen en druk op de Enter
toets.
Metergegevens kiezen
Selecteer de meter op het dashboard en selecteer vervolgens de menuoptie Info om de
gegevens te kiezen die op de meter moeten worden weergegeven.
Een dashboard selecteren
U kunt als volgt schakelen tussen de dashboards:
• naar links of rechts vegen op het paneel
• het dashboard in het menu selecteren
Instrumenten | NSO evo3S Gebruikershandleiding
155
23
Video
Informatie over de videofunctie
Met de videofunctie kunt u video of camerabronnen op het scherm van uw systeem
weergeven.
Zie de afzonderlijke installatiehandleiding van de unit voor informatie over het aansluiten van
de camera.
Het videopaneel
Het videobeeld wordt proportioneel aangepast zodat het in het videopaneel past. Gebieden
die niet worden bedekt door het beeld zijn zwart.
Het videopaneel instellen
Videobron
Als er meer dan één bron beschikbaar is, kunt u kiezen om slechts één kanaalbron weer te
geven of om te wisselen tussen de beelden van de beschikbare videobronnen.
De periode kan worden ingesteld van 5 tot 120 seconden.
Extra opties
De beschikbare opties in het menu kunnen variëren en zijn afhankelijk van de geselecteerde
videobron.
De instellingen worden afzonderlijk aangepast voor elke videobron.
156
Video | NSO evo3S Gebruikershandleiding
24
Audio
Over de audiofunctie
Als een compatibele audioserver correct is geïnstalleerd/aangesloten en ingesteld binnen
uw systeem, kunt u de unit gebruiken om het audiosysteem op uw schip te bedienen en aan
te passen.
Raadpleeg de documentatie bij het audioapparaat voor informatie over de installatie en
configuratie van en verbinding maken met het audioapparaat. Raadpleeg de
installatiehandleiding van de unit voor meer informatie over de bedrade verbinding met de
display-unit.
De audiocontroller
De bedieningsknoppen, tools en opties verschillen per audiobron.
A
Bedieningsbalk
C
Bron en broninformatie
B
D
E
Audiocontroller, kleine en grote displays
Bedieningsknoppen
Aan/uit-knop
De Uit-knop bevindt zich op kleine displays in de bronnenlijst.
Audiosysteem opzetten
Audioserver
Als er meerdere audiobronnen zijn verbonden met hetzelfde netwerk, moet een van de
apparaten worden geselecteerd als de audioserver. Als slechts één apparaat aanwezig is, is
dit standaard de geselecteerde audioserver.
De luidsprekers instellen
Ú Notitie: Het aantal mixeropties hangt af van de actieve audioserver.
Audio | NSO evo3S Gebruikershandleiding
157
Luidsprekerzones
Dit apparaat kan worden ingesteld voor het regelen van verschillende audiozones. Het aantal
zones hangt af van de audioserver die met uw systeem is verbonden.
U kunt balans, volume en volumebegrenzing voor elke zone afzonderlijk instellen.
Aanpassingen voor bas en toonhoogte gelden voor alle zones.
Hoofdregeling volume
Als u het volume aanpast, wordt het volume voor alle luidsprekerzones standaard aangepast.
U kunt elke luidsprekerzone afzonderlijk aanpassen. U kunt bovendien definiëren welke
zones worden aangepast als u het volume aanpast.
Een audiobron selecteren
Gebruik de knop Bron om de lijst van audiobronnen weer te geven. Het aantal bronnen is
afhankelijk van de actieve audioserver.
Bluetooth-apparaten
Als uw audioserver Bluetooth ondersteunt, wordt Bluetooth vermeld als bron.
Via het Bluetooth-pictogram in de audiocontroller kunt u de audioserver koppelen met
Bluetooth-audioapparaten zoals een smartphone of tablet.
Een AM/FM-radio gebruiken
Tunerregio selecteren
Voordat u FM- of AM- of VHF-radio kunt gebruiken, moet u de juiste regio voor uw locatie
selecteren.
Radiokanalen
Afstemmen op een AM/FM-radiokanaal:
• houd de linker- of en rechter audiobedieningsknop ingedrukt
Een kanaal opslaan onder favorieten:
• selecteer de menuoptie Favorieten
Door favoriete kanalen bladeren:
• selecteer de audiobedieningsknop omhoog of omlaag
Lijst met favoriete kanalen
De lijst met favorieten kan worden gebruikt voor het selecteren van een kanaal, en voor het
verwijderen van de opgeslagen kanalen uit de lijst.
Sirius radio
Ú Notitie: SiriusXM® radio is alleen beschikbaar in Noord-Amerika.
Als u een compatibele SiriusXM® ontvanger op uw systeem hebt aangesloten, kunt u de
ontvanger bedienen via de bedieningsbalk Audio.
Sirius service bestrijkt de binnenwateren en kuststreken van de VS in de Atlantische en Stille
Oceaan, de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee. De SiriusXM® producten die u ontvangt
158
Audio | NSO evo3S Gebruikershandleiding
hangen af van het pakket waarop u bent geabonneerd. Raadpleeg voor meer informatie de
website www.siriusXM.com en de serverdocumentatie.
Lijsten van Sirius kanalen
Er zijn verschillende opties beschikbaar voor het weergeven van de Sirius kanalen.
Sirius favoriete kanalen
U kunt uw favoriete kanalen kiezen uit de lijst van alle kanalen en de lijst met kanalen waarop
u geabonneerd bent.
Een Sirius kanaal selecteren
Een kanaal selecteren:
• selecteer de linker of en rechter audiobedieningsknop
Door favoriete kanalen bladeren:
• selecteer de audiobedieningsknop omhoog of omlaag
Vergrendelen van kanalen
U kunt geselecteerde Sirius-kanalen vergrendelen, zodat ze niet worden uitgezonden. U
moet een door uzelf ingestelde 4-cijferige code invoeren om kanalen te vergrendelen en
ontgrendelen.
DVD video bekijken
Als uw Audioserver het afspelen van DVD's ondersteunt, kunt u de DVD-speler vanaf de
audiocontroller bedienen als de audiobron op DVD is ingesteld.
Videostandaard
Selecteer het videoformaat voor de Audioserver, zodat het overeenkomt met het
beeldscherm dat op de Audioserver is aangesloten.
Audio | NSO evo3S Gebruikershandleiding
159
25
Weer
Informatie over de weerfunctie
Het systeem beschikt over weerfuncties waarmee de gebruiker weersverwachtingsgegevens
als overlay op de kaart kan weergeven. Dit geeft een beter inzicht in de
weersomstandigheden die naar verwachting zullen optreden.
Het systeem ondersteunt weersgegevens in GRIB-indeling. U kunt deze downloaden van
diverse weerkundige dienstverleners.
Het systeem ondersteunt ook weersgegevens van SIRIUS Marine Weather Service. Deze
service is alleen beschikbaar in Noord-Amerika.
Windveren
De draaiing van de windveren geeft de relatieve windrichting aan. De staart laat zien uit
welke richting de wind komt. In de tekening hieronder komt de wind uit het noordwesten.
De windsnelheid wordt aangegeven door een combinatie van korte en lange strepen aan
het eind van de windbalk.
Nul knopen / Onbepaalde windrichting
Korte windveer = 5 knopen
Lange windveer = 10 knopen
Pijlvormige windveer = 50 knopen
Als de staart een combinatie van windveren van 5 en 10 knopen laat zien, telt u deze bij
elkaar op voor de totale windsnelheid. In het voorbeeld hieronder ziet u 3 x grote windveer +
1 x keer kleine windveer = 35 knopen, en is 60 knopen aangegeven met 1 x pijlvormige
windveer + 1 x grote windveer.
Windsnelheid: 35 knopen
Windsnelheid: 60 knopen
Weerdetails tonen
Als Pop-up is ingeschakeld, kunt u een weerpictogram selecteren om de bron van de
observatie weer te geven. Als u het pop-upvenster selecteert, wordt meer informatie over de
observatie getoond.
U kunt weersinformatie ook vanuit het menu weergeven door het weerpictogram te
selecteren en daarna de menuoptie Info - Weer item.
Ondersteuning van Navico WM-4 marine satellite receiver
The Navico WM-4 marine satellite weather/audio receiver is supported. When the Navico
WM-4 receiver is connected to your system and if you have the appropriate SiriusXM®
160
Weer | NSO evo3S Gebruikershandleiding
subscription you can include SiriusXM® marine weather services and SiriusXM® radio on your
system.
Ú Notitie: SiriusXM® weather is available for North America only.
GRIB weer
Een GRIB bestand bevat weervoorspellingen voor een ingesteld aantal dagen. De weerdata
kan van animaties worden voorzien, die aangeven hoe de weersystemen zich ontwikkelen.
GRIB gegevens importeren
U kunt naar het geheugen geïmporteerde GRIB gegevens weergeven als kaartoverlay. Het
bestand kan worden geïmporteerd vanaf iedere locatie die zichtbaar is in het opslagbeheer.
Ú Notitie: De in het geheugen aanwezige GRIB gegevens worden door de geïmporteerde
GRIB gegevens overschreven.
U kunt de GRIB-bestanden importeren:
• Via opslagbeheer
• Via de menuoptie Prognose in het kaartpaneel. De optie Grib weer is alleen beschikbaar
als Grib weer als overlay op de kaart is ingesteld.
GRIB-weer als overlay weergeven
Geïmporteerde GRIB-weergegevens kunnen als overlay op uw kaartpaneel getoond worden.
Wanneer de GRIB-weeroverlay is geselecteerd, wordt het kaartmenu uitgebreid met GRIB
weeropties. In dit menu selecteert u de weersymbolen die u wilt tonen. Bovendien kunt u
hier de afstand tussen de windveren instellen en de doorzichtigheid van de weersymbolen
aanpassen.
Weer | NSO evo3S Gebruikershandleiding
161
A
Windveren
C
GRIB informatievenster
B
Drukcontouren
GRIB informatievenster
Het GRIB informatievenster toont de datum en tijd van de GRIB weersvoorspelling en de
geselecteerde tijd voor de voorspelling tussen haakjes. Een negatieve waarde tussen de
haakjes geeft historische weerinformatie aan.
Wanneer u een positie op de kaart selecteert, wordt het informatievenster uitgebreid met
weerinformatie voor de geselecteerde positie.
Animatie van GRIB weervoorspellingen
De GRIB data bevat weervoorspellingen voor een ingesteld aantal dagen. De weerdata kan
van animaties worden voorzien en er kan een voorspelling voor een specifieke datum en tijd
worden weergegeven. De tijdschalen verschillen afhankelijk van het bestand dat u gebruikt.
De tijdverschuiving wordt tussen haakjes in het GRIB informatievenster getoond. De tijd is
relatief t.o.v. de huidige tijd, zoals aangeleverd door een GPS apparaat dat met het systeem
verbonden is.
U kunt de tijd en animatiesnelheid via het menu selecteren.
SiriusXM weer
Info over SiriusXM® weer
Ú Notitie: SiriusXM® weer is alleen beschikbaar voor Noord-Amerika.
Wanneer er een ondersteunde Navico satellietweerontvangermodule op uw systeem is
aangesloten en u het juiste abonnement hebt, is er SiriusXM® informatie over het weer op
zee beschikbaar.
Welke opties beschikbaar zijn, is afhankelijk van de satellietweerontvangermodule die is
aangesloten op uw systeem en uw abonnement.
De SiriusXM® weerservice beslaat diverse binnenwateren en kustgebieden van NoordAmerika. Zie www.SiriusXM.com/sxmmarine voor meer informatie.
Sirius statuspaneel
Als de weermodule op het systeem is aangesloten, krijgt u toegang tot het Sirius
statuspaneel.
Op het statuspaneel wordt de signaalsterkte aangeduid met 1/3 (zwak), 2/3 (goed) of 3/3
(voorkeur). Hierin staan ook de antennestatus, het serviceniveau en het elektronische
serienummer voor de weermodule.
162
Weer | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Sirius weerpaneel
Het Sirius weerdisplay kan als overlay op uw kaartpaneel worden weergegeven.
Als de weer-overlay geselecteerd is, wordt het kaartmenu uitgebreid met de beschikbare
weeropties.
A
Kleurnuances voor neerslag
C
Stormpictogram
B
D
E
F
Oppervlakte waarnemingen
Windveer
Kleurarcering zeeoppervlaktetemperatuur (ZWT)
SST-kleurenbalk
Lokaal weer
Het dialoogvenster Lokaal weer toont de huidige weersomstandigheden en de
weersverwachting voor uw huidige locatie.
Weeropties
Weergaveopties
Neerslag
Kleurnuances worden gebruikt om het type en de intensiteit van de neerslag te tonen. Hoe
donkerder de kleur, hoe hoger de intensiteit.
Regen
Sneeuw
Gemengd
Van lichtgroen (lichte regen) - geel - oranje - tot donkerrood (zware
regen)
Blauw
Roze
Temperatuur zeeoppervlak (ZWT)
U kunt de oppervlaktetemperatuur van de zee weergeven als kleurarcering of als tekst.
Als kleurcodering is geselecteerd, wordt aan de linkerkant van het display de SST-kleurenbalk
getoond.
Weer | NSO evo3S Gebruikershandleiding
163
U bepaalt hoe de kleurcodes worden gebruikt om ZWT weer te geven. Raadpleeg "Kleurcodes
aanpassen" op pagina 165.
Voorspelling verwachte golfhoogte
U kunt kleuren gebruiken om de verwachte golfhoogte aan te geven. De hoogste golven zijn
donkerrood en de laagste zijn blauw.
U kunt aangeven welke kleurcodes worden gebruikt om de golfhoogte aan te geven. Zie
"Kleurcodes aanpassen" op pagina 165.
Voorspelling windveren
De voorspelling van windveren kan worden weergegeven of verborgen op het weerpaneel.
Oppervlakfuncties
Hiermee schakelt u oppervlakfuncties in of uit. Oppervlakfuncties zijn onder andere fronten,
isobaren en drukpunten. Oppervlakfuncties kunnen niet gelijktijdig met wind worden
weergegeven.
Wolktoppen
Hiermee schakelt u Wolktoppen in/uit. Met wolktoppen wordt de hoogte van de bovenzijde
van wolken aangegeven. Het kleurenpalet is grijs met donkere tinten grijs, waarmee lagere
wolken worden aangeduid. Wolktoppen kunnen niet gelijktijdig met neerslag of echotoppen
worden weergegeven.
Ú Notitie: Deze functie is alleen beschikbaar voor bepaalde SiriusXM® abonnementen.
Echotop
Hiermee schakelt u Echotop in/uit. Met echotops worden de toppen van stormen
aangegeven. Het kleurenpalet is hetzelfde als dat wordt gebruikt voor Neerslag. Echotoppen
kunnen niet gelijktijdig met neerslag of wolktoppen worden weergegeven.
Ú Notitie: Deze functie is alleen beschikbaar voor bepaalde SiriusXM® abonnementen.
Weerpictogrammen
Er zijn verschillende weersymbolen beschikbaar om de huidige of verwachte
weersomstandigheden te tonen.
Selecteer een pictogram om gedetailleerde weerinformatie te tonen.
Oppervlakteobservatie
Volgen van tropische storm: verleden (grijs) - heden (rood) - toekomst
(geel)
Volgen van orkaan (categorie 1-5): verleden (grijs) - heden (rood) toekomst (geel)
Volgen van tropische storing/depressie: verleden (grijs) - heden (rood) toekomst (geel)
Stormeigenschappen
Bliksem
Plaats en waarschuwing watchbox
Locatie maritieme zone
Zeegebied
Afhankelijk van uw geselecteerde abonnement bevat SiriusXM services toegang tot
weerrapporten voor zeegebieden in de Verenigde Staten en Canada, met uitzondering van
de gebieden op volle zee.
164
Weer | NSO evo3S Gebruikershandleiding
U kunt een zeegebied selecteren en vervolgens de weersverwachting bekijken. U kunt ook
een zeegebied selecteren als uw huidige favoriete zone. U wordt dan geïnformeerd over
weerswaarschuwingen in dat gebied.
Tropische berichten
U kunt tropische berichten lezen inclusief informatie over tropische weersomstandigheden.
Deze informatie is beschikbaar voor de gehele Atlantische Oceaan en de oostelijke Stille
Oceaan.
Kleurcodes aanpassen
U kunt de kleurcodes voor de temperatuur van het zeeoppervlak (ZWT) en de golfhoogte
definiëren.
De temperaturen boven de warmte- en onder de koudewaarden worden getoond als
toenemend donkerder rood en blauw.
Golven hoger dan de maximumwaarde worden getoond als steeds donkerder rood. Golven
lager dan de minimumwaarde hebben geen kleurcodering.
Animeren van weergrafieken
De weersinformatie die u hebt ingeschakeld wordt opgenomen. Deze informatie kan
worden gebruikt om animaties te maken van eerdere of toekomstige weersomstandigheden.
De hoeveelheid informatie die in het systeem beschikbaar is, hangt af van de weeractiviteit.
Hoe complexer deze is, hoe minder tijd er is voor animatie.
U kunt het verleden of de toekomst animeren, afhankelijk van de weergave die is
ingeschakeld:
• met de neerslag-overlay kunt u het verleden animeren. Weersomstandigheden in de
onmiddellijke toekomst kunt u alleen voorspellen.
• met de gekleurde golfhoogte-overlay kunt u de toekomst animeren (de verwachtingen).
Wanneer deze optie geactiveerd is, wordt de tijd voor het huidige grafische animatie
weergegeven in het paneel.
Transparantie
Hiermee past u de transparantie van de overlay aan.
Weer-overlay
Wanneer de Navico WM-4 ontvanger is aangesloten op uw systeem en u over het juiste
SiriusXM® abonnement voor maritieme weersinformatie beschikt, is de optie Weeroverlay
beschikbaar.
Weer | NSO evo3S Gebruikershandleiding
165
Wanneer Weer is geselecteerd als kaartoverlay, wordt het kaartmenu uitgebreid met
weeropties. Raadpleeg het SiriusXM® hoofdstuk in dit document voor meer informatie.
Weeralarmen
U kunt de onweer- of stormalarmen instellen wanneer deze omstandigheden zich voordoen
binnen een bepaald bereik van uw vaartuig.
U kunt ook een alarm instellen als er een waarschuwing voor zwaar weer wordt afgegeven
voor het door u ingestelde zeegebied.
De National Weather Service heeft een watchbox gedefinieerd. Wanneer het alarm voor
watchbox is ingeschakeld, gaat er een alarm af wanneer uw vaartuig een watchbox
binnengaat of zich hierin bevindt.
166
Weer | NSO evo3S Gebruikershandleiding
26
Internetverbinding
Internetgebruik
Sommige functies van dit product hebben een internetverbinding nodig om gegevens te
kunnen uploaden en downloaden.
Bij gebruik van een internetverbinding via een mobiele telefoon of een verbinding die per
MB wordt betaald dient u er rekening mee te houden dat het dataverbruik hoog kan zijn. Uw
internetprovider kan kosten in rekening brengen voor de hoeveelheid gegevens die u
overbrengt. Neem bij twijfel contract op met uw internetprovider voor de geldende tarieven
en beperkingen.
Ethernet verbinding
De unit wordt automatisch verbonden met internet wanneer deze is verbonden met een
Ethernet-netwerk met internettoegang.
Wi-Fi®-verbinding
Gebruik de Wi-Fi®-functionaliteit om:
• De unit te verbinden met internet. Raadpleeg "Draadloze instellingen" op pagina 167 voor meer
informatie.
• De unit te verbinden met draadloze apparaten zoals smartphones en tablets. De
smartphones en tablets kunnen vervolgens worden gebruikt om de unit op afstand te
bekijken en te bedienen. Raadpleeg "Afstandsbediening van de MFD" op pagina 169 voor meer
informatie.
Draadloze instellingen
Biedt configuratie- en instellingsopties voor de draadloze functionaliteit.
Verbinding maken met internet
Wordt gebruikt om verbinding te maken met een hotspot met internettoegang.
Wanneer de verbinding is gemaakt, wordt de tekst gewijzigd naar "Is al aangesloten".
Bluetooth
Schakelt de ingebouwde Bluetooth-functie in.
Bluetooth® opties
Hiermee opent u het dialoogvenster Bluetooth®. In dit dialoogvenster worden apparaten
weergegeven waarop Bluetooth® is ingeschakeld.
Ú Notitie: Nadat u het apparaat hebt gekoppeld, moet u er verbinding mee maken.
Selecteer een item in de lijst met gekoppelde apparaten om het dialoogvenster Details
Bluetooth® apparaat te openen. Gebruik het om:
• details van het apparaat weer te geven
• het apparaat te verbinden of de verbinding ermee ongedaan te maken, of het uit de
apparatenlijst te verwijderen (vergeten)
Internetverbinding | NSO evo3S Gebruikershandleiding
167
Ingebouwde Wi-Fi®
Selecteer deze optie om de interne Wi-Fi® functie in of uit te schakelen.
Het uitschakelen van de interne Wi-Fi® functie vermindert het stroomverbruik van de unit.
Wi-Fi® netwerken
Geeft de verbindingsstatus van het Wi-Fi® netwerk weer. Als het MFD met het internet is
verbonden (Wi-Fi® hotspot), wordt de hotspotnaam (SSID) weergegeven.
Ingebouwde hotspot
Het systeem wordt ingeschakeld wanneer u verbinding maakt met een andere unit.
Hotspot-instellingen
Selecteer dit om de hotspotnetwerknaam (SSID) van de MFD weer te geven. Alleen
beschikbaar als de ingebouwde hotspot van de MFD is ingeschakeld.
Onthouden hotspots
Hier vindt u hotspots waarmee de unit in het verleden verbinding heeft gehad.
Geavanceerd
Binnen de software zijn hulpmiddelen beschikbaar voor het opsporen van fouten en het
instellen van het draadloze netwerk.
DHCP Probe
De draadloze module bevat een DHCP-server die IP-adressen toewijst voor alle MFD's en
apparaten in het netwerk. Bij integratie met andere apparaten, zoals een 3G-modem of
satelliettelefoon, kunnen andere apparaten in het netwerk ook fungeren als DHCP-server.
Om gemakkelijk alle DHCP-servers op het netwerk te vinden, kunt u dhcp_probe vanaf de
unit uitvoeren. Op het netwerk kan slechts één DHCP-apparaat tegelijk actief zijn. Schakel de
DHCP-functie van het tweede apparaat uit, als dat wordt gevonden. Raadpleeg de instructies
van dat apparaat voor meer informatie.
Ú Notitie: Iperf en DHCP Probe zijn hulpmiddelen voor diagnostische doeleinden, bedoeld
voor gebruikers die bekend zijn met de terminologie en configuratie van netwerken.
Navico is niet de ontwikkelaar van deze hulpmiddelen en kan geen ondersteuning
verlenen bij het gebruik.
Iperf
Iperf is een veelgebruikt hulpprogramma voor netwerkprestaties. Het wordt meegeleverd
om de prestaties van het draadloze netwerk rondom het vaartuig te testen, zodat zwakke
plekken of probleemgebieden kunnen worden geïdentificeerd. De applicatie moet worden
geïnstalleerd en uitgevoerd op een tablet.
Er moet een Iperf-server worden uitgevoerd op de unit voordat de test vanaf de tablet wordt
gestart. Na het verlaten van de pagina wordt Iperf automatisch gestopt.
168
Internetverbinding | NSO evo3S Gebruikershandleiding
27
Afstandsbediening van de MFD
Opties voor afstandsbediening
De volgende opties zijn beschikbaar voor het op afstand bedienen van uw MFD:
• een smartphone of tablet, aangesloten op dezelfde Wi-Fi® hotspot als het MFD('s).
• een smartphone of tablet, verbonden met een MFD die dienst doet als Wi-Fi®
toegangspunt.
• een compatibele afstandsbediening die op hetzelfde NMEA® netwerk als het MFD is
aangesloten. De documentatie die bij de afstandsbediening wordt geleverd, bevat
informatie over de aansluiting en het gebruik.
Ú Notitie: Om veiligheidsredenen kunnen sommige functies niet met een
afstandsbediening worden bediend.
Mobiele Simrad app
U kunt de app Simrad: Boating & Navigation downloaden uit de Apple® App Store® en
Google Play® store.
Ú Notitie: De mobiele app is optioneel en heeft geen invloed op de normale werking van
uw display. Raadpleeg de beschrijving van de App Store om te controleren of de app
compatibel is met uw mobiele apparaat.
Zodra de koppeling tot stand is gebracht, kunt u de app gebruiken om het volgende te
doen:
• Registreer uw display.
• Bekijk en download de productdocumentatie.
• Maak en synchroniseer waypoints, routes en tracks.
• Ontdek Points of Interest (nuttige plaatsen, POI).
• Houd het scheepvaartverkeer en het weer in de gaten.
• Spiegel en bedien uw display vanaf uw mobiele apparaat.
• Neem een abonnement op Premium-kaarten.
• Download software-updates voor het display en pas deze toe.
Ú Notitie: Er is een internetverbinding vereist om uw gegevens te synchroniseren met
cloudservices vanaf de display-unit of het mobiele apparaat.
Ú Notitie: Gebruik de hotspotfunctie op het display om rechtstreeks verbinding te maken
met uw mobiele apparaat via Wi-Fi® voor schermspiegeling en -regeling.
Verbinden via een hotspot
Als u een telefoon of tablet en de MFD('s) verbindt met dezelfde hotspot kunt u uw telefoon
of tablet gebruiken om alle MFD's in hetzelfde netwerk te bedienen.
Afstandsbediening van de MFD | NSO evo3S Gebruikershandleiding
169
Verbinden met een MFD die fungeert als access point
Als u geen toegang hebt tot een Wi-Fi® netwerk, kunt u uw telefoon/tablet direct met het
MFD verbinden.
De netwerknaam van de MFD (SSID) wordt weergegeven als een beschikbaar netwerk op de
telefoon/tablet.
Met Wi-Fi® verbonden afstandsbedieningen beheren
U kunt het toegangsniveau wijzigen en de via Wi-Fi® verbonden afstandsbediening
verwijderen.
170
Afstandsbediening van de MFD | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
28
Uw telefoon gebruiken met de MFD
Over telefoonintegratie
De volgende functies zijn beschikbaar bij het aansluiten van een telefoon op het apparaat:
• tekstberichten lezen en verzenden
• nummerherkenning tonen voor inkomende gesprekken
Ú Notitie: Het is mogelijk om een smartphone te gebruiken voor het op afstand bedienen
van de MFD. Zie "Afstandsbediening van de MFD" op pagina 169.
Beperkingen iPhone®:
• Wanneer de telefoon is aangesloten op de MFD worden alleen inkomende oproepen en
berichten ontvangen
• Berichten kunnen niet vanaf het MFD worden verzonden. iPhone® ondersteunt het
verzenden van berichten van verbonden Bluetooth® apparaten niet.
Een telefoon aansluiten en koppelen
Ú Notitie: Voordat u verbinding kunt maken met het MFD moet Bluetooth® worden
ingeschakeld op uw telefoon.
Ú Notitie: Zie "Bluetooth-apparaten beheren" op pagina 173 als u een telefoon wilt koppelen
terwijl een andere telefoon is aangesloten op het MFD.
Ú Notitie: U moet altijd verbinding maken met een telefoon vanaf de MFD, niet andersom.
Gebruik het telefoonpictogram op de werkbalk om uw telefoon met het MFD te verbinden.
Wanneer het pictogram is geselecteerd gebeurt het volgende:
• Bluetooth® wordt ingeschakeld op het MFD
• het dialoogvenster Bluetooth® wordt geopend met een lijst van alle Bluetooth® apparaten
binnen bereik
Een telefoon koppelen die vermeld staat onder andere apparaten in het dialoogvenster:
• selecteer de telefoon die u wilt koppelen, en volg de instructies op de telefoon en op de
MFD
Eenmaal gekoppeld wordt de telefoon verplaatst naar het gedeelte Gekoppelde
apparaten in het dialoogvenster.
Voor het verbinden van een gekoppelde telefoon:
• selecteer de telefoon die u wilt verbinden
Wanneer de telefoon en het apparaat verbonden zijn, wordt er
een telefoonpictogram in de statusbalk weergegeven.
Inkomende berichten en telefoonmeldingen zullen nu in een pop-upvenster op de MFD
verschijnen.
Telefoonmeldingen
Nadat de telefoon en de unit zijn gekoppeld en verbonden, gebruikt u het
telefoonpictogram om de lijst met berichten en de belgeschiedenis weer te geven.
Uw telefoon gebruiken met de MFD | NSO evo3S Gebruikershandleiding
171
Standaard wordt alle berichten getoond in de berichtenlijst. Deze lijst kan worden gefilterd
zodat alleen verzonden of ontvangen berichten worden getoond.
Tekstberichten maken
Ú Notitie: Deze optie is niet beschikbaar voor iPhone®.
Zo maakt u een nieuw tekstbericht:
• selecteer de optie Nieuw bericht in het dialoogvenster Bericht
Zo reageert u op een tekstbericht of een telefoongesprek:
• selecteer het bericht of de oproep die u wilt beantwoorden
Het beantwoorden van een inkomend gesprek
Een gesprek moet worden beantwoord of afgewezen vanaf de telefoon.
U kunt met een tekstbericht reageren op een binnenkomend gesprek (niet beschikbaar voor
iPhone®).
Berichtinstellingen
U kunt berichtsjablonen definiëren en instellen hoe u wilt dat de melding wordt
weergegeven in het dialoogvenster Instellingen.
Problemen met de telefoon oplossen
Het is niet mogelijk om een iPhone® aan te sluiten
De eerste keer dat u een MFD verbinding probeert te maken met een iPhone®, kan de
volgende foutmelding verschijnen:
• verbinden mislukt, met een bericht dat de telefoon is niet beschikbaar voor verbindingen
• de telefoon geeft niet de juiste naam voor de MFD
Als dit gebeurt, kunt u het volgende proberen:
• herstart de MFD en de telefoon
• controleer of de telefoon niet verbonden is met andere Bluetooth® apparaten
• stel de iPhone® handmatig in om meldingen van het MFD te ontvangen:
172
Uw telefoon gebruiken met de MFD | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Ontbrekende meldingen
Standaard is het verbindingsprofiel voor de telefoon ingesteld op auto.
Het verbindingsprofiel moet worden gewijzigd naar alternatief als een van de volgende
problemen zich voordoet:
• de telefoon is aangesloten en het type waarschuwing is ingesteld als pop-upvenster of
melding, maar er is geen waarschuwing of de waarschuwing is zeer vertraagd
• de telefoon is verbonden, maar heeft geen geluid tijdens een gesprek
Zie "Bluetooth-apparaten beheren" op pagina 173 voor het weergeven van apparaatdetails.
Zie "Berichtinstellingen" op pagina 172 om de waarschuwingsinstelling voor telefoonmeldingen
te wijzigen.
Tekstberichten verschijnen op de iPhone®, maar niet op het MFD
Controleer of de berichten-app niet open en actief is op de iPhone®.
Bluetooth-apparaten beheren
Bluetooth-apparaten binnen bereik worden getoond in het dialoogvenster Bluetoothapparaten. Zie "Bluetooth® opties" op pagina 167.
Uw telefoon gebruiken met de MFD | NSO evo3S Gebruikershandleiding
173
29
Simulator
Info over
Met de simulatiefunctie kunt u zien hoe de unit werkt zonder verbonden te zijn met
sensoren of andere apparaten.
De statusbalk geeft aan of de simulator ingeschakeld is.
Winkelmodus
In deze modus wordt een winkeldemonstratie voor het geselecteerde gebied weergegeven.
Als u op de unit bedient terwijl de winkelmodus actief is, wordt de demonstratie gepauzeerd.
Na een korte pauze wordt de winkelmodus hervat.
Ú Notitie: De winkelmodus is bedoeld voor demonstraties in de winkel of showroom.
Simulator bronbestanden
U kunt selecteren welke databestanden de simulator gebruikt. Dit kunnen vooraf
opgenomen gegevensbestanden van uw apparaat zijn, uw eigen opgenomen
logbestanden, of logbestanden op een op de unit aangesloten opslagapparaat.
Geavanceerde simulatorinstellingen
Via de instellingen voor de geavanceerde simulator kunt u de simulator handmatig
bedienen.
174
Simulator | NSO evo3S Gebruikershandleiding
30
Tools en instellingen
Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van tools in de werkbalk en van instellingen die niet
specifiek bij een applicatiepaneel horen.
Raadpleeg voor applicatie-instellingen het hoofdstuk van de betreffende applicatie.
De opties in dit hoofdstuk beschreven zijn beschikbaar door de werkbalk of de optie
Instellingen op de homepagina te selecteren.
De werkbalk
Dit hoofdstuk bevat beschrijvingen van tools in de toolbar.
De toolbar wordt weergegeven op de home pagina. Druk op de toets Pagina's/Home om de
home pagina weer te geven. U kunt door de toolbar bladeren om de opties te bekijken.
Waypoints
Bevat de dialoogvensters Waypoints, Routes en Trails die worden gebruikt voor het beheren
van deze door de gebruiker gedefinieerde items.
Getijden
Toont getijdeninformatie voor het dichtstbijzijnde getijdenstation. Het systeem toont de
beschikbare getijdenstations. Selecteer er een uit de lijst om details te bekijken.
Alarmen
Dialoogvensters voor actieve en eerdere alarmen. Hier vindt u ook het dialoogvenster
Alarminstellingen met de opties voor alle beschikbare systeemalarmen.
Vaartuigen
De statuslijst toont de status en beschikbare gegevens voor de volgende vaartuigtypen:
• AIS
• DSC
Op het tabblad Berichten worden berichten weergegeven die van andere vaartuigen zijn
ontvangen. Selecteer een bericht in de lijst om details ervan weer te geven.
Zie "AIS" op pagina 77 voor meer informatie.
TripIntel
Met TripIntel kunt u informatie over trips opslaan en ophalen. Zie "TripIntel" op pagina 50.
Zon, maan
Toont zonsopgang, zonsondergang, maansopgang en maansondergang voor een positie,
op basis van de ingevoerde datum en de lengte/breedtegraad van de positie.
Opslagtemperatuur
Toegang tot het bestandsbeheersysteem. Hiermee kunt u de inhoud van het interne
geheugen van de unit en op de unit aangesloten opslagapparaten bekijken en beheren.
Ontdek
Zoekfunctie voor kaartitems (waypoints, routes, tracks enz.).
Store
Maakt verbinding met de internetwinkel van Navico. In deze winkel kunt u producten
bekijken en aanschaffen, ontgrendelcodes voor functies verkrijgen, compatibele kaarten voor
uw systeem downloaden en nog veel meer.
Ú Notitie: Het apparaat moet verbonden zijn met internet om deze functie te gebruiken.
Zie "Internetgebruik" op pagina 4.
Tools en instellingen | NSO evo3S Gebruikershandleiding
175
Instellingen
Systeeminstellingen
Taal
Hiermee stelt u de taal in die op deze unit wordt gebruikt.
Bootinstellingen
Deze optie wordt gebruikt om de fysieke kenmerken van de boot te specificeren.
Tekstgrootte
Wordt gebruikt voor het instellen van de tekstgrootte in menu's en dialogen.
Toetstonen
Regelt het volume van het piepgeluid dat te horen is wanneer er fysieke interactie met de
unit plaatsvindt.
Tijd
Configureer de tijdsinstellingen voor de locatie van het vaartuig en de weergave van datum
en tijd.
Satellieten
De optie Satellieten geeft een grafische weergave en numerieke waarden weer voor
beschikbare satellieten.
Ú Notitie: De inhoud van de dialoogvensters Satellieten varieert afhankelijk van de
aangesloten antenne.
In dit dialoogvenster kunt u de actieve GPS-sensor selecteren en configureren.
Pincode
Stelt een pincode in om ongeoorloofde toegang tot uw systeeminstellingen te voorkomen.
Ú Notitie: Noteer de Pincode en bewaar deze op een veilige plaats.
Als u wachtwoordbeveiliging instelt, moet de pincode worden ingevoerd wanneer een van
de volgende opties wordt geselecteerd. Als de juiste pincode is ingevoerd, zijn deze allemaal
toegankelijk zonder de pincode opnieuw te hoeven invoeren.
176
Tools en instellingen | NSO evo3S Gebruikershandleiding
• Instellingen, geactiveerd vanaf de Home pagina of in het dialoogvenster Systeem
regelingen.
• Alarmen, geactiveerd vanaf de werkbalk
• Opslag, geactiveerd vanaf de werkbalk
• Winkel, geactiveerd vanaf de werkbalk
Fabrieksinstellingen terugzetten
Hiermee stelt u de geselecteerde instellingen terug in op de standaard fabriekswaarden.
Ú Notitie: Als u waypoints, routes of tracks en trips selecteert, worden deze permanent
verwijderd.
Voedingsregeling
Instelling die bepaalt hoe de unit reageert op het signaal uit de voedingsregelingsdraad.
Raadpleeg de installatiehandleiding van de unit voor meer informatie.
Geavanceerd
Wordt gebruikt voor het configureren van geavanceerde instellingen. Hier kunt u bovendien
instellen op welke manier uw systeem verschillende gebruikersinterfacegegevens weergeeft.
Registratie
U wordt gevraagd uw apparaat te registreren.
Info over
Hier worden de copyrightgegevens, de softwareversie en de technische informatie van dit
apparaat weergegeven.
Via de optie Support hebt u toegang tot de ingebouwde Service Assistant. Raadpleeg
"Servicerapport" op pagina 182.
Services
Voor toegang tot websites die functies voor services leveren.
Tools en instellingen | NSO evo3S Gebruikershandleiding
177
31
Menu Alarms (Alarmen)
Over het alarmsysteem
Als het systeem is ingeschakeld, wordt er voortdurend gecontroleerd op gevaarlijke situaties
en systeemfouten.
Typen meldingen
De meldingen worden geclassificeerd naar gelang de gevolgen die de gerapporteerde
situatie voor uw vaartuig heeft. De volgende kleurcodes worden gebruikt:
Kleur
Betekenis
Rood
Kritiek alarm
Geel
Standaardalarm
Oranje
Blauw
Groen
Belangrijk alarm
Waarschuwing
Lite-waarschuwing
Alarmindicatie
Een alarmsituatie wordt aangegeven met:
• een pop-up met een alarmmelding
• een alarmpictogram in de statusbalk, waarbij de statusbalk knippert in de kleur van het
alarm
Als u de sirene hebt geactiveerd, wordt de alarmmelding gevolgd door een geluidsalarm.
Een enkelvoudig alarm wordt getoond met de naam van het alarm als de titel, en details
voor het alarm.
Als er meer dan één alarm tegelijk actief is, kunnen in het pop-upvenster Alarmen 3
alarmmeldingen worden weergegeven. De alarmen staan op volgorde van gebeurtenis, met
bovenaan het alarm dat het laatst geactiveerd is. De andere alarmen worden weergegeven
in het dialoogvenster Alarmen.
Een melding bevestigen
De opties in het alarmdialoogvenster voor het bevestigen van een melding variëren
afhankelijk van het alarm:
• Sluiten. Hiermee stelt u de alarmstatus in op bevestigd. De sirene/zoemer stopt en het
dialoogvenster Alarmen wordt verwijderd. Het alarm blijft echter actief in het
alarmoverzicht totdat de reden voor het alarm is verdwenen.
• Uitschakelen. Deactiveert de huidige alarminstelling. Het alarm wordt niet meer
getoond tenzij u dit weer inschakelt in het dialoogvenster Alarminstellingen.
Er geldt geen time-out voor een bericht of de sirene. Deze blijven actief tot u ze bevestigt of
tot de reden voor het bericht is verwijderd.
Alarmen
Sirene geactiveerd
Schakelt de sirene in/uit.
178
Menu Alarms (Alarmen) | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Dialoogvensters Alarmen
De dialoogvensters Alarmen worden geactiveerd vanuit het dialoogvenster
Alarminstellingen of door de knop Alarm op de werkbalk te selecteren.
Actieve alarmen
Vermeldt alle actieve alarmen met details. Alarmen blijven actief tot u ze bevestigt of tot de
reden voor het alarm is verwijderd.
Alarmhistorie
Overzicht van de alarmgeschiedenis met tijdstempel. De alarmen blijven in de lijst totdat ze
handmatig worden gewist.
Instellingen
Overzicht van beschikbare alarmopties in het systeem, met huidige instellingen.
In deze lijst kunt u alarmlimieten activeren, deactiveren en wijzigen.
Menu Alarms (Alarmen) | NSO evo3S Gebruikershandleiding
179
32
Onderhoud
Preventief onderhoud
De unit bevat geen onderdelen die door de gebruiker kunnen worden onderhouden. De
gebruiker hoeft daarom slechts in zeer beperkte mate preventief onderhoud uit te voeren.
Zonnescherm
Aangeraden wordt om het zonnescherm altijd te plaatsen als de unit niet in gebruik is.
Reinigen van de display-unit
Het scherm reinigen:
• Gebruik een microvezeldoekje of een zacht katoenen doekje om het scherm te reinigen.
Gebruik voldoende water om achtergebleven zoutresten op te lossen en weg te spoelen.
Gekristalliseerd zout, zand, vuil etc. kan de beschermende coating beschadigen als er een
vochtige doek wordt gebruikt. Besproei de unit met schoon water en droog de unit
vervolgens met een microvezeldoekje of zacht katoenen doekje. Oefen geen druk uit met
de doek.
Behuizing reinigen:
• Gebruik warm water met een beetje vloeibaar afwasmiddel of reinigingsmiddel.
Gebruik geen reinigingsmiddelen die schuurmiddelen of oplosmiddelen (aceton, minerale
terpentine, etc.), zuur, ammoniak of alcohol bevatten, omdat het display en de plastic
behuizing daardoor beschadigd kunnen raken.
Let op:
• gebruik geen hogedrukspuit
Controleren van de connectoren
Duw de stekkers in de connector. Als de connectoren zijn voorzien van een vergrendeling of
een positieknop , moet u ervoor zorgen dat deze in de juiste stand staat.
Kalibratie touchscreen
Gebruik de optie Systeeminstellingen om het aanraakscherm te kalibreren.
Software updates
Zorg dat u eerst een back-up maakt van mogelijk waardevolle gebruikersgegevens voordat u
een update op de unit uitvoert.
Geïnstalleerde software en software-updates
Het dialoogvenster toont de softwareversie die op dit moment is geïnstalleerd op deze unit
(A).
Als de unit is verbonden met internet toont het dialoogvenster tevens beschikbare softwareupdates (B).
180
Onderhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
De software updaten indien verbonden met internet
Als de unit is verbonden met internet, zal het systeem automatisch controleren of er
software-updates zijn voor de unit en aangesloten apparaten.
Ú Notitie: Sommige softwarebestanden kunnen groter zijn dan de beschikbare ruimte in
het interne geheugen van de unit. In dat geval wordt u gevraagd een geheugenkaart of
USB-opslagapparaat in de unit te plaatsen.
Ú Notitie: Plaats geen software-updatebestanden op geheugenkaarten met kaarten.
Ú Notitie: Schakel de unit of het apparaat op afstand niet uit tot de update is voltooid of
tot u wordt gevraagd de unit opnieuw op te starten.
U ontvangt een bericht wanneer er nieuwe software-updates beschikbaar zijn. U kunt
handmatig de update(s) starten vanuit het dialoogvenster Updates.
De software updaten vanaf een opslagapparaat
U kunt de software-update downloaden van:
www.simrad-yachting.com
Breng de update-bestanden over naar een compatibel opslagapparaat en plaats het
opslagapparaat in de unit.
Ú Notitie: Plaats geen software-updatebestanden op geheugenkaarten met kaarten.
Updaten van alleen deze unit:
• start de unit opnieuw op om de update vanaf het opslagapparaat te starten
Deze unit of een aangesloten apparaat updaten:
• Selecteer het updatebestand in het dialoogvenster
Onderhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
181
Ú Notitie: Schakel de unit of het aangesloten apparaat niet uit tot de update is voltooid of
tot u wordt gevraagd de unit opnieuw op te starten.
Servicerapport
Het systeem heeft een ingebouwde Service Assistant die een rapport opstelt over de unit.
Het servicerapport wordt gebruikt voor technische ondersteuning.
Het kan ook informatie bevatten over apparaten die zijn aangesloten op het netwerk of de
netwerken.
Dit rapport bevat de softwareversie, het serienummer en informatie uit het
instellingenbestand.
Als u eerst de technische ondersteuning belt voordat u het rapport hebt gemaakt, kunt u
een incidentnummer invoeren om het incident te volgen. U kunt screenshots en
logbestanden aan het rapport toevoegen.
Ú Notitie: De bijlagen van het rapport mogen maximaal 20 MB groot zijn.
Het rapport kan worden opgeslagen op een opslagapparaat en per e-mail worden
verzonden naar de technische ondersteuning.
U kunt het ook rechtstreeks uploaden als u een internetverbinding hebt.
Back-up maken van uw systeemgegevens
Het wordt aanbevolen gebruikersgegevens en uw instellingendatabase regelmatig te
kopiëren, als onderdeel van uw back-upprocedure.
Waypoints
Met de optie Waypoints in het dialoogvenster Opslag kunt u gebruikersgegevens opslaan.
182
Onderhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Exportindeling
De volgende indelingen zijn beschikbaar om waypoints te exporteren:
• Gebruikersgegevensbestand versie 6
Voor het exporteren van waypoints, routes en gekleurde tracks/trails.
• Gebruikersgegevensbestand versie 5
Dit wordt gebruikt voor het exporteren van waypoints en routes met een
gestandaardiseerde, universeel unieke identificatie (UUID). Dit is een zeer betrouwbare en
gebruiksvriendelijke methode. De gegevens bestaan onder meer uit informatie over de
tijd en datum waarop een route is aangemaakt.
• Gebruikersgegevensbestand versie 4
Dit kan het beste gebruikt worden bij de overdracht van gegevens van het ene naar het
andere systeem, omdat hierin alle extra gegevens staan die deze systemen vastleggen.
• Gebruikersgegevensbestand 3 (zonder diepte)
Dient gebruikt te worden bij de overdracht van gebruikersgegevens van het ene systeem
naar een verouderd product
• Gebruikersgegevensbestand 2 (zonder diepte)
Kan gebruikt worden bij de overdracht van gebruikersgegevens van het ene systeem naar
een verouderd product
• GPX (GPS Exchange, zonder diepte)
Dit is de meest gebruikte indeling op het web en wordt wereldwijd door de meeste GPSsystemen gebruikt. Gebruik dit formaat als u gegevens overzet naar de unit van een
concurrent.
Alle waypoints exporteren
De optie Exporteren wordt gebruikt voor het exporteren van alle waypoints, routes, tracks en
trips.
Ú Notitie: U kunt de exportopslagfunctie gebruiken om de informatie naar een
geheugenkaart te exporteren. Plaats vervolgens de kaart in een ander apparaat en
selecteer het bestand op de geheugenkaart dat u wilt importeren.
Ú Notitie: Gebruik geen geheugenkaarten met een kaartproduct voor het exporteren/
importeren van gegevens.
Regio exporteren
Met de optie Regio exporteren kunt u het gebied selecteren waarvan u de gegevens wilt
exporteren.
1. Selecteer de optie Regio exporteren.
2. Markeer het gebied dat u wilt exporteren door het kader te slepen.
3. Selecteer de optie Exporteren in het menu.
4. Selecteer het juiste bestandsformaat.
5. Selecteer de optie Exporteren om naar de geheugenkaart te exporteren.
Ú Notitie: U kunt de functie voor het opslaan van geëxporteerde regio's gebruiken om de
informatie naar een geheugenkaart te exporteren. Plaats vervolgens de kaart in een
ander apparaat en selecteer het bestand op de geheugenkaart dat u wilt importeren.
Ú Notitie: Gebruik geen geheugenkaarten met een kaartproduct voor het exporteren/
importeren van gegevens.
Onderhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
183
Gebruikersgegevens definitief verwijderen
Verwijderde gebruikersgegevens blijven bewaard in het geheugen van de unit totdat de
gegevens definitief worden verwijderd. Als u veel verwijderde, niet definitief verwijderde
gebruikersgegevens hebt, kunt u de systeemprestaties verbeteren door deze te definitief te
verwijderen.
Ú Notitie: Gebruikersgegevens die uit het geheugen zijn gewist of verwijderd, kunnen niet
worden hersteld.
De instellingendatabase exporteren
Met de optie Instellingendatabase in het dialoogvenster Opslag exporteert u uw
gebruikersinstellingen.
Systeeminstellingen importeren
Waarschuwing: Bij het importeren van systeeminstellingen worden alle
bestaande systeeminstellingen overschreven.
1
2
184
Sluit een opslagapparaat aan op de unit
Blader door het geheugen en selecteer het gewenste back-upbestand om het
importeren te starten
Onderhoud | NSO evo3S Gebruikershandleiding
33
Integratie van apparaten van derden
Een aantal apparaten van derden kan met de unit worden verbonden. De applicaties worden
op aparte panelen getoond of zijn geïntegreerd in andere panelen.
Apparaten die met het NMEA 2000® netwerk worden verbonden, worden automatisch
geïdentificeerd door het systeem. Als dat niet het geval is, kunt u deze functie inschakelen
onder geavanceerde opties in het dialoogvenster Systeeminstellingen.
U kunt een apparaat van derden bedienen via menu's en dialoogvensters, net zoals op de
ander panelen.
Deze handleiding geeft geen specifieke bedieningsinstructies voor apparaten van derden.
Raadpleeg de documentatie van het apparaat voor informatie over functies en
functionaliteit.
Integratie SmartCraft VesselView
Wanneer een compatibel Mercury Marine VesselView product of VesselView Link aanwezig is
op het NMEA 2000® netwerk, kunnen de motoren worden bewaakt en bediend vanaf de
unit.
Als de functie ook is ingeschakeld in het dialoogvenster Geavanceerde instellingen:
• Er wordt een Mercury pictogram toegevoegd aan de home pagina - selecteer deze optie
om het instrumentenpaneel van de motor weer te geven.
U kunt aanpassen welke gegevens worden weergegeven op het instrumentenpaneel. Zie
"Instrumenten" op pagina 154.
• Er wordt een dialoogvenster met Mercury instellingen toegevoegd - gebruik dit
dialoogvenster om de instellingen van de motor te wijzigen.
• Er worden ook Mercury en Vaartuigregeling knoppen toegevoegd aan de bedieningsbalk.
- Door het selecteren van de Mercury knop worden de motor- en vaartuiggegevens
weergegeven.
- Door het selecteren van de Vaartuig knop wordt de motorbedieningsunit geopend.
Wanneer de functies zijn ingeschakeld, wordt de gebruiker mogelijk gevraagd om informatie
over basisinstellingen op te geven.
Raadpleeg voor meer informatie de VesselView handleiding of de motorleverancier.
Ondersteuning meerdere IP-camera's
U kunt meerdere IP-camerabronnen aan het systeem toevoegen. De video van de
camerabron kan vervolgens op het videopaneel worden weergegeven. De menu-optie
Cyclus in het videopaneel kan ook worden gebruikt om door de verschillende camera's in
het paneel te gaan.
Ondersteunde IP-camera's
De volgende IP-camera's worden ondersteund:
• AXIS P1244 A
• IP CAM-1
• IRIS S460
Cameravereisten
Het volgende is vereist om een camera aan het system toe te voegen:
• IP-camera met Ethernet-verbinding
• H.264 video-indeling met RTSP-streaming
• Het URL-adres van de camera (en gebruikersnaam/wachtwoord indien van toepassing)
Camera-instellingen
Gebruik om IP-camera's te beheren, raadpleeg de installatiehandleiding.
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
185
Camera's beheren
Gebruik om gedefinieerde camera's te beheren.
Camera toevoegen
Gebruik dit om een nieuwe camera toe te voegen. Raadpleeg de documentatie van de
camera.
FLIR® camerabediening
Als er een compatibele camera uit de FLIR® M-serie beschikbaar is in het Ethernet-netwerk,
kunt u de video weergeven en de camera bedienen vanaf het systeem.
Wanneer de verbinding met een FLIR® camera tot stand is gebracht, wordt het menu
aangepast zodat u de FLIR® camera kunt bedienen.
Ú Notitie: U kunt de camerabediening overnemen van elke met het Ethernet-netwerk
verbonden unit.
Ondersteunde FLIR®-camera's
De volgende FLIR®-camera's worden ondersteund:
• FLIR® M232
• FLIR® M300 serie
De FLIR® IP-camera inschakelen
If a FLIR® camera is available on the Ethernet network, enable the feature in the Advanced
settings dialog. This allows you to display video and control the camera from the MFD.
Verbinding maken met de FLIR® videocamera
Wanneer een videopaneel actief is, herkent de unit automatisch de compatibele FLIR®
camera, als deze beschikbaar is op het Ethernet-netwerk.
Ú Notitie: Slechts één FLIR® camera kan worden verbonden met het Ethernet-netwerk.
Als u een videopaneel activeert, gaat het systeem op het Ethernet-netwerk een compatibele
FLIR® camera zoeken.
Verbroken verbindingen worden aangegeven op het paneel. Selecteer de indicatie om de
verbinding opnieuw tot stand te brengen.
Wanneer de verbinding tot stand is gebracht, biedt het menu weer toegang tot de FLIR®
camera om deze te bedienen.
Ú Notitie: U kunt de camerabediening overnemen van elke met het Ethernet-netwerk
verbonden compatibele unit.
186
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Pannen en kantelen met de FLIR® camera
Wanneer de verbinding met de FLIR® camera tot stand is gebracht, verschijnen er
paneelknoppen voor pannen en kantelen op het videopaneel. Met de pijltoetsen links en
rechts kunt u de camera pannen. Met de pijltoetsen omhoog en omlaag kantelt u de camera.
Selecteer een van de pijltoetsen op het paneel om de camera te bedienen. De camera blijft
bewegen zolang u op de knop drukt.
Zoomen op het FLIR® videobeeld
U kunt het videobeeld zoomen met de knoppen op het zoompaneel.
Er zijn twee zoomopties beschikbaar, afhankelijk van de bronoptie die u hebt geselecteerd
voor de FLIR® camera:
• Digitale zoom
Alleen beschikbaar als op de camera de infraroodmodus is geactiveerd. In deze modus
wordt de zoom voorgesteld in niveaus (0, 2 en 4 keer zoom). Met elke druk op een
zoomknop wordt het zoomniveau verhoogd of verlaagd.
• Optische zoom
Beschikbaar in daglichtmodus. In deze modus zoomt de camera verder in/uit zo lang u
een knop op het zoompaneel ingedrukt houdt.
De startpositie van de FLIR® camera
U kunt de huidige pan- en kantelpositie als de beginpositie van de camera instellen.
U kunt later snel terugkeren naar deze camerapositie.
De opties voor de FLIR® camerabron
De FLIR® camera heeft videobronnen met zowel daglicht als infrarood.
Wanneer infrarood is geselecteerd als bron, zijn de volgende opties beschikbaar:
• Kleurenschema wisselen
Hiermee navigeert u door het kleurenschema van de FLIR® video-uitvoer. Met elk van deze
schema's wordt een andere kleur gekoppeld aan een andere temperatuur.
• Polariteit wisselen
Hiermee keert u het kleurenschema om.
Integratie van Mercury buitenboordmotor
De multifunctionele displays (MFD's) ondersteunen nu de Mercury Verado 600 pk en SeaPro
500 pk V12 motoren. Wanneer een compatibele buitenboordmotor aanwezig is in het NMEA
2000® netwerk, kan deze worden bewaakt en bediend vanaf de unit.
Voor de nieuwe V12 buitenboordmotoren toont het Mercury bedieningspaneel de volgende
nieuwe functies in het menu Meer:
• Olie
- Controle van oliepeil
- Oliedruk
• Transmissievloeistof
• Onderhoud
- Motoruren
- Levensduur olie
• Stuurhoekindicator
Op de balk Vaartuigregeling wordt ook een propellerpictogram weergegeven bij gebruik
van op toerental gebaseerde cruise control of Smart Tow. Raadpleeg "Vaartuigregeling" op
pagina 190 voor meer informatie.
De motor instellen
Wanneer de unit voor het eerst wordt gestart nadat de nieuwe Mercury V12
buitenboordmotoren zijn aangesloten op de NMEA 2000®, moet u het toestel configureren.
Open het dialoogvenster Mercury instellingen en open de wizard voor systeeminstallatie.
Volg de instructies van de installatiewizard om een aantal belangrijke instellingen voor
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
187
buitenboordmotoren te selecteren en selecteer vervolgens Voltooien. U kunt de installatie
voltooien met de opties voor systeeminstellingen. De instellingen die u met de wizard heeft
gedaan kunt u later wijzigen.
Mercury bedieningspaneel openen
Als u het bedieningspaneel voor Mercury wilt openen, selecteert u het Mercury-pictogram
op de bedieningsbalk. Op het paneel worden motor- en vaartuiggegevens weergegeven.
Menu Meer voor Mercury
Olie
Toegang tot het bekijken van oliepeil- en oliedrukgegevens.
188
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Controle van oliepeil
De nieuwe functie voor geforceerde controle van het oliepeil stelt de gebruiker in staat op
elk gewenst moment een rapport over het oliepeil op te vragen. Afhankelijk van de toestand
geeft de motor de volgende statussen van het oliepeil aan:
• Hoog
• Goed
• Laag
• Kritiek laag
• Omstandigheden laag
• Controleren
• Niet beschikbaar
Notitie: De controle van het oliepeil kan enkele minuten duren, afhankelijk van de
motoromstandigheden.
Oliedruk
Toont individuele oliedrukgegevens voor bakboord- en stuurboordmotoren.
Transmissievloeistof
Toegang om transmissievloeistofgegevens te bekijken. Afhankelijk van de status rapporteert
de motor de volgende transmissievloeistofstatussen:
• OK
• Fout
• Niet beschikbaar
Onderhoud
Met de menuoptie Onderhoud worden onderhoudsgegevens voor de motor weergegeven
die zijn bedoeld om u te helpen de motoren in optimale conditie te houden. Wanneer de
motoren onderhoud nodig hebben, verschijnt er een bericht Onderhoud nodig op het
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
189
paneel. Ook worden onderhoudspictogrammen weergegeven om aan te geven waar
onderhoud moet worden uitgevoerd.
Motoruren
Geeft de totale bedrijfstijd weer voor bakboord- en stuurboordmotoren.
Levensduur olie
Geeft voortgangsbalken weer voor bakboord en stuurboord, die aangeven wanneer u olie
moet verversen. U kunt de voortgangsbalk resetten vanuit het dialoogvenster Levensduur
olie.
Stuurhoekindicator
De nieuwe Mercury V12 Verado buitenboordmotoren hebben een onafhankelijk bestuurbare
tandwielkast. Om een constant stuurbewustzijn te garanderen, wordt op het paneel op de
Mercury Home pagina standaard de stuurhoekindicator weergegeven. De indicator
verschuift van bakboord naar stuurboord, afhankelijk van de beweging van de boot.
A
Stuurhoekindicator
C
Indicatiebalk voor stuurhoek
B
Middelpunt
Vaartuigregeling
Wanneer een compatibel Mercury Marine VesselView product of VesselView Link aanwezig is
op het NMEA 2000® netwerk, kunnen de motoren worden bewaakt en bediend vanaf de
unit. Bij selectie van de knop Vaartuigregeling wordt de motorbedieningsunit geopend.
Met het systeem kunt u maximaal zes motoren tegelijk bewaken.
190
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Cruise control
De nieuwe Mercury Verado 600 pk en SeaPro 500 pk V12 buitenboordmotoren hebben een
transmissie met twee versnellingen. Bij gebruik van op toerental gebaseerde cruise control of
Smart Tow wordt de schroef TPM weergegeven in de bedieningsbalk en komt het
geselecteerde TPM-instelpunt mogelijk niet overeen met de motor TPM. De motor corrigeert
het vermogen om de juiste schroef TPM te handhaven.
Paneel voor cruise control voor Mercury Verado 600 pk en SeaPro 500 pk V12
buitenboordmotoren:
A
Schroef TPM
C
Bakboordmotor TPM
B
D
Gewenste schroef TPM
Stuurboordmotor TPM
Paneel voor cruise control voor andere Mercury buitenboordmotoren:
A
Motor TPM
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
191
B
Gewenste TPM (motor)
D
Stuurboordmotor TPM
C
Bakboordmotor TPM
Smart Tow
Smart Tow is ontworpen om de optimale start- en cruisesnelheid te bieden voor het trekken
van skiërs, tubers of wakeboarders. Voor de nieuwe Mercury Verado 600 pk en SeaPro 500 pk
V12 motoren, die een transmissie met twee versnellingen hebben, biedt de menuoptie
Ski/Tow een duidelijke indicatie van de gebruikte modus. In de toerentalmodus wordt de
schroef TPM weergegeven op de bedieningsbalk en heeft het geselecteerde
toerentalinstelpunt mogelijk niet dezelfde waarde als de motor TPM. De motor corrigeert het
vermogen om de juiste schroef TPM te handhaven.
Smart Tow bedieningspaneel voor Mercury Verado 600 pk en SeaPro 500 pk V12
buitenboordmotoren:
A
Gewenste schroef TPM
C
Bakboordmotor TPM
B
D
Schroef TPM
Stuurboordmotor TPM
Smart Tow bedieningspaneel voor andere Mercury buitenboordmotoren:
A
Gewenste TPM (motor)
C
Bakboordmotor TPM
B
D
192
Motor TPM
Stuurboordmotor TPM
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Integratie Suzuki® motor
Indien een Suzuki® C-10 meter of een Suzuki® motorinterfacesensor beschikbaar is op het
NMEA 2000® netwerk, kunnen de motoren vanuit de unit worden bewaakt.
Als de functie ook is ingeschakeld in het dialoogvenster Geavanceerde instellingen:
• Er wordt een Suzuki® pictogram toegevoegd aan de startpagina - selecteer deze optie om
het instrumentenpaneel van de motor weer te geven.
U kunt aanpassen welke gegevens worden weergegeven op het instrumentenpaneel. Zie
"Instrumenten" op pagina 154.
Raadpleeg voor meer informatie de motorhandleiding of de motorleverancier.
Integratie van Suzuki® motorgateway
Indien er een Suzuki® motorgateway, Suzuki® C-10 meter, Suzuki® motorinterfacesensor of
een Suzuki® SMG4 motormeter beschikbaar is op het NMEA 2000® netwerk, kunnen de
motoren vanuit het MFD worden bewaakt. Als de functie ook is ingeschakeld in het
dialoogvenster Geavanceerde instellingen:
• Er wordt een Suzuki® symbool toegevoegd aan het startscherm. Selecteer het om het
instrumentenpaneel van de motor weer te geven.
• Pop-ups voor Suzuki® alarmen zijn ingeschakeld (alleen Suzuki® motorgateway en Suzuki®
C-10 meter).
U kunt aanpassen welke gegevens er worden weergegeven op het instrumentenpaneel.
Raadpleeg voor meer informatie de documentatie bij het product, de motorhandleiding of
de motorleverancier.
Integratie van Yamaha® motoren
Als een compatibele Yamaha® gateway is verbonden met het NMEA 2000® netwerk, kunnen
de motoren vanuit de unit worden bewaakt.
Als de functie ook is ingeschakeld in het dialoogvenster Geavanceerde instellingen:
• Er wordt een Yamaha® pictogram toegevoegd aan de home pagina. Selecteer deze optie
om het instrumentenpaneel van de motor weer te geven.
U kunt aanpassen welke gegevens worden weergegeven op het instrumentenpaneel. Zie
"Instrumenten" op pagina 154.
• Als het Yamaha® systeem Troll Control ondersteunt, is een Troll knop toegevoegd aan de
bedieningsbalk. Selecteer deze knop om Troll Control in of uit te schakelen en de
trollingsnelheid te regelen.
Raadpleeg voor meer informatie de motorhandleiding of de motorleverancier.
Integratie BRP® motor
Indien een BRP® motorbedieningseenheid beschikbaar is op het NMEA 2000® netwerk,
kunnen de BRP® motoren worden bewaakt en bestuurd vanuit de unit. Wanneer de functie
beschikbaar is, wordt een BRP® pictogram toegevoegd aan de startpagina.
Er worden maximaal twee bedieningsunits en vier motoren ondersteund.
Als de functie ook is ingeschakeld in het dialoogvenster Geavanceerde instellingen:
• Er wordt een BRP® pictogram toegevoegd aan de startpagina. Selecteer deze optie om het
instrumentenpaneel van de motor weer te geven.
U kunt aanpassen welke gegevens worden weergegeven op het instrumentenpaneel. Zie
"Instrumenten" op pagina 154.
• Er wordt een dialoogvenster met BRP® instellingen toegevoegd - gebruik dit
dialoogvenster om de instellingen van de motor te wijzigen.
• Er wordt een BRP® knop toegevoegd aan de bedieningsbalk - als u deze knop selecteert,
wordt de motorregeling geopend. Gebruik de motorbedieningsunit om de motoren te
bedienen.
Raadpleeg voor meer informatie de motorhandleiding of de motorleverancier.
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
193
FUSION-Link™ integratie
Compatibele FUSION-Link™ apparaten die zijn aangesloten op het systeem kunnen worden
bediend vanaf het systeem.
De FUSION-Link™ apparaten verschijnen als aanvullende bronnen wanneer de audiofunctie
wordt gebruikt. Er zijn geen aanvullende pictogrammen beschikbaar.
Zie "Audio" op pagina 157 voor meer informatie.
BEP® CZone® integratie
De unit kan worden geïntegreerd met het BEP® CZone® systeem. Het systeem wordt gebruikt
voor het bedienen en bewaken van een gedistribueerd voedingssysteem op uw vaartuig.
Het CZone® pictogram is beschikbaar op de werkbalk op de Home pagina wanneer een
CZone® systeem beschikbaar is op het netwerk.
Uw CZone® systeem is geleverd met een afzonderlijke handleiding.
Raadpleeg deze documentatie en de installatiehandleiding van de unit voor het installeren
en configureren van het CZone® systeem.
CZone® paneel wordt niet geopend bij opstarten
Het CZone® paneel op volledig scherm wordt nu standaard niet geopend bij het opstarten.
Als het paneel al op uw unit wordt geopend bij het opstarten en u dit niet wilt, kunt u dit
uitschakelen in het dialoogvenster CZone® instellingen.
CZone® dashboard
Als de CZone® is geïnstalleerd en geconfigureerd, wordt een CZone® dashboard aan de
instrumentenpanelen toegevoegd.
U schakelt tussen dashboardpanelen door op het paneel naar links of rechts te vegen of door
het dashboard te selecteren in het menu.
Een CZone® dashboard wijzigen
U kunt een CZone® dashboard aan uw wensen aanpassen door de gegevens voor elk van de
meters te wijzigen. Beschikbare bewerkingsopties zijn afhankelijk van het type meter en de
gegevensbronnen die op het systeem aangesloten zijn.
Raadpleeg "Instrumenten" op pagina 154 voor meer informatie.
CZone® digitale switching bedieningsbalk
Een CZone® digital switching apparaat kan worden aangesloten op het NMEA 2000® netwerk
en zo worden geconfigureerd dat bediening via de bedieningsbalk van het MFD mogelijk is.
De digital switching balk wordt automatisch in de bedieningsbalk weergegeven wanneer
het CZone® digital switching apparaat is geconfigureerd om in de bedieningsbalk te worden
opgenomen. Raadpleeg de documentatie van het CZone® digital switching apparaat voor
informatie over hoe u het apparaat kunt configureren zodat het in de bedieningsbalk wordt
opgenomen.
Dialoogvenster Digital Switching Configuratie
CZone® digital switching apparaten kunnen worden uitgeschakeld in het dialoogvenster
Digital switching configuratie.
194
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
• Deselecteer de apparaten die moeten worden verwijderd uit de bedieningsbalk.
• Selecteer Geen om alle CZone® apparaten uit de bedieningsbalk te verwijderen.
Er kunnen meerdere switching apparaten op het netwerk worden aangesloten. Als u meer
dan het maximum aantal apparaten tegelijk probeert weer te geven, krijgt u een bericht dat
het maximum is bereikt.
CZone® digitale switching bedieningsbalk
Indien correct geconfigureerd en ingesteld, kan het CZone® digital switching apparaat
worden bediend via de bedieningsbalk.
Knoppen van de bedieningsbalk
De knop geeft de status van de schakelaar aan.
Uit (zwart)
De schakelaar staat UIT.
Aan (blauw)
De schakelaar staat AAN.
Fout (rood)
Er is een schakelaar- of communicatiefout.
Communicatiefout
Als er een communicatiefout optreedt tussen het MFD en het CZone® digital switching
apparaat, wordt er een foutmelding weergegeven in de bedieningsbalk.
Power-Pole® ankers
Power-Pole® ankers, die kunnen worden aangestuurd door het op uw boot geïnstalleerde CMonster™ Control System, kunnen worden bediend via de unit. Om de Power-Pole® te
kunnen bedienen, dient u deze te koppelen met de unit via de op beide producten
beschikbare draadloze Bluetooth® technologie.
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
195
Power-Pole® bediening
Als Bluetooth® is ingeschakeld, wordt de knop Power-Pole® weergegeven in de
bedieningsbalk. Selecteer deze knop om de Power-Pole® controller weer te geven.
Raadpleeg "Bluetooth® opties" op pagina 167 voor het koppelen van Bluetooth® apparaten.
Zie ook "Koppelen met dual Power-Pole®" op pagina 196 als u een tweevoudige Power-Pole® wilt
koppelen.
Als de Power-Pole® controller is geopend, maakt het systeem verbinding met gekoppelde
Power-Pole® ankers. Wanneer de verbinding wordt bevestigd, worden de
bedieningsknoppen ingeschakeld.
De Power-Pole® controller geeft bedieningsknoppen weer voor elke Power-Pole® die is
gekoppeld met de unit.
Druk één keer op de AUTO-knoppen om de Power-Pole® ankers automatisch helemaal op te
halen en neer te laten. Met de handmatige knoppen Omhoog en Omlaag kunt u de poles zo
ver omhoog of omlaag brengen als u wilt.
Enkele Power-Pole® controller
Tweevoudige Power-Pole® controller
Met een tweevoudige controller kunt u de Power-Pole® ankers afzonderlijk ophalen en
neerlaten, of u kunt de sync (links) knop indrukken om beide te kunnen bedienen door één
keer de auto-knoppen in te drukken of met de handmatige knoppen Omhoog en Omlaag.
Blijf verbonden
Selecteer de knop Instellingen op de Power-Pole® controller om het dialoogvenster PowerPole® instellingen te openen waar u kunt instellen dat u verbonden wilt blijven met alle
gekoppelde Power-Pole® ankers.
Ú Notitie: Door Blijf verbonden te selecteren hebt u sneller toegang tot de
bedieningsfuncties, maar u kunt de ankers dan niet bedienen vanaf een andere unit.
Schakel deze optie uit als u verbinding wilt kunnen maken vanaf andere units.
In het dialoogvenster Power-Pole® instellingen kunt u ook Power-Pole® ankers toevoegen of
verwijderen. Met deze optie opent u hetzelfde dialoogvenster Bluetooth® apparaten dat u
opent in het dialoogvenster Draadloze instellingen. Zie "Bluetooth® opties" op pagina 167.
Koppelen met dual Power-Pole®
Als er op uw boot twee Power-Pole® ankers zijn geïnstalleerd, wordt in de Power-Pole®
bediening het anker dat als eerste wordt gekoppeld automatisch ingesteld als bakboord en
het tweede als stuurboord.
Als u dit wilt omwisselen, moet u de verbonden Power-Pole® ankers ontkoppelen. Schakel
vervolgens Bluetooth® uit en weer in via het dialoogvenster met draadloze instellingen om
het Bluetooth® geheugen te resetten. Zodra Bluetooth® weer is ingeschakeld, gaat u verder
met het koppelen van de Power-Pole® ankers in de juiste volgorde.
Power-Pole® oplaadmodule
Het Power-Pole® accuoplaadsysteem geeft informatie over de accustatus weer.
196
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Raadpleeg voor informatie over installatie, bedrading en instelling de Power-Pole®
documentatie die bij de oplaadmodule is geleverd.
A
Accu('s) van de motor
C
Power-Pole® oplaadmodule
B
D
E
Accu-aansluitingen
Hulpaccu('s)
Aansluiting voor AC-voedingsbron van oplaadmodule
Accupictogrammen
Kleur
Geeft aan
Groen
Goed niveau
Rood
Slecht/kritiek niveau
Geel
Matig niveau
Aansluitingen accu en AC-voedingsbron
Kleur
Geeft aan
Blauw
Stroomafgifte
Grijs
Geen stroom
Noodstroomoverdracht
Als de accu van de motor bijna leeg is en u stroom van de hulpaccu wilt overbrengen naar
de accu van de motor, selecteert u deze optie.
Waarschuwing: Het gebruik van een accu met een zeer laag laadniveau
kan de accu beschadigen.
Naviop
Als dit toestel zich op hetzelfde NMEA 2000®-netwerk bevindt als een Naviop Loop-systeem,
kan dit apparaat worden gebruikt om het Naviop Loop-systeem te bedienen.
Raadpleeg voor meer informatie de documentatie van het Naviop-systeem.
ITC Lighting
Een ITC Lighting controller kan worden aangesloten op het NMEA 2000® netwerk en kan zo
worden geconfigureerd dat bediening van de verlichting van uw vaartuig via de
bedieningsbalk van het MFD mogelijk is.
Raadpleeg de documentatie bij de ITC Lighting controller voor meer informatie over het
installeren van de controller.
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
197
De ITC Lighting controller activeren/deactiveren
Zodra de ITC Lighting controller is geïnstalleerd en verbonden met het NMEA 2000® netwerk
moet die in de bedieningsbalk verschijnen. Als die niet in de bedieningsbalk verschijnt, kunt
u die activeren in het dialoogvenster Geavanceerde instellingen.
U kunt het dialoogvenster Geavanceerde instellingen ook gebruiken om ITC Lighting in de
bedieningsbalk te deactiveren.
De ITC Lighting bedieningsbalk
A
Knop zonebeheer
C
Aanpassingen van helderheid van licht in de zone.
B
D
E
F
G
Selecteer om tussen zones te schakelen. De weergegeven zone wordt bediend
met onderstaande knoppen.
Schakelt de modus Snel wit in of uit. Selecteer om alle ontgrendelde en actieve
direct wit te maken, selecteer nogmaals om de zones terug te brengen naar de
vorige staat.
Aanpassingen van kleur van licht in de zone.
Schakelt de lichten in de zone in of uit.
Selecteer om de modus van de lichten in de zone te bepalen:
• Kleurvervaging
• Muziek synchroniseren
Geen aansluiting
Als er een verbindingsprobleem optreedt tussen het MFD en de ITC Lighting bediening,
wordt er een bericht met de melding Niet verbonden weergegeven in de bedieningsbalk.
198
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
NMEA 2000® RGBW Lighting
Waarschuwing: HET IS DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE GEBRUIKER
OM DIT APPARAAT TE GEBRUIKEN IN OVEREENSTEMMING MET ALLE
TOEPASSELIJKE WETTEN, VOORSCHRIFTEN EN VERORDENINGEN. Navico
aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid voor boetes, sancties of schade
die kunnen ontstaan als gevolg van enige nationale of lokale wet of
verordening met betrekking tot de wijziging van de verlichting van uw
schip. Raadpleeg de plaatselijke maritieme wetten en voorschriften om te
controleren of de verlichting aan de voorschriften voldoet.
Een RGBW Lighting controller kan worden aangesloten op het NMEA 2000® netwerk en zo
worden geconfigureerd dat de verlichting van uw vaartuig via de bedieningsbalk van het
MFD kan worden bediend. Met de nieuwe bedieningselementen kan de gebruiker de
lichtkleur aanpassen, de helderheid instellen, de verlichting synchroniseren met muziek,
verschillende lichtscènes creëren en meerdere lichtzones op het vaartuig onafhankelijk
bedienen en synchroniseren.
De verlichtingscontroller in-/uitschakelen
Zodra een verlichtingscontroller is verbonden met het NMEA 2000® netwerk verschijnt deze
in de bedieningsbalk. Als de controller niet automatisch in de bedieningsbalk verschijnt,
controleert u of de controller de NMEA 2000® standaard ondersteunt of controleert u of de
controller zichtbaar is in de apparatenlijst.
Als u de verlichtingscontroller handmatig wilt in- of uitschakelen, gaat u naar Instellingen >
Geavanceerde instellingen > Functies en schakelt u RGBW Lighting in of uit.
Geen aansluiting
Als er een verbindingsprobleem optreedt tussen het MFD en de verlichtingscontroller, wordt
er op de bedieningsbalk een melding weergegeven dat er geen aansluiting is.
De NMEA 2000® RGBW Lighting bedieningsbalk
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
199
A
Knop Sluiten - hiermee wordt het bedieningspaneel verborgen.
C
Uit - hiermee wordt de scèneverlichting uitgeschakeld.
B
D
Knop Verlichting beheren - hiermee wordt het dialoogvenster Verlichting
beheren geopend.
Wit - hiermee wordt de scèneverlichting wit.
E
Lijst met scènes/alle lichten:
• Selecteer de knop Scènes om de beschikbare scènes te bekijken.
• Selecteer de knop Alle lichten om de beschikbare lichten weer te geven.
F
Pictogram met weglatingsteken - hiermee wordt het dialoogvenster Scène
beheren geopend.
G
H
I
Kleurenvoorbeeld - hiermee wordt de kleur aangegeven die voor de scène is
geselecteerd.
Knop Alle lichten - hiermee wordt een lijst met zones geopend, gevolgd door
de afzonderlijke verlichtingsapparaten. Als deze optie is geselecteerd, wordt het
pictogram grijs weergegeven.
Knop Scènes - hiermee wordt een lijst met scènes geopend. Als deze optie is
geselecteerd, wordt het pictogram grijs weergegeven.
Alle menuopties voor lichten
Gebruik de knop Alle lichten op de NMEA 2000® RGBW Lighting bedieningsbalk om alle
lichtzones en afzonderlijke lichten te bekijken. In dit menu kunt u de verlichting in- en
uitschakelen, de lichtkleur configureren en verschillende effecten toepassen op zones.
Zoneverlichting wordt aangegeven met een vierkant en een aan/uit-pictogram.
Afzonderlijke lichten worden geïdentificeerd met behulp van een cirkel en een aan/uitpictogram.
Tik in de lijst Alle lichten op het aan/uit-pictogram naast het lichtgebied/individuele
lichtlabel om het licht in of uit te schakelen. Als het aan/uit-pictogram is ingeschakeld, wordt
de kleur weergegeven die is geselecteerd voor de zone of het licht. Als het is uitgeschakeld,
is het aan/uit-pictogram zwart-wit.
Tik op het label voor de verlichtingszone of het afzonderlijke licht om het optiemenu te
openen.
Notitie: Als u een licht afzonderlijk wilt inschakelen, moet dit eerst uit de zone worden
verwijderd.
Notitie: Controllers kunnen verschillende functionaliteitsniveaus ondersteunen.
200
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
A
Pictogram voor lichtzone - Aan
C
Pictogram voor lichtzone - met het effect voor de kleurenreeks gestart.
B
D
E
F
G
H
I
Pictogram voor lichtzone - Uit
Individueel lichtpictogram - Aan
Individueel lichtpictogram - Uit
Schuifregelaar voor intensiteit - hiermee wordt de helderheid/intensiteit
aangepast. Als er effecten worden gestart, regelt de schuifregelaar de intensiteit
van de effecten.
Effecten - selecteer deze optie om verschillende effecten toe te passen op
lichtzones.
Aan/uit-knop - hiermee worden de lichten in- of uitgeschakeld.
Kleur - hiermee worden de schuifregelaars voor kleurselectie geopend.
Notitie: De opties variëren afhankelijk van de aangesloten controller/lichten.
Opties in het menu Effecten
Gebruik de knop Effecten om uw lichtzones aan te passen. Pas een kleurenreeks toe op uw
lichten, stel de kleursnelheid, intensiteit, kleurovergang in of synchroniseer lichten met
muziek.
Notitie: De beschikbare effecten kunnen variëren, afhankelijk van uw controller.
Een effectprogramma starten/stoppen
U kunt een effectprogramma starten/stoppen vanuit het menu Effecten. Als u een effect
wilt starten, opent u een van de effecten en selecteert u Start. Als u een effect wilt stoppen
zonder de zoneverlichting uit te schakelen, opent u het effect en selecteert u Stop.
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
201
Opties in het menu Effectprogramma
U kunt de lichteffecten aanpassen via het menu van het effectprogramma. Welke
programma's en menuopties beschikbaar zijn, is afhankelijk van uw verlichtingscontroller.
Nieuwe kleurenreeks maken
U kunt een aangepaste kleurenreeks maken vanuit het menu Effecten.
Een nieuwe kleurenreeks maken:
1. Selecteer het label van een lichtzone.
2. Selecteer de knop Effecten. Het menu Reeks wordt geopend.
3. Selecteer het kleurenblok.
4. Selecteer Maken onder aan het menu.
5. Selecteer Toevoegen.
6. Gebruik de schuifregelaars voor kleur en tint om de kleur te kiezen en selecteer het vinkje
om deze toe te voegen.
7. Herhaal stap 5 en 6 om meer kleuren aan uw reeks toe te voegen.
8. Als u gereed bent, selecteert u Terug. De gemaakte kleurenreeks wordt automatisch
geselecteerd.
Als u een reeks wilt selecteren, tikt u op een kleurenblok. De selectie wordt dan gemarkeerd
met een potloodpictogram.
Als u een reeks wilt verwijderen, tikt u hierop (tik twee keer als dit niet de huidige selectie is)
en selecteert u Verwijderen.
Overgang
Gebruik deze optie om de kleurovergang voor de lichten te selecteren. De beschikbare
opties kunnen variëren, afhankelijk van uw controller.
Intensiteit
Selecteer deze optie om de intensiteit van de kleur aan te passen met de schuifregelaar.
Snelheid
Selecteer deze optie om de snelheid aan te passen waarmee het programma-effect
verandert.
202
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Kleursnelheid
Selecteer deze optie en gebruik de schuifregelaar om de snelheid aan te passen waarmee de
kleur verandert.
Het dialoogvenster Verlichting beheren
Gebruik het dialoogvenster Verlichting beheren om een nieuwe verlichtingszone te
maken, zones te verwijderen en toegang te krijgen tot informatie over zones en individuele
lichten. Op het tabblad Diagnose kunt u ook de details van uw verlichtingscontrollers
controleren en gegevens vernieuwen.
Nieuwe zone maken
Met de NMEA 2000® RGBW Lighting controller kunt u eenvoudig meerdere lichtzones op uw
vaartuig maken en beheren.
Een nieuwe zone maken:
1. Open de bedieningsbalk voor de verlichting op uw MFD.
2. Selecteer de knop Verlichting beheren.
3. Selecteer op het tabblad Verlichting de optie Nieuwe zone maken.
4. Voeg een zonenaam toe, wijs een controller toe en selecteer de lichten die aan de zone
zijn toegewezen.
5. Selecteer Maken.
Notitie: Als u een zone wilt verwijderen, selecteert u de zone in het dialoogvenster
Verlichting beheren. Selecteer in het dialoogvensterZonedetails de optie Deze zone
verwijderen.
Notitie: Als u een licht afzonderlijk wilt inschakelen, moet dit eerst uit de zone worden
verwijderd.
Nieuwe scène maken
Als u een scène selecteert, veranderen alle zones die aan de scène zijn toegewezen in een
opgegeven kleur, intensiteit en effect.
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
203
Een nieuwe scène maken:
1. Selecteer de knop Scènes op de lichtbalk.
2. Selecteer Nieuwe scène maken. Het dialoogvenster Scène beheren wordt
weergegeven.
3. Voeg in het dialoogvenster Scène beheren een naam toe aan de nieuwe scène en
selecteer de lichten die u aan de scène wilt toewijzen.
4. Wanneer een licht is geselecteerd, wordt de knop Configureren weergegeven. Selecteer
deze optie om het dialoogvenster Effecten beheren te openen en pas het licht naar
wens aan. Selecteer vervolgens Sluiten.
5. Selecteer Opslaan.
De pictogrammen geven de kleur weer die is geselecteerd voor de zone of het licht. Als voor
de lichten een kleurenreeks is geselecteerd, geven de pictogrammen verticale balken in de
geselecteerde kleurenreeks weer.
Het dialoogvenster Effecten beheren
Zoneverlichting en afzonderlijke lampen in een scène kunnen afzonderlijk worden aangepast
vanuit het dialoogvenster Effecten beheren. Het dialoogvenster wordt geopend via de
knop Configureren.
Vanuit het dialoogvenster Effecten beheren hebt u toegang tot de volgende instellingen:
• Status - selecteer deze optie om het programma in of uit te schakelen. Als het is
uitgeschakeld, kunnen de effecten niet worden bewerkt.
• Programma - selecteer een programma voor het lichteffect, zoals Reeks.
• Kleuren - selecteer een kleurenreeks.
• Overgang - selecteer de kleurovergang. De overgangsopties kunnen variëren, afhankelijk
van uw controller.
• Intensiteit - selecteer de intensiteit van het effect.
• Snelheid - selecteer de snelheid waarmee het programma-effect verandert.
• Kleursnelheid - selecteer de snelheid waarmee de kleur verandert.
Effecten kunnen ook worden bewerkt via het menu Effecten.
Notitie: De opties kunnen variëren, afhankelijk van het geselecteerde programma.
204
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S
Gebruikershandleiding
Een scène bewerken
Als u een bestaande scène wilt bewerken, navigeert u vanuit het bedieningspaneel voor
verlichting naar de scène en selecteert u het pictogram met het weglatingsteken om het
dialoogvenster Scène beheren te openen. Breng de gewenste verlichtingswijzigingen aan
en selecteer Opslaan.
Integratie van apparaten van derden | NSO evo3S Gebruikershandleiding
205
34
Bijlage
Bediening via het aanraakscherm
De basisbediening van het touchscreen op de verschillende panelen wordt getoond in de
onderstaande tabel.
De paragrafen over panelen in deze handleiding bevatten meer informatie over de specifieke
touchscreenfuncties op elk van de panelen.
Pictogram
Beschrijving
Tik om:
Een paneel te activeren op een pagina met meerdere panelen
De cursor op een paneel te plaatsen
Een menu en een dialoogvensteroptie te selecteren
Een selectievakje in of uit te schakelen
Basisinformatie over een geselecteerd item weer te geven
•
•
•
•
•
Ingedrukt houden:
• Op elk paneel met een cursor om de cursorondersteuningsfunctie te
activeren of het menu te openen. Zie "De lange druk configureren" op
pagina 20.
• Op de instrumentenbalk om het dialoogvenster Kies gegevens te
openen.
• Op een paneelknop op de startpagina om de beschikbare opties
voor gesplitste schermen te bekijken.
• Op een favoriete knop op de startpagina om bewerkingsmodus te
openen.
Blader door een lijst met beschikbare opties zonder een van de opties
te activeren.
Schuif de schuifregelaar op een schuifbalk omhoog of omlaag.
Veeg om snel door een lijst te scrollen, bijvoorbeeld door de lijst met
waypoints. Tik op het scherm om te stoppen met scrollen.
Pan om een kaart of sonarbeeld op het paneel te positioneren.
Knijp om uit te zoomen op de kaart of op een beeld.
Ú Notitie: Niet beschikbaar voor het zoomen van sonarbeelden.
Spreid om in te zoomen op de kaart of op een beeld.
Ú Notitie: Niet beschikbaar voor het zoomen van sonarbeelden.
206
Bijlage | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Bediening met een toetsenbord
Voor het aansluiten van een toetsenbord is een vrije USB-poort op de unit vereist.
Alle toetsen op het toetsenbord werken zoals gebruikelijk bij het invoeren van de tekst in een
tekstveld.
Bediening van het toetsenbord en snelkoppelingen staan in de onderstaande tabel. Tenzij
anders aangegeven, betreffen alle aanwijzingen het kort indrukken van de toets.
Ú Notitie: De snelkoppelingen zijn gebaseerd op de Amerikaanse toetsenbordindeling.
Sommige snelkoppelingen werken mogelijk niet op toetsenborden met een andere
indeling.
Toetsenbordtoetsen
Menu
Ctrl + M
F1
Ctrl + P
F2
Ctrl + H
F3
Ctrl + R
F4
Ctrl + E
F5
Ctrl + N
F6
Ctrl + I
Functie
Opent het menu
Opent de Home pagina
Opent het pagina Kaart
Opent de pagina Radar
Opent de pagina Echo
Opent de pagina Nav
Opent de pagina Instrument
F12 (ingedrukt houden) Plaatst MOB-markering op de bootpositie
Ctrl (dubbelklikken)
Schakelt naar de volgende op de unit aangesloten monitor (USBpoort moet zijn ingesteld op schakelbaar)
Ctrl + B
Centreert de kaart op de bootpositie
Ctrl + G
Opent het menu Ga naar
Ctrl + D
Ctrl + K
Ctrl + L
Ctrl + O
Ctrl + Q
Ctrl + S
Ctrl + U
Ctrl + ;
Ctrl + \
PrintScn
Esc
Enter
Ú Notitie: Dit geldt niet voor alle machines.
Schakelt tussen panelen op een pagina met meerdere panelen
Plaatst een waypoint op de boot/cursorpositie
Fungeert als de Wheelkey, die kan worden geconfigureerd.
Opent het dialoogvenster Nieuw waypoint
Opent u het dialoogvenster Systeem regelingen
Schakelt het stuurautomaatsysteem in de modus STANDBY
Schakelt het stuurautomaatsysteem in de modus Koers
vasthouden
Geeft het paneel Favoriet weer als pop-upvenster op de actieve
pagina
Schermafbeelding maken
Annuleert wijzigingen en keert terug naar het vorige menuniveau
Sluit een geopend menu
Activeert/bevestigt huidige selectie
Bijlage | NSO evo3S Gebruikershandleiding
207
Toetsenbordtoetsen
Functie
Pijlknoppen
Verplaatsen de cursor op het paneel en dienen om te
manoeuvreren in de menu's/dialoogvensters.
Op een schuifbalk verplaatst u de balk omhoog of omlaag met de
pijlen omhoog/omlaag.
- en +
Zoomen
Bediening met een muis
Voor het aansluiten van een muis is een vrije USB-poort op de unit vereist.
De muisaanwijzer wordt zichtbaar als u de muis beweegt en wordt automatisch verborgen
na een paar seconden inactiviteit.
• Druk op de linkermuisknop om de cursor te positioneren op een paneel of om een optie
te selecteren.
• Houd de linkermuisknop ingedrukt en sleep de muis om:
- Te slepen of vegen
- Tekst in een invoerveld te selecteren
- De kaart te pannen
- Te pannen om sonargeschiedenis of diepte weer te geven
- De schuifregelaar op een schuifbalk omhoog of omlaag te bewegen
• Gebruik het scrollwiel om in of uit te zoomen op een zoombaar paneel of beeld of om
door een menu en dialoogvensteropties te bladeren.
• Het gebruik van de rechtermuisknop verschilt naargelang de cursor actief of niet actief is.
- Cursor actief: druk op de rechtermuisknop om informatie over het item op de
cursorpositie weer te geven.
- Cursor niet actief: druk op de rechtermuisknop om het paneelmenu in of uit te
schakelen.
Statusbalkpictogrammen
Afhankelijk van uw systeem en installatie, kunnen de volgende pictogrammen op de
statusbalk worden weergegeven:
Symbool
Definitie
Alarm - een standaard (geel), belangrijk (oranje) of kritiek (rood) alarm
wordt verzonden. U kunt het pictogram op de statusbalk verwijderen
door het alarm in het dialoogvenster Alarmen te bevestigen. Wijzig zo
nodig de alarminstelling of los het probleem op, zodat hetzelfde alarm
niet direct opnieuw wordt verzonden door het systeem.
Stuurautomaatmodi: Automatisch Koers vasthouden, Follow-Up,
Navigatie, Geen drift, Standby. Gebruik de stuurautomaatcontroller om
een stuurautomaatmodus te selecteren.
Stuurautomaat draait - stuurautomaat draait het vaartuig in een
wendmodus: C-bocht, Diepte-wending, S-wending, Spiraalwending,
Vierkante wending, Zigzag-wending. Als de wending is voltooid, wordt
het pictogram Wending meestal vervangen door een pictogram
Stuurautomaatmodus. Gebruik de stuurautomaatcontroller om een
stuurautomaatwending te selecteren of de wending te annuleren.
Bestanden downloaden, zoals een software-update, logbestanden van
C-MAP Genesis, GRIB weerbestanden, PredictWind routes, etc.
De unit is verbonden met internet. De unit kan worden gebruikt voor het
downloaden van bestanden van of het uploaden van bestanden naar
internet.
208
Bijlage | NSO evo3S Gebruikershandleiding
Symbool
Definitie
GPS-signaalsterkte: sterk, normaal en zwak. De plaatsing van de GPSantenne en obstakels tussen antenne en satellieten kunnen van invloed
zijn op de sterkte van het signaal. In sommige gevallen is een goed
geplaatste externe GPS-antenne vereist.
GPS-signaalsterkte van het Wide Area Augmentation System (WAAS) is
sterk, normaal en zwak.
Een extern toetsenbord is aangesloten op de unit.
Een externe muis is aangesloten op de unit.
Een mobiele telefoon is verbonden met de unit via Bluetooth®.
Het systeem werkt als simulator. Schakel de simulator in/uit in het
dialoogvenster Simulatorinstellingen.
Radar is gepauzeerd. Als u de radar wilt inschakelen, selecteert u de optie
Uitzenden in het menu op de pagina Radar.
Radar zendt uit. Als u de radar wilt pauzeren, selecteert u de optie
Pauzeren in het menu op de pagina Radar.
Er is een compatibele afstandsbediening aangesloten op de unit.
Het systeem synchroniseert gegevens tijdens het opstarten.
Probleem met bestandsoverdracht, veroorzaakt door een onderbreking
van de internetcommunicatie.
Tripopname. Open voor meer informatie de optie TripIntel tool.
Bestanden uploaden, bijv.: servicerapport, C-MAP genesis,
routebestanden naar PredictWind, etc.
Bijlage | NSO evo3S Gebruikershandleiding
209
Documentversie: 005
© 2024 Navico Group. Alle rechten voorbehouden. Navico Group is een divisie van Brunswick Corporation.
®
Reg. U.S. Pat. & Tm. Off en ™ algemene wettelijke markeringen. Ga naar www.navico.com/intellectual-property om de wereldwijde handelsmerkrechten van Navico Group en andere entiteiten te bekijken.
">
/
Descarcă
Doar o reamintire prietenoasă. Poți vizualiza documentul chiar aici. Dar cel mai important, AI-ul nostru l-a citit deja. Poate explica lucruri complexe în termeni simpli, poate răspunde la întrebările tale în orice limbă și te poate ajuta să navighezi rapid chiar și prin cele mai lungi sau mai complicate documente.
Publicitate