Volvo | V40 | Gebruikershandleiding | Volvo V40 2019 Gebruikershandleiding

Volvo V40 2019 Gebruikershandleiding
V40
G EB RUIK E RSHA N DLE IDIN G
VÄLKOMMEN!
We hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Volvo streeft ernaar auto's te maken die tot de veiligste ter wereld
behoren. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw Volvo te hebben, adviseren we u om de
instructies en de onderhoudsinformatie in deze gebruikershandleiding
door te nemen. De gebruikershandleiding is tevens beschikbaar als
mobiele app (Volvo Manual) en op de supportsite van Volvo Cars
(support.volvocars.com).
We adviseren bovendien iedereen om in deze auto en andere auto's de
veiligheidsgordel te dragen. Rijd niet wanneer u onder de invloed bent
van alcohol of medicijnen – of als u rijvermogen om wat voor reden dan
ook beperkt is.
INHOUD
INLEIDING
2
VEILIGHEID
Zo kunt u gebruikersinformatie vinden
12
Algemeen over veiligheidsgordels
28
Kinderzitje
47
Digitale gebruikershandleiding in auto
13
Veiligheidsgordel - om doen
29
Kinderzitje - positie
52
Supportsite van Volvo Cars
16
Veiligheidsgordel - losmaken
30
Kinderzitje - ISOFIX
53
Gebruikershandleiding lezen
17
Veiligheidsgordel - zwangerschap
30
ISOFIX - afmetingscategorieën
54
Vastlegging van gegevens
20
Gordelwaarschuwing
31
ISOFIX - soorten kinderzitjes
55
Accessoires en extra uitrusting
21
Gordelspanners
31
57
Volvo ID
21
Veiligheid - waarschuwingssymbool
32
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
Milieubeleid
23
Airbagsysteem
33
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding
26
Airbags aan de bestuurderszijde
34
Gelaagd glas
26
Passagiersairbag
35
Passagiersairbag - activering/deactivering*
36
SIPS-airbags
38
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
39
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
39
WHIPS - zithouding
40
Algemene informatie over de Safety
mode
41
Safety mode - startpoging
42
Safety mode - auto verrijden
43
Voetgangersairbag
43
Voetgangersairbag - auto verrijden
44
Voetgangersairbag - opvouwen
45
Algemene informatie over kinderveiligheid
45
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS
EN BEDIENING
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel
113
92
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel
114
Tunneldetectie*
93
Berichten
114
Groot licht/dimlicht
93
Meldingen - functies
115
66
Automatisch groot licht*
94
MY CAR
116
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
67
Actieve bochtverlichting*
96
Boordcomputer
117
Eco guide & Power guide*
70
Koplampen - lichtbundel aanpassen
97
118
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen
71
Mistachterlicht
100
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel
Remlichten
74
100
Alarmlichten
101
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel
120
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
Richtingaanwijzer
101
Boordcomputer - rijstatistieken*
122
Interieurverlichting
102
Follow Me Home-verlichting
104
Approach-verlichting
104
Wissers en sproeiers
104
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht
60
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht
63
Instrumentenpaneel
66
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
Buitentemperatuur
76
Dagtellers
76
Klok
76
Bedieningspaneel verlichting
89
stadslichten
91
Dagrijlicht
Instrumentenpaneel - licentieovereenkomst
77
Displaysymbolen
78
Elektrisch bedienbare ruiten
107
Volvo Sensus
80
Buitenspiegels
108
Sleutelstanden
81
110
Contactslotstanden - functies in verschillende standen
82
Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming
Achteruitkijkspiegel
110
Voorstoelen
83
Glazen schuif-/kanteldak*
111
Voorstoelen - elektrisch bediend
85
Kompas*
112
Achterbank
86
Menufuncties - instrumentenpaneel
113
Stuurwiel
88
3
KLIMAAT
4
Algemene informatie over de klimaatregeling
124
Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen
139
Werkelijke temperatuur
125
140
Sensoren - klimaat
125
Motor- en interieurverwarming* direct uitschakelen
Luchtkwaliteit
125
Motor- en interieurverwarming* - timers
140
Luchtkwaliteit - interieurfilter
126
141
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
Motor- en interieurverwarming* meldingen
126
Extra verwarming*
Luchtkwaliteit - IAQS*
126
Luchtkwaliteit - materialen
127
Menu-instellingen - klimaat
127
Luchtverdeling passagiersruimte
127
Elektronische klimaatregeling - ECC*
129
Elektronische temperatuurregeling - ETC
130
Elektrisch verwarmde voorstoelen*
131
Elektrisch verwarmde achterbank*
131
Ventilator
132
Automatische regeling
LAAD- EN
OPBERGMOGELIJKHEDEN
Opbergmogelijkheden
146
Opbergvak bestuurderszijde
148
Tunnelconsole
148
Tunnelconsole - armsteun
148
Dashboardkastje
149
142
Inlegmatten*
149
142
Make-upspiegel
149
143
Tunnelconsole - 12V-aansluiting
150
Lading vervoeren
150
Lading vervoeren - lange lading
151
Lading op het dak
152
Verankeringsogen
152
Lading vervoeren - houder voor
boodschappentassen
152
Lading vervoeren - opklapbare houder voor boodschappentassen*
153
133
12V-aansluiting bagageruimte
153
Temperatuurregeling passagiersruimte
133
Bagagenet*
154
Airconditioning
134
Hoedenplank
155
Voorruit ontwasemen en ontdooien
134
Luchtverdeling - recirculatie
135
Luchtverdeling - tabel
136
Motor- en interieurverwarming*
138
Extra verwarming op brandstof*
Extra verwarming op stroom*
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
158
Keyless Drive* - ontgrendelen
170
Transpondersleutel - verlies
158
171
Transpondersleutel - personalisering*
159
Keyless Drive* - ontgrendelen met
sleutelblad
Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie
160
171
Transpondersleutel - elektronische
startblokkering
Keyless Drive* - vergrendelingsinstellingen
161
Keyless Drive* - locatie antennes
172
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingsfunctie*
161
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf
de buitenkant
172
Transpondersleutel - functies
162
Portier handmatig vergrendelen
173
Transpondersleutel - bereik
163
Vergrendelen/ontgrendelen - van de
binnenzijde
174
Transpondersleutel met PCC* unieke functies
163
Doorluchtfunctie
175
Transpondersleutel met PCC* - bereik
164
Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje
175
Afneembaar sleutelblad
165
Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
176
166
Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep 178
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen
166
Transpondersleutel/PCC - batterij
vervangen
167
Keyless Drive*
168
Keyless Drive* -bereik transpondersleutel 168
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel
169
Keyless Drive* - storingen in de
functie van de transpondersleutel
169
Keyless Drive* - vergrendelen
170
Safelock-functie*
178
Kinderslot - handmatige activering
179
Kinderslot - elektrische activering*
180
Alarm*
181
Alarmindicatie*
182
Alarm* - automatische herinschakeling
182
Alarm* - automatische activering
182
Alarm* - transpondersleutel defect
183
Alarmsignalen*
183
Gereduceerd alarmniveau*
183
Typegoedkeuring - transpondersleutelsysteem
184
5
BESTUURDERSONDERSTEUNIN
G
6
186
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
202
Stuurkrachtinstelling*
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - algemeen
186
Adaptieve cruisecontrol (ACC)*
203
Adaptieve cruisecontrol* - functie
204
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - bediening
187
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
205
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - symbolen en meldingen
189
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
206
Snelheidsbegrenzer*
191
Snelheidsbegrenzer* - beknopte
bedieningsinstructies
City Safety™ - beperkingen
224
City Safety™ - lasersensor
226
City Safety™ - symbolen en meldingen
228
Collision Warning*
229
Collision Warning* - werking
230
Collision Warning* - detectie van fietsers
231
232
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil instellen
207
Collision Warning* - detectie van
voetgangers
191
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
208
Collision Warning* - bediening
233
Snelheidsbegrenzer* - snelheid wijzigen
192
Collision Warning* - beperkingen
235
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en stand-bystand*
209
193
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen
Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor
236
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
210
Snelheidsbegrenzer* - alarm overschrijding snelheid
194
210
Collision Warning* - symbolen en
meldingen
238
Adaptieve cruisecontrol* - File-assistent
Snelheidsbegrenzer* - uitschakelen
194
Adaptieve cruisecontrol* - van
cruisecontrol-functie wisselen
212
BLIS
240
Cruisecontrol*
194
BLIS - bediening
241
213
Cruisecontrol* - snelheid regelen
195
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
CTA*
242
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en
stand-bystand
197
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
214
BLIS en CTA - symbolen en meldingen
244
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
198
Radarsensor
216
Radarsensor - beperkingen
216
Cruisecontrol* - uitschakelen
199
Typegoedkeuring - radarsysteem
Afstandswaarschuwing*
200
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
201
City Safety™ - bediening
Verkeersbordinformatie* (RSI)
245
Verkeersbordinformatie (RSI)* bediening
246
218
Verkeersbordinformatie* (RSI) beperkingen
248
City Safety™
222
Driver Alert System*
248
City Safety™ - werking
222
Driver Alert Control (DAC)*
249
223
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
250
STARTEN EN RIJDEN
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen
251
Rijbaanassistent*
252
Motor starten
274
Motor afzetten
275
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops
295
Stuurslotfout
275
Parkeerrem
295
Doorwaaddiepte
Starten met hulpaccu
275
296
Oververhitting
Versnellingsbakken
277
297
Rijden met een geopende achterklep
Handgeschakelde versnellingsbak
277
298
Overbelasting - startaccu
Schakelindicator*
278
298
Voorbereidingen voor een lange rit
Automatische versnellingsbak Geartronic*
278
299
Rijden tijdens de winter
Keuzehendelblokkering
299
282
Tankvulklep - openen/sluiten
Hellingrem (HSA)*
300
283
Tankvulklep - handmatig openen
300
283
Brandstof tanken
301
301
Rijbaanassistent - werking
252
Rijbaanassistent - bediening
254
Rijbaanassistent - beperkingen
254
Rijbaanassistent - symbolen en meldingen
256
Parkeerhulp*
257
Park Assist* - functie
257
Parkeerhulp* - aan de achterzijde
259
Park Assist* - aan de voorzijde
259
Park Assist* - storingsindicatie
260
Park Assist* - sensoren schoonmaken
Start/Stop* - werking en bediening
261
284
Brandstof - gebruik
302
261
285
Brandstof - benzine
Park Assist-camera
Start/Stop* – automatisch motorafslag werkt niet
Brandstof - diesel
303
Parkeerhulpcamera - instellingen
264
Start/Stop* – automatisch motorstart
286
Katalysatoren
304
Park Assist-camera - beperkingen
265
287
Brandstof bijvullen – met jerrycan
305
Actieve parkeerhulp (PAP)*
266
Start/Stop* - automatische motorstart werkt niet
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
266
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop
bij handgeschakelde versnellingsbak
288
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
267
Start/Stop* - symbolen en meldingen
289
Omgaan met AdBlue®
307
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
269
Rijmodus ECO*
291
AdBlue® – controleren en bijvullen
308
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen en meldingen
271
Rempedaal
293
Zuinig rijden
309
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
294
Rijden met een aanhanger
310
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
295
Rijden met een aanhanger - handgeschakelde versnellingsbak
312
Start/Stop*
Roetfilter dieselmotor (DPF)
305
Uitlaatgasreiniging met AdBlue®
306
7
WIELEN EN BANDEN
8
Rijden met een aanhanger - automatische versnellingsbak
312
Trekhaak*
313
Afneembare trekhaak* - opbergen
313
Afneembare trekhaak* - specificaties
314
Afneembare trekhaak* - monteren/
demonteren
315
Trailer Stability Assist (TSA)
317
Slepen
318
Sleepoog
319
Bergen
320
Banden - onderhoud
322
Banden - draairichting
323
Banden - slijtage-indicator
324
Banden - bandenspanning
324
Wiel- en velgmaten
325
Banden - maten
325
Banden - lastindex
326
Banden - snelheidsklassen
326
Wielmoeren
327
Winterbanden
328
Reservewiel*
328
Wielen verwisselen - reservewiel
erbij nemen*
329
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
330
Wielen verwisselen - monteren
332
Gevarendriehoek
334
Krik*
334
EHBO-set*
335
Bandenspanningscontrole (TM)*
335
Noodreparatieset voor banden*
337
Noodreparatieset voor banden* overzicht
338
Noodreparatieset voor banden* bediening
339
Noodreparatieset voor banden* reparatieresultaat controleren
342
Band oppompen met de compressor
uit de noodreparatieset voor banden*
343
ONDERHOUD EN SERVICE
SPECIFICATIES
Serviceprogramma van Volvo
346
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie*
346
Auto opnemen
349
Motorkap - openen en sluiten
351
Motorruimte - overzicht
351
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
364
Motorruimte - controle
352
Lampen - specificaties
364
Motorolie - algemeen
352
Wisserbladen
365
Motorolie - controleren en bijvullen
353
Sproeiervloeistof - bijvullen
Koelvloeistof - peil
355
Startaccu - algemeen
368
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
356
Accu - symbolen
370
Klimaatregeling - storingen opsporen
en verhelpen
357
Lamp vervangen - algemeen
357
Lamp vervangen - positie lampen
voorzijde
358
Lamp vervangen - koplampen
359
Lampen vervangen - afdekking
groot-/dimlichtlampen
360
Lamp vervangen - dimlicht
360
Lamp vervangen - groot licht
361
Lampen vervangen - richtingaanwijzers voorzijde
361
Lamp vervangen - parkeerlichten voor
Lamp vervangen - dagrijlicht
361
362
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
362
Lamp vervangen - richtingaanwijzers
achter, rem- en achteruitrijlichten
363
Lamp vervangen - mistachterlicht
Startaccu - vervangen
363
367
370
Typeaanduidingen
390
Maten
393
Gewichten
394
Trekgewicht en kogeldruk
395
Motorspecificaties
397
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
399
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
400
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
402
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid 403
Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
404
Brandstoftank - inhoud
405
AdBlue®
406
371
Tankvolume voor
Elektrisch systeem
373
406
Zekeringen - algemeen
373
Airconditioning, vloeistof - hoeveelheid en kwaliteit
Zekeringen - in motorruimte
374
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
408
Zekeringen - onder dashboardkastje
377
Wielen en banden - goedgekeurde
maten
412
Zekeringen - onder rechter voorstoel
380
Lastindex en snelheidsklasse
414
Wasstraat
382
416
Poetsen en in de was zetten
384
Banden - goedgekeurde bandenspanning
Water- en vuilafstotende laag
385
Roestwering
385
Interieur reinigen
386
Lakschade
387
Accu - Start/Stop
9
ALFABETISCH REGISTER
Alfabetisch register
10
417
INLEIDING
INLEIDING
Zo kunt u gebruikersinformatie
vinden
Gebruikersinformatie is beschikbaar in verschillende productformaten, zowel digitaal als in
drukvorm. De gebruikershandleiding is te raadplegen via het display in de auto, via de mobiele
app en op de supportsite van Volvo Cars. In het
dashboardkastje ligt een Quick Guide en een
supplement bij de gebruikershandleiding met
onder meer informatie over zekeringen en specificaties. U kunt een gebruikershandleiding in
drukvorm bestellen.
Display van de auto1
Via het display van de auto is
de gebruikershandleiding raadpleegbaar in digitale vorm. Druk
op de knop MY CAR op de
middenconsole, daarna op OK/
MENU en kies
Gebruikershandleiding. De
informatie is zoekbaar en tevens ingedeeld in
categorieën.
Lees meer onder Digitale gebruikershandleiding
in de auto.
Mobiele app
Op App Store of Google Play:
zoek naar "Volvo Manual",
download de app naar uw
smartphone of tablet en kies
uw model.
De app bevat instructievideo's
en biedt de mogelijkheid tot visuele navigatie aan
de hand van afbeeldingen van het auto-exterieur
en -interieur. De navigatie tussen de verschillende paragrafen van de gebruikershandleiding
verloopt eenvoudig en de inhoud is doorzoekbaar.
Lees meer onder Gebruikershandleiding op
mobiele apparaten.
1 Op
2 Op
12
markten zonder gebruikershandleiding op het display wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
markten zonder gebruikershandleiding op het display wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
Supportsite van Volvo Cars
Bezoek support.volvocars.com
en kies uw land. Hier vindt u
gebruikershandleidingen online
en in PDF-formaat. Op de supportsite van Volvo Cars vindt u
tevens instructievideo's en
meer informatie over het
gebruik en het bezit van uw Volvo. De site is
beschikbaar voor de meeste markten. Lees meer
op de supportsite van Volvo Cars.
Informatie in drukvorm
In het dashboardkastje ligt een
supplement bij de gebruikershandleiding2 met informatie
over zekeringen en specificaties plus een overzicht van
belangrijke en nuttige informatie.
Ook in drukvorm beschikbaar is een Quick Guide
met beknopte informatie over de meeste
gebruikte autofuncties om aan de slag te kunnen.
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau, de
markt en dergelijke liggen er aanvullende documenten met gebruikersinformatie in drukvorm in
de auto.
INLEIDING
Het is mogelijk een gedrukt exemplaar van de
gebruikershandleiding en het bijbehorende supplement te bestellen. Neem voor bestelling contact op met een Volvo-dealer. Lees Gebruikershandleiding doornemen voor de opbouw van de
gebruikershandleiding.
Taalinstelling wijzen voor het display
van de auto
Wanneer u de taalinstelling voor het display van
de auto wijzigt, is het mogelijk dat bepaalde informatie niet overeenkomt met de wettelijke bepalingen en voorschriften die in uw land gelden. Het
is beter geen taal in te stellen die u niet begrijpt,
omdat het anders lastig is om de weg te vinden
in de menustructuur op het display.
Gerelateerde informatie
•
Digitale gebruikershandleiding in auto
(p. 13)
•
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 16)
Gebruikershandleiding lezen (p. 17)
Digitale gebruikershandleiding in
auto
De gebruikershandleiding is weer te geven op
het beeldscherm in de auto3. De informatie is
doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende paragrafen verloopt eenvoudig.
Digitale gebruikershandleiding openen - druk op
de MY CAR-knop op de middenconsole, druk op
OK/MENU en kies Gebruikershandleiding.
Voor elementaire navigatiefuncties, zie Systeembediening. Hier volgt een gedetailleerde beschrijving.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat
u de auto op veilig wijze bestuurt en dat u de
geldende wetgeving en voorschriften in acht
neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto
volgens Volvo's adviezen in de gebruikershandleiding onderhoudt en bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het beeldscherm en in de gedrukte informatie, geldt
altijd de informatie in drukvorm.
3
Geldt voor bepaalde automodellen.
Startpagina van de gebruikershandleiding.
U kunt op vier verschillende manieren informatie
vinden in de digitale gebruikershandleiding:
}}
13
INLEIDING
||
• Zoeken - Zoekfunctie om een artikel te vinden.
Zoeken
• Categorieën - Alle artikelen geordend naar
categorieën.
• Favorieten - Snelkoppeling naar favoriete
artikelen.
• Quick Guide - Een selectie van artikelen
voor veelgebruikte functies.
Kies het informatiesymbool in de rechter onderhoek voor informatie over de digitale gebruikershandleiding.
N.B.
Zoeken met behulp van het schrijfwiel.
3.
Om over te schakelen op de invoer van cijfers of speciale tekens of om te zoeken,
draait u aan TUNE, totdat een van de opties
(zie verklaring in volgende tabel) in de lijst
voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk vervolgens op OK/MENU.
123/A
BC
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
MEER
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale
tekens.
OK
Voer de zoekopdracht uit. Draai aan
TUNE om een treffer te kiezen en
druk vervolgens op om OK/MENU
het bijbehorende artikel te openen.
a|A
Tussen kleine en hoofdletters wisselen met OK/MENU.
||}
Van het tekstwiel naar het zoekveld
wisselen. De cursor verplaatsen met
TUNE. Eventuele verkeerde spelling
wissen met EXIT. Om terug te gaan
naar het tekstwiel op OK/MENU
drukken.
Tekenlijst.
De digitale gebruikershandleiding is tijdens
het rijden niet beschikbaar.
Invoerstand wijzigen (zie de volgende tabel).
Gebruik het schrijfwiel om een zoekterm in te
voeren, bijvoorbeeld "veiligheidsgordel".
1.
Draai aan TUNE tot de gewenste letter verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen van
het bedieningspaneel op de middenconsole
zijn te gebruiken.
2.
Ga verder met de volgende letter enzovoort.
Let erop dat de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel te
gebruiken zijn bij bewerkingen in
het zoekveld.
14
INLEIDING
Tekst invoeren met numeriek toetsenbord
Categorieën
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn
geordend naar hoofdcategorieën en ondercategorieën. Hetzelfde artikel ligt mogelijk in meerdere categorieën zodat het gemakkelijker te vinden is.
nen. Druk op EXIT om terug te gaan naar de
vorige weergave.
In een artikel navigeren
Draai aan TUNE om door de categorieboom te
navigeren en druk op OK/MENU om een categorie (aangeduid met
) of artikel (aangeduid
) te openen. Druk op EXIT om terug te
met
gaan naar de vorige weergave.
Numeriek toetsenbord.
Favorieten
Een andere manier om tekens in te toetsen/
voeren is met behulp van de knoppen op de middenconsole: 0–9, * en #.
Hier vindt u de artikelen die als favorieten zijn
opgeslagen. Om een artikel als favoriet te markeren, zie de rubriek "In een artikel navigeren" hieronder.
Zo wordt bij een druk op 9 een kolom weergegeven met alle tekens4 onder deze toets, zoals w, x,
y, z en 9. Bij snel indrukken van de toets bladert
u met de cursor door deze tekens.
Draai aan TUNE om in de favorietenlijst te navigeren en druk op OK/MENU om een artikel te
openen. Druk op EXIT om terug te gaan naar de
vorige weergave.
•
•
Blijf met de cursor op het te kiezen teken
staan - het teken verschijnt op de schrijfregel.
Wis/annuleer uw keuze met EXIT.
Houd om een cijfer in te voeren de toets met het
gewenste cijfer ingedrukt.
4
Quick Guide
Hier vindt u een aantal artikelen om de meest
gebruikte functies van de auto te leren kennen.
De artikelen zijn ook via categorieën bereikbaar,
maar staan hier om er snel bij te kunnen.
Draai aan TUNE om in de Quick Guide te navigeren en druk op OK/MENU om een artikel te ope-
De schrijftekens voor de verschillende toetsen kunnen per markt/land/taal variëren.
Home - naar de startpagina van de gebruikershandleiding gaan.
Favoriet - het artikel als favoriet toevoegen/
verwijderen. U kunt ook op de FAV-knop op
de middenconsole drukken om een artikel
als favoriet toe te voegen/te verwijderen.
Gemarkeerde link - naar een gelinkt artikel
gaan.
Speciale teksten - als het artikel waarschuwings-, belangrijk- of NB-teksten bevat, worden het bijbehorende symbool en het aantal
van dergelijke teksten in het artikel getoond.
Draai aan TUNE om de links door te nemen of
een artikel omhoog of omlaag te schuiven. Als
}}
15
INLEIDING
||
het beeldscherm naar het begin/eind van een
artikel is geschoven, zijn de opties Home en
Favoriet bereikbaar door een stap omhoog/
omlaag te gaan. Druk op OK/MENU om de
keuze/gemarkeerde link te activeren. Druk op
EXIT om terug te gaan naar de vorige weergave.
Gerelateerde informatie
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 16)
Supportsite van Volvo Cars
Op de web- en supportsite van Volvo Cars staat
meer informatie over uw auto.
Support op internet
Ga naar support.volvocars.com of gebruik de QRcode hieronder om de pagina te bezoeken. De
supportsite is voor de meeste markten beschikbaar.
Apps
Voor bepaalde Volvo-modellen van modeljaar
2014 en 2015 is de gebruikershandleiding als
app beschikbaar. Ook de Volvo On Call*-app is
hier te downloaden.
Gebruikershandleidingen van eerdere
modeljaren
Gebruikershandleidingen van eerdere modeljaren
zijn hier beschikbaar in pdf. Ook de Quick Guide
en supplementen zijn via de supportsite te downloaden. Kies model en modeljaar om de gewenste publicatie te downloaden.
Contact
QR-code naar de supportsite.
De informatie op de supportsite is doorzoekbaar
en bovendien ingedeeld in verschillende categorieën. Hier vindt u support voor zaken zoals diensten en functies waarvoor internet vereist is,
Volvo On Call*, het navigatiesysteem* en apps.
De verschillende procedures worden aan de hand
van video's en stapsgewijze instructies uiteengezet, bijvoorbeeld hoe u de auto via een mobiele
telefoon met internet verbindt.
Downloadbare informatie van de
supportsite
Op de supportsite staan de contactgegevens van
de klantenservice en de dichtstbijzijnde Volvodealer.
Meld u aan op de website van Volvo
Cars
Maak een persoonlijke Volvo ID aan en log in op
www.volvocars.com. Wanneer u bent ingelogd
kunt u een overzicht krijgen van zaken zoals
onderhoud, contracten en garanties. Hier vindt u
ook informatie over modelspecifieke accessoires
en softwareproducten voor uw Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 21)
Kaarten
Voor auto's met Sensus Navigation* zijn via de
supportsite kaarten te downloaden.
16
* Optie/accessoire.
INLEIDING
Gebruikershandleiding lezen
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding
te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig
– welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Het doornemen van de gebruikershandleiding is
een goede manier om vertrouwd te raken met
nieuwe functies, tips te krijgen voor hoe u de
auto in verschillende situaties het beste kunt
bedienen en te leren hoe u optimaal gebruik kunt
maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt.
Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in de gebruikershandleiding.
Er vindt voortdurend productontwikkeling plaats
ter verbetering van ons product. Aanpassingen
kunnen ertoe leiden dat de gegevens, beschrijvingen en illustraties in de gebruikershandleiding
afwijken van de werkelijke uitrusting op uw auto.
We behouden ons het recht voor om zonder
voorafgaande mededeling wijzigingen aan te
brengen.
© Volvo Car Corporation
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
N.B.
De gebruikershandleiding is te downloaden
als app (geldt voor bepaalde modellen en
mobiele telefoons), zie www.volvocars.com.
De app biedt tevens video’s en doorzoekbare
informatie en eenvoudige navigatie tussen de
verschillende hoofdstukken.
Opties/accessoires
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in de gebruikershandleiding.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden
in de gebruikershandleiding ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie over
kans op letsel.
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over kans
op materiële schade.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips en
adviezen die het gebruik van bepaalde mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
}}
* Optie/accessoire.
17
INLEIDING
||
Voetnoot
Gevaar voor lichamelijk letsel
Gevaar voor materiële schade
In de gebruikershandleiding komt informatie voor
in de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling op
de tekst waar het nummer van de voetnoot naar
verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een tabel
verwijst, worden letters gebruikt in plaats van cijfers.
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de auto
om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De stickers in de
auto zijn van de onderstaande aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
18
G031592
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop menuteksten en displaymeldingen kunnen worden
weergegeven. Dergelijke teksten in de gebruikershandleiding onderscheiden zich van de normale tekst. Voorbeeld van menuteksten en displaymeldingen: Media, Locatie wordt
verstuurd.
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk
dodelijke afloop.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op
een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
INLEIDING
Informatie
Procedurelijsten
Opsommingslijsten
Procedures met handelingen die in een bepaalde
volgorde moeten worden uitgevoerd, staan
genummerd in de gebruikershandleiding.
Bij opsommingen in de gebruikershandleiding
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
G031593
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar ze ongeveer zitten. Op de stickers van de auto vindt u de
informatie die op uw auto van toepassing is.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant
is, worden de instructies voorafgegaan door
letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een beweging weer te geven waarbij de onderlinge
volgorde niet van belang is.
Als er geen reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij de
afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Bijvoorbeeld:
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere artikelen met aanverwante informatie.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in de handleiding zijn soms
schematisch en kunnen dan ook afwijken van uw
uitvoering van de auto afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt.
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan, wanneer
een artikel wordt voortgezet op de volgende
pagina.
Vervolg van de vorige pagina
|| Dit symbool staat links bovenaan wanneer
een artikel wordt voortgezet van de vorige pagina.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 26)
•
Supportsite van Volvo Cars (p. 16)
19
INLEIDING
Vastlegging van gegevens
In het kader van de veiligheids- en kwaliteitsinspanningen van Volvo worden bepaalde gegevens over de bediening, de werking en bijnaaanrijdingen door de auto vastgelegd.
Deze auto is uitgerust met een "Event Data
Recorder" (EDR). Het belangrijkste doel daarvan
is het vastleggen en opnemen van gegevens bij
verkeersongevallen of bijna-ongelukken, zoals
wanneer de airbag wordt geactiveerd of als de
auto een wegversperring raakt. De gegevens
worden geregistreerd om meer inzicht te krijgen
in hoe de systemen van de auto in dit soort situaties werken. De EDR is zodanig vormgegeven
dat deze gedurende een korte tijd gegevens
vastlegt die verband houden met de autodynamiek en de veiligheidssystemen, normaal gesproken 30 seconden of korter.
De EDR in deze auto is zodanig geconstrueerd
dat deze bij verkeersongevallen of bijna-ongelukken gegevens vastlegt die verband houden met:
•
de wijze waarop de verschillende autosystemen werkten;
•
de vraag of u en passagiers in de gordel
zaten;
•
de vraag of u het gas- of rempedaal
bediende;
•
hoe snel u reed.
Dit kan een bijdrage leveren aan een beter
inzicht in de omstandigheden waarin bepaalde
20
verkeersongevallen en schades ontstaan. De
EDR legt alleen gegevens vast, als er sprake is
van een niet-alledaagse aanrijdingssituatie - bij
normale rijomstandigheden registreert de EDR
geen gegevens. Ook registreert het systeem
nooit wie de auto bestuurt of wat de geografische positie is voor de aanrijding of bijna-aanrijding. Andere partijen, zoals de politie, kunnen
echter gebruik maken van de vastgelegde gegevens in combinatie met het type persoonlijk identificeerbare informatie dat bij een verkeersongeval routinematig wordt verzameld. Om de geregistreerde gegevens te kunnen interpreteren zijn
speciale apparatuur en toegang tot de auto of de
EDR vereist.
De auto is naast de EDR ook uitgerust met een
aantal computers, die tot taak hebben de werking
van de auto continu te controleren en bewaken.
Deze kunnen tijdens normale rijomstandigheden
gegevens vastleggen, maar vooral wanneer deze
een fout registreren die betrekking heeft op de
bediening en werking van de auto of bij activering
van de actieve rijhulp (zoals City Safety en de
automatische remfunctie).
Een deel van de vastgelegde gegevens heeft de
monteur nodig om service en onderhoud te kunnen verrichten met als doel eventuele storingen
die in de auto zijn opgetreden te diagnosticeren
en verhelpen. De geregistreerde informatie heeft
Volvo ook nodig om te kunnen voldoen aan de
juridische eisen conform de wet- en regelgeving.
De in de auto geregistreerde informatie ligt
opgeslagen in de computers totdat de auto een
servicebeurt krijgt of wordt gerepareerd.
Naast het bovenstaande kan de geregistreerde
informatie ook in een samengestelde vorm worden gebruikt voor verzekerings- en productontwikkelingsdoeleinden om de veiligheid en kwaliteit van Volvo's auto's te verbeteren.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet zonder de toestemming van de eigenaar van de auto
vrijgeven aan derden. Vanwege nationale wet- en
regelgeving kan Volvo echter worden gedwongen
om dit type informatie af te geven aan de politie
of andere autoriteiten die het wettelijke recht
hebben om hiertoe toegang te krijgen. Om de
door vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen
en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo en
de werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in
verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden
gebruikt. Neem voor meer informatie contact op
met een Volvo-dealer.
INLEIDING
Accessoires en extra uitrusting
Volvo ID
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige
invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto.
Een Volvo ID biedt toegang tot een breed scala
aan persoonlijke Volvo-diensten5 online.
Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de
bijbehorende software in de computersystemen
van de auto wordt geladen. Volvo adviseert u
daarom altijd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires
of extra uitrusting monteert die in verbinding
staan/staat met of van invloed zijn/is op het
elektrische systeem.
•
Connected Car* - bepaalde functies en diensten vereisen dat u uw auto hebt geregistreerd op een persoonlijke Volvo ID, bijvoorbeeld om een adres van een kaartdienst op
internet rechtstreeks naar uw auto te kunnen
sturen.
•
Volvo On Call* - Volvo ID wordt gebruikt bij
het inloggen op de Volvo On Call-app.
Voorbeeld van diensten:
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
Maten
Voordelen van Volvo ID
A
65 mm
•
B
150 mm
C
125 mm
Een gebruikersnaam en een wachtwoord
voor online diensten, dat wil zeggen u hoeft
slechts één gebruikersnaam en één wachtwoord te onthouden.
•
Bij het wijzigen van een gebruikersnaam/
wachtwoord voor een dienst (bijvoorbeeld
Volvo On Call) worden deze ook automatisch
voor andere diensten gewijzigd.
Warmtereflecterende voorruit*
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in de
passagiersruimte beperkt.
Bij gebruik van een transponder of een dergelijke
voorziening voor het passeren van tolstations, is
het belangrijk dat deze zo is geplaatst dat hij niet
wordt afgedekt door de warmtereflecterende film.
Als er elektronische apparatuur achter een glasoppervlak met een warmtereflecterende film
wordt geplaatst, kan dat negatieve gevolgen hebben voor de werking en prestaties.
Denk eraan dat de transponder geen sensoren of
camera's in of bij de voorruit mag afdekken of
storen.
5
Een Volvo ID aanmaken
Om een Volvo ID aan te maken moet u een persoonlijk e-mailadres opgeven. Om de registratie
te voltooien moet u de instructies opvolgen in het
e-mailbericht dat automatisch wordt verstuurd
naar het opgegeven e-mailadres. Een Volvo ID
Het aanbod aan diensten kan veranderen en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
}}
* Optie/accessoire.
21
INLEIDING
||
kan via de volgende diensten worden aangemaakt:
•
Website van Volvo Cars – Ga naar
www.volvocars.com en meld u aan6 via het
pictogram rechts bovenaan. Kies voor het
aanmaken van een Volvo ID.
•
Bij een Connected Car* - Geef het e-mailadres aan in de app die Volvo ID vereist en
volg de instructies. Of druk twee keer op de
op de middenconsole en
verbindingsknop
kies Apps Instellingen en volg de
instructies.
•
Volvo On Call* - Laad de nieuwste versie van
de Volvo On Call-app. Kies op de startpagina
voor het aanmaken van een Volvo ID, geef
een e-mailadres aan en volg de instructies.
Gerelateerde informatie
•
6
22
Supportsite van Volvo Cars (p. 16)
Beschikbaar op bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
INLEIDING
Milieubeleid
Volvo Car Corporation werkt voortdurend aan de
ontwikkeling van veiliger en effectievere produc-
Milieuzorg is een van de kernwaarden van Volvo
Cars die van invloed is op alle activiteiten. De
milieu-activiteiten gaan uit van de volledige
levensduur van de auto en houden rekening met
de milieu-effecten, van ontwikkeling tot sloop en
recycling. Volvo Cars hanteert het uitgangspunt
dat de milieu-effecten van nieuwe producten
geringer moeten zijn dan die van de producten
waarvoor ze in de plaats komen.
Een van de resultaten van de inspanningen van
Volvo op milieugebied is de ontwikkeling van de
Drive-E-aandrijflijnen, die effectiever werken en
minder vervuilend zijn. Ook het persoonlijke
ten en oplossingen om de milieu-effecten te
beperken.
milieu heeft de volle aandacht van Volvo - de
lucht in een Volvo is door de klimaatregeling bijvoorbeeld schoner dan de lucht buiten.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieu-eisen. Alle productie-eenheden van Volvo
hebben een ISO 14001-certificaat, wat een systematische benadering van de milieu-aspecten
van de productie betekent om voortdurend verbeteringen aan te brengen en de milieu-effecten te
beperken. Dit ISO-certificaat betekent ook dat de
geldende wettelijke bepalingen en voorschriften
op milieugebied wordt nageleefd. Volvo eist ook
van de samenwerkingspartners dat ze aan deze
normen voldoen.
Brandstofverbruik
Omdat de milieu-effecten van auto's voor een
groot deel toe te schrijven zijn aan het gebruik
ervan richt Volvo Cars zich op het beperken van
het brandstofverbruik, de uitstoot van kooldioxide
en andere verontreinigende stoffen. De auto's
van Volvo zijn concurrerend in hun klasse wat het
brandstofverbruik betreft. Een lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
}}
23
INLEIDING
||
Bijdragen aan een schoner milieu
Een zuinige auto levert niet alleen een beperking
van de milieu-effecten op, maar betekent ook
lagere kosten voor de eigenaar van de auto. Als
bestuurder kunt u eenvoudig brandstof en geld
besparen en zo een bijdrage leveren aan een
schoner milieu. Hier volgen enkele tips en adviezen:
•
Plan een effectieve gemiddelde snelheid.
Snelheden hoger dan zo'n 80 km/h (50
mph) en lager dan 50 km/h (30 mph) zorgen
voor een hoger energieverbruik.
•
Neem de intervallen voor onderhoud en service aan de auto in acht die in het Serviceen garantieboekje geadviseerd worden.
•
Voorkom stationair draaien – zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat. Houd u aan
de plaatselijke voorschriften.
•
•
Rijd anticiperend - bij onnodig vaak stoppen
en optrekken en een ongelijkmatige snelheid
stijgt het brandstofverbruik.
Gebruik vóór een koude start altijd de motorverwarming*, als de auto hiermee is uitgerust
– dit verbetert de startgewilligheid, beperkt
de slijtage bij koud weer en zorgt ervoor dat
de motor sneller op bedrijfstemperatuur
komt, waardoor het brandstofverbruik en de
uitstoot afnemen.
Let er tevens op dat u afvalstoffen die schadelijk
zijn voor het milieu, zoals accu's en olie, op een
milieuvriendelijke manier afvoert. Neem contact
24
op met een werkplaats bij twijfel over de juiste
manier van verwerken van dergelijk afval – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd. Iets dergelijks kan zich voordoen
in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op
aarde en uw auto langer doen meegaan. Voor
meer informatie en meer adviezen, zie Eco guide
(p. 70), Zuinig rijden (p. 309) en Brandstofverbruik (p. 408).
Het IAQS is onderdeel van het CZIP (Clean Zone
Interior Package)* dat voorzien is van een speciale ventilatorfunctie die aanslaat, wanneer de
auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
"Schoon aan binnen- en buitenkant" – een concept dat een schone passagiersruimte combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies
ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen
niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Het luchtkwaliteitssysteem IAQS* (Interior Air
Quality System) zorgt ervoor dat de lucht die de
passagiersruimte binnenkomt, schoner is dan de
lucht buiten in het verkeer.
Het systeem ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de
buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
Interieur
De gebruikte materialen voor het interieur van
een Volvo zijn zorgvuldig geselecteerd en uitvoerig getest op comfort en hypoallergeniteit.
Bepaalde afwerkingsdetails zijn handmatig aangebracht: zo is de stuurwielbekleding met de
hand genaaid. Het interieur is getest op de afwezigheid van sterke geuren of stoffen die klachten
kunnen geven bij hoge temperaturen of direct
zonlicht.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een
laag brandstofverbruik. U draagt zo tevens bij aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en
het onderhoud aan de auto toevertrouwt aan de
werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een
onderdeel van Volvo's systeem. Volvo stelt duidelijke milieu-eisen aan de outillage van de werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen in het milieu vrijkomen. Het werkplaatspersoneel beschikt over de kennis en het
* Optie/accessoire.
INLEIDING
gereedschap om optimale milieuzorg te garanderen.
Recycling
Omdat Volvo werkt vanuit een levensduurperspectief is het ook belangrijk dat autowrakken op
milieuvriendelijke wijze worden gerecycled. De
auto is nagenoeg geheel te recyclen. De laatste
eigenaar van de auto wordt daarom verzocht contact op te nemen met een dealer voor de locatie
van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 26)
25
INLEIDING
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De papiervezels waarvan deze publicatie
gemaakt is afkomstig zijn uit Forest Stewardship
Council®-gecertificeerde bossen of andere
gecontroleerde bronnen.
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het interieur. De voorruit en de
overige ruiten zijn gemaakt van
gelaagd glas*.
Het FSC®-symbool geeft aan dat de papiervezels
waarvan een gebruikershandleiding in drukvorm
gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Gerelateerde informatie
•
26
Milieubeleid (p. 23)
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
VEILIGHEID
Algemeen over veiligheidsgordels
Waar u op moet letten
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben.
•
Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel niet
strak langs uw lichaam kunt trekken.
•
De veiligheidsgordel mag niet gedraaid zitten.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten
heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn
geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbag.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor slechts
één persoon.
Span de heupgordel over de heupen door de diagonale
schoudergordel in de richting van de schouder omhoog
te trekken. De heupgordel moet laag zitten (niet over de
buik).
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed
tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te
ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt
de beste bescherming bij een normale rijhouding.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet draagt,
wordt de bewuste persoon er middels waarschuwingssymbolen en geluidssignalen (p. 31) aan
herinnerd de gordel om te doen (p. 29).
28
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p. 30)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 30)
Gordelspanners (p. 31)
VEILIGHEID
Veiligheidsgordel - om doen
Waar u op moet letten
Doe de veiligheidsgordel (p. 28) om voordat u
gaat rijden.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
Rol de gordel langzaam af en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel vastzit.
•
•
•
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Gerelateerde informatie
Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel
moet over de schouder lopen.
•
•
•
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap (p. 30)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 30)
Gordelspanners (p. 31)
Gordelwaarschuwing (p. 31)
Goede positie veiligheidsgordel.
Hoogte-instelling van de veiligheidsgordel. Druk de knop
in en zet de gordel hoger of lager. Zet de gordel zo hoog
mogelijk zonder dat de gordel daarbij langs de nek
schuurt.
Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel op de middelste zitplaats alleen in de
bijbehorende sluiting.
29
VEILIGHEID
Veiligheidsgordel - losmaken
Veiligheidsgordel - zwangerschap
Maak de veiligheidsgordel (p. 28) pas los als de
auto stilstaat.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
veiligheidsgordel (p. 28) altijd op de juiste
manier te dragen.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting en
laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen
trekken. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
auto volledig onder controle hebben (wat inhoudt
dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen
moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand
tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
maken.
Gerelateerde informatie
•
•
Gerelateerde informatie
Veiligheidsgordel - om doen (p. 29)
Gordelwaarschuwing (p. 31)
G020998
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het
mag nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De veiligheidsgordel moet zo strak mogelijk over
het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens
gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel (p. 83) en het
stuurwiel (p. 88) dusdanig verstellen dat ze de
30
Veiligheidsgordel - om doen (p. 29)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 30)
VEILIGHEID
Gordelwaarschuwing
nen van een van de achterportieren verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. De melding verdwijnt na ongeveer
30 seconden rijden vanzelf of eerder bij het
indrukken van de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 113). Als een van de
inzittenden geen veiligheidsgordel draagt,
verdwijnt de melding echter alleen bij het
indrukken van de knop OK op de richtingaanwijzerhendel.
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, gaan er waarschuwingssymbolen branden en worden er geluidssignalen afgegeven om
de bewuste persoon eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen (p. 29).
•
Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de
snelheid. De waarschuwingssymbolen zitten op
de plafondconsole en op het instrumentenpaneel
(p. 66).
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet voor
kinderzitjes.
Gordelspanners
De Veiligheidsgordels (p. 28) aan de bestuurderszijde, de passagierszijde en op de buitenste
zitplaatsen achterin zijn voorzien van gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel
rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan
de passagier daarmee beter in de stoel gedrukt
houden.
WAARSCHUWING
Waarschuwen dat iemand op de achterbank
de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er
wordt gewaarschuwd met een melding op
het instrumentenpaneel in combinatie met
een geluidssignaal en een waarschuwingssymbool. De waarschuwing stopt wanneer de
gordel weer is omgedaan, maar kan ook
handmatig worden bevestigd door op de
knop OK te drukken.
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen vreemde
voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting.
De veiligheidsgordels en de gordelsluiting
werken anders mogelijk niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat gevaar voor
ernstige verwondingen.
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel staat welke veiligheidsgordels er in gebruik
zijn. Deze informatie is altijd beschikbaar.
Gerelateerde informatie
•
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 28)
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
•
Aangeven welke veiligheidsgordel (p. 28) van
de achterbank er worden gebruikt. Bij
gebruik van de veiligheidsgordels of het ope-
31
VEILIGHEID
Veiligheid - waarschuwingssymbool
zo spoedig mogelijk contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Het waarschuwingslampje verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd is.
Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje
in combinatie met een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 66).
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden
korte tijd oplicht, betekent dit dat het airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het symbool kan ook duiden op een storing in het airbagsysteem, de gordelspanners, het SIPS- en
het IC-systeem of op een andere storing in
het systeem. Volvo adviseert u zo spoedig
mogelijk contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool voor het
airbagsysteem op een digitaal instrumentenpaneel.
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool voor het
airbagsysteem (p. 33) op een analoog instrumentenpaneel.
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 82) staat. Iedere
keer dat het contact wordt ingeschakeld, vindt er
een storingsdiagnose plaats. Het symbool dooft
na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule
heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen
storingen vertoont.
Het waarschuwingslampje verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd is.
Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje
in combinatie met een melding op het display. Als
het waarschuwingssymbool niet werkt, gaat het
waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt
er SRS airbag Service vereist of SRS airbag
Service spoed op het display. Volvo adviseert u
32
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 41)
VEILIGHEID
Airbagsysteem
auto over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem
voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel
aan hoofd en borstkas oplopen.
•
Neem altijd contact op met een arts.
G018666
WAARSCHUWING
G018665
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto met het
stuur rechts.
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto met het
stuur links.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna een of meer airbags
worden opgeblazen en warm worden. De airbags
vangen de klap van de aanrijding op voor de inzittende. De airbags lopen vervolgens weer leeg.
Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is
volkomen normaal. Het totale verloop, van het
opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt
enkele tienden van een seconde in beslag.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen
airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in de
De regeleenheid van het airbagsysteem zit in
de middenconsole. Als de middenconsole
doorweekt geraakt is, moet u de accukabels
loskoppelen. Probeer de auto niet te starten,
omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen
worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te laten wegslepen naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat kan
het besturen van de auto bemoeilijken. Ook
andere veiligheidssystemen kunnen beschadigd zijn. De rook en stof die bij het opblazen
van de airbags worden gevormd, kunnen bij
een intensieve blootstelling irritaties aan de
huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met
koud water wassen. Het snelle opblazen kan
ook, in combinatie met het materiaal van de
airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de
huid zorgen.
}}
33
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u om voor reparatie contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een verkeerde ingreep in het airbagsysteem kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
N.B.
Airbags aan de bestuurderszijde
Gerelateerde informatie
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
(p. 28) aan de bestuurderszijde ook twee airbags (p. 33).
•
Een van de airbags zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of er al
dan niet een veiligheidsgordel wordt gebruikt.
Geldt voor alle zitplaatsen behalve de middelste zitplaats achterin.
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing wordt
blootgesteld en passen zich hierop aan, zodat
een of meer airbags worden opgeblazen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbags aan de bestuurderszijde (p. 34)
Passagiersairbag (p. 35)
Knieairbag aan de bestuurderszijde bij een auto met het
stuur links.
De andere airbag (op kniehoogte) zit onder in het
dashboard aan de bestuurderszijde. Het dashboard is voorzien van het opschrift AIRBAG.
Veiligheid - waarschuwingssymbool (p. 32)
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbags werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd wordt
gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed
zijn op het effect van de airbags.
34
Passagiersairbag (p. 35)
VEILIGHEID
Passagiersairbag
WAARSCHUWING
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
(p. 28) aan de passagierszijde ook een airbag
(p. 33).
Plaats een achterstevoren gemonteerd kinderzitje nooit op een stoel met een geactiveerde airbag. Het niet opvolgen van deze
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
voor of ernstig letsel van het kind opleveren.
De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven
het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
WAARSCHUWING
Positie van de passagiersairbag in een auto met het
stuur rechts.
Sticker voor passagiersairbag
De veiligheidsgordel en airbag werken samen.
Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt,
kan dit bij een botsing van invloed zijn op het
effect van de airbag.
Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo
rechtop mogelijk zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet vast zitten.
WAARSCHUWING
Positie van de passagiersairbag in een auto met het
stuur links.
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop het
dashboard op de plek waar de airbag voor de
passagiersstoel zit.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
}}
35
VEILIGHEID
||
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
Passagiersairbag - activering/
deactivering*
(kinderen en volwassenen) veilig in de rijrichting op de passagiersstoel zitten.
Passagiersairbag (p. 35) voorin is te deactiveren
met een schakelaar als de auto is uitgerust met
PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch).
OFF - de airbag is gedeactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje veilig op de passagiersstoel voorin zitten.
Schakelaar - PACOS
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS zit aan de passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u
kunt erbij door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Gebruik het sleutelblad (p. 166) van
de transpondersleutel om van stand te veranderen.
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Schakelaar - PACOS*
De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 36) met een schakelaar als de auto is
uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off
Switch).
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOS-schakelaar (Passenger Airbag Cut Off Switch)
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
36
Airbags aan de bestuurderszijde (p. 34)
Kinderzitje (p. 47)
Locatie van de schakelaar voor de airbag.
ON - de airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen alle passagiers
* Optie/accessoire.
VEILIGHEID
N.B.
Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 82) staat, brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingssymbool (p. 32) voor
de airbag op het instrumentenpaneel.
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Bevestig een tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje nooit op de passagiersstoel voorin,
als de passagiersairbag geactiveerd is en als
op de plateken daarvan het symbool
fondconsole brandt. Het niet opvolgen van
deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties voor het kind opleveren.
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingssymbool
(p. 32) voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op
de plafondconsole aangeeft dat de airbag aan
die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op een
ernstige storing. Bezoek zo spoedig mogelijk
een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties
voor de passagiers opleveren.
Gerelateerde informatie
•
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
Een melding en een waarschuwingssymbool op
de plafondconsole geven aan dat de airbag aan
de passagierszijde geactiveerd is (zie voorgaande
afbeelding).
Kinderzitje (p. 47)
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
Een melding en een brandend lampje op de plafondconsole geven aan dat de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie voorgaande
afbeelding).
37
VEILIGHEID
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS (Side Impact
Protection System) over balken, stijlen, vloer,
dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de bestuurders- en
de passagierszijde beschermen de borstkas en
de heupen en vormen een belangrijk onderdeel
van het SIPS.
De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen
opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
WAARSCHUWING
•
Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend
door een erkende Volvo-werkplaats te
laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in
het SIPS-systeem kan tot een onjuiste
werking leiden met ernstig letsel als
gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen in het gebied
tussen de buitenzijde van de stoel en het
portierpaneel, aangezien dit gebied door
de zijairbag kan worden beïnvloed.
•
Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo
goedgekeurde overtrekbekleding te
gebruiken. Andere bekleding kan de werking van de zijairbags hinderen.
•
De zijairbag vormt een aanvulling op de
veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Bestuurdersplaats, auto met het stuur links.
SIPS en kinderzitjes
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende
werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet
negatief.
Het SIPS bestaat uit twee hoofdonderdelen: de
SIPS-airbags en de sensoren. De SIPS-airbags
zijn aangebracht in de rugleuningframes van de
voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren
activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens
opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. De airbags lopen vervolgens weer leeg.
38
Gerelateerde informatie
Passagiersplaats, auto met het stuur links.
•
•
•
Airbags aan de bestuurderszijde (p. 34)
Passagiersairbag (p. 35)
Opblaasgordijnen (IC-systeem) (p. 39)
VEILIGHEID
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
WAARSCHUWING
Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder
en eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto stoten.
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan
de plafondhandgrepen. De haak is alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo adviseert u uitsluitend originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen, te
gebruiken.
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
WHIPS (Whiplash Protection System) biedt
bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem
bestaat uit energieabsorberende rugleuningen
en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
WAARSCHUWING
De auto mag niet zo worden beladen dat de
lading hoger dan 50 mm onder de bovenkant
van de portierruiten uitkomt. Anders kan het
beschermende vermogen van het opblaasgordijn, dat in de hemelbekleding verborgen zit,
uitblijven.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem
(Inflatable Curtain) maken deel uit van het SIPSsysteem (p. 38). Ze zitten verborgen achter de
plafondbekleding langs beide zijden van de auto
en beschermen inzittenden op de buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun
beurt de opblaasgordijnen activeren.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 28)
Airbagsysteem (p. 33)
SIPS-airbags (p. 38)
}}
39
VEILIGHEID
voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
||
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Eigenschappen van de stoel
Bij activering van het WHIPS klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren, zodat
de zithouding van bestuurder en voorpassagier
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WHIPS - zithouding
Voor optimale bescherming door het WHIPS
(p. 39) moeten bestuurder en voorpassagier de
juiste zithouding innemen en zorgen dat het systeem niet wordt gehinderd.
Zithouding
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel (p. 83).
U en een eventuele voorpassagier moeten zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen
en de afstand tussen hoofd en hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
Functie
WAARSCHUWING
Voer zelf nooit wijzigingen of reparaties aan
de stoel of het WHIPS-systeem uit. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
WHIPS en kinderzitjes
Het WHIPS beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet
negatief.
Gerelateerde informatie
Het WHIPS wordt geactiveerd bij een aanrijding
van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder
en de snelheid waarmee het achteropkomende
40
•
•
WHIPS - zithouding (p. 40)
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 28)
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPS kunnen hinderen.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet dusdanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitgedeelte van de
achterbank en de rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat u het WHIPS-systeem niet in
zijn werking hindert.
WAARSCHUWING
Als de stoel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals bij een aanrijding van achteren,
is een controle van het WHIPS vereist. Volvo
adviseert om dit door een erkende Volvowerkplaats te laten controleren.
Het WHIPS kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs
al ziet de stoel er intact uit.
Algemene informatie over de Safety
mode
Safety Mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt, wanneer tijdens een aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd
zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor
de veiligheidssystemen of het remsysteem.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren, ook bij zachtere
aanrijdingen van achteren.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS kunnen hinderen.
De gevarendriehoek op het analoge instrumentenpaneel.
WAARSCHUWING
Als een rugleuning op de achterbank is
omgeklapt of als er op de achterbank een
achterstevoren geplaatst kinderzitje wordt
gebruikt, moet de bijbehorende voorstoel naar
voren worden geklapt, zodat deze geen contact heeft met de omgeklapte rugleuning of
het kinderzitje.
}}
41
VEILIGHEID
Gerelateerde informatie
||
•
•
Safety mode - startpoging (p. 42)
Safety mode - auto verrijden (p. 43)
Safety mode - startpoging
Als de auto in de Safety mode (p. 41) staat, is
een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt te
zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen sprake
is van brandstoflekkage.
Controleer eerst of er geen brandstof uit de auto
is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur
waarneembaar zijn.
De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje op het bestuurdersdisplay van
het instrumentenpaneel (p. 66) verschijnen. Dit
betekent dat de functionaliteit van de auto is verminderd.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Safety mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een slechte
functie van de auto. Volvo adviseert u de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten
controleren en naar Normal Mode te laten
resetten nadat de melding Veiligheidsstand
Zie instructieboekje is verschenen.
42
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de motor
te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een melding
verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u
op de startknop te drukken. Sluit het portier vervolgens en plaats de transpondersleutel terug.
De elektronica van de auto probeert nu te resetten naar de normale stand. Probeer vervolgens
de auto te starten.
Als de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje nog steeds op het display
staat, mag u niet met de auto rijden en hem
evenmin verslepen. U moet hem dan laten bergen (p. 320). Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als
het lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje getoond wordt. Verlaat de
auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
Als de auto nog in de Safety mode staat, mag
deze niet worden gesleept. De auto moet
door een berger worden opgehaald. Volvo
adviseert u de auto te laten wegslepen naar
een erkende Volvo-werkplaats.
Safety mode - auto verrijden
Voetgangersairbag
Als Normal mode verschijnt, wanneer de
Veiligheidsstand Zie instructieboekje na een
startpoging (p. 42) werd gereset, mag u de auto
voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden.
De voetgangersairbag (Pedestrian Airbag)
beperkt bij bepaalde frontale aanrijdingen de
kracht waarmee de auto de voetganger raakt.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 41)
Gerelateerde informatie
•
Safety mode - auto verrijden (p. 43)
De voetgangersairbag (Pedestrian Airbag) zit
onder de motorkap bij de voorruit. Bij bepaalde
frontale aanrijding met een voetganger reageren
de sensoren in de voorbumper en de airbag
wordt opgeblazen als de kracht van de aanrijding
als voldoende hoog wordt beoordeeld. De sensoren zijn actief bij een snelheid van ongeveer
20–50 km/h (12–30 mph) n een omgevingstemperatuur tussen –20 en +70 °C.
De sensoren zijn berekend op detectie van een
botsing met zaken die eigenschappen hebben
vergelijkbaar met menselijke benen.
}}
43
VEILIGHEID
||
N.B.
Er zijn mogelijk zaken in het verkeersmilieu
aanwezig waardoor de sensoren onterecht
het signaal krijgen dat er een voetganger
wordt aangereden. Bij een botsing met iets
dergelijks wordt het systeem mogelijk geactiveerd.
Bij activering van de airbag (Pedestrian Airbag)
•
wordt het achterste gedeelte van de motorkap opgetild en in deze stand vergrendeld
•
•
worden de alarmlichten geactiveerd
wordt het remsysteem voorbereid voor om in
noodgevallen af te remmen.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats bij schade aan
de bumper om er zeker van te zijn dat het systeem intact is.
Gerelateerde informatie
•
•
Voetgangersairbag - auto verrijden (p. 44)
Voetgangersairbag - opvouwen (p. 45)
Voetgangersairbag - auto verrijden
U mag de auto niet verrijden, wanneer deze in
de Safety mode (p. 41) staat.
Als een van de andere airbags in de passagiersruimte is geactiveerd, wordt de auto in de Safety
mode gezet.
Als alleen de voetgangersairbag (p. 43)
(Pedestrian Airbag) geactiveerd is:
1.
Rijd de auto naar de dichtstbijzijnde veilige
plek.
2.
Vouw de airbag op volgens de instructies
(p. 45).
3.
Ga naar de dichtstbijzijnde werkplaats.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Monteer geen accessoires op de voorkant van
de auto en breng evenmin wijzigingen in dit
gebied aan. Een onjuiste ingreep in het front
kan tot een foutieve werking van het systeem
leiden waardoor ernstig letsel en materiële
schade aan de auto kan ontstaan.
Volvo adviseert om originele wisserarmen te
gebruiken en deze alleen door originele
onderdelen te vervangen.
44
Volvo adviseert u om, na activering van de airbag, onmiddellijk contact opneemt met een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Voetgangersairbag (p. 43)
VEILIGHEID
Voetgangersairbag - opvouwen
3.
Vouw de voetgangersairbag (p. 43) (Pedestrian
Airbag) op, voordat u de auto verrijdt.
Druk het omwikkelde deel van de airbag
omlaag in de airbagbehuizing (2).
Algemene informatie over
kinderveiligheid
4.
Herhaal de punten 1–3 voor de rechterzijde.
Het is wellicht nodig om de verzamelde stof
aan deze kant twee keer te vouwen voordat
de klittenband er omheen wordt gewikkeld.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten
(kinderzitjes, comfortkussens en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn ontwikkeld.
5.
De afdekking van de airbagbehuizing blijft
openstaan en dat is volledig normaal.
Met kinderveiligheidsproducten van Volvo schept
u optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van kinderen in de auto. U weet bovendien zeker
dat de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
Gerelateerde informatie
•
Voetgangersairbag - auto verrijden (p. 44)
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten.
Airbag
Airbagbehuizing
Klittenband, rechterzijde
Klittenband, linkerzijde
Er kan wat rook uit de airbag komen en deze kan
warm aanvoelen, maar dit is normaal. Het opvouwen gaat als volgt:
1.
Zoek de klittenband aan de linkerzijde (4) op.
2.
Verzamel eerst de stof van de airbag aan de
linkerzijde in de lengterichting en vouw
daarna de verzamelde stof naar het midden.
Wikkel de klittenband (dubbelzijdig) rond
zoveel mogelijk stof en maak de band vast.
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–4
jaar) en daarna op een comfortkussen of een in
een de rijrichting geplaatst kinderzitje tot ze een
lengte van 1,40 m hebben.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het te gebruiken type kinderzitje voor kinderen in verschillende leeftijdscategorieën en gewichtsklassen verschillen van land tot land. Ga na wat er
in uw land geldt.
}}
45
VEILIGHEID
||
N.B.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke aanwijzingen contact op met de producent.
Kinderslot
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de achterportieren en de openingshandgrepen op de
achterportieren zijn te blokkeren (p. 179), zodat
de achterportieren en de zijruiten niet meer van
de binnenzijde kunnen worden geopend.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
46
Kinderzitje (p. 47)
Kinderzitje - positie (p. 52)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 53)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 57)
VEILIGHEID
Kinderzitje
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen
zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste
wijze gebruikt.
N.B.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is
het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen.
N.B.
Laat een kinderzitje nooit los in de auto liggen. Bevestig het altijd volgens de instructies
voor het kinderzitje, ook als u het niet
gebruikt.
WAARSCHUWING
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
Raadpleeg voor de juiste montage de montageinstructies bij het kinderzitje.
}}
47
VEILIGHEID
||
Aanbevolen kinderzitjes1
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting
in geplaatste kinderzitjes)
Categorie 0
Categorie 0+
Middelste zitplaats
achterbank
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(L)
Categorie 0+
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat)
– tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
max. 13 kg
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 10 kg
Buitenste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - tegen
de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Categorie 0
Voorstoel (met geactiveerde
airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – tegen
de rijrichting in geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
(U)
Volvo-babyzitje (Volvo
Infant Seat) – tegen
de rijrichting in
geplaatst kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1
04301146
(U)
Categorie 0
max. 10 kg
Categorie 0+
Kinderzitjes met universele goedkeuring.A
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(U)
max. 13 kg
1 Om
48
andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
VEILIGHEID
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting
in geplaatste kinderzitjes)
Categorie 1
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) –
tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
9–18 kg
Voorstoel (met geactiveerde
airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats
achterbank
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – tegen de rijrichting
in geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Categorie 1
9–18 kg
Tegen de rijrichting in geplaatste
Volvo-kinderzitje
Tegen de rijrichting in geplaatste Volvo-kinderzitje
Typegoedkeuring: E5 04212
Typegoedkeuring: E5 04212
(L)
(L)
Categorie 1
In de rijrichting geplaatste
kinderzitjes met universele
goedkeuring.A, B
9–18 kg
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
(U)
(UF)
Categorie 2
15–25 kg
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) –
tegen de rijrichting in geplaatst
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – tegen de rijrichting
in geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
}}
49
VEILIGHEID
||
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting
in geplaatste kinderzitjes)
Categorie 2
Tegen de rijrichting in geplaatste
Volvo-kinderzitje
Tegen de rijrichting in geplaatste Volvo-kinderzitje
Typegoedkeuring: E5 04212
Typegoedkeuring: E5 04212
(L)
(L)
15–25 kg
Categorie 2
15–25 kg
Voorstoel (met geactiveerde
airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat)
– tegen de rijrichting in
geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04191
Buitenste zitplaats achterbank
Omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – tegen de rijrichting
in geplaatst kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
(U)
Categorie 2/3
15–36 kg
Volvo-comfortkussen met
rugleuning (Volvo Booster
Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1
04301169
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo
Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
Categorie 2/3
Volvo-kinderzitje
Volvo-kinderzitje
15–36 kg
Typegoedkeuring: E1
04301312
Typegoedkeuring: E1 04301312
(UF)
50
(UF, L)
Middelste zitplaats
achterbank
VEILIGHEID
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde
airbag, alleen tegen de rijrichting
in geplaatste kinderzitjes)
Categorie 2/3
15–36 kg
Voorstoel (met geactiveerde
airbag, alleen in de rijrichting
geplaatste kinderzitjes)
Buitenste zitplaats achterbank
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion
with and without backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
Middelste zitplaats
achterbank
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
(UF)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting geplaatste kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
B: Geïntegreerde kinderzitjes met goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
B
Alleen voor een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje. Zet de rugleuning van de zitplaats rechtop.
Voor kinderen in deze gewichtscategorie adviseert Volvo een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderzitje - positie (p. 52)
•
•
Kinderzitje - ISOFIX (p. 53)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 57)
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 45)
51
VEILIGHEID
Kinderzitje - positie
Sticker voor passagiersairbag
Het gewicht en de lengte van het kind zijn bepalend voor de plaats van het kind in de auto en de
vereiste uitrusting.
WAARSCHUWING
Plaats een achterstevoren gemonteerd kinderzitje nooit op een stoel met een geactiveerde airbag. Het niet opvolgen van deze
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
voor of ernstig letsel van het kind opleveren.
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
G020739
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
Tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes en airbags
gaan niet samen.
Plaats tegen de rijrichting in geplaatste kinderzitjes (p. 47) op de achterbank, als de passagiersairbag geactiveerd (p. 36) is. Als de airbag wordt
opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel
ernstig letsel oplopen.
Als de passagiersairbag gedeactiveerd is, kunt u
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op
de passagiersstoel voorin zetten.
52
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag
is aangebracht als hierboven.
Het volgende kan worden gebruikt:
•
een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer
de passagiersairbag gedeactiveerd is.
•
een in de rijrichting geplaatst kinderzitje/een
comfortkussen op de passagiersstoel voorin,
wanneer de passagiersairbag geactiveerd is.
•
en of meer kinderzitjes/comfortkussen op de
achterbank.
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de passagiersairbag
geactiveerd is.
Laat nooit passagiers (kinderen noch volwassenen) op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de passagiersairbag gedeactiveerd
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan aanleiding geven tot levensgevaarlijke situaties of ernstig letsel.
VEILIGHEID
WAARSCHUWING
Comfortkussens/kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de openingsknop van de gordelsluiting aan kunnen
liggen, mogen niet worden gebruikt aangezien
ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk open gaat.
Kinderzitje - ISOFIX
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 47), gebaseerd op een internationale
standaard.
•
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 45)
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind in
de auto moet worden geplaatst, verschillen
per land. Stel u op de hoogte van wat van toepassing is.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 45)
•
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 57)
•
Kinderzitje - ISOFIX (p. 53)
U vindt de bevestigingspunten voor het ISOFIXsysteem onder aan de rugleuning van de achterbank op de beide buitenste zitplaatsen.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten
(zie voorgaande afbeelding) geven de positie van
deze bevestigingspunten aan.
Houd u altijd aan de montage-instructies van de
fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan
de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Gerelateerde informatie
•
•
ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 54)
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 55)
53
VEILIGHEID
ISOFIX - afmetingscategorieën
WAARSCHUWING
Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 53)-bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om
gebruikers te helpen bij het kiezen van het juiste
type kinderzitje (p. 55).
Afmetingscategorie
54
Vervoer kinderen nooit in een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de passagiersstoel voorin, wanneer de airbag aan deze kant
geactiveerd is.
Beschrijving
A
Normale grootte, in rijrichting
geplaatst kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in rijrichting geplaatst kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in rijrichting geplaatst kinderzitje
C
Normale grootte, tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje
D
Beperkte grootte, tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje
E
Tegen de rijrichting in geplaatst
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd babyzitje,
links
G
Overdwars gemonteerd babyzitje,
rechts
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de
voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo raadt u aan contact op te nemen met
een erkende Volvo-dealer om te weten te
komen welk ISOFIX-kinderzitje Volvo aanbeveelt.
Gerelateerde informatie
•
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 55)
VEILIGHEID
ISOFIX - soorten kinderzitjes
Kinderzitjes kunnen net als auto's verschillende
afmetingen hebben. Kinderzitjes passen daarType kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, tegen rijrichting in
door niet op alle zitplaatsen van de verschillende
modellen.
Gewicht
max. 10 kg
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIXA-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
E
X
OK
(IL)
Babyzitje, tegen rijrichting in
max. 13 kg
E
X
OK
(IL)
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
Kinderzitje, tegen rijrichting in
9–18 kg
D
X
OK
(IL)
C
X
OK
(IL)
}}
55
VEILIGHEID
||
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
Afmetingscategorie
9–18 kg
B
Zitplaatsen voor montage ISOFIXA-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKB
(IUF)
B1
X
OKB
(IUF)
A
X
OKB
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting geplaatste ISOFIX-kinderzitjes met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
B
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes dat gebaseerd is op een internationale norm.
Volvo adviseert een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje voor deze categorie.
Zorg dat u de juiste afmetingscategorie (p. 54)
kiest voor een kinderzitje met het ISOFIX-bevestiging.
Gerelateerde informatie
•
56
Kinderzitje - ISOFIX (p. 53)
VEILIGHEID
Kinderzitje - bovenste
bevestigingspunten
N.B.
Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen
bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op
de beide buitenste zitplaatsen.
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 47) die in
de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van
de achterbank.
N.B.
Bovenste bevestigingspunten
In auto's met een bagagerolhoes over de
bagageruimte moet deze worden verwijderd
voordat het kinderzitje in de bevestigingspunten kan worden gemonteerd.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje voor gedetailleerde informatie over de
manier waarop u het zitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd
kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u
kleine kinderen zo lang mogelijk in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blijven vervoeren.
De bevestigingsband van het kinderzitje altijd
door de opening in de ene poot van de hoofdsteun halen, alvorens de band aan het bevestigingspunt vast te zetten.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over kinderveiligheid
(p. 45)
•
•
Kinderzitje - positie (p. 52)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 53)
57
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN
BEDIENING
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumenten en bediening, auto
met stuur links - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
60
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Overzicht auto's met het stuur links
}}
61
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
62
Functie
Zie
Functie
Zie
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 113),
(p. 115),
(p. 101),
(p. 93) en
(p. 117).
Openingshandgreep
portier
–
Bedieningspaneel
Handmatig schakelen
bij automatische versnellingsbak*
(p. 278).
(p. 174),
(p. 180),
(p. 107) en
(p. 108).
Alarmlichten
(p. 101).
Cruisecontrol*
(p. 194) en
(p. 203).
Claxon, airbag
(p. 88) en
(p. 33).
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 116) en
Sensus Infotainment-supplement.
Instrumentenpaneel
(p. 66).
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 129) of
(p. 130).
Menufuncties, bediening audio, bediening
telefoon*
(p. 116) en
Sensus Infotainment-supplement.
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 277) of
(p. 278).
Parkeerrem
(p. 295).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 274).
Wissers en -sproeiers
(p. 104).
Stuurwielafstelling
(p. 88).
Contactslot
(p. 81).
(p. 116) en
Sensus Infotainment-supplement.
Ontgrendeling motorkap
(p. 351).
Beeldscherm voor
infotainment en weergave van menu's
Verlichtingsdraaiknop,
opener achterklep
(p. 89) en
(p. 176).
Stoelverstelling*
(p. 85).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 76)
Dagtellers (p. 76)
Klok (p. 76)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumenten en bediening, auto
met stuur rechts - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
}}
63
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
64
Overzicht auto's met het stuur rechts
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Wissers en -sproeiers
(p. 104).
Bedieningspaneel
Handmatig schakelen
bij automatische versnellingsbak*
(p. 278).
(p. 174),
(p. 180),
(p. 107) en
(p. 108).
Verlichtingsdraaiknop,
opener achterklep
(p. 89) en
(p. 176).
Stoelverstelling*
(p. 85).
Menufuncties, bediening audio, bediening
telefoon*
(p. 116) en
Sensus Infotainment-supplement.
Ontgrendeling motorkap
(p. 351).
Gerelateerde informatie
Alarmlichten
(p. 101).
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 116) en
Sensus Infotainment-supplement.
•
•
•
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 129) of
(p. 130).
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 277) of
(p. 278).
Parkeerrem
(p. 295).
Claxon, airbag
(p. 88) en
(p. 33).
Instrumentenpaneel
(p. 66).
Cruisecontrol*
(p. 194) en
(p. 203).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 274).
Contactslot
(p. 81).
Beeldscherm voor
infotainment en weergave van menu's
(p. 116) en
Sensus Infotainment-supplement.
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/
dimlicht, boordcomputer
(p. 113),
(p. 115),
(p. 101),
(p. 93) en
(p. 117).
Openingshandgreep
portier
–
Stuurwielafstelling
(p. 88).
Buitentemperatuur (p. 76)
Dagtellers (p. 76)
Klok (p. 76)
* Optie/accessoire.
65
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumentenpaneel
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over
bepaalde functies van de auto en meldingen.
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 66)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 67)
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 71)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 74)
Instrumentenpaneel, analoog overzicht
Meters en wijzers
Op het bestuurdersdisplay wordt informatie
weergegeven over bepaalde functies van de
auto en meldingen.
Bestuurdersdisplay
Bestuurdersdisplay, analoog instrument.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de functies die gebruik maken van het display.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering1,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 117) en Brandstof tanken
(p. 301).
Eco meter. De meter geeft een beeld van
hoe zuinig er in de auto wordt gereden. Hoe
groter de wijzeruitslag, hoe zuiniger u rijdt.
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator2 / Schakelstandindicator3.
Zie ook Schakelindicator* (p. 278) of Auto-
1
2
3
66
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
matische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 278).
Controle- en waarschuwingssymbolen
Dit gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem
wordt gehaald.
Instrumentenpaneel, digitaal overzicht
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in contactslotstand II, gaan binnen enkele seconden alle symbolen uit, behalve
het symbool voor storingen in de uitlaatgasreiniging en dat voor een lage oliedruk.
Op het bestuurdersdisplay wordt informatie
weergegeven over bepaalde functies van de
auto en meldingen.
Bestuurdersdisplay
Gerelateerde informatie
Controle- en waarschuwingssymbolen, analoog instrument.
•
•
Instrumentenpaneel (p. 66)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 74)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 67)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 71)
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen4
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
bestuurdersdisplay, gaan branden in contactslotstand II of bij het starten van de motor. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het lampje voor de parkeerrem.
4
Bestuurdersdisplay, digitaal instrument*.
Gedetailleerder informatie vindt u onder de functies die gebruik maken van het display.
Meters en wijzers
Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema's te kiezen. De mogelijke thema's zijn: "Elegance", "Eco" en "Performance".
Het is alleen mogelijk een thema te kiezen, wanneer de motor draait.
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto's met dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe oliedruk niet in gebruik. In plaats
daarvan wordt via een displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 352).
* Optie/accessoire.
}}
67
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Druk om een thema te kiezen op de OK-knop op
de linker stuurhendel en kies menu-optie
Thema's door aan het duimwiel van dezelfde
hendel te draaien. Druk op de OK-knop. Draai
aan het duimwiel om een thema te kiezen en
bevestig uw keuze door op de OK-knop te drukken.
Thema "Elegance"
matische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 278).
Het uiterlijk van het beeldscherm op de middenconsole hangt bij bepaalde modelvarianten af van
het gekozen thema voor het instrumentenpaneel.
Met de linker stuurhendel kunt u ook het contrast
en de kleur van het instrumentenpaneel instellen.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 113).
Het gekozen thema en de instellingen op het
gebied van contrast en kleur zijn voor alle transpondersleutels apart op te slaan in het autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 159).
Meters en wijzers, thema "Elegance".
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering5,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 117) en Brandstof tanken
(p. 301).
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator6 / Schakelstandindicator7.
Zie ook Schakelindicator* (p. 278) of Auto-
5
6
7
68
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Thema "Eco"
matische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 278).
Thema "Performance"
Power guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 70).
Schakelindicator6 /Schakelstandindicator7.
Zie ook Schakelindicator* (p. 278) of Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 278).
Meters en wijzers, thema "Eco".
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering5,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 117) en Brandstof tanken
(p. 301).
Eco guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 70).
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding is
gedaald tot slechts één witte markering5,
gaat het oranje controlesymbool voor een
laag brandstofpeil branden. Zie ook Boordcomputer (p. 117) en Brandstof tanken
(p. 301).
Snelheidsmeter
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Snelheidsmeter
Schakelindicator6 /Schakelstandindicator7.
Zie ook Schakelindicator* (p. 278) of Auto5
6
7
Meters en wijzers, thema "Performance".
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Wanneer de aanduiding Afstand tot lege tank: op het display verandert in ----, wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
}}
* Optie/accessoire.
69
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Controle- en waarschuwingssymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen, digitaal instrument.
Als de motor niet aanslaat of als de functietest
wordt uitgevoerd in contactslotstand II, gaan binnen enkele seconden alle symbolen uit, behalve
het symbool voor storingen in de uitlaatgasreiniging en dat voor een lage oliedruk.
Eco guide & Power guide*
Gerelateerde informatie
De auto slaat ook statistische ritgegevens die in
de vorm van staafdiagrammen te bekijken zijn,
zie Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 122).
•
•
Instrumentenpaneel (p. 66)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 74)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 66)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 71)
Eco guide en Power guide zijn twee van de
meters op het instrumentenpaneel (p. 66) die u
helpen om zo zuinig mogelijk met de auto te rijden.
Eco guide
Deze meter geeft een beeld van hoe zuinig u met
de auto rijdt.
Kies "Eco" om deze meter te kunnen zien, zie
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 67).
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen8
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
bestuurdersdisplay, gaan branden in contactslotstand II of bij het starten van de motor. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het lampje voor de parkeerrem.
Dit gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem
wordt gehaald.
Actuele waarde
Gemiddelde waarde
8
70
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto's met dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe oliedruk niet in gebruik. In plaats
daarvan wordt via een displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 352).
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumentenpaneel - betekenis
controlesymbolen
Actuele waarde
Hier wordt de actuele waarde getoond; hoe groter de uitslag op de schaal, hoe beter.
De controlesymbolen attenderen u erop dat de
bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de desbetreffende systemen actief zijn of dat er storingen of gebreken zijn opgetreden.
De actuele waarde wordt berekend op basis van
snelheid, motortoerental, benut motorvermogen
en het gebruik van het rempedaal.
Controlesymbolen
Geadviseerd wordt een optimale snelheid
(50–80 km/h (30–50 mph)) en een laag toerental aan te houden. Bij gas geven en remmen
dalen de wijzers.
Bij zeer lage actuele waarden licht het rode
gebied van de meter (met enige vertraging) op,
wat betekent dat u onzuinig rijdt. U dient dit te
voorkomen.
Gemiddelde waarde
De gemiddelde waarde volgt de actuele waarde
langzaam en beschrijft hoe de afgelopen tijd in
de auto is gereden. Hoe groter de uitslag van de
wijzers op de schaal, hoe zuiniger u hebt gereden.
Power guide
Dit instrument geeft de relatie aan tussen het
benutte en het beschikbare vermogen (Power)
van de motor.
Kies "Performance" om deze meter te kunnen
zien, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 67).
9
Het vermogen is afhankelijk van het motortoerental.
Symbool
Betekenis
Storing in ABL
Beschikbaar motorvermogen
Benut vermogen
Beschikbaar motorvermogen
De kleinere wijzer bovenaan toont het beschikbare motorvermogen9. Hoe groter de uitslag op
de schaal, hoe meer vermogen er beschikbaar is
in de actuele versnelling.
Benut vermogen
De grotere wijzer onderaan toont het benutte
motorvermogen9. Hoe groter de uitslag op de
schaal, hoe meer motorvermogen er benut wordt.
Een groot verschil tussen de beide wijzers duidt
op een grote vermogensreserve.
Uitlaatgasreiniging
Storing in ABS
Mistachterlicht aan
Stabiliteitsregeling, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 186)
Stabiliteitsregeling, Sport-stand, zie
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - bediening (p. 187)
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
}}
71
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Symbool
adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
vertoont voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Informatie, lees displaymelding
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het systeem defect. Het
normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarmen gebeurt
meestal bij een lage temperatuur.
Groot licht aan
1.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2.
Start de motor opnieuw.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden is het brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig mogelijk.
3.
Als het lampje blijft branden, rijd dan naar
een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Betekenis
AdBlue-systeem (diesel)
Richtingaanwijzers links
Richtingaanwijzers rechts
Eco-systeem Aan, zie Rijmodus
ECO* (p. 291)
Start/Stop, motor is automatisch
afgezet, zie Start/Stop* - werking
en bediening (p. 284)
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer het mistachterlicht
is ingeschakeld. Er is slechts één mistachterlicht
- dat zit aan de bestuurderszijde.
Bandenspanningscontrole , zie
Bandenspanningscontrole (TM)*
(p. 335)
Stabiliteitsregeling
Het knipperende lampje geeft aan dat de stabiliteitsregeling werkt. Als het lampje continu brandt
is er sprake van een storing in het systeem.
Storing in ABL
Het lampje brandt, als een storing is opgetreden
in het ABL-systeem (Active Bending Lights).
Uitlaatgasreiniging
Bij een storing in de uitlaatgasreiniging kan na
een motorstart het symbool gaan branden. Rijd
voor een controle naar een werkplaats. Volvo
10
72
AdBlue®10-systeem (diesel)
Het symbool gaat branden bij een laag AdBluepeil of bij een storing in het AdBlue-systeem. Via
een melding op het display wordt de status van
het systeem aangegeven.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
Het symbool brandt, wanneer de Sport-stand is
geactiveerd. De Sport-stand maakt een actievere
rijervaring mogelijk. Het systeem registreert dan
of de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook
het bochtenwerk aan te merken zijn als actiever
dan normaal, waarna het systeem toestaat dat de
achtertrein een gecontroleerde vorm van slippen
Geregistreerd handelsmerk van Verband der Automobilindustrie e.V. (VDA)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de autosystemen, gaat het informatiesymbool branden en verschijnt er een melding op het display. U verwijdert
de melding met behulp van de OK-knop, zie
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 113). Dit
gebeurt automatisch als u enige tijd niets doet
(hoe lang hangt van de bewuste functie af). Het
informatiesymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze ook
automatisch.
Groot licht aan
Het lampje brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij
gebruik van de alarmlichten.
Eco-systeem aan
Het symbool brandt, wanneer het Eco-systeem is
geactiveerd.
Bandenspanningscontrole
Het symbool brandt bij een lage bandenspanning
of als een storing optreedt in de bandenspanningscontrole.
Gerelateerde informatie
•
•
Instrumentenpaneel (p. 66)
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool
branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het bestuurdersdisplay. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier
dat openstaat.
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 66)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 67)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 74)
Als u zo'n 7 km/h (4 mph) rijdt, gaat het
informatiesymbool branden.
Als u sneller dan zo'n 7 km/h (4 mph)
rijdt, gaat het waarschuwingssymbool
branden.
Als de motorkap11 niet goed dichtstaat, gaat het
waarschuwingssymbool branden en verschijnt er
een verklarende afbeelding op het bestuurdersdisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en sluit de motorkap.
Als de achterklep niet goed dichtstaat, gaat het
informatiesymbool branden en verschijnt er een
verklarende afbeelding op het bestuurdersdisplay.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en sluit de achterklep.
Start/Stop
Het lampje brandt als de motor automatisch is
afgezet.
11
Alleen auto's met alarm*.
* Optie/accessoire.
73
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
De waarschuwingssymbolen attenderen u erop
dat de bijbehorende belangrijke functies/systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
Waarschuwingssymbolen
Symbool
Betekenis
Lage oliedrukA
Parkeerrem ingeschakeld, digitaal
instrument
Parkeerrem ingeschakeld, analoog
instrument
Airbags (SRS)
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
Waarschuwing
A
74
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto's met dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe oliedruk
niet in gebruik. In plaats daarvan wordt via een displaymelding
gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie
Motorolie - algemeen (p. 352).
Lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden oplicht, is de
druk van de motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het lampje oplicht terwijl
het oliepeil in orde is, moet u contact opnemen
met een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Parkeerrem ingeschakeld
Het lampje brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Het lampje brandt tijdens
het aanzetten. Voor meer informatie, zie Parkeerrem (p. 295).
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of blijft
branden, is er een storing geregistreerd in een
van de veiligheidssystemen van de auto. Rijd zo
spoedig mogelijk naar een werkplaats voor een
controle. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als u of de voorpassagier geen
veiligheidsgordel draagt of als iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het lampje gaat tijdens het rijden branden, als er
sprake is van een storing in het elektrische systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat
u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil
mogelijk te laag. Breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir, zie Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 356).
Als de waarschuwingssymbolen voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een
storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
1.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2.
Start de motor opnieuw.
•
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
Als de symbolen echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 356). Als de lampjes
blijven branden ondanks dat het peil van
de remvloeistof in orde is, moet u de auto
uiterst voorzichtig naar een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in
het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
Het remvloeistofverlies moet door een werkplaats worden gecontroleerd. Volvo adviseert
u daarvoor contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein
bij krachtig afremmen slipt.
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden,
wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende displaymelding op het
bestuurdersdisplay. Het symbool blijft branden tot
de storing is verholpen, maar de melding kunt u
verwijderen met de OK-knop, zie Menufuncties instrumentenpaneel (p. 113). Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
Actie:
1.
12
2.
Lees de informatie op het bestuurdersdisplay. Voer de handeling uit die de melding op
het display u voorschrijft. Wis de melding met
de OK-knop.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool
branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het bestuurdersdisplay. Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier
dat openstaat.
Gerelateerde informatie
•
•
Instrumentenpaneel (p. 66)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 66)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 67)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 71)
Als u zo'n 7 km/h (4 mph) rijdt, gaat het
informatiesymbool branden.
Als u sneller dan zo'n 7 km/h (4 mph)
rijdt, gaat het waarschuwingssymbool
branden.
Als de motorkap12 niet goed dichtstaat, gaat het
waarschuwingssymbool branden en verschijnt er
een verklarende afbeelding op het bestuurdersdisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en sluit de motorkap.
Als de achterklep niet goed dichtstaat, gaat het
informatiesymbool branden en verschijnt er een
verklarende afbeelding op het bestuurdersdisplay.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand
en sluit de achterklep.
Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
Alleen auto's met alarm*.
* Optie/accessoire.
75
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Buitentemperatuur
Dagtellers
Klok
Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar
op het instrumentenpaneel.
Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Dagteller, digitaal instrument.
Klok, digitaal instrument.
Display voor buitentemperatuurmeter, digitaal
instrumentenpaneel
Display voor buitentemperatuurmeter, analoog instrumentenpaneel
Wanneer de temperatuur tussen –5 °C en +2 °C
ligt, brandt er een sneeuwvloksymbool op het display. Het lampje wijst op het gevaar voor gladheid. Als de auto stilstaat of geparkeerd gestaan
heeft, is het mogelijk dat de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeeft.
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 66)
De beide dagtellers T1 en T2 worden gebruikt
voor het meten van kortere ritten. De afgelegde
afstand staat op het display.
Draai aan het duimwiel van de linker stuurhendel
om de gewenste meter te tonen.
Bij lang indrukken (totdat er een wijziging plaatsvindt) van de knop RESET op de linker stuurhendel wordt de getoonde dagteller gereset. Voor
meer informatie, zie Boordcomputer (p. 117).
Gerelateerde informatie
•
13
76
Display voor de tijdaanduiding14
Display voor dagtellers13
Instrumentenpaneel (p. 66)
Hoe het display eruitziet kan verschillen afhankelijk van de instrumentenpaneelvariant.
Klok instellen
U kunt de klok aanpassen in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 116).
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 66)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instrumentenpaneel licentieovereenkomst
request. Please contact your nearest Volvo
Dealer.
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van
een product waar een andere rechtspersoon
octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de
voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier
volgt een Engelse versie van de overeenkomst
tussen Volvo en producenten/ontwikkelaars.
The offer is valid for a period of at least three (3)
years from the date of the distribution of this
product by VCC / or for as long as VCC offers
spare parts or customer support.
Combined Instrument Panel Software
Open Source Software Notice
This product uses certain free / open source and
other software originating from third parties, that
is subject to the GNU Lesser General Public
License version 2 (LGPLv2), The FreeType
Project License ("FreeType License") and other
different and/or additional copy right licenses,
disclaimers and notices. The links to access the
exact terms of LGPLv2, and the other open
source software licenses, disclaimers,
acknowledgements and notices are provided to
you below. Please refer to the exact terms of the
relevant License, regarding your rights under said
licenses. Volvo Car Corporation (VCC) offers to
provide the source code of said free/open source
software to you for a charge covering the cost of
performing such distribution, such as the cost of
media, shipping and handling, upon written
14
Portions of this product uses software
copyrighted © 2007 The FreeType Project
(www.freetype.org). All rights reserved.
The FreeType Project License: http://
git.savannah.gnu.org/cgit/freetype/freetype2.git/
tree/docs/FTL.TXT
•
FreeType 2
MIT License: http://opensource.org/licenses/
mit-license.html
•
Lua
Portions of this product uses software with
Copyright © 1994–2013 Lua.org, PUC-Rio
(http://www.lua.org/)
This product includes software under
following licenses:
LGPL v2.1: http://www.gnu.org/licenses/oldlicenses/lgpl-2.1.html
•
•
GNU FriBidi
DevIL
Bij een analoog instrument wordt de tijd midden op het instrument weergegeven.
77
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Displaysymbolen
Symbool
Er worden tal van displaysymbolen gebruikt in de
auto. De symbolen zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controle- en informatiesymbolen.
Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina('s) in de handleiding waar
u meer informatie kunt vinden.
- Rood waarschuwingssymbool dat gaat
branden, wanneer er een storing geregistreerd is
die mogelijk van invloed is op de veiligheid en/of
rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende displaymelding op het
bestuurdersdisplay.
- Informatiesymbool, gaat branden, in combinatie met een verklarende tekst op het bestuurdersdisplay van instrumentenpaneel, wanneer er
een storing in een van de autosystemen is opgetreden. Het oranje informatielampje kan ook gaan
branden in combinatie met andere lampjes.
Symbool
Betekenis
Zie
Lage oliedruk
(p. 74)
Parkeerrem ingeschakeld, digitaal
instrument
78
(p. 74),
(p. 295)
Zie
Parkeerrem ingeschakeld, analoog
instrument
(p. 74)
Airbags (SRS)
(p. 32),
(p. 74)
Gordelwaarschuwing
(p. 28),
(p. 74)
Dynamo laadt niet
bij
(p. 74)
Storing in remsysteem
(p. 74),
(p. 293)
Waarschuwing,
Safety mode
(p. 32),
(p. 41),
(p. 74)
Controlesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Waarschuwingssymbolen op
instrumentenpaneel
Betekenis
Betekenis
Zie
Storing in ABL*
(p. 71),
(p. 96)
Uitlaatgasreiniging
(p. 71)
Storing in ABS
(p. 71),
(p. 293)
Symbool
Betekenis
Zie
Mistachterlicht aan
(p. 71),
(p. 100)
Stabiliteitsregeling,
ESC (Electronic
Stability Control),
Trailer Stability
Assist*
(p. 71),
(p. 189),
(p. 317)
Stabiliteitsregeling,
Sport-stand
(p. 71),
(p. 189)
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
(p. 71)
Laag peil in brandstoftank
(p. 71),
(p. 141)
AdBlue-systeem
(diesel)
(p. 308)
Informatie, lees displaymelding
(p. 71)
Groot licht aan
(p. 71),
(p. 93)
Richtingaanwijzers
links
(p. 71)
Richtingaanwijzers
rechts
(p. 71)
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Symbool
Betekenis
Zie
Start/Stop*, de
motor is automatisch gestopt
(p. 71),
(p. 284)
ECO-functie* aan
(p. 71),
(p. 291)
Bandenspanningscontrole*
(p. 71), Bandenspanningscontrole (TM)*
(p. 335)
Informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Zie
Groot licht met autodimfunctie - AHB*
(p. 94)
Camerasensor*;
lasersensor*
(p. 94),
(p. 228),
(p. 238),
(p. 251),
(p. 256)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 214)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 206),
(p. 214)
Symbool
Betekenis
Zie
Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing* (Distance
Alert)
(p. 214),
(p. 200)
Adaptieve cruisecontrol*
(p. 205)
Cruisecontrol*
(p. 194)
Snelheidsbegrenzer
(p. 191)
Radarsensor*
(p. 214),
(p. 202),
(p. 238)
Start/Stop*
Start/Stop*
Start/Stop*
Symbool
Betekenis
Zie
Afstandswaarschuwing* (Distance
Alert); City SafetyTM;
Collision Warning*;
Auto Brake*
(p. 202),
(p. 228),
(p. 238)
Motor- en interieurverwarming*
(p. 141)
Motor- en interieurverwarming* Service
vereist
(p. 141)
Geactiveerde timer*
(p. 141)
Geactiveerde timer*
(p. 141)
ABL*
(p. 96)
Accuspanning laag
(p. 141)
Actieve parkeerhulp
- PAP*
(p. 266)
(p. 289)
(p. 289)
(p. 289)
}}
* Optie/accessoire.
79
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Symbool
Betekenis
Zie
Regensensor*
(p. 104)
Rijbaanassistent*
(p. 254)
Driver Alert System*,
Rijbaanassistent*
(p. 256)
Driver Alert System*,
Rijbaanassistent*
(p. 251),
(p. 256)
Driver Alert System*;
Tijd voor pauze
(p. 250)
Driver Alert System*;
Tijd voor pauze
(p. 251)
Schakelindicator
(p. 278)
Schakelstanden
(p. 278)
Symbool
Volvo Sensus
Betekenis
Zie
Geregistreerde snelheidsinformatie*
(p. 246)
Oliepeil meten
(p. 353)
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
Betekenis
Zie
Gordelwaarschuwing
(p. 31)
Airbag passagiersstoel,
geactiveerd
(p. 36)
Airbag passagiersstoel,
gedeactiveerd
(p. 36)
Gerelateerde informatie
80
Volvo Sensus vormt het hart van uw persoonlijke
Volvo-beleving en maakt communicatie mogelijk
tussen u, uw auto en de wereld eromheen. Sensus biedt informatie, entertainment en zo nodig
ondersteuning. Sensus omvat intuïtieve functies
voor meer rijplezier en een probleemloos autobezit.
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 71)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 74)
•
Meldingen - functies (p. 115)
Dankzij de intuïtieve navigatiestructuur kunt u
altijd toegang krijgen tot hulp, informatie en
entertainment, zonder te worden afgeleid.
Sensus biedt u diverse oplossingen voor aansluiting* op de rest van de wereld en de mogelijkheid
tot intuïtieve bediening van de verschillende autofuncties.
Volvo Sensus presenteert tal van functies van uiteenlopende autosystemen op overzichtelijke
wijze op het display van de middenconsole. Volvo
Sensus biedt de mogelijkheid tot personalisering
van de auto met een eenvoudig te hanteren
bedieningsinterface. Er zijn instellingen te verrich-
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
ten onder Instellingen van de auto, Audio en
media, Klimaat enzovoort
Overzicht
Met de transpondersleutel is het elektrische systeem van de auto in verschillende standen te zetten om het gebruik van verschillende functies/
systemen mogelijk te maken, zie Contactslotstanden - functies in verschillende standen
(p. 82).
Met de knoppen en bedieningselementen op de
middenconsole en de rechter stuurknoppenset*
kunt u functies activeren en deactiveren en tal
van instellingen verrichten.
Bij het bedienen van MY CAR worden alle instellingen getoond die verband houden met het
besturen en bedienen van de auto, zoals City
Safety, sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling enzovoort.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
*,NAV* en CAM15 kunt u andere bronnen, systemen en functies activeren, zoals AM, FM, CD,
DVD*, TV*, Bluetooth®*, navigatie* en parkeerhulpcamera*.
Voor meer informatie over alle functies/systemen, zie de desbetreffende paragrafen in de
gebruikershandleiding of het bijbehorende supplement.
Bedieningspaneel op middenconsole. De afbeelding is
schematisch – het aantal functies en de locatie van de
knoppen is afhankelijk van de gekozen uitrusting en de
desbetreffende markt.
Navigatie* - NAV, zie apart supplement (Sensus Navigation).
Audio en media - RADIO, MEDIA, TEL*, zie
desbetreffend supplement (Sensus Infotainment).
Connected Car *, zie desbetreffend supplement (Sensus Infotainment).
Klimaatregeling (p. 124).
Fabrieksinstellingen - MY CAR, zie MY CAR
(p. 116).
15
Sleutelstanden
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/ingeduwd.
N.B.
Bij auto's met passieve start en vergrendeling* hoeft u de sleutel niet in het contactslot
te steken, maar kunt u deze bijvoorbeeld in
een binnenzak laten zitten. Voor meer informatie over de passieve start en vergrendeling,
zie Keyless Drive* (p. 168).
Geldt voor bepaalde automodellen.
}}
* Optie/accessoire.
81
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Sleutel aanbrengen
1.
2.
Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
plaats de sleutel in het contactslot.
Duw de sleutel vervolgens tot aan de aanslag in het slot.
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan
het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde
met het afneembare sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
(p. 166).
Sleutel verwijderen
Pak de transpondersleutel beet en trek deze uit
het contactslot.
82
Contactslotstanden - functies in
verschillende standen
Om bij uitgeschakelde motor het gebruik van
een beperkt aantal functies mogelijk te maken is
het elektrische systeem van de auto met de
transpondersleutel in 3 verschillende standen te
zetten: 0, I en II. In deze gebruikershandleiding
worden deze standen in algemene zin aangeduid als "contactslotstanden".
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende contactslotstanden.
Niveau
Functies
0
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
•
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
•
Het audiosysteem is enige tijd te
gebruiken - zie supplement Sensus Infotainment.
•
Schuif-/kanteldak, elektrisch
bediende ruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, navigatie, telefoon, interieurventilator
en ruitenwissers zijn te gebruiken.
I
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Niveau
Functies
II
•
De koplampen worden ontstoken.
•
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
•
Diverse andere systemen worden geactiveerd. Elektrische verwarming in zittingen en achterruit kan echter pas na starten
van de motor worden geactiveerd.
Deze contactslotstand verbruikt
veel stroom vanuit de startaccu
en moet daarom worden vermeden!
Kiezen van contactslotstand
•
Contactslotstand 0 - Ontgrendel de auto het elektrische systeem van de auto staat nu
in stand 0.
N.B.
Om stand I of II te realiseren zonder dat de
motor wordt gestart moet u bij het selecteren
van deze contactslotstanden het rem-/koppelingspedaal niet bedienen.
16
17
18
•
Contactslotstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot16 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE.
•
Contactslotstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot16 geduwd druk lang17 op START/STOP ENGINE.
•
Terug naar contactslotstand 0 - Om terug
te gaan naar contactslotstand 0 vanuit stand
II en I - druk kort op START/STOP ENGINE.
Voorstoelen
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden.
Audiosysteem
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie
supplement Sensus Infotainment.
Motor starten en afzetten
Zie voor informatie over het starten/afzetten van
de motor, zie Motor starten (p. 274).
Lendensteun* wijzigen, aan de knop18
draaien.
Slepen
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Zie voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen, zie Slepen (p. 318).
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 81)
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Niet nodig bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling*.
Ca. 2 seconden.
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
}}
* Optie/accessoire.
83
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Stoel hoger/lager zetten*, omhoog-/omlaagpompen.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare
stoel*, zie Voorstoelen - elektrisch bediend
(p. 85).
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel vergrendeld staat om
letsel te voorkomen bij hard afremmen of een
aanrijding.
Om de hoogte af te stellen, moet u de knop (zie
afbeelding) indrukken terwijl u de hoofdsteun
omhoog of omlaag afstelt.
4.
De hoofdsteun kan in drie verschillende standen
worden afgesteld.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
Ruggedeelte passagiersstoel
omklappen*
Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje ‘vast’ komt
te zitten.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de zitplaats achter de
passagiersstoel of de middelste zitplaats achterin, wanneer u de rugleuning van de passagiersstoel hebt neergeklapt.
WAARSCHUWING
Hoofdsteunen van voorstoelen
verstellen
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen bij
hard afremmen of een aanrijding.
Gerelateerde informatie
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
bagage.
•
•
Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 85)
Achterbank (p. 86)
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren en
omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
De hoofdsteunen zijn in de hoogte te verstellen.
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de persoon, zodat deze zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt.
84
Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Voorstoelen - elektrisch bediend
Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen
verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch
bediende stoel kan naar voren/achteren en
omhoog/omlaag worden gezet. De voorkant van
de zitting kan worden verhoogd/verlaagd. De
hellingshoek van de rugleuning kan worden
gewijzigd.
Elektrische stoelbediening*
geactiveerd wordt als een van de stoelen door
een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het geval
is, moet u het elektrische systeem van de auto in
stand I of 0 zetten en enige tijd wachten voordat
u de stoel opnieuw probeert te verstellen.
De geheugenfunctie slaat de instellingen op voor
de stoel en de buitenspiegels.
Instelling vastleggen
Geheugenknop
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag).
Geheugenknop
Voorbereidingen
Knop voor vastlegging van de instelling
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het mogelijk
de stoel te verstellen, ook al steekt er geen sleutel in het contactslot. U verstelt de stoel normaal
gesproken in sleutelstand I. Wanneer de motor
loopt, is dat altijd mogelijk.
Stoel met geheugenfunctie*
Geheugenknop
1.
Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2.
Houd de knop M ingedrukt, terwijl u knop 1,
2 of 3 indrukt. Houd de knoppen ingedrukt,
totdat er een akoestisch signaal klinkt en er
een tekst op het instrumentenpaneel verschijnt.
Om een andere instelling vast te leggen moet u
de stoel eerst verstellen.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
Hellingshoek rugleuning
De elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
19
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3, totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand
komen. Bij het loslaten van de knop zal de instelling van de stoel en de buitenspiegels onmiddellijk worden beëindigd.
Geheugen* van transpondersleutel
In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels19 voor verschillende bestuurders worden
Alleen als de auto is uitgerust met een elektrisch bedienbare bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
}}
* Optie/accessoire.
85
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
opgeslagen, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 159).
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt
u op een van de verstellingsknoppen of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel
tot stilstand te brengen.
Achterbank
De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen van
de achterbank kunnen worden neergeklapt. De
hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan
de lengte van de passagier worden aangepast.
Middelste hoofdsteun achterbank
WAARSCHUWING
De hoofdsteun van de middelste zitplaats
moet in de onderste stand staan, wanneer de
middelste zitplaats niet in gebruik is. Wanneer
de middelste zitplaats wel wordt gebruikt,
moet de hoofdsteun goed op de lengte van
de passagier zijn afgesteld, zodat deze zo
mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
handmatig omklappen
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen
niet met de bediening spelen. Controleer of er
bij het instellen geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen. Zorg dat geen van
de passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Stoelen met elektrische verwarming
Voor elektrische stoelverwarming voor/achterbankverwarming, zie Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 131) en Elektrisch verwarmde achterbank* (p. 131).
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 83)
Achterbank (p. 86)
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de passagier zodat deze zo mogelijk het hele achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo ver omhoog
als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de
knop (zie afbeelding) indrukken terwijl u de
hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
De hoofdsteun kan in vijf verschillende standen
worden afgesteld.
Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofdsteun om te klappen.
De hoofdsteun wordt met de hand teruggezet.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten in de vergrendelde stand staan.
86
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Ruggedeelte achterbank omklappen
N.B.
Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten
de hoofdsteunen naar voren om te voorkomen dat ze in contact komen met het zitgedeelte.
BELANGRIJK
Als de rugleuning moet worden neergeklapt,
mogen de bekerhouders van de achterbank
niet open zijn en mogen er geen voorwerpen
op de achterbank liggen. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken. Schade
aan de bekleding van de achterbank is anders
namelijk niet uitgesloten.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
N.B.
Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de
rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als
deze toch zichtbaar is, is de rugleuning niet
vergrendeld.
N.B.
U moet mogelijk de voorstoelen naar voren
zetten en/of de rugleuningen rechtop zetten
om de ruggedeelten van de achterbank volledig naar voren te kunnen klappen.
•
Beide delen kunnen apart worden neergeklapt.
•
Voor het omklappen van de complete rugleuning dienen de verschillende gedeelten ieder
apart omgeklapt te worden.
WAARSCHUWING
Bij het omklappen van het rechter ruggedeelte, moet u de hoofdsteun voor de middelste zitplaats vrijgeven en deze aanpassen,
zie het eerdere gedeelte ‘Middelste hoofdsteun achterbank’.
De buitenste hoofdsteunen worden automatisch neergeklapt wanneer u de ruggedeelten omklapt. Trek de blokkeerhandgreep
van het ruggedeelte omhoog en klap het
ruggedeelte om. Een rode markering bij de
pal
geeft aan dat het ruggedeelte niet
langer geblokkeerd staat.
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten
goed vergrendeld zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 83)
Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 85)
87
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Stuurwiel
Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de claxon, cruisecontrol en het menu-, het audio- en
het telefoonsysteem.
Instellen
3.
Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit
moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel
drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Knoppensets* en paddles*
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet deze
vast. Het stuur mag tijdens het rijden nooit
worden ingesteld.
Bij auto's met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie Stuurkrachtinstelling* (p. 186).
Stuurwiel afstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Mogelijke stuurwielstanden
Knoppensets en paddles op stuurwiel.
Cruisecontrol* (p. 194) en Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203).
Paddle voor handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak, zie Automatische
versnellingsbak - Geartronic* (p. 278).
Bediening audio en telefoon, zie Sensus
Infotainment-supplement.
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in de
diepte verstellen:
88
1.
Beweeg de hendel naar voren om het stuurwiel te ontkoppelen.
2.
Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste
stand.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Claxon
Bedieningspaneel verlichting
Met het bedieningspaneel voor de verlichting
kunt u de buitenverlichting inschakelen en aanpassen. U gebruikt het ook om de display- en
instrumentenverlichting alsook de sfeerverlichting (p. 102) aan te passen.
Een auto met led-20 koplampen* heeft automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel
voor koplamphoogteregeling ontbreekt.
Claxon.
Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren.
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de displayen instrumentenverlichting alsook de sfeerverlichting*
Knop voor mistachterlicht
Draaiknop voor verlichting tijdens het rijden
en parkeren
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
20
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
}}
* Optie/accessoire.
89
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Standen draaiknop
Stand
Stand
Betekenis
WAARSCHUWING
Betekenis
Dagrijverlichting, sidemarkers achter en parkeerlichten bij daglicht,
wanneer het elektrische systeem
van de auto in contactslotstand II
staat of als de motor draait.
DagrijverlichtingA wanneer het elektrische systeem van de auto in contactslotstand II staat of als de
motor warm is.
Dimlicht, sidemarkers achter en
parkeerlichten bij weinig daglicht of
donker of als mistachterlicht geactiveerd is.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dagrijverlichting, sidemarkers achter en parkeerlichten, wanneer het
elektrische systeem van de auto in
contactslotstand II staat of als de
motor draait.
De tunneldetectie (p. 93)* is
geactiveerd.
Het automatische groot licht
(p. 94)* is te gebruiken.
Sidemarkers achter en parkeerlichten, wanneer de auto geparkeerdB
staat.
U kunt het groot licht inschakelen,
wanneer u het dimlicht voert.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Dimlicht, sidemarkers achter en
parkeerlichten.
Het verlichtingssysteem van de auto kan niet
in elke situatie bepalen of het daglicht te
zwak of sterk genoeg is, bijvoorbeeld bij mist
en regen.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Display- en instrumentenverlichting
Afhankelijk van de contactslotstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht, zie
Contactslotstanden - functies in verschillende
standen (p. 82).
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze
functie is in te stellen met het duimwiel.
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel
verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Groot licht is te activeren.
Grootlichtsignalering mogelijk.
A
B
Aangebracht in of onder de voorbumper.
Ook bij stilstaande auto en draaiende motor, mits de draaiknop
vanuit een andere stand in deze stand wordt gezet.
Volvo adviseert u om stand
bij ritten in de auto.
90
te gebruiken
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegenliggers
mogelijk verblindt. U kunt dat voorkomen door de
koplamphoogte bij te stellen. Stel de koplampen
lager af als de auto zwaar beladen is.
1.
Laat de motor draaien of zet het elektrische
systeem van de auto in de contactslotstand I.
2.
Draai het duimwiel omhoog of omlaag om de
koplampen hoger of lager af te stellen.
Inzittenden op alle zitplaatsen en maximale
belading in bagageruimte
Bestuurder plus maximale belading in bagageruimte
stadslichten
U schakelt de stadslichten voor en de achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop.
Gerelateerde informatie
•
•
•
stadslichten (p. 91)
Dagrijlicht (p. 92)
Groot licht/dimlicht (p. 93)
Verlichtingsdraaiknop in stand voor stadslichten.
Zet de draaiknop in de stand
(ook de kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor draait, gaat ook
de dagrijverlichting branden.
Duimwielstanden bij uiteenlopende belading.
Alleen bestuurder
Bestuurder en voorpassagier
Inzittenden op alle zitplaatsen
Wanneer het buiten donker is en de achterklep
wordt geopend, gaan de achterlichten branden
om achterliggers te waarschuwen. Dit gebeurt
altijd, ongeacht de stand van de draaiknop of de
sleutelstand van het elektrische systeem van de
auto.
Wanneer u meer dan 30 seconden op een snelheid van maximaal 10 km/h (zo'n 6 mph) rijdt of
als de rijsnelheid oploopt tot boven 10 km/h
}}
91
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
(zo'n 6 mph), gaat de dagrijverlichting branden en
verschijnt Reset positie lichtschakelaar op het
instrumentenpaneel om u ertoe aan te zetten de
te draaien.
knop uit verlichtingsstand
Gerelateerde informatie
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 89)
Dagrijlicht
WAARSCHUWING
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in contactslotstand II of als de motor draait,
wordt bij daglicht automatisch het dagrijlicht
ingeschakeld.
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet in
alle gevallen kan bepalen wanneer de omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is
bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de
heersende omstandigheden en de geldende
verkeerswetgeving.
Dagrijlicht DRL
Gerelateerde informatie
•
•
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Met de verlichtingsdraaiknop in stand
wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten
overdag. Een lichtsensor boven op het dashboard
schakelt over van dagrijlicht op dimlicht, wanneer
het gaat schemeren of bij donker weer. Overschakelen op dimlicht gaat ook automatisch als u
het mistachterlicht activeert.
92
Groot licht/dimlicht (p. 93)
Bedieningspaneel verlichting (p. 89)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Tunneldetectie*
Groot licht/dimlicht
De tunneldetectie zorgt voor overschakeling van
dagrijverlichting op dimlicht bij het binnenrijden
van een tunnel.
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in sleutelstand II of als de motor draait,
wordt in slechte lichtomstandigheden automatisch het dimlicht ingeschakeld.
De functie Tunneldetectie is aanwezig op een
auto met een regensensor*. Wanneer u een tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en wordt
overgeschakeld van dagrijverlichting naar dimlicht. Ca. 20 seconden na het verlaten van de
tunnel, wordt weer overgeschakeld op dagrijverlichting. Als u na afloop van deze tijd een andere
tunnel inrijdt, blijft het dimlicht branden. Zo wordt
voorkomen dat de lichtinstelling van de auto te
vaak wordt gewijzigd.
Groot licht
Gerelateerde informatie
Groot licht/dimlicht (p. 93)
Bedieningspaneel verlichting (p. 89)
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Dimlicht
Met de draaiknop in de stand
wordt het
dimlicht automatisch geactiveerd als het gaat
schemeren of bij donker weer. Het dimlicht wordt
ook automatisch geactiveerd bij activering van
het mistachterlicht.
21
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand
voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe.
Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
Het groot licht is te ontsteken met de draaiknop
21 of
in stand
. Schakel het groot licht
in of uit door de stuurhendel tot in de eindstand
naar het stuurwiel te halen en vervolgens los te
laten. Het groot licht is eveneens uit te schakelen
door de stuurhendel lichtjes in de richting van het
stuurwiel te duwen.
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt, als
de verlichtingsdraaiknop in stand
staat.
•
•
Met de draaiknop in de stand
brandt altijd
het dimlicht, wanneer de motor draait of als de
sleutelstand II actief is.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt het
op het instrumentenpaneel.
symbool
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Actieve bochtverlichting* (p. 96)
Automatisch groot licht* (p. 94)
Bedieningspaneel verlichting (p. 89)
Koplampen - lichtbundel aanpassen (p. 97)
Tunneldetectie* (p. 93)
Wanneer het dimlicht brandt.
* Optie/accessoire.
93
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Automatisch groot licht*
Als het groot licht ontstoken is, brandt het symbool blauw.
Automatisch groot licht ontdekt de koplampen
van een tegenligger of de achterlichten van een
voorligger en schakelt dan over van groot licht
naar dimlicht. De verlichting gaat terug naar
groot licht als het invallende licht ophoudt.
Automatisch groot licht - AHB
Automatisch groot licht (Active High Beam –
AHB) is een systeem dat met een camerasensor
boven aan de voorruit de koplampen van tegenliggers of de achterlichten van voorliggers registreert en overschakelt van groot licht naar dimlicht. De functie kan ook rekening houden met de
straatverlichting.
Wanneer er geen invallend licht van voor-/tegenliggers meer wordt waargenomen, schakelt de
verlichting enkele seconden later weer over naar
groot licht.
Activeren/deactiveren
AHB is te activeren, wanneer de verlichtingsdraaiknop in de stand
staat (op voorwaarde dat het systeem niet gedeactiveerd werd
in het menusysteem MY CAR), zie MY CAR
(p. 116).
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
De functie kan starten bij ritten in het donker,
wanneer u op een snelheid van zo'n 20 km/h
(12 mph) of hoger rijdt.
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel te
halen en vervolgens los te laten. Na het deactiveren van het groot licht wordt direct overgeschakeld naar dimlicht.
Auto met analoog instrumentenpaneel
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het bestuurdersdisplay.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt ook
het symbool
op het instrumentenpaneel.
Auto met digitaal instrumentenpaneel
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het bestuurdersdisplay wit.
94
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Handmatige bediening
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór de
camerasensor, aangezien één of meer camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet
meer werken.
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
AHB is een systeem dat u helpt om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting
te kiezen.
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk
moet wisselen tussen groot licht en dimlicht:
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot licht
en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie
en/of weersgesteldheid vereist is.
Als de melding Actief groot licht Tijdelijk niet
beschikbaar Schakel handmatig op het
bestuurdersdisplay verschijnt, moet u handmatig
overschakelen tussen groot licht en dimlicht. De
verlichtingsdraaiknop kan echter in stand
staan. Hetzelfde geldt, als de melding
Voorruitsensoren afgedekt Zie
verschijinstructieboek en het symbool
nen. Het symbool
dooft, wanneer deze
melding verschijnt.
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar, zoals in
dichte mist of bij zware regenval. Wanneer AHB
weer beschikbaar is of als de voorruitsensoren
niet langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de melding
branden.
en gaat het symbool
•
•
•
•
•
in zware regen of dichte mist
•
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
•
•
bij voetgangers op of naast de weg
•
als de verlichting van tegenliggers schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails
•
•
bij verkeer op verbindingswegen
•
in scherpe bochten.
bij ijsregen
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
bij sterk reflecterende voorwerpen zoals
borden in de buurt van de weg
op het hoogste punt van heuvels en het
laagste punt van dalen
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor, zie Collision Warning* beperkingen van de camerasensor (p. 236).
Gerelateerde informatie
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 93)
Bedieningspaneel verlichting (p. 89)
* Optie/accessoire.
95
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Actieve bochtverlichting*
Actieve bochtverlichting is ontworpen om in
bochten en op kruisingen voor maximale verlichting te zorgen.
Een auto met led22-koplampen* kan afhankelijk
van het uitrustingsniveau van de auto zijn uitgerust met actieve bochtverlichting.
Het systeem wordt automatisch geactiveerd bij
het starten van de motor (op voorwaarde dat de
functie niet is gedeactiveerd in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 116)). Wanneer de
functie een storing vertoont, brandt het symbool
op het instrumentenpaneel en op het
bestuurdersdisplay verschijnen een verklarende
tekst plus een ander brandend symbool.
Symbool
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde
(rechts) functie.
De led-koplampen kunnen afhankelijk van het
uitrustingsniveau van de auto zijn uitgerust met
actieve bochtverlichting. De actieve bochtverlichting volgt de stuurbewegingen om voor een optimale verlichting in bochten en op kruisingen te
zorgen om op die manier de veiligheid te verhogen.
22
23
96
Melding
Betekenis
Storing
koplampsysteem
Service
vereist
Het systeem is
defect. Bezoek een
werkplaats als de
melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u contact op te
nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie23 deactiveren/activeren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 116).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 93)
Automatisch groot licht* (p. 94)
Bedieningspaneel verlichting (p. 89)
Lichtdiode (Light Emitting Diode)
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Koplampen - lichtbundel aanpassen
Om verblinding van tegenliggers te voorkomen
kunt u de lichtbundel van de halogeenkoplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer.
Led-koplampen*
De lichtbundel hoeft niet te worden aangepast.
De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet
worden verblind.
Koplampen afplakken
1. Trek de mallen A en B over voor een auto
met het stuur links of de mallen C en D voor
een auto met het stuur rechts, zie het latere
gedeelte "Mallen voor halogeenkoplampen".
De mallen zijn getekend op een schaal van
1:2. Gebruik bijvoorbeeld een kopieerapparaat met vergrotingsfunctie om de mallen te
vergroten tot 200%:
•
A = LHD Right (auto met het stuur links,
rechter koplampglas)
•
B = LHD Left (auto met het stuur links,
linker koplampglas)
•
C = RHD Right (auto met het stuur
rechts, rechter koplampglas)
•
D = RHD Left (auto met het stuur rechts,
linker koplampglas)
Halogeenkoplampen
Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel aan
door bepaalde delen van het koplampglas af te
plakken. De sterkte van de lichtbundel neemt
daardoor iets af.
2.
Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit.
3.
Neem de designstrepen op de koplampglazen als uitgangspunt, zie de lijnen op de volgende afbeelding. Plaats de zelfklevende
mallen met behulp van de afbeelding naast
de designstrepen.
}}
* Optie/accessoire.
97
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
98
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Mallen voor halogeenkoplampen
99
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Mistachterlicht
Bij een beperkt zicht door mist kunt u het mistachterlicht gebruiken om achterliggers tijdig op
uw aanwezigheid te attenderen.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij een
druk op de START/STOP ENGINE-knop of wanneer u de verlichtingsdraaiknop naar
of
draait.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Gerelateerde informatie
•
Knop voor mistachterlicht.
Het mistachterlicht bestaat uit een lamp aan de
linkerzijde bij een auto met het stuur links en aan
de rechterzijde bij een auto met het stuur rechts.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen, wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
of
staat en het contactslot in de stand II of
wanneer de motor draait.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het controlesymbool voor het mistachterlicht
op
het instrumentenpaneel en het lampje in de knop
branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
100
Bedieningspaneel verlichting (p. 89)
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden wanneer een van de rij-assistentiesystemen, Adaptieve cruisecontrol (p. 203), City Safety (p. 222)
of Collision Warning (p. 229) de auto afremmen.
Gerelateerde informatie
•
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 295)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Alarmlichten
Gerelateerde informatie
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig
knipperen, wanneer deze functie actief is.
•
•
Richtingaanwijzer (p. 101)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 295)
Richtingaanwijzer
De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen,
afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog of
omlaag beweegt.
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren.
Beide richtingaanwijzersymbolen op het instrumentenpaneel knipperen bij gebruik van de
alarmlichten.
De alarmlichten worden automatisch geactiveerd,
wanneer de auto zo sterk wordt geremd dat de
noodremlichten worden geactiveerd en de snelheid lager dan zo'n 10 km (6 mph) ligt.. De
alarmlichten blijven actief als de auto stilstaat en
worden vervolgens automatisch gedeactiveerd
als de auto weer wegrijdt of gedeactiveerd als de
knop wordt ingedrukt.
Richtingaanwijzer.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eerste stand en laat de hendel vervolgens
los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 116).
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar
de eindstand.
}}
101
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
De hendel blijft in deze stand staan en kan handmatig in de uitgangspositie teruggezet worden of
veert automatisch terug bij het terugdraaien van
het stuurwiel.
Interieurverlichting
•
De interieurverlichting is te activeren/deactiveren
met de knoppen van de bedieningspanelen aan
het plafond voor- en achterin.
de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Richtingaanwijzersymbolen
Leeslampjes voorin*
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen
(p. 71).
De leeslampjes worden in- en uitgeschakeld met
een korte druk op de bijbehorende knop op de
plafondconsole.
Gerelateerde informatie
•
De lichtsterkte wordt aangepast door de knop
ingedrukt te houden.
Alarmlichten (p. 101)
Leeslampjes achterin*
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes
en interieurverlichting voorin.
Leeslampje linkerzijde
Interieurverlichting (vloerverlichting* en plafondverlichting) - Aan/Uit
Automatische bediening voor interieurverlichting
Leeslampje rechterzijde
Alle verlichting in het interieur kan handmatig inen uitgeschakeld worden binnen 30 minuten
nadat:
102
Leeslampjes achterin.
De lampjes worden in- en uitgeschakeld met een
korte druk op de bijbehorende knop.
De lichtsterkte wordt aangepast door de knop
ingedrukt te houden.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Vloerverlichting en
achtergrondverlichting*
De interieurverlichting wordt dan volgens het
onderstaande in- en uitgeschakeld.
Voor een betere interieurverlichting tijdens het rijden is het mogelijk een gedempte vorm van
vloerverlichting te activeren.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden in de volgende
gevallen:
De intensiteit van de vloerverlichting is te wijzigen
in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 116).
•
u ontgrendelt de auto met de transpondersleutel of het sleutelblad, zie Transpondersleutel - functies (p. 162) of Afneembaar
sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 166)
•
de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in 0 staat.
Verlichting in opbergvakken
voorportieren*
De verlichting in de opbergvakken gaat branden
wanneer de motor start.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Verlichting make-upspiegel
De interieurverlichting dooft in de volgende
gevallen:
•
•
de motor start
de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting wordt in- en uitgeschakeld
bij het openen en sluiten van een portier.
De verlichting van de make-upspiegel (p. 149),
wordt bij het openen en sluiten van het spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
De verlichting gaat aan en blijft twee minuten
lang branden, wanneer een van de portieren
openstaat.
Verlichting in bagageruimte
Als u bepaalde verlichting handmatig inschakelt,
zal deze na twee minuten automatisch worden
uitgeschakeld.
De bagageruimteverlichting wordt bij het openen
en sluiten van de achterklep automatisch in- en
uitgeschakeld.
Automatische bediening voor
interieurverlichting
De automatische bediening is geactiveerd wanneer het lampje in de knop AUTO brandt.
voorwerpen in de opbergvakken enzovoort beter
zien. Deze verlichting gaat bij het afzetten van de
motor uit. De intensiteit en kleur van de verlichting is te wijzigen in het menusysteem MY CAR,
zie MY CAR (p. 116).
Sfeerverlichting*
Wanneer de reguliere interieurverlichting is uitgegaan en de motor draait, brandt er een ledje op
de voorste of achterste plafondconsole voor een
zwakke sfeerverlichting tijdens de rit. Bovendien
kunt u door de verlichting in het donker eventuele
* Optie/accessoire. 103
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Follow Me Home-verlichting
Approach-verlichting
Wissers en sproeiers
De Follow Me Home-verlichting bestaat uit het
dimlicht, de stadslichten voor en de achterlichten, de buitengreepverlichting en de kentekenplaatverlichting.
De Approach-verlichting omvat de stadslichten
voor en de achterlichten, de buitenspiegelverlichting, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de vloerverlichting.
De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit
en achterruit. De koplampen worden met hogedruksproeiers gereinigd.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en als Follow Me Home-verlichting dienst te laten doen na
vergrendeling van de auto.
U activeert de Approach-verlichting met de transpondersleutel, zie Transpondersleutel - functies
(p. 162), om de verlichting van de auto op
afstand in te schakelen.
1.
Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2.
Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de hendel los. De functie is op dezelfde manier te
activeren als de grootlichtsignalen, zie Groot
licht/dimlicht (p. 93).
Wanneer u de functie activeert via de transpondersleutel, gaan de stadslichten voor en de achterlichten, de richtingaanwijzers, de buitengreepverlichting, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de vloerverlichting branden.
3.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Bij activering van de functie gaan de dimlichten,
de stadslichten voor en de achterlichten, de buitengreepverlichting en de kentekenplaatverlichting branden.
Gerelateerde informatie
•
Follow Me Home-verlichting (p. 104)
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor, aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid
ruitenwissers
De duur van de Follow Me Home-verlichting is in
te stellen in het menusysteem MY CAR, zie MY
CAR (p. 116).
Ruitenwissers uitgeschakeld
Gerelateerde informatie
Enkele slag
•
24
104
De duur van de Approach-verlichting is in te stellen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 116).
Ruitenwissers24
Approach-verlichting (p. 104)
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Haal de hendel omhoog en laat deze
los om de wissers een enkele slag te
laten maken.
Voor het vervangen van wisserbladen en de servicestand van de wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 365). Voor het bijvullen van sproeiervloeistof, zie Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 367).
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Intervalstand
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen
wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Controleer voordat u de wissers activeert of
de wisserbladen niet zijn vastgevroren en of
eventuele sneeuw- en ijsresten op voor- en
achterruit zijn verwijderd.
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De voorruit
moet nat zijn als de ruitenwissers werken.
Servicestand wisserbladen
Voor het reinigen van voorruit/wisserbladen en
het vervangen van wisserbladen, zie Wasstraat
(p. 382) en Wisserbladen (p. 365).
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid regen
op de voorruit en schakelt automatisch de ruiten-
wissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de
regensensor is in te stellen met het duimwiel.
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt het
op het instrumentenregensensorsymbool
paneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de motor
te lopen of de transpondersleutel in stand I of II
te staan en de ruitenwisserhendel in stand 0 of
die voor een enkele wisslag.
BELANGRIJK
In de wasstraat kunnen de ruitenwissers van
de voorruit starten en beschadigd raken.
Schakel de regensensor uit terwijl de auto
loopt of de transpondersleutel in stand I of II
staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop doven.
Koplamp- en ruitensproeiers
Activeer de regensensor door op de regensente drukken. De ruitenwissers
sorknop
maken een slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere gevoeligheid. (de wissers maken een extra slag, als u
het duimwiel omhoogdraait.)
Deactiveren
Sproeierfunctie.
Ruitensproeiers voorruit
Deactiveer de regensensor met een druk op de
regensensorknop
of haal de hendel
omlaag naar een ander wisprogramma.
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel toe
te trekken.
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
motor hebt afgezet.
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen en
worden de koplampen gesproeid.
}}
* Optie/accessoire. 105
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Hogedruksproeiers koplampen*
Achterruitwisser en -sproeier
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om
vloeistof te besparen, worden de koplampen
alleen iedere vijfde keer dat u de voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl
de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep
starten25. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil.
Gereduceerde sproeifunctie
Als de ruitenwisser op de achterklep echter al op
continue snelheid werkt, vindt er geen wijziging
plaats.
Wanneer er nog ca. 1 liter sproeiervloeistof in het
reservoir zit en op het instrumentenpaneel de
melding verschijnt dat u sproeiervloeistof moet
bijvullen, worden de koplampen en de achterruit
niet langer schoongesproeid. Dit omdat de
sproeifunctie van de voorruit en een goed zicht
door de voorruit de voorrang hebben.
N.B.
Op auto's met een regensensor wordt bij achteruitrijden de achterruitwisser geactiveerd,
op voorwaarde dat de sensor geactiveerd is
en het regent.
Ruitenwisser achterklep – intervalstand
Ruitenwisser achterklep – continu wissen
Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl op
bovenstaande afbeelding), activeert u de ruitenwisser/-sproeier van de achterklep.
Gerelateerde informatie
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 367)
N.B.
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van afkoelen
(30 seconden of langer afhankelijk van de
motor- en de omgevingstemperatuur).
25
106
Deze functie (intervalstand tijdens achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-dealer.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Elektrisch bedienbare ruiten
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten
te bedienen. Vanaf de bedieningspanelen van
de overige portieren zijn alleen de ruiten van het
desbetreffende portier te bedienen.
WAARSCHUWING
Bediening
Let er bij het sluiten van de ruiten vanaf het
bestuurdersportier op dat kinderen en/of
andere inzittenden niet bekneld kunnen
raken.
WAARSCHUWING
Let er bij het sluiten van de ruiten met behulp
van de transpondersleutel op dat kinderen
en/of andere inzittenden niet bekneld kunnen
raken.
WAARSCHUWING
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot dat voorkomt dat kinderen de achterportieren vanaf de binnenzijde
kunnen open* en de portierruiten achter kunnen openen/sluiten, zie Kinderslot - elektrische activering* (p. 180).
Bedieningsknoppen voor achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voor voorste zijruiten
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn, moet
altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare
ruiten worden onderbroken door te kiezen
voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te nemen uit de auto. Voor
informatie over sleutelstanden, zie Contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 82).
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te
bedienen. Vanaf de bedieningspanelen van de
overige portieren zijn alleen de ruiten van het
desbetreffende portier te bedienen. Er kan
slechts één bedieningspaneel tegelijk worden
bediend.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de sleutelstand minimaal I zijn zie Contactslotstanden - functies in verschillende
standen (p. 82). Na uitschakeling van de motor
kunnen de elektrisch bedienbare ruiten gedurende enkele minuten na verwijdering van de
}}
* Optie/accessoire. 107
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
transpondersleutel worden bediend, maar niet
nadat er een portier is geopend.
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan de
inklembeveiliging worden opgeheven. Wanneer
de zijruiten tweemaal achtereen niet konden worden gesloten, wordt de inklembeveiliging korte
tijd gedeactiveerd. Sluiten is daarna mogelijk door
de bedieningsknop omhoog te trekken en vast te
houden.
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open staan, kunt
u de voorste ruiten ook een stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen
omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch
bedienbare zijruiten komen steeds verder
omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop
bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog of
duw er een omlaag en laat deze vervolgens los.
De bijbehorende zijruit gaat automatisch volledig
open of dicht.
108
Bedienen met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf de
buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de knop voor centrale vergrendeling, zie Transpondersleutel functies (p. 162) of Vergrendelen/ontgrendelen
- van de binnenzijde (p. 174).
Buitenspiegels
Stel de stand van de buitenspiegels bij met het
hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de
automatische openingsfunctie pas weer naar
behoren wanneer u deze hebt gereset.
1.
Trek de knop aan de voorkant omhoog om
de ruit helemaal te sluiten en houd de knop
een seconde in deze stand vast.
2.
Laat de knop korte tijd los.
Bedieningsknoppen voor buitenspiegels.
3.
Trek de voorkant van de knop opnieuw een
seconde omhoog.
Instellen
1.
Druk op knop L voor de buitenspiegel links of
op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2.
U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de klembeveiliging te
laten werken.
WAARSCHUWING
Beide spiegels zijn gebogen voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Instellingen vastleggen26
De instellingen van de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel zijn voor alle transpondersleutels apart op te slaan in het autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering*
(p. 159).
Buitenspiegel kantelen bij parkeren26
De buitenspiegels zijn omlaag te kantelen, zodat
u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van
de weg kunt zien.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk op
de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling
nemen de gekantelde buitenspiegels na zo'n
10 seconden de oorspronkelijke stand weer in.
Dat gebeurt eerder, als u de knop L of R indrukt.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren26
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
worden de buitenspiegels automatisch omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan zien. Wanneer u de
auto uit de achteruitversnelling haalt, nemen de
buitenspiegels na enige tijd automatisch hun oorspronkelijke stand weer in.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 116).
26
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen*
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel
vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 116).
In neutrale stand terugzetten
2.
Laat ze na zo'n 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Approach-verlichting en Follow Me
Home-verlichting
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de
neutrale stand worden teruggezet zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt:
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden,
wanneer u de Approach-verlichting (p. 104) of de
Follow Me Home-verlichting (p. 104) selecteert.
1.
Klap de spiegels in met de knoppen L en R.
2.
Klap de spiegels weer uit met de knoppen L
en R.
•
•
3.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Gerelateerde informatie
Achteruitkijkspiegel (p. 110)
Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 110)
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale
stand.
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1.
Druk de knoppen L en R gelijktijdig in (sleutelstand minimaal I).
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 85).
* Optie/accessoire. 109
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Ruiten en buitenspiegels elektrische verwarming
wordt de functie na enige tijd automatisch uitgeschakeld.
De elektrische verwarming dient om de voor- en
achteruit en de buitenspiegels te ontwasemen
en te ontdooien.
Zie ook Voorruit ontwasemen en ontdooien
(p. 134).
Elektrische voorruit-*, achterruit- en
buitenspiegelverwarming
De buitenspiegels en de achterruit worden automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als u
de auto start bij een buitentemperatuur lager dan
+7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 116).
Achteruitkijkspiegel
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook is
het mogelijk dat de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel actief is.
Het kompas (p. 112) wordt gedeactiveerd als de
elektrische voorruitverwarming wordt geactiveerd.
Als de elektrische voorruitverwarming wordt
gedeactiveerd, schakelt het kompas weer in.
Hendeltje voor dimfunctie
Elektrische voorruitverwarming
Elektrische voorruit-, achterruit- en buitenspiegelverwarming
Gebruik de functie om voorruit, achterruit en buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de desbetreffende
knop gaat de verwarming van start. Het brandende lampje in de knop geeft aan dat de functie
actief is. Schakel de verwarming uit zodra het
ijs/de condens verdwenen is om de accu niet
onnodig te belasten. Als u echter niets doet,
110
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in
de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de dimstand, wanneer u de verlichting van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart:
1.
Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2.
Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje
naar de voorruit toe te duwen.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Autodimfunctie*
Glazen schuif-/kanteldak*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te
fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch
gedimd. Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor handmatig dimmen.
Het zonnescherm van het glazen schuif-/kanteldak is te bedienen met de knoppen op de plafondconsole.
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee sensoren (één aan de voorkant en één aan de achterkant) die samenwerken om hinderlijke lichtinval te identificeren en te verhelpen. De sensor
aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl
de sensor aan de achterkant de koplampen van
achterliggers registreert.
Het glazen schuif-/kanteldak zit vast, maar het
elektrisch bedienbare zonnescherm is in de sleutelstand I of II te bedienen met de bedieningsknoppen op de plafondconsole. Voor informatie
over sleutelstanden, zie Contactslotstanden functies in verschillende standen (p. 82).
BELANGRIJK
•
Raak het rolgordijn niet met de handen
aan, omdat dit dan beschadigd kan raken.
•
Gebruik voor bediening van het rolgordijn
alleen de knoppen op de plafondconsole.
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of
voorwerpen op de achterbank of in de bagageruimte dusdanig worden gehinderd dat er
geen licht op de sensoren valt, gelden er
beperkingen voor de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel.
Alleen een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie is mogelijk uitgerust met een kompas
(p. 112).
Gerelateerde informatie
•
Buitenspiegels (p. 108)
Automatisch openen tot de eindstand
Handmatig openen tot de knop wordt losgelaten
Handmatig sluiten tot de knop wordt losgelaten
Automatisch sluiten tot de eindstand
* Optie/accessoire. 111
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Kompas*
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst.
Bediening
Het kompas wordt gedeactiveerd als de elektrische voorruitverwarming wordt geactiveerd. Als
de elektrische voorruitverwarming wordt gedeactiveerd, schakelt het kompas weer in.
Kalibreren
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de
auto meerdere magnetische zones doorkruist. Ga
als volgt te werk:
1.
2.
Breng de auto tot stilstand op een groot en
open terrein waar geen stalen constructies
of hoogspanningsdraden zijn.
Er worden acht verschillende richtingen met
Engelse afkortingen weergegeven: N (noord), NE
(noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW
(zuidwest), W (west) en NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II
actief is, zie Contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 82). Om het kompas handmatig uit of in te schakelen kunt u een paperclip
of iets dergelijks nemen en het knopje aan de
achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
112
4.
Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
5.
Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt of houd het knopje aan de
onderzijde van de achteruitkijkspiegel
ca. 6 seconden lang ingedrukt (met een
rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld), totdat
het teken C verschijnt.
6.
Rijd langzaam een rondje in de auto met een
snelheid van hoogstens 10 km/h (6 mph),
totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2 rondjes om de
kalibratie fijn af te stellen.
7.
Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Start de motor.
N.B.
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Magnetische zones.
Voor de beste kalibratie moet u alle elektrische uitrusting (klimaatinstallatie, ruitenwissers enz.) uitschakelen en erop letten dat alle
portieren gesloten zijn.
3.
Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt. Het cijfer van de huidige magnetische zone verschijnt.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Menufuncties - instrumentenpaneel
Menu-overzicht - analoog
instrumentenpaneel
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s
die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 66) verschijnen. Welke menu’s er
verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 82).
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af van
de sleutelstand (p. 82).
Voor sommige van de onderstaande menu-opties
dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software.
Digit. snlhd.
Verwarming*
Informatiedisplays (digitaal instrumentenpaneel) en
bedieningsknoppen voor menufuncties.
OK - menu openen en meldingen en menuopties bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
Informatiedisplay (analoog instrumentenpaneel) en
bedieningsknoppen voor menufuncties.
RESET - data in de gekozen boordcomputerstap resetten en ‘teruggaan’ in de menustructuur.
Een eventuele melding, (p. 114) moet u eerst
bevestigen met de knop OK, voordat u de menu’s
kunt bekijken.
Extra verw.*
TC-opties
Servicestatus
Oliepeil27
Meldingen (##)28
AdBlue-peil
Gerelateerde informatie
•
•
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 113)
•
Instrumentenpaneel (p. 66)
Gerelateerde informatie
•
•
•
27
Meldingen - functies (p. 115)
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel
(p. 114)
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel (p. 113)
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel
(p. 114)
Bepaalde motoren.
* Optie/accessoire. 113
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Menu-overzicht - digitaal
instrumentenpaneel
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af van
de sleutelstand (p. 82).
Voor sommige van de onderstaande menu-opties
dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software.
Berichten
Wanneer er een waarschuwings-, informatie- of
controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een
aanvullende melding op het informatiedisplay.
Melding
Betekenis
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Zet motor afA
Breng de auto tot stilstand
en zet de motor af. Grote
kans op schade – bezoek
een werkplaatsB.
Service
spoedA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto onmiddellijk te laten
controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Zie instructieb.A
Neem de gebruikershandleiding door.
Instellingen*
Thema's
Contraststand/Kleurstand
Servicestatus
Meldingen29
Oliepeil30
Standkachel*
Boordcomp reset
AdBlue-peil
Gerelateerde informatie
•
•
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 113)
•
Instrumentenpaneel (p. 66)
28
29
30
114
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel (p. 113)
Melding
Betekenis
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een afspraak
te maken voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB.
Tijd voor periodiek onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Het moment hangt
af van de afgelegde afstand,
het aantal maanden dat
sinds de laatste servicebeurt
is verstreken, het aantal
draaiuren van de motor en
de gebruikte oliekwaliteit.
Onderhoudstermijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn
niet respecteert, vallen
beschadigde onderdelen
niet langer onder de garantie – bezoek een werkplaatsB.
Versnellingsbak Olie verversen
Bezoek een werkplaatsB om
de auto zo spoedig mogelijk
te laten controleren.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
Bepaalde motoren.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Versnellingsbak Beperkte
werking
De versnellingsbak werkt
niet op maximale capaciteit.
Rijd voorzichtig totdat de
melding verdwijntC.
Tijdelijk uitgeschakeldA
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden of
de volgende keer dat u de
motor start automatisch
opnieuw ingeschakeld.
Bezoek bij herhaaldelijke
verschijning een werkplaatsB.
Versnellingsbak heet Rijd
langzamer
Versnellingsbak heet
Stop auto
z.s.m. Wachten op afkoelen
31
Rijd voorzichtiger of breng
de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal en
laat de motor stationair
draaien totdat de melding
verdwijntC.
Accuspanning laag
Spaarstand
A
B
C
Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te
besparen. Laad de accu bij.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de
locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische versnellingsbak.
Meldingen - functies
Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 114) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en
deze bevestigen.
Wanneer er een waarschuwings-, informatie- of
controlesymbool oplicht, verschijnt er tevens een
aanvullende melding op het display. Foutmeldingen blijven in het geheugen opgeslagen, totdat
de onderliggende storing is verholpen.
Druk OK op de linker stuurhendel in om een melding te bevestigen31. Gebruik het duimwiel
(p. 113) om door de meldingen te bladeren.
N.B.
BELANGRIJK
Kritieke storing. Breng de
auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en bezoek een
werkplaatsB.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
als de boordcomputer wordt gebruikt, moet
de melding worden gelezen (druk op OK)
voordat de eerdere activiteit kan worden hervat.
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje controleren en volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
Meldingen - functies (p. 115)
Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 113)
Gerelateerde informatie
•
Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel (p. 113)
•
Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel
(p. 114)
Een melding kan ook met het duimwiel of de knop RESET worden bevestigd.
115
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
MY CAR
functies en de locatie van de knoppen is afhankelijk van
de gekozen uitrusting en de desbetreffende markt.
MY CAR is een menugroep voor hantering van
tal van autofuncties, zoals City Safety™, sloten
en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
MY CAR - opent het menusysteem MY CAR.
TUNE - aan de draaiknop op de middenconsole of het duimwiel op het stuurwiel draaien
om een stap omhoog/omlaag te gaan door
de menu-opties.
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het aanbod verschilt per markt.
OK/MENU - knop op de middenconsole
indrukken of het duimwiel op het stuurwiel
om de gemarkeerde menu-optie te
kiezen/aan te vinken of de gekozen functie
in het geheugen op te slaan.
Bediening
Navigatie in deze menu's vindt plaats met knoppen op de middenconsole of met de knoppenset
rechts op het stuurwiel*.
EXIT
EXIT-functies
Afhankelijk van de functie en van het menuniveau
waarop de aanwijzer staat op het moment dat u
EXIT kort indrukt, kan het volgende gebeuren:
Bedieningspaneel op middenconsole en knoppenset op
stuurwiel. De afbeelding is schematisch – het aantal
116
•
•
•
•
telefoongesprekken worden geweigerd
•
u beweegt omhoog in het menusysteem.
de actuele functie wordt beëindigd
de ingevoerde tekens worden gewist
de laatste gemaakte keuze wordt geannuleerd
Bij lang indrukken van EXIT springt u naar de
normaalweergave voor MY CAR of naar het
hoogste menuniveau (hoofdbronmenu) als u zich
in de normaalweergave bevindt.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Menu-opties en zoekpaden
Boordcomputer
Dagtellers
Voor een beschrijving van de menu-opties en
zoekpaden in MY CAR, zie het Sensus Infotainment-supplement.
De boordcomputer van de auto registreert en
berekent waarden zoals afgelegde afstand,
brandstofverbruik en gemiddelde snelheid tijdens het rijden.
De boordcomputer bestaat uit twee dagtellers en
een kilometerteller voor de totale kilometerstand.
De functies en het uiterlijk van de boordcomputer
verschillen afhankelijk van de vraag of het instrumentenpaneel er een van het analoge of digitale
type is:
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 118)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 120)
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de laatste maal dat de waarde op nul gesteld werd.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als er
een verwarming op brandstof* is gebruikt.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid voor de afgelegde
afstand sinds de laatste nulstelling van de
waarde.
Huidig verbruik
De waarde voor het huidige verbruik wordt voortdurend (ongeveer eenmaal per seconde) bijgewerkt. Op lage snelheden wordt het verbruik
weergegeven per eenheid van tijd – op hoge
snelheden verschijnt het verbruik per eenheid van
lengte.
De boordcomputerinformatie is weer te geven op het
bestuurdersdisplay32.
32
De lay-out van het display en weergave kunnen variëren afhankelijk van het type.
U kunt verschillende eenheden (km/miles) kiezen
voor de aanduiding – zie de onderstaande paragraaf "Eenheid wijzigen" (p. 117)
}}
* Optie/accessoire. 117
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
||
Bereik - actieradius op tank
Eenheid wijzigen
De boordcomputer geeft de afstand aan die bij
benadering af te leggen is met de resterende
hoeveelheid brandstof in de tank.
In het menusysteem MY CAR kunt u de eenheid
van lengte en brandstofvolume aanpassen, zie
MY CAR (p. 116)
Wanneer de melding Afst. tot leeg "----" verschijnt, zijn geen garanties meer te geven voor de
resterende actieradius.
•
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer
maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
Tank dan zo spoedig mogelijk.
De actieradius wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste
30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 118)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 120)
•
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 122)
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een langere actieradius. Voor meer informatie over de
wijze waarop u het brandstofverbruik kunt beperken, zie Milieubeleid (p. 23).
Digitale snelheidsheidsaanduiding in
een alternatieve eenheid33
Als het hoofdinstrument is ingesteld op weergave
in mph, wordt de digitale snelheid aangegeven in
km/h
33
118
Boordcomputer - analoog
instrumentenpaneel
Boordcomputerinformatie is weer te geven op
het instrumentenpaneel en te hanteren via de
bedieningselementen op de linker stuurhendel
en via het instrumentenpaneelmenu.
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening en
instelling meteen mogelijk. Als u na het openen
van het bestuurdersportier niet binnen
zo'n 30 seconden op een van de knoppen drukt,
dooft het instrument, waarna om opnieuw de
boordcomputer te kunnen bedienen eerst sleutelstand II of motorstart vereist is.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
tijdens het gebruik van de boordcomputer,
dient u deze melding eerst te bevestigen
voordat u de boordcomputer weer kunt activeren.
•
Bevestig deze melding door de knop OK
op de richtingaanwijzerhendel kort in te
drukken.
Alleen digitale instrumentenpanelen en op bepaalde markten.
* Optie/accessoire.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Bedieningsknoppen
U kunt tijdens het rijden op ieder gewenst
moment een ander scherm met boordcomputerinformatie op het instrumentenpaneel laten weergeven. Een de mogelijke opties is om geen
boordcomputerinformatie weer te geven.
Boordcomputerrubriek op
instrumentenpaneel
Informatie
Dagtellers T1
en tot afst
•
RESET lang indrukken
om dagteller T1 op nul te
stellen.
OK - instrumentenpaneelmenu openen,
berichten of menu-opties bevestigen.
Dagtellers T2
en tot afst
•
Duimwiel - menu-opties of boordcomputeropties doorbladeren.
RESET lang indrukken
om dagteller T2 op nul te
stellen.
Afst. tot leeg
Voor meer informatie, zie de
paragraaf "Bereik - actieradius op tank" (p. 117).
Brandstofvrbr
Huidig verbruik.
Gem. snelh.
•
Boordcomputeroptie
Kies de weer te geven boordcomputerinformatie
op het instrumentenpaneel:
1.
2.
Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst "resetten" met twee keer drukken op RESET.
Draai aan het duimwiel om de opties door te
bladeren en bij de rubriek van uw keuze te
stoppen met bladeren.
Geen boordcomputerinformatie.
1.
Draai aan het duimwiel en stap met bladeren
wanneer u de te resetten boordcomputerrubriek ziet: T1 en tot afst, T2 en tot afst of
Gem. snelh..
2.
Bij lang indrukken van RESET reset u de
waarde voor de gekozen rubriek.
U moet iedere rubriek apart op nul stellen.
Bestuurdersdisplay en bedieningselementen.
RESET - actuele dagteller resetten of het
menusysteem verlaten.
Boordcomputerinformatie resetten
Druk lang op RESET om
Gem. snelh. op nul te
stellen.
Bij deze optie blijft het display
leeg - dit geeft tevens het
"begin"/"einde" van de lus
aan.
Functies in instrumentenpaneelmenu
Open het menu van het instrumentenpaneel om
selecteerbare rubrieken in de boordcomputer te
activeren.
1.
Druk op OK.
2.
Blader met het duimwiel door de menuopties en kies voor TC-opties.
3.
Markeer de gewenste optie. De symbolen
voor reeds gekozen opties zijn wit en voorzien van een "vinkje", bij de rest die grijs is
ontbreekt het "vinkje".
4.
Sluit af door na de bediening/aanpassing
twee keer op RESET te drukken.
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 117)
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 122)
* Optie/accessoire. 119
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Boordcomputer - digitaal
instrumentenpaneel
Boordcomputeroptie
Bedieningsknoppen
Kies de weer te geven boordcomputerinformatie
op het instrumentenpaneel:
De boordcomputerinformatie is weer te geven
op het instrumentenpaneel en te hanteren via de
bedieningselementen op de linker stuurhendel
en via het instrumentenpaneelmenu.
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening en
instelling meteen mogelijk. Als u na het openen
van het bestuurdersportier niet binnen
zo'n 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om
opnieuw de boordcomputer te kunnen bedienen
eerst sleutelstand II of motorstart vereist is.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt
tijdens het gebruik van de boordcomputer,
dient u deze melding eerst te bevestigen
voordat u de boordcomputer weer kunt activeren.
•
Er kunnen drie boordcomputeropties tegelijk worden
weergegeven: één op elk van de drie ”vensters”.
OK - instrumentenpaneelmenu openen,
berichten of menu-opties bevestigen.
Duimwiel - menu-opties of boordcomputeropties doorbladeren.
Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst "resetten" met twee keer drukken op RESET.
2.
Draai aan het duimwiel om de rubriekcombinaties door te bladeren.
3.
Stop met bladeren bij de gewenste combinatie om de desbetreffende boordcomputerinformatie continu op het instrumentenpaneel
weer te geven.
U kunt tijdens het rijden op ieder gewenst
moment een ander scherm met boordcomputerinformatie op het instrumentenpaneel laten weergeven. Een de mogelijke opties is om geen
boordcomputerinformatie weer te geven.
RESET - actuele dagteller resetten of het
menusysteem verlaten.
Bevestig deze melding door de knop OK
op de richtingaanwijzerhendel kort in te
drukken.
Rubriekcombinaties
120
1.
Informatie
Gemiddeld
Dagteller T1 + Kilometerstand
Gemiddelde snelheid
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Huidig verbruik
Dagteller T2 + Kilometerstand
Actieradius op tank
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Rubriekcombinaties
Huidig verbruik
Kilometerstand
Geen boordcomputerinformatie.
A
Informatie
km/h<>mphA
km/h<>mph - "Alternatieve digitale snelheidsaanduiding", zie Boordcomputer
(p. 117).
Bij deze optie doven alle drie de boordcomputerdisplays - dit geeft tevens het
"begin"/"einde" aan van de lus.
Alleen bepaalde markten.
Boordcomputerinformatie resetten
Dagtellers
1. Draai aan het duimwiel en stop met bladeren
wanneer u de rubriekcombinatie met de te
resetten dagteller ziet.
2.
Bij lang indrukken van RESET reset u de
waarde voor de gekozen rubriek.
Gemiddelde snelheid en gemiddeld verbruik
1. Druk op OK om het instrumentenpaneelmenu te openen.
2.
Blader met het duimwiel naar de menuoptie
Boordcomp reset en bevestig uw keuze
met OK.
3.
Geef aan of u het gemiddelde brandstofverbruik of de gemiddelde snelheid wilt resetten
of allebei en bevestig uw keuze met OK.
4.
Druk tot slot op RESET.
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 117)
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 122)
* Optie/accessoire. 121
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
Boordcomputer - rijstatistieken*
Op het beeldscherm van de middenconsole zijn
rijstatistieken van de boordcomputer weer te
geven voor een grafisch overzicht van het brandstofverbruik.
Functie
–
Open het menusysteem MY CAR (p. 116) en
kies Verbruiksinfo om een staafdiagram te
zien.
wijzer rechts beweegt afhankelijk van de gekozen
schaal omhoog of omlaag.
Instellingen
U kunt verschillende instellingen voor de rijstatistieken verrichten in het menusysteem MY CAR Verbruiksinfo.
• Resetten als motor min. 4 uur heeft
uitgestaan – markeer het vakje met ENTER
aan en verlaat het menu met EXIT. Wanneer
u deze optie markeert, worden alle statistieken 4 uur na uitschakeling van het contact
automatisch gewist. Bij de volgende keer
starten van de motor begint de ritstatistiek
weer vanaf nul.
• Nieuwe rit starten – met ENTER wordt alle
eerdere statistiek gewist. Verlaat het menu
met EXIT. Als u een nieuwe rijcyclus wilt
starten, voordat de 4 uur zijn verstreken,
moet u met deze optie eerst handmatig de
actuele cyclus wissen.
Ritstatistiek34.
Afhankelijk van de gekozen schaalverdeling symboliseert elke staaf een afgelegde afstand van
1 km of 10 km - de staaf uiterst rechts geeft de
waarde aan voor de actuele kilometer of 10 km.
Gerelateerde informatie
•
•
Boordcomputer (p. 117)
Met de TUNE-knop kunt u voor elke staaf van
schaal wisselen tussen 1 km en 10 km – de aan-
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 120)
34
122
Zie ook de informatie over Eco guide (p. 70).
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 118)
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de softwareversie en de markt zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
KLIMAAT
Algemene informatie over de
klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de
lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van
vocht ontdaan wordt.
•
•
Wanneer de motor het maximale vermogen
nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas
optrekt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan
een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
•
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie (p. 134) om condens van
de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Houd de binnenzijde van de ruiten schoon
om de kans te beperken dat ze beslaan.
Er zijn twee soorten klimaatregelingen:
•
Elektronische temperatuurregeling (ETC)
(p. 130)
•
Elektronische klimaatregeling (ECC) (p. 129)
N.B.
Airconditioning (AC) (p. 134) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te
laten aanstaan.
Waar u op moet letten
124
•
Voor optimale werking van de airconditioning
moet u de zijruiten gesloten houden.
•
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
(p. 175) gebruiken om alle zijruiten tegelijk
korte tijd te openen en weer te sluiten en op
die manier snel voor frisse lucht in de auto te
zorgen.
•
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor
de klimaatregeling (de opening tussen de
motorkap en de voorruit).
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Auto’s met Start/Stop*
Bij automatische motorstop (p. 283) gelden er
mogelijk beperkingen voor de werking van
bepaalde apparatuur (zoals het ventilatortoerental
(p. 132) van de klimaatregeling).
N.B.
Bij activering van de ECO-functie worden
enkele parameters in de instellingen van de
klimaatregeling gewijzigd en gelden functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn handmatig
te herstellen, maar de volledige functionaliteit
is alleen te verkrijgen door de ECO-functie te
deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 125)
Sensoren - klimaat (p. 125)
Menu-instellingen - klimaat (p. 127)
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 127)
Luchtkwaliteit (p. 125)
Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 131)
Elektrisch verwarmde achterbank* (p. 131)
Auto’s met ECO*
Als de functie ECO (p. 291) wordt geactiveerd,
kan de functie van bepaalde uitrusting tijdelijk
worden gereduceerd of uitgeschakeld, bijvoorbeeld de airconditioning (p. 134).
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Werkelijke temperatuur
Sensoren - klimaat
Luchtkwaliteit
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op basis van de
heersende omstandigheden in en rond de auto
wat de buitentemperatuur, de luchtsnelheid, de
luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte
enz. betreft.
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 125) in de auto te
regelen.
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat
het gerieflijk en comfortabel is – ook voor mensen met contactallergieën of astma.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
(p. 125) die de stand van de zon registreert.
Daardoor kan1 de temperatuur van de lucht uit de
blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks
dat de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
•
•
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
De interieurtemperatuursensor zit onder het
bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
•
•
•
De buitentemperatuursensor zit in de buitenspiegel.
•
N.B.
Bedek of blokkeer de sensoren niet met kledingstukken of andere voorwerpen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
•
Temperatuurregeling passagiersruimte
(p. 133)
1
Interieurfilter (p. 126)
Materiaal in de passagiersruimte (p. 127)
Clean Zone Interior Package (CZIP)
(p. 126)*
Interior Air Quality System (IAQS) (p. 126)*
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
Geldt alleen voor ECC.
* Optie/accessoire. 125
KLIMAAT
Luchtkwaliteit - interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen
vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde
gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
CZIP bestaat uit een aantal aanpassingen zodat
er minder stoffen in het interieur verwerkt die
allergieën en/of astma kunnen verwekken.
Het volgende is inbegrepen:
•
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
Luchtkwaliteit (p. 125)
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer
de auto via de transpondersleutel wordt ontgrendeld. De ventilator vult het interieur op
die manier met verse lucht. De functie start
als dat nodig is en stopt na bij het openen
van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt
de functie na enige tijd automatisch beëindigd. De tijd dat de ventilatorfunctie werkt zal
langzaam maar zeker korter worden, totdat
de auto 4 jaar oud is.
Het Interior Air Quality System IAQS (p. 126)
is een volautomatisch systeem dat de lucht
in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend
ozon.
Gerelateerde informatie
126
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
•
Luchtkwaliteit (p. 125)
Luchtkwaliteit - IAQS*
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
Bij verontreinigde buitenlucht wordt de luchtinlaat
afgesloten om koolwaterstoffen, stikstofoxiden
en laaghangend ozon buiten de auto te houden.
De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd.
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 116).
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet de
luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
In een koud klimaat is de automatische recirculatie beperkt om het beslaan van de ruiten
te voorkomen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
•
•
Luchtkwaliteit (p. 125)
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior Package
(CZIP)* (p. 126)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Luchtkwaliteit - materialen
Menu-instellingen - klimaat
Luchtverdeling passagiersruimte
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd
de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te
beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
Het is mogelijk de basisinstellingen voor vier van
de klimaatregelingsfuncties te activeren/deactiveren of wijzigen via de middenconsole.
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over het
interieur.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte
als de bagageruimte is eenvoudig te verwijderen
en schoon te maken. Gebruik de door Volvo
geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor het reinigen van het interieur (p. 386).
Gerelateerde informatie
•
Luchtkwaliteit (p. 125)
•
•
•
•
Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling * (p. 133).
Recirculatietimer (p. 135).
Automatische achterruitverwarming (p. 110).
Interior Air Quality System * (p. 126).
De fabrieksinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem
MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 116).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling geheel
automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij te
regelen, zie luchtverdelingstabel (p. 136).
}}
* Optie/accessoire. 127
KLIMAAT
||
Blaasmonden in dashboard
Open
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Dicht
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden op de zijruiten om deze te
ontwasemen.
N.B.
Denk eraan dat kleine kinderen gevoelig kunnen zijn voor luchtstromen en tocht.
128
Luchtverdeling
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat op het
display het desbetreffende gedeelte van de
gestileerde menselijke gedaante (zie onderstaande afbeelding) branden samen met een pijl
vóór dit gedeelte om aan te geven welke luchtverdelingsstand er gekozen is. Voor meer informatie, zie de luchtverdelingstabel (p. 136).
Het middendisplay geeft de gekozen luchtverdelingsstand aan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
Automatische regeling (p. 133)
Luchtverdeling - recirculatie (p. 135)
KLIMAAT
Elektronische klimaatregeling ECC*
en kan voor de bestuurders- en passagierszijde
apart worden ingesteld.
ECC (Electronic Climate Control) handhaaft de
temperatuur die in het interieur wordt gekozen
Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie en luchtverdeling automatisch geregeld.
Ventilator (p. 132)
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
ECO* (p. 291)
AUTO - Automatische klimaatregeling
(p. 133)
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 110)
AC - Airconditioning aan/uit (p. 134)
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 131), linkerkant
Temperatuurregeling (p. 133) linker-/rechterkant instellen
Elektrische voorruitverwarming* en maximale
ontwaseming (p. 134)
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 131),
rechterkant
Luchtverdeling (p. 127) - ventilatie vloer
Temperatuurregeling (p. 133)
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Recirculatie (p. 135)
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
* Optie/accessoire. 129
KLIMAAT
Elektronische temperatuurregeling ETC
luchtverdeling en ventilatorsnelheid handmatig
moet instellen.
Met ETC (Electronic Temperature Control) is de
temperatuur automatisch te regelen, terwijl u de
Ventilator (p. 132)
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 110)
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 131), linkerkant
Recirculatie (p. 135)
Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 131),
rechterkant
AC - Airconditioning aan/uit (p. 134)
Elektrische voorruitverwarming en maximale
ontwaseming*
Temperatuurregeling (p. 133)
Luchtverdeling (p. 127) - ventilatie vloer
130
ECO* (p. 291)
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Gerelateerde informatie
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Elektrisch verwarmde voorstoelen*
De verwarming van de voorstoelen heeft drie
standen om het zitcomfort voor bestuurder en
voorpassagier bij kou te verhogen.
Er zijn drie verwarmingsniveaus met elk hun
eigen vermogen:
•
Hoogste verwarmingsniveau - er branden
drie oranje velden op het middendisplay (zie
bovenstaande afbeelding).
•
Lagere verwarmingsniveau - er branden twee
oranje velden op het display.
•
Laagste verwarmingsniveau - er brandt één
oranje veld op het display.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
velden brandt.
Elektrisch verwarmde achterbank*
De verwarming voor de buitenste plaatsen van
de achterbank heeft drie standen om het comfort voor passagiers te verhogen als het koud is.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
Het middendisplay geeft het actuele verwarmingsniveau
aan.
Tik herhaalde malen op de
knop om de verschillende
niveaus door te lopen of het
systeem uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
•
Elektrisch verwarmde achterbank* (p. 131)
De lampjes in de drukknoppen geven het actuele verwarmingsniveau aan:
Tik herhaalde malen op de knop om de verschillende niveaus door te lopen of het systeem uit te
schakelen.
Er zijn drie verwarmingsniveaus met elk hun
eigen vermogen:
•
Hoogste verwarmingsniveau - er branden
drie lampjes.
•
Lagere verwarmingsniveau - er branden twee
lampjes.
}}
* Optie/accessoire. 131
KLIMAAT
||
•
•
Laagste verwarmingsniveau - er brandt één
lampje.
Verwarming uitschakelen - geen van de
lampjes brandt.
Ventilator
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
•
Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 131)
Elektronische temperatuurregeling - ETC
(p. 130)
N.B.
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed
kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt
of die om een andere reden moeilijkheden
hebben om de elektrisch verwarmde stoel te
bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan.
•
Houd de ventilator altijd geactiveerd om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Met ECC*
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of te
verlagen, AUTO schakelt uit.
Als AUTO wordt gekozen,
wordt de ventilatorsnelheid
automatisch (p. 133) geregeld.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt gedeactiveerd.
Met ETC
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of te
verlagen.
Gerelateerde informatie
132
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
•
Elektronische klimaatregeling - ECC*
(p. 129)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Automatische regeling
Automatische regeling is alleen mogelijk bij elektronische klimaatregeling (ECC) (p. 129).
De autofunctie regelt automatisch temperatuur (p. 133), airconditioning (p. 134), ventilatorsnelheid (p. 132), recirculatie (p. 135) en luchtverdeling
(p. 127).
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op de
knop AUTO drukt. Op het display verschijnt
AUTO-KLIMAAT.
Temperatuurregeling
passagiersruimte
Bij het starten van de motor wordt de laatst verrichte temperatuurinstelling hervat.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/afkoelen te versnellen door een hogere/lagere
temperatuur te kiezen dan die eigenlijk
gewenst is.
Met ETC
Met deze draaiknop kunt u de
temperatuur in de passagiersruimte instellen.
Met ECC*
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische
stand instellen in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 116).
Gerelateerde informatie
•
Gerelateerde informatie
•
Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurdersen passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen. Druk
meerdere keren op L/R van de
knop om de instelling voor
links, rechts of beide kanten te
kiezen. Stel de temperatuur in met de draaiknop
– de gekozen temperatuur voor beide kanten verschijnt op het display van de middenconsole.
•
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
De actuele temperatuur voor beide zones staat aangegeven op het beeldscherm van de middenconsole.
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
Werkelijke temperatuur (p. 125)
Elektronische temperatuurregeling - ETC
(p. 130)
Elektronische klimaatregeling - ECC*
(p. 129)
* Optie/accessoire. 133
KLIMAAT
Airconditioning
Voorruit ontwasemen en ontdooien
De airconditioning koelt en droogt zo nodig de
binnenkomende lucht.
U kunt de elektrische voorruitverwarming* en de
maximale ontwaseming gebruiken om de vooruit
en zijruiten snel te ontwasemen en ontdooien.
Wanneer het lampje in de knop
AC brandt, wordt de airconditioning geheel automatisch
geregeld.
Auto's zonder elektrische voorruitverwarming
hebben één ontwasemingsniveau:
•
Er stroomt lucht naar de ruiten - op het display brandt het symbool (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen
brandt.
Auto's met elektrische voorruitverwarming hebben twee ontwasemingsniveaus:
Wanneer het lampje in de knop
AC gedoofd is, is de airconditioning uitgeschakeld. De overige functies worden nog steeds automatisch geregeld. Bij activering van de maximale ontwaseming (p. 134)
wordt automatisch de airconditioning ingeschakeld, zodat de lucht optimaal gedroogd wordt.
Het middendisplay geeft de gekozen instelling aan.
Elektrische voorruitverwarming*
Maximale ontwaseming
Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de
functie is ingeschakeld.
•
Elektrische voorruitverwarming2 inschakelen
- op het display brandt een symbool (1).
•
Elektrische voorruitverwarming2 inschakelen
en lucht naar de ruiten sturen - op het display branden de symbolen (1) en (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen
brandt.
N.B.
Elektrische voorruitverwarming en een eventuele IR-film (p. 21) kunnen de prestaties van
transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
Tik herhaalde malen op de
knop om de verschillende
niveaus door te lopen of het
systeem uit te schakelen.
2
134
Het kompas is uit wanneer de elektrische voorruitverwarming is geactiveerd.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
N.B.
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten
driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien daar mogelijk
langer duurt.
Luchtverdeling - recirculatie
Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. Er komt
met andere woorden geen lucht van buiten de
auto in, wanneer deze functie actief is.
Wanneer de recirculatie actief
is, brandt het oranje lampje in
de knop.
N.B.
De elektrische voorruitverwarming is niet
beschikbaar, wanneer de motor automatisch
is afgezet (p. 283).
Als de functie actief is, vindt bovendien het volgende plaats om de lucht in de passagiersruimte
zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
de airconditioning wordt automatisch ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality System worden automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De ventilator maakt meer geluid wanneer de
ventilator op maximale snelheid draait.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat
de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming kiest,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
•
•
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 127)
Luchtverdeling - tabel (p. 136)
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na
een bepaalde tijd de handmatig geactiveerde
recirculatiestand verlaten. Dit beperkt het risico
van ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit.
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 116).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
135
KLIMAAT
Luchtverdeling - tabel
Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 127).
136
Luchtverdeling
Toepassing
Er stroomt een grote hoeveelheid warme lucht naar de ruiten.
om snel te ontdooien en te ontwasemen.
Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
Om condens- of ijsvorming bij koud en vochtig weer te voorkomen (hiervoor mag het ventilatorniveau niet te laag zijn).
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij warm en droog
weer.
Luchtstroom op hoofd- en borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij warm weer.
KLIMAAT
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te
verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en matige buitentemperaturen.
Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden in het dashboard en
naar de vloer.
om koele lucht naar de vloer te sturen bij warm en droog weer
of warme lucht naar de rest van het lichaam bij koud weer.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
•
Luchtverdeling - recirculatie (p. 135)
137
KLIMAAT
Motor- en interieurverwarming*
Tanken
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als het
brandstofpeil te laag is, wordt de verwarming
automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een
melding op het display. Bevestig deze melding
door op de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel (p. 113) te drukken.
Met preconditioning bereidt de verwarming de
motor en het interieur voor om de slijtage en het
stroomverbruik tijdens de rit te beperken. Bij
voorverwarming van de auto verlengt u tevens de
actieradius.
De verwarming is direct (p. 139) in te schakelen of vertraagd met een timer (p. 140).
BELANGRIJK
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. De verwarming werkt maximaal 50 minuten achtereen.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de verwarming op
brandstof in een afgesloten ruimte. Er komen
uitlaatgassen vrij.
N.B.
Bij gebruik van de verwarming op brandstof
komt er mogelijk rook vanonder de auto, wat
volkomen normaal is.
Frequent gebruik van de verwarming tijdens
korte ritten kan aanleiding geven tot een
geringe ladingstoestand van de startaccu,
waardoor de verwarming mogelijk wordt uitgeschakeld of helemaal niet aanslaat. In het
ergste geval is het niet mogelijk de motor te
starten.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel
voordat u gaat tanken de verwarming op
brandstof uit.
Om te garanderen dat de startaccu met evenveel energie wordt opgeladen als de verwarming verbruikt, moet u bij regelmatig gebruik
van de verwarming net zolang met de auto rijden als de verwarming wordt gebruikt. De verwarming wordt telkens maximaal 50 minuten
ingeschakeld.
Controleer op het instrumentenpaneel of de
verwarming is uitgeschakeld; wanneer deze
werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert,
moet u ervoor zorgen dat de voorkant van de
auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming op
brandstof altijd voldoende brandstof.
138
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen
(p. 141)
•
Extra verwarming* (p. 142)
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen
Directe start via transpondersleutel*
De motor- en interieurverwarming zijn direct in te
schakelen.
Directe start is mogelijk via:
het informatiedisplay
•
•
•
een transpondersleutel*
De verwarmingsstatus verschijnt ook op de
boordcomputer.
een mobiele telefoon*.
Bij directe inschakeling van de motor- en interieurverwarming (p. 138) blijft de verwarming 50
minuten lang draaien.
De interieurverwarming gaat van start, zodra de
koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur
heeft bereikt.
N.B.
De auto kan worden gestart en rijden, terwijl
de verwarming aan is.
Directe start via informatiedisplay
Directe start via mobiele telefoon*
Controlelampje op transpondersleutel met PCC*.
De motor- en interieurverwarming is te activeren
via de transpondersleutel:
–
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 140)
De alarmlichten geven de volgende informatie:
•
Motor- en interieurverwarming* - direct uitschakelen (p. 140)
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen
(p. 141)
•
5 korte lichtsignalen gevolgd door
zo'n 3 seconden lang branden - verzoek
tot inschakeling ontvangen en verwarming
geactiveerd.
Druk op de OK-knop om het menu te openen.
2.
Gebruik het duimwiel om naar Verwarming
te gaan en maak een keuze met OK.
•
3.
Ga in het volgende menu naar Directe start
om de verwarming te activeren en bevestig
uw keuze met OK.
5 korte signalen - de auto heeft een verzoek tot inschakeling ontvangen maar de
verwarming is niet geactiveerd.
•
Alarmlichten lichten niet op - de auto
heeft geen verzoek tot inschakeling ontvangen.
Verlaat het menu met RESET.
Voor activering en voor informatie over de gekozen instellingen wordt u verwezen naar de Volvo
On Call*-app.
Druk de knop voor de Approach-verlichting
2 seconden lang in.
1.
4.
Als u de info-knop
indrukt terwijl de verwarming actief is, wordt bij het weergeven van de
vergrendelingsstatus (p. 163) van de auto ook
de verwarmingsstatus getoond. Gedurende de
tijd die nodig is om de status na te gaan geeft
het controlelampje enkele malen een kort knippersignaal. Het lampje gaat continu branden, als
de verwarming actief is.
* Optie/accessoire. 139
KLIMAAT
Motor- en interieurverwarming* direct uitschakelen
Motor- en interieurverwarming* timers
5.
Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
De motor- en interieurverwarming is direct uit te
schakelen via het informatiedisplay.
De timers van de motor- en interieurverwarming
(p. 138) zijn gekoppeld aan de klok van de auto.
6.
Druk kort op OK zodat de minuutaanduiding
gaat branden.
1.
Druk op de knop OK om het menu te openen.
7.
Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
2.
Ga met het duimwiel naar Verwarming en
maak een keuze met OK.
8.
Druk op OK3 om de instelling te bevestigen.
9.
3.
Ga in het volgende menu naar Stop om de
verwarming te deactiveren en bevestig uw
keuze met OK.
U kunt twee verschillende uitschakeltijden instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd
wordt het tijdstip verstaan waarop de auto de
gewenste temperatuur bereikt heeft. De elektronica van de auto rekent aan de hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming
moet worden ingeschakeld.
Met RESET gaat u een stap terug binnen
het menusysteem.
4.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen (p. 139)
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 140)
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen
(p. 141)
3
140
N.B.
Verlaat het menu met RESET.
Als de klok van de auto wordt verzet, wordt
een eventuele programmering van de timer
gewist.
Instellen
10. Kies de andere timer (ga verder vanaf punt
2) of verlaat het menu met RESET.
Starten
1.
Druk op de knop OK om het menu te openen.
2.
Ga met het duimwiel naar Verwarming en
maak een keuze met OK.
1.
Druk op de knop OK om het menu te openen.
3.
Kies een van de beide timers met het duimwiel en activeer deze met OK.
2.
Ga met het duimwiel (p. 113) naar
Verwarming en maak een keuze met OK.
4.
Verlaat het menu met RESET.
3.
Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4.
Druk kort op OK zodat de uuraanduiding
gaat branden.
Uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Ga als volgt te
werk:
1.
Druk op de knop OK om het menu te openen.
Bij nogmaals indrukken van OK activeert u de timer.
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
2.
Ga met het duimwiel naar Verwarming en
maak een keuze met OK.
> Als een timer is ingesteld maar niet is
geactiveerd, staat er een klokpictogram
naast de ingestelde tijd.
3.
Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4.
Schakel de timer als volgt uit:
•
•
5.
druk lang op OK of
kort op OK om verder te gaan in het
menu. Kies daarna voor uitschakeling van
de timer en bevestig uw keuze met OK.
Verlaat het menu met RESET.
Een timergestuurde verwarming is ook direct
(p. 139) uit te schakelen.
Motor- en interieurverwarming* meldingen
Motor- en interieurverwarming* - meldingen
(p. 141)
Melding
Verwarmingstimer
geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten
van de auto – motor
en passagiersruimte
warm op ingesteld
tijdstip.
Wanneer de verwarming ingeschakeld
is, brandt het verwarmingssymbool op
het informatiedisplay.
Wanneer een van de timerfuncties actief is,
brandt het lampje voor een geactiveerde timer op
het informatiedisplay met de ingestelde tijd
ernaast.
Symbool voor een geactiveerde timer
op een analoog instrumentenpaneel.
Betekenis
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
Symbolen en meldingen ten aan zien van de
motor- en interieurverwarming (p. 138) verschillen afhankelijk van de vraag of het om een analoog (p. 66) of digitaal (p. 67) instrumentenpaneel gaat.
Gerelateerde informatie
•
Symbool
Brandstofkachel
gestopt
Zuinige
stand
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er voldoende stroom is om
de motor te starten.
Symbool voor een geactiveerde timer
op een digitaal instrumentenpaneel.
In de onderstaande tabel staan de voorkomende
symbolen en tekstmeldingen.
}}
* Optie/accessoire. 141
KLIMAAT
||
Symbool
Melding
Betekenis
Brandstofkachel
gestopt
Brandstofpeil
laag
De verwarming kan
niet worden geactiveerd door een te
laag brandstofpeil –
dit om het mogelijk te
maken de motor te
starten en nog
ca. 50 km te rijden.
Brandstofkachel Service vereist
Verwarming defect.
Neem voor reparatie
contact op met een
werkplaats. Volvo
adviseert u contact
op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Extra verwarming*
Extra verwarming op brandstof*
Voor auto’s met dieselmotor die in landen worden verkocht met een koud klimaat4 is wellicht
een extra verwarming vereist om de motor op
bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 142) op stroom (p. 143) of op brandstof.
De auto is in dat geval voorzien van een
•
•
extra verwarming op stroom (p. 143) of
Motor- en interieurverwarming* (p. 138)
Een displaymelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder laten
verdwijnen met een druk op de OK-knop van de
richtingaanwijzerhendel (p. 113).
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen (p. 139)
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 140)
4
5
142
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld,
wanneer het warm genoeg is of wanneer de
motor wordt afgezet.
extra verwarming op brandstof (p. 142)5.
Gerelateerde informatie
•
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld, wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt.
N.B.
Als de extra verwarming actief is, kan er rook
onder de auto vandaan komen. Dat is volledig
normaal.
Automatische stand of uitschakelen
De automatische start van de extra verwarming is
desgewenst uit te schakelen.
N.B.
Volvo adviseert u de extra verwarming op
brandstof uit te schakelen tijdens korte ritten.
1.
Alvorens de motor te starten: Kies de sleutelstand I (p. 82).
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Zie voor auto’s met standverwarming (p. 138).
* Optie/accessoire.
KLIMAAT
2.
Druk op de OK-knop om het menu te openen.
3.
Gebruik het duimwiel om naar Extra verw.6
of Instellingen7 te gaan en maak een keuze
met OK.
4.
Kies een van de opties AAN of UIT met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
5.
Verlaat het menu met RESET.
Extra verwarming op stroom*
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 142) op brandstof (p. 142).
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager
dan 9 °C en wordt gedeactiveerd wanneer de
ingestelde interieurtemperatuur is bereikt.
Gerelateerde informatie
N.B.
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 138)
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in contactslotstand I – verricht eventuele aanpassingen daarom voordat u de motor start.
Gerelateerde informatie
•
6
7
Motor- en interieurverwarming* (p. 138)
Analoog instrumentenpaneel.
Digitaal instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire. 143
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Opbergmogelijkheden
Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte
146
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Opbergvak1 in portierpaneel
Opbergvak, bestuurderszijde (p. 148)
Parkeerkaarthouder
Opbergvak
Dashboardkastje (p. 149)
Opbergvakken, bekerhouder (p. 148)
Bekerhouder* in achterbank
Opbergvak2
Opbergvak, achterbank
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra
uitrusting e.d., in het dashboardkastje of
andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen
of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
1
2
Met ruitenkrabberhouder aan bestuurderszijde.
Geldt niet voor stoffen bekleding.
* Optie/accessoire. 147
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Opbergvak bestuurderszijde
Tunnelconsole
Tunnelconsole - armsteun
Het opbergvak (p. 146) zit aan de bestuurderszijde, links onder het verlichtingspaneel.
De tunnelconsole zit tussen de voorstoelen.
De tunnelconsole zit tussen de voorstoelen.
In de gesloten stand is de armsteun van de tunnelconsole in de lengte verstelbaar*.
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
Bewaar geen scherpe voorwerpen of voorwerpen die uitsteken in het vak.
•
Tunnelconsole - 12V-aansluiting (p. 150)
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd's) en USB*/
AUX-aansluiting onder de armsteun.
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder
en een voorpassagier.
Gerelateerde informatie
•
•
148
Opbergmogelijkheden (p. 146)
Tunnelconsole - armsteun (p. 148)
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Dashboardkastje
Inlegmatten*
Make-upspiegel
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en natte
sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die speciaal
vervaardigd zijn.
De make-upspiegel zit aan de achterkant van de
zonneklep.
Hier kunt u bijvoorbeeld de gebruikershandleiding en eventuele kaarten in opbergen. Aan de
binnenkant van de klep zit een houder voor pennen. Het dashboardkastje is te vergrendelen*
(p. 175) met het sleutelblad (p. 166).
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg
te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel
goed in de bevestigingsklemmen op de vloer
vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan
glijden en achter of onder de pedalen blijft
haken.
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 146)
Gerelateerde informatie
•
Interieur reinigen (p. 386)
Make-upspiegel met verlichting.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u het
klepje optilt.
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - verlichting make-upspiegel (p. 364)
* Optie/accessoire. 149
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Tunnelconsole - 12V-aansluiting
N.B.
De stroomaansluitingen (12 V) zitten in het
opbergvak van de tunnelconsole en bij de bekerhouder.
Extra uitrusting en accessoires – zoals beeldschermen, mediaspelers en mobiele telefoons
– die zijn aangesloten op een van de 12Vaansluitingen in de passagiersruimte worden
mogelijk geactiveerd door de klimaatregeling,
ook al is de transpondersleutel uitgenomen of
de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de
motor- en interieurverwarming* ingesteld is
om op een bepaalde tijd in te schakelen.
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting of
accessoires niet gebruikt de stekkers uit de
elektrische aansluitingen, omdat de startaccu
anders uitgeput kan raken!
150
Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie
Gewichten (p. 394).
De achterklep is te openen met een
knop op het verlichtingspaneel of met
de transpondersleutel, zie Vergrendelen/ontgrendelen - achterklep (p. 176).
WAARSCHUWING
Max. 10 A (120 W) in beide aansluitingen.
U kunt de elektrische aansluitingen voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12V werken, zoals beeldschermen,
mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I
(p. 82) staan, anders geven de aansluitingen
geen stroom.
WAARSCHUWING
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires.
BELANGRIJK
12V-aansluiting in tunnelconsole, voorin.
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten, als
u deze niet gebruikt.
Lading vervoeren
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto.
N.B.
De compressor van de noodreparatieset voor
banden (p. 337) is door Volvo getest en
goedgekeurd.
Gerelateerde informatie
•
12V-aansluiting bagageruimte (p. 153)
Afhankelijk van het gewicht en de positie van
de lading verandert het rijgedrag van de auto.
Aandachtspunten bij in-/uitladen
•
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de achterbank.
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer ruggedeelten van de achterbank zijn neergeklapt, zie
WHIPS - zithouding (p. 40).
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Plaats de last in het midden.
•
•
WAARSCHUWING
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op neergeklapte ruggedeelten.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen vast.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem in
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de
versnellingspook of keuzehendel aan komen
en zo per ongeluk een versnelling inschakelen
– de auto kan dan in beweging komen.
WAARSCHUWING
Een los voorwerp van 20 kg (44 pound) kan
zich bij een frontale botsing op een snelheid
van 50 km/h(30 mph) gedragen als een voorwerp van 1000 kg (2200 pound).
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding mogelijk geen bescherming meer.
•
Lading vervoeren - lange lading
Om het in- en uitladen van de bagageruimte te
vereenvoudigen kunt u de ruggedeelten van de
achterbank neerklappen. Voor het vervoer van
extra lange lading kunt u ook de rugleuning van
de passagiersstoel omklappen.
Passagiersstoel omklappen
Zie Voorstoelen (p. 83).
Ruggedeelte achterbank omklappen
Zie (p. 87).
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Lading vervoeren (p. 150)
Verankeringsogen (p. 152)
Bagagenet* (p. 154)
Lading vervoeren - lange lading (p. 151)
Lading op het dak (p. 152)
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
* Optie/accessoire. 151
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Lading op het dak
Verankeringsogen
Voor vervoer van lading op het dak adviseren we
u de door Volvo ontwikkelde lastdragers. Dit om
schade aan de auto te voorkomen en voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
De verankeringsogen in de bagageruimte
gebruikt u om bagagebanden aan vast te zetten.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig
over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert,
vangt de auto meer wind en neemt het
brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Voor informatie over de maximale dakbelasting, inclusief lastdragers en een eventuele
dakbox, zie Gewichten (p. 394).
Met de houders voor boodschappentassen kunt
u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat
ze omvallen en hun inhoud over de vloer van de
bagageruimte verspreiden. De belasting van de
houder is maximaal 3 kg.
WAARSCHUWING
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die
liggen of uitsteken kunnen bij krachtig afremmen letsel veroorzaken.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de auto.
Lading vervoeren - houder voor
boodschappentassen
Zet grote en zware voorwerpen altijd met de
veiligheidsgordel of een spanband vast.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 150)
Houder voor boodschappentassen
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 150)
Lading vervoeren - opklapbare houder voor
boodschappentassen* (p. 153)
Gerelateerde informatie
•
152
Lading vervoeren (p. 150)
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
Lading vervoeren - opklapbare
houder voor boodschappentassen*
Opklappen
12V-aansluiting bagageruimte
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen,
mediaspelers of mobiele telefoons.
Met de opklapbare houders voor boodschappentassen kunt u draagtassen vastzetten om te
voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over
de bagageruimtevloer verspreiden.
Til de bovenvloer op aan de handgreep* en
klap de vloer op.
Zet de vloer in een passende stand en plaats
de vloer in de verstelgroef.
Opklapbare houder voor boodschappentassen
De houder kent twee afstelstanden en een zogenoemde servicestand (recht omhoog). De houder
is verkrijgbaar met twee vloercombinatievarianten:
een met afstelstanden in de bak onder de vloer
en een met afstelstanden in kunststof rails.
Opklappen hieronder toont de afstelstand in de
bak onder de vloer.
3.
In de servicestand wordt de vloer helemaal
tegen de rugleuning van de achterbank in de
kunststof steun in het midden gezet.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 150)
Lading vervoeren - houder voor boodschappentassen (p. 152)
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting
te komen.
•
Via de aansluiting is ook stroom af te nemen,
wanneer de transpondersleutel niet in het
contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
De middelste houder is met max. 3 kg te belasten en de buitenste met max. 10 kg.
}}
* Optie/accessoire. 153
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
||
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting
word gebruikt als de motor uit is, de startaccu
van de auto kan ontladen.
Bagagenet*
Het bagagenet in de bagageruimte voorkomt dat
bagage bij krachtige remmanoeuvres de passagiersruimte in wordt geslingerd.
N.B.
N.B.
U monteert het bagagenet het eenvoudigst
via het ene achterportier.
WAARSCHUWING
De compressor van de noodreparatieset voor
banden (p. 337) is door Volvo getest en
goedgekeurd.
U dient te controleren of de bovenste bevestigingen van het bagagenet goed gemonteerd
zijn en of de trekbanden goed vastzitten. Een
beschadigd net mag niet worden gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
Aanbrengen
Tunnelconsole - 12V-aansluiting (p. 150)
Het bagagenet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
U moet het bagagenet, uit voorzorg, altijd op de
juiste manier bevestigen en verankeren. Het net
is gemaakt van sterk nylon en wordt achter de
rugleuning van de voorstoelen vastgemaakt.
WAARSCHUWING
Lading in de bagageruimte moet goed worden vastgezet, ook met een correct gemonteerd bagagenet.
154
* Optie/accessoire.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
2.
Druk de knop op de sluiting van de spanband
en haal de spanband langs de onderkant
door de sluiting.
Span het bagagenet aan met de spanbanden.
1.
Hoedenplank
Voor extra laadruimte kunt u de hoedenplank verwijderen.
Hoedenplank verwijderen
Bevestig de haken aan de plafondbevestiging, met de sluiting van de spanbanden
naar u toe.
Haal de spanbanden van het bagagenet door
de verankeringsogen achter op de stoelrails
– dit gaat eenvoudiger als u de rugleuningen
rechtop zet en de stoelen iets verder naar
voren zet.
Let erop dat u de stoel/rugleuning niet te
hard tegen het net duwt bij het terugduwen
van de stoel – zorg dat de stoel/rugleuning
het net precies raakt.
1.
Ontspan het bagagenet door de knop op de
sluiting van de spanband in te drukken en de
band te vieren.
2.
Haal de haken van de plafondbevestigingen
af.
3.
BELANGRIJK
Als u de stoel/rugleuning hard naar achteren
tegen het bagagenet drukt, kunnen het net
en/of zijn plafondbevestigingen beschadigd
raken.
Maak de hefogen aan beide kanten van de
hoedenplank los.
Demonteren en opbergen
Vouw het bagagenet op en leg het in de
opbergzak in de bagageruimte.
Haak de voorkant van de hoedenplank los en
verwijder de hoedenplank.
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 150)
Lading vervoeren - lange lading (p. 151)
Gerelateerde informatie
•
•
Lading vervoeren (p. 150)
Verankeringsogen (p. 152)
155
SLOTEN EN ALARM
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel
U gebruikt de transpondersleutel voor onder
meer vergrendelen/ontgrendelen en het starten
van de motor.
Er zijn drie transpondersleutelvarianten: een
transpondersleutel in basisuitvoering, een transpondersleutel zonder PCC* en een transpondersleutel met PCC*.
Functies
Vergrendelen/
ontgrendelen en
afneembaar
sleutelblad
BasisA
zonder
PCCA
met
PCCB
X
X
X
Passieve vergrendeling/
ontgrendeling
X
X
Keyless start
X
X
Info-knop en
controlelampjes
A
B
X
5-knops sleutel
6-knops sleutel
functies (p. 162) voor een beschrijving van
de functies ervan.
•
Transpondersleutel zonder PCC - met Keyless drive* (p. 168) en passieve vergrendeling (p. 170) en ontgrendeling (p. 170).
•
Transpondersleutel met PCC - heeft bovendien een info-knop en controlelampjes. Lees
meer over deze unieke functies (p. 163).
Alle transpondersleutels zijn voorzien van een
afneembaar sleutelblad (p. 165) van metaal. Het
zichtbare deel bestaat in twee uitvoeringen om
de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden.
Er zijn meer transpondersleutels bij te stellen,
maar alleen in de varianten die bij de auto geleverd werden. Voor dezelfde auto kunnen tot zes
sleutels worden geprogrammeerd en gebruikt.
Transpondersleutel - verlies
Bij verlies van een transpondersleutel (p. 158)
kunt u een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de Volvo-werkplaats. Ter voorkoming van
diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem worden gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 116).
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functies (p. 162)
Transpondersleutel - bereik (p. 163)
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ramen te onderbreken door de
transpondersleutel eruit te halen wanneer de
bestuurder de auto verlaat.
Meer informatie
•
158
Transpondersleutel Basic - is een sleutel in
basisuitvoering, zie Transpondersleutel -
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel personalisering*
Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel zijn bepaalde instellingen van de auto te
personaliseren.
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor bijvoorbeeld de elektrisch bedienbare* bestuurdersstoel
(p. 85).
Instellingen voor de buitenspiegels (p. 108),
bestuurdersstoel, stuurbekrachtiging (p. 186)
alsook de thema-, contrast- en kleurinstellingen
(p. 67) van het instrumentenpaneel zijn op te
slaan in het sleutelgeheugen afhankelijk van het
uitrustingsniveau van de auto.
U kunt de functie1 activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 116).
Bij een geactiveerde functie worden de instellingen automatisch gekoppeld aan het sleutelgeheugen. Dit betekent dat een wijziging in een van
de instellingen automatisch wordt opgeslagen in
het geheugen voor de desbetreffende transpondersleutel.
Instellingen vastleggen
Doe het volgende om de instellingen op te slaan
en gebruik te maken van het sleutelgeheugen in
de transpondersleutel:
1.
Ontgrendel de auto met de transpondersleutel met het geheugen waarin u de instelling2
wilt opslaan.
2.
Zorg dat het sleutelgeheugen altijd geactiveerd staat in het menusysteem MY CAR.
3.
Verricht de gewenste instellingen van bijvoorbeeld de stoel en de buitenspiegels.
4.
De instellingen worden opgeslagen in het
geheugen van de actuele transpondersleutel.
De volgende keer dat u de auto ontgrendelt met
dezelfde transpondersleutel, nemen de stoel en
de buitenspiegels automatisch de standen in die
in het sleutelgeheugen opgeslagen zijn, op voorwaarde dat deze zijn gewijzigd ten opzichte van
de vorige keer dat u deze transpondersleutel
gebruikte.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt
u op een van de verstellingsknoppen of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel
tot stilstand te brengen.
ontgrendelingsknop op de transpondersleutel
indrukken. Het bestuurdersportier dient daarbij
open te staan.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen
niet met de bediening spelen. Controleer of er
bij het instellen geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen. Zorg dat geen van
de passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Instellingen wijzigen
Als meerdere personen met elk hun eigen transpondersleutel naar de auto lopen, nemen bijvoorbeeld de bestuurdersstoel en de buitenspiegels
de stand in die ligt opgeslagen in de sleutel van
degene die het bestuurdersportier opent.
Als het bestuurdersportier bijvoorbeeld is
geopend door persoon A met
transpondersleutel A, maar persoon B met
transpondersleutel B zal gaan rijden, zijn de
instellingen als volgt te wijzigen:
•
Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op de
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten moet u de
1
2
Heet Autosleutelgeheugen in MY CAR.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bedienbare stoel.
}}
* Optie/accessoire. 159
SLOTEN EN ALARM
ontgrendelingstoets van zijn transpondersleutel.
Vergrendelen/ontgrendelen indicatie
•
Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknoppen 1–3.
•
Zet de stoel en de buitenspiegels handmatig
in de juiste stand.
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel (p. 158), lichten de
richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op
om aan te geven dat de auto op de juiste manier
vergrendeld/ontgrendeld is.
||
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functies (p. 162)
Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 163)
•
Vergrendelen – eenmaal oplichten en de buitenspiegels worden ingeklapt3.
•
Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt3.
Vergrendelingsindicatie
Een knipperende diode bij de voorruit geeft aan
dat de auto is vergrendeld.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
Dezelfde diode als de alarmindicatie (p. 182).
N.B.
Bij het vergrendelen vindt de indicatie alleen
plaats als alle sloten zijn vergrendeld en alle portieren zijn gesloten. Er vindt ook indicatie plaats
als het laatste portier wordt gesloten.
Functie kiezen
In het menusysteem MY CAR zijn verschillende
opties in te stellen voor bevestiging bij vergrendeling/ontgrendeling middels lichtsignalen. Voor
een beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 116).
3
160
Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met
deze indicatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 168)
Alarmindicatie* (p. 182)
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel - elektronische
startblokkering
De elektronische startblokkering is een anti-diefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de
auto kunnen starten (p. 274).
Elke transpondersleutel (p. 158) heeft zijn eigen,
unieke code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het bestuurdersdisplay houden verband met de elektronische
startblokkering:
Melding
Betekenis
Plaats
sleutel
Storing tijdens het uitlezen van
de transpondersleutel tijdens
het starten. Sleutel uit het contactslot trekken, er weer in
drukken en een nieuwe startpoging doen.
Autosleutel niet
gevondenA
Storing tijdens het uitlezen van
de transpondersleutel tijdens
het starten. Nieuwe startpoging
doen.
Als de storing aanhoudt: Transpondersleutel in het contactsleutel duwen en een nieuwe
startpoging doen.
Startblokkering
Start
opnieuw
A
Op afstand bediende
startblokkering met
opsporingsfunctie*
De op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem4 maakt het mogelijk om de
auto op te sporen en te lokaliseren alsmede op
afstand de startblokkering te activeren.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde Volvodealer voor meer informatie over het systeem en
hulp bij de activering ervan.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 158)
Transpondersleutel - elektronische startblokkering (p. 161)
Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het starten. Als
de storing aanhoudt: Neem dan
contact op met een werkplaats.
Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Geldt alleen voor auto's met Keyless start en ontgrendeling/
vergrendeling.
Gerelateerde informatie
4
•
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingsfunctie* (p. 161)
•
Keyless Drive* (p. 168)
Alleen bepaalde markten en in combinatie met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire. 161
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel - functies
Ontgrendelen (p. 172) – Ontgrendelt de
portieren en de achterklep en deactiveert het
alarm.
De transpondersleutel heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van
de portieren.
Bij lang indrukken worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Voor meer informatie, zie Doorluchtfunctie (p. 175).
Functies
Transpondersleutel met PCC* (Personal Car
Communicator).
Info-knop - zie Transpondersleutel met
PCC* - unieke functies (p. 163) voor een
beschrijving van de functie.
Transpondersleutel in basisuitvoering.
Vergrendelen
Ontgrendelen
‘Approach’-verlichting
Achterklep
Paniekfunctie
Functietoetsen
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en de achterklep en activeert het alarm, zie Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant
(p. 172).
Bij lang indrukken worden alle zijruiten tegelijkertijd gesloten. Voor meer informatie, zie Doorluchtfunctie (p. 175).
WAARSCHUWING
Als de ruiten met de transpondersleutel worden gesloten, moet u controleren of er geen
handen bekneld raken.
162
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is
dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken
van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede maal indrukken
– één en ander binnen tien seconden – de resterende portieren te ontgrendelen.
U kunt de functie wijzigen in het menusysteem
MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 116).
Tijdsduur Approach-verlichting (p. 104) –
Bestemd om de verlichting van de auto op
afstand in te schakelen.
Achterklep (p. 176) – Ontgrendelt alleen
de achterklep en deactiveert de alarmfunctie voor
de achterklep.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de toets ten minste drie seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
U kunt deze functie met dezelfde toets weer uitschakelen, als de functie minimaal vijf seconden
actief geweest is. Anders wordt deze functie na
ca. drie minuten automatisch uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel (p. 158)
Transpondersleutel - bereik
De functies van de transpondersleutel (in basisuitvoering) zijn tot op ca. 20 meter afstand van
de auto te gebruiken.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
Transpondersleutel met PCC* unieke functies
Een transpondersleutel met PCC* heeft extra
functies ten opzichte van een transpondersleutel
in basisuitvoering (p. 158) in de vorm van een
informatieknop en controlelampjes.
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d. Het is altijd mogelijk de
auto te vergrendelen/ontgrendelen met het
sleutelblad (p. 166).
Als u de transpondersleutel uit de auto neemt
terwijl de motor draait, sleutelstand I of II (p. 81)
actief is of alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het
bestuurdersdisplay en klinkt er een kort geluidssignaal.
De melding verdwijnt wanneer u, nadat de transpondersleutel weer in de auto terug is gebracht,
op de knop OK drukt of wanneer alle portieren
dichtstaan.
Transpondersleutel met PCC.
Informatietoets
Controlelampjes
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan de
hand van de controlelampjes.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 158)
Transpondersleutel - functies (p. 162)
}}
* Optie/accessoire. 163
SLOTEN EN ALARM
||
Transpondersleutel met PCC* bereik
Gebruik van de informatietoets
–
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de PCC om de beurt op. Dit
geeft aan dat informatie over de auto
wordt uitgelezen.
Een transpondersleutel met PCC (Personal Car
Communicator) heeft voor ontgrendeling van de
portieren en de achterklep een bereik van ca. 20
meter en ca. 100 meter voor de overige functies.
Als de auto niet reageert bij bediening van een
toets – probeer het dan op minder grote afstand
opnieuw.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere knoppen drukt, wordt de
uitlezing beëindigd.
N.B.
N.B.
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van de
controlelampjes gaat branden (en dat evenmin na 7 seconden alsook nadat de controlelampjes op de PCC om de beurt oplichtten),
dient u contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan na
vergrendeling van de auto.
De beide rode controlelampjes lichten beurtelings rood op: het alarm is minder dan 5
minuten geleden afgegaan.
Gerelateerde informatie
De controlelampjes verstrekken informatie zoals
aangegeven op de volgende afbeelding:
164
•
Transpondersleutel met PCC* - bereik
(p. 164)
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatieknop door radiogolven in de
lucht, omringende gebouwen, topografische
omstandigheden e.d.
Buiten het bereik
Als de transpondersleutel dermate ver van de
auto verwijderd is dat er geen informatie over de
auto kan worden uitgelezen, wordt de laatst
bekende status van de auto weergegeven zonder
dat de lampjes op de transpondersleutels om de
beurt oplichten.
Als er meerdere transpondersleutels voor de auto
in gebruik zijn, geeft uitsluitend de transpondersleutel waarmee u de auto de laatste keer vergrendelde/ontgrendelde de juiste status aan.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
N.B.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en
verschillende plaatsen – blijkt dat geen van de
controlelampjes gaat branden (en dat evenmin na 7 seconden alsook nadat de controlelampjes op de PCC om de beurt oplichtten),
dient u contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* -bereik transpondersleutel
(p. 168)
•
Transpondersleutel - bereik (p. 163)
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad, waarmee u enkele functies
kunt activeren en bepaalde handelingen kunt uitvoeren.
•
Passagiersairbag - activering/deactivering*
(p. 36)
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Functies sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel gebruiken om:
•
het linker voorportier handmatig te ontgrendelen (p. 166), als de centrale vergrendeling
niet te bedienen is vanaf de transpondersleutel.
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren (p. 179).
•
het rechter voorportier en de achterportieren
handmatig te vergrendelen bij bijvoorbeeld
stroomuitval.
•
•
het dashboardkastje te ontgrendelen*.
de airbag voor de voorpassagier (PACOS*) te
activeren/deactiveren.
Gerelateerde informatie
•
•
Portier handmatig vergrendelen (p. 173)
Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje (p. 175)
* Optie/accessoire. 165
SLOTEN EN ALARM
Afneembaar sleutelblad verwijderen/aanbrengen
Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare
sleutelblad (p. 165) gaat als volgt:
Sleutelblad verwijderen
Gerelateerde informatie
•
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 166)
•
•
Kinderslot - handmatige activering (p. 179)
Passagiersairbag - activering/deactivering*
(p. 36)
Afneembaar sleutelblad - portier
ontgrendelen
Het afneembare sleutelblad is te gebruiken als
de centrale vergrendeling niet kan worden geactiveerd, als bijvoorbeeld de batterij van de transpondersleutel (p. 167) leeg is.
Het linker voorportier is als volgt te openen:
1.
Ontgrendel het linker voorportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep. Voor meer informatie, zie Keyless
Drive* - ontgrendelen met sleutelblad
(p. 171).
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat
het alarm af.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel (p. 158).
1.
2.
166
Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad
goed vastzit.
2.
Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
Voor een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling, zie Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 171).
Gerelateerde informatie
•
•
Afneembaar sleutelblad (p. 165)
Transpondersleutel (p. 158)
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Transpondersleutel/PCC - batterij
vervangen
N.B.
Keer de transpondersleutel met de knoppen
naar boven om te voorkomen dat de batterijen
eruit vallen als deze wordt geopend.
U moet de batterij5 in de transpondersleutel
mogelijk vervangen.
U moet de batterij in de transpondersleutel vervangen, als:
•
BELANGRIJK
het informatiesymbool oplicht en Batterij
autosleutel bijna leeg Zie instructieboek
op het display staat
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken
niet met uw vingers aan, aangezien de werking hierdoor verslechtert.
en/of
•
Batterij vervangen
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal van 20
meter rond de auto bevindt.
N.B.
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel/PCC te gebruiken die voldoen
aan UN Manual of Test and Criteria, Part III,
sub-section 38.3. Voor batterijen die in de
fabriek zijn geplaatst of in een erkende Volvowerkplaats zijn vervangen is dit het geval.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Steek een kruiskopschroevendraaier met
een dikte van 3 mm in de opening achter de
veerbelaste pal en werk de transpondersleutel voorzichtig open.
5
Een transpondersleutel met PCC heeft twee batterijen.
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
Transpondersleutel met één batterij
1.
Werk de batterij voorzichtig los.
2.
Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
}}
167
SLOTEN EN ALARM
||
Een transpondersleutel met PCC* heeft
twee batterijen
1.
Werk de batterijen voorzichtig los.
2.
Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde (+)
omhoog.
3.
Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Batterijtype
Gebruik batterijen met de code CR2430, 3 V.
In elkaar zetten
1.
Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2.
Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
3.
Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad
goed vastzit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
•
•
168
Transpondersleutel (p. 158)
Transpondersleutel - functies (p. 162)
Keyless Drive*
Auto's uitgerust met Keyless Drive zijn voorzien
van een passief start- en vergrendelingssysteem.
Met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling is de auto te starten, vergrendelen en ontgrendelen zonder dat de transpondersleutel
(p. 158) daarvoor in het contactslot6 hoeft te zitten. U hoeft de transpondersleutel alleen bij u te
dragen in bijvoorbeeld een binnenzak. Het systeem maakt het bijvoorbeeld eenvoudiger om de
auto te openen, wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
Beide transpondersleutels die bij de auto worden
geleverd ondersteunen het Keyless-systeem. U
kunt meer transpondersleutels bijbestellen.
Keyless Drive* -bereik
transpondersleutel7
Om een portier of de achterklep automatisch te
ontgrendelen zonder knoppen op de transpondersleutel in te drukken, moet de transpondersleutel zich binnen een straal van 1,5 meter rond
de portierhandgrepen of de achterklep bevinden.
U moet de transpondersleutel bij u dragen om
een portier te vergrendelen of ontgrendelen.
Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is
het niet mogelijk om met de transpondersleutel
een portier aan de andere kant te ver- of ontgrendelen.
Het elektrische systeem van de auto kan in drie
verschillende standen worden gezet - sleutelstand 0, I en II (p. 82) - met de transpondersleutel.
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* -bereik transpondersleutel
(p. 168)
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de transpondersleutel (p. 169)
•
Keyless Drive* - storingen in de functie van
de transpondersleutel (p. 169)
De rode cirkels op de bovenstaande afbeelding
geven het bereik van de systeemantennes aan.
Als u alle transpondersleutels uit de auto neemt
terwijl de motor draait, sleutelstand I of II (p. 82)
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
actief is of een portier wordt geopend en weer
gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel en klinkt er een geluidssignaal.
Wanneer de transpondersleutel weer in de auto
wordt geplaatst, dooft de waarschuwingsmelding
en houdt het geluidssignaal op in de volgende
gevallen:
•
•
•
er is een portier geopend of gesloten
de transpondersleutel wordt in het contactslot gestoken
de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel is
ingedrukt.
Keyless Drive* - veilig gebruik van
de transpondersleutel
Keyless Drive* - storingen in de
functie van de transpondersleutel
Pas goed op al uw transpondersleutels.
De Keyless-functies (p. 168) kunnen gestoord
worden door elektromagnetische velden en
afschermingen.
transpondersleutels8
Als u een van de
in de auto
vergeet, worden de Keyless-functies bijvoorbeeld
bij het vergrendelen van de auto gedeactiveerd.
Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet
meer mee openen.
De volgende keer dat u de auto ontgrendelt met
een andere transpondersleutel, wordt de transpondersleutel die u in de auto was vergeten weer
geactiveerd.
BELANGRIJK
Gerelateerde informatie
•
•
Laat de transpondersleutel met PCC niet
onbeheerd in de auto liggen. Als iemand
inbreekt in de auto en de transpondersleutel
vindt, is het onder meer mogelijk om de auto
de starten door de transpondersleutel in het
contactslot te plaatsen en vervolgens op de
knop START/STOP ENGINE te drukken.
Keyless Drive* (p. 168)
Keyless Drive* - locatie antennes (p. 172)
Gerelateerde informatie
•
6
7
8
N.B.
Plaats/bewaar de transpondersleutel met
passieve start/ontgrendeling niet in de buurt
van een mobiele telefoon of metalen voorwerpen. Houd een minimale afstand aan van
10-15 cm.
Keyless Drive* (p. 168)
Als er desondanks toch storingen optreden, is de
transpondersleutel en het sleutelblad te gebruiken als een transpondersleutel in basisuitvoering
(p. 158).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen
(p. 167)
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de transpondersleutel (p. 169)
•
Keyless Drive* -bereik transpondersleutel
(p. 168)
Geldt niet voor de transpondersleutel in Basic-versie.
Geldt niet voor auto's met Keyless start
Geldt voor een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator).
* Optie/accessoire. 169
SLOTEN EN ALARM
Keyless Drive* - vergrendelen
N.B.
Auto's met Keyless start en ontgrendeling/
vergrendeling zijn voorzien van een aanraakgevoelig gebied op de buitenhandgreep van de
portieren alsook een met rubber beklede knop
naast het eveneens met rubber beklede drukplatje op de achterklep.
Als u (terwijl de motor is afgezet) de transpondersleutel met Keyless-functie uit de auto
haalt en de auto niet vergrendelt door een
van de portierhandgrepen aan te raken of de
vergrendeltoets op de transpondersleutel te
bedienen, gebeurt het volgende:
Keyless Drive* - ontgrendelen9
Er vindt ontgrendeling plaats, wanneer iemand
een portierhandgreep beetpakt of op het met
rubber beklede drukplaatje van de achterklep
drukt – open het portier of de achterklep op de
normale manier.
N.B.
Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm geactiveerd en gaat de alarmdiode op de voorruit
knipperen – het alarm staat daarmee op
scherp maar de auto is niet vergrendeld.
Normaal registreren de portierhandgrepen
het wanneer u met uw hand de handgreep
beetpakt, maar als u dikke handschoenen
draagt of de handbeweging te snel uitvoert,
moet u de beweging mogelijk een tweede
keer uitvoeren of de handschoen uittrekken.
N.B.
Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de P-stand
staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden gezet.
Vergrendel de portieren en de achterklep door
een van de portierhandgrepen vast te pakken of
op de kleinste van de beide met rubber beklede
knoppen op de achterklep te drukken – de vergrendelingsindicatie (p. 160) onder aan de voorruit gaat knipperen om aan te geven dat er vergrendeling heeft plaatsgevonden.
Alle portieren inclusief de achterklep moeten zijn
gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen –
de auto wordt anders niet vergrendeld.
170
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 168)
Keyless Drive* - vergrendelen (p. 170)
N.B.
Let erop dat het systeem kan worden geactiveerd bij het wassen van de auto als de transpondersleutel binnen bereik is.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 168)
Alarmindicatie* (p. 182)
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Keyless Drive* - ontgrendelen met
sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier
ontgrendelen en openen met het afneembare
sleutelblad (p. 165) van de transpondersleutel.
1.
Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht omhoog
in de opening aan de onderkant van de portierhandgreep/afdekking – niet wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch
los, wanneer u het blad recht omhoog de
opening induwt.
2.
Steek het sleutelblad vervolgens in de slotcilinder en ontgrendel het portier.
3.
Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
N.B.
Keyless Drive* vergrendelingsinstellingen
De vergrendelingsinstellingen voor auto's met
passieve start en ontgrendeling/vergrendeling
zijn aan te passen door in het menusysteem MY
CAR aan te geven welke portieren er ontgrendeld moeten worden.
Voor een beschrijving van het menusysteem, zie
MY CAR (p. 116).
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* (p. 168)
Wanneer u het linker voorportier met het
sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens
opent, gaat het alarm (p. 181) af. Het wordt
uitgeschakeld door de transpondersleutel in
het contactslot te steken, zie Alarm* - transpondersleutel defect (p. 183).
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen van de
afdekking.
Om bij de slotcilinder te komen dient de kunststof afdekking van de portierhandgreep te worden verwijderd – ook dit doet u met het sleutelblad:
9
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 168)
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 166)
Geldt niet voor een transpondersleutel met Keyless start.
* Optie/accessoire. 171
SLOTEN EN ALARM
Keyless Drive* - locatie antennes
WAARSCHUWING
Auto's met Keyless start en ontgrendeling/
vergrendeling zijn voorzien van een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn
in de auto.
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u
storingen tussen de pacemaker en het Keyless-systeem.
Gerelateerde informatie
•
Achterbumper, in het midden
Portierhandgreep, linksachter
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
172
Keyless Drive* (p. 168)
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf
de buitenkant
Met de transpondersleutel (p. 162) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant mogelijk.
Met de transpondersleutel kunt u alle portieren,
de achterklep en de tankvulklep vergrendelen/
ontgrendelen. U hebt de keuze uit verschillende
ontgrendelingsprocedures.
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan –
als een van de overige portieren of de achterklep
openstaat, wordt dit/deze pas na het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het alarmsysteem.
Voor auto's uitgerust met passieve vergrendeling* moeten alle portieren en de achterklep
dichtstaan, zie Keyless Drive* - vergrendelen
(p. 170) en Keyless Drive* - ontgrendelen
(p. 170).
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met de
transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het linker voorportier dan met het afneembare sleutelblad (p. 166).
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad
wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het
contactslot wordt geplaatst.
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto, als
u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de
portieren zijn dan namelijk niet meer van de
binnenzijde te openen met de portierhandgrepen. Voor meer informatie, zie Safelock-functie* (p. 178).
Portier handmatig vergrendelen
Haal het afneembare sleutelblad (p. 166) uit
de transpondersleutel. Steek het sleutelblad
in de vergrendelopening en druk de sleutel
er helemaal in, ca. 12 mm.
–
In bepaalde gevallen moet de auto handmatig
kunnen worden vergrendeld, zoals bij stroomuitval.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
Het linker voorportier is te vergrendelen met de
bijbehorende slotcilinder en het afneembare
sleutelblad (p. 171) van de transpondersleutel.
De overige portieren hebben geen slotcilinders,
maar zijn voorzien van een vergrendeling op de
zijkant van het portier die moet worden ingedrukt
met het sleutelblad, waarna het portier mechanisch is vergrendeld en niet meer vanaf de buitenzijde te openen is. De portieren zijn echter
nog steeds vanaf de binnenzijde te openen.
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen. Om terug te keren naar stand A
moet het portier met de binnenhandgreep
worden geopend.
De portieren zijn ook te ontgrendelen met de
ontgrendelingstoets op de transpondersleutel
(p. 158) of de knop voor centrale vergrendeling
op het bestuurdersportier.
N.B.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na ontgrendeling van de
buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld.
Deze functie beperkt de kans dat u de auto per
ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. Voor
auto's met alarmsysteem, zie Alarm* (p. 181).
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 174)
•
Transpondersleutel - functies (p. 162)
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met
het kinderslot (p. 179).
•
De vergrendeling van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier
waarvan ook het mechanische kinderslot
(p. 179) geactiveerd is, kan niet van de
binnenzijde noch van de buitenzijde worden geopend. Een achterportier dat op
die manier is vergrendeld, kan alleen worden ontgrendeld met een transpondersleutel of de knop van de centrale vergrendeling.
}}
* Optie/accessoire. 173
SLOTEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen
(p. 167)
Vergrendelen/ontgrendelen - van
de binnenzijde
Vergrendeling/ontgrendeling is mogelijk met de
knop voor centrale vergrendeling op het bestuurdersportier. Alle portieren en de achterklep
(p. 176) zijn tegelijkertijd te vergrendelen of ontgrendelen.
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
•
Bij het indrukken van de knop voor centrale
.
vergrendeling
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten*
tegelijkertijd geopend (zie ook de paragraaf
Doorluchtfunctie (p. 175)).
•
Trek aan de openingshandgreep en open het
portier – het portier wordt in een keer ontgrendeld en geopend.
Vergrendelen
•
Centrale vergrendeling
•
Druk de rechterkant
van de knop in om
te vergrendelen en de linkerkant
om te
ontgrendelen.
Lampje in vergrendelingsknop
Wanneer het lampje in de knop voor centrale vergrendeling op het bestuurdersportier brandt, zijn
alle portieren vergrendeld.
174
Beide voorportieren moeten gesloten zijn om
ze centraal te kunnen vergrendelen. Druk op
–
de knop voor centrale vergrendeling
alle portieren worden vergrendeld. Als een
van de achterportieren nog open is, wordt
deze vergrendeld als het portier wordt gesloten.
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten tegelijkertijd gesloten (zie ook de paragraaf Doorluchtfunctie (p. 175)).
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en de achterklep automatisch vergrendeld.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 116).
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 172)
•
Alarm* (p. 181)
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen
en weer te sluiten en op die manier snel voor
frisse lucht in de auto te zorgen.
Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje
Het dashboardkastje (p. 149) valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare
sleutelblad van de transpondersleutel (p. 158).
Voor informatie over het sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
(p. 166).
Knop voor centrale vergrendeling
Bij lang indrukken van het
-symbool op de
knop voor centrale vergrendeling of de desbetreffende knop op de transpondersleutel worden ook
alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Wanneer u
hetzelfde doet bij de
-knop worden alle zijruiten gelijktijdig gesloten.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer het
kastje vergrendeld is.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 174)
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 107)
Neem het sleutelblad uit.
•
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde
volgorde aan.
}}
* Optie/accessoire. 175
SLOTEN EN ALARM
||
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 162)
Vergrendelen/ontgrendelen achterklep
De achterklep is op enkele verschillende manieren te openen, vergrendelen en ontgrendelen.
Handmatig openen
BELANGRIJK
•
De achterklep is met heel weinig kracht
te ontgrendelen – druk gewoon lichtjes
op het met rubber beklede plaatje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber
beklede plaatje bij het openen van de
achterklep – maar til de handgreep op. Bij
te veel druk kan de elektrische schakelaar in het met rubber beklede plaatje
beschadigd raken.
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met rubber bekleed plaatje met elektrische schakelaar.
De achterklep wordt dichtgehouden door een
elektrische vergrendeling. Om te openen:
1.
Druk lichtjes op het breedste van de met
rubber beklede drukplaatjes onder de buitenhandgreep - de vergrendeling wordt vrijgegeven.
2.
Til de buitenste handgreep helemaal omhoog
om de klep te openen.
Met de knop
op de transpondersleutel
(p. 158) is het mogelijk om de alarmfunctie te
deactiveren* voor de achterklep, zodat u deze
apart kunt ontgrendelen.
De vergrendelingsindicatie (p. 160) op het instrumentenpaneel stopt met knipperen om aan te
176
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
geven dat de auto niet volledig vergrendeld is en
dat de niveausensoren en bewegingsmelders van
het alarm* alsmede de sensoren voor opening
van de bagageklep buiten werking gesteld zijn.
•
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
De achterklep kan op twee verschillende manieren worden geopend met de transpondersleutel:
Eenmaal drukken – De klep wordt weliswaar
ontgrendeld maar blijft dichtstaan – druk lichtjes
tegen op het met rubber bekleding drukplaatje
onder de buitenhandgreep en open de klep. Als
de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling
wordt geopend, wordt de klep weer vergrendeld
en het alarm opnieuw geactiveerd.
Tweemaal drukken (binnen 3 seconden) – De
bagageklep wordt ontgrendeld en de vergrendeling wordt vrijgegeven waarna de bagageklep
enkele centimeters omhoogkomt – til de buitenhandgreep omhoog om de klep te openen. Bij
zware regen- of sneeuwval, vorst of ijzel komt de
klep echter mogelijk niet uit de vergrendeling los.
•
N.B.
Om de achterklep te openen:
Wanneer u de klep met 2 keer drukken
op de transpondersleutel of vanaf de binnenkant van de auto ontgrendelde, is
automatische hervergrendeling niet
mogelijk omdat de klep openstaat – u
moet de klep handmatig sluiten.
–
Na het sluiten is de klep onvergrendeld
en niet opgenomen in het alarmsysteem
op de
– met de vergrendelknop
transpondersleutel kunt u de klep
opnieuw vergrendelen en opnemen in het
alarmsysteem.
–
Van de binnenzijde openen
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> Het slot ontgrendelt en de klep opent een
paar centimeter.
Vergrendelen met transpondersleutel
Druk op de toets
voor vergrendeling op
de transpondersleutel (p. 162).
> De vergrendelingsindicatie op het instrumentenpaneel begint te knipperen, wat
inhoudt dat de auto vergrendeld en het
alarm* geactiveerd is.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 174)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 172)
Achterklep ontgrendelen
* Optie/accessoire. 177
SLOTEN EN ALARM
Vergrendelen/ontgrendelen tankvulklep
U ontgrendelt de tankvulklep met de toets voor
) op de transpondersleutel
ontgrendeling (
(p. 158).
De tankvulklep blijft ontgrendeld totdat de auto
wordt vergrendeld met de knop voor vergrende) op de transpondersleutel Als de auto
ling (
tijdens de rit of met de knoppen in de passagiersruimte wordt vergrendeld, blijft de tankvulklep ontgrendeld.
De vergrendellogica van de tankvulklep is bovendien ondergeschikt aan het Keyless-systeem en
eventuele vergrendeling of ontgrendeling via de
centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
•
Tankvulklep - openen/sluiten (p. 300)
Tankvulklep - handmatig openen (p. 300)
Safelock-functie*
Tijdelijk deactiveren
Safelock-functie10
Bij activering van de
worden
alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van de
binnenzijde onmogelijk maakt.
Met de transpondersleutel (p. 158) activeert u de
Safelock-functie die ca. tien seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
De auto is alleen te ontgrendelen met de transpondersleutel, wanneer de Safelock-functie
geactiveerd is. Het linker voorportier is ook te
ontgrendelen met het afneembare sleutelblad
(p. 165).
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
Draaiknop TUNE
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft,
kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen
in het menusysteem MY CAR. Voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 116).
In MY CAR hebt u de keuze uit een van de volgende opties:
10
178
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
• Eén keer activeren: - Bij vergrendeling van
de auto verschijnt op het instrumentenpaneel
de melding Sloten en alarm Beveiliging
beperkt en de Safelock-functie wordt alleen
deze keer uitgeschakeld. (Let erop dat ook
de bewegingsmelders en niveausensoren*
van het alarmsysteem worden uitgeschakeld.)
De volgende keer dat u de motor start, wordt het
systeem gereset waarna op het instrumentenpaneel de melding Sloten en alarm Beveiliging
volledig verschijnt. Daarmee zijn de Safelockfunctie en de bewegingsmelders en niveausensoren van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
• Vragen bij uitstappen: - Iedere keer dat u
de motor afzet moet u de vraag Lagere
beveiliging activeren tot motor opnieuw
is gestart? beantwoorden.
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen
Druk op OK/MENU en vergrendel de auto.
(Let erop dat ook de bewegingsmelders en
niveausensoren* van het alarmsysteem worden uitgeschakeld.)
> De volgende keer dat u de motor start,
wordt het systeem gereset waarna op het
instrumentenpaneel de melding Sloten
en alarm Beveiliging volledig verschijnt. Daarmee zijn de Safelock-functie
en de bewegingsmelders en niveausensoren van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
–
Kinderslot - handmatige activering
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen.
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
Kinderslot activeren/deactiveren
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst
Druk op EXIT en vergrendel de auto.
–
N.B.
•
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd
bij vergrendeling van de auto.
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
Bovenstaande geldt als de geblokkeerde vergrendelingsstand niet tijdelijk is gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 171)
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de mechanische portiervergrendeling (p. 173).
–
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad (p. 166) van de transpondersleutel om
de cilinder te verdraaien.
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als
vanaf de binnenzijde te openen.
}}
* Optie/accessoire. 179
SLOTEN EN ALARM
||
•
•
N.B.
Kinderslot - elektrische activering*
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen.
Op auto’s met een elektrisch kinderslot
zit geen handmatig kinderslot.
Activeren
Het elektrische kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 81) anders dan 0 te activeren/deactiveren en dat binnen 2 minuten na het afzetten van
de motor, op voorwaarde dat er geen portier
wordt geopend.
Gerelateerde informatie
•
•
Kinderslot - elektrische activering* (p. 180)
Wanneer het elektrische kinderslot actief is, zijn
de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel
op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
Bij het afzetten van de motor wordt de actuele
instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van de motor, dan
is de functie de volgende keer dat u de motor
start eveneens actief.
Gerelateerde informatie
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 174)
•
•
Kinderslot - handmatige activering (p. 179)
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 174)
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
180
1.
Start de motor of kies een slotstand anders
dan 0.
2.
Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de melding Kinderslot actief en het lampje in
de knop brandt - het slot is geactiveerd.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Alarm*
N.B.
Het alarm is een systeem dat waarschuwt als er
bijvoorbeeld in de auto wordt ingebroken.
De bewegingsmelders laten het alarm afgaan
bij bewegingen in de passagiersruimte – ook
eventuele luchtstromen worden geregistreerd.
Het alarm kan dan ook afgaan als u de auto
met een raam open laat staan of als u de
interieurverwarming gebruikt.
Een geactiveerd alarm gaat af als:
•
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend11
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder*
aanwezig is)
•
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ramen. Bij gebruik van de
geïntegreerde interieurverwarming van de
auto (of een draagbare variant daarvan op
stroom) dan dient u de blaasmonden dusdanig af te stellen dat deze niet omhoogwijzen.
U kunt ook gebruik maken van het beperkte
alarmniveau, Gereduceerd alarmniveau*
(p. 183).
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel. Neem dan
contact op met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Alarm deactiveren
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of plaats de transpondersleutel
in het contactslot.
Gerelateerde informatie
•
Alarm* - automatische herinschakeling
(p. 182)
•
Alarm* - transpondersleutel defect (p. 183)
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen. Dergelijke pogingen kunnen van invloed zijn op
de verzekeringsvoorwaarden.
Alarm activeren
–
11
Druk op de vergrendelingstoets op de transpondersleutel.
Geldt voor bepaalde markten.
* Optie/accessoire. 181
SLOTEN EN ALARM
Alarmindicatie*
De alarmindicatie geeft de status aan van het
alarmsysteem (p. 181).
Alarm* - automatische
herinschakeling
De automatische herinschakeling van het alarm
voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm
(p. 181) uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel (p. 158) ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarm* - automatische activering
In bepaalde landen wordt het alarm (p. 181) na
enige vertraging automatisch geactiveerd, wanneer het bestuurdersportier werd geopend en
gesloten maar daarna niet werd vergrendeld.
Gerelateerde informatie
•
Alarmsignalen* (p. 183)
Gerelateerde informatie
•
Alarm* - automatische activering (p. 182)
Dezelfde diode als de vergrendelingsindicatie (p. 160).
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
•
•
182
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en sleutelstand I wordt
bereikt) – het alarm is afgegaan.
* Optie/accessoire.
SLOTEN EN ALARM
Alarm* - transpondersleutel defect
Alarmsignalen*
Gereduceerd alarmniveau*
Als u het alarm (p. 181) niet kunt uitschakelen
met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld de
batterij (p. 167) van de sleutel leeg is), kunt u de
auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem
deactiveren en de motor starten:
Wanneer het alarm (p. 181) afgaat, klinkt een
sirene en knipperen alle richtingaanwijzers.
Een gereduceerd alarmniveau houdt in dat de
bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk
worden uitgeschakeld.
1.
Open het linker voorportier met het afneembare sleutelblad (p. 171).
> Het alarm gaat af, de richtingaanwijzers
knipperen en de sirene klinkt.
•
•
Er klinkt een sirene tot u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na 30
seconden lang automatisch uit. De sirene
heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de auto.
Alle richtingaanwijzers knipperen tot u het
alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze na
vijf minuten automatisch uit.
Om te voorkomen dat het alarm onbedoeld
afgaat als er bijvoorbeeld een hond in een vergrendelde auto wordt achtergelaten of bij gebruik
van een autotrein of een veerverbinding, dienen
de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk te worden gedeactiveerd.
De te volgen procedure is identiek aan die bij tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie, zie
Safelock-functie* (p. 178).
Gerelateerde informatie
•
•
2.
Alarm* (p. 181)
Alarmindicatie* (p. 182)
Plaats de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt uitgeschakeld.
* Optie/accessoire. 183
SLOTEN EN ALARM
Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem
De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel.
Vergrendelingssysteem standaard
Passieve vergrendeling (Keyless Drive)
Land/
regio
EU
Land/regio
EU, China
Land/
regio
China
Hierbij verklaart Delphi Deutschland
GmbH, 42367 Wuppertal dat deze
VO1-125kHz in overeenstemming is
met de essentiële vereiste eigenschappen en overige relevante
bepalingen voortvloeiend uit Richtlijn
2014/53/EU (RED). De oorspronkelijke verklaring van overeenstemming is hier te vinden:
support.volvocars.com.
Hongkong
Korea
Gerelateerde informatie
•
184
Transpondersleutel (p. 158)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Stuurkrachtinstelling*
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging afneemt
naarmate de rijsnelheid oploopt, waardoor u een
beter gevoel met de weg krijgt.
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto lichter
en met minder moeite te besturen.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel en
stuurgevoeligheid in het menusysteem MY CAR
(p. 116):
•
Ga daar naar Niv. stuurbekrachtiging en
kies Laag, Midden of Hoog.
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - algemeen
De stabiliteitsregeling ESC ((Electronic Stability
Control)) helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Tijdens het afremmen kunnen de
ingrepen van het ESC-systeem waarneembaar zijn in de vorm van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven
kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
WAARSCHUWING
•
Dit menu is niet te openen, wanneer de auto rijdt.
N.B.
In bepaalde situaties kan de stuurbekrachtiging te warm worden en moet deze dan tijdelijk worden gekoeld - gedurende die periode
werkt de stuurbekrachtiging met een gereduceerd vermogen en het draaien aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder gaan.
Op het moment dat de stuurhulp tijdelijk
gereduceerd is, verschijnt er een melding op
het instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
186
MY CAR (p. 116)
•
De stabiliteitsregeling ESC is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning om de bestuurder te ontlasten
en de rijveiligheid te verhogen, maar het
systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
ESC ontslaat u niet van de plicht om alert
en adequaat te reageren, zodat u de auto
altijd op een veilige manier moet blijven
besturen, met inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot
andere weggebruikers en met respect
voor de geldende verkeersregels en bepalingen.
Het ESC-systeem bestaat uit de volgende functies:
•
•
•
•
•
•
•
Antislipregeling
Antispinregeling
Tractieregeling
Motorremregeling, EDC
Corner Traction Control - CTC
Stuuradvies - DSR
Trailer Stability Assist*, TSA
Antislipregeling
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen om
de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en remkracht van elk van de afzonderlijke wielen om de
auto op die manier te stabiliseren.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Motorremregeling, EDC
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na terugschakeling of bij gladheid tijdens het afremmen op de
motor in een lage versnelling.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering
van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Corner Traction Control - CTC
CTC (Corner Traction Control) zorgt voor compensatie van eventueel onderstuur in een bocht
en maakt het mogelijk om sneller op te trekken
dan normaal zonder dat het binnenste wiel doorslipt zoals bij een gebogen oprit om zo sneller in
te kunnen voegen in de verkeersstroom.
Stuuradvies - DSR
DSR (Driver Steering Recommendation) helpt u
om de auto in de juiste richting te sturen bij
beperkte grip op het wegdek of bij een ingreep
van het ABS.
N.B.
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 187)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 189)
DSR is voornamelijk bedoeld om u te helpen de
auto in de juiste richting te sturen, wanneer de
auto eenmaal slipt.
DSR grijpt in door het stuurwiel met enige kracht
in de richting te draaien, waarin u moet sturen om
optimale grip te verkrijgen/handhaven en de auto
te stabiliseren.
Trailer Stability Assist*, TSA1
Het TSA-systeem (p. 317) heeft tot taak de auto
met een aanhanger/caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont. Voor meer informatie, zie Rijden
met een aanhanger (p. 310).
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - bediening
Niveau kiezen, Sport-modus
Het ESC-systeem is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk.
U kunt echter de Sport-modus
kiezen voor een actievere rijervaring.
In de Sport-modus registreert
het systeem of de gaspedaalen stuurwielbediening alsook
het bochtenwerk als actiever dan normaal aan te
merken zijn, waarna het systeem een gecontroleerde vorm van slippen van de achtertrein toestaat voordat het ingrijpt en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen bijvoorbeeld beëindigt door het gaspedaal te bedienen,
grijpt het ESC-systeem in om de auto te stabiliseren.
De Sport-modus maakt ook maximale aandrijving
mogelijk, als de auto is blijven steken of over een
zachte ondergrond (zoals zand of een dikke laag
sneeuw) rijdt.
Kies als volgt de Sport-modus:
De Sport-modus is te kiezen in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 116).
1 Trailer
Stability Assist is inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
}}
* Optie/accessoire. 187
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Wanneer de Sport-modus actief is,
brandt dit symbool op het instrumentenpaneel continu totdat u het systeem
deactiveert of totdat de motor wordt
afgezet – een volgende keer dat de motor wordt
gestart is de normale stand van de ESC opnieuw
van kracht.
Gerelateerde informatie
188
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 186)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 189)
•
MY CAR (p. 116)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - symbolen en meldingen
Tabel
Symbool
Melding
Betekenis
ESC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het ESC-systeem – het
systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld.
ESC Service vereist
Het ESC-systeem is defect.
•
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het instrumentenpaneel – lees deze!
Brandt 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
en
}}
189
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Symbool
Melding
Betekenis
Knippert.
Het ESC-systeem grijpt in.
Brandt continu.
De Sport-stand is geactiveerd.
NB In deze stand is het ESC niet helemaal uitgeschakeld – er gelden bepaalde beperkingen.
Gerelateerde informatie
190
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 186)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 187)
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer*
Gerelateerde informatie
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
•
Snelheidsbegrenzer* - beknopte bedieningsinstructies (p. 191)
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en
stand-bystand* (p. 193)
•
Snelheidsbegrenzer* - alarm overschrijding
snelheid (p. 194)
•
Snelheidsbegrenzer* - uitschakelen (p. 194)
Snelheidsbegrenzer* - beknopte
bedieningsinstructies
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
Stuurtoetsen en instrumentpaneel (Digital c.q. Analog).
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid
Snelheidsbegrenzer actief
Stuurtoetsen en instrumentpaneel Digital c.q. Analog.
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid
Snelheidsbegrenzer actief
}}
* Optie/accessoire. 191
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Inschakelen en activeren
Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op het instrumentenpaneel het bijbehorende symbool (6) samen met een markering (5)
bij de ingestelde maximumsnelheid.
Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het
mogelijk een maximumsnelheid in te stellen en
op te slaan in het geheugen.
Tijdens het rijden
1.
2.
om de snelheidsDruk op de stuurtoets
begrenzer in te schakelen.
> Het symbool (6) voor de snelheidsbegrenzer gaat branden op het instrumentenpaneel.
Wanneer de auto op de gewenste maximumsnelheid rijdt: Druk op een van de stuurtoetof
, totdat op het instrumentenpasen
neel bij de gewenste maximumsnelheid een
markering (5) verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee actief
en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het geheugen.
2.
Druk meerdere malen op de
-knop totdat
op het instrumentenpaneel bij de gewenste
maximumsnelheid een markering (5) verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee actief
en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het geheugen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* - snelheid
wijzigen
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen maximumsnelheid door
of
kort of lang in te drukken.
de stuurknop
Om aan te passen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph):
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 191)
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Om aan te passen met +/- 1 km/h (+/- 1 mph):
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste maximumsnelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 191)
Bij stilstand
1.
192
Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk
deactiveren en stand-bystand*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
–
Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren
en stand-by te zetten:
–
Druk op
.
> De markering (5) op het instrumentenpaneel verkleurt van GROEN naar WIT (Digital) of van WIT naar GRIJS (Analog),
waarna u tijdelijk de ingestelde maximumsnelheid kunt overschrijden.
De snelheidsbegrenzer wordt automatisch
opnieuw geactiveerd nadat u het gaspedaal hebt losgelaten en de auto is afgeremd tot een snelheid onder de gekozen/
opgeslagen maximumsnelheid – de
markering (5) verkleurt van WIT naar
GROEN (Digital) of van GRIJS naar WIT
(Analog) en de maximumsnelheid van de
auto is opnieuw van kracht.
U kunt de snelheidsbegrenzer opnieuw
inschakelen met een druk op
, waarna
de markering (5) verkleurt van WIT naar
GROEN (Digital) of van GRIJS naar WIT
(Analog) om aan te geven dat er opnieuw
een maximumsnelheid voor de auto geldt.
Tijdelijk deactiveren met gaspedaal
Stuurknoppen en instrumentpaneel (Digital c.q. Analog).
De snelheidsbegrenzer is ook met het gaspedaal
stand-by te zetten, bijvoorbeeld om in noodgevallen snel te kunnen accelereren:
Trap het gaspedaal volledig in.
> Op het instrumentenpaneel staat de
opgeslagen maximumsnelheid met een
gekleurde markering (5) en u kunt de
ingestelde maximumsnelheid tijdelijk overschrijden – de markering (5) verkleurt dan
van GROEN naar WIT (Digital) of van WIT
naar GRIJS (Analog).
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer* (p. 191)
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid
Snelheidsbegrenzer actief
* Optie/accessoire. 193
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Snelheidsbegrenzer* - alarm
overschrijding snelheid
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
Op steile aflopende hellingen volstaat de motorrem van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet,
zodat de gekozen maximumsnelheid wordt overschreden. U wordt in dat geval hierop geattendeerd door een geluidssignaal. Het signaal is
hoorbaar totdat u de auto hebt afgeremd tot een
snelheid lager dan de gekozen maximumsnelheid.
Snelheidsbegrenzer* - uitschakelen
Cruisecontrol*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol
– u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl
de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt
voor een comfortabeler rijervaring op lange ritten
op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met
een gelijkmatige verkeersstroom.
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
–
N.B.
Het alarm wordt pas na 5 seconden geactiveerd, als u de snelheid met minimaal 3 km/h
(2 mph) overschrijdt en u de afgelopen 30
seconden geen van de toetsen
of
bedient.
Druk op de stuurtoets
.
> Het snelheidsbegrenzersymbool op het
instrumentenpaneel (p. 191) en de markering voor de ingestelde snelheid doven.
De gekozen en opgeslagen snelheid is
vervolgens uit het geheugen gewist,
waarna deze niet meer te hervatten is met
de toets
.
U kunt daarna weer zonder beperkingen
de snelheid regelen met het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
Overzicht
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij
een auto zonder cruisecontrol2.
Snelheidsbegrenzer* (p. 191)
Gerelateerde informatie
•
2
194
Snelheidsbegrenzer* (p. 191)
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende
snelheid en/of afstand aanhoudt.
Cruisecontrol* - snelheid regelen
U kunt een snelheid activeren, instellen en een
opgeslagen snelheid wijzigen.
Activeren en snelheid instellen
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Gerelateerde informatie
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij
een auto net cruisecontrol2.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 195)
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en standbystand (p. 197)
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 198)
•
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 199)
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Knoppenset op het stuurwiel en display in de auto zonder snelheidsbegrenzer3.
Activeren en snelheid aanpassen.
Gekozen snelheid (GRIJS = stand-bystand).
Cruisecontrol actief - WIT symbool (GRIJS =
stand-bystand).
2
3
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
}}
* Optie/accessoire. 195
BESTUURDERSONDERSTEUNING
van GRIJS naar WIT – de auto houdt de
ingestelde/opgeslagen snelheid aan.
||
de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
N.B.
N.B.
De cruisecontrol is niet in te schakelen bij
snelheden lager dan 30 km/h (20 mph).
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld.
Om de cruisecontrol weer te kunnen activeren, moet de auto stilstaan en de motor worden herstart.
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen snelheid door de stuurknop
of
kort of lang in te drukken.
Knoppenset op het stuurwiel en display in de auto met
snelheidsbegrenzer3.
Om de cruisecontrol te starten:
•
>
Druk op de stuurtoets CRUISE (zonder
(met snelsnelheidsbegrenzer) of op
heidsbegrenzer).
Op het instrumentenpaneel gaat het
symbool (6) voor de cruisecontrol branden –
de cruisecontrol staat stand-by.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de stuurof
.
toets
>
De actuele snelheid wordt in het geheugen
opgeslagen, de markering (5) op het instrumentenpaneel gaat branden bij de ingestelde snelheid en het symbool (6) verkleurt
3
196
Om aan te passen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph):
•
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Gerelateerde informatie
•
Cruisecontrol* (p. 194)
Om aan te passen met +/- 1 km/h (+/- 1 mph):
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal
/ -knop indrukt, wordt de
voordat u de
actuele rijsnelheid opgeslagen die geldt bij het
indrukken van de knop.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto hervat
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand
•
•
u bedient het rempedaal
Het systeem is tijdelijk te activeren en stand-by
te zetten.
•
u haalt de versnellingspook/keuzehendel uit
stand N
•
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
u bedient het koppelingspedaal langer dan
1 minuut5
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Stuurknoppen en display in de auto met snelheidsbegrenzer4.
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en
stand-by te zetten:
Stuurknoppen en display in de auto zonder snelheidsbegrenzer4.
•
Druk op
>
De markering (5) en het symbool (6) op het
instrumentenpaneel verkleuren van WIT naar
GRIJS – de cruisecontrol is tijdelijk uitgeschakeld.
.
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en
automatisch stand-by gezet in de volgende gevallen:
4
5
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid wanneer u het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld en
stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
het toerental van de motor wordt te laag/
hoog
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph).
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
}}
* Optie/accessoire. 197
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
Cruisecontrol* (p. 194)
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 195)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 199)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 198)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
De cruisecontrol (p. 194) (CC – Cruise Control)
helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden.
Na tijdelijke deactivering en de standbystand (p. 197) kunt u de eerder ingestelde
snelheid hervatten.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto met
snelheidsbegrenzer6.
Om de cruisecontrol opnieuw te activeren vanuit
de stand-bystand:
•
Druk op de stuurtoets
>
De markering (5) en het symbool (6) op het
instrumentenpaneel verkleuren van GRIJS
naar WIT en de laatst ingestelde/opgeslagen
snelheid wordt hervat.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto zonder snelheidsbegrenzer6.
.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat, kan
er een markante snelheidstoename volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
6
198
Cruisecontrol* (p. 194)
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 195)
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en standbystand (p. 197)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 199)
Cruisecontrol* - uitschakelen
Hier volgt een beschrijving van hoe u het systeem uitschakelt.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto met
snelheidsbegrenzer7.
Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto zonder snelheidsbegrenzer7.
De cruisecontrol wordt gedeactiveerd bij gebruik
van de stuurtoets (1) of bij het afzetten van de
motor – de opgeslagen snelheid wordt uit het
geheugen verwijderd en valt niet langer te hervatten met de toets
.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
7
Cruisecontrol* (p. 194)
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 195)
Cruisecontrol* tijdelijk deactiveren en standbystand (p. 197)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 198)
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire. 199
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Afstandswaarschuwing*
De afstandswaarschuwing (Distance Alert) waarschuwt u, als het tijdsverschil ten opzichte van
de voorligger te klein wordt.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan
30 km/h (20 mph) en reageert uitsluitend op
voorliggers. Voor voertuigen die langzaam in
tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt
geen afstandsinformatie gegeven.
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld,
zolang de adaptieve cruisecontrol actief is.
WAARSCHUWING
dat geval is het systeem te bedienen via het
menusysteem MY CAR (p. 116) van de auto - ga
vandaar naar de functie
Afstandswaarschuwing.
Tijdsverschil instellen
Distance Alert reageert alleen, als de afstand
tot voorliggers korter is dan de ingestelde
waarde – de rijsnelheid wordt niet aangepast.
Bediening
Bedieningselementen en symbool voor tijdsverschil.
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Tijdsverschil - Aan.
Oranje
waarschuwingssymbool8.
Er brandt continu een oranje waarschuwingssymbool op de voorruit, als de afstand tot de voorligger gelijk is aan het ingestelde tijdsverschil.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de functie
geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole – in
8
200
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes met ca. 3 seconden.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
adaptieve cruisecontrol (p. 203) geactiveerd is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (p. 204).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Gerelateerde informatie
•
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
(p. 201)
•
Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen (p. 202)
Afstandswaarschuwing* beperkingen
Dit systeem, dat gebruik maakt van dezelfde
radarsensor als de adaptieve cruisecontrol
(p. 203) en de Collision Warning met Auto Brake
(p. 229) heeft bepaalde beperkingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 200)
Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen (p. 202)
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje
soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms
moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken. Dat kan betekenen dat het geprojecteerde waarschuwingslampje pas bij kortere
volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat
branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk dat
het lampje door beperkingen in het bereik van
de sensor op kortere afstand oplicht.
Voor meer informatie over de beperkingen van de
radarsensor, zie Radarsensor - beperkingen
(p. 216) en Collision Warning* - bediening
(p. 233).
* Optie/accessoire. 201
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
SymboolA
Er kunnen symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel verschijnen bij een gereduceerde
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
werking op grond van de systeembeperkingen
(p. 201).
De radarsensor (p. 216) kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Voor informatie, zie Radarsensor - beperkingen (p. 216).
CWS-systeem Service vereist
A
202
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake (p. 235) werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol (ACC)*
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een bepaalde afstand tot voorliggers
te houden door een tijdsverschil ten opzichte
van de voorligger in te stellen.
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en
lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige
verkeersstroom.
U stelt de gewenste snelheid (p. 206) en het
tijdsverschil ten opzichte van de voorligger. Wanneer de radarsensor een voorligger registreert
die langzamer rijdt dan u, wordt uw snelheid
automatisch aangepast. Wanneer de weg voor u
weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
Als u een voorligger te dicht nadert terwijl de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of standby staat, wordt u door de afstandswaarschuwing (p. 200) geattendeerd op de korte afstand.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen
passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor
alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden
aangehouden, ook bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Automatische versnellingsbak
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak
is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid met een
zogeheten file-assistent (p. 210).
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen
(p. 206)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil instellen (p. 207)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 208)
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig
inhalen (p. 209)
•
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 210)
•
Adaptieve cruisecontrol* - File-assistent
(p. 210)
•
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrolfunctie wisselen (p. 212)
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 204)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
•
•
•
•
Radarsensor (p. 216)
Radarsensor - beperkingen (p. 216)
Adaptieve cruisecontrol* - storingen opsporen en verhelpen (p. 213)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 214)
* Optie/accessoire. 203
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - functie
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een afstandshouder.
Functie-overzicht
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u
merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d.
Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden
eveneens genegeerd.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen,
bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten met
een dikke laag water of sneeuwmodder, op
bochtige wegen of op op- en afritten.
Functie-overzicht9.
Waarschuwingssymbool – afremmen noodzakelijk
Knoppenset op het stuurwiel (p. 88)
Radarsensor (p. 216)
De afstand tot het verkeer voor u wordt in principe gemeten met een radarsensor. De cruisecontrol regelt de snelheid door de stand van de
gasklep aan te passen en zo nodig af te remmen.
Het is volkomen normaal dat de remmen enige
geluiden produceren, wanneer de adaptieve
cruisecontrol ze aanspreekt.
De adaptieve cruisecontrol bestaat uit een
cruisecontrol die gekoppeld is aan een afstandshouder.
9 NB De afbeelding
10 De file-assistent
204
WAARSCHUWING
Het rempedaal beweegt, wanneer de adaptieve cruisecontrol remt. Laat uw voet niet
onder het rempedaal rusten – deze kan
bekneld raken.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil (p. 207) aan te
houden ten opzichte van voorliggers in dezelfde
rijstrook. Als de radarsensor geen voorligger
registreert, houdt de auto in plaats daarvan de
snelheid aan die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit gebeurt ook als de snelheid van de
voorligger de ingestelde snelheid overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In situaties waarin krachtig moet worden geremd, dient
de bestuurder dan ook zelf te remmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen
of als de voorligger krachtig remt. Door beperkingen van de radarsensor (p. 216) is het mogelijk
dat er onverwachts of helemaal niet wordt
geremd.
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om een
tijdsverschil aan te houden ten opzichte van een
voorligger bij snelheden vanaf 30 km/h10
(20 mph) tot een maximumsnelheid van
200 km/h (125 mph). Als de snelheid tot onder
30 km/h (20 mph) daalt of als het motortoeren-
is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
(p. 210) van auto's met een automatische versnellingsbak kan een interval aan van 0–200 km/h (0–125 mph).
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
tal te laag wordt, wordt de cruisecontrol stand-by
gezet, waarna er niet langer automatisch wordt
afgeremd – u moet dan zelf remmen om een veilige afstand te houden tot voorliggers.
N.B.
Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril
kan het waarschuwingslampje moeilijk te zien
zijn.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
WAARSCHUWING
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol
bedraagt zo'n 40% van de totale remcapaciteit
van de auto.
De adaptieve cruisecontrol waarschuwt alleen
voor voertuigen die de radarsensor heeft
gedetecteerd. Daarom kan de waarschuwing
uitblijven of met een bepaalde vertraging
plaatsvinden. Wacht een waarschuwing niet
af, maar rem als dat nodig is.
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
De werking van de adaptieve cruisecontrol
(p. 203) en de toetsenset op het stuurwiel hangt
af van de vraag of de auto al dan niet is uitgerust
met een snelheidsbegrenzer (p. 191)12.
Adaptieve cruisecontrol met
snelheidsbegrenzer
Steile wegen en/of zware belading
Audiovisueel waarschuwingssignaal wanneer een botsing dreigt11.
Als de auto harder moet worden afgeremd dan
de adaptieve cruisecontrol aankan en u remt zelf
niet bij, dan wordt u er middels het waarschuwingslampje van Collision Warning (p. 229) en
een geluidssignaal op attent gemaakt dat u
onmiddellijk moet ingrijpen.
11
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste
instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op
vlakke weggedeelten. De cruisecontrol heeft
mogelijk moeite om de juiste volgafstand ten
opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten
op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware
belading of met een aanhanger/caravan achter
de auto – blijf dan extra alert en rem zo nodig
zelf.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
Cruisecontrol* (p. 194)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
}}
* Optie/accessoire. 205
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Groene markering bij opgeslagen snelheid
(WIT = stand-by).
Groene markering bij opgeslagen snelheid
(WIT = stand-by).
Tijdsverschil
Tijdsverschil
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Adaptieve cruisecontrol zonder
snelheidsbegrenzer
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Activeren en snelheid aanpassen.
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
Om de ACC te starten:
•
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen
(p. 206)
– op het instruDruk op de stuurknop
mentenpaneel (8) gaat een vergelijkbaar WIT
symbool branden om aan te geven dat de
adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 208)
staat.
Om de ACC in te schakelen:
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil instellen (p. 207)
•
Druk bij de gewenste snelheid op de stuurknop
of
.
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 208)
>
•
Cruisecontrol* (p. 194)
De actuele snelheid wordt opgeslagen in het
geheugen, het instrumentenpaneel toont
korte tijd een "vergrootglas" (6) rond de
ingestelde snelheid en de bijbehorende markering verkleurt van WIT naar GROEN.
Als dit symbool van WIT naar GROEN
verkleurt, is de ACC actief en houdt
deze de auto op de opgeslagen snel-
heid.
Alleen als op het symbool de
afbeelding van een ander voertuig verschijnt, wordt de
afstand tot de voorligger geregeld door de ACC.
(Wordt niet gebruikt)
12
206
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd:
ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid wanneer u het gaspedaal loslaat.
N.B.
•
de hogere snelheid met de GROENE markering is de voorgeprogrammeerde snelheid
•
de lagere snelheid is de snelheid van de
voorligger.
Als u een knop van de adaptieve cruisecontrol
meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld.
Om de cruisecontrol dan weer te kunnen activeren moet u de auto tot stilstand brengen en
de motor opnieuw starten.
In bepaalde situaties is heractivering van de
cruisecontrol niet mogelijk – in dat geval verschijnt Adaptieve cruise control control
niet beschikbaar op het instrumentenpaneel (p. 214).
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen snelheid door de stuurof
kort of lang in te drukken.
knop
Om aan te passen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph):
•
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Om aan te passen met +/- 1 km/h (+/- 1 mph):
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal
voordat u de
/ -knop indrukt, wordt de
actuele rijsnelheid opgeslagen die geldt bij het
indrukken van de knop.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
Cruisecontrol* (p. 194)
Adaptieve cruisecontrol* tijdsverschil instellen
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden
op het instrumentenpaneel
weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer
streepjes, hoe langer het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met
ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en
5 streepjes met ca. 3 seconden.
Om het tijdsverschil in te stellen/te wijzigen:
•
Draai aan het duimwiel van de stuurtoetsen
(of gebruik de knoppen
/
bij een auto
zonder snelheidsbegrenzer).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de
adaptieve cruisecontrol het tijdsverschil iets.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen
blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in
bepaalde situaties aanzienlijke variaties in het
tijdsverschil toe.
Let erop dat korte tijdsverschillen u bij plotselinge
wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd
geven om te reageren en in te grijpen.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
afstandswaarschuwing (p. 200) geactiveerd is.
}}
* Optie/accessoire. 207
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd
is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol bij activering
niet lijkt te reageren, kan dat komen doordat
de volgtijd ten opzichte van de voorligger een
snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
•
u zet de keuzehendel in stand N (automatische versnellingsbak)
De adaptieve cruisecontrol is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten.
•
u houdt meer dan 1 minuut lang een hogere
snelheid aan dan ingesteld.
Tijdelijke deactivering/stand-bystand met snelheidsbegrenzer
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Dit symbool en de markering voor de
ingestelde snelheid verkleuren dan van
GROEN naar WIT.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt (p. 206).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
Cruisecontrol* (p. 194)
Druk op de stuurknop
Tijdelijke deactivering/stand-bystand zonder snelheidsbegrenzer
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurknop
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
13
208
Voor meer informatie, zie de paragrafen Snelheid
regelen (p. 206) en Een ander voertuig inhalen
(p. 209).
Automatische stand-bystand
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals Stabiliteitsregeling ESC
(p. 186). Als een van deze systemen niet meer
werkt, wordt de adaptieve cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
u bedient het rempedaal
Bij automatische deactivering klinkt een waarschuwingssignaal en op het instrumentenpaneel
verschijnt de melding Adaptieve cruise control
geannuleerd. U moet in dat geval zelf ingrijpen
om de snelheid en afstand ten opzichte van de
voorligger aan te passen.
u bedient het koppelingspedaal langer dan
1 minuut13
Automatische deactivering is mogelijk in de volgende gevallen:
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk gedeactiveerd en automatisch stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
•
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal
zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling
ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid wanneer u het gaspedaal loslaat.
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Adaptieve cruisecontrol* - een
ander voertuig inhalen
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
De ACC kan tevens helpen tijdens het inhalen.
Cruisecontrol* (p. 194)
Als de auto een ander voertuig volgt en u met de
richtingaanwijzer15 aangeeft te willen inhalen,
helpt de adaptieve cruisecontrol door de auto
kort te versnellen ten opzichte van de voorligger.
u opent het portier
Gerelateerde informatie
u doet de veiligheidsgordel af
•
•
•
het toerental van de motor wordt te laag/
hoog
•
de snelheid is gedaald tot onder zo'n
30 km/h14 (20 mph)
•
•
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
de remmen hebben een hoge temperatuur
de radarsensor wordt gehinderd door natte
sneeuw of hevige regenval (de radargolven
worden geblokkeerd).
Voor meer informatie over symbolen, meldingen
en hun betekenis, zie de paragraaf Symbolen en
displaymeldingen (p. 214).
Het systeem werkt bij snelheden hoger dan
70 km/h (43 mph).
Lees meer over diverse tijdsverschillen (p. 207)
ten opzichte van voorliggers.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt (p. 206).
WAARSCHUWING
Ingestelde snelheid hervatten
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd, bijv.
als de richtingaanwijzer wordt gebruikt om het
wisselen van rijbaan of een afslag naar een
andere weg aan te geven. De auto accelereert dan kort.
Een adaptieve cruisecontrol in stand-bystand is
opnieuw te activeren bij een druk op de stuurknop
– in dat geval wordt de laatst ingestelde
snelheid hervat.
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat, kan
er een markante snelheidstoename volgen.
14
15
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
Cruisecontrol* (p. 194)
Geldt niet voor een auto met file-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire. 209
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol* - Fileassistent
Knoppenset met snelheidsbegrenzer
De file-assistent is een aanvulling op de adaptieve cruisecontrol die ook bij snelheden lager
dan 30 km/h (20 mph) werkt.
De adaptieve cruisecontrol schakelt uit met een
. Daarbij wordt de
korte druk op de stuurknop
ingestelde snelheid gewist waarna deze niet
.
meer te hervatten is met de toets
Knoppenset zonder
snelheidsbegrenzer
Bij kort indrukken van de stuurknop
zet u de
adaptieve cruisecontrol stand-by. Bij nogmaals
indrukken schakelt u de cruisecontrol uit. Daarbij
wordt de ingestelde snelheid gewist waarna deze
.
niet meer te hervatten is met de toets
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
Cruisecontrol* (p. 194)
Bij auto's met een automatische versnellingsbak
is de adaptieve cruisecontrol aangevuld met de
functie File-assistent (ook wel "Queue Assist"
genoemd).
De file-assistent biedt de volgende functies:
•
•
•
Uitgebreid snelheidsinterval - ook bij snelheden lager dan 30 km/h (20 mph) en bij stilstand
Groter snelheidsinterval
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
moet u het bestuurdersportier hebben gesloten en de veiligheidsgordel hebben omgedaan.
Met een automatische versnellingsbak kan de
adaptieve cruisecontrol een voorligger volgen
met een snelheid tot 200 km/h 125 mph).
N.B.
Om de cruisecontrol te kunnen activeren bij
een snelheid lager dan 30 km/h (20 mph)
mag er binnen redelijke afstand geen voorligger te bekennen zijn.
Van doelvoertuig veranderen
Beëindiging automatische remfunctie bij stilstand
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de minimumsnelheid is waarop de adaptieve cruisecontrol in
te stellen is – ook al kan de cruisecontrol een
voorligger volgen tot aan stilstand, is het kiezen/
opslaan van een lagere snelheid niet mogelijk.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt (p. 203)
en verschillende tijdsverschillen ten opzicht van
voorliggers (p. 207) instelt.
Na korte stops tot zo'n 3 seconden tijdens filerijden of voor verkeerslichten rijdt de auto automatisch verder. Duurt het langer voordat een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de cruisecontrol
stand-by (p. 208) gezet met automatische remfunctie. U dient deze vervolgens op een van de
volgende manieren opnieuw te activeren:
•
Druk op de stuurknop
...of...
•
210
Trap het gaspedaal in.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
>
De cruisecontrol zal dan de voorligger
opnieuw volgen.
WAARSCHUWING
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden hoger
dan 30 km/h (20 mph), van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig
volgt, zal de adaptieve cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen
snelheid aanhouden.
N.B.
De File-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilhouden - daarna lossen de remmen.
Voor meer informatie, zie het kopje ‘Deactivering automatische rem bij stilstand’.
Van doelvoertuig veranderen
•
Dat betekent dat de remmen worden gelost en
de auto begint te rollen – u moet daarom ingrijpen en zelf remmen om de auto op zijn plaats te
houden.
BELANGRIJK
De file-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilstaand houden - daarna lossen
de remmen.
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
U wordt hierop in meerdere stappen met een
toenemende intensiteit attent gemaakt:
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld
en stand-by gezet:
•
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat, kan het
gebeuren dat een stilstaande voorligger het nieuwe
doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende
voorligger volgt bij snelheden lager dan 30 km/h
(20 mph), van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(5 mph) en de cruisecontrol niet kan registreren of het doelobject een stilstaand voertuig is of een ander object, zoals een verkeersdrempel.
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(5 mph) en de voorligger afslaat, zodat de
cruisecontrol geen voorligger meer heeft om
te volgen.
Annulering automatisch remmen bij
stilstand
In de volgende situaties onderbreekt de fileassistent automatisch remmen bij stilstand:
•
•
1.
Akoestisch alarm (belsignaal) en een displaymelding.
2.
Er komt een knipperend waarschuwingslampje in de voorruit bij.
3.
Er komt ‘hakkend’ remmen bij.
Voor meer informatie over symbolen, meldingen en hun betekenis, zie het onderdeel Symbolen en displaymeldingen (p. 214).
De File-assistent lost de rem en staat ook in
deze situaties stand-by:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
u zet de keuzehendel in stand P, N of R
u zet de cruisecontrol stand-by
u zet de parkeerrem aan.
u opent het portier
u doet de veiligheidsgordel af.
}}
211
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
Cruisecontrol* (p. 194)
Adaptieve cruisecontrol* - van
cruisecontrol-functie wisselen
Wisselen van ACC naar CC
Op het instrumentenpaneel geeft een symbool
aan welke cruisecontrol actief is:
CC
ACC
Cruise Control
Adaptive Cruise Control
Cruisecontrol
Adaptieve cruisecontrol
Wisselen van CC naar ACC
Schakel de cruisecontrol (CC) uit met 1–2 keer
-knop. De volgende keer dat
drukken op de
het systeem wordt ingeschakeld, wordt de adaptieve cruisecontrol (ACC) geactiveerd.
Gerelateerde informatie
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
•
Cruisecontrol* (p. 194)
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 208)
Met een druk op de knop kan het adaptieve deel
(afstandshouder) van de adaptieve cruisecontrol
(p. 203) worden gedeactiveerd, waarna de auto
alleen de ingestelde/opgeslagen snelheid aanhoudt.
•
– het symDruk lang op de stuurtoets
bool op het instrumentenpaneel verkleurt van
naar
.
>
Daarmee is de cruisecontrol CC geactiveerd.
WAARSCHUWING
Na een wisseling van ACC naar CC remt de
auto niet langer automatisch - deze volgt
alleen de ingestelde snelheid.
212
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
Als op het instrumentenpaneel de melding
Radar afgedekt Zie instructieboekje ver-
schijnt, betekent dit dat de radarsensor (p. 216)
van de adaptieve cruisecontrol geen voorliggers
kan ontdekken.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van de
melding en passende maatregelen:
Deze melding geeft aan dat de Afstandswaarschuwing (p. 200) of Collision Warning met Auto
Brake (p. 229) evenmin werken.
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of sneeuw
werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft dat de
radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
Cruisecontrol* (p. 194)
* Optie/accessoire. 213
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
een paar voorbeelden - volg in die gevallen het
gegeven advies op:
Soms kan de adaptieve cruisecontrol een symbool en/of een melding weergeven. Hier ziet u
SymboolA
Melding
Betekenis
Het symbool is WIT
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by (p. 208).
Het symbool is GROEN
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
De traditionele cruisecontrol is handmatig gekozen.
Stel ESC in op Normaal voor
activering ACC
De adaptieve cruisecontrol is pas te activeren als ESC in de normale stand is gezet - Stabiliteitsregeling
(p. 186).
Adaptieve cruise control
geannuleerd
De adaptieve cruisecontrol werd gedeactiveerd – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
Adaptieve cruise control control niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden geactiveerd.
Dit kan onder meer gebeuren in de volgende gevallen:
•
•
de remmen hebben een hoge temperatuur
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
Voor meer informatie over het storingzoeken, zie de paragraaf Storingen opsporen en verhelpen (p. 213)
Radar afgedekt Zie instructieboekje
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
•
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
U kunt dan kiezen voor de traditionele cruisecontrol (p. 194) (CC) – een displaymelding informeert over
passende alternatieven.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 216).
214
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
SymboolA
A
B
Melding
Betekenis
Adaptieve cruise control Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
•
Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De auto staat stil en de adaptieve cruisecontrol lost de rem, waarna de auto direct begint te rollen.
Remmen om stil te blijven
staan + akoestisch alarm + waarschuwingslampje aan binnenkant
voorruit + "schokkerig" remmenB
•
Onder 30 km/h Voorligger
vereistB
Verschijnt wanneer u de adaptieve cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid lager dan 30 km/h
(20 mph) en er geen voorligger binnen de activeringsafstand te bekennen is.
U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal of
gaspedaal bedient.
De symbolen zijn schematisch.
Alleen auto met File-assistent.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 205)
Cruisecontrol* (p. 194)
* Optie/accessoire. 215
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Radarsensor
Gerelateerde informatie
De radarsensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren die in dezelfde
richting als u en in dezelfde rijstrook rijden.
•
•
•
•
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende
systemen:
Afstandswaarschuwing*
•
•
•
Radarsensor - beperkingen (p. 216)
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Collision Warning* (p. 229)
Afstandswaarschuwing* (p. 200)
Radarsensor - beperkingen
Een radarsensor (p. 216) heeft bepaalde beperkingen die onder meer terug te voeren zijn op
het beperkte blikveld.
De adaptieve cruisecontrol heeft veel meer
moeite om een voorligger te ontdekken, als:
•
de snelheid van de voorligger veel afwijkt van
die van uw eigen auto
•
de radarsensor gehinderd wordt door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder
of andere verontreinigingen de radarsensor
afdekken.
Adaptieve cruisecontrol*
Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie*
BELANGRIJK
Bij zichtbare schade aan de grille van de auto
of het vermoeden dat de radarsensor beschadigd is:
•
Neem contact op met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Als de grille, de radarsensor of de console
ervan beschadigd of losgeraakt is, kan de
functie ervan geheel of gedeeltelijk wegvallen
of storingen vertonen.
N.B.
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon.
Blikveld
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet ontdekt of later dan verwacht.
Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk
dat het gebruik ervan onwettig wordt.
216
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden
met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen
passende snelheid of afstand aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem
dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u
merkt dat het systeem een voorligger niet
registreert.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor
alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet op
voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d.
Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden
eveneens genegeerd.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen,
bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of
slecht zicht en evenmin op weggedeelten met
een dikke laag water of sneeuwmodder, op
bochtige wegen of op op- en afritten.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden
aangehouden, ook bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol.
WAARSCHUWING
Blikveld van de ACC.
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger.
Accessoires of andere voorwerpen, zoals bijv.
verstralers, mogen niet vóór de grille worden
gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203)
Collision Warning* (p. 229)
Afstandswaarschuwing* (p. 200)
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of
voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
* Optie/accessoire. 217
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Typegoedkeuring - radarsysteem
De typegoedkeuringen voor de radareenheden
van de auto staan in de volgende tabel.
Markt
ACCA
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
Este equipamento opera em caráter secundário, isto é, não tem direito à proteção contra
interferência prejudicial, mesmo de estações do mesmo tipo e não pode causar interferência a
sistemas operando em caráter primário.
✓
Modelo: L2C0038TR
1071-10-3451
Brazilië
EAN: 07897843800248
Modelo: L2C0055TR
✓
1500-15-8065
EAN: 07897843840978
Hereby, Delphi Automotive PLC, declares that this ESR is in compliance with the essential
requirements and other relevant provisions of Directive 2014/53/EU (RED). The original
delegation of conformity can be accessed at the following link www.delphi.com/automotivehomologation
Europa
✓
✓
Frequency Band: 76GHz – 77GHz
Maximum Output Power: 55dBm EIRP
The Declaration of Conformity may be consulted at Delphi Electronics & Safety / 2151 E.
Lincoln Road / Kokomo, Indiana 46902 USA.
218
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Markt
ACCA
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
TRA
✓
REGISTERED No: 0018923/09
DEALER No: DA37380/15
Verenigde Arabische
Emiraten
TRA
✓
REGISTERED No: ER37357/15
DEALER No: DA37380/15
Indonesië
✓
14785/POSTEL/2010 1982
✓
38806/SDPPI/2015 4927
Type Approval No.: TRC/LPD/2009/87
✓
Equipment type: Low Power Device (LPD)
Jordanië
✓
Type Approval No.: TRC/LPD/2015/3
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
Certification No.
✓
DPH-L2C0038TR
Korea
✓
Certification No.
MSIP-CMI-DPH-L2C0055TR
}}
219
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Markt
ACCA
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
AGREE PAR L'ANRT MAROC
✓
Numero d'agrement : MR 4838 ANRT 2009
Date d'agrement : 22/05/2009
Marokko
AGREE PAR L’ANRT MAROC
✓
NUMÉRO D’AGRÉMENT: MR 9929 ANRT 2014
DATE D’AGRÉMENT: 26/12/2014
Singapore
✓
✓
TA-2009/163
✓
APPROVED
Zuid-Afrika
✓
✓
Taiwan
A
B
220
ACC = Adaptive Cruise Control
BLIS = Blind Spot Information
Complies with IDA Standards DA105753
TA-2014/2390
APPROVED
CCAB09LP4590T3
✓
CCAB15LP0680T0
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Typegoedkeuring voor radioapparatuur
Markt
Europa
Symbool
Typegoedkeuring
Hereby, Volvo Cars
declares that all radio
equipments are in
compliance with the
essential requirements
and other relevant
provisions of Directive
2014/53/EU. All
Declarations of
Conformity can be found
on support.volvocars.com
Gerelateerde informatie
•
Radarsensor (p. 216)
221
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety™
BELANGRIJK
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden
e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot
bijna-ongelukken kunnen leiden.
Onderhoud en vervanging van onderdelen in
City Safety™ mogen uitsluitend door een
werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het City Safety™ dat actief is bij een snelheid tot
50 km/h (30 mph) helpt u door automatisch te
remmen, wanneer het gevaar voor een botsing
met een voorligger reëel is en u zelf niet snel
genoeg remt en/of uitwijkt.
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op voertuigen die
in een andere richting dan de eigen auto rijden, op kleine voertuigen, op motorfietsen of
op mensen en dieren.
City Safety™ kan botsingen voorkomen bij
een snelheidsverschil lager dan 15 km/h
(9 mph) - bij een groter snelheidsverschil kan
de impactsnelheid alleen worden gereduceerd. Voor maximale remwerking moet u zelf
het rempedaal intrappen.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat mogelijk geactiveerd te worden om onnodige ingrepen
te voorkomen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag aan te
passen – als u er blind op vertrouwt dat City
Safety™ remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij
een aanrijding.
Bij auto's met Collision Warning met Auto Brake*
(p. 229) vullen de beide systemen elkaar aan.
222
City Safety™ registreert het verkeer vóór de auto
middels een lasersensor (p. 226) boven aan de
voorruit. Wanneer het gevaar voor een aanrijding
reëel is, zal City Safety™ automatisch remmen,
wat aandoet als een krachtige remmanoeuvre.
WAARSCHUWING
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties waar
u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen,
zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
U en eventuele passagiers zullen normaal alleen
merken dat City Safety™ actief is, wanneer een
aanrijding dreigt.
City Safety™ - werking
Wacht nooit af totdat City Safety™ ingrijpt. U
bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de juiste afstand en snelheid aanhoudt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ - beperkingen (p. 224)
City Safety™ - werking (p. 222)
City Safety™ - bediening (p. 223)
City Safety™ - lasersensor (p. 226)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 228)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt
op het instrumentenpaneel de melding (p. 228)
dat het systeem actief is/was.
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
City Safety™ - bediening
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen
een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden
e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot
bijna-ongelukken kunnen leiden.
Aan en Uit
Gerelateerde informatie
Zend- en ontvangstoog van de lasersensor16.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h
(3–9 mph) ten opzichte van de voorligger kan
City Safety™ een aanrijding geheel voorkomen.
•
•
•
City Safety™ wordt bij het starten van de
motor automatisch gestart.
City Safety™ - bediening (p. 223)
City Safety™ - beperkingen (p. 224)
City Safety™ start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt. Voor veel
bestuurders die dit niet gewend zijn is een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
Bij een snelheidsverschil groter dan 15 km/h
(9 mph) tussen de voertuigen kan City Safety™
een aanrijding niet geheel op eigen kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u
zelf het rempedaal te bedienen. In dat geval is
het ook bij snelheidsverschillen groter dan
15 km/h (9 mph) mogelijk een aanrijding te voorkomen.
16
N.B.
City Safety™ (p. 222)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Soms is het handig om City Safety™ uit te kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer bebladerde
takken langs de motorkap en voorruit kunnen
schampen.
City Safety™ is te bedienen in het menusysteem
MY CAR (p. 116) en na een motorstart is het
systeem als volgt uit te schakelen:
•
Ga in MY CAR naar Rijondersteuning en
kies Uit bij City Safety.
De volgende keer dat de motor wordt gestart
is de functie echter weer actief, ook al stond
het systeem uit toen de motor werd afgezet.
}}
223
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
De lasersensor (p. 226) zendt laserlicht uit,
ook als City Safety™ handmatig is uitgeschakeld.
Om City Safety™ opnieuw in te schakelen:
•
Volg de dezelfde procedure als bij het uitschakelen, maar kies nu de optie Aan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 222)
City Safety™ - beperkingen (p. 224)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 228)
City Safety™ - beperkingen
De City Safety™-sensor is erop gebouwd om
auto's en andere voorliggers te ontdekken, zowel
overdag als 's nachts.
Er gelden echter bepaalde beperkingen voor het
systeem.
Door de beperkingen van de sensor werkt City
Safety™ minder goed – of helemaal niet – bij
hevige sneeuw- of regenval, in dichte mist of in
dikke stofwolken of stuifsneeuw. Ook condens,
vuil, sneeuw en ijs op de voorruit kunnen voor
storingen in de werking zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/wimpels
die uitstekende lading markeren of accessoires
zoals verstralers en frontbars die boven de motorkap uitsteken zorgen voor functiebeperkingen.
Het laserlicht van de sensor in City Safety™
meet hoe het licht reflecteert. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend vermogen waarnemen. De achterkant van voertuigen
weerkaatst veelal voldoende licht dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor City
Safety™ minder goed in staat is aanrijdingen te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het
ABS17 en ESC18 voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
17
18
224
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteitsregeling.
Wanneer u zelf achteruitrijdt, is City Safety™ tijdelijk gedeactiveerd.
City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/h (3 mph)), wat betekent
dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u
een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren.
De commando's die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando's geeft via stuurwiel of gaspedaal, zelfs al is
een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety™ een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de auto
wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger,
wordt de snelheid begrensd tot dezelfde snelheid
als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City Safety™
de auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u er in
slaagt om het koppelingspedaal voor die tijd in te
drukken.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor (p. 226) vrij van sneeuw, ijs,
condens en vuil. Voor een afbeelding met
de positie van de sensor, zie City
Safety™ - werking (p. 222).
•
Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap – de
laag sneeuw en ijs mag niet dikker zijn
dan 5 cm.
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding (p. 228) Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek op het instrumentenpaneel verschijnt, worden de lasersensoren
gehinderd zodat ze geen voorliggers kunnen
registreren. Dit betekent op zijn beurt dat City
Safety™ niet werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek verschijnt echter niet in alle situaties waarbij de lasersensor gehinderd worden –
let er daarom op dat u de voorruit en in het bijzonder het gebied vóór de lasersensor zorgvuldig
schoonhoudt.
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en suggesties voor passende maatregelen.
Oorzaak
BELANGRIJK
Maatregel
Het voorruitoppervlak
vóór de lasersensor is
vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
lasersensor van vuil,
sneeuw en ijs.
Het zicht van de
lasersensor is
geblokkeerd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
Als het voorruitoppervlak vóór een van beide
‘ogen’ barsten, krassen of steenslagschade
vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter),
neem dan contact op met een erkende werkplaats om de voorruit te laten vervangen –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Voor een afbeelding met de positie
van de sensor, zie City Safety™ - werking
(p. 222).
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat City Safety™ helemaal
niet, onjuist of in beperkte mate werkt, geldt
tevens het volgende:
•
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen of
sterren in het gebied vóór de lasersensor
niet te repareren, maar de complete
voorruit te vervangen.
•
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt besteld
en gemonteerd.
•
Monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander type,
door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
}}
225
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
City Safety™ (p. 222)
City Safety™ - werking (p. 222)
City Safety™ - bediening (p. 223)
City Safety™ - lasersensor
Het City Safety™-systeem maakt gebruik van
een sensor die laserlicht uitzendt. Neem contact
op met een gekwalificeerde werkplaats als de
lasersensor een storing vertoont of nagekeken
moet worden – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats. Het is daarom essentieel dat u
de aangegeven instructies opvolgt bij het hanteren van de lasersensor.
De volgende twee stickers hebben te maken met
de lasersensor:
Op de onderste sticker staan de fysische eigenschappen van het laserlicht:
•
IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet aan
de normen van de FDA (Amerikaanse keuringsdienst van waren) betreffende de uitvoering van laserproducten met uitzondering
van de afwijkingen conform ‘Laser Notice No.
50’, d.d. 26 juli 2001.
Stralingsgegevens voor lasersensor
De fysische gegevens staan nader omschreven in
de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 µJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Pulsduur
Divergentie (horizontaal × verticaal)
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat de
classificatie van het laserlicht:
•
226
Laserstraling - Niet rechtstreeks in de straal
kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
33 ns
28° × 12°
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Als u de instructies in deze handleiding niet
opvolgt, bestaat er gevaar voor oogletsel!
•
•
Kijk nooit van een afstand van 100 mm of
minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen)
met vergrotende optiek zoals een vergrootglas, microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten.
Laat tests, reparaties, demontage, afstelling en/of vervanging van de lasersensor
of delen ervan alleen uitvoeren door een
erkende werkplaats – geadviseerd wordt
een erkende Volvo-werkplaats.
•
Stel de lasersensor niet bij en voer geen
onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in
deze handleiding staat aangegeven om
blootstelling aan schadelijke straling
tegen te gaan.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct
klasse 3B volgens de norm IEC 60825-1.
Een laserproduct klasse 3B is niet veilig
voor de ogen en houdt dan ook een
gevaar voor oogletsel in.
•
Koppel de connector van de lasersensor
los voordat u deze van de voorruit demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector aan
te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 82) staat, ook al is de motor
afgezet.
Gerelateerde informatie
•
City Safety™ (p. 222)
227
BESTUURDERSONDERSTEUNING
City Safety™ - symbolen en
meldingen
instrumentenpaneel gaan branden in combinatie
met een tekstmelding. Meldingen kunt u van het
display halen door de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken.
Terwijl City Safety™ (p. 222) automatisch remt,
kunnen een of meer symbolen (p. 228) op het
SymboolA
Melding
Betekenis/Maatregel
Automatisch remmen door
City Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
•
Verwijder het voorwerp dat de sensor hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensor schoon.
Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensor(p. 224).
City Safety Service vereist
City Safety™ werkt niet.
•
A
De symbolen zijn schematisch.
Gerelateerde informatie
•
•
228
City Safety™ (p. 222)
City Safety™ - werking (p. 222)
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Collision Warning*
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsersen voetgangersdetectie’ is een hulpmiddel dat
bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het
gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of
voorligger botst.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangersdetectie’ wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten
remmen, zodat het systeem niet altijd uitkomst
biedt.
sers- en voetgangersdetectie’ in twee uitvoeringen voorkomen:
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 236)
Uitvoering 1
U wordt alleen met visuele en akoestische signalen gewaarschuwd19 voor obstakels – er wordt
niet automatisch geremd, u moet zelf remmen.
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen
(p. 238)
Uitvoering 2
U wordt met visuele en akoestische signalen
gewaarschuwd voor obstakels – de auto remt
automatisch als u niet zelf binnen een redelijke
tijd reageert.
BELANGRIJK
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangersdetectie’ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
Onderhoud aan de componenten van ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangsdetectie’ mag uitsluitend worden
uitgevoerd in een werkplaats – geadviseerd
wordt een door Volvo erkende werkplaats.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en
voetgangersdetectie’ kan een aanrijding voorkomen of de impactsnelheid verlagen.
Gebruik ‘Collision Warning met Auto Brake en
fietsers- en voetgangersdetectie’ niet om uw rijgedrag aan te passen – als u er blind op vertrouwt dat Collision Warning met Auto Brake
remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij een aanrijding.
Twee systeemuitvoeringen
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto
kan de ‘Collision Warning met Auto Brake en fiet19
Gerelateerde informatie
•
•
Collision Warning* - werking (p. 230)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 232)
•
Collision Warning* - detectie van fietsers
(p. 231)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 233)
Collision Warning* - beperkingen (p. 235)
Geen waarschuwing voor fietsers bij ‘Uitvoering 1’.
* Optie/accessoire. 229
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Collision Warning* - werking
1 – Collision Warning
3 – Auto Brake
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende
aanrijding.
Op het laatste moment wordt de automatische
remfunctie geactiveerd.
Collision Warning kan voetgangers, fietsers of
voertuigen voor uw auto ontdekken, die stilstaan
of in dezelfde richting als u rijden.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een uitwijkmanoeuvre bent begonnen en het aanrijdingsgevaar urgent is, schakelt de automatische
remfunctie in, ongeacht of u remt of niet. De auto
wordt daarbij maximaal afgeremd om de botssnelheid te beperken of zoveel als nodig is om
een aanrijding te voorkomen. Voor fietsers wordt
mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of
gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger, fietser of voertuig, wordt uw aandacht
getrokken met een rood knipperend waarschuwingssymbool (1) en een akoestisch signaal.
2 – Brake Support
Functie-overzicht20.
Audiovisueel waarschuwingssignaal wanneer
een botsing dreigt.
Radarsensor21
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake voert drie
onderdelen uit in de volgende volgorde:
1.
Collision Warning
2.
Brake Support21
3.
Auto Brake21
Collision Warning en City Safety™ (p. 222) vullen
elkaar aan.
20
21
230
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision
Warning verder is toegenomen, treedt de Brake
Support in werking.
Dit betekent dat het systeem de nodige voorbereidingen treft voor een snelle remmanoeuvre,
waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is
te merken aan een lichte schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid
bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd.
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen,
als het systeem ervan uitgaat dat de remmanoeuvre alleen niet voldoende is om een botsing
te voorkomen.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met een systeem in uitvoering 2.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Collision Warning reageert niet op naderende
tegenliggers of fietsers noch op dieren.
Collision Warning* - detectie van
fietsers
Er wordt alleen gewaarschuwd, wanneer het
risico van een botsing groot is. In het onderdeel "Functie" en "Beperkingen" wordt geïnformeerd over de beperkingen die u als
bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h (50 mph).
In het donker en in tunnels kan niet worden
gewaarschuwd noch geremd voor voetgangers en fietsers – zelfs al brandt de straatverlichting.
Het systeem ‘ziet’ alleen de achterkant van fietsers die
zich in dezelfde richting als uw auto bewegen.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen. Bedien voor
een maximale remwerking altijd het rempedaal – ook al wordt er automatisch geremd.
Wacht nooit een waarschuwingssignaal van
de Collision Warning af. U bent er altijd verantwoordelijk voor om de juiste afstand en
snelheid aan te houden – ook bij gebruik van
de Collision Warning met Auto Brake.
Gerelateerde informatie
•
22
Collision Warning* (p. 229)
Optimaal voorbeeld van wat het systeem als een fietser
beschouwt – met duidelijke lichaams- en fietscontouren,
De reflector moet voldoen aan de aanbevelingen en voorschriften van de verkeersinstantie in het desbetreffende land.
recht van achteren gezien en in het verlengde van de
hartlijn door de auto.
Voor optimale prestaties van het systeem dient
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van fietsers zo uniform mogelijke
informatie over de lichaams- en fietscontouren
ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende
(lichaams-)delen zoals fiets, hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en buik moeten kunnen
worden waargenomen evenals een bewegingspatroon dat voor fietsers als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als de
camera van het systeem grote delen van het
lichaam van de fietser of van zijn/haar fiets niet
kan waarnemen.
•
Het systeem kan alleen volwassen fietsers
ontdekken die op een dames- of herenfiets
zitten.
•
Het systeem kan fietsers alleen recht van
achteren ontdekken en alleen als deze zich
in dezelfde richting als uw auto bewegen –
niet schuin van achteren of van opzij.
•
De fiets moet aan de achterkant zijn voorzien
van een rode reflector die goed zichtbaar en
goedgekeurd22 is en op minstens 70 cm
boven het wegdek zit.
•
Het systeem kan fietsers alleen recht van
achteren ontdekken en alleen als deze zich
}}
* Optie/accessoire. 231
BESTUURDERSONDERSTEUNING
in dezelfde richting als uw auto bewegen –
niet schuin van achteren of van opzij.
||
•
Bij zonsondergang en -opgang kan het systeem fietsers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
Het systeem is niet in staat fietsers te registreren bij ritten in het donker of in tunnels –
zelfs al brandt de straatverlichting.
•
Voor optimale fietsersdetectie moet het systeem City Safety™ zijn geactiveerd, zie City
Safety™ (p. 222).
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 229)
Collision Warning* - detectie van
voetgangers
WAARSCHUWING
Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel.
Fietserdetectie is niet mogelijk:
•
in alle situaties en het systeem heeft bijvoorbeeld moeite met gedeeltelijk zichtbare fietsers;
•
bij fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult of fietsers die van de zijkant komen;
•
bij fietsen waar achterop geen reflector
zit;
•
bij fietsen waarop grote voorwerpen worden vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt afhankelijk van de rijsnelheid.
232
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers
met herkenbare lichaamscontouren beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem dient
de systeemfunctie die verantwoordelijk is voor
identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende
lichaamsdelen zoals hoofd, armen, schouders,
benen, borstkas en buik moeten kunnen worden
waargenomen evenals een bewegingspatroon
dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
Het systeem kan voetgangers niet ontdekken, als
de camera van het systeem grote delen van het
lichaam niet kan waarnemen.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Een voetganger is alleen te ontdekken wanneer deze helemaal zichtbaar is en een
lengte heeft van minimaal 80 cm.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan de camerasensor voetgangers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
De camerasensor is niet in staat voetgangers
te registreren bij ritten in het donker of in
tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
Collision Warning* - bediening
Waarschuwingssignalen Aan en Uit
Via een menusysteem van MY CAR op het display van de middenconsole zijn eventuele instellingen voor de Collision Warning te verrichten, zie
MY CAR (p. 116).
WAARSCHUWING
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangsdetectie’ is een hulpmiddel. Het systeem kan niet altijd alle voetgangers detecteren en heeft bijvoorbeeld moeite
met:
•
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult
of voetgangers met een lengte tot korter
dan 80 cm;
voetgangers die grote voorwerpen dragen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en voldoende afstand houdt afhankelijk van de rijsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 229)
1. Akoestisch en visueel waarschuwingssignaal wanneer
een botsing dreigt23.
U kunt aangeven of de geluidssignalen en het
geprojecteerde waarschuwingslampje voor de
Collision Warning moeten zijn in- of uitgeschakeld.
Bij het starten van de motor geldt automatisch de
instelling die actief was toen de motor werd afgezet.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake zijn
altijd geactiveerd - ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
Via het menusysteem MY CAR op het display van
de middenconsole zijn instellingen voor de Collision Warning te verrichten, zie (p. 116).
}}
* Optie/accessoire. 233
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Waarschuwingslampje en geluidssignaal
Wanneer het waarschuwingslampje en het
geluidssignaal zijn ingeschakeld, wordt het waarschuwingslampje (nr. [1] op de voorgaande
afbeelding) bij iedere motorstart getest door de
verschillende lichtpunten korte tijd te laten branden.
Na het starten van de motor zijn zowel het waarschuwingslampje als het geluidssignaal uit te
schakelen:
De waarschuwingsafstand is bepalend voor de
gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd.
Ga altijd uit van de instelling Lang, maar als deze
instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in
bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op de waarschuwingsafstand Normaal.
Ga naar Botswaarschuwing in
Rijondersteuning in het menusysteem MY
CAR (p. 116) - vink de functie daar uit.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
•
Geluidssignaal
Na het starten van de motor is het geluidssignaal
apart in/uit te schakelen:
•
Ga naar Signaaltoon in
Botswaarschuwing in het menusysteem
MY CAR (p. 116) - kies daar Aan of Uit.
Vervolgens vindt de Collision Warning alleen met
lichtsignalen plaats.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand waarbij
een visueel signaal en een geluidssignaal worden
afgegeven.
•
23
234
MY CAR (p. 116) - kies daar Lang, Normaal
of Kort.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in alle
situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Test Collision Warning met Auto Brake
daarom nooit uit op mensen of voertuigen dat kan namelijk tot ernstig letsel/ernstige
schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol
gehanteerd, ook al hebt u de Collision Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij gevaar
voor een botsing, maar de functie is niet in
staat uw reactietijd te verkorten.
Voor een optimale werking van de Collision
Warning dient u de Afstandswaarschuwing
(p. 200) altijd in te stellen op volgtijd 4-5.
Ga naar Waarschuwingsafstand in
Botswaarschuwing in het menusysteem
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Instellingen controleren
U kunt de actuele instellingen controleren op het
display van de middenconsole.
•
Ga in het menusysteem MY CAR (p. 116)
naar Botswaarschuwing in
Rijondersteuning.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Onderhoud
Collision Warning* - beperkingen
Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo is
het systeem pas actief bij snelheden van zo'n
4 km/h (3 mph) en hoger.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de voorruit
geprojecteerde waarschuwingslampje voor de
Collision Warning soms moeilijk te ontdekken.
Dat is ook mogelijk als u niet recht vooruit kijkt.
Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd
ingeschakeld.
Camera- en radarsensor24.
De sensoren werken alleen naar behoren wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor het
systeem minder goed in staat is aanrijdingen te
voorkomen. In dergelijke situaties zullen het ABS
en de ESC (p. 186) voor het maximale remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan korte
tijd buiten werking worden gesteld, wanneer
de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld
door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit
gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer
afgegeven ook al hebt u deze uitgeschakeld
via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens uitblijven bij een zeer geringe afstand tot de
voorligger of bij relatief grote stuur- en
pedaalbewegingen zoals bij een zeer
actieve rijstijl.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
Gerelateerde informatie
•
24
Collision Warning* (p. 229)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
}}
* Optie/accessoire. 235
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
WAARSCHUWING
Als de gecombineerde camera en radarsensor op grond van de verkeerssituatie of
anderszins problemen heeft voetgangers,
voorliggers of fietsers te ontdekken, is het
mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht
of helemaal geen waarschuwing geeft en
remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik voor
voetgangers en fietsers25, zodat het systeem
voor dergelijke weggebruikers efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h (30 mph). Voor stilstaande
of langzaam rijdende voorliggers wordt efficient gewaarschuwd en geremd bij rijsnelheden
tot 70 km/h (43 mph).
In het donker of bij slecht zicht wordt mogelijk
niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of
stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h (50 mph).
De Collision Warning maakt gebruik van dezelfde
radarsensor als die van de adaptieve cruisecontrol (p. 203).
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en
de signalen als storend ervaart, kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen. Dit betekent dat
het systeem later waarschuwt, wat het totale aan-
25
236
tal waarschuwingen beperkt, zie Collision Warning - bediening (p. 233).
Collision Warning* - beperkingen
van de camerasensor
Met geactiveerde achteruitversnelling is de Collision Warning met Auto Brake tijdelijk gedeactiveerd.
Het systeem maakt gebruik van de camerasensor van de auto, die bepaalde beperkingen
heeft.
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h
(3 mph)), wat betekent dat het systeem niet
ingrijpt in situaties waarbij u een voorligger uiterst
langzaam nadert zoals tijdens het parkeren.
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook gebruikt
door de functies:
In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag
laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de auto
maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de auto
wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger,
wordt de snelheid begrensd tot dezelfde snelheid
als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto Brake
de auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet te bedienen.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 229)
•
•
•
•
Automatisch groot licht (p. 94)
Verkeersbordinformatie (p. 245)
Driver Alert Control - DAC (p. 249)
Rijbaanassistent (p. 252).
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór de
camerasensor, aangezien één of meer camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet
meer werken.
De camerasensor kent ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat de
sensor minder goed "ziet" bij hevige regen- of
sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke
omstandigheden kunnen functies die gebruik
Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde
of onduidelijke rijstrookmarkeringen kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten en andere
voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Het blikveld van de camerasensor is beperkt,
zodat voetgangers, fietsers en voertuigen in
bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera de
eerste ca. 15 minuten na het starten van de
motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek staat, betekent dit
dat de camerasensor afgedekt is en geen voetgangers, fietsers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
Dit betekent tevens dat, naast Collision Warning
met automatisch remmen, de volgende functies
evenmin volledig werken:
•
•
•
•
Automatisch groot licht
Driver Alert Control
Rijbaanassistent
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken
van het verschijnen van de melding en passende
maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak
vóór de camera is
vuil of bedekt met
sneeuw of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te doen.
Bij hevige neerslag
werkt de camera soms
niet.
Het voorruitoppervlak
vóór de camera is
schoongemaakt,
maar de melding
blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera het
zicht opnieuw heeft
gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de voorruit
achter de camerabehuizing te laten
schoonmaken – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 229)
Verkeersbordinformatie
* Optie/accessoire. 237
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Collision Warning* - symbolen en
meldingen
SymboolA
Melding
Betekenis
Collision warning system
UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de OK-knop drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de OK-knop drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren afgedekt Zie instructieboek
De camerasensor (p. 236) werkt tijdelijk niet.
De melding verdwijnt na bediening van de OK-knop.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
A
238
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
CWS-systeem Service
vereist
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
De radarsensor (p. 216) kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 229)
* Optie/accessoire. 239
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS
Overzicht
BLIS (Blind Spot Information System) is een
functie om de bestuurder ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met
meerdere rijbanen in dezelfde richting.
Het BLIS-systeem is een hulpmiddel om u te
waarschuwen voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel inhalende voertuigen in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
WAARSCHUWING
BLIS is slechts een aanvullend hulpmiddel en
werkt niet in alle situaties.
BLIS vormt geen vervanging voor een veilige
rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Ook met BLIS moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier
van rijstrook wisselt.
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
Positie BLIS-lampje26.
•
Controlelampje
BLIS-symbool
N.B.
Het lampje gaat branden aan de kant van de
auto waar het systeem het voertuig heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan beide lampjes branden.
Voor een optimale werking is het belangrijk
dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
BLIS - bediening (p. 241)
BLIS en CTA - symbolen en meldingen
(p. 244)
CTA* (p. 242)
Onderhoud
De sensoren voor het BLIS-systeem zitten aan
de binnenkant van beide hoeken van achterspatbord/bumper.
26
240
N.B. De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS - bediening
BLIS (Blind Spot Information System) is een
functie om u ondersteuning te bieden bij ritten in
druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen in
dezelfde richting.
BLIS activeren/deactiveren
BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer oplichten.
•
Selecteer Aan of Uit met Instellingen
Auto-instellingen BLIS.
Bij deactivering/activering van BLIS dooft/brandt
het lampje in de knop en het instrumentenpaneel
bevestigt de wijziging met een displaymelding bij activering lichten de controlelampjes op de
portierpanelen eenmaal op.
Om de melding uit te schakelen:
•
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
of
•
Wacht zo'n 5 seconden - de melding verdwijnt.
Wanneer BLIS werkt
Het BLIS werkt bij snelheden hoger dan
10 km/h (6 mph).
Het systeem reageert in de volgende gevallen:
•
de eigen auto wordt ingehaald door andere
voertuigen
•
de eigen auto snel wordt ingehaald door
andere voertuigen.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of een
snel naderende achterligger in zone 2 ontdekt,
brandt het BLIS-lampje op het portierpaneel
constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de waarschuwing wordt gegeven, schakelt het BLIS-lampje
over van constant branden op knipperen met een
feller licht.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
Knop voor activering/deactivering.
Beperkingen
BLIS is te activeren/deactiveren met een druk op
de BLIS-knop op de middenconsole.
•
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een knop op de middenconsole - in
dat geval is de functie te bedienen via het menusysteem MY CAR27:
27
Zie voor informatie over het menusysteem MY CAR (p. 116).
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken. BLIS kan
Principe voor BLIS: 1. Zone in dode hoek. 2. Zone voor
snel naderende achterliggers.
}}
241
BESTUURDERSONDERSTEUNING
dergelijke beperkende omstandigheden niet
detecteren.
||
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers
binnen het oppervlak van de sensoren.
•
BLIS wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de auto
aansluit.
BELANGRIJK
CTA*
•
Het BLIS-systeem CTA (Cross Traffic Alert) is
een hulpmiddel om u voor kruisend verkeer te
waarschuwen, als u achteruitrijdt met de auto.
CTA is een aanvulling op BLIS (p. 240).
Na uitschakeling van het CTA-systeem is het
BLIS-systeem echter nog steeds geactiveerd.
CTA activeren/deactiveren
CTA wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer oplichten.
WAARSCHUWING
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel en
werkt niet in alle situaties.
CTA vormt geen vervanging voor een veilige
rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Ook met CTA moet u altijd oplettend en verantwoord blijven rijden - u bent er altijd verantwoordelijk voor dat u op een veilige manier
achteruitrijdt.
Gerelateerde informatie
•
•
Ga naar Cross Traffic Alert onder BLIS en
verwijder het vinkje - het CTA-systeem is
daarmee uitgeschakeld.
Wanneer CTA werkt
BLIS (p. 240)
BLIS en CTA - symbolen en meldingen
(p. 244)
Aan/Uit voor de sensoren voor Parkeerhulp en CTA.
Bij auto’s met Parkeerhulp (p. 257) kunt u het
CTA-systeem apart uitschakelen/activeren met
de Aan/Uit-knop van de parkeerhulp.
Bij een auto zonder knop voor Parkeerhulp is het
CTA-systeem te bedienen in het menusysteem
MY CAR (p. 116) en wel als volgt:
Principe voor CTA.
242
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
CTA vormt een aanvulling op het BLIS-systeem
door bij achteruitrijden het kruisende verkeer
vanaf de zijkant te kunnen zien, bijvoorbeeld als
de auto achteruit een parkeervak verlaat.
beperkt is, zodat naderende voertuigen pas op
het laatste moment geregistreerd worden:
Voorbeelden van andere beperkingen:
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen
te ontdekken - in gunstige gevallen kunnen ook
kleinere voorwerpen zoals fietsen en voetgangers
worden ontdekt.
CTA is alleen actief tijdens het achteruitrijden en
wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt geactiveerd.
•
Een geluidssignaal waarschuwt als CTA ontdekt dat iets vanaf de zijkant nadert - het
geluid komt uit de linker of rechter luidsprekers, afhankelijk van uit welke richting het
object nadert.
•
CTA waarschuwt ook doordat de BLIS-lampjes gaan branden.
•
Er wordt ook een waarschuwing gegeven
met een brandend pictogram in de grafische
PAS-voorstelling (p. 257) op het beeldscherm.
De auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Dode hoek CTA.
Detectiegebied/‘blikveld’ CTA.
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen
voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken. CTA kan dergelijke beperkende omstandigheden niet
detecteren.
•
CTA wordt gedeactiveerd als u een aanhanger op het elektrische systeem van de auto
aansluit.
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de
bumper mogen uitsluitend in een werkplaats
worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Onderhoud
De sensoren voor de BLIS- en CTA-systemen zitten aan de binnenkant van beide hoeken van
achterspatbord/bumper.
Beperkingen
Het CTA werkt niet in alle situaties optimaal,
maar heeft zijn beperkingen – zo kunnen de
CTA-sensoren niet ‘door’ andere geparkeerde
voertuigen of voorwerpen die het zicht blokkeren
heen kijken.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het ‘blikveld’ van het CTA aanvankelijk
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de
hoek ten opzichte van de auto/het obstakel
die/dat in de weg zit zodat de dode hoek snel in
grootte afneemt.
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de auto
mogelijk helemaal binnen de dode hoek van het CTA.
}}
243
BESTUURDERSONDERSTEUNING
BLIS en CTA - symbolen en
meldingen
||
In situaties waarbij het BLIS (Blind Spot
Information System) (p. 240) en CTA (p. 242)
uitblijven of worden onderbroken, kan er een
symbool op het instrumentenpaneel verschijnen
in combinatie met een verklarende melding.
Neem een eventueel advies in acht.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS (p. 240)
CTA* (p. 242)
Voorbeelden van meldingen:
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
•
•
Voor een optimale werking is het belangrijk
dat de oppervlakken vóór de sensoren
schoon worden gehouden.
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers
binnen het oppervlak van de sensoren.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS (p. 240)
BLIS en CTA - symbolen en meldingen
(p. 244)
Melding
Betekenis
CTA UIT
CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
BLIS en
CTA UIT
Aanhanger
aangekoppeld
BLIS en CTA zijn tijdelijk buiten werking, omdat een aanhanger op het elektrische systeem van de auto is aangesloten.
BLIS en
CTA Service vereist
BLIS en CTA zijn buiten werking.
•
Bezoek een werkplaats
als de melding niet verdwijnt – geadviseerd
wordt een erkende Volvowerkplaats.
Meldingen kunt u van het display halen door de
OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te
drukken.
244
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie* (RSI)
De verkeersbordinformatie (RSI28) helpt u bij het
in acht nemen van snelheidsspecifieke verkeersborden en bepaalde verbodsborden die u passeert.
Voorbeelden van leesbare borden29.
RSI geeft informatie over onder meer actuele
snelheid, begin of eind van auto- of snelwegen
en eventuele inhaal- en inrijverboden.
WAARSCHUWING
•
De verkeersbordenherkenning is een systeem voor aanvullende bestuurdersondersteuning om de bestuurder te ontlasten
en de rijveiligheid te verhogen, maar het
systeem werkt niet in alle verkeers-,
weers- en wegomstandigheden.
•
De verkeersbordenherkenning ontslaat u
niet van de plicht om alert en adequaat te
reageren, zodat u de auto altijd op een
veilige manier moet blijven besturen, met
inachtneming van een passende snelheid
en geschikte afstand tot andere weggebruikers en met respect voor de geldende
verkeersregels en -bepalingen.
RSI Aan/Uit
De verkeersbordinformatie is te selecteren - u
kunt kiezen uit Aan of Uit.
Als u zowel een bord voor snel-/autoweg als een
bord met de maximumsnelheid passeert, toont
RSI alleen het bordsymbool voor de snelweg.
28
29
Activeer RSI als volgt:
1.
Zoek de functie op in het menusysteem MY
CAR, zie MY CAR (p. 116).
2.
Markeer Informatie verkeersborden door
op de knop OK/MENU te drukken en verlaat
het menu met EXIT.
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* - bediening
(p. 246)
•
Verkeersbordinformatie* (RSI) - beperkingen
(p. 248)
Road Sign Information
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire. 245
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie (RSI)* bediening
De verkeersbordinformatie (RSI30) registreert en
toont verkeersborden op verschillende manieren,
afhankelijk van het bord en de situatie.
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Gewijzigde snelheidsbeperking
Wanneer RSI een "verkeersbord met indirecte
snelheidsinformatie" registreert dat het eind van
de actuele snelheidsbeperking aangeeft – zoals
bij het einde van een snelweg – verschijnt een
symbool voor het desbetreffende verkeersbord
op het instrumentenpaneel.
Bij het passeren van een verkeersbord met
directe snelheidsinformatie die een wijziging van
de snelheidsbeperking inhoudt, verschijnt een
symbool met het bijbehorende verkeersbord op
het instrumentenpaneel.
Voorbeeld van een verkeersbord met directe snelheidsinformatie31.
Voorbeelden van verkeersborden met indirecte
snelheidsinformatie31:
Einde snelheidsbeperkingen.
Einde snelweg.
Sensus Navigation
Voorbeeld31 van geregistreerde snelheidsinformatie.
Bij een auto met Sensus Navigation, wordt er in
de volgende gevallen snelheidsspecifieke informatie opgehaald uit de navigatie-eenheid:
Wanneer RSI een verkeersbord registreert met
de geldende snelheid, geeft het instrumentenpaneel dat bord als symbool weer.
Samen met het symbool voor
de geldende snelheidsbeperking kan ook een aanvullend
bord31 worden weergegeven,
bijvoorbeeld voor een inhaalverbod.
30
31
246
Het symbool op het instrumentenpaneel dooft na
zo'n 5 minuten en verschijnt pas weer bij het passeren van het volgende verkeersbord met snelheidsinformatie.
Het symbool op het instrumentenpaneel dooft na
10–30 seconden en verschijnt pas weer bij het
passeren van het volgende verkeersbord met
snelheidsinformatie.
•
Bij verkeersborden met indirecte snelheidsinformatie, zoals borden voor autosnelwegen
en autowegen en plaatsnaamborden.
•
Als een eerder waargenomen snelheidsbord
als niet langer geldig wordt gezien en er
geen nieuw bord is gepasseerd.
Road Sign Information
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Aanvullende borden
Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend
bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de richtingaanwijzer gebruikt.
Sommige snelheden gelden
bijvoorbeeld alleen een bepaald
traject of op een bepaalde tijd
van de dag. U wordt hierop
geattendeerd met een symbool
voor een aanvullend bord onder
het snelheidssymbool.
Voorbeelden van aanvullende borden31.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden de
snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan
om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen
en/of mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot regen
verschijnt alleen als de ruitenwissers zijn geactiveerd.
Op bepaalde markten wordt de
geldende snelheid op een afrit
aangegeven met een aanvullend bord met een pijl.
31
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool31 op het instrumentenpaneel geeft aan dat
RSI een bord heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de geldende snelheidsbeperking.
Snelheidswaarschuwing Aan/Uit
Activeer Snelheidswaarschuwing als volgt:
1.
Zoek de functie op in het menusysteem MY
CAR, zie MY CAR (p. 116).
2.
Markeer Snelheidswaarschuwing door op
de knop OK/MENU te drukken en verlaat
het menu met EXIT.
Gerelateerde informatie
De deelfunctie Waarschuwing max. snelheid
voor RSI is te selecteren - u kunt kiezen uit Aan
of Uit.
•
•
Verkeersbordinformatie* (RSI) (p. 245)
De snelheidswaarschuwing
bestaat uit een tijdelijk knipperend symbool31 op het instrumentenpaneel voor de maximumsnelheid als u de geldende snelheid overschrijdt
met 5 km/h (5 mph) of meer.
•
MY CAR (p. 116)
Verkeersbordinformatie* (RSI) - beperkingen
(p. 248)
De getoonde verkeersborden zijn marktspecifiek - de afbeeldingen in deze handleiding zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire. 247
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Verkeersbordinformatie* (RSI) beperkingen
De verkeersbordinformatie (RSI32) kent in
bepaalde situaties beperkingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie* (RSI) (p. 245)
Verkeersbordinformatie (RSI)* - bediening
(p. 246)
De camerasensor van RSI kent ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog –
meer informatie hierover vindt u in het artikel
beperkingen van de camerasensor (p. 236).
Verkeersborden met indirecte snelheidsinformatie zoals komborden, worden niet geregistreerd
door RSI.
Voorbeelden van zaken die de werking van de
RSI mogelijk begrenzen zijn:
•
•
•
•
borden in een bocht
gedraaide of beschadigde borden
borden die hoog boven het wegdek hangen/
staan
•
borden die gedeeltelijk of geheel verscholen
of slecht geplaatst zijn
•
borden die geheel of gedeeltelijk zijn afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil
•
digitale wegenkaarten33 die niet actueel of
onjuist zijn of geen snelheidsinformatie34
bevatten.
32
33
34
248
verbleekte borden
Driver Alert System*
Driver Alert System is bestemd om u te helpen
als de auto op een ongecontroleerde manier
wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn:
•
•
Driver Alert Control - DAC (p. 250).
Rijbaanassistent (p. 254).
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan 65 km/h
(40 mph). Bij lagere snelheden staat de functie
stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld, zodra de
snelheid onder de 60 km/h (37 mph) daalt.
De functies maken gebruik van een camera die
alleen rijstroken met belijning kan aftasten.
WAARSCHUWING
Driver Alert System werkt niet in alle situaties,
maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend
hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier
bestuurt.
Road Sign Information
Bij een auto met Sensus Navigation.
Kaartgegevens met snelheidsinformatie zijn niet voor alle gebieden beschikbaar.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert Control (DAC)* (p. 249)
Rijbaanassistent* (p. 252)
Driver Alert Control (DAC)*
DAC dient om uw aandacht te trekken, wanneer
de auto op ongecontroleerde wijze bestuurd
wordt (omdat u bijvoorbeeld afgeleid wordt of
bijna in slaap valt).
plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft
gewaarschuwd.
N.B.
De functie mag niet worden gebruikt om de
rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het
rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op de
grotere wegen.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit
kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
zijdelingse rukwinden
spoorvorming in het wegdek.
DAC is niet bedoeld voor gebruik in het stadsverkeer.
N.B.
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting met uw
stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd wanneer de auto de wegrichting op een ongecontroleerde manier volgt.
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. Het kan
dan gebeuren dat u geen waarschuwing krijgt.
Het is daarom van groot belang dat u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte
De camerasensor heeft zijn beperkingen, zie
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 236).
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 248)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
(p. 250)
}}
* Optie/accessoire. 249
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
•
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 251)
Driver Alert Control (DAC)* bediening
Rijbaanassistent* (p. 252)
Via het menusysteem op het display van de middenconsole zijn instellingen te verrichten.
Neem een waarschuwing altijd serieus, omdat
u bij slaperigheid uw lichamelijke conditie
vaak minder goed kunt inschatten.
Aan/Uit
Het Driver Alert is stand-by te zetten via het
menusysteem MY CAR (p. 116):
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand om rust te houden.
•
•
WAARSCHUWING
Studies hebben aangetoond dat rijden bij vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als
rijden onder invloed.
Vakje aangevinkt – systeem geactiveerd.
Vakje uitgevinkt – systeem gedeactiveerd.
Functie
Driver Alert wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h (40 mph) en blijft actief
zolang de snelheid boven 60 km/h (37 mph) ligt.
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 248)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 249)
Als de auto slingert, wordt u gewaarschuwd met een geluidssignaal en de
displaymelding (p. 251) Driver Alert
Tijd voor pauze – tegelijkertijd gaat
het bijbehorende symbool op het instrumentenpaneel branden. Als u uw rijgedrag niet corrigeert
wordt enige tijd later opnieuw gewaarschuwd.
U kunt het waarschuwingssymbool ook deactiveren:
•
250
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Driver Alert Control (DAC)* symbolen en meldingen
Het Driver Alert Control - DAC (p. 249) kan in
uiteenlopende situaties symbolen en displaymelSymboolA
dingen op het instrumentenpaneel of op het
beeldscherm van de middenconsole laten verschijnen.
Hier volgen enkele voorbeelden:
Melding
Betekenis
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 236).
Driver Alert-systeem Service
vereist
A
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Driver Alert System* (p. 248)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
(p. 250)
Rijbaanassistent* (p. 252)
* Optie/accessoire. 251
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent*
WAARSCHUWING
LKA is alleen een hulpmiddel voor de
bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Het is mogelijk bepaalde instellingen te verrichten voor de rijbaanassistent (Lane Keeping Aid).
De functie is bedoeld voor gebruik op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke en beperkt de
kans op het in bepaalde situaties onbedoeld verlaten van de eigen rijbaan.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor dat u
de auto op de juiste wijze bestuurt en dat u
zich aan de geldende wetgeving en verkeersregels houdt.
De rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h (40–125 mph) op wegen met
goed zichtbare zijlijnen. Op smalle wegen, als de
rijbaan minder dan 2,6 meter tussen de zijlijnen
is, wordt de functie tijdelijk uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Een camera tast de zijlijnen van de weg/rijbaan
af. Als de auto een zijlijn dreigt te overschrijden,
wordt de Rijbaanassistent actief en stuurt de
auto met een geringe stuurbeweging terug de rijbaan in.
Als de auto op een zijlijn rijdt of deze passeert,
waarschuwt de Rijbaanassistent u bovendien met
stuurtrillingen.
252
Rijbaanassistent - werking
De Rijbaanassistent is een van de functies van
Driver Alert System – wordt ook wel LKA (Lane
Keeping Aid) genoemd.
Aan & Uit
Rijbaanassistent - werking (p. 252)
Rijbaanassistent - bediening (p. 254)
Rijbaanassistent - beperkingen (p. 254)
Rijbaanassistent - symbolen en meldingen
(p. 256)
Driver Alert System* (p. 248)
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Bij een ingeschakelde functie brandt het lampje in de knop.
Bij bepaalde combinaties van opties is er geen
plek vrij voor een Aan/Uit-knop op de middenconsole – in dat geval is het systeem te bedienen
via het menusysteem MY CAR (p. 116) van de
auto. Ga als volgt te werk:
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
Ga naar Rijstrookassistent en kies daar
Aan of Uit.
In MY CAR kunt u onder meer het volgende kiezen:
•
Waarschuwing met stuurtrillingen: Alleen
vibratie - Aan of Uit.
•
•
Actief sturen: Alleen stuurhulp - Aan of Uit
Als de auto de linker of rechter zijlijn van de rijbaan nadert zonder dat u de richtingaanwijzer
hebt geactiveerd, wordt de auto bijgestuurd.
Dynamisch nemen van bochten
Waarschuwing met trillingen in het
stuurwiel
Zowel waarschuwing met stuurtrillingen als
actief sturen: Volledige functie - Aan of Uit.
Actief sturen
De rijbaanassistent probeert de auto binnen de
zijlijnen van de rijbaan te houden.
LKA grijpt niet in scherpe binnenbochten in.
LKA stuurt actief bij en waarschuwt met stuurtrillingen35.
Als de auto een zijlijn passeert, waarschuwt de
rijbaanassistent u met stuurtrillingen36. Dit
gebeurt ongeacht of de auto wel of niet actief
wordt teruggestuurd door een opgelegd stuurmoment.
In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent toe
dat de zijlijnen worden overschreden zonder in te
grijpen met actief bijsturen of een waarschuwing.
Het bij goed zicht benutten van de aangrenzende
rijbaan om bochten af te snijden is een voorbeeld.
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent* (p. 252)
LKA grijpt in en stuurt weg.
35
36
De afbeelding toont 3 trillingen bij het passeren van de zijlijn.
De stuurtrillingen variëren - hoe langer de auto de zijlijn overschrijdt, hoe langer de trillingen duren.
* Optie/accessoire. 253
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent - bediening
Rijbaanassistent - beperkingen
De rijbaanassistent wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische
voorstellingen op het instrumentenpaneel. Hier
volgen enkele voorbeelden:
De camerasensor van de Rijbaanassistent heeft
beperkingen, net als het menselijk oog.
Voor meer informatie, zie Collision Warning* beperkingen van de camerasensor (p. 236) en
(p. 235).
N.B.
Het LKA staat uit zolang u de richtingaanwijzerhendel bedient.
N.B.
LKA grijpt in aan de rechterkant.
De Rijbaanassistent grijpt in en stuurt van de zijlijn af – wordt aangeduid met:
•
RODE lijn voor de desbetreffende kant.
Gerelateerde informatie
•
LKA ‘ziet’ en volgt de zijlijnen.
Wanneer de Rijbaanassistent actief is en de zijlijnen detecteert/‘ziet’, heeft het LKA-symbool
WITTE lijnen.
•
GRIJZE zijlijn - de Rijbaanassistent ziet geen
lijn aan deze kant van de auto.
Rijbaanassistent* (p. 252)
In bepaalde omstandigheden heeft de Rijbaanassistent moeite om u goed te helpen –
geadviseerd wordt om het systeem dan uit te
schakelen.
Voorbeelden van dergelijke omstandigheden
zijn:
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegen
slecht wegdek
extreem sportieve rijstijl
slecht weer in combinatie met een
beperkt zicht.
De handen op het stuurwiel
De Rijbaanassistent werkt alleen, wanneer u uw
handen aan het stuur houdt. LKA controleert dit
voortdurend. Als dit niet het geval is, wordt u met
een tekstmelding aangespoord om de auto actief
te sturen.
Als u de aansporing om actief te sturen niet
opvolgt, wordt de Rijbaanassistent stand-by
254
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
gezet. Het systeem is dan uitgeschakeld, totdat u
weer begint te sturen.
Gerelateerde informatie
•
Rijbaanassistent* (p. 252)
* Optie/accessoire. 255
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Rijbaanassistent - symbolen en
meldingen
In situaties waar de Rijbaanassistent niet wordt
geactiveerd kan er een symbool op het instruSymbool
mentenpaneel verschijnen in combinatie met een
verklarende melding – volg in dat geval het
gegeven advies op.
Melding
Betekenis
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Voorbeelden van meldingen:
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Reinig het voorruitoppervlak vóór de camerasensor.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 236) en (p. 235).
Het systeem is defect.
Rijbaanassistentie Service
vereist
•
Rijbaanassistentie onderbroken
LKA is uitgeschakeld en staat stand-by. Wanneer het systeem weer actief is, kunt u dat aan de lijnen van het
LKA-symbool zien.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
256
Rijbaanassistent* (p. 252)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp*
WAARSCHUWING
Park Assist* - functie
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de sensoren zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken.
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de Aan/
Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist met
deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt van
de auto daarom in de gaten.
Het parkeerhulpvolume is tijdens de weergave
van geluidssignalen bij te stellen met de draaiknop VOL op de middenconsole of in het menusysteem MY CAR van de auto, zie MY CAR
(p. 116).
Parkeerhulp is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Parkeerhulp aan de achterzijde
•
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 261)
•
•
•
•
•
•
Park Assist* - functie (p. 257)
Parkeerhulp aan de voor- en achterzijde.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de afstand tot obstakels
achter de auto.
37
Gerelateerde informatie
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 259)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 260)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 259)
Park Assist-camera (p. 261)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
Waarschuwing voor verkeer van de zijkanten, zie CTA (Cross Traffic Alert) (p. 242)
Aan/Uit sensoren voor Park Assist en CTA37.
Op het display van de middenconsole verschijnt
een schematische weergave van de onderlinge
posities van de auto en een eventueel obstakel.
}}
* Optie/accessoire. 257
BESTUURDERSONDERSTEUNING
wisselen de geluidssignalen uit de luidsprekers
voor- en achterin elkaar af.
||
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
BELANGRIJK
Obstakels zoals kettingen, smalle glanzende
palen of lage obstakels kunnen "afgeschaduwd" worden en worden in dat geval tijdelijk
niet geregistreerd door de sensoren – het
onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in
het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
De sensoren kunnen geen hoge obstakels
ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
Displayweergave - toont linksvoor en rechtsachter een
obstakel.
•
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel heeft/
hebben waargenomen. De gemarkeerde sector
ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de
afstand tussen de auto en het waargenomen
obstakel kleiner is.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de auto
nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen
elkaar op. Wanneer u ondertussen het audiosysteem beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de sensorsector die het dichtst bij de auto ligt geheel
gevuld. Als er zowel voor als achter de auto
obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen,
258
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre
af – er bestaat groot gevaar voor materiele schade aan de auto of de omgeving,
aangezien de informatie afkomstig van de
sensoren in dergelijke situaties niet altijd
betrouwbaar is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 257)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 261)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 259)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 260)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 259)
Park Assist-camera (p. 261)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Parkeerhulp* - aan de achterzijde
N.B.
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel
van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk
handmatig uitschakelen om te voorkomen dat
de sensoren erop reageren.
Gerelateerde informatie
•
•
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Bij obstakels achter de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers achterin.
Parkeerhulp aan de achterzijde wordt geactiveerd
bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto wordt de parkeerhulp
automatisch uitgeschakeld – anders reageren de
sensoren op de aanhanger.
•
•
•
•
•
Park Assist* - aan de voorzijde
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op
het display van de middenconsole geven de
afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de Aan/
Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist met deze
knop uitschakelt, dooft het lampje.
Parkeerhulp* (p. 257)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 261)
Park Assist* - functie (p. 257)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 259)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 260)
Park Assist-camera (p. 261)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor de
auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 10 km/h (6 mph). Als de Park Assist
wordt gedeactiveerd door een te hoge snelheid –
11 km/h (7 mph) of hoger – wordt het systeem
}}
* Optie/accessoire. 259
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
hervat wanneer de snelheid daalt tot onder 10
km/h (6 mph).
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Denk eraan dat
deze de sensoren niet mogen hinderen - de
verstralers kunnen dan als obstakel worden
gezien.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 257)
Park Assist* - storingsindicatie
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het
parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het
display van de middenconsole geven de afstand
aan tot een waargenomen obstakel.
•
•
Park Assist-camera (p. 261)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
Als op het instrumentenpaneel het
informatiesymbool continu brandt en
de tekstmelding Park Assistsysteem Service vereist verschijnt, dan is Park
Assist defect.
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 261)
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kunnen de
parkeersensoren valse waarschuwingssignalen geven door externe geluidsbronnen, die
dezelfde ultrasoonfrequenties afgeven als
waar het systeem mee werkt.
Park Assist* - functie (p. 257)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 260)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 259)
Park Assist-camera (p. 261)
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn o.a.
claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen.
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
260
Parkeerhulp* (p. 257)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 261)
Park Assist* - functie (p. 257)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 259)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 259)
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Park Assist-camera
Park Assist* - sensoren
schoonmaken
De parkeercamera is een ondersteunend systeem en wordt geactiveerd bij inschakeling van
de achteruitversnelling.
Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het
parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het
display van de middenconsole geven de afstand
aan tot een waargenomen obstakel.
De cameraweergave verschijnt op het display van
de middenconsole.
De Park Assist-sensoren werken alleen naar
behoren wanneer u ze regelmatig schoonmaakt
met water en autoshampoo.
N.B.
Positie van de achterste sensoren.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de afstand tot obstakels
achter de auto.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is een hulpmiddel en
kan nooit in de plaats komen van de verantwoordelijkheid van de bestuurder bij
het achteruitrijden.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de camera zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen en dieren in de buurt van
de auto daarom in de gaten.
Gerelateerde informatie
Positie van de voorste sensoren.
•
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 257)
Park Assist* - functie (p. 257)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 259)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 260)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 259)
Park Assist-camera (p. 261)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
}}
* Optie/accessoire. 261
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Functie en bediening
Camerapositie bij de openingshandgreep.
De camera toont wat er achter de auto is en of er
iets of iemand van de zijkanten opduikt.
De camera beslaat een breed gebied achter de
auto alsook een deel van de bumper en een
eventuele trekhaak.
Voorwerpen op het display lijken mogelijk over te
hellen – dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichter bij de auto zijn dan dat ze op het
scherm lijken te zijn.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling
wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de
auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit
vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen van aanhangers. De contouren van de auto worden bij
benadering aangegeven met streepjeslijnen. De
hulplijnen zijn te deactiveren - zie hoofdstuk
Instellingen (p. 264).
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens
vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is vooral van
belang in slechte lichtomstandigheden.
Hulplijnen
Als de auto tevens uitgerust is met Parkeerhulpsensoren * (p. 257), illustreren gekleurde velden
op grafische wijze de afstand tot geregistreerde
obstakels, zie het kopje "Auto's met parkeerhulpsensoren achter" verderop.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of
eerder als de rijsnelheid oploopt tot boven
10 km/h (6 mph) vooruit of 35 km/h (22 mph)
achteruit.
Lichtomstandigheden
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit
kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat
kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft.
Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk
een iets slechtere beeldkwaliteit op.
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder
getoond worden.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd
als stonden ze op de grond achter de auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het draaien kunt zien
welke baan de auto zal nemen.
Als een andere schermweergave actief is, neemt
de parkeercamera het scherm automatisch over
voor weergave van de camerabeelden.
262
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan – niet
die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het scherm,
wanneer er een aanhanger/caravan is
aangesloten op het elektrische systeem
van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger/caravan achter de auto hebt hangen die met originele trekhaakbedrading
van Volvo aangesloten is.
BELANGRIJK
Let op: het schermbeeld toont alleen het
gebied achter de auto - let dus op de zijkanten en voorkant van de auto als u bij achteruitrijden aan het stuurwiel draait.
Grenslijnen
Auto's met parkeerhulpsensoren
achter*
De verschillende lijnen van het systeem.
Grenslijn vrije achteruitrijzone
De afstand wordt aangegeven met gekleurde velden (4
stuks, voor elke sensor één).
"Wielsporen"
Als de auto tevens uitgerust is met Parkeerhulp
(p. 257) wordt voor iedere sensor die een obstakel waarneemt de afstand met gekleurde velden
weergegeven.
De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die tot
ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt. Het
vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende
delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van een bocht.
De brede "wielsporen" (2) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden
en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbumper
reiken zolang er geen obstakel in de weg staat.
De kleur van de velden verandert naarmate de
afstand tot het obstakel afneemt – van lichtgeel
via oranje in rood.
Kleur
Afstand (meter)
Lichtgeel
0,7–1,5
Oranje
0,5–0,7
Oranje
0,3–0,5
Rood
0–0,3
}}
* Optie/accessoire. 263
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Parkeerhulpcamera - instellingen (p. 264)
Park Assist-camera - beperkingen (p. 265)
Parkeerhulp* (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
Parkeerhulpcamera - instellingen
Uitgeschakelde camera activeren
Als de camera uitgeschakeld is bij het inschakelen van de achteruitversnelling, is de camera als
volgt te activeren:
Opties*
Bij een auto met de optie Frontcamera zit de
CAM-knop op het bedieningspaneel voor de klimaatregeling.
De locatie van de knop kan variëren afhankelijk van de
gekozen extra uitrusting.
Hoofdbronmenu38.
38
264
•
Druk op CAM om de camera te activeren
- het beeldscherm geeft de gekozen camerabeelden weer.
1.
Druk een of tweemaal lang op EXIT om het
hoofdbronmenu te openen.
2.
Draai aan TUNE totdat de optie ‘Camera’
verschijnt en druk op OK/MENU.
Om te wisselen tussen de beelden van de achter- en frontcamera:
3.
In het daaropvolgende menu: - Draai aan
TUNE totdat de gewenste camerabeelden
verschijnen en druk op OK/MENU
- het beeldscherm geeft de gekozen camerabeelden weer.
•
Druk op CAM of draai aan TUNE.
Instelling wijzigen
De standaardinstelling is dat de camera wordt
geactiveerd bij inschakeling van de achteruitversnelling.
Zie het Sensus Infotainment-supplement voor meer informatie over het menusysteem.
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
U kunt de instellingen van de parkeercamera wijzigen, wanneer camerabeelden op het beeldscherm worden weergegeven:
Zoomen
Voor nauwkeurig manoeuvreren kunt u als volgt
inzoomen op de camerabeelden:
1.
Druk op OK/MENU wanneer camerabeelden
worden weergegeven - op het beeldscherm
wordt een menu geopend met verschillende
alternatieven.
•
2.
Scrol naar de gewenste optie met TUNE.
3.
Markeer de optie van uw keuze door op OK/
MENU te drukken en verlaat het menu met
EXIT.
Trekhaak
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan. Op het display
kan een hulplijn verschijnen voor de geplande
‘baan’ van de trekhaak naar de aanhanger, net als
voor de ‘wielsporen’.
U kunt kiezen uit weergave van de ‘wielsporen’ of
de baan van de trekhaak - beide opties kunnen
niet tegelijkertijd worden weergegeven.
1.
Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt.
2.
Scrol naar de optie Richtlijn traject
trekhaak met TUNE.
3.
Markeer de optie van uw keuze door op OK/
MENU te drukken en verlaat het menu met
EXIT.
N.B.
Druk op CAM of draai aan TUNE
- bij nogmaals indrukken/draaien springt u
terug naar de normaalweergave.
Eventuele andere opties liggen in een lus
- druk/draai totdat de gewenste camerabeelden
verschijnen.
Fietsdragers of andere accessoires die achter
op de auto zijn gemonteerd, kunnen het zicht
van de camera belemmeren.
Waar u op moet letten
Park Assist-camera - beperkingen (p. 265)
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied er
op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke,
verborgen gebied dusdanig groot kan zijn dat
obstakels pas worden geregistreerd wanneer u er
bijna bovenop zit.
Parkeerhulp* (p. 257)
•
Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw en
ijs.
•
Maak de cameralens regelmatig schoon met
lauw water en autoshampoo – wees voorzichtig om geen krassen in de lens te maken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Park Assist-camera - beperkingen
Park Assist-camera (p. 261)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Park Assist-camera (p. 261)
Parkeerhulpcamera - instellingen (p. 264)
Parkeerhulp* (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
* Optie/accessoire. 265
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Actieve parkeerhulp (PAP)*
WAARSCHUWING
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist Pilot)
helpt u bij het parkeren door eerst te controleren
of het vak groot genoeg is en daarna het stuurwiel te draaien en de auto in het vak te parkeren.
PAP is een systeem voor aanvullende
bestuurdersondersteuning om de
bestuurder te ontlasten en de rijveiligheid
te verhogen, maar het systeem werkt niet
in alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Het instrumentenpaneel geeft met symbolen,
grafische beelden en teksten aan, wanneer u iets
moet doen.
•
Het instrumentenpaneel geeft met symbolen,
grafische beelden en teksten aan, wanneer u iets
moet doen.
•
Let daarom in het bijzonder op mensen
en dieren in de buurt van de auto.
•
PAP ontslaat u niet van de plicht om alert
en adequaat te reageren, zodat u de auto
altijd op een veilige manier moet blijven
besturen, met inachtneming van een passende snelheid en geschikte afstand tot
andere weggebruikers en met respect
voor de geldende verkeersregels en bepalingen.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
(p. 266)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
(p. 267)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
(p. 269)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen en
meldingen (p. 271)
•
Park Assist-camera (p. 261)
De Aan/Uit-knop zit op de middenconsole.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de auto
is geconfigureerd voor een trekhaak, wordt de
uitsteeklengte van de trekhaak meegerekend
bij het meten van de afstand tot obstakels
achter de auto.
266
N.B.
PAP meet de ruimte en stuurt de auto – aan
u de taak om:
•
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het instrumentenpaneel
op te volgen
•
•
te schakelen (achteruit/vooruit)
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
PAP is te activeren als na het starten van de
motor aan de volgende criteria is voldaan:
* Optie/accessoire.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
•
•
•
De systemen ABS39 of ESC40 mogen niet
ingrijpen, wanneer het PAP-systeem actief is
– deze kunnen bijvoorbeeld worden geactiveerd op een steile of gladde ondergrond, zie
de gedeelten over Rempedaal (p. 293) en
Stabiliteitsregeling (p. 186) voor meer informatie.
1.
Het parkeervak wordt gezocht en gemeten –
bij het meten mag de snelheid niet hoger zijn
dan 30 km/h (20 mph).
2.
De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3.
De auto wordt netjes in het midden van het
vak geparkeerd door voor-/achteruit te rijden.
Er mag geen aanhanger aan de auto zijn
gekoppeld.
Gerelateerde informatie
De snelheid moet lager zijn dan 50 km/h
(30 mph).
•
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
Park Assist-camera (p. 261)
Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie
U krijgt eenvoudige en heldere instructies voor
het gebruik van PAP op het instrumentenpaneel
– met grafische voorstellingen en teksten grafische voorstellingen en teksten (p. 271).
N.B.
Denk eraan dat het stuurwiel in bepaalde
standen de aanwijzingen op het instrumentenpaneel kan verbergen als het tijdens de
parkeermanoeuvre wordt verdraaid.
1 – Zoeken en meten
Principe voor PAP.
Het PAP-systeem parkeert de auto aan de hand
van de volgende deelmomenten:
39
40
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteitsregeling.
}}
* Optie/accessoire. 267
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
N.B.
PAP meet de ruimte en stuurt de auto – aan
u de taak om:
•
goed op de omgeving rond de auto te letten
•
de instructies op het instrumentenpaneel
op te volgen
•
•
te schakelen (achteruit/vooruit)
•
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
de snelheid te regelen en daarbij een veilige snelheid aan te houden
N.B.
De afstand tussen de auto en parkeervakken
moet 0,5–1,5 meter (1,6–5,0 ft) bedragen,
wanneer PAP de omgeving aftast op zoek
naar een passende parkeerplek.
Het PAP-systeem zoekt een parkeervak en meet
of dit vak groot genoeg is. Ga als volgt te werk:
1. Activeer PAP met een druk
op deze knop en rijd niet sneller dan 30 km/h (20 mph).
268
2.
Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische voorstellingen en
displayteksten van u verlangd wordt.
3.
Stop de auto als hierom met grafische voorstellingen en meldingen wordt verzocht.
Bij het achteruit inparkeren stuurt PAP de auto in
het parkeervak. Ga als volgt te werk:
1.
Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
2.
Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller
dan ca. 7 km/h (4 mph).
3.
Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische voorstellingen en
displayteksten van u verlangd wordt.
N.B.
PAP zoekt een geschikte ruimte om te parkeren, geeft instructies en parkeert de auto aan
de passagierskant in. Desgewenst kunt u de
auto ook aan de bestuurderszijde van de
straat parkeren:
•
Schakel de richtingaanwijzers aan de
bestuurderszijde in, waarna het systeem
een geschikte parkeerplek aan deze kant
van de straat zoekt.
2 – Achteruit inparkeren
N.B.
•
Houd uw handen weg van het stuurwiel
als de PAP-functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door iets
wordt gehinderd en vrij kan draaien.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat het
stuurwiel is uitgedraaid, voordat u achteruit/vooruit rijdt.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
3 - Positioneren
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter, wanneer
de sensoren worden gebruikt door PAP dan
wanneer Park Assist de sensoren gebruikt.
Actieve parkeerhulp (PAP)* beperkingen
De PAP-regeling wordt beëindigd:
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
Park Assist-camera (p. 261)
Als de auto achteruit in het vak is ingeparkeerd,
wordt de auto recht gezet en gefixeerd.
1.
Schakel de 1e versnelling in of D, wacht totdat het stuurwiel is gedraaid en rijd voorzichtig vooruit.
2.
Stop de auto als hierom met grafische voorstellingen en een melding wordt verzocht.
3.
Schakel de achteruitversnelling in en rijd
voorzichtig achteruit tot met grafische voorstellingen en meldingen wordt verzocht om
te stoppen.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd,
waarna met grafische voorstellingen en een melding wordt aangegeven dat het insteken is afgerond. U moet mogelijk later corrigeren – alleen u
kunt beoordelen of de auto goed geparkeerd
staat.
}}
* Optie/accessoire. 269
BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
•
•
•
als u te snel met de auto rijdt – sneller dan
7 km/h (4 mph)
als u het stuurwiel aanraakt
bij een ingreep van het ABS41 of ESC42 - bijvoorbeeld als een wiel grip verliest op een
gladde ondergrond.
Een melding informeert waarom de PAP-regeling
werd beëindigd.
Waar u op moet letten
•
Let erop dat de Actieve parkeerhulp een hulpmiddel is - niet een onfeilbare volautomatische
functie. Daarom moet u voorbereid zijn om het
parkeren te onderbreken. Er zijn ook een paar
details waar u bij het parkeren op moet letten, bijvoorbeeld:
Voorwerpen boven het detectiegebied van de
sensoren worden niet meegenomen bij het
berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor PAP mogelijk te vroeg het parkeervak
indraait. Vermijd daarom parkeervakken met
dergelijke hoge voorwerpen.
•
U moet bepalen of het vak dat PAP voorstelt
geschikt is om in te parkeren.
•
Gebruik goedgekeurde banden43 met de
juiste bandenspanning - dit is van invloed op
de parkeermogelijkheden van PAP.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden
dat het parkeervak niet op een juiste manier
wordt gemeten.
•
Gebruik PAP niet als u sneeuwkettingen of
een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik PAP niet als er lading buiten de auto
uitsteekt.
•
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken,
neemt de functie af en kan meten onmogelijk
worden gemaakt.
•
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan PAP
geen parkeerplaatsen vinden - een reden kan
zijn dat de sensoren worden verstoord door
externe geluidsbronnen, die dezelfde ultrasoonfrequenties afgeven als waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn o.a.
claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen.
41
42
43
270
•
•
PAP gaat uit van de onderlinge positie van
de geparkeerde voertuigen – als deze ongelukkig geparkeerd staan, kunnen de banden
en velgen van uw auto beschadigd raken bij
contact met de stoeprand.
PAP is bedoeld voor inparkeren in rechte
straatgedeelten – niet in straatgedeelten met
sterke krommingen of scherpe bochten. Zorg
daarom dat de auto evenwijdig staat het parkeervak, wanneer het PAP de beschikbare
ruimte meet.
Parkeervakken in smalle straten kunnen niet
altijd worden aangeboden, aangezien de
benodigde ruimte voor het manoeuvreren
onvoldoende is - het kan dan handig zijn om
zo dicht mogelijk naar de kant van de straat
te rijden waar het parkeervak zich bevindt.
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens
het parkeren kan uitzwenken naar het tegemoetkomende verkeer.
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteits- en tractieregeling.
Met ‘goedgekeurde banden’ wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
BELANGRIJK
Bij montage van een andere goedgekeurde
maat velgen en/of banden kan de omtrek van
de banden veranderen, zodat de PAP-parameters mogelijk moeten worden bijgewerkt.
Informeer bij een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
Onderhoud
Actieve parkeerhulp (PAP)* symbolen en meldingen
Het instrumentenpaneel kan verschillende symbool- en tekstcombinaties met uiteenlopende
betekenis tonen – soms met een advies voor een
geschikte oplossing.
Als een melding aangeeft dat de actieve parkeerhulp buiten werking is, wordt geadviseerd contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
De PAP-sensoren zijn in de bumpers aangebracht44 - 6
voor en 4 achter.
•
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
Park Assist-camera (p. 261)
Het PAP werkt alleen correct door regelmatig de
bijbehorende sensoren te reinigen (p. 261) met
water en autoshampoo.
Gerelateerde informatie
•
•
•
44
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 266)
Park Assist-camera (p. 261)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 261)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire. 271
STARTEN EN RIJDEN
STARTEN EN RIJDEN
Motor starten
De motor wordt gestart c.q. uitgeschakeld met
behulp van de transpondersleutel en de START/
STOP ENGINE-knop.
2.
3.
Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto's met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire
toerental bij een koude start duidelijk hoger
dan normaal zijn. Dit gebeurt om het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de
normale bedrijfstemperatuur te krijgen waardoor de uitlaatgasemissies afnemen en het
milieu wordt ontzien.
Druk op de knop START/STOP ENGINE en
laat deze vervolgens los.
De startmotor draait, totdat de motor aanslaat of
totdat de beveiliging tegen oververhitting in werking treedt.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde
met het afneembare sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
(p. 166)
1.
1
274
Passieve start (Keyless Drive)*
Loop de punten 2–3 door voor het passief
(p. 168) starten van benzine- en dieselmotoren.
N.B.
Om de motor te kunnen starten moet een van
de transpondersleutels met passieve start en
vergrendeling in de passagiers- of bagageruimte aanwezig zijn.
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het contactslot als u uit de auto stapt en zorg ervoor
dat de sleutelstand 0 is, in het bijzonder als er
kinderen in de auto aanwezig zijn. Voor informatie over hoe u dit doet, zie Sleutelstanden
(p. 81).
Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar
binnen.
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de auto
tijdens rijden of slepen.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 81)
Als de auto rolt is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Motor afzetten
Stuurslotfout
Starten met hulpaccu
U zet de motor af met de knop START/STOP
ENGINE.
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden. Er is
mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar
wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
Als de startaccu (p. 368) uitgeput is, kunt u de
auto starten met stroom van een hulpaccu.
Om de motor af te zetten:
•
Druk op de knop START/STOP ENGINE de motor slaat af.
•
Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in stand P
staat of als de auto rijdt – druk tweemaal op
de knop of houd de knop START/STOP
ENGINE ingedrukt totdat de motor afslaat.
Functie
•
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer u
na het afzetten van de motor het bestuurdersportier opent.
•
Het stuurslot wordt ontgrendeld als de transpondersleutel in het contactslot zit2 en de
START/STOP ENGINE-knop wordt ingedrukt.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 81)
Gerelateerde informatie
•
•
•
2
Sleutelstanden (p. 81)
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten wordt
geadviseerd de volgende stappen aan te houden
om kortsluiting en andere schade te voorkomen:
Stuurwiel (p. 88)
1.
Zet het elektrische systeem van de auto in
de sleutelstand 0, zie Sleutelstanden (p. 81).
2.
Controleer of de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
3.
Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
afzetten en ervoor zorgen dat de beide auto's
elkaar niet raken.
Motor starten (p. 274)
Bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling is de aanwezigheid van een transpondersleutel in de passagiersruimte voldoende.
}}
275
STARTEN EN RIJDEN
||
4.
Bevestig de ene klem van de rode startkabel
aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5.
Haal de clips op de voorste dekplaat van de
uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat.
6.
Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto.
7.
Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8.
Bevestig de andere klem aan een massapunt, zoals een van de hefogen (4) op de
motor.
9.
Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen
dat er tijdens de startpoging vonken ontstaan.
10. Start de motor van de "hulpauto" en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
zo'n 1500 omw/min.
276
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
BELANGRIJK
Raak de kabelaansluitingen op de auto niet
aan tijdens de startpoging: er bestaat gevaar
voor vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna de
rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 274)
STARTEN EN RIJDEN
Versnellingsbakken
Handgeschakelde versnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling
Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken:
handgeschakelde en automatische versnellingsbakken.
De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste
snelheid en vermogensbehoefte.
De blokkering van de achteruitversnelling beperkt
het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling
inschakelt.
•
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 277)
Automatische versnellingsbak Geartronic
(p. 278)
•
Volg het schakelpatroon dat in de versnellingspook is geslagen en begin in de neutrale stand N. Druk daarna de versnellingspook naar stand R duwt.
•
Schakel de achteruitversnelling alleen in als
de auto stilstaat.
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn
te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur
van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij
gevaar voor oververhitting gaat er een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een displaymelding – volg in dat geval het gegeven advies.
Gerelateerde informatie
Schakelpatroon.
•
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 403)
•
Versnellingsbakken (p. 277)
De handgeschakelde versnellingsbak heeft zes
versnellingen en het schakelpatroon staat in
reliëf op de schakelhendel.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van het
koppelingspedaal af.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om de
auto in alle situaties vast te houden.
277
STARTEN EN RIJDEN
Schakelindicator*
Automatische versnellingsbak
De schakelindicator geeft aan wanneer u moet
opschakelen of terugschakelen om het brandstofverbruik minimaal te houden.
De automatische versnellingsbak Geartronic
heeft een hydraulische koppelomvormer die de
kracht van de motor overbrengt op de versnellingsbak. De bak heeft twee verschillende schakelstanden: automatisch en handmatig.
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van een indicator - GSI (Gear Shift Indicator) - die aangeeft,
wanneer u moet opschakelen of terugschakelen
om het brandstofverbruik minimaal te houden.
Met het oog op eigenschappen als de prestaties
en een trillingsvrije motorloop is het soms beter
op iets hogere toeren te schakelen.
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelindicator voor handgeschakelde versnellingsbak. Er
brandt slechts één lamp tegelijk – bij normaal rijden brandt
alleen de middelste lamp.
Als op- of terugschakelen
wordt geadviseerd, brandt het bovenste bij ‘+’ of
het onderste bij ‘-’ (op de afbeelding met rood
gemarkeerd).
3
278
Automatische versnellingsbak Geartronic*
Instrumentenpaneel ‘Digital’ met schakelindicator.
Het omcirkelde cijfer geeft de actuele versnelling
aan.
In het midden van het instrumentenpaneel ‘Analog’ worden
de schakelstanden en richtingaanwijzerpijlen getoond.
Gerelateerde informatie
•
•
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S:
Sport-stand*.3
Het instrumentenpaneel geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, S*, 1, 2, 3 enz.
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 277)
Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 278)
Het schakelpatroon van de hendel hangt van het gekozen motortype af.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Schakelstanden
De automatische schakelstanden worden rechts op het
instrumentenpaneel getoond.
(Er brandt maar één lampje
tegelijk - dat van de actuele
keuzehendelstand.)
Symbool "S" voor Sport-stand is ORANJE, voor
zover geactiveerd.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert.
Om de keuzehendel uit stand P te halen moet u
in sleutelstand (p. 82) II het rempedaal bedienen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook de
parkeerrem, wanneer de auto geparkeerd staat,
zie Parkeerrem (p. 295).
N.B.
De keuzehendel moet in de P-stand staan om
de auto te kunnen vergrendelen en op alarm
te zetten.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan als stand P wordt
gekozen.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - de P-stand van de
automatische versnellingsbak is niet voldoende om de auto in alle situaties vast te
houden.
R – Achteruitrijstand
U activeert de handmatige schakelstand door de
hendel zijwaarts vanuit de stand D naar de eindstand bij "+/-" te bewegen. Het symbool "+/-" op
het instrumentenpaneel verkleurt van WIT naar
ORANJE en de cijfers 1, 2, 3 enz. worden in een
kader getoond en komen overeen met de zojuist
ingeschakelde versnelling.
•
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
N – Vrijstand
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
Om de keuzehendel vanuit stand N in een andere
schakelstand te zetten, moet u in contactslotstand (p. 82) II het rempedaal bedienen.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug afhankelijk
van de stand van het gaspedaal en de snelheid.
Zorg ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de
keuzehendel vanuit stand D in stand R zet.
Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat deze weer los – de hendel veert terug
naar de neutrale stand tussen + en "–".
of
•
Trek de hendel naar achteren naar de "–"
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat deze weer los.
Handmatig schakelen "+/-" kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen schakelt Geartronic automatisch terug, als u
langzamer gaat rijden dan wat voor de gekozen
versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten:
•
Zet de hendel helemaal naar links in stand D.
Geartronic - Handmatig schakelen (+/–)
Met de automatische versnellingsbak Geartronic
kunt u ook handmatig schakelen. Bij het loslaten
van het gaspedaal wordt de auto op de motor
afgeremd.
}}
279
STARTEN EN RIJDEN
||
N.B.
N.B.
Als de versnellingsbak een sportstand kent, is
handmatig schakelen pas te activeren wanneer u de hendel vooruit of achter in de stand
"+/-" hebt gezet. Op het instrumentenpaneel
verandert de S dan in een van de tekens 1, 2,
3 enz. om aan te geven welke versnelling er
ingeschakeld is.
Automatische deactivering
Als u de stuurpaddles niet gebruikt, worden
ze na korte tijd automatisch gedeactiveerd.
Het instrumentenpaneel geeft dit aan doordat
het cijfer voor de ingeschakelde versnelling
weer verandert in ‘D’.
Dit geldt echter niet bij gebruik van de motorrem. De paddles blijven in dat geval actief
zolang er op de motor wordt afgeremd.
Paddles*
In plaats van handmatig schakelen met de keuzehendel kunt u ook gebruik maken van de speciale
stuurbediening, de zogeheten paddles.
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen
moet u ze wel eerst activeren. U doet dat door
een van de paddles in de richting van het stuurwiel te halen – het teken "D" op het instrumentenpaneel verandert dan in een cijfer dat de ingeschakelde versnelling aangeeft.
Om vervolgens te schakelen:
•
280
Haal een van de paddles naar achteren – in
de richting van het stuurwiel – en laat deze
weer los.
Beide "paddles" van het stuurwiel.
"–": Eerstvolgende lagere versnelling inschakelen.
"+": Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten het
toelaatbare bereik komt.
Na iedere schakeling geeft het instrumentenpaneel het cijfer van de ingeschakelde versnelling
weer.
Handmatige deactivering
De stuurpaddles zijn ook handmatig te deactiveren:
•
Haal beide paddles in de richting van het
stuur en houd ze in deze stand vast, totdat op het instrumentenpaneel het cijfer
voor de ingeschakelde versnelling verandert in ‘D’.
U kunt de paddles ook gebruiken, wanneer de
keuzehendel in de Sport-stand* staat – de paddles blijven dan continu actief.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Geartronic - Sportstand (S)
De sportstand levert een sportiever rijgedrag op en maakt het mogelijk om
hogere toeren te maken in de versnellingen. De motor reageert bovendien
sneller op de commando's die u met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van de sportstand
wordt tevens de voorkeur gegeven aan de lagere
versnellingen, zodat er met enige vertraging
wordt opgeschakeld.
Om de Sport-stand te activeren:
•
Duw de hendel vanuit stand D zijwaarts tot
aan de aanslag in stand "+S–". Op het
instrumentenpaneel verandert het teken D in
S.
De sportstand kan op elk moment tijdens het rijden geactiveerd worden.
Geartronic - Winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen.
1.
Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D helemaal naar stand
"+/–". Het symbool D op het instrumentenpaneel verandert in het cijfer 14.
2.
Schakel op naar de 3e versnelling door de
hendel twee keer naar voren naar de "+"
4
3.
(plus) te duwen. Op het instrumentenpaneel
verandert de 1 in een 3.
kickdown uit te voeren, gebeurt er niets. De auto
blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Laat het rempedaal los en geef voorzichtig
gas.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental een of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het
maximumtoerental heeft bereikt.
Bij activering van de "winterstand" van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen
weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de
normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand
loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch
op.
Slepen
Als de auto moet worden weggesleept - zie de
belangrijke informatie in hoofdstuk Slepen
(p. 318).
Gerelateerde informatie
•
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 403)
•
Versnellingsbakken (p. 277)
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is het
stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien
van een terugschakelblokkering waardoor de
zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown
toe die tot een dusdanig hoog toerental leidt dat
de motor kan worden beschadigd. Wanneer u bij
hoge motortoeren toch probeert een dergelijke
Bij een auto met Sport-stand* verschijnt eerst "S".
* Optie/accessoire. 281
STARTEN EN RIJDEN
Keuzehendelblokkering
Stilstaande auto met draaiende motor:
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee
uitvoeringen: een mechanische en een automatische.
•
Mechanische schakelblokkering
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel vanuit stand P in een andere
schakelstand te zetten, moet u in contactslotstand (p. 82) II het rempedaal bedienen.
Schakelblokkering, vrijstand (N)
G021351
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Om de keuzehendel vanuit stand N in een andere
schakelstand te zetten, moet u in contactslotstand (p. 82) II het rempedaal bedienen.
Als u niet met de auto kunt rijden zoals het geval
is bij een uitgeputte accu, moet u de keuzehendel uit stand P halen voordat u de auto kunt verzetten.
Verwijder het schaalvormige insteekelement
uit het vak achter de middenconsole en zoek
de verende knop onder in het vak op.
Druk de knop in en houd deze ingedrukt.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel
vooruit of achteruit bewegen tussen de standen
P, R, N en D.
Automatische schakelblokkering
De automatische versnellingsbak kent enkele bijzondere beveiligingsfuncties:
Parkeerstand (P)
282
Haal de keuzehendel uit stand P en laat de
knop los.
4.
Plaats het insteekelement terug in het
opbergvak.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 278)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Hellingrem (HSA)*
Start/Stop*
U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer
u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt - het
HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt dat de
auto achteruitrolt
Auto’s met een bepaalde combinatie van motor
en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/
Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto
bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor
een stoplicht. De motor wordt dan tijdelijk afgezet en start automatisch als er moet worden
doorgereden.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u uw
voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van
het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 274)
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden van
Volvo Car Corporation en geeft richting aan al
onze activiteiten. Dit resulteerde in uiteenlopende
energiebesparende systemen waaronder Start/
Stop die stuk voor stuk bedoeld zijn om het
brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de
uitlaatgasemissie te beperken.
Algemene informatie over Start/Stop
Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever milieubewust rijden doordat de motor, waar mogelijk,
automatisch te laten afslaan.
Onder het kopje Drive-E in het menusysteem
MY CAR (p. 116) vindt u informatie over Volvo’s
Start/Stop-systeem en adviezen voor een zuinige
rijstijl.
Handbak of automaat
Let erop dat er verschillen zijn in het Start/Stopsysteem, afhankelijk van de vraag of de auto een
handbak of een automaat heeft.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop* - werking en bediening (p. 284)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 287)
•
Start/Stop* – automatisch motorstart
(p. 286)
•
Start/Stop* – automatisch motorafslag werkt
niet (p. 285)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 288)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 289)
•
Accu - Start/Stop (p. 371)
De motor wordt afgezet – voor een stillere en schonere
rit....
* Optie/accessoire. 283
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop* - werking en bediening
Voorwaarden
Het Start/Stop-systeem wordt automatisch
geactiveerd, wanneer u de motor met een sleutel
start.
Het Start/Stop-systeem wordt
automatisch geactiveerd, wanneer u de motor met een sleutel start. U wordt op het systeem gewezen doordat op het
instrumentenpaneel het symbool voor de Aan/Uit-knop gaat
branden en het lampje in de
Aan/Uit-knop oplicht.
Alle normale autosystemen
waaronder verlichting, radio et cetera werken ook
bij een automatische motorafslag normaal, zij het
dat er mogelijk tijdelijke beperkingen gelden voor
bepaalde uitrusting (zoals het geval kan zijn voor
de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of
het volume van het audiosysteem).
Automatische motorafslag
Voor automatische motorafslag geldt het volgende:
284
M/A
Automatische motorstart
A
A
Bedien de koppeling, zet de hendel in
de neutrale stand en laat het koppelingspedaal opkomen. De motor slaat
automatisch af.
M
Zet de auto stil met het rempedaal en
houd uw voet op het pedaal. De motor
slaat automatisch af.
A
Voorwaarden
M/A
A
Met de schakelhendel in de neutrale
stand:
M = handbak, A = automaat.
Bij activering van de ECOmodus is automatische motorafslag mogelijk, voordat de
auto volledig stilstaat.
Bij bepaalde motorvarianten kan de motor automatisch afslaan voordat de auto helemaal stilstaat ongeacht de vraag of de ECO-modus geactiveerd is of niet.
Als de motor automatisch is afgeslagen, gaat het symbool voor het
Start/Stop-systeem op het instrumentenpaneel branden.
1.
Trap het koppelingspedaal of het
gaspedaal in – de motor start.
2.
Schakel een passende versnelling
in en rijd weg.
Laat het rempedaal los. De motor start
automatisch en u kunt doorrijden.
A
Houd met uw voet het rempedaal in
dezelfde stand en bedien het gaspedaal – de motor start automatisch.
A
Op een aflopende helling bestaat ook
deze mogelijkheid:
M+
A
•
A
M
Laat het rempedaal los en laat de
auto wegrollen. De motor start dan
automatisch als de snelheid hoger
wordt dan normaal stapvoets.
M = handbak, A = automaat.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop-systeem deactiveren
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem tijdelijk te deactiveren – dit is
mogelijk met een druk op deze
knop.
Bij uitschakeling van het systeem gaan
de Start/Stop-symbolen op het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop uit.
Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd, tot
het opnieuw geactiveerd wordt met de knop of
de volgende keer dat de motor wordt gestart met
de sleutel.
Hellingrem HSA
Het rempedaal kan ook bij oplopende hellingen
worden losgelaten voor automatische motorstart.
Het HSA (p. 283) (Hill Start Assist) zorgt ervoor
dat de auto niet achteruitrolt.
HSA zorgt ervoor dat de pedaaldruk enkele
seconden lang op peil blijft als u uw voet van het
rempedaal naar het gaspedaal verplaatst voordat
u wegrijdt na een automatische motorafslag. De
tijdelijke remwerking wordt na enkele seconden
opgeheven, of eerder bij het bedienen van het
gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop* (p. 283)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 287)
•
Start/Stop* – automatisch motorstart
(p. 286)
•
Start/Stop* – automatisch motorafslag werkt
niet (p. 285)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 288)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 289)
•
Accu - Start/Stop (p. 371)
Start/Stop* – automatisch
motorafslag werkt niet
Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd is,
vindt er niet altijd een automatische motorafslag
plaats.
Automatische motorafslag werkt niet in de volgende gevallen:
Voorwaarden
M/AA
de auto rijdt nog geen 10 km/h
(6 mph) na een sleutelstart of de laatste automatische motorafslag.
M+A
u hebt de gordelsluiting geopend.
M+A
de capaciteit van de startaccu is
onder de toelaatbare ondergrens
gedoken.
M+A
de motor is niet op de normale
bedrijfstemperatuur.
M+A
de buitentemperatuur ligt rond het
vriespunt of boven zo'n 30 °C.
M+A
de elektrische voorruitwarming wordt
geactiveerd.
M+A
de omstandigheden in de passagiersruimte wijken af van de ingestelde
waardenB – wat te merken is aan het
hoge toerental van de interieurventilator.
M+A
}}
* Optie/accessoire. 285
STARTEN EN RIJDEN
||
286
Voorwaarden
M/AA
Voorwaarden
u rijdt achteruit met de auto.
M+A
A
de capaciteit van de startaccu is
onder de toelaatbare ondergrens
gedoken.
M+A
de file-assistent van de adaptieve
cruisecontrol is geactiveerd.
de keuzehendel wordt vanuit stand D
in stand R, SD of "+/-" gezet.
A
u grotere stuurbewegingen maakt.
M+A
het roetfilter van het uitlaatsysteem is
verzadigd – pas na een automatische
regeneratie (zie Roetfilter dieselmotor
(DPF) (p. 305)) wordt het tijdelijk uitgeschakelde Start/Stop-systeem
opnieuw geactiveerd.
M+A
de weg is erg steil.
M+A
er is een aanhanger aangesloten op
het elektrische systeem van de auto.
M+A
de motorkap is ontgrendeldC.
M+A
A
B
C
D
M/AA
M = handbak, A = automaat.
Auto met ECC.
Alleen bij bepaalde motoren.
Sportstand.
Start/Stop* – automatisch
motorstart
Een motor die automatisch afsloeg kan in
bepaalde gevallen automatisch worden gestart,
voordat u hebt aangegeven de rit te willen voortzetten.
In de volgende gevallen start de motor automatisch, ook als u het koppelingspedaal niet hebt
bediend (handgeschakelde bak) of uw voet niet
van het rempedaal haalt (automaat):
Gerelateerde informatie
de versnellingsbak is niet op de normale bedrijfstemperatuur.
A
de atmosferische luchtdruk ligt onder
het niveau bij een hoogte van zo'n
1500–2500 boven zeeniveau. De
actuele luchtdruk varieert afhankelijk
van het weertype.
A
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 283)
Voorwaarden
M/AA
Start/Stop* - werking en bediening (p. 284)
de ruiten beslaan.
M+A
De omstandigheden in de passagiersruimte wijken af van de ingestelde
waardenB.
M+A
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of de capaciteit van de startaccu
is onder de toelaatbare ondergrens
gezakt.
M+A
u bedient het rempedaal met pompende bewegingen.
M+A
De motorkap wordt ontgrendeldC.
M+A
De auto begint te rollen of vertoont
een geringe snelheidstoename, als de
auto automatisch is afgezet zonder
helemaal stil te staan.
M+A
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 287)
•
Start/Stop* – automatisch motorstart
(p. 286)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 288)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 289)
•
Accu - Start/Stop (p. 371)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
M/AA
•
Start/Stop* – automatisch motorafslag werkt
niet (p. 285)
De bestuurder opent de gordelsluiting
met de keuzehendel in stand D of N.
A
Start/Stop* - automatische
motorstart werkt niet
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 288)
De automatische motorstart werkt niet altijd na
automatische motorafslag.
StuurbewegingenC.
A
•
De keuzehendel wordt vanuit stand D
in stand SD, R of "+/-" gezet.
A
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 289)
Accu - Start/Stop (p. 371)
Het bestuurdersportier wordt
geopend met de keuzehendel in
stand D – een "belsignaal" en een
displaymelding geven aan dat het
Start/Stop-systeem actief is.
A
•
•
In de volgende gevallen werkt de automatische
motorstart niet nadat de motor automatisch werd
afgezet:
Voorwaarden
A
B
C
D
Start/Stop* (p. 283)
Voorwaarden
A
M = handbak, A = automaat.
Auto met ECC.
Alleen bij bepaalde motoren.
Sportstand.
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling
automatisch starten. Voer eerst een normale
motoruitschakeling uit met de START/STOP
ENGINE-knop voordat u de motorkap
omhoog doet.
er is een versnelling ingeschakeld zonder het koppelingspedaal te bedienen –
een tekstmelding dring er bij u op aan
om de schakelhendel in de neutrale
stand te zetten en automatische motorstart mogelijk te maken.
M
De bestuurder zit niet in de gordel.
M
De bestuurder draagt geen gordel, de
keuzehendel staat in stand P en het
bestuurdersportier is open – de motor
moet op de normale manier worden
gestart.
A
A
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop* - werking en bediening (p. 284)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 287)
M/A
M = handbak, A = automaat.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Start/Stop* (p. 283)
Start/Stop* - werking en bediening (p. 284)
Motor starten (p. 274)
}}
* Optie/accessoire. 287
STARTEN EN RIJDEN
•
Start/Stop* – automatisch motorstart
(p. 286)
•
Start/Stop* – automatisch motorafslag werkt
niet (p. 285)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 288)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 289)
•
Accu - Start/Stop (p. 371)
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop
bij handgeschakelde
versnellingsbak
Doe het volgende, als de automatische motorstart mislukt en de motor afslaat:
1.
Controleer of de veiligheidsgordel van de
bestuurdersstoel goed in de gordelsluiting
vastzit.
2.
Bedien het koppelingspedaal opnieuw – de
motor start automatisch.
3.
In bepaalde gevallen moet u de versnellingspook in de neutrale stand zetten. Op het
instrumentenpaneel verschijnt dan de tekst
Zet versnelling in vrij.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
288
Start/Stop* (p. 283)
Start/Stop* - werking en bediening (p. 284)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 287)
•
Start/Stop* – automatisch motorstart
(p. 286)
•
Start/Stop* – automatisch motorafslag werkt
niet (p. 285)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 289)
•
Accu - Start/Stop (p. 371)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Start/Stop* - symbolen en
meldingen
Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen op
het instrumentenpaneel weergeven.
Symbool
Tekstmelding
Het Start/Stop-systeem kan soms
aanleiding geven tot meldingen op het
instrumentenpaneel en een brandend
controlelampje. Bij enkele daarvan dient u een
aanbevolen maatregel te nemen. In de volgende
tabel staan enkele voorbeelden.
Melding
Informatie/maatregel
M/AA
Auto Start/Stop Service vereist
Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
M+A
Autostart Motor loopt + akoestisch signaal
Wordt geactiveerd als het bestuurdersportier wordt geopend met een automatisch afgezette
motor en de keuzehendel in de D-stand.
Druk op startknop
Geen automatische motorstart mogelijk. Voer een reguliere motorstart uit met de START/STOP
ENGINE-knop.
Trap koppeling in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelingspedaal.
M
Bedien rem en koppeling om
te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal.
M
Stand N kiezen om te starten
Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in
de neutrale stand te zetten.
M
A
M+A
}}
* Optie/accessoire. 289
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbool
A
Melding
Informatie/maatregel
Kies stand P of N om te starten
Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale motorstart
uit met de START/STOP ENGINE-knop.
A
Druk op startknop
De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale motorstart uit met de START/STOP
ENGINE-knop en de keuzehendel in P of N.
A
M/AA
M = handbak, A = automaat.
Als een tekstmelding na het uitvoeren van de
voorgestelde maatregel niet verdwijnt, dient u
contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
290
Start/Stop* (p. 283)
Start/Stop* - werking en bediening (p. 284)
Motor starten (p. 274)
Start/Stop* - automatische motorstart werkt
niet (p. 287)
•
Start/Stop* – automatisch motorstart
(p. 286)
•
Start/Stop* – automatisch motorafslag werkt
niet (p. 285)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 288)
•
Accu - Start/Stop (p. 371)
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Rijmodus ECO*
ECO5
Rijmodus
is een functie voor auto's met
automatische versnellingsbak waarmee de rijeigenschappen van de auto worden geoptimaliseerd om zuiniger en milieuvriendelijker te rijden.
Algemeen
Bij activering van de rijmodus
ECO worden de volgende
eigenschappen aangepast:
N.B.
Bij activering van de ECO-functie worden
enkele parameters in de instellingen van de
klimaatregeling gewijzigd en gelden functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn handmatig
te herstellen, maar de volledige functionaliteit
is alleen te verkrijgen door de ECO-functie uit
te schakelen.
Bediening
•
•
•
•
•
Motorregeling en respons van het gaspedaal.
Start/Stop-systeem - de motor kan ook
automatisch worden afgezet voordat de auto
is gestopt en helemaal stilstaat.
Eco Coast - Functie
Het uitrolsysteem Eco Coast wordt geactiveerd - het afremmen op de motor stopt.
ECO-knop
ECO-symbool op het instrumentenpaneel
Omdat het ECO-systeem bij het afzetten van de
motor gedeactiveerd wordt, moet u het systeem
iedere keer dat u de motor start opnieuw active-
5
Niet mogelijk bij de V40 CROSS COUNTRY met AWD.
Activeren en deactiveren van rijmodus ECO
Druk voor activering of deactivering van de functie op de
knop. Een brandend lampje in
de knop geeft aan dat de functie geactiveerd is.
Bij uitschakeling van het ECO-systeem gaan het
ECO-symbool op het instrumentenpaneel en het
lampje van de ECO-knop uit. Het systeem staat
vervolgens uit, totdat u het inschakelt met een
druk op de ECO-knop.
Schakelpunten van de versnellingsbak.
De instellingen van het klimaatsysteem bepaalde elektrische verbruikers worden
gedeactiveerd of werken met een gereduceerd vermogen.
ren. Bij sommige motoren is dit mogelijk niet het
geval - een brandend ECO-symbool op het
instrumentenpaneel en het lampje van de ECOknop geven echter duidelijk aan dat het systeem
aanstaat.
Het deelsysteem Eco Coast houdt in de praktijk
in dat er niet op de motor wordt afgeremd om de
bewegingsenergie van de auto te gebruiken om
de auto verder te laten uitrollen. Wanneer u het
gaspedaal loslaat wordt de versnellingsbak automatisch losgekoppeld van de motor die voor een
minimaal verbruik stationair gaat draaien.
Het systeem is bestemd voor gebruik bij
geplande snelheidsverlagingen, zoals tijdens het
}}
* Optie/accessoire. 291
STARTEN EN RIJDEN
||
uitrollen bij binnenrijden van een zone met een
lagere snelheidslimiet.
Ook de combinatie van Eco Coast en een tijdelijk
uitgeschakeld ECO-systeem kan tot een lager
verbruik leiden:
Actieve Eco Coast: Lang uitrollen zonder
afremmen op de motor = Laag verbruik
•
en
•
Uitgeschakeld ECO-systeem: Kort uitrollen
met motorrem = Minimaal verbruik.
N.B.
Voor een optimaal laag brandstofverbruik
moet Eco Coast gecombineerd met kort uitrollen gewoonlijk worden vermeden.
Eco Coast activeren
Het systeem wordt geactiveerd wanneer u het
gaspedaal helemaal hebt losgelaten in combinatie met het volgende:
•
•
•
•
292
u hebt de ECO-knop ingedrukt
de keuzehendel staat in de stand D
Deactiveren Eco Coast
Soms kan het handig zijn om het Eco Coast-systeem uit te schakelen. Mogelijke voorbeelden van
dergelijke situaties:
•
op steile aflopende hellingen – zodat u op de
motor kunt afremmen.
•
net voordat u inhaalt – zodat u dat zo veilig
mogelijk kunt doen.
•
de snelheid ligt buiten het interval van
zo'n 65–140 km/h (40–87 mph).
Meer informatie en instellingen
Het deactiveren van Eco Coast en het opnieuw
afremmen op de motor zijn als volgt mogelijk:
•
•
Druk op de ECO-knop.
•
•
Schakel met de stuurpaddles.
Haal de versnellingspook naar stand "S+/–"
voor handmatig schakelen.
Beweeg het gas- of rempedaal.
Eco Coast - Beperkingen
Het systeem is niet beschikbaar in de volgende
gevallen:
•
•
u activeert de cruisecontrol
het hellingspercentage van een aflopende
weg is groter dan zo'n 6 %
de rijsnelheid ligt in het interval van
zo'n 65–140 km/h (40-87 mph)
•
u schakelt handmatig met behulp van de
stuurpaddles*
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6 %.
•
de motor en/of versnellingsbak hebben niet
de normale bedrijfstemperatuur bereikt
•
u de zet keuzehendel vanuit de D- in de "S
+/–"-stand
In het menusysteem MY CAR vindt u meer informatie over het ECO-concept - zie het gedeelte
MY CAR (p. 116).
Gerelateerde informatie
•
•
Zuinig rijden (p. 309)
Algemene informatie over de klimaatregeling
(p. 124)
STARTEN EN RIJDEN
Rempedaal
Het rempedaal is onderdeel van het remsysteem.
De auto is uitgerust met twee remcircuits. Als
een van de remcircuits beschadigd raakt, neemt
de rempedaalweg toe en moet u meer druk uitoefenen voor een normale remwerking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt
versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen als de
motor draait.
Wanneer u met de motor afgezet remt doet het
rempedaal stug aan en kost het u meer kracht
om de auto te remmen.
Bij auto’s met de functie Hellingrem (HSA)*
(p. 283)* veert het rempedaal langzamer dan normaal terug in de uitgangspositie, als de auto op
een helling of ongelijkmatige ondergrond geparkeerd staat.
In bergachtig gebied of bij het rijden met een
zware belading kunt u de remmen ontzien door
op de motor af te remmen. U benut de remmende werking van de motor het best, wanneer u
tijdens het afdalen dezelfde versnelling inschakelt
als bij het oprijden van een helling.
Voor algemener informatie over een zware belasting van de auto, Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 399).
Remmen op natte wegen
Als langere tijd wordt gereden bij harde regen en
zonder te remmen, kan bij de eerste keer remmen het remvermogen wat zijn verminderd. Dit
kan ook het geval zijn na het wassen van de auto.
In dat geval is het noodzakelijk het rempedaal
verder in te trappen. Houd om die reden meer
afstand aan tot uw voorligger.
Rem hard met de auto na op natte wegen te
hebben gereden of het wassen van de auto. De
remschijven warmen dan op, drogen sneller en
zijn beschermd tegen corrosie. Houd bij het remmen rekening met de actuele verkeerssituatie.
Remmen op met zout gestrooide
wegen
Bij rijden op wegen waar zout is gestrooid, kan
zich een zoutlaag op de remschrijven en remvoering afzetten. Dit kan de remweg verlengen. Houd
daarom extra veel afstand aan tot uw voorligger.
Let ook op dat u:
•
Af en toe remt om eventuele zoutafzetting te
verwijderen. Let op dat u andere verkeersdeelnemers niet in gevaar brengt bij het remmen.
•
Trap het rempedaal na de rit en voordat u de
volgende rit begint voorzichtig in.
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te
houden, dient u de service-intervallen van Volvo
aan te houden zoals omschreven in het Serviceen garantieboekje.
De remwerking van nieuwe en vervangen remblokken en remschijven is pas optimaal als ze na
een paar honderd kilometer rijden zijn "ingesleten". Compenseer de verminderde remwerking
door harder op het rempedaal te trappen. Volvo
raadt aan om alleen remvoeringen te monteren
die zijn goedgekeurd voor uw Volvo.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten
regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
}}
* Optie/accessoire. 293
STARTEN EN RIJDEN
||
Symbolen op instrumentenpaneel
Symbool
Brandt tijdens het starten van de
motor 2 seconden continu - automatische functietest.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijk branden, kan er
een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
Als het niveau in het remvloeistofreservoir in
dat geval normaal is, moet u voorzichtig naar
de dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in
het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
De oorzaak van het remvloeistofverlies moet
worden gecontroleerd.
Gerelateerde informatie
294
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 295)
Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem
•
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 294)
Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock
Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen.
Betekenis
Brandt continu – controleer het
remvloeistofpeil. Vul remvloeistof
bij als het peil te laag ligt en controleer tevens de oorzaak van het
remvloeistofverlies.
•
•
•
Parkeerrem (p. 295)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 295)
Het systeem zorgt ervoor dat de auto bestuurbaar blijft, waardoor het bijvoorbeeld gemakkelijker is om obstakels te ontwijken. Bij activering
van deze functie kunt u trillingen in het rempedaal voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de motor
is aangeslagen, gaat een kortdurende, automatische test van het ABS van start. Het is mogelijk
dat er op een lage snelheid nóg een automatische test van het ABS plaatsvindt. Deze test is
waarneembaar in de vorm van trillingen in het
rempedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Rempedaal (p. 293)
Parkeerrem (p. 295)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 295)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 295)
STARTEN EN RIJDEN
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging
bij noodstops
De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt.
Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat
ze continu branden, zoals bij normaal remmen.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg te verkorten.
De noodremlichten worden geactiveerd bij snelheden hoger dan 50 km/h (31 mph) als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Nadat de rijsnelheid is teruggebracht tot minder dan
10 km/h (6 mph) knippert het remlicht niet langer, maar brandt het weer gewoon constant.
Tegelijkertijd worden de alarmlichten (p. 101)
geactiveerd en blijven deze knipperen, tot u weer
optrekt tot minimaal 20 km/h (12 mph) of de
alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende
knop.
Het EBA registreert de wijze waarop u het rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot
aan het niveau waarbij het ABS ingrijpt. De EBAregeling wordt uitgeschakeld wanneer u de druk
op het rempedaal verlaagt.
•
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van een automatische versnellingsbak is niet voldoende
om de auto in alle situaties vast te houden.
N.B.
Als EBA wordt geactiveerd, gaat het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Druk het
rempedaal in zo lang als dat nodig is. Als u
het rempedaal loslaat, stopt al het afremmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerrem
De parkeerrem voorkomt met behulp van mechanische blokkering/vergrendeling van twee wielen
dat een stilstaande auto kan wegrollen.
Rempedaal (p. 293)
Parkeerrem (p. 295)
Gerelateerde informatie
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 295)
•
•
•
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 294)
•
Rempedaal (p. 293)
Parkeerrem (p. 295)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 295)
Waarschuwingssymbool op instrumentenpaneel.
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 294)
1.
Parkeerrem aanzetten
Trap het rempedaal stevig in.
}}
295
STARTEN EN RIJDEN
||
2.
3.
4.
Trek de hendel stevig omhoog.
>
Het waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel gaat branden. Het
waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel brandt ongeacht hoe hard de
parkeerrem is aangehaald.
Als u vergeet de auto van de parkeerrem te
halen, wordt u daar niet alleen op gewezen via
het brandende waarschuwingslampje maar u
krijgt bij een rijsnelheid hoger dan 10 km/h
(6 mph) bovendien een belsignaal te horen en
een melding op het instrumentenpaneel te zien.
Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
Gerelateerde informatie
Als de auto beweegt, dient u de hendel minimaal één klik strakker aan te trekken.
Zet de versnellingspook bij het parkeren altijd in
de 1e versnelling (handbak) en de keuzehendel
in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
Parkeerrem lossen
296
Rempedaal (p. 293)
Met doorwaden wordt bedoeld dat de auto op
een met water bedekte rijbaan door een diepere
plas water rijdt. Waden dient met de nodige
voorzichtigheid te gebeuren.
Stapvoets kunt u met de auto door waterpartijen
van maximaal 25 cm diep rijden. Wees extra
voorzichtig bij het doorwaden van stromend
water.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking
optreden.
•
Maak eventuele aansluitingen voor de elektrische verwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
•
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische
storingen zijn anders niet uitgesloten.
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
•
•
Doorwaaddiepte
1.
Trap het rempedaal stevig in.
2.
Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en laat
de knop weer los.
> Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel dooft.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Bij een diepte groter dan 25 cm kan er water
in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor
de levensduur van deze systemen korter
wordt.
Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige
onderdelen ervan als gevolg van waterlekkage (hydrolock) of een tekort aan olie valt
niet onder de garantie.
Oververhitting
Voor informatie over oververhitting bij het gebruik
van een aanhanger, zie Rijden met een aanhanger (p. 310).
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten
tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem van
de motor te hoog oploopt, gaat een waarschuwingssymbool branden en verschijnt op
het informatiedisplay van het instrumentenpaneel de melding Motortemperatuur
hoog Stop auto z.s.m. – breng de auto in
dat geval zo spoedig mogelijk tot stilstand en
laat de motor enkele minuten stationair lopen
zodat deze kan afkoelen.
Probeer de motor bij motorafslag in water niet
opnieuw te starten. Haal de auto uit het water
en breng deze naar de werkplaats - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Kans op motorschade.
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 320)
heet Stop auto z.s.m. Wachten op
afkoelen – volg het gegeven advies op en
verlaag de snelheid of breng de auto op een
veilige manier tot stilstand en laat enkele
minuten stationair draaien om deze te laten
afkoelen.
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van een
zware lading.
•
Als de tekstmelding Motortemperatuur
hoog Zet motor af of Koelvloeistofpeil
laag Stop auto z.s.m. verschijnt, dient u
nadat de auto tot stilstand is gekomen ook
de motor af te zetten.
•
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd, wat wordt aangegeven met een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel en de displaymelding Versnellingsbak
heet Rijd langzamer of Versnellingsbak
Slepen (p. 318)
•
Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger - handgeschakelde versnellingsbak (p. 312)
•
Rijden met een aanhanger - automatische
versnellingsbak (p. 312)
297
STARTEN EN RIJDEN
Rijden met een geopende
achterklep
Wanneer u met een geopende achterklep rijdt,
kunnen er giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Via
de bagageruimte kunnen er giftige uitlaatgassen in de auto worden gezogen.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 150)
Overbelasting - startaccu
Gerelateerde informatie
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand II
staan, wanneer u de motor hebt afgezet. Maak in
plaats daarvan gebruik van de stand I – het
stroomverbruik is dan minder, zie Contactslotstanden - functies in verschillende standen
(p. 82).
•
Let er tevens op dat de verschillende accessoires
het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet. Voorbeelden van
dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding Accuspanning
laag Spaarstand. De energiebesparingsfunctie
schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu door
bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten
en/of het audiosysteem uit te schakelen.
–
298
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten lang te
laten lopen – de accu wordt beter opgeladen
tijdens het rijden dan bij stilstand met een
stationair lopende motor.
Startaccu - algemeen (p. 368)
STARTEN EN RIJDEN
Voorbereidingen voor een lange rit
Voordat u met de auto op vakantie gaat of een
andere langeafstandsrit gaat maken, is het
belangrijk om de functies en de uitrusting van de
auto extra te controleren.
•
Controleer of de motor naar behoren functioneert en of het brandstofverbruik (p. 408) in
orde is.
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle gloeilampen - stel de koplampen lager in als de auto zwaar wordt beladen.
•
Controleer de profieldiepte van de banden en
de bandenspanning. Monteer winterbanden
bij ritten in gebieden met kans op
besneeuwde of beijzelde wegen en neem
sneeuwkettingen mee6.
•
Zorg ervoor dat de startaccu volledig is
opgeladen.
•
Controleer of de wisserbladen in goede staat
zijn.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht
een gevarendriehoek (p. 334) in de auto te
hebben.
voorschriften voor het vervoer van bagage en bij
het gebruik van veerverbindingen of autotreinen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 353)
Reservewiel* (p. 328)
Lamp vervangen - algemeen (p. 357)
Rijden tijdens de winter
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles op de auto uit te voeren,
zodat u zeker weet dat u er veilig mee kunt rijden.
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder
op het volgende:
•
De koelvloeistof (p. 402) van de motor moet
50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor beschermd tegen
bevriezing tot ca. –35 °C. Om gezondheidsrisico’s te vermijden is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens
in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
Wanneer u oliesoorten met een lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt, slaat de motor
bij koud weer gemakkelijker aan en neemt
bovendien het brandstofverbruik tijdens de
koude start af. Voor meer informatie over
geschikte oliesoorten, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 399).
Het is misschien ook een goed idee om na te
gaan of de kaartgegevens van het navigatiesysteem* bijgewerkt zijn en te informeren naar de
6
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen.
}}
* Optie/accessoire. 299
STARTEN EN RIJDEN
||
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of
warm weer.
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De startaccu wordt zwaarder belast bij koud weer en
ook de accucapaciteit neemt af bij vorst.
•
Giet sproeiervloeistof (p. 367) in het sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming te voorkomen.
Tankvulklep - openen/sluiten
Tankvulklep - handmatig openen
De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten:
De tankvulklep is met de hand te openen, wanneer het niet mogelijk is deze van buitenaf te
openen.
Tankvulklep openen/sluiten
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of ijs
adviseert Volvo u om de auto rondom van winterbanden te voorzien.
Open de tankvulklep door de achterkant van
de klep wat in te drukken.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet
in alle landen toegestaan.
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden om
te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Gerelateerde informatie
•
Winterbanden (p. 328)
Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren
toe. De klep is vervolgens vanaf de buitenzijde te openen.
Sluit de klep na het tanken.
Voor een beschrijving van het vergrendelen/
ontgrendelen van de tankvulklep, zie Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep (p. 178). De vergrendellogica van de tankvulklep is bovendien
ondergeschikt aan het Keyless-systeem en eventuele vergrendeling of ontgrendeling via de centrale vergrendeling.
Gerelateerde informatie
•
300
Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep).
Trek de klep open.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep
(p. 178)
•
Brandstof tanken (p. 301)
Brandstof tanken (p. 301)
STARTEN EN RIJDEN
Brandstof tanken
3.
De brandstoftank is voorzien van een doploos
tanksysteem. Tanken gaat als volgt:
4.
Steek het mondstuk van het vulpistool in de
brandstofvulopening. Let erop dat u het
mondstuk van het vulpistool correct in de
vulpijp steekt. De vulpijp bevat twee kleppen
die te openen zijn. Zorg dat u het vulpistool
door de beide kleppen hebt gestoken, voordat u begint met tanken.
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag meteen uit de vulopening te
halen.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
1.
Open de tankvulklep.
2.
Kies een brandstof die is goedgekeurd voor
gebruik in de auto op basis van de aanduiding7 aan de binnenkant van de tankvulklep.
Zie de informatie over de goedgekeurde
brandstofsoorten in de artikelen over benzine
(p. 302) en diesel (p. 303).
7
N.B.
Voorkom morsen door na het tanken ca.
5–8 seconden te wachten en daarna het vulpistool voorzichtig te verwijderen.
Brandstof - gebruik
Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige
invloed kan hebben op het motorvermogen en
het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg er altijd voor dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen zoals
benzine en dieselolie zijn uitermate giftig en
kunnen bij inwendig gebruik aanleiding geven
tot blijvend letsel met mogelijk dodelijke
afloop. Roep onmiddellijk medische hulp in bij
het inslikken van brandstof.
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof bijvullen – met jerrycan (p. 305)
Tankvulklep - openen/sluiten (p. 300)
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942 zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk eind 2018 ook op de desbetreffende brandstofpompen en mondstukken op tankstations in heel Europa.
}}
301
STARTEN EN RIJDEN
||
WAARSCHUWING
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken.
Maak alleen gebruik van benzine van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De benzine
moet voldoen aan de norm EN 228.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan
tot brand en letsel leiden.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van Volvo
en evt. aanvullende serviceovereenkomsten.
Dit geldt voor alle motoren.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden met
een aanhanger/caravan of ritten op grote
hoogte kan, afhankelijk van de gebruikte
brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van
de auto te wensen overlaten.
Gerelateerde informatie
•
302
Brandstof - benzine
Benzine is een brandstoftype dat bestemd is
voor een auto met een benzinemotor.
Zuinig rijden (p. 309)
E10 is een benzinesoort met
maximaal 3,7% zuurstof en
maximaal 10 vol-% ethanol.
BELANGRIJK
Aanduiding voor benzine
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942
zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk eind 2018 ook op de desbetreffende brandstofpompen en mondstukken op tankstations in
heel Europa.
Dit zijn de aanduidingen die gelden voor de huidige standaardbrandstoffen in Europa. In een
auto met een benzinemotor is het toegestaan
benzine te gebruiken met de volgende aanduiding:
E5 is een benzinesoort met
maximaal 2,7% zuurstof en
maximaal 5 vol-% ethanol.
•
Er is brandstof toegestaan die tot 10
volumeprocent ethanol bevat.
•
Het gebruik van EN 228 E10-benzine
(maximaal 10 volumeprocent ethanol) is
toegestaan.
•
Een ethanolgehalte hoger dan E10
(maximaal 10 volumeprocent ethanol)
zoals bij E85 is niet toegestaan.
Octaangetal
•
RON 95 is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
RON 98 wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met een
zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit
om optimale prestaties en een zo laag mogelijk
brandstofverbruik te verkrijgen.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te gaan.
•
Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet door
Volvo zijn aanbevolen.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof
van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De dieselolie moet voldoen aan de norm EN 590 of
SS 155435. Dieselmotoren zijn gevoelig voor
verontreinigingen in de brandstof zoals een te
hoog gehalte aan zwavel- of metaaldeeltjes.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - diesel
Diesel is een brandstoftype dat bestemd is voor
een auto met een dieselmotor.
Zuinig rijden (p. 309)
Brandstof - gebruik (p. 301)
Brandstof tanken (p. 301)
Aanduiding
De aanduiding conform de CEN-norm EN16942
zit aan de binnenkant van de tankvulklep en uiterlijk eind 2018 ook op de desbetreffende brandstofpompen en mondstukken op tankstations in
heel Europa.
Dit is de aanduiding die geldt voor de huidige
standaardbrandstof in Europa. In een auto met
een dieselmotor is het toegestaan dieselolie te
gebruiken met de volgende aanduiding:
B7 is een dieselsoort met
maximaal 7 vol-% FAME (Fatty
Acid Methyl Ester).
8
Fatty Acid Methyl Ester
Bij lage temperaturen (lager dan 0 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De verkrijgbare brandstofkwaliteiten moeten zich lenen voor gebruik in het
actuele jaargetijde en klimaatgebied, maar in
extreme weersomstandigheden, bij gebruik van
verouderde brandstof of bij ritten door verschillende klimaatgebieden kan desondanks uitvlokking optreden.
Het risico van condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld houdt.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte
oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het
gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
De dieselolie:
•
moet voldoen aan de norm EN 590 en/of
SS 155435;
•
moet een zwavelgehalte hebben van
maximaal 10 mg/kg;
•
mag maximaal 7 vol% FAME8 (B7) bevatten.
}}
303
STARTEN EN RIJDEN
||
BELANGRIJK
4.
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen:
•
•
•
•
scheepsolie
stookolie
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
FAME9 of plantaardige olie.
•
Wanneer u de tank leegrijdt
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe nadat u de brandstoftank
hebt bijgevuld met dieselolie het volgende alvorens de motor te starten:
304
N.B.
speciale toevoegingen (dopes)
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door de
garanties van Volvo.
1.
Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar
binnen, zie Sleutelstanden (p. 81).
2.
Druk op de START-knop zonder rem- en/of
koppelingspedaal te bedienen.
3.
Wacht ca. één minuut.
9
Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en druk nogmaals op de
START-knop.
Dieselolie met maximaal 7 vol% FAME (B7) is toegestaan.
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond
– als de auto overhelt, bestaat er gevaar
voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Vervangingsinterval voor brandstoffilter
Voor optimale prestaties is het belangrijk de vervangingsintervallen voor het brandstoffilter aan te
houden en originele onderdelen te gebruiken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 305)
Uitlaatgasreiniging met
AdBlue®
Brandstof - gebruik (p. 301)
Zuinig rijden (p. 309)
(p. 306)
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in het
uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de
kanalen zijn bekleed met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische
werking, d.w.z. ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken
en de energie-inhoud van de brandstof beter te
benutten. Voor meer informatie, zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 408).
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten.
De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse wordt
doorgegeven aan het elektronische systeem dat
continu de verstuivers afregelt. Het lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt, wordt continu
bijgesteld. De regeling schept de ideale omstandigheden voor een effectieve verbranding van de
schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden) in de driewegkatalysator.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zuinig rijden (p. 309)
Brandstof - benzine (p. 302)
Brandstof - diesel (p. 303)
Brandstof bijvullen – met jerrycan
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Gebruik voor het bijvullen van brandstof (p. 301)
uit een jerrycan de trechter die onder het vloerluik in de bagageruimte ligt.
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog effectievere uitlaatgasreiniging mogelijk is.
De wetgeving ten aanzien van de opslag van
jerrycans met reservebrandstof verschilt van
land tot land. Ga na wat er in uw land geldt.
Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter.
Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te
legen wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Let erop dat u de trechter op de juiste wijze in
de vulpijp steekt. De vulpijp bevat twee kleppen
die te openen zijn. Zorg dat u de trechter door de
beide kleppen hebt gestoken, voordat u begint
met bijvullen.
De regeneratie van het filter gaat automatisch en
duurt normaal gesproken 10-20 minuten. Bij een
lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer
duren. Gedurende de regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Gerelateerde informatie
Regeneratie bij koud weer
BELANGRIJK
•
Vergrendelen/ontgrendelen - tankvulklep
(p. 178)
•
Tankvulklep - handmatig openen (p. 300)
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur. Dit
betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en
niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes
gevuld is, verschijnt een oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel en staat de
melding Roetfilter vol Zie instructieboekje op
het informatiedisplay.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden totdat de motor voldoende op tempera}}
305
STARTEN EN RIJDEN
||
tuur is gekomen. Daarna rijdt u nog 20 minuten
verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie is het volgende mogelijk:
•
een tijdelijke en geringe beperking van
het motorvermogen,
•
een tijdelijke verhoging van het brandstofverbruik,
•
een brandgeur.
Uitlaatgasreiniging met AdBlue®10
AdBlue is een additief dat gebruikt wordt in
SCR11-systemen om de uitstoot van schadelijke
stoffen door dieselmotoren te beperken.
In het SCR-systeem worden AdBlue en het uitlaatgas stikstofoxide omgezet in stikstof en
waterdamp, waardoor de uitstoot van schadelijke
stikstofoxiden aanzienlijk wordt beperkt.
Wanneer het filter geregenereerd is, verdwijnt de
waarschuwingsmelding automatisch.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming*
inschakelt, bereikt de motor sneller de normale
bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan het
moeilijk zijn om de motor te starten en het filter wordt onbruikbaar. De kans bestaat dan
dat het filter moet worden vervangen.
AdBlue
AdBlue is een kleurloze vloeistof bestaande uit
32,5% ureum12 in gedeïoniseerd water en
geproduceerd in lijn met de ISO 22241-norm. Hij
is speciaal ontwikkeld voor de SCR-reinigingstechniek voor dieselmotoren.
AdBlue heeft een eigen tank in de auto en wordt
bijgevuld via een vulpijp die onder de laadvloer in
de bagageruimte zit. Het verbruik is afhankelijk
van de rijstijl, de buitentemperatuur en de
bedrijfstemperatuur van het systeem.
Voorwaarden voor rijden met AdBlue
Er moet altijd AdBlue van de juiste kwaliteit in de
tank zitten om de auto te kunnen starten. Het
SCR-systeem is bijzonder gevoelig voor verontreinigingen.
Het uitlaatgasreinigingssysteem houdt voortdurend het tankniveau, de kwaliteit en de dosering
van AdBlue in de gaten. Als er iets mis is, wordt
er een melding weergegeven op het instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
•
10
11
306
Brandstof - diesel (p. 303)
Zuinig rijden (p. 309)
Geregistreerd handelsmerk van Verband der Automobilindustrie e.V. (VDA).
Selective Catalytic Reduction
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
BELANGRIJK
AdBlue is vereist voor een juiste werking van
het SCR en om te voldoen aan de wettelijk
eisen op emissiegebied. Het is bij de wet verboden om het aanvoersysteem voor AdBlue
dusdanig te wijzigen of te beïnvloeden dat er
geen AdBlue wordt verbruikt. AdBlue is vereist om te voldoen aan de wettelijke eisen op
emissiegebied. Een dergelijke vorm van beïnvloeding kan strafbaar zijn en tot vervolging
leiden.
Het is niet toegestaan om de auto te gebruiken wanneer de AdBlue-tank leeg is, omdat
deze dan niet meer voldoet aan de wettelijke
eisen op emissiegebied. De auto is daarom
uitgerust met een waarschuwingssysteem dat
aangeeft wanneer het tijd is om de AdBluetank bij te vullen. Wanneer het peil in de
AdBlue-tank te laag wordt, verschijnen waarschuwingen om aan te geven dat het tijd is
om AdBlue bij te vullen.
Omgaan met AdBlue®13
AdBlue bestaat voor het grootste deel uit water
(ca. 67,5% water en 32,5% ureum). De vloeistof is niet brandgevaarlijk, maar er moet wel
voorzichtig mee worden omgegaan, omdat hij
irriterend kan zijn voor de ogen en de huid.
Aandachtspunten bij gebruik
Probeer geen dampen in te ademen en vermijd
contact met de huid en de ogen. Gebruik bij voorkeur handschoenen waarmee wordt voorkomen
dat de gevoelige huid geïrriteerd raakt door de
vloeistof.
WAARSCHUWING
Eerste hulp bij ongevallen:
•
Bij inademing - breng het slachtoffer in
de frisse lucht.
•
Bij huidcontact - was de aangedane huid
met water en zeep.
•
Bij oogcontact - spoel de aangedane
ogen onmiddellijk uit met grote hoeveelheden water.
•
Bij inslikken - spoel de mond goed uit
met water. Laat het slachtoffer niet braken.
Gerelateerde informatie
•
•
Omgaan met AdBlue® (p. 307)
AdBlue®
– controleren en bijvullen (p. 308)
Wat te doen als u morst
Als er AdBlue op de grond, de auto of gelakte
oppervlakken wordt gemorst, moeten deze grondig worden afgespoeld met water. Laat het niet
wegstromen in het riool.
Bewaren
AdBlue moet worden bewaard in de goed afgedichte originele verpakking bij een temperatuur
tussen -11 °C (12 °F) en 30 °C (86 °F). De vloeistof mag niet in direct zonlicht worden bewaard.
AdBlue bevriest bij -11 °C (12 °F), maar kan
weer worden gebruikt als de oplossing is ontdooid.
Gerelateerde informatie
•
•
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 306)
AdBlue® – controleren en bijvullen (p. 308)
Roep bij aanhoudende verschijnselen of
inslikken van grote hoeveelheden de hulp van
een arts in.
12
13
CO(NH2)2
Geregistreerd handelsmerk van Verband der Automobilindustrie e.V. (VDA).
307
STARTEN EN RIJDEN
AdBlue®14 – controleren en bijvullen
2.
Controleer het AdBlue-peil regelmatig en vul bij
als de melding verschijnt dat het AdBlue-peil te
laag is.
De Volvo-werkplaats vult de AdBlue bij service
aan de auto bij, maar afhankelijk van de rijstijl kan
bijvullen soms ook tussen de servicebeurten door
noodzakelijk zijn. Als de AdBlue-tank helemaal
leeg is, kan de auto niet meer gestart worden.
N.B.
Rijd de AdBlue-tank nooit leeg. Vul de tank
tijdig bij.
Als u de tank leegrijdt is de motor na het
afzetten niet meer te starten; niet op de
gebruikelijke manier en evenmin met hulpmiddelen.
Het bijvullen van de op het bestuurdersdisplay
getoonde hoeveelheid AdBlue van de gespecificeerde kwaliteit is de enige manier om de
motor weer te starten nadat u de AdBluetank hebt leeggereden.
Het AdBlue-peil controleren
1.
14
308
Open het menu van het instrumentenpaneel
door te drukken op OK op de linker stuurhendel.
Geregistreerd handelsmerk van Verband der Automobilindustrie e.V. (VDA).
Blader met het duimwiel door de menuopties en kies voor AdBlue.
>
Grafiek voor AdBlue-peil: ieder teken staat voor ca. 25%
van een volle tank. Wanneer de tank nog voor minder
dan 25% vol is, wordt aangegeven hoeveel liter AdBlue
er kan worden bijgevuld.
Bijvullen
Als het AdBlue-peil laag begint te worden, gaat een symbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een melding.
STARTEN EN RIJDEN
1.
Til de laadvloer en de mat weg.
Gerelateerde informatie
Zuinig rijden
•
•
•
Rijd zuinig en milieuvriendelijker door rustig en
met vooruitziende blik te rijden én door uw rijstijl
en snelheid aan te passen aan de situatie.
Tankvolume voor AdBlue® (p. 406)
Omgaan met AdBlue® (p. 307)
Uitlaatgasreiniging met AdBlue® (p. 306)
•
Maak gebruik van de ECO Guide* (p. 70) op
het instrumentenpaneel, die laat zien hoe
zuinig de auto rijdt.
•
Voor een lager brandstofverbruik activeert u
Rijmodus ECO16.
•
Gebruik het uitrolsysteem Eco Coast in de
rijmodus ECO - er wordt niet meer op de
motor afgeremd, waardoor de bewegingsenergie van de auto wordt gebruikt om de
auto langer te laten uitrollen.
•
Bij handgeschakeld rijden - rijd in de hoogst
mogelijke versnelling, afhankelijk van de verkeerssituatie en de weggesteldheid – lagere
toeren leveren een lager brandstofverbruik
Open de blauwe dop op de vulpijp van de
AdBlue-tank.
2.
Vul AdBlue bij van de juiste kwaliteit15.
Giet de tank niet te vol. Hoeveel AdBlue kan
worden bijgevuld, wordt op het display aangegeven.
BELANGRIJK
Verwijder eventueel gemorste AdBlue met
een doek.
Wees voorzichtig zodat er geen AdBlue op
het lakwerk van de auto terechtkomt. Spoel in
dat geval met een ruime hoeveelheid water,
omdat de vloeistof het lakwerk kan aantasten.
15
16
ISO 22241
Geldt voor automatische transmissie.
}}
* Optie/accessoire. 309
STARTEN EN RIJDEN
op. Maak gebruik van de schakelindicator
(p. 278)17.
||
•
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe – de luchtweerstand neemt toe
naarmate de snelheid stijgt.
•
Het actuele brandstofverbruik dat wordt aangegeven op de boordcomputer kan een hulpmiddel zijn om zuiniger te rijden.
•
•
•
•
17
310
Rijd met gelijkmatige snelheid en met vooruitziende blik om zo weinig mogelijk te hoeven remmen.
Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar rijdt direct na het starten weg met normale belasting; een koude motor verbruikt
meer brandstof dan een warme.
•
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk is.
•
Lading op het dak en een dakbox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor het
brandstofverbruik toeneemt – verwijder lastdagers die u niet gebruikt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
Voor meer informatie, zie Milieubeleid (p. 23) en
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 408).
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
Gebruik de auto bij voorkeur niet voor korte
afstanden. De motor komt dan niet op de
normale bedrijfstemperatuur wat aanleiding
geeft tot een verhoogd brandstofverbruik.
Houd de juiste bandenspanning aan en controleer regelmatig of dat nog steeds zo is houd voor de beste resultaten de zogeheten
ECO-bandenspanning aan, zie Banden goedgekeurde bandenspanning (p. 416).
De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
het brandstofverbruik – informeer bij uw dealer naar passende banden.
Neem geen spullen in de auto mee die u niet
gebruikt – hoe groter de belading, des te
hoger het brandstofverbruik.
Rijden met een aanhanger
Bij het rijden met een aanhanger moet u op
enkele belangrijke dingen letten, zoals de trekhaak, de aanhanger en hoe u de lading op de
aanhanger aanbrengt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te
worden verminderd met de som van het gewicht
van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak. Voor uitgebreidere informatie, zie Gewichten (p. 394).
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd, wordt
de auto compleet aangeleverd met de benodigde
randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
•
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om te
controleren of uw auto van de nodige uitrusting is voorzien om met een aanhanger te
kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig
dat de druk op de trekhaak de maximale
kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor informa-
Gerelateerde informatie
•
Rijmodus ECO* (p. 291)
Geldt voor handgeschakelde versnellingsbak.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
tie over de bandenspanning, zie Banden goedgekeurde bandenspanning (p. 416).
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
•
Bij gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer
de auto nog helemaal nieuw is. Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het instrumentenpaneel sneller dan normaal en op het bestuurdersdisplay verschijnt de
tekst Storing knipperlicht aanhanger.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast dan
normaal. Schakel dan terug naar een lagere
versnelling en pas uw snelheid aan.
•
Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto's met een
aanhanger/caravan niet te overschrijden.
Neem de geldende bepalingen in acht ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12% bij gebruik van een aanhanger.
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken zijn mogelijk gecertificeerd
voor hogere trekgewichten dan wat de auto
mag trekken.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Storing
remlicht aanhanger.
WAARSCHUWING
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in
ongeacht de belading (tenzij het maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer
de auto stilstaat, zakt de achtertrein omlaag.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie Trekgewicht en
kogeldruk (p. 395).
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk dat
de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en
afremmen moeilijk onder controle is te houden.
Gerelateerde informatie
•
•
Trekhaak* (p. 313)
Lamp vervangen - algemeen (p. 357)
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7-polig
contact, hebt u een adapter nodig. Gebruik een
door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat
de kabel niet over de grond sleept.
* Optie/accessoire. 311
STARTEN EN RIJDEN
Rijden met een aanhanger handgeschakelde versnellingsbak
Rijden met een aanhanger automatische versnellingsbak
Op een helling wegrijden
1.
Trap het rempedaal in.
Wanneer u bij warm weer met een aanhanger
rijdt (p. 310) in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept
in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk
gevaar voor oververhitting.
2.
Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3.
Los de parkeerrem.
4.
Haal uw voet van het rempedaal en rijd weg.
•
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), omdat de olietemperatuur
anders te hoog kan oplopen.
•
Een automatische versnellingsbak kiest altijd
de juiste versnelling voor het motortoerental.
•
Bij gevaar voor oververhitting gaat een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een tekstmelding op het informatiedisplay – volg het
gegeven advies op.
Gerelateerde informatie
•
Handgeschakelde versnellingsbak (p. 277)
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 278)
Steile hellingen
•
Blokkeer een automatische versnellingsbak
niet met een hogere versnelling dan de
motor "aankan" – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet altijd
zuinig.
Op een helling parkeren
312
1.
Trap het rempedaal in.
2.
Activeer de parkeerrem.
3.
Zet de keuzehendel in stand P.
4.
Haal uw voet van het rempedaal.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
•
Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhanger op een steile helling parkeert.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Trekhaak*
N.B.
Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moet u de montagevoorschriften voor
het bevestigen van het afneembare gedeelte
zorgvuldig in acht nemen, zie Afneembare trekhaak* - monteren/demonteren (p. 315).
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig
op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u begint
te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Wanneer een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
Afneembare trekhaak* - opbergen
Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte.
Dit geldt ook bij montage van een fietsdrager
die rond de trekkogel wordt vastgeklemd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Rijden met een aanhanger (p. 310)
Afneembare trekhaak* - specificaties
(p. 314)
Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 313)
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig
schoonmaken en met vet insmeren.
WAARSCHUWING
De bewegende onderdelen van de afneembare trekhaak mogen niet worden gesmeerd/
ingevet. Hierdoor kan het veiligheidsniveau
namelijk afnemen.
}}
* Optie/accessoire. 313
STARTEN EN RIJDEN
Afneembare trekhaak* specificaties
||
Bewaar de afneembare trekhaak in het blok schuimrubber18 onder de bagageruimtevloer wanneer u de trekhaak niet nodig hebt.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de afneembare trekhaak los en berg deze op de daarvoor
bestemde plaats op.
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak* - specificaties
(p. 314)
•
Afneembare trekhaak* - monteren/demonteren (p. 315)
•
Rijden met een aanhanger (p. 310)
18
314
G021485
Specificaties voor een afneembare trekhaak.
Afmetingen, bevestigingspunten (mm)
A
887
B
79
C
881
D
441
E
109
F
306
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
De afbeelding is schematisch, het blok schuimrubber kan er afhankelijk van de uitrusting van de auto anders uitzien.
* Optie/accessoire.
STARTEN EN RIJDEN
Gerelateerde informatie
Afneembare trekhaak* - monteren/
demonteren
Afneembare trekhaak* - monteren/demonteren (p. 315)
•
•
Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 313)
U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren en demonteren:
Rijden met een aanhanger (p. 310)
Aanbrengen
G021488
•
Het controlevenster moet rood van kleur zijn.
G021489
Verwijder de afdekking door de pal in te
en de afdekking vervolgens
drukken
recht naar achteren te trekken
.
G021487
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel rechtsom
te draaien.
}}
* Optie/accessoire. 315
STARTEN EN RIJDEN
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
Controleer of het kogelsegment vastzit door
het stevig omhoog, omlaag en naar achteren
te bewegen.
WAARSCHUWING
G000000
Als het kogelgedeelte niet goed zit, moet u
het verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
G021495
G021494
G021490
||
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
Afneembare trekhaak verwijderen
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest van
het kogelsegment vetvrij en droog.
N.B.
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden
gesmeerd.
316
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
STARTEN EN RIJDEN
Trailer Stability Assist (TSA)19
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist) heeft
tot taak de auto met een aanhanger/caravan te
stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging
tot pendelbewegingen vertoont.
TSA maakt deel uit van de stabiliteitsregeling
(p. 186) ESC20.
Functie
Duw de afdekking er zo ver op dat deze vastklikt.
Druk de vergrendelingsknop
in en draai
deze linksom
totdat u een klik hoort.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag
totdat deze niet verder kan. Houd de knop in
deze stand vast terwijl u het kogelsegment
schuin naar achteren toe omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet de afneembare trekhaak goed vast, wanneer u deze in de auto bewaart, zie Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 313).
Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 313)
Afneembare trekhaak* - specificaties
(p. 314)
Rijden met een aanhanger (p. 310)
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/caravan kan het bekende verschijnsel met slingeren
optreden. Doorgaans treedt het verschijnsel pas
bij hoge snelheden op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het
gewicht van de lading verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er ook
op lagere snelheden gevaar voor slingeren.
Slingeren begint altijd met een van de onderstaande factoren, zoals:
•
De auto met aanhanger/caravan staat bloot
aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
Bediening
Slingeren is vaak niet of nauwelijks te dempen,
waardoor de combinatie moeilijk bestuurbaar
wordt en het gevaar bestaat op de verkeerde
weghelft of naast de weg te belanden.
}}
* Optie/accessoire. 317
STARTEN EN RIJDEN
||
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen
van de auto in de gaten en in het bijzonder de
dwarsbewegingen. Als een neiging tot slingeren
geregistreerd wordt, worden de voorwielen ieder
afzonderlijk dusdanig afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is dit voldoende om
de auto weer onder controle te krijgen.
Als de slingering ondanks de eerste ingreep van
het TSA-systeem niet wordt gedempt, worden
alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt
de aandrijfkracht van de motor verlaagd. Wanneer
de slingering vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSA-systeem de regeling waarna u de
auto weer volledig onder controle hebt. Voor
meer informatie, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - algemeen (p. 186).
Overig
niet kan bepalen of de slingering wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door uzelf.
Wanneer het TSA-systeem actief is,
knippert het ESC20-symbool op het
instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 186)
Slepen
Bij het slepen wordt de auto met behulp van een
sleepkabel voortgetrokken door een ander voertuig.
Ga alvorens te slepen na wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
1.
Schakel de alarmlichten van de auto in.
2.
Bevestig de sleepkabel aan het sleepoog.
3.
Ontgrendel het stuurslot (p. 275) door de
transpondersleutel in het contactslot te
plaatsen en de START/STOP ENGINEknop lang in te drukken – contactslotstand II
(p. 82) wordt geactiveerd.
4.
Laat de transpondersleutel tijdens het slepen
in het contactslot zitten.
5.
Houd, wanneer de slepende auto afremt, de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen –
zo voorkomt u schokken.
6.
Sta klaar om te remmen om de auto tot stilstand te brengen.
TSA kan op hogere snelheden ingrijpen.
N.B.
Het TSA-systeem wordt uitgeschakeld, als u
de Sport-stand kiest, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - algemeen (p. 186).
Het TSA-systeem grijpt mogelijk niet in als u met
grote stuurbewegingen de slingering zelf tracht
op te heffen, aangezien het TSA-systeem dan
19
20
318
Inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
(Electronic Stability Control) - elektronische stabiliteitsregeling.
STARTEN EN RIJDEN
WAARSCHUWING
•
Controleer voordat u gaat slepen of het
stuurslot eraf is.
•
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
•
Haal nooit de transpondersleutel uit het
contactslot als de auto wordt gesleept.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
BELANGRIJK
Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden
getrapt en de besturing gaat aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
Handgeschakelde versnellingsbak
Alvorens te slepen:
–
Zet de versnellingspook in de neutrale stand
en los de parkeerrem.
Sleepoog
Gebruik het sleepoog bij het slepen van een
voertuig. Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in een draadbus achter een afdekking
in de bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
Sleep auto's met een automatische versnellingsbak niet met een hogere snelheid dan 80 km/h (50 mph) en niet verder dan 80 km (50 mijl).
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in de neutrale stand en
los de parkeerrem.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik een
hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is
dat u de motor niet kunt starten, zie Starten met
hulpaccu (p. 275).
1.
Pak het sleepoog erbij dat in het blok
schuimrubber onder de bagageruimtevloer
ligt.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
Gerelateerde informatie
•
•
Alarmlichten (p. 101)
Sleepoog (p. 319)
}}
319
STARTEN EN RIJDEN
||
2.
De afdekking op het bevestigingspunt voor
het sleepoog is als volgt te openen:
•
3.
De afdekking heeft een markering langs
de ene zijde of in een hoek: Duw met uw
vinger op deze markering terwijl u de
tegenoverliggende zijde/hoek openklapt –
de afdekking klapt rond de middellijn
open en kan vervolgens worden verwijderd.
Schroef het sleepoog tot aan de flens naar
binnen. Draai het oog stevig vast met bijvoorbeeld een wielsleutel*.
Bergen
Met bergen wordt het afslepen bedoeld met een
ander voertuig.
Roep professionele hulp in voor berging.
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
Gerelateerde informatie
•
Slepen (p. 318)
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
Verwijderen
1.
Schroef het sleepoog na gebruik los. Leg het
sleepoog terug op zijn plek in het blok
schuimrubber.
2.
Plaats de afdekking terug op de bumper.
Gerelateerde informatie
•
•
320
Slepen (p. 318)
Bergen (p. 320)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
WIELEN EN BANDEN
Banden - onderhoud
Nieuwe banden
De banden bieden onder meer draagvermogen,
grip op de ondergrond, trillingsdemping en
beschermen de wielen tegen slijtage.
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat,
de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn
belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u door
een vakman laten controleren, ook al zien ze er
intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken
wordt, als banden zelden of nooit worden
gebruikt. Daarbij kan de werking van de band
worden aangetast. Dit geldt voor alle banden die
u voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is voor
gebruik.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en
neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo
nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de
cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogeheten DOT-code
(Department of Transportation) van de band en
bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1510. De
band op de afbeelding is de 15e week van het
jaar 2010 geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door winterbanden of andersom, moet u op de band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld L voor links, R
voor rechts.
322
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning (p. 324) levert een
gelijkmatiger slijtage op. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de wegen
zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen (p. 324)
tegen te gaan kunt u de wielen op de voor- en
achteras onderling van plaats verwisselen. Voer
de eerste wissel na ca. 5000 km uit en doe dat
daarna om de 10000 km opnieuw. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats, als u niet zeker bent van de
profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in
de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte) van
de banden, dienen de minst versleten banden
altijd op de achteras te zitten. Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende
achterwielen, omdat de auto rechtuit blijft rijden
in plaats van uit te breken met de achterkant
waarbij u mogelijk de controle over de auto verliest. Daarom is belangrijk dat de achterwielen
nooit vóór de voorwielen grip verliezen.
Bewaar wielen met omgelegde banden altijd liggend of hangend - nooit staand.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een oncontroleerbare auto zorgen.
WIELEN EN BANDEN
•
•
•
Banden - maten (p. 325)
Banden - snelheidsklassen (p. 326)
Banden - draairichting (p. 323)
Banden - draairichting
N.B.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven
met een pijl op de zijkant van de band.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat
en ook hetzelfde merk voor beide wielparen
hebt.
Houd de aanbevolen bandenspanning (p. 324)
aan die in de bandenspanningstabel staat.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 325)
Banden - snelheidsklassen (p. 326)
Banden - onderhoud (p. 322)
Banden - slijtage-indicator (p. 324)
G021778
Gerelateerde informatie
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben. Banden mogen alleen van voor naar
achter verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd
aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de
auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en
drab minder goed afvoeren. Monteer de banden
met het diepste profiel altijd op de achteras (om
het gevaar voor slippen te verminderen).
323
WIELEN EN BANDEN
Banden - slijtage-indicator
Banden - bandenspanning
Een slijtage-indicator toont de status van de profieldiepte van de band.
Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de eenheid bar.
Bandenspanningssticker
Bandenspanning controleren
G021829
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het bandenprofiel staan. Op de zijkant
van de band staan de letters TWI (Tread Wear
Indicator). De slijtage-indicatoren zijn duidelijk
zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten
is dat slechts 1,6 mm van het profiel over is. Vervang de banden dan zo spoedig mogelijk. Let
erop dat een band met een gering profiel zeer
weinig grip op het wegdek heeft bij regen of
sneeuw.
Gerelateerde informatie
•
•
•
324
Banden - snelheidsklassen (p. 326)
Banden - bandenspanning (p. 324)
Banden - draairichting (p. 323)
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve
inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van
de auto. Wanneer u met een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden oververhit en
beschadigd raken. De bandenspanning is van
invloed op het rijcomfort, de geproduceerde weggeluiden en de rijeigenschappen.
N.B.
In de loop van de tijd daalt de bandenspanning. Dit is een natuurlijk verschijnsel. De
bandenspanning schommelt ook door de
omgevingstemperatuur.
G021830
Controleer iedere maand de bandenspanning bij
koude banden. De aangegeven bandenspanning
geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur). Al na enkele
kilometers rijden worden de banden warm en
loopt de spanning op.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde (tussen voor- en
achterportier) staat de juiste bandenspanning
voor uw auto aangegeven bij verschillende belading en snelheid. De bandenspanning staat ook
in de bandenspanningstabel.
De bandenspanning voor de aanbevolen bandenmaat en informatie over de ECO-bandenspanning
voor een lager brandstofverbruik vindt u in de
gedrukte gebruikershandleiding.
N.B.
De bandenspanning hangt af van de temperatuur.
WIELEN EN BANDEN
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Bij een lichte belading (maximaal 3 inzittenden)
en snelheden tot 160 km/h (100 mph) kunt u
voor brandstofbesparing de ECO-bandenspanning aanhouden. Als u echter uit bent op een
minimum aan rijgeluiden en optimaal rijcomfort
wordt geadviseerd de lagere Comfort-bandenspanning aan te houden.
Wiel- en velgmaten
Banden - maten
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in
de onderstaande tabel.
De banden van de auto hebben een bepaalde
maat, zie het voorbeeld in de onderstaande
tabel.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd.
Dat betekent dat niet alle combinaties van wielen
en banden goedgekeurd zijn.
(Zie goedgekeurde bandenspanningswaarden
(p. 416).)
Voor informatie over de goedgekeurde maten, zie
Wielen en banden - goedgekeurde maten
(p. 412).
Gerelateerde informatie
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
•
•
•
•
•
Banden - snelheidsklassen (p. 326)
Banden - draairichting (p. 323)
Banden - onderhoud (p. 322)
Banden - slijtage-indicator (p. 324)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 416)
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke aanduiding:215/55R16 97W.
205
Breedte van de band (mm)
50
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
7
Velgbreedte in inch
17
Velgdiameter van de band (")
J
Profiel velgrand
93
16
Velgdiameter van de band
Aanduiding van het draagvermogen van
de band, lastindex (p. 326) (LI)
50
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
W
Aanduiding van de toelaatbare snelheidslimiet van de band, snelheidsklasse (p. 326) (SS). (In dit geval
270 km/h (168 mph)).
Gerelateerde informatie
•
Wielmoeren (p. 327)
De typegoedkeuring van de auto geldt in combinatie met bepaalde wielen en banden.
Voor informatie over de goedgekeurde maten, zie
Wielen en banden - goedgekeurde maten
(p. 412).
}}
325
WIELEN EN BANDEN
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - bandenspanning (p. 324)
Banden - draairichting (p. 323)
Banden - slijtage-indicator (p. 324)
Lastindex en snelheidsklasse (p. 414)
Banden - lastindex
Banden - snelheidsklassen
De lastindex geeft het vermogen van een band
aan om een bepaalde last te dragen.
Elke band is bestand tegen een bepaalde maximumsnelheid en behoort daardoor tot een
bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed Symbol).
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen,
wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het
gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen
van de banden.
De toelaatbare minimale lastindex staat in de lastindextabel, zie Lastindex en snelheidsklasse
(p. 414).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 325)
Banden - snelheidsklassen (p. 326)
Banden - bandenspanning (p. 324)
Banden - slijtage-indicator (p. 324)
De snelheidsklasse van de banden moet minimaal overeenkomen met de topsnelheid van de
auto. In de tabel hieronder staat de toegestane
maximumsnelheid voor de desbetreffende snelheidsklasse (SS). De enige uitzondering hierop
vormen winterbanden (p. 328) (zowel banden
met als zonder "spikes"), waarvoor een lagere
snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij gebruik
van dergelijke banden mag u niet sneller rijden
dan de maximumsnelheid die voor het gebruikte
bandentype geldt (voor klasse Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h
(100 mph)). De gesteldheid van het wegdek is
bepalend voor de maximumsnelheid en niet de
snelheidsklasse op de banden.
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
326
Q
160 km/h (100 mph) (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h (118 mph)
H
210 km/h (130 mph)
WIELEN EN BANDEN
240 km/h (149 mph)
Wielmoeren
Afsluitbare wielmoeren*
W
270 km/h (168 mph)
De wielen zitten op de naaf vast met wielmoeren
die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn.
Y
300 km/h (186 mph)
Afsluitbare wielmoeren zijn te gebruiken op zowel
aluminium als stalen velgen. Onder de vloer in de
bagageruimte is ruimte om de dop voor de
afsluitbare wielmoeren in op te bergen.
V
Gerelateerde informatie
WAARSCHUWING
•
Wiel- en velgmaten (p. 325)
De auto moet worden uitgerust met banden
die minimaal de gespecificeerde lastindex
(p. 326) (LI) en snelheidsklasse (SS) hebben.
Bij gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden
oververhit raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 325)
Korte wielmoer
Banden - bandenspanning (p. 324)
Lange wielmoer
Banden - draairichting (p. 323)
Afsluitbare wielmoeren
Aanhaalmoment
•
•
•
Wielmoer type 1 (stalen velg): 110 Nm
Wielmoer type 2 (aluminium velg): 130
Nm
Afsluitbare wielmoer type 3 (stalen/
aluminium velg): 110 Nm
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd
zijn door Volvo en deel uitmaken van de originele
accessoires van Volvo. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
* Optie/accessoire. 327
WIELEN EN BANDEN
Winterbanden
Sneeuwkettingen gebruiken
Winterbanden zijn banden die aan de winterse
toestand van de weg zijn aangepast.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit sneller
dan 50 km/h (30 mph) met sneeuwkettingen.
Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat zowel
de sneeuwkettingen als de banden daardoor
overmatig slijten.
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van de
motorvariant. Gebruik altijd het juiste type winterbanden op alle vier de wielen.
WAARSCHUWING
N.B.
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u een
erkende Volvo-werkplaats om advies te vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
Volvo adviseert u om met een Volvo-dealer te
overleggen over welke velg en welk type band
het best geschikt zijn.
Banden met “spikes”
Winterbanden met "spikes" moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat de
"spikes" hun positie in kunnen nemen. Zo gaan
de banden en vooral de “spikes” langer mee.
N.B.
De wettelijke voorschriften voor het gebruik
van banden met spikes verschillen per land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
328
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 330)
Reservewiel*
Het compacte reservewiel ("Temporary spare")
is te gebruiken voor tijdelijke vervanging van een
standaardwiel met een lekke band.
Het reservewiel is alleen bestemd voor tijdelijk
gebruik en moet daarom zo spoedig mogelijk
worden vervangen door een normaal wiel. Het rijgedrag van de auto verandert mogelijk bij gebruik
van een compact reservewiel. Het compacte
reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De
bodemspeling verandert er daarom door. Wees
voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de
auto niet in een autowasstraat. Als het reservewiel op de vooras zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven auto's
is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het
reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de
bandenspanningstabel staat de juiste bandenspanning voor het reservewiel, zie Banden - bandenspanning (p. 324).
BELANGRIJK
•
Rijd met een reservewiel op de auto nooit
sneller dan 80 km/h (50 mph).
•
Rijd nooit met de auto, als deze is voorzien van meer dan één reservewiel van
het type "Temporary Spare".
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 330)
Wielen verwisselen - monteren (p. 332)
Wielen verwisselen - reservewiel
erbij nemen*
U vindt het reservewiel* met krik* en wielsleutel*
onder de bagageruimtevloer.
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen* (p. 329)
Krik* (p. 334)
Gevarendriehoek (p. 334)
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 330)
•
•
•
•
•
Wielen verwisselen - monteren (p. 332)
Krik* (p. 334)
Reservewiel* (p. 328)
Gevarendriehoek (p. 334)
Wielmoeren (p. 327)
Wielmoeren (p. 327)
1.
Til de achterkant van de bagageruimtevloer
op (bij modellen met gelede vloer: pak de
handgreep vast, til de vloer op en beweeg de
achterkant van de vloer naar voren).
2.
Pak het opbergvak* weg (alleen voor modellen met gelede vloer).
3.
Til de ondervloer weg (alleen voor modellen
met gelede vloer).
4.
Draai de bevestigingsbouten los en pak het
schuimblok met krik en gereedschap weg.
5.
Pak het reservewiel aan de buitenkant vast
en til op. Duw het reservewiel iets naar voren
en til het uit de opbergruimte.
* Optie/accessoire. 329
WIELEN EN BANDEN
Wielen verwisselen - wielen
verwijderen
U kunt de wielen vervangen door bijvoorbeeld
winterwielen of een reservewiel.
Zet een gevarendriehoek(p. 334) op, als u een
wiel moet verwisselen langs een drukke weg.
Zorg ervoor dat de auto en de krik(p. 334)* op
een stevige en horizontale ondergrond staan.
1.
330
Haal de parkeerrem (p. 295) aan en schakel
de achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik onbeschadigd is, of de
schroefdraden goed zijn gesmeerd en of deze
vrij van vuil is.
4.
Auto's met stalen velgen hebben afneembare
wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast de volledige wieldoppen om ze vervolgens los te trekken. De wieldoppen zijn ook met de hand in één snelle
beweging los te trekken.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken*
die bij de auto hoort, zoals aangegeven op de
kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde hefhoogte.
2.
Neem het te monteren wiel erbij en het
gereedschap. Voor montage van een compact reservewiel ligt er bij het reservewiel
tevens een verpakking met handschoenen
en een plastic zak voor om de lekke band.
3.
Plaats wielblokken voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of
grote stenen.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
5.
Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in
de wielsleutel* vast.
6.
Verwijder de kunststof boutafdekkingen met
het demontagegereedschap.
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
8.
Wielsleutel en sleepoog.
BELANGRIJK
7.
Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Breng de krik* omhoog,
zodat de flens in de carrosserie in de groef in
de kop van de krik valt.
Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel*.
Draai het sleepoog helemaal in de wielmoersleutel*.
BELANGRIJK
De grond onder de krik dient vast en egaal te
zijn en niet te hellen.
9.
Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielmoeren
en til het wiel eraf.
}}
* Optie/accessoire. 331
WIELEN EN BANDEN
||
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een krik
staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen van
een wiel langs de kant van de weg moeten
eventuele passagiers op een veilige plek gaan
staan.
Aanbrengen
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
332
Wielen verwisselen - monteren
Het is belangrijk dat het wiel op de juiste manier
gemonteerd wordt.
Wielen verwisselen - monteren (p. 332)
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen* (p. 329)
Reservewiel* (p. 328)
Gevarendriehoek (p. 334)
3.
Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet
meer ongehinderd kan draaien.
4.
Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielmoeren stevig aanhaalt tot het juiste aanhaalmoment. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
5.
Plaats de kunststof doppen terug op de wielmoeren.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een krik
staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen van
een wiel langs de kant van de weg moeten
eventuele passagiers op een veilige plek gaan
staan.
1.
Reinig de contactvlakken tussen het wiel en
de naaf.
2.
Breng het wiel aan. Haal de wielmoeren stevig aan.
Wielmoeren (p. 327)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
6.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor
bestemde plaats in de bagageruimte, wanneer u ze niet nodig hebt.
•
•
Gevarendriehoek (p. 334)
Wielmoeren (p. 327)
N.B.
Plaats een volledige wieldop terug (indien
aanwezig).
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in de
velg.
Gereedschap opbergen
Leg de stukken gereedschap na gebruik op de
juiste plekken terug in het blok schuimrubber.
Bij gebruik van het compacte reservewiel kunt u
de lekke band in de plastic zak doen die u in de
verpakking met de handschoenen vindt. Leg het
schuimrubber blok terug en duw de bevestigingsbout in de vloer van het opbergvak.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
Bij montage van een andere
bandenmaat
Neem bij montage van een andere bandenmaat
altijd contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor een update van de software. Bij montage van een grotere of kleinere bandenmaat en
ook bij het vervangen van zomerbanden door winterbanden is mogelijk een update van de software vereist.
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - reservewiel erbij
nemen* (p. 329)
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 330)
•
Reservewiel* (p. 328)
* Optie/accessoire. 333
WIELEN EN BANDEN
Gevarendriehoek
Krik*
De gevarendriehoek wordt gebruikt om andere
verkeersdeelnemers te waarschuwen voor een
stilstaande auto.
Gebruik de krik om de auto op te heffen om bijvoorbeeld een wiel te verwisselen.
Gebruik alleen de originele krik bij vervangen
door het reservewiel of bij wisselen tussen
zomer- en winterbanden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet.
Opbergen en uitklappen
BELANGRIJK
Til het vloerluik op (of schuif de achterkant
van de laadvloer naar voren bij modellen met
een gelede vloer en til daarna de ondervloer
op) en pak de gevarendriehoek.
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor
bestemde plaats in de bagageruimte, wanneer u ze niet nodig hebt.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met een
krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg
in dat geval de gebruiksaanwijzing van de
desbetreffende krik.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek
uit.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op om
achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
Gerelateerde informatie
•
Reservewiel* (p. 328)
Gerelateerde informatie
•
•
334
Gevarendriehoek (p. 334)
Noodreparatieset voor banden* (p. 337)
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
EHBO-set*
Bandenspanningscontrole (TM)*1
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen
van eerste hulp.
Het systeem TM (Tyre Monitor) bepaalt aan de
hand van de draaisnelheid van de banden of de
bandenspanning in orde is.
Systeembeschrijving
Bij een te geringe bandenspanning verandert de
diameter en daarmee ook de rotatiesnelheid van
de band. Aan de hand van onderlinge vergelijkingen kan het systeem vaststellen of de spanning
in een of meer banden te gering is.
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het TM, gaat
op het instrumentenhet controlesymbool
paneel eerst zo'n 1 minuut lang knipperen
waarna het continu blijft branden. Er verschijnt tevens een melding op het instrumentenpaneel.
Ook mét dit systeem moet u het normale onderhoud aan de banden blijven plegen.
Meldingen
Links in de bagageruimte zit een EHBO-set.
Bij een te lage bandenspanning gaat het controlelampje ( ) op het instrumentenpaneel branden en verschijnt een van de volgende meldingen:
• Bandenspanning laag Controleren,
afstellen, kalibreren
• Bandensp.systeem Service vereist
• Bandensp.systeem Momenteel niet
besch.
1
Standaard op bepaalde markten.
}}
* Optie/accessoire. 335
WIELEN EN BANDEN
||
Meldingen verwijderen
1. Controleer met een manometer de bandenspanning van alle banden.
2.
Pomp de band(en) op tot de juiste spanning
zoals aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan bestuurderszijde
(tussen voor- en achterportier).
3.
Herkalibreer de TM in MY CAR.
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen
te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden
de banden warm en loopt de spanning op.
•
•
1.
Zet de motor af.
2.
Pomp alle banden op tot de juiste spanning
zoals aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan bestuurderszijde
(tussen voor- en achterportier).
Of raadpleeg de bandenspanningstabel.
Start de motor en laat de auto stilstaan.
4.
Open het menusysteem MY CAR en kies het
menu Bandencontrole.
WAARSCHUWING
5.
Kies Kalibratie starten en druk op OK.
Een verkeerde bandenspanning kan tot
bandenpech leiden, waarbij u de controle
over de auto kunt verliezen.
6.
Druk nadat u alle banden gecontroleerd en
aangepast hebt op OK om de kalibratie te
starten.
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
TM kan alleen correct werken, wanneer er een
referentiewaarde voor de bandenspanning is
vastgesteld. Dit moet na iedere bandenwissel of
bandenspanningswijziging gebeuren door het
systeem te herkalibreren in MY CAR.
7.
Herkalibreren
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie MY CAR (p. 116).
3.
TM kalibreren
336
Zo moet u de bandenspanning aanpassen voor
ritten met een zware lading of op hoge snelheden (meer dan 160 km/h (100 mph)). Herkalibreer het systeem vervolgens.
Rijd met de auto.
> De kalibratie vindt plaats bij een rijsnelheid hoger dan 35 km/h (22 mph). Als de
motor wordt afgezet, wordt de kalibratie
tijdelijk onderbroken. Wanneer de auto
weer verder rijdt, wordt de kalibratie automatisch op de achtergrond hervat. Het
systeem geeft na afloop geen bevestiging
dat kalibratie heeft plaatsgevonden.
De nieuwe referentiewaarde is van kracht, totdat
u de stappen 1–7 herhaalt.
N.B.
Let erop dat u het TM na iedere bandenwissel
of aanpassing van de bandenspanning
opnieuw moet instellen. Als er geen nieuwe
referentiewaarden worden opgeslagen, kan
het systeem niet goed werken.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
WIELEN EN BANDEN
Status systeem en banden
Gerelateerde informatie
U kunt de actuele status van het status en de
banden controleren op het beeldscherm van de
middenconsole.
•
1.
Open het menusysteem MY CAR.
2.
Kies het menu Bandencontrole.
> De status van de bandenspanningswaarden wordt aangegeven met kleurcodes.
De status wordt voor alle banden afzonderlijk
aangegeven met een bepaalde kleur:
•
Alle wielen groen: het systeem werkt naar
behoren en voor alle banden ligt de actuele
bandenspanning iets boven het aanbevolen
niveau.
•
Eén oranje wiel: de bandenspanning van het
desbetreffende wiel is te gering.
•
Alle wielen oranje: de bandenspanning van
twee of meer wielen is te gering.
•
Alle wielen grijs en het bericht
Bandensp.systeem Momenteel niet
besch.: bandenspanningssysteem momenteel niet actief. U moet mogelijk korte tijd
sneller dan 35 km/h (22 mph) rijden voordat
het systeem weer actief is.
•
Banden - bandenspanning (p. 324)
Noodreparatieset voor banden*
U gebruikt de noodreparatieset voor banden,
Temporary Mobility Kit (TMK), om een gat te
dichten en om de bandenspanning te controleren en aan te passen.
De noodreparatieset voor banden bestaat uit een
compressor en een bus met afdichtmiddel. Het
afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren. Het afdichtmiddel dicht banden met een lek
in het loopvlak effectief af.
De noodreparatieset voor banden leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak.
Gebruik de noodreparatieset niet voor banden
met diepe sneeën, barsten of soortgelijke
beschadigingen.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld
voor het repareren van banden met een lek in
het loopvlak.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
Alle wielen grijs in combinatie met de melding Bandensp.systeem Service vereist:
er is een storing opgetreden in het systeem.
Neem contact op met een Volvo-dealer of werkplaats.
}}
* Optie/accessoire. 337
WIELEN EN BANDEN
||
Positie
Gerelateerde informatie
De noodreparatieset voor banden zit in het blok
schuimrubber2 onder de bagageruimtevloer.
•
Noodreparatieset voor banden* - bediening
(p. 339)
•
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 342)
•
Noodreparatieset voor banden* - overzicht
(p. 338)
Noodreparatieset voor banden* overzicht
Overzicht van de onderdelen van de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK).
De onderdelen liggen onder de bagageruimtevloer.
Versie 1.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Voedingskabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Versie 2.
2
338
Drukreduceerventiel
Het blok schuimrubber kan er afhankelijk van de uitrusting van de auto anders uitzien.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
Luchtslang
WAARSCHUWING
Bus met afdichtmiddel
•
Wanneer de borgvloeistof op de huid
terechtkomt, moet u de vloeistof met een
ruime hoeveelheid water en zeep verwijderen.
•
Wanneer u afdichtvloeistof in uw oog
krijgt, moet u het oog onmiddellijk uitspoelen met oogdouchevloeistof of een
ruime hoeveelheid water. Laat het oog bij
aanhoudende irritatie nakijken door een
arts.
Manometer
Bus met afdichtmiddel
Vervang de bus met afdichtmiddel voordat de
houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de
vervangen bus als klein chemisch afval (KCA).
Vervang de bus met afdichtmiddel na gebruik.
Volvo adviseert u de vervanging te laten uitvoeren
door een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Noodreparatieset voor banden* bediening
Repareer een lekke band met de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK).
Noodreparatie banden
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 337)
De bus met afdichtmiddel bevat 1,2-ethanol
en natuurrubber-latex.
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
Contact met de huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
Voor informatie over de werking van de onderdelen, zie
Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 338).
}}
* Optie/accessoire. 339
WIELEN EN BANDEN
||
1.
Plaats een gevarendriehoek en schakel de
alarmlichten in, als u een lekke band moet
afdichten langs een drukke weg.
5.
Laat een eventuele spijker of iets dergelijks
in de lekke band zitten. Het lek is zo beter af
te dichten.
2.
Verwijder de sticker met de toegestane maximumsnelheid (die aan de ene kant van de
compressor zit) en bevestig deze op het
stuurwiel. Rijd nooit sneller dan 80 km/h
(50 mph), nadat u de noodreparatieset hebt
gebruikt.
WAARSCHUWING
3.
Controleer of de knop in stand 0 (uit) staat
en neem de voedingskabel en de luchtslang
erbij.
•
Wanneer de borgvloeistof op de huid
terechtkomt, moet u de vloeistof met een
ruime hoeveelheid water en zeep verwijderen.
4.
Schroef het oranje deksel van de compressor
los en draai de drop van de bus met afdichtmiddel.
•
Wanneer u afdichtvloeistof in uw oog krijgt,
moet u het oog onmiddellijk uitspoelen
met oogdouchevloeistof of een ruime hoeveelheid water. Laat het oog bij aanhoudende irritatie nakijken door een arts.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
340
Schroef de bus tot aan de aanslag in de bushouder vast.
> De bus en de bushouder zijn voorzien van
een terugdraaiblokkering om te voorkomen dat er afdichtmiddel weglekt. U kunt
een vastgeschroefde bus niet meer uit de
bushouder losdraaien. De bus is alleen in
een werkplaats te verwijderen; geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
6.
Draai het ventieldopje van de band los.
Controleer of het drukreduceerventiel van de
luchtslang volledig vastgeschroefd is en
schroef de ventielaansluiting tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel.
7.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
N.B.
Zorg er bij een actieve compressor voor dat
geen van de overige 12V-aansluitingen in
gebruik is.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
WIELEN EN BANDEN
8.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I (aan) te zetten.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor
onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat
geval de rit. Roep pechhulp onderweg in om
de auto naar een bandenwerkplaats te slepen.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-bandenwerkplaats.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6 bar
toenemen. De druk daalt echter na ca. 30
seconden.
9.
Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Laat de compressor niet langer dan
10 minuten achtereen werken – risico van
oververhitting.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning moet minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar bedragen. (Laat eventueel
lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
14. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie minstens 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h (50 mph), zodat het afdichtmiddel
de band kan afdichten en verricht daarna een
tweede controle.
N.B.
WAARSCHUWING
Tijdens de eerste slagen die de band ronddraait spuit er afdichtvloeistof uit het gat.
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar
(22 psi), is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Roep pechhulp onderweg in om de auto naar een bandenwerkplaats te slepen. Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-bandenwerkplaats.
WAARSCHUWING
Houd bij het wegrijden omstanders uit de
buurt van de auto om te voorkomen dat ze
afdichtmiddel op zich krijgen. De afstand
moet minimaal 2 meter bedragen (7 voet).
11. Schakel de compressor uit en koppel de voedingskabel los.
12. Schroef de luchtslang los van het bandventiel en plaats het ventieldopje terug op de
band.
15. Controle achteraf:
Sluit de luchtslang weer aan op het bandventiel en controleer de bandenspanning met de
manometer, zie Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren
(p. 342).
13. Plaats de beschermdop op de luchtslang om
te voorkomen dat restanten afdichtmiddel
weglekken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 337)
Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 342)
Noodreparatieset voor banden* - overzicht
(p. 338)
* Optie/accessoire. 341
WIELEN EN BANDEN
Noodreparatieset voor banden* reparatieresultaat controleren
2.
Wanneer een band gerepareerd is met de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK), moet
na zo'n 3 kilometer rijden een tweede controle
plaatsvinden.
•
Bandenspanning controleren
•
Neem de noodreparatieset voor banden erbij. De
compressor moet uitstaan.
1.
Lees de bandenspanning van de manometer
af.
Draai het ventieldopje van de band los.
Neem de luchtslang erbij en schroef de
ventielaansluiting ervan tot aan de aanslag
vast over de draadwindingen van het bandventiel.
•
3.
Als de bandenspanning lager is dan
1,3 bar, werd de band onvoldoende afgedicht. Beëindig in dat geval de rit. Roep
pechhulp onderweg in om de auto af te
slepen.
Als de bandenspanning hoger is dan 1,3
bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven op de
bandenspanningssticker aan de binnenkant van de portierstijl aan bestuurderszijde (1 bar = 100 kPa).
Laat lucht uit de band ontsnappen, als de
bandenspanning te hoog is.
2. Schakel de compressor in en pomp de
band op tot de spanning die op de bandenspanningssticker aan de binnenkant
van de portierstijl aan bestuurderszijde
staat.
3. Schakel de compressor uit.
Koppel de noodreparatieset voor banden los.
Plaats de beschermdop op de luchtslang om
te voorkomen dat restanten afdichtmiddel
weglekken.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
5.
Plaats het ventieldopje terug op de band.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade aan
het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen
ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.
Als de band moet worden opgepompt:
1. Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
342
4.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
* Optie/accessoire.
WIELEN EN BANDEN
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Volvo adviseert u de auto naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/repareren.
Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd na het gebruik van de noodreparatieset
voor banden niet sneller dan 80 km/h
(50 mph). Volvo adviseert een bezoek aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een
inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan
bepalen of de band te repareren is of moet
worden vervangen.
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden* - bediening
(p. 339)
Band oppompen met de
compressor uit de noodreparatieset
voor banden*
De originele banden van de auto kunnen worden
opgepompt met behulp van de compressor in
de noodreparatieset voor banden (p. 338).
1.
De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 (Uit) staat en neem de voedingskabel en de luchtslang erbij.
2.
Draai het ventieldopje van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het bandventiel.
3.
Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die afgesloten zijn of onvoldoende
ventilatie hebben.
BELANGRIJK
Laat de compressor niet langer dan
10 minuten achtereen werken – risico van
oververhitting.
5.
Pomp de band op tot de spanning die op de
bandenspanningssticker aan de binnenkant
van de portierstijl aan bestuurderszijde staat.
Laat lucht uit de band ontsnappen, als de
bandenspanning te hoog is.
6.
Schakel de compressor uit. Koppel de luchtslang en de voedingskabel los.
7.
Plaats het ventieldopje terug op de band.
Gerelateerde informatie
•
•
Noodreparatieset voor banden* (p. 337)
Noodreparatieset voor banden* - overzicht
(p. 338)
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter als de motor draait.
4.
Schakel de compressor in door de knop in
stand I (aan) te zetten.
* Optie/accessoire. 343
ONDERHOUD EN SERVICE
ONDERHOUD EN SERVICE
Serviceprogramma van Volvo
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die
omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo.
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken
over het personeel, het speciale gereedschap en
de servicehandboeken waardoor zij u een zo
hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje controleren en volgen.
Gerelateerde informatie
•
1
2
346
Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen (p. 357)
Afspraak maken voor servicebeurt
en reparatie*1
3.
Geef de Volvo-dealer van uw keuze aan voor
service en reparatie.
Informatie over geplande afspraken voor service
en reparatie bekijken vanuit een auto met internetverbinding.
4.
Kies het communicatiekanaal van uw voorkeur (telefoon). Eventuele boekingsgegevens
worden altijd naar de auto gestuurd en per email toegezonden.
Deze dienst1 vormt een handige manier om
rechtstreeks vanuit de auto een afspraak voor
service of reparatie te maken. De autogegevens
worden doorgestuurd naar uw dealer ter voorbereiding op het werkplaatsbezoek. De dealer
neemt contact met u op om een afspraak te
plannen. Op bepaalde markten herinnert het systeem u tijdig aan geplande afspraken en het navigatiesysteem2 kan bovendien in begeleiding naar
de werkplaats voorzien.
Voorwaarden voor het maken van afspraken
vanuit de auto
• Om boekingsinformatie te kunnen versturen
vanuit de auto en te kunnen ontvangen moet
de auto internetverbinding hebben, zie het
supplement bij Sensus Infotainment voor
informatie over het tot stand brengen van
een internetverbinding.
•
Omdat de boekingsinformatie via uw eigen
mobiele abonnement wordt verzonden, krijgt
u de vraag te zien of u informatie wenst te
versturen. De vraag wordt eenmaal gesteld,
waarna het gegeven antwoord een bepaalde
tijd geldt voor de gekozen aansluiting.
•
Om de dienst te kunnen gebruiken en systeemcommunicatie mogelijk te maken via het
beeldscherm in de auto moet u meldingen/
pop-ups goedkeuren. Druk in de normaalweergave van de bron MY CAR op OK/
MENU en daarna op Service & reparatie
Berichten weergeven.
Voordat de dienst te gebruiken is
Volvo ID en My Profile
• Registreer een Volvo ID. Voor meer informatie over het aanmaken van een Volvo ID, zie
Volvo ID (p. 21).
•
Ga naar www.volvocars.com, meld u aan en
doe het volgende:
1.
Controleer of de auto gekoppeld is aan My
Profile.
2.
Controleer of uw contactgegevens kloppen.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor Sensus Navigation.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Dienst gebruiken
Alle menu’s en instellingen zijn vanuit de normaalweergave in MY CAR te bereiken door OK/
MENU in te drukken gevolgd door Service &
reparatie.
Wanneer het tijd is voor service en in sommige
gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe
is, wordt dat aangegeven via een melding op het
instrumentenpaneel (p. 66) en via een popupmenu op het beeldscherm.
lampje en de servicemelding op het instrumentenpaneel doven.
• Nee - Er verschijnen geen pop-upmeldingen
meer op het beeldscherm. De melding op het
instrumentenpaneel blijft staan. Na dit alternatief is het nog altijd mogelijk om vanuit de
auto handmatig een nieuw boekingsverzoek
te starten, zie onder.
• Uitstellen - Het pop-upmenu verschijnt de
volgende keer dat u de auto start opnieuw.
Handmatig afspraak maken voor
servicebeurt en reparatie1
1. Druk op de MY CAR-knop op de middenconsole en kies Service & reparatie
Dealerinformatie Verzoek service of
reparatie.
> De autogegevens worden automatisch
doorgestuurd naar uw dealer.
Servicemelding op beeldscherm.
Betekenis van de alternatieven in het popupmenu op het beeldscherm:
• Ja - Er wordt een boekingsverzoek naar uw
dealer verstuurd, die contact met u opneemt
en u een boekingsvoorstel doet. Het service-
1 Geldt
2 Geldt
voor bepaalde markten.
voor Sensus Navigation.
2.
De dealer stuurt een boekingsvoorstel naar
de auto.
3.
Accepteer het boekingsvoorstel of vraag een
nieuw aan.
Wanneer u het boekingsvoorstel accepteert,
wordt de boekingsinformatie in de auto opgeslagen, zie Mijn afspraken. De communicatie tussen
u en de auto verloopt automatisch middels boekingsherinneringen op het beeldscherm en begeleiding naar de geboekte werkplaats.
Mijn afspraken1
Toon boekingsinformatie op het beeldscherm van
de auto. Accepteer het boekingsvoorstel of vraag
een nieuw aan.
–
Kies Service & reparatie
afspraken.
Mijn
Dealer bellen1
Via een telefoon die via Bluetooth® aan de auto
gekoppeld is, kunt u uw dealer bellen. Voor aansluiting van de telefoon, zie het supplement bij
Sensus Infotainment.
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Dealer bellen.
Navigatiesysteem gebruiken1, 2
Geef uw werkplaats als bestemming of deelbestemming aan voor het navigatiesysteem.
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Eén bestemming
inst..
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Toevoegen als
tussenbestemming.
}}
347
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Autogegevens versturen1
De autogegevens worden verstuurd naar de centrale Volvo-database (niet naar dealers). Volvodealers kunnen de autogegevens vervolgens
opvragen aan de hand van het identificatienummer van de auto (VIN3). U vindt het nummer in
het Service- en garantieboekje van de auto en in
de linker onderhoek van de voorruit.
–
Kies Service & reparatie
versturen.
Autogegevens
Boekingsinformatie en autogegevens
Bij het maken van een afspraak voor een servicebeurt vanuit uw auto worden boekingsinformatie
en autogegevens verzonden. De autogegevens
bestaan uit gegevens op de volgende gebieden:
•
•
•
•
•
•
servicebehoefte
functiestatus
vloeistofpeilen
Kilometerstand
identificatienummer van de auto (VIN3)
Softwareversie van de auto.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 21)
1 Geldt voor bepaalde markten.
3 Vehicle Identification Number
348
ONDERHOUD EN SERVICE
Auto opnemen
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de voorziene steunpunten in het onderstel van de auto
aanbrengt.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een
andere krik dan door Volvo geadviseerd de
aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
}}
349
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd).
Als u de auto aan de voorkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de twee
hefpunten zetten die verder naar binnen onder de
auto zitten. Als u de auto aan de achterkant heft
met een garagekrik, moet u de krik onder een
van de hefpunten zetten. Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet
van af kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto opneemt op een tweekoloms hefbrug, kunt u de voorste en achterste dragerarmen
onder de buitenste hefpunten (kriksteunpunten)
zetten. Aan de voorkant kunt u daarvoor ook de
binnenste hefpunten gebruiken.
350
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 330)
ONDERHOUD EN SERVICE
Motorkap - openen en sluiten
Haal de borghaak naar links om de motorkap
te openen. (De borghaak zit tussen de koplamp en de radiateurgrille zoals afgebeeld.)
De motorkap is te openen, wanneer u de handgreep in de passagiersruimte rechtsom hebt
gedraaid en de pal bij de radiateurgrille naar
links hebt gehaald.
WAARSCHUWING
Motorruimte - overzicht
Het overzicht laat een aantal servicespecifieke
componenten zien.
Motorruimte
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt.
Gerelateerde informatie
•
•
Motorruimte - controle (p. 352)
Motorruimte - overzicht (p. 351)
De handgreep voor ontgrendeling van de motorkap zit
altijd aan de linkerzijde.
Afhankelijk van het model en het motortype kan de
motorruimte er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Vulpijp voor sproeiervloeistof
Radiateur
Vulpijp voor motorolie
Draai de handgreep ca. 20–25 graden
rechtsom. Het is duidelijk te horen dat vergrendeling wordt opgeheven.
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(zit aan de bestuurderszijde)
Startaccu
Relais- en zekeringhouder
Luchtfilter
}}
351
ONDERHOUD EN SERVICE
||
WAARSCHUWING
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in
het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk.
Houd het elektrische systeem van de auto
altijd in sleutelstand 0 bij werkzaamheden in
de motorruimte, zie Contactslotstanden functies in verschillende standen (p. 82).
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor warm is.
Motorruimte - controle
Motorolie - algemeen
Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig
gecontroleerd te worden.
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig de volgende oliën en vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
Motorolie
Sproeiervloeistof
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
•
Koelvloeistof
Motorkap - openen en sluiten (p. 351)
Vergeet niet dat de koelventilator (vóór in de
motorruimte, achter de radiateur) tot enige tijd
na het afzetten van de motor automatisch kan
aanslaan.
Motorruimte - controle (p. 352)
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Als de motor warm
is, bestaat er brandgevaar.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
352
Motorkap - openen en sluiten (p. 351)
Motorruimte - overzicht (p. 351)
Koelvloeistof - peil (p. 355)
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 353)
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 367)
Volvo adviseert:
ONDERHOUD EN SERVICE
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 399).
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een negatieve invloed op de
levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
4
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of een
lage oliedruk. Bij motorvarianten met een oliedruksensor wordt gebruikt gemaakt van het
waarschuwingssymbool voor een lage oliedruk
op het instrumentenpaneel. Bij varianten
met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd
op het
via een waarschuwingssymbool
instrumentenpaneel en met displayteksten.
Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei.
Neem voor meer informatie contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Een elektronische oliepeilsensor detecteert het
oliepeil.
Houd voor het verversen van de motorolie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan die
staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken met
een hogere kwaliteit dan aangegeven. Voor ritten
onder ongunstige omstandigheden adviseert
Volvo een olie van een hogere kwaliteit dan aangegeven, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 399).
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Voor de bij te vullen hoeveelheid, zie Motorolie kwaliteit en hoeveelheid (p. 400).
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
•
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
Motorolie - controleren en bijvullen
Vulpijp4.
In sommige gevallen moet olie worden bijgevuld
tussen de servicebeurten door.
Aanpassing van het motoroliepeil is niet nodig
voordat er een melding op het bestuurdersdisplay
verschijnt, zie volgende afbeelding.
Gerelateerde informatie
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 353)
}}
353
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
2.
Vul bij een melding dat het oliepeil gering
alleen de aangegeven hoeveelheid olie bij, bijvoorbeeld 0,5 liter.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 113).
N.B.
Melding en grafische voorstelling op display. Het linker
display verschijnt op een digitaal instrumentenpaneel en
het rechter op een analoog.
Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het
even voordat het systeem wijzigingen in het
oliepeil kan waarnemen. De auto moet zo'n
ca. 30 km (20 miles) hebben gereden en vervolgens 5 minuten op een vlakke ondergrond
hebben stilgestaan met de motor afgezet,
voordat het weergegeven oliepeil correct is.
N.B.
Als niet is voldaan aan de voorwaarden voor
de meting van het oliepeil (verstreken tijd na
motoruitschakeling, hellingshoek van de auto,
buitentemperatuur et cetera), zal de melding
Niet beschikbaar niet verschijnen. Dit betekent niet dat een van de autosystemen een
storing vertoont.
Melding
WAARSCHUWING
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel
gebruiken om het oliepeil te laten controleren
door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 113).
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist moet u een werkplaats
opzoeken – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats. Het oliepeil is mogelijk te
hoog.
354
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
Oliepeil meten
Houd voor controle van het oliepeil de onderstaande procedure aan.
1.
Activeer sleutelstand II, zie Contactslotstanden - functies in verschillende standen
(p. 82).
Draai het duimwiel op de linker stuurhendel
naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over het
motoroliepeil.
Gerelateerde informatie
•
•
Motorolie - algemeen (p. 352)
Contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 82)
ONDERHOUD EN SERVICE
Koelvloeistof - peil
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af
tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die
de motor overdraagt op de koelvloeistof is te
benutten voor verwarming van de passagiersruimte.
Peil controleren
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje op het expansiereservoir staan. Als u het
koelsysteem niet goed gevuld houdt, kan de temperatuur in het systeem dusdanig hoog oplopen
dat er gevaar voor motorschade ontstaat.
N.B.
Controleer het koelvloeistofpeil regelmatig bij
een koude motor.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Vul
het reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer
de concentratie koelvloeistof te laag is als wanneer deze te hoog is.
Als er een plasje koelvloeistof onder de auto ontstaat, als er witte rook/damp uit de uitlaatpijp
komt of als u meer dan 2 liter koelvloeistof moet
bijvullen, bel dan een takelwagen om bij een
startpoging motorschade te voorkomen door een
lek in het koelsysteem.
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden en
andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor 50 %
uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij twijfel
over de waterkwaliteit altijd een kant-enklare koelvloeistof volgens de aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander soort
koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd, dient u het
koelsysteem schoon te spoelen met leidingwater van goede kwaliteit of met
kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet het
geval is, kunnen er hoge temperaturen
optreden met gevaar voor beschadiging
(barsten) van de cilinderkop.
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor warm
is, moet u de dop voorzichtig van het expansievat draaien zodat de overdruk verdwijnt.
Bijvullen
}}
355
ONDERHOUD EN SERVICE
Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 402).
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
Bijvullen
De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen de
MIN- en MAX-streepjes staan.
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde
reservoir. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan die aan de buitenkant van
het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil
regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of iedere
tweede geplande servicebeurt.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of in
landen met een tropisch klimaat en een hoge
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u de
remvloeistof ieder jaar te verversen.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen remvloeistofkwaliteit, zie Remvloeistof kwaliteit en hoeveelheid (p. 404).
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in
het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
Volvo adviseert om de oorzaak voor het remvloeistofverlies door een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren.
356
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Draai de dop van het reservoir los en vul vloeistof
bij. De vloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Denk eraan de afdekking te plaatsen.
ONDERHOUD EN SERVICE
Klimaatregeling - storingen
opsporen en verhelpen
Auto's met koudemiddel R1234yf
WAARSCHUWING
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats
worden uitgevoerd.
In de airco-installatie zit koudemiddel
R1234yf onder druk. Conform de SAE-norm
J2845 (“Technician Training for Safe Service
and Containment of Refrigerants Used in
Mobile A/C System”) mogen service en reparatie aan het koudemiddelsysteem alleen worden uitgevoerd door een daartoe bekwaam en
bevoegd technicus om de veiligheid van het
systeem te garanderen.
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Bij zoeken naar lekken moet ultraviolet licht worden gebruikt.
Volvo adviseert om contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Auto's met koudemiddel R134a
Gerelateerde informatie
•
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door
een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
5
6
7
Lichtdioden (Light Emitting Diode)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Bepaalde varianten
Serviceprogramma van Volvo (p. 346)
Lamp vervangen - algemeen
Een groot aantal van de lampen op de auto kunt
u zelf vervangen. Wend u voor vervanging van
led-lampen tot een werkplaats.
De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 364).
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een bijzonder type zoals led5-lampen of lampen die u
om andere redenen alleen in een werkplaats6
moet laten vervangen, zijn die in:
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
led-koplampen
parkeerlichten voor7
dagrijverlichting, voorbumper7
zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers,
buitenspiegels7
Approach-verlichting, buitenspiegels
interieur- en bagageruimteverlichting
verlichting dashboardkastje
parkeerlichten achter
sidemarkers achter
derde remlicht
kentekenplaatverlichting.
}}
357
ONDERHOUD EN SERVICE
||
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie Contactslotstanden - functies in verschillende standen (p. 82).
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt
voor een laagje op de reflector die dan kapot
kan gaan.
Gerelateerde informatie
•
•
Lampen - specificaties (p. 364)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde
(p. 358)
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde
(p. 362)
•
Lamp vervangen - verlichting make-upspiegel (p. 364)
Lamp vervangen - positie lampen
voorzijde
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen
aan de voorzijde bij een auto met halogeenkoplampen.
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, wordt geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
Parkeerlicht (p. 361)
Groot licht (p. 361)
Dimlicht (p. 360)
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
358
Richtingaanwijzer (p. 361)
Dagrijverlichting (p. 362) (led* of gloeilamp
afhankelijk van de variant)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 357)
Lamp vervangen - koplampen (p. 359)
Lampen - specificaties (p. 364)
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - koplampen
4.
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te vervangen door eerst het complete koplamphuis via
de motorruimte los te nemen en te verwijderen.
Haal het koplamphuis los door het beurtelings te kantelen en naar buiten te trekken.
•
Lampen vervangen - afdekking groot-/
dimlichtlampen (p. 360)
•
Lampen vervangen - richtingaanwijzers voorzijde (p. 361)
•
Lamp vervangen - parkeerlichten voor
(p. 361)
•
Lampen - specificaties (p. 364)
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het eruit tillen van de
koplamp, zodat er geen onderdelen beschadigd raken.
N.B.
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
5.
Druk de borghaak omlaag.
Koppel de connector los.
Leg de koplamp op een zachte ondergrond
neer om krassen op de lens te voorkomen.
BELANGRIJK
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
6.
1.
Verwijder de motorkapvergrendeling.
2.
Draai de schroef los met een torx-sleutel
(T30).
3.
Draai de borgpen rechtsom.
Trek de borgpen weg.
Vervang de desbetreffende gloeilamp volgens de aanwijzingen.
De koplamp moet gemonteerd zijn en de connector moet correct zijn aangesloten voordat de verlichting wordt geactiveerd of van contactslotstand
wordt gewisseld.
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 357)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde
(p. 358)
359
ONDERHOUD EN SERVICE
Lampen vervangen - afdekking
groot-/dimlichtlampen
De groot-/dimlichtlampen zijn te bereiken door
de grote afdekking van de koplamp los te
nemen.
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - dimlicht (p. 360)
Lamp vervangen - groot licht (p. 361)
Lamp vervangen - dimlicht
De lamp van het dimlicht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
N.B.
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
N.B.
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
Voordat u grote afdekking kunt losnemen, moet u
eerst het koplamphuis losnemen en verwijderen,
zie Lamp vervangen - koplampen (p. 359).
1.
2.
360
1.
Neem de koplamp (p. 359) los.
2.
Neem de afdekking (p. 360) los.
3.
Druk de lamphouder omhoog totdat deze
loskomt.
Beweeg de afdekking onder een hoek
naar buiten.
4.
Vervang de gloeilamp en plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Vervang de desbetreffende gloeilamp volgens de aanwijzingen.
Gerelateerde informatie
Druk de haken in.
Trek de lamphouder naar buiten.
•
Lampen - specificaties (p. 364)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - groot licht
De lamp van het groot licht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
N.B.
Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde
Lamp vervangen - parkeerlichten
voor
De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine
afdekking in het koplamphuis.
De houder voor de parkeerlichten zit aan de zijkant van de koplamp.
N.B.
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
N.B.
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
1.
Neem de koplamp (p. 359) los.
2.
Neem de afdekking (p. 360) los.
3.
4.
1.
Neem de koplamp (p. 359) los.
1.
Draai de lamphouder linksom.
2.
Maak de afdekking los.
2.
Trek de lamphouder naar buiten.
3.
Druk de borghaak in.
Vervang de gloeilamp en plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Trek de lamphouder naar buiten.
4.
Gerelateerde informatie
•
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
Lampen - specificaties (p. 364)
Vervang de gloeilamp en plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Gerelateerde informatie
•
Neem de koplamp (p. 359) los.
Draai de lamphouder linksom.
Trek de lamphouder naar buiten.
3.
Vervang de gloeilamp en plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 364)
Lampen - specificaties (p. 364)
361
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - dagrijlicht
Gerelateerde informatie
De dagrijlichtlamp zit achter de afdekking in de
bumper.
•
N.B.
•
Geldt voor auto's met halogeenkoplampen.
•
Geldt alleen voor dagrijlicht met gloeilampen.
Lampen - specificaties (p. 364)
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen
aan achterzijde.
Remlicht (led)
Achterlicht (led)
Remlichten (p. 363)
Sidemarkers (led)
1.
Maak de afdekking los.
Richtingaanwijzer (p. 363)
2.
Draai de lamphouder linksom.
Achteruitrijlicht (p. 363)
Trek de lamphouder naar buiten.
Mistachterlicht (bestuurderszijde) (p. 363)
3.
Vervang de gloeilamp en plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Gerelateerde informatie
•
•
362
Lamp vervangen - algemeen (p. 357)
Lampen - specificaties (p. 364)
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - richtingaanwijzers
achter, rem- en achteruitrijlichten
De lampen voor richtingaanwijzers achter, remlichten en achteruitrijlichten zijn vanuit de bagageruimte te vervangen.
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde
(p. 362)
•
Lampen - specificaties (p. 364)
Lamp vervangen - mistachterlicht
De lamp voor het mistachterlicht zit in de lamphouder van de bumper.
Bij een auto met het stuur links zit de gloeilamp
voor het mistachterlicht aan de linkerzijde en bij
een auto met het stuur rechts aan de rechterzijde.
Lamphuis aan de linkerzijde.
1.
2.
Verwijder het klepje in de bekleding (1) aan
de kant waar de kapotte gloeilamp zit.
Druk de borghaak opzij.
Trek de lamphouder naar buiten.
3.
Haal de kapotte gloeilamp los door deze in
te duwen en linksom te draaien.
4.
Vervang de gloeilamp en monteer de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
}}
363
ONDERHOUD EN SERVICE
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
||
De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes.
Lampen - specificaties
De specificaties gelden voor gloeilampen. Wend
u voor vervanging van led-lampen tot een werkplaats.
Steek een stomp, op een mes lijkend voorwerp, zoals een tafelmes, (zo'n 20 mm) bij de
driehoek naar binnen.
Werk de borgnok voorzichtig los.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig, zodat er geen onderdelen
beschadigd raken.
Draai de lamphouder linksom.
1.
Steek een schroevendraaier achter het lampglas om de borgnok aan de rand voorzichtig
los te werken.
2.
Haal het lampglas voorzichtig los en verwijder het.
3.
Trek de gloeilamp met een rondbektang
recht opzij. Let erop dat u met de tang niet te
veel druk zet op de lamp, anders kan het glas
van de lamp kapotgaan.
Trek de lamphouder naar buiten.
3.
Duw de lamp naar binnen en draai deze
linksom.
4.
Vervang de gloeilamp en plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 364)
4.
Gerelateerde informatie
•
364
Vervang de gloeilamp en plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Lampen - specificaties (p. 364)
A
B
C
Verlichting
WA
Type
DimlichtB
55
H7 LL
Groot lichtB
65
H9
Richtingaanwijzers
voorzijde
21
HY21W
Parkeerlichten voorB
5
W5W LL
Dagrijverlichting, voorbumperC
19
PW19W
Zijrichtingaanwijzers,
buitenspiegelsC
5
WY5W LL
Richtingaanwijzers
achter
21
PY21W LL
Remlichten
21
P21W LL
Achteruitrijlicht
21
P21W LL
Mistachterlicht
21
H21W LL
Verlichting makeupspiegel
1,2
Lampvoet T5;
W2x4,6d
Watt
Auto's met halogeenkoplampen
Bepaalde varianten
ONDERHOUD EN SERVICE
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 357)
Lamp vervangen - positie lampen voorzijde
(p. 358)
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde
(p. 362)
•
Lamp vervangen - verlichting make-upspiegel (p. 364)
Wisserbladen
De wisserbladen vegen neerslag van de voor- en
achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof
reinigen ze de ruiten voor een goed zicht tijdens
het rijden.
Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen
vervangen moeten deze eerst in de servicestand
worden gezet.
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand
worden gezet, moet u controleren of ze niet
vastgevroren zijn.
1.
Steek de transpondersleutel in het contactslot8 en druk kort op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrische systeem
van de auto in de sleutelstand I te zetten.
Voor gedetailleerde informatie over sleutelstanden, zie Contactslotstanden - functies in
verschillende standen (p. 82).
2.
Druk nogmaals kort op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrisch systeem
van de auto in de sleutelstand 0 te zetten.
3.
Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
zo'n 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal
staan.
Servicestand
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
8
Niet nodig bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling.
De wissers keren terug naar de uitgangspositie
door kort op de knop START/STOP ENGINE
(sleutelstand I) te drukken of anders bij het starten van de auto.
}}
365
ONDERHOUD EN SERVICE
||
BELANGRIJK
Als de wisserarmen in de servicestand van de
voorruit af zijn gehaald, moet u ze tegen de
voorruit terugklappen alvorens de wissers te
activeren. Dit om lakschade aan de motorkap
tegen te gaan.
Wisserbladen vervangen
G021763
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort.
N.B.
Let er bij het vervangen van wisserbladen op
dat ze een verschillende lengte hebben. Het
blad aan de bestuurderszijde is langer dan
dat aan de passagierszijde.
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die op
de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
WAARSCHUWING
Controleer of het blad goed vastzit.
4.
Klap de wisserarm terug op de voorruit.
De wissers keren terug naar de uitgangspositie
door kort op de knop START/STOP ENGINE
(sleutelstand I) te drukken of anders bij het starten van de auto.
366
Omdat de auto is uitgerust met een voetgangersairbag (Pedestrian Airbag) adviseert
Volvo u om originele wisserarmen te gebruiken en deze alleen door originele onderdelen
te vervangen.
ONDERHOUD EN SERVICE
Wisserbladen vervangen, achterklep
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur van
de bladen.
Sproeiervloeistof - bijvullen
Om de koplampen en ruiten schoon te houden
wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik sproeiervloeistof met antivries bij temperaturen onder
het vriespunt.
Gerelateerde informatie
•
1.
Klap de wisserarm uit.
2.
Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij de
pijl) beet.
3.
Draai het wisserblad linksom om de aanslag
op de wisserarm als hefboom te gebruiken
zodat het wisserblad gemakkelijker loskomt.
4.
Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer
of het goed vastzit.
5.
Klap de wisserarm terug naar de oorspronkelijke stand.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen en
de voorruit, zie Wasstraat (p. 382).
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 367)
Voor het bijvullen van de sproeiervloeistof opent
u de blauwe dop.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
N.B.
Wanneer er nog zo'n 1 liter sproeiervloeistof
in het reservoir zit, verschijnt op het instrumentenpaneel samen met het symbool
de melding dat u sproeiervloeistof moet bijvullen.
}}
367
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud weer
en onder het vriespunt.
BELANGRIJK
Gebruik originele sproeiervloeistof van Volvo
of een vergelijkbaar product met de aanbevolen pH-waarde tussen 6 en 8 (gebruiksklaar
mengsel, d.w.z. gelijke delen/1:1 bij neutraal
water).
BELANGRIJK
Gebruik bij temperaturen onder nul sproeiervloeistof met antivries, zodat de vloeistof niet
bevriest in de pomp, het reservoir en de slangen.
Startaccu - algemeen
Bij vervanging van de startaccu van een auto
met Start/Stop-systeem moet u een accu van
het type EFB9 of beter monteren.
De startaccu is een traditionele 12V-accu.
Bij vervanging van een hulpaccu moet u een
accu van het type AGM10 monteren.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden et cetera
zijn van invloed op de levensduur en de werking
van de accu.
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor draait.
•
Controleer of de kabels van de startaccu op
de juiste manier zijn aangesloten en stevig
vastzitten.
Auto's met koplampsproeiers: 5,5 liter.
Auto's zonder koplampsproeiers: 3,2 liter.
368
12
KoudestartvermogenA CCAB (A)
720
Capaciteit (Ah)
Wissers en sproeiers (p. 104)
9 Enhanced Flooded Battery.
10 Absorbed Glass Mat.
Spanning (V)
Afmetingen , l×b×h (mm)
Wisserbladen (p. 365)
Motorkap - openen en sluiten (p. 351)
N.B.
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u erop
letten dat u een accu met hetzelfde koudestartvermogen en van hetzelfde type gebruikt
als de originele accu (zie de sticker op de
accu).
In de volgende tabel staan de specificaties van
de startaccu.
Hoeveelheid:
•
•
BELANGRIJK
De startaccu wordt gebruikt voor aandrijving van
de startmotor en andere elektrische uitrusting in
de auto.
A
B
Volgens EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
278×175×190
70
Bij vervanging van de accu moeten de
afmetingen van de nieuwe accu overeenkomen met die van de originele accu.
ONDERHOUD EN SERVICE
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van een startkabel, kan volstaan om de
accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat
ernstige chemische brandwonden kan
veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
BELANGRIJK
Gebruik voor het opladen van de startaccu of
de hulpaccu (p. 371) alleen een moderne
acculader met laadspanningsregeling. Maak
geen gebruik van eventuele snellading omdat
de accu daarbij beschadigd kan raken.
BELANGRIJK
N.B.
Bij het negeren van het volgende valt na aansluiting van een externe startaccu of acculader de energiebesparingsfunctie voor het
infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit
en/of verschijnt er tijdelijk geen melding over
de ladingstoestand van de startaccu op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel:
•
Als de startaccu vaak ontladen wordt, heeft
dat een negatief effect op zijn levensduur.
De levensduur van de startaccu wordt door
meerdere factoren beïnvloed, o.a. de rijomstandigheden en het klimaat. De startcapaciteit van de accu daalt in de loop van de tijd
geleidelijk en daarom moet de accu worden
opgeladen als de auto langere tijd niet wordt
gebruikt of als er alleen korte ritten mee worden gemaakt. Extreme kou beperkt de startcapaciteit ook.
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of acculader – alleen het autochassis dient als
massapunt te worden gebruikt.
Om de startaccu in een goede conditie te
houden wordt geadviseerd om minimaal 15
minuten per week te rijden of de accu aan te
sluiten op een acculader met automatische
druppellading.
Zie Starten met hulpaccu (p. 275) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
Een startaccu die constant volledig opgeladen wordt gehouden, heeft een maximale
levensduur.
Gerelateerde informatie
•
•
Accu - symbolen (p. 370)
Startaccu - vervangen (p. 370)
369
ONDERHOUD EN SERVICE
Accu - symbolen
Vermijd vonken en open
vuur.
Op de accu's zitten symbolen die informatie verstrekken en waarschuwen.
Symbolen op de accu's
Draag een veiligheidsbril.
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie de
gebruikershandleiding die
bij de auto hoort.
Bestemd voor inzameling.
Bewaar accu's buiten het
bereik van kinderen.
N.B.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Een uitgediende start- of steunaccu moet op
een milieuvriendelijke manier worden gerecycled - deze bevat namelijk lood.
Gerelateerde informatie
•
•
370
Startaccu - algemeen (p. 368)
Accu - Start/Stop (p. 371)
Startaccu - vervangen
Laat de hulpaccu vervangen in een erkende
werkplaats.
Volvo adviseert accu's te laten vervangen door
een erkende werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto, zie Startaccu - algemeen (p. 368) en Starten met hulpaccu (p. 275).
ONDERHOUD EN SERVICE
Accu - Start/Stop
Afmetingen , l×b×h (mm)
Auto's met Start/Stop-systeem hebben behalve
de startaccu ook een hulpaccu.
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien van
twee 12V-accu's – één extra krachtige startaccu
en een hulpaccu die gebruikt wordt voor de startprocedure middels het Start/Stop-systeem.
Voor meer informatie over het Start/Stop-systeem, zie Start/Stop* (p. 283).
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto, zie Starten met hulpaccu (p. 275).
In de volgende tabel staan de specificaties van
de hulpaccu.
Spanning (V)
KoudestartvermogenA CCAB (A)
11
12
13
12
120C
Capaciteit (Ah)
A
B
C
D
N.B.
150×90×106C
150×90×130D
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu
tot onder de ondergrens is gedaald,
wordt het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
10D
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu van een auto
met Start/Stop-systeem moet u een accu van
het type EFB11 of beter monteren.
Bij vervanging van een hulpaccu moet u een
accu van het type AGM12 monteren.
Enhanced Flooded Battery.
Absorbed Glass Mat.
Auto-start is alleen mogelijk, als de versnellingspook in de neutraal staat.
Hoe hoger de stroomafname in de auto
(extra koeling/verwarming e.d.), hoe meer
de accu’s moeten worden bijgeladen =
hoe hoger het brandstofverbruik.
8C
Volgens EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
Handgeschakelde versnellingsbak in combinatie met Start/
Stop-systeem met uitsluitend automatische motorstops, wanneer de auto helemaal stilstaat.
Overige.
170D
•
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
•
Auto-start motor13 werkt zonder dat u de
koppeling bedient (handmatige versnellingsbak).
•
De motor start automatisch zonder dat u uw
voet van het rempedaal haalt (automatische
versnellingsbak).
}}
* Optie/accessoire. 371
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Locatie accu's
BELANGRIJK
N.B.
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
•
Startaccu14
Als de startaccu zo ontladen is dat de elektrische standaardsystemen van de auto's zijn
uitgeschakeld en u start de motor vervolgens
met een externe accu of acculader, dan blijft
het Start/Stop-systeem actief. Als het
Start/Stop-systeem kort een automatische
motorstop verricht, is de kans groot dat een
volgende automatische motorstart mislukt
door onvoldoende capaciteit van de startaccu,
omdat de accu niet genoeg is opgeladen.
De minpool van de startaccu in de auto
mag nooit worden gebruikt voor aansluiting van een externe startaccu of acculader – alleen het autochassis dient als
massapunt te worden gebruikt.
Zie Starten met hulpaccu (p. 275) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
Als de auto starthulp heeft gekregen of de
accu onvoldoende is opgeladen met een
acculader, wordt geadviseerd het Start/Stopsysteem uit te schakelen totdat de startaccu
voldoende bijgeladen is door de auto. Bij een
buitentemperatuur van +15 °C moet de accu
ten minste 1 uur lang door de auto worden
opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen kan
de laadduur toenemen tot zo'n 3–4 uur.
Geadviseerd wordt de accu op te laden met
een externe acculader.
Hulpaccu
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service
dan de normale startaccu. Neem bij vragen of
problemen contact op met een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor meer informatie over het opladen van de
startaccu van de auto, zie Startaccu - algemeen (p. 368).
Gerelateerde informatie
•
14
372
Zie Startaccu - algemeen (p. 368) voor een uitvoerige beschrijving van de startaccu.
Accu - symbolen (p. 370)
ONDERHOUD EN SERVICE
Elektrisch systeem
Zekeringen - algemeen
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders.
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door enkele zekeringen beschermd.
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar.
De afmetingen, het type en de prestaties van de
accu zijn afhankelijk van de uitrusting in de auto
en de functie.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u erop
letten dat u een accu met hetzelfde koudestartvermogen en van hetzelfde type gebruikt
als de originele accu (zie de sticker op de
accu).
Gerelateerde informatie
•
•
Als een van de elektrische onderdelen of functies
niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende
zekering overbelast werd en daardoor gesmolten
is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt,
betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een
storing vertoont. U wordt dan geadviseerd een
bezoek te brengen aan een erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
Vervangen
1.
Zoek in de zekeringentabel op waar de zekering zit.
2.
Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3.
Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Startaccu - vervangen (p. 370)
Startaccu - algemeen (p. 368)
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan
aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden.
Positie van relais- en zekeringhouders
Positie van de relais- en zekeringhouders, auto
met het stuur links – bij auto's met het stuur
rechts zit de relais- en zekeringhouder onder het
dashboardkastje aan de andere kant.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Onder rechter voorstoel
Gerelateerde informatie
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 374)
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 377)
Zekeringen - onder rechter voorstoel
(p. 380)
373
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beschermen
onder meer de motor- en remfuncties.
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
In de relais- en zekeringhouder is tevens plaats
voor enkele reservezekeringen.
Zekeringen vervangen
De zekeringen zijn te bereiken, wanneer u het
deksel van de startaccu en het deksel van de
relais- en zekeringhouder hebt verwijderd.
374
Deksel verwijderen
Haal de borgnokken naar buiten toe die
aan de zijkanten van het deksel op de startaccu zitten.
Neem het deksel recht omhoog eraf.
ONDERHOUD EN SERVICE
Posities
De sticker aan de binnenkant van het deksel
geeft de plaats aan van de zekeringen.
•
•
Haal de borgnok opzij die op de zijkant
van de relais- en zekeringhouder zit.
Draai het deksel omhoog, totdat de borgnokken (1) loskomen.
De zekeringen 7–18 en 46 zijn van het type
"JCASE" en moeten door een werkplaats
worden vervangen15.
De zekeringen 19–45 en 47–48 zijn van het
type "MiniFuse".
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
40
Standverwarming*
20
Ruitenwissers
20
Centrale elektronicamodule, referentiespanning hulpaccu
5
ABS-pomp
40
Claxon
15
ABS-ventielen
30
Remlichten
5
Koplampsproeiers*
20
-
-
Interieurventilator
40
Verlichtingsdraaiknop
5
-
Interne relaisspoelen
5
12V-aansluiting tunnelconsole voor
15
Regeleenheid transmissie
15
-
15
Elektrische voorruitverwarming,
links*
AA
Hoofdzekering voor de zekeringen
32–36
Deksel terugplaatsen
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde
terug.
AA
Functie
-
Klap het deksel naar de motor toe open om
bij de zekeringen te komen.
Functie
Elektrische voorruitverwarming,
rechts*
-
30
40
-
-
-
12V-aansluiting tunnelconsole
achter
15
-
-
Regeleenheid motor
5
}}
* Optie/accessoire. 375
ONDERHOUD EN SERVICE
||
376
Functie
AA
Functie
AA
Elektrisch bedienbare stoel rechts*
20
Elektrische stuurbekrachtiging
5
Lambdasondes; relaisspoel in relais
voor koelventilator
15
Centrale elektronicamodule
15
Vacuümregelaar; kleppen; regeleenheid grille-afsluiting; regeleenheid spoilerafsluiting (diesel); compressor A/C; magneetklep voor
motoroliepomp; koelklep voor klimaatregeling (diesel); regeleenheid
gloeibougies (diesel); relaisspoelen
in relais voor Start/Stop-functies
10
EGR-klep (diesel); EVAP-klep
(benzine); regeleenheid motor;
thermostaat voor motorkoelsysteem (benzine); koelpomp voor
EGR (diesel)
15
Bougies (benzine)
15
Gerelateerde informatie
Dieselfilterverwarming (diesel)
25
•
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 377)
Regeleenheid motor
15
•
ABS
5
Zekeringen - onder rechter voorstoel
(p. 380)
-
-
-
-
Collision Warning
5
Gaspedaalsensor
5
-
-
-
-
Koelvloeistofpomp (bij auto zonder
standverwarming)
A
Regeleenheid motor; regeleenheid
transmissie; airbags
7,5
Koplamphoogteregeling*
10
10
Ampère
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - onder
dashboardkastje
De zekeringen onder het dashboardkastje
beschermen onder meer de airbags en de interieurverlichting.
Aan de binnenkant van het deksel naar relaisen zekeringhouder in de motorruimte zit een
speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
In de relais- en zekeringhouder in de motorruimte is tevens plaats voor enkele reservezekeringen.
Zekeringen vervangen
De zekeringen zijn toegankelijk als een
beschermkap is losgemaakt van de relais- en
zekeringhouder.
}}
377
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Kap demonteren
Pak de uitsparing vast en trek tot de borgnokjes aan de onderkant van de kap loslaten
van de relais- en zekeringhouder.
Verwijder de kap.
N.B.
Er is een relatief grote trekkracht nodig om
de borgnokjes aan de bovenkant van de kap
eerst los te maken vanuit de relais- en zekeringhouder.
Kap monteren
Pas de onderste borgnokjes in.
Draai de kap omhoog totdat de bovenste
nokjes vastklikken.
N.B.
Let erop dat de bovenste borgnokjes goed in
de groeven van de relais- en zekeringhouder
worden geleid.
Posities
De zekeringen zijn van het type "MiniFuse".
AA
Achterruitwisser
15
Display op plafondconsole (gordelwaarschuwing/indicatie voor passagiersairbag voorin)
5
Interieurverlichting; bediening voorste leeslampjes en interieurverlichting voorin op plafondconsole;
elektrisch bedienbare stoelen*
7,5
Elektrisch bedienbaar zonnescherm voor het glazen schuif-/
kanteldak*
10
Regensensor*; automatisch dimmende achteruitkijkspiegel*; vochtsensor*
5
Collision Warning*
5
-
10
Achterklep ontgrendelenB
-
-
AA
Reservepositie 3, continue spanning
5
Functie
Brandstofpomp
20
Stuurslot
15
Instrumentenpaneel
5
-
378
Functie
-
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
AA
Functie
AA
Centrale vergrendeling tankvulklepC
10
Centrale vergrendeling tankvulklepF
10
Bedieningspaneel klimaatregeling
7,5
Achterklep ontgrendelenG
10
Stuurwieleenheid
7,5
Elektrische extra verwarming*; knop
achterbankverwarming*
7,5
Sirene alarmsysteem*; diagnoseaansluiting OBDII
5
Airbags; voetgangersairbag*
7,5
Groot licht
15
Reservepositie 4, continue spanning
7,5
-
-
-
Achteruitrijlicht
7,5
-
-
VoorruitsproeierD; achterruitsproeierD
20
Startblokkering
5
Reservepositie 1, continue spanning
15
Reservepositie 2, continue spanning
20
Bewegingsmelder voor alarm*; ontvanger transpondersleutels
5
VoorruitsproeierE; achterruitsproeierE
20
-
A
B
C
D
E
F
G
Ampère
Zie ook zekering 84.
Zie ook zekering 83.
Zie ook zekering 82.
Zie ook zekering 77.
Zie ook zekering 70.
Zie ook zekering 65.
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 374)
Zekeringen - onder rechter voorstoel
(p. 380)
* Optie/accessoire. 379
ONDERHOUD EN SERVICE
Zekeringen - onder rechter
voorstoel
De zekeringen onder de rechter voorstoel beveiligen onder meer de infotainmentfuncties en de
stoelverwarming.
Aan de binnenkant van het deksel naar relaisen zekeringhouder in de motorruimte zit een
speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Posities
In de relais- en zekeringhouder in de motorruimte is tevens plaats voor enkele reservezekeringen.
•
16
380
•
De zekeringen 24–28 zijn van het type
"JCASE" en moeten worden vervangen door
een werkplaats16.
De zekeringen 1–23 en 29–46 zijn van het
type "MiniFuse".
Functie
AA
-
-
Passief systeem*
10
Portierhandgrepen, passief systeem*
5
Bedieningspaneel portier linksvoor
25
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire.
ONDERHOUD EN SERVICE
Functie
AA
Functie
Bedieningspaneel portier rechtsvoor
25
-
-
-
-
Bedieningspaneel portier linksachter
25
-
-
-
-
-
-
-
-
Bedieningspaneel portier rechtsachter
25
Hoofdzekering voor zekeringen
12–16: Infotainment
25
Elektrisch bediende stoel links*
20
-
-
Interne relaisspoel
5
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
12V-aansluiting bagageruimte
Trekhaakaansluiting 2*
20
Regeleenheid audio (versterker)*
30
-
15
-
-
-
-
Functie
AA
-
AA
Verwarming zitplaats achterbank
rechts*
15
Verwarming zitplaats achterbank
links*
15
Trekhaakaansluiting 1*
40
-
-
Elektrische achterruitverwarming
30
-
-
-
-
-
-
BLIS*
5
-
-
Parkeerhulp*
5
15
Parkeercamera*
5
-
-
Regeleenheid auto (versterker)*,
signaal voor diagnose; regeleenheid audio of regeleenheid SensusB; regeleenheid Infotainment of
beeldschermB; digitale radio*; tv*
-
-
Telematica*; Bluetooth*
5
Stoelverwarming bestuurderszijde
voorin
15
Stoelverwarming passagierszijde
voorin
15
A
B
Ampère
Bepaalde modelvarianten.
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 374)
Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 377)
* Optie/accessoire. 381
ONDERHOUD EN SERVICE
Wasstraat
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider
staat. Gebruik autoshampoo.
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is, bestaat
er brandgevaar.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen met
de hand worden gewassen. De reden hiervoor
is dat de lak gevoeliger is als deze nieuw is.
Met de hand wassen
•
•
•
•
•
382
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke
verkleuring te laten herstellen door een
erkende Volvo-werkplaats.
Spoel het onderstel af.
Spoel de hele auto af tot al het losse vuil is
verwijderd om de kans op waskrassen te
beperken. Spuit niet rechtstreeks in de richting van de sloten.
Gebruik zo nodig een koudontvetter voor
hardnekkig vuil. Let op dat de oppervlakken
dan niet door de zon opgewarmd mogen zijn!
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker. Door waterdruppels niet in felle zon te laten opdrogen,
beperkt het risico van watervlekken die u
moet wegpoetsen.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken slechter. Maak ze
regelmatig schoon, bijvoorbeeld als u tankt.
Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen
of reinigingsmiddelen met een pH lager dan
3,5 of hoger dan 11,5. Gebruik water en een
niet schurende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen
en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit
is een natuurlijk verschijnsel en alle externe
verlichting is erop gebouwd om dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt
normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp
enige tijd brandt.
BELANGRIJK
Gebruik voor een auto met een matte laklaag
geen wasprogramma's die worden afgesloten
met een warme wasbehandeling.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de spuitkop op minstens 30 cm afstand van de auto
houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit
niet rechtstreeks in de richting van de sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test de rem na het wassen altijd, ook de parkeerrem, zodat vocht en corrosie de remvoering niet aantasten en de remmen verslechteren.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken, maar
de borstels van de wasstraat kunnen niet overal
even goed bij. Voor het beste resultaat wordt u
geadviseerd de auto met de hand te wassen.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als
u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder
aflegt. Door de wrijving worden de remblokken
warm, zodat het vocht verdampt. Doe hetzelfde bij
zeer vochtig of koud weer.
ONDERHOUD EN SERVICE
Wisserbladen
BELANGRIJK
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs en dergelijke op de voorruit
gaan wisserbladen minder lang mee.
Was de auto bij voorkeur niet met reinigingsmiddelen met een pH lager dan 3,5 of hoger
dan 11,5. Geanodiseerde onderdelen van aluminium zoals de dakrails en de sierlijsten rond
de zijruiten kunnen anders verkleuren.
Bij het reinigen:
–
Zet de wisserbladen in de servicestand, zie
Wisserbladen (p. 365).
Gebruik nooit metaalpolijstpasta op onderdelen van geanodiseerd aluminium om verkleuring en schade aan de finish tegen te gaan.
N.B.
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig
met een lauw sopje of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips,
wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel
te gebruiken dat bij de Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij gebruik van dit reinigingsmiddel
de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
De sierlijsten rond de portierruiten, de dakrails
van de auto en de portierframes bij de ruiten* zijn
gemaakt van geanodiseerd aluminium, wat betekent dat u de genoemde onderdelen alleen dient
te wassen met een reinigingsmiddel met een pH
tussen 3,5 en 11,5. Dit om verkleuring tegen te
gaan.
Onderdelen die moeten worden schoongemaakt met
een reinigingsmiddel met een pH tussen 3,5 en 11,5.
BELANGRIJK
Breng geen autowas aan op kunststof, rubberen of gelakte onderdelen in een matte of
halfmatte afwerking en polijst dergelijke
onderdelen evenmin.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber onderdelen mag u, als dat
nodig is, alleen licht wrijven. Gebruik een
zachte spons.
Bij het polijsten van glanzende strips kan de
glanzende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
Velgen
Gebruik alleen de velgreinigers die Volvo adviseert.
Na reiniging kan er verkleuring optreden aan de
spaakvoet, doordat remstof zich kan vastbijten in
de lak op de velgen. Vaak is het gebruik van een
lakreiniger met een zeer fijne polish en een
zachte doek voldoende.
Sterke velgreinigers kunnen het oppervlak
beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Poetsen en in de was zetten (p. 384)
Interieur reinigen (p. 386)
Water- en vuilafstotende laag (p. 385)
Gebruik geen poetsmiddelen met een schurende werking.
* Optie/accessoire. 383
ONDERHOUD EN SERVICE
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat
u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of terpentine. U kunt hardnekkige vlekken
met een speciaal voor autolak bestemde, fijne
schuurpasta ("rubbing compound") verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel
preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
BELANGRIJK
Polijst nooit gebieden met een matte laklaag.
Bij polijsten verdwijnt de matte afwerking.
Gebruik geen lakreinigers, schuur- en schuurmiddelen of glansconserveringsmiddelen
zoals was. Dergelijke producten zijn uitsluitend bestemd voor gebieden met een hoogglansafwerking. Bij gebruik ervan op gebieden met een matte laklaag ontstaan ernstige
beschadigingen (waaronder glanzende plekken).
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber onderdelen mag u, als dat
nodig is, alleen licht wrijven. Gebruik een
zachte spons.
Bij het polijsten van glanzende strips kan de
glanzende oppervlaktelaag wegslijten of
beschadigd raken.
BELANGRIJK
Gebruik geen poetsmiddelen met een schurende werking.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling,
bescherming, glansverzegeling e.d. kunnen
lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg
van dergelijke behandelingen valt niet onder
de Volvo-garantie.
Matte heldere lak
Let voor gebieden van de auto die zijn voorzien
van een matte laklaag op het volgende om lakschade door een verkeerde behandeling tegen te
gaan.
384
BELANGRIJK
Breng geen autowas aan op kunststof, rubberen of gelakte onderdelen in een matte of
halfmatte afwerking en polijst dergelijke
onderdelen evenmin.
•
Verwijder gemorste was op gebieden met
een matte laklaag onmiddellijk met reguliere wasbenzine.
•
Let erop dat er geen hars, vet of olie op
het lakwerk van de auto komt. Dergelijke
stoffen kunnen vlekken veroorzaken. Verwijder ze onmiddellijk met reguliere wasbenzine.
Wees voorzichtig en wrijf niet te hard over het
lakoppervlak.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 382)
ONDERHOUD EN SERVICE
Water- en vuilafstotende laag
BELANGRIJK
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die
bij hevige regenval voor een beter zicht zorgt.
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten
van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels van ijs te ontdoen, zie Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 110).
Water- en vuilafstotende laag*
De waterafstotende laag staat bloot
aan natuurlijke slijtage.
Onderhoud:
•
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters en dergelijke op het glasoppervlak,
omdat de waterafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
•
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
•
Om schade aan het glas te voorkomen dient
u voor het verwijderen van ijs alleen een
krabber van kunststof te gebruiken.
•
Om de waterafstotende eigenschappen op
de zijruiten te behouden, wordt geadviseerd
de behandeling te vernieuwen met een
nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij
een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het
middel de eerste keer na drie jaar en daarna
ieder jaar.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 382)
Roestwering
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
Controleren en onderhouden
De corrosiebescherming van de auto behoeft
normaal gesproken geen onderhoud, maar door
de auto schoon te houden, wordt de kans op corrosie verder verkleind. Sterk alkalische of zure reinigingsmiddelen moeten altijd worden vermeden
op glanzende sierdetails. Repareer eventuele
steenslagplekken zo snel mogelijk na constatering.
Gerelateerde informatie
•
Lakschade (p. 387)
* Optie/accessoire. 385
ONDERHOUD EN SERVICE
Interieur reinigen
Stoffen bekleding en plafondbekleding
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Reinig het interieur regelmatig en voor
het beste resultaat is het zaak om vlekken
meteen te verwijderen. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een reinigingsmiddel gebruikt.
Volvo biedt een universeel textielverzorgingsproduct voor stoffen bekleding en plafondbekleding,
waarmee u de bekleding in optimale staat kunt
houden, mits u de instructies opvolgt. Het textielverzorgingsproduct is verkrijgbaar bij een Volvodealer.
BELANGRIJK
•
•
•
•
386
Sommige geverfde kledingstukken (zoals
spijkerbroeken en suède kleding) kunnen
afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen. In dat geval is het belangrijk
om de verkleurde delen van de bekleding
zo spoedig mogelijk te reinigen en te verzorgen.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen zoals
sproeiervloeistof, wasbenzine of terpentine voor het reinigen van het interieur,
omdat zowel de bekleding als de overige
interieuronderdelen daarbij beschadigd
kunnen raken.
Spuit reinigingsmiddelen nooit rechtstreeks op componenten met elektrische
knoppen of bedieningselementen. Maak
ze in plaats daarvan schoon met een
doek die u met het reinigingsmiddel
bevochtigd hebt.
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding van
de auto beschadigen.
Leren bekleding
De leren bekleding van Volvo is behandeld om de
bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Leren bekleding is een natuurproduct dat na verloop van tijd een mooi patina krijgt. Voor het
behoud van de eigenschappen en kleur van het
leer is regelmatige reiniging en verzorging vereist.
Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct, Volvo Leather Care Kit/Wipes, waarmee u
leren bekleding kunt reinigen en de beschermende laag kunt herstellen, mits u de instructies
opvolgt.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar (zo
nodig vaker) op te brengen. U kunt de Volvo Leather Care Kit/Wipes kopen bij een Volvo-dealer.
Leren stuurwiel
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren stuurwiel nooit af met kunststof bescherming. Reinigen het leren stuurwiel bij voorkeur met Volvo
Leather Care Kit/Wipes.
Interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken geadviseerd,
die verkrijgbaar zijn bij een erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit
sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige
vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel
gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats.
Veiligheidsgordels
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel en
in het bijzonder het textielreinigingsmiddel dat bij
een erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is.
Zorg dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
Inlegmatten en vloermat
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart schoon te
kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en
stof te verwijderen. Elk van beide inlegmatten zit
met pennen vast.
Verwijder de inlegmat door de inlegmat bij elk
van beide pennen vast te pakken en recht
omhoog te tillen.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide pennen vast te drukken.
ONDERHOUD EN SERVICE
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg
te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel
goed in de bevestigingsklemmen op de vloer
vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan
glijden en achter of onder de pedalen blijft
haken.
Lakschade
Kleurcode
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. De meest voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld
steenslagplekken, krassen en plekjes op de
spatbordranden, portieren en bumpers.
De kleurcodesticker vindt u in de portierstijl van
de auto en wordt zichtbaar zodra het portier
rechtsachter wordt geopend.
BELANGRIJK
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd
het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U
dient vloermatten te reinigen met de door een
Volvo-dealer geadviseerde producten.
Wanneer de auto is voorzien van een matte
laklaag:
Laat lakreparaties over aan een erkende
werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 382)
Geringe lakschade herstellen
Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
Eventueel benodigd materiaal
•
Grondlak (primer)17 - voor met kunststof
beklede bumpers en dergelijke zijn er spuitbussen met speciale hechtprimer verkrijgbaar.
•
basislak en heldere lak - verkrijgbaar in spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften18.
•
•
17
18
Kleurcode exterieur
Eventuele secundaire kleurcode exterieur
Het is belangrijk dat u de juiste kleur gebruikt.
Voor de positie van de productsticker zie
Typeaanduidingen (p. 390).
Afplaktape.
Fijn schuurlinnen17.
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
}}
387
ONDERHOUD EN SERVICE
||
Kleine lakbeschadigingen als
steenslagplekken en krassen repareren
3.
Roer de grondlak (primer) goed door en
breng deze met een fijn kwastje, een lucifer
of iets dergelijks aan. Werk als de grondlak
droog is af met basislak en heldere lak.
4.
Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
N.B.
G021832
Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (het plaatwerk) is gekomen en er nog
steeds een onbeschadigde laklaag aanwezig
is, moet u de basislak en heldere lak direct
aanbrengen nadat het oppervlak is gereinigd.
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan 15 °C.
1.
Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van de
lak af om eventuele lakresten te verwijderen.
Als de beschadiging tot op het metaal (plaat)
zit, moet een grondlak (primer) worden
gebruikt. Bij beschadiging van een kunststof
oppervlak moet voor een optimaal resultaat
een hechtprimer worden gebruikt – spray in
het deksel van de sprayfles en strijk dun op.
2.
388
Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk licht
schuren met zeer fijn schuurlinnen. Maak het
oppervlak goed schoon en laat drogen.
Gerelateerde informatie
•
Roestwering (p. 385)
SPECIFICATIES
SPECIFICATIES
Typeaanduidingen
390
Typeaanduiding, chassisnummer en dergelijke
(autospecifieke informatie) staan aangegeven op
een sticker in de auto.
SPECIFICATIES
Positie van stickers en plaatjes
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of
}}
391
SPECIFICATIES
||
accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om
de typeaanduiding, het chassisnummer en het
motornummer bij de hand te hebben.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen te
komen met de stickers die in of op uw auto
aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn alleen
bedoeld om aan te geven hoe de stickers er
in grote lijnen uitzien en waar ze ongeveer zitten. Op de stickers van de auto vindt u de
informatie die op uw auto van toepassing is.
Sticker voor typeaanduiding, chassisnummer,
maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcode voor
lakwerk en typegoedkeuringsnummer. De
sticker zit op de portierstijl en wordt bij het
openen van het rechter achterportier zichtbaar.
Sticker voor A/C-systeem.
Sticker voor standverwarming.
Sticker voor motorcode en serienummer van
de motor.
Sticker voor motorolie.
Sticker voor typeaanduiding en serienummer
van de versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Sticker voor het identificatienummer van de
auto – VIN (Vehicle Identification Number).
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
392
Gerelateerde informatie
•
•
Gewichten (p. 394)
Motorspecificaties (p. 397)
SPECIFICATIES
Maten
In de tabel ziet u de maten van de auto wat de
lengte, hoogte et cetera betreft.
V40.
A
B
C
Maten
mm
Wielbasis
2647
Lengte
Laadlengte, vloer, achterbank
neergeklapt
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
Maten
G
Spoorbreedte vooras
4370
1508
H
Spoorbreedte achteras
684
1546A
1551B
1559C
1533A
1538B
1420
532
mm
1546C
I
Laadbreedte, vloer
A
B
C
Maten
mm
J
Breedte
1802
K
Breedte incl. buitenspiegels
2041
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1857
Offset 52,5 mm.
Offset 50 mm.
Offset 46 mm.
960
393
SPECIFICATIES
Gewichten
Het maximale totaalgewicht staat aangegeven
op een sticker in de auto.
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90% gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk
(p. 395) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht –
rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklare gewicht geldt
voor een auto in de basisuitvoering, dus een
auto zonder extra uitrusting of opties. Dat
houdt in dat voor elke optie die wordt toegevoegd, de laadcapaciteit van de auto met het
gewicht van de optie afneemt.
Voorbeelden van opties die de laadcapaciteit
verminderen zijn de onderdelen voor de verschillende uitvoeringen (zoals Kinetic/
Momentum/Summum) en andere opties
zoals: trekhaak, lastdrager, dakbox, audiosysteem, verstralers, gps-navigatie, verwarming
op brandstof, veiligheidsrek, matten, bagagerolhoes, elektrisch bedienbare stoelen et
cetera.
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
Typeaanduidingen (p. 390).
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
De auto wegen is een betrouwbare methode
om na te gaan wat het rijklare gewicht van uw
auto is.
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door hoe
zwaar de auto beladen is en hoe de lading is
geplaatst.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
Gerelateerde informatie
•
394
Trekgewicht en kogeldruk (p. 395)
SPECIFICATIES
Trekgewicht en kogeldruk
Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden
met een aanhanger staan in de tabellen.
Max. gewicht geremde aanhanger
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
V40
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T2
B4204T17
T2
B4154T3
Handgeschakeld, M76
1500
75
Automaat, TF-71SC
1500
75
T2
B4154T5
Automaat, TF-71SC
1500
75
T3
B4204T33
Handgeschakeld, M76
1500
75
T3
B4154T2
Automaat, TF-71SC
1500
75
T3
B4154T4
Automaat, TF-71SC
1500
75
T4
B4204T19
Automaat, TF-71SC
1500
75
T5
B4204T41
Automaat, TG-81SC
1500
75
T5
B4204T11
Automaat, TG-81SC
1500
75
D2
D4204T8
Automaat, TF-71SC
1500
75
D2
D4204T13
Handgeschakeld, M76
1500
75
D2
D4204T13
Automaat, TF-71SC
1500
75
D3
D4204T16
Handgeschakeld, M76
1500
75
D3
D4204T16
Automaat, TF-71SC
1500
75
Motor
}}
395
SPECIFICATIES
||
V40
MotorcodeA
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
D3
D4204T9
D4
D4204T14
Automaat, TF-71SC
1500
75
Automaat, TG-81SC
1500
75
Motor
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Typeaanduidingen (p. 390).
A
Max. gewicht ongeremde aanhanger
V40
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
700
50
Motor
Alle
Gerelateerde informatie
•
•
•
396
Gewichten (p. 394)
Rijden met een aanhanger (p. 310)
Trailer Stability Assist (TSA) (p. 317)
SPECIFICATIES
Motorspecificaties
De motorspecificaties (vermogen enzovoort)
voor de verschillende motoralternatieven staan in
de tabel.
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
}}
397
SPECIFICATIES
||
V40
MotorcodeA
Vermogen (kW
bij omw/min)
Vermogen (pk
bij omw/min)
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring (mm)
Slaglengte
(mm)
Slagvolume (liter)
Compressieverhouding
T2
B4154T3
90/5000
122/5000
220/1800–3500
4
82,0
70,9
1,498
10,5:1
T2
B4154T5
90/5000
122/5000
220/1600–3500
4
82,0
70,9
1,498
10,5:1
T2
B4204T17
90/5000
122/5000
220/1200–3500
4
82,0
93,2
1,969
11,3:1
T3
B4154T2
112/5000
152/5000
250/1800–4000
4
82,0
70,9
1,498
10,5:1
T3
B4154T4
112/5000
152/5000
250/1700–4000
4
82,0
70,9
1,498
10,5:1
T3
B4204T33
112/5000
152/5000
250/1300–4000
4
82,0
93,2
1,969
11,3:1
T4
B4204T19
140/4700
190/4700
300/1300–4000
4
82,0
93,2
1,969
11,3:1
T5
B4204T41
180/5500
245/5500
350/1500–4800
4
82,0
93,2
1,969
8,6:1
T5
B4204T11
180/5500
245/5500
350/1500–4800
4
82,0
93,2
1,969
10,8:1
D2
D4204T13
88/3750
120/3750
280/1500-2250
4
82,0
93,2
1,969
16,0:1
D2
D4204T8
88/3750
120/3750
280/1500-2250
4
82,0
93,2
1,969
16,0:1
D3
D4204T16
110/3750
150/3750
320/1750–3000
4
82,0
93,2
1,969
16,0:1
D3
D4204T9
110/3750
150/3750
320/1750–3000
4
82,0
93,2
1,969
16,0:1
D4
D4204T14
140/4250
190/4250
400/1750–2500
4
82,0
93,2
1,969
15,8:1
Motor
A
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Typeaanduidingen (p. 390).
Gerelateerde informatie
398
•
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 402)
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 400)
SPECIFICATIES
Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De
oliesoort werd met grote zorg geselecteerd
lettend op de levensduur van de motor, de
startgewilligheid, het brandstofverbruik en de
milieu-impact.
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
Controleer het oliepeil (p. 353), vaker tijdens langere ritten:
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit
en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een negatieve invloed op de
levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact is
anders niet uitgesloten.
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten
bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige
rijomstandigheden. Ze bieden de motor extra
bescherming.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert:
Volvo adviseert de olie in een erkende Volvowerkplaats te laten verversen.
Gerelateerde informatie
•
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 400)
Motorolie - algemeen (p. 352)
399
SPECIFICATIES
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
De aanbevolen motoroliekwaliteit en de hoeveelheid voor de verschillende motoralternatieven
staan in de tabel.
Volvo adviseert:
400
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
SPECIFICATIES
V40
MotorcodeA
Oliekwaliteit
Motor
A
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter, ca.)
T2
B4204T17
T2
B4154T3
Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20
5,6
T2
B4154T5
5,6
T3
B4154T2
5,6
T3
B4154T4
5,6
T3
B4204T33
5,6
T4
B4204T19
T5
B4204T41
Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20
5,6
5,6
5,6
T5
B4204T11
D2
D4204T13
5,6
D2
D4204T8
5,2
D3
D4204T16
5,2
D3
D4204T9
5,2
D4
D4204T14
5,2
Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20
5,2
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Typeaanduidingen (p. 390).
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 399)
•
Motorolie - controleren en bijvullen (p. 353)
401
SPECIFICATIES
Koelvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
V40
Hoeveelheid
(liter)
MotorA
In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid
koelvloeistof voor de verschillende motortypes.
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50% water1, zie
verpakking.
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
T2
B4154T3
T2
B4154T5
T2
B4204T17
T3
B4154T2
T3
B4154T4
T3
B4204T33
T4
B4204T19
T5
B4204T41
T5
B4204T11
D2
D4204T13
D2
D4204T8
D3
D4204T16
D3
D4204T9
D4
D4204T14
A
B
1
402
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
8,0 (8,4B)
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op
de motor, zie Typeaanduidingen (p. 390).
Geldt voor een auto met een verwarming op brandstof.
Gerelateerde informatie
•
7,5 (7,8B)
Koelvloeistof - peil (p. 355)
SPECIFICATIES
Transmissieolie - kwaliteit en
hoeveelheid
De voorgeschreven transmissieolie en de hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel.
Handgeschakelde versnellingsbak
Handgeschakelde versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
M76
ca. 1,6
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 352 B1
Automatische versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
TF-71SC
TG-81SC
A
B
Hoeveelheid (liter)
ca. 6,8
ca.
6,6A
ca. 7,5B
Voorgeschreven versnellingsbakolie
AW1
AW1
Benzinemotoren
Dieselmotoren
N.B.
In normale rijomstandigheden hoeft de transmissie-olie niet te worden ververst. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de olie
mogelijk wel worden ververst.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 399)
•
Typeaanduidingen (p. 390)
403
SPECIFICATIES
Remvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Remvloeistof is de naam van het middel in een
hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om
druk uit een hoofdremcilinder over te brengen
op mechanisch bediende remmen.
Voorgeschreven kwaliteit: Volvo Original
DOT 4 klasse 6 of een vergelijkbare kwaliteit.
Hoeveelheid: 0,6 liter
Gerelateerde informatie
•
404
Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 356)
SPECIFICATIES
Brandstoftank - inhoud
De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel.
V40
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
Benzine
ca. 62
Brandstof - benzine (p. 302)
Dieselolie
ca. 62
Brandstof - diesel (p. 303)
Motor
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof tanken (p. 301)
Motorspecificaties (p. 397)
405
SPECIFICATIES
Tankvolume voor AdBlue®2
Het tankvolume voor het additief AdBlue
bedraagt ca. 16,5 liter.
Gerelateerde informatie
•
AdBlue® – controleren en bijvullen (p. 308)
Airconditioning, vloeistof hoeveelheid en kwaliteit
De klimaatregeling van de auto maakt, afhankelijk van de markt, gebruik van het koudemiddel
R1234yf of R134a. Op een sticker aan de binnenkant van de motorkap staat informatie over
het koudemiddel dat in de klimaatregeling van
de auto zit.
In de onderstaande tabellen ziet u welke kwaliteit
vloeistoffen en smeermiddelen er in het aircosysteem zitten en in welke hoeveelheden.
A/C-sticker
Sticker voor R134a
De sticker zit aan de binnenkant van de motorkap.
2
406
Sticker voor R1234yf
Geregistreerd handelsmerk van Verband der Automobilindustrie e.V. (VDA)
De sticker zit aan de binnenkant van de motorkap.
SPECIFICATIES
Toelichting symbolen R1234yf
Symbool
Betekenis
Voorzichtigheid betrachten
Mobiele airco (MAC)
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend worden
uitgevoerd door een erkende werkplaats.
575 g
Voorgeschreven kwaliteit
R1234yf
Type smeermiddel
Koudemiddel
Auto's met koudemiddel R134a
Gewicht
625 g
Voorgeschreven kwaliteit
Gerelateerde informatie
•
WAARSCHUWING
Brandbaar koudemiddel
BELANGRIJK
Het is niet toegestaan de aircocondensor te
repareren of te vervangen door een gebruikte
condensor. De nieuwe condensor moet conform de SAE-norm J2842 zijn gekeurd en
gemerkt.
Auto's met koudemiddel R1234yf
Gewicht
Onderhoud aan de mobiele airco
(MAC) is voorbehouden aan een
bevoegd onderhoudsmonteur
Verdamper
Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen (p. 357)
In de airco-installatie zit koudemiddel
R1234yf onder druk. Conform de SAE-norm
J2845 (“Technician Training for Safe Service
and Containment of Refrigerants Used in
Mobile A/C System”) mogen service en reparatie aan het koudemiddelsysteem alleen worden uitgevoerd door een daartoe bekwaam en
bevoegd technicus om de veiligheid van het
systeem te garanderen.
Compressorolie
Hoeveelheid
60 ml
Voorgeschreven kwaliteit
PAG-olie
R134a
407
SPECIFICATIES
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
Het brandstofverbruik voor een auto wordt
gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot
in gram CO2 per km.
Uitleg
gram CO2/km
N.B.
Snelwegrit
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
Combinatierit
Bandenklasse voor rolweerstand
volgens EU-richtlijn nr. 1222/2009
handgeschakelde versnellingsbak
liter/100 km
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
Automatische versnellingsbak
Stadsverkeer
V40
T2 (B4204T17)
408
A
183
7,9
110
4,7
137
5,9
B
186
8,0
112
4,8
139
6,0
C
189
8,1
115
4,9
142
6,1
E
193
8,3
117
5,0
145
6,2
SPECIFICATIES
V40
T2 (B4154T3)
T3 (B4204T33)
T3 (B4154T2)
D2 (D4204T13)
A
162
7,0
110
4,7
129
5,6
B
165
7,1
112
4,8
131
5,6
C
168
7,2
114
4,9
133
5,7
E
171
7,4
116
5,0
136
5,9
A
186
8,0
112
4,8
139
6,0
B
187
8,1
114
4,9
141
6,1
C
189
8,1
116
5,0
143
6,1
E
190
8,2
118
5,1
145
6,2
A
162
7,0
115
4,9
132
5,7
B
164
7,0
117
5,0
134
5,8
C
165
7,1
119
5,1
136
5,9
E
167
7,2
121
5,2
138
6,0
A
-
-
-
-
-
-
B
-
-
-
-
-
-
C
-
-
-
-
-
-
E
-
-
-
-
-
-
}}
409
SPECIFICATIES
||
V40
D2 (D4204T13)
D3 (D4204T16)
D3 (D4204T16)
A
-
-
-
-
-
-
B
-
-
-
-
-
-
C
-
-
-
-
-
-
E
-
-
-
-
-
-
A
-
-
-
-
-
-
B
-
-
-
-
-
-
C
-
-
-
-
-
-
E
-
-
-
-
-
-
A
-
-
-
-
-
-
B
-
-
-
-
-
-
C
-
-
-
-
-
-
E
-
-
-
-
-
-
Brandstofverbruik
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in de
bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale
EU-rijcycli (zie onder), die gelden voor een auto
met rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een verho-
410
ging van het brandstofverbruik en de uitstoot van
kooldioxide.
•
Als de auto wordt uitgerust met extra accessoires die het gewicht van de auto verhogen.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor een
verhoogd brandstofverbruik ten opzichte van de
tabelwaarden. Voorbeelden:
•
•
Uw rijstijl.
De grotere rolweerstand als u kiest voor
andere wielen dan de standaardwielen op de
basisuitvoering van het model.
SPECIFICATIES
•
De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
•
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de
staat van de auto.
Een combinatie van de bovengenoemde factoren
kan een aanzienlijk hoger verbruik opleveren.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik
mogelijk bij een vergelijking met de EU-rijcycli
(zie onder) die gehanteerd worden bij certificering van de auto en waarop de verbruikscijfers in
de tabel gebaseerd zijn. Raadpleeg voor meer
informatie de richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91 RON neemt het brandstofverbruik toe,
terwijl het motorvermogen lager wordt.
N.B.
Extreme weersomstandigheden, een aangekoppelde aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte zijn, in combinatie met de
brandstofkwaliteit, factoren die het brandstofverbruik aanzienlijk kunnen doen toenemen.
EU-rijcycli
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu ("EU-rijcycli"), alles conform EU
Regulation no 692/2008, 715/2007 (Euro 5 /
Euro 6), 2017/1151 en 2017/1153. Aangezien
de rijcycli ook worden gebruikt in het kader van
de kwaliteitscontrole worden er hoge eisen
gesteld aan de herhaalbaarheid van de tests.
Daarom worden de tests zorgvuldig gecontroleerd en alleen uitgevoerd voor de basisfuncties
van de auto (bijvoorbeeld met gedeactiveerde airconditioning, radio et cetera). Als gevolg hiervan
zijn de resultaten van de officiële cijfers niet vanzelfsprekend representatief voor wat klanten
ervaren bij daadwerkelijk gebruik van de auto.
geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde
waarde voor de CO2-uitstoot.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Zuinig rijden (p. 309)
Brandstof - benzine (p. 302)
Brandstof - diesel (p. 303)
Gewichten (p. 394)
Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli "Stadsverkeer" en "Snelwegrit":
•
Stadsverkeer – De meting begint met een
koude start van de motor. Het betreft hier
een gesimuleerde rit.
•
Snelwegrit – de auto moet optrekken en
afremmen bij snelheden van 0-120 km/h
(0–75 mph). Het betreft hier een gesimuleerde rit.
Bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling.
De officiële waarde voor combinatierit, die in de
tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een
combinatie van de rijcycli "Stadsverkeer" en
"Snelwegrit".
Om de kooldioxide-emissie (CO2-uitstoot) tijdens
de twee rijcycli te berekenen worden de uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens
411
SPECIFICATIES
Wielen en banden - goedgekeurde
maten
In bepaalde landen staan niet alle goedgekeurde
maten aangegeven op het kentekenbewijs of
andere autopapieren. In de onderstaande tabel
412
staan alle goedgekeurde velg- en bandcombinaties. Voor het juiste gebruik van de tabel zijn
gegevens over de motor alsook het type versnellingsbak vereist. Voor meer informatie over deze
gegevens, zie Typeaanduidingen (p. 390).
Voor informatie over de minimaal toelaatbare lastindex (LI) en snelheidsklasse (SS), zie Lastindex
en snelheidsklasse (p. 414).
✓ = Goedgekeurd
V40
handb./
205/55R16
205/50R17
225/45R17
Motor
autom.
7x16x50
7x17x50
7,5x17x52,5
225/40R18
235/35R19A
6,5x16x52,5
7x17x52,5
7x17x50
7,5x18x52,5
8x19x50
T2
B4154T3
autom.
✓
✓
✓
✓
-
T2
B4154T5
autom.
✓
✓
✓
✓
-
T2
B4204T17
handb.
✓
✓
✓
✓
-
T3
B4154T2
autom.
✓
✓
✓
✓
-
T3
B4154T4
autom.
✓
✓
✓
✓
-
T3
B4204T33
handb.
✓
✓
✓
✓
-
T4
B4204T19
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
T5
B4204T11
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
T5
B4204T41
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
D2
D4204T8
handb./autom.
✓
✓
✓
✓
-
D2
D4204T13
handb./autom.
✓
✓
✓
✓
-
D3
D4204T16
handb./autom.
✓
✓
✓
✓
✓
SPECIFICATIES
A
V40
handb./
205/55R16
205/50R17
225/45R17
Motor
autom.
7x16x50
7x17x50
7,5x17x52,5
225/40R18
235/35R19A
6,5x16x52,5
7x17x52,5
7x17x50
7,5x18x52,5
8x19x50
D3
D4204T9
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
D4
D4204T14
autom.
✓
✓
✓
✓
✓
Alleen toegestaan voor auto's die fabrieksaf werden geleverd met 19"-banden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 325)
Banden - snelheidsklassen (p. 326)
Banden - lastindex (p. 326)
Wiel- en velgmaten (p. 325)
413
SPECIFICATIES
Lastindex en snelheidsklasse
In de onderstaande tabel staan de minimaal toelaatbare lastindex (LI) en snelheidsklasse (SS).
A
B
414
Voor het juiste gebruik van de tabel zijn gegevens over de motor alsook het type versnellings-
bak vereist. Voor meer informatie over deze
gegevens, zie Typeaanduidingen (p. 390).
V40
handb./
Motor
autom.
Minimaal toelaatbare lastindex (LI)A
Minimaal toelaatbare snelheidsklasse (SS)B
T2
B4154T3
autom.
91
H
T2
B4154T5
autom.
91
H
T2
B4204T17
handb.
91
H
T3
B4154T2
autom.
91
H
T3
B4154T4
autom.
91
H
T3
B4204T33
handb.
91
H
T4
B4204T19
autom.
91
H
T5
B4204T11
autom.
91
W
T5
B4204T41
autom.
91
H
D2
D4204T8
handb./autom.
91
H
D2
D4204T13
handb./autom.
91
H
D3
D4204T16
handb./autom.
91
H
D3
D4204T9
autom.
91
H
D4
D4204T14
autom.
91
V
De lastindex van de band dient groter dan of minimaal gelijk te zijn aan de tabelwaarde.
De snelheidsklasse van de band dient groter dan of minimaal gelijk te zijn aan de tabelwaarde.
SPECIFICATIES
Gerelateerde informatie
•
Wielen en banden - goedgekeurde maten
(p. 412)
•
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 416)
•
•
Banden - lastindex (p. 326)
Banden - snelheidsklassen (p. 326)
415
SPECIFICATIES
Banden - goedgekeurde
bandenspanning
De goedgekeurde bandenspanningen voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
V40
Bandenmaat
Snelheid
Motor
(km/h)
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
0 – 160C
230
230
260
260
260
160+D
250
250
300
280
-
225/40 R18
0 – 160C
230
230
260
260
260
235/35 R19
160+D
270
270
320
300
-
420
420
420
420
-
225/45 R17
Compact reservewiel (Temporary Spare)
max.
80E
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
0 – 100 mph
100+ mph
max. 50 mph
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan
zijn niet altijd beschikbaar op alle markten.
416
ECO-bandenspanningA
(kPa)B
205/50 R17
A
B
C
D
E
Max. belading
Voor
205/55 R16
Alle motoren
Belading, 1–3 inzittenden
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Wielen en banden - goedgekeurde maten
(p. 412)
Banden - maten (p. 325)
Banden - bandenspanning (p. 324)
Typeaanduidingen (p. 390)
ALFABETISCH REGISTER
functie
Symbolen en meldingen
A
Aanbevolen kinderzitjes
tabel
Aanhanger
kabel
pendelbeweging
rijden met een aanhanger
Aanrijding
ALFABETISCH REGISTER
47
310
310, 311
317
310
41
ACC - Adaptieve cruisecontrol
203
Accu
starten met hulpaccu
275
Achterbank
elektrische verwarming
131
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen
176
Achterlichten
positie
362
Achterruit
elektrische verwarming
110
Achteruitkijkspiegel
autodimfunctie
110
111
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas
112
Actieve parkeerhulp
bediening
Beperkingen
266
267
269
Adaptieve bochtverlichting
266
271
96
Adaptieve cruisecontrol
functie
inhalen
overzicht
Radarsensor
snelheid instellen
stand-bystand
Storingzoeken
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
van cruisecontrolfunctie wisselen
volgtijd instellen
203
204
209
205
216
206
208
213
208
210
212
207
AdBlue
Bijvullen
functies
tankinhoud
306
308
307
406
Afdichtmiddel
338
Afneembare trekhaak
opbergen
Afsluitbare wielbouten
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS
bestuurderszijde
passagierszijde
36
34
35, 36
AIRBAG
34, 35
Airbagsysteem
waarschuwingssymbool
33
32
Airconditioning
134
Airconditioning, vloeistof
hoeveelheid en kwaliteit
406
alarm
alarm controleren
alarmindicatie
alarmsignalen
beperkt alarmniveau
181, 182, 183
164
182
183
183
Alarm
automatische activering
automatische herinschakeling
transpondersleutel defect
182
182
183
Alarmlichten
101
313
Antislipregeling
186
327
Antispin
186
Afspraak maken voor servicebeurt en reparatie
346
Approach-verlichting
Automatische hervergrendeling
104, 162
173
Automatische schakelblokkering deactiveren
282
417
ALFABETISCH REGISTER
Automatische versnellingsbak
aanhanger
handmatige schakelstanden (Geartronic)
slepen en bergen
279
319
Automatische wasstraat
382
Automatisch groot licht
94
Auto met internetaansluiting
afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie
278
312
323
412, 414
322
328
324
324, 416
412, 414, 416
328
Bandenmaat
325
346
Bandenspanningscontrole
335
Auto opnemen
349
Bandenspanningscontrolesysteem
335
Autosleutelgeheugen
159
Bandenspanningstabel
324
382
386
Batterij
Hulponderhoud
StartSymbolen op de accu
transpondersleutel/PCC
Waarschuwingssymbolen
371
368
368
370
167
370
Autoverzorging
Leren bekleding
B
bagageruimte
bagagenet
418
draairichting
maten
onderhoud
profieldiepte
slijtage-indicator
spanning
specificaties
Winterbanden
154
Bagageruimte
bevestigingspunten
Hoedenplank
Verlichting
152
155
103
Bagage verankeren (Lading vervoeren)
152
Banden
band afdichten
bandenspanningscontrole
337
335
Bedrijfsrem
293, 294, 295
Botsing, zie Aanrijding
41
Brandstof
aanduiding
brandstofbesparing
brandstoffilter
brandstofverbruik
301, 302, 303
302, 303
324
304
408
Brandstoftank
inhoud
405
Buitenmaten
393
Buitenspiegels
elektrische verwarming
elektrisch inklapbaar
resetten
108
110
109
109
Buitentemperatuurmeter
76
C
Camerasensor
City Safety™
224, 236
222
Bekleding
386
Claxon
Benzinekwaliteit
302
Clean Zone Interior Package (CZIP)
126
Bergen
320
CO2-uitstoot
408
BLIS
Blokkering achteruitversnelling
240, 241
277
Boordcomputer
117, 120, 122
analoog instrumentenpaneel
118
Collision Warning
algemene beperkingen
bediening
Radarsensor
89
229, 230
235
233
216, 222
ALFABETISCH REGISTER
voetgangersdetectie
werking
Collision Warning met Auto Brake
Compact reservewiel
Condens
Condens in koplamp
ruiten ontdoen van Condens in koplamp
Controlesymbolen
232
230
Diesel
brandstofgebrek
304
229
Dieselolie
303
Distance Alert
Beperkingen
Symbolen en meldingen
200
201
202
328, 329
382
124
382
67, 70, 71
Corner Traction Control
187
Cruisecontrol
ingestelde snelheid hervatten
snelheid instellen
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
194
198
195
197
199
CTA – Cross Traffic Alert
242
CZIP (Clear Zone Interior Package)
126
D
Dagrijlicht
Dagteller op nul stellen
Dagtellers
92
119, 121
76, 117
Dakbelasting, max. gewicht
394
Dashboardkastje
vergrendelen
149
175
Doorluchtfunctie
124, 175
Doorwaaddiepte
296
Draairichting
323
Driver Alert Control
bediening
249
250
Driver Alert System
248
E
ECC, elektronische klimaatregeling
ECO-bandenspanning
129
324, 416
Eco Cruise
291
EcoGuide
70
ECO-stand
291
Eerste hulp
335
EHBO-kit
335
Elektrisch bedienbare ruiten
resetten
107
108
Elektrisch bedienbare stoel
85
Elektrisch bedienbare zijruiten resetten
108
Elektrisch bediend rolgordijn voor glazen
dak
111
Elektrische aansluiting
bagageruimte
150
153
Elektrische verwarming
Achterruit
spiegels
Stoelen en achterbank
Voorruit
110
110
131
110
Elektrisch inklapbare buitenspiegels
109
Elektrisch systeem
373
Elektronische klimaatregeling, ECC
129
Elektronische startblokkering
161
Elektronische temperatuurregeling - ETC
130
ETC, elektronische temperatuurregeling
130
Ethanolgehalte
302
etiketten
positie
390
Extra verwarming
elektrisch
op brandstof
142, 143
142
419
ALFABETISCH REGISTER
F
Fietserdetectie
231
Follow Me Home-verlichting
104
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol
Driver Alert Control
LKA
zie Meldingen en symbolen
214
251
256
214
Foutmeldingen BLIS
244
FSC, milieulabel
26
G
Geartronic
279
Geheugenfunctie stoel
85
Gelaagd glas
26
Gevarendriehoek
334
Gewichten
rijklaar gewicht
Gladde wegen
394
299, 300
Gladheid
Glazen
gelaagd/versterkt
420
300
26
Gordelspanners
31
Gordelwaarschuwing
31
Groot licht, automatische activering
94
Groot licht/dimlicht
93
I
IAQS - Interior Air Quality System
In de was zetten
384
Informatiedisplay
66, 67
Informatietoets, PCC
H
handgeschakelde versnellingsbak
schakelindicatie (GSI)
slepen en bergen
277
278
319
Handgeschakelde versnellingsbak
aanhanger
312
Handmatige schakelstanden (Geartronic)
279
Hefgereedschap
334
Hill Start Assist
283
Hoedenplank
155
Hogedruksproeiers koplampen
106
Hoge motortemperatuur
297
Hoofdsteun
inklappen
middelste zitplaats achterbank
voorstoel
Hoogte lichtbundel koplampen aanpassen
Glazen dak, elektrisch bediend rolgordijn
111
Houder voor boodschappentassen
opklapbaar
gloeilampen, specificaties
364
Hulpaccu
86
86
84
91
152
153
371
126
163, 164
Inlegmatten
149
Inparkeerhulp - PAP
266
Instructieboekje, milieulabel
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links
auto met stuur rechts
Instrumentenpaneel
26
60, 63
60
63
66, 67
Interieurluchtfilter
126
Interieurverlichting
automatische functie
102
103
Interieurverwarming
138
Interior Air Quality System (IAQS)
luchtreiniging
126
126
Intervalfunctie wisser
105
ALFABETISCH REGISTER
K
Katalysator
Bergen
304
319
Keuzehendelblokkering
282
Keyless Drive
168, 169, 170, 171, 172, 274
Klimaat
algemene informatie
automatische regeling
persoonlijke instellingen
sensoren
temperatuurregeling
werkelijke temperatuur
124
133
127
125
133
125
357
Keyless - ontgrendelen
170
Keyless - vergrendelen
170
Klimaatregeling
reparatie
Kilometerstand
117
Klok, instellen
Kinderen
kinderslot
kinderzitje en airbag
kinderzitje en SIPS-airbag
plaats in de auto
veiligheid
Kinderslot
Kinderzitje
ISOFIX-systeem voor kinderzitjes
Kleurcode, lak
Laag oliepeil
Lading vervoeren
algemene informatie
bagageruimte
bevestigingspunten
lading op het dak
lange lading
353
150, 152
150, 152
152
152
151
Lak
kleurcode
lakschade en herstel ervan
387
387
Koelsysteem
oververhitting
297
297
Koelvloeistof
hoeveelheid en kwaliteit
Lampen
357
402
Lasersensor
226
Koelvloeistof, controleren en bijvullen
355
Lastindex
326
Kofferbak
lading vervoeren
Lekke band
337
150
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften
386
Kompas
kalibreren
112
112
Lichtbundel, aanpassen
97
54
Koplampen
positie
359
358
Lichtbundel aanpassen
97
57
55
Koudemiddel
357
Lichtbundel koplampen
aanpassen
hoogteregeling
97
91
Krik
334
Lichtbundel koplampen aanpassen
97
45
52
38
52
45
179, 180
Kinderveiligheidszitje
aanbevolen
afmetingscategorieën voor kinderzitjes
met ISOFIX-bevestigingssysteem
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes
types
76
L
45
47
53
387
Lichtsignalen, PCC
164
LKA - Rijbaanassistent
252
421
ALFABETISCH REGISTER
Luchtreiniging
materiaal
passagiersruimte
127
125, 126, 127
Luchtverdeling
recirculatie
tabel
127
135
136
422
Meters
brandstofmeter
snelheidsmeter
toerenteller
Middenconsole
M
Make-upspiegel
verlichting
149
103
Maten
Trekhaak
393
314
Max. dakbelasting
394
Meldingen BLIS
244
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol
Collision Warning with Auto
Brake
Driver Alert Control
LKA
Motor- en interieurverwarming
Menufuncties
Instrumentenpaneel
menu-overzicht, analoog
menu-overzicht, digitaal
214
228, 238
251
256
141
Meldingen op het informatiedisplay
114
Meldingsfuncties
115
Milieulabel, FSC, instructieboekje
113
113
114
66, 67
66, 67
66, 67
148
26
Mistverlichting
achter
100
Motor
oververhitting
Start/Stop
starten
uitschakelen
297
283
274
275
Motor afzetten
275
Motor- en interieurverwarming
directe start
direct uitschakelen
meldingen
timer
139
140
141
140
Motorkap, openen
Motorolie
filter
kwaliteit en hoeveelheid
ongunstige rijomstandigheden
351
352, 399
352
400
399
Motorolie, bijvullen
353
Motoroliepeil controleren
353
Motorremregeling
186
Motorruimte
controleren
koelvloeistof
Motorolie
overzicht
rem- en koppelingsvloeistof
352
355
352
351
356
Motorspecificaties
397
Motorverwarming
138
MY CAR
116
N
Noodreparatieset banden
337
Noodreparatieset voor banden
afdichtmiddel
band oppompen
overzicht
positie
resultaat controleren
uitvoering
338
343
338
337
342
339
Nooduitrusting
EHBO-kit
gevarendriehoek
335
334
ALFABETISCH REGISTER
O
octaangetal
Olie, zie ook Motorolie
302
399, 400
Onderhoud
roestwering
385
Park Assist
aan achterzijde
functie
sensoren voor Park Assist
storingsindicatie
257
259
257
261
260
R
Parkeerhulpcamera
Instellingen
261
264
Ontgrendelen
van de binnenzijde
van de buitenzijde
174
172
Parkeerrem
295
Partikelfilter
305
Ontgrendelen met sleutelblad
171
Ontwaseming
134
Passief startsysteem (Keyless Drive) 168,
169, 170, 171, 172, 274
Op afstand bediende startblokkering
161
Opbergmogelijkheden passagiersruimte
146
Opbergmogelijkheid
bestuurderszijde
dashboardkastje
tunnelconsole
Opblaasgordijn
Optie/accessoire
Oververhitting
148
149
148
204
216
Regeneratie
305
Regensensor
105
Reinigen
Automatische wasstraat
bekleding
veiligheidsgordels
Velgen
wasstraat
382
386
386
383
382
PCC, Personal Car Communicator
Actieradius
functies
164
162
Rem- en koppelingsvloeistof
356
Remlichten
100
Peilstok, elektronisch
353
Remmen
293, 295
antiblokkeerremsysteem, ABS
294
parkeerrem
295
remkrachtverhoging bij noodstops, EBA 295
Remlichten
100
remsysteem
293, 294, 295
remvloeistof bijvullen
356
symbolen op instrumentenpaneel
294
Personal Car Communicator
164
Poetsen
384
39
Positie buitenspiegels herstellen
109
17
Powermeter
70
297, 310
Profieldiepte
328
P
Radarsensor
Beperkingen
Q
Remvloeistof
kwaliteit en hoeveelheid
404
329
332
Paniekfunctie
162
Reservewiel
erbij nemen
monteren
PAP - Actieve parkeerhulp
266
Resetten dagteller
PACOS
36
Queue Assist
210
119, 121
423
ALFABETISCH REGISTER
Richtingaanwijzer
101
Richtingaanwijzers
101
Rijadviezen
299
Rijbaanassistent
bediening
210
254
Rijbaanassistent - LKA
252
Rijden
koelsysteem
met geopende achterklep
299
297
298
Rijden met een aanhanger
kogeldruk
trekgewicht
310
395
395
Rijden tijdens de winter
299
Serviceprogramma
346
Rijeigenschappen aanpassen
186
Servicestand
365
Rijklaar gewicht
394
Sfeerverlichting
103
291
SIPS-airbag
Ritstatistiek
122
Sleepoog
319
Roestwering
385
Roetfilter dieselmotor
305
Slepen
sleepoog
318
319
ROETFILTER VOL
305
Rijmodus ECO
Rugleuning
achterbank, omklappen
voorstoel, omklappen
424
84
87
84
Ruiten en spiegels
385
Ruitenwisser voor
Regensensor
104
105
S
Safelock-functie
deactiveren
tijdelijk deactiveren
178
178
178
Safety mode
auto verrijden
startpoging
41
43
42
Snelheidsbegrenzer
alarm overschrijding snelheid
beknopte bedieningsinstructies
tijdelijk deactiveren
uitschakelen
191
194
191, 192
193
194
Snelheidsklassen, banden
326
Spiegel
achteruitkijk-
110
Schakelblokkering, mechanische vrijgave
282
Schakelindicatie (GSI)
278
Spiegels
buiten-
108
Schakelindicator
278
Spin control
186
Sproeien voorruit
105
Sproeier
Achterruit
sproeiervloeistof, bijvullen
Voorruit
106
367
105
Sproeiervloeistof
367
Stabiliteits- en tractieregeling
186
stabiliteitsregeling
186
Sensus
80
38
Sleutel
158, 160
Sleutelblad
165, 166
Sleutelstanden
Slijtage-indicator
Slot
kinder-
81
324
45
Stadslicht
91
Start/Stop
automatische motorafslag werkt niet
Functie en bediening
Startaccu
overbelasting
vervangen
Startblokkering
283
285
284
275, 298, 368
298
370
161
ALFABETISCH REGISTER
Starten met hulpaccu
275
Steenslagplekken en krassen
387
Stickers
positie
390
Stoel, zie Stoelen en achterbank
Stoelen en achterbank
elektrisch bediend
elektrische verwarming
Hoofdsteunen achterbank
Ruggedeelte(n) achterbank neerklappen
ruggedeelte(n) achterbank vooroverklappen
83
83
85
131
86
87
84
Stoffen die allergieën en/of astma kunnen
verwekken
126
Storingsdiagnose van camerasensor
225
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol
213
Stuurkracht, snelheidsafhankelijk
186
Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht
186
Stuurslotfout
275
Stuurwiel
Stuur afstellen
Toetsenset
88
88
88
Stuurwiel afstellen
88
Support
16
Symbolen
Controlesymbolen
Waarschuwingssymbolen
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol
Collision Warning with Auto
Brake
Driver Alert Control
LKA
Trailer Stability Assist
67, 70, 71
67, 70
214
228, 238
251
256
Transmissie
Transponder
Transpondersleutel
Actieradius
afneembaar sleutelblad
batterij vervangen
functies
zoekgeraakt
Transpondersleutel met PCC
Actieradius
T
Tanken
178, 305
AdBlue
308
Bijvullen
301
bijvullen met jerrycan met reservebrandstof
305
tankklep
300
tankvulklep, handmatig openen
300
tankvulklep, vergrendeling
178
125
Temperatuurregeling
133
Trekhaak
specificaties
313
314
Trekhaak - afneembaar
monteren/demonteren
315
Trillingsdemper
313
89
Toetsensets op stuurwiel
88
Tunneldetectie
394
186
164
395
Toeteren
Traction Control
21
158, 159, 160
163, 168
165, 166
167
162
158
Trekgewicht en kogeldruk
Tunnelconsole
12V-aansluiting
armleuning
Totaalgewicht
277
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring
184
TSA, Trailer Stability Assist
Temperatuur
werkelijke temperatuur
187, 317
Typeaanduidingen
187, 317
150
148
93
390
425
ALFABETISCH REGISTER
Typegoedkeuring
radarsysteem
radioapparatuur
transpondersleutelsysteem
218
221
184
U
Uitlaatsysteem
306
Uitstoot van kooldioxide
408
V
Veiligheidsgordel
Achterbank
gordelspanner
gordelwaarschuwing
losnemen
omdoen
zwangerschap
426
28
31
31
31
30
29
30
Velg, maten
325
Velgen
Reinigen
383
Ventilatie
127
Ventilator
ECC
ETC
132
132
Vergrendelen/ontgrendelen
achterklep
binnenzijde
176
174
Vergrendeling
handmatig vergrendelen
ontgrendelen
vergrendelen
173
172, 174
172
Vergrendelingsindicatie
160, 182
Verkeersbordinformatie
bediening
Beperkingen
245
246
248
Verlichting
adaptieve bochtverlichting
96
Approach-verlichting
104, 162
automatische verlichting, interieur
103
automatisch groot licht
94
Bedieningselementen
89, 102
dagrijlicht
92
Follow Me Home-verlichting
104
gloeilampen, specificaties
364
groot licht/dimlicht
93
in interieur
102
Koplamphoogteregeling
91
mistachterlicht
100
Stadslicht
91
tunneldetectie
93
Verlichting display
90
Verlichting instrumentenpaneel
90
verlichting van bedieningselementen
90
Verlichting, gloeilampen vervangen
dagrijlicht
lamphouder achter: richtingaanwijzer,
rem- en achteruitrijlicht
make-upspiegel
mistachterlicht
richtingaanwijzers, voor
stadslicht vóór
357
362
363
364
363
361
361
Verlichting, lamp vervangen
dimlicht (auto's met halogeenkoplampen)
360
groot licht (auto's met halogeenkoplampen)
361
Verlichting display
90
Verlichting instrumentenpaneel
90
Verlichtingsbediening
89
Verlichting van bedieningselementen
90
Vermogen
397
Versnellingsbak
automaat
handgeschakeld
277
278
277
Versnellingsbakolie
hoeveelheid en kwaliteit
403
Verwarming op brandstof
timer
140
Vlekken
386
ALFABETISCH REGISTER
Vloeistoffen, hoeveelheden
367, 402,
403, 404, 405, 406
Vloeistoffen en oliën
402, 403, 404, 406
Voetgangersairbag
auto verrijden
opvouwen
43
44
45
Lage oliedruk
parkeerrem ingeschakeld
storing in remsysteem
Waarschuwing
Waarschuwingssymbolen
74
74
74
74
67, 70, 74
Warmtereflecterende voorruit
Voetgangersbescherming
229
Wasstraat
Volgtijd instellen
200
21
Water- en vuilafstotende laag
385
21
Water- en vuilafstotende laag, reinigen
385
Volvo Sensus
80
Whiplash, WHIPS
39
WHIPS
kinderzitje/verhogingskussen
WHIPS-systeem
zithouding
39
39
40
Voorstoel
hoofdsteun
110, 134
84
W
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning
233
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol
Collision Warning
stabiliteits- en tractieregeling
204
233
186
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)
dynamo laadt niet bij
gordelwaarschuwing
74
74
31, 74
365
367
367
365
366
Wissers en -sproeiers
104
382
Volvo ID
Voorruit
elektrische verwarming
Wisserblad
achterruit vervangen
Reinigen
Servicestand
vervangen
Wielbouten
afsluitbare
327
327
Wielen
compact reservewiel
demonteren
Sneeuwkettingen
328
330
328
Wielen en banden
Goedgekeurde maten
lastindex en snelheidsklasse
328
412
414
Wielen verwisselen
329
Wiel vervangen
330
Winterbanden
328
Z
Zekeringen
algemene informatie
in motorruimte
onder het dashboardkastje
onder rechter voorstoel
vervangen
373
374
377
380
373
Zekeringenkastje
373
Zij-airbag, SIPS
Zuinig rijden
38
309
427
ALFABETISCH REGISTER
428
TP 26459 (Dutch), AT 1817, MY19, Copyright © 2000-2018 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising