Volvo | S60 Cross Country | Gebruikershandleiding | Volvo S60 Cross Country 2016 Late Gebruikershandleiding

Volvo S60 Cross Country 2016 Late Gebruikershandleiding
WEB EDITION
GEBRUIKERSHANDLEIDING
VÄLKOMMEN!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo
zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en
comfort van u en uw passagiers vooropgestaan.
Een Volvo is een van de veiligste auto's ter
wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle
geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen
te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben,
raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in deze gebruikershandleiding.
Inhoud
01 Inleiding
Hier vindt u de gebruikersinformatie.........
Digitale gebruikershandleiding in auto......
Support en informatie over de auto op
internet......................................................
Gebruikershandleiding lezen.....................
Vastlegging van gegevens........................
Accessoires en extra uitrusting.................
Volvo ID.....................................................
Milieubeleid...............................................
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding........................................................
Gelaagd glas.............................................
02 Veiligheid
13
14
Algemeen over veiligheidsgordels............
Veiligheidsgordel - om doen.....................
Veiligheidsgordel - losmaken....................
Veiligheidsgordel - zwangerschap............
Gordelwaarschuwing................................
Gordelspanners........................................
Veiligheid - waarschuwingssymbool.........
Airbagsysteem..........................................
Airbag aan de bestuurderszijde................
Passagiersairbag......................................
Passagiersairbag - activering/deactivering*...........................................................
SIPS-airbags.............................................
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/zittingverhoger....................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem)................
Algemene informatie over WHIPS (whiplash-bescherming)..................................
WHIPS - kinderzitje...................................
WHIPS - zithouding..................................
Als de systemen activeren........................
Algemene informatie over de Safety
mode.........................................................
Safety mode - startpoging........................
Safety mode - auto verrijden....................
29
30
31
31
32
32
33
34
35
35
Algemeen over kinderveiligheid................
Kinderzitje.................................................
Kinderzitje - positie...................................
Kinderzitje - ISOFIX...................................
ISOFIX - afmetingscategorieën.................
ISOFIX - soorten kinderzitjes....................
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten.............................................................
01 02 02
2
17
18
21
22
22
24
27
27
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
37
38
39
40
40
41
42
43
44
45
45
46
47
51
52
52
54
56
Inhoud
03 Instrumenten, schakelaars
en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht................................
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht.............................
Instrumentenpaneel..................................
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht.
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht...
Eco guide & Power guide*........................
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..................................................
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen.................................
Buitentemperatuur....................................
Dagtellers..................................................
Klok...........................................................
Instrumentenpaneel - licentieovereenkomst........................................................
Displaysymbolen.......................................
Volvo Sensus............................................
Sleutelstanden..........................................
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen.....................................................
Voorstoelen...............................................
Voorstoelen - elektrisch bediend*.............
Achterbank................................................ 84
Stuurwiel................................................... 86
Elektrische stuurverwarming*................... 87
Bedieningspaneel verlichting.................... 87
parkeerlichten........................................... 90
Dagrijlicht.................................................. 90
Tunneldetectie*......................................... 91
Groot licht/dimlicht................................... 91
Automatisch groot licht*........................... 92
Actieve xenonkoplampen*........................ 94
Mistachterlicht.......................................... 95
Remlichten................................................ 96
Alarmlichten.............................................. 96
Richtingaanwijzer...................................... 97
Interieurverlichting..................................... 97
Follow Me Home-verlichting..................... 99
Approach-verlichting................................. 99
Koplampen - lichtbundel aanpassen........ 99
Wissers en sproeiers............................... 100
Elektrisch bedienbare ruiten................... 101
Zonnescherm*......................................... 103
Buitenspiegels......................................... 103
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming............................................. 105
Achteruitkijkspiegel.................................
Kompas*.................................................
Schuif-/kanteldak*...................................
Menufuncties - instrumentenpaneel.......
Menu-overzicht - instrumentenpaneel....
Berichten.................................................
Meldingen - functies...............................
MY CAR..................................................
Boordcomputer.......................................
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel.....................................................
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel.....................................................
Boordcomputer - rijstatistieken*.............
03 03 03
58
61
64
64
65
68
69
71
73
74
74
74
75
78
79
80
81
82
105
106
107
110
110
111
112
113
114
116
120
123
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
04 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................................
Werkelijke temperatuur...........................
Sensoren - klimaat..................................
Luchtkwaliteit..........................................
Luchtkwaliteit - interieurfilter...................
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................
Luchtkwaliteit - IAQS*.............................
Luchtkwaliteit - materialen......................
Menu-instellingen - klimaat.....................
Luchtverdeling passagiersruimte............
Elektronische klimaatregeling, ECC........
Elektrisch verwarmde voorstoelen*........
Elektrisch verwarmde achterbank*.........
Ventilator.................................................
Automatische regeling............................
Temperatuurregeling passagiersruimte..
Airconditioning........................................
Voorruit ontwasemen en ontdooien........
Luchtverdeling - recirculatie...................
Luchtverdeling - tabel.............................
Motor- en interieurverwarming*..............
125
126
126
126
127
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen.............................................
Motor- en interieurverwarming* - direct
uitschakelen............................................
Motor- en interieurverwarming* - timers.
Motor- en interieurverwarming* - meldingen..........................................................
Extra verwarming*...................................
Extra verwarming op brandstof*.............
Extra verwarming op stroom*.................
140
05 Laad- en
opbergmogelijkheden
Opbergmogelijkheden.............................
Middenconsole.......................................
Middenconsole - aansteker en asbak*...
Dashboardkastje.....................................
Inlegmatten*............................................
Make-upspiegel......................................
Middenconsole - 12V-aansluiting...........
Lading vervoeren....................................
Lading vervoeren - lange lading.............
Lading vervoeren - doorsteekluik...........
Lading op het dak...................................
Verankeringsogen...................................
Lading vervoeren - houder voor boodschappentassen*....................................
12V-aansluiting bagageruimte*...............
04 04 05
4
127
128
128
129
129
131
132
132
133
133
134
134
135
136
137
139
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
141
141
143
145
145
146
148
150
150
150
151
151
151
152
153
154
154
155
155
156
Inhoud
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel................................. 158
Transpondersleutel - verlies ................... 158
Transpondersleutel - personalisering*.... 159
Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie.... 160
Vergrendelingsindicatie........................... 161
Elektronische startblokkering.................. 161
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem*............................... 162
Transpondersleutel - functies................. 162
Transpondersleutel - bereik.................... 163
Transpondersleutel met PCC* - unieke
functies................................................... 164
Transpondersleutel met PCC* - bereik... 165
Afneembaar sleutelblad.......................... 166
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen............................................. 166
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen....................................................... 167
Privacy locking*....................................... 167
Transpondersleutel - batterij vervangen. 169
Keyless Drive*......................................... 170
Keyless drive* - bereik transpondersleutel............................................................ 170
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel.................................. 171
Keyless Drive* - storingen in de functie
van de transpondersleutel......................
Keyless Drive* - vergrendelen.................
Keyless Drive* - ontgrendelen.................
Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad ....................................................
Keyless Drive* - vergrendelingsinstellingen..........................................................
Keyless Drive* - locatie antennes...........
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant...............................................
Portier handmatig vergrendelen.............
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde...................................................
Doorluchtfunctie......................................
Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje.......................................................
Vergrendelen/ontgrendelen - bagageklep.........................................................
Safelock-functie*.....................................
Kinderslot - handmatige activering.........
Kinderslot - elektrische activering*.........
Alarm.......................................................
Alarmindicatie.........................................
Alarmsysteem - automatische herinschakeling.......................................................
171
172
172
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect......................................................
Alarmsignalen.........................................
Beperkt alarmniveau...............................
Typegoedkeuring - transpondersleutelsysteem...................................................
06 06 06
173
184
184
184
185
173
174
174
175
176
177
177
178
180
181
181
182
183
183
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
07 Bestuurdersondersteuning
Actief chassis - FOUR-C*.......................
Stuurkrachtinstelling*..............................
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen................................................
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening................................................
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen..........................
Verkeersbordinformatie (RSI)*.................
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening................................................
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen..........................................................
Snelheidsbegrenzer................................
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies.......................................
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen..
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand....................................
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid...........................................
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen.........
Cruisecontrol*.........................................
Cruisecontrol* - snelheid regelen............
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand....................................
187
187
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten...................................................... 200
Cruisecontrol* - uitschakelen.................. 201
Adaptieve cruisecontrol - ACC*.............. 201
Adaptieve cruisecontrol* - werking......... 202
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht....... 204
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen........................................................... 205
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil
instellen................................................... 206
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by................................ 207
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen....................................... 208
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen. 208
Adaptieve cruisecontrol* - File-assistent 208
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen................................ 210
Radarsensor............................................ 211
Radarsensor - beperkingen.................... 211
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen........................... 213
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen............................................... 214
Afstandswaarschuwing*.......................... 216
Afstandswaarschuwing* - beperkingen.. 217
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen............................................... 218
City Safety™........................................... 219
City Safety™ - werking........................... 219
City Safety™ - bediening........................ 220
City Safety™ - beperkingen.................... 221
City Safety™ - lasersensor..................... 223
City Safety™ - symbolen en meldingen. 225
Collision Warning*................................... 226
Collision Warning* - werking................... 227
Collision Warning* - detectie van fietsers 228
Collision Warning* - detectie van voetgangers................................................... 229
Collision Warning* - bediening................ 230
Collision Warning* - beperkingen........... 232
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor......................................... 233
Collision Warning* - symbolen en meldingen.......................................................... 235
Driver Alert System*................................ 237
Driver Alert Control (DAC)*...................... 237
Driver Alert Control (DAC)* - bediening... 238
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen............................................... 239
Rijbaanassistent (LDW)*.......................... 240
07 07 07
6
188
189
190
192
192
194
195
195
196
196
197
198
198
199
200
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
08 Starten en rijden
Rijbaanassistent (LDW) - functie.............
Rijbaanassistent (LDW) - bediening........
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen....
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen...............................................
Rijbaanassistent (LKA)*...........................
Rijbaanassistent (LKA) - werking............
Rijbaanassistent (LKA) - bediening.........
Rijbaanassistent (LKA) - beperkingen.....
Rijbaanassistent (LKA) - symbolen en
meldingen...............................................
Parkeerhulp*............................................
Park Assist* - functie...............................
Parkeerhulp* - aan de achterzijde...........
Park Assist* - aan de voorzijde...............
Park Assist* - storingsindicatie...............
Park Assist* - sensoren schoonmaken...
Parkeerhulpcamera*................................
Parkeerhulpcamera - instellingen...........
Park Assist-camera - beperkingen.........
Actieve parkeerhulp (PAP)*.....................
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking.....
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking.....
241
242
242
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen..........................................................
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen
en meldingen..........................................
BLIS*.......................................................
BLIS* - bediening....................................
CTA* .......................................................
BLIS - symbolen en meldingen...............
Typegoedkeuring - radarsysteem...........
260
Alcoholslot*.............................................
Alcoholslot* - functies.............................
Alcoholslot* - opbergen..........................
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor.......................................................
Alcoholslot* - waar u op moet letten.......
Alcoholslot* - displaymeldingen..............
Motor starten..........................................
Motor afzetten.........................................
Stuurslotfout...........................................
Afstandsstart (ERS)*................................
Afstandsstart (ERS) - bediening..............
Afstandsstart (ERS) - symbolen en meldingen.....................................................
Starthulp met accu..................................
Versnellingsbakken.................................
Handgeschakelde versnellingsbak.........
Schakelindicator*....................................
Automatische versnellingsbak Geartronic*..............................................
Keuzehendelblokkering...........................
Hellingrem (HSA)*....................................
Vierwielaandrijving - AWD*.....................
Hill Descent Control (HDC)*....................
272
272
273
07 07 08
243
244
245
246
247
248
249
249
251
251
252
252
253
256
257
257
258
258
262
262
264
265
267
268
273
275
276
277
278
278
279
279
281
282
283
284
284
285
288
289
290
290
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7
Inhoud
09 Wielen en banden
Start/Stop*.............................................. 291
Start/Stop* - functie en bediening.......... 292
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet................................................ 293
Start/Stop* - automatische motorstart... 294
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet................................................ 295
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak.......... 296
Start/Stop* - instellingen......................... 296
Start/Stop* - symbolen en meldingen..... 298
Rijmodus ECO*....................................... 300
Bedrijfsrem.............................................. 302
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem... 303
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten.................................. 304
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops............................................... 304
Parkeerrem.............................................. 305
Doorwaaddiepte..................................... 309
Oververhitting.......................................... 309
Rijden met een geopend(e) achterklep/
kofferdeksel............................................ 310
Overbelasting - startaccu....................... 310
Voorbereidingen bij lange reizen............. 311
Rijden tijdens de winter...........................
Tankvulklep - openen/sluiten..................
Tankvulklep - handmatig openen...........
Brandstof tanken....................................
Brandstof - gebruik.................................
Brandstof - benzine................................
Brandstof - diesel....................................
Roetfilter dieselmotor (DPF)....................
Katalysatoren..........................................
Zuinig rijden............................................
Rijden met een aanhanger*.....................
Rijden met een aanhanger* - handgeschakelde versnellingsbak......................
Rijden met een aanhanger* - automatische versnellingsbak...............................
Trekhaak*................................................
Afneembare trekhaak* - opbergen..........
Afneembare trekhaak* - specificaties.....
Afneembare trekhaak* - monteren/
demonteren.............................................
Trailer Stability Assist (TSA)....................
Slepen.....................................................
Sleepoog.................................................
Bergen.....................................................
311
312
312
313
313
314
315
316
317
318
319
Banden - onderhoud...............................
Banden - draairichting............................
Banden - slijtage-indicator......................
Banden - bandenspanning.....................
Wiel- en velgmaten.................................
Banden - maten......................................
Banden - lastindex..................................
Banden - snelheidsklassen.....................
Wielbouten..............................................
Winterbanden..........................................
Wielen verwisselen - wielen verwijderen.
Wielen verwisselen - monteren...............
Gevarendriehoek.....................................
Gereedschap..........................................
Krik*.........................................................
EHBO-set*...............................................
Bandenspanningscontrole*.....................
Bandenspanningscontrole (TM)*.............
Noodreparatieset voor banden...............
Noodreparatieset voor banden - positie.
Noodreparatieset voor banden - overzicht.........................................................
Noodreparatieset voor banden - bediening.........................................................
08 08 09
8
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
320
321
321
322
322
323
326
327
328
329
331
332
333
333
335
335
336
336
337
337
338
341
342
343
343
344
344
344
346
347
347
348
Inhoud
10 Onderhoud en service
Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren........................... 350
Noodreparatieset voor banden - banden
oppompen............................................... 351
Serviceprogramma van Volvo.................
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie*.................................................
Auto opnemen........................................
Motorkap - openen en sluiten.................
Motorruimte - overzicht..........................
Motorruimte - controle............................
Motorolie - algemeen..............................
Motorolie - controleren en bijvullen........
Koelvloeistof - peil..................................
Rem- en koppelingsvloeistof - peil.........
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil.........
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen................................................
Lamp vervangen - algemeen..................
Lamp vervangen - koplampen................
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen........................................
Lamp vervangen - dimlicht.....................
Lamp vervangen - groot licht..................
Lamp vervangen - verstraler...................
Lampen vervangen - richtingaanwijzers
voorzijde..................................................
Lamp vervangen - verlichting achter......
354
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde......................................................... 375
Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting.......................................................... 376
Lamp vervangen - verlichting in kofferbak.......................................................... 376
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel................................................. 376
Lampen - specificaties ........................... 377
Wisserbladen.......................................... 378
Sproeiervloeistof - bijvullen..................... 379
Startaccu - algemeen.............................. 380
Accu - symbolen..................................... 382
Startaccu - vervangen............................. 382
Accu - Start/Stop.................................... 384
Elektrisch systeem.................................. 387
Zekeringen - algemeen........................... 387
Zekeringen - in motorruimte................... 389
Zekeringen - onder dashboardkastje...... 393
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje............................................. 395
Zekeringen - in bagageruimte................. 397
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte............................................ 399
Wasstraat................................................ 401
09 10 10
354
357
359
359
361
361
362
367
368
368
369
369
370
371
372
373
373
374
374
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
9
Inhoud
11 Specificaties
Poetsen en in de was zetten...................
Water- en vuilafstotende laag.................
Roestwering............................................
Interieur reinigen.....................................
Lakschade...............................................
402
403
404
404
405
Type-aanduidingen.................................
Maten......................................................
Gewichten...............................................
Trekgewicht en kogeldruk.......................
Motorspecificaties...................................
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden..........................................................
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid.......
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid..
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid.........................................................
Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid.
Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit..
Brandstoftank - inhoud...........................
Specificaties voor airconditioning...........
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot.........
Banden - goedgekeurde bandenspanning.........................................................
12 Alfabetisch register
409
412
413
414
415
Alfabetisch register................................. 428
10 11 12
10
416
417
419
420
422
422
423
424
425
427
Inhoud
11
INLEIDING
01 Inleiding
Hier vindt u de gebruikersinformatie
Op internet
De gebruikershandleiding is te raadplegen via
het beeldscherm in de auto, via de mobiele
app en op de supportsite van Volvo. In het
dashboardkastje vindt u de Quick Guide en
een supplement op de gebruikershandleiding
met onder meer specificaties en informatie
over zekeringen. U kunt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm bestellen.
De gebruikershandleiding is ook te raadplegen via de supportsite van Volvo:
support.volvocars.com, voor een deel online
en voor deel in pdf-formaat. Op de supportsite vindt u ook video's en stapsgewijze
instructies voor zaken als onlinediensten en functies. De site is beschikbaar voor de
meeste markten. Lees meer onder Support
en meer informatie over de auto op internet.
Digitale gebruikersinformatie
Op het beeldscherm in de auto
Via het beeldscherm in de auto kunt u de
gebruikershandleiding in digitale1 vorm raadplegen. De informatie is zoekbaar en tevens
ingedeeld in verschillende categorieën.
Lees meer onder Digitale gebruikershandleiding in de auto.
In de vorm van een mobiele app
De digitale gebruikershandleiding is ook
beschikbaar in de vorm van een mobiele app
die u bijvoorbeeld kunt downloaden van App
Store. De app bevat video's en biedt de
mogelijkheid tot visuele navigatie aan de
hand van afbeeldingen van het auto-exterieur
en -interieur. De navigatie tussen de verschillende paragrafen van de gebruikershandleiding verloopt eenvoudig en de inhoud is
doorzoekbaar. Lees meer onder Gebruikershandleiding op mobiele apparaten .
1
2
Gebruikersinformatie in drukvorm
Gedrukt supplement
De gebruikershandleiding in drukvorm vormt
een aanvulling op de digitale gebruikershandleiding1 en bevat belangrijke teksten, informatie over zekeringen en bepaalde specificaties.
De handleiding bevat tevens handige instructies, wanneer u de informatie op het beeldscherm van de middenconsole om praktische
redenen niet kunt lezen. Lees Gebruikershandleiding doornemenGebruikershandleiding doornemen.
Quick Guide
Ook in drukvorm beschikbaar is een Quick
Guide met beknopte informatie over de
meeste gebruikte autofuncties om aan de
slag te kunnen.
lende documenten met gebruikersinformatie
in drukvorm in de auto. U kunt een volledige
gebruikershandleiding in drukvorm bestellen2.
Neem contact op met een Volvo-dealer voor
bestelling van de gebruikershandleiding in
drukvorm of een supplement.
01
Taalinstelling wijzen voor het
beeldscherm van de auto
Wanneer u de taalinstelling voor het beeldscherm van de auto wijzigt, is het mogelijk
dat bepaalde informatie niet overeenkomt
met de wettelijke bepalingen en voorschriften
die in uw land gelden.
BELANGRIJK
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op veilig wijze bestuurt en
dat u de geldende wetgeving en voorschriften in acht neemt. Het is ook belangrijk dat u de auto volgens Volvo’s adviezen
in het instructieboekje onderhoudt en
bedient.
Bij afwijkingen in de informatie op het
beeldscherm en die in het gedrukte
boekje, geldt altijd de informatie in drukvorm.
Meer gebruikersinformatie in drukvorm
Afhankelijk van het gekozen uitrustingsniveau, de markt en dergelijke liggen er aanvul-
Op markten zonder gebruikershandleiding op het beeldscherm wordt een volledige gebruikershandleiding in drukvorm verstrekt.
Op markten zonder digitale gebruikershandleiding op het beeldscherm ligt een gedrukt exemplaar van de handleiding in het dashboardkastje.
}}
13
01 Inleiding
01
||
Gerelateerde informatie
•
Digitale gebruikershandleiding in auto
(p. 14)
•
Support en informatie over de auto op
internet (p. 17)
•
Gebruikershandleiding lezen (p. 18)
Digitale gebruikershandleiding in auto
De gebruikershandleiding is weer te geven op
het beeldscherm in de auto3. De informatie is
doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende paragrafen verloopt eenvoudig.
Digitale gebruikershandleiding openen - druk
op de MY CAR-knop op de middenconsole,
druk op OK/MENU en kies
Gebruikershandleiding.
Voor elementaire navigatiefuncties, zie Systeembediening. Hier volgt een gedetailleerde
beschrijving.
• Zoeken - Zoekfunctie om een artikel te
vinden.
• Categorieën - Alle artikelen geordend
naar categorieën.
• Favorieten - Snelkoppeling naar favoriete artikelen.
•
Quick Guide - Een selectie van artikelen
voor veelgebruikte functies.
Kies het informatiesymbool in de rechter
onderhoek voor informatie over de digitale
gebruikershandleiding.
N.B.
De digitale gebruikershandleiding is tijdens
het rijden niet beschikbaar.
Startpagina van de gebruikershandleiding.
U kunt op vier verschillende manieren informatie vinden in de digitale gebruikershandleiding:
3
14
Geldt voor bepaalde automodellen.
01 Inleiding
Zoeken
3. Om over te schakelen op de invoer van
cijfers of speciale tekens of om te zoeken,
draait u aan TUNE, totdat een van de
opties (zie verklaring in volgende tabel) in
de lijst voor het wisselen van invoerstand
(2) verschijnt en druk vervolgens op OK/
MENU.
123/AB
C
Met OK/MENU kunt u wisselen
tussen cijfers en letters.
MEER
Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van
speciale tekens.
OK
Voer de zoekopdracht uit. Draai
aan TUNE om een treffer te kiezen en druk vervolgens op om
OK/MENU het bijbehorende
artikel te openen.
Zoeken met behulp van het schrijfwiel.
Tekenlijst.
Invoerstand wijzigen (zie de volgende
tabel).
Gebruik het schrijfwiel om een zoekterm in te
voeren, bijvoorbeeld "veiligheidsgordel".
a|A
||}
Tussen kleine en hoofdletters
wisselen met OK/MENU.
01
Van het tekstwiel naar het zoekveld wisselen. De cursor verplaatsen met TUNE. Eventuele
verkeerde spelling wissen met
EXIT. Om terug te gaan naar
het tekstwiel op OK/MENU
drukken.
Let erop dat de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel te gebruiken zijn bij bewerkingen in het zoekveld.
1. Draai aan TUNE tot de gewenste letter
verschijnt en druk ter bevestiging op OK/
MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen
van het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken.
2. Ga verder met de volgende letter enzovoort.
}}
15
01 Inleiding
01
||
Tekst invoeren met numeriek
toetsenbord
Categorieën
De artikelen van de gebruikershandleiding zijn
geordend naar hoofdcategorieën en ondercategorieën. Hetzelfde artikel ligt mogelijk in
meerdere categorieën zodat het gemakkelijker te vinden is.
kel te openen. Druk op EXIT om terug te
gaan naar de vorige weergave.
In een artikel navigeren
Draai aan TUNE om door de categorieboom
te navigeren en druk op OK/MENU om een
) of artikel (aancategorie (aangeduid met
geduid met
) te openen. Druk op EXIT om
terug te gaan naar de vorige weergave.
Favorieten
Numeriek toetsenbord.
Een andere manier om tekens in te toetsen/
voeren is met behulp van de knoppen op de
middenconsole: 0–9, * en #.
Zo wordt bij een druk op 9 een kolom weergegeven met alle tekens4 onder deze toets,
zoals w, x, y, z en 9. Bij snel indrukken van
de toets bladert u met de cursor door deze
tekens.
•
•
Blijf met de cursor op het te kiezen teken
staan - het teken verschijnt op de schrijfregel.
Wis/annuleer uw keuze met EXIT.
Houd om een cijfer in te voeren de toets met
het gewenste cijfer ingedrukt.
4
16
Hier vindt u de artikelen die als favorieten zijn
opgeslagen. Om een artikel als favoriet te
markeren, zie de rubriek "In een artikel navigeren" hieronder.
Draai aan TUNE om in de favorietenlijst te
navigeren en druk op OK/MENU om een artikel te openen. Druk op EXIT om terug te
gaan naar de vorige weergave.
Quick Guide
Hier vindt u een aantal artikelen om de meest
gebruikte functies van de auto te leren kennen. De artikelen zijn ook via categorieën
bereikbaar, maar staan hier om er snel bij te
kunnen.
Draai aan TUNE om in de Quick Guide te
navigeren en druk op OK/MENU om een arti-
De schrijftekens voor de verschillende toetsen kunnen per markt/land/taal variëren.
Home - naar de startpagina van de
gebruikershandleiding gaan.
Favoriet - het artikel als favoriet toevoegen/verwijderen. U kunt ook op de FAVknop op de middenconsole drukken om
een artikel als favoriet toe te voegen/te
verwijderen.
Gemarkeerde link - naar een gelinkt artikel gaan.
Speciale teksten - als het artikel waarschuwings-, belangrijk- of NB-teksten
bevat, worden het bijbehorende symbool
en het aantal van dergelijke teksten in het
artikel getoond.
01 Inleiding
Draai aan TUNE om de links door te nemen
of een artikel omhoog of omlaag te schuiven.
Als het beeldscherm naar het begin/eind van
een artikel is geschoven, zijn de opties Home
en Favoriet bereikbaar door een stap
omhoog/omlaag te gaan. Druk op OK/MENU
om de keuze/gemarkeerde link te activeren.
Druk op EXIT om terug te gaan naar de
vorige weergave.
Support en informatie over de auto op
internet
Downloadbare informatie van de
supportsite
Op de homepage en supportsite van Volvo
Cars vindt u meer informatie over uw auto.
Vanaf de homepage kunt u tevens doorlinken
naar My Volvo, een persoonlijke internetpagina voor u en uw auto.
Kaarten
Support op internet
Ga naar support.volvocars.com of gebruik de
QR-code hieronder om de pagina te bezoeken. De supportsite is voor de meeste markten beschikbaar.
5
01
Voor auto’s met Sensus Navigation* zijn via
de supportsite kaarten te downloaden.
Mobiele apps
Voor bepaalde Volvo-modellen van modeljaar
2014 en 2015 is de gebruikershandleiding als
app beschikbaar. Ook de VOC*-app kan hier
worden gedownload.
Gebruikershandleidingen van eerdere
modeljaren
Gebruikershandleidingen van eerdere modeljaren zijn hier beschikbaar in pdf. Ook de
Quick Guide en supplementen zijn via de
supportsite te downloaden. Kies model en
modeljaar om de gewenste publicatie te
downloaden.
QR-code naar de supportsite.
Contact
De informatie op de supportsite is zoekbaar
en bovendien ingedeeld in verschillende categorieën. Hier vindt u support voor zaken zoals
diensten en functies waarvoor internet vereist
is, Volvo On Call (VOC)*, het navigatiesysteem* en apps. De verschillende procedures
worden aan de hand van video’s en stapsgewijze instructies uiteengezet, bijvoorbeeld hoe
u de auto via een mobiele telefoon met internet verbindt.
Op de supportsite staan de contactgegevens
van de klantenservice en de dichtstbijzijnde
Volvo-dealer.
My Volvo op internet5
Via www.volvocars.com kunt u doorlinken
naar My Volvo web, een persoonlijke website
voor u en uw Volvo.
Maak een persoonlijke Volvo ID aan en log in
op My Volvo web voor een overzicht van
zaken zoals onderhoud, contracten en garan-
Geldt voor bepaalde markten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
17
01 Inleiding
01
||
ties. Op My Volvo web vindt u ook informatie
over modelspecifieke accessoires en softwareproducten voor uw Volvo.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 22)
Gebruikershandleiding lezen
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit
maakt.
Gebruikershandleiding op mobiele
apparaten
Het doornemen van de gebruikershandleiding
is een goede manier om vertrouwd te raken
met nieuwe functies, tips te krijgen voor hoe u
de auto in verschillende situaties het beste
kunt bedienen en te leren hoe u optimaal
gebruik kunt maken van alle mogelijkheden
die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan
de veiligheidsinstructies in de gebruikershandleiding.
Er vindt voortdurend productontwikkeling
plaats ter verbetering van ons product. Aanpassingen kunnen ertoe leiden dat de gegevens, beschrijvingen en illustraties in de
gebruikershandleiding afwijken van de werkelijke uitrusting op uw auto. We behouden ons
het recht voor om zonder voorafgaande
mededeling wijzigingen aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
BELANGRIJK
Laat deze handleiding altijd in de auto liggen. Anders ontbreekt bij eventuele problemen de noodzakelijke informatie over
hoe en waar u professionele hulp kunt krijgen.
18
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De gebruikershandleiding is te downloaden als app (geldt voor bepaalde modellen
en mobiele telefoons), zie
www.volvocars.com.
De app biedt tevens video’s en doorzoekbare informatie en eenvoudige navigatie
tussen de verschillende hoofdstukken.
Opties/accessoires
Alle soorten opties staan aangegeven met
een sterretje* in de gebruikershandleiding.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in de gebruikershandleiding ook de
opties (van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en bepaalde accessoires (ingebouwde
extra uitrusting) beschreven.
01 Inleiding
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven informatie
over kans op letsel.
BELANGRIJK
Belangrijk-teksten geven informatie over
kans op materiële schade.
tekst in een tabel verwijst, worden letters
gebruikt in plaats van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop
menuteksten en displaymeldingen kunnen
worden weergegeven. Dergelijke teksten in
de gebruikershandleiding onderscheiden zich
van de normale tekst. Voorbeeld van menuteksten en displaymeldingen: Media, Locatie
wordt verstuurd.
01
Gevaar voor materiële schade
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De
stickers in de auto zijn van de onderstaande
aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
Gevaar voor lichamelijk letsel
N.B.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld. Worden gebruikt om te
attenderen op een risico dat, bij het negeren
van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In de gebruikershandleiding komt informatie
voor in de vorm van een voetnoot onder aan
de pagina. Deze informatie vormt een aanvulling op de tekst waar het nummer van de
voetnoot naar verwijst. Als de voetnoot naar
Zwarte ISO-symbolen in een geel waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de
waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel
met mogelijk dodelijke afloop.
G031592
De uitrusting die in de gebruikershandleiding
wordt beschreven is niet op alle auto's aanwezig – welke uitrusting aanwezig is hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
G031590
}}
19
01 Inleiding
01
||
Informatie
voerd, staan genummerd in de gebruikershandleiding.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij
een stapsgewijze instructie bestaat, zijn
de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de
bijbehorende afbeeldingen.
G031593
Als voor de instructies bij een reeks
afbeeldingen de onderlinge volgorde niet
relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/
afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen
te komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van de auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitge-
20
Er komen genummerde en ongenummerde pijlen voor. Ze worden gebruikt om
een bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een
beweging weer te geven waarbij de
onderlinge volgorde niet van belang is.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in de gebruikershandleiding
wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
•
•
Koelvloeistof
Motorolie
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie verwijst naar andere
artikelen met aanverwante informatie.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in de handleiding zijn soms
schematisch en kunnen dan ook afwijken van
uw uitvoering van de auto afhankelijk van het
uitrustingsniveau en de markt.
Als er geen reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Zie ommezijde
}} Dit symbool staat rechts onderaan, wan-
Positielijsten
Vervolg van de vorige pagina
|| Dit symbool staat links bovenaan wanneer
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst
bij de afbeelding, met een beschrijving
van de weergegeven objecten.
neer een artikel wordt voortgezet op de volgende pagina.
een artikel wordt voortgezet van de vorige
pagina.
Gerelateerde informatie
•
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 27)
•
Support en informatie over de auto op
internet (p. 17)
01 Inleiding
Vastlegging van gegevens
In het kader van de veiligheids- en kwaliteitsinspanningen van Volvo worden bepaalde
gegevens over de bediening, de werking en
bijna-aanrijdingen door de auto vastgelegd.
Deze auto is uitgerust met een "Event Data
Recorder" (EDR). Het belangrijkste doel daarvan is het vastleggen en opnemen van gegevens bij verkeersongevallen of bijna-ongelukken, zoals wanneer de airbag wordt geactiveerd of als de auto een wegversperring
raakt. De gegevens worden geregistreerd om
meer inzicht te krijgen in hoe de systemen
van de auto in dit soort situaties werken. De
EDR is zodanig vormgegeven dat deze gedurende een korte tijd gegevens vastlegt die
verband houden met de autodynamiek en de
veiligheidssystemen, normaal gesproken
30 seconden of korter.
De EDR in deze auto is zodanig geconstrueerd dat deze bij verkeersongevallen of bijnaongelukken gegevens vastlegt die verband
houden met:
•
de wijze waarop de verschillende autosystemen werkten;
•
de vraag of u en passagiers in de gordel
zaten;
•
de vraag of u het gas- of rempedaal
bediende;
•
hoe snel u reed.
Dit kan een bijdrage leveren aan een beter
inzicht in de omstandigheden waarin
bepaalde verkeersongevallen en schades
ontstaan. De EDR legt alleen gegevens vast,
als er sprake is van een niet-alledaagse aanrijdingssituatie - bij normale rijomstandigheden registreert de EDR geen gegevens. Ook
registreert het systeem nooit wie de auto
bestuurt of wat de geografische positie is
voor de aanrijding of bijna-aanrijding. Andere
partijen, zoals de politie, kunnen echter
gebruik maken van de vastgelegde gegevens
in combinatie met het type persoonlijk identificeerbare informatie dat bij een verkeersongeval routinematig wordt verzameld. Om de
geregistreerde gegevens te kunnen interpreteren zijn speciale apparatuur en toegang tot
de auto of de EDR vereist.
De auto is naast de EDR ook uitgerust met
een aantal computers, die tot taak hebben de
werking van de auto continu te controleren en
bewaken. Deze kunnen tijdens normale rijomstandigheden gegevens vastleggen, maar
vooral wanneer deze een fout registreren die
betrekking heeft op de bediening en werking
van de auto of bij activering van de actieve rijhulp (zoals City Safety en de automatische
remfunctie).
Een deel van de vastgelegde gegevens heeft
de monteur nodig om service en onderhoud
te kunnen verrichten met als doel eventuele
storingen die in de auto zijn opgetreden te
diagnosticeren en verhelpen. De geregi-
streerde informatie heeft Volvo ook nodig om
te kunnen voldoen aan de juridische eisen
conform de wet- en regelgeving. De in de
auto geregistreerde informatie ligt opgeslagen
in de computers totdat de auto een servicebeurt krijgt of wordt gerepareerd.
01
Naast het bovenstaande kan de geregistreerde informatie ook in een samengestelde
vorm worden gebruikt voor verzekerings- en
productontwikkelingsdoeleinden om de veiligheid en kwaliteit van Volvo's auto's te verbeteren.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Vanwege nationale wet- en regelgeving kan Volvo echter
worden gedwongen om dit type informatie af
te geven aan de politie of andere autoriteiten
die het wettelijke recht hebben om hiertoe
toegang te krijgen. Om de door vastgelegde
gegevens te kunnen uitlezen en interpreteren
is speciale technische apparatuur vereist die
alleen beschikbaar is bij Volvo en de werkplaatsen die een contract hebben met Volvo.
Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in
verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden
opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving
worden gebruikt. Neem voor meer informatie
contact op met een Volvo-dealer.
21
01 Inleiding
01
Accessoires en extra uitrusting
Volvo ID
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de
elektronische systemen van de auto.
Volvo ID is uw persoonlijke ID die u toegang
biedt tot diverse diensten6.
Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de computersystemen van de auto wordt geladen.
Volvo adviseert u daarom altijd contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u accessoires of extra uitrusting
monteert die in verbinding staan/staat met of
van invloed zijn/is op het elektrische systeem.
Warmtereflecterende voorruit*
De voorruit is voorzien van een warmtereflecterende film (IR) die de ingestraalde warmte in
de passagiersruimte beperkt.
Montage van elektronische uitrusting, zoals
een transponder, achter een ruit met een
warmtereflecterende film heeft mogelijk een
negatieve invloed op de werking en prestaties
van de uitrusting.
Voorbeeld van diensten:
22
A is de afstand tussen de bovenkant van de
voorruit en het begin van het veld. B is de
afstand tussen de bovenkant van de voorruit
en het eind van het veld.
Maten
A
40 mm
B
80 mm
Het aanbod aan diensten kan veranderen en hangt af van het uitrustingsniveau en de markt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
My Volvo - Uw persoonlijke website voor
u en uw auto.
•
Connected Car* - bepaalde functies en
diensten vereisen dat u uw auto hebt
geregistreerd op een persoonlijke Volvo
ID, bijvoorbeeld om een adres van een
kaartdienst op internet rechtstreeks naar
uw auto te kunnen sturen.
•
Volvo On Call, VOC* - Volvo ID wordt
gebruikt bij het inloggen op de mobiele
app Volvo On Call.
Veld waar geen IR-film is aangebracht.
Voor optimale werking van moet de elektronische uitrusting gemonteerd worden op dat
deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd
veld op afbeelding).
6
•
Voordelen van Volvo ID
•
Een gebruikersnaam en een wachtwoord
voor online diensten, dat wil zeggen u
hoeft slechts één gebruikersnaam en één
wachtwoord te onthouden.
•
Bij het wijzigen van een gebruikersnaam/
wachtwoord voor een dienst (bijvoorbeeld
VOC) worden deze ook automatisch voor
andere diensten gewijzigd (bijvoorbeeld
My Volvo)
Volvo ID aanmaken
Om een Volvo ID aan te maken moet u een
persoonlijk e-mailadres opgeven. Om de registratie te voltooien moet u de instructies
01 Inleiding
01
opvolgen in het e-mailbericht dat automatisch
wordt verstuurd naar het opgegeven e-mailadres. Een Volvo ID kan via de volgende diensten worden aangemaakt:
•
My Volvo - Geef het e-mailadres aan en
volg de instructies.
•
Bij een Connected Car* - Geef het e-mailadres aan in de app die Volvo ID vereist
en volg de instructies. Of druk twee keer
op de verbindingsknop
op de middenconsole en kies Apps Instellingen en
volg de instructies.
•
Volvo On Call, VOC* - Laad de nieuwste
versie van de VOC-app. Kies op de startpagina voor het aanmaken van een Volvo
ID, geen een e-mailadres aan en volg de
instructies.
Gerelateerde informatie
•
Support en informatie over de auto op
internet (p. 17)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
01 Inleiding
01
Milieubeleid
Volvo Car Corporation werkt voortdurend aan
de ontwikkeling van veiliger en effectievere
Milieuzorg is een van de kernwaarden van
Volvo Cars die van invloed is op alle activiteiten. De milieu-activiteiten gaan uit van de volledige levensduur van de auto en houden
rekening met de milieu-effecten, van ontwikkeling tot sloop en recycling. Volvo Cars hanteert het uitgangspunt dat de milieu-effecten
van nieuwe producten geringer moeten zijn
dan die van de producten waarvoor ze in de
plaats komen.
Een van de resultaten van de inspanningen
van Volvo op milieugebied is de ontwikkeling
van de Drive-E-aandrijflijnen, die effectiever
werken en minder vervuilend zijn. Ook het
24
producten en oplossingen om de milieueffecten te beperken.
persoonlijke milieu heeft de volle aandacht
van Volvo - de lucht in een Volvo is door de
klimaatregeling bijvoorbeeld schoner dan de
lucht buiten.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieu-eisen. Alle productie-eenheden van
Volvo hebben een ISO 14001-certificaat, wat
een systematische benadering van de milieuaspecten van de productie betekent om
voortdurend verbeteringen aan te brengen en
de milieu-effecten te beperken. Dit ISO-certificaat betekent ook dat de geldende wettelijke bepalingen en voorschriften op milieugebied wordt nageleefd. Volvo eist ook van de
samenwerkingspartners dat ze aan deze normen voldoen.
Brandstofverbruik
Omdat de milieu-effecten van auto's voor een
groot deel toe te schrijven zijn aan het
gebruik ervan richt Volvo Cars zich op het
beperken van het brandstofverbruik, de uitstoot van kooldioxide en andere verontreinigende stoffen. De auto's van Volvo zijn concurrerend in hun klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een lager brandstofverbruik
levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
01 Inleiding
Bijdragen aan een schoner milieu
Een zuinige auto levert niet alleen een beperking van de milieu-effecten op, maar betekent
ook lagere kosten voor de eigenaar van de
auto. Als bestuurder kunt u eenvoudig brandstof en geld besparen en zo een bijdrage
leveren aan een schoner milieu. Hier volgen
enkele tips en adviezen:
•
Plan een effectieve gemiddelde snelheid.
Snelheden hoger dan zo'n 80 km/h (50
mph) en lager dan 50 km/h (30 mph) zorgen voor een hoger energieverbruik.
fel over de juiste manier van verwerken van
dergelijk afval – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Voor meer informatie en advies zie
Eco guide (p. 68), Zuinig rijden (p. 318) en
Brandstofverbruik (p. 425).
Interieur
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
"Schoon aan binnen- en buitenkant" – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
De gebruikte materialen voor het interieur van
een Volvo zijn zorgvuldig geselecteerd en uitvoerig getest op comfort en hypoallergeniteit.
Bepaalde afwerkingsdetails zijn handmatig
aangebracht: zo is de stuurwielbekleding met
de hand genaaid. Het interieur is getest op de
afwezigheid van sterke geuren of stoffen die
klachten kunnen geven bij hoge temperaturen
of direct zonlicht.
Neem de intervallen voor onderhoud en
service aan de auto in acht die in het Service- en garantieboekje geadviseerd worden.
•
Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houd u
aan de plaatselijke voorschriften.
•
Rijd anticiperend - bij onnodig vaak stoppen en optrekken en een ongelijkmatige
snelheid stijgt het brandstofverbruik.
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
Het luchtkwaliteitssysteem IAQS* (Interior Air
Quality System) zorgt ervoor dat de lucht die
de passagiersruimte binnenkomt, schoner is
dan de lucht buiten in het verkeer.
Schone lucht in passagiersruimte
Het systeem ontdoet de lucht in de passagiersruimte van verontreinigingen in de vorm
van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. Als de Air Quality
Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt
01
Het IAQS is onderdeel van het CZIP (Clean
Zone Interior Package)* dat voorzien is van
een speciale ventilatorfunctie die aanslaat,
wanneer de auto via de transpondersleutel
wordt ontgrendeld.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
•
Let er tevens op dat u afvalstoffen die schadelijk zijn voor het milieu, zoals accu's en olie,
op een milieuvriendelijke manier afvoert.
Neem contact op met een werkplaats bij twij-
de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in
de passagiersruimte wordt gerecirculeerd.
Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en een laag brandstofverbruik. U draagt
zo tevens bij aan een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en het onderhoud aan de
auto toevertrouwt aan de werkplaatsen van
Volvo, wordt de auto een onderdeel van Volvo's systeem. Volvo stelt duidelijke milieueisen aan de outillage van de werkplaatsen
om te voorkomen dat er schadelijke stoffen in
het milieu vrijkomen. Het werkplaatspersoneel
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
25
01 Inleiding
01
||
beschikt over de kennis en het gereedschap
om optimale milieuzorg te garanderen.
Recycling
Omdat Volvo werkt vanuit een levensduurperspectief is het ook belangrijk dat autowrakken
op milieuvriendelijke wijze worden gerecycled. De auto is nagenoeg geheel te recyclen.
De laatste eigenaar van de auto wordt
daarom verzocht contact op te nemen met
een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingbedrijf.
Gerelateerde informatie
•
26
Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding (p. 27)
01 Inleiding
Milieu-aspecten van de
gebruikershandleiding
De papiervezels waarvan deze publicatie
gemaakt is afkomstig zijn uit Forest Stewardship Council®-gecertificeerde bossen of
andere gecontroleerde bronnen.
01
Gelaagd glas
Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en
geluidsisolatie van het interieur. De
voorruit en de zijruiten zijn gemaakt
van gelaagd glas*.
Het FSC®-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan een gebruikershandleiding in
drukvorm gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Gerelateerde informatie
•
Milieubeleid (p. 24)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
27
VEILIGHEID
02 Veiligheid
Algemeen over veiligheidsgordels
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let
er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben.
Waar u op moet letten
•
Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken.
•
De veiligheidsgordel mag niet gedraaid
zitten.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in
zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel
kan een deel van zijn beschermende
eigenschappen hebben verloren, zelfs als
de veiligheidsgordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed zijn op het effect van de
airbag.
WAARSCHUWING
Span de heupgordel over de heupen door de
diagonale schoudergordel in de richting van de
schouder omhoog te trekken. De heupgordel
moet laag zitten (niet over de buik).
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
02
Elke veiligheidsgordel is bedoeld voor
slechts één persoon.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Veiligheidsgordel - zwangerschap
(p. 31)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 31)
Gordelspanners (p. 32)
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, wordt de bewuste persoon er middels
waarschuwingssymbolen en geluidssignalen
(p. 32) aan herinnerd de gordel om te doen
(p. 30).
29
02 Veiligheid
Veiligheidsgordel - om doen
Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluiting1.
Doe de veiligheidsgordel (p. 29) om voordat u
gaat rijden.
02
Waar u op moet letten
Rol de gordel langzaam af en maak deze vast
door de borglip in de gordelsluiting te steken.
Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel
vastzit.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
•
•
•
Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel moet over de schouder lopen.
Hoogte-instelling van de veiligheidsgordel. Druk
de knop in en zet de gordel hoger of lager. Zet
de gordel zo hoog mogelijk zonder dat de gordel
daarbij langs de nek schuurt.
1
30
Bepaalde markten.
als de auto sterk overhelt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Goede positie veiligheidsgordel.
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
Veiligheidsgordel - zwangerschap
(p. 31)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 31)
Gordelspanners (p. 32)
Gordelwaarschuwing (p. 32)
02 Veiligheid
Veiligheidsgordel - losmaken
Veiligheidsgordel - zwangerschap
Maak de veiligheidsgordel (p. 29) pas los als
de auto stilstaat.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de
veiligheidsgordel (p. 29) altijd op de juiste
manier te dragen.
Druk op de rode knop van de gordelsluiting
en laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken. Als de gordel niet volledig
wordt opgerold, moet u de gordel handmatig
zo ver terugrollen dat deze niet langer slap
hangt.
(wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur
en de pedalen moeten kunnen komen). Streef
ernaar de afstand tussen de buik en het stuur
zo groot mogelijk te maken.
Gerelateerde informatie
•
•
02
Veiligheidsgordel - om doen (p. 30)
Veiligheidsgordel - losmaken (p. 31)
Gerelateerde informatie
Veiligheidsgordel - om doen (p. 30)
Gordelwaarschuwing (p. 32)
G020998
•
•
De veiligheidsgordel moet strak langs de
schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten en
tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de veiligheidsgordel nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel (p. 81) en
het stuurwiel (p. 86) dusdanig verstellen dat
ze de auto volledig onder controle hebben
31
02 Veiligheid
Gordelwaarschuwing
G017726
02
Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet
draagt, gaan er waarschuwingssymbolen
branden en worden er geluidssignalen afgegeven om de bewuste persoon eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen (p. 30).
Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de
snelheid. De waarschuwingssymbolen zitten
op de plafondconsole en op het instrumentenpaneel (p. 64).
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
•
32
Aangeven welke veiligheidsgordel (p. 29)
van de achterbank er worden gebruikt. Bij
gebruik van de veiligheidsgordels of het
openen van een van de achterportieren
verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. De melding verdwijnt
automatisch na ca. 30 seconden rijden,
maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 110) te drukken.
•
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het instrumentenpaneel in
combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de gordel weer is omgedaan, maar kan ook handmatig worden
bevestigd door op de knop OK te drukken.
De melding op het instrumentenpaneel, die
aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt
worden, is altijd beschikbaar. Druk op de
knop OK om de opgeslagen meldingen te
zien.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingssymbool branden
en er worden geluidssignalen afgegeven wanneer de bestuurder en een eventuele voorpassagier de gordel niet dragen. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang
een geluidssignaal.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels (p. 29) zijn uitgerust
met gordelspanners. Dit is een mechanisme
dat bij een voldoende krachtige aanrijding de
veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De
veiligheidsgordel kan de passagier daarmee
beter in de stoel gedrukt houden.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp
van de veiligheidsgordel altijd aanbrengen
in de gordelsluiting aan de juiste zijde. De
veiligheidsgordels nooit beschadigen en
geen vreemde voorwerpen aanbrengen in
de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en
de gordelsluiting werken anders mogelijk
niet naar behoren tijdens een aanrijding. Er
bestaat gevaar voor ernstige verwondingen.
02 Veiligheid
Veiligheid - waarschuwingssymbool
WAARSCHUWING
Het waarschuwingslampje verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt
geconstateerd of als het systeem geactiveerd
is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje in combinatie met een melding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel
(p. 64).
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt.
Het symbool kan ook duiden op een storing in de gordelspanners, het SIPS- en
het IC-systeem of op een andere storing in
het systeem. Volvo adviseert u zo spoedig
mogelijk contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool
voor het airbagsysteem op een digitaal instrumentenpaneel.
Gevarendriehoek en waarschuwingssymbool
voor het airbagsysteem (p. 34) op een analoog
instrumentenpaneel.
Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de
transpondersleutel in sleutelstand II (p. 80)
staat. Het symbool dooft na ca. 6 seconden,
wanneer de regelmodule heeft vastgesteld
dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
02
Als het waarschuwingssymbool niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden
en verschijnt er SRS airbag Service vereist
of SRS airbag Service spoed op het display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk
contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 44)
33
02 Veiligheid
Airbagsysteem
G018665
02
Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel aan hoofd en borstkas oplopen.
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto
met het stuur links.
Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij
een voldoende krachtige aanrijding reageren
de sensoren, waarna één of meer airbags
worden opgeblazen en warm worden. De airbags vangen de klap van de aanrijding op
voor de inzittende. Daarmee vangen de SIPSairbags de klap van de aanrijding op voor de
inzittende, waarna de airbags weer leeglopen.
Daarbij treedt er rookvorming in de auto op.
Dit is volkomen normaal. Het totale verloop,
van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
N.B.
G018666
De sensoren reageren verschillend, afhankelijk van het verloop van de botsing en of
er al dan niet een veiligheidsgordel wordt
gebruikt. Geldt voor alle gordelposities.
Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto
met het stuur rechts.
34
Er kunnen dus ongelukken ontstaan als
slechts één (of geen) van de airbags wordt
geactiveerd. De sensoren registreren de
kracht waaraan de auto bij de botsing
wordt blootgesteld en passen zich hierop
aan, zodat één of meer airbags worden
opgeblazen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 35)
Passagiersairbag (p. 35)
Veiligheid - waarschuwingssymbool
(p. 33)
02 Veiligheid
Airbag aan de bestuurderszijde
Passagiersairbag
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
(p. 29) aan de bestuurderszijde ook een airbag
(p. 34) in het stuurwiel.
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel
(p. 29) aan de passagierszijde ook een airbag
(p. 34).
De airbag zit opgevouwen in het midden van
het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift AIRBAG.
De airbag zit opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift AIRBAG.
02
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur rechts.
Sticker voor passagiersairbag
Gerelateerde informatie
•
Passagiersairbag (p. 35)
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
}}
35
02 Veiligheid
||
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en airbag werken
samen. Als de gordel niet of verkeerd
wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van
invloed zijn op het effect van de airbag.
02
Schakelaar - PACOS*
De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 37) met een schakelaar als de
auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch).
WAARSCHUWING
Om geen letsel op te lopen wanneer de
airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo rechtop mogelijk zitten met de voeten op de vloer en de rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet vast zitten.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het
openen van het passagiersportier is de sticker
zichtbaar.
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag is aangebracht als hierboven.
WAARSCHUWING
Plaats een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje nooit op een stoel met een
geactiveerde airbag. Het niet opvolgen van
deze aanbeveling kan levensgevaarlijke
situaties voor of ernstig letsel van het kind
opleveren.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen vóór of bovenop
het dashboard op de plek waar de airbag
voor de passagiersstoel zit.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel
zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
36
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off
Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 35)
Kinderzitje (p. 47)
02 Veiligheid
Passagiersairbag - activering/
deactivering*
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De passagiersairbag (p. 35) voorin kan met
een schakelaar worden geactiveerd, als de
auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch).
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
Schakelaar - PACOS
De schakelaar voor activering/deactivering
van de passagiersairbag, PACOS zit aan de
passagierszijde aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij door het portier aan die
kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Gebruik het sleutelblad (p. 166)
van de transpondersleutel om van stand te
veranderen.
WAARSCHUWING
N.B.
Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 80) staat, brandt
ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool (p. 33) voor de airbag op het
instrumentenpaneel.
02
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft.
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant
geactiveerd is. Laat evenmin personen die
kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel
plaatsnemen.
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
G017800
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Hiermee wordt aangegeven dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geeft aan of de passagiersairbag
voorin geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
Locatie van de schakelaar voor de airbag.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
37
02 Veiligheid
||
WAARSCHUWING
02
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een zittingverhoger voorin wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is en het
symbool
op de plafondconsole
brandt. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties voor
het kind opleveren.
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingssymbool(p. 33) voor het airbagsysteem op het
instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de plafondconsole aangeeft dat de
airbag aan die kant gedeactiveerd is. Dit
duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo
adviseert u daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot
deel van de botskracht door het SIPS-systeem (Side Impact Protection System) over
balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van
de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan
de bestuurders- en de passagierszijde
beschermen de borstkas en de heupen en
vormen een belangrijk onderdeel van het
SIPS-systeem.
WAARSCHUWING
2
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties voor de passagiers opleveren.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend lampje op
de plafondconsole geven aan dat de airbag
aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
•
Kinderzitje (p. 47)
G032949
G017724
Gerelateerde informatie
2
Het SIPS-systeem bestaat uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren.
De SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden
vervolgens opgeblazen tussen de inzittende
en het portierpaneel. Daarmee vangen de
SIPS-airbags de klap van de aanrijding op
38
02 Veiligheid
voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
WAARSCHUWING
•
•
Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem
kan tot een onjuiste werking leiden
met ernstig letsel als gevolg.
Plaats geen voorwerpen in het gebied
tussen de buitenzijde van de stoel en
het portierpaneel, aangezien dit gebied
door de zijairbag kan worden beïnvloed.
•
Volvo adviseert om uitsluitend door
Volvo goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken. Andere bekleding
kan de werking van de zijairbags hinderen.
•
De zijairbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Bestuurdersplaats, auto met stuur links.
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/
zittingverhoger
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of zittingverhoger niet negatief (p. 38).
02
Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger
(p. 47) op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde airbag (p. 37).
Gerelateerde informatie
•
•
Passagiersairbag (p. 35)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 46)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Passagiersairbag (p. 35)
•
Opblaasgordijnen (IC-systeem) (p. 40)
Airbag aan de bestuurderszijde (p. 35)
SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/zittingverhoger (p. 39)
Passagiersplaats, auto met stuur links.
39
02 Veiligheid
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
02
WAARSCHUWING
Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing
met hun hoofd tegen de binnenkant van de
auto slaan.
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op
de plafondbekleding, portierstijlen of de
zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij
hun beschermende werking verliezen.
Volvo adviseert u uitsluitend originele
Volvo-onderdelen, bestemd voor montage
op deze plaatsen, te gebruiken.
WAARSCHUWING
De auto mag niet zo worden beladen dat
de lading hoger dan 50 mm onder de
bovenkant van de portierruiten uitkomt.
Anders kan het beschermende vermogen
van het opblaasgordijn, dat in de hemelbekleding verborgen zit, uitblijven.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem
(Inflatable Curtain) maken deel uit van het
SIPS-systeem (p. 38) en het airbagsysteem
(p. 34). Deze is langs de beide kanten van de
plafondbekleding gemonteerd en beschermt
de bestuurder en passagiers op de buitenste
stoelen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op
hun beurt de opblaasgordijnen activeren.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Gerelateerde informatie
•
40
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 29)
Algemene informatie over WHIPS
(whiplash-bescherming)
WHIPS (Whiplash Protection System) biedt
bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen.
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
Eigenschappen van de stoel
Bij activering van het WHIPS klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren,
zodat de zithouding van bestuurder en voorpassagier verandert. Zo wordt de kans op
zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WHIPS - kinderzitje
Het WHIPS-systeem (p. 40) beïnvloedt de
beschermende werking van kinderzitje en/of
zittingverhoger niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger
(p. 47) op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde airbag (p. 37).
02
Gerelateerde informatie
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 46)
WAARSCHUWING
Voer zelf nooit wijzigingen of reparaties
aan de stoel of het WHIPS-systeem uit.
Volvo adviseert u daarvoor contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
WHIPS - kinderzitje (p. 41)
WHIPS - zithouding (p. 42)
Algemeen over veiligheidsgordels (p. 29)
Het WHIPS wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek
waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
41
02 Veiligheid
WHIPS - zithouding
02
Voor optimale bescherming door het WHIPSsysteem (p. 40) moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en
zorgen dat het systeem niet wordt gehinderd.
Zithouding
WAARSCHUWING
Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze
vastgeklemd zitten tussen het zitkussen
van de achterbank en de rugleuning van
de voorstoel. Denk eraan dat u de werking
van het WHIPS-systeem niet hindert.
Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in
voor de voorstoel (p. 81).
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben
verloren, ook als de stoel onbeschadigd
lijkt.
U en een eventuele voorpassagier moeten
zoveel mogelijk in het midden van de stoel
plaatsnemen en de afstand tussen hoofd en
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
Volvo adviseert dat u contact opneemt
met een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren, ook bij zachtere aanrijdingen van achteren.
Functie
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die
het WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
42
WAARSCHUWING
Als de stoel aan grote krachten heeft
blootgestaan zoals bij een botsing van
achteren, moet het WHIPS-systeem worden gecontroleerd. Volvo adviseert om dit
door een erkende Volvo-werkplaats te
laten controleren.
Als een rugleuning van de achterbank is
neergeklapt, moet de bijbehorende voorstoel verder naar voren worden gezet
zodat deze niet in contact komt met de
neergeklapte rugleuning.
02 Veiligheid
Als de systemen activeren
Bij een aanrijding werken de verschillende
persoonsveiligheidssystemen van Volvo
samen om de schade te verkleinen.
Systeem
Activering
gordelspanner (p. 32) voorstoel
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de
zij, van achteren en/of
kantelen
Gordelspanners
achterbank
Bij een frontale botsing
en/of aanrijding in de zij
en/of kantelen
Airbags
Bij een frontale botsing.A
(Stuur- (p. 35) en
passagiersairbag (p. 35))
SIPS-airbags
(p. 38)
A
Bij een aanrijding in de
zijA
Opblaasgordijnen (IC) (p. 40)
Bij een aanrijding in de
zij en/of kantelen en/of
bepaalde frontale aanrijdingenA
WHIPS-systeem
(p. 40)
Bij aanrijdingen van
achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen,
ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd
raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van
het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de rijsnel-
heid, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn
van invloed op de wijze van activering van de verschillende
veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags (p. 34) werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert
u hem te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met
opgeblazen airbags.
•
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Dat
kan het besturen van de auto bemoeilijken.
Ook andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. De rook en stof die bij het
opblazen van de airbags worden gevormd,
kunnen bij een intensieve blootstelling irritaties aan de huid en ogen/letsel veroorzaken. Bij last met koud water wassen. Het
snelle opblazen kan ook, in combinatie
met het materiaal van de airbag, voor wrijvings- en brandwonden op de huid zorgen.
02
N.B.
De airbags en de gordelspanners worden
bij een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de
accukabels loskoppelen. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij
geactiveerd kunnen worden. Laat de auto
wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te
laten wegslepen naar een erkende Volvowerkplaats.
43
02 Veiligheid
Algemene informatie over de Safety
mode
02
Gerelateerde informatie
•
•
Safety Mode is een veiligheidsfunctie die in
werking treedt, wanneer tijdens een aanrijding
mogelijk belangrijke onderdelen zijn beschadigd zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor de veiligheidssystemen of het remsysteem.
De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje op het bestuurdersdisplay
van het instrumentenpaneel (p. 64) verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de
auto is verminderd.
De gevarendriehoek op het analoge instrumentenpaneel.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of
de elektronische onderdelen te resetten
nadat de auto in de Safety mode heeft
gestaan. Dit kan aanleiding geven tot letsel
of een slechte functie van de auto. Volvo
adviseert u de auto altijd in een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren en
naar Normal Mode te laten resetten nadat
de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboek is verschenen.
44
Safety mode - startpoging (p. 45)
Safety mode - auto verrijden (p. 45)
02 Veiligheid
Safety mode - startpoging
WAARSCHUWING
Als de auto in de Safety mode (p. 44) staat, is
een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt
te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen
sprake is van brandstoflekkage.
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding
Veiligheidsstand Zie instructieboek
getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk.
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
WAARSCHUWING
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen
de motor te starten.
Neem de transpondersleutel uit en open het
bestuurdersportier. Als er vervolgens een
melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u op de startknop te drukken.
Sluit het portier vervolgens en plaats de
transpondersleutel terug. De elektronica van
de auto probeert nu te resetten naar de normale stand. Probeer vervolgens de auto te
starten.
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de Safety mode staat. De
auto moet op een bergingsvoertuig worden afgevoerd. Volvo adviseert u hem te
laten afvoeren naar een erkende Volvowerkplaats.
Safety mode - auto verrijden
Als Normal mode verschijnt, wanneer de
Veiligheidsstand Zie instructieboekje na
een startpoging (p. 45) werd gereset, mag u
de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke
positie verrijden.
02
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de Safety mode
(p. 44)
Gerelateerde informatie
•
Safety mode - auto verrijden (p. 45)
Als de melding Veiligheidsstand Zie
instructieboekje nog steeds op het display
staat mag u niet met de auto rijden en hem
evenmin verslepen. U moet hem dan laten
bergen (p. 329). Verborgen schade kan de
auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken,
zelfs als het lijkt dat u nog met de auto kunt
rijden.
45
02 Veiligheid
Algemeen over kinderveiligheid
02
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een zittingverhoger of een kinderzitje
dat in de rijrichting geplaatst is.
Het gewicht en de lengte van het kind zijn
bepalend voor de plaats van het kind in de
auto en de vereiste uitrusting, zie Kinderzitje
(p. 47).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor hoe een kind
in de auto moet worden geplaatst, verschillen per land. Stel u op de hoogte van
wat van toepassing is.
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, zittingverhoger en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto
zijn ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet
alleen optimale voorwaarden voor een veilig
vervoer van uw kind(eren), u weet bovendien
zeker dat de producten passen en eenvoudig
in het gebruik zijn.
46
N.B.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke
aanwijzingen contact op met de producent.
Kinderslot
De achterportieren en de achterportierruiten*
zijn handmatig (p. 181) of elektronisch te
blokkeren (p. 181)*, zodat ze niet meer van
de binnenzijde te openen zijn.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Kinderzitje - positie (p. 51)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 52)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 56)
02 Veiligheid
Kinderzitje
N.B.
Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de
juiste wijze gebruikt.
Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten
is het belangrijk om de meegeleverde
montagehandleiding te lezen.
02
WAARSCHUWING
G020739
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje niet vast aan de hendel waarmee u de
voorstoel in de lengterichting verstelt of
aan de veren, rails of balken onder de
stoel. Scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden beschadigen.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
}}
47
02 Veiligheid
||
Aanbevolen kinderzitjes2
Gewicht
02
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 0
Buitenste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(L)
Groep 0
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Groep 0+
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
max. 13 kg
(U)
(U)
max. 10 kg
Middelste zitplaats achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant
Seat) – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1
04301146
(U)
Groep 0
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
max. 10 kg
(U)
(U)
Groep 0+
Kinderzitjes met universele
goedkeuring.
(U)
max. 13 kg
2
48
Om andere kinderzitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
02 Veiligheid
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child
Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
9–18 kg
(U)
(U)
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child
Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd
met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Groep 2
15–25 kg
02
Typegoedkeuring: E5 04192
Groep 1
15–25 kg
Middelste zitplaats achterbank
Kinderzitjes met universele
goedkeuring.
(U)
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child
Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
(U)
(U)
}}
49
02 Veiligheid
||
02
Gewicht
Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 2/3
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo
Booster Seat with backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo
Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
Volvo-comfortkussen met
rugleuning (Volvo Booster
Seat with backrest).
(UF)
(UF)
15–36 kg
Typegoedkeuring: E1
04301169
(UF)
Groep 2/3
15–36 kg
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster
Cushion with and without backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster
Cushion with and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
(UF)
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with
and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 04216
(UF)
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
50
Kinderzitje - positie (p. 51)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 56)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 52)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 46)
02 Veiligheid
Kinderzitje - positie
WAARSCHUWING
Plaats kinderzitjes/zittingverhogers (p. 47)
altijd op de achterbank als de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd (p. 37) is. Als de
airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de
passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
Laat nooit iemand voor de passagiersstoel
zitten of staan.
Sticker voor passagiersairbag
02
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Sticker op portierstijl aan passagierszijde. Bij het
openen van het passagiersportier is de sticker
zichtbaar.
WAARSCHUWING
De waarschuwingssticker voor passagiersairbag is aangebracht als hierboven.
Zittingverhogers/kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen
de openingsknop van de gordelsluiting aan
kunnen liggen, mogen niet worden
gebruikt aangezien ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk
opengaat.
Het volgende is te gebruiken:
•
een kinderzitje/zittingverhoger op de passagiersstoel zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
•
en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
de achterbank.
Sticker op zonneklep aan passagierszijde.
WAARSCHUWING
Plaats een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje nooit op een stoel met een
geactiveerde airbag. Het niet opvolgen van
deze aanbeveling kan levensgevaarlijke
situaties voor of ernstig letsel van het kind
opleveren.
Laat het bovengedeelte van het kinderzitje
niet tegen de voorruit leunen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Algemeen over kinderveiligheid (p. 46)
Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten
(p. 56)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 52)
51
02 Veiligheid
Kinderzitje - ISOFIX
02
ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 47), gebaseerd op een internationale standaard.
Gerelateerde informatie
•
•
•
ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 52)
ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 54)
Algemeen over kinderveiligheid (p. 46)
ISOFIX - afmetingscategorieën
Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 52)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste type kinderzitje (p. 54).
Afmetingscategorie
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
F
Overdwars gemonteerd babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd babyzitje, rechts
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie voorgaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
52
Beschrijving
02 Veiligheid
WAARSCHUWING
Zet het kind nooit op de passagiersplaats
als de auto met een geactiveerde airbag is
uitgerust.
02
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de
voertuiglijst van het kinderzitje staan.
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
53
02 Veiligheid
ISOFIX - soorten kinderzitjes
Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
02
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
Gewicht
max. 10 kg
max. 10 kg
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
E
X
OK
(IL)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
E
X
OK
(IL)
D
X
OKA
(IL)
C
X
OKA
(IL)
Kinderzitje, achterstevoren
9–18 kg
D
X
OKA
(IL)
C
X
OKA
(IL)
54
02 Veiligheid
Type kinderzitje
Kinderzitje, in rijrichting
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKB
B
02
(IUF)
B1
X
OKB
(IUF)
A
X
OKB
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde ISOFIX-kinderzitjes met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
B
Om ruimte te maken voor een baby-/kinderzitje op de achterbank dient de stoel ervoor mogelijk iets naar voren te worden gezet.
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
Zorg dat u de juiste afmetingscategorie
(p. 52) kiest voor een kinderzitje met het ISOFIX-bevestigingsysteem (p. 52).
55
02 Veiligheid
Kinderzitje - bovenste
bevestigingspunten
02
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes
(p. 47). Deze bevestigingspunten zitten in de
hoedenplank en zijn afgedekt met kunststof
dekplaatjes. Klap de kunststof dekplaatjes
opzij om bij de bevestigingspunten te komen.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
WAARSCHUWING
De bevestigingsband van het kinderzitje
altijd door de opening in de ene poot van
de hoofdsteun halen, alvorens de band
aan het bevestigingspunt vast te zetten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Bij auto’s met omklapbare hoofdsteunen op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaat monteren eenvoudiger, als u de
hoofdsteunen omklapt.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting
gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen.
Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang
mogelijk in achterstevoren gemonteerde kinderzitjes te vervoeren.
56
Algemeen over kinderveiligheid (p. 46)
Kinderzitje - positie (p. 51)
Kinderzitje - ISOFIX (p. 52)
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur links - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en
bedieningen van de auto zitten.
03
58
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto's met het stuur links
03
}}
59
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
60
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot
licht/dimlicht, boordcomputer
(p. 110),
(p. 112),
(p. 97),
(p. 91) en
(p. 114).
Openingshandgreep
portier
–
Stoelverstelling*
(p. 82).
Bedieningspaneel
(p. 285).
Bedieningsknoppen
verlichting, ontgrendeling tankvulklep
en bagageklep
(p. 87),
(p. 312) en
(p. 178).
Handmatig schakelen bij automatische
versnellingsbak*
(p. 176),
(p. 181),
(p. 101) en
(p. 103).
Alarmlichten
(p. 96).
Cruisecontrol*
(p. 198) en
(p. 201).
Claxon, airbag
(p. 86) en
(p. 34).
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 113) en
Sensus Infotainment-supplement.
Instrumentenpaneel
(p. 64).
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 131).
Menufuncties,
bediening audio,
bediening telefoon*
(p. 113) en
Sensus Infotainment-supplement.
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 284) of
(p. 285).
(p. 187).
START/STOP
ENGINE-knop
(p. 277).
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling (FOUR-C)*
Contactslot
(p. 79).
Wissers en -sproeiers
(p. 100).
Beeldscherm voor
infotainment en
weergave van
menu's
(p. 113) en
Sensus Infotainment-supplement.
Stuurwielafstelling
(p. 86).
Ontgrendeling
motorkap
(p. 359).
Parkeerrem
(p. 305).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 73)
Dagtellers (p. 74)
Klok (p. 74)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumenten en bediening, auto met
stuur rechts - overzicht
In het overzicht staat waar de displays en
bedieningen van de auto zitten.
03
}}
61
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Overzicht auto's met het stuur rechts
03
62
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Functie
Zie
Functie
Zie
Functie
Zie
Beeldscherm voor
infotainment en
weergave van
menu's
(p. 113) en
Sensus Infotainment-supplement.
Bedieningspaneel
(p. 176),
(p. 181),
(p. 101) en
(p. 103).
Bedieningspaneel
voor infotainment en
menufuncties
(p. 113) en
Sensus Infotainment-supplement.
Contactslot
(p. 79).
(p. 96).
(p. 277).
(p. 87),
(p. 312) en
(p. 178).
Alarmlichten
START/STOP
ENGINE-knop
Bedieningsknoppen
verlichting, ontgrendeling tankvulklep
en bagageklep
Ontgrendeling
motorkap
(p. 359).
Handmatig schakelen bij automatische
versnellingsbak*
(p. 285).
Stoelverstelling*
(p. 82).
Parkeerrem
(p. 305).
Cruisecontrol*
(p. 198) en
(p. 201).
Stuurwielafstelling
(p. 86).
Instrumentenpaneel
(p. 64).
Claxon, airbag
(p. 86) en
(p. 34).
Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot
licht/dimlicht, boordcomputer
(p. 110),
(p. 112),
(p. 97),
(p. 91) en
(p. 114).
Menufuncties,
bediening audio,
bediening telefoon*
(p. 113) en
Sensus Infotainment-supplement.
Versnellingspook/
keuzehendel
(p. 284) of
(p. 285).
(p. 100).
Bedieningsknoppen
actieve chassisregeling (FOUR-C)*
(p. 187).
Wissers en -sproeiers
Openingshandgreep
portier
–
Bedieningspaneel
voor klimaatregeling
(p. 131).
03
Gerelateerde informatie
•
•
•
Buitentemperatuur (p. 73)
Dagtellers (p. 74)
Klok (p. 74)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over
bepaalde functies van de auto en meldingen.
03
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 64)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 65)
•
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 69)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 71)
Instrumentenpaneel, analoog overzicht
Meters en wijzers
Op het bestuurdersdisplay wordt informatie
weergegeven over bepaalde functies van de
auto en meldingen.
Bestuurdersdisplay
Bestuurdersdisplay, analoog instrument.
Op het bestuurdersdisplay verschijnt informatie over bepaalde functies van de auto zoals
de cruisecontrol, boordcomputer en meldingen. De informatie wordt weergegeven in de
vorm van symbolen en tekst. Gedetailleerder
informatie vindt u onder de functies die
gebruik maken van het display.
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering1, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer (p. 114) en Brandstof tanken (p. 313).
Eco meter. De meter geeft een beeld van
hoe zuinig er in de auto wordt gereden.
Hoe groter de wijzeruitslag, hoe zuiniger u
rijdt.
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator2/Schakelindicator3. Zie
ook Schakelindicator* (p. 284) of Auto-
1
2
3
64
Wanneer de aanduiding "Afstand tot lege tank:" op het display verandert in "----", wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
matische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 285).
Controle- en waarschuwingssymbolen
Instrumentenpaneel, digitaal overzicht
Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan
binnen enkele seconden alle symbolen uit,
behalve het symbool voor storingen in de uitlaatgasreiniging en dat voor een lage oliedruk.
Op het bestuurdersdisplay wordt informatie
weergegeven over bepaalde functies van de
auto en meldingen.
Gerelateerde informatie
Bestuurdersdisplay
•
•
•
Instrumentenpaneel (p. 64)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 69)
03
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 71)
Controle- en waarschuwingssymbolen, analoog
instrument.
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen4
Functietest
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
bestuurdersdisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle
symbolen moeten weer uitgaan als de motor
is aangeslagen, behalve het symbool voor de
parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van
de parkeerrem wordt gehaald.
4
Bestuurdersdisplay, digitaal instrument*.
Op het bestuurdersdisplay verschijnt informatie over bepaalde functies van de auto zoals
de cruisecontrol, boordcomputer en meldingen. De informatie wordt weergegeven in de
vorm van symbolen en tekst. Gedetailleerder
informatie vindt u onder de functies die
gebruik maken van het display.
Meters en wijzers
Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema's te kiezen. De mogelijke
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto's met dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe oliedruk niet in
gebruik. In plaats daarvan wordt via een displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 361).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
65
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
thema's zijn: "Elegance", "Eco" en
"Performance".
Thema "Elegance"
Het is alleen mogelijk een thema te kiezen,
wanneer de motor draait.
03
Druk om een thema te kiezen op de OK-knop
op de linker stuurhendel en kies menu-optie
Thema's door aan het duimwiel van dezelfde
hendel te draaien. Druk op de OK-knop. Draai
aan het duimwiel om een thema te kiezen en
bevestig uw keuze door op de OK-knop te
drukken.
Het uiterlijk van het beeldscherm op de middenconsole hangt bij bepaalde modelvarianten af van het gekozen thema voor het instrumentenpaneel.
Met de linker stuurhendel kunt u ook het contrast en de kleur van het instrumentenpaneel
instellen.
Voor meer informatie over de menufuncties,
zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 110).
Het gekozen thema en de instellingen op het
gebied van contrast en kleur zijn voor alle
transpondersleutels apart op te slaan in het
autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel
- personalisering* (p. 159).
5
6
7
66
Meters en wijzers, thema "Elegance".
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering5, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer (p. 114) en Brandstof tanken (p. 313).
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Snelheidsmeter
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie
ook Schakelindicator* (p. 284) of Auto-
Wanneer de aanduiding "Afstand tot lege tank:" op het display verandert in "----", wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
matische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 285).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Thema "Eco"
matische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 285).
Thema "Performance"
Power guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 68).
Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie
ook Schakelindicator* (p. 284) of Automatische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 285).
Controle- en waarschuwingssymbolen
03
Meters en wijzers, thema "Eco".
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering5, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer (p. 114) en Brandstof tanken (p. 313).
Eco guide. Zie ook Eco guide & Power
guide* (p. 68).
Brandstofmeter. Wanneer de aanduiding
is gedaald tot slechts één witte markering5, gaat het oranje controlesymbool
voor een laag brandstofpeil branden. Zie
ook Boordcomputer (p. 114) en Brandstof tanken (p. 313).
Snelheidsmeter
Temperatuurmeter koelvloeistof motor
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Snelheidsmeter
Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie
ook Schakelindicator* (p. 284) of Auto5
6
7
8
Meters en wijzers, thema "Performance".
Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per
minuut aan.
Controle- en waarschuwingssymbolen, digitaal
instrument.
Controlesymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
Waarschuwingssymbolen8
Wanneer de aanduiding "Afstand tot lege tank:" op het display verandert in "----", wordt de markering rood van kleur.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto's met dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe oliedruk niet in
gebruik. In plaats daarvan wordt via een displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 361).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
67
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
Functietest
Eco guide & Power guide*
Actuele waarde
Alle controle- en waarschuwingssymbolen,
behalve de symbolen in het midden van het
bestuurdersdisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle
symbolen moeten weer uitgaan als de motor
is aangeslagen, behalve het symbool voor de
parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van
de parkeerrem wordt gehaald.
Eco guide en Power guide zijn twee van de
meters op het instrumentenpaneel (p. 64) die
u helpen om zo zuinig mogelijk met de auto te
rijden.
Hier wordt de actuele waarde getoond; hoe
groter de uitslag op de schaal, hoe beter.
Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan
binnen enkele seconden alle symbolen uit,
behalve het symbool voor storingen in de uitlaatgasreiniging en dat voor een lage oliedruk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Instrumentenpaneel (p. 64)
De auto slaat ook statistische ritgegevens die
in de vorm van staafdiagrammen te bekijken
zijn, zie Boordcomputer - rijstatistieken*
(p. 123).
Eco guide
Deze meter geeft een beeld van hoe zuinig u
met de auto rijdt.
Kies "Eco" om deze meter te kunnen zien, zie
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 65).
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 69)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 71)
De actuele waarde wordt berekend op basis
van snelheid, motortoerental, benut motorvermogen en het gebruik van het rempedaal.
Geadviseerd wordt een optimale snelheid
(50–80 km/h (30–50 mph)) en een laag toerental aan te houden. Bij gas geven en remmen
dalen de wijzers.
Bij zeer lage actuele waarden licht (met enige
vertraging) het rode gebied van de meter op,
wat betekent dat u onzuinig rijdt. U dient dit
te voorkomen.
Gemiddelde waarde
De gemiddelde waarde volgt de actuele
waarde langzaam en beschrijft hoe de afgelopen tijd in de auto is gereden. Hoe groter de
uitslag van de wijzers op de schaal, hoe zuiniger u hebt gereden.
Power guide
Dit instrument geeft de relatie aan tussen het
benutte en het beschikbare vermogen
(Power) van de motor.
Kies "Performance" om deze meter te kunnen
zien, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 65).
Actuele waarde
Gemiddelde waarde
68
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel - betekenis
controlesymbolen
Laag peil in brandstoftank
Controlesymbolen
Groot licht aan
Betekenis
Storing in ABL
Benut vermogen
Uitlaatgasreiniging
Storing in ABS
Beschikbaar motorvermogen
De kleinere wijzer bovenaan toont het
beschikbare motorvermogen9. Hoe groter de
uitslag op de schaal, hoe meer vermogen er
beschikbaar is in de actuele versnelling.
Benut vermogen
De grotere wijzer onderaan toont het benutte
motorvermogen9. Hoe groter de uitslag op de
schaal, hoe meer motorvermogen er benut
wordt.
Een groot verschil tussen de beide wijzers
duidt op een grote vermogensreserve.
9
Betekenis
De controlesymbolen attenderen u erop dat
de bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de
desbetreffende systemen actief zijn of dat er
storingen of gebreken zijn opgetreden.
Symbool
Beschikbaar motorvermogen
Symbool
Mistachterlicht aan
Stabiliteitsregeling, zie Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - algemeen (p. 188)
Stabiliteitsregeling, Sportstand, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - bediening (p. 189)
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Informatie, lees displaymelding
Richtingaanwijzers links
03
Richtingaanwijzers rechts
Eco-systeem Aan, zie Rijmodus ECO* (p. 300)
Start/Stop, motor is automatisch afgezet, zie Start/Stop* functie en bediening (p. 292)
Bandenspanningscontrole ,
zie Bandenspanningscontrole* (p. 344)
Storing in ABL
Het symbool brandt, als een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending
Lights).
Het vermogen is afhankelijk van het motortoerental.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Uitlaatgasreiniging
Bij een storing in de uitlaatgasreiniging kan na
een motorstart het symbool gaan branden.
Rijd voor een controle naar een werkplaats.
Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
Storing in ABS
03
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Als het symbool brandt, is het systeem
defect. Het normale remsysteem van de auto
werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
Het symbool gaat branden wanneer de motor
wordt voorverwarmd. Voorverwarming vindt
meestal plaats bij lage temperaturen.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
Wanneer het symbool gaat branden is het
brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig
mogelijk.
2. Start de motor opnieuw.
3. Als het symbool blijft branden, rijd dan
naar een werkplaats om het ABS te laten
controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
Mistachterlicht aan
Het symbool brandt, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld.
Stabiliteitsregeling
Het knipperende symbool geeft aan dat de
stabiliteitsregeling werkt. Als het symbool
continu brandt is er sprake van een storing in
het systeem.
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
De Sport-stand maakt een actievere rijervaring mogelijk. Het systeem registreert dan of
de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook
70
het bochtenwerk aan te merken zijn als actiever dan normaal, waarna het systeem een
gecontroleerde vorm van slippen in de achtertrein toelaat, voordat het ingrijpt en de auto
stabiliseert. Het symbool brandt, wanneer de
Sport-stand is geactiveerd.
Laag peil in brandstoftank
Informatie, lees displaymelding
Als er een afwijking is in een van de autosystemen, gaat het informatiesymbool branden
en verschijnt er een melding op het display. U
verwijdert de melding met behulp van de OKknop, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 110). Dit gebeurt automatisch als u enige
tijd niets doet (hoe lang hangt van de
bewuste functie af). Het informatiesymbool
kan ook gaan branden in combinatie met
andere symbolen.
N.B.
Als de servicemelding verschijnt kunt u het
symbool en de melding met behulp van de
OK-knop doven. Na een tijdje doven ze
ook automatisch.
Groot licht aan
Het symbool brandt, wanneer u het groot licht
voert of grootlichtsignalen geeft.
Richtingaanwijzers links/rechts
Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen
bij gebruik van de alarmlichten.
Eco-systeem aan
Het symbool brandt, wanneer het Eco-systeem is geactiveerd.
Start/Stop
Het symbool brandt, wanneer de motor automatisch is afgezet.
Bandenspanningscontrole
Het symbool brandt bij een lage bandenspanning of als een storing optreedt in de bandenspanningscontrole.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende
afbeelding op het bestuurdersdisplay. Breng
de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en
sluit het portier dat openstaat.
Als u zo'n 7 km/h (4 mph) rijdt, gaat
het informatiesymbool branden.
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 65)
Instrumentenpaneel - betekenis
waarschuwingssymbolen
De waarschuwingssymbolen attenderen u
erop dat de bijbehorende belangrijke functies/
systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige
storingen of gebreken zijn opgetreden.
Waarschuwingssymbolen
Symbool
Als u sneller dan zo'n 7 km/h (4 mph)
rijdt, gaat het waarschuwingssymbool
branden.
Lage
Parkeerrem ingeschakeld
(analoog instrument)
Airbags (SRS)
Als de bagageklep niet goed dichtstaat, gaat
het informatiesymbool branden en verschijnt
er een verklarende afbeelding op het bestuurdersdisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit de bagageklep.
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
Gerelateerde informatie
•
10
Instrumentenpaneel (p. 64)
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 71)
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 64)
03
oliedrukA
Parkeerrem ingeschakeld
(digitaal instrument)
Als de motorkap10 niet goed dichtstaat, gaat
het waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het
bestuurdersdisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
•
•
Betekenis
Waarschuwing
A
Bepaalde motorvarianten hebben geen systeem dat waarschuwt bij het wegvallen van de oliedruk. Bij auto's met
dergelijke motorvarianten is het symbool voor een geringe
oliedruk niet in gebruik. In plaats daarvan wordt via een
Alleen auto's met alarm*.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk.
Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 361).
Lage oliedruk
03
Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is
de druk van de motorolie te laag. Zet de
motor onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij. Als het symbool
oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u
contact opnemen met een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
Parkeerrem ingeschakeld
Het symbool brandt continu, wanneer u de
parkeerrem hebt aangezet. Het symbool knippert tijdens het aanzetten en gaat daarna
continu branden.
Een knipperend symbool in een andere situatie wijst op een storing. Lees de melding op
het bestuurdersdisplay.
Voor meer informatie, zie Parkeerrem
(p. 305).
Airbags (SRS)
Als het symbool tijdens het rijden oplicht of
blijft branden, is er een storing geregistreerd
in de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of
IC-systeem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk
naar een werkplaats om het systeem te laten
controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Gordelwaarschuwing
Het symbool knippert als u of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als
72
iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
Dynamo laadt niet bij
Het symbool gaat tijdens het rijden branden,
als er sprake is van een storing in het elektrisch systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
Storing in remsysteem
Als het symbool oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en controleer het
peil in het remvloeistofreservoir, zie Rem- en
koppelingsvloeistof - peil (p. 368).
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
•
Rijd verder als beide symbolen uitgaan.
•
Als de symbolen echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie Rem- en
koppelingsvloeistof - peil (p. 368). Als
de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde
is, moet u de auto uiterst voorzichtig
naar een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MINstreepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld.
Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies controleren door een werkplaats.
Volvo adviseert dat u daarvoor contact
opneemt met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd
branden, bestaat de kans dat de achtertrein bij krachtig afremmen slipt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Waarschuwing
Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd
die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of
de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding
op het bestuurdersdisplay. Het symbool blijft
branden totdat de storing is verholpen, maar
de melding kunt u verwijderen met de OKknop, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 110). Het waarschuwingssymbool kan
ook gaan branden in combinatie met andere
symbolen.
Actie:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
2. Lees de informatie op het bestuurdersdisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de OK-knop.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren niet goed dichtstaat,
gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende
afbeelding op het bestuurdersdisplay. Breng
de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en
sluit het portier dat openstaat.
Als u zo'n 7 km/h (4 mph) rijdt, gaat
het informatiesymbool branden.
11
Als u sneller dan zo'n 7 km/h (4 mph)
rijdt, gaat het waarschuwingssymbool
branden.
Buitentemperatuur
Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Als de motorkap11 niet goed dichtstaat, gaat
het waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het
bestuurdersdisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit de motorkap.
03
Als de bagageklep niet goed dichtstaat, gaat
het informatiesymbool branden en verschijnt
er een verklarende afbeelding op het bestuurdersdisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit de bagageklep.
Gerelateerde informatie
•
•
Display voor buitentemperatuurmeter,
digitaal instrumentenpaneel
Instrumentenpaneel (p. 64)
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 69)
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 64)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 65)
Display voor buitentemperatuurmeter,
analoog instrumentenpaneel
Wanneer de temperatuur tussen –5 °C en +2
°C ligt, brandt er een sneeuwvloksymbool op
het display. Het lampje wijst op het gevaar
voor gladheid. Als de auto stilstaat of geparkeerd gestaan heeft, is het mogelijk dat de
buitentemperatuurmeter een te hoge waarde
aangeeft.
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 64)
Alleen auto's met alarm*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Dagtellers
Klok
Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
03
Instrumentenpaneel licentieovereenkomst
Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te
verrichten of het recht om gebruik te maken
van een product waar een andere rechtspersoon octrooi of eigendomsrechten op heeft,
onder de voorwaarden vervat in de overeenkomst. Hier volgt een Engelse versie van de
overeenkomst tussen Volvo en producenten/
ontwikkelaars.
Combined Instrument Panel Software
Open Source Software Notice
Dagteller, digitaal instrument.
Klok, digitaal instrument.
Display voor dagtellers12
De beide dagtellers T1 en T2 worden gebruikt
voor het meten van kortere ritten. De afgelegde afstand staat op het display.
Draai aan het duimwiel van de linker stuurhendel om de gewenste meter te tonen.
Bij lang indrukken (totdat er een wijziging
plaatsvindt) van de knop RESET op de linker
stuurhendel wordt de getoonde dagteller
gereset. Voor meer informatie, zie Boordcomputer (p. 114).
Display voor de tijdaanduiding13
Klok instellen
U kunt de klok aanpassen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 113).
Gerelateerde informatie
•
Instrumentenpaneel (p. 64)
Gerelateerde informatie
•
12
74
Instrumentenpaneel (p. 64)
Hoe het display eruitziet kan verschillen afhankelijk van de instrumentenpaneelvariant.
This product uses certain free / open source
and other software originating from third
parties, that is subject to the GNU Lesser
General Public License version 2 (LGPLv2),
The FreeType Project License ("FreeType
License") and other different and/or additional
copy right licenses, disclaimers and notices.
The links to access the exact terms of
LGPLv2, and the other open source software
licenses, disclaimers, acknowledgements and
notices are provided to you below. Please
refer to the exact terms of the relevant
License, regarding your rights under said
licenses. Volvo Car Corporation (VCC) offers
to provide the source code of said free/open
source software to you for a charge covering
the cost of performing such distribution, such
as the cost of media, shipping and handling,
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
upon written request. Please contact your
nearest Volvo Dealer.
MIT License: http://opensource.org/licenses/
mit-license.html
The offer is valid for a period of at least three
(3) years from the date of the distribution of
this product by VCC / or for as long as VCC
offers spare parts or customer support.
•
Lua
Portions of this product uses software
copyrighted © 2007 The FreeType Project
(www.freetype.org). All rights reserved.
Portions of this product uses software with
Copyright © 1994–2013 Lua.org, PUC-Rio
(http://www.lua.org/)
This product includes software under
following licenses:
LGPL v2.1: http://www.gnu.org/licenses/oldlicenses/lgpl-2.1.html
•
•
GNU FriBidi
DevIL
The FreeType Project License: http://
git.savannah.gnu.org/cgit/freetype/
freetype2.git/tree/docs/FTL.TXT
•
13
Displaysymbolen
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn
onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen.
Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen met hun betekenis en
een verwijzing naar de pagina('s) in de handleiding waar u meer informatie kunt vinden.
03
- Rood waarschuwingssymbool dat
gaat branden, wanneer er een storing geregistreerd is die mogelijk van invloed is op de
veiligheid en/of rijeigenschappen van de auto.
Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende displaymelding op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel.
- Informatiesymbool, gaat branden, in
combinatie met een verklarende tekst op het
informatiedisplay van instrumentenpaneel,
wanneer er een storing in een van de autosystemen is opgetreden. Het informatiesymbool kan ook gaan branden in combinatie met
andere symbolen.
Waarschuwingssymbolen op
instrumentenpaneel
FreeType 2
Bij een analoog instrument wordt de tijd midden op het instrument weergegeven.
}}
75
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Symbool
03
76
Betekenis
Zie
Lage oliedruk
(p. 71)
Parkeerrem
ingeschakeld
(p. 71),
(p. 305)
Parkeerrem
ingeschakeld,
alternatief symbool
(p. 71)
Airbags (SRS)
(p. 33),
(p. 71)
Gordelwaarschuwing
(p. 29),
(p. 71)
Dynamo laadt
niet bij
(p. 71)
Storing in remsysteem
(p. 71),
(p. 302)
Waarschuwing,
Safety mode
(p. 33),
(p. 44),
(p. 71)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Controlesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
Symbool
Betekenis
Zie
Groot licht aan
(p. 69),
(p. 91)
Richtingaanwijzers links
(p. 69)
Richtingaanwijzers rechts
(p. 69)
Start/Stop*, de
motor is automatisch gestart
(p. 69),
(p. 298)
ECO-functie*
aan
(p. 69),
(p. 300)
Bandenspanningssysteem*
(p. 69),
(p. 344)
Betekenis
Zie
Storing in ABL*
(p. 69),
(p. 94)
Uitlaatgasreinigingssysteem
(p. 69)
Storing in ABS
(p. 69),
(p. 302)
Mistachterlicht
aan
(p. 69),
(p. 95)
Stabiliteitsregeling, ESC (Electronic Stability
Control), Trailer
Stability Assist
(p. 69),
(p. 190),
(p. 326)
Stabiliteitsregeling, Sport-stand
(p. 69),
(p. 190)
Betekenis
Zie
Voorgloeifunctie
motor (diesel)
(p. 69)
Cruisecontrol*
(p. 198)
Laag peil in
brandstoftank
(p. 69),
(p. 143)
Adaptieve
cruisecontrol*
(p. 214)
Informatie, lees
displaymelding
(p. 69)
Adaptieve
cruisecontrol*,
tijdsverschil
(p. 201),
(p. 204)
Informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Symbool
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Symbool
Betekenis
Zie
Adaptieve
cruisecontrol*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert)
(p. 206),
(p. 216)
Radarsensor*
(p. 214),
(p. 218),
(p. 235)
Snelheidsbegrenzer
(p. 195)
Voorruitsensor*,
camerasensor*,
lasersensor*
(p. 92),
(p. 225),
(p. 235),
(p. 239),
(p. 243),
(p. 248)
Auto Brake*;
afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City
SafetyTM; Collision Warning*
(p. 218),
(p. 225),
(p. 235)
ABL*
(p. 94)
Symbool
Betekenis
Zie
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
(p. 238)
Driver Alert System*; Tijd voor
pauze
(p. 239)
Parkeerrem
(p. 305)
Regensensor*
(p. 100)
Automatisch
groot licht, AHB
(Active High
Beam)*
(p. 92)
Start/Stop*
Symbool
Betekenis
Zie
Driver Alert System*; Lane
Departure Warning*
(p. 242)
Driver Alert System*; Lane
Departure Warning*
(p. 243),
(p. 248)
Geregistreerde
snelheidsinformatie*
(p. 192)
Motor- en interieurverwarming*
(p. 143)
(p. 298)
Motor- en interieurverwarming*
Service vereist
(p. 143)
Start/Stop*
(p. 298)
Geactiveerde
timer*
(p. 143)
Driver Alert System*, rijbaanassistent (LDW),
rijbaanassistent
(LKA)
(p. 239),
(p. 243),
(p. 248)
Geactiveerde
timer*
(p. 143)
Accuspanning
laag
(p. 143)
03
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Symbool
03
Gerelateerde informatie
Betekenis
Zie
Tankvulklep
rechts
(p. 312)
Schakelindicator
(p. 284)
Schakelstanden
(p. 285)
Oliepeil meten
(p. 362)
Actieve parkeerhulp - PAP*
(p. 257)
78
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 69)
•
Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 71)
•
Meldingen - functies (p. 112)
Volvo Sensus
Volvo Sensus vormt het hart van uw persoonlijke Volvo-beleving en maakt communicatie
mogelijk tussen u, uw auto en de wereld
eromheen. Sensus biedt informatie, entertainment en zo nodig ondersteuning. Sensus
omvat intuïtieve functies voor meer rijplezier
en een probleemloos autobezit.
Dankzij de intuïtieve navigatiestructuur kunt u
altijd toegang krijgen tot hulp, informatie en
entertainment, zonder te worden afgeleid.
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
•
Betekenis
Zie
Gordelwaarschuwing
(p. 32)
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
(p. 37)
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
(p. 37)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Sensus biedt u diverse oplossingen voor aansluiting* op de rest van de wereld en de
mogelijkheid tot intuïtieve bediening van de
verschillende autofuncties.
Volvo Sensus presenteert tal van functies van
uiteenlopende autosystemen op overzichtelijke wijze op het display van de middenconsole. Volvo Sensus biedt de mogelijkheid tot
personalisering van de auto met een eenvoudig te hanteren bedieningsinterface. Er zijn
instellingen te verrichten onder Instellingen
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
van de auto, Audio en media, Klimaat enzovoort
Overzicht
Met de knoppen en bedieningselementen op
de middenconsole en de rechter knoppenset*
op het stuurwiel kunt u functies activeren en
deactiveren en tal van instellingen verrichten.
Bij het bedienen van MY CAR worden alle
instellingen getoond die verband houden met
het besturen en bedienen van de auto, zoals
City Safety, sloten en alarm, automatische
ventilatorsnelheid, klokinstelling enzovoort.
Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*,
*,NAV* en CAM14 kunt u andere bronnen,
systemen en functies activeren, zoals AM,
FM, CD, DVD*, TV*, Bluetooth®*, navigatie* en
parkeerhulpcamera*.
Voor meer informatie over alle functies/systemen, zie de desbetreffende paragrafen in de
gebruikershandleiding of het bijbehorende
supplement.
03
Bedieningspaneel op middenconsole. De afbeelding is schematisch – het aantal functies en de
locatie van de knoppen is afhankelijk van de
gekozen uitrusting en de desbetreffende markt.
Navigatie* - NAV, zie apart supplement
(Sensus Navigation).
Audio en media - RADIO, MEDIA, TEL*,
zie desbetreffend supplement (Sensus
Infotainment).
Fabrieksinstellingen - MY CAR, zie MY
CAR (p. 113).
Connected Car *, zie desbetreffend
supplement (Sensus Infotainment).
Klimaatregeling (p. 125).
Parkeerhulpcamera* (p. 253) – CAM*.
14
Sleutelstanden
Met de transpondersleutel is het elektrische
systeem van de auto in verschillende standen
te zetten om het gebruik van verschillende
functies/systemen mogelijk te maken, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 80).
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd.
N.B.
Bij auto's met passieve start en vergrendeling* hoeft u de transportsleutel niet in het
contactslot te steken, maar kunt u deze
bijvoorbeeld in een binnenzak laten zitten.
Voor meer informatie over de passieve
start en vergrendeling, zie Keyless Drive*
(p. 170).
Geldt voor bepaalde automodellen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Transpondersleutel plaatsen
1. Houd de transpondersleutel beet aan de
kant van het afneembare sleutelblad en
plaats de transpondersleutel in het contactslot.
2. Duw de transpondersleutel vervolgens tot
aan de aanslag in het slot.
03
BELANGRIJK
Vreemde voorwerpen in het contactslot
kunnen tot functiestoringen leiden of
schade aan het slot toebrengen.
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 166).
Transpondersleutel uitnemen
Pak de transpondersleutel beet en trek deze
uit het contactslot.
80
Sleutelstanden - functies in
verschillende standen
Om bij uitgeschakelde motor het gebruik van
een beperkt aantal functies mogelijk te maken
is het elektrische systeem van de auto met de
transpondersleutel in 3 verschillende standen
te zetten: 0, I en II. In deze gebruikershandleiding worden deze standen in algemene zin
aangeduid als "sleutelstanden".
De volgende tabel geeft aan welke functies
beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden.
Stand
0
I
Functies
•
Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht.
•
Elektrisch bedienbare stoelen
zijn te verstellen.
•
Het audiosysteem is enige
tijd te gebruiken - zie supplement Sensus Infotainment.
•
Schuif-/kanteldak, elektrisch
bedienbare ruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, navigatie, telefoon,
interieurventilator en ruitenwissers zijn te gebruiken.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stand
II
Functies
•
De koplampen worden ontstoken.
•
Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden
lang.
•
Diverse andere systemen
worden geactiveerd. Elektrische verwarming in zittingen
en achterruit kan echter pas
na starten van de motor worden geactiveerd.
Deze sleutelstand verbruikt
veel stroom vanuit de startaccu
en moet daarom worden vermeden!
Kiezen van sleutelstand
•
Sleutelstand 0 - Ontgrendel de auto - het
elektrische systeem van de auto staat nu
in stand 0.
N.B.
Om stand I of II te realiseren zonder dat
de motor wordt gestart moet u bij het
selecteren van deze contactslotstanden
het rem-/koppelingspedaal niet bedienen.
15
16
•
Sleutelstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot15 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE.
•
Sleutelstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot15 geduwd druk lang16 op START/STOP ENGINE.
•
Terug naar sleutelstand 0 - Om terug te
gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II
en I - druk kort op START/STOP
ENGINE.
Voorstoelen
Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de
voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
03
Audiosysteem
Voor informatie over de functie van het audiosysteem bij een uitgenomen transpondersleutel, zie supplement Sensus Infotainment.
Motor starten en afzetten
Zie voor informatie over het starten/afzetten
van de motor, zie Motor starten (p. 277).
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Slepen
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
Zie voor belangrijke informatie over de transpondersleutel bij het slepen, zie Slepen
(p. 327).
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 79)
Voorkant zitting hoger/lager* zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Niet nodig bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling*.
Ca. 2 seconden.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Lendensteun* aanpassen, druk op de
knop.
Bedieningspaneel voor elektrisch
bediende stoel*, zie Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 82).
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren
en omlaag.
Zet de rugleuning rechtop.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het
rijden. Controleer of de stoel vergrendeld
staat om letsel te voorkomen bij hard
afremmen of een aanrijding.
03
Ruggedeelte passagiersstoel
omklappen*17
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog tijdens het omklappen.
Voorstoelen - elektrisch bediend*
Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de
voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch bediende stoel kan naar
voren/achteren en omhoog/omlaag worden
gezet. De voorkant van de zitting kan worden
verhoogd/verlaagd. De hellingshoek van de
rugleuning en de stand van de lendensteun*
zijn te wijzigen.
Elektrisch bedienbare stoel
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
‘vast’ komt te zitten.
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
Gerelateerde informatie
•
•
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 82)
Stoel omhoog/omlaag
Achterbank (p. 84)
Stoel vooruit/achteruit
Hellingshoek rugleuning
Lendensteun* in/uit.
17
82
Geldt alleen voor stoelen type comfort.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
De elektrisch bediende stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen
door een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit
het geval is, moet u het elektrische systeem
van de auto in stand I of 0 zetten en enige tijd
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert
te verstellen.
Stoel met geheugenfunctie*
De stand van de lendensteun wordt niet
opgeslagen.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel en de buitenspiegels onmiddellijk worden beëindigd.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren (vooruit/achteruit/omhoog/
omlaag/in/uit).
De geheugenfunctie slaat de instellingen op
voor de stoel en de buitenspiegels.
Instelling vastleggen
Geheugenknop
Geheugenknop
Geheugenknop
Knop voor vastlegging van de instelling
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd de knop M ingedrukt, terwijl u knop
1, 2 of 3 indrukt. Houd de knoppen ingedrukt, totdat er een akoestisch signaal
klinkt en er een tekst op het instrumentenpaneel verschijnt.
18
03
Geheugen* van transpondersleutel
Voorbereidingen
Tot enige tijd nadat u het portier met de
transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt
er geen sleutel in het contactslot. U verstelt
de stoel normaal gesproken in sleutelstand I.
Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk.
Om een andere instelling vast te leggen moet
u de stoel eerst verstellen.
In alle transpondersleutels kunnen verschillende instellingen voor de bestuurdersstoel
en de buitenspiegels18 voor meerdere
bestuurders worden opgeslagen, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 159).
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de verstellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten dient u
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
Alleen als de auto is uitgerust met een elektrisch bediende bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels. De stand van de lendensteun wordt niet opgeslagen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
83
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen. Controleer of er bij het instellen geen voorwerpen
voor, achter of onder de stoel liggen. Zorg
dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
03
Achterbank
De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen
van de achterbank kunnen worden neergeklapt. De hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan de lengte van de passagier
worden aangepast.
Middelste hoofdsteun achterbank
Stoelen met elektrische verwarming
Voor elektrisch verwarmde stoelen/achterbank, zie Elektrisch verwarmde voorstoelen*
(p. 132) en Elektrisch verwarmde achterbank*
(p. 132).
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de
achterbank bevinden. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken.
Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten.
Gerelateerde informatie
•
•
Voorstoelen (p. 81)
Achterbank (p. 84)
Stem de hoofdsteun af op de lengte van de
passagier zodat deze zo mogelijk het hele
achterhoofd bedekt. Trek de hoofdsteun zo
ver omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de pal achter de linker poot indrukken terwijl
u de hoofdsteun voorzichtig omlaagduwt.
84
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
De hoofdsteun van de middelste zitplaats
moet in de onderste stand staan, wanneer
de middelste zitplaats niet in gebruik is.
Wanneer de middelste zitplaats wel wordt
gebruikt, moet de hoofdsteun goed op de
lengte van de passagier zijn afgesteld,
zodat deze zo mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Het ruggedeelte bestaat uit twee delen. De
delen zijn elk apart of tegelijk naar voren te
klappen.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
elektrisch omklappen*
1. Trek aan de handgreep van uw keuze. U
vindt deze meteen achter de klepopening.
WAARSCHUWING
De hoofdsteunen moeten na het rechtop
zetten vergrendeld staan.
Gerelateerde informatie
•
•
2. Klap het ruggedeelte naar voren toe om.
Zet de middelste hoofdsteun helemaal
omlaag als u het brede ruggedeelte wilt
omklappen.
Voorstoelen (p. 81)
Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 82)
03
N.B.
Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te
voorkomen dat ze in contact komen met
het zitgedeelte.
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuningen en hoofdsteunen na het rechtopklappen goed vergrendeld staan om bij hard remmen of een
aanrijding letsel te voorkomen.
1. De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan.
2. Druk op de knop om de beide buitenste
hoofdsteunen op de achterbank om te
klappen en het zicht naar achteren te verbeteren.
WAARSCHUWING
Zet de buitenste hoofdsteunen niet naar
beneden als er passagiers op de buitenste
plaatsen zitten.
Zet de hoofdsteun na afloop handmatig
rechtop totdat deze hoorbaar vastklikt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwiel
Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de
claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem.
Instellen
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
WAARSCHUWING
matische versnellingsbak - Geartronic*
(p. 285).
Bediening audio en telefoon, zie supplement bij Sensus Infotainment.
Claxon
Stel het stuurwiel vóór vertrek in en zet
deze vast.
03
Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te
stellen, zie Stuurkrachtinstelling* (p. 187).
Toetsensets* en paddles*
Claxon.
Stuurwiel afstellen.
Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling
Druk op het midden van het stuurwiel om te
claxonneren.
Mogelijke stuurwielstanden
Gerelateerde informatie
•
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de diepte verstellen:
1. Trek de hendel naar de bestuurder toe
om het stuur vrij te geven.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Toetsensets en paddles op stuurwiel.
Cruisecontrol* (p. 198)* en Adaptieve
cruisecontrol - ACC* (p. 201)*.
Paddle voor handmatig schakelen bij
automatische versnellingsbak, zie Auto-
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Elektrische stuurverwarming* (p. 87)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische stuurverwarming*
Het stuurwiel is elektrisch te verwarmen.
Functie
inschakeling plaats. Activeer/deactiveer de
functie in het menusysteem MY CAR
(p. 113).
Bedieningspaneel verlichting
Met het bedieningspaneel voor de verlichting
kunt u de buitenverlichting inschakelen en
aanpassen. U gebruikt het ook om de displayen instrumentenverlichting alsook de sfeerverlichting (p. 97) aan te passen.
03
De positie van de knop kan variëren afhankelijk
van de overige gekozen uitrusting en de markt.
Bij herhaaldelijk indrukken van de knop
wordt geschakeld tussen de volgende standen:
Functie
Indicatie
Uitgeschakeld
Lampje in knop uit
Verwarming
Lampje in knop aan
Automatische stuurverwarming
Bij automatische inschakeling van de stuurverwarming wordt bij het starten van de
motor de stuurverwarming ingeschakeld. Bij
een omgevingstemperatuur lager dan zo’n
10 °C en een koude auto vindt automatische
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Stand
Betekenis
Stand
Dagrijlicht, parkeerlichten en
sidemarkers bij daglicht, wanneer het elektrische systeem
van de auto in sleutelstand II
staat of als de motor draait.
DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor warm is.
Grootlichtsignalering mogelijk.
03
Overzicht bedieningspaneel verlichting.
Duimwiel voor het afstellen van de display- en instrumentenverlichting alsook
de sfeerverlichting*
Knop voor mistachterlicht
Dagrijlicht, parkeerlichten en
sidemarkers, wanneer het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de
motor draait.
Dimlicht parkeerlichten en sidemarkers achter bij slechte verlichting overdag of bij donker of
wanneer het mistachterlicht of
de continue wisfunctie van de
achterruitwisser geactiveerd is.
Parkeerlichten/sidemarkers,
wanneer de auto geparkeerdB
staat.
De functie Tunneldetectie
(p. 91)* is geactiveerd.
De functie Automatisch groot
licht (p. 92)* is te gebruiken.
Grootlichtsignalering mogelijk.
Draaiknop voor verlichting tijdens het rijden en parkeren
U kunt het groot licht inschakelen, wanneer u het dimlicht
voert.
Duimwiel19 voor koplamphoogteregeling
Grootlichtsignalering mogelijk.
Standen draaiknop
Dimlicht en parkeerlichten/sidemarkers.
N.B.
Dezelfde lampen worden gebruikt voor de
dagrijlichten en stadslichten vóór. De lichtsterkte is groter, wanneer de lampen worden gebruikt voor de dagrijlichten.
19
88
Niet aanwezig bij auto's met actieve xenonkoplampen*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Betekenis
Groot licht is te activeren.
Grootlichtsignalering mogelijk.
A
B
Aangebracht in of onder de voorbumper.
Ook bij stilstaande auto en draaiende motor, mits de draaiknop vanuit een andere stand in deze stand wordt gezet.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Volvo adviseert u om stand
ken bij ritten in de auto.
te gebrui-
WAARSCHUWING
Het verlichtingssysteem van de auto kan
niet in elke situatie bepalen of het daglicht
te zwak of sterk genoeg is, bijvoorbeeld bij
mist en regen.
1. Laat de motor draaien of zet het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I.
2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om
de koplampen hoger of lager af te stellen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
parkeerlichten (p. 90)
Dagrijlicht (p. 90)
Groot licht/dimlicht (p. 91)
03
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
Display- en instrumentenverlichting
Afhankelijk van de sleutelstand worden
bepaalde displays en instrumenten verlicht,
zie Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 80).
Duimwielstanden bij uiteenlopende belading.
De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van
deze functie is in te stellen met het duimwiel.
Alleen bestuurder
Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
Inzittenden op alle zitplaatsen
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt.
U kunt dat voorkomen door de koplamphoogte bij te stellen. Stel de koplampen lager
af als de auto zwaar beladen is.
Bestuurder en voorpassagier
Inzittenden op alle zitplaatsen en maximale belading in bagageruimte
Bestuurder plus maximale belading in
bagageruimte
Auto's met actieve xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
parkeerlichten
Dagrijlicht
U schakelt de parkeerlichten in met de verlichtingsdraaiknop.
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in sleutelstand II of als de motor draait,
wordt bij daglicht automatisch het dagrijlicht
ingeschakeld.
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
Dagrijlicht DRL
03
Gerelateerde informatie
•
•
Verlichtingsdraaiknop in stand voor parkeerlichten.
(ook de
Zet de draaiknop in de stand
kentekenverlichting wordt ingeschakeld).
Als het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor draait,
brandt het dagrijlicht in plaats van de parkeerlichten voor.
Als het buiten donker is en de bagageklep
wordt geopend, gaan de parkeerlichten achter branden om achteropkomend verkeer te
waarschuwen. Dit gebeurt altijd, ongeacht de
stand van de draaiknop of de sleutelstand
van het elektrische systeem van de auto.
Gerelateerde informatie
•
90
Bedieningspaneel verlichting (p. 87)
Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO.
Met de verlichtingsdraaiknop in stand
wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights
- DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten overdag. Een lichtsensor boven op het
dashboard schakelt over van dagrijlicht op
dimlicht, wanneer het gaat schemeren of bij
donker weer. Overschakelen op dimlicht gaat
ook automatisch bij activering van de ruitenwissers of het mistachterlicht.
Groot licht/dimlicht (p. 91)
Bedieningspaneel verlichting (p. 87)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Tunneldetectie*
Groot licht/dimlicht
De tunneldetectie zorgt voor overschakeling
van dagrijlicht op dimlicht bij het binnenrijden
van een tunnel.
Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
staat en het elektrische systeem van de
auto in sleutelstand II of als de motor draait,
wordt in slechte lichtomstandigheden automatisch het dimlicht ingeschakeld.
De functie Tunneldetectie is aanwezig op een
auto met een regensensor*. Wanneer u een
tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en
wordt overgeschakeld van dagrijlicht naar
dimlicht. Ca. 20 seconden na het verlaten van
de tunnel, wordt weer overgeschakeld op
dagrijlicht. Als u na afloop van deze tijd een
andere tunnel inrijdt, blijft het dimlicht branden. Zo wordt voorkomen dat de lichtinstelling van de auto te vaak wordt gewijzigd.
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 91)
Bedieningspaneel verlichting (p. 87)
03
Het groot licht is te ontsteken met de draai20 of
knop in stand
. Schakel het
groot licht in of uit door de stuurhendel tot in
de eindstand naar het stuurwiel te halen en
vervolgens los te laten. Het groot licht is
eveneens uit te schakelen door de stuurhendel lichtjes in de richting van het stuurwiel te
duwen.
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop.
Stand voor grootlichtsignalen
Stand voor groot licht
Dimlicht
Met de draaiknop in de stand
wordt het
dimlicht automatisch geactiveerd als het gaat
schemeren of bij donker weer. Het dimlicht
wordt ook automatisch geactiveerd bij activering van de ruitenwissers of het mistachterlicht.
20
21
Grootlichtsignalen
Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de
stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de
hendel loslaat.
Groot licht
Let erop dat de tunneldetectie alleen werkt,
als de verlichtingsdraaiknop in stand
staat.
Gerelateerde informatie
brandt
Met de draaiknop in de stand
altijd het dimlicht, wanneer de motor draait of
als de sleutelstand II actief is.
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrumentenpahet symbool
neel.
Verstralers*
Als de auto beschikt over verstralers, kunt u
in het menusysteem MY CAR selecteren of
deze gedeactiveerd moeten worden of aan/uit
moeten gaan in combinatie met het groot
licht21, zie MY CAR (p. 113).
Wanneer het dimlicht brandt.
Verstralers moeten op het elektrische systeem worden aangesloten door een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
91
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Actieve xenonkoplampen* (p. 94)
Automatisch groot licht* (p. 92)
Bedieningspaneel verlichting (p. 87)
Koplampen - lichtbundel aanpassen
(p. 99)
Tunneldetectie* (p. 91)
03
Automatisch groot licht*
Automatisch groot licht is verkrijgbaar met
automatische in-/uitschakeling of adaptatiefunctie afhankelijk van de koplampvariant. Het
systeem ontdekt de koplampen van een
tegenligger of de achterlichten van een voorligger en schakelt dan over van groot licht
naar dimlicht. Automatisch groot licht met
adaptatiefunctie dimt alleen dat deel van de
lichtbundel dat rechtstreeks op de tegenliggers/voorliggers gericht is. De verlichting gaat
terug naar groot licht als het invallende licht
ophoudt.
enkele seconden later weer over naar groot
licht.
Bij automatisch groot licht met adaptatiefunctie blijft in tegenstelling tot wat er gebeurt bij
de standaarddimfunctie dat deel van de lichtbundel dat naast tegen- of voorliggers valt op
grootlichtsterkte branden – alleen dat deel
van de lichtbundel dat rechtstreeks op de
tegenliggers/voorliggers gericht is wordt
gedimd.
Automatisch groot licht - AHB
Automatisch groot licht (Active High Beam –
AHB) is een systeem dat met een camerasensor boven aan de voorruit de koplampen van
tegenliggers of de achterlichten van voorliggers registreert en overschakelt van groot
licht naar dimlicht. De functie kan ook rekening houden met de straatverlichting.
Auto met halogeenkoplampen
Wanneer er geen invallend licht van voor-/
tegenliggers meer wordt waargenomen,
schakelt de verlichting enkele seconden later
weer over naar groot licht.
Auto met actieve xenonkoplampen
Wanneer bij automatisch groot licht met automatische in-/uitschakeling de camerasensor
geen invallend licht van voor-/tegenliggers
meer waarneemt, schakelt de verlichting
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Adaptatiefunctie: Dimlicht recht vooruit in de
richting van tegenliggers, maar groot licht aan
weerszijden van de tegenliggers.
Wanneer er geen invallend licht van voor-/
tegenliggers meer wordt waargenomen,
schakelt de verlichting enkele seconden later
weer over naar volledig groot licht.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Activeren/deactiveren
AHB is te activeren, wanneer de verlichtingsstaat (op voordraaiknop in de stand
waarde dat het systeem niet gedeactiveerd
werd in het menusysteem MY CAR), zie MY
CAR (p. 113).
Wanneer het groot licht ontstoken is, brandt
op het instrumentenook het symbool
paneel. Bij actieve xenonkoplampen geldt dit
ook bij gedeeltelijk groot licht, dat wil zeggen
zodra de lichtbundel iets sterker brandt dan
het geval is bij dimlicht.
Auto met digitaal instrumentenpaneel
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het bestuurdersdisplay wit.
Als het groot licht ontstoken is, brandt het
symbool blauw. Bij actieve xenonkoplampen
geldt dit ook bij gedeeltelijk groot licht, dat wil
zeggen zodra de lichtbundel iets sterker
brandt dan het geval is bij dimlicht.
Handmatige bediening
Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop in stand
AUTO.
De functie kan starten bij ritten in het donker,
wanneer u op een snelheid van zo'n 20 km/h
(12 mph) of hoger rijdt.
Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel
te halen en vervolgens los te laten. Na het
deactiveren van het groot licht wordt direct
overgeschakeld naar dimlicht.
Auto met analoog instrumentenpaneel
Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool
op het bestuurdersdisplay.
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
Als de melding Actief groot licht Tijdelijk
niet beschikbaar Schakel handmatig op
het bestuurdersdisplay verschijnt, moet u
handmatig tussen groot licht en dimlicht
schakelen. De verlichtingsdraaiknop kan echter in stand
blijven staan. Hetzelfde
geldt, als de melding Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek en het symverschijnen. Het symbool
bool
dooft, wanneer deze melding verschijnt.
AHB is mogelijk tijdelijk niet beschikbaar,
zoals in dichte mist of bij zware regenval.
Wanneer AHB weer beschikbaar is of als de
voorruitsensoren niet langer geblokkeerd zijn,
verdwijnt de melding en gaat het symbool
branden.
03
WAARSCHUWING
AHB is een systeem dat u helpt om in
ongunstige omstandigheden de optimale
verlichting te kiezen.
Als bestuurder bent u echter altijd verplicht
om handmatig te wisselen tussen groot
licht en dimlicht, als dat gezien de verkeerssituatie en/of weersgesteldheid vereist is.
BELANGRIJK
Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk moet wisselen tussen groot licht en
dimlicht:
•
•
•
•
in zware regen of dichte mist
bij ijsregen
bij stuifsneeuw of sneeuwmodder
bij maanlicht
}}
93
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
•
•
•
•
•
03
•
•
•
bij ritten in zwak verlichte bebouwde
gebieden
bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting
bij voetgangers op of naast de weg
bij sterk reflecterende voorwerpen
zoals borden in de buurt van de weg
Actieve xenon-koplampen zorgen voor optimale verlichting in bochten en op kruisingen
om op die manier de veiligheid te verhogen.
Actieve xenon-koplampen ABL
als de verlichting van tegenliggers
schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails
bij verkeer op verbindingswegen
op het hoogste punt van heuvels en
het laagste punt van dalen
in scherpe bochten.
Zie voor meer informatie over de beperkingen
van de camerasensor, zie Collision Warning* beperkingen van de camerasensor (p. 233).
Gerelateerde informatie
•
•
Actieve xenonkoplampen*
Groot licht/dimlicht (p. 91)
Bedieningspaneel verlichting (p. 87)
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights – ABL)
draaien de lichtbundels van de koplampen
mee om optimale verlichting te verkrijgen in
bochten en op kruisingen om op die manier
de veiligheid te verhogen.
Het systeem wordt automatisch geactiveerd
bij het starten van de motor (op voorwaarde
dat de functie niet is gedeactiveerd in het
menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 113)). Wanneer de functie een storing ver-
22
94
Geactiveerd bij levering vanuit de fabriek.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
op het
toont, brandt het symbool
instrumentenpaneel verschijnen een verklarende tekst plus een ander brandend symbool.
Symbool
Melding
Betekenis
Storing
koplampsysteem
Service
vereist
Het systeem is
defect. Bezoek
een werkplaats
als de melding
niet verdwijnt.
Volvo adviseert u
contact op te
nemen met een
erkende Volvowerkplaats.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
U kunt de functie22 deactiveren/activeren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 113).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bochtverlichting*
Mistachterlicht
Actieve xenonkoplampen met automatisch
groot licht van het adaptieve type zijn voorzien van bochtverlichting die bij een scherpe
bocht tijdelijk met de auto meedraaien in
dezelfde richting als het stuur of in de richting
die de richtingaanwijzers aangeven.
Bij een beperkt zicht door mist kunt u de mistachterlichten gebruiken om achterliggers tijdig op uw aanwezigheid te attenderen.
N.B.
De voorschriften voor het gebruik van een
mistachterlicht verschillen per land.
Gerelateerde informatie
•
Bedieningspaneel verlichting (p. 87)
De functie wordt geactiveerd bij gebruik van
het groot licht of dimlicht bij een rijsnelheid
lager dan zo'n 30 km/h (20 mph).
03
Ook tijdens het achteruitrijden gaat de bochtverlichting branden bij wijze van aanvulling op
de achteruitrijlichten.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Groot licht/dimlicht (p. 91)
Automatisch groot licht* (p. 92)
Knop voor mistachterlicht.
Bedieningspaneel verlichting (p. 87)
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen,
wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand
of
staat en het contactslot in de
stand II of wanneer de motor draait.
Druk op de knop voor in-/uitschakeling. Het
controlesymbool voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is.
Het mistachterlicht dooft automatisch bij een
druk op de START/STOP ENGINE-knop of
wanneer u de verlichtingsdraaiknop naar
of
draait.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
03
Remlichten
Alarmlichten
De remlichten gaan automatisch branden
wanneer u remt.
De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig knipperen, wanneer deze functie actief
is.
Bij het bedienen van het rempedaal gaan de
remlichten branden. Ze gaan ook branden
wanneer een van de rij-assistentiesystemen,
Adaptieve cruisecontrol (p. 201), City Safety
(p. 219) of Collision Warning (p. 226) de auto
afremmen.
Gerelateerde informatie
•
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 304)
Knop voor alarmlichten.
Druk op de knop om de alarmlichten te activeren. Beide richtingaanwijzersymbolen op
het instrumentenpaneel knipperen bij gebruik
van de alarmlichten.
De alarmlichten worden automatisch geactiveerd, wanneer de auto zo sterk wordt
geremd dat de noodremlichten worden geactiveerd en de snelheid lager dan zo'n 10 km
(6 mph) ligt.. De alarmlichten blijven actief als
de auto stilstaat en worden vervolgens automatisch gedeactiveerd als de auto weer wegrijdt of gedeactiveerd als de knop wordt ingedrukt.
96
Gerelateerde informatie
•
•
Richtingaanwijzer (p. 97)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 304)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Richtingaanwijzer
De richtingaanwijzers van de auto zijn te
bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven
knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel
omhoog- of omlaaghaalt.
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Richtingaanwijzersymbolen
Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie
Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 69).
Interieurverlichting
De interieurverlichting is te activeren/deactiveren met de knoppen van de bedieningspanelen aan het plafond voor- en achterin.
Gerelateerde informatie
Alarmlichten (p. 96)
03
G021149
•
Knoppen op plafondconsole voor bediening
leeslampjes en interieurverlichting voorin.
Richtingaanwijzer.
Leeslampje linkerzijde
Korte serie knippersignalen
Leeslampje rechterzijde
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eerste stand en laat de hendel
vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op. U kunt het systeem activeren/deactiveren in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 113).
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de tweede stand.
Interieurverlichting
Alle verlichting in het interieur kan handmatig
in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat:
•
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in 0 staat
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de
motor is gestart.
De hendel blijft in deze stand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
}}
97
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Plafondverlichting voorin
Verlichting make-upspiegel
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
De verlichting van de make-upspiegel
(p. 151), wordt bij het openen en sluiten van
het spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
Plafondverlichting achterin
Automatische verlichting
Met de knop voor de interieurverlichting kunt
u drie verlichtingsstanden selecteren:
G021150
03
Plafondverlichting achterin.
U kunt de lampjes in- en uitschakelen met
een druk op de bijbehorende knop.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het
openen c.q. sluiten van een portier.
•
Uit – rechterkant ingedrukt, automatische
interieurverlichting gedeactiveerd.
•
Neutrale stand – automatische verlichting geactiveerd.
•
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch inen uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden in de volgende gevallen:
•
u ontgrendelt de auto met de transpondersleutel of het sleutelblad, zie Transpondersleutel - functies (p. 162) of
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 167)
•
de motor is afgezet en het elektrische
systeem van de auto in 0 staat.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt
in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten
van de klep van het kastje.
98
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De interieurverlichting dooft in de volgende
gevallen:
•
•
de motor start
de auto wordt vergrendeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft twee
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren openstaat.
Als u bepaalde verlichting handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten automatisch
worden uitgeschakeld.
Sfeerverlichting*
Wanneer de reguliere interieurverlichting is
uitgegaan en de motor draait, branden er
enkele leds, onder meer een bij de plafondverlichting voor een zwakke sfeerverlichting
tijdens de rit. Bovendien kunt u door de verlichting in het donker eventuele voorwerpen in
de opbergvakken enzovoort beter zien. Deze
verlichting gaat bij vergrendeling van de auto
even na de reguliere interieurverlichting uit. U
regelt de sterkte van de verlichting met het
duimwiel op het bedieningspaneel (p. 87).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Follow Me Home-verlichting
Approach-verlichting
Koplampen - lichtbundel aanpassen
De Follow Me Home-verlichting omvat het
dimlicht, de parkeerlichten, de lampen in de
buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting,
de plafondverlichting en de instapverlichting.
De Approach-verlichting omvat de parkeerlichten, de lampen in de buitenspiegels, de
kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting.
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow Me Home-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto.
U activeert de Approach-verlichting met de
transpondersleutel, zie Transpondersleutel functies (p. 162), om de verlichting van de
auto op afstand in te schakelen.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen en automatisch groot licht heeft,
moet u de lichtbundelinstelling aanpassen
wanneer u een auto voor rechtsrijdend verkeer wilt gebruiken voor linksrijdend verkeer
en andersom.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
Wanneer u de functie activeert via de transpondersleutel, gaan de parkeerlichten, de
richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de
plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting branden.
2. Haal de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel toe en laat de
hendel los. De functie is op dezelfde
manier te activeren als de grootlichtsignalen, zie Groot licht/dimlicht (p. 91).
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wanneer de functie is geactiveerd, gaan de
dimlichten, de parkeerlichten, de richtingaanwijzers, de verlichting van de buitenspiegels,
de kentekenplaatverlichting, de plafondlampjes in het interieur en de instapverlichting
branden.
De duur van de Approach-verlichting is in te
stellen in het menusysteem MY CAR, zie MY
CAR (p. 113).
Gerelateerde informatie
•
Follow Me Home-verlichting (p. 99)
Actieve xenonkoplampen*
Bij auto's zonder automatisch groot licht* is
geen aanpassing van de lichtbundel vereist.
De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers
niet worden verblind.
03
Bij auto's met automatisch groot licht is aanpassing van de lichtbundel vereist. Bij het
aanpassen van de lichtbundel voor links- of
rechtsrijdend verkeer dient de auto stil te
staan.
De lichtbundel is aan te passen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 113).
Halogeenkoplampen
Er is geen aanpassing van de lichtbundel vereist. De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet worden verblind.
De duur van de Follow Me Home-verlichting
is in te stellen in het menusysteem MY CAR,
zie MY CAR (p. 113).
Gerelateerde informatie
•
Approach-verlichting (p. 99)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
99
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Wissers en sproeiers
Intervalstand
Regensensor*
De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met
hogedruksproeiers gereinigd.
Met het duimwiel kunt u het aantal
wisslagen per eenheid van tijd
instellen wanneer u de intervalstand
hebt geselecteerd.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en schakelt automatisch
de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel.
Ruitenwissers23
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
03
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Controleer voordat u de wissers activeert
of de wisserbladen niet zijn vastgevroren
en of eventuele sneeuw- en ijsresten op
voor- en achterruit zijn verwijderd.
Ruitenwissers en -sproeiers.
Regensensor, aan/uit
Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld
Haal de hendel naar stand 0 om de
ruitenwissers uit te schakelen.
Enkele slag
Haal de hendel omhoog en laat
deze los om de wissers een enkele
slag te laten maken.
23
100
BELANGRIJK
Gebruik voldoende sproeiervloeistof als de
wissers de voorruit schoonmaken. De
voorruit moet nat zijn als de ruitenwissers
werken.
Servicestand wisserbladen
Voor het reinigen van voorruit/wisserbladen
en het vervangen van wisserbladen, zie Wasstraat (p. 401) en Wisserbladen (p. 378).
Wanneer de regensensor actief is, brandt het
lampje in de bijbehorende knop en verschijnt
op het instruhet regensensorsymbool
mentenpaneel.
Activeren en gevoeligheid instellen
Om de regensensor te activeren dient de
motor te lopen of de transpondersleutel in
stand I of II te staan en de ruitenwisserhendel
in stand 0 of die voor een enkele wisslag.
Activeer de regensensor door op de regente drukken. De ruitenwissensorknop
sers maken een slag.
Als u de hendel omhooghaalt, maken de ruitenwissers een extra slag.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (de wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Deactiveren
Deactiveer de regensensor met een druk op
de regensensorknop
of haal de hendel
omlaag naar een ander wisprogramma.
Voor het vervangen van wisserbladen en de servicestand van de wisserbladen, zie Wisserbladen (p. 378). Voor het bijvullen van sproeiervloeistof, zie Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 379).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit
het contactslot neemt of vijf minuten nadat u
de motor hebt afgezet.
BELANGRIJK
In een automatische wasstraat kunnen de
ruitenwissers van de voorruit starten en
beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl de auto loopt of de transpondersleutel in stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het
lampje in de knop doven.
Koplamp- en ruitensproeiers
Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de
ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen en worden de koplampen gesproeid.
Verwarmde sproeikoppen*
De sproeikoppen worden bij vorst automatisch verwarmd om te voorkomen dat de ruitensproeiervloeistof bevriest.
Gereduceerde sproeifunctie
•
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
03
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid.
Gerelateerde informatie
Ruitensproeiers voorruit
Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te bedienen. Vanaf de bedieningspanelen
van de overige portieren zijn alleen de ruiten
van het desbetreffende portier te bedienen.
Hogedruksproeiers koplampen*
Wanneer er nog ca. 1 liter sproeiervloeistof in
het reservoir zit en op het instrumentenpaneel
de melding verschijnt dat u sproeiervloeistof
moet bijvullen, worden de koplampen en de
achterruit niet langer schoongesproeid. Dit
omdat de sproeifunctie van de voorruit en
een goed zicht door de voorruit de voorrang
hebben.
Sproeierfunctie.
Elektrisch bedienbare ruiten
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 379)
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Elektrisch kinderslot op achterportieren*
en achterste zijruiten, zie Kinderslot elektrische activering* (p. 181).
Bedieningsknoppen achterste zijruiten
Bedieningsknoppen voorste zijruiten
WAARSCHUWING
Let er bij het sluiten van de ruiten vanaf het
bestuurdersportier op dat kinderen en/of
andere inzittenden niet bekneld kunnen
raken.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
WAARSCHUWING
Bediening
Let erop dat kinderen of andere passagiers
niet bekneld raken, wanneer/als u de ruiten
sluit met behulp van de transpondersleutel.
WAARSCHUWING
03
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn,
moet altijd de stroom naar de elektrisch
bedienbare ruiten worden onderbroken
door te kiezen voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te
nemen uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 80).
Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
Handmatige bediening
Automatische bediening
Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare
ruiten worden bediend. De bedieningspanelen van de overige portieren kunnen alleen de
ruit van het desbetreffende portier bedienen.
Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk
worden bediend.
Om de elektrisch bedienbare ruiten te kunnen
gebruiken moet de sleutelstand minimaal I
zijn - zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 80). Na uitschakeling van
de motor kunnen de elektrisch bedienbare
ruiten gedurende enkele minuten na verwijdering van de transpondersleutel worden
102
bediend, maar niet nadat er een portier is
geopend.
De ruiten komen tot stilstand en worden
geopend, als ze tijdens het sluiten in hun
beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten
onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming,
kan de beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven. Wanneer de zijruiten tweemaal achtereen niet konden worden gesloten,
wordt de beveiliging tegen overbelasting
korte tijd gedeactiveerd. Sluiten is daarna
mogelijk door de bedieningsknop omhoog te
trekken en vast te houden.
N.B.
Om het pulserende windgeluid te verminderen als de beide achterruiten open
staan, kunt u de voorste ruiten ook een
stukje openen.
Handmatige bediening
Trek voorzichtig een van de bedieningsknoppen omhoog of duw er een omlaag. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of omlaag zolang u de bedieningsknop bedient.
Automatische bediening
Trek een van de bedieningsknoppen omhoog
of duw er een omlaag en laat deze vervolgens
los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch
volledig open of dicht.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedienen met transpondersleutel of
knop voor centrale vergrendeling
Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf
de buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de
knop voor centrale vergrendeling, zie Transpondersleutel - functies (p. 162) of Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde
(p. 176).
Zonnescherm*
Buitenspiegels
In de achterruitconsole is een zonnescherm
ingebouwd.
Stel de stand van de buitenspiegels bij met
het hendeltje op het bedieningspaneel van het
bestuurdersportier.
03
Resetten
Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt
de automatische openingsfunctie pas weer
naar behoren wanneer u deze hebt gereset.
1. Trek de knop aan de voorkant omhoog
om de ruit helemaal te sluiten en houd de
knop een seconde in deze stand vast.
2. Laat de knop korte tijd los.
3. Trek de voorkant van de knop opnieuw
een seconde omhoog.
WAARSCHUWING
Resetten is nodig om de beveiliging tegen
overbelasting te laten werken.
–
Trek het zonnescherm omhoog en bevestig het met de twee haken aan de plafondclips.
> Door de veerkracht van het scherm
blijven de haken in positie.
Haak een zonnescherm dat u niet gebruikt los
en houd het vast, terwijl het langzaam wordt
opgerold.
Bedieningsknoppen buitenspiegels.
Instellen
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel
rechts. Het lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
mag niet langer branden.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
103
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
WAARSCHUWING
Beide spiegels zijn groothoekig voor een
optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder
weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Instellingen vastleggen24
03
De instellingen van de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel zijn voor alle transpondersleutels apart op te slaan in het autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 159).
Buitenspiegel kantelen bij parkeren24
De buitenspiegels zijn omlaag te kantelen,
zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de
kant van de weg kunt zien.
–
Schakel de achteruitversnelling in en druk
op de knop L of R.
Bij het inschakelen van een andere versnelling nemen de gekantelde buitenspiegels na
ca. 10 seconden de oorspronkelijke stand
weer in. Dat gebeurt eerder, als u de knop L
of R indrukt.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 113).
Automatische inklapfunctie bij
vergrendelen24
Wanneer u de auto vanaf de transpondersleutel vergrendelt/ontgrendelt worden de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 113).
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door
invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de neutrale stand worden teruggezet
zodat het elektrisch in- en uitklappen weer
correct werkt:
1. Klap de spiegels in met de knoppen L en
R.
Automatisch kantelende buitenspiegel
bij parkeren24
2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen L en R.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling worden de buitenspiegels automatisch
omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan
zien. Wanneer u de auto uit de achteruitver-
3. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
24
104
snelling haalt, nemen de buitenspiegels na
enige tijd automatisch hun oorspronkelijke
stand weer in.
De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand.
Alleen in combinatie met een elektrisch bedienbare stoel met geheugen, zie Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 82).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Autodimfunctie*
Buitenspiegels met autodimfunctie zijn alleen
mogelijk, als ook de achteruitkijkspiegel is
voorzien van een dergelijke autodimfunctie,
zie Achteruitkijkspiegel (p. 105).
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het
parkeren en als u op smalle wegen rijdt:
1. Druk de knoppen L en R gelijktijdig in
(sleutelstand minimaal I).
2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels
stoppen automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
Klap de spiegels uit door de knoppen L en R
tegelijkertijd in te drukken. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Approach-verlichting en Follow Me
Home-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, wanneer u de Approach-verlichting
(p. 99) of de Follow Me Home-verlichting
(p. 99) selecteert.
Gerelateerde informatie
•
•
Achteruitkijkspiegel (p. 105)
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming (p. 105)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en buitenspiegels - elektrische
verwarming
De elektrische verwarming dient om de vooren achteruit en de buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Elektrische voorruit-*, achterruit- en
buitenspiegelverwarming
accu niet onnodig te belasten. Als u echter
niets doet, wordt de functie na enige tijd
automatisch uitgeschakeld. Vervolgens wordt
de achterruitverwarming automatisch in- en
uitgeschakeld zolang de buitentemperatuur
lager is dan +7 °C.
Achteruitkijkspiegel
De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een
knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook
is het mogelijk dat de autodimfunctie van de
achteruitkijkspiegel actief is.
N.B.
03
De achterruitverwarming wordt niet automatisch in- en uitgeschakeld, als de Ecofunctie actief is. De verwarming blijft in dat
geval ook bij buitentemperaturen lager dan
+7 °C uitgeschakeld. Voor informatie over
de Eco-functie, zie Rijmodus ECO*
(p. 300).
Zie ook Voorruit ontwasemen en ontdooien
(p. 135).
Elektrische voorruitverwarming
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Gebruik de functie om voorruit, achterruit en
buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
Bij eenmaal indrukken van de desbetreffende
knop gaat de verwarming van start. Het brandende lampje in de knop geeft aan dat de
functie actief is. Schakel de verwarming uit
zodra het ijs/de condens verdwenen is om de
De buitenspiegels en de achterruit worden
automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als u de auto start bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem
MY CAR, zie MY CAR (p. 113).
Hendeltje voor dimfunctie
Handmatige dimfunctie
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje
in de dimstand, wanneer u de verlichting van
het achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart:
1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje
naar u toe te halen.
2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
105
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
03
Autodimfunctie*
Kompas*
Kalibreren
Als het licht dat van achteren in de spiegel
valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel
automatisch gedimd. Bij een spiegel met
autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor
handmatig dimmen.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst.
Om de juiste kompasrichting aan te geven
moet het kompas soms worden gekalibreerd.
De achteruitkijkspiegel is voorzien van twee
sensoren (één aan de voorkant en één aan de
achterkant) die samenwerken om hinderlijke
lichtinval te identificeren en te verhelpen. De
sensor aan de voorkant registreert omgevingslicht, terwijl de sensor aan de achterkant
de koplampen van achterliggers registreert.
Bediening
Kalibreer als volgt:
1. Breng de auto tot stilstand op een groot
en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn.
2. Start de auto en schakel alle elektrische
uitrusting (klimaatregeling, luchtdroger
enzovoort) uit en zorg dat alle portieren
zijn gesloten.
N.B.
Als de sensoren door bijvoorbeeld parkeervergunningen, transponders, zonnekleppen of voorwerpen op de achterbank
of de hoedenplank dusdanig worden
gehinderd dat er geen licht op de sensoren
valt, gelden er beperkingen voor de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels.
Alleen een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie is mogelijk uitgerust met een kompas
(p. 106).
Gerelateerde informatie
•
106
Buitenspiegels (p. 103)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
N.B.
Achteruitkijkspiegel met kompas.
Er worden acht verschillende richtingen met
Engelse afkortingen weergegeven: N (noord),
NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S
(zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW
(noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd
wanneer u de motor start of wanneer sleutelstand II actief is, zie Sleutelstanden - functies
in verschillende standen (p. 80). Om het kompas handmatig uit of in te schakelen kunt u
een paperclip of iets dergelijks nemen en het
knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken.
De kalibratie kan mislukken of helemaal
niet worden uitgevoerd, als u de elektrische uitrusting niet uitschakelt.
3. Houd het knopje aan de onderzijde van
de achteruitkijkspiegel
ca. 3 seconden lang (met een paperclip of
iets dergelijks) ingedrukt. Het cijfer van de
huidige magnetische zone verschijnt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
7. Auto's met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op
het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6 hierboven met de elektrische
voorruitverwarming ingeschakeld, zie
Voorruit ontwasemen en ontdooien
(p. 135).
8. Herhaal de bovenstaande procedure zo
nodig.
Magnetische zones.
4. Druk meerdere malen op het knopje totdat het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
Schuif-/kanteldak*
Het schuif-/kanteldak is te bedienen met de
knoppen aan het plafond.
Het binnenste zonnescherm is handmatig te
sluiten.
Bij het schuif-/kanteldak hoort een windscherm.
De bedieningsknoppen voor het schuif-/
kanteldak zitten aan het plafond. Het schuif-/
kanteldak is aan de achterkant open te kantelen of horizontaal open te schuiven. Het
schuif-/kanteldak is alleen te openen in sleutelstand I of II.
03
Horizontaal openschuiven
6. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h
(6 mph), totdat een kompasrichting op het
display verschijnt. Dit geeft aan dat de
kalibratie afgerond is. Rijd daarna nog 2
rondjes om de kalibratie fijn af te stellen.
G021343
5. Wacht totdat het teken C weer op het
display verschijnt of houd het knopje aan
de onderzijde van de achteruitkijkspiegel
ca. 6 seconden lang ingedrukt, totdat het
teken C verschijnt.
Horizontaal openschuiven, achteruit/vooruit.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
107
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Sluiten, automatisch
Openen
03
Om het schuif-/kanteldak te openen tot in de
comfortstand25 - trek de bedieningsknop naar
achteren in de stand voor automatisch openen en laat de knop vervolgens los. Om het
dak maximaal te openen - trek de bedieningsknop nogmaals naar achteren in de
stand voor automatisch openen en laat de
knop vervolgens los.
U kunt het schuif-/kanteldak handmatig openen door de bedieningsknop achteruit naar
het weerstandspunt voor handmatig openen
te trekken. Het dak schuift in de richting van
de comfortstand zolang u de knop ingedrukt
houdt. Om het dak maximaal te openen - trek
nogmaals aan de bedieningsknop.
Sluiten
U kunt het schuif-/kanteldak handmatig sluiten door de bedieningsknop vooruit naar het
weerstandspunt voor handmatig sluiten te
duwen. Het schuif-/kanteldak schuift steeds
verder dicht zolang u de knop in deze stand
vasthoudt.
25
108
WAARSCHUWING
Verticaal openkantelen
Gevaar voor beknelling bij het sluiten van
het schuifdak. De beveiliging tegen overbelasting van het schuifdak werkt alleen bij
automatisch sluiten, niet bij handmatig
sluiten.
Het schuif-/kanteldak gaat automatisch dicht,
wanneer u de knop in de stand voor automatisch sluiten duwt en vervolgens loslaat.
Wanneer u sleutelstand 0 kiest en de transpondersleutel uit het contactslot neemt,
wordt de spanning van het schuif-/kanteldak
verbroken.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Onderbreek altijd de stroom naar het
schuifdak door te kiezen voor sleutelstand
0 en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto. Voor informatie over
sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 80).
G028899
Sluiten, handmatig
Verticaal openkantelen, achterkant omhoogkantelen.
Kantel het schuif-/kanteldak open door
de achterkant van de knop omhoog te
duwen.
Kantel het schuif-/kanteldak dicht door
de achterkant van de knop omlaag te
trekken.
De comfortstand is de stand waarbij het schuif-/kanteldak zover geopend is dat rijwind- en resonantiegeluiden op een aangenaam laag niveau liggen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Sluiten met transpondersleutel of knop
voor centrale vergrendeling
Knop voor centrale vergrendeling
U kunt de knop voor centrale vergrendeling
op bestuurdersportier of passagiersportier*
gebruiken om het schuif-/kanteldak te sluiten.
G021345
–
een transpondersleutel
–
Druk lang op de vergrendelingsknop
van de transpondersleutel, totdat het
schuif-/kanteldak en alle zijruiten worden
gesloten en de portieren en de bagageklep worden vergrendeld.
Druk nogmaals op de vergrendelingsknop
van de transpondersleutel om het sluiten te
onderbreken.
volgens automatisch terug naar de laatst
gebruikte, geopende stand.
Windscherm
Druk lang op de knop voor centrale vervan de transpondersleugrendeling
tel, totdat het schuif-/kanteldak en alle zijruiten worden gesloten en de portieren en
de bagageklep worden vergrendeld.
03
Druk opnieuw op de knop voor centrale vergrendeling om de sluitingsbeweging te onderbreken.
WAARSCHUWING
Als u het schuifdak met de transpondersleutel of de knop voor centrale vergrendeling sluit, moet u controleren of niemand
bekneld raakt.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuif-/kanteldak
zit een handbediend zonnescherm. Het zonnescherm glijdt automatisch naar achteren bij
het openen van het schuif-/kanteldak. Pak de
handgreep vast en schuif het scherm naar
voren om het te sluiten.
Bij het schuif-/kanteldak hoort een windscherm dat opgeklapt wordt bij een geopend
schuif-/kanteldak.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel - functies (p. 162)
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 176)
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuif-/kanteldak is voorzien van een
beveiliging tegen overbelasting die wordt
geactiveerd, als het schuif-/kanteldak door
een obstakel wordt gehinderd. Het schuif-/
kanteldak komt dan tot stilstand en keert ver-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Menufuncties - instrumentenpaneel
Menu-overzicht - instrumentenpaneel
Met de linker stuurhendel bedient u de
menu’s (p. 110) die op het informatiedisplay
van het instrumentenpaneel (p. 64) verschijnen. Welke menu’s er verschijnen hangt af
van de sleutelstand (p. 80).
Welke menu’s er op het informatiedisplay van
het instrumentenpaneel verschijnen hangt af
van de sleutelstand (p. 80).
Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de
bijbehorende functie en software.
Analoog instrumentenpaneel
03
Digit. snlhd.
Verwarming*
Display (digitaal instrumentenpaneel) en bedieningsknoppen voor menufuncties.
OK – meldingenlijst openen en meldingen
bevestigen.
Duimwiel – menu-opties doorbladeren.
Display (analoog instrumentenpaneel) en bedieningsknoppen voor menufuncties.
RESET – geactiveerde functie op nul stellen. Wordt in bepaalde gevallen gebruikt
om een functie te selecteren/activeren
(zie de uitleg bij de verschillende functies).
Een eventuele melding, (p. 111) moet u eerst
bevestigen met de knop OK, voordat u de
menu’s kunt bekijken.
Gerelateerde informatie
•
Meldingen - functies (p. 112)
Extra verw.*
TC-opties
Servicestatus
Oliepeil26
Meldingen (##)27
Digitaal instrumentenpaneel
Instellingen*
Thema's
Contraststand/Kleurstand
Servicestatus
Meldingen27
Oliepeil26
Standkachel*
26
27
110
Bepaalde motoren.
Het aantal meldingen staat tussen haakjes.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomp reset
Gerelateerde informatie
Berichten
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
•
Instrumentenpaneel, analoog - overzicht
(p. 64)
•
Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht
(p. 65)
Melding
Betekenis
•
Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 110)
Stop auto
z.s.m.A
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Zet motor
afA
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
Grote kans op schade –
bezoek een werkplaatsB.
Service
spoedA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto onmiddellijk
te laten controleren.
Service vereistA
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Zie instructieb.A
Neem de gebruikershandleiding door.
Bespreek tijd
voor onderhoud
Het is tijd om een
afspraak te maken voor
een servicebeurt –
bezoek een werkplaatsB.
Melding
Betekenis
Tijd voor
periodiek
onderhoud
Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een
werkplaatsB. Het moment
hangt af van de afgelegde
afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste
servicebeurt is verstreken, het aantal draaiuren
van de motor en de
gebruikte oliekwaliteit.
Onderhoudstermijn verstreken
Als u de onderhoudstermijn niet respecteert, vallen beschadigde onderdelen niet langer onder de
garantie – bezoek een
werkplaatsB.
Versnellingsbak Olie verversen
Bezoek een werkplaatsB
om de auto zo spoedig
mogelijk te laten controleren.
Versnellingsbak
Beperkte
werking
De versnellingsbak werkt
niet op maximale capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntC.
03
Bezoek bij herhaaldelijke
verschijning een werkplaatsB.
}}
111
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Melding
Betekenis
Versnellingsbak heet Rijd
langzamer
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand. Zet
de versnellingsbak in de
neutraal en laat de motor
stationair draaien totdat
de melding verdwijntC.
03
A
B
C
112
Versnellingsbak heet
Stop auto
z.s.m. Wachten op
afkoelen
Kritieke storing. Breng de
auto zo spoedig mogelijk
tot stilstand en bezoek
een werkplaatsB.
Tijdelijk uitgeschakeldA
De bijbehorende functie is
tijdelijk uitgeschakeld en
wordt na enige tijd rijden
of de volgende keer dat u
de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld.
Accuspanning laag
Spaarstand
Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te
besparen. Laad de accu
bij.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens
over de locatie van de storing.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Voor informatie over de automatische versnellingsbak, zie
Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 285).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Meldingen - functies (p. 112)
Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 110)
Meldingen - functies
Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 111) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en deze bevestigen.
Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er
tevens een aanvullende melding op het display. Foutmeldingen blijven in het geheugen
opgeslagen, totdat de onderliggende storing
is verholpen.
Druk OK op de linker stuurhendel in om een
melding te bevestigen. Gebruik het duimwiel
(p. 110) om door de meldingen te bladeren.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt
gebruikt, moet de melding worden gelezen
(druk op OK) voordat de eerdere activiteit
kan worden hervat.
Gerelateerde informatie
•
Menu-overzicht - instrumentenpaneel
(p. 110)
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
MY CAR
is afhankelijk van de gekozen uitrusting en de
desbetreffende markt.
MY CAR is een menugroep voor hantering
van tal van autofuncties, zoals City Safety™,
sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
MY CAR - opent het menusysteem MY
CAR.
OK/MENU - knop op de middenconsole
indrukken of het duimwiel op het stuurwiel om de gemarkeerde menu-optie te
kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan.
Sommige functies behoren tot de standaarduitrusting, andere zijn zogeheten opties – het
aanbod verschilt per markt.
03
TUNE - aan de draaiknop op de middenconsole of het duimwiel op het stuurwiel
draaien om een stap omhoog/omlaag te
gaan door de menu-opties.
Bediening
Navigatie in deze menu’s vindt plaats met
knoppen op de middenconsole of met de
toetsenset rechts op het stuurwiel*.
EXIT
EXIT-functies
Afhankelijk van de functie en van het menuniveau waarop de aanwijzer staat op het
moment dat u EXIT kort indrukt, kan het volgende gebeuren:
•
•
•
•
Bedieningspaneel op middenconsole en toetsenset op stuurwiel. De afbeelding is schematisch –
het aantal functies en de locatie van de knoppen
•
telefoongesprekken worden geweigerd
de actuele functie wordt beëindigd
de ingevoerde tekens worden gewist
de laatste gemaakte keuze wordt geannuleerd
u beweegt omhoog in het menusysteem.
Bij lang indrukken van EXIT springt u naar de
normaalweergave voor MY CAR of naar het
hoogste menuniveau (hoofdbronmenu) als u
zich in de normaalweergave bevindt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Menu-opties en zoekpaden
Boordcomputer
Dagtellers
Voor een beschrijving van de menu-opties en
zoekpaden in MY CAR, zie het Sensus Infotainment-supplement.
De boordcomputer van de auto registreert en
berekent waarden zoals afgelegde afstand,
brandstofverbruik en gemiddelde snelheid tijdens het rijden.
De boordcomputer bestaat uit twee dagtellers
en een kilometerteller voor de totale kilometerstand.
De functies en het uiterlijk van de boordcomputer verschillen afhankelijk van de vraag of
het instrumentenpaneel er een van het analoge of digitale type is:
03
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 116)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 120)
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat de waarde op nul gesteld
werd.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als
er een verwarming op brandstof* is
gebruikt.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid voor de afgelegde
afstand sinds de laatste nulstelling van de
waarde.
Huidig verbruik
De waarde voor het huidige verbruik wordt
voortdurend (ongeveer eenmaal per seconde)
bijgewerkt. Op lage snelheden wordt het verbruik weergegeven per eenheid van tijd – op
hoge snelheden verschijnt het verbruik per
eenheid van lengte.
De boordcomputerinformatie is weer te geven op
het bestuurdersdisplay28.
28
114
De lay-out van het display en weergave kunnen variëren afhankelijk van het type.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U kunt verschillende eenheden (km/miles) kiezen voor de aanduiding – zie de paragraaf
"Eenheid wijzigen" (p. 114).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bereik - actieradius op tank
Eenheid wijzigen
De boordcomputer geeft de afstand aan die
bij benadering af te leggen is met de resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
U kunt van eenheid veranderen voor weergave van de afstand en snelheid (km/miles) in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 113).
Wanneer de melding Afst. tot leeg "----"
verschijnt, zijn geen garanties meer te geven
voor de resterende actieradius.
•
N.B.
Een wijziging van deze eenheden is niet
alleen van toepassing op de boordcomputer maar ook op Volvo’s RTI-navigatiesysteem*.
Tank dan zo spoedig mogelijk.
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over
de laatste 30 km en de resterende hoeveelheid brandstof.
N.B.
Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als u
van rijstijl verandert.
Een zuinige rijstijl betekent doorgaans een
langere actieradius. Voor meer informatie
over hoe u het brandstofverbruik kunt beïnvloeden, zie Milieubeleid van Volvo Car Corporation (p. 24).
03
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 116)
•
Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 120)
•
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 123)
Digitale snelheidsheidsaanduiding
De snelheid wordt weergegeven in de eenheid29 (km/h / mph) die niet op het hoofdinstrument wordt gebruikt. Gebruik het hoofdinstrument mph als eenheid, dan wordt de
snelheid in km/h weergegeven op de boordcomputer en omgekeerd.
29
Alleen bij een instrumentenpaneel type "Digital".
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - analoog
instrumentenpaneel
Bedieningsknoppen
De boordcomputerinformatie is weer te geven
op het instrumentenpaneel en te hanteren via
de bedieningselementen op de linker stuurhendel en via het instrumentenpaneelmenu.
03
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening
en instelling meteen mogelijk. Als u na het
openen van het bestuurdersportier niet binnen ca. 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om opnieuw de boordcomputer
te kunnen bedienen eerst sleutelstand II of
motorstart vereist is.
2. Draai aan het duimwiel om de opties door
te bladeren en bij de rubriek van uw
keuze te stoppen met bladeren.
Bestuurdersdisplay en bedieningselementen.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren.
116
Kies de weer te geven boordcomputerinformatie:
1. Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst
"resetten" met twee keer drukken op
RESET.
N.B.
•
Boordcomputeropties
OK - instrumentenpaneelmenu openen,
berichten of menu-opties bevestigen.
Duimwiel - menu-opties of boordcomputeropties doorbladeren.
U kunt tijdens het rijden op ieder gewenst
moment een ander scherm met boordcomputerinformatie op het instrumentenpaneel laten
weergeven. Een de mogelijke opties is om
geen boordcomputerinformatie weer te
geven.
RESET - actuele dagteller resetten of het
menusysteem verlaten.
Bevestig deze melding door de knop
OK op de richtingaanwijzerhendel kort
in te drukken.
Boordcomputerrubriek op instrumentenpaneel
Informatie
Dagtellers T1 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
Dagtellers T2 en tot afst
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputerrubriek op instrumentenpaneel
Informatie
Afst. tot leeg
Voor meer informatie, zie de paragraaf "Bereik - actieradius op tank" (p. 114).
Brandstofvrbr
Huidig verbruik.
Gem. snelh.
•
Geen boordcomputerinformatie.
Bij deze optie blijft het display leeg - dit geeft tevens het "begin"/"einde" van de lus aan.
RESET lang indrukken om Gem. snelh. op nul te stellen.
Boordcomputerinformatie resetten
Functies in instrumentenpaneelmenu
2. Druk op OK.
1. Draai aan het duimwiel en stap met bladeren wanneer u de te resetten boordcomputerrubriek ziet: T1 en tot afst, T2
en tot afst of Gem. snelh..
In het instrumentenpaneelmenu vindt u instelmogelijkheden voor onder maar de boordcomputer. Open het menu om de functies in
de onderstaande tabel te regelen/aanpassen.
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
2. Bij lang indrukken van RESET reset u de
waarde voor de gekozen rubriek.
1. Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst
"resetten" met twee keer drukken op
RESET.
U moet iedere rubriek apart op nul stellen.
03
4. Druk na regeling/aanpassing twee keer
op RESET.
}}
117
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Functies
Informatie
Digit. snlhd.
Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel.
•
•
•
03
km/h
mph
Geen aanduiding
Verwarming*
•
•
DIRECTE START
•
- Timer 2 - voert naar het menu voor selectie van het
tijdstip.
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* - timers (p. 141).
- Timer 1 - voert naar het menu voor selectie van het
tijdstip.
Extra verw.*
Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 145).
• Aut Aan
• Uit
TC-opties
•
•
•
•
•
Actieradius op tank
Brandstofverbruik
Gemiddelde snelheid
Dagtellers T1 en tot afst
Dagtellers T2 en tot afst
Servicestatus
118
Hier activeert u de opties die als boordcomputerrubrieken beschikbaar moeten
zijn. De symbolen voor reeds gekozen opties zijn wit en voorzien van een "vinkje",
bij de rest die grijs is ontbreekt het "vinkje".
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende
servicebeurt aan.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Functies
Informatie
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 362).
Meldingen (##)
Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 112).
A
Bepaalde motoren.
Gerelateerde informatie
•
•
03
Boordcomputer (p. 114)
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 123)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - digitaal
instrumentenpaneel
Boordcomputeropties
Bedieningsknoppen
Kies de weer te geven boordcomputerinformatie:
De boordcomputerinformatie is weer te geven
op het instrumentenpaneel en te hanteren via
de bedieningselementen op de linker stuurhendel en via het instrumentenpaneelmenu.
03
Na de automatische activering van het instrumentenpaneel bij ontgrendeling zijn bediening
en instelling meteen mogelijk. Als u na het
openen van het bestuurdersportier niet binnen ca. 30 seconden op een van de boordcomputerknoppen drukt, dooft het instrument, waarna om opnieuw de boordcomputer
te kunnen bedienen eerst sleutelstand II of
motorstart vereist is.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te
bevestigen voordat u de boordcomputer
weer kunt activeren.
•
1. Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst
"resetten" met twee keer drukken op
RESET.
2. Draai aan het duimwiel om de rubriekcombinaties door te bladeren.
Er kunnen drie boordcomputeropties tegelijk
worden weergegeven: één op elk van de drie
"vensters".
OK - instrumentenpaneelmenu openen,
berichten of menu-opties bevestigen.
Duimwiel - menu-opties of boordcomputeropties doorbladeren.
RESET - actuele dagteller resetten of het
menusysteem verlaten.
U kunt tijdens het rijden op ieder gewenst
moment een ander scherm met boordcomputerinformatie op het instrumentenpaneel laten
weergeven. Een de mogelijke opties is om
geen boordcomputerinformatie weer te
geven.
Bevestig deze melding door de knop
OK op de richtingaanwijzerhendel kort
in te drukken.
Rubriekcombinaties
Gemiddeld
120
3. Stop met bladeren bij de gewenste combinatie om de desbetreffende boordcomputerinformatie continu op het instrumentenpaneel weer te geven.
Dagteller T1 + Kilometerstand
Informatie
Gemiddelde snelheid
•
RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rubriekcombinaties
Informatie
Huidig verbruik
Dagteller T2 + Kilometerstand
Actieradius op tank
Huidig verbruik
Kilometerstand
km/h<>mph
Geen boordcomputerinformatie.
Boordcomputerinformatie resetten
Dagtellers
1. Draai aan het duimwiel en stop met bladeren wanneer u de rubriekcombinatie
met de te resetten dagteller ziet.
2. Bij lang indrukken van RESET reset u de
waarde voor de gekozen rubriek.
Gemiddelde snelheid en gemiddeld
verbruik
1. Druk op OK om het instrumentenpaneelmenu te openen.
•
RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen.
km/h<>mph - zie het gedeelte "Digitale snelheidsaanduiding" (p. 114).
Bij deze optie doven alle drie de boordcomputerdisplays - dit geeft
tevens het "begin"/"einde" aan van de lus.
3. Geef aan of u het gemiddelde brandstofverbruik of de gemiddelde snelheid wilt
resetten of allebei. Bevestig uw keuze
met OK.
4. Druk tot slot op RESET.
Functies in instrumentenpaneelmenu
In het instrumentenpaneelmenu vindt u instelmogelijkheden voor onder maar de boordcomputer. Open het menu om de functies in
de onderstaande tabel te regelen/aanpassen.
1. Om er zeker van te zijn dat geen van de
bedieningselementen zich midden in een
procedure bevindt, moet u deze eerst
"resetten" met twee keer drukken op
RESET.
03
2. Druk op OK.
3. Blader de functies door met het duimwiel
en kies/bevestig uw keuze met OK.
4. Druk na regeling/aanpassing twee keer
op RESET.
2. Blader met het duimwiel naar de
menuoptie Boordcomp reset en bevestig uw keuze met OK.
Functies
Informatie
Boordcomp reset
Reset de waarde voor het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid.
•
•
Let erop dat u hiermee niet beide dagtellers T1 en T2 niet reset.
Gemiddeld
Gemiddelde snelheid
Meldingen
Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 112).
}}
121
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
||
Functies
Informatie
Thema's
Kies het thema voor het uiterlijk van het instrumentenpaneel (p. 64).
Instellingen*
Selecteer Aut Aan of Uit.
Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 145).
03
Contraststand/Kleurstand
Lichtsterkte en kleurtemperatuur van het instrumentenpaneel instellen.
Standkachel*
Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* - timers (p. 141).
• Directe start
• - Symbool Timer 1 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
•
- Symbool Timer 2 - voert naar het menu voor
selectie van het tijdstip.
Servicestatus
Geef het resterend aantal maanden en het aantal kilometers tot de eerstvolgende servicebeurt aan.
OliepeilA
Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 362).
A
Bepaalde motoren.
Gerelateerde informatie
•
•
122
Boordcomputer (p. 114)
Boordcomputer - rijstatistieken* (p. 123)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer - rijstatistieken*
Op het beeldscherm van de middenconsole
zijn rijstatistieken van de boordcomputer weer
te geven voor een grafisch overzicht van het
brandstofverbruik.
aanwijzer rechts beweegt afhankelijk van de
gekozen schaal omhoog of omlaag.
Instellingen
Functie
U kunt verschillende instellingen voor de rijstatistieken verrichten in het menusysteem MY
CAR - Verbruiksinfo.
–
• Resetten als motor min. 4 uur heeft
Open het menusysteem MY CAR (p. 113)
en kies Verbruiksinfo om een staafdiagram te zien.
uitgestaan – markeer het vakje met
ENTER aan en verlaat het menu met
EXIT. Wanneer u deze optie markeert,
worden alle statistieken 4 uur na uitschakeling van het contact automatisch
gewist. De volgende keer dat u de motor
start begint de verbruiksinfo weer vanaf
nul.
03
• Nieuwe rit starten – met ENTER worden
alle eerdere statistieken gewist. Verlaat
het menu met EXIT. Als u een nieuwe rijcyclus wilt starten, voordat de 4 uur zijn
verstreken, moet u met deze optie eerst
handmatig de actuele cyclus wissen.
Verbruiksinfo30
Afhankelijk van de gekozen schaalverdeling
symboliseert elke staaf een afgelegde afstand
van 1 km of 10 km – de staaf helemaal rechts
geeft de actuele waarde aan voor een afstand
van 1 of 10 km.
Zie ook de informatie over Eco guide (p. 68).
Gerelateerde informatie
•
Boordcomputer (p. 114)
Met de TUNE-knop kunt u voor elke staaf van
schaal wisselen tussen 1 km en 10 km – de
30
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de softwareversie en het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
KLIMAAT
04 Klimaat
Algemene informatie over de
klimaatregeling
De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (p. 131). De klimaatregeling zorgt
ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld,
verwarmd of van vocht ontdaan wordt.
N.B.
Airconditioning (AC) (p. 134) uitschakelen,
maar voor optimaal klimaatcomfort in de
passagiersruimte en om te voorkomen dat
de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan.
Waar u op moet letten
•
Voor optimale werking van de airconditioning moet u de zijruiten en een schuifdak*
gesloten houden.
•
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
(p. 177) gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen en weer te sluiten
en op die manier snel voor frisse lucht in
de auto te zorgen.
•
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat
voor de klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
•
In warme weersomstandigheden kan er
ter hoogte van de airconditioning een
plasje water onder de auto ontstaan. Dit
is volkomen normaal.
•
Wanneer de motor het maximale vermogen nodigt heeft (bijvoorbeeld als u
volgas optrekt), is het mogelijk dat de air-
conditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld.
Er kan dan een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
•
N.B.
Bij activering van de ECO-functie worden
enkele parameters in de instellingen van
de klimaatregeling gewijzigd en gelden
functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn
handmatig te herstellen, maar de volledige
functionaliteit is alleen te verkrijgen door
de ECO-functie te deactiveren.
Maak in eerste instantie gebruik van de
ontwasemingsfunctie (p. 135) om condens van de binnenkant van de ruiten te
verwijderen. Houd de binnenzijde van de
ruiten schoon om het risico te beperken
dat ze beslaan.
N.B.
Dek de blaasmonden helemaal achter in
de hoedenplank niet af met kledingstukken
of andere voorwerpen om te voorkomen
dat de achterruit beslaat.
Auto’s met Start/Stop*
Bij automatische motorstop (p. 291) gelden
er mogelijk beperkingen voor de werking van
bepaalde apparatuur (zoals het ventilatortoerental (p. 133) van de klimaatregeling).
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 126)
Menu-instellingen - klimaat (p. 129)
Elektronische klimaatregeling, ECC
(p. 131)
04
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 129)
Luchtkwaliteit (p. 126)
Auto’s met ECO*
Als de functie ECO (p. 300) wordt geactiveerd, kan de functie van bepaalde uitrusting
tijdelijk worden gereduceerd of uitgeschakeld, bijvoorbeeld de airconditioning (p. 134).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
04 Klimaat
04
Werkelijke temperatuur
Sensoren - klimaat
Luchtkwaliteit
De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van
de heersende omstandigheden in en rond de
auto wat de buitentemperatuur, de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft.
De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 126) in de auto
te regelen.
Het interieur werd dusdanig vormgegeven dat
het gerieflijk en comfortabel is – ook voor
mensen met contactallergieën of astma.
•
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
Interieurfilter (p. 127)
•
De interieurtemperatuursensor zit onder
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
•
•
•
De buitentemperatuursensor zit in de buitenspiegel.
•
Interior Air Quality System (IAQS)
(p. 128)*
•
De vochtsensor* zit bij de achteruitkijkspiegel.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
(p. 126) die de stand van de zon registreert.
Daardoor kan de temperatuur van de lucht uit
de blaasmonden links en rechts afwijken,
ondanks dat de temperatuurknoppen voor de
beide zijden in dezelfde stand staan.
Gerelateerde informatie
•
•
N.B.
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
Bedek of blokkeer de sensoren niet met
kledingstukken of andere voorwerpen.
Temperatuurregeling passagiersruimte
(p. 134)
Gerelateerde informatie
•
126
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
Materiaal in de passagiersruimte (p. 128)
Clean Zone Interior Package (CZIP)
(p. 127)*
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
04 Klimaat
Luchtkwaliteit - interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter.
Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het
Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior
Package (CZIP)*
CZIP bestaat uit een aantal aanpassingen
zodat er minder stoffen in het interieur verwerkt zijn die aanleiding kunnen geven tot
allergieën en/of astma.
Het volgende is inbegrepen:
•
N.B.
Er zijn verschillende soorten interieurfilters.
Let erop dat het juiste filter wordt gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
N.B.
Om aan de CZIP-norm te blijven voldoen
dient het IAQS-luchtfilter bij auto’s met
CZIP om de 15.000 km of ten minste eenmaal per jaar te worden vervangen (afhankelijk van wat het eerst wordt bereikt).
Echter, maximaal 75.000 km per 5 jaar. Bij
auto’s zonder CZIP en in die gevallen dat
de klant niet langer eist dat aan de CZIPnorm wordt voldaan, kan het IAQS-filter
met de reguliere intervallen worden vervangen.
Luchtkwaliteit (p. 126)
•
Een geavanceerde ventilatorfunctie die
inhoudt dat de ventilator aanslaat wanneer de auto via de transpondersleutel
wordt ontgrendeld. De ventilator vult het
interieur op die manier met verse lucht.
De functie start als dat nodig is en stopt
na bij het openen van een van de portieren. Bij inactiviteit wordt de functie na
enige tijd automatisch beëindigd. De tijd
dat de ventilatorfunctie werkt zal langzaam maar zeker korter worden, totdat de
auto 4 jaar oud is.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
•
Luchtkwaliteit (p. 126)
04
Het Interior Air Quality System IAQS
(p. 128) is een volautomatisch systeem
dat de lucht in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van
stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
127
04 Klimaat
Luchtkwaliteit - IAQS*
Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken.
Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
waarna de lucht in de passagiersruimte wordt
gerecirculeerd.
04
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR
(p. 113).
N.B.
Voor de beste lucht in het interieur moet
de luchtkwaliteitssensor altijd zijn ingeschakeld.
In een koud klimaat is de recirculatie
beperkt om het beslaan van de ruiten te
voorkomen.
Als de ruiten beslaan, moet de luchtkwaliteitssensor worden uitgeschakeld en moet
de ontwaseming voor voorruit, achterruit
en zijruiten worden ingeschakeld.
Gerelateerde informatie
128
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
•
Luchtkwaliteit (p. 126)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior Package (CZIP)* (p. 127)
Luchtkwaliteit - materialen
De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
De vloerbekleding in zowel de passagiersruimte als de kofferbak zijn eenvoudig te verwijderen en schoon te maken. Gebruik de
door Volvo geadviseerde schoonmaakmiddelen en autoverzorgingsproducten voor het reinigen van het interieur (p. 404).
Gerelateerde informatie
•
Luchtkwaliteit (p. 126)
04 Klimaat
Menu-instellingen - klimaat
Luchtverdeling passagiersruimte
Via de middenconsole is het mogelijk de
basisinstellingen voor zes van de klimaatregelingsfuncties te activeren/deactiveren of wijzigen.
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
uiteenlopende blaasmonden verspreid over
het interieur.
•
Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 133).
•
•
Recirculatietimer (p. 136).
•
•
•
Blaasmonden in dashboard
Automatische achterruitverwarming
(p. 105).
Interior Air Quality System * (p. 128).
Automatische verwarming bestuurdersstoel (p. 132).
Open
Automatische stuurverwarming (p. 87).
Dicht
Er staat meer informatie in de beschrijving
van het menusysteem (p. 113).
De basisinstellingen voor de klimaatregelingsfuncties zijn te herstellen via het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 113).
In de stand AUTO vindt de luchtverdeling
geheel automatisch plaats.
De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij
te regelen, zie luchtverdelingstabel (p. 137).
04
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste zijruiten om deze te ontwasemen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
04 Klimaat
||
Blaasmonden in portierstijlen
04
Dicht
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Open
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtverdeling - ventilatie vloer
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de blaasmonden bij koud weer op de
achterste zijruiten om deze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar
binnen toe voor een behaaglijke temperatuur
achter in de auto.
N.B.
Let erop dat kleine kinderen gevoelig kunnen zijn voor luchtstromen en tocht.
130
Luchtverdeling
De gestileerde menselijke gedaante op de
nevenstaande afbeelding bestaat uit drie
knoppen. Bij bediening van de knoppen gaat
op het beeldscherm het desbetreffende
gedeelte van de gestiliseerde menselijke
gedaante (zie volgende afbeelding) branden
samen met een pijl vóór dit gedeelte om aan
te geven welke luchtverdelingsstand er gekozen is. Voor meer informatie, zie de luchtverdelingstabel (p. 137).
Het beeldscherm van de middenconsole geeft
de gekozen luchtverdelingsstand aan.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
•
•
Automatische regeling (p. 133)
Luchtverdeling - recirculatie (p. 136)
04 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC
ECC (Electronic Climate Control) handhaaft
de temperatuur die in het interieur wordt
gekozen en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld.
Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie
en luchtverdeling automatisch geregeld.
04
Temperatuurregeling (p. 134), links
Elektrische voorstoelverwarming (p. 132),
rechterkant
Elektrische voorstoelverwarming (p. 132),
linkerkant
Temperatuurregeling (p. 134), rechts
Elektrische voorruitverwarming* en maximale ontwaseming (p. 135)
Recirculatie (p. 136)
ECO* (p. 300)
Ventilator (p. 133)
Luchtverdeling (p. 129) - ventilatie vloer
AUTO - Automatische klimaatregeling
(p. 133)
Luchtverdeling - blaasmond dashboard
AC - Airconditioning aan/uit (p. 134)
Luchtverdeling - ontwaseming voorruit
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 105)
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
04 Klimaat
Elektrisch verwarmde voorstoelen*
De verwarming van de voorstoelen heeft drie
standen om het zitcomfort voor bestuurder en
voorpassagier bij kou te verhogen.
•
•
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één oranje veld op het beeldscherm.
Verwarming uitschakelen - geen van de
velden brandt.
WAARSCHUWING
Elektrisch verwarmde achterbank*
De verwarming voor de buitenste plaatsen
van de achterbank heeft drie standen om het
comfort voor passagiers te verhogen als het
koud is.
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
04
Automatische
bestuurdersstoelverwarming
Het beeldscherm van de middenconsole geeft
het actuele verwarmingsniveau aan.
Bij activering van de automatische bestuurdersstoelverwarming wordt de bestuurdersstoel na het starten van de motor automatisch maximaal verwarmd.
Bij een omgevingstemperatuur onder
zo’n +10 °C en een koude auto vindt automatische inschakeling plaats.
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
•
132
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie oranje velden op het beeldscherm
van de middenconsole (zie bovenstaande
afbeelding).
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee oranje velden op het beeldscherm.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De lampjes in de drukknoppen geven het actuele
verwarmingsniveau aan.
Druk herhaalde malen op de knop voor het
volgende:
•
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR
(p. 113).
Hoogste verwarmingsstand - er branden
drie lampjes.
•
Lagere verwarmingsstand - er branden
twee lampjes.
•
Gerelateerde informatie
Laagste verwarmingsstand - er brandt
één lampje.
•
Verwarming uitschakelen - geen van de
lampjes brandt.
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
•
Elektrisch verwarmde achterbank*
(p. 132)
04 Klimaat
WAARSCHUWING
Een elektrisch verwarmde stoel mag niet
worden gebruikt door personen die niet
goed kunnen voelen dat de temperatuur
toeneemt of die om een andere reden
moeilijkheden hebben om de elektrisch
verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen
dan namelijk brandwonden ontstaan.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
•
Elektrisch verwarmde voorstoelen*
(p. 132)
Ventilator
Automatische regeling
Houd de ventilator altijd geactiveerd om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
De autofunctie regelt automatisch temperatuur (p. 134), airconditioning (p. 134), ventilatorsnelheid (p. 133), recirculatie (p. 136) en
luchtverdeling (p. 129).
N.B.
Als de ventilator volledig uitgeschakeld is,
start de airconditioning niet – wat kans op
beslagen ruiten kan geven.
Ventilatorknop
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. Als AUTO
wordt gekozen, wordt de
ventilatorsnelheid automatisch (p. 133) geregeld. De
eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt gedeactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
•
Elektronische klimaatregeling, ECC
(p. 131)
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog
steeds automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld,
wanneer u op de knop AUTO
drukt. Op het display verschijnt AUTOKLIMAAT.
04
U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 113).
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
04 Klimaat
Temperatuurregeling
passagiersruimte
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte temperatuurinstelling hervat.
N.B.
Het is niet mogelijk om het opwarmen/
afkoelen te versnellen door een hogere/
lagere temperatuur te kiezen dan die
eigenlijk gewenst is.
04
De actuele temperatuur voor beide zones staat
aangegeven op het display van de middenconsole.
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde
onafhankelijk van elkaar
instellen.
134
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
•
•
Werkelijke temperatuur (p. 126)
Elektronische klimaatregeling, ECC
(p. 131)
Airconditioning
De airconditioning koelt en droogt zo nodig
de binnenkomende lucht.
Wanneer het lampje in de
knop AC brandt, wordt de
airconditioning geheel automatisch geregeld.
Wanneer het lampje in de
knop AC gedoofd is, is de
airconditioning uitgeschakeld. De overige
functies worden nog steeds automatisch
geregeld. Bij activering van de maximale ontwaseming (p. 135) wordt automatisch de airconditioning ingeschakeld, zodat de lucht
optimaal gedroogd wordt.
04 Klimaat
Voorruit ontwasemen en ontdooien
U kunt de elektrische voorruitverwarming* en
de maximale ontwaseming gebruiken om de
vooruit en zijruiten snel te ontwasemen en
ontdooien.
Voor auto's zonder elektrische voorruitverwarming:
•
Er stroomt lucht naar de ruiten - op het
beeldscherm brandt het symbool (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt.
Voor auto's met elektrische voorruitverwarming:
Het beeldscherm van de middenconsole geeft
de gekozen instelling aan.
Elektrische voorruitverwarming*
Maximale ontwaseming
Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer
de functie is ingeschakeld.
Druk voor activering van de
functies herhaalde malen op
de knop.
1
•
Elektrische voorruitverwarming1 inschakelen - op het beeldscherm brandt een
symbool (1).
•
Elektrische voorruitverwarming1 inschakelen en lucht naar de ruiten sturen - op
het beeldscherm branden de symbolen
(1) en (2).
•
Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt.
N.B.
De elektrische voorruitverwarming is niet
beschikbaar, wanneer de motor automatisch is afgezet (p. 291).
Bij activering van deze functie vindt bovendien het volgende plaats om de lucht in het
interieur zoveel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
de airconditioning wordt automatisch
ingeschakeld
•
de recirculatie en het Interior Air Quality
System worden automatisch uitgeschakeld.
N.B.
De ventilator maakt meer geluid wanneer
de ventilator op maximale snelheid draait.
N.B.
Elektrische voorruitverwarming en een
eventuele IR-film (p. 22) kunnen de prestaties van transponders en andere communicatie-apparatuur beïnvloeden.
N.B.
04
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
Aan de beide uiteinden van de voorruit zitten driehoekige gebieden zonder elektrische verwarming, zodat het ontdooien
daar mogelijk langer duurt.
Als bij inschakeling van de elektrische voorruitverwarming het teken C op de achteruitkijkspiegel verschijnt, moet het kompas (p. 106)* opnieuw gekalibreerd worden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
04 Klimaat
Luchtverdeling - recirculatie
Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden.
Er komt met andere woorden geen lucht van
buiten de auto in, wanneer deze functie actief
is.
Wanneer de recirculatie
actief is, brandt het oranje
lampje in de knop.
04
BELANGRIJK
Als de lucht in de auto te lang recirculeert,
beslaat mogelijk de binnenzijde van de ruiten.
Timer
Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig
geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit
beperkt het risico van ijs, beslagen ruiten en
een slechte luchtkwaliteit.
Het systeem is te activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR
(p. 113).
136
N.B.
Wanneer u voor maximale ontwaseming
kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
•
•
Luchtverdeling passagiersruimte (p. 129)
Luchtverdeling - tabel (p. 137)
04 Klimaat
Luchtverdeling - tabel
Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 129).
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is
altijd ingeschakeld.
om snel te ontdooien en te ontwasemen.
Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
Om condens- of ijsvorming bij koud en vochtig weer
te voorkomen (hiervoor mag het ventilatorniveau niet
te laag zijn).
Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij warm en
droog weer.
Luchtstroom op hoofd- en borsthoogte uit de blaasmonden in het
dashboard.
om een efficiënte koeling te verkrijgen bij warm weer.
04
}}
137
04 Klimaat
||
Luchtverdeling
Toepassing
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en matige buitentemperaturen.
Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard en op de ruiten.
om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
Luchtstroom naar de ruiten, uit de blaasmonden in het dashboard en
naar de vloer.
om koele lucht naar de vloer te sturen bij warm en
droog weer of warme lucht naar de rest van het
lichaam bij koud weer.
04
Gerelateerde informatie
138
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
•
Luchtverdeling - recirculatie (p. 136)
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming*
Tanken
Met preconditioning bereidt de verwarming
de motor en het interieur voor om de slijtage
en het stroomverbruik tijdens de rit te beperken.
ming automatisch uitgeschakeld en verschijnt
er een melding op het informatiedisplay.
Bevestig deze melding door op de OK-knop
op de richtingaanwijzerhendel (p. 110) te
drukken.
De verwarming is direct (p. 140) in te schakelen of vertraagd met een timerfunctie
(p. 141).
Bij een buitentemperatuur hoger dan 15 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij
temperaturen van –5 °C of lager is de maximale bedrijfstijd van de verwarming 50 minuten.
WAARSCHUWING
Maak geen gebruik van de verwarming op
brandstof in een afgesloten ruimte. Er
komen uitlaatgassen vrij.
N.B.
Bij gebruik van de verwarming op brandstof komt er mogelijk rook uit de rechter
wielkast, wat volkomen normaal is.
BELANGRIJK
Als de verwarming herhaaldelijk en in combinatie met korte ritten wordt gebruikt, ontlaadt de accu met startproblemen als
gevolg.
Om te garanderen dat de accu met net zo
veel energie wordt opgeladen als de verwarming verbruikt, moet u bij regelmatig
gebruik van de verwarming net zo lang
met de auto rijden als dat de verwarming
wordt gebruikt. De verwarming wordt telkens maximaal 50 minuten ingeschakeld.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan vlam vatten.
Schakel voordat u gaat tanken de verwarming op brandstof uit.
Controleer op het instrumentenpaneel of
de verwarming is uitgeschakeld; wanneer
deze werkt, verschijnt het verwarmingssymbool.
04
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 143)
•
Extra verwarming* (p. 145)
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de verwarming op brandstof altijd voldoende brandstof.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de verwar-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
139
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen
Directe start via transpondersleutel*
De motor- en interieurverwarming zijn direct
in te schakelen.
Directe start is mogelijk via:
•
•
•
04
het informatiedisplay
een transpondersleutel*
een mobiele telefoon*.
De verwarmingsstatus verschijnt ook op de
boordcomputer.
Bij directe inschakeling van de motor- en
interieurverwarming (p. 139) blijft de verwarming 50 minuten lang draaien.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
N.B.
De auto kan worden gestart en rijden, terwijl de verwarming aan is.
Directe start via informatiedisplay
Controlelampje op transpondersleutel met PCC*.
De motor- en interieurverwarming zijn te activeren via de transpondersleutel:
–
Druk de knop voor de Approach-verlich2 seconden lang in.
ting
De alarmlichten geven de volgende informatie:
•
1. Druk op de OK-knop om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
3. Ga in het volgende menu naar Directe
start om de verwarming te activeren en
bevestig uw keuze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
140
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
indrukt terwijl de verAls u de info-knop
warming actief is, wordt bij het weergeven
van de vergrendelingsstatus (p. 164) van de
auto ook de verwarmingsstatus getoond.
Gedurende de tijd die nodig is om de status
na te gaan geeft het controlelampje enkele
malen een kort knippersignaal. Het lampje
gaat continu branden, als de verwarming
actief is.
5 korte lichtsignalen gevolgd door
ca. 3 seconden lang branden - verzoek
tot inschakeling ontvangen en verwarming geactiveerd.
•
5 korte signalen - de auto heeft een
verzoek tot inschakeling ontvangen
maar de verwarming is niet geactiveerd.
•
Alarmlichten lichten niet op - de auto
heeft geen verzoek tot inschakeling
ontvangen.
Directe start via mobiele telefoon*
Zie de mobiele app Volvo On Call* voor informatie over de instellingen die vanaf een mobiele telefoon beschikbaar zijn en hoe dat in zijn
werk gaat.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 141)
•
Motor- en interieurverwarming* - direct
uitschakelen (p. 141)
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 143)
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming* direct uitschakelen
Motor- en interieurverwarming* timers
4. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding
gaat branden.
De motor- en interieurverwarming is direct uit
te schakelen via het informatiedisplay.
De timers van de motor- en interieurverwarming (p. 139) zijn gekoppeld aan de klok van
de auto.
5. Stel de gewenste uuraanduiding in met
het duimwiel.
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
3. Ga in het volgende menu naar Stop om
de verwarming te deactiveren en bevestig
uw keuze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* - direct
inschakelen (p. 140)
•
Motor- en interieurverwarming* - timers
(p. 141)
•
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 143)
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan
de hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
N.B.
Als de klok van de auto wordt verzet,
wordt een eventuele programmering van
de timer gewist.
Instellen2
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Scrol met het duimwiel (p. 110) naar een
van de timers Verwarming en maak een
keuze met OK.
6. Druk kort op de knop OK, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
7. Stel de gewenste minuutaanduiding in
met het duimwiel.
8. Druk op OK3 om de instelling te bevestigen.
9. Met RESET gaat u een stap terug binnen
het menusysteem.
04
10. Kies de andere timer (ga verder vanaf
punt 2) of verlaat het menu met RESET.
Starten
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en activeer deze met OK.
4. Verlaat het menu met RESET.
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
2
3
De timers zijn alleen in te stellen, wanneer de motor is afgezet.
Bij nogmaals indrukken van OK activeert u de timer.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
141
04 Klimaat
||
Uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Ga als
volgt te werk:
1. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
2. Ga met het duimwiel naar Verwarming
en maak een keuze met OK.
> Als een timer ingesteld maar niet actief
is, staat er een kloksymbool naast de
ingestelde tijd.
04
3. Kies een van de beide timers met het
duimwiel en bevestig uw keuze met OK.
4. Schakel de timer als volgt uit:
•
•
druk lang op OK of
kort op OK om verder te gaan in het
menu. Kies daarna voor uitschakeling
van de timer en bevestig uw keuze met
OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
Een timergestuurde verwarming is ook direct
(p. 141) uit te schakelen.
Gerelateerde informatie
•
142
Motor- en interieurverwarming* - meldingen (p. 143)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Klimaat
Motor- en interieurverwarming* meldingen
Symbolen en displaymeldingen ten aan zien
van de motor- en interieurverwarming (p. 139)
verschillen afhankelijk van de vraag of het om
een analoog of digitaal instrumentenpaneel
(p. 64) gaat.
Wanneer een van de timers geactiveerd is,
brandt het symbool voor een geactiveerde
timer op het display met de ingestelde tijd
ernaast.
Symbool voor een geactiveerde
timer op een analoog instrumentenpaneel.
Symbool voor een geactiveerde
timer op een digitaal instrumentenpaneel.
In de onderstaande tabel staan de voorkomende symbolen en displaymeldingen.
Wanneer de verwarming ingeschakeld is, brandt het verwarmingslampje op het informatiedisplay.
Symbool
Melding
04
Betekenis
De verwarming is ingeschakeld en werkt.
Brandstofkachel gestopt
Zuinige stand
De verwarming werd uitgeschakeld om te zorgen dat er voldoende stroom is om de motor te starten.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
143
04 Klimaat
||
Symbool
04
144
Melding
Betekenis
Brandstofkachel gestopt
Brandstofpeil laag
De verwarming kan niet worden geactiveerd door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te
maken de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden.
Brandstofkachel Service
vereist
Verwarming defect. Neem voor reparatie contact op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Een displaymelding verdwijnt automatisch na
enige tijd. U kunt een melding ook eerder
laten verdwijnen met een druk op de OKknop van de richtingaanwijzerhendel (p. 110).
04 Klimaat
Extra verwarming*
Extra verwarming op brandstof*
In landen met een koud
is wellicht
een extra verwarming vereist om de motor op
bedrijfstemperatuur te brengen en een
behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 145) op stroom (p. 146) of op brandstof.
Op auto’s met een dieselmotor is een extra
verwarming op brandstof (p. 145) gemonteerd.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet.
klimaat4
In een gematigde4 klimaatzone worden dieselmodellen uitgerust met een extra verwarming op stroom (p. 146) in plaats van één op
brandstof.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt.
N.B.
Bij gebruik van de extra verwarming komt
er mogelijk rook uit de rechter wielkast,
wat volkomen normaal is.
Bij auto’s met bepaalde benzinemotoren5 is
een extra verwarming op elektriciteit ingebouwd in de klimaatregeling.
Automatische stand of uitschakelen
Gerelateerde informatie
De automatische startprocedure van de
motor kan desgewenst worden geannuleerd.
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 139)
N.B.
2. Druk op de knop OK om het menu te
openen.
3. Scrol met het duimwiel naar Extra verw.6
of Instellingen7 en maak een keuze met
OK.
4. Kies een van de opties AAN of UIT met
het duimwiel en bevestig uw keuze met
OK.
5. Verlaat het menu met RESET.
N.B.
De menu-opties zijn alleen zichtbaar in
contactslotstand I – verricht eventuele
aanpassingen daarom voordat u de motor
start.
04
Interieurverwarming*
Als de extra verwarming is voorzien van een
timerfunctie kan deze dienstdoen als interieurverwarming (p. 139).
Volvo adviseert u de extra verwarming op
brandstof uit te schakelen tijdens korte ritten.
1. Alvorens de motor te starten: Kies de
sleutelstand I (p. 80).
4
5
6
7
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende geografische gebieden.
Een erkende Volvo-dealer kan u informeren over de desbetreffende motoren.
Analoog instrumentenpaneel.
Digitaal instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
145
04 Klimaat
Extra verwarming op stroom*
De auto is uitgerust met een extra verwarming
(p. 145) op brandstof (p. 145).
De verwarming is niet handmatig te regelen,
maar wordt nadat de motor is aangeslagen
automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 14 °C en wordt gedeactiveerd
wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is
bereikt.
Gerelateerde informatie
•
Motor- en interieurverwarming* (p. 139)
04
146
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergmogelijkheden
Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte
05
148
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Opbergvak in portierpaneel
Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje (p. 150)
Opbergvak
Opbergvakken, bekerhouder (p. 150)
Bekerhouder* in armsteun, achterbank
Opbergvak
WAARSCHUWING
Bewaar losse voorwerpen, zoals een
mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij
krachtig afremmen of een botsing kunnen
deze anders inzittenden verwonden.
05
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Middenconsole
Middenconsole - aansteker en asbak*
Dashboardkastje
De middenconsole zit tussen de voorstoelen.
In bekerhouder onder de middenarmsteun zit
een uitneembare asbak. De aansteker zit in de
12V-aansluiting (p. 151) voor de voorpassagiers.
Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde.
De asbak in de middenconsole (p. 150) is te
verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
Opbergvak (voor bijvoorbeeld cd's) en
USB*/AUX-ingang onder de armsteun.
05
Bevat een bekerhouder voor de bestuurder en een voorpassagier. Als u voor een
asbak en aansteker (p. 150) hebt gekozen, zit er een aansteker op de plaats van
de 12V-aansluiting (p. 151) voorin en een
uitneembare asbak in de bekerhouder.
Gerelateerde informatie
•
•
150
Opbergmogelijkheden (p. 148)
Middenconsole - aansteker en asbak*
(p. 150)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 148)
Hier kunt u bijvoorbeeld de gebruikershandleiding en eventuele kaarten in opbergen. Aan
de binnenkant van de klep zit een houder
voor pennen. Het dashboardkastje is te vergrendelen * (p. 177) met het sleutelblad
(p. 166).
Gerelateerde informatie
•
Opbergmogelijkheden (p. 148)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Inlegmatten*
Make-upspiegel
Middenconsole - 12V-aansluiting
De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en
natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die
speciaal vervaardigd zijn.
De make-upspiegel zit aan de achterkant van
de zonneklep.
De elektrische aansluitingen (12 V) vindt u
naast de bekerhouder1 en achter in de middenconsole.
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens
weg te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen
op de vloer vastzit om te voorkomen dat
deze kan gaan glijden en achter of onder
de pedalen blijft haken.
Gerelateerde informatie
•
Interieur reinigen (p. 404)
Make-upspiegel met verlichting.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
12V-aansluiting in middenconsole, voorin.
05
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 376)
12V-aansluiting in middenconsole, achterin.
1
Bij specificatie van een asbak en aansteker vervallen de bekerhouders en de 12V-aansluiting ernaast.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
151
05 Laad- en opbergmogelijkheden
||
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De
transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I (p. 80) staan, anders geeft de aansluiting geen stroom.
BELANGRIJK
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van
de beide aansluitingen in de tunnelconsole
geldt een waarde van 7,5 A (90 W) per
aansluiting.
Als de compressor voor bandenreparatie
op een van de beide aansluitingen is aangesloten, mag er op de andere aansluiting
geen stroomverbruiker aangesloten zijn.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten,
als u deze niet gebruikt.
N.B.
N.B.
05
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door
de klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de standverwarming
ingesteld is om op een bepaalde tijd in te
schakelen.
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de
startaccu anders uitgeput kan raken!
De compressor van de noodreparatieset
voor banden (p. 346) is door Volvo getest
en goedgekeurd.
Lading vervoeren
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto.
Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde
accessoires.
Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie
Gewichten (p. 413).
De bagageklep is te openen met de
knop op het verlichtingspaneel of
met de transpondersleutel, zie Vergrendelen/ontgrendelen - bagageklep
(p. 178).
WAARSCHUWING
Gerelateerde informatie
•
Middenconsole - aansteker en asbak*
(p. 150)
•
12V-aansluiting bagageruimte* (p. 156)
Afhankelijk van het gewicht en de positie
van de lading verandert het rijgedrag van
de auto.
Aandachtspunten bij in-/uitladen
•
Let erop dat het WHIPS niet door voorwerpen
mag worden gehinderd, als een of meer ruggedeelten van de achterbank zijn neergeklapt, zieWHIPS - zithouding (p. 42).
•
•
152
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning van de achterbank.
Plaats de last in het midden.
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op
neergeklapte ruggedeelten.
05 Laad- en opbergmogelijkheden
•
Dek scherpe randen met iets zachts af
om de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert. Bij krachtig remmen kan de bagage
namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen en hoeken af met iets
zachts.
WAARSCHUWING
Een los voorwerp van 20 kg kan zich bij
een frontale botsing op een snelheid van
50 km/h (30 mph) gedragen als een voorwerp van 1000 kg.
Zet de motor af en schakel de parkeerrem
in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de versnellingspook of keuzehendel aan komen en zo per ongeluk een
versnelling inschakelen – de auto kan dan
in beweging komen.
WAARSCHUWING
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
•
2
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Lading vervoeren - lange lading
Om het in- en uitladen (p. 152) van de bagageruimte te vereenvoudigen, kunt u de ruggedeelten van de achterbank neerklappen. Voor
het vervoer van extra lange lading kunt u ook
de rugleuning van de passagiersstoel2
omklappen*.
Ruggedeelte achterbank omklappen
Voor het omklappen van de ruggedeelten van
de achterbank, zie Achterbank (p. 84).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Verankeringsogen (p. 155)
05
Lading vervoeren - lange lading (p. 153)
Lading op het dak (p. 154)
Geldt alleen voor stoelen type comfort.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Lading vervoeren - doorsteekluik
Klap het rechter ruggedeelte naar voren
toe om.
U kunt het luikje in het ruggedeelte openen
om lange en smalle voorwerpen te vervoeren.
Ontgrendel het luikje in het ruggedeelte
van de achterbank door de grendel
omhoog te duwen en duw tegelijkertijd
het luikje naar voren toe open.
Zet het ruggedeelte weer rechtop met het
luikje open.
Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de
lading vast te zetten.
WAARSCHUWING
Zet de motor af en trek de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen. Het gevaar is anders
aanwezig dat u met de bagage tegen de
versnellingspook/keuzehendel aankomt en
de auto daarmee in beweging zet.
05
Lading op het dak
Voor vervoer van lading op het dak adviseren
we u de door Volvo ontwikkelde lastdragers.
Dit om schade aan de auto te voorkomen en
voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
•
Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
Luikje verwijderen
Open het luikje nadat u het hebt ontgrendeld,
met het ruggedeelte omgeklapt, ca. 30 graden en trek het luikje recht omhoog.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
Luikje aanbrengen
Plaats het luikje terug in de groeven achter de
bekleding en sluit het luikje.
Voor informatie over de maximale dakbelasting, inclusief lastdragers en een eventuele dakbox, zie Gewichten (p. 413).
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 152)
Gerelateerde informatie
•
154
Lading vervoeren (p. 152)
05 Laad- en opbergmogelijkheden
Verankeringsogen
WAARSCHUWING
verankeringsogen3
De inklapbare
in de kofferbak gebruikt u om bagagebanden aan vast te
zetten.
Harde, scherpe en/of zware voorwerpen
die liggen of uitsteken kunnen bij krachtig
afremmen letsel veroorzaken.
Zet grote en zware voorwerpen altijd met
de veiligheidsgordel of een spanband vast.
Lading vervoeren - houder voor
boodschappentassen*
Met de houder voor boodschappentassen
kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de
vloer van de kofferbak verspreiden.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 152)
05
Houder voor boodschappentassen onder het
vloerluik.
1. Klap de houder omhoog die deel uitmaakt
van het vloerluik.
2. Zet de boodschappentassen met de
spanband vast en bevestig de draaggrepen aan de haken.
Gerelateerde informatie
•
3
Lading vervoeren (p. 152)
Het aantal en de plaatsing van de ogen variëren al naargelang de markt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
05 Laad- en opbergmogelijkheden
12V-aansluiting bagageruimte*
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons.
05
Klap het klepje op om bij de elektrische aansluiting te komen.
•
Via de aansluiting is ook stroom af te
nemen, wanneer de transpondersleutel
niet in het contactslot steekt.
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
156
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De compressor van de noodreparatieset
voor banden is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik
van de aanbevolen noodreparatieset voor
banden (TMK) van Volvo, zie Noodreparatieset voor banden (p. 346).
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel
U gebruikt de transpondersleutel voor onder
meer vergrendelen/ontgrendelen en het starten van de motor.
Er zijn twee transpondersleutelvarianten: een
transpondersleutel in basisuitvoering en een
transpondersleutel met PCC (Personal Car
Communicator)*.
Functies
Vergrendelen/
ontgrendelen en
afneembaar sleutelblad
06
A
B
BasisA
X
met
PCCB
Er zijn meer transpondersleutels bij te stellen,
maar alleen in de varianten die bij de auto
geleverd werden. Voor dezelfde auto kunnen
tot zes sleutels worden geprogrammeerd en
gebruikt.
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd.
WAARSCHUWING
X
Passieve vergrendeling/ontgrendeling
X
Keyless start
X
Info-knop en controlelampjes
X
5-knops sleutel
6-knops sleutel
Een transpondersleutel met PCC heeft meer
functies dan een transpondersleutel in basisuitvoering, waaronder ondersteuning voor
passieve start en ontgrendeling/vergrendeling/ontgrendeling (Keyless drive (p. 170)) en
enkele unieke functies (p. 164).
158
Alle transpondersleutel zijn voorzien van een
afneembaar sleutelblad (p. 166) van metaal.
Het zichtbare deel bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen
onderscheiden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als er kinderen in de auto aanwezig zijn:
Denk eraan altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ramen en het dakluik te
onderbreken door de transpondersleutel
eruit te halen wanneer de bestuurder de
auto verlaat.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 162)
Transpondersleutel - verlies
Bij verlies van een transpondersleutel kunt u
een nieuwe bestellen bij een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Neem de resterende transpondersleutels mee
naar de Volvo-werkplaats. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem
worden gewist.
Hoeveel sleutels er voor de auto geprogrammeerd zijn kunt u controleren in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 113).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - functies (p. 162)
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel - personalisering*
Instellingen vastleggen
Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel (p. 158) zijn bepaalde instellingen
van de auto te personaliseren.
Doe het volgende om de instellingen op te
slaan en gebruik te maken van het sleutelgeheugen in de transpondersleutel:
Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor bijvoorbeeld de elektrische bedienbare*
bestuurdersstoel.
1. Ontgrendel de auto met de transpondersleutel met het geheugen waarin u de
instelling2 wilt opslaan.
Instellingen voor de buitenspiegels (p. 103),
bestuurdersstoel, stuurbekrachtiging (p. 187)
alsook de thema-, contrast- en kleurinstellingen (p. 65) van het instrumentenpaneel zijn
op te slaan in het geheugen afhankelijk van
het uitrustingsniveau van de auto.
U kunt de functie1 activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR. Voor een
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 113).
Bij een geactiveerde functie worden de instellingen automatisch gekoppeld aan het sleutelgeheugen. Dit betekent dat een wijziging in
een van de instellingen automatisch wordt
opgeslagen in het geheugen voor de desbetreffende transpondersleutel.
de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel indrukken. Het bestuurdersportier
dient daarbij open te staan.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen. Controleer of er bij het instellen geen voorwerpen
voor, achter of onder de stoel liggen. Zorg
dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
2. Zorg dat het sleutelgeheugen altijd geactiveerd staat in het menusysteem MY
CAR.
3. Verricht de gewenste instellingen van bijvoorbeeld de stoel en de buitenspiegels.
Instellingen wijzigen
4. De instellingen worden opgeslagen in het
geheugen van de actuele transpondersleutel.
Als meerdere personen met elk hun eigen
transpondersleutel naar de auto lopen,
nemen bijvoorbeeld de bestuurdersstoel en
de buitenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in de sleutel van degene die het
bestuurdersportier opent.
De volgende keer dat u de auto ontgrendelt
met dezelfde transpondersleutel, nemen de
stoel en de buitenspiegels automatisch de
standen in die in het sleutelgeheugen opgeslagen zijn, op voorwaarde dat deze zijn
gewijzigd ten opzichte van de vorige keer dat
u deze transpondersleutel gebruikte.
Als het bestuurdersportier bijvoorbeeld is
geopend door persoon A met
transpondersleutel A, maar persoon B met
transpondersleutel B zal gaan rijden, zijn de
instellingen als volgt te wijzigen:
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de verstellingsknoppen of
geheugenknoppen van de stoel drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Om de stoel dan opnieuw in de in het sleutelgeheugen vastgelegde stand te zetten moet u
1
2
•
Staand naast het bestuurdersportier of
zittend achter het stuur drukt persoon B
op de ontgrendelingstoets van zijn transpondersleutel, zie Transpondersleutel functies (p. 162).
•
Kies een van de drie mogelijk positiegeheugens voor de stoel met de stoelknop-
Heet Sleutelgeheugen in MY CAR.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06
}}
159
06 Sloten en alarm
||
unieke transpondersleutel wordt gevonden, worden de opgeslagen instellingen
ervan geactiveerd. Zie het voorgaande
punt als de auto vergrendeld staat.
pen 1–3, zie Voorstoelen - elektrisch
bediend* (p. 82).
•
Zet de stoel en de buitenspiegels handmatig in de juiste stand, zie Voorstoelen elektrisch bediend* (p. 82) en Buitenspiegels (p. 103).
Instellingen herstellen
Wanneer automatische hervergrendeling van
de auto plaatsvindt omdat deze 30 minuten
onvergrendeld heeft gestaan, wordt het sleutelgeheugen gedeactiveerd en in plaats daarvan een standaardbestuurdersprofiel gehanteerd. Om in het gegeven geval het laatst
gebruikte sleutelgeheugen weer te activeren
is het volgende vereist.
Voor auto's zonder Keyless start en
ontgrendeling/vergrendeling
06
De instellingen in het sleutelgeheugen worden
geactiveerd, wanneer u de auto ontgrendelt
met een druk op de ontgrendelingsknop van
de transpondersleutel.
Voor auto's met Keyless start en
ontgrendeling/vergrendeling
Het sleutelgeheugen wordt in de volgende
gevallen geactiveerd:
1. De auto wordt ontgrendeld met een druk
op de ontgrendelingsknop van de transpondersleutel of via passieve ontgrendeling.
2. Als de auto onvergrendeld staat wordt bij
het openen van het bestuurdersportier
een sleutelscan verricht. Wanneer er een
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met PCC* - unieke
functies (p. 164)
Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met een transpondersleutel (p. 158), lichten
de richtingaanwijzers een bepaald aantal
malen op om aan te geven dat de auto op de
juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is.
•
Vergrendelen – eenmaal oplichten en de
buitenspiegels worden ingeklapt3.
•
Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de
buitenspiegels worden uitgeklapt3.
Bij het vergrendelen gebeurt dit alleen als alle
portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
Functie kiezen
In het menusysteem MY CAR van de auto zijn
verschillende opties in te stellen voor bevestiging bij vergrendeling/ontgrendeling middels
lichtsignalen. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 113).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Keyless Drive* (p. 170)
Vergrendelingsindicatie (p. 161)
Alarmindicatie (p. 183)
06 Sloten en alarm
Vergrendelingsindicatie
Elektronische startblokkering
Een knipperende diode bij de voorruit geeft
aan dat de auto is vergrendeld.
De elektronische startblokkering is een antidiefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de auto kunnen starten.
Elke transpondersleutel (p. 158) heeft zijn
eigen, unieke code. U kunt de auto alleen
starten, wanneer u een transpondersleutel
met de juiste code gebruikt.
De onderstaande foutmeldingen op het
bestuurdersdisplay houden verband met de
elektronische startblokkering:
Melding
Betekenis
Plaats
sleutel
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Sleutel
uit het contactslot trekken,
er weer in drukken en een
nieuwe startpoging doen.
Autosleutel niet
gevonden
Storing tijdens het uitlezen
van de transpondersleutel
tijdens het starten. Nieuwe
startpoging doen.
Als de storing aanhoudt:
Transpondersleutel in het
contactsleutel duwen en een
nieuwe startpoging doen.
Dezelfde diode als de alarmindicatie (p. 183).
N.B.
Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met
deze indicatie.
Startblokkering
Start
opnieuw
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie
(p. 160)
Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het
starten. Als de storing aanhoudt: Neem dan contact
op met een werkplaats.
Geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
06
Voor het starten van de auto, zie Motor starten (p. 277).
Gerelateerde informatie
•
3
Op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem* (p. 162)
Alleen auto’s met elektrisch inklapbare buitenspiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
06 Sloten en alarm
Op afstand bediende startblokkering
met opsporingssysteem*
De op afstand bediende startblokkering met
opsporingssysteem4 maakt het mogelijk om
de auto op te sporen en te lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren, zodat de motor afslaat.
Transpondersleutel - functies
De transpondersleutel in basisuitvoering heeft
functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en
ontgrendeling van de portieren.
Functies
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
Volvo-dealer voor meer informatie over het
systeem en hulp bij de activering ervan.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel met PCC*( Personal Car
Communicator).
Transpondersleutel (p. 158)
Elektronische startblokkering (p. 161)
Informatie
Functietoetsen
Transpondersleutel in basisuitvoering.
Vergrendelen
Ontgrendelen
06
Approach-verlichting
Kofferdeksel
Paniekfunctie
4
162
Alleen bepaalde markten en in combinatie met Volvo On Call*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Vergrendelen – Vergrendelt de portieren
en het kofferdeksel en activeert het alarm.
Bij lang indrukken worden alle zijruiten en het
schuifdak* tegelijkertijd gesloten. Voor meer
informatie, zie Doorluchtfunctie (p. 177).
WAARSCHUWING
Als schuifdak en ruiten met de transpondersleutel worden gesloten, moet u controleren of er geen handen bekneld raken.
06 Sloten en alarm
Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren en het kofferdeksel en deactiveert het
alarm.
Bij lang indrukken worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Voor meer informatie, zie
Doorluchtfunctie (p. 177).
De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal
indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede
maal indrukken – één en ander binnen tien
seconden – de resterende portieren te ontgrendelen.
U kunt de functie wijzigen in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 113).
Duur naderingslicht – Bestemd om de
verlichting van de auto op afstand in te schakelen. Voor meer informatie, zie Approachverlichting (p. 99).
Kofferdeksel (p. 178) - Ontgrendelt
alleen het kofferdeksel en deactiveert de
alarmfunctie voor het kofferdeksel.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de toets ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
U kunt deze functie met dezelfde toets weer
uitschakelen, als de functie minimaal
5 seconden actief geweest is. Anders wordt
deze functie na ca. 3 minuten automatisch
uitgeschakeld.
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 158)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 174)
Transpondersleutel - bereik
De functies van de transpondersleutel (in
basisuitvoering) zijn tot op ca. 20 meter
afstand van de auto te gebruiken.
Als de auto niet reageert bij bediening van
een toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
Transpondersleutel met PCC* - unieke
functies (p. 164)
N.B.
Er kunnen storingen optreden in de transpondersleutelfuncties door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Het is altijd
mogelijk de auto te vergrendelen/ontgrendelen met het sleutelblad (p. 167).
Als u de transpondersleutel uit de auto neemt
terwijl de motor draait, sleutelstand I of II
(p. 79) actief is of alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding
op het bestuurdersdisplay en klinkt er een
geluidssignaal.
06
Als de transpondersleutel weer in de auto is,
verdwijnen de melding en het geluidssignaal
wanneer aan een of meer van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
•
de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken.
•
de snelheid is hoger dan zo'n 30 km/h
(20 mph).
•
de OK-knop is ingedrukt.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
06 Sloten en alarm
||
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 158)
Transpondersleutel - functies (p. 162)
Transpondersleutel met PCC* unieke functies
Een transpondersleutel met PCC (Personal
Car Communicator) heeft extra functies ten
opzichte van een transpondersleutel in basisuitvoering (p. 158) in de vorm van een informatieknop en controlelampjes.
Gebruik van de informatietoets
–
Druk op de informatietoets
.
> Ca. 7 seconden lang lichten de controlesymbolen op de transpondersleutel
om de beurt op. Dit geeft aan dat er
informatie over de auto wordt uitgelezen.
Als u gedurende dit tijdsbestek op een
van de andere knoppen drukt, wordt
de uitlezing beëindigd.
N.B.
Transpondersleutel met PCC.
Informatietoets
06
Controlelampjes
Na een druk op de informatietoets kunt u
bepaalde informatie over de auto uitlezen aan
de hand van de controlelampjes.
164
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als bij herhaaldelijk gebruik van de
informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat
geen van de controlelampjes gaat branden
(en dat evenmin na 7 seconden alsook
nadat de controlelampjes op de PCC om
de beurt oplichtten), dient u contact op te
nemen met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De controlelampjes verstrekken informatie
zoals aangegeven op de volgende afbeelding:
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel met PCC* - bereik
N.B.
Een transpondersleutel met PCC (Personal
Car Communicator) heeft voor vergrendeling
en ontgrendeling van de portieren en het kofferdeksel een bereik van ca. 20 meter en ca.
100 meter voor de overige functies.
Als binnen het bereik van de transpondersleutel geen van de controlelampjes
brandt bij het indrukken van de informatietoets, vertoont de communicatie tussen de
transpondersleutel en de auto mogelijk
storingen onder invloed van radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Als de auto niet reageert bij bediening van
een toets – probeer het dan op minder grote
afstand opnieuw.
N.B.
Continu groen licht: de auto is vergrendeld.
Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld.
Continu rood licht: het alarm is afgegaan
na vergrendeling van de auto.
De beide rode controlesymbolen lichten
beurtelings rood op: het alarm is minder
dan 5 minuten geleden afgegaan.
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel met PCC* - bereik
(p. 165)
Er kunnen storingen optreden in de functie
van de informatieknop door radiogolven in
de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
Gerelateerde informatie
•
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
(p. 170)
•
Transpondersleutel - bereik (p. 163)
Buiten het bereik van de
transpondersleutel
Als de transpondersleutel dermate ver van de
auto verwijderd is dat er geen informatie over
de auto kan worden uitgelezen, wordt de
laatst bekende status van de auto weergegeven zonder dat de controlelampjes op de
transpondersleutels om de beurt oplichten.
06
Als er meerdere transpondersleutels voor de
auto in gebruik zijn, geeft uitsluitend de transpondersleutel waarmee u de auto de laatste
keer vergrendelde/ontgrendelde de juiste status aan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
06 Sloten en alarm
Afneembaar sleutelblad
De transpondersleutel bevat een afneembaar
metalen sleutelblad waarmee u enkele functies kunt activeren en bepaalde handelingen
kunt uitvoeren.
De unieke code van de sleutelbladen is
bekend bij de erkende Volvo-werkplaatsen,
waar ook nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen
Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p. 166) gaat als volgt:
Sleutelblad verwijderen
Functies sleutelblad
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
06
•
het linker voorportier handmatig te ontgrendelen, als de centrale vergrendeling
niet te bedienen is vanaf de transpondersleutel, zie Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 167).
•
het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren
(p. 181).
•
het rechter voorportier en de achterportieren handmatig te vergrendelen (p. 175)
bij bijvoorbeeld stroomuitval.
•
de toegang tot het dashboardkastje en de
bagageruimte ( Privacy locking * (p. 167))
te blokkeren.
•
de airbag voor de voorpassagier
(PACOS*) te activeren/deactiveren (p. 37).
Gerelateerde informatie
•
•
166
Transpondersleutel - functies (p. 162)
Transpondersleutel (p. 158)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Haal de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Sleutelblad aanbrengen
Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de
transpondersleutel (p. 158).
1. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
Gerelateerde informatie
•
Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 167)
•
Kinderslot - handmatige activering
(p. 181)
•
Passagiersairbag - activering/deactivering* (p. 37)
06 Sloten en alarm
Afneembaar sleutelblad - portier
ontgrendelen
Het afneembare sleutelblad (p. 166) is te
gebruiken als de centrale vergrendeling niet
kan worden geactiveerd met de transpondersleutel (p. 158), bijvoorbeeld als de batterij
van de sleutel leeg is.
Als de centrale vergrendeling niet op de
transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker
voorportier op de volgende manier ontgrendelen en openen:
Gerelateerde informatie
•
•
Transpondersleutel (p. 158)
Transpondersleutel - batterij vervangen
(p. 169)
Privacy locking*
Privacy locking is bestemd voor als u de auto
afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u
hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld
en de bagageklepslot is niet via de centrale
vergrendeling te openen - de bagageklep is
niet meer te bedienen met de knoppen op de
voorportieren of die op de transpondersleutel
(p. 158).
1. Ontgrendel het linker voorportier met het
sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep. Voor een afbeelding en
meer informatie, zie Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 173).
N.B.
Wanneer u het portier met het sleutelblad
ontgrendeld hebt en vervolgens opent,
gaat het alarm af.
06
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
met sleutelblad.
2. Schakel het alarm uit door de transpondersleutel in het contactslot te steken.
Voor een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling, zie Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 173).
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
06 Sloten en alarm
||
Activeren/deactiveren
N.B.
Plaats het sleutelblad niet terug op de
transpondersleutel, maar berg het goed
op.
•
Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje (p. 177).
G021084
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel
zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd).
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen te gebruiken is om het
alarm (p. 182) te activeren/deactiveren, de
portieren te ontgrendelen en de auto te starten.
06
168
De transpondersleutel zonder sleutelblad kunt
u vervolgens overhandigen aan service- of
hotelpersoneel – het losse sleutelblad houdt u
bij zich.
Houd voor het deactiveren de omgekeerde volgorde aan.
Privacy locking activeren.
Privacy locking activeren:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 180 graden
rechtsom.
Neem het sleutelblad uit. Ondertussen
verschijnt een melding op het bestuurdersdisplay.
Het dashboardkastje is daarmee vergrendeld
en de bagageklep is niet meer te ontgrendelen via de transpondersleutel of de knop voor
centrale vergrendeling.
06 Sloten en alarm
Transpondersleutel - batterij
vervangen
N.B.
Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de
batterijen eruit vallen als deze wordt
geopend.
U moet de batterij5 in de transpondersleutel
mogelijk vervangen.
U moet de batterij in de transpondersleutel
vervangen, als:
•
BELANGRIJK
het informatiesymbool op het instrumentenpaneel oplicht en Batterij autosleutel
bijna leeg Zie instructieboek op het
display verschijnt
Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken niet met uw vingers aan, aangezien de
werking hierdoor verslechtert.
en/of
•
Batterij vervangen
de sloten herhaalde malen achtereen niet
reageren op het signaal van een transpondersleutel die zich binnen een straal
van 20 meter rond de auto bevindt.
Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let
daarop op de pluszijde + en de minzijde
–.
Transpondersleutel (één batterij)
Openen
Haal de veerbelaste pal opzij.
5
1. Werk de batterij voorzichtig los.
2. Plaats een nieuwe met de pluszijde (+)
omlaag.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar
achteren.
Transpondersleutel met PCC* (twee
batterijen)
Steek een kruiskopschroevendraaier
met een dikte van 3 mm in de opening
achter de veerbelaste pal en werk de
transpondersleutel voorzichtig open.
1. Werk de batterijen voorzichtig los.
06
2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde
(+) omhoog.
3. Leg het witte plasticvel op de geplaatste
nieuwe batterij en breng daarna nog een
nieuwe batterij aan met de pluszijde (+)
omlaag.
Een transpondersleutel met PCC heeft twee batterijen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
06 Sloten en alarm
Batterijtype
Keyless Drive*
Gebruik batterijen met de aanduiding
CR2430, 3 V (één in een transpondersleutel in
basisuitvoering, twee in een transpondersleutel met PCC).
Auto's uitgerust met Keyless Drive zijn voorzien van een passief start- en vergrendelingssysteem.
N.B.
Volvo adviseert u om batterijen voor de
transpondersleutel/PCC te gebruiken die
voldoen aan UN Manual of Test and
Criteria, Part III, sub-section 38.3. Voor
batterijen die in de fabriek zijn geplaatst of
in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval.
In elkaar zetten
1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast.
2. Houd de transpondersleutel met de gleuf
omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf
zakken.
06
3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U
hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
BELANGRIJK
Let erop dat lege batterijen op een milieuvriendelijke manier worden verwerkt.
Gerelateerde informatie
•
•
170
Transpondersleutel (p. 158)
Transpondersleutel - functies (p. 162)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling is de auto te starten, vergrendelen en
ontgrendelen zonder dat de transpondersleutel (p. 158)6 daarvoor in het contactslot hoeft
te zitten. U hoeft de transpondersleutel alleen
bij u te dragen in bijvoorbeeld een binnenzak.
Het systeem maakt het bijvoorbeeld eenvoudiger om de auto te openen, wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
Beide transpondersleutels die bij de auto
worden geleverd ondersteunen het Keylesssysteem. U kunt meer transpondersleutels
bijbestellen.
Keyless drive* - bereik
transpondersleutel
Om een portier of de bagageklep automatisch
te ontgrendelen zonder knoppen op de transpondersleutel in te drukken, moet de transpondersleutel7 zich binnen een straal van 1,5
meter rond de portierhandgrepen of de bagageklep bevinden.
U moet de transpondersleutel bij u dragen om
een portier te vergrendelen of ontgrendelen.
Wanneer u aan de ene kant van de auto staat,
is het niet mogelijk om met de transpondersleutel een portier aan de andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
Het elektrische systeem van de auto kan in
drie verschillende standen worden gezet sleutelstand 0, I en II (p. 80) - met de transpondersleutel.
Gerelateerde informatie
•
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
(p. 170)
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel (p. 171)
•
Keyless Drive* - storingen in de functie
van de transpondersleutel (p. 171)
G020577
||
De rode cirkels op de bovenstaande afbeelding geven het bereik van de systeemantennes aan.
Als u alle transpondersleutels uit de auto
neemt terwijl de motor draait, sleutelstand I of
06 Sloten en alarm
II (p. 80) actief is of alle portieren worden
gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het bestuurdersdisplay en klinkt
er een geluidssignaal.
Wanneer de transpondersleutel weer in de
auto wordt geplaatst, dooft de waarschuwingsmelding en houdt het geluidssignaal op
in de volgende gevallen:
•
•
•
er is een portier geopend of gesloten;
de transpondersleutel is in het contactslot
gestoken
de OK-knop is ingedrukt.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel
Keyless Drive* - storingen in de
functie van de transpondersleutel
Pas goed op alle transpondersleutels van de
auto.
De Keyless-functies (p. 170) kunnen gestoord
worden door elektromagnetische velden en
afschermingen.
Als u een van de transpondersleutels8 in de
auto vergeet, worden de Keyless-functies bijvoorbeeld bij het vergrendelen van de auto
gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet meer mee openen.
De volgende keer dat u de auto ontgrendelt
met een andere transpondersleutel, wordt de
transpondersleutel die u in de auto was vergeten weer geactiveerd.
Keyless Drive* (p. 170)
BELANGRIJK
Keyless Drive* - locatie antennes (p. 174)
Laat de transpondersleutel met PCC niet
onbeheerd in de auto liggen. Als iemand
inbreekt in de auto en de transpondersleutel vindt, is het onder meer mogelijk om de
auto de starten door de transpondersleutel
in het contactslot te plaatsen en vervolgens op de knop START/STOP ENGINE
te drukken.
Gerelateerde informatie
•
6
7
8
N.B.
Plaats/bewaar de PCC niet in de buurt van
een mobiele telefoon of metalen voorwerpen. Houd een minimale afstand aan van
10-15 cm.
Als er desondanks toch storingen optreden,
is de transpondersleutel en het sleutelblad te
gebruiken als een transpondersleutel in basisuitvoering, zie Transpondersleutel - functies
(p. 162).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel - batterij vervangen
(p. 169)
•
Keyless Drive* - veilig gebruik van de
transpondersleutel (p. 171)
•
Keyless drive* - bereik transpondersleutel
(p. 170)
06
Keyless Drive* (p. 170)
Geldt alleen voor een transpondersleutel met PCC.
Geldt voor een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator).
Geldt voor een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
06 Sloten en alarm
Keyless Drive* - vergrendelen
Auto's met Keyless start en ontgrendeling/
vergrendeling zijn voorzien van een aanraakgevoelige zone op de buitenhandgreep van
de portieren alsook een met rubber beklede
knop naast het eveneens met rubber beklede
drukplaatje voor ontgrendeling/vergrendeling
op de bagageklep.
Alle portieren inclusief het kofferdeksel moeten zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen – de auto wordt anders niet vergrendeld.
N.B.
N.B.
172
Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de Pstand staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden
gezet.
De aanraakgevoelige zone op de buitenhandgreep van de portieren en de met rubber beklede
knop naast het eveneens met rubber beklede
drukplaatje op het kofferdeksel.
Vergrendel de portieren en het kofferdeksel
door lang op de aanraakgevoelige zone van
een van de portierhandgrepen te drukken of
druk op de kleinste van de beide met rubber
beklede knoppen op het kofferdeksel - de
vergrendelingsindicatie (p. 161) onder aan de
voorruit gaat knipperen om aan te geven dat
er vergrendeling heeft plaatsgevonden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een
portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van het kofferdeksel
drukt – open het portier of het kofferdeksel op
de normale manier.
Als u (terwijl de motor is afgezet) de transpondersleutel met Keyless-functie uit de
auto haalt en de auto niet vergrendelt door
een van de portierhandgrepen aan te
raken of de vergrendeltoets op de transpondersleutel te bedienen, gebeurt het
volgende:
Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm
geactiveerd en gaat de alarmdiode op de
voorruit knipperen – het alarm staat daarmee op scherp maar de auto is niet vergrendeld.
06
Keyless Drive* - ontgrendelen
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 170)
Alarmindicatie (p. 183)
N.B.
Normaal registreren de portierhandgrepen
het wanneer u met uw hand de handgreep
beetpakt, maar als u dikke handschoenen
draagt of de handbeweging te snel uitvoert, moet u de beweging mogelijk een
tweede keer uitvoeren of de handschoen
uittrekken.
Gerelateerde informatie
•
•
Keyless Drive* (p. 170)
Keyless Drive* - vergrendelen (p. 172)
06 Sloten en alarm
Keyless Drive* - ontgrendelen met
sleutelblad
Als de centrale vergrendeling niet op de
transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker
voorportier ontgrendelen of vergrendelen met
het afneembare sleutelblad.
Keyless Drive* vergrendelingsinstellingen
1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht
omhoog in de opening aan de onderkant
van de portierhandgreep/afdekking – niet
wrikken.
> De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht
omhoog de opening induwt.
De vergrendelingsinstellingen voor auto's met
passieve start en ontgrendeling/vergrendeling
zijn aan te passen door in het menusysteem
MY CAR aan te geven welke portieren er ontgrendeld moeten worden.
2. Steek het sleutelblad vervolgens in de
slotcilinder en ontgrendel het portier.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 113).
3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* (p. 170)
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat het alarm af. Het wordt
uitgeschakeld door de PCC in het contactslot te steken, zie Alarmsysteem - transpondersleutel defect (p. 184).
Opening voor het sleutelblad - voor het afnemen
van de afdekking.
Om bij de slotcilinder te komen dient de
kunststof afdekking van de portierhandgreep
te worden verwijderd – ook dit vindt plaats
met het sleutelblad:
Gerelateerde informatie
•
•
•
06
Keyless Drive* (p. 170)
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 166)
Alarm (p. 182)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
06 Sloten en alarm
Keyless Drive* - locatie antennes
WAARSCHUWING
Auto's met Keyless start en ontgrendeling/
vergrendeling zijn voorzien van een aantal
antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto.
Personen met een pacemaker mogen niet
dichter dan 22 cm bij de antennes van het
Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en
het Keyless-systeem.
Gerelateerde informatie
•
Keyless Drive* (p. 170)
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant
Met de transpondersleutel (p. 158) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant
mogelijk. Met de transpondersleutel kunt u
alle portieren en de bagageklep gelijktijdig
vergrendelen/ontgrendelen. U hebt de keuze
uit verschillende ontgrendelingsprocedures,
zie Transpondersleutel - functies (p. 162).
Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen
activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of de
bagageklep openstaat, wordt dit pas na het
sluiten vergrendeld en inbegrepen in het
alarmsysteem. Voor auto's uitgerust met passieve vergrendeling* moeten alle portieren en
de bagageklep dichtstaan.
Achterbumper, in het midden
Portierhandgreep, linksachter
06
Hoedenplank, aan de onderkant, in het
midden
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder achterstuk
Middenconsole, onder voorstuk.
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Let op het gevaar voor buitensluiten met
de transpondersleutel nog in de auto.
Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk
leeg – vergrendel/ontgrendel het linker voorportier dan met het afneembare sleutelblad,
zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 166).
06 Sloten en alarm
N.B.
Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het
portier na ontgrendeling met het sleutelblad wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het contactslot wordt geplaatst.
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de portieren zijn dan namelijk niet
meer van de binnenzijde te openen met de
portierhandgrepen.
Voor meer informatie, zie Safelock-functie*
(p. 180).
Automatische hervergrendeling
Portier handmatig vergrendelen
–
Het linker voorportier is te vergrendelen met
de bijbehorende slotcilinder en het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel,
zie Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 173).
Het portier is niet vanaf de buitenzijde te
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
De overige portieren zijn niet voorzien van
een slotcilinder maar hebben een vergrendelingsbus aan de korte kant achteraan die
omgedraaid moet worden – de portieren zijn
vervolgens mechanisch vergrendeld/geblokkeerd en niet meer vanaf de buitenzijde te
openen. De portieren zijn echter nog steeds
vanaf de binnenzijde te openen.
N.B.
Als u geen van de portieren noch de bagageklep binnen twee minuten na ontgrendeling
van de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Dit beperkt het risico dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. (Voor auto's met alarmsysteem, zie
Alarm (p. 182).)
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 176)
•
Keyless Drive* (p. 170)
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet alle portieren.
•
Een handmatig vergrendeld achterportier waarvan ook het mechanische kinderslot geactiveerd is, kan noch van
de buitenzijde noch van de binnenzijde
worden geopend, zie Kinderslot handmatige activering (p. 181). Een
achterportier dat op deze manier vergrendeld is kan alleen ontgrendeld
worden met de transpondersleutel of
de toets voor centrale vergrendeling.
06
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel om de
cilinder te verdraaien, zie Afneembaar
sleutelblad - verwijderen/aanbrengen
(p. 166).
In bepaalde gevallen moet de auto handmatig
kunnen worden vergrendeld, zoals bij stroomuitval.
•
Transpondersleutel - batterij vervangen
(p. 169)
Portier handmatig vergrendelen. Niet te verwarren met het kinderslot (p. 181).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
06 Sloten en alarm
Vergrendelen/ontgrendelen - van de
binnenzijde
•
Alle portieren en de bagageklep kunnen tegelijkertijd worden vergrendeld of ontgrendeld
met de knop van het bestuurdersportier en
het passagiersportier* voor centrale vergrendeling.
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten*
tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 177)).
•
Centrale vergrendeling
Bij het indrukken van de knop voor cen.
trale vergrendeling
Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten en
het schuif-/kanteldak tegelijkertijd gesloten
(zie ook Doorluchtfunctie (p. 177)).
Vergrendelingsknop* achterportieren
Trek aan de openingshandgreep en open
het portier – het portier wordt in een keer
ontgrendeld en geopend.
Lampje in vergrendelingsknop
De centrale vergrendeling is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen – de betekenis van het
lampje in de knop voor centrale vergrendeling
op het bestuurdersportier is afhankelijk van
de uitvoering.
Met een knop voor centrale vergrendeling
alleen op het bestuurdersportier, bij de overige portieren ontbreekt een dergelijke knop:
•
06
Centrale vergrendeling.
•
Druk de rechterkant
van de knop in
om te vergrendelen en de linkerkant
om te ontgrendelen.
Wanneer u de knop lang ingedrukt houdt,
worden ook alle zijruiten tegelijkertijd
geopend.*
Ontgrendelen
Een portier kan op twee manieren van de binnenkant worden ontgrendeld:
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een brandend lampje houdt in dat alle
portieren vergrendeld zijn.
Met een knop voor centrale vergrendeling op
beide voorportieren en op elk van beide achterportieren een knop voor elektrische vergrendeling:
•
Een brandend lampje houdt in dat alleen
het desbetreffende portier vergrendeld is.
Wanneer de lampjes in alle knoppen
branden, zijn alle portieren vergrendeld.
Vergrendelen
•
Druk op de knop voor centrale vergrende– alle gesloten portieren worden
ling
vergrendeld.
Bij een vergrendeld portier brandt het lampje in
de knop.
Met de vergrendelingsknop op de beide achterportieren is alleen het desbetreffende achterportier te vergrendelen.
Om het portier te ontgrendelen:
•
Trek aan de openingshandgreep – het
portier wordt dan ontgrendeld en
geopend.
Automatische vergrendeling
Bij het wegrijden worden de portieren en de
bagageklep automatisch vergrendeld.
U kunt het systeem activeren/deactiveren in
het menusysteem MY CAR. Voor een
06 Sloten en alarm
beschrijving van het menusysteem, zie MY
CAR (p. 113).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 174)
Doorluchtfunctie
Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie
gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te
openen en weer te sluiten en op die manier
snel voor frisse lucht in de auto te zorgen.
Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje
Dashboardkastje (p. 150) valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare
sleutelblad van de transpondersleutel.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 166).
Alarm (p. 182)
Transpondersleutel - functies (p. 162)
Knop voor centrale vergrendeling
Bij lang indrukken van het
-symbool op
de knop voor centrale vergrendeling of de
desbetreffende knop op de transpondersleutel worden ook alle zijruiten tegelijkertijd
geopend. Wanneer u hetzelfde doet bij het
-symbool worden alle zijruiten gelijktijdig
gesloten.
Dashboardkastje vergrendelen:
Duw het sleutelblad in de slotcilinder van
het dashboardkastje zoals op de bovenstaande afbeelding.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 176)
•
Elektrisch bedienbare ruiten (p. 101)
06
Neem het sleutelblad uit.
•
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
}}
177
06 Sloten en alarm
||
Voor informatie over Privacy locking, zie Privacy locking* (p. 167).
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel (p. 158)
Vergrendelen/ontgrendelen bagageklep
De bagageklep is op meerdere manieren te
openen, vergrendelen en ontgrendelen.
Handmatig openen
BELANGRIJK
•
Het kofferdeksel is met heel weinig
kracht te ontgrendelen - druk slechts
lichtjes op het met rubber beklede platje.
•
Breng geen druk aan op het met rubber beklede plaatje bij het openen van
het kofferdeksel – maar til de handgreep op. Bij te veel druk kan de elektrische schakelaar in het met rubber
beklede plaatje beschadigd raken.
Ontgrendelen met transpondersleutel
Met rubber bekleed plaatje met elektrische schakelaar.
De bagageklep wordt dichtgehouden door
een elektrische vergrendeling. Om te openen:
06
1. Druk lichtjes op het brede, met rubber
beklede drukplaatje onder de buitenhandgreep – de vergrendeling wordt vrijgegeven.
2. Til de buitenste handgreep helemaal
omhoog om de klep te openen.
Met de toets
op de transpondersleutel is
het mogelijk om de alarmfunctie voor de achterklep te deactiveren*, zodat u de achterklep
apart kunt ontgrendelen.
De vergrendelingsindicatie op het instrumentenpaneel stopt met knipperen wat aangeeft
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Sloten en alarm
dat de auto niet volledig vergrendeld is en dat
de niveausensoren en bewegingsmelders van
het alarmsysteem* alsmede de sensoren voor
opening van de bagageklep buiten werking
gesteld zijn.
regen- of sneeuwval, vorst of ijzel komt de
klep echter mogelijk niet uit de vergrendeling
los.
N.B.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
•
De bagageklep wordt weliswaar ontgrendeld maar blijft dichtstaan – druk lichtjes
tegen op het met rubber beklede drukplatje onder de buitenhandgreep en open
het deksel.
Als de bagageklep niet binnen twee minuten
na ontgrendeling wordt geopend, wordt de
bagageklep weer vergrendeld en het alarm
opnieuw geactiveerd.
U kunt de bagageklep op twee
verschillende manieren openen
Eenmaal drukken – De bagageklep wordt
weliswaar ontgrendeld maar blijft dichtstaan –
druk lichtjes tegen op het met rubber bekleding drukplaatje onder de buitenhandgreep
en open de bagageklep.
Als de bagageklep niet binnen twee minuten
na ontgrendeling wordt geopend, wordt de
bagageklep weer vergrendeld en het alarm
opnieuw geactiveerd.
Van de binnenzijde ontgrendelen
•
Wanneer de klep met tweemaal
indrukken werd ontgrendeld is automatische hervergrendeling niet mogelijk omdat de klep openstaat – u dient
de klap handmatig te sluiten.
•
Na het sluiten is de klep onvergrendeld
en niet opgenomen in het alarmsysteem – met de vergrendeltoets
op
de transpondersleutel kunt u de klep
opnieuw vergrendelen en opnemen in
het alarmsysteem.
Om de bagageklep te ontgrendelen:
–
Vergrendelen met transpondersleutel
•
voor vergrendeling
Druk op de toets
op de transpondersleutel (p. 162).
De vergrendelingsindicatie op het instrumentenpaneel begint te knipperen, wat inhoudt
dat de auto vergrendeld en het alarmsysteem* geactiveerd is.
Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel.
> Het slot ontgrendelt en de klep opent
een paar centimeter.
Gerelateerde informatie
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 176)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 174)
06
Tweemaal drukken – De bagageklep wordt
ontgrendeld en de vergrendeling wordt vrijgegeven waarna de bagageklep enkele centimeters omhoogkomt – til de buitenhandgreep
omhoog om het deksel te openen. Bij zware
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
06 Sloten en alarm
Safelock-functie*
Safelock-functie9
Bij activering van de
worden
alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van
zowel de binnen- als de buitenzijde onmogelijk maakt.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder
eerst de Safelock-functie te deactiveren
om te voorkomen dat u iemand opsluit.
teem MY CAR. Voor een beschrijving van het
menusysteem, zie MY CAR (p. 113).
N.B.
•
Tijdelijk deactiveren
•
Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
Bovenstaande geldt als de geblokkeerde
vergrendelingsstand niet tijdelijk is
gedeactiveerd.
Met de transpondersleutel (p. 158) activeert u
de Safelock-functie die ca. tien seconden na
vergrendeling van de portieren in werking
treedt.
N.B.
Als er binnen deze vertragingsperiode een
van de portieren wordt geopend, wordt de
functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
06
De auto is alleen te ontgrendelen met de
transpondersleutel, wanneer de Safelockfunctie geactiveerd is. Het linker voorportier is
ook te ontgrendelen met het afneembare
sleutelblad (p. 166). Bovendien is het mogelijk
om de verschillende portieren en de bagageklep te ontgrendelen/openen bij auto's uitgerust met Keyless start en ontgrendeling/
vergrendeling* door de desbetreffende portierhandgreep of de handgreep van de bagageklep vast te pakken.
9
180
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto.
Gerelateerde informatie
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
MY CAR
OK MENU
TUNE-knop
EXIT
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat is mogelijk in het menusys-
•
Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad (p. 173)
•
Transpondersleutel (p. 158)
06 Sloten en alarm
Kinderslot - handmatige activering
Het portier is niet vanaf de binnenzijde te
openen.
Het kinderslot voorkomt dat kinderen een
achterportier vanaf de binnenzijde kunnen
openen.
Het portier is zowel vanaf de buitenzijde
als vanaf de binnenzijde te openen.
Kinderslot activeren/deactiveren
WAARSCHUWING
Elk van de achterportieren is voorzien van
twee vergrendelbussen – verwar de bus
voor het kinderslot niet met die voor het
handmatige portierslot.
N.B.
Mechanisch kinderslot. Niet te verwarren met de
mechanische portiervergrendeling (p. 175).
•
De vergrendelbus van een portier dient
alleen om het desbetreffende portier te
vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
•
Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot.
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
Gerelateerde informatie
•
Kinderslot - elektrische activering*
(p. 181)
Doe het volgende om het kinderslot te activeren/deactiveren:
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 176)
–
•
Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de
buitenkant (p. 174)
Maak gebruik van het afneembare sleutelblad (p. 166) van de transpondersleutel
om de cilinder te verdraaien.
Kinderslot - elektrische activering*
Het elektrisch geactiveerde kinderslot voorkomt dat kinderen achter in de auto de achterportieren of de achterste zijruiten kunnen
openen.
Activeren
Het kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 79)
anders dan 0 te activeren/deactiveren en dat
binnen 2 minuten na het afzetten van de
motor, op voorwaarde dat er geen portier
wordt geopend.
Doe het volgende om het kinderslot te activeren:
06
Bedieningspaneel bestuurdersportier.
1. Start de motor of kies een slotstand
anders dan 0.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
06 Sloten en alarm
||
2. Druk op de bijbehorende knop van het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
> Op het bestuurdersdisplay staat de
melding Kinderslot actief en het
lampje in de knop brandt - het slot is
geactiveerd.
Wanneer het kinderslot actief is, zijn de achterste:
•
zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier te bedienen
•
portieren niet van de binnenkant te openen.
Bij het afzetten van de motor wordt de
actuele instelling vastgelegd – als het kinderslot geactiveerd was tijdens het afzetten van
de motor, dan is de functie de volgende keer
dat u de motor start eveneens actief.
06
Gerelateerde informatie
•
Kinderslot - handmatige activering
(p. 181)
•
Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 176)
Alarm
N.B.
Het alarm is een systeem dat waarschuwt als
er bijvoorbeeld in de auto wordt ingebroken.
De bewegingsmelders laten het alarm
afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook
afgaan, als u de auto met een ruit of
schuifdak open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt.
Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als:
•
een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*)
•
een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
•
de sirene wordt losgekoppeld.
Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten
van de auto alle ruiten en het schuifdak. Bij
gebruik van de geïntegreerde interieurverwarming van de auto (of een draagbare
variant daarvan op stroom) dan dient u de
blaasmonden dusdanig af te stellen dat
deze niet omhoogwijzen. U kunt ook
gebruik maken van het beperkte alarmniveau, zie Beperkt alarmniveau (p. 184).
Als er een storing in het alarmsysteem is
opgetreden, verschijnt er een melding op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel.
Neem dan contact op met een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen.
Dergelijke pogingen kunnen van invloed
zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Alarm activeren
–
Druk op de vergrendelingstoets op de
transpondersleutel.
Alarm deactiveren
–
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel.
06 Sloten en alarm
Geactiveerd alarm uitschakelen
Alarmindicatie
–
De alarmindicatie geeft de status aan van het
alarmsysteem (p. 182).
Druk op de ontgrendelingstoets op de
transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alarmindicatie (p. 183)
Alarmsysteem - automatische
herinschakeling
De automatische herinschakeling van het
alarm voorkomt dat u de auto verlaat zonder
het alarmsysteem (p. 182) uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de bagageklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto
wordt bovendien opnieuw vergrendeld.
Alarmsysteem - automatische herinschakeling (p. 183)
Alarmsysteem - transpondersleutel defect
(p. 184)
Gerelateerde informatie
•
Beperkt alarmniveau (p. 184)
Dezelfde diode als de vergrendelingsindicatie
(p. 161).
Een rode led op het dashboard geeft de status van het alarmsysteem aan:
•
•
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
De led licht om de twee seconden eenmaal op – het alarm is ingeschakeld
06
De led knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm (tot aan
het moment dat u de transpondersleutel
in het contactslot steekt en sleutelstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan.
183
06 Sloten en alarm
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect
Als u het alarm (p. 182) niet kunt uitschakelen
met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld
de batterij (p. 169) van de sleutel leeg is), kunt
u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en de motor starten:
1. Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad (p. 173).
> Het alarm gaat af, de alarmindicatie
(p. 183) knippert snel en de sirene
klinkt.
Alarmsignalen
Beperkt alarmniveau
Wanneer het alarm (p. 182) afgaat, klinkt een
sirene en knipperen alle richtingaanwijzers.
Een beperkt alarmniveau houdt in dat de
bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk
worden uitgeschakeld.
•
Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Om te voorkomen dat het alarmsysteem
(p. 182) onbedoeld afgaat als u bijvoorbeeld
een hond in een vergrendelde auto achterlaat
of een autotrein of veerverbinding gebruikt,
dienen de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk te worden gedeactiveerd.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie (p. 180)10.
Gerelateerde informatie
•
06
2. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
> Het alarm wordt gedeactiveerd en de
alarmindicatie dooft.
3. Start de motor.
10
184
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
Alarmindicatie (p. 183)
06 Sloten en alarm
Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem
De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel.
Land/regio
China
Vergrendelingssysteem standaard
Land/regio
EU, China
Passieve vergrendeling (Keyless Drive)
Land/regio
Hongkong
Gerelateerde informatie
•
Transpondersleutel (p. 158)
EU
06
Korea
185
BESTUURDERSONDERSTEUNING
07 Bestuurdersondersteuning
Actief chassis - FOUR-C*
Bediening
Het actieve chassissysteem FOUR-C
(Continously Controlled Chassis Concept)
stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van
de auto. U hebt de keuze uit drie standen:
Comfort, Sport en Advanced.
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging
afneemt naarmate de rijsnelheid oploopt,
waardoor u een beter gevoel met de weg
krijgt.
Op snelwegen stuurt de auto stugger. Bij het
parkeren en op lage snelheden is de auto
lichter en met minder moeite te besturen.
Comfort
In deze stand rijdt de auto comfortabeler op
een ruw en oneffen wegdek. De vering verloopt soepel waardoor de bewegingen van de
carrosserie minimaal en aangenaam zijn.
Sport
Bij deze stand die wordt geadviseerd voor
een actievere rijstijl heeft de auto een sportiever karakter. De auto reageert sneller op de
bewegingen van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger dan normaal en
de carrosserie volgt het wegdek om in bochten de mate van overhellen te beperken.
Stuurkrachtinstelling*
Bedieningsknoppen.
Met de knoppen op de middenconsole kiest u
de gewenste chassisstand. Een volgende
keer dat u de motor start, is opnieuw de
chassisstand actief die gold toen u de motor
afzette. Advanced is de enige uitzondering
hierop - bij herstarten is de stand Sport actief.
U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel en stuurgevoeligheid in het menusysteem MY CAR (p. 113):
•
Ga daar naar Niv. stuurbekrachtiging
en kies Laag, Midden of Hoog.
Deze instelling is niet te beschikbaar, wanneer de auto rijdt.
N.B.
In bepaalde situaties kan de stuurbekrachtiging te warm worden en moet deze dan
tijdelijk worden gekoeld - gedurende die
periode werkt de stuurbekrachtiging met
een gereduceerd vermogen en het draaien
aan het stuurwiel kan dan wat zwaarder
gaan.
Advanced
U wordt geadviseerd deze stand alleen te
activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
De bewegingen van de schokdempers zijn
geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten.
07
Op het moment dat de stuurhulp tijdelijk
gereduceerd is, verschijnt er een melding
op het instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
MY CAR (p. 113)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
07 Bestuurdersondersteuning
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - algemeen
De stabiliteitsregeling ESC ((Electronic
Stability Control)) helpt u voorkomen dat de
wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Tijdens het afremmen kunnen de
ingrepen van de ESC waarneembaar zijn in de vorm van pulserende
geluiden. Tijdens het gas geven kan
de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
WAARSCHUWING
De stabiliteitsregeling ESC is slechts een
aanvullend hulpmiddel en kan niet alle
situaties en alle wegomstandigheden aan.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
De ESC bestaat uit de volgende functies:
07
•
•
•
•
•
•
1
188
Antislipregeling
Antispinregeling
Tractieregeling
Motorremregeling, EDC
Corner Traction Control - CTC
Trailer Stability Assist (TSA)
Antislipregeling
Deze regeling controleert de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Het TSA-systeem (p. 326) heeft tot taak de
auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging tot
pendelbewegingen vertoont. Voor meer informatie, zie Rijden met een aanhanger*
(p. 319).
N.B.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend
aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet
slipt.
Motorremregeling, EDC
EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na
terugschakeling of bij gladheid tijdens het
afremmen op de motor in een lage versnelling.
Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk
onder controle kunt houden.
Corner Traction Control - CTC*
CTC zorgt voor compensatie van eventueel
onderstuur in een bocht en maakt het mogelijk om sneller op te trekken dan normaal zonder dat het binnenste wiel doorslipt zoals bij
een gebogen oprit om zo sneller in te kunnen
voegen in de verkeersstroom.
Trailer Stability Assist is inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trailer Stability Assist* - TSA1
De functie wordt gedeactiveerd als u de
Sport-stand kiest.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 189)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 190)
07 Bestuurdersondersteuning
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - bediening
Niveau kiezen, Sport-stand
De ESC is altijd geactiveerd – uitschakelen is
niet mogelijk.
U kunt echter de Sportstand kiezen voor een actievere rijervaring.
De Sport-stand is te kiezen
in het menusysteem MY
CAR. Voor een beschrijving
van het menusysteem, zie MY CAR (p. 113).
Wanneer de Sport-stand actief is,
brandt dit symbool op het instrumentenpaneel continu totdat u de
functie deactiveert of totdat de
motor wordt afgezet – een volgende keer dat
de motor wordt gestart is de normale stand
van de ESC opnieuw van kracht.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 188)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 190)
In de Sport-stand registreert het systeem of
de gaspedaal- en stuurwielbediening alsook
het bochtenwerk als actiever dan normaal
aan te merken zijn, waarna het systeem toestaat dat de achtertrein een gecontroleerde
vorm van slippen vertoont voordat het ingrijpt
en de auto stabiliseert.
Als u de gecontroleerde vorm van slippen bijvoorbeeld beëindigt door het gaspedaal te
bedienen, grijpt de ESC in om de auto te stabiliseren.
De Sport-stand maakt tevens maximale aandrijving mogelijk, als de auto is blijven steken
of over een zachte ondergrond (zoals zand of
een dikke laag sneeuw) rijdt.
07
189
07 Bestuurdersondersteuning
Elektronische stabiliteitsregeling
(ESC) - symbolen en meldingen
Tabel
Symbool
Melding
Betekenis
ESC Tijdelijk UIT
Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het ESCsysteem. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn
afgekoeld.
ESC Service vereist
Het ESC-systeem is defect.
•
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
‘Melding’
Er staat een melding op het instrumentenpaneel (p. 64) - lees deze!
Brandt 2 seconden lang
continu.
Systeemtest bij het starten van de motor.
en
07
190
07 Bestuurdersondersteuning
Symbool
Melding
Betekenis
Knippert.
Het ESC-systeem grijpt in.
Brandt continu.
De Sport-stand is geactiveerd.
NB In deze stand is het ESC niet helemaal uitgeschakeld – er gelden bepaalde beperkingen.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 188)
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 189)
07
191
07 Bestuurdersondersteuning
Verkeersbordinformatie (RSI)*
WAARSCHUWING
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI –
Road Sign Information) helpt u onthouden
welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften
houdt.
Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI –
Road Sign Information) helpt u onthouden
welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
Bediening van het systeem:
Gerelateerde informatie
•
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 192)
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen (p. 194)
Voorbeelden van leesbare snelheidsborden2.
Het verkeersbordinformatiesysteem RSI geeft
informatie over o.a. actuele snelheid, begin of
eind van een autoweg of snelweg en inhaalverboden.
07
Als zowel een bord met snel-/autoweg als
een bord met de maximumsnelheid wordt
gepasseerd, toont RSI alleen het bordsymbool voor de maximumsnelheid.
2
3
192
Geregistreerde snelheidsinformatie3.
Als RSI een verkeersbord registreert met de
geldende snelheid, geeft het instrumentenpaneel dat bord als symbool weer.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Samen met het symbool
voor de geldende snelheidsbeperking kan (voor zover
van toepassing) ook een
bord met inhaalverbod verschijnen.
07 Bestuurdersondersteuning
Einde snelheidsbeperking of snelweg
Aanvullende borden
Wanneer het RSI een bord registreert dat het
einde van een snelheidsbeperking aangeeft
(of andere snelheidsspecifieke informatie
zoals het einde van een snelweg), verschijnt
het desbetreffende verkeersbord
ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel:
Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend
bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de
richtingaanwijzer gebruikt.
Voorbeelden van dergelijke borden zijn:
Voorbeelden van aanvullende borden3.
Einde snelheidsbeperkingen.
Soms kent een en dezelfde weg verschillende
snelheidsbeperkingen – een aanvullend bord
geeft dan aan onder welke omstandigheden
de snelheden gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een gevaarlijke weg bij bijvoorbeeld regen en/of mist.
Het aanvullende bord met betrekking tot
regen verschijnt alleen als de ruitenwissers
zijn geactiveerd.
Einde snelweg.
Vervolgens wordt er geen verkeersbordinformatie weergegeven, totdat het volgende snelheidsbord wordt geregistreerd.
3
Op bepaalde markten wordt
de geldende snelheid op een
afrit aangegeven met een
aanvullend bord met een pijl.
Sommige snelheden gelden bijvoorbeeld
alleen een bepaald traject of op een bepaalde
tijd van de dag. U wordt hierop geattendeerd
met een symbool voor een aanvullend bord
onder het snelheidssymbool.
Weergave van aanvullende informatie
Een leeg vakje onder het snelheidssymbool
op het instrumentenpaneel geeft aan dat het
RSI een bord heeft geregistreerd met aanvullende informatie over de geldende snelheidsbeperking.
Welke verkeersborden er op het instrumentenpaneel verschijnen hangt van de markt af – de afbeeldingen in deze instructie zijn slechts voorbeelden.
07
}}
193
07 Bestuurdersondersteuning
||
Instelling in MY CAR
Speed Alert
De beschikbare opties voor het RSI vindt u in
het menusysteem MY CAR, zie MY CAR
(p. 113).
Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI –
Road Sign Information) helpt u onthouden
welke snelheidsborden u gepasseerd bent.
Het systeem heeft de volgende beperkingen.
Road Sign Information Aan/Uit
Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te
deactiveren. U kunt het systeem activeren/
deactiveren in het menusysteem MY CAR.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 113).
07
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Verkeersbordinformatie (RSI)*
beperkingen
U kunt ervoor kiezen of u een waarschuwing
wil krijgen bij een overschrijding van de snelheidsbeperking met 5 km/h (5 mph) of meer.
De waarschuwing bestaat uit een tijdelijk
knipperend symbool voor de maximumsnelheid als de snelheid wordt overschreden. U
kunt het systeem activeren/deactiveren in het
menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR
(p. 113).
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* (p. 192)
•
MY CAR (p. 113)
Verkeersbordinformatie (RSI)* beperkingen (p. 194)
De camerasensor van het RSI-systeem kent
ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog – lees daarover meer in het
gedeelte over de beperkingen van de camerasensor (p. 233).
Borden die indirect informeren over snelheidsbeperkingen, bijvoorbeeld naamborden
van steden/dorpen, worden niet geregistreerd
door het RSI-systeem.
Hieronder volgen enkele voorbeelden die de
functie kunnen storen:
•
•
•
•
•
Verbleekte borden
Borden in een bocht
Verdraaide of beschadigde borden
Verscholen of slecht geplaatste borden
Borden die geheel of gedeeltelijk zijn
afgedekt met ijs, sneeuw en/of vuil.
Gerelateerde informatie
•
•
Verkeersbordinformatie (RSI)* (p. 192)
Verkeersbordenherkenning (RSI)* - bediening (p. 192)
07 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Overzicht
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 195)
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 196)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid (p. 197)
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen
(p. 198)
Snelheidsbegrenzer - beknopte
bedieningsinstructies
Inschakelen en activeren
Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op het instrumentenpaneel het bijbehorende symbool (6) samen met een
markering (5) bij de ingestelde maximumsnelheid.
Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het
mogelijk een maximumsnelheid in te stellen
en op te slaan in het geheugen.
Tijdens het rijden
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
> Op het instrumentenpaneel licht het
symbool (6) voor de cruisecontrol op.
Toetsenset op stuurwiel en instrumentenpaneel.
Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-bystand.
Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
Ingestelde snelheid.
Snelheidsbegrenzer actief.
2. Wanneer de auto op de gewenste maximumsnelheid rijdt: Druk op een van de
of
, totdat op het
stuurtoetsen
instrumentenpaneel een markering (5)
voor de gewenste maximumsnelheid verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee
actief en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het
geheugen.
07
Bij stilstand
1. Druk op de stuurtoets
om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
}}
195
07 Bestuurdersondersteuning
||
2. Scrol met de
-knop, totdat op het
instrumentenpaneel een markering (5)
voor de gewenste maximumsnelheid verschijnt.
> De snelheidsbegrenzer is daarmee
actief en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het
geheugen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 195)
Snelheidsbegrenzer - snelheid
wijzigen
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen maximumsnelheid
door de stuurknop
of
kort of lang in te
drukken.
Om aan te passen met +/- 5 km/h
(+/- 5 mph):
•
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Om aan te passen met +/- 1 km/h
(+/- 1 mph):
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste maximumsnelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Gerelateerde informatie
•
Snelheidsbegrenzer (p. 195)
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk
deactiveren en stand-bystand
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten:
–
Druk op
.
> De markering (5) op het instrumentenpaneel verkleurt van GROEN naar WIT,
waarna u tijdelijk de ingestelde maximumsnelheid kunt overschrijden.
U kunt de snelheidsbegrenzer opnieuw
,
inschakelen met een druk op
waarna de markering (5) verkleurt van
WIT naar GROEN om aan te geven dat
er opnieuw een maximumsnelheid voor
de auto geldt.
Tijdelijk deactiveren met gaspedaal
07
196
De snelheidsbegrenzer is ook met het gaspedaal stand-by te zetten, bijvoorbeeld om in
noodgevallen snel te kunnen accelereren:
07 Bestuurdersondersteuning
–
Trap het gaspedaal volledig in.
> Op het instrumentenpaneel staat de
opgeslagen maximumsnelheid met een
gekleurde markering (5) en u kunt de
ingestelde maximumsnelheid tijdelijk
overschrijden – de markering (5) verkleurt dan van GROEN naar WIT.
De snelheidsbegrenzer wordt automatisch opnieuw geactiveerd nadat u het
gaspedaal hebt losgelaten en de auto
is afgeremd tot een snelheid lager dan
de gekozen/opgeslagen maximumsnelheid. De markering (5) op het display verkleurt van WIT naar GROEN
waarna de maximumsnelheid van de
auto opnieuw van kracht is.
Gerelateerde informatie
•
•
Snelheidsbegrenzer - alarm
overschrijding snelheid
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen
(p. 198)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid (p. 197)
•
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen
(p. 198)
Het signaal is hoorbaar totdat u de auto hebt
afgeremd tot een snelheid lager dan de gekozen maximumsnelheid.
N.B.
Het alarm wordt pas na 5 seconden geactiveerd, als u de snelheid met minimaal
3 km/h (2 mph) overschrijdt en u de afgelopen 30 seconden geen van de toetsen
of
bedient.
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 195)
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen
(p. 196)
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 196)
Op steile aflopende hellingen volstaat de
motorrem van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet, zodat de gekozen maximumsnelheid
wordt overschreden. U wordt in dat geval
hierop geattendeerd door een geluidssignaal.
Snelheidsbegrenzer (p. 195)
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
•
Snelheidsbegrenzer (p. 195)
07
Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen
(p. 196)
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 195)
197
07 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer - uitschakelen
Cruisecontrol*
Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te
beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal,
terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u
per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde
snelheid overschrijdt.
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid te houden, wat
zorgt voor een comfortabeler rijervaring op
lange ritten op snelwegen en lange, rechte
hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
Om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen:
Overzicht
–
Druk op de stuurtoets
.
> Op het instrumentenpaneel doven het
symbool voor de snelheidsbegrenzer
(6) en de markering voor de ingestelde
snelheid (5) – de ingestelde/opgeslagen snelheid worden gewist en zijn
daarna niet te hervatten bij een druk
.
op de toets
U kunt daarna weer zonder beperkingen de snelheid regelen met het gaspedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
07
•
Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 196)
•
Snelheidsbegrenzer - alarm overschrijding snelheid (p. 197)
4
198
Snelheidsbegrenzer (p. 195)
Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 195)
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij een auto net cruisecontrol4.
Cruisecontrol – Aan/Uit.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Stand-by zetten
Activeren en snelheid aanpassen.
Toetsenset op het stuurwiel en instrumentenpaneel bij een auto zonder cruisecontrol4.
Gekozen snelheid (GRIJS = standbystand).
Cruisecontrol actief - WIT symbool
(GRIJS = stand-bystand).
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen
passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Gerelateerde informatie
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 199)
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 200)
•
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 201)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
Cruisecontrol* - snelheid regelen
Om aan te passen met 5 km/h (5 mph):
U kunt een snelheid activeren, instellen en
een opgeslagen snelheid wijzigen.
•
Activeren en snelheid instellen
Om aan te passen met 1 km/h (1 mph):
Om de cruisecontrol te starten:
•
Druk op de stuurknop CRUISE (zonder
snelheidsbegrenzer) of op
(met snelheidsbegrenzer).
>
Op het instrumentenpaneel gaat het
symbool (6) voor de cruisecontrol branden – de cruisecontrol staat stand-by.
Om de cruisecontrol in te schakelen:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
of
.
stuurknop
>
De actuele snelheid wordt in het geheugen opgeslagen, de markering (5) op het
instrumentenpaneel gaat branden de
ingestelde snelheid en het symbool (6)
verkleurt van GRIJS naar WIT – de auto
houdt de ingestelde/opgeslagen snelheid
aan.
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal
/ -knop indrukt, wordt de
voordat u de
actuele rijsnelheid opgeslagen die geldt bij
het indrukken van de knop.
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling van de cruisecontrol ongewijzigd –
de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid
wanneer u het gaspedaal loslaat.
N.B.
Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de
cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen
activeren, moet de auto stilstaan en de
motor worden herstart.
N.B.
De cruisecontrol is niet in te schakelen bij
snelheden lager dan 30 km/h (20 mph).
Opgeslagen snelheid wijzigen
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met 5 km/h (5 mph).
07
Gerelateerde informatie
•
Cruisecontrol* (p. 198)
U wijzigt de opgeslagen snelheid door de
stuurknop
of
kort of lang in te drukken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
199
07 Bestuurdersondersteuning
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk
deactiveren en stand-bystand
Het systeem is tijdelijk te activeren en in de
stand-bystand te zetten.
Tijdelijk deactiveren – stand-bystand
Om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen
en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurknop
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
WIT naar GRIJS – de cruisecontrol is tijdelijk uitgeschakeld.
.
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en automatisch stand-by gezet in de volgende gevallen:
07
instelling ongewijzigd – de auto hervat de
laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
Automatische stand-bystand
De cruisecontrol wordt tijdelijk uitgeschakeld
en stand-by gezet in de volgende gevallen:
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
•
het toerental van de motor wordt te laag/
hoog
•
de snelheid daalt tot onder 30 km/h
(20 mph).
u bedient het rempedaal
u bedient het koppelingspedaal langer
dan 1 minuut5
•
•
u haalt de versnellingspook/keuzehendel
uit stand N
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 199)
•
Druk op de stuurtoets
>
De markering (5) en het symbool (6) op
het instrumentenpaneel verkleuren van
GRIJS naar WIT en de laatst ingestelde/
opgeslagen snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 201)
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
.
N.B.
Nadat u de snelheid weer met de
-knop
hebt hervat, kan een markante snelheidstoename volgen.
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 200)
u houdt meer dan 1 minuut lang een
hogere snelheid aan dan ingesteld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om de cruisecontrol opnieuw te activeren
vanuit de stand-bystand:
Cruisecontrol* (p. 198)
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
200
Na tijdelijke deactivering en de standbystand (p. 200) kunt u de eerder ingestelde
snelheid hervatten.
Gerelateerde informatie
•
•
5
De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u
een gelijkmatige snelheid aan te houden.
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
•
•
•
•
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid
hervatten
Gerelateerde informatie
•
•
•
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 199)
•
Cruisecontrol* - uitschakelen (p. 201)
Cruisecontrol* (p. 198)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 200)
07 Bestuurdersondersteuning
Cruisecontrol* - uitschakelen
Hier volgt een beschrijving van hoe u het systeem uitschakelt.
De cruisecontrol wordt uitgeschakeld met de
stuurtoets (1) of bij het afzetten van de motor:
de ingestelde/opgeslagen snelheid wordt
daarbij gewist waarna deze niet meer te her.
vatten is met de toets
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Cruisecontrol* (p. 198)
Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 199)
Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren
en stand-bystand (p. 200)
Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 200)
Adaptieve cruisecontrol - ACC*
De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive
Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige
snelheid en een bepaalde afstand tot voorliggers te houden door een tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger in te stellen.
De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een
gelijkmatige verkeersstroom.
U stelt de gewenste snelheid (p. 205) en het
tijdsverschil (p. 206) ten opzichte van de
voorligger. Wanneer de radarsensor een
voorligger registreert die langzamer rijdt dan
u, wordt uw snelheid automatisch aangepast.
Wanneer de weg voor u weer vrij is, hervat de
auto de ingestelde snelheid.
Als u een voorligger te dicht nadert terwijl de
adaptieve cruisecontrol uitgeschakeld is of
stand-by staat (p. 207), wordt u door de
afstandswaarschuwing (p. 216) geattendeerd
op de korte afstand.
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het
systeem te gebruiken.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
BELANGRIJK
Laat het onderhoud van de onderdelen van
de adaptieve cruisecontrol over aan een
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Na een servicebeurt kan het ACC-systeem
gedurende een bepaalde tijd een enigszins
beperkt bereik hebben. Het systeem wordt
tijdens het rijden gekalibreerd, zodat het
systeem automatisch de maximale functionaliteit hervat.
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
07 Bestuurdersondersteuning
||
Automatische versnellingsbak
Adaptieve cruisecontrol* - werking
Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid
met een zogeheten file-assistent (p. 208).
Deze bestaat uit een cruisecontrol die gekoppeld is aan een afstandshouder.
Gerelateerde informatie
07
•
Adaptieve cruisecontrol* - werking
(p. 202)
•
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 204)
•
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 205)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil
instellen (p. 206)
•
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 207)
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen (p. 208)
•
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 208)
•
Adaptieve cruisecontrol* - File-assistent
(p. 208)
•
Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen (p. 210)
•
•
•
Radarsensor (p. 211)
•
6
202
Functie-overzicht
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Lage aanhangers, tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of
vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
Functie-overzicht6.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Stuurknoppen (p. 204)
Radarsensor (p. 211)
Radarsensor - beperkingen (p. 211)
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen (p. 213)
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 214)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De afstand tot voorliggers (p. 206) wordt
hoofdzakelijk gemeten met een radarsensor
(p. 211). De cruisecontrol regelt de snelheid
door de stand van de gasklep aan te passen
en zo nodig af te remmen. Het is volkomen
normaal dat de remmen enige geluiden produceren, wanneer de adaptieve cruisecontrol
ze aanspreekt.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
Het rempedaal beweegt, wanneer de
adaptieve cruisecontrol remt. Laat uw voet
niet onder het rempedaal rusten – deze
kan bekneld raken.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het
door u ingestelde tijdsverschil (p. 206) ten
opzichte van voorliggers in dezelfde rijstrook
aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger registreert, houdt de auto in plaats
daarvan de snelheid aan die op de cruisecontrol werd ingesteld. Dit gebeurt ook als de
snelheid van de voorligger de ingestelde snelheid overschrijdt.
De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de
snelheid zo weinig mogelijk aan te passen. In
situaties waarin krachtig moet worden
geremd, dient u dan ook zelf te remmen. Dit
is bijvoorbeeld het geval bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
Door beperkingen van de radarsensor
(p. 211) is het mogelijk dat er onverwachts of
helemaal niet wordt geremd.
De adaptieve cruisecontrol is te activeren om
een tijdsverschil aan te houden ten opzichte
van een voorligger bij snelheden vanaf
30 km/h7 (20 mph) tot een maximumsnelheid
van 200 km/h (125 mph). Als de snelheid tot
onder 30 km/h (20 mph) daalt of als het
7
8
motortoerental te laag wordt, wordt de
cruisecontrol stand-by (p. 207) gezet, waarna
er niet langer automatisch wordt afgeremd –
u moet dan zelf remmen om een veilige
afstand te houden tot voorliggers.
Waarschuwingssymbool – afremmen
noodzakelijk
Het remvermogen van de adaptieve cruisecontrol is meer dan zo'n 40 % van de totale
remcapaciteit van de auto.
(p. 226) en een geluidssignaal op attent
gemaakt dat u onmiddellijk moet ingrijpen.
N.B.
Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril kan het waarschuwingslampje moeilijk
te zien zijn.
WAARSCHUWING
De adaptieve cruise control waarschuwt
alleen voor door de radareenheid gedetecteerde voertuigen – het kan dan ook voorkomen dat een waarschuwing vertraagd of
helemaal niet wordt weergegeven. Wacht
een waarschuwing niet af, maar rem als
dat nodig is.
Steile wegen en/of zware belading
1. Waarschuwingslampje en geluidssignaal Collision Warning8.
Als de auto harder moet worden afgeremd
dan de adaptieve cruisecontrol aankan en u
remt zelf niet bij, dan wordt u er middels het
waarschuwingslampje van Collision Warning
De file-assistent (p. 208) (auto's met een automatische versnellingsbak) kan een interval aan van 0–200 km/h (0–125 mph).
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in
eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke weggedeelten. De
cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de
juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware belading
of met een aanhanger/caravan achter de auto
– blijf dan extra alert en rem zo nodig zelf.
07
}}
203
07 Bestuurdersondersteuning
||
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
•
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen (p. 208)
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 208)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
De bediening van de adaptieve cruisecontrol
en de stuurtoetsen varieert, afhankelijk van of
de auto wel of niet met een snelheidsbegrenzer9 is uitgerust.
Adaptieve cruisecontrol met
snelheidsbegrenzer
Cruisecontrol – Aan/Uit.
07
204
Een Volvo-dealer kan u informeren over wat er op uw markt geldt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Adaptieve cruisecontrol zonder
snelheidsbegrenzer
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Cruisecontrol – Aan/Uit of stand-bystand.
De stand-bystand wordt beëindigd en de
ingestelde snelheid wordt hervat.
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Stand-by zetten
Activeren en snelheid aanpassen.
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
(Wordt niet gebruikt)
Activeren en snelheid aanpassen.
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
Groene markering bij opgeslagen snelheid (WIT = stand-by).
9
Tijdsverschil
07 Bestuurdersondersteuning
Tijdsverschil
ACC is actief bij GROEN symbool (WIT =
stand-by).
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
•
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 214)
Adaptieve cruisecontrol* - snelheid
regelen
Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd:
Om de ACC te starten:
•
Adaptieve cruisecontrol* - werking
(p. 202)
Druk op de stuurknop
– op het instrumentenpaneel (8) gaat een vergelijkbaar
WIT symbool branden om aan te geven
dat de adaptieve cruisecontrol stand-by
(p. 207) staat.
Om de ACC te activeren:
•
Druk bij de gewenste snelheid op de
of
.
stuurknop
>
De actuele snelheid wordt opgeslagen in
het geheugen, het instrumentenpaneel
toont korte tijd een "vergrootglas" (6)
rond de ingestelde snelheid en de bijbehorende markering verkleurt van WIT naar
GROEN.
Als dit symbool van WIT naar
GROEN verkleurt, is de ACC actief
en houdt deze de auto op de ingestelde snelheid.
Alleen als op het symbool de
afbeelding van een ander
voertuig verschijnt, wordt de
afstand tot de voorligger
geregeld door de ACC.
•
de hogere snelheid met de GROENE markering is de voorgeprogrammeerde snelheid
•
de lagere snelheid is de snelheid van de
voorligger.
Opgeslagen snelheid wijzigen
U wijzigt de opgeslagen snelheid door de
of
kort of lang in te drukken.
stuurknop
Om aan te passen met +/- 5 km/h
(+/- 5 mph):
•
Kort indrukken - elke keer drukken komt
overeen met +/- 5 km/h (+/- 5 mph).
Om aan te passen met +/- 1 km/h
(+/- 1 mph):
•
Houd de knop ingedrukt en laat los bij de
gewenste snelheid.
De laatst verrichte aanpassing wordt in het
geheugen opgeslagen.
07
Als u de snelheid verhoogt met het gaspedaal
voordat u de
/ -knop indrukt, wordt de
actuele rijsnelheid opgeslagen die geldt bij
het indrukken van de knop.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
07 Bestuurdersondersteuning
||
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling ongewijzigd – de auto hervat de
laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
N.B.
Als u een knop van de adaptieve cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt,
wordt de cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol dan weer
te kunnen activeren moet u de auto tot stilstand brengen en de motor opnieuw starten.
In bepaalde situaties is heractivering van
de cruisecontrol niet mogelijk – in dat
geval verschijnt Adaptieve cruise
control control niet beschikbaar op het
instrumentenpaneel (p. 214).
Gerelateerde informatie
07
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
•
Adaptieve cruisecontrol* - werking
(p. 202)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 204)
Adaptieve cruisecontrol* tijdsverschil instellen
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van
voorliggers kiezen en deze
worden op het instrumentenpaneel weergegeven met 1–5
horizontale streepjes – hoe
meer streepjes, hoe langer
het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen
met ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
Om het tijdsverschil in te stellen/te wijzigen:
•
Draai aan het duimwiel van de stuurtoetsen (p. 204) (of gebruik de knoppen
/
bij een auto zonder snelheidsbegrenzer).
Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot
de adaptieve cruisecontrol het tijdsverschil
iets.
Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke
variaties in het tijdsverschil toe.
Let erop dat korte tijdsverschillen u bij plotselinge wijzigingen in de verkeersstroom minder
tijd geven om te reageren en in te grijpen.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
afstandswaarschuwing (p. 216) geactiveerd
is.
206
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Als de adaptieve cruisecontrol bij activering niet lijkt te reageren, kan dat komen
doordat de volgtijd ten opzichte van de
voorligger een snelheidstoename belet.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
Lees meer over hoe u de snelheid regelt
(p. 205).
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
•
Adaptieve cruisecontrol* - werking
(p. 202)
•
Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen
(p. 208)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 204)
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke
deactivering en stand-by
De adaptieve cruisecontrol is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten.
Tijdelijke deactivering/stand-bystand –
met snelheidsbegrenzer
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurknop
Dit symbool en de markering van de
opslagen snelheid verkleuren dan
van GROEN naar WIT.
Tijdelijke deactivering/stand-bystand zonder snelheidsbegrenzer
Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen en stand-by te zetten:
•
Druk op de stuurknop
Stand-bystand door actief ingrijpen van
uw kant
De adaptieve cruisecontrol wordt tijdelijk
gedeactiveerd en automatisch stand-by gezet
in de volgende gevallen:
•
•
10
11
•
u zet de keuzehendel in stand N (automatische versnellingsbak)
•
het toerental van de motor wordt te laag/
hoog
•
u houdt meer dan 1 minuut lang een
hogere snelheid aan dan ingesteld.
•
de snelheid is gedaald tot onder zo'n
30 km/h11 (20 mph)
U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te
passen.
•
de wielen verliezen hun grip op het wegdek
Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de
instelling ongewijzigd – de auto hervat de
laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat.
•
de remmen hebben een hoge temperatuur
•
de radarsensor wordt gehinderd door
natte sneeuw of hevige regenval (de
radargolven worden geblokkeerd).
Automatische stand-bystand
Ingestelde snelheid hervatten
De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van
andere systemen, zoals Stabiliteitsregeling
ESC (p. 188). Als een van deze systemen niet
meer werkt, wordt de adaptieve cruisecontrol
automatisch uitgeschakeld.
Een cruisecontrol in stand-bystand is
opnieuw te activeren bij een druk op de
– in dat geval wordt de laatst
stuurknop
opgeslagen snelheid hervat.
Bij automatische deactivering klinkt er een
waarschuwingssignaal en op het instrumentenpaneel verschijnt de melding Adaptieve
cruise control geannuleerd. U moet in dat
geval zelf ingrijpen om de snelheid en afstand
ten opzichte van de voorligger aan te passen.
u bedient het rempedaal
Automatische deactivering is mogelijk in de
volgende gevallen:
u bedient het koppelingspedaal langer
dan 1 minuut10
•
•
u opent het portier
u neemt de veiligheidsgordel los
N.B.
Nadat de snelheid weer met
is hervat,
kan er een markante snelheidstoename
volgen.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
•
Cruisecontrol* (p. 198)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 204)
07
Bij ontkoppelen en opschakelen of terugschakelen wordt de cruisecontrol niet stand-by gezet.
Geldt niet voor een auto met File-assistent – bij een dergelijke auto werkt het systeem tot aan stilstand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
207
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - een ander
voertuig inhalen
Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen
Adaptieve cruisecontrol* - Fileassistent
Als u achter een voorligger rijdt en u met de
richtingaanwijzer12 aangeeft te willen inhalen,
helpt de cruisecontrol door de auto kort te
versnellen ten opzichte van de voorligger.
Knoppenset met snelheidsbegrenzer
De file-assistent is een aanvulling op de adaptieve cruisecontrol die ook bij snelheden lager
dan 30 km/h (20 mph) werkt.
Het systeem werkt bij snelheden hoger dan
70 km/h (43 mph).
WAARSCHUWING
Let erop dat deze functie bij meer situaties
dan bij inhalen kan worden geactiveerd,
bijv. als de richtingaanwijzer wordt
gebruikt om het wisselen van rijbaan of
een afslag naar een andere weg aan te
geven. De auto accelereert dan kort.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
•
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschaop de knoppenset
keld met de stuurknop
van het stuurwiel (p. 204): de ingestelde/
opgeslagen snelheid wordt daarbij gewist
waarna deze niet meer te hervatten is met de
.
toets
Knoppenset zonder snelheidsbegrenzer
Bij kort indrukken van de stuurknop
zet u
de adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 207).
Bij nogmaals kort indrukken vindt uitschakeling plaats: de ingestelde/opgeslagen snelheid wordt daarbij gewist waarna deze niet
.
meer te hervatten is met de toets
Gerelateerde informatie
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 204)
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
Adaptieve cruisecontrol* - werking
(p. 202)
•
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 214)
Adaptieve cruisecontrol* - werking
(p. 202)
Bij auto's met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol aangevuld
met de functie File-assistent (ook wel "Queue
Assist" genoemd).
De file-assistent biedt de volgende functies:
•
•
•
•
Uitgebreid snelheidsinterval – ook onder
30 km/h (20 mph) en tijdens stilstand
Van doelvoertuig veranderen
Beëindiging automatische remfunctie bij
stilstand
Automatische activering parkeerrem.
Let erop dat 30 km/h (20 mph) de minimumsnelheid is waarop de adaptieve cruisecontrol
in te stellen is – ook al kan de adaptieve
cruisecontrol een voorligger volgen tot aan
stilstand, is het kiezen/opslaan van een lagere
snelheid dan de genoemde 30 km/h (20 mph)
niet mogelijk.
07
12
208
Alleen bij gebruik van de linker richtingaanwijzers bij een auto met het stuur links of de rechter richtingaanwijzers bij een auto met het stuur rechts.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Groter snelheidsinterval
N.B.
N.B.
Om de adaptieve cruisecontrol te kunnen
activeren moet u het bestuurdersportier
hebben gesloten en de veiligheidsgordel
hebben omgedaan.
Met een automatische versnellingsbak kan de
adaptieve cruisecontrol een voorligger volgen
met een snelheid tot 200 km/h 125 mph).
•
Druk op de stuurknop
.
of
•
Trap het gaspedaal in.
>
De adaptieve cruisecontrol zal dan de
voorligger opnieuw volgen.
•
Van doelvoertuig veranderen
U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
Automatische stand-bystand bij
wijziging van doelvoertuig
Om de cruisecontrol te kunnen activeren
bij een snelheid lager dan 30 km/h
(20 mph) mag er binnen redelijke afstand
geen voorligger te bekennen zijn.
•
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een
rijdende voorligger volgt bij snelheden
hoger dan 30 km/h (20 mph), van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de adaptieve
cruisecontrol het stilstaande voertuig
negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden.
Om de Adaptieve cruisecontrole te
kunnen heractiveren moet u eerst de
parkeerrem lossen.
N.B.
Bij korte stops tijdens filerijden of voor verkeerslichten wordt de functie automatisch
hervat, als de stop korter was dan
ca. 3 seconden – duurt het langer voordat
een voorligger weer gaat rijden, dan wordt de
adaptieve cruisecontrol in de stand-bystand
met automatische remfunctie gezet. U dient
deze vervolgens op een van de volgende
manieren opnieuw te activeren:
WAARSCHUWING
De File-assistent kan de auto maximaal
4 minuten stilhouden – daarna wordt de
parkeerrem aangezet, waarna de Adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld.
De adaptieve cruisecontrol wordt uitgeschakeld en stand-by gezet:
Als het actuele doelvoertuig plotseling afslaat,
kan het gebeuren dat een stilstaande voorligger
het nieuwe doelvoertuig wordt.
Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden lager
dan 30 km/h (20 mph), van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig
volgt, zal de adaptieve cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(5 mph) en de adaptieve cruisecontrol niet
kan registreren of het doelobject een stilstaand voertuig is of een ander object,
zoals een verkeersdrempel.
•
wanneer u langzamer rijdt dan 5 km/h
(5 mph) en de voorligger afslaat, zodat de
adaptieve cruisecontrol geen voorligger
meer heeft om te volgen.
Annulering automatisch remmen bij
stilstand
07
In bepaalde situaties annuleert de File-assistent de automatische remfunctie bij stilstand.
Dat betekent dat de remmen worden gelost
en de auto mogelijk gaat rollen – u moet
}}
209
07 Bestuurdersondersteuning
||
daarom ingrijpen en zelf remmen om de auto
stil te houden.
De File-assistent los in de volgende gevallen
de remmen en zet de adaptieve cruisecontrol
stand-by:
•
•
•
•
u bedient het rempedaal
Adaptieve cruisecontrol* - van
cruisecontrol-functie wisselen
Wisselen van ACC naar CC
Op het instrumentenpaneel geeft een symbool aan welke cruisecontrol actief is:
u zet de parkeerrem aan
u zet de keuzehendel in stand P, N of R
u de adaptieve cruisecontrol stand-by
zet.
CC
ACC
Cruise Control
Adaptive Cruise
Control
Automatische activering parkeerrem
In bepaalde situaties zet de File-assistent de
parkeerrem aan om te zorgen dat de auto
blijft stilstaan.
Dit vindt plaats in de volgende gevallen:
07
•
u opent het bestuurdersportier of maakt
de veiligheidsgordel los
•
u haalt het ESC uit de Normal-stand en
zet het in de Sport-stand
•
de File-assistent heeft de auto al meer
dan 4 minuten lang stilgehouden
•
•
de motor wordt afgezet
de remmen zijn oververhit geraakt.
Gerelateerde informatie
210
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
•
Adaptieve cruisecontrol* - werking
(p. 202)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 204)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Cruisecontrol
Adaptieve cruisecontrol
Met een druk op de knop kan het adaptieve
deel (afstandshouder) van de cruisecontrol
worden gedeactiveerd, waarna de auto alleen
de ingestelde/opgeslagen snelheid aanhoudt.
•
Druk lang op de stuurtoets
– het symop het instrumentenpaneel verbool
.
andert in
>
Daarmee is de standaardcruisecontrol
(p. 198) CC (Cruise Control) geactiveerd.
WAARSCHUWING
Na een wisseling van ACC naar CC remt
de auto niet langer automatisch - deze
volgt alleen de ingestelde snelheid.
Wisselen van CC naar ACC
Schakel de cruisecontrol uit met 1–2 keer
-knop zoals aangegeven in
drukken op de
de uitschakelingsinstructie (p. 208). De volgende keer dat het systeem wordt ingeschakeld, wordt de adaptieve cruisecontrol geactiveerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
•
Adaptieve cruisecontrol* - werking
(p. 202)
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 204)
07 Bestuurdersondersteuning
Radarsensor
De radarsensor dient om personenauto’s of
grotere voertuigen te registreren die in
dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook
rijden.
De radarsensor wordt gebruikt voor de volgende systemen:
•
•
•
Afstandswaarschuwing*
Adaptieve cruisecontrol*
Collision Warning met Auto-Brake en fietsers- & voetgangersdetectie*
BELANGRIJK
Bij zichtbare schade aan de grille van de
auto of het vermoeden dat de radarsensor
beschadigd is:
•
Neem contact op met een werkplaats
– geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Als de grille, de radarsensor of de console
ervan beschadigd of losgeraakt is, kan de
functie ervan geheel of gedeeltelijk wegvallen of storingen vertonen.
•
•
Collision Warning* (p. 226)
Radarsensor - beperkingen
Afstandswaarschuwing* (p. 216)
Een radarsensor (p. 211) heeft bepaalde
beperkingen die onder meer terug te voeren
zijn op het beperkte blikveld.
De adaptieve cruisecontrol heeft veel meer
moeite om een voorligger te ontdekken, als:
•
als de snelheid van de voorligger veel
afwijkt van die van uw eigen auto
•
als de radarsensor gehinderd wordt door
bijvoorbeeld hevige regenval of als
sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
N.B.
Houd het oppervlak vóór de radarsensor
schoon - zie het gedeelte ‘Onderhoud’
(p. 230).
Blikveld
De radarsensor heeft een beperkt bereik. In
bepaalde gevallen wordt een voertuig niet
ontdekt of later dan verwacht.
07
Bij modificatie van de radarsensor is het
mogelijk dat het gebruik ervan onwettig
wordt.
Gerelateerde informatie
•
•
Radarsensor - beperkingen (p. 211)
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
211
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in
te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand
aanhoudt.
De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in
zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert.
De adaptieve cruisecontrol reageert niet
op voetgangers of dieren noch op kleinere
voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen
e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en
stilstaande voertuigen of vaste obstakels
worden eveneens genegeerd.
De adaptieve cruisecontrol leent zich niet
voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
Neem alle hoofdstukken over de adaptieve
cruisecontrol in de gebruikershandleiding
door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het
systeem te gebruiken.
Gebruik de adaptieve cruisecontrol niet in
stadsverkeer of verkeersdrukte, op kruisingen, bij gladheid, hevige regen- of sneeuwval of slecht zicht en evenmin op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuwmodder, op bochtige wegen of op
op- en afritten.
De bestuurder is er altijd verantwoordelijk
voor dat de juiste afstand en snelheid worden aangehouden, ook bij gebruik van de
adaptieve cruisecontrol.
WAARSCHUWING
Blikveld van de ACC.
07
Soms kan de radarsensor een voertuig op
korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt
tussen u en uw voorligger.
Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen
of voertuigen die niet in het midden van
de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt
blijven.
In bochten kan de radarsensor op het
verkeerde voertuig reageren of een eerder
opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen.
212
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Accessoires of andere voorwerpen, zoals
bijv. verstralers, mogen niet vóór de grille
worden gemonteerd.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
Collision Warning* (p. 226)
Afstandswaarschuwing* (p. 216)
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - storingen
opsporen en verhelpen
Als op het instrumentenpaneel de melding
Radar afgedekt Zie instructieboekje ver-
schijnt, betekent dit dat de radarsensor
(p. 211) van de adaptieve cruisecontrol geen
voorliggers kan ontdekken.
In de volgende tabel staan voorbeelden van
mogelijke oorzaken van het verschijnen van
de melding en passende maatregelen:
Deze melding geeft aan dat de Afstandswaarschuwing (p. 216) of Collision Warning met
Auto Brak (p. 226) evenmin werken.
Oorzaak
Maatregel
Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of
ijs.
Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs.
De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet.
De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en
opdwarrelende sneeuw van het wegdek.
Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of
sneeuw werkt de radar soms niet.
De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak
staan.
Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft dat
de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
Gerelateerde informatie
•
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 204)
•
Adaptieve cruisecontrol* - werking
(p. 202)
•
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en
meldingen (p. 214)
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
213
07 Bestuurdersondersteuning
Adaptieve cruisecontrol* - symbolen
en meldingen
ziet u een paar voorbeelden - volg in die
gevallen het gegeven advies op:
Soms kan de adaptieve cruisecontrol een
symbool en/of een melding weergeven. Hier
Symbool
Melding
Betekenis
Het symbool is GROEN
De auto houdt de opgeslagen snelheid aan.
Het symbool is WIT
De adaptieve cruisecontrol staat stand-by.
De traditionele cruisecontrol is handmatig gekozen.
Stel ESC in op Normaal
voor activering ACC
De adaptieve cruisecontrol is pas te activeren als de Stabiliteitsregeling (p. 188) in de normale stand
is gezet.
Adaptieve cruise control
geannuleerd
De adaptieve cruisecontrol werd gedeactiveerd – u dient zelf uw snelheid aan te passen.
Adaptieve cruise control
control niet beschikbaar
De adaptieve cruisecontrol kan niet worden geactiveerd.
Dit kan onder meer gebeuren in de volgende gevallen:
•
•
de remmen hebben een hoge temperatuur
de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen.
07
214
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Symbool
Melding
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
Betekenis
De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet.
•
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor
afdekken.
U kunt dan overschakelen op (p. 210) de traditionele cruisecontrol (CC) – een displaymelding informeert over passende alternatieven.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 211).
Adaptieve cruise control
Service vereist
De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
Remmen om stil te blijven staan + geluidssignaalA
De auto staat stil en de cruisecontrol lost de rem, zodat de parkeerrem verder kan remmen en de
auto stil kan houden. Door een storing in de parkeerrem zal de auto echter spoedig in beweging
komen.
•
•
Onder 30 km/h Voorligger vereistA
A
Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
U moet zelf remmen. De melding blijft staan en het geluidssignaal klinkt, totdat u het rempedaal
of gaspedaal bedient.
Verschijnt wanneer u de adaptieve cruisecontrol probeert te activeren bij een snelheid lager dan
30 km/h (20 mph) en er geen voorligger binnen de activeringsafstand te bekennen is.
Alleen auto met File-assistent.
Gerelateerde informatie
•
•
Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 201)
•
Adaptieve cruisecontrol* - werking
(p. 202)
07
Adaptieve cruisecontrol* - overzicht
(p. 204)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
215
07 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing*
De afstandswaarschuwing (Distance Alert)
waarschuwt u, als het tijdsverschil ten
opzichte van de voorligger te klein wordt.
Distance Alert is actief bij snelheden hoger
dan 30 km/h (20 mph) en reageert uitsluitend
op voorliggers. Voor voertuigen die langzaam
in tegengestelde richting rijden of stilstaan
wordt geen afstandsinformatie gegeven.
N.B.
De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol
actief is.
console – in dat geval is het systeem te
bedienen via het menusysteem MY CAR
(p. 113) van de auto - ga vandaar naar de
functie Afstandswaarschuwing.
Tijdsverschil instellen
WAARSCHUWING
Distance Alert reageert alleen, als de
afstand tot voorliggers korter is dan de
ingestelde waarde – de rijsnelheid wordt
niet aangepast.
Bediening
Bedieningselementen en symbool voor tijdsverschil.
Tijdsverschil – Verlengen/verkorten.
Tijdsverschil - Aan.
Oranje waarschuwingssymbool13.
07
Er brandt continu een oranje waarschuwingssymbool op de voorruit, als de afstand tot de
voorligger gelijk is aan het ingestelde tijdsverschil.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Het brandende
lampje in de schakelaar geeft aan dat de
functie geactiveerd is.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de midden-
13
216
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van
voorliggers kiezen en deze
worden op het instrumentenpaneel weergegeven met 1–5
horizontale streepjes – hoe
meer streepjes, hoe langer
het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen
met ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en 5 streepjes met ca. 3 seconden.
Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de
Adaptieve cruisecontrol (p. 202) geactiveerd
is.
N.B.
Hoe hoger de snelheid, hoe langer de
volgafstand in meters voor een bepaalde
volgtijd.
De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt
door de adaptieve cruisecontrol (p. 202).
Houd alleen een volgtijd aan die niet in
strijd is met de geldende verkeersregels.
Gerelateerde informatie
•
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
(p. 217)
•
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen (p. 218)
Afstandswaarschuwing* beperkingen
Dit systeem, dat gebruik maakt van dezelfde
radarsensor als de adaptieve cruisecontrol
(p. 201) en de Collision Warning met Auto
Brake (p. 226) heeft bepaalde beperkingen.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 216)
Afstandswaarschuwing* - symbolen en
meldingen (p. 218)
N.B.
In de felle zon en bij lichtschitteringen of
grote variaties in de lichtsterkte alsook het
gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje soms moeilijk waar te nemen.
In slechte weersomstandigheden en op
slingerende wegen heeft de radarsensor
soms moeite om voorliggers te registreren.
Ook voorliggers met geringe afmetingen
(zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te
ontdekken. Dat kan betekenen dat het
geprojecteerde waarschuwingslampje pas
bij kortere volgtijden oplicht of dat helemaal niet gaat branden.
Op zeer hoge snelheden is het mogelijk
dat het lampje door beperkingen in het
bereik van de sensor op kortere afstand
oplicht.
07
Voor meer informatie over de beperkingen
van de radarsensor, zie Radarsensor - beperkingen (p. 211) en (p. 231).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
07 Bestuurdersondersteuning
Afstandswaarschuwing* - symbolen
en meldingen
duceerde werking op grond van de systeembeperkingen.
Er kunnen symbolen en meldingen op het
instrumentenpaneel verschijnen bij een gere-
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 211).
CWS-systeem Service vereist
A
De afstandswaarschuwing en Collision Warning met Auto Brake werken niet of gedeeltelijk.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandswaarschuwing* (p. 216)
Afstandswaarschuwing* - beperkingen
(p. 217)
07
218
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™
BELANGRIJK
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden en dergelijke, waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan
onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen
leiden.
Onderhoud en vervanging van onderdelen
in City Safety™ mogen uitsluitend door
een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het City Safety™ dat actief is bij een snelheid
tot 50 km/h (30 mph) helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor
een botsing met een voorligger reëel is en u
zelf niet snel genoeg remt en/of uitwijkt.
City Safety™ werkt niet in alle rijsituaties,
verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
City Safety™ reageert niet op voertuigen
die in een andere richting dan de eigen
auto rijden, op kleine voertuigen, op
motorfietsen of op mensen en dieren.
City Safety™ wordt geactiveerd in situaties
waar u eigenlijk al veel eerder had moeten
remmen, zodat de functie niet altijd uitkomst
biedt.
City Safety™ is erop gebouwd om zo laat
mogelijk geactiveerd te worden om onnodige
ingrepen te voorkomen.
City Safety™ kan botsingen voorkomen bij
een snelheidsverschil lager dan 15 km/h
(9 mph) - bij een groter snelheidsverschil
kan de impactsnelheid alleen worden gereduceerd. Voor maximale remwerking moet
u zelf het rempedaal intrappen.
Gebruik City Safety™ niet om uw rijgedrag
aan te passen – als u er blind op vertrouwt
dat City Safety™ remt, raakt u vroeg of laat
betrokken bij een botsing.
Wacht nooit af totdat City Safety™ ingrijpt.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de juiste afstand en snelheid aanhoudt.
U en eventuele passagiers zullen normaal
alleen merken dat City Safety™ actief is,
wanneer een botsing dreigt.
Bij auto's met Collision Warning met Auto
Brake (p. 226)* vullen de beide systemen elkaar aan.
City Safety™ - werking
City Safety registreert het verkeer vóór de
auto middels een lasersensor boven aan de
voorruit. Wanneer het gevaar voor een aanrijding reëel is, zal City Safety automatisch remmen, wat aandoet als een krachtige remmanoeuvre.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
07
City Safety™ - beperkingen (p. 221)
City Safety™ - werking (p. 219)
City Safety™ - bediening (p. 220)
City Safety™ - lasersensor (p. 223)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 225)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
07 Bestuurdersondersteuning
||
Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de displaymelding dat het systeem actief is/was.
N.B.
Als City Safety™ remt, gaan de remlichten
branden.
City Safety™ - bediening
City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het
verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
Aan en Uit
Gerelateerde informatie
Zend- en ontvangstoog van de
lasersensor14.
Bij een snelheidsverschil van 4–15 km/h
(3–9 mph) ten opzichte van de voorligger kan
City Safety een aanrijding geheel voorkomen.
•
•
•
•
•
City Safety™ - bediening (p. 220)
City Safety™ - lasersensor (p. 223)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 225)
Bij een snelheidsverschil groter dan 15 km/h
(9 mph) tussen de voertuigen kan City Safety
een aanrijding niet geheel op eigen kracht
voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te bedienen. In
dat geval is het ook bij snelheidsverschillen
groter dan 15 km/h (9 mph) mogelijk een aanrijding te voorkomen.
14
220
City Safety™ wordt bij het starten van de
motor automatisch gestart.
City Safety™ (p. 219)
City Safety start een korte, krachtige remmanoeuvre en zorgt er normaliter voor dat u net
achter uw voorligger tot stilstand komt. Voor
veel bestuurders die dit niet gewend zijn is
een dergelijke remmanoeuvre onprettig.
07
N.B.
City Safety™ - beperkingen (p. 221)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Soms is het handig om City Safety™ uit te
kunnen schakelen, bijvoorbeeld wanneer
bebladerde takken langs de motorkap en
voorruit kunnen schampen.
City Safety™ is te bedienen in het menusysteem MY CAR (p. 113) en na een motorstart
is het systeem als volgt uit te schakelen:
•
Ga in MY CAR naar Rijondersteuning
en kies Uit bij City Safety.
De volgende keer dat de motor wordt
gestart is de functie echter weer actief,
ook al stond het systeem uit toen de
motor werd afgezet.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
De lasersensor geeft ook laserlicht af,
wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ - werking (p. 219)
•
MY CAR (p. 113)
City Safety™ (p. 219)
City Safety™ - beperkingen (p. 221)
City Safety™ - lasersensor (p. 223)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 225)
City Safety™ - beperkingen
De City Safety-sensor is erop gebouwd om
auto's en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als 's nachts.
Er gelden echter bepaalde beperkingen voor
het systeem.
Door de beperkingen van de sensor werkt
City Safety minder goed – of helemaal niet –
bij hevige sneeuw- of regenval, in dichte mist
of in dikke stofwolken of stuifsneeuw. Ook
condens, vuil, sneeuw en ijs op de voorruit
kunnen voor storingen in de werking zorgen.
Hangende voorwerpen zoals vlaggen/
wimpels die uitstekende lading markeren of
accessoires zoals verstralers en frontbars die
boven de motorkap uitsteken zorgen voor
functiebeperkingen.
Het laserlicht van de sensor in City Safety
meet hoe het licht reflecteert. De sensor kan
geen obstakels met een gering reflecterend
vermogen waarnemen. De achterkant van
voertuigen weerkaatst veelal voldoende licht
dankzij de kentekenplaat en de achterlichtreflectoren.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
City Safety minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het ABS15 en ESC16 voor het maximale
15
16
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteitsregeling.
remvermogen zorgen met behoud van de stabiliteit.
Wanneer u achteruitrijdt, is City Safety tijdelijk
gedeactiveerd.
City Safety wordt niet geactiveerd op lage
snelheden (onder 4 km/h (3 mph)), wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties
waarbij u een voorligger uiterst langzaam
nadert zoals tijdens het parkeren.
De commando's die u zelf geeft hebben altijd
voorrang, wat betekent dat City Safety niet
ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando's geeft via stuurwiel of gaspedaal,
zelfs al is een aanrijding onvermijdelijk.
Nadat City Safety een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer City
Safety de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet
te bedienen.
07
}}
221
07 Bestuurdersondersteuning
||
N.B.
•
Houd de voorruit in het gebied vóór de
lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de
sensorpositie (p. 219)).
•
Plak of bevestig geen zaken op de
voorruit vóór de lasersensor.
•
Haal sneeuw en ijs van de motorkap –
de laag sneeuw en ijs mag niet dikker
zijn dan 5 cm.
Oorzaak
BELANGRIJK
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de lasersensor is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
lasersensor van vuil,
sneeuw en ijs.
Het zicht van de
lasersensor is
geblokkeerd.
Verwijder het voorwerp dat het zicht
blokkeert.
Als het voorruitoppervlak vóór een van
beide ‘ogen’ barsten, krassen of steenslag
vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter),
neem dan contact op met een erkende
werkplaats om de voorruit te laten vervangen (zie de afbeelding met de sensorpositie (p. 219)) – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Als u niets doet, presteert City Safety™
mogelijk minder goed.
Om te voorkomen dat City Safety™ helemaal niet, onjuist of in beperkte mate
werkt, geldt tevens het volgende:
Storingen opsporen en verhelpen
Als de melding Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek op het instrumentenpaneel verschijnt, worden de lasersensoren
gehinderd zodat ze geen voertuigen vóór de
auto kunnen registreren. Dit betekent op zijn
beurt dat City Safety niet werkt.
De melding Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek verschijnt echter niet in alle
situaties waarbij de lasersensor gehinderd
worden – let er daarom op dat u de voorruit
en in het bijzonder het gebied vóór de lasersensor zorgvuldig schoonhoudt.
07
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
suggesties voor passende maatregelen.
Volvo adviseert u scheurtjes, krassen
of sterren in het gebied vóór de lasersensor niet te repareren, maar de complete voorruit te vervangen.
•
Voordat de voorruit wordt vervangen,
moet u contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats om te controleren of de juiste voorruit wordt
besteld en gemonteerd.
•
monteer bij vervanging van de ruitenwissers hetzelfde type of een ander
type, door Volvo goedgekeurde ruitenwissers.
Gerelateerde informatie
•
•
•
222
•
City Safety™ (p. 219)
City Safety™ - werking (p. 219)
City Safety™ - bediening (p. 220)
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™ - lasersensor
Het City Safety™-systeem maakt gebruik van
een sensor die laserlicht uitzendt (zie afbeelding (p. 219) voor de locatie van de sensor).
Neem contact op met een gekwalificeerde
werkplaats als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Het is daarom essentieel dat u de aangegeven
instructies opvolgt bij het hanteren van de
lasersensor.
De volgende twee stickers gelden voor de
lasersensor:
Op de onderste sticker staan de fysische
eigenschappen van het laserlicht:
•
IEC 60825-1:1993 + A2:2001. Voldoet
aan de normen van de FDA (Amerikaanse
keuringsdienst van waren) betreffende de
uitvoering van laserproducten met uitzondering van de afwijkingen conform ‘Laser
Notice No. 50’, d.d. 26 juli 2001.
De fysische gegevens staan nader omschreven in de volgende tabel.
Maximale pulsenergie
2,64 µJ
Maximaal gem. vermogen
45 mW
Divergentie (horizontaal × verticaal)
•
Laserstraling - Niet rechtstreeks in de
straal kijken met optische instrumenten Klasse 1M laserproduct.
•
Kijk nooit van een afstand van 100 mm
of minder in de lasersensor (waaruit
uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met vergrotende optiek
zoals een vergrootglas, microscoop,
objectief of soortgelijke optische
instrumenten.
•
Laat tests, reparaties, demontage,
afstelling en/of vervanging van de
lasersensor of delen ervan alleen uitvoeren door een erkende werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
•
Stel de lasersensor niet bij en voer
geen onderhoud uit dat niet uitdrukkelijk in deze handleiding staat aangegeven om blootstelling aan schadelijke
straling tegen te gaan.
•
De reparateur dient de speciaal opgestelde werkplaatsinformatie voor de
lasersensor te volgen.
•
Demonteer de lasersensor niet (en verwijder de lenzen evenmin). Een gedemonteerde lasersensor is een laserproduct klasse 3B volgens de IEC-norm
60825-1. Een laserproduct klasse 3B
is niet veilig voor de ogen en houdt
dan ook een gevaar voor oogletsel in.
Stralingsgegevens voor lasersensor
Pulsduur
Op de bovenste sticker in de afbeelding staat
de classificatie van het laserlicht:
WAARSCHUWING
Als u de instructies in deze handleiding
niet opvolgt, bestaat er gevaar voor oogletsel!
33 ns
28° × 12°
07
}}
223
07 Bestuurdersondersteuning
||
•
Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit
demonteert.
•
Zorg dat de lasersensor op de voorruit
gemonteerd is alvorens de connector
aan te sluiten.
•
De lasersensor zendt laserlicht uit
wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 80) staat, ook al is de
motor afgezet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
07
224
City Safety™ (p. 219)
City Safety™ - beperkingen (p. 221)
City Safety™ - werking (p. 219)
City Safety™ - bediening (p. 220)
City Safety™ - symbolen en meldingen
(p. 225)
07 Bestuurdersondersteuning
City Safety™ - symbolen en
meldingen
Terwijl City Safety™ (p. 219) automatisch
remt, kunnen een of meer symbolen op het
Symbool
instrumentenpaneel gaan branden in combinatie met een tekstmelding. Meldingen kunt u
van het display halen door de OK-knop op de
richtingaanwijzerhendel kort in te drukken.
Melding
Betekenis/Maatregel
Automatisch remmen door
City Safety
City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt.
•
Verwijder het voorwerp dat de sensor hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de lasersensor (p. 221).
City Safety Service vereist
City Safety™ is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
City Safety™ (p. 219)
City Safety™ - beperkingen (p. 221)
City Safety™ - werking (p. 219)
City Safety™ - bediening (p. 220)
City Safety™ - lasersensor (p. 223)
07
225
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning*
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsersen voetgangersdetectie’ is een hulpmiddel dat
bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer
het gevaar bestaat dat u op een voetganger of
achter op een (stilstaande of rijdende) fietser
of voorligger botst.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangersdetectie’ wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen, zodat het systeem
niet altijd uitkomst biedt.
Brake en fietsers- en voetgangersdetectie’ in
twee uitvoeringen voorkomen:
•
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 233)
Uitvoering 1
•
Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 235)
U wordt alleen met visuele en akoestische
signalen gewaarschuwd17 voor obstakels – er
wordt niet automatisch geremd, u moet zelf
remmen.
Uitvoering 2
U wordt met visuele en akoestische signalen
gewaarschuwd voor obstakels – de auto remt
automatisch als u niet zelf binnen een redelijke tijd reageert.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangersdetectie’ is erop
gebouwd om zo laat mogelijk geactiveerd te
worden om onnodige ingrepen te voorkomen.
BELANGRIJK
Onderhoud aan de componenten van ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsersen voetgangsdetectie’ mag uitsluitend
worden uitgevoerd in een werkplaats –
geadviseerd wordt een door Volvo erkende
werkplaats.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangersdetectie’ kan een aanrijding voorkomen of de impactsnelheid verlagen.
07
Gebruik ‘Collision Warning met Auto Brake en
fietsers- en voetgangersdetectie’ niet om uw
rijgedrag aan te passen – als u er blind op
vertrouwt dat Collision Warning met Auto
Brake remt, raakt u vroeg of laat betrokken bij
een aanrijding.
Twee systeemuitvoeringen
Afhankelijk van het uitrustingsniveau van de
auto kan de ‘Collision Warning met Auto
17
226
Geen waarschuwing voor fietsers bij ‘Uitvoering 1’.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Collision Warning* - werking (p. 227)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 229)
•
Collision Warning* - detectie van fietsers
(p. 228)
•
•
Collision Warning* - bediening (p. 230)
Collision Warning* - beperkingen (p. 232)
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - werking
1 – Collision Warning
Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding.
Collision Warning kan voetgangers, fietsers of
voertuigen voor uw auto registreren die stilstaan of zich in dezelfde richting als u bewegen.
Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger, fietser of voertuig, wordt uw aandacht getrokken met een rood knipperend
waarschuwingssymbool (1) en een akoestisch
signaal.
Functie-overzicht18.
Audiovisueel waarschuwingssignaal wanneer een botsing dreigt.
Radarsensor19
Camerasensor
Collision Warning met Auto Brake vervult drie
functies in de volgende volgorde:
1. Collision Warning
2. Brake Support19
3. Auto Brake19
Collision Warning en City Safety™ (p. 219)
vullen elkaar aan.
18
19
3 - Auto Brake19
Op het laatste moment wordt de automatische remfunctie geactiveerd.
Als u in deze fase nog steeds niet aan een
uitwijkmanoeuvre bent begonnen en het aanrijdingsgevaar urgent is, schakelt de automatische remfunctie in, ongeacht of u remt of
niet. De auto wordt daarbij maximaal afgeremd om de botssnelheid te beperken of
zoveel als nodig is om een aanrijding te voorkomen. Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat
gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig
gewaarschuwd en geremd.
2 - Brake Support19
Als het gevaar voor een aanrijding na de Collision Warning verder is toegenomen, treedt
de Brake Support in werking.
Dit betekent dat het systeem de nodige voorbereidingen treft voor een snelle remmanoeuvre, waarna de remmen licht worden
aangezet. Dit is te merken aan een lichte
schok.
Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd.
07
Brake Support helpt u eveneens bij het remmen, als het systeem ervan uitgaat dat de
remmanoeuvre alleen niet voldoende is om
een botsing te voorkomen.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
Alleen met een systeem in uitvoering 2.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
227
07 Bestuurdersondersteuning
||
WAARSCHUWING
Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op
naderende tegenliggers of fietsers noch op
dieren.
Collision Warning* - detectie van
fietsers
Er wordt alleen gewaarschuwd, wanneer
het risico van een botsing groot is. In het
onderdeel "Functie" en "Beperkingen"
wordt geïnformeerd over de beperkingen
die u als bestuurder moet kennen, voordat
u de Collision Warning met Auto Brake
gebruikt.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h (50 mph).
In het donker en in tunnels kan niet worden gewaarschuwd noch geremd voor
voetgangers en fietsers – zelfs al brandt de
straatverlichting.
Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als
de camera grote delen van het lichaam van
de fietser of van zijn/haar fiets niet kan waarnemen.
Het systeem ‘ziet’ alleen de achterkant van fietsers die zich in dezelfde richting als uw auto
bewegen.
Auto Brake kan een botsing geheel voorkomen of de botssnelheid verlagen.
Bedien voor een maximale remwerking
altijd het rempedaal – ook al wordt er automatisch geremd.
Wacht nooit een waarschuwingssignaal
van de Collision Warning af. U bent er
altijd verantwoordelijk voor om de juiste
afstand en snelheid aan te houden – ook
bij gebruik van de Collision Warning met
Auto Brake.
07
Gerelateerde informatie
•
228
Collision Warning* (p. 226)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Voor optimale prestaties van het systeem
dient de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van fietsers zo uniform
mogelijke informatie over de lichaams- en
fietscontouren ontvangen – dat houdt in dat
kenmerkende (lichaams-)delen zoals fiets,
hoofd, armen, schouders, benen, borstkas en
buik moeten kunnen worden waargenomen
evenals een bewegingspatroon dat voor fietsers als normaal te beschouwen is.
Optimaal voorbeeld van wat het systeem als een
fietser beschouwt – met duidelijke lichaams- en
fietscontouren, recht van achteren gezien en in
het verlengde van de hartlijn door de auto.
•
Het systeem kan alleen volwassen fietsers ontdekken die op een dames- of
herenfiets zitten.
•
De fiets moet aan de achterkant zijn voorzien van een rode reflector die goed
07 Bestuurdersondersteuning
zichtbaar en goedgekeurd20 is en op minstens 70 cm boven het wegdek zit.
•
•
WAARSCHUWING
Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel.
Het systeem kan fietsers alleen recht van
achteren ontdekken en alleen als deze
zich in dezelfde richting als uw auto
bewegen – niet schuin van achteren of
van opzij.
Fietserdetectie is niet mogelijk:
Fietsers die dicht op de denkbeeldige
snijlijnen door de zijkanten van uw auto
fietsen (links of rechts ervan) worden
mogelijk laat of helemaal niet ontdekt.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan het
systeem fietsers minder goed registreren
– vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
Het systeem is niet in staat fietsers te
registreren bij ritten in het donker of in
tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
•
Voor optimale fietsersdetectie moet het
systeem City Safety™ zijn geactiveerd,
zie City Safety™ (p. 219).
Collision Warning* - detectie van
voetgangers
•
in alle situaties en het systeem heeft
bijvoorbeeld moeite met gedeeltelijk
zichtbare fietsers;
•
bij fietsers in kleding die de lichaamscontouren verhult of fietsers die van de
zijkant komen;
•
bij fietsen waar achterop geen reflector
zit;
•
bij fietsen waarop grote voorwerpen
worden vervoerd.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en voldoende afstand houdt afhankelijk
van de rijsnelheid.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 226)
Ideaalvoorbeelden van wat het systeem als voetgangers met herkenbare lichaamscontouren
beschouwt.
Voor optimale prestaties van het systeem
dient de systeemfunctie die verantwoordelijk
is voor identificatie van voetgangers zo uniform mogelijke informatie over de lichaamscontouren ontvangen – dat houdt in dat kenmerkende lichaamsdelen zoals hoofd, armen,
schouders, benen, borstkas en buik moeten
kunnen worden waargenomen evenals een
bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is.
07
Het systeem kan voetgangers niet ontdekken,
als de camera grote delen van het lichaam
niet kan waarnemen.
20
De reflector moet voldoen aan de aanbevelingen en voorschriften van de verkeersinstantie in het desbetreffende land.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
229
07 Bestuurdersondersteuning
||
•
Een voetganger is alleen te ontdekken
wanneer deze helemaal zichtbaar is en
een lengte heeft van minimaal 80 cm.
•
Bij zonsondergang en -opgang kan de
camerasensor voetgangers minder goed
registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
•
Collision Warning* - bediening
Waarschuwingssignalen Aan en Uit
Na het starten van de motor zijn zowel het
waarschuwingslampje als het geluidssignaal
uit te schakelen:
WAARSCHUWING
•
slechts gedeeltelijk zichtbare voetgangers, voetgangers die gekleed gaan in
kleding die de lichaamscontouren verhult of voetgangers met een lengte tot
korter dan 80 cm;
•
voetgangers die grote voorwerpen
dragen.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en voldoende afstand houdt afhankelijk
van de rijsnelheid.
07
Gerelateerde informatie
•
230
Collision Warning* (p. 226)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Waarschuwingslampje en
geluidssignaal
Wanneer het waarschuwingslampje en het
geluidssignaal zijn ingeschakeld, wordt het
waarschuwingslampje (nr. [1] op de voorgaande afbeelding) bij iedere motorstart
getest door de verschillende lichtpunten korte
tijd te laten branden.
De camerasensor is niet in staat voetgangers te registreren bij ritten in het donker
of in tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangsdetectie’ is een hulpmiddel. Het systeem kan niet altijd alle
voetgangers detecteren en heeft bijvoorbeeld moeite met:
de Collision Warning te verrichten, zie
(p. 113).
1. Akoestisch en visueel waarschuwingssignaal
wanneer een botsing dreigt21.
U kunt aangeven of de geluidssignalen en het
geprojecteerde waarschuwingslampje voor
de Collision Warning moeten zijn in- of uitgeschakeld.
Bij het starten van de motor geldt automatisch de instelling die actief was toen de
motor werd afgezet.
N.B.
De functies Brake Support en Auto Brake
zijn altijd actief – ze kunnen niet uitgeschakeld worden.
Via het menusysteem MY CAR op het display
van de middenconsole zijn instellingen voor
•
Ga naar Botswaarschuwing in
Rijondersteuning in het menusysteem
MY CAR (p. 113) - vink de functie daar
uit.
Geluidssignaal
Na het starten van de motor is het geluidssignaal apart in/uit te schakelen:
•
Ga naar Signaaltoon in
Botswaarschuwing in het menusysteem
MY CAR (p. 113) - kies daar Aan of Uit.
Vervolgens vindt de Collision Warning alleen
met lichtsignalen plaats.
Waarschuwingsafstand instellen
De waarschuwingsafstand is de afstand
waarbij een visueel signaal en een geluidssignaal worden afgegeven.
•
Ga naar Waarschuwingsafstand in
Botswaarschuwing in het menusysteem
07 Bestuurdersondersteuning
MY CAR (p. 113) - kies daar Lang,
Normaal of Kort.
De waarschuwingsafstand is bepalend voor
de gevoeligheid van het systeem. Bij de
waarschuwingsafstand Lang wordt eerder
gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling
Lang, maar als deze instelling te vaak tot
waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u
overgaan op de waarschuwingsafstand
Normaal.
Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij
dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort.
N.B.
Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol
worden het waarschuwingslampje en de
waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision
Warning gedeactiveerd.
De Collision Warning waarschuwt u bij
gevaar voor een botsing, maar het systeem is niet in staat de reactietijd te verkorten.
N.B.
Ook als u de waarschuwingsafstand hebt
ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden
afgegeven. Bijvoorbeeld bij grote snelheidsverschillen of als de voorligger krachtig remt.
WAARSCHUWING
Geen enkel automatisch systeem kan in
alle situaties een 100 % feilloze werking
garanderen. Test Collision Warning met
Auto Brake daarom nooit uit op mensen of
voertuigen - dat kan namelijk tot ernstig
letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke
situaties leiden.
Instellingen controleren
Camera- en radarsensor22.
De sensoren werken alleen naar behoren
wanneer u vuil, ijs en sneeuw verwijdert en ze
regelmatig schoonmaakt met water en autoshampoo.
De actuele instellingen zijn te controleren via
het display van de middenconsole en in het
menusysteem (p. 113) MY CAR.
Voor een optimale werking van de Collision Warning dient u de Afstandswaarschuwing (p. 216) altijd in te stellen op
tijdsverschil 4-5.
21
22
Onderhoud
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 226)
07
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
231
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - beperkingen
Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo
is het systeem pas actief bij snelheden van
zo'n 4 km/h (3 mph) en hoger.
In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook
het gebruik van een zonnebril is het op de
voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje voor de Collision Warning (zie (1) op
de afbeelding (p. 227)) soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u niet recht
vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer
daarom altijd ingeschakeld.
Bij gladheid is de remweg langer waardoor
het systeem minder goed in staat is aanrijdingen te voorkomen. In dergelijke situaties zullen het ABS en de ESC (p. 188) voor het
maximale remvermogen zorgen met behoud
van de stabiliteit.
N.B.
Het visuele waarschuwingssignaal kan
korte tijd buiten werking worden gesteld,
wanneer de temperatuur in het interieur
bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is
opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een
waarschuwingszoemer afgegeven ook al
hebt u deze uitgeschakeld via het menusysteem.
•
Waarschuwingen kunnen eveneens
uitblijven bij een zeer geringe afstand
tot de voorligger of bij relatief grote
stuur- en pedaalbewegingen zoals bij
een zeer actieve rijstijl.
WAARSCHUWING
Als de gecombineerde camera en radarsensor op grond van de verkeerssituatie of
anderszins problemen heeft voetgangers,
voorliggers of fietsers te ontdekken, is het
mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing
geeft en remt.
De sensoren hebben een beperkt bereik
voor voetgangers en fietsers23, zodat het
systeem voor dergelijke weggebruikers
efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h (30 mph).
Voor stilstaande of langzaam rijdende
voorliggers wordt efficiënt gewaarschuwd
en geremd bij rijsnelheden tot 70 km/h
(43 mph).
In het donker of bij slecht zicht wordt
mogelijk niet gewaarschuwd voor langzaam rijdende of stilstaande voorliggers.
Er wordt niet gewaarschuwd noch geremd
voor voetgangers en fietsers bij een rijsnelheid hoger dan 80 km/h (50 mph).
De Collision Warning maakt gebruik van
dezelfde radarsensor als die van de adaptieve
cruisecontrol (p. 201). Lees meer over de
beperkingen van de radarsensor (p. 211).
07
Als u vindt dat er te vaak wordt gewaarschuwd en de signalen als storend ervaart,
kunt u de waarschuwingsafstand verkleinen
23
232
Voor fietsers wordt mogelijk zeer laat gewaarschuwd en geremd of gelijktijdig gewaarschuwd en geremd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
(p. 230). Het systeem waarschuwt dan minder
snel en minder vaak.
Collision Warning* - beperkingen van
de camerasensor
Met geactiveerde achteruitversnelling is de
Collision Warning met Auto Brake tijdelijk
gedeactiveerd.
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen,
wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Collision Warning met Auto Brake wordt niet
geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h
(3 mph)), wat betekent dat het systeem niet
ingrijpt in situaties waarbij u een voorligger
uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren.
Het systeem maakt gebruik van de camerasensor van de auto, die bepaalde beperkingen
heeft.
In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
De camerasensor van de auto wordt naast de
Collision Warning met Auto Brake ook
gebruikt door de functies:
Nadat Auto Brake een aanrijding met een stilstaand obstakel heeft voorkomen, blijft de
auto maximaal 1,5 seconde stilstaan. Als de
auto wordt afgeremd wegens een rijdende
voorligger, wordt de snelheid begrensd tot
dezelfde snelheid als die van de voorligger.
•
•
•
•
Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto
Brake de auto tot stilstand heeft gebracht,
tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet
te bedienen.
Gerelateerde informatie
•
Collision Warning* (p. 226)
Automatisch groot licht (p. 92)
Verkeersbordinformatie (p. 192)
Driver Alert Control - DAC (p. 237)
Rijbaanassistent (p. 240)
N.B.
Houd de voorruit in het gebied vóór de
camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil.
Plak of monteer niets op de voorruit vóór
de camerasensor, aangezien één of meer
camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken.
regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die
gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd
worden.
Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek,
besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen
kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera
gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek
af te tasten en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken.
Het blikveld van de camerasensor is beperkt,
zodat voetgangers, fietsers en voertuigen in
bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht.
Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera
de eerste ca. 15 minuten na het starten van
de motor niet om de camerafunctie te ontzien.
Storingen opsporen en verhelpen
Als op het display de melding
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek staat, betekent dit dat de
camerasensor afgedekt is en geen voetgangers, fietsers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken.
De camerasensor kent ongeveer dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt
in dat de sensor minder goed ‘ziet’ bij hevige
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
233
07 Bestuurdersondersteuning
||
Dit betekent tevens dat, naast Collision Warning met automatisch remmen, de volgende
functies evenmin volledig werken:
•
•
•
•
Automatisch groot licht
Driver Alert Control
Rijbaanassistent
Verkeersbordinformatie
In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en
passende maatregelen.
Oorzaak
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is vuil of
bedekt met sneeuw
of ijs.
Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de
camera van vuil,
sneeuw en ijs.
Bij dichte mist en
hevige regen- of
sneeuwval heeft de
camera een minder
goed zicht.
Valt niets aan te
doen. Bij hevige
neerslag werkt de
camera soms niet.
Maatregel
Het voorruitoppervlak vóór de
camera is schoongemaakt, maar de
melding blijft.
Wacht even. Het kan
enige minuten duren
voordat de camera
het zicht opnieuw
heeft gemeten.
Er is vuil tussen de
binnenkant van de
voorruit en de
camera gekomen.
Bezoek een werkplaats om de binnenkant van de
voorruit achter de
camerabehuizing te
laten schoonmaken
– geadviseerd wordt
een erkende Volvowerkplaats.
Gerelateerde informatie
•
07
234
Oorzaak
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Collision Warning* (p. 226)
07 Bestuurdersondersteuning
Collision Warning* - symbolen en
meldingen
‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmid-
SymboolA
del dat bedoeld is om u te waarschuwen,
wanneer het gevaar bestaat dat u op een
voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
Melding
Betekenis
Collision warning system UIT
Collision Warning is uitgeschakeld.
Verschijnt bij het starten van de motor.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
CWS-systeem niet
beschikbaar
Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren.
Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren.
De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt.
Remassistent geactiveerd
De Auto Brake was actief.
Voorruitsensoren
afgedekt Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
De melding verdwijnt na bediening van de toets OK.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 233).
07
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
235
07 Bestuurdersondersteuning
||
SymboolA
Melding
Betekenis
Radar afgedekt Zie
instructieboekje
Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet.
De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd
door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 211).
CWS-systeem Service
vereist
A
Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
•
Collision Warning* (p. 226)
Collision Warning* - werking (p. 227)
Collision Warning* - detectie van voetgangers (p. 229)
Collision Warning* - detectie van fietsers
(p. 228)
Collision Warning* - bediening (p. 230)
Collision Warning* - beperkingen (p. 232)
Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 233)
07
236
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert System*
Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde
manier wordt bestuurd of op het punt staat de
rijstrookmarkering te overschrijden.
Driver Alert System bestaat uit verschillende
functies die tegelijk of apart in te schakelen
zijn:
•
•
Driver Alert Control - DAC (p. 238).
Rijbaanassistent - LDW (p. 240).
Gerelateerde informatie
•
•
•
Driver Alert Control (DAC)* (p. 237)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 240)
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 244)
Driver Alert Control (DAC)*
Het DAC-systeem is bedoeld om uw aandacht te trekken, wanneer u de auto op een
ongecontroleerde manier bestuurt (omdat u
bijvoorbeeld afgeleid wordt of bijna in slaap
valt).
DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in
het rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie
op de grotere wegen. De functie is niet
bedoeld voor gebruik in het stadsverkeer.
of
•
Rijbaanassistent - LKA (p. 244)
Een ingeschakelde functie wordt pas daadwerkelijk geactiveerd bij snelheden hoger dan
65 km/h (40 mph). Bij lagere snelheden staat
de functie stand-by.
De functie wordt weer uitgeschakeld, zodra
de snelheid onder de 60 km/h (37 mph) daalt.
Beide functies maken gebruik van een
camera die alleen rijstroken met aan weerszijden geschilderde zijmarkeringen kan onderscheiden.
WAARSCHUWING
Het Driver Alert System werkt niet in alle
situaties, maar is uitsluitend bedoeld als
een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Een camera tast de geschilderde rijstrookmarkeringen af en vergelijkt de wegrichting
met uw stuurbewegingen. U wordt gewaarschuwd wanneer de auto de wegrichting op
een ongecontroleerde manier volgt.
07
Soms treden er ondanks vermoeidheid geen
merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In
dat geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd. Het is daarom van groot belang dat
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
07 Bestuurdersondersteuning
||
u bij opkomende vermoeidheid de auto op
een geschikte plek parkeert om een pauze in
te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel
of niet heeft gewaarschuwd.
N.B.
De functie mag niet worden gebruikt om
de rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig
pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
Beperkingen
Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij:
•
•
zijdelingse rukwinden
spoorvorming in het wegdek.
N.B.
De camerasensor heeft zijn beperkingen
(p. 233).
Gerelateerde informatie
07
238
•
•
Driver Alert System* (p. 237)
•
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en
meldingen (p. 239)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
(p. 238)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Driver Alert Control (DAC)* bediening
WAARSCHUWING
Neem een waarschuwing altijd serieus,
omdat u bij slaperigheid uw lichamelijke
conditie vaak minder goed kunt inschatten.
Via het menusysteem op het display van de
middenconsole zijn instellingen te verrichten.
Aan/Uit
Het Driver Alert is stand-by te zetten via het
menusysteem MY CAR (p. 113):
Breng bij een waarschuwing of een gevoel
van vermoeidheid de auto zo spoedig
mogelijk tot stilstand om rust te houden.
•
•
Studies hebben aangetoond dat rijden bij
vermoeidheid even gevaarlijk is in het verkeer als rijden onder invloed.
Vakje aangevinkt – systeem geactiveerd.
Vakje uitgevinkt – systeem gedeactiveerd.
Functie
Driver Alert wordt geactiveerd bij een snelheid
hoger dan 65 km/h (40 mph) en blijft actief
zolang de snelheid boven 60 km/h (37 mph)
ligt.
Als de auto slingert, wordt u
gewaarschuwd met een geluidssignaal en de displaymelding Driver
Alert Tijd voor pauze – tegelijkertijd gaat het bijbehorende symbool op het
instrumentenpaneel branden. Als u uw rijgedrag niet corrigeert wordt enige tijd later
opnieuw gewaarschuwd.
U kunt het waarschuwingssymbool ook deactiveren:
•
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
Gerelateerde informatie
•
•
Driver Alert System* (p. 237)
Driver Alert Control (DAC)* (p. 237)
07 Bestuurdersondersteuning
Driver Alert Control (DAC)* - symbolen
en meldingen
mentenpaneel of op het beeldscherm van de
middenconsole laten verschijnen.
Het DAC (p. 237) kan in uiteenlopende situaties symbolen en meldingen op het instru-
Hier volgen enkele voorbeelden:
SymboolA
Melding
Betekenis
Driver Alert Tijd voor pauze
De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een
displaymelding.
Voorruitsensoren afgedekt
Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 233).
Driver Alert-systeem Service
vereist
A
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Driver Alert System* (p. 237)
07
Driver Alert Control (DAC)* (p. 237)
Driver Alert Control (DAC)* - bediening
(p. 238)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LDW)*
Werkingsprincipe van LDW
De rijbaanassistent (Lane Departure Warning)
dient voor gebruik op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke en beperkt het risico dat u in
bepaalde situaties onbedoeld de eigen rijbaan
verlaat.
Als de auto een van de zijlijnen overschrijdt,
wordt de bestuurder gewaarschuwd met een
geluidssignaal of met stuurtrillingen. De stuurtrillingen variëren - hoe langer de auto de zijlijn overschrijdt, hoe langer de trillingen
duren.
Rijbaanassistent LDW of LKA
N.B.
De rijbaanassistent is leverbaar in twee versies:
•
LDW - Lane Departure Warning - waarschuwt u met geluid of met stuurtrillingen.
•
LKA - Rijbaanassistentie
(Lane Keeping Aid) - stuurt de auto terug
in de rijbaan en/of waarschuwt u met
geluid of met stuurtrillingen.
De auto is uitgerust met een van beide systemen – het hangt van de markt en het motoralternatief af met welk systeem uw auto uitgerust is.
Iedere keer dat de wielen een markering
passeren wordt u slechts eenmaal gewaarschuwd. U wordt dan ook niet meer
gewaarschuwd, wanneer u met één wiel
aan weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
(De afbeelding is schematisch – niet modelspecifiek.)
Een camera tast de zijlijnen van de weg/
rijbaan af.
WAARSCHUWING
De Rijbaanassistent is slechts een hulpmiddel voor de bestuurder en werkt niet in
alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en dat u zich aan de geldende wetgeving
en verkeersregels houdt.
Bij twijfel of de auto LDW of LKA heeft:
•
07
Open het menusysteem MY CAR en ga
naar Rijondersteuning - daar staat Lane
Departure Warning als de auto LDW
heeft of Rijbaanassistentie voor LKA.
Gerelateerde informatie
Waarschuwing met stuurtrillingen24.
24
240
De afbeelding toont 3 trillingen bij het passeren van de zijlijn.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 241)
•
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen
(p. 242)
Rijbaanassistent (LDW) - bediening
(p. 242)
07 Bestuurdersondersteuning
•
•
•
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen (p. 243)
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 244)
Driver Alert System* (p. 237)
Rijbaanassistent (LDW) - functie
Het is mogelijk bepaalde instellingen te verrichten voor de Rijbaanassistent(Lane
Departure Warning).
functiestatus bij het afzetten van de
motor bepalend.
• Hogere gevoeligheid – Verhoogde
gevoeligheid, zodat er eerder wordt
gewaarschuwd en minder beperkingen
gelden.
Aan & Uit
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 240)
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 244)
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Bij een ingeschakelde functie brandt het lampje in de knop.
De functie wordt in verschillende situaties
gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel.
Persoonlijke instellingen
07
Via het menusysteem MY CAR op het display
van de middenconsole zijn instellingen te verrichten. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 113).
Kies uit de opties:
• Aan bij starten - De functie staat bij
iedere motorstart stand-by. Anders is de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LDW) - bediening
De rijbaanassistent (Lane Departure Warning)
wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen
op het instrumentenpaneel. Hier volgen
enkele voorbeelden:
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 240)
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 244)
Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen
De camerasensor van de Rijbaanassistent
(Lane Departure Warning) heeft beperkingen,
net als het menselijk oog.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 233).
N.B.
In de volgende situaties waarschuwt het
LDW echter niet:
•
•
•
•
•
Zijlijnen van LDW-systeem.
07
242
•
Het LDW-symbool heeft WITTE zijlijnen –
het systeem is actief en detecteert/"ziet"
één zijlijn of beide zijlijnen.
•
Het LDW-symbool heeft GRIJZE zijlijnen –
het systeem is actief, maar detecteert de
linker noch de rechter zijlijn.
of
•
Het LDW-symbool heeft GRIJZE zijlijnen –
het systeem staat stand-by, omdat de
snelheid lager is dan 65 km/h (40 mph).
•
Het LDW-symbool heeft geen zijlijnen –
het systeem is uitgeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij gebruik van de richtingaanwijzers
Bij bediening van het rempedaal25
Bij snelle bediening van het gaspedaal25
Bij snelle stuurbewegingen25
Bij dusdanig scherpe bochten dat de
auto overhelt.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 240)
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 244)
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en
meldingen
In situaties waar de Rijbaanassistent niet
wordt geactiveerd kan er een symbool op het
Symbool
instrumentenpaneel verschijnen in combinatie
met een verklarende melding – volg in dat
geval het gegeven advies op.
Melding
Betekenis
Lane Departure Warning AAN/
Lane Departure Warning UIT
De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld.
Voorbeelden van meldingen:
Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
De melding verdwijnt automatisch na ca. 5 seconden.
Voorruitsensoren afgedekt Zie
instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Reinig het voorruitoppervlak vóór de camerasensor.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 233).
Driver Alert-systeem Service
vereist
Het systeem is defect.
•
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 240)
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 244)
07
25
Wanneer u voor ‘Hogere gevoeligheid’ hebt gekozen, wordt er echter wel gewaarschuwd, zie Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 241).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
243
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LKA)*
Werkingsprincipe van LKA
WAARSCHUWING
De rijbaanassistent dient voor gebruik op
snelwegen, hoofdwegen en dergelijke en
beperkt het risico dat u in bepaalde situaties
onbedoeld de eigen rijbaan verlaat.
De Rijbaanassistent is slechts een hulpmiddel voor de bestuurder en werkt niet in
alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
U bent er altijd zelf verantwoordelijk voor
dat u de auto op de juiste wijze bestuurt
en dat u zich aan de geldende wetgeving
en verkeersregels houdt.
Rijbaanassistent LDW of LKA
De rijbaanassistent is leverbaar in twee versies:
•
LDW - Lane Departure Warning - waarschuwt u met geluid of met stuurtrillingen.
•
LKA - Rijbaanassistentie
(Lane Keeping Aid) - stuurt de auto terug
in de rijbaan en/of waarschuwt u met
geluid of met stuurtrillingen.
De auto is uitgerust met een van beide systemen – het hangt van de markt en het motoralternatief af met welk systeem uw auto uitgerust is.
Bij twijfel of de auto LDW of LKA heeft:
•
Open het menusysteem MY CAR en ga
naar Rijondersteuning - daar staat Lane
Departure Warning als de auto LDW
heeft of Rijbaanassistentie voor LKA.
07
244
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LKA) - werking (p. 245)
Een camera tast de zijlijnen van de weg/
rijbaan af.
•
Rijbaanassistent (LKA) - beperkingen
(p. 247)
Als de auto een zijlijn dreigt te overschrijden,
wordt de Rijbaanassistent actief en stuurt de
auto met een geringe stuurbeweging terug de
rijbaan in.
•
Rijbaanassistent (LKA) - symbolen en
meldingen (p. 248)
•
•
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 240)
(De afbeelding is schematisch – niet modelspecifiek.)
Als de auto op een zijlijn rijdt of deze passeert, waarschuwt de Rijbaanassistent u
bovendien met stuurtrillingen.
Rijbaanassistent (LKA) - bediening
(p. 246)
Driver Alert System* (p. 237)
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LKA) - werking
Het is mogelijk bepaalde instellingen te verrichten voor de rijbaanassistent (Lane Keeping
Aid).
Aan & Uit
De rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h (40–125 mph) op wegen
met goed zichtbare zijlijnen. Op smalle
wegen, als de rijbaan tussen de zijlijnen minder dan 2,6 meter breed is, wordt het systeem tijdelijk uitgeschakeld.
te bedienen via het MY CAR van de auto.
Voor een beschrijving van het menusysteem,
zie MY CAR (p. 113).
In MY CAR kunt u bovendien het volgende
kiezen:
•
Waarschuwing met stuurtrillingen: Alleen
vibratie - Aan of Uit.
•
Actief sturen: Alleen stuurhulp - Aan of
Uit
•
Zowel waarschuwing met stuurtrillingen
als actief sturen: Volledige functie - Aan
of Uit.
Als de auto de linker of rechter zijlijn van de
rijbaan nadert zonder dat u de richtingaanwijzer hebt geactiveerd, wordt de auto bijgestuurd.
Waarschuwen met stuurtrillingen
Actief bijsturen
De rijbaanassistent probeert de auto binnen
de zijlijnen van de rijbaan te houden.
LKA stuurt actief bij en waarschuwt met stuurtrillingen26.
Als de auto een zijlijn passeert, waarschuwt
de rijbaanassistent u met stuurtrillingen27. Dit
gebeurt ongeacht de vraag of de auto wel of
niet actief wordt bijgestuurd via een stuurbeweging.
Met de knop op de middenconsole kunt u de
functie in- en uitschakelen. Bij een ingeschakelde functie brandt het lampje in de knop.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een Aan/Uit-knop op de
middenconsole – in dat geval is het systeem
26
27
07
LKA grijpt in en stuurt weg.
De afbeelding toont 3 trillingen bij het passeren van de zijlijn.
De stuurtrillingen variëren - hoe langer de auto de zijlijn overschrijdt, hoe langer de trillingen duren.
}}
245
07 Bestuurdersondersteuning
||
Dynamisch bochtenwerk
Rijbaanassistent (LKA) - bediening
De rijbaanassistent (Lane Keeping Aid) wordt
in verschillende situaties gecompleteerd met
duidelijke grafische voorstellingen op het
instrumentenpaneel. Hier volgen enkele voorbeelden:
N.B.
Het LKA staat uit zolang u de richtingaanwijzerhendel bedient.
LKA grijpt in aan de rechterkant.
In een scherpe binnenbocht grijpt LKA niet in.
De Rijbaanassistent grijpt in en stuurt van de
zijlijn af – wordt aangeduid met:
In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent
toe dat de zijlijnen worden overschreden zonder in te grijpen met actief bijsturen of een
waarschuwing. Het bij goed zicht benutten
van de aangrenzende rijbaan om bochten af
te snijden is een voorbeeld.
•
Gerelateerde informatie
•
•
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 244)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 240)
LKA ‘ziet’ en volgt de zijlijnen.
Wanneer de Rijbaanassistent actief is en de
zijlijnen detecteert/‘ziet’, heeft het LKA-symbool WITTE lijnen.
07
•
246
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
RODE lijn voor de desbetreffende kant.
GRIJZE zijlijn - de Rijbaanassistent ziet
geen lijn aan deze kant van de auto.
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 244)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 240)
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LKA) - beperkingen
De camerasensor van de Rijbaanassistent
(Lane Keeping Aid) heeft beperkingen, net als
het menselijk oog.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 233) en zie Collision Warning* bediening (p. 230).
gezet. Het systeem is dan uitgeschakeld, totdat u weer begint te sturen.
Gerelateerde informatie
•
•
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 244)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 240)
N.B.
In bepaalde omstandigheden heeft de Rijbaanassistent moeite om u goed te helpen
– geadviseerd wordt om het systeem dan
uit te schakelen.
Voorbeelden van dergelijke omstandigheden zijn:
•
•
•
•
•
wegwerkzaamheden
winterse wegen
slecht wegdek
extreem sportieve rijstijl
slecht weer in combinatie met een
beperkt zicht.
Handen aan het stuur
De Rijbaanassistent werkt alleen, wanneer u
uw handen aan het stuur houdt. LKA controleert dit voortdurend. Als dit niet het geval is,
wordt u met een tekstmelding aangespoord
om de auto actief te sturen.
07
Als u de aansporing om actief te sturen niet
opvolgt, wordt de Rijbaanassistent stand-by
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
247
07 Bestuurdersondersteuning
Rijbaanassistent (LKA) - symbolen en
meldingen
instrumentenpaneel verschijnen in combinatie
met een verklarende melding – volg in dat
geval het gegeven advies op.
In situaties waar de Rijbaanassistent niet
wordt geactiveerd kan er een symbool op het
Symbool
Melding
Betekenis
Voorruitsensoren afgedekt Zie instructieboek
De camerasensor werkt tijdelijk niet.
Voorbeelden van meldingen:
Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
•
Reinig het voorruitoppervlak vóór de camerasensor.
Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van de
camerasensor (p. 233) en Collision Warning* - bediening (p. 230).
Rijbaanassistentie Service vereist
Het systeem is defect.
Rijbaanassistentie onderbroken
LKA is uitgeschakeld en staat stand-by. Wanneer het systeem weer actief is, kunt u dat aan de lijnen van het LKA-symbool zien.
•
Gerelateerde informatie
07
248
•
•
Rijbaanassistent (LKA)* (p. 244)
Rijbaanassistent (LDW)* (p. 240)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
07 Bestuurdersondersteuning
Parkeerhulp*
WAARSCHUWING
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Het parkeerhulpvolume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de
VOL-knop op de middenconsole. Het
geluidsniveau kan ook worden bijgesteld in
het menu voor audio-instellingen dat bereikbaar is met een druk op SOUND of in het
menusysteem (p. 113) MY CAR28 van de
auto.
Parkeerhulp is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Parkeerhulp aan de achterzijde
Parkeerhulp aan de voor- en achterzijde.
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de
auto is geconfigureerd voor een trekhaak,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak
meegerekend bij het meten van de parkeerruimte.
•
Hoewel de Park Assist handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
•
Wanneer er obstakels in de dode hoeken van de sensoren zitten, zal het
systeem ze niet kunnen ontdekken.
•
Houd mensen, dieren e.d. in de buurt
van de auto daarom in de gaten.
Park Assist* - functie
De Park Assist wordt bij het starten van de
motor automatisch geactiveerd – het lampje
in de schakelaar brandt. Wanneer u Park
Assist met deze knop uitschakelt, dooft het
lampje.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Park Assist* - functie (p. 249)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 251)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 251)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 252)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 252)
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
Aan/Uit voor Park Assist en CTA*.
Bij een auto met CTA (p. 265) lichten de controlelampjes voor BLIS (p. 262) eenmaal op,
wanneer u de Park Assist activeert met de
knop.
07
28
Afhankelijk van het audio- en mediasysteem.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
07 Bestuurdersondersteuning
||
geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de
auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
BELANGRIJK
Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen
‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat
geval tijdelijk niet geregistreerd door de
sensoren – het onderbroken geluidssignaal
kan dan plotseling wegvallen in plaats van
over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
Displayweergave - toont linksvoor en rechtsachter een obstakel.
Op het display van de middenconsole verschijnt een schematische weergave van de
onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel.
De sensoren kunnen geen hoge voorwerpen ontdekken, zoals uitstekende laadperrons.
•
De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan
welke van de vier sensoren een obstakel
heeft/hebben waargenomen. De gemarkeerde
sector ligt dichter bij het autosymbool, naarmate de afstand tussen de auto en het waargenomen obstakel kleiner is.
07
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
het audiosysteem beluistert, wordt het
volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de
sensorsector die het dichtst bij de auto ligt
250
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wees in dergelijke gevallen extra voorzichtig en bedien/verrijd de auto erg
langzaam of breek de parkeermanoeuvre af – er bestaat groot gevaar
voor materiële schade aan de auto of
de omgeving, aangezien de sensoren
dan tijdelijk niet optimaal werken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 249)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 251)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 251)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 252)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 252)
•
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
07 Bestuurdersondersteuning
Parkeerhulp* - aan de achterzijde
N.B.
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het achteruitrijden met een aanhanger
achter de auto of een fietsdrager op de
trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist
mogelijk handmatig uitschakelen om te
voorkomen dat de sensoren erop reageren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 249)
Park Assist* - aan de voorzijde
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Bij het starten van de motor wordt Park Assist
automatisch geactiveerd - het lampje in de
Aan/Uit-knop brandt. Wanneer u Park Assist
met deze knop uitschakelt, dooft het lampje.
Park Assist* - functie (p. 249)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 251)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 252)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 252)
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. Bij obstakels achter de auto
komen de geluidssignalen uit een van de luidsprekers achterin.
Parkeerhulp aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto wordt de parkeerhulp automatisch uitgeschakeld – anders reageren de sensoren op de aanhanger.
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. Bij obstakels voor de auto komen de
geluidssignalen uit een van de luidsprekers
voorin.
07
Park Assist aan de voorzijde is actief bij snelheden tot 10 km/h (6 mph). Het lampje in de
knop brandt om aan te geven dat het systeem actief is. Het systeem wordt opnieuw
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
07 Bestuurdersondersteuning
||
geactiveerd bij snelheden lager dan 10 km/h
(6 mph).
N.B.
De parkeerhulp wordt gedeactiveerd wanneer u de parkeerrem aanzet of als u bij
een auto met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zet.
BELANGRIJK
Bij montage van verstralers: Let erop dat
deze de sensoren niet mogen hinderen de verstralers kunnen dan als obstakel
worden gezien.
Park Assist* - storingsindicatie
Park Assist* - sensoren schoonmaken
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens
het parkeren. Geluidssignalen en symbolen
op het display van de middenconsole geven
de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
Als op het instrumentenpaneel het
informatiesymbool continu brandt
en de displaymelding Park Assistsysteem Service vereist verschijnt, dan is
Park Assist defect.
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met
water en autoshampoo.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan het parkeerhulpsysteem ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door
externe geluidsbronnen met ultrasone
geluidssignalen van dezelfde frequentie als
de sensoren van het systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 249)
Park Assist* - functie (p. 249)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 251)
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
onder andere claxons, natte banden op
asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van motorfietsen.
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 252)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 252)
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
Gerelateerde informatie
•
•
07
•
•
•
•
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Parkeerhulp* (p. 249)
Park Assist* - sensoren schoonmaken
(p. 252)
Park Assist* - functie (p. 249)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 251)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 251)
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
Positie van de voorste sensoren.
07 Bestuurdersondersteuning
Parkeerhulpcamera*
Functie en bediening
De parkeerhulpcamera is een ondersteunend
systeem dat geactiveerd wordt bij inschakeling van de achteruitversnelling.
De cameraweergave verschijnt op het display
van de middenconsole.
N.B.
Positie van de achterste sensoren.
Wanneer het elektrische systeem van de
auto is geconfigureerd voor een trekhaak,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak
meegerekend bij het meten van de parkeerruimte.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 249)
WAARSCHUWING
•
De parkeercamera is alleen bedoeld
als hulpmiddel en zodat de bestuurder
eindverantwoordelijk blijft tijdens het
achteruitrijden.
De camera beslaat een breed gebied achter
de auto alsook een deel van de bumper en
een eventuele trekhaak.
•
De camera kent dode hoeken waarin
registratie van obstakels niet mogelijk
is.
•
Houd mensen en dieren in de buurt
van de auto in de gaten.
Park Assist* - functie (p. 249)
Park Assist* - aan de voorzijde (p. 251)
Parkeerhulp* - aan de achterzijde (p. 251)
Park Assist* - storingsindicatie (p. 252)
Camerapositie bij de openingshandgreep.
De camera toont wat er achter de auto is en
of er iets of iemand van de zijkanten opduikt.
Voorwerpen op het display lijken mogelijk
over te hellen – dit is volkomen normaal.
N.B.
Voorwerpen op het beeldscherm kunnen
dichterbij zijn dan ze lijken.
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
07
Als een andere schermweergave actief is,
neemt de parkeercamera het scherm automatisch over om de camerabeelden te tonen.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling wordt met behulp van ononderbroken lij}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
07 Bestuurdersondersteuning
||
nen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe ruimten en
aankoppelen van aanhangers. De contouren
van de auto worden bij benadering getoond
met streepjeslijnen. De hulplijnen zijn te deactiveren - zie paragraaf Instellingen (p. 256).
Als de auto tevens uitgerust is met parkeerhulpsensoren (p. 249)*, illustreren gekleurde
velden op grafische wijze de afstand tot geregistreerde obstakels, zie het kopje "Auto's
met parkeerhulpsensoren achter" verderop.
De camera wordt ca. 5 seconden na uitschakeling van de achteruitversnelling gedeactiveerd, of eerder als de rijsnelheid oploopt tot
boven 10 km/h (6 mph) vooruit of 35 km/h
(22 mph) achteruit.
Lichtomstandigheden
07
De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en
kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden
leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
N.B.
Houd voor optimale werking de cameralens vrij van vuil, sneeuw en ijs. Dit is
vooral van belang in slechte lichtomstandigheden.
254
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Hulplijnen
Voorbeeld van hoe hulplijnen voor u worden
getoond.
De lijnen op het scherm worden geprojecteerd als stonden ze op de grond achter de
auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van
de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het
draaien kunt zien welke baan de auto zal
nemen.
N.B.
•
Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het
scherm de baan van de auto aan –
niet die van de aanhanger/caravan.
•
Er verschijnen geen lijnen op het
scherm, wanneer er een aanhanger/
caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
•
De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een
aanhanger/caravan achter de auto
hebt hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten
is.
BELANGRIJK
Let erop dat op het beeldscherm alleen het
gebied achter de auto wordt weergegeven,
als u voor de achterzichtcamera hebt
gekozen – let in dat geval goed op de zijkanten en voorkant van de auto wanneer u
tijdens het achteruitrijden het stuurwiel
verdraait.
07 Bestuurdersondersteuning
Grenslijnen
Auto's met parkeerhulpsensoren
achter*
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Parkeerhulpcamera - instellingen (p. 256)
Park Assist-camera - beperkingen
(p. 257)
Parkeerhulp* (p. 249)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 257)
De verschillende lijnen van het systeem.
Grenslijn vrije achteruitrijzone
De afstand wordt aangegeven met gekleurde
velden (voor elke sensor één).
"Wielsporen"
Als de auto tevens uitgerust is met parkeerhulp (p. 249) wordt voor iedere sensor die een
obstakel waarneemt de afstand met
gekleurde velden weergegeven.
De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die
tot ca. 1,5 m achter de achterbumper strekt.
Het vormt tegelijkertijd de grens voor de uitstekende delen van de auto, zoals buitenspiegels en hoeken – ook tijdens het maken van
een bocht.
De brede "wielsporen" (2) tussen de zijlijnen
geven aan waar de wielen zich zullen bevinden en kunnen tot ca. 3,2 m achter de achterbumper reiken zolang er geen obstakel in de
weg staat.
De kleur van de velden verandert naarmate
de afstand tot het obstakel afneemt – van
lichtgeel via oranje in rood.
Kleur
Afstand (meter)
Lichtgeel
0,7–1,5
Oranje
0,5–0,7
Oranje
0,3–0,5
Rood
0–0,3
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
07 Bestuurdersondersteuning
Parkeerhulpcamera - instellingen
Uitgeschakelde camera activeren
Als de camera uitgeschakeld is bij het inschakelen van de achteruitversnelling, is de
camera als volgt te activeren:
- op het beeldscherm wordt een menu
geopend met verschillende alternatieven.
2. Scrol naar de gewenste optie met TUNE.
3. Markeer de optie van uw keuze door op
OK/MENU te drukken en verlaat het
menu met EXIT.
Trekhaak
De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan. Op het
display kan een hulplijn verschijnen voor de
geplande "baan" van de trekhaak naar de
aanhanger, net als voor de "wielsporen".
U kunt kiezen uit weergave van de "wielsporen" of de baan van de trekhaak - beide
opties kunnen niet tegelijkertijd worden weergegeven.
•
Druk op CAM - het beeldscherm geeft de
actuele camerabeelden weer.
Instelling wijzigen
De standaardinstelling is dat de camera wordt
geactiveerd bij inschakeling van de achteruitversnelling.
07
U kunt de instellingen van de parkeercamera
wijzigen, wanneer camerabeelden op het
beeldscherm worden weergegeven:
1. Druk op OK/MENU wanneer camerabeelden worden weergegeven
256
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt.
2. Scrol naar de optie Richtlijn traject
trekhaak met TUNE.
3. Markeer de optie van uw keuze door op
OK/MENU te drukken en verlaat het
menu met EXIT.
Zoomen
Voor nauwkeurig manoeuvreren kunt u als
volgt inzoomen op de camerabeelden:
•
Druk op CAM of draai aan TUNE
- bij nogmaals indrukken/draaien springt
u terug naar de normaalweergave.
Eventuele andere opties liggen in een lus
- druk/draai totdat de gewenste camerabeelden verschijnen.
Automatisch inzoomen
Bij een auto met parkeerhulp (p. 249) en een
trekhaak is Automatische zoom ook een
van de opties in het cameramenu. Wanneer u
deze optie markeert, zoomt de camera automatisch in op de trekhaak wanneer de auto
een obstakel/aanhanger nadert.
Zie het kopje "Instelling wijzigen" eerder voor
de wijze waarop u een menu-optie kunt activeren.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
Parkeerhulp* (p. 249)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 257)
07 Bestuurdersondersteuning
Park Assist-camera - beperkingen
N.B.
Fietsdragers of andere accessoires achter
op de auto kunnen het blikveld van de
camera blokkeren.
Waar u op moet letten
Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied
er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan
zijn dat obstakels pas worden geregistreerd
wanneer u er bijna bovenop zit.
•
Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw
en ijs.
•
Maak de cameralens regelmatig schoon
met lauw water en autoshampoo – wees
voorzichtig om geen krassen in de lens te
maken.
Actieve parkeerhulp (PAP)*
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
Parkeerhulpcamera - instellingen (p. 256)
Parkeerhulp* (p. 249)
PAP werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt en het gebied rond de
auto goed in de gaten houdt om naderende of passerende verkeersdeelnemers
tijdig op te merken.
Het instrumentenpaneel geeft met symbolen,
grafische voorstellingen en teksten aan, wanneer u iets moet doen.
Gerelateerde informatie
Gerelateerde informatie
•
•
•
WAARSCHUWING
De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist
Pilot) helpt u bij het parkeren door eerst te
controleren of het vak groot genoeg is en
daarna het stuurwiel te draaien en de auto in
het vak te parkeren.
De Aan/Uit-knop zit op de middenconsole.
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen en
meldingen (p. 262)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
(p. 258)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
(p. 258)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
(p. 260)
•
•
Parkeerhulp* (p. 249)
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
N.B.
Wanneer het elektrische systeem van de
auto is geconfigureerd voor een trekhaak,
wordt de uitsteeklengte van de trekhaak
meegerekend bij het meten van de parkeerruimte.
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
07 Bestuurdersondersteuning
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
N.B.
N.B.
De PAP-functie meet de ruimte en stuurt aan u de taak om:
•
goed op de omgeving rond de auto te
letten
•
de instructies op het bestuurdersdisplay te volgen
•
•
te schakelen (achteruit/vooruit)
•
de snelheid te regelen en daarbij een
veilige snelheid aan te houden
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
PAP is te activeren als na het starten van de
motor aan de volgende criteria is voldaan:
•
07
•
Er mag geen aanhanger aan de auto zijn
gekoppeld.
•
De snelheid moet lager zijn dan 50 km/h
(30 mph).
29
30
258
Het ABS29 of de ESC30 mag niet ingrijpen,
wanneer het PAP-systeem actief is – ze
kunnen bijvoorbeeld worden geactiveerd
op een steile of gladde ondergrond, zie
de paragrafen over Rempedaal en Stabiliteitsregeling (p. 188) voor meer informatie.
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - Stabiliteitsregeling.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Denk eraan dat het stuurwiel in bepaalde
standen de aanwijzingen op het instrumentenpaneel kan verbergen als het tijdens de parkeermanoeuvre wordt verdraaid.
1 – Zoeken en meten
Principe voor PAP.
Het PAP parkeert de auto aan de hand van
de volgende stappen:
1. Het parkeervak wordt gezocht en gemeten – bij het meten mag de snelheid niet
hoger zijn dan 30 km/h (20 mph).
2. De auto wordt achteruit het vak ingestuurd.
3. De auto wordt netjes in het vak geparkeerd door voor- en achteruit te rijden.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 257)
Parkeerhulp* (p. 249)
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
07 Bestuurdersondersteuning
N.B.
N.B.
De PAP-functie meet de ruimte en stuurt aan u de taak om:
•
goed op de omgeving rond de auto te
letten
•
de instructies op het bestuurdersdisplay te volgen
•
•
te schakelen (achteruit/vooruit)
•
de snelheid te regelen en daarbij een
veilige snelheid aan te houden
te remmen en de auto tot stilstand te
brengen.
PAP zoekt een mogelijke parkeerruimte
aan de passagierszijde van de straat, geeft
instructies en stuurt de auto in positie.
Desgewenst kunt u de auto ook aan de
bestuurderszijde van de straat parkeren:
•
Haal de richtingaanwijzerhendel naar
de bestuurderszijde – de auto wordt
vervolgens aan de bestuurderszijde
van de straat geparkeerd.
2 – Achteruit inparkeren
3. Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische voorstellingen
en teksten van u verlangd wordt.
N.B.
•
Houd uw handen weg van het stuurwiel als de PAP-functie is geactiveerd.
•
Let erop dat het stuurwiel niet door
iets wordt gehinderd en vrij kan
draaien.
•
Wacht voor het beste resultaat totdat
het stuurwiel is uitgedraaid, voordat u
achteruit/vooruit rijdt.
3 – Fixeren
Het PAP-systeem zoekt een parkeervak en
meet of dit vak groot genoeg is. Ga als volgt
te werk:
1. Activeer PAP met een druk
op deze knop en rijd niet
sneller dan 30 km/h
(20 mph).
2. Let op het instrumentenpaneel en stop de
auto als dit met grafische voorstellingen
en teksten van u verlangd wordt.
3. Stop de auto als hierom met grafische
voorstellingen en meldingen wordt verzocht.
Bij het achterwaarts inparkeren stuurt PAP de
auto in het parkeervak. Ga als volgt te werk:
1. Controleer of de ruimte achter u vrij is en
schakel de achteruitversnelling in.
2. Rijd langzaam en voorzichtig achteruit en
raak het stuurwiel niet aan – rijd niet sneller dan ca. 7 km/h (4 mph).
07
Als de auto achteruit in het vak is ingeparkeerd, wordt de auto recht gezet en gefixeerd.
}}
259
07 Bestuurdersondersteuning
||
1. Schakel de 1e versnelling in of D, wacht
totdat het stuurwiel is gedraaid en rijd
voorzichtig vooruit.
2. Stop de auto als hierom met grafische
voorstellingen en een melding wordt verzocht.
3. Schakel de achteruitversnelling in en rijd
voorzichtig achteruit tot met grafische
voorstellingen en meldingen wordt verzocht om te stoppen.
Het systeem wordt na afloop van het inparkeren automatisch gedeactiveerd, waarna met
grafische voorstellingen en meldingen wordt
aangegeven dat het inparkeren voltooid is. U
moet mogelijk later corrigeren - alleen u kunt
beoordelen of de auto goed geparkeerd
staat.
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter, wanneer de sensoren worden gebruikt door
PAP dan wanneer Park Assist de sensoren
gebruikt.
07
260
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - symbolen en
meldingen (p. 262)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
(p. 258)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
(p. 260)
•
Parkeerhulp* (p. 249)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 257)
Actieve parkeerhulp (PAP)* beperkingen
De PAP-regeling wordt beëindigd:
07 Bestuurdersondersteuning
•
•
•
als u te snel met de auto rijdt – sneller
dan 7 km/h (4 mph)
als u het stuurwiel aanraakt
bij een ingreep van het ABS31 of ESC32 bijvoorbeeld als een wiel grip verliest op
een gladde ondergrond.
sche functie. Daarom moet u voorbereid zijn
om het parkeren te onderbreken. Er zijn ook
een paar details waar u bij het parkeren op
moet letten, bijvoorbeeld:
•
Een melding informeert waarom de PAPregeling werd beëindigd.
N.B.
Als vuil, ijs en sneeuw de sensoren bedekken, neemt de functie af en kan meten
onmogelijk worden gemaakt.
BELANGRIJK
Onder bepaalde omstandigheden kan PAP
geen parkeerplaatsen vinden - een reden
kan zijn dat de sensoren worden verstoord
door externe geluidsbronnen, die dezelfde
ultrasoonfrequenties afgeven als waar het
systeem mee werkt.
Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn
o.a. claxons, natte banden op asfalt, pneumatische remmen en uitlaatgeluid van
motorfietsen.
Waar u op moet letten
Let erop dat de Actieve parkeerhulp een hulpmiddel is - niet een onfeilbare volautomati31
32
33
•
•
PAP gaat uit van de onderlinge positie
van de geparkeerde voertuigen - als deze
minder goed geparkeerd staan, kunnen
de banden en velgen van uw auto
beschadigd raken bij contact met de
stoeprand.
PAP is bedoeld voor parkeren op rechte
straten - niet met sterke slingeringen of
bochten. Zorg daarom dat de auto evenwijdig staat het parkeervak, wanneer het
PAP de beschikbare ruimte meet.
Parkeervakken in smalle straten kunnen
niet altijd worden aangeboden, aangezien
de benodigde ruimte voor het manoeuvreren onvoldoende is - het kan dan handig zijn om zo dicht mogelijk naar de kant
van de straat te rijden waar het parkeervak zich bevindt.
•
Let erop dat de voorkant van de auto tijdens het parkeren kan uitzwenken naar
het tegemoetkomende verkeer.
•
Voorwerpen boven het detectiegebied
van de sensoren worden niet meegenomen bij het berekenen van de parkeermanoeuvre, waardoor PAP mogelijk te vroeg
het parkeervak indraait. Vermijd daarom
parkeervakken met dergelijke hoge voorwerpen.
•
U moet bepalen of het vak dat PAP voorstelt geschikt is om in te parkeren.
•
Gebruik goedgekeurde banden33 met de
juiste bandenspanning - dit is van invloed
op de parkeermogelijkheden van PAP.
•
Hevige regen of sneeuwval kan ertoe leiden dat het parkeervak niet op een juiste
manier wordt gemeten.
•
Gebruik PAP niet als u sneeuwkettingen
of een reservewiel hebt gemonteerd.
•
Gebruik PAP niet als er lading buiten de
auto steekt.
BELANGRIJK
Als bij montage van een andere goedgekeurde velgmaat de bandenomtrek zich
wijzigt, moet u de parameters van het
PAP-systeem mogelijk bijwerken. Informeer bij een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
(Anti-lock Braking System) - Antiblokkeerremsysteem.
(Electronic Stability Control) - elektronische stabiliteitsregeling.
Met "goedgekeurde banden" wordt bedoeld: banden van hetzelfde type en merk als die bij levering af fabriek origineel waren gemonteerd.
07
}}
261
07 Bestuurdersondersteuning
||
Onderhoud
Actieve parkeerhulp (PAP)* symbolen en meldingen
Het instrumentenpaneel geeft met symbolen,
grafische voorstellingen en teksten aan, wanneer u iets moet doen.
Het instrumentenpaneel kan verschillende
symbool- en tekstcombinaties met uiteenlopende betekenis tonen – soms met een
advies voor een geschikte oplossing.
De PAP-sensoren zijn in de bumpers aangebracht34 - 6 voor en 4 achter.
Om te zorgen dat het PAP-systeem naar
behoren werkt moet u de bijbehorende sensoren regelmatig schoonmaken met water en
een autoshampoo – de Parkeerhulp gebruikt
dezelfde sensoren, zie Park Assist* - sensoren schoonmaken (p. 252).
Gerelateerde informatie
07
•
•
•
34
262
Parkeerhulp* (p. 249)
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 257)
Als een melding aangeeft dat PAP buiten
werking is, wordt geadviseerd contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
(p. 258)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - werking
(p. 258)
•
Actieve parkeerhulp (PAP)* - beperkingen
(p. 260)
•
•
•
Parkeerhulp* (p. 249)
Parkeerhulpcamera* (p. 253)
Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 257)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BLIS*
BLIS (Blind Spot Information) is een functie
om u ondersteuning te bieden bij rijden in
druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen
in dezelfde richting.
BLIS (Blind Spot Information) is een op cameratechniek gebaseerd informatiesysteem dat u
in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting
rijdt.
Het BLIS-systeem is een hulpmiddel om u te
waarschuwen voor:
•
•
voertuigen in de dode hoek
snel inhalende voertuigen in de linker en
rechter rijbaan naast uw auto.
De BLIS-functie CTA (p. 265) (Cross Traffic
Alert) is een hulpmiddel om u te waarschuwen voor:
•
kruisend verkeer als u achteruitrijdt met
de auto.
07 Bestuurdersondersteuning
WAARSCHUWING
N.B.
BLIS is slechts een aanvullend hulpmiddel
en werkt niet in alle situaties.
CTA* (p. 265)
Het lampje gaat branden aan de kant van
de auto waar het systeem het voertuig
heeft ontdekt. Als de auto aan beide kanten tegelijkertijd wordt ingehaald, gaan
beide lampjes branden.
BLIS vormt geen vervanging voor een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
Ook met BLIS moet u altijd oplettend en
verantwoord blijven rijden - u bent er altijd
verantwoordelijk voor dat u op een veilige
manier van rijstrook wisselt.
•
Onderhoud
De sensoren voor het BLIS-systeem zitten
aan de binnenkant van beide hoeken van
achterspatbord/bumper.
Overzicht
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
Positie BLIS-lampje35.
Controlelampje
BLIS-symbool
•
07
Gerelateerde informatie
•
•
35
Voor optimale werking is het belangrijk
dat de oppervlakken vóór de sensoren
worden schoongehouden.
BLIS* - bediening (p. 264)
BLIS - symbolen en meldingen (p. 267)
NB De afbeelding is schematisch – afhankelijk van het model zijn afwijkingen mogelijk.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
07 Bestuurdersondersteuning
BLIS* - bediening
BLIS (Blind Spot Information) is een functie
om u ondersteuning te bieden bij rijden in
druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen
in dezelfde richting.
BLIS activeren/deactiveren
BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer
oplichten.
Bij deactivering/activering van BLIS dooft/
brandt het lampje in de knop en het instrumentenpaneel bevestigt de wijziging met een
displaymelding - bij activering lichten de controlelampjes op de portierpanelen eenmaal
op.
Om de melding te laten verdwijnen:
•
Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
of
•
•
•
u wordt ingehaald
achterliggers naderen snel.
Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of
een snel inhalend voertuig in zone 2 ontdekt,
brandt het BLIS-lampje op het portierpaneel
constant. Als u in deze stand de richtingaanwijzers activeert aan de kant waarvoor de
waarschuwing wordt gegeven, schakelt het
BLIS-lampje over van constant branden op
knipperen met een feller licht.
Wacht ongeveer 5 seconden - de melding
verdwijnt.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
Wanneer BLIS werkt
BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt.
Beperkingen
Knop voor activering/deactivering.
07
Het BLIS is te deactiveren/activeren met een
druk op de BLIS-knop op de middenconsole.
Bij bepaalde combinaties van opties is er
geen plek vrij voor een knop op de middenconsole – in dat geval is het systeem te
bedienen via het menusysteem MY CAR
(p. 113) van de auto.
264
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Principe voor BLIS: 1. Zone in dode hoek. 2.
Zone voor snel inhalende voertuigen.
Het BLIS werkt bij snelheden hoger dan
10 km/h (6 mph).
Het systeem reageert, in de volgende gevallen:
•
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen voor functiebeperkingen zorgen en
waarschuwingen onmogelijk maken. BLIS
kan dergelijke beperkende omstandigheden niet detecteren.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
•
BLIS wordt gedeactiveerd, als u een aanhanger op het elektrische systeem van de
auto aansluit.
07 Bestuurdersondersteuning
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van
de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS* (p. 262)
BLIS - symbolen en meldingen (p. 267)
CTA*
Het BLIS-systeem CTA (Cross Traffic Alert) is
een hulpmiddel om u voor kruisend verkeer te
waarschuwen, als u achteruitrijdt met de auto.
CTA is een aanvulling op BLIS (p. 262).
WAARSCHUWING
CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel
en werkt niet in alle situaties.
CTA activeren/deactiveren
CTA vormt geen vervanging voor een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
CTA wordt geactiveerd bij het starten van de
motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes voor BLIS op de portierpanelen die
één keer oplichten.
Ook met CTA moet u altijd oplettend en
verantwoord blijven rijden - u bent er altijd
verantwoordelijk voor dat u op een veilige
manier achteruitrijdt.
Wanneer CTA werkt
Aan/Uit voor de sensoren voor Parkeerhulp en
CTA.
Het CTA-systeem is apart uit/in te schakelen
met de Aan/Uit-knop voor de Parkeerhulp
(p. 249). De BLIS-lampjes lichten bij heractivering eenmaal op.
Na uitschakeling van het CTA-systeem is het
BLIS-systeem echter nog steeds geactiveerd.
Principe voor CTA.
CTA vormt een aanvulling op het BLIS-systeem door bij achteruitrijden het kruisende
verkeer vanaf de zijkant te kunnen zien, bijvoorbeeld als de auto achteruit een parkeervak verlaat.
07
CTA is bedoeld om in de eerste plaats voertuigen te ontdekken – in gunstige gevallen
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
265
07 Bestuurdersondersteuning
||
kunnen ook kleinere voorwerpen zoals fietsen
en voetgangers worden ontdekt.
Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de
hoek ten opzichte van de auto/het obstakel
die/dat in de weg zit, zodat de dode hoek
snel in grootte afneemt.
CTA is alleen actief tijdens het achteruitrijden
en wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt geactiveerd.
•
Een geluidssignaal waarschuwt als CTA
ontdekt dat iets vanaf de zijkant nadert het geluid komt uit de linker of rechter
luidsprekers, afhankelijk van uit welke
richting het object nadert.
•
CTA waarschuwt ook doordat de BLISlampjes gaan branden.
•
Er wordt ook een waarschuwing gegeven
met een brandend pictogram in de grafische PAS-voorstelling (p. 249) op het
beeldscherm.
Voorbeelden van andere beperkingen:
Uw auto staat ver naar achteren in een parkeervak.
Dode hoek CTA.
Detectiegebied/‘blikveld’ CTA.
Beperkingen
Het CTA werkt niet in alle situaties optimaal,
maar heeft zijn beperkingen – zo kunnen de
CTA-sensoren niet ‘door’ andere geparkeerde
voertuigen of voorwerpen die het zicht blokkeren heen kijken.
07
Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen voor functiebeperkingen zorgen en
waarschuwingen onmogelijk maken. CTA
kan dergelijke beperkende omstandigheden niet detecteren.
•
CTA wordt gedeactiveerd als een aanhanger op het elektrische systeem van de
auto wordt aangesloten.
BELANGRIJK
Reparaties aan de componenten van de
BLIS- en CTA-functies of het spuiten van
de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende
Volvo-werkplaats wordt aanbevolen.
Onderhoud
De sensoren voor de BLIS- en CTA-systemen
zitten aan de binnenkant van beide hoeken
van achterspatbord/bumper.
Hier volgen enkele voorbeelden van situaties
waar het ‘blikveld’ van het CTA aanvankelijk
beperkt is, zodat naderende voertuigen pas
op het laatste moment geregistreerd worden:
In schuine parkeervakken valt de ene kant van de
auto mogelijk helemaal binnen de dode hoek van
het CTA.
266
•
07 Bestuurdersondersteuning
BLIS - symbolen en meldingen
In situaties waarbij het BLIS (Blind Spot
Information) (p. 262) en CTA (Cross Traffic
Alert) (p. 265) uitblijven of worden onderbroken, kan er een symbool op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies
in acht.
Gerelateerde informatie
•
BLIS* (p. 262)
Voorbeelden van meldingen:
Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde.
•
Voor optimale werking is het belangrijk
dat de oppervlakken vóór de sensoren
worden schoongehouden.
•
Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
Gerelateerde informatie
•
•
BLIS* (p. 262)
BLIS - symbolen en meldingen (p. 267)
Melding
Betekenis
CTA UIT
CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
BLIS en
CTA UIT
Aanhanger
aangekoppeld
BLIS en CTA zijn tijdelijk
buiten werking, omdat er
een aanhanger is aangesloten op het elektrische systeem van de auto.
BLIS en
CTA Service vereist
BLIS en CTA zijn buiten
werking.
•
Bezoek een werkplaats
als de melding niet verdwijnt – geadviseerd
wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
07
Meldingen kunt u van het display halen door
de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
07 Bestuurdersondersteuning
Typegoedkeuring - radarsysteem
De typegoedkeuringen voor de radareenheden van de auto staan in de volgende tabel.
Markt
ACCA
Brazilië
✓
Europa
✓
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
Este equipamento opera em caráter secundário, isto é, não tem direito à proteção
contra interferência prejudicial, mesmo de estações do mesmo tipo e não pode
causar interferência a sistemas operando em caráter primário.
✓
Hereby, Delphi Electronics & Safety declares that L2C0038TR / L2C0055TR are in
compliance with the essential requirements and other relevant provisions of
Directive 1999/5/EC.
The Declaration of Conformity may be consulted at Delphi Electronics & Safety /
2151 E. Lincoln Road / Kokomo, Indiana 46902 USA
TRA
✓
REGISTERED No: 0018923/09
DEALER No: DA37380/15
Verenigde Arabische
Emiraten
TRA
✓
07
REGISTERED No: ER37357/15
DEALER No: DA37380/15
Indonesië
268
✓
14785/POSTEL/2010 1982
✓
38806/SDPPI/2015 4927
07 Bestuurdersondersteuning
Markt
ACCA
BLISB
Symbool
Typegoedkeuring
Type Approval No.: TRC/LPD/2009/87
✓
Equipment type: Low Power Device (LPD)
Jordanië
✓
Type Approval No.: TRC/LPD/2015/3
Equipment Type: Low Power Device (LPD)
AGREE PAR L'ANRT MAROC
✓
Numero d'agrement : MR 4838 ANRT 2009
Date d'agrement : 22/05/2009
Marokko
AGREE PAR L’ANRT MAROC
✓
NUMÉRO D’AGRÉMENT: MR 9929 ANRT 2014
DATE D’AGRÉMENT: 26/12/2014
Singapore
✓
✓
TA-2009/163
✓
APPROVED
Zuid-Afrika
✓
✓
Taiwan
A
B
Complies with IDA Standards DA105753
TA-2014/2390
APPROVED
07
CCAB09LP4590T3
✓
CCAB15LP0680T0
ACC = Adaptive Cruise Control
BLIS = Blind Spot Information
}}
269
07 Bestuurdersondersteuning
||
Gerelateerde informatie
•
07
270
Radarsensor (p. 211)
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden
Alcoholslot*
Alcoholslot* - functies
Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u
niet ontslaat van uw verantwoordelijkheden als bestuurder. De bestuurder dient
altijd nuchter te blijven en de auto op een
veilige manier te besturen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alcoholslot* - functies (p. 272)
Mondstuk voor blaastest.
Knop voor het wisselen van bestuurder.
Zendertoets.
Alcoholslot* - opbergen (p. 273)
Voedingslampje.
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 273)
Lampje voor resultaat blaastest.
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 275)
•
Alcoholslot* - displaymeldingen (p. 276)
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
N.B.
Bewaar het alcoholslot in zijn houder. Het
alcoholslot wordt automatisch geactiveerd
bij het ontgrendelen van de auto.
08
272
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Alcoholslot* (p. 272)
Alcoholslot* - opbergen (p. 273)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 273)
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 275)
•
Alcoholslot* - displaymeldingen (p. 276)
08 Starten en rijden
Alcoholslot* - opbergen
Bewaar de blaasunit in zijn houder.
•
Alcoholslot* - displaymeldingen (p. 276)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
Opbergvak van de blaasunit.
•
•
Neem de blaasunit los door de tegen de
bovenrand van de houder en de blaasunit
te duwen. De houder is flexibel zodat de
blaasunit dan loskomt.
Bewaar de blaasunit in de houder, wanneer u de blaasunit niet gebruikt - dat
biedt de beste bescherming. Plaats de
blaasunit terug door deze in de houder te
duwen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Alcoholslot* (p. 272)
Alcoholslot* - functies (p. 272)
Mondstuk voor blaastest.
Knop voor het wisselen van bestuurder.
Zendertoets.
Voedingslampje.
Lampje voor resultaat blaastest.
Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 273)
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 275)
2. Neem de blaasunit uit de houder.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
08 Starten en rijden
||
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een "klikgeluid"
klinkt. Het resultaat is een van de alternatieven in de volgende tabel Resultaat van
de blaastest.
Resultaat van de blaastest
4. Als er geen melding verschijnt, is er
mogelijk iets misgegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat
geval op de toets (3) om de testgegevens
handmatig naar de auto te zenden.
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor –
anders is een nieuwe blaastest vereist.
Controlelampje (5) +
displaymelding
Betekenis
Groen lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Start de motor – geen
alcohol gemeten.
Oranje lampje +
Alcoguard Test
goedgekeurd
Motor is te starten –
gemeten promillage
boven 0,1 promille
maar onder de geldende grenswaardeA.
Rood lampje +
Test afgekeurd
Wacht 1 minuut
en probeer
opnieuw
Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage boven
de geldende grenswaardeA.
A
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook Alcoholslot* (p. 272).
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit
kan de motor opnieuw gestart worden
zonder dat er een nieuwe blaastest nodig
is.
Gerelateerde informatie
•
•
•
08
274
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alcoholslot* (p. 272)
Alcoholslot* - functies (p. 272)
Alcoholslot* - opbergen (p. 273)
•
Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 275)
•
Alcoholslot* - displaymeldingen (p. 276)
08 Starten en rijden
Alcoholslot* - waar u op moet letten
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat:
•
Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
•
De voorruit niet te lang sproeien – de
alcohol in de sproeiervloeistof kan een
verkeerd meetresultaat opleveren.
Van bestuurder wisselen
Om bij het wisselen van bestuurder een
nieuwe blaastest te kunnen doen moet u de
knop voor het wisselen van bestuurder (2) en
de zendertoets (3) gelijktijdig zo'n 3 seconden
lang ingedrukt houden. De startblokkering
van de auto wordt dan opnieuw geactiveerd,
zodat er eerst een goedgekeurde blaastest
nodig is voordat de motor kan worden
gestart.
Kalibreren en onderhoud plegen
Het alcoholslot moet om de 12 maanden in
een werkplaats1 gecontroleerd en gekalibreerd worden.
Wanneer er nog 30 dagen resteren tot aan
een geplande kalibratiebeurt, verschijnt
Alcoguard Kalibratie vereist Zie
instructieboek op het instrumentenpaneel.
Als er niet binnen 30 dagen gekalibreerd
wordt, dan kan de motor niet langer op de
normale wijze gestart worden - de motor is
1
dan alleen te starten via de bypass-functie,
zie het volgende kopje "Noodsituatie".
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats1 verdwijnt de melding permanent.
Koud en warm weer
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur (°C)
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 tot +85
10
–5 tot +10
60
–40 tot –5
180
Noodsituatie
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
N.B.
Alle activering met bypass wordt geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie
Vastlegging van gegevens (p. 21).
Na activering van de bypass-functie blijft
Alcoguard Bypass actief op het instrumentenpaneel staan totdat het systeem gereset
wordt in een werkplaats1.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding
wordt gewist bij het vergrendelen van de
auto.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan
of omzeilen mogelijk moet zijn via de bypassof de noodfunctie. Deze instelling is achteraf
nog te wijzigen in een werkplaats1.
Bypass-functie activeren
•
Houd de knop OK op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmlichten ca.
5 seconden lang ingedrukt. Op het instrumentenpaneel verschijnt eerst Bypass
actief Wacht 1 minuut en daarna
Alcoguard Bypass actief. Vervolgens
kunt u de motor starten.
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rij-
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
275
08 Starten en rijden
||
den is echter alleen te wissen in een werkplaats1.
Noodfunctie activeren
•
Houd de knop OK op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmlichten ca.
5 seconden lang ingedrukt. Op het instrumentenpaneel verschijnt eerst Alcoguard
Bypass actief waarna u de motor kunt
starten.
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats1.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Alcoholslot* - functies (p. 272)
Alcoholslot* - opbergen (p. 273)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 273)
Alcoholslot* (p. 272)
Alcoholslot* - displaymeldingen (p. 276)
08
1
276
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alcoholslot* - displaymeldingen
Behalve de eerder beschreven meldingen die
verband houden met de werking van het alcoholslot vóór het starten van de motor (p. 273)
kan op het bestuurdersdisplay ook het volgende verschijnen:
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Herstarten
mogelijk
Motor stond minder dan
30 minuten af – motor is
te starten zonder
nieuwe blaastest.
Alcoguard
Service vereist
Bezoek een werkplaatsA.
Alcoguard
Geen signaal
ontvangen
Overdracht mislukt –
verstuur het resultaat
handmatig via toets (3)
of doe een nieuwe
blaastest.
Alcoguard
Probeer
opnieuw
De test is mislukt – doe
een nieuwe blaastest.
Alcoguard
Blaas langer
U blies te kort – blaas
langer.
Alcoguard
Blaas zachter
U blies te hard – blaas
minder hard.
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
Alcoguard
Blaas harder
U blies niet hard genoeg
– blaas harder.
Alcoguard
wacht Verwarmt voor
Opwarming niet gereed
– wacht de melding
Alcoguard Blaas 5
seconden af.
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Alcoholslot* (p. 272)
Alcoholslot* - functies (p. 272)
Alcoholslot* - opbergen (p. 273)
Alcoholslot* - vóór het starten van de
motor (p. 273)
Alcoholslot* - waar u op moet letten
(p. 275)
08 Starten en rijden
Motor starten
De motor is te starten en uit te schakelen met
behulp van de transpondersleutel en de knop
START/STOP ENGINE.
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen. Let erop dat u bij een auto
met alcoholslot* eerst een goedgekeurde
blaastest moet afgeven, voordat de motor
kan worden gestart. Voor meer informatie
over Alcoholslot, zie Alcoholslot* (p. 272).
2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt2. (Bij auto's met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.)
3. Druk op de knop START/STOP ENGINE
en laat deze vervolgens los.
Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/
ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
BELANGRIJK
De transpondersleutel niet verkeerd om
insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie
Afneembaar sleutelblad - verwijderen/
aanbrengen (p. 166).
Bij het starten van de motor blijft de startmotor draaien, totdat de motor aanslaat of totdat
de beveiliging tegen oververhitting in werking
treedt.
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
WAARSCHUWING
Haal na een motorstart of als de auto
wordt gesleept nooit de transpondersleutel
uit het contactslot.
WAARSCHUWING
Haal altijd de transpondersleutel uit het
contactslot als u uit de auto stapt en zorg
ervoor dat de sleutelstand 0 is, in het bijzonder als er kinderen in de auto aanwezig
zijn. Zie voor informatie over hoe u dit doet
Sleutelstanden (p. 79).
N.B.
Voor bepaalde motortypen kan het stationaire toerental bij een koude start duidelijk
hoger dan normaal zijn. Dit gebeurt om het
uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op de normale bedrijfstemperatuur te
krijgen waardoor de uitlaatgasemissies
afnemen en het milieu wordt ontzien.
Passieve start (Keyless Drive)*
Loop de punten 2–3 door om de motor passief (p. 170) te starten.
N.B.
Om de motor te kunnen starten moet een
van de transpondersleutels met passieve
start en vergrendeling in de passagiers- of
bagageruimte aanwezig zijn.
WAARSCHUWING
Haal nooit de transpondersleutel uit de
auto tijdens rijden of slepen.
2
Als de auto rolt, is het indrukken van de knop START/STOP ENGINE voldoende om de motor te starten.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
277
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
Motor afzetten (p. 278)
Motor afzetten
Stuurslotfout
U zet de motor af met de knop START/STOP
ENGINE.
Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij
gebruik van de auto door onbevoegden. Er is
mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar wanneer het stuurslot wordt opgeheven
of ingeschakeld.
Om de motor af te zetten:
•
Druk op START/STOP ENGINE – de
motor slaat af.
Als de keuzehendel niet in stand P staat of als
de auto rolt:
•
Druk twee maal op START/STOP
ENGINE of houd de knop ingedrukt, totdat de motor afslaat.
Functie
•
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer
u na het afzetten van de motor het
bestuurdersportier opent.
•
Het stuurslot wordt ontgrendeld als de
transpondersleutel in het contactslot zit3
en de START/STOP ENGINE-knop wordt
ingedrukt.
Gerelateerde informatie
•
Sleutelstanden (p. 79)
Gerelateerde informatie
•
•
•
Motor starten (p. 277)
Sleutelstanden (p. 79)
Stuurwiel (p. 86)
08
3
278
Bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling is de aanwezigheid van een transpondersleutel in de passagiersruimte voldoende.
08 Starten en rijden
Afstandsstart (ERS)*
N.B.
Met afstandsstart ((ERS – Engine Remote
Start)) kunt u de motor van de auto op afstand
starten om op die manier de passagiersruimte
voor aanvang van de rit te verwarmen/koelen.
Afstandsstart is te activeren via de transpondersleutel en/of via Volvo On Call*.
Houd rekening met lokale/nationale regelgeving/voorschriften voor stationair rijden.
Neem ook de lokale/nationale regelgeving/
voorschriften in acht voor het geluidsniveau van een draaiende motor.
WAARSCHUWING
De klimaatregeling start met automatische
instellingen. Een via de afstandsstart geactiveerde motor blijft maximaal 15 minuten
draaien en wordt daarna afgezet. Na twee
activeringen van de afstandsstart moet de
motor eerst op de normale manier worden
gestart, voordat de afstandsstart weer te
gebruiken is.
Om de motor op afstand te starten, moet
aan de volgende criteria zijn voldaan:
•
•
•
Afstandsstand is alleen verkrijgbaar op auto's
met een automatische versnellingsbak en een
geïnstalleerde motorkapschakelaar4.
N.B.
Hoelang de batterij in de transpondersleutel meegaat, hangt van het gebruik van de
afstandsstart af. Bij frequent gebruik van
de afstandsstart moet de batterij 1 keer
per jaar worden vervangen, zie Transpondersleutel - batterij vervangen (p. 169).
Afstandsstart (ERS) - bediening
De auto moet onder toezicht staan.
Er mogen zich geen personen of dieren in of om de auto aanwezig bevinden.
De auto mag niet in een afgesloten,
niet geventileerde ruimte staan - de
uitlaatgassen kunnen voor ernstig letsel bij mensen en dieren zorgen.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandsstart (ERS) - bediening (p. 279)
Afstandsstart (ERS) - symbolen en meldingen (p. 281)
Knoppen voor afstandsstart op sleutel.
Ontgrendelen
Vergrendelen
Approach-verlichting
Bagageklep ontgrendelen
Informatie5
Motor op afstand starten
Om de motor op afstand te kunnen starten
moet de auto vergrendeld staan en de motorkap dichtstaan.
Doe het volgende:
08
4
5
Aanwezig op de XC60, auto's met alarmsysteem, verschillende uitvoeringen met een 4-cilindermotor of bij specificatie van ERS bij aankoop van een nieuwe auto.
Alleen op een PCC, zie Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 164).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
279
08 Starten en rijden
||
1. Druk kort op de knop (2) van de sleutel.
2. Druk vervolgens lang – minimaal
2 seconden – op de knop (3).
Als aan de voorwaarden voor afstandsstart is
voldaan, vindt bovendien het volgende plaats:
1. De richtingaanwijzers lichten snel enkele
malen achtereen op.
2. De motor start.
3. Ter bevestiging dat de motor is gestart
lichten de richtingaanwijzers vervolgens
3 seconden lang op.
N.B.
Na het op afstand starten is de auto nog
steeds vergrendeld, echter met een
gedeactiveerde bewegingsmelder*.
Met PCC6
Het lampje voor Approach-verlichting7 gaat bij het indrukken van de
knop eerst enkele malen knipperen
en brandt vervolgens continu, mits
aan alle voorwaarden voor afstandsstart is
voldaan. Dit betekent echter niet dat de
afstandsstart de motor heeft gestart.
Actieve functies
Bij een via afstandsstart geactiveerde motor
zijn de volgende functies actief:
•
•
•
6
7
Klimaatregeling
audio-/videosysteem
Approach-verlichting.
Inactieve systemen
Bij een via afstandsstart geactiveerde motor
zijn de volgende functies niet actief:
•
•
•
•
koplampen
parkeerlichten
kentekenplaatverlichting
ruitenwisser.
Onderbreking afstandsstart
In de volgende gevallen wordt een afstandsstart onderbroken:
•
•
•
•
08
280
Om te controleren of de afstandsstart de
motor gestart heeft kunt u op de toets (5)
drukken – als de motor aangeslagen is, wordt
dit aangegeven met de lampjes bij de knoppen (2) en (3).
de toets (1), (2) of (4) op de transpondersleutel wordt ingedrukt
de auto wordt ontgrendeld
er wordt een portier geopend
het gas- of rempedaal wordt bediend
Voor meer informatie over de PCC, zie Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 164).
Voor meer informatie over de Approach-verlichting, zie Transpondersleutel - functies (p. 162) en Approach-verlichting (p. 99).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
de keuzehendel wordt uit stand P
gehaald
•
de afstandsstart is langer dan 15 minuten
actief geweest.
Bij het afzetten van een via afstandsstart
geactiveerde motor lichten de richtingaanwijzers 3 seconden lang op.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandsstart (ERS)* (p. 279)
Afstandsstart (ERS) - symbolen en meldingen (p. 281)
08 Starten en rijden
Afstandsstart (ERS) - symbolen en
meldingen
In situaties waarbij ERS uitblijft of wordt
onderbroken, verschijnt een symbool op het
instrumentenpaneel in combinatie met een
verklarende tekstmelding.
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Geen starten
op afstand
Accuspanning
laag
ERS is niet ingeschakeld vanwege een
geringe accuspanning.
U laadt de accu op
door de motor te starten.
Geen starten
op afstand
Auto niet op
slot
ERS is niet ingeschakeld, omdat de auto
niet vergrendeld was.
Geen starten
op afstand
Sleutel in auto
ERS is niet ingeschakeld, omdat de sleutel
nog in de auto zat.
ERS niet ingeschakeld
Melding
Betekenis
Geen starten
op afstand Te
veel pogingen
ERS is niet ingeschakeld, omdat er maximaal 2 ERS-activeringen achtereen zijn toegestaan.
Geen starten
op afstand
Brandstofpeil
laag
ERS is niet ingeschakeld vanwege een
gering brandstofpeil.
Geen starten
op afstand
Hendel niet in P
Geen starten
op afstand
Bestuurder in
auto
Geen starten
op afstand
Motorwaarschuwing
ERS is niet ingeschakeld vanwege een
waarschuwingsmelding voor de motor.
Bezoek een werkplaatsA.
Starten op
afstand uit
Koelvloeistofpeil laag
ERS is niet ingeschakeld vanwege een foutmelding vanuit het
koelsysteem, zie Koelvloeistof - peil (p. 367).
ERS is niet ingeschakeld, omdat de keuzehendel niet in stand P
staat.
Geen starten
op afstand Portier open
ERS is niet ingeschakeld, omdat er een
portier (of het kofferdeksel) niet dichtstond.
ERS is niet ingeschakeld, omdat er iemand
in de auto zit.
Geen starten
op afstand
Motorkap open
ERS is niet ingeschakeld, omdat de motorkap niet dichtstond.
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
ERS onderbroken
Melding
Betekenis
Starten op
afstand uit Hendel niet in P
ERS is onderbroken,
omdat de keuzehendel niet in stand P
staat.
Starten op
afstand uit
Bestuurder in
auto
ERS is onderbroken,
omdat er iemand in
de auto zit.
Starten op
afstand uit
Motorwaarschuwing
ERS is onderbroken
vanwege een foutmelding voor de
motor. Bezoek een
werkplaatsA.
08
}}
281
08 Starten en rijden
||
Melding
Betekenis
Starten op
afstand uit Koelvloeistofpeil laag
ERS is onderbroken
vanwege een foutmelding voor het
koelsysteem.
Starten op
afstand uit
Motorkap open
ERS is onderbroken,
omdat de motorkap
openstaat.
Starten op
afstand uit Accuspanning laag
ERS onderbroken,
omdat de accuspanning te gering is.
Starten op
afstand uit
Brandstofpeil
laag
ERS onderbroken,
omdat het brandstofpeil te gering is.
A
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
Afstandsstart (ERS)* (p. 279)
Afstandsstart (ERS) - bediening (p. 279)
Starthulp met accu
Als de startaccu (p. 380) uitgeput is, kunt u
de auto starten met stroom van een hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5. Haal de clips op de voorste dekplaat van
de uitgeputte accu los en verwijder de
dekplaat, zie Startaccu - vervangen
(p. 382).
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om kortsluiting en andere schade
te voorkomen:
1. Zet het elektrische systeem van de auto
in de sleutelstand 0, zie Sleutelstanden functies in verschillende standen (p. 80).
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die
auto afzetten en ervoor zorgen dat de
beide auto's elkaar niet raken.
08
282
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
6. Bevestig de andere klem van de rode
startkabel aan de pluspool (2) van de
auto.
7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
8. Bevestig de andere klem aan een massapunt, zoals een van de hefogen (4) op de
motor.
9. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
08 Starten en rijden
10. Start de motor van de "hulpauto" en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
WAARSCHUWING
•
11. Start de motor in de auto met de uitgeputte accu.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar
voor vonkvorming.
12. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en
daarna de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel.
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
Versnellingsbakken
Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken. Handgeschakelde en automatische versnellingsbakken.
•
Handgeschakelde versnellingsbak
(p. 284)
•
Automatische versnellingsbak Geartronic
(p. 285)
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat
een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een displaymelding – volg in dat geval het
gegeven advies.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 277)
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 285)
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
283
08 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling
Schakelindicator*
De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste snelheid en vermogensbehoefte.
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
De schakelindicator geeft aan, wanneer u het
beste kunt opschakelen of terugschakelen.
•
•
Volg het schakelpatroon dat in de versnellingspook is geslagen en begin in de
neutraalstand N. Druk daarna de versnellingspook naar stand R duwt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in
als de auto stilstaat.
N.B.
Bij het schakelpatroon voor een zestraps
versnellingsbak (zie voorgaande afbeelding) de versnellingspook eerst omlaagduwen in stand N alvorens de achteruitversnelling in te schakelen.
Schakelpatroon zesversnellingsbak.
De zesversnellingsbak bestaat in twee verschillende uitvoeringen – het verschil zit hem
in de positie voor de achteruit. Zie het desbetreffende schakelpatroon dat in de pookknop
geslagen is.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af.
WAARSCHUWING
08
284
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om
de auto in alle situaties vast te houden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Versnellingsbakken (p. 283)
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 420)
Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het
kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van een
indicator - GSI (Gear Shift Indicator) - die
aangeeft, wanneer u moet opschakelen of
terugschakelen om het brandstofverbruik
minimaal te houden.
Met het oog op eigenschappen als de prestaties en een trillingsvrije motorloop is het soms
beter op iets hogere toeren te schakelen. Het
omcirkelde cijfer geeft de actuele versnelling
aan.
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelindicator voor handgeschakelde versnellingsbak.
Er brandt slechts één lampje
tegelijk – bij normaal rijden
brandt alleen het middelste
lampje.
Als op- of terugschakelen wordt geadviseerd,
brandt het bovenste bij ‘+’ of het onderste bij
‘-’ (op de afbeelding met rood gemarkeerd).
08 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Automatische versnellingsbak Geartronic*
De versnellingsbak Geartronic heeft twee
schakelstanden - Automatisch en Handmatig.
Parkeerstand - P
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto parkeert.
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet u in sleutelstand II het rempedaal
bedienen, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 80).
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Activeer voor de zekerheid ook
de parkeerrem (p. 305), wanneer de auto
geparkeerd staat.
N.B.
Instrumentenpaneel ‘Digital’ met schakelindicator.
Het omcirkelde cijfer geeft de actuele versnelling aan.
In het midden van het instrumentenpaneel ‘Analog’ worden de schakelstanden en
richtingaanwijzerpijlen
getoond.
D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*.
Het instrumentenpaneel (p. 64) geeft de stand
van de keuzehendel aan met behulp van de
volgende tekens: P, R, N, D, S*, 1, 2, 3 enzovoort.
Schakelstanden
Gerelateerde informatie
•
Handgeschakelde versnellingsbak
(p. 284)
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 285)
De automatische schakelstanden worden rechts op
het instrumentenpaneel
getoond. (Er brandt maar één
lampje tegelijk - dat van de
actuele keuzehendelstand.)
Symbool "S" voor de Sport-stand is ORANJE,
indien geactiveerd.
De keuzehendel moet in de P-stand staan
om de auto te kunnen vergrendelen en op
alarm te zetten.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan als stand P wordt
gekozen.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - de P-stand
van de automatische versnellingsbak is
niet voldoende om de auto in alle situaties
vast te houden.
Achteruitrijstand - R
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand R zet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
}}
285
08 Starten en rijden
||
Neutraalstand - N
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de
keuzehendel in stand N staat.
Om de keuzehendel vanuit stand N in een
andere schakelstand te zetten, moet u in
sleutelstand II het rempedaal bedienen, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 80).
Rijstand - D
Stand D is de normale rijmodus. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
afhankelijk van de stand van het gaspedaal
en de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand
D in stand R zet.
Geartronic - Handmatig schakelen (+S–)
Met de automatische versnellingsbak
Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
Bij het loslaten van het gaspedaal wordt de
auto op de motor afgeremd.
08
286
U activeert de handmatige schakelstand door de hendel zijwaarts vanuit de stand D naar de eindstand bij
"+S-" te bewegen. Het symbool
"+S-" op het instrumentenpaneel verkleurt
van WIT naar ORANJE en de cijfers 1, 2, 3
enzovoort worden in een kader getoond en
komen overeen met de zojuist ingeschakelde
versnelling.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Duw de hendel naar voren naar de +
(plus) om een hogere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los – de hendel veert terug naar de neutrale stand
tussen + en –.
of
•
Trek de hendel naar achteren naar de "–"
(min) om een lagere versnelling in te
schakelen en laat deze weer los.
Handmatig schakelen "+S–" is tijdens het rijden op elk moment te activeren.
Om schokken en afslaan van de motor te
voorkomen, schakelt Geartronic automatisch
terug als u langzamer gaat rijden dan wat
voor de gekozen versnelling gepast is.
de speciale stuurbediening, de zogeheten
paddles.
Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen moet u ze wel eerst activeren. U doet dat
door een van de paddles in de richting van
het stuurwiel te halen – het teken "D" op het
instrumentenpaneel verandert dan in een cijfer dat de ingeschakelde versnelling aangeeft.
Om vervolgens te schakelen:
•
Haal een van de paddles naar achteren –
in de richting van het stuurwiel – en laat
deze weer los.
Om de automatische rijstand te hervatten:
•
Zet de hendel helemaal naar links in
stand D.
N.B.
Als de versnellingsbak een Sport-stand
kent, is handmatig schakelen pas te activeren wanneer u de keuzehendel vooruit of
achteruit in stand ‘+S–’ hebt gezet. Op het
instrumentenpaneel verandert de S dan in
een van de tekens 1, 2, 3 enz. om aan te
geven welke versnelling er ingeschakeld is.
Paddles*
In plaats van handmatig schakelen met de
keuzehendel kunt u ook gebruik maken van
Beide "paddles" van het stuurwiel.
"–": Eerstvolgende lagere versnelling
inschakelen.
"+": Eerstvolgende hogere versnelling
inschakelen.
08 Starten en rijden
Bij iedere bediening van de paddles wordt er
geschakeld, tenzij het motortoerental buiten
het toelaatbare bereik komt.
Na iedere schakeling geeft het instrumentenpaneel het cijfer van de ingeschakelde versnelling weer.
N.B.
Automatische deactivering
De sportstand levert een sportiever
rijgedrag op en maakt het mogelijk
om hogere toeren te maken in de
versnellingen. De motor reageert
bovendien sneller op de commando's die u
met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van
de sportstand wordt tevens de voorkeur
gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er
met enige vertraging wordt opgeschakeld.
Als u de stuurpaddles niet gebruikt, worden ze na korte tijd automatisch gedeactiveerd. Het instrumentenpaneel geeft dit
aan doordat het cijfer voor de ingeschakelde versnelling weer verandert in ‘D’.
•
Dit geldt echter niet bij gebruik van de
motorrem. De paddles blijven in dat geval
actief zolang er op de motor wordt afgeremd.
De sportstand kan op elk moment tijdens het
rijden ingeschakeld worden.
Handmatige deactivering
De stuurpaddles zijn ook handmatig te
deactiveren:
•
Haal beide paddles in de richting van
het stuur en houd ze in deze stand
vast, totdat op het instrumentenpaneel
het cijfer voor de ingeschakelde versnelling verandert in ‘D’.
U kunt de paddles ook gebruiken, wanneer
de keuzehendel in de Sport-stand* staat – de
paddles blijven dan continu actief.
8
9
Geartronic - Sport-stand* (S)8
Om de Sport-stand te activeren:
Duw de hendel vanuit stand D zijwaarts
tot aan de aanslag in stand "+S–". Op het
instrumentenpaneel verandert het teken
D in S.
Geartronic - Winterstand
Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen is het soms beter handmatig de 3e
versnelling in te schakelen.
(plus) te duwen – op het display verandert
de 1 in een 3.
3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig gas.
Bij activering van de "winterstand" van de
versnellingsbak rijdt de auto met een lager
motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen weg.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een
lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Als u het gaspedaal uit de kickdownstand
loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Beveiligingsfunctie
1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D helemaal naar
stand "+S–". Het symbool D op het
instrumentenpaneel verandert in het cijfer
1 9.
Om overtoeren van de motor te voorkomen is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering,
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
2. Schakel op naar de 3e versnelling door
de hendel twee keer naar voren naar de +
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Alleen bij bepaalde motoren.
Bij een auto met Sport-stand* verschijnt eerst "S".
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
287
08 Starten en rijden
||
Als u bij hoge motortoeren toch probeert een
dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt er
niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Keuzehendelblokkering
Automatische keuzehendelblokkering
De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in
twee uitvoeringen: een mechanische en een
automatische.
De automatische versnellingsbak kent enkele
bijzondere beveiligingsfuncties:
Parkeerstand (P)
Mechanische keuzehendelblokkering
Stilstaande auto met draaiende motor:
•
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
parkeerstand (P)
Om de keuzehendel vanuit stand P in een
andere schakelstand te zetten, moet u in
sleutelstand (p. 80) II het rempedaal bedienen.
Slepen
Als de auto moet worden weggesleept - zie
de belangrijke informatie in paragraaf Slepen
(p. 327).
Schakelblokkering, vrijstand (N)
Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 420)
•
Versnellingsbakken (p. 283)
G021351
Gerelateerde informatie
•
M: Handmatig schakelen10 - "+/-" - of "Sportstand".
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen
de standen P, R, N en D.
08
10
288
De afbeelding is schematisch.
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens 3 seconden stilgestaan
(of de motor nu draait of niet), is de keuzehendel geblokkeerd.
Om de keuzehendel vanuit stand N in een
andere schakelstand te zetten, moet u in
sleutelstand (p. 80) II het rempedaal bedienen.
08 Starten en rijden
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 285)
Hellingrem (HSA)*12
U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt
- het HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt
dat de auto achteruitrolt.
Het systeem zorgt ervoor dat de pedaaldruk
enkele seconden lang op peil blijft, wanneer u
uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst.
De tijdelijke remwerking wordt na enige
seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van het gaspedaal.
Als er niet met de auto kan worden gereden
zoals het geval is bij een uitgeputte accu,
moet u de keuzehendel uit stand P halen
voordat u de auto kunt verslepen.
Gerelateerde informatie
•
Motor starten (p. 277)
Neem de rubbermat in het vak achter de
middenconsole uit te auto en zoek onder
in het vak het gat11 voor het sleutelblad
(p. 166) p.
Lokaliseer met het sleutelblad de verende
knop onder in het gat, druk met het blad
de knop omlaag en houd deze ingedrukt.
Haal de keuzehendel uit stand P en verwijder het sleutelblad.
4. Leg de rubbermat terug.
11
12
08
U treft mogelijk 2 gaten aan – een voor het sleutelblad en een voor bevestiging van de rubbermat.
Afhankelijk van de combinatie van motor en versnellingsbak. HSA valt niet voor alle combinaties te specificeren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
289
08 Starten en rijden
Vierwielaandrijving - AWD*
Hill Descent Control (HDC)*13
Bij vierwielaandrijving is de grip op het wegdek optimaal.
HDC is te vergelijken met een automatische
motorrem. Wanneer u op een aflopende helling het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal gesproken op de motor afgeremd doordat deze in dat geval een laag stationair toerental nastreeft. Naarmate de helling steiler en
de auto zwaarder beladen is, rolt de auto
ondanks de motorrem sneller omlaag – HDC
zorgt voor compensatie door automatisch bij
te remmen.
De vierwielaandrijving is altijd
ingeschakeld
WAARSCHUWING
HDC werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel.
Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige
manier bestuurt.
Functie
Algemene informatie over HDC
Bij vierwielaandrijving (All Wheel Drive) worden alle vier de wielen van de auto tegelijk
aangedreven.
08
Het motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft.
Dit om optimale wegligging te verkrijgen en
wielspin te voorkomen. Bij normaal rijden
worden de voorwielen naar verhouding iets
sterker aangedreven dan de achterwielen.
De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
290
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Met HDC is het mogelijk om op steile aflopende hellingen de snelheid te verhogen/
verlagen met het gaspedaal, zonder het rempedaal te gebruiken. De gevoeligheid van het
gaspedaal neemt af, doordat het motortoerental tot aan de maximale pedaalweg alleen
binnen een beperkt toerentalgebied te regelen valt. Het remsysteem grijpt in en zorgt
voor een lage en gelijkmatige snelheid, zodat
u zich volledig kunt richten op de besturing.
HDC is vooral handig op steile aflopende hellingen met een oneffen oppervlak en op
gladde weggedeelten. Denk bijvoorbeeld aan
een boot op een trailer die u vanaf een boothelling achteruit te water laat.
HDC Aan/Uit.
U schakelt HDC in en uit met een van de
schakelaars op de middenconsole. Het
lampje in de bewuste schakelaar brandt,
wanneer de functie actief is.
Wanneer HDC actief is brand het bijbehorende symbool op het instrumentenpaneel en verschijnt de melding
Afdalingsremregeling AAN.
08 Starten en rijden
Het systeem werkt alleen in de eerste versnelling en in de achteruitversnelling. Bij een
automatische versnellingsbak geldt dat de 1e
versnelling moet zijn ingeschakeld, wat wordt
aangegeven met het cijfer 1 op het instrumentenpaneel, zie Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 285).
•
•
bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een handgeschakelde versnellingsbak
•
bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een automatische
versnellingsbak of bij het inschakelen van
stand D.
N.B.
HDC kan niet worden geactiveerd op een
automatische versnellingsbak met de keuzehendel in stand D.
Het systeem is op ieder moment uit te schakelen. Als u dit op een steile aflopende helling
doet, zal het remvermogen niet meteen maar
geleidelijk worden verlaagd.
Bediening
Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de
auto bij het afremmen op de motor maximaal
10 km/h (6 mph) voorruit rijden en 7 km/h
(4 mph) achteruit. Met het gaspedaal kunt u
echter een willekeurige andere snelheid binnen het snelheidsinterval kiezen dat bij de
ingeschakelde versnelling hoort. Wanneer u
het gaspedaal loslaat wordt de rijsnelheid
snel verlaagd tot 10 of 7 km/h (6 of 4 mph),
ongeacht de hellingshoek en zonder dat u
daarvoor het rempedaal hoeft te bedienen.
met de aan/uit-knop op de middenconsole
N.B.
Bij een geactiveerd HDC-systeem is het
mogelijk dat de motor met enige vertraging
op het gaspedaal reageert.
Start/Stop*
Auto’s met een bepaalde combinatie van
motor en versnellingsbak zijn voorzien van
een Start/Stop-systeem dat in werking treedt,
als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of
wacht voor een stoplicht. De motor wordt dan
tijdelijk afgezet en start automatisch als er
moet worden doorgereden.
Milieuzorg vormt een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation en geeft richting
aan al onze activiteiten. Dit resulteerde in uiteenlopende energiebesparende systemen
waaronder Start/Stop die stuk voor stuk
bedoeld zijn om het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de uitlaatgasemissie te
beperken.
Algemene informatie over Start/Stop
Gerelateerde informatie
•
Vierwielaandrijving - AWD* (p. 290)
Bij activering van het systeem gaan automatisch de remlichten branden. Met het rempedaal kunt u de auto altijd remmen of helemaal
tot stilstand brengen.
HDC wordt gedeactiveerd:
13
De motor wordt afgezet – voor een stillere en
schonere rit.
Alleen beschikbaar op de S60 Cross Country met AWD.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
291
08 Starten en rijden
||
Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever
milieubewust rijden doordat de motor, wanneer dat kan, automatisch kan afslaan.
Handbak of automaat
Let erop dat er verschillen zijn in het
Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag
of de auto een handbak of een automaat
heeft.
Gerelateerde informatie
•
Start/Stop* - functie en bediening
(p. 292)
•
•
•
Motor starten (p. 277)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 294)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 293)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
(p. 296)
Start/Stop* - instellingen (p. 296)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 295)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 298)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
08
292
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Start/Stop* - functie en bediening
Voorwaarden
Het Start/Stop-systeem wordt automatisch
geactiveerd, wanneer u de motor met een
sleutel start.
Het Start/Stop-systeem
wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de motor
met een sleutel start. U
wordt op het systeem gewezen doordat op het instrumentenpaneel het desbetreffende symbool gaat branden
en het lampje in de
Aan/Uit-knop oplicht.
Alle normale autosystemen waaronder verlichting, radio e.d. werken ook bij een automatisch afgeslagen motor normaal, zij het dat
er mogelijk tijdelijke beperkingen gelden voor
bepaalde uitrusting (zoals het geval kan zijn
voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of het volume van het audiosysteem).
Automatische motorafslag
Voor automatische motorafslag geldt het volgende:
A
M/A
A
Bedien de koppeling, zet de hendel in de neutrale stand en laat het
koppelingspedaal opkomen. De
motor slaat automatisch af.
M
Zet de auto stil met het rempedaal
en houd uw voet op het pedaal. De
motor slaat automatisch af.
A
M = handbak, A = automaatbak.
Bij activering van de ECOfunctie is auto-stop van de
motor mogelijk, voordat de
auto volledig stilstaat.
Bij bepaalde motorvarianten kan de motor
automatisch stoppen voordat de auto helemaal stilstaat ongeacht de vraag of de functie
ECO geactiveerd is of niet.
Als de motor automatisch is
gestopt, gaat het symbool voor de
Start/Stop-functie in het instrumentenpaneel branden.
08 Starten en rijden
Automatische motorstart
Start/Stop-systeem deactiveren
Voorwaarden
M/
AA
Met de schakelhendel in de neutrale stand:
M
In bepaalde situaties is het
mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem
tijdelijk uit te schakelen – dit
is mogelijk met een druk op
deze knop.
1. Trap het koppelingspedaal of
het gaspedaal in – de motor
start.
Bij een uitgeschakeld systeem gaan
het Start/Stop-symbool op het
instrumentenpaneel en het lampje
van de Aan-/Uit-knop uit.
2. Schakel een passende versnelling in en rijd weg.
Laat het rempedaal los. De motor
start automatisch en u kunt doorrijden.
A
Houd de voetdruk op het rempedaal vast en trap het gaspedaal in de motor start automatisch.
A
Bij een aflopende helling bestaat
ook deze mogelijkheid:
Laat het rempedaal los en laat de
auto wegrollen. De motor start dan
automatisch als de snelheid hoger
wordt dan normaal stapvoets.
A
M = handbak, A = automaatbak.
M+
A
Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd,
totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de
knop of de volgende keer dat de motor wordt
gestart met de sleutel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 291)
Motor starten (p. 277)
Start/Stop* - instellingen (p. 296)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 295)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 294)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 293)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
(p. 296)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 298)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
Start/Stop* - automatische
motorafslag werkt niet
Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd
is, vindt er niet altijd een automatische motorstop plaats.
Automatische motorstop werkt niet in de volgende gevallen:
Voorwaarden
M/AA
de auto rijdt nog geen 8 km/h
(5 mph) na een sleutelstart of de
laatste automatische motorstop.
M+A
u hebt de gordelsluiting geopend.
M+A
de capaciteit van de startaccu is
onder de toelaatbare ondergrens
gedoken.
M+A
de motor is niet op de normale
bedrijfstemperatuur.
M+A
de buitentemperatuur ligt rond het
vriespunt of boven ca. 30 °C.
M+A
u activeert de elektrische voorruitverwarming.
M+A
de omstandigheden in de passagiersruimte wijken af van de ingestelde waarden – wat te merken is
aan het hoge toerental van de
interieurventilator.
M+A
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
293
08 Starten en rijden
||
08
294
Voorwaarden
M/AA
Voorwaarden
u rijdt achteruit met de auto.
M+A
A
de capaciteit van de startaccu is
onder de toelaatbare ondergrens
gedoken.
M+A
de file-assistent van de adaptieve
cruisecontrol is geactiveerd.
de keuzehendel in de S-standC of
"+/-" staat.
A
u maakt grote stuurbewegingen.
M+A
het roetfilter van het uitlaatsysteem is verzadigd – pas na een
automatische regeneratie (zie
Roetfilter dieselmotor (DPF)
(p. 316)) wordt het tijdelijke uitgeschakelde Start/Stop-systeem
opnieuw geactiveerd.
M+A
de weg is erg steil.
M+A
een aanhanger is aangesloten op
het elektrische systeem van de
auto.
M+A
de motorkap is ontgrendeldB.
M+A
A
B
C
M/AA
M = handbak, A = automaatbak.
Alleen bij bepaalde motoren.
Sportstand.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 291)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 292)
Motor starten (p. 277)
Start/Stop* - instellingen (p. 296)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 295)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 294)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
(p. 296)
Start/Stop* - automatische motorstart
Een motor die automatisch werd afgezet kan
in bepaalde gevallen automatisch worden
gestart, voordat u hebt aangegeven de rit te
willen voortzetten.
In de volgende gevallen start de motor automatisch, ook als u het koppelingspedaal niet
hebt ingetrapt (handgeschakelde bak) of uw
voet niet van het rempedaal haalt (automaat):
Voorwaarden
M/AA
er wordt condens gevormd op de
ruiten.
M+A
het milieu in de passagiersruimte
wijkt af van de voorgeselecteerde
waarden.
M+A
er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of de capaciteit van de
startaccu is onder de toelaatbare
ondergrens gezakt.
M+A
de versnellingsbak is niet op de
normale bedrijfstemperatuur.
A
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 298)
u bedient het rempedaal met
pompende bewegingen.
M+A
de atmosferische luchtdruk ligt
onder het niveau bij een hoogte
van zo'n 1500–2500 boven zeeniveau. De actuele luchtdruk varieert afhankelijk van het weertype.
A
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
De motorkap wordt ontgrendeldB.
M+A
De auto begint te rollen of voert
een kleine snelheidstoename uit
als de auto automatisch is afgezet
zonder helemaal stil te staan.
M+A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Starten en rijden
M/AA
•
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 295)
De gordelsluiting van de bestuurder is geopend met de keuzehendel in stand D of N.
A
•
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 293)
•
De automatische motorstart werkt niet altijd
na automatische motorafslag.
StuurbewegingenB.
A
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
(p. 296)
De keuzehendel vanuit stand D in
stand SC, R of ‘+/-’ wordt gezet.
A
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 298)
Het bestuurdersportier wordt
geopend met de keuzehendel in
stand D - een ‘belsignaal’ en een
tekstmelding geven aan dat de
Start/Stop-functie actief is.
A
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
Voorwaarden
A
B
C
In de volgende gevallen werkt de automatische motorstart niet nadat de motor automatisch werd afgezet:
M = handbak, A = automaatbak.
Alleen bij bepaalde motoren.
Sportstand.
WAARSCHUWING
Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling automatisch starten. Voer eerst een
normale motoruitschakeling uit met de
START/STOP ENGINE-knop voordat u de
motorkap omhoog doet.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 291)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 292)
Motor starten (p. 277)
Start/Stop* - instellingen (p. 296)
Voorwaarden
M/
AA
er is een versnelling ingeschakeld
zonder het koppelingspedaal te
bedienen – een displaymelding
dring er bij u op aan om de schakelhendel in de neutrale stand te
zetten en automatische motorstart
mogelijk te maken.
M
De bestuurder zit niet in de gordel.
M
De bestuurder draagt geen gordel,
de keuzehendel staat in stand P en
het bestuurdersportier is open – de
motor moet op de normale manier
worden gestart.
A
A
M = handbak, A = automaatbak.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 291)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 292)
08
Motor starten (p. 277)
Start/Stop* - instellingen (p. 296)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
}}
295
08 Starten en rijden
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 294)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 293)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak
(p. 296)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 298)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop
bij handgeschakelde versnellingsbak
Doe het volgende, als de automatische
motorstart mislukt en de motor afslaat:
Start/Stop* - instellingen
In het menusysteem MY CAR vindt u onder
de rubriek DRIVe informatie over Volvo’s
Start/Stop-systeem en adviezen voor een zuinige rijstijl.
1. Controleer of de veiligheidsgordel van de
bestuurdersstoel goed in de gordelsluiting vastzit.
2. Bedien het koppelingspedaal opnieuw –
de motor start automatisch.
3. In bepaalde gevallen moet u de versnellingspook in de neutrale stand zetten. Op
het instrumentenpaneel verschijnt dan de
tekst Zet versnelling in vrij.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
08
296
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Start/Stop* (p. 291)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 292)
Motor starten (p. 277)
Start/Stop* - instellingen (p. 296)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 295)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 291)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 292)
Motor starten (p. 277)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 294)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 293)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 294)
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 298)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 293)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p. 296)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 295)
08 Starten en rijden
•
Start/Stop* - symbolen en meldingen
(p. 298)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
297
08 Starten en rijden
Start/Stop* - symbolen en meldingen
Displaymelding
Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen
op het instrumentenpaneel weergeven.
Het Start/Stop-systeem kan in
bepaalde situaties aanleiding geven
tot tekstmeldingen op het instrumentenpaneel en een brandend controle-
Symbool
Melding
Informatie/maatregel
M/AA
Auto Start/Stop Service vereist
Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
M+A
Autostart Motor loopt +
akoestisch signaal
Wordt geactiveerd als het bestuurdersportier wordt geopend met een automatisch afgezette motor en de keuzehendel in de D-stand.
Druk op startknop
Geen automatische motorstart mogelijk. Voer een reguliere motorstart uit met de
START/STOP ENGINE-knop.
Trap koppeling in om te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelingspedaal.
M
Bedien rem en koppeling om
te starten
Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal.
M
Stand N kiezen om te starten
Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten.
M
08
298
lampje. Bij enkele daarvan dient u een aanbevolen maatregel te nemen. In de volgende
tabel staan enkele voorbeelden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
A
M+A
08 Starten en rijden
Symbool
A
Melding
Informatie/maatregel
Kies stand P of N om te starten
Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale
motorstart uit met de START/STOP ENGINE-knop.
A
Druk op startknop
De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale motorstart uit met de START/
STOP ENGINE-knop en de keuzehendel in P of N.
A
M/AA
M = handbak, A = automaatbak.
Als een displaymelding na het uitvoeren van
de voorgestelde maatregel niet verdwijnt,
dient u contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Start/Stop* (p. 291)
Start/Stop* - functie en bediening (p. 292)
Motor starten (p. 277)
Start/Stop* - instellingen (p. 296)
Start/Stop* - automatische motorstart
werkt niet (p. 295)
•
Start/Stop* - automatische motorstart
(p. 294)
•
Start/Stop* - automatische motorafslag
werkt niet (p. 293)
•
Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij
handgeschakelde versnellingsbak (p. 296)
•
Accu - Start/Stop (p. 384)
08
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
299
08 Starten en rijden
Rijmodus ECO*
ECO is een uniek en innovatief Volvo-systeem
dat bij auto's met een automatische versnellingsbak het brandstofverbruik met tot wel
5 % kan beperken, afhankelijk van de uw rijstijl. Met het systeem kunt u actiever milieubewust rijden.
Algemene informatie
Bij activering van het ECOsysteem wijzigt het volgende:
N.B.
Bij activering van de ECO-functie worden
enkele parameters in de instellingen van
de klimaatregeling gewijzigd en gelden
functiebeperkingen voor bepaalde elektrische verbruikers. Bepaalde instellingen zijn
handmatig te herstellen, maar de volledige
functionaliteit is alleen te verkrijgen door
de ECO-functie uit te schakelen.
ECO - Bediening
het lampje van de ECO -knop geven echter
duidelijk aan dat het systeem aanstaat.
ECO-systeem Aan of Uit
Bij uitschakeling van het
ECO-systeem gaan het
ECO-symbool op het instrumentenpaneel en het lampje
van de ECO -knop uit. Het
systeem staat vervolgens uit,
totdat u het inschakelt met
een druk op de ECO-knop.
Eco Coast - Functie
•
•
Schakelpunten van de versnellingsbak.
Motorregeling en respons van het gaspedaal.
•
Start/Stop-systeem - de motor kan ook
automatisch worden afgezet voordat de
auto is gestopt en helemaal stilstaat.
•
Het systeem Eco Coast wordt geactiveerd - het motorremmen stopt.
•
De instellingen van het klimaatsysteem bepaalde elektrische verbruikers worden
gedeactiveerd of werken met een gereduceerd vermogen.
08
300
Het deelsysteem Eco Coast houdt in de praktijk in dat er niet op de motor wordt afgeremd
om de bewegingsenergie van de auto te
gebruiken om de auto verder te laten uitrollen. Wanneer u het gaspedaal loslaat wordt
de versnellingsbak automatisch losgekoppeld
van de motor die voor een minimaal verbruik
stationair gaat draaien.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ECO Aan/Uit
ECO-symbool
Omdat het ECO-systeem bij het afzetten van
de motor gedeactiveerd wordt, moet u het
systeem iedere keer dat u de motor start
opnieuw activeren. Bij sommige motoren is
dit mogelijk niet het geval - een brandend
ECO-symbool op het instrumentenpaneel en
Het systeem is bestemd voor gebruik bij
geplande snelheidsverlagingen, zoals tijdens
het uitrollen bij binnenrijden van een zone met
een lagere snelheidslimiet.
Eco Coast maakt anticiperend rijden mogelijk
met "Pulse & Glide"-techniek en beperkt het
aantal malen dat er wordt afgeremd.
Ook een combinatie van Eco Coast en een tijdelijk uitgeschakeld ECO-systeem kan samen
tot een lager verbruik leiden. Dus:
08 Starten en rijden
•
Actieve Eco Coast: Lang uitrollen zonder
motorremmen = Laag verbruik
Het deactiveren van Eco Coast en het teruggaan naar motorremmen kan op de volgende
manier:
Uitgeschakeld ECO-systeem: Kort uitrollen met motorremmen = Minimaal verbruik.
•
•
Druk op de ECO-knop.
•
•
Schakel met de stuurpaddles.
en
•
N.B.
Voor een optimaal laag brandstofverbruik
moet Eco Coast gecombineerd met kort
uitrollen gewoonlijk worden vermeden.
Eco Coast activeren
Het systeem wordt geactiveerd wanneer u
het gaspedaal helemaal hebt losgelaten in
combinatie met het volgende:
•
•
•
u hebt de ECO-knop ingedrukt
•
het hellingspercentage van een aflopende
weg is niet groter dan zo'n 6 %.
de keuzehendel staat in stand D
de rijsnelheid ligt in het interval van
zo'n 65–140 km/h (40-87 mph)
Deactiveren Eco Coast
Soms kan het handig zijn om het Eco Coastsysteem uit te schakelen. Mogelijke voorbeelden van dergelijke situaties:
•
op steile aflopende hellingen – zodat u op
de motor kunt afremmen.
•
net voordat u inhaalt – zodat u dat zo veilig mogelijk kunt doen.
Meer informatie en instellingen
Haal de keuzehendel naar stand "S+/-"
voor handmatig schakelen.
Beweeg het gas- of rempedaal.
Eco Coast - Beperkingen
Het systeem is niet beschikbaar in de volgende gevallen:
•
•
u activeert de cruisecontrol
het hellingspercentage van een aflopende
weg is groter dan zo'n 6 %
•
In het menusysteem MY CAR vindt u meer
informatie over het ECO-concept - zie het
gedeelte MY CAR (p. 113).
u schakelt handmatig met behulp van de
stuurpaddles*
Gerelateerde informatie
•
de motor en/of versnellingsbak hebben
niet de normale bedrijfstemperatuur
bereikt.
•
u zet de keuzehendel vanuit stand D in
stand S+/-
•
de snelheid ligt buiten het interval van
zo'n 65–140 km/h (40-87 mph)
•
Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125)
08
301
08 Starten en rijden
Bedrijfsrem
U gebruikt het rempedaal om de rijsnelheid te
verlagen.
De auto is om veiligheidsredenen uitgerust
met twee remkringen. Als een van de remkringen beschadigd raakt, neemt de rempedaalweg toe en moet u meer druk uitoefenen
voor een normale remwerking.
De druk die u uitoefent op het rempedaal
wordt versterkt door de rembekrachtiging.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
Als u het rempedaal bedient met de motor
afgezet, doet het pedaal stug aan en moet u
harder op het pedaal trappen om de auto af
te remmen.
Bij auto's met de functie Hellingrem (HSA)*
(p. 289)* veert het rempedaal langzamer dan
normaal terug in de uitgangspositie, als de
auto op een helling of ongelijkmatige ondergrond geparkeerd staat.
08
302
In bergachtig gebied of tijdens ritten met een
zware belading kunt u de remmen ontzien
door op de motor af te remmen. U benut de
remmende werking van de motor het best,
wanneer u tijdens het afdalen dezelfde ver-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
snelling inschakelt als bij het oprijden van een
helling.
Voor meer algemene informatie over een
zware belasting van de auto, zie Motorolie ongunstige rijomstandigheden (p. 416).
Remmen op natte wegen
Als langere tijd wordt gereden bij harde regen
en zonder te remmen, kan bij de eerste keer
remmen het remvermogen wat zijn verminderd. Dit kan ook het geval zijn na het wassen
van de auto. In dat geval is het noodzakelijk
het rempedaal verder in te trappen. Houd om
die reden meer afstand aan tot uw voorligger.
Rem hard met de auto na op natte wegen te
hebben gereden of het wassen van de auto.
De remschijven warmen dan op, drogen sneller en zijn beschermd tegen corrosie. Houd bij
het remmen rekening met de actuele verkeerssituatie.
Remmen op met zout gestrooide wegen
Bij ritten op wegen waar zout is gestrooid,
kan zich een zoutlaag op de remschrijven en
remvoering afzetten. Dit kan de remweg verlengen. Houd daarom extra veel afstand aan
tot uw voorligger. Let ook op dat u:
•
Af en toe remt om eventuele zoutafzetting
te verwijderen. Let op dat u andere verkeersdeelnemers niet in gevaar brengt bij
het remmen.
•
Trap het rempedaal na de rit en voordat u
de volgende rit begint voorzichtig in.
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de service-intervallen
van Volvo aan te houden zoals omschreven in
het Service- en garantieboekje.
De remwerking van nieuwe en vervangen
remblokken en remschijven is pas optimaal
als ze na een paar honderd kilometer rijden
zijn "ingesleten". Compenseer de verminderde remwerking door harder op het rempedaal te trappen. Volvo raadt aan om alleen
remvoeringen te monteren die zijn goedgekeurd voor uw Volvo.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
08 Starten en rijden
Symbolen en meldingen
Symbool
Betekenis
Brandt continu – controleer
het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag
ligt en controleer tevens de
oorzaak van het remvloeistofverlies.
Brandt tijdens het starten van
de motor 2 seconden continu
- automatische functietest.
WAARSCHUWING
Als
en
tegelijk branden, kan er
een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
Als het niveau in het remvloeistofreservoir
in dat geval normaal is, moet u voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde werkplaats rijden
om het remsysteem te laten controleren geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-niveau
in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas
verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld.
De oorzaak van het remvloeistofverlies
moet worden gecontroleerd.
Gerelateerde informatie
•
•
Parkeerrem (p. 305)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 304)
•
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 304)
•
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 303)
Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem
Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock
Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen.
Het systeem zorgt ervoor dat de auto
bestuurbaar blijft, waardoor het bijvoorbeeld
gemakkelijker is om obstakels te ontwijken.
Bij activering van deze functie kunt u trillingen
in het rempedaal voelen. Dit is volkomen normaal.
Wanneer u het rempedaal loslaat nadat de
motor is aangeslagen, gaat een kortdurende,
automatische test van het ABS van start. Het
is mogelijk dat er op een lage snelheid nóg
een automatische test van het ABS plaatsvindt. Deze test is waarneembaar in de vorm
van trillingen in het rempedaal.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 302)
Parkeerrem (p. 305)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 304)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 304)
08
303
08 Starten en rijden
Bedrijfsrem - noodremlichten en
automatische alarmlichten
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt. Daarbij knipperen de remlichten in
plaats van dat ze continu branden, zoals bij
normaal remmen.
De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA,
Emergency Brake Assist) helpt de remkracht
verhogen om op die manier de remweg te
verkorten.
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h (31 mph) als
het ABS actief is en/of bij krachtig remmen.
Zodra de rijsnelheid minder dan 10 km/h
(6 mph) bedraagt, knippert het remlicht niet
langer en gaat het continu branden en worden tegelijkertijd de alarmlichten (p. 96) geactiveerd. Deze knipperen, totdat u weer gas
geeft of de alarmlichten zelf uitschakelt.
Het EBA registreert de wijze waarop u het
rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de
remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS
ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld
wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
N.B.
Als EBA wordt geactiveerd, gaat het rempedaal iets verder omlaag dan normaal.
Druk het rempedaal in zo lang als dat
nodig is. Als u het rempedaal loslaat, stopt
al het afremmen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Bedrijfsrem (p. 302)
Parkeerrem (p. 305)
Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij
noodstops (p. 304)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 303)
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
08
304
Bedrijfsrem (p. 302)
Parkeerrem (p. 305)
Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 304)
Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem
(p. 303)
08 Starten en rijden
Parkeerrem
Parkeerrem aanzetten
De parkeerrem houdt de auto stil, als er niemand op de bestuurdersstoel zit, door twee
wielen mechanisch te blokkeren/vergrendelen.
den. Bij het loslaten van de handgreep wordt
de rem uitgeschakeld.
N.B.
Bij activeren van de noodrem bij hogere
snelheden klinkt er tijdens het remmen een
signaal.
Functie
Bij activering van de elektrisch geregelde parkeerrem hoort u een zwak elektromotorgeluid.
Het geluid is tevens waarneembaar bij een
automatische functietest van de parkeerrem.
Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem
aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden
aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd. Daarbij werkt de rem op alle vier de
wielen. Wanneer de auto bijna stilstaat, worden alleen de achterwielen geremd.
Lage accuspanning
Als de accuspanning te laag is, kunt u de parkeerrem niet aanzetten noch lossen. Sluit een
hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is,
zie Starthulp met accu (p. 282).
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende helling:
Handgreep parkeerrem – aanzetten.
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Druk op de handgreep van de parkeerrem.
>
Het symbool op het instrumentenpaneel gaat knipperen – wanneer
het continu brandt, is de parkeerrem
ingeschakeld.
3. Laat het rempedaal los en controleer of
de auto volledig stilstaat.
•
Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende helling:
•
Draai de wielen naar de trottoirband toe.
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren
op een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van
een automatische versnellingsbak is niet
voldoende om de auto in alle situaties vast
te houden.
Zet de schakelhendel bij het parkeren altijd in
de 1e versnelling (handbak) en de keuzehendel in stand P (automaat).
Noodrem
In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden inschakelen door de handgreep voor de parkeerrem ingedrukt te hou-
08
}}
305
08 Starten en rijden
||
Parkeerrem lossen
N.B.
De parkeerrem is ook handmatig uit te
schakelen door het koppelingspedaal te
bedienen in plaats van het rempedaal.
Volvo adviseert u echter het rempedaal te
gebruiken.
Automatisch lossen
1. Start de motor.
2. Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in.
3. Trap het rempedaal stevig in.
4. Zet de keuzehendel in stand D of R en
geef gas.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
N.B.
Om veiligheidsredenen wordt de parkeerrem alleen automatisch uitgeschakeld, als
de motor loopt en de bestuurder de veiligheidsgordel draagt. Bij auto’s met automatische transmissie wordt de parkeerrem
onmiddellijk uitgeschakeld, wanneer u het
gaspedaal bedient terwijl de keuzehendel
in stand D of R staat.
Auto met handgeschakelde
versnellingsbak
3. Laat de koppeling opkomen en geef gas.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
Handmatig lossen
Auto met automatische versnellingsbak
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot14.
Handmatig lossen
Zware belading op oplopende hellingen
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot14.
3. Trek aan de handgreep.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
Bij een zware belading zoals een aanhanger
is het mogelijk dat de auto op een steile,
oplopende helling achteruitrolt, wanneer de
parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt
dit voorkomen door bij het wegrijden de
handgreep ingedrukt te houden. Laat de
handgreep weer los zodra de koppeling aangrijpt.
Automatisch lossen
Remblokken vervangen
Handgreep parkeerrem – lossen.
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Trek aan de handgreep voor de parkeerrem.
>
De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft.
2. Trap het rempedaal stevig in.
1. Doe de veiligheidsgordel om.
08
14
306
2. Start de motor.
Bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling: Druk op START/STOP ENGINE.
Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de
08 Starten en rijden
constructie van de elektrische parkeerrem –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Symbool
Symbolen en meldingen
Voor informatie over het weergeven en wissen van displaymeldingen op het instrumentenpaneel, zie Meldingen - functies (p. 112).
Melding
Betekenis/Maatregel
"Melding"
•
Lees de melding op het instrumentenpaneel.
Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet.
Als het symbool in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing.
•
Parkeerrem niet
helemaal gelost
Lees de melding op het instrumentenpaneel.
Door een storing kan de parkeerrem niet worden uitgeschakeld:
•
Probeer of u de rem kunt in- en uitschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
NB Er klinkt een waarschuwingssignaal als u doorrijdt met deze foutmelding.
08
}}
307
08 Starten en rijden
||
Symbool
Melding
Parkeerrem niet
bekrachtigd
Betekenis/Maatregel
Door een storing kan de parkeerrem niet worden ingeschakeld:
•
Probeer of u de rem kunt uit- en inschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Dezelfde melding verschijnt ook op auto's met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het
portier open. De melding maakt u erop attent dat de parkeerrem mogelijk onbedoeld werd gelost.
Parkeerrem Service vereist
Er is een storing opgetreden:
•
Probeer of u de rem kunt in- en uitschakelen.
Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt:
•
Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Als u de auto moet parkeren voordat een
eventuele storing kan worden verholpen,
dient u de wielen net als bij het parkeren op
een helling van de trottoirband/berm af te
draaien en de schakelhendel in de 1e versnelling (handbak) te zetten en de keuzehendel in
stand P (automaat).
Meldingen kunt u van het display halen door
de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel
kort in te drukken.
Gerelateerde informatie
08
308
•
Bedrijfsrem (p. 302)
08 Starten en rijden
Doorwaaddiepte
BELANGRIJK
Met doorwaden wordt bedoeld dat de auto
op een met water bedekte rijbaan door een
diepere plas water rijdt. Waden dient met de
nodige voorzichtigheid te gebeuren.
Als er water in het luchtfilter komt, kan er
motorschade ontstaan.
Bij een diepte groter dan 25 cm (30 cm bij
de S60 Cross Country) kan er water in de
transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor
de levensduur van deze systemen korter
wordt.
Stapvoets kunt u met de auto door waterpartijen van maximaal 25 cm (30 cm bij de S60
Cross Country) diep rijden. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend
water.
Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige onderdelen ervan als gevolg van
waterlekkage (hydrolock) of een tekort aan
olie valt niet onder de garantie.
Houd een lage snelheid aan tijdens het
waden en breng de auto niet in het water tot
stilstand. Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en
vuil op de remblokken kunnen er vertragingen
in de remwerking optreden.
•
•
Maak eventuele aansluitingen voor de
elektrische verwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en
modder.
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken – elektrische storingen zijn anders niet uitgesloten.
Oververhitting
In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat
het gevaar dat de motor en de aandrijflijn
oververhit raken – vooral bij het vervoer van
een zware lading.
Voor informatie over oververhitting bij het
gebruik van een aanhanger, zie Rijden met
een aanhanger* (p. 319).
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
•
Als de temperatuur in het koelsysteem
van de motor te hoog oploopt, gaat een
waarschuwingssymbool branden op het
informatiedisplay van het instrumentenpaneel en verschijnt daar de melding
Motortemperatuur hoog Stop auto
z.s.m. – breng de auto in dat geval zo
spoedig mogelijk tot stilstand en laat de
motor enkele minuten stationair lopen
zodat deze kan afkoelen.
•
Als de displaymelding
Motortemperatuur hoog Zet motor af
of Koelvloeistofpeil laag Stop auto
z.s.m. verschijnt, dient u nadat de auto
tot stilstand is gekomen ook de motor af
te zetten.
Bij oververhitting van de versnellingsbak
wordt een ingebouwde beveiliging geactiveerd die er onder meer voor zorgt dat
het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden en op het bijbehorende display de tekstmelding
Probeer de motor bij motorafslag in water
niet opnieuw te starten. Haal de auto uit
het water en breng deze naar de werkplaats - geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats. Kans op motorschade.
Gerelateerde informatie
•
•
Bergen (p. 329)
Slepen (p. 327)
•
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
}}
309
08 Starten en rijden
•
•
Versnellingsbak heet Rijd langzamer
of Versnellingsbak heet Stop auto
z.s.m. Wachten op afkoelen verschijnt.
Neem het gegeven advies in acht en verlaag de snelheid of breng de auto zo
spoedig mogelijk tot stilstand om de versnellingsbak te laten afkoelen door de
motor enkele minuten stationair te laten
draaien.
Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator van de
motor een tijdje werkt nadat de motor is
uitgeschakeld.
Rijden met een geopend(e)
achterklep/kofferdeksel
Wanneer u met een geopend kofferdeksel
rijdt, kunnen er giftige uitlaatgassen via de
bagageruimte de kofferbak in worden gezogen.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen.
Gerelateerde informatie
•
Lading vervoeren (p. 152)
Overbelasting - startaccu
De elektrische functies van de auto belasten
de startaccu (p. 380) in verschillende mate.
Laat het contactslot niet te lang achtereen in
sleutelstand II (p. 80) staan wanneer u de
motor hebt afgezet. Maak in plaats daarvan
gebruik van de stand I – het stroomverbruik is
dan minder.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
koplampen
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume).
Bij een geringe startaccuspanning verschijnt
op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel de tekst Accuspanning laag
Spaarstand. De energiebesparingsfunctie
schakelt vervolgens bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en/of het audiosysteem uit te
schakelen.
08
310
08 Starten en rijden
–
Laad de startaccu dan op door de motor
te starten en deze minstens 15 minuten te
laten lopen - de startaccu wordt beter
opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met een stationair lopende motor.
Voorbereidingen bij lange reizen
Rijden tijdens de winter
Bij lange reizen is het goed om de volgende
punten te doorlopen:
Bij rijden in de winter is het belangrijk om
bepaalde controles uit te voeren, zodat u
zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
•
Controleer of de motor naar behoren
functioneert en of het brandstofverbruik
(p. 425) in orde is.
•
Zorg dat er geen sprake is van lekkage
(brandstof, olie of andere vloeistoffen).
•
Controleer alle lampen en de profieldiepte
van de banden.
•
In sommige landen bent u wettelijk verplicht een gevarendriehoek (p. 342) in de
auto te hebben.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - controleren en bijvullen
(p. 362)
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 338)
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 369)
Let voor aanvang van de winter in het bijzonder op het volgende:
•
De koelvloeistof (p. 367) van de motor
moet 50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor
beschermd tegen bevriezing tot
ca. –35 °C. Om gezondheidsrisico’s te
vermijden is het zaak geen verschillende
soorten glycol met elkaar te mengen.
•
Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan.
•
De viscositeit van de motorolie is belangrijk. Wanneer u oliesoorten met een
lagere viscositeit (dunnere oliën) gebruikt,
slaat de motor bij koud weer gemakkelijker aan en neemt bovendien het brandstofverbruik tijdens de koude start af.
Voor meer informatie over geschikte oliesoorten, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 416).
BELANGRIJK
Gebruik geen olie met een lage viscositeitsaanduiding bij zware rijomstandigheden of warm weer.
08
}}
311
08 Starten en rijden
||
•
•
Controleer de algehele conditie en de
ladingstoestand van de startaccu. De
startaccu wordt zwaarder belast bij koud
weer en ook de accucapaciteit neemt af
bij vorst.
Tankvulklep - openen/sluiten
Tankvulklep - handmatig openen
De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten:
De tankvulklep kan handmatig worden
geopend, als openen met de schakelaar in de
passagiersruimte niet mogelijk is.
Tankvulklep openen/sluiten
Giet sproeiervloeistof (p. 379) in het
sproeiervloeistofreservoir om ijsvorming
te voorkomen.
Voor optimale grip bij gevaar voor sneeuw of
ijs adviseert Volvo u om de auto rondom van
winterbanden te voorzien.
N.B.
In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes
zijn niet in alle landen toegestaan.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Gerelateerde informatie
•
Rijden tijdens de winter (p. 311)
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop
springt de klep open.
Op het display van het instrumentenpaneel wordt middels de pijl op het
symbool aangegeven aan welke kant van de
auto de tankdop zit.
•
1. Open/verwijder het zijluikje in de kofferbak (aan de kant van de tankvulklep) en
zoek de groene kabel met handgreep op.
2. Trek de kabel voorzichtig recht naar achteren toe totdat de tankvulklep met een
duidelijke klik wordt geopend.
Sluit de klep door deze dusdanig in te
drukken dat u een klik hoort.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
Gerelateerde informatie
•
08
312
Brandstof tanken (p. 313)
Gerelateerde informatie
•
Brandstof tanken (p. 313)
08 Starten en rijden
Brandstof tanken
Waar u tijdens het tanken op moet letten.
Brandstof tanken
•
Tankdop open-/dichtdraaien
Giet de tank niet te vol door het vulpistool
na de eerste afslag meteen uit de vulopening te halen.
N.B.
Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen.
Bijvullen met jerrycan15
Gebruik voor het bijvullen met een jerrycan de
trechter die onder het vloerluik in de bagageruimte ligt.
De tankdop is tijdelijk op de klep te zetten.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open.
•
Breng na het tanken de tankdop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u één of
meer klikken hoort.
Let erop dat u de buis van de trechter goed in
de vulpijp steekt. De vulpijp is voorzien van
een te openen afdekking. U moet de buis van
de trechter langs de afdekking naar binnen
steken, voordat u kunt bijvullen.
Gerelateerde informatie
•
•
Tankvulklep - handmatig openen (p. 312)
Brandstof - gebruik
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een
nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste
15 minuten lang spoelen met een ruime
hoeveelheid schoon water en medische
hulp inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels
ervan en dieselolie zijn uitermate giftig en
kunnen bij inwendig gebruik aanleiding
geven tot blijvend letsel met mogelijk
dodelijke afloop. Roep onmiddellijk medische hulp in bij het inslikken van brandstof.
Brandstof - gebruik (p. 313)
08
15
Geldt alleen voor auto's met een dieselmotor.
}}
313
08 Starten en rijden
||
WAARSCHUWING
Op de grond gemorste brandstof kan vlam
vatten.
Schakel de verwarming op brandstof uit
voordat u gaat tanken.
Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het
belsignaal kan er vonkvorming ontstaan
waardoor de benzinedampen ontsteken en
dat kan tot brand en letsel leiden.
•
Brandstoftank - inhoud (p. 423)
Brandstof - benzine
De motor loopt op benzine.
Maak alleen gebruik van benzine van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
brandstof van twijfelachtige kwaliteit in de
tank. De benzine moet voldoen aan de norm
EN 228.
•
95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
•
98 RON wordt geadviseerd voor een
maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
BELANGRIJK
Door mengsels van verschillende soorten
brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties
van Volvo en evt. aanvullende serviceovereenkomsten. Dit geldt voor alle motoren.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo
laag mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, rijden
met een aanhanger/caravan of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
Gerelateerde informatie
08
314
•
•
•
Brandstof - diesel (p. 315)
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 316)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 425)
BELANGRIJK
•
Gebruik alleen loodvrije benzine om
schade aan de katalysator tegen te
gaan.
•
Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan.
•
Gebruik geen toevoegingen die niet
door Volvo zijn aanbevolen.
08 Starten en rijden
Alcoholen-ethanol
BELANGRIJK
•
Er is brandstof toegestaan die tot
10 volumeprocent ethanol bevat.
•
Het gebruik van EN 228 E10-benzine
(max. 10 volumeprocent ethanol) is
toegestaan.
•
Een ethanolgehalte hoger dan in E10
(max. 10 volumeprocent ethanol) zoals
in 98E15, 98E25 en Blue One 95 is niet
toegestaan, omdat deze brandstofkwaliteiten niet voldoen aan EN 228.
E85 is niet toegestaan.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 313)
Zuinig rijden (p. 318)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 425)
Brandstoftank - inhoud (p. 423)
Brandstof - diesel
De motor loopt op dieselolie.
Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit
brandstof van twijfelachtige kwaliteit in de
tank. De dieselbrandstof moet voldoen aan
de norm EN 590, SS 155435 of JIS K 2204.
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreiniging in de brandstof, zoals metaaldeeltjes en
een hoog zwavelgehalte.
Bij lage temperaturen (lager dan 0 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan
tot startproblemen leiden. De verkrijgbare
brandstofkwaliteiten moeten zich lenen voor
gebruik in het actuele jaargetijde en klimaatgebied, maar in extreme weersomstandigheden, bij gebruik van verouderde brandstof of
bij ritten door verschillende klimaatgebieden
kan desondanks uitvlokking optreden.
Het risico van condensatie in de brandstoftank neemt af, als u de tank altijd goed
gevuld houdt. Houd tijdens het tanken het
gebied rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak
als u gemorst hebt het gebied met water en
zeep schoon.
BELANGRIJK
De dieselolie:
•
moet voldoen aan de norm EN 590,
SS 155435 of JIS K 2204
•
moet een zwavelgehalte hebben van
maximaal 10 mg/kg;
•
mag maximaal 7 vol% FAME (Fatty
Acid Methyl Ester) bevatten.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen:
•
•
•
•
speciale toevoegingen (dopes)
scheepsolie
stookolie
FAME16 (Fatty Acid Methyl Ester) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan
de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en motorschade die niet worden
gedekt door de garanties van Volvo.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het
brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht
worden om een dieselmotor na bijtanken
opnieuw te kunnen starten.
16
Dieselolie kan max. 7% FAME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
08
}}
315
08 Starten en rijden
||
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft
het brandstofsysteem enige tijd nodig om een
controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná
bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start:
1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag
naar binnen. Voor meer informatie, zie
Sleutelstanden (p. 79).
2. Druk op de START-knop zonder remen/of koppelingspedaal te bedienen.
Voor optimale prestaties is het belangrijk de
vervangingsintervallen voor het brandstoffilter
aan te houden en originele onderdelen te
gebruiken.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Serviceen garantieboekje staan aangegeven. Ook
wanneer u vermoedt dat er verontreinigde
brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen. Voor meer informatie, zie Serviceprogramma van Volvo (p. 354).
3. Wacht ca. één minuut.
BELANGRIJK
4. Om de motor te starten: Bedien remen/of koppelingspedaal en druk nogmaals
op de START-knop.
Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen de waterafscheiding in het brandstoffilter.
N.B.
Alvorens brandstof te tanken bij een leeggereden tank:
•
Breng de auto tot stilstand op een zo
egaal/horizontaal mogelijke ondergrond – als de auto overhelt, bestaat
er gevaar voor luchtbellen in de brandstoftoevoer.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen17
08
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders
aanleiding geven tot motorstoringen.
17
316
Geldt niet voor viercilindermotor.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 313)
Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 316)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 425)
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is.
Onder normale rijomstandigheden blijven de
roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter
achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en
het filter te legen wordt een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet de motor de
normale bedrijfstemperatuur hebben.
De regeneratie van het roetfilter vindt automatisch plaats en duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Tijdens de
regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur. Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel op
en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie
instructieboekje op het informatiedisplay.
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden tot de motor voldoende op
08 Starten en rijden
temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog
20 minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie kan zich het volgende voordoen:
•
er kan tijdelijk een geringe beperking
van het motorvermogen te bespeuren
zijn
•
het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen
•
er kan sprake zijn van een brandlucht.
•
Brandstoftank - inhoud (p. 423)
Katalysatoren
De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen.
De katalysatoren bestaan uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben
een katalytische werking, dat wil zeggen ze
versnellen een chemische reactie zonder dat
ze daar zelf actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de
waarschuwingsmelding automatisch gewist.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal vol deeltjes zit, kan
het moeilijk zijn om de motor te starten en
het filter wordt onbruikbaar. De kans
bestaat dan dat het filter moet worden vervangen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 313)
Brandstof - diesel (p. 315)
De lambdasonde maakt deel uit van het
regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de
brandstof beter te benutten. Voor meer informatie, zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 425).
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische
systeem dat continu de injectoren afregelt.
Het lucht-brandstofmengsel dat de motor
krijgt, wordt continu bijgesteld. De regeling
schept de ideale omstandigheden voor een
effectieve verbranding van de schadelijke
stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en
stikstofoxiden) in de driewegkatalysator.
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 425)
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
317
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof - benzine (p. 314)
Brandstof - diesel (p. 315)
Zuinig rijden
Rijd zuinig en milieubewust door rustig en met
vooruitziende blik te rijden én door uw rijstijl
en snelheid aan te passen aan de situatie.
•
Maak gebruik van de ECO Guide* die laat
zien hoe zuinig de auto rijdt, zie Eco
guide & Power guide* (p. 68).
•
Voor het laagste brandstofverbruik activeert u Rijmodus ECO18.
•
Gebruik het uitrolsysteem Eco Coast19. Er
wordt niet meer op de motor afgeremd,
waardoor de bewegingsenergie van de
auto wordt gebruikt om de auto langer te
laten uitrollen.
•
08
18
19
20
318
Geldt voor automatische transmissie.
Zie "Rijmodus ECO".
Geldt voor handgeschakelde versnellingsbak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op. Maak
gebruik van de schakelindicator
(p. 284)20.
•
Rijd met gelijkmatige snelheid en met
vooruitziende blik om zo weinig mogelijk
te hoeven remmen.
•
Bij hoge snelheden neemt het brandstofverbruik toe – de luchtweerstand neemt
toe naarmate de snelheid stijgt.
•
Laat de motor niet stationair warmdraaien, maar rijdt direct na het starten
weg met normale belasting; een koude
motor verbruikt meer brandstof dan een
warme.
•
Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds
zo is - houd voor de beste resultaten de
zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 427).
•
De bandenkeuze is mogelijk van invloed
op het brandstofverbruik – informeer bij
uw dealer naar passende banden.
•
Gebruik geen winterbanden buiten het
winterseizoen.
•
Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading,
des te hoger het brandstofverbruik.
•
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
•
Lading op het dak en een skibox resulteert in een grotere luchtweerstand waardoor het verbruik toeneemt – verwijder
lastdagers die u niet gebruikt.
•
Rijd niet met open zijruiten.
Voor informatie over het milieubeleid van
Volvo Car Corporation, zie Milieubeleid
(p. 24).
08 Starten en rijden
Voor meer informatie over het brandstofverbruik, zie Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 425).
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden
(zoals op een aflopende helling), omdat
daarbij belangrijke systemen zoals de
stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Brandstof - gebruik (p. 313)
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
(p. 425)
Brandstoftank - inhoud (p. 423)
Rijden met een aanhanger*
Bij het rijden met een aanhanger moet u op
enkele belangrijke dingen letten, zoals de
trekhaak, de aanhanger en hoe u de lading op
de aanhanger aanbrengt.
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen
dient te worden verminderd met de som van
het gewicht van eventuele inzittenden en dat
van gemonteerde accessoires, zoals een
trekhaak. Voor uitgebreidere informatie, zie
Gewichten (p. 413).
Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd,
wordt de auto compleet aangeleverd met de
benodigde randuitrusting voor het gebruik
van een aanhanger.
•
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact
opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om te controleren of uw auto van
de nodige uitrusting is voorzien om met
een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
informatie over de bandenspanning, zie
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 427).
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid
aan.
•
Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen in
acht ten aanzien van de toelaatbare snelheden en gewichten.
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Trekhaakbedrading
Als de trekhaak van de auto een 13-polige
aansluiting heeft en de aanhanger een
7-polige aansluiting, hebt u een adapter
nodig. Gebruik een door Volvo goedgekeurde
adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de
grond sleept.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
319
08 Starten en rijden
||
Richtingaanwijzers en remlichten op
aanhanger
N.B.
De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid
verder beperken. De trekhaken kunnen zijn
gecertificeerd voor hogere of lagere trekgewichten dan wat de auto mag trekken.
Als een van de richtingaanwijzers op de aanhanger defect is, knippert het richtingaanwijzersymbool op het instrumentenpaneel sneller dan normaal en op het informatiedisplay
verschijnt de tekst Storing knipperlicht
aanhanger.
Als een van de remlichten op de aanhanger
defect is, dan verschijnt de tekst Storing
remlicht aanhanger.
WAARSCHUWING
Volg de vermelde aanbevelingen voor het
aanhangergewicht. Anders is het mogelijk
dat de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en afremmen moeilijk onder controle
is te houden.
Niveauregeling*
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling nemen de achterste schokdempers tijdens het rijden altijd dezelfde rijhoogte in ongeacht de belading (tenzij het
maximaal toelaatbare gewicht wordt overschreden). Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten die Volvo hanteert, zie Trekgewicht en kogeldruk (p. 414).
08
320
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger* - handgeschakelde versnellingsbak (p. 320)
•
Rijden met een aanhanger* - automatische versnellingsbak (p. 321)
•
•
Trekhaak* (p. 321)
Lamp vervangen - algemeen (p. 369)
Rijden met een aanhanger* handgeschakelde versnellingsbak
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
Oververhitting
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
•
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij
dieselmotoren) – anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Dieselmotor 5-cil.
•
Bij gevaar voor oververhitting dient u het
optimale motortoerental van 2300–3000
omw/min aan te houden voor optimale
koelvloeistofcirculatie.
Gerelateerde informatie
•
Rijden met een aanhanger* (p. 319)
08 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger* automatische versnellingsbak
Op een helling wegrijden
Trekhaak*
1. Trap het rempedaal in.
Wanneer u bij warm weer een aanhanger
sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er
mogelijk gevaar voor oververhitting.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen.
•
Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
•
Bij oververhitting gaat op het instrumentenpaneel een waarschuwingssymbool
branden en verschijnt er een melding op
het bestuurdersdisplay. Neem het gegeven advies in acht.
3. Los de parkeerrem.
Gerelateerde informatie
•
Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 285)
Als de auto is uitgerust met een afneembare/
demontabele trekhaak, moet u de montagevoorschriften voor bevestiging van het
afneembare/demontabele deel zorgvuldig in
acht nemen, zie Afneembare trekhaak* monteren/demonteren (p. 323).
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Steile hellingen
•
Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan
de motor "aankan" – rijden in een hoge
versnelling bij een laag motortoerental is
niet altijd zuinig.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Zet de keuzehendel in stand P.
4. Haal uw voet van het rempedaal.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
•
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
•
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster
groen van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
N.B.
Als er een koppeling met trillingsdemper
wordt gebruikt, mag de trekkogel niet worden gesmeerd.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
321
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
Rijden met een aanhanger* (p. 319)
Afneembare trekhaak* - opbergen
Afneembare trekhaak* - specificaties
Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte.
Specificaties voor een afneembare trekhaak.
Specificaties
G021485
•
Opbergruimte trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde
plaats op.
Gerelateerde informatie
08
322
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Afneembare trekhaak* - specificaties
(p. 322)
•
Afneembare trekhaak* - monteren/
demonteren (p. 323)
•
Rijden met een aanhanger* (p. 319)
08 Starten en rijden
•
Rijden met een aanhanger* (p. 319)
Afneembare trekhaak* - monteren/
demonteren
U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren:
A
998
B
81
C
854
D
427
E
109
F
282
G
Langsligger
H
Middelpunt kogel
Gerelateerde informatie
•
Afneembare trekhaak* - monteren/
demonteren (p. 323)
•
Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 322)
Verwijder de afdekking door de pal in te
en de afdekking vervolgens
drukken
.
recht naar achteren te trekken
G021487
Afmetingen, bevestigingspunten
(mm)
G018928
Aanbrengen
Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
323
08 Starten en rijden
Het controlevenster moet rood van kleur
zijn.
Het controlevenster moet groen van kleur
zijn.
G021494
G021490
G021488
||
Controleer of de trekhaak vastzit door
deze stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
08
324
G000000
G021489
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de
rest van het kogelsegment vetvrij en
droog.
G021495
08 Starten en rijden
Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Controleer of de veiligheidskabel van de
aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
Druk de vergrendelingsknop
in en
totdat u een klik
draai deze linksom
hoort.
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u
deze in de auto bewaart, zie Afneembare
trekhaak* - opbergen (p. 322).
G018929
Trekhaak verwijderen
Duw de afdekking er zo ver op dat deze
vastklikt.
08
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
325
08 Starten en rijden
||
Gerelateerde informatie
•
•
•
Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 322)
Afneembare trekhaak* - specificaties
(p. 322)
Rijden met een aanhanger* (p. 319)
Trailer Stability Assist (TSA)21
Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist)
heeft tot taak de auto met een aanhanger/
caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont.
TSA maakt deel uit van de stabiliteitsregeling
(p. 188) ESC22.
Functie
Bij alle combinaties van auto en aanhanger/
caravan kan het bekende verschijnsel met
pendelbewegingen optreden. Doorgaans
treedt het verschijnsel pas bij hoge snelheden
op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading
verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar
achteren), bestaat er ook op lagere snelheden
gevaar voor slingeren.
Een pendelbeweging begint altijd met een
van de onderstaande factoren, zoals.:
•
De auto met aanhanger/caravan staat
bloot aan rukwinden.
•
De auto met aanhanger/caravan rijdt over
een oneffen wegdek of over hobbels.
•
Grote stuurbewegingen.
Bediening
Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks te dempen, waardoor de combinatie
moeilijk bestuurbaar wordt en het gevaar
08
21
22
326
Inbegrepen bij montage van een originele Volvo-trekhaak.
(Electronic Stability Control) - elektronische stabiliteitsregeling.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
bestaat op de verkeerde weghelft of naast de
weg te belanden.
Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en in het bijzonder de dwarsbewegingen. Als een neiging tot
pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig
afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd
wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer
onder controle te krijgen.
Als de pendelbeweging ondanks de eerste
ingreep van het TSA-systeem niet wordt
gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht
van de motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de combinatie weer stabiel is,
beëindigt het systeem de regeling waarna u
de auto weer volledig onder controle hebt.
Voor meer informatie, zie Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - bediening (p. 189).
Overig
TSA kan op hogere snelheden ingrijpen.
N.B.
De TSA-functie wordt uitgeschakeld, als u
de Sport-stand kiest, zie Elektronische
stabiliteitsregeling (ESC) - algemeen
(p. 188).
08 Starten en rijden
Het TSA grijpt mogelijk niet in als u met grote
stuurbewegingen zelf de pendelbeweging
tracht op te heffen, aangezien het systeem
dan niet kan bepalen of de pendelbeweging
wordt veroorzaakt door de aanhanger/caravan of door u.
Wanneer het TSA actief is, knippert
het ESC22-symbool op het instrumentenpaneel.
Gerelateerde informatie
•
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 188)
Slepen
WAARSCHUWING
Bij het slepen wordt de auto met behulp van
een sleepkabel voortgetrokken door een
ander voertuig.
Ga alvorens te slepen na wat de wettelijk
voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is.
1. Schakel de alarmlichten van de auto in.
2. Bevestig de sleepkabel aan het sleepoog.
3. Ontgrendel het stuurslot door de transpondersleutel in het contactslot te plaatsen en de START/STOP ENGINE-knop
lang in te drukken – sleutelstand II wordt
geactiveerd, zie Sleutelstanden (p. 79)
voor meer informatie over de sleutelstanden.
•
Controleer voordat u gaat slepen of
het stuurslot eraf is.
•
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags gedeactiveerd.
•
Haal nooit de transpondersleutel uit
het contactslot als de auto wordt
gesleept.
WAARSCHUWING
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet
als de motor is uitgeschakeld. Er moet
ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden getrapt en de besturing gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
4. Laat de transpondersleutel tijdens het
slepen in het contactslot zitten.
Handgeschakelde versnellingsbak
5. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen – zo voorkomt u schokken.
–
6. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
Alvorens te slepen:
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de parkeerrem.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
parkeerrem.
08
22
(Electronic Stability Control) - elektronische stabiliteitsregeling.
}}
327
08 Starten en rijden
||
BELANGRIJK
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
•
Sleep auto's met een automatische
versnellingsbak niet met een hogere
snelheid dan 80 km/h (50 mph) en niet
verder dan 80 km.
Sleepoog
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog bevestigen
De afdekking op het bevestigingspunt
voor het sleepoog bestaat in twee versies
die op verschillende manieren moeten
worden geopend:
•
U opent de versie met een uitsparing
door een muntstuk of iets dergelijks in
de uitsparing aan te brengen en de
afdekking los te werken. Klap de
afdekking daarna helemaal los en verwijder deze.
•
Bij de andere versie zit er een markering langs de ene zijde of in een hoek:
Duw met uw vinger op deze markering
terwijl u de tegenoverliggende zijde/
hoek met een muntstuk of iets dergelijks openklapt – de afdekking klapt
rond de middellijn open en kan vervolgens worden verwijderd.
Starten met hulpaccu
Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik
een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart, zie Starthulp met accu (p. 282).
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken bij
pogingen om de motor via slepen aan het
draaien te krijgen.
Schroef het sleepoog tot aan de flens
naar binnen. Draai het oog stevig vast
met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Draai het sleepoog na gebruik los en leg
het weer op zijn plek.
Alarmlichten (p. 96)
Sleepoog (p. 328)
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
Bergen (p. 329)
Afdekking voor en achter verwijderen.
08
328
Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de kofferbak ligt.
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken
om de auto op een bergingsvoertuig met
laadvloer te trekken. De positie van de auto
en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk
is. Als de oprijbanen van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de
bodemvrijheid onder de auto onvoldoende is,
08 Starten en rijden
kan de auto beschadigd raken wanneer men
deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo nodig
met behulp van de hefinrichting van het bergingsvoertuig op de auto.
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de
laadvloer wordt getrokken.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging wanneer de auto bijvoorbeeld in
een sloot is gereden of vast is komen te
zitten. Roep professionele hulp in voor
berging.
Gerelateerde informatie
•
•
Slepen (p. 327)
Bergen (p. 329)
Bergen
BELANGRIJK
Met bergen wordt het afslepen bedoeld met
een ander voertuig.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
Roep professionele hulp in voor berging.
•
Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken
om de auto op een bergingsvoertuig met
laadvloer te trekken. De positie van de auto
en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk
is. Als de oprijbanen van het bergingsvoertuig
onder een te grote hoek staan of als de
bodemvrijheid onder de auto onvoldoende is,
kan de auto beschadigd raken wanneer men
deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo nodig
met behulp van de hefinrichting van het bergingsvoertuig op de auto.
Bij auto's met vierwielaandrijving
(AWD) geldt een maximale snelheid
van 70 km/h (40 mph). Er geldt bovendien een maximale afstand van 50 km.
Gerelateerde informatie
•
Slepen (p. 327)
WAARSCHUWING
Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de
laadvloer wordt getrokken.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging wanneer de auto bijvoorbeeld in
een sloot is gereden of vast is komen te
zitten. Roep professionele hulp in voor
berging.
08
329
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden
Banden - onderhoud
Nieuwe banden
Rijeigenschappen
Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van
de auto.
09
Om verschillen in profieldiepte te voorkomen
en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de voor- en achteras onderling van
plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na
ca. 5000 km uit en doe dat daarna om de
10.000 km opnieuw.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de band worden aangetast. Dit geldt
voor alle banden die u voor toekomstig
gebruik hebt opgeslagen. Scheurvorming of
verkleuring zijn de zichtbare kenmerken van
een band die ongeschikt is voor gebruik.
Slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning (p. 333) levert een
gelijkmatiger slijtage op. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de
wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten.
De banden bieden onder meer draagvermogen, grip op de ondergrond, trillingsdemping
en beschermen de wielen tegen slijtage.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op het wegdek
stukje bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de cijferreeks
geven de week en het jaar van productie aan.
Het is de zogeheten DOT-code (Department
of Transportation) van de band en bestaat uit
vier cijfers, bijvoorbeeld 1510. De band op de
afbeelding is de 15e week van het jaar 2010
geproduceerd.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats, als u niet
zeker bent van de profieldiepte. Als er al een
duidelijk verschil zit in de slijtage (> 1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen
de minst versleten banden altijd op de achteras te zitten. Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de auto rechtuit blijft rijden in
plaats van uit te breken met de achterkant
waarbij u mogelijk de controle over de auto
verliest. Daarom is belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de voorwielen grip verliezen.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan voor een
oncontroleerbare auto zorgen.
}}
331
09 Wielen en banden
09
||
Opslag
Banden - draairichting
Bewaar wielen met omgelegde banden altijd
liggend of hangend - nooit staand.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band.
Gerelateerde informatie
Banden - maten (p. 335)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - draairichting (p. 332)
•
•
•
•
•
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van voor
naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed
afvoeren. Monteer de banden met het diepste
profiel altijd op de achteras (om het gevaar
voor slippen te verminderen).
332
Houd de aanbevolen bandenspanning aan
die in de bandenspanningstabel (p. 427)
staat.
Gerelateerde informatie
Banden - slijtage-indicator (p. 333)
G021778
•
•
•
•
•
N.B.
Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde
maat en ook hetzelfde merk voor beide
wielparen hebt.
Banden - maten (p. 335)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - onderhoud (p. 331)
Banden - slijtage-indicator (p. 333)
09 Wielen en banden
•
Banden - slijtage-indicator
Een slijtage-indicator toont de status van de
profieldiepte van de band.
Banden - onderhoud (p. 331)
Banden - bandenspanning
09
Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de
eenheid bar.
Bandenspanning controleren
G021829
Controleer iedere maand de bandenspanning.
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het bandenprofiel staan. Op de
zijkant van de band staan de letters TWI
(Tread Wear Indicator). De slijtage-indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band
dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van
het profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het
wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 335)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - draairichting (p. 332)
}}
333
09 Wielen en banden
09
||
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat.
•
ECO-bandenspanning1.
Bandenspanningssticker
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de
geproduceerde weggeluiden en de rijeigenschappen.
N.B.
In de loop van de tijd daalt de bandenspanning. Dit is een natuurlijk verschijnsel.
De bandenspanning schommelt ook door
de omgevingstemperatuur.
1
334
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
G021830
Controleer de bandenspanning als de banden
koud zijn. De aangegeven bandenspanning
geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur). Al na
enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op.
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading
en snelheid. De bandenspanning staat ook in
de bandenspanningstabel, zie Banden goedgekeurde bandenspanning (p. 427).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik
bij snelheden tot 160 km/h (100 mph) wordt
de ECO-bandenspanning geadviseerd (zowel
bij maximale als bij lichte belading), zie Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 427).
Banden - maten (p. 335)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - onderhoud (p. 331)
Banden - slijtage-indicator (p. 333)
09 Wielen en banden
Wiel- en velgmaten
Banden - maten
Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals
in de onderstaande tabel.
De banden van de auto hebben een bepaalde
maat, zie het voorbeeld in de onderstaande
tabel.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle wiel- (velg-) en
bandcombinaties goedgekeurd zijn.
Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke aanduiding: 215/55R16 97W.
215
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
7
Velgbreedte in inch
J
Profiel velgrand
R
Aanduiding voor radiaalbanden
16
Velgdiameter van de band
16
Velgdiameter van de band (")
50
Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf)
97
Aanduiding van het draagvermogen
van de band, lastindex (LI)
W
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band, snelheidsklasse (SS).
(In dit geval 270 km/h (168 mph)).
Gerelateerde informatie
•
•
Banden - maten (p. 335)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 427)
De typegoedkeuring van de auto geldt in
combinatie met bepaalde wielen en banden.
09
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
•
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - draairichting (p. 332)
Banden - onderhoud (p. 331)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 427)
Wiel- en velgmaten (p. 335)
WAARSCHUWING
Gebruik nooit 19 inch wielen op auto’s
zonder de opties R-Design of Sportchassis. Het gebruik van 19 inch wielen op
auto’s met een standaardchassis houdt
een veiligheidsrisico in, kan chassisschade
veroorzaken en leidt tot slechtere rijeigenschappen.
335
09 Wielen en banden
09
Banden - lastindex
Banden - snelheidsklassen
De lastindex geeft het vermogen van een
band aan om een bepaalde last te dragen.
Elke band is bestand tegen een bepaalde
maximumsnelheid en behoort daardoor tot
een bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed
Symbol).
Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex
(LI). Het gewicht van de auto bepaalt het
draagvermogen van de banden. De minimaal
toelaatbare index staat in de lastindextabel,
zie de paragraaf "Specificaties" in de
gedrukte gebruikershandleiding.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Banden - maten (p. 335)
Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 427)
Banden - snelheidsklassen (p. 336)
Banden - onderhoud (p. 331)
De snelheidsklasse van de banden moet
minimaal overeenkomen met de topsnelheid
van de auto. In de tabel hieronder staat de
toegestane maximumsnelheid voor de desbetreffende snelheidsklasse (SS). De enige uitzondering hierop vormen winterbanden,
(p. 337)2, waarvoor een lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden. Bij gebruik van
dergelijke banden mag u niet sneller rijden
dan de maximumsnelheid die voor het
gebruikte bandentype geldt (voor klasse Q
geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h (100 mph)). De gesteldheid van het
wegdek is bepalend voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de banden.
N.B.
In de tabel staat de maximaal toegestane
snelheid.
2
336
Q
160 km/h (100 mph) (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h (118 mph)
Onder winterbanden worden zowel banden met als zonder "spikes" verstaan.
H
210 km/h (130 mph)
V
240 km/h (149 mph)
W
270 km/h (168 mph)
Y
300 km/h (186 mph)
WAARSCHUWING
De auto moet worden uitgerust met banden die minimaal de gespecificeerde lastindex (p. 336) (LI) en snelheidsklasse (SS)
hebben. Bij gebruik van banden met een te
lage lastindex of snelheidsklasse kunnen
de banden oververhit raken.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 335)
Banden - lastindex (p. 336)
Banden - draairichting (p. 332)
09 Wielen en banden
Wielbouten
Winterbanden
Sneeuwkettingen gebruiken
De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn.
Winterbanden zijn banden die aan de winterse
toestand van de weg zijn aangepast.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit
sneller dan 50 km/h (31 mph) met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
BELANGRIJK
U dient de wielbouten aan te halen met
140 Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de
boutverbinding beschadigd raken.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van
de originele accessoires van Volvo. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Afsluitbare wielbouten*
Afsluitbare wielbouten* zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Onder de
vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop
voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen.
Gerelateerde informatie
•
Wiel- en velgmaten (p. 335)
Winterbanden
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van
de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type
winterbanden op alle vier de wielen.
WAARSCHUWING
N.B.
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen
of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en op de banden velgafmetingen. Bij twijfel adviseert
Volvo u een erkende Volvo-werkplaats om
advies te vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan ernstige schade aan de auto
veroorzaken en aanleiding geven tot een
ongeluk.
Volvo adviseert u om met een Volvo-dealer
te overleggen over welke velg en welk type
band het best geschikt zijn.
Banden met "spikes"
Winterbanden met "spikes" moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de "spikes" hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de "spikes" langer
mee.
N.B.
09
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 338)
De wettelijke voorschriften voor het
gebruik van banden met spikes verschillen
per land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom adviseert Volvo een
minimale profieldiepte van 4 mm voor winterbanden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
337
09 Wielen en banden
09
Wielen verwisselen - wielen
verwijderen
De wielen van de auto kunnen worden verwisseld door bijvoorbeeld winterbanden.
Reservewiel*
Het optionele reservewiel is leverbaar in twee
verschillende uitvoeringen: voor opslag in een
opbergzak of voor plaatsing onder de bagageruimtevloer.
De volgende instructies gelden alleen voor
reservewielen die bij wijze van extra bij de
auto zijn gekocht. Als de auto niet is uitgerust met een reservewiel - zie de informatie
over de noodreparatieset voor banden (TMK)
(p. 346).
Een compact reservewiel (Temporary Spare)
is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en
dient dan ook zo spoedig mogelijk door een
normaal wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de auto verandert mogelijk bij
gebruik van een compact reservewiel. Het
compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er
daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto niet in een autowasstraat. Als het reservewiel op de vooras
zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven auto's is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd.
In de bandenspanningstabel (p. 427) staat de
juiste bandenspanning voor het reservewiel.
338
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
•
Rijd met een reservewiel op de auto
nooit sneller dan 80 km/h (50 mph).
•
Rijd nooit met de auto, als deze is
voorzien van meer dan één reservewiel
van het type "Temporary Spare".
Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag
in de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde
doorloopbout waarmee het blok schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in
positie. Het blok schuimrubber bevat al het
gereedschap.
Het reservewiel wordt aangeleverd in een zak
die op de bagageruimtevloer moet worden
bewaard en met riemen worden bevestigd.
ankeringsogen. Bevestig de lange band in
een van de verankeringsogen, leid de band
rond het reservewiel en door de onderste
handgreep. Zet de korte spanband vast op de
lange. Bevestig deze in het andere verankeringsoog en trek aan.
Reservewiel onder bagageruimtevloer
erbij nemen
1. Klap de bagageruimtevloer omhoog.
2. Draai de bevestigingsbout los.
3. Til het blok schuimrubber met het
gereedschap erin uit de auto.
4. Til het reservewiel uit de auto.
Reservewiel in opbergzak erbij nemen.
1. Haal de spanbanden los, til het reservewiel uit de bagageruimte en haal het uit
de reservewielzak.
2. Klap de bagageruimtevloer omhoog.
3. Til het gereedschap en de krik uit het blok
schuimrubber.
Verwijderen
Zet een gevarendriehoek (p. 342) op, als u
een wiel moet verwisselen langs een drukke
weg. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op
een stevige en horizontale ondergrond staan.
Auto's met twee verankeringsogen.
Draai de handgreep van de reservewielzak
naar de achterbank toe. Bevestig de haken
van de vastgenaaide spanbanden in de ver-
09 Wielen en banden
1. Haal de parkeerrem (p. 305) aan en schakel de achteruitversnelling in of zet de
keuzehendel in stand P, als de auto een
automatische versnellingsbak heeft.
09
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale
hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
2. Neem de krik*, de wielsleutel*, het
demontagegereedschap voor de wieldop*
en voor de kunststof boutafdekkingen
erbij die in het blok schuimrubber liggen.
Bij gebruik van een andere krik, zie Auto
opnemen (p. 357).
Demontagegereedschap voor kunststof boutafdekkingen.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor bijvoorbeeld grote houten blokken of grote stenen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
339
09 Wielen en banden
09
||
4. Auto's met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast de volledige
wieldoppen om ze vervolgens los te trekken. De wieldoppen zijn ook met de hand
in één snelle beweging los te trekken.
5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag
in de wielsleutel* vast.
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt van de auto.
8. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Breng de krik
omhoog, zodat de flens in de carrosserie
in de groef in de kop van de krik valt.
BELANGRIJK
Het sleepoog dient volledig in de wielsleutel te worden gedraaid.
6. Verwijder de kunststof boutafdekkingen
met het demontagegereedschap.
7. Draai de wielbouten ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn
en niet te hellen.
9. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
340
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Wielen en banden
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een
krik staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen
van een wiel langs de kant van de weg
moeten eventuele passagiers op een veilige plek gaan staan.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met
een krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden opgekrikt of voor langere tijd zoals bij
het onderling roteren van de banden wordt
het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Wielen verwisselen - monteren (p. 341)
Wielen verwisselen - monteren
Het is belangrijk dat het wiel op de juiste
manier gemonteerd wordt.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
09
Aanbrengen
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op een
krik staat.
Laat nooit passagiers in de auto zitten als
deze op een krik staat. Bij het verwisselen
van een wiel langs de kant van de weg
moeten eventuele passagiers op een veilige plek gaan staan.
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten
stevig aan.
4. Draai de wielbouten kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielbouten stevig
aanhaalt. Haal aan met 140 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
5. Plaats de kunststof doppen terug op de
wielbouten.
6. Plaats een volledige wieldop terug (indien
aanwezig).
Krik* (p. 343)
Gevarendriehoek (p. 342)
Wielbouten (p. 337)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
341
09 Wielen en banden
09
||
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
N.B.
De ventieluitsparing in de wieldop bij het
monteren aanbrengen over het ventiel in
de velg.
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 338)
•
•
•
Krik* (p. 343)
Gevarendriehoek (p. 342)
Wielbouten (p. 337)
Gevarendriehoek
De gevarendriehoek wordt gebruikt om
andere verkeersdeelnemers te waarschuwen
voor een stilstaande auto.
Opbergen en uitklappen
De gevarendriehoek is met twee clips aan de
binnenkant van het kofferdeksel bevestigd.
Haal de houder met de gevarendriehoek
los door de twee kliksluitingen naar buiten te trekken.
Neem de gevarendriehoek uit de houder,
klap de driehoek uit en bevestig de twee
losse zijden aan elkaar.
Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Volg de geldende bepalingen voor het
gebruik van een gevarendriehoek. Zet de
gevarendriehoek op een passend punt achter
de auto op om achteropkomend verkeer tijdig
te waarschuwen.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
na gebruik stevig in de kofferbak vastzit.
342
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Wielen en banden
Gereedschap
Krik*
In de auto is onder meer een sleepoog, een
krik* en een wielsleutel* aanwezig.
U gebruikt een krik om de auto op te nemen,
bijvoorbeeld bij het verwisselen van banden.
Gereedschap, terugplaatsen
09
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de
schroef van de krik altijd goed ingevet.
N.B.
Onder de bagageruimtevloer vindt u het
sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*. Hier is tevens ruimte voor de dop van
de afsluitbare wielbouten en het gereedschap
voor de kunststof boutafdekkingen.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met
een krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden opgekrikt of voor langere tijd zoals bij
het onderling roteren van de banden wordt
het gebruik van een garagekrik geadviseerd. Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van de desbetreffende krik.
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze tot in de juiste stand omlaaggedraaid
wordt.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Noodreparatieset voor banden (p. 346)
Sleepoog (p. 328)
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 338)
Gerelateerde informatie
•
•
Gevarendriehoek (p. 342)
Noodreparatieset voor banden (p. 346)
Wielbouten (p. 337)
Krik* (p. 343)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
343
09 Wielen en banden
09
EHBO-set*
Bandenspanningscontrole*3
Bandenspanningscontrole (TM)*5
De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp.
De bandenspanningscontrole waarschuwt u
met een controlesymbool op het instrumentenpaneel voor een te lage bandenspanning in
één of meer banden van de auto.
De TM (Tyre Monitor) bepaalt aan de hand
van de rotatiesnelheid van de banden of de
bandenspanning in orde is.
Op bepaalde markten is bandenspanningscontrole wettelijk verplicht. Ook mét dit systeem moet u het normale onderhoud aan de
banden blijven plegen.
Controlesymbool voor bandenspanningscontrole
Gerelateerde informatie
•
Onder de vloer in de kofferbak ligt een EHBOkit.
Bandenspanningscontrole (TM)* (p. 344)
Systeembeschrijving
Bij een te geringe bandenspanning verandert
de diameter en daarmee ook de rotatiesnelheid van de band. Aan de hand van onderlinge vergelijkingen kan het systeem vaststellen of de spanning in een of meer banden te
gering is.
Ook mét dit systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
Meldingen
Bij een te lage bandenspanning gaat het controlelampje ( ) op het instrumentenpaneel
branden en verschijnt een van de volgende
meldingen:
• Bandenspanning laag Controleren,
afstellen, kalibreren
• Bandensp.systeem Service vereist
• Bandensp.systeem Momenteel niet
besch.
3
5
344
Standaard op bepaalde markten.
Standaard op bepaalde markten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Wielen en banden
WAARSCHUWING
4. Kies het menu Bandencontrole.
•
Een verkeerde bandenspanning kan
tot bandenpech leiden, waarbij u de
controle over de auto kunt verliezen.
•
Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
5. Kies Stel bandenspan. af. Druk op OK
om te bevestigen dat u de bandenspanning van alle banden gecontroleerd en zo
nodig aangepast hebt. De kalibratie gaat
vervolgens van start.
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het TM, gaat
het controlesymbool
op het instrumentenpaneel eerst zo'n 1 minuut lang knipperen waarna het continu blijft branden. Er
verschijnt tevens een melding op het
instrumentenpaneel.
Meldingen verwijderen
1. Controleer met een manometer de bandenspanning van alle banden.
2. Pomp de band(en) op tot de juiste spanning zoals aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier).
3. Herkalibreer de TM in MY CAR.
N.B.
Controleer de bandenspanning bij koude
banden om de verkeerde bandenspanning
tegen te gaan. Koude banden hebben
dezelfde temperatuur als de omgeving (na
ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers
rijden worden de banden warm en loopt de
spanning op.
TM kalibreren
TM kan alleen correct werken, wanneer er
een referentiewaarde voor de bandenspanning is vastgesteld. Dit moet na iedere bandenwissel of wijziging in de bandenspanning
gebeuren door het systeem te herkalibreren
in MY CAR.
Zo moet u de bandenspanning aanpassen
voor ritten met een zware lading of op hoge
snelheden (meer dan 160 km/h (100 mph)).
Herkalibreer het systeem vervolgens.
Herkalibreren
U verricht instellingen met de knoppen op de
middenconsole, zie MY CAR (p. 113).
1. Schakel het contact uit.
2. Pomp alle banden op tot de gewenste
spanning zoals aangegeven op de bandenspanningssticker die op de B-stijl aan
de bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) zit en kies de sleutelstand II,
zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 80).
09
6. Start de auto en maak een rit.
> Tijdens de rit vindt de herkalibratie
plaats die op ieder gewenst moment
kan worden afgebroken. Wordt de
motor afgezet tijdens een lopende herkalibratie, wordt deze tijdens een volgende rit voortgezet. Het systeem
geeft geen bevestiging na afloop van
de kalibratie.
De nieuwe referentiewaarde is van kracht,
totdat u de stappen 1–5 herhaalt.
N.B.
Let erop dat u het TM na iedere bandenwissel of aanpassing van de bandenspanning moet herprogrammeren. Als er geen
nieuwe referentiewaarden worden opgeslagen, kan het systeem niet goed werken.
N.B.
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
3. Open het menusysteem MY CAR.
}}
345
09 Wielen en banden
09
||
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
•
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en
zijn moeilijk los te draaien.
Status systeem en banden
U kunt de actuele status van het status en de
banden controleren op het beeldscherm van
de middenconsole.
1. Open het menusysteem MY CAR.
2. Kies het menu Bandencontrole.
> De status van de bandenspanningswaarden wordt aangegeven met kleurcodes.
De status wordt voor alle banden afzonderlijk
aangegeven met een bepaalde kleur:
346
•
•
Alle wielen groen: het systeem werkt naar
behoren en voor alle banden ligt de
actuele bandenspanning iets boven het
aanbevolen niveau.
•
Eén oranje wiel: de bandenspanning van
het desbetreffende wiel is te gering.
•
Alle wielen oranje: de bandenspanning
van twee of meer wielen is te gering.
•
Alle wielen grijs en het bericht
Bandensp.systeem Momenteel niet
besch.: bandenspanningssysteem
momenteel niet actief. U moet mogelijk
korte tijd sneller dan 30 km/h (20 mph) rijden voordat het systeem weer actief is.
Alle wielen grijs in combinatie met de
melding Bandensp.systeem Service
vereist: er is een storing opgetreden in
het systeem. Neem contact op met een
Volvo-dealer of -werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
Banden - bandenspanning (p. 333)
Noodreparatieset voor banden
U gebruikt de noodreparatieset voor banden,
Temporary Mobility Kit (TMK), om een gat te
dichten en om de bandenspanning (p. 427) te
controleren en aan te passen.
De noodreparatieset voor banden (p. 347)
bestaat uit een compressor en een bus met
afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om
noodreparaties uit te voeren. Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in het loopvlak
effectief af.
De noodreparatieset voor banden leent zich
minder goed voor banden met een gat in het
zijvlak. Probeer geen banden met de noodreparatieset voor banden af te dichten die grote
groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het repareren van banden
met een lek in het loopvlak.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
09 Wielen en banden
Gerelateerde informatie
•
Noodreparatieset voor banden - positie
(p. 347)
•
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 347)
•
Noodreparatieset voor banden - bediening (p. 348)
•
Gereedschap (p. 343)
Noodreparatieset voor banden positie
Noodreparatieset voor banden overzicht
U gebruikt de noodreparatieset voor banden,
Temporary Mobility Kit (TMK), om een gat te
dichten en om de bandenspanning te controleren en aan te passen.
Overzicht van de onderdelen van de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK).
Locatie noodreparatieset voor banden
De noodreparatieset voor banden zit onder
de bagageruimtevloer.
Gerelateerde informatie
09
De onderdelen liggen onder de bagageruimtevloer.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Voedingskabel
•
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 347)
Bushouder (oranje deksel)
•
Noodreparatieset voor banden (p. 346)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
}}
347
09 Wielen en banden
09
||
Bus met afdichtmiddel
Manometer
Bus met afdichtmiddel
Vervang de bus met afdichtmiddel voordat de
houdbaarheidsdatum verstreken is en na
ieder gebruik. Behandel de vervangen bus als
klein chemisch afval (KCA).
Noodreparatieset voor banden bediening
Repareer een lekke band met de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK).
Noodreparatieset voor banden
De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de voedingskabel en de luchtslang
erbij.
Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact
allergie veroorzaken.
Contact met de huid en ogen vermijden.
4. Schroef het oranje deksel van de compressor los en draai de drop van de bus.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
WAARSCHUWING
N.B.
Wanneer de vloeistof op de huid terechtkomt, moet u de vloeistof met een ruime
hoeveelheid water en zeep verwijderen.
Voor het gebruik de verzegeling van de
bus niet verbreken. Bij het indraaien van
de bus wordt de verzegeling automatisch
verbroken.
Gerelateerde informatie
348
Noodreparatieset voor banden - positie
(p. 347)
•
Noodreparatieset voor banden (p. 346)
Laat een eventuele spijker of iets dergelijks in de lekke band zitten. Het lek is zo
beter af te dichten.
2. Verwijder de sticker met de toegestane
maximumsnelheid (die aan de ene kant
van de compressor zit) en bevestig deze
op het stuurwiel. Rijd nooit sneller dan
80 km/h (50 mph), nadat u de noodreparatieset hebt gebruikt.
WAARSCHUWING
•
1. Plaats een gevarendriehoek en schakel
de alarmlichten in, als u een lekke band
moet afdichten langs een drukke weg.
Voor informatie over de werking van de onderdelen, zie Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 347).
09 Wielen en banden
5. Schroef de bus tot aan de aanslag in de
bushouder vast.
> De bus en de bushouder zijn voorzien
van een terugdraaiblokkering om te
voorkomen dat er afdichtmiddel weglekt. U kunt een vastgeschroefde bus
niet meer uit de bushouder losdraaien.
De bus is alleen in een werkplaats te
verwijderen; geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan de huid irriteren. Bij
huidcontact het middel direct met zeep en
water afspoelen.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
6. Draai het ventieldopje van de band los.
Controleer of het drukreduceerventiel van
de luchtslang volledig vastgeschroefd is
en schroef de ventielaansluiting tot aan
de aanslag vast over de draadwindingen
van het bandventiel.
7. Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
N.B.
Zorg er bij een actieve compressor voor
dat geen van de overige 12V-aansluitingen
in gebruik is.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
8. Schakel de compressor in door de knop
in stand I te zetten.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u
de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt
dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
N.B.
Als de compressor start, kan de druk tot 6
bar toenemen. De druk daalt echter na ca.
30 seconden.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
09
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te
lezen. De bandenspanning moet minimaal
1,8 bar en maximaal 3,5 bar bedragen.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8
bar, is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
11. Schakel de compressor uit en koppel de
voedingskabel los.
12. Schroef de luchtslang los van het bandventiel en plaats het ventieldopje terug op
de band.
13. Plaats de beschermdop op de luchtslang
om te voorkomen dat restanten afdichtmiddel weglekken.
}}
349
09 Wielen en banden
09
||
14. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
minstens 3 km af bij een snelheid van
maximaal 80 km/h (50 mph), zodat het
afdichtmiddel de band kan afdichten.
N.B.
Tijdens de eerste slagen die de band ronddraait spuit er afdichtvloeistof uit het gat.
WAARSCHUWING
Houd bij het wegrijden omstanders uit de
buurt van de auto om te voorkomen dat ze
afdichtmiddel op zich krijgen. De afstand
moet minimaal twee meter zijn.
15. Controle achteraf:
Sluit de luchtslang weer aan op het bandventiel en controleer de bandenspanning
met de manometer, zie Noodreparatieset
voor banden - reparatieresultaat controleren (p. 350).
Gerelateerde informatie
•
•
•
6
350
Noodreparatieset voor banden (p. 346)
Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren (p. 350)
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 347)
1 bar = 100 kPa.
Noodreparatieset voor banden reparatieresultaat controleren
Wanneer een band gerepareerd is met de
noodreparatieset, Temporary Mobility Kit
(TMK), moet na zo'n 3 kilometer rijden een
tweede controle plaatsvinden.
Bandenspanning controleren
Neem de noodreparatieset voor banden erbij.
De compressor moet uitstaan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
•
Als de bandenspanning lager is dan
1,3 bar6, werd de band onvoldoende
afgedicht. Beëindig in dat geval de rit.
Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats.
•
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar6, moet u de band oppompen
tot de spanning die staat aangegeven
in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde bandenspanning
(p. 427).
•
Laat lucht uit de band ontsnappen, als
de bandenspanning te hoog is.
1. Draai het ventieldopje van de band los.
Neem de luchtslang erbij en schroef de
ventielaansluiting ervan tot aan de aanslag vast over de draadwindingen van het
bandventiel.
3. Als de band moet worden opgepompt:
1. Sluit de voedingskabel aan op de
dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start
de auto.
2. Schakel de compressor in en pomp de
band op tot de vermelde spanning in
de bandenspanningstabel.
3. Schakel de compressor uit.
09 Wielen en banden
4. Koppel de noodreparatieset voor banden
los, plaats de beschermdop op de luchtslang, vouw de luchtslang op en plaats
deze in de daarvoor bestemde uitsparing.
Leg de TMK in de bagageruimte.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los, aangezien deze een
blokkering heeft om lekkage te voorkomen.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
Volvo adviseert u de auto naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden om
de beschadigde band te laten vervangen/
repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel
door dat er afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd na het gebruik van de noodreparatieset voor banden niet sneller dan 80 km/h
(50 mph). Volvo adviseert een bezoek aan
een erkende Volvo-werkplaats voor een
inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden). Het personeel kan
bepalen of de band te repareren is of moet
worden vervangen.
5. Plaats het ventieldopje terug op de band.
N.B.
•
•
Plaats na het oppompen van een band
altijd het ventieldopje terug om schade
aan het ventiel door grind, vuil e.d. te
voorkomen.
Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en zijn
moeilijk los te draaien.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het
vervangen over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Noodreparatieset voor banden (p. 346)
Noodreparatieset voor banden - bediening (p. 348)
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 347)
Noodreparatieset voor banden banden oppompen
09
De originele banden van de auto kunnen worden opgepompt met behulp van de compressor in de noodreparatieset voor banden
(p. 347).
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat
de knop in stand 0 staat en neem de voedingskabel en de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van de band los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang tot aan de aanslag vast over
de draadwindingen van het bandventiel.
3. Sluit de voedingskabel aan op de dichtstbijzijnde 12V-aansluiting en start de auto.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die afgesloten zijn of
onvoldoende ventilatie hebben.
WAARSCHUWING
Laat kinderen niet zonder toezicht in de
auto achter als de motor draait.
4. Schakel de compressor in door de knop
in stand I te zetten.
}}
351
09 Wielen en banden
09
||
BELANGRIJK
Kans op oververhitting. De compressor
mag niet langer dan 10 minuten werken.
5. Pomp de band op tot de spanning die
staat aangegeven in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde
bandenspanning (p. 427). Laat lucht uit
de band ontsnappen, als de bandenspanning te hoog is.
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de voedingskabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug op de band.
Gerelateerde informatie
•
•
•
352
Noodreparatieset voor banden (p. 346)
Noodreparatieset voor banden - overzicht
(p. 347)
Noodreparatieset voor banden - reparatieresultaat controleren (p. 350)
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service
Serviceprogramma van Volvo
10
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van de auto op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van
het Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo.
Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een
erkende Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Om de garantie van Volvo te laten gelden,
moet u het Service- en garantieboekje
controleren en volgen.
Gerelateerde informatie
•
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen (p. 369)
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie*1
3. Geef de Volvo-dealer van uw keuze aan
voor service en reparatie.
Informatie over geplande afspraken voor service en reparatie bekijken vanuit een auto met
internetverbinding.
4. Kies het communicatiekanaal van uw
voorkeur (telefoon). Eventuele boekingsgegevens worden altijd naar de auto
gestuurd en per e-mail toegezonden.
Deze dienst1 vormt een handige manier om
rechtstreeks vanuit de auto een afspraak voor
service of reparatie te maken. De autogegevens worden doorgestuurd naar uw dealer ter
voorbereiding op het werkplaatsbezoek. De
dealer neemt contact met u op om een
afspraak te plannen. Op bepaalde markten
herinnert het systeem u tijdig aan geplande
afspraken en het navigatiesysteem2 kan
bovendien in begeleiding naar de werkplaats
voorzien.
354
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Om boekingsinformatie te kunnen versturen vanuit de auto en te kunnen ontvangen moet de auto internetverbinding hebben, zie het supplement bij Sensus Infotainment voor informatie over het tot
stand brengen van een internetverbinding.
•
Omdat de boekingsinformatie via uw
eigen mobiele abonnement wordt verzonden, krijgt u de vraag te zien of u informatie wenst te versturen. De vraag wordt
eenmaal gesteld, waarna het gegeven
antwoord een bepaalde tijd geldt voor de
gekozen aansluiting.
•
Om de dienst te kunnen gebruiken en
systeemcommunicatie mogelijk te maken
via het beeldscherm in de auto moet u
meldingen/pop-ups goedkeuren. Druk in
de normaalweergave van de bron MY
CAR op OK/MENU en daarna op
Service & reparatie Berichten
weergeven.
Volvo ID en My Profile
•
Registreer een Volvo ID. Voor meer informatie over het aanmaken van een Volvo
ID, zie Volvo ID (p. 22).
•
Log in op de webportal My Volvo, ga naar
My Profile en doe het volgende:
2. Controleer of uw contactgegevens kloppen.
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor Sensus Navigation.
•
Voordat de dienst te gebruiken is
1. Controleer of de auto gekoppeld is aan
My Profile.
1
2
Voorwaarden voor het maken van
afspraken vanuit de auto
10 Onderhoud en service
Dienst gebruiken
Alle menu’s en instellingen zijn vanuit de normaalweergave in MY CAR te bereiken door
OK/MENU in te drukken gevolgd door
Service & reparatie.
Wanneer het tijd is voor service en in sommige gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe is, wordt dat aangegeven via een
melding op het instrumentenpaneel (p. 64) en
via een pop-upmenu op het beeldscherm.
Het servicelampje en de servicemelding
op het instrumentenpaneel doven.
• Nee - Er verschijnen geen pop-upmeldin-
gen meer op het beeldscherm. De melding op het instrumentenpaneel blijft
staan. Na dit alternatief is het nog altijd
mogelijk om vanuit de auto handmatig
een nieuw boekingsverzoek te starten, zie
onder.
• Uitstellen - Het pop-upmenu verschijnt
de volgende keer dat u de auto start
opnieuw.
Handmatig afspraak maken voor
servicebeurt en reparatie1
1. Druk op de MY CAR-knop op de middenconsole en kies Service & reparatie
Dealerinformatie Verzoek service of
reparatie.
> De autogegevens worden automatisch
doorgestuurd naar uw dealer.
Servicemelding op beeldscherm.
2. De dealer stuurt een boekingsvoorstel
naar de auto.
Betekenis van de alternatieven in het popupmenu op het beeldscherm:
3. Accepteer het boekingsvoorstel of vraag
een nieuw aan.
• Ja - Er wordt een boekingsverzoek naar
Wanneer u het boekingsvoorstel accepteert,
wordt de boekingsinformatie in de auto opgeslagen, zie Mijn afspraken. De communicatie
tussen u en de auto verloopt automatisch
middels boekingsherinneringen op het beeld-
uw dealer verstuurd, die contact met u
opneemt en u een boekingsvoorstel doet.
1
Geldt voor bepaalde markten.
scherm en begeleiding naar de geboekte
werkplaats.
U kunt een werkplaatsbezoek ook inplannen
via My Volvo. Open Mijn afspraken en kies
voor actualiseren om alle afspraken van My
Volvo te zien.
10
Mijn afspraken1
Toon boekingsinformatie op het beeldscherm
van de auto. Accepteer het boekingsvoorstel
of vraag een nieuw aan.
–
Kies Service & reparatie
afspraken.
Mijn
Dealer bellen1
Via een telefoon met Bluetooth® handsfree
die aan de auto gekoppeld is, kunt u uw dealer bellen. Voor aansluiting van de telefoon,
zie het supplement bij Sensus Infotainment.
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Dealer bellen.
}}
355
10 Onderhoud en service
||
Navigatiesysteem gebruiken1, 2
Geef uw werkplaats als bestemming of deelbestemming aan voor het navigatiesysteem.
10
–
–
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Eén bestemming
inst..
Kies Service & reparatie
Dealerinformatie Toevoegen als
tussenbestemming.
Autogegevens versturen1
De autogegevens worden verstuurd naar de
centrale Volvo-database (niet naar dealers).
Volvo-dealers kunnen de autogegevens vervolgens opvragen aan de hand van het identificatienummer van de auto (VIN3). U vindt het
nummer in het Service- en garantieboekje van
de auto en in de linker onderhoek van de
voorruit.
–
Kies Service & reparatie
Autogegevens versturen.
Boekingsinformatie en autogegevens
Bij het maken van een afspraak voor een servicebeurt vanuit uw auto worden boekingsinformatie en autogegevens verzonden. De
autogegevens bestaan uit gegevens op de
volgende gebieden:
1
2
3
356
Geldt voor bepaalde markten.
Geldt voor Sensus Navigation.
Vehicle Identification Number
•
•
•
•
•
•
servicebehoefte
functiestatus
vloeistofpeilen
Kilometerstand
identificatienummer van de auto (VIN3)
Softwareversie van de auto.
Gerelateerde informatie
•
Volvo ID (p. 22)
10 Onderhoud en service
Auto opnemen
Bij het opnemen van de auto is het belangrijk
dat u de krik of de dragerarmen onder de
voorziene steunpunten in het onderstel van de
auto aanbrengt.
10
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik
van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik
werden geleverd.
}}
357
10 Onderhoud en service
||
10
Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd).
Als u de auto aan de voorkant heft met een
garagekrik, moet u de krik onder een van de
vier hefpunten zetten die verder naar binnen
onder de auto zitten. Als u de auto aan de
achterkant heft met een garagekrik, moet u
de krik onder een van de hefpunten zetten.
Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto opneemt op een tweekoloms
hefbrug, kunt u de voorste en achterste dragerarmen onder de buitenste hefpunten (kriksteunpunten) zetten. Aan de voorkant kunt u
daarvoor ook de binnenste hefpunten gebruiken.
358
Gerelateerde informatie
•
Wielen verwisselen - wielen verwijderen
(p. 338)
10 Onderhoud en service
Motorkap - openen en sluiten
Haal de borghaak naar links om de
motorkap te openen. (De borghaak zit
tussen de koplamp en de radiateurgrille
zoals afgebeeld.)
De motorkap is te openen, wanneer u de
handgreep in de passagiersruimte rechtsom
hebt gedraaid en de pal bij de radiateurgrille
naar links hebt gehaald.
Motorruimte - overzicht
Het overzicht laat een aantal servicegerelateerde componenten zien.
Motorruimte 4-cil.
WAARSCHUWING
10
Controleer of de motorkap bij sluiten goed
vergrendelt.
Gerelateerde informatie
•
•
Motorruimte - controle (p. 361)
Motorruimte - overzicht (p. 359)
De handgreep voor ontgrendeling van de motorkap zit altijd aan de linkerzijde.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien.
Motorolie bijvullen
Expansiereservoir voor koelsysteem
Radiateur
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (aan bestuurderszijde)
Draai de handgreep ca. 20–25 graden
rechtsom. Het is duidelijk te horen dat
vergrendeling wordt opgeheven.
Startaccu
Relais- en zekeringhouder
Vulopening voor sproeiervloeistof
Luchtfilter
}}
359
10 Onderhoud en service
||
WAARSCHUWING
10
Motorruimte, behalve 4-cil.
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd het elektrische systeem
van de auto altijd in sleutelstand 0 bij
werkzaamheden in de motorruimte, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 80).
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor warm
is.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het elektrische systeem van de auto in
sleutelstand II staat of als de motor warm
is.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien.
Expansiereservoir voor koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Peilstok voor motorolie4
Radiateur
Motorolie bijvullen
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (aan bestuurderszijde)
Startaccu
Relais- en zekeringhouder
Vulopening voor sproeiervloeistof
Luchtfilter
4
360
WAARSCHUWING
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd het elektrische systeem
van de auto altijd in sleutelstand 0 bij
werkzaamheden in de motorruimte, zie
Sleutelstanden - functies in verschillende
standen (p. 80).
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
Gerelateerde informatie
•
•
Motorkap - openen en sluiten (p. 359)
Motorruimte - controle (p. 361)
10 Onderhoud en service
Motorruimte - controle
Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig gecontroleerd te worden.
Regelmatig controleren
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 379)
Motorolie - algemeen
Om de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken.
Controleer regelmatig de volgende oliën en
vloeistoffen, bijvoorbeeld tijdens het tanken:
•
•
•
Motorolie
•
Ruitensproeiervloeistof
10
Koelvloeistof
Stuurbekrachtigingsvloeistof (uitgezonderd auto's met een viercilindermotor)
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat de koelventilator (vóór in
de motorruimte, achter de radiateur) tot
enige tijd na het afzetten van de motor
automatisch kan aanslaan.
Volvo adviseert:
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Als de motor
warm is, bestaat er brandgevaar.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
•
Motorkap - openen en sluiten (p. 359)
Motorruimte - overzicht (p. 359)
Koelvloeistof - peil (p. 367)
Motorolie - controleren en bijvullen
(p. 362)
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil
(p. 368)
}}
361
10 Onderhoud en service
||
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 416).
10
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo een olie van een hogere kwaliteit, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 416).
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Gerelateerde informatie
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage oliedruk. Bij motorvarianten met een
oliedruksensor wordt gebruikt gemaakt van
362
het waarschuwingssymbool voor een lage
op het instrumentenpaneel. Bij
oliedruk
varianten met een olieniveausensor wordt u
geïnformeerd via een waarschuwingssymbool
op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Bepaalde varianten zijn voorzien
van allebei. Neem voor meer informatie contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Voor de bij te vullen hoeveelheid, zie Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p. 417).
•
Motorolie - controleren en bijvullen
(p. 362)
Motorolie - controleren en bijvullen
Bepaalde motorvarianten zijn voor het detecteren van het oliepeil voorzien van een elektronische peilsensor, terwijl bij andere motorvarianten een handmatige controle met een
oliepeilstok plaatsvindt.
10 Onderhoud en service
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de
olie daar ver onder staat, moet u wellicht
meer bijvullen.
Motor met oliepeilstok5
Peilstok en vulpijp.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden
ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
5
G021737
G021734
6. Als u het peil daarna opnieuw wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen
1–4.
De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Peil meten en zo nodig corrigeren
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond geparkeerd staat. Het is belangrijk
dat u na het afzetten van de motor ten
minste 5 minuten wacht, zodat de olie
weer kan teruglopen in het oliecarter.
10
WAARSCHUWING
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg
deze schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer het peil.
Geldt niet voor 4- of 5-cilinderdieselmotoren die een elektronische oliepeilsensor hebben.
}}
363
10 Onderhoud en service
||
Motor met elektronische oliepeilsensor,
4-cil.
BELANGRIJK
Vul bij een melding dat het oliepeil gering
alleen de aangegeven hoeveelheid olie bij,
bijvoorbeeld 0,5 liter.
10
N.B.
Vulpijp6.
Melding en grafische voorstelling op display. Het
linker display verschijnt op een digitaal instrumentenpaneel en het rechter op een analoog.
Melding
In sommige gevallen moet olie worden bijgevuld tussen de servicebeurten door.
Aanpassing van het motoroliepeil is niet nodig
voordat er een melding op het bestuurdersdisplay verschijnt, zie volgende afbeelding.
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het
duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten
controleren door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 110).
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist moet u een werkplaats opzoeken – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Het oliepeil is
mogelijk te hoog.
6
364
Na het bijvullen of aftappen van olie duurt
het even voordat het systeem wijzigingen
in het oliepeil kan waarnemen. De auto
moet ca. 30 km hebben gereden en vervolgens 5 minuten op een vlakke ondergrond
hebben stilgestaan met de motor afgezet,
voordat het weergegeven oliepeil correct
is.
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
10 Onderhoud en service
Oliepeil meten, 4-cil.
Houd voor controle van het oliepeil de onderstaande procedure aan.
Motor met elektronische oliepeilsensor,
5-cil. diesel
1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen
(p. 80).
10
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 110).
N.B.
Als niet aan de gestelde voorwaarden voor
meting van het oliepeil is voldaan (verstreken tijd na motoruitschakeling, hellingshoek van de auto, buitentemperatuur e.d.),
zal de melding Niet beschikbaar niet verschijnen. Dit betekent niet dat een van de
autosystemen een storing vertoont.
Vulpijp7.
Aanpassing van het motoroliepeil is niet nodig
voordat er een melding op het bestuurdersdisplay verschijnt, zie volgende afbeelding.
Melding en grafische voorstelling op display. Het
linker display verschijnt op een digitaal instrumentenpaneel en het rechter op een analoog.
Melding
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het
duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten
controleren door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel
(p. 110).
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding
Olieservice vereist moet u een werkplaats opzoeken – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Het oliepeil is
mogelijk te hoog.
7
Bij een motor met elektronische oliepeilsensor ontbreekt de peilstok.
}}
365
10 Onderhoud en service
||
BELANGRIJK
10
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts
0,5 liter bij.
N.B.
Het systeem detecteert het oliepeil alleen
tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het
systeem wijzigingen in het oliepeil kan
waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is.
Oliepeil meten, 5-cil. diesel
Houd voor controle van het oliepeil de onderstaande procedure aan.
1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen
(p. 80).
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 110).
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4)
verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding. De olie mag nooit boven MAX of
onder MIN staan om motorschade tegen
te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat.
366
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet
meer olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het aanbevolen niveau is 4. Melding en grafische voorstelling op display. Het linker display
verschijnt op een digitaal instrumentenpaneel en
het rechter op een analoog.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - algemeen (p. 361)
10 Onderhoud en service
Koelvloeistof - peil
De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor
af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De
warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof is te benutten voor verwarming van
de passagiersruimte.
Peil controleren
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het koelsysteem niet goed gevuld
houdt, kan de temperatuur in het systeem
dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor
motorschade ontstaat.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Vul het reservoir nooit alleen met schoon
water. Het gevaar voor bevriezing neemt toe,
zowel wanneer de concentratie koelvloeistof
te laag is als wanneer deze te hoog is.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan zeer heet zijn. Als er
moet worden bijgevuld terwijl de motor
warm is, moet u de dop voorzichtig van
het expansievat draaien zodat de overdruk
verdwijnt.
BELANGRIJK
•
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
N.B.
Controleer het koelvloeistofpeil regelmatig
bij een koude motor.
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Bijvullen
10
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 419).
367
10 Onderhoud en service
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
Bijvullen
De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen
de MIN- en MAX-streepjes staan.
10
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil
Een auto met een viercilindermotor heeft
geen stuurbekrachtigingsvloeistof. Voor
auto's met een andere motor moet de stuurbekrachtigingsvloeistof tussen de MIN- en
MAX-markering op het reservoir staan. Verversen van de vloeistof is niet nodig.
Peil controleren
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of
iedere tweede geplande servicebeurt.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
dient u de remvloeistof ieder jaar te verversen.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen remvloeistofkwaliteit, zie Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 422).
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MINstreepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld. Geadviseerd wordt de oorzaak
van het remvloeistofverlies te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
368
Het vloeistofreservoir zit aan de bestuurderszijde.
Het vloeistofreservoir gaat schuil achter de
dekplaat op de koude zone van de motorruimte. U moet het ronde deksel eerst verwijderen om bij de dop van het reservoir te
komen.
Open het deksel dat in de dekplaat zit
door het te verdraaien.
Draai de dop van het reservoir los en vul
vloeistof bij. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan (aan de binnenkant van het reservoir).
BELANGRIJK
Vergeet niet de dop terug te plaatsen.
BELANGRIJK
Houd bij een controle het gebied rond het
reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
goed schoon. De dop niet losdraaien.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
10 Onderhoud en service
Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie
Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit
(p. 422).
WAARSCHUWING
Als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als motor is afgezet en u de
auto moet laten wegslepen, stuurt de auto
aanzienlijk zwaarder. Lees de Aandachtspunten bij het slepen (p. 327).
Klimaatregeling - storingen opsporen
en verhelpen
Service en reparatie aan het aircosysteem
mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend
traceermiddel. Bij zoeken naar lekken moet
ultraviolet licht worden gebruikt.
Volvo adviseert om contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit
koudemiddel R134a onder druk. Service
en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
Gerelateerde informatie
•
8
9
Lichtdioden (Light Emitting Diode)
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Serviceprogramma van Volvo (p. 354)
Lamp vervangen - algemeen
Het is mogelijk de gloeilampen te vervangen.
Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 377).
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een
bijzonder type zoals led8-lampen of lampen
die u om andere redenen alleen in een werkplaats9 moet laten vervangen, zijn die in:
•
•
•
•
•
•
•
•
10
actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen)
dagrijlicht/parkeerlichten voor
Bochtverlichting
Zijdelings gemonteerde richtingaanwijzers, buitenspiegels
Approach-verlichting, buitenspiegels
Interieurverlichting behalve instapverlichting vóór
parkeerlichten achter
Sidemarker.
}}
369
10 Onderhoud en service
||
WAARSCHUWING
10
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Werkzaamheden aan de xenonkoplampen
vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien dergelijke koplampen zijn voorzien
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt.
WAARSCHUWING
Bij het vervangen van een lamp moet het
elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staan, zie Sleutelstanden - functies
in verschillende standen (p. 80).
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit
rechtstreeks met uw vingers aan. Vet van
uw vingers wordt door de warmte verdampt en zorgt voor een laagje op de
reflector die dan kapot kan gaan.
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat
de kapotte gloeilamp is vervangen, wordt
geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
370
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen en achterlichten kan tijdelijk condens
optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en
alle externe verlichting is erop gebouwd
om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het lamphuis,
wanneer de lamp enige tijd brandt.
Lamp vervangen - koplampen
Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te
vervangen door eerst het complete koplamphuis via de motorruimte los te nemen en te
verwijderen.
Koplamphuis verwijderen
Zet het elektrische systeem van de auto in de
sleutelstand 0, zie Sleutelstanden - functies in
verschillende standen (p. 80).
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 370)
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 375)
•
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 376)
•
Lamp vervangen - verlichting in kofferbak
(p. 376)
•
Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting (p. 376)
Trek de borgpennen van het koplamphuis
naar buiten.
Haal het koplamphuis los door het beurtelings te kantelen en naar buiten te trekken.
BELANGRIJK
Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de
connector.
10 Onderhoud en service
1. Sluit de connector dusdanig aan dat u
een klik hoort.
Lampen verwisselen - afdekkap
groot-/dimlichtlampen
2. Plaats het koplamphuis terug en breng de
borgpennen aan. Plaats de korte borgpen
bij de radiateurgrille. Controleer of u ze
goed hebt ingestoken.
De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door
de grotere afdekkap van de koplamp los te
maken.
10
3. Controleer de verlichting.
Koppel de connector van het koplamphuis los door met uw duim de clip omlaag
te duwen.
Trek ondertussen met uw andere hand de
connector los.
5. Til het koplamphuis naar buiten en leg het
op een zachte ondergrond om krassen op
de lens te voorkomen.
6. Vervang de kapotte gloeilamp.
Koplamphuis bevestigen
Zorg dat het koplamphuis gemonteerd en de
connector goed aangesloten is, voordat u de
verlichting inschakelt of de transpondersleutel
in het contactslot steekt.
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 369)
•
Lampen - specificaties (p. 377)
Lampen verwisselen - afdekkap groot-/
dimlichtlampen (p. 371)
Alvorens een gloeilamp te vervangen, zie
Lamp vervangen - koplampen (p. 370).
1. Draai de vier bouten van de afdekking los
met een torx-sleutel, T20 (1). Verwijder ze
echter niet. (3–4 slagen is voldoende.)
2. Duw de afdekking opzij.
3. Verwijder de afdekking.
Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde
terug.
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - koplampen (p. 370)
Lamp vervangen - dimlicht (p. 372)
}}
371
10 Onderhoud en service
•
•
10
Lamp vervangen - groot licht (p. 373)
Lamp vervangen - dimlicht
Lamp vervangen - verstraler (p. 373)
De lamp van het dimlicht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
N.B.
Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen.
1. Neem de koplamp (p. 370) los.
2. Verwijder de afdekking (p. 371).
3. Koppel de connector van de lamp los.
4. Trek de lamp recht naar buiten toe los.
5. De paspen op de lamp dient bij het aanbrengen recht omhoog te wijzen, terwijl
een klikgeluid aangeeft dat de lamp goed
vastzit.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
372
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 377)
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - groot licht
De lamp van het groot licht zit achter de grote
afdekking in het koplamphuis.
N.B.
Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen.
1. Neem de koplamp (p. 370) los.
2. Verwijder de afdekking (p. 371).
3. Haal de gloeilamp los door deze
rechtsom te draaien en vervolgens recht
naar buiten te trekken.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 377)
Lamp vervangen - verstraler
De verstralerlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis.
N.B.
10
Geldt voor auto’s met xenonkoplampen*.
1. Neem de koplamp (p. 370) los.
2. Verwijder de afdekking (p. 371).
3. Haal de gloeilamp los door deze
rechtsom te draaien en vervolgens recht
naar buiten te trekken.
4. Koppel de connector van de lamp los.
4. Koppel de connector van de gloeilamp
los.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp rechtsom vast. U kunt hem slechts
op één manier terugplaatsen.
5. Vervang de gloeilamp, steek de nieuwe
lamp in de lampvoet en draai de gloeilamp rechtsom vast. U kunt hem slechts
op één manier terugplaatsen.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
373
10 Onderhoud en service
||
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Gerelateerde informatie
10
•
Lampen - specificaties (p. 377)
Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde
De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine
afdekking in het koplamphuis.
Lamp vervangen - verlichting achter
De lampen in het achterlamphuis zijn via de
bagageruimte te vervangen.
De lampen voor de achteruitrijlichten zitten
achter het paneel van de bagageklep.
Achterlamphuis
1. Neem de koplamp (p. 370) los.
2. Trek de afdekking recht naar buiten toe
los.
3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp
tevoorschijn te halen.
4. Druk op de gloeilamp, terwijl u deze
linksom losdraait.
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
Gerelateerde informatie
•
374
Lampen - specificaties (p. 377)
Alle gloeilampen in het achterlamphuis
(behalve de leds) zijn via de bagageruimte te
vervangen.
1. Open de luikjes rechts en links in de
bekleding om toegang tot de lampen te
krijgen. De gloeilampen zitten in een
afzonderlijke lamphouder.
2. Duw de borghaken bijeen en trek de
gloeilamphouder naar buiten.
3. Haal de kapotte gloeilamp los door deze
in te duwen en linksom te draaien.
10 Onderhoud en service
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 375)
5. Druk de lamphouder in positie en plaats
het luikje terug.
•
Lampen - specificaties (p. 377)
Lamp vervangen - positie lampen
achterzijde
Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde.
10
Achteruitrijlicht
Remlicht (led)
Sidemarker (led)
1. Open het paneel aan de binnenkant van
de bagageklep.
Remlichten (p. 374)
2. Haal de gloeilamphouder los door deze
linksom te draaien.
Achterlicht (led)
Achteruitrijlicht (p. 374)
3. Haal de kapotte gloeilamp los door deze
in te duwen en linksom te draaien.
4. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de
lamp omlaag te duwen en rechtsom te
draaien.
5. Zet de gloeilamphouder vast door deze
rechtsom te draaien.
Richtingaanwijzer (p. 374)
Mistachterlicht (p. 374)
Gerelateerde informatie
•
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 369)
Lampen - specificaties (p. 377)
375
10 Onderhoud en service
Lamp vervangen - verlichting in
kofferbak
Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel
De kentekenplaatverlichting zit onder de
handgreep van het kofferdeksel.
De kofferbakverlichting zit aan weerszijden
van de kofferdekselopening.
De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes.
Lampglas verwijderen
G021758
10
Lamp vervangen kentekenplaatverlichting
1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten.
3. Vervang de gloeilamp.
4. Plaats het complete gloeilamphuis terug
en draai de boutjes vast.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 377)
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en wrik deze iets heen en weer,
zodat het lamphuis loskomt.
2. Vervang de gloeilamp.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lampglas om het borgnokje aan de rand
voorzichtig los te werken.
3. Controleer of de gloeilamp werkt en druk
het lamphuis weer vast.
2. Haal het lampglas voorzichtig los en verwijder het.
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 377)
3. Trek met een puntbektang de gloeilamp
recht naar buiten toe opzij en vervang
deze. Let er echter op dat u niet te hard
knijpt met de tang. Het lampglas kan
anders kapotgaan.
Lampglas bevestigen
1. Plaats het lampglas terug.
2. Duw het vast.
376
10 Onderhoud en service
Gerelateerde informatie
•
Lampen - specificaties (p. 377)
Lampen - specificaties
De specificaties gelden voor gloeilampen.
Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
Verlichting
WA
Type
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
65
H9
Verstralers, ABL
65
H9
Richtingaanwijzers voorzijde
24
PY24W
Instapverlichting
voor
3
Lampvoet T10;
W2,1x9,5d
Verlichting dashboardkastje
5
Lampvoet
SV8.5; lengte
43 mm
Verlichting makeupspiegel
1,2
Lampvoet T5;
W2x4,6d
Verlichting bagageruimte
10
Lampvoet
SV8.5; lengte
38 mm
Kentekenplaatverlichting
5
C5W LL
Richtingaanwijzers achter
21
PY21W LL
Verlichting
WA
Type
Remlichten
21
P21W LL
Achteruitrijlicht
21
H21W LL
Mistachterlicht
21
H21W LL
A
10
Watt
Gerelateerde informatie
•
Lamp vervangen - algemeen (p. 369)
377
10 Onderhoud en service
Wisserbladen
10
Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen vervangen moeten deze eerst in de servicestand worden gezet.
Servicestand
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot10 en druk kort op de START/
STOP ENGINE-knop om het elektrische
systeem van de auto in de sleutelstand I
te zetten. Voor gedetailleerde informatie
over sleutelstanden, zie Sleutelstanden functies in verschillende standen (p. 80).
2. Druk nogmaals kort op de START/STOP
ENGINE-knop om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand 0 te
zetten.
3. Beweeg binnen 3 seconden de rechter
stuurhendel omhoog en houd deze
ca. 1 seconde in deze stand.
> De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
Wisserbladen in servicestand.
De wisserbladen dienen in de servicestand te
staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of
optillen (bijvoorbeeld om ijs van de voorruit te
krabben).
BELANGRIJK
Voordat de wisserbladen in de servicestand worden gezet, moet u controleren of
ze niet vastgevroren zijn.
10
378
De wisserbladen keren terug naar de beginstand met een korte druk op de START/
STOP ENGINE-knop om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I te zetten (of bij het starten van de auto).
BELANGRIJK
Als de wisserarmen in de servicestand van
de voorruit af zijn gehaald, moet u ze
tegen de voorruit terugklappen alvorens de
wissers te activeren. Dit om lakschade aan
de motorkap tegen te gaan.
Niet nodig bij een auto met Keyless start en ontgrendeling/vergrendeling.
Wisserbladen vervangen
10 Onderhoud en service
Klap de wisserarm omhoog als deze in de
servicestand staat. Druk op de knop die
op de wisserbladhouder zit en trek het
wisserblad evenwijdig aan de wisserarm
los.
Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar
binnen dat u een klik hoort.
Controleer of het blad goed vastzit.
N.B.
De wisserbladen hebben een verschillende
lengte. Het blad aan de bestuurderskant is
langer dan dat aan de passagierskant.
10
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie Wasstraat (p. 401).
4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
De wisserbladen keren terug vanuit de servicestand naar de beginstand met een korte
druk op de START/STOP ENGINE-knop om
het elektrische systeem van de auto in de
sleutelstand I te zetten (of bij het starten van
de auto).
Sproeiervloeistof - bijvullen
Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik
sproeiervloeistof met antivries bij temperaturen onder het vriespunt.
BELANGRIJK
Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur
van de bladen.
Gerelateerde informatie
•
Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 379)
Voor het bijvullen van de sproeiervloeistof
opent u de blauwe dop.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
N.B.
Wanneer er nog ca. 1 liter sproeiervloeistof
in het reservoir zit, verschijnt op het instrude
mentenpaneel samen met symbool
melding dat u sproeiervloeistof moet bijvullen.
}}
379
10 Onderhoud en service
||
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij
koud weer en onder het vriespunt.
BELANGRIJK
10
Gebruik originele sproeiervloeistof van
Volvo of een vergelijkbaar product met de
aanbevolen pH-waarde tussen 6 en 8
(gebruiksklaar mengsel, d.w.z. gelijke
delen/1:1 bij neutraal water).
BELANGRIJK
Gebruik bij temperaturen onder nul sproeiervloeistof met antivries, zodat de vloeistof
niet vastvriest in pomp, reservoir en slangen.
Startaccu - algemeen
De startaccu wordt gebruikt voor aandrijving
van de startmotor en andere elektrische uitrusting in de auto.
De startaccu is een traditionele 12V-accu.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden
enzovoort zijn van invloed op de levensduur
en de werking van de accu.
•
Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor draait.
•
Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en
stevig vastzitten.
11
12
380
Benzine
Dieselolie
12
12
520–800
700–800
Auto’s met koplampsproeiers: 5,4 liter.
Auto’s zonder koplampsproeiers: 4,0
liter.
Spanning (V)
KoudestartvermogenA - CCAB
(A)
Gerelateerde informatie
•
•
Wisserbladen (p. 378)
Wissers en sproeiers (p. 100)
Enhanced Flooded Battery.
Absorbed Glass Mat.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en van hetzelfde type
gebruikt als de originele accu (zie de sticker op de accu).
Motor
Hoeveelheid:
•
•
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu of hulpaccu, bij een auto met Start/Stop-systeem,
moet u een accu van het juiste type monteren; EFB11 bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak en AGM12 bij
een auto met een automatische versnellingsbak.
A
B
Conform de SAE- of EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
N.B.
•
De grootte van de startaccubehuizing
dient overeen te komen met de afmetingen van de originele accu.
•
De hoogte van de startaccu hangt af
van de afmetingen.
10 Onderhoud en service
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan
om de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u
onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in
uw ogen krijgt.
BELANGRIJK
Gebruik voor het opladen van de startaccu
of de hulpaccu (p. 384) alleen een
moderne acculader met laadspanningsregeling. Maak geen gebruik van eventuele
snellading omdat de accu daarbij beschadigd kan raken.
BELANGRIJK
N.B.
Bij het negeren van het volgende valt na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader de energiebesparingsfunctie
voor het infotainmentsysteem mogelijk tijdelijk uit en/of verschijnt er tijdelijk geen
melding over de ladingstoestand van de
startaccu op het informatiedisplay van het
instrumentenpaneel:
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder
de rijomstandigheden en het klimaat. De
accu verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of
slechts korte afstanden met de auto wordt
gereden. Ook bij strenge vorst neemt de
startcapaciteit af.
•
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie Starthulp met accu (p. 282) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
10
Om de accu in optimale conditie te houden wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de
accu aan te sluiten op een acculader met
automatische druppellading.
Voor de maximale levensduur dient de
accu altijd volledig opgeladen te blijven.
Gerelateerde informatie
•
•
Accu - symbolen (p. 382)
Startaccu - vervangen (p. 382)
381
10 Onderhoud en service
Accu - symbolen
Vermijd vonken en open
vuur.
Op de accu's zitten symbolen die informatie
verstrekken en waarschuwen.
10
Symbolen op de accu's
Demonteren
Draag een veiligheidsbril.
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
de gebruikershandleiding
die bij de auto hoort.
Bestemd voor inzameling.
Bewaar accu's buiten het
bereik van kinderen.
N.B.
De accu bevat een bijtend zuur.
Een uitgediende start- of steunaccu moet
op een milieuvriendelijke manier worden
gerecycled - deze bevat namelijk lood.
Gerelateerde informatie
•
•
382
Startaccu - vervangen
De startaccu van de auto is zonder hulp van
een werkplaats te vervangen.
Startaccu - algemeen (p. 380)
Accu - Start/Stop (p. 384)
Om te beginnen: Neem de transpondersleutel uit het contactslot en wacht ten minste
5 minuten, voordat u een van de elektrische
aansluitingen aanraakt – zo kan de informatie
in het elektrische systeem van de auto worden opgeslagen in de verschillende regeleenheden.
10 Onderhoud en service
Neem de achterste afdekking los door
deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen.
Veerpootbrug bij R-Design*
WAARSCHUWING
10
De plus- en minkabels in de juiste volgorde
loskoppelen en/of aansluiten.
Koppel de zwarte minkabel los.
Koppel de rode pluskabel los.
Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los.
Draai het boutje los waarmee de accuklem vastzit.
Auto's met R-Design zijn voorzien van een
veerpootbrug die moet worden gedemonteerd voordat de startaccu kan worden vervangen.
Haal de accu opzij.
1. Demonteer de paraventafdekkingen links
en rechts. Wrik voorzichtig met een
kunststof mes of iets dergelijks.
Til het recht omhoog.
Haal de clips op de voorste dekplaat los
en verwijder de dekplaat.
Haal de rubber strip los om de achterste
afdekking bloot te leggen.
Veerpootbrug en paraventafdekking.
2. Draai de bouten los (één links en één
rechts) waarmee de veerpootbrug vastzit
en verwijder ze.
3. Demonteer de veerpootbrug.
> Nu kunt u de startaccu demonteren
zoals aangegeven in de voorgaande
paragraaf.
•
Montage van de veerpootbrug vindt in
omgekeerde volgorde plaats.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
383
10 Onderhoud en service
||
N.B.
10
Haal de bouten aan met 30 Nm. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
Monteren
8. Plaats de rubber strip. (Zie "Demonteren".)
9. Pas de voorste afdekking in en zet het
vast met behulp van de clips. (Zie
"Demonteren".)
Voor meer informatie over de startaccu van
de auto, zie Startaccu - algemeen (p. 380) en
Starthulp met accu (p. 282).
Accu - Start/Stop
Auto's met Start/Stop-systeem hebben
behalve de startaccu ook een hulpaccu.
Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien
van twee 12V-accu's – één extra krachtige
startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt
voor de startprocedure middels het
Start/Stop-systeem.
Voor meer informatie over het Start/Stop-systeem, zie Start/Stop* (p. 291).
Voor meer informatie over de startaccu van
de auto, zie Starthulp met accu (p. 282).
1. Laat de accu in de accubak zakken.
2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig
opzij totdat de accu tegen de achterkant
van de accubak aankomt.
3. Schroef de klem vast waarmee de accu
vastzit.
4. Sluit de ontluchtingsslang aan.
> Controleer of deze correct is aangesloten tussen de accu en de afvoeropening in de carrosserie.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
7. Duw de achterste afdekking vast. (Zie de
voorgaande paragraaf "Demonteren".)
384
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In de volgende tabel staan de specificaties
voor de startaccu en hulpaccu van auto's met
Start/Stop-systeem.
10 Onderhoud en service
Accu
Start, 12 V
KoudestartvermogenA
- CCAB
(A)
Hulp, 12 V
Start, 12 V
Auto met stuur
links:
720C
760D
120E
Capaciteit (Ah)
170F
Auto met stuur
rechts:
Auto met stuur
links:
150×90×106E
278×175×190
150×90×130F
Auto met stuur
rechts:
150×90×106
Hulp, 12 V
Auto met stuur
links:
8E
70
10F
Auto met stuur
rechts:
120
Afmetingen ,
l×b×h
(mm)
BELANGRIJK
Accu
Bij vervanging van de startaccu of hulpaccu, bij een auto met Start/Stop-systeem,
moet u een accu van het juiste type monteren; EFB13 bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak en AGM14 bij
een auto met een automatische versnellingsbak.
Bij vervangen van een hulpaccu moet u
een accu van het type AGM monteren.
8
A
B
C
D
E
F
Conform de EN-norm.
Cold Cranking Amperes.
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak in combinatie met Start/
Stop-systeem met uitsluitend automatische motorstops,
wanneer de auto helemaal stilstaat.
Overige.
10
N.B.
•
Hoe hoger de stroomafname in de
auto (extra koeling/verwarming e.d.),
hoe meer de accu’s moeten worden
bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik.
•
Wanneer de capaciteit van de startaccu tot onder de ondergrens is
gedaald, wordt het Start/Stop-systeem
uitgeschakeld.
Een tijdelijke functiebeperking van het
Start/Stop-systeem op grond van een hoge
stroomafname houdt het volgende in:
13
14
Enhanced Flooded Battery.
Absorbed Glass Mat.
}}
385
10 Onderhoud en service
||
•
10
•
Auto-start motor15 werkt zonder dat u de
koppeling bedient (handmatige versnellingsbak).
De motor start automatisch zonder dat u
uw voet van het rempedaal haalt (automatische versnellingsbak).
Locatie accu's
BELANGRIJK
N.B.
Bij het negeren van het volgende valt het
Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na
aansluiting van een externe startaccu of
acculader:
Als de startaccu dermate ontladen is dat
alles ‘zwart’ is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg
uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader, zal het Start/Stop-systeem actief zijn.
Auto-stop van de motor is in dat geval
mogelijk, maar het Start/Stop-systeem kan
na auto-stop van de motor mogelijk geen
auto-start uitvoeren door onvoldoende
capaciteit van de startaccu.
•
De minpool van de startaccu in de
auto mag nooit worden gebruikt voor
aansluiting van een externe startaccu
of acculader – alleen het autochassis
dient als massapunt te worden
gebruikt.
Zie Starthulp met accu (p. 282) voor een
beschrijving van de locatie van de kabelklemmen en de manier van aansluiten.
Voor een geslaagde auto-start ná autostop dient de accu eerst te worden opgeladen. Bij een buitentemperatuur van
+15 °C moet de accu ten minste 1 uur lang
worden opgeladen. Bij lagere buitentemperaturen wordt een laadduur geadviseerd
van 3–4 uur. Geadviseerd wordt de accu
op te laden met een externe acculader.
Als iets dergelijks niet voorhanden is,
wordt geadviseerd het Start/Stop-systeem
uit te schakelen totdat de startaccu voldoende bijgeladen is.
A: Auto met stuur links. B: Auto met stuur rechts.
Startaccu16
Hulpaccu
De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service dan de normale startaccu. Neem bij vragen of problemen contact op met een werkplaats - geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
15
16
386
Auto-start is alleen mogelijk, als de versnellingspook in de neutraal staat.
Zie Startaccu - algemeen (p. 380) voor een uitvoerige beschrijving van de startaccu.
Voor meer informatie over het opladen van
de startaccu van de auto, zie Startaccu algemeen (p. 380).
Gerelateerde informatie
•
Accu - symbolen (p. 382)
10 Onderhoud en service
Elektrisch systeem
Zekeringen - algemeen
Het elektrische systeem is enkelpolig en
gebruikt het chassis en het motorblok als
geleiders.
Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door
een aantal zekeringen beschermd.
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar.
De afmetingen, het type en de prestaties van
de accu zijn afhankelijk van de uitrusting in de
auto en de functie.
BELANGRIJK
Bij vervanging van de startaccu moet u
erop letten dat u een accu met hetzelfde
koudestartvermogen en van hetzelfde type
gebruikt als de originele accu (zie de sticker op de accu).
Gerelateerde informatie
•
•
Startaccu - vervangen (p. 382)
Startaccu - algemeen (p. 380)
Als een van de elektrische onderdelen of
functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. U
wordt dan geadviseerd een bezoek te brengen aan een erkende Volvo-werkplaats voor
een controle.
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een
zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit
kan aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot
brand leiden.
10
Positie van relais- en zekeringhouders
Vervangen
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het gebogen draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
Positie van de relais- en zekeringhouders bij
auto's met het stuur links – bij auto's met het
stuur rechts zitten de relais- en zekeringhouders onder het dashboardkastje omgekeerd.
Motorruimte
Onder dashboardkastje
Onder dashboardkastje
}}
387
10 Onderhoud en service
||
Bagageruimte
Koude zone motorruimte (alleen Start/
Stop)
10
Gerelateerde informatie
•
•
388
Zekeringen - in motorruimte (p. 389)
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 393)
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 395)
•
•
Zekeringen - in bagageruimte (p. 397)
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 399)
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in motorruimte
De zekeringen in de motorruimte beveiligen
onder meer de motor- en remfuncties.
10
}}
389
10 Onderhoud en service
||
10
Algemene informatie over de
zekeringen in de motorruimte
Functie
Aan de binnenkant van het deksel zit een
speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastjeB
50
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
50
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in bagageruimteB
60
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastje
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastjeB
Posities (zie voorgaande afbeelding)
Motorruimte bovenin
Motorruimte voorin
Motorruimte onderin
Deze zekeringen zitten allemaal in de zekeringhouder in de motorruimte. De zekeringen
in (C) zitten onder (A).
Aan de binnenkant van het deksel zit een
sticker met de positie van de verschillende
zekeringen.
•
De zekeringen 1–7 en 42–44 zijn van het
type "MidiFuse" en mogen alleen door
een werkplaats worden vervangen17.
•
De zekeringen 8–15 en 34 zijn van het
type "JCASE" en dienen door een werkplaats te worden vervangen17.
•
17
390
De zekeringen 16–33 en 35–41 zijn van
het type "MiniFuse".
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
-
[A]A
Functie
[A]A
InterieurventilatorC
40
Elektrische voorruitverwarming*B , rechts
40
ABS-pomp
40
ABS-ventielen
20
Koplampsproeiers*
20
60
Koplamphoogteregeling*;
actieve xenonkoplampen ABL*
10
60
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
20
ABS
5
Stuurkrachtinstelling*
5
-
Extra verwarming op stroom*B
100
Elektrische voorruitverwarming*B , links
40
Motorregeleenheid; transmissieregeleenheid; airbags
10
30
Elektrische sproeikopverwarming*
10
Ruitenwissers
Standverwarming*
25
-
-
Bedieningspaneel verlichting
5
10 Onderhoud en service
Functie
[A]A
-
-
-
-
-
-
Relais sproeiers
5
Verstralers*
20
Claxon
15
Relaisspoel in hoofdrelais voor
motormanagementsysteem
(4-cil.); motorregeleenheid (4cil.)
5
Relaisspoel in hoofdrelais voor
motormanagementsysteem
(5-, 6-cil.); motorregeleenheid
(5-, 6-cil.)
10
Transmissieregeleenheid
15
Magneetkoppeling A/C (5-, 6cil. benzine); ondersteunende
koelvloeistofpomp (4-cil. diesel)
15
Functie
[A]A
Relaisspoel in relais voor
magneetkoppeling A/C (5-, 6cil. benzine); relaisspoelen in
relais- en zekeringhouder in
koude zone motorruimte
(Start/Stop)
5
Startrelais (5-, 6-cil. benzine)C
30
Regeleenheid gloeiregeling (5cil. diesel)
10
Motorregeleenheid (4-cil.);
bobines (5-, 6-cil. benzine);
condensor (6-cil.)
20
Motorregelmodule (5- en 6-cil.
benzine)
10
Motorregeleenheid (5-cil. diesel)
15
Motorregelmodule (4-cil.)
20
Functie
[A]A
Luchtmassameter (4-cil.);
thermostaat (4-cil. benzine);
EVAP-klep (4-cil. benzine);
koelpomp voor EGR (4-cil.
diesel)
10
Luchtmassameter (5-cil. diesel, 6-cil.); regelkleppen (5-cil.
diesel); verstuivers (5-, 6-cil.
benzine); motorregeleenheid
(5-cil., 6-cil. benzine)
15
Magneetkoppeling A/C (5-, 6cil.); kleppen (5-, 6-cil.); regeleenheid motor (6-cil.); luchtmassameter (5-cil. benzine);
oliepeilsensor
10
Kleppen (4-cil.; oliepomp (4cil. benzine); lambdasonde,
midden (4-cil. benzine); lambdasonde, achter (4-cil. diesel)
15
Lambdasonde, voor (4-cil.);
lambdasonde, achter (4-cil.
benzine)
15
10
EVAP-klep (5-, 6-cil. benzine);
lambdasondes (5-, 6-cil.);
regeleenheid radiateurafdekking (5-cil. diesel)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
391
10 Onderhoud en service
||
Functie
10
392
Functie
[A]A
Koelvloeistofpomp (5-cil. benzine); verwarming carterventilatie (5-cil. benzine); oliepomp
automatische versnellingsbak
(5-cil. benzine Start/Stop)
10
Bobines (4-cil. benzine)
15
Dieselfilterverwarming (diesel)
20
Regeleenheid radiateurafdekking (5-cil. benzine)
5
Magneetkoppeling A/C (4-cil.);
regeleenheid gloeiregeling (4cil. diesel); oliepomp (4-cil.
diesel)
7,5
Carterventilatieverwarming
(5-cil. diesel); oliepomp automatische versnellingsbak (5cil. diesel Start/Stop)
10
Koelvloeistofpomp (4-cil. benzine)
50
Gloeibougies (diesel)
70
A
B
C
[A]A
Koelventilator (4-/5-cil. benzine)
60
Koelventilator (6-cil., 4-, 5-cil.
diesel)
80
Stuurbekrachtiging
100
Ampère
Bij auto's met Start/Stop-systeem is deze zekeringpositie
leeg – zie in plaats daarvan Zekeringen - in de koude zone
van de motorruimte (p. 399).
Bij auto's met Start/Stop-systeem is deze zekeringpositie
leeg – zie in plaats daarvan Zekeringen - in de koude zone
van de motorruimte (p. 399).
Gerelateerde informatie
•
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 393)
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 395)
•
Zekeringen - in bagageruimte (p. 397)
10 Onderhoud en service
Zekeringen - onder dashboardkastje
De zekeringen onder het dashboardkastje
beveiligen onder meer de infotainment- en
stoelfuncties.
Posities
Functie
10
Functie
[A]A
Hoofdzekering voor regeleenheid audio*; hoofdzekering
voor de zekeringen 16–20:
Infotainment
40
Ruitenwissers
25
-
-
-
-
[A]A
-
-
Portierhandgrepen, passief
systeem*
5
-
-
Bedieningspaneel bestuurdersportier
20
Functie
[A]A
Bedieningspaneel voorste
passagiersportier
20
Bedieningspaneel achterste
passagiersportier rechts
20
Bedieningspaneel achterste
passagiersportier links
20
Passief systeem*
7,5
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
393
10 Onderhoud en service
||
Functie
10
394
Functie
[A]A
[A]A
Elektrisch bedienbare stoel
bestuurderszijde*
20
Extra verwarming op stroom*
5
Elektrisch bedienbare stoel
passagierszijde*
20
Stoelverwarming passagierszijde voorin
15
-
-
Stoelverwarming bestuurderszijde voorin
15
Regeleenheid infotainment of
beeldschermB
5
Parkeerhulp*; parkeercamera*;
BLIS*
5
Regeleenheid audio (versterker)*; tv*; digitale radio*
10
Regeleenheid AWD*
15
Regeleenheid audio of regeleenheid SensusB
15
Actieve chassisregeling FourC*
10
Telematica*; Bluetooth*
5
-
-
Schuif-/kanteldak*; interieurverlichting plafond; klimaatsensor*
5
•
•
12V-aansluiting middenconsole
15
•
•
Verwarming zitplaats achterbank rechts*
15
Verwarming zitplaats achterbank links*
15
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
A
B
Ampère
Bepaalde modelvarianten.
Gerelateerde informatie
Zekeringen - in motorruimte (p. 389)
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 395)
Zekeringen - in bagageruimte (p. 397)
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 399)
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in regeleenheid onder
dashboardkastje
De zekeringen in de regeleenheid onder het
dashboardkastje beveiligen onder meer de
functies voor airbags en Collision Warning.
Posities
Functie
Functie
[A]A
-
-
-
-
Interieurverlichting; bedieningspaneel zijruiten op
bestuurdersportier, elektrisch
bedienbare voorstoelen*
10
7,5
[A]A
Instrumentenpaneel
5
Adaptieve cruisecontrol
(ACC)*; Collision Warning*
10
Interieurverlichting; regensensor*
Stuurwieleenheid
Functie
[A]A
Centrale vergrendeling tankvulklep
10
Elektrische stuurverwarming*
15
7,5
Elektrische voorruitverwarming*
15
7,5
Ontgrendelen bagageklep
10
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
395
10 Onderhoud en service
||
Functie
10
A
396
[A]A
Omklapbare hoofdsteunen*
10
Brandstofpomp
20
Bewegingsmelder voor alarm*;
bedieningspaneel klimaatregeling
5
Stuurslot
15
Sirene alarmsysteem*; diagnose-aansluiting OBDII
5
-
-
Airbags
10
Collision Warning*
5
Gaspedaalsensor; dimfunctie
achteruitkijkspiegel*; achterbankverwarming*
7,5
Regeleenheid Infotainment
(Performance); audiosysteem
(Performance)
15
Remlichten
5
Schuif-/kanteldak*
20
Startblokkering
5
Ampère
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 389)
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 393)
Zekeringen - in bagageruimte (p. 397)
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 399)
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in bagageruimte
De zekeringen in de bagageruimte beveiligen
onder meer de elektrische parkeerrem.
10
Posities
Functie
Functie
[A]A
Elektrische parkeerrem links
30
Elektrische parkeerrem rechts
30
Elektrische achterruitverwarming
30
Trekhaakaansluiting 2*
15
-
-
12V-aansluiting bagageruimte
Functie
[A]A
15
-
-
-
-
-
-
-
-
[A]A
Trekhaakaansluiting 1*
A
40
-
Ampère
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 389)
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 393)
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
397
10 Onderhoud en service
||
10
398
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 395)
•
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte (p. 399)
10 Onderhoud en service
Zekeringen - in de koude zone van de
motorruimte
De zekeringen in de koude zone van de
motorruimte zitten in auto's met de Start/
Stop-functie.
•
De zekeringen A1 en A2 zijn van het type
"MEGA Fuse" en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen18.
•
De zekeringen 1–11 zijn van het type
"MidiFuse" en mogen alleen door een
werkplaats worden vervangen18.
•
Zekeringen 12 is van het type "MiniFuse".
Voor meer informatie over Start/Stop, zie
Start/Stop* (p. 291).
18
10
Posities
Functie
[A]A
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in motorruimte
175
Functie
[A]A
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (CEM)
onder dashboardkastje,
relais-/zekeringhouder onder
dashboardkastje, relais- en
zekeringhouder in bagageruimte
175
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
}}
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
399
10 Onderhoud en service
||
10
Functie
[A]A
Extra verwarming op stroom*
100
Hoofdzekering voor centrale
elektronicamodule (ECM)
onder dashboardkastje
50
Hoofdzekering voor relais-/
zekeringhouder onder dashboardkastje
60
Elektrische voorruitverwarming*
60
Hoofdzekering voor relais- en
zekeringhouder in bagageruimte
60
Interieurventilator
40
-
-
-
-
Startrelais
-
A
400
30
-
Hulpaccu
70
Centrale elektronicamodule
(CEM) - referentiespanning
hulpaccu
5
Ampère
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gerelateerde informatie
•
•
Zekeringen - in motorruimte (p. 389)
Zekeringen - onder dashboardkastje
(p. 393)
•
Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 395)
•
Zekeringen - in bagageruimte (p. 397)
10 Onderhoud en service
Wasstraat
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
Met de hand wassen
•
•
•
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk
stoffen die de lak aantasten en deze zeer
snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten
herstellen door een erkende Volvo-werkplaats.
Spoel het onderstel af.
Spoel de hele auto eerst af om loszittend
vuil te verwijderen en het risico te beperken dat er tijdens het reinigen krassen
ontstaan. Spuit niet rechtstreeks in de
richting van de sloten.
•
Gebruik zo nodig een koud ontvettingsmiddel voor hardnekkig vuil. Let erop dat
de verontreinigde gebieden niet zijn
opgewarmd door de zon!
•
Was de auto met een spons, autoshampoo en een ruime hoeveelheid lauw
water.
•
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
•
Droog de auto af met een schoon en
zacht stuk zeemleer of een trekker. Als u
waterdruppels op de auto niet in de felle
zon laat drogen maar meteen verwijdert,
beperkt u het risico dat u later watervlekken moet wegpoetsen.
WAARSCHUWING
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze regelmatig schoon, bijvoorbeeld
als u tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen en achterlichten kan tijdelijk condens
optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en
alle externe verlichting is erop gebouwd
om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het lamphuis,
wanneer de lamp enige tijd brandt.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
weliswaar snel en eenvoudig schoonmaken,
maar de borstels van de wasstraat kunnen
niet overal even goed bij. Voor het beste
resultaat wordt u geadviseerd de auto met de
hand te wassen.
N.B.
De eerste maanden mag de auto alleen
met de hand worden gewassen. De reden
hiervoor is dat de lak gevoeliger is als deze
nieuw is.
10
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen). Spuit niet rechtstreeks in de richting van
de sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test de rem na het wassen altijd, ook de
parkeerrem, zodat vocht en corrosie de
remvoering niet aantasten en de remmen
verslechteren.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de
remblokken warm, zodat het vocht verdampt.
Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
Wisserbladen
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs en dergelijke op de
voorruit gaan wisserbladen minder lang mee.
Bij het reinigen:
}}
401
10 Onderhoud en service
||
- Zet de wisserbladen in de servicestand, zie
Wisserbladen (p. 378).
N.B.
10
Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo. Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Kunststof en rubber sieronderdelen
exterieur
Voor het schoonmaken en verzorgen van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber
onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale
reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber
is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op
kunststof en rubber mag u, als dat nodig
is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik
een zachte spons.
Door het polijsten van glimmende strips
kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat.
402
Velgen
Poetsen en in de was zetten
Gebruik alleen de velgreinigingsmiddelen die
Volvo adviseert.
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra
bescherming wilt bieden.
Sterke velgreinigingsmiddelen kunnen het
oppervlak beschadigen en vlekken veroorzaken op verchroomde lichtmetalen velgen.
Gerelateerde informatie
•
•
•
Poetsen en in de was zetten (p. 402)
Interieur reinigen (p. 404)
Water- en vuilafstotende laag (p. 403)
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
een teerverwijderaar of terpentine. U kunt
hardnekkige vlekken met een speciaal voor
autolak bestemde, fijne schuurpasta (‘rubbing
compound’) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze
daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
10 Onderhoud en service
BELANGRIJK
Waxen en polijsten op kunststof en rubber
is niet toegestaan.
Bij gebruik van ontvettingsmiddel op
kunststof en rubber mag u, als dat nodig
is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik
een zachte spons.
Door het polijsten van glimmende strips
kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken.
Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 401)
Water- en vuilafstotende laag
De ruiten zijn voorzien van een speciale laag
die bij hevige regenval voor een beter zicht
zorgt.
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 401)
10
Water- en vuilafstotende laag*
De waterafstotende laag staat bloot
aan natuurlijke slijtage.
Onderhoud:
•
Gebruik nooit producten zoals autowas,
ontvetters en dergelijke op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag
daardoor beschadigd kan raken.
•
Wees voorzichtig bij het schoonmaken
om te voorkomen dat er krassen in het
glasoppervlak ontstaan.
•
Om schade aan het glas te voorkomen
dient u voor het verwijderen van ijs alleen
een krabber van kunststof te gebruiken.
•
Om de waterafstotende eigenschappen
op de zijruiten te behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen
met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de eerste keer
na drie jaar en daarna ieder jaar.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de
ruiten van ijs te ontdoen. Gebruik de elektrische verwarming om de buitenspiegels
van ijs te ontdoen, zie Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p. 105).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
403
10 Onderhoud en service
10
Roestwering
Interieur reinigen
Stoffen bekleding en plafondbekleding
De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd worden. Reinig het interieur regelmatig
en voor het beste resultaat is het zaak om
vlekken meteen te verwijderen. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een reinigingsmiddel gebruikt.
Volvo biedt een universeel textielverzorgingsproduct voor stoffen bekleding en plafondbekleding, waarmee u de bekleding in optimale
staat kunt houden, mits u de instructies
opvolgt. Het textielverzorgingsproduct is verkrijgbaar bij een Volvo-dealer.
Controleren en onderhouden
De corrosiebescherming van de auto behoeft
normaal gesproken geen onderhoud, maar
door de auto schoon te houden, wordt de
kans op corrosie verder verkleind. Sterk alkalische of zure reinigingsmiddelen moeten
altijd worden vermeden op glanzende sierdetails. Repareer eventuele steenslagplekken zo
snel mogelijk na constatering.
Gerelateerde informatie
•
BELANGRIJK
•
•
Lakschade (p. 405)
•
•
404
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding) kunnen afgeven en voor verkleuring van de bekleding zorgen. In dat
geval is het belangrijk om de verkleurde delen van de bekleding zo
spoedig mogelijk te reinigen en te verzorgen.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen
zoals sproeiervloeistof, wasbenzine of
terpentine voor het reinigen van het
interieur, omdat zowel de bekleding
als de overige interieuronderdelen
daarbij beschadigd kunnen raken.
Spuit reinigingsmiddelen nooit rechtstreeks op componenten met elektrische knoppen of bedieningselementen. Maak ze in plaats daarvan schoon
met een doek die u met het reinigingsmiddel bevochtigd hebt.
Scherpe voorwerpen en klittenbandsluitingen kunnen de stoffen bekleding
van de auto beschadigen.
Leren bekleding
De leren bekleding van Volvo is behandeld
om de bekleding in oorspronkelijke staat te
bewaren.
Leren bekleding is een natuurproduct dat na
verloop van tijd een mooi patina krijgt. Voor
het behoud van de eigenschappen en kleur
van het leer is regelmatige reiniging en verzorging vereist. Volvo biedt een universeel
leerverzorgingsproduct, Volvo Leather Care
Kit/Wipes, waarmee u leren bekleding kunt
reinigen en de beschermende laag kunt herstellen, mits u de instructies opvolgt.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème een- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. U kunt de
Volvo Leather Care Kit/Wipes kopen bij een
Volvo-dealer.
Leren stuurwiel
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
Reinigen het leren stuurwiel bij voorkeur met
Volvo Leather Care Kit/Wipes.
10 Onderhoud en service
Interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
WAARSCHUWING
Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één
inlegmat tegelijk en controleer alvorens
weg te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen
op de vloer vastzit om te voorkomen dat
deze kan gaan glijden en achter of onder
de pedalen blijft haken.
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water
bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken
geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik
nooit sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel gebruiken dat verkrijgbaar is bij
de erkende Volvo-werkplaats.
Veiligheidsgordels
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en in het bijzonder het textielreinigingsmiddel
dat bij een erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt
gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen
met de door een Volvo-dealer geadviseerde
producten.
Lakschade
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. De meest
voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op
de spatbordranden, portieren en bumpers.
10
Geringe lakschade herstellen
Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
Eventueel benodigd materiaal
•
Grondlak (primer)19 - voor met kunststof
beklede bumpers en dergelijke zijn er
Gerelateerde informatie
•
Wasstraat (p. 401)
Inlegmatten en vloermat
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen. Elk van
beide inlegmatten zit met pennen vast.
Verwijder de inlegmat door de inlegmat bij elk
van beide pennen vast te pakken en recht
omhoog te tillen.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide
pennen vast te drukken.
19
Eventueel.
}}
405
10 Onderhoud en service
||
spuitbussen met speciale hechtprimer
verkrijgbaar.
•
basislak en heldere lak - verkrijgbaar in
spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften20.
•
•
Afplaktape.
10
Geringe lakschade herstellen zoals
steenslagschade en krasjes
1. Plak een stuk afplaktape over het
beschadigde gebied heen. Trek de tape
weer van de lak af om eventuele lakresten
te verwijderen.
fijn schuurlinnen19.
Kleurcode
G021832
De kleurcodesticker vindt u in de portierstijl
van de auto en wordt zichtbaar zodra het portier rechtsachter wordt geopend.
Vóór het herstel van lakschade moet u de
auto schoonmaken en goed laten drogen.
Zorg er bovendien voor dat de auto warmer is
dan 15 °C.
Kleurcode exterieur
Eventuele secundaire kleurcode exterieur
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker zie Type-aanduidingen (p. 409).
20
19
406
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
Eventueel.
Als de beschadiging tot de metaallaag
(blanke plaat) reikt, wordt grondlak (primer) geadviseerd. Bij beschadiging van
een kunststof oppervlak moet u een
hechtprimer gebruiken voor betere resultaten - spuit het middel in de dop van de
spuitbus uit en breng het met een kwastje
dun op.
2. Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk
licht schuren met zeer fijn schuurlinnen.
Reinig het gebied zorgvuldig en laat het
goed drogen.
3. Roer de grondlak (primer) goed om en
breng deze met een fijn kwastje of een
lucifer of iets dergelijks op. Dek het
geheel af met basislak en heldere lak,
wanneer de grondlak droog is.
4. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
10 Onderhoud en service
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen
oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen
en er nog steeds een intacte laklaag aanwezig is, moet u de basislak en heldere lak
direct aanbrengen nadat u het oppervlak
hebt gereinigd.
10
Gerelateerde informatie
•
Roestwering (p. 404)
407
SPECIFICATIES
11 Specificaties
Type-aanduidingen
Type-aanduiding, chassisnummer enzovoort
(voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven op een sticker in de auto.
11
}}
409
11 Specificaties
||
Positie van stickers en plaatjes
11
De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
410
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcode voor
lakwerk en typegoedkeuringsnummer. De
11 Specificaties
sticker zit op de portierstijl en wordt bij
het openen van het rechter achterportier
zichtbaar.
Sticker voor A/C-systeem.
Gerelateerde informatie
•
•
Gewichten (p. 413)
Motorspecificaties (p. 415)
Sticker voor standverwarming.
Motorcode en serienummer van de
motor.
Sticker voor motorolie.
11
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak.
Handgeschakelde versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN,
Vehicle Identification Number).
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
N.B.
De in de gebruikershandleiding afgebeelde
stickers hoeven niet per definitie overeen
te komen met de stickers die in of op uw
auto aanwezig zijn. De afbeeldingen zijn
alleen bedoeld om aan te geven hoe de
stickers er in grote lijnen uitzien en waar u
ze ongeveer kunt aantreffen. Op de stickers van de auto vindt u de informatie die
op uw auto van toepassing is.
411
11 Specificaties
Maten
In de tabel ziet u de maten van de auto wat de
lengte, hoogte enzovoort betreft.
11
S60CCA
A
412
Maten
Wielbasis
B
Lengte
C
Laadlengte, vloer,
achterbank neergeklapt
D
Laadlengte, vloer
E
Hoogte
F
Laadhoogte
mm
2774
S60CCA
G
Maten
Spoorbreedte vooras
H
Spoorbreedte achteras
1749
1539
492
S60CCA
1619B/
K
Breedte incl. buitenspiegels
2097
L
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1899
1609C
4638
965
mm
I
Laadbreedte, vloer
J
Breedte
1577B
1567C
919
1865
A
B
C
Maten
S60 Cross Country
Bandbreedte 215 mm.
Bandbreedte 235 mm.
mm
11 Specificaties
Gewichten
Het maximale totaalgewicht staat aangegeven
op een sticker in de auto.
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van
de resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk
(p. 414) (bij gebruik van een aanhanger) zijn
van invloed op het laadvermogen en zijn niet
inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklare gewicht
geldt voor een auto in de basisuitvoering,
dus een auto zonder extra uitrusting of
opties. Dat houdt in dat voor elke optie die
wordt toegevoegd, de laadcapaciteit van
de auto met het gewicht van de optie
afneemt.
Voorbeelden van opties die de laadcapaciteit verminderen zijn de onderdelen voor
de speciale uitvoeringen Kinetic/Momentum/Summum en andere opties zoals:
trekhaak, lastdrager, dakbox, audiosysteem, verstralers, gps-navigatie, verwarming op brandstof, veiligheidsrek, matten,
bagagerolhoes, elektrisch bedienbare
stoelen e.d.
11
Voor informatie over de positie van de sticker, zie
Type-aanduidingen (p. 409).
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
De auto wegen is een veilige manier om te
weten te komen wat het rijklare gewicht
van uw auto is.
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
WAARSCHUWING
Het rijgedrag van de auto verandert door
hoe zwaar de auto beladen is en hoe de
lading is geplaatst.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
Gerelateerde informatie
•
Trekgewicht en kogeldruk (p. 414)
413
11 Specificaties
Trekgewicht en kogeldruk
Max. gewicht geremde aanhanger
Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen.
MotorcodeB
Versnellingsbak
Max. gewicht geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
T5 AWD
B5254T12
Automaat, TF-80SC / TF-80SD
1800
90
T5 AWD
B5254T14
Automaat, TF-80SC
1800
90
D4
D4204T14
Handgeschakeld, M66
1800
90
D4
D4204T14
Automaat, TG-81SC
1800
90
D4 AWD
D5244T21
Automaat, TF-80SD
1900
90
S60CCA
11
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
Motor
S60 Cross Country
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 409).
A
B
Max. gewicht ongeremde aanhanger
Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg)
750
Gerelateerde informatie
•
•
414
Gewichten (p. 413)
Rijden met een aanhanger* (p. 319)
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Max. kogeldruk (kg)
50
11 Specificaties
Motorspecificaties
De motorspecificaties (vermogen enzovoort)
voor de verschillende motoralternatieven
staan in de tabel.
S60CCA
Motor
MotorcodeB
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
Vermogen
Vermogen
Koppel
(kW bij
omw/min)
(pk bij
omw/min)
(Nm bij omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
Slaglengte
Cilinderinhoud
(mm)
(mm)
(liter)
Compressieverhouding
T5 AWD
B5254T12
187/5400
254/5400
360/1800–4200
5
83,0
92,3
2,497
9,5:1
T5 AWD
B5254T14
183/5400
249/5400
360/1800–4200
5
83,0
92,3
2,497
9,5:1
D4
D4204T14
140/4250
190/4250
400/1750–2500
4
82,0
93,2
1,969
15,8:1
D4 AWD
D5244T21
140/4000
190/4000
420/1500–3000
5
81,0
93,2
2,400
16,5:1
A
B
11
S60 Cross Country
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 409).
Gerelateerde informatie
•
Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 419)
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 417)
415
11 Specificaties
Motorolie - ongunstige
rijomstandigheden
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote
zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid,
het brandstofverbruik en de milieu-impact.
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden
van ongunstige rijomstandigheden.
11
Controleer het oliepeil (p. 362) vaker tijdens
langere ritten:
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere
ritten bij lage temperaturen.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het
bijvullen als bij verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert:
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C.
Gerelateerde informatie
416
•
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
(p. 417)
•
Motorolie - algemeen (p. 361)
11 Specificaties
Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid
De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel.
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
Volvo adviseert:
11
S60CCA
MotorcodeB
Oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
Motor
D4
D4204T14
Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20
ca. 5,2
T5 AWD
B5254T12
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,5
T5 AWD
B5254T14
Viscositeit: SAE 0W-30
ca. 5,5
D4 AWD
D5244T21
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca. 5,9
Viscositeit: SAE 0W-30
A
B
S60 Cross Country
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 409).
}}
417
11 Specificaties
||
Gerelateerde informatie
11
418
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 416)
•
Motorolie - controleren en bijvullen
(p. 362)
11 Specificaties
Koelvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende
motortypes.
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 %
water1, zie verpakking.
11
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
S60CCA
Volume
MotorB
(liter)
D4
D4204T14
8,9 (9,2C)
T5 AWD
B5254T12
8,9
T5 AWD
B5254T14
D4 AWD
D5244T21
S60 Cross Country
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor
vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 409).
Geldt voor een auto met een verwarming op brandstof.
A
B
C
Gerelateerde informatie
•
1
Koelvloeistof - peil (p. 367)
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
419
11 Specificaties
Transmissieolie - kwaliteit en
hoeveelheid
De voorgeschreven transmissieolie en de
hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel.
Handgeschakelde versnellingsbak
Handgeschakelde versnellingsbak
11
Hoeveelheid (liter)
M66
ca. 1,45
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 350M3
N.B.
In normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst.
Automatische versnellingsbak
Automatische versnellingsbak
420
Voorgeschreven versnellingsbakolie
TF-80SC
ca. 7,0
AW1
TF-80SD
ca. 7,0
AW1
TG-81SC
A
B
Hoeveelheid (liter)
Benzinemotoren
Dieselmotoren
ca.
6,6A
ca. 7,5B
AW1
11 Specificaties
N.B.
In normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst.
Gerelateerde informatie
•
Motorolie - ongunstige rijomstandigheden
(p. 416)
•
Type-aanduidingen (p. 409)
11
421
11 Specificaties
11
Remvloeistof - kwaliteit en
hoeveelheid
Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit
Remvloeistof is de naam van het middel in
een hydraulisch remsysteem, dat wordt
gebruikt om druk over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die
op hun beurt een mechanische rem bedienen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof is de naam van
het middel dat in het stuurbekrachtigingssysteem van de auto wordt gebruikt.
Voorgeschreven kwaliteit: DOT 4
Hoeveelheid: 0,6 liter
Gerelateerde informatie
•
422
Rem- en koppelingsvloeistof - peil
(p. 368)
Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen stuurbekrachtigingsvloeistof.
Gerelateerde informatie
•
Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil
(p. 368)
11 Specificaties
Brandstoftank - inhoud
De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staat in de tabel.
Motor
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven kwaliteit
Benzinemotor
ca. 67
Brandstof - benzine (p. 314)
Dieselmotor
ca. 67
Brandstof - diesel (p. 315)
11
Gerelateerde informatie
•
•
Brandstof tanken (p. 313)
Motorspecificaties (p. 415)
423
11 Specificaties
Specificaties voor airconditioning
WAARSCHUWING
In de onderstaande tabellen ziet u welke kwaliteit vloeistoffen en smeermiddelen er in het
aircosysteem zitten en in welke hoeveelheden.
In de installatie voor airconditioning zit
koudemiddel R134a onder druk. Service
en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
A/C-sticker
Compressorolie
11
De sticker zit aan de binnenkant van de motorkap.
424
Hoeveelheid
Voorgeschreven
kwaliteit
Viercilinderversie
60 ml
PAG SP-A2
Vijfcilinderversie
110 ml
PAG SP-10
Gerelateerde informatie
Koudemiddel
Motor
Motor
Gewicht
5-cilinder
diesel
720 g
overige
800 g
Voorgeschreven
kwaliteit
R134a
•
Klimaatregeling - storingen opsporen en
verhelpen (p. 369)
•
Type-aanduidingen (p. 409)
11 Specificaties
Brandstofverbruik en CO2-uitstoot
Stadsverkeer
Het brandstofverbruik voor een auto wordt
gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram CO2 per km.
handgeschakelde versnellingsbak
Snelwegrit
Automatische versnellingsbak
Uitleg
Combinatierit
N.B.
gram CO2/km
Als de gegevens over brandstofverbruik en
emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
liter/100 km
11
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
S60CCA
A
T5 AWD (B5254T12)
267
11,5
158
6,8
198
8,5
D4 (D4204T14)
120
4,6
106
4,0
111
4,2
D4 (D4204T14)
137
5,3
110
4,2
120
4,6
D4 AWD (D5244T21)
178
6,8
132
5,1
149
5,7
S60 Cross Country
}}
425
11 Specificaties
11
||
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op
speciale EU-rijcycli2, die gelden voor een auto
met rijklaar gewicht in standaarduitvoering
zonder extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het autogewicht toe. Dit alsook
de mate van belading van de auto zorgt voor
een verhoging van het brandstofverbruik en
de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli2 die gehanteerd worden bij certificering van de auto en waarop de verbruikscijfers in de tabel gebaseerd zijn.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden,
gebruik van een aanhanger of ritten op
grote hoogte kan, afhankelijk van de
gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
•
•
Uw rijstijl.
De grotere rolweerstand als u kiest voor
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
•
De grotere luchtweerstand bij hogere
snelheden.
•
De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Gerelateerde informatie
•
•
Zuinig rijden (p. 318)
Gewichten (p. 413)
Een combinatie van de bovengenoemde factoren kan een aanzienlijk hoger verbruik opleveren. Raadpleeg voor meer informatie de
richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd2.
2
426
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu ("EU-rijcycli") conform de EU-richtlijn EU Regulation no 692/2008, 715/2007 (Euro 5 /
Euro 6) en UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer - de meting begint met een koude start van de motor. Het
betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h (0–75 mph). Het betreft hier een gesimuleerde rit. – Bij een auto met handgeschakelde versnellingsbak geldt de 2e versnelling als wegrijversnelling (betreft auto's met een wielmaat tot 18"). De waarde voor combinatierit, die in de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd
een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
11 Specificaties
Banden - goedgekeurde
bandenspanning
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle
markten.
De goedgekeurde bandenspanningen voor de
verschillende motoralternatieven staan in de
tabel.
S60CCA
Bandenmaat
(km/h)
Motor
215/65 R 16
Alle motoren
Snelheid
235/55 R 17
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belading
ECO-bandenspanningB
Voor
Achter
Voor
Achter
Voor/achter
(kPa)C
(kPa)
(kPa)
(kPa)
(kPa)
230
230
260
260
260
160+E
240
240
280
280
-
max. 80F
420
420
420
420
420
0–
160D
11
235/50 R 18
235/45 R 19
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
C
D
E
F
S60 Cross Country
Zuinig rijden.
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
0 – 100 mph
100+ mph
max. 50 mph
Gerelateerde informatie
•
•
•
Banden - maten (p. 335)
Banden - bandenspanning (p. 333)
Type-aanduidingen (p. 409)
427
12 Alfabetisch register
functie................................................. 258
Symbolen en meldingen..................... 262
A
Aanbevolen kinderzitjes
tabel...................................................... 47
Aanhanger...............................................
kabel...................................................
pendelbeweging.................................
rijden met een aanhanger...................
319
319
326
319
Aanrijding................................................... 44
aanzuiging, uitlaatgassen, giftig.............. 310
12
ACC - Adaptieve cruisecontrol................ 201
Achterbank
elektrische verwarming....................... 132
Achterlichten
positie................................................. 375
Achterruit
elektrische verwarming....................... 105
zonnescherm...................................... 103
Achteruitkijkspiegel.................................. 105
autodimfunctie.................................... 106
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas.............................................. 106
Actief chassis - FOUR-C......................... 187
Actieve parkeerhulp................................. 257
bediening............................................ 258
Beperkingen....................................... 260
428
Actieve xenonkoplampen.......................... 94
Adaptieve cruisecontrol...........................
functie.................................................
inhalen................................................
overzicht.............................................
Radarsensor.......................................
snelheid instellen................................
stand-bystand....................................
Storingzoeken.....................................
tijdelijk deactiveren.............................
uitschakelen........................................
van cruisecontrolfunctie wisselen.......
volgtijd instellen..................................
Airconditioning......................................... 134
Airconditioning, vloeistof
hoeveelheid en kwaliteit..................... 424
201
202
208
204
211
205
207
213
207
208
210
206
alarm........................................ 182, 183, 184
alarm controleren................................ 164
alarmindicatie..................................... 183
alarmsignalen...................................... 184
beperkt alarmniveau........................... 184
Afdalingsregeling (Hill Descent Control).. 290
Antislipregeling........................................ 188
Afneembare trekhaak
opbergen............................................ 322
Antispin.................................................... 188
Afsluitbare wielbouten............................. 337
Automatische hervergrendeling............... 175
Afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie................................................... 354
Automatische schakelblokkering deactiveren........................................................ 288
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 37
bestuurderszijde............................. 35, 43
passagierszijde......................... 35, 37, 43
Automatische versnellingsbak.................
aanhanger...........................................
handmatige schakelstanden (Geartronic)......................................................
slepen en bergen................................
AIRBAG ..................................................... 35
Airbagsysteem........................................... 34
waarschuwingssymbool....................... 33
Alarm
automatische herinschakeling............ 183
transpondersleutel defect................... 184
Alarmlichten............................................... 96
Alcoholslot............................................... 272
All Wheel Drive (vierwielaandrijving)........ 290
Approach-verlichting......................... 99, 162
285
321
286
327
Automatische wasstraat.......................... 401
Automatisch groot licht............................. 92
12 Alfabetisch register
Auto met internetaansluiting
afspraak maken voor servicebeurt en
reparatie.............................................. 354
Autoverzorging......................................... 401
Leren bekleding.................................. 404
Batterij
Hulp-...................................................
onderhoud..........................................
Start-...................................................
starten met hulpaccu..........................
Symbolen op de accu.........................
transpondersleutel/PCC.....................
Waarschuwingssymbolen...................
AWD, vierwielaandrijving......................... 290
Bedrijfsrem.............................. 302, 303, 304
Auto opnemen......................................... 357
Autosleutelgeheugen............................... 159
384
380
380
282
382
169
382
Bekleding................................................. 404
B
Banden
band afdichten.................................... 346
bandenspanningscontrole.................. 344
draairichting........................................ 332
onderhoud.......................................... 331
profieldiepte........................................ 337
slijtage-indicator................................. 333
spanning..................................... 333, 427
specificaties........................................ 427
Winterbanden..................................... 337
Bandenmaat............................................ 335
Bandenspanningscontrole....................... 344
Bandenspanningscontrolesysteem......... 344
Bandenspanningstabel............................ 333
Benzinekwaliteit....................................... 314
Bergen..................................................... 329
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak........................................................... 109
Buitenspiegels.........................................
autodimfunctie....................................
elektrische verwarming.......................
elektrisch inklapbaar...........................
resetten...............................................
103
104
105
104
104
Buitentemperatuurmeter............................ 73
C
Camerasensor................................. 221, 233
Chassisstanden....................................... 187
City Safety™............................................ 219
Claxon........................................................ 86
BLIS................................................. 262, 264
Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 127
Blokkering achteruitversnelling................ 284
CO2-uitstoot............................................. 425
Bochtverlichting......................................... 95
Collision Warning............................. 226, 227
algemene beperkingen....................... 232
bediening............................................ 230
Radarsensor............................... 211, 219
voetgangersdetectie........................... 229
werking............................................... 227
Boordcomputer............... 114, 116, 120, 123
Botsing, zie Aanrijding............................... 44
Brandstof................................. 313, 314, 315
brandstofbesparing.................... 333, 334
brandstoffilter..................................... 316
brandstofverbruik............................... 425
Brandstoftank
inhoud................................................. 423
Buitenmaten............................................ 412
12
Collision Warning met Auto Brake........... 226
Compact reservewiel............................... 338
Condens
Condens in koplamp.......................... 401
ruiten ontdoen van -........................... 125
429
12 Alfabetisch register
Condens in koplamp................................ 401
Doorsteekluik........................................... 154
Controlesymbolen......................... 65, 67, 69
Doorwaaddiepte...................................... 309
Corner Traction Control........................... 188
Draairichting............................................. 332
Cruisecontrol...........................................
ingestelde snelheid hervatten.............
snelheid instellen................................
tijdelijk deactiveren.............................
uitschakelen........................................
Driver Alert Control.................................. 237
bediening............................................ 238
Elektrische verwarming
Achterruit............................................
spiegels...............................................
Stoelen en achterbank........................
stuurwiel...............................................
Voorruit...............................................
Driver Alert System.................................. 237
Elektrisch inklapbare buitenspiegels....... 104
198
200
199
200
201
CTA.......................................................... 265
CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 127
12
D
Dagrijlicht................................................... 90
Dagteller op nul stellen.................... 117, 121
Dagtellers................................................... 74
Dakbelasting, max. gewicht..................... 413
Dashboardkastje...................................... 150
vergrendelen....................................... 177
Elektrisch systeem................................... 387
E
Elektronische klimaatregeling, ECC......... 131
Elektronische startblokkering.................. 161
ECC, elektronische klimaatregeling......... 131
ERS - Starten op afstand......................... 279
ECO-bandenspanning............................. 427
Etiketten................................................... 409
Eco Cruise............................................... 300
Extra verwarming
elektrisch.................................... 145, 146
op brandstof....................................... 145
EcoGuide................................................... 68
ECO-stand............................................... 300
Eerste hulp............................................... 344
EHBO-kit.................................................. 344
Elektrisch bedienbare ruiten.................... 101
resetten............................................... 103
F
Fietserdetectie......................................... 228
Elektrisch bedienbare stoel....................... 82
Follow Me Home-verlichting...................... 99
Elektrisch bedienbare zijruiten resetten... 103
FOUR-C - Actief chassis......................... 187
Dieselolie................................................. 315
Elektrisch bediend schuifdak................... 107
Distance Alert.......................................... 216
Beperkingen....................................... 217
Symbolen en meldingen..................... 218
Elektrische aansluiting............................. 151
Kofferbak............................................ 156
Foutmeldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 214
Driver Alert Control............................. 239
LKA..................................................... 248
zie Meldingen en symbolen........ 214, 307
Diesel
brandstofgebrek................................. 315
Doorluchtfunctie.............................. 125, 177
430
105
105
132
87
105
Elektrische parkeerrem
lage accuspanning.............................. 305
12 Alfabetisch register
Foutmeldingen BLIS................................ 267
FSC, milieulabel......................................... 27
G
H
handgeschakelde versnellingsbak........... 284
schakelindicatie (GSI)......................... 284
slepen en bergen................................ 327
Informatietoets, PCC............................... 164
Inlegmatten.............................................. 151
Inparkeerhulp - PAP................................ 257
Instructieboekje, milieulabel...................... 27
Handgeschakelde versnellingsbak
aanhanger........................................... 320
Instrumenten, schakelaars en bediening...................................................... 58, 61
Gelaagd glas.............................................. 27
Handmatige schakelstanden (Geartronic)........................................................... 286
Gereedschap........................................... 343
HDC......................................................... 290
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 58
auto met stuur rechts........................... 61
Gevarendriehoek..................................... 342
Hill Start Assist........................................ 289
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 413
Hogedruksproeiers koplampen............... 101
Gladde wegen.................................. 311, 312
Hoofdsteun
inklappen.............................................. 85
middelste zitplaats achterbank............. 84
Geartronic................................................ 286
Geheugenfunctie stoel............................... 83
Gladheid.................................................. 312
Glazen
gelaagd/versterkt.................................. 27
gloeilampen, specificaties....................... 377
Gordelspanner........................................... 43
Gordelspanners......................................... 32
Hoge motortemperatuur.......................... 309
Hoogte lichtbundel koplampen aanpassen............................................................. 89
Groot licht/dimlicht.................................... 91
Interieurluchtfilter..................................... 127
12
Interieurverlichting..................................... 97
automatische functie............................ 98
Interieurverwarming................................. 139
Interior Air Quality System (IAQS)............ 128
luchtreiniging...................................... 128
Intervalfunctie wisser............................... 100
Houder voor boodschappentassen ........ 155
Hulpaccu.................................................. 384
Gordelwaarschuwing................................. 32
Groot licht, automatische activering.......... 92
Instrumentenpaneel............................. 64, 65
I
IAQS - Interior Air Quality System........... 128
In de was zetten....................................... 402
Informatiedisplay................................. 64, 65
K
Katalysator............................................... 317
Bergen................................................ 328
Keuzehendelblokkering........................... 288
Keyless Drive... 170, 171, 172, 173, 174, 277
Keyless - ontgrendelen............................ 172
431
12 Alfabetisch register
Keyless - vergrendelen............................ 172
Kinderen
kinderslot.............................................. 46
kinderzitje en airbag............................. 51
kinderzitje en SIPS-airbag.................... 39
plaats in de auto................................... 51
veiligheid......................................... 39, 46
Kinderslot................................................. 181
12
Kinderveiligheidszitje.................................
aanbevolen...........................................
afmetingscategorieën voor kinderzitjes
met ISOFIX-bevestigingssysteem........
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
types.....................................................
Koelsysteem............................................ 309
oververhitting...................................... 309
Lasersensor............................................. 223
Koelvloeistof, controleren en bijvullen..... 367
Lastindex................................................. 336
Kofferbak
lading vervoeren................................. 152
verankeringsogen............................... 155
Lekke band.............................................. 346
Kofferdeksel............................................. 178
vergrendelen/ontgrendelen................ 178
52
Kompas................................................... 106
kalibreren............................................ 106
56
Koplampen.............................................. 370
Koudemiddel........................................... 369
Krik........................................................... 343
Kleurcode, lak.......................................... 406
Klimaat
algemene informatie...........................
automatische regeling........................
persoonlijke instellingen.....................
sensoren.............................................
temperatuurregeling...........................
werkelijke temperatuur.......................
125
133
129
126
134
126
Klimaatregeling
reparatie.............................................. 369
Klok, instellen............................................. 74
432
Lane Departure Warning -(LDW)...... 240,
241, 242
Koelvloeistof
hoeveelheid en kwaliteit..................... 419
46
47
52
54
Lampen.................................................... 369
Lichtbundel, aanpassen............................. 99
Lichtbundel aanpassen.............................. 99
Lichtbundel koplampen
aanpassen............................................ 99
hoogteregeling...................................... 89
Lichtbundel koplampen aanpassen........... 99
Lichtsignalen, PCC.................................. 164
LKA - Rijbaanassistent.................... 244, 245
Luchtreiniging
materiaal............................................. 128
passagiersruimte................ 126, 127, 128
L
Laag oliepeil............................................. 362
Lading vervoeren
algemene informatie...........................
lading op het dak................................
lange lading........................................
verankeringsogen...............................
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 404
152
154
153
155
Lak
kleurcode............................................ 406
lakschade en herstel ervan................. 405
Luchtverdeling......................................... 129
recirculatie.......................................... 136
tabel.................................................... 137
12 Alfabetisch register
M
Mistverlichting
achter.................................................... 95
Make-upspiegel....................................... 151
verlichting............................................. 98
Motor
oververhitting......................................
Start/Stop...........................................
starten.................................................
uitschakelen........................................
Maten....................................................... 412
Max. dakbelasting................................... 413
Meldingen BLIS....................................... 267
Meldingen en symbolen
Adaptieve cruisecontrol...................... 214
Collision Warning with Auto
Brake.......................................... 225, 235
Driver Alert Control............................. 239
Lane Departure Warning..................... 243
LKA..................................................... 248
Motor- en interieurverwarming........... 143
Meldingen op het informatiedisplay........ 111
Meldingsfuncties...................................... 112
Menufuncties
Instrumentenpaneel............................ 110
menu-overzicht................................... 110
Meters
brandstofmeter............................... 64, 65
snelheidsmeter............................... 64, 65
toerenteller...................................... 64, 65
Middenconsole........................................ 150
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 27
Motorspecificaties................................... 415
309
291
277
278
Motor afzetten......................................... 278
Motor- en interieurverwarming
directe start.........................................
direct uitschakelen..............................
meldingen...........................................
timer....................................................
rem- en koppelingsvloeistof............... 368
stuurservo-olie.................................... 368
140
141
143
141
Motorkap, openen................................... 359
Motorolie.......................................... 361, 416
filter..................................................... 361
kwaliteit en hoeveelheid..................... 417
ongunstige rijomstandigheden........... 416
Motorolie, bijvullen................................... 362
Motorverwarming..................................... 139
MY CAR................................................... 113
N
Noodreparatieset banden................ 346, 347
Noodreparatieset voor banden
band oppompen.................................
overzicht.............................................
positie.................................................
resultaat controleren...........................
uitvoering............................................
351
347
347
350
348
12
Nooduitrusting
EHBO-kit............................................. 344
gevarendriehoek................................. 342
Motoroliepeil controleren......................... 362
Motorrem, automatisch........................... 290
Motorremregeling.................................... 188
Motorruimte
controleren..........................................
koelvloeistof........................................
Motorolie.............................................
overzicht.............................................
O
Olie, zie ook Motorolie..................... 416, 417
361
367
361
359
Onderhoud
roestwering......................................... 404
433
12 Alfabetisch register
Ontgrendelen
van de binnenzijde.............................. 176
van de buitenzijde............................... 174
Ontgrendelen met sleutelblad................. 173
Ontwaseming........................................... 135
Partikelfilter.............................................. 316
Passief startsysteem (Keyless Drive) 170,
171, 172, 173, 174, 277
Op afstand starten - ERS........................ 279
PCC, Personal Car Communicator
Actieradius.................................. 165, 170
functies............................................... 162
Opbergmogelijkheden passagiersruimte. 148
Peilstok, elektronisch....................... 364, 365
Opbergmogelijkheid
dashboardkastje................................. 150
tunnelconsole..................................... 150
Personal Car Communicator................... 165
Opblaasgordijn.................................... 40, 43
Powermeter............................................... 68
Oververhitting.................................. 309, 319
Privacy locking......................................... 167
Op afstand bediende startblokkering...... 162
12
Parkeerrem.............................................. 305
Poetsen.................................................... 402
Positie buitenspiegels herstellen............. 104
Profieldiepte............................................. 337
P
401
404
405
402
401
Rem- en koppelingsvloeistof................... 368
Remlichten................................................. 96
Remmen.......................................... 302, 304
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 303
parkeerrem......................................... 305
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 304
Remlichten............................................ 96
remsysteem........................ 302, 303, 304
remvloeistof bijvullen.......................... 368
symbolen op instrumentenpaneel...... 303
PACOS....................................................... 37
Q
Remvloeistof
kwaliteit en hoeveelheid..................... 422
Paniekfunctie........................................... 162
Queue Assist............................................ 208
Reservewiel
monteren............................................ 341
PAP - Actieve parkeerhulp....................... 257
Park Assist....................................... 249, 251
aan achterzijde................................... 251
functie................................................. 249
sensoren voor Park Assist.................. 252
storingsindicatie................................. 252
Parkeerhulpcamera.................................. 253
Instellingen.......................................... 256
434
Reinigen
Automatische wasstraat.....................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
Velgen.................................................
wasstraat............................................
Resetten dagteller............................ 117, 121
R
Radarsensor............................................ 202
Beperkingen....................................... 211
Regeneratie.............................................. 316
Regensensor............................................ 100
Richtingaanwijzer....................................... 97
Richtingaanwijzers..................................... 97
Rijadviezen............................................... 311
Rijbaanassistent...................................... 208
bediening............................ 242, 246, 247
12 Alfabetisch register
Sleutelstanden........................................... 79
Rijbaanassistent - LKA.................... 244, 245
S
Rijden.......................................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
met een geopend kofferdeksel...........
311
309
319
310
Safelock-functie....................................... 180
deactiveren......................................... 180
tijdelijk deactiveren............................. 180
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 414
trekgewicht......................................... 414
Safety mode.............................................. 44
auto verrijden........................................ 45
startpoging........................................... 45
Rijden tijdens de winter........................... 311
Schakelblokkering, mechanische vrijgave......................................................... 288
Rijeigenschappen aanpassen.................. 187
Rijklaar gewicht........................................ 413
Rijmodus ECO......................................... 300
Ritstatistiek.............................................. 123
Roestwering............................................. 404
Roetfilter dieselmotor.............................. 316
ROETFILTER VOL.................................... 316
Schakelindicatie....................................... 284
Schakelindicatie (GSI).............................. 284
Schuifdak
Beveiliging tegen overbelasting..........
openen en sluiten...............................
Ventilatiestand....................................
Zonnescherm......................................
109
107
108
109
Rugleuning................................................. 82
achterbank, omklappen........................ 84
voorstoel, omklappen........................... 82
Sensus....................................................... 78
Ruit
rolgordijn............................................. 103
Sfeerverlichting.......................................... 98
Ruiten en spiegels................................... 403
Ruitenwisser voor.................................... 100
Regensensor....................................... 100
Serviceprogramma.................................. 354
Servicestand............................................ 378
SIPS-airbag............................................... 38
Sleepoog.................................................. 328
Slepen...................................................... 327
sleepoog............................................. 328
Sleutel.............................................. 158, 160
Sleutelblad....................................... 166, 167
Slijtage-indicator...................................... 333
Slot
kinder-.................................................. 46
Snelheidsbegrenzer................................. 195
alarm overschrijding snelheid............. 197
beknopte bedieningsinstructies. 195, 196
tijdelijk deactiveren............................. 196
uitschakelen........................................ 198
Snelheidsklassen, banden....................... 336
Spiegel
achteruitkijk-....................................... 105
12
Spiegels
buiten-................................................ 103
Spin control............................................. 188
Sproeien voorruit..................................... 101
Sproeier
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 379
Voorruit............................................... 101
Sproeiervloeistof...................................... 379
Sproeikoppen, verwarmd........................ 101
Stabiliteits- en tractieregeling.......... 188, 190
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
bediening............................................ 189
stabiliteitsregeling.................................... 188
Stadslicht................................................... 90
435
12 Alfabetisch register
Start/Stop................................................ 291
automatische motorafslag werkt niet. 293
Functie en bediening.......................... 292
Stuurbekrachtigingsvloeistof
kwaliteit............................................... 422
niveauregeling..................................... 368
Startaccu......................................... 310, 380
overbelasting...................................... 310
vervangen........................................... 382
Stuurkracht, snelheidsafhankelijk............ 187
Startblokkering........................................ 161
Starten met hulpaccu.............................. 282
Steenslagplekken en krassen.................. 405
Stickers.................................................... 409
12
Stoel, zie Stoelen en achterbank............... 81
Stoelen en achterbank............................... 81
elektrisch bediend................................ 82
elektrische verwarming....................... 132
Hoofdsteunen achterbank.................... 84
Ruggedeelte(n) achterbank neerklappen........................................................ 84
ruggedeelte(n) achterbank vooroverklappen................................................. 82
Stoffen die allergieën en/of astma kunnen
verwekken................................................ 127
Storingsdiagnose van camerasensor...... 222
Storingsmeldingen
Lane Departure Warning..................... 243
Storingzoeken
Adaptieve cruisecontrol...................... 213
436
Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht.......... 187
Stuurpaddle............................................... 86
Stuurslotfout............................................ 278
Stuurwiel....................................................
elektrische verwarming.........................
paddle...................................................
Stuur afstellen.......................................
Toetsenset............................................
86
87
86
86
86
T
Tanken
Bijvullen..............................................
Tankdop..............................................
tankklep..............................................
tankvulklep, handmatig openen.........
313
313
312
312
Temperatuur
werkelijke temperatuur....................... 126
Temperatuurregeling............................... 134
TM - Tyre Monitor.................................... 344
Toeteren..................................................... 86
Stuurwiel afstellen...................................... 86
Toetsensets op stuurwiel........................... 86
Symbolen
Controlesymbolen.................... 65, 67, 69
Waarschuwingssymbolen............... 65, 67
Totaalgewicht.......................................... 413
Symbolen en meldingen
Adaptieve cruisecontrol...................... 214
Collision Warning with Auto
Brake.......................................... 225, 235
Driver Alert Control............................. 239
Lane Departure Warning..................... 243
LKA..................................................... 248
Traction Control....................................... 188
Systeem
is afgegaan........................................... 43
TPMS - Tyre Pressure Monitoring System........................................................... 344
Trailer Stability Assist...................... 188, 326
Transmissie.............................................. 284
Transponder.............................................. 22
Transpondersleutel.................. 158, 159, 160
Actieradius.................................. 163, 170
afneembaar sleutelblad.............. 166, 167
batterij vervangen............................... 169
functies............................................... 162
zoekgeraakt........................................ 158
12 Alfabetisch register
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 185
V
Trekgewicht en kogeldruk....................... 414
Veiligheidsgordel.......................................
Achterbank...........................................
gordelspanner.......................................
gordelwaarschuwing............................
losnemen..............................................
omdoen.................................................
zwangerschap......................................
Trekhaak.......................................... 321, 322
afneembaar, aanbrengen.................... 323
afneembaar, verwijderen.................... 325
specificaties........................................ 322
Trekhaak, zie Trekinrichting..................... 321
Trekhaak - afneembaar
monteren/demonteren................ 323, 325
29
32
32
32
31
30
31
Velg, maten.............................................. 335
Trillingsdemper........................................ 321
Velgen
Reinigen.............................................. 402
TSA, Trailer Stability Assist ............. 188, 326
Ventilatie.................................................. 129
Tunnelconsole
12V-aansluiting................................... 151
aansteker en asbak............................ 150
Ventilator
ECC.................................................... 133
Tunneldetectie........................................... 91
Typeaanduidingen................................... 409
Typegoedkeuring
radarsysteem...................................... 268
transpondersleutelsysteem................ 185
Vergrendelen/ontgrendelen
binnenzijde.......................................... 176
dashboardkastje................................. 177
Vergrendeling
handmatig vergrendelen..................... 175
ontgrendelen............................... 174, 176
vergrendelen....................................... 174
Vergrendelingsindicatie .................. 160, 161
U
Uitstoot van kooldioxide.......................... 425
Verkeersbordinformatie........................... 192
bediening............................................ 192
Beperkingen....................................... 194
Verlichting
Actieve xenonkoplampen..................... 94
Approach-verlichting.................... 99, 162
automatische verlichting, interieur........ 98
automatisch groot licht......................... 92
Bedieningselementen..................... 87, 97
bochtverlichting.................................... 95
dagrijlicht.............................................. 90
Follow Me Home-verlichting................. 99
gloeilampen, specificaties.................. 377
groot licht/dimlicht................................ 91
in interieur............................................. 97
Koplamphoogteregeling....................... 89
mistachterlicht...................................... 95
Stadslicht.............................................. 90
tunneldetectie....................................... 91
Verlichting display................................. 89
Verlichting instrumentenpaneel............ 89
verlichting van bedieningselementen... 89
12
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 369
achterlamphuis................................... 374
dimlicht (auto's met halogeen-koplampen)..................................................... 372
grootlicht (auto's met actieve xenonkoplampen)......................................... 373
grootlicht (auto's met halogeenkoplampen)......................................... 373
kentekenplaatverlichting..................... 376
Kofferbak............................................ 376
437
12 Alfabetisch register
make-upspiegel.................................. 376
richtingaanwijzers, voor...................... 374
Verlichting display...................................... 89
Verlichting instrumentenpaneel................. 89
Verlichtingsbediening................................ 87
Verlichting van bedieningselementen........ 89
Vermogen................................................ 415
Versnellingsbak................................ 283, 284
automaat............................................. 285
handgeschakeld................................. 284
12
Versnellingsbakolie
hoeveelheid en kwaliteit..................... 420
Verwarmde sproeikoppen........................ 101
Verwarming op brandstof
timer.................................................... 141
Vierwielaandrijving, AWD......................... 290
Vlekken.................................................... 404
Vloeistoffen, hoeveelheden...... 379, 419,
420, 422, 423, 424
Vloeistoffen en oliën......... 419, 420, 422, 424
Voetgangersbescherming........................ 226
Waarschuwingsgeluid
Collision Warning................................ 230
Waarschuwingslampje
adaptieve cruisecontrol...................... 202
Collision Warning................................ 230
stabiliteits- en tractieregeling............. 188
Waarschuwingslampjes
airbags (SRS)........................................ 71
dynamo laadt niet bij............................ 71
gordelwaarschuwing...................... 32, 71
Lage oliedruk........................................ 71
parkeerrem ingeschakeld..................... 71
storing in remsysteem.......................... 71
Waarschuwing...................................... 71
Waarschuwingssymbolen.............. 65, 67, 71
Warmtereflecterende voorruit.................... 22
Wasstraat................................................. 401
Water- en vuilafstotende laag.................. 403
Water- en vuilafstotende laag, reinigen... 403
Whiplash, WHIPS....................................... 40
Volvo Sensus............................................. 78
WHIPS
kinderzitje/verhogingskussen............... 41
WHIPS-systeem............................. 40, 43
zithouding............................................. 42
Voorruit
elektrische verwarming............... 105, 135
Wielbouten............................................... 337
afsluitbare........................................... 337
Volgtijd instellen....................................... 216
Volvo ID..................................................... 22
438
W
Wielen
demonteren........................................ 338
monteren............................................ 341
Sneeuwkettingen................................ 337
Wiel vervangen........................................ 338
Winterbanden.......................................... 337
Wisserblad...............................................
Reinigen..............................................
Servicestand.......................................
vervangen...........................................
378
379
378
378
Wissers en -sproeiers.............................. 100
Z
Zekeringen
algemene informatie...........................
in bagageruimte..................................
in koude zone motorruimte.................
in motorruimte....................................
in regeleenheid onder dashboardkastje..................................................
onder het dashboardkastje.................
vervangen...........................................
387
397
399
389
395
393
387
Zekeringenkastje..................................... 387
Zij-airbag, SIPS.................................... 38, 43
Zonnescherm
achterruit............................................. 103
12 Alfabetisch register
Zonnescherm, schuifdak......................... 109
Zuinig rijden............................................. 318
12
439
12 Alfabetisch register
12
440
TP 20190 (Dutch), AT 1546, MY16, Printed in Sweden, Göteborg 2015, Copyright © 2000-2015 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising