Pentax *ist DL Omaniku manuaal
Reklama
Reklama
PENTAX Corporation
PENTAX Europe GmbH
(European Headquarters)
PENTAX U.K. Limited
PENTAX France S.A.S.
PENTAX Canada Inc.
2-36-9, Maeno-cho, Itabashi-ku, Tokyo 174-8639, JAPAN
(http://www.pentax.co.jp/)
Julius-Vosseler-Strasse, 104, 22527 Hamburg,
GERMANY
(HQ - http://www.pentaxeurope.com)
(Germany - http://www.pentax.de)
PENTAX House, Heron Drive, Langley, Slough, Berks
SL3 8PN, U.K.
(http://www.pentax.co.uk)
12/14, rue Jean Poulmarch, 95106 Argenteuil Cedex,
FRANCE
PENTAX Benelux B.V.
PENTAX (Schweiz) AG
(for Netherlands)
Spinveld 25, 4815 HR Breda, NETHERLANDS
(http://www.pentax.nl)
(for Belgium & Luxembourg)
Weiveldlaan 3-5, 1930 Zaventem, BELGIUM
(http://www.pentax.be)
Widenholzstrasse 1 Postfach 367 8305 Dietlikon,
SWITZERLAND
(http://www.pentax.ch)
PENTAX Scandinavia AB P.O. Box 650, 75127 Uppsala, SWEDEN
(http://www.pentax.se)
PENTAX Imaging Company
A Division of PENTAX of America, Inc.
(Headquarters)
600 12th Street, Suite 300 Golden, Colorado 80401, U.S.A.
(Distribution & Service Center)
16163 West 45th Drive, Unit H Golden, Colorado 80403,
U.S.A. (http://www.pentaximaging.com)
1770 Argentia Road Mississauga, Ontario L5N 3S7,
CANADA
(http://www.pentax.ca)
De fabrikant behoudt zich het recht voor zonder voorafgaande berichtgeving wijzigingen in specificaties, ontwerp en beschikbaarheid aan te brengen.
AP011305/NL Copyright © PENTAX Corporation 2005
FOM 01.07.2005 Printed in Germany
SLR Digitale Camera
Handleiding
Lees voor optimale cameraprestaties eerst de handleiding door voordat u deze camera in gebruik neemt.
Fijn dat u hebt gekozen voor de PENTAX L digitale camera. Lees dit document voor gebruik door om de functies van de camera optimaal te kunnen benutten. Bewaar deze handleiding op een veilige plaats; hij kan een waardevol hulpmiddel zijn om inzicht te krijgen in alle mogelijkheden van de camera.
Geschikte objectieven
Voor deze camera zijn alle DA, D FA en FA J-objectieven en objectieven met een s -stand
(automatisch) op de diafragmaring geschikt.
Zie pagina 37 en 180 als u een ander objectief of accessoire wilt gebruiken.
Auteursrechten
Met de L gemaakte opnamen die voor elk ander doel dan strikt persoonlijk gebruik zijn bestemd, mogen niet worden gebruikt zonder toestemming volgens de rechten zoals neergelegd in de auteursrechtwetgeving. Houd altijd rekening met het volgende: in sommige gevallen is zelfs het fotograferen voor persoonlijk gebruik aan beperkingen gebonden, zoals bij demonstraties, voorstellingen of in het geval van publicatie-elementen. Opnamen die zijn gemaakt met het doel om auteursrechten te verkrijgen, kunnen ook niet worden gebruikt buiten het gebruiksbereik van het auteursrecht zoals beschreven in de auteursrechtwetgeving. Ook hiermee dient men rekening te houden.
Handelsmerken
• PENTAX en smc PENTAX zijn handelsmerken van PENTAX Corporation.
• Het SD-logo is een handelsmerk.
• Alle overige merk- of productnamen zijn handelsmerken of wettig gedeponeerde handelsmerken van hun betreffende eigenaren.
Aan de gebruikers van deze camera
• De kans bestaat dat opgenomen gegevens worden gewist of dat de camera niet naar behoren functioneert bij gebruik in omgevingen met installaties die sterke elektromagnetische straling of magnetische velden opwekken.
• Het paneel met vloeibare kristallen in het LCD is gemaakt met behulp van extreem hogeprecisietechnologie. Hoewel het percentage werkende pixels 99,99% of hoger is, dient u er rekening mee te houden dat 0,01% of minder van de pixels niet oplicht of juist wel oplicht wanneer dat niet zou moeten. Dit heeft echter geen effect op het opgenomen beeld.
Dit product ondersteunt PRINT Image Matching III. Met digitale fotocamera’s, printers en software die PRINT Image Matching ondersteunen, kunnen fotografen opnamen produceren die hun bedoelingen beter benaderen. Sommige functies zijn niet beschikbaar op printers die PRINT Image
Matching III niet ondersteunen.
Copyright 2001 Seiko Epson Corporation. Alle rechten voorbehouden.
PRINT Image Matching is een handelsmerk van Seiko Epson Corporation.
Het PRINT Image Matching-logo is een handelsmerk van Seiko Epson Corporation.
Meer over PictBridge
Met PictBridge kan de gebruiker de digitale camera rechtstreeks aansluiten op een printer, waarbij gebruik wordt gemaakt van de universele standaard voor de rechtstreekse uitvoer van opnamen.
Met een paar eenvoudige handelingen kunt u opnamen rechtstreeks vanuit de camera afdrukken.
• De illustraties en het weergavescherm van de LCD-monitor in deze handleiding kunnen afwijken van het feitelijke product.
VEILIG GEBRUIK VAN UW CAMERA
We hebben de grootst mogelijke aandacht besteed aan de veiligheid van dit product. Bij gebruik van dit product vragen we om uw speciale aandacht voor zaken die zijn aangeduid met de volgende symbolen.
Waarschuwing
Pas op
Dit symbool geeft aan dat het niet in acht nemen van deze waarschuwing ernstig persoonlijk letsel kan veroorzaken.
Dit symbool geeft aan dat het niet in acht nemen van deze waarschuwing minder ernstig tot gemiddeld persoonlijk letsel of materiële schade kan veroorzaken.
1
OVER DE CAMERA
Waarschuwing
• Probeer de camera niet uit elkaar te halen of te veranderen. De camera bevat onderdelen die onder hoogspanning staan, waardoor er gevaar voor elektrische schokken bestaat.
• Mocht het binnenwerk van de camera open liggen, bijvoorbeeld doordat de camera valt of anderszins wordt beschadigd, raak dan nooit het vrijgekomen gedeelte aan, aangezien er gevaar is voor een elektrische schok.
• Houd de SD-geheugenkaart buiten bereik van kleine kinderen om niet het risico te lopen dat de kaart per ongeluk wordt ingeslikt. Mocht de kaart toch worden ingeslikt, ga dan onmiddellijk naar een arts.
• De camerariem om uw nek doen kan gevaarlijk zijn. Pas vooral op dat kinderen de riem niet om hun nek doen.
• Kijk niet rechtstreeks naar de zon door de camera, omdat uw ogen bij blootstelling aan direct zonlicht beschadiging kunnen oplopen. Kijk niet recht in de zon door een teleobjectief, aangezien dit kan leiden tot blindheid.
• Bewaar batterijen altijd buiten het bereik van kinderen. Mocht een kind per ongeluk een batterij inslikken, dan moet u onmiddellijk een arts raadplegen.
• Gebruik uitsluitend de exclusief voor dit product ontwikkelde netvoedingsadapter met het juiste vermogen en de juiste spanning. Gebruik van een netvoedingsadapter met andere specificaties dan voorgeschreven voor dit product, kan brand, elektrische schokken of schade aan de camera veroorzaken.
• Als zich tijdens het gebruik onregelmatigheden voordoen, zoals rook of een vreemde geur, houd dan onmiddellijk op de camera te gebruiken. Verwijder de batterijen of de netvoedingsadapter en neem contact op met het dichtstbijzijnde PENTAX Service
Center. Verder gebruik van de camera kan brand of elektrische schokken veroorzaken.
• Schakel tijdens onweer de netvoedingsadapter uit en haal deze uit het stopcontact.
Onweer kan storing in de apparatuur, brand of elektrische schokken veroorzaken.
2
Pas op
• Probeer nooit de batterijen kort te sluiten of aan vuur bloot te stellen. Demonteer de batterijen nooit. De batterijen kunnen exploderen of vlam vatten.
• Laad geen andere batterijen op dan oplaadbare Ni-MH-batterijen. De batterijen kunnen exploderen of vlam vatten. Van de batterijen die in deze camera kunnen worden gebruikt, kunnen alleen de Ni-MH-batterijen worden opgeladen.
• Als de batterijen heet worden of beginnen te roken, moet u deze onmiddellijk uit de camera halen. Pas op dat u zichzelf niet brandt bij het verwijderen van de batterijen.
• Sommige delen van de camera worden tijdens het gebruik heet. Als dergelijke onderdelen lang worden vastgehouden, is er gevaar voor lichte verbrandingen.
• Leg uw vingers of een kledingstuk niet over de flitser wanneer u deze gebruikt.
Uw huid of kleding kan verbranden.
BATTERIJGEBRUIK
• Gebruik alleen de aangegeven batterijen in deze camera. Het gebruik van andere batterijen kan brand of ontploffing veroorzaken.
• Vervang de batterijen tegelijk. Combineer geen batterijen van een verschillend merk of type, of oude met nieuwe. Exploderen of brand kan het gevolg zijn.
• De batterijen dienen correct te worden geplaatst volgens de poolaanduidingen
(+ en –) op de batterijen en in de camera.
• AA-lithiumbatterijen, AA-alkalinebatterijen en CR-V3-wegwerpbatterijen zijn niet oplaadbaar. Demonteer de batterijen niet. Het opladen of demonteren van deze batterijen kan resulteren in een explosie of lekken.
In overeenstemming met wettelijke batterijvoorschriften is iedereen verplicht om lege, oude en gebruikte batterijen in te leveren. Gratis verzamelpunten zijn beschikbaar bij de detailhandel en lokale milieuparken. Wanneer het toestel zichzelf uitschakelt en “battery empty” of “lege batterij” weergeeft dan zijn de batterijen leeg. Wanneer de batterijpolen zijn bedekt met een zelfklevende strip, geeft dit aan dat aan alle veiligheidsvoorschriften is voldaan.
Aandachtspunten tijdens het gebruik
• Neem het document Worldwide Service Network mee dat in het pakket zit. Dit komt van pas bij problemen in het buitenland.
• Wanneer de camera lange tijd niet is gebruikt, ga dan na of alles nog goed werkt, vooral als u er belangrijke opnamen mee wilt maken (bijvoorbeeld huwelijksfoto’s of opnamen op reis). Opnamen kunnen niet worden gegarandeerd als opnemen, weergeven of het overzetten van de gegevens naar een computer enz. niet mogelijk is als gevolg van een defect aan de camera of aan de opnamemedia
(SD-geheugenkaart) enz.
• Maak het product niet schoon met organische oplosmiddelen zoals verfverdunner, alcohol of wasbenzine.
• Stel de camera niet bloot aan hoge temperaturen of hoge luchtvochtigheid. Met name auto’s kunnen van binnen zeer heet worden.
• Berg de camera niet op een plaats op met conserveermiddelen en chemicaliën.
Opslag in ruimten met hoge temperaturen en een hoge luchtvochtigheid kan schimmelvorming veroorzaken. Haal de camera uit de tas en berg deze op een droge en goed geventileerde plaats op.
• Deze camera is niet waterdicht en dient niet te worden gebruikt in de regen of op plaatsen waar de camera nat zou kunnen worden.
• Stel de camera niet bloot aan zware trillingen, schokken of druk. Gebruik een kussen om de camera te beschermen tegen trillingen van een motor, auto of schip.
• Het temperatuurbereik voor gebruik van de camera is 0° tot 40° C (32°F tot 104°F).
• Het LCD (liquid crystal display) kan zwart worden bij hoge temperaturen, maar wordt weer normaal bij een normale omgevingstemperatuur.
• De reactiesnelheid van het LCD kan traag worden bij lage temperaturen. Dit ligt aan de eigenschappen van de vloeistofkristallen en is geen defect.
• Laat de camera om de één tot twee jaar nakijken teneinde de prestaties van het product op peil te houden.
• Plotselinge temperatuurschommelingen veroorzaken condensvorming aan de binnen- en buitenkant van de camera. Doe de camera in de draagtas of een plastic zak en haal deze er pas uit als het temperatuurverschil tussen de camera en de omgeving minimaal is geworden.
• Vermijd contact met afval, modder, zand, stof, water, gifgassen of zouten, aangezien de camera hierdoor defect kan raken. Als er regen- of waterdruppels op de camera komt, veeg deze dan droog.
• Zie “Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van een SD-geheugenkaart” (blz. 30) voor meer informatie over de SD-geheugenkaart.
• Verwijder stof dat zich op het objectief of de zoeker heeft verzameld met een lenskwastje. Gebruik nooit een spuitbus voor het schoonmaken, omdat het objectief hierdoor beschadigd kan raken.
• Druk niet met kracht op de LCD-monitor. De kans bestaat dat de monitor hierdoor breekt of niet meer naar behoren functioneert.
3
4
INHOUDSTAFEL
VEILIG GEBRUIK VAN UW CAMERA .................................................1
OVER DE CAMERA .............................................................................1
BATTERIJGEBRUIK.............................................................................2
Aandachtspunten tijdens het gebruik....................................................2
INHOUDSTAFEL ..................................................................................4
Samenstelling van de handleiding ........................................................9
Voor u de camera gaat gebruiken 11
L Kenmerken van de camera......................................................12
De inhoud van het pakket controleren ...................................................13
De verschillende onderdelen...................................................................14
Camera ...............................................................................................14
Indicaties op de LCD-monitor .............................................................16
Indicaties in de zoeker ........................................................................20
LCD indicaties.....................................................................................22
Voorbereidingen 23
Draagriem bevestigen ..............................................................................24
Batterijen plaatsen ...................................................................................25
Batterijen.............................................................................................26
Indicatie batterijniveau ........................................................................27
Geschatte opslagcapaciteit voor opnamen en Weergavetijd
(nieuwe batterijen) ..............................................................................27
Gebruik van de netvoedingsadapter (optioneel).................................28
De SD-geheugenkaart plaatsen / uitnemen............................................29
Opnamepixels en Kwaliteitsniveau .....................................................31
De camera aan- en uitzetten ....................................................................32
Standaardinstellingen ..............................................................................33
De weergavetaal instellen...................................................................33
Datum en tijd instellen ........................................................................35
Het objectief bevestigen ..........................................................................37
De zoekerdioptrie aanpassen..................................................................39
Basisbediening 41
Basishandelingen bij opnamen...............................................................42
De camera vasthouden.......................................................................42
De camera de optimale instellingen laten bepalen .............................43
De juiste opnamefunctie selecteren .......................................................47
Het zoomobjectief gebruiken...................................................................48
De ingebouwde flitser gebruiken ............................................................49
De ingebouwde flitser gebruiken ........................................................49
Andere opnamefuncties...........................................................................53
Continuopnamen ................................................................................53
Opnamen met de zelfontspanner .......................................................55
Opnamen via de afstandsbediening
(Afstandsbediening F: afzonderlijk verkrijgbaar).................................59
Gebruik van de spiegelvergrendelingsfunctie om bewegingen van de camera te voorkomen .............................................................62
Foto’s weergeven .....................................................................................63
Opnamen weergeven .........................................................................63
Vergrote weergave Opnamen.............................................................65
Weergave van negen opnamen tegelijk .............................................66
Diavoorstelling ....................................................................................68
Camera aansluiten op audiovisuele apparatuur....................................70
Opnamen verwerken met filters ..............................................................71
Opnamen wissen ......................................................................................73
Eén opname wissen ...........................................................................73
Alle opnamen wissen..........................................................................74
Geselecteerde opnamen wissen
(uit de weergave met negen opnamen) ..............................................75
Opnamen beveiligen tegen wissen(Protect) .......................................77
Afdrukservice instellen (DPOF)...............................................................79
Afzonderlijke opnamen afdrukken ......................................................79
Instellingen voor alle opnamen ...........................................................81
Afdrukken met PictBridge........................................................................83
Setting Transfer Modes ......................................................................84
Camera op de printer aansluiten ........................................................85
Afzonderlijke opnamen afdrukken ......................................................86
Alle opnamen afdrukken .....................................................................88
Opnamen laten afdrukken op basis van DPOF-instellingen ...............90
De kabel losmaken van de printer ......................................................90
Menu-referentie 91
5
De knopfuncties gebruiken......................................................................92
Opnamestand .....................................................................................92
Weergave ...........................................................................................94
Het menu gebruiken .................................................................................96
Bediening van het menu .....................................................................96
Onderdelen van menu [ A Opname] instellen....................................98
6
Onderdelen van menu [ Q Weergeven] instellen ..............................98
Onderdelen van menu [ H Set-up] instellen........................................99
Onderdelen van menu [ A Pers. inst.] instellen.................................100
Het Fn-menu gebruiken..........................................................................102
Opnamestand ...................................................................................102
Weergave .........................................................................................103
De functiekiezer gebruiken....................................................................104
Functiereferentie 107
De opnamepixels en het kwaliteitsniveau instellen ............................108
Beeldtint instellen..............................................................................108
Opnamepixels instellen.....................................................................109
Kwaliteitsniveau instellen..................................................................110
Kleurverzadiging/Scherpte/Contrast instellen...................................111
Witbalans instellen............................................................................112
Gevoeligheid instellen.......................................................................115
Kleurgebied instellen ........................................................................117
Scherpstellen ..........................................................................................118
De autofocus gebruiken....................................................................118
Het AF-veld instellen.........................................................................121
De AF-functie instellen......................................................................122
Scherpstelling vastzetten (Scherpstelvergrendeling)........................123
Handmatig scherpstelling wijzigen (Handmatig scherpstellen).........125
Belichting instellen.................................................................................127
Effect van diafragma en sluitertijd.....................................................127
De lichtmeetmethode selecteren ......................................................130
De belichtingsfunctie wijzigen...........................................................132
De belichting instellen.......................................................................141
Wijzigen van belichting en opname (Auto Bracket) ..........................143
Ingebouwde flitser gebruiken................................................................146
Flitsopbrengst corrigeren ..................................................................146
Opnamen maken terwijl de flitser nog bezig is met opladen ............147
Flitseigenschappen bij elke belichtingsfunctie ..................................147
Afstand en diafragma bij gebruik van de ingebouwde flitser ............149
Compatibiliteit objectieven DA, D FA, FA J, FA en F met de ingebouwde flitser.................................................................151
Gebruik van een externe flitser (optioneel).......................................153
Instellingen tijdens de weergave ..........................................................160
Weergavefunctie wijzigen ................................................................160
Helderheidswaarschuwing weergeven .............................................160
Weergave-interval diavoorstelling instellen ......................................161
Camera-instellingen ...............................................................................162
SD-geheugenkaart formatteren ........................................................162
Het geluidssignaal in- en uitschakelen .............................................163
Datum/tijd en weergavestijl wijzigen .................................................163
Wereldtijd instellen............................................................................164
Weergavetaal instellen .....................................................................167
De schermaanwijzingen aan en uitzetten .........................................167
De helderheid van de LCD-monitor aanpassen................................168
Het video-uitgangssignaal selecteren...............................................168
Automatisch uitschakelen instellen...................................................169
Het bestandsnummer opnieuw instellen...........................................169
Momentcontrole instellen..................................................................170
Standaardinstellingen herstellen ..........................................................171
Menu Opname/Weergeven/Set-up herstellen ..................................171
Menu Pers. inst. herstellen ...............................................................172
7
8
Bijlage 173
Standaardinstellingen ............................................................................174
Beschikbare functies bij verschillende objectiefcombinaties............178
Opmerkingen bij [gebruik van een diafragmaring]..............................180
De CCD schoonmaken ...........................................................................181
Optionele accessoires ...........................................................................183
Foutberichten..........................................................................................186
Problemen oplossen ..............................................................................188
Belangrijkste technische gegevens......................................................190
Specificaties van optionele afstandsbediening F..............................192
Verklarende woordenlijst.......................................................................193
Index ........................................................................................................198
GARANTIEBEPALINGEN .......................................................................202
9
Samenstelling van de handleiding
Deze handleiding bevat de volgende hoofdstukken.
1 Voor u de camera gaat gebruiken
Beschrijft de kenmerken van de camera, accessoires en de namen van de verschillende onderdelen.
2 Voorbereidingen
Beschrijft uw eerste stappen, van de aankoop van de camera tot het maken van opnamen.
Lees dit hoofdstuk aandachtig door en volg alle aanwijzingen op.
3 Basisbediening
Legt de procedures uit voor het maken, weergeven en afdrukken van foto’s. Lees deze aanwijzingen om alle basisbedieningen te leren voor opnemen, weergeven en afdrukken.
4 Menu-referentie
Beschrijft de functies van de knoppen en menu’s van de L .
5 Functiereferentie
Geeft informatie over functies om de gebruikservaring van de L te verbeteren.
6 Bijlage
Behandelt het oplossen van problemen en geeft een overzicht van afzonderlijk verkrijgbare accessoires en verschillende informatiebronnen.
1
2
3
4
5
6
De betekenis van de in deze handleiding gebruikte symbolen wordt hierna uitgelegd.
1 Geeft het nummer aan van de pagina waarnaar wordt verwezen voor een uitleg van het betreffende bedieningsonderdeel.
Geeft nuttige informatie weer.
Geeft aandachtspunten aan voor de bediening van de camera.
10
Memo
1
Voor u de camera gaat gebruiken
Controleer de inhoud van het pakket en de namen van de diverse onderdelen voor het gebruik.
L Kenmerken van de camera ............................................. 12
De inhoud van het pakket controleren ........................................... 13
De verschillende onderdelen .......................................................... 14
12 L
Kenmerken van de camera
1
• Voorzien van een CCD van 23,5×15,7 mm met effectief 6,1 miljoen pixels, voor een zeer hoge precisie en een groot dynamisch bereik.
• Werkt op CR-V3-batterijen, AA-lithiumbatterijen, oplaadbare AA Ni-MH batterijen of
AA-alkalinebatterijen.
• Voorzien van een grote LCD-monitor van 2,5 inch met 210.000 pixels en helderheidsregeling voor een zo nauwkeurig mogelijke weergave.
• Er zijn universele designconcepten toegepast op verschillende delen van de camera.
De grote LCD-monitor met hoge resolutie en de gebruiksvriendelijke menu’s maken de bediening van de camera eenvoudiger.
Het gebied dat door de camera wordt vastgelegd (de beeldhoek) is bij de L en 35 mm-kleinbeeldreflexcamera’s verschillend, zelfs wanneer hetzelfde objectief wordt gebruikt. Dit komt doordat het formaat van kleinbeeldfilm en de CCD verschillend zijn.
Afmetingen van kleinbeeldfilm en CCD
35 mm-kleinbeeldfilm : 36×24 mm
L CCD : 23,5×15,7 mm
Bij gelijke beeldhoeken moet de brandpuntsafstand van een objectief dat voor een 35 mmkleinbeeldcamera wordt gebruikt, ongeveer 1,5 keer langer zijn dan die voor de L .
Om een brandpuntsafstand te bereiken die hetzelfde gebied bestrijkt, deelt u de brandpuntsafstand van het kleinbeeldobjectief door 1,5.
Voorbeeld) Om een zelfde opname te maken als met een 150 mm-objectief op een kleinbeeldcamera
150÷1.5=100
Gebruik een 100 mm-objectief voor de L .
Omgekeerd moet de brandpuntsafstand van het gebruikte objectief op de L worden vermenigvuldigd met 1,5 om de brandpuntsafstand voor een kleinbeeldcamera te bepalen.
Voorbeeld) Wanneer een 300 mm-objectief wordt gebruikt op een L
300×1.5=450
De brandpuntsafstand is gelijk aan een 450 mm-objectief op een kleinbeeldcamera.
De inhoud van het pakket controleren
Bij de camera worden de volgende accessoires geleverd.
Controleer of alle accessoires zijn meegeleverd.
Flitsschoenbeschermer F
K
(op de camera bevestigd)
Oogschelp F
N
(op de camera bevestigd)
ME-zoekerkapje
13
1
Bodydop
(op de camera bevestigd)
USB-kabel
I-USB17
Videokabel
I-VC28
Cd-rom met software
S-SW34
Draagriem
O-ST10
AA-alkalinebatterijen*
(vier)
Handleiding
(deze handleiding)
* Met de batterijen die bij de camera zijn geleverd, kan worden gecontroleerd of de camera werkt.
14
De verschillende onderdelen
Camera
1
Richtteken objectiefvatting
Ontspanknop
Hoofdschakelaar
Zelfontspanner-LED/ afstandsbedieningssensor
Objectiefontgrendelknop
3 knop i
knop
M knop
Q -knop
Spiegel
AF-koppeling
Knop scherpstelfunctie
Objectiefinformatie contacten e-knop
L / Z knop
Vierwegbesturing
4 knop
{ knop
Batterijklep
Statiefaansluiting
K knop
Functiekiezer
Riembevestiging
Aansluiting draadontspanner
USB/video-aansluiting
Gelijkstroomingang
Klepje voor aansluitingen
LCD-monitor
15
Ingebouwde flitser
Flitsschoen m c knop
LCD
Dioptriecorrectieknop
Kaartklep
Ontgrendelknop van kaartcompartiment
LED voor lezen van/ schrijven naar kaart
Zoeker
1
16
Indicaties op de LCD-monitor
1
Afhankelijk van de camerastatus kunnen de volgende indicaties op de LCD-monitor worden weergegeven.
LCD-monitor
Terwijl de camera is ingeschakeld of wanneer u de functiekiezer gebruikt
Bedieningsaanwijzingen worden drie seconden lang op de LCD-monitor weergegeven bij het inschakelen of gebruiken van de functiekiezer.
Selecteer [Uit] bij [Hulpdisplay] in [ H Set-up] om geen indicaties weer te geven. (blz. 99)
7
1 2 3 4 5 6
Auto Picture
Programma
8
25 / 06 / /
9
1 Flitsinstelling
(Actieve instelling wordt weergegeven)
(blz. 49)
2 Transportfunctie (blz. 102)
3 Autobelichting (blz. 130)
4 AF-veld (blz. 121)
5 Witbalans (blz. 112)
6 Gevoeligheid (blz. 115)
7 Opnamestand
(Positie functiekiezer) (blz. 104)
8 Weergave waarschuwing wereldtijd (blz. 164)
9 Datum en tijd (blz. 163)
* Indicatie 3, 4, 5 en 6 worden alleen weergegeven wanneer er een andere dan de standaardinstelling is geselecteerd. 8 wordt alleen weergegeven wanneer de wereldtijd is ingeschakeld.
17
Opnamefunctie
Druk in de opnamestand op de knop M om de instellingen van de opnamefunctie gedurende 15 seconden weer te geven op de LCD-monitor.
Detailinformatie
Detail info
Detail info
sRGB
25 / 06 / /
AF
40 mm
2
9
12
3
7
10
4
8
11
5 6
13
1
14
15
16
17
18
1 Scherpstelfunctie (blz. 118)
2 Opnamestand (blz. 104)
3 Autobelichting (blz. 130)
4 Flitsinstelling (blz. 49)
5 Transportfunctie (blz. 102)
6 Automatisch belichtingstrapje
(Auto Bracket) (blz. 145)
7 ISO-gevoeligheid (blz. 115)
8 Beeldtint (blz. 108)
9 Kwaliteitsniveau (blz. 110)
10 Opnamepixels (blz. 109)
11 Kleurgebied (blz. 117)
12 Witbalans (blz. 112)
13 Datum en tijd (blz. 163)
14
15
16
17
18
AF-veld (blz. 121)
Kleurverzadiging (blz. 111)
Scherpte (blz. 111)
Contrast (blz. 111)
Brandpuntsafstand objectief
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ) om aanwijzingen over het instellen van de functiekiezer weer te geven.
Aanwijzingen over functiekiezer
1
18
1
Weergave
Elke keer dat u tijdens de weergave op de M -knop drukt, schakelt de camera tussen de weergaveschermen.
U kunt de weergegeven aanwijzingen veranderen door op de Q -knop te drukken. (blz. 160)
Detailinformatie
25 // sRGB
06 /
40 mm
2
1
11
7
20
24
17
8
18
9
12 13 14 15
21 22
25
5
3
6
10
16
19
23
4
1 Gemaakte opnamen
2 Pictogram roteren (blz. 64)
3 Mapnummer en bestandsnummer van opnamen (blz. 169)
4 Pictogram beveiliging (blz. 77)
5 Scherpstelfunctie (blz. 118)
6 AF-veld (blz. 121)
7 Sluitertijd (blz. 134)
8 Diafragma (blz. 136)
9 LW-correctie (blz. 141)
10 Kleurverzadiging (blz. 111)
11 Opnamestand (blz. 104)
12 Autobelichting (blz. 130)
13 Flitsinstelling (blz. 49)
14 Transportfunctie (blz. 102)
15 Automatisch belichtingstrapje
(Auto Bracket) (blz. 145)
16 Scherpte (blz. 111)
17 ISO-gevoeligheid (blz. 115)
18 Beeldtint (blz. 108)
19 Contrast (blz. 111)
20 Kwaliteitsniveau (blz. 110)
21 Opnamepixels (blz. 109)
22 Kleurgebied (blz. 117)
23 Brandpuntsafstand objectief
24 Witbalans (blz. 112)
25 Datum en tijd van de opname (blz. 163)
Histogramweergave
1 2
3
4
1 Opnamekwaliteit (bestandstype voor opnamen)
2 Mapnummer en bestandsnummer van opnamen (blz. 169)
3 Pictogram beveiliging (blz. 77)
4 Histogram
• Lichtere gedeelten knipperen wanneer de helderheidswaarschuwing is ingeschakeld.
(blz. 160)
• Druk in de histogramweergave op de vierwegbesturing ( 23 ) om de weergavepositie van het histogram naar boven of beneden te verplaatsen.
19
1
20
Indicaties in de zoeker
2
1
1 1
3 4 5
6
7 8 9 10 11
12 13 14
1 Autofocuskader (blz. 39)
2 Spotmeetkader (blz. 130)
3 Flitserstatus (blz. 49)
Wordt weergegeven wanneer de flitser gereed is en knippert wanneer het gebruik van de flitser wordt aangeraden maar deze nog niet is ingeschakeld
4 Handmatige witbalans (blz. 113)
Wordt weergegeven wanneer de handmatige witbalans wordt gebruikt en knippert tijdens het instellen
5 Continustand (blz. 122)
Wordt weergegeven wanneer de scherpstelfunctie is ingesteld op k (continu scherpstellen)
6 Pictogram voor opnamefunctie (blz. 47)
Het pictogram voor de geselecteerde opnamefunctie verschijnt
.
Nachtportret, \ Bewegend onderwerp, q Macro, s Landschap, = Portret, U Normaal
7 Scherpstelindicatie (blz. 44)
Wordt weergegeven wanneer op onderwerp is scherpgesteld. Knippert wanneer niet is scherpgesteld op onderwerp
8 Sluitertijd (blz. 134)
Sluitertijd bij opname of instelling (onderstreept wanneer de sluitertijd kan worden gewijzigd met de e-knop).
9 Diafragma (blz. 136)
Diafragma bij opname of instelling (onderstreept wanneer het diafragma kan worden gewijzigd met de e-knop)
21
10 LW-correctie (blz. 141)
Wordt weergegeven wanneer de LW-correctie gereed is of gebruikt wordt.
Knippert langzaam bij het corrigeren van de flitsintensiteit.
Knippert snel bij het corrigeren van de belichting en de flitsintensiteit.
De aangepaste waarde wordt weergegeven op de plaats waar het aantal beschikbare opnamen wordt weergegeven
11 Beschikbaar aantal opnamen/LW-correctie
Geeft het beschikbare aantal opnamen weer bij de huidige instellingen voor kwaliteit en opnamepixels.
Geeft het aantal beschikbare continuopnamen weer. (blz. 100)
De LW-correctiewaarde wordt weergegeven wanneer de LW-correctie wordt ingesteld. (blz. 133)
Het verschil met de juiste belichtingswaarde wordt weergegeven wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op a . (blz. 138)
12 Handmatig scherpstellen (blz. 125)
Wordt weergegeven wanneer de scherpstelfunctie is ingesteld op \
13 Waarschuwing ISO-gevoeligheid (blz. 116)
Wordt weergegeven bij het overschrijden van de waarschuwingswaarde
14 Indicatie belichtingsgeheugen (blz. 142)
Wordt weergegeven wanneer het belichtingsgeheugen wordt gebruikt
1
22
LCD indicaties
De volgende informatie wordt weergegeven op het LCD op de bovenzijde van de camera.
1
1 7 2
3
4
8
9
1 Sluitertijd (blz. 134)
2 Diafragma (blz. 136)
3 Flitsinstelling (blz. 49) b : Ingebouwde flitser is gereed
(knipperend: flitser moet worden gebruikt of er wordt een nietcompatibel objectief gebruikt) a : Flitser uit
E : Automatisch flitsen
> : Flitsen met anti rode ogen aan
4 Transportfunctie (blz. 102)
9 : Enkelbeeldopnamen j g h
: Continuopnamen
: Opnamen met zelfontspanner
: Opnamen via afstandsbediening
5 6 10 11
5 AF-veld (blz. 121)
Geen indicatie : Breed
M : Spot
6 Autobelichting (blz. 130)
Geen indicatie:
Meervlaks lichtmeting
M
N
: Lichtmeting met nadruk op het midden
: Spotmeting
7 Automatisch belichtingstrapje (blz. 145)
8 Witbalans (blz. 112)
(niet weergegeven indien ingesteld op Auto)
9 Batterijniveau
10 LW-correctie (blz. 141)
11 Aantal beschikbare opnamen/
LW-correctiewaarde/PC (Pb)
(PC = Personal Computer (massaopslag),
Pb = PictBridge)
2
Voorbereidingen
In dit hoofdstuk worden de eerste stappen, van de aankoop van de camera tot het maken van opnamen beschreven. Lees dit hoofdstuk aandachtig door en volg alle aanwijzingen op.
Draagriem bevestigen ..................................................................... 24
Batterijen plaatsen ........................................................................... 25
De SD-geheugenkaart plaatsen / uitnemen ................................... 29
De camera aan- en uitzetten ........................................................... 32
Standaardinstellingen ..................................................................... 33
Het objectief bevestigen .................................................................. 37
De zoekerdioptrie aanpassen ......................................................... 39
24
Draagriem bevestigen
2
1
Trek het uiteinde van de riem door de riembevestiging en maak de riem vast aan de binnenkant van de gesp.
2
Haal het andere uiteinde van de riem door de andere riembevestiging van de camera en maak de riem vast aan de binnenkant van de gesp.
Batterijen plaatsen
25
Plaats batterijen in de camera. Gebruik twee CR-V3 of vier AA Ni-MH-batterijen,
AA lithiumbatterijen of AA alkalinebatterijen.
Bij deze camera worden AA-alkalinebatterijen geleverd om te controleren of de camera naar behoren werkt. Ook sommige andere typen batterijen zijn geschikt. Raadpleeg
"Batterijen" (blz. 26) voor informatie over geschikte typen batterijen en het gebruik ervan.
• CR-V3-, AA-lithiumbatterijen en AA-alkalinebatterijen zijn niet oplaadbaar.
• Open de klep van het batterijcompartiment niet en verwijder de batterijen niet terwijl de camera aan staat.
• Verwijder de batterijen wanneer u de camera langere tijd niet gebruikt. De batterijen kunnen anders gaan lekken.
• Als datum en tijd niet juist zijn wanneer u na langere tijd nieuwe batterijen in de camera plaats, volgt u de procedure voor “Datum en tijd instellen”. (blz. 35)
• Plaats de batterijen op de juiste wijze. Als de batterijen verkeerd zijn geplaatst, kan de camera beschadigd raken. Veeg de contactpunten van de batterijen schoon alvorens ze te plaatsen.
• Vervang alle batterijen tegelijk. Combineer geen batterijen van verschillend type of merk, of oude met nieuwe.
2
1
Houd de ontgrendelknop van het batterijcompartiment ingedrukt zoals afgebeeld ( 1 ), en schuif de
( klep in de richting van het objectief
2 ). Maak dan de klep open.
1
2
2
Plaats de batterijen volgens de poolaanduidingen +/– in het batterijcompartiment.
26
3
Druk de klep ( 1 ) omlaag tegen de batterijen en schuif hem in de afgebeelde richting( 2 ).
2
1
2
• Gebruik bij langdurig cameragebruik de netvoedingsadapter (optioneel). (blz. 28)
• Werkt de camera niet naar behoren na vervanging van de batterijen, controleer dan of de batterijen correct zijn geplaatst.
Batterijen
Voor deze camera kunnen vier verschillende soorten batterijen worden gebruikt.
De prestaties zijn afhankelijk van het type batterij. Kies het type dat het beste past bij uw doeleinden.
CR-V3
De CR-V3 is een batterij met een lange levensduur, die zeer geschikt is voor reizen.
AA Ni-MH oplaadbare batterijen
AA-lithiumbatterijen
Deze batterijen zijn oplaadbaar en voordelig.
AA-alkalinebatterijen
Aanbevolen in koude klimaten.
Bij de camera geleverd. U kunt dit type batterijen overal verkrijgen wanneer de batterijen die u normaal gebruikt leeg zijn. Ze ondersteunen echter mogelijk niet alle camerafuncties onder bepaalde omstandigheden. We raden het gebruik ervan dan ook af, uitgezonderd in noodgevallen en om te controleren of de camera naar behoren werkt.
Oxyride batterijen en oplaadbare CR-V3-batterijen kunnen storingen veroorzaken vanwege hun spanningskenmerken. Het gebruik ervan wordt dan ook afgeraden.
27
Indicatie batterijniveau
U kunt de resterende levensduur van de batterij aflezen aan het symbool { op het LCD.
{ brandt
¶
} brandt
¶
?
brandt
¶
?
knippert
: Batterij is vol.
: Batterij raakt leeg.
: Batterij is bijna leeg.
: De camera schakelt zichzelf na deze melding uit.
2
Geschatte opslagcapaciteit voor opnamen en
Weergavetijd (nieuwe batterijen)
Batterijen
CR-V3
AA lithiumbatterijen
Oplaadbare AA-batterijen
(NiMH 2500 mAh)
AA alkalinebatterijen
(temperatuur)
(23°C)
( 0°C)
(23°C)
( 0°C)
(23°C)
( 0°C)
(23°C)
( 0°C)
Normale opnamen
850
560
750
670
560
500
90
Niet van toepassing
Flitsfotografie
50% gebruik
750
100% gebruik
650
500
650
570
500
410
550
470
440
440
70
Niet van toepassing
380
50
Niet van toepassing
Weergavetijd
700 minuten
470 minuten
470 minuten
400 minuten
350 minuten
300 minuten
140 minuten
70 minuten
De opslagcapaciteit voor foto’s is gebaseerd op meetomstandigheden die in overeenstemming zijn met CIPA-normen. De weergavetijd is gebaseerd op meetomstandigheden bij PENTAX. In de praktijk kunnen afwijkingen van deze waarden optreden, al naar gelang de opnamefunctie en opnameomstandigheden.
• De prestaties van de batterijen kunnen bij lage temperaturen tijdelijk afnemen. Houd bij gebruik van de camera in een koud klimaat extra batterijen bij de hand, die u warm houdt in uw zak. Bij het bereiken van kamertemperatuur worden de batterijprestaties weer normaal.
• Mogelijk worden niet alle camerafuncties ondersteund bij gebruik van AA alkalinebatterijen. We raden u aan dergelijke batterijen uitsluitend te gebruiken in noodgevallen en om te controleren of de camera naar behoren werkt.
• Zorg dat u extra batterijen bij u hebt als u een verre reis maakt, opnamen maakt in een koud klimaat of een groot aantal opnamen maakt.
28
2
Gebruik van de netvoedingsadapter (optioneel)
4
2
1
3
We adviseren u gebruik te maken van de netvoedingsadapter D-AC10 (optioneel) als u de
LCD-monitor langdurig gebruikt of de camera aansluit op de computer.
1
Zorg dat de camera uit staat alvorens de klep van de aansluitingen te openen.
2
Sluit de gelijkstroomstekker van de netvoedingsadapter aan op de gelijkstroomingang van de camera.
3
Sluit het netsnoer aan op de netvoedingsadapter.
4
Sluit het netsnoer aan op een stopcontact.
• Zorg dat de camera is uitgeschakeld alvorens de netvoedingsadapter aan te sluiten of los te maken.
• Zorg dat de aansluitingen tussen de camera, de netvoedingsadapter, de connector voor het netsnoer en het stopcontact goed zijn. Als een aansluiting losraakt terwijl de camera bezig is met het vastleggen of lezen van gegevens op de SD-geheugenkaart, raken de gegevens beschadigd.
• Lees vóór gebruik de handleiding van de netvoedingsadapter D-AC10.
• Bij gebruik van de netvoedingsadapter worden de oplaadbare batterijen in de camera niet opgeladen.
De SD-geheugenkaart plaatsen / uitnemen
29
Opnamen worden opgeslagen op een SD-geheugenkaart. Zorg dat de camera uit staat alvorens de
SD-geheugenkaart te plaatsen of uit te nemen (in de handel verkrijgbaar).
• Verwijder de SD-geheugenkaart niet wanneer de LED voor schrijven naar/lezen van de kaart brandt.
• Formatteer een nieuwe SD-geheugenkaart. Formatteer ook een SD-geheugenkaart die in een andere camera is gebruikt. Raadpleeg "De SD-geheugenkaart formatteren" (blz. 162) voor informatie over formatteren.
1
Duw de ontgrendelknop van de kaartklep in de aangegeven richting.
De kaartklep gaat open.
2
2
Breng de kaart volledig in met het etiket van de SD-geheugenkaart naar de LCD-monitor gericht.
3
Sluit de kaartklep.
Duw de SD-geheugenkaart eenmaal naar binnen om deze uit te nemen.
30
2
Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van een SD-geheugenkaart
• De SD-geheugenkaart is voorzien van een schuifje voor schrijfbeveiliging. Als u dit schuifje op [LOCK] zet, zijn de aanwezige gegevens beveiligd. Er kunnen dan geen nieuwe gegevens worden opgeslagen, geen bestaande gegevens worden gewist en de kaart niet kan worden geformatteerd.
Schrijfbeveiliging
• Pas op wanneer u de SD-geheugenkaart meteen na gebruik van de camera uitneemt: de kaart kan dan heet zijn.
• Neem de SD-geheugenkaart niet uit en zet de camera niet uit wanneer er gegevens op de kaart worden opgeslagen of opnamen of geluidsbestanden worden weergegeven of wanneer de camera met een USB-kabel is aangesloten op een computer. Hierdoor kunnen de gegevens verloren gaan of kan de kaart beschadigd raken.
• Buig de SD-geheugenkaart niet en stel deze niet bloot aan heftige schokken. Houd de kaart uit de buurt van water en bewaar hem niet op een plaats met een hoge temperatuur.
• Neem de SD-geheugenkaart niet uit tijdens het formatteren. De kaart kan hierdoor beschadigd kan raken en onbruikbaar worden.
• Onder de volgende omstandigheden kunnen de gegevens op de SD-geheugenkaart worden gewist. PENTAX aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor verwijderde gegevens in de volgende gevallen:
(1) als de SD-geheugenkaart verkeerd wordt gebruikt door de gebruiker.
(2) als de SD-geheugenkaart wordt blootgesteld aan statische elektriciteit of elektrische storingen.
(3) als de kaart lange tijd niet is gebruikt.
(4) wanneer de kaart wordt uitgenomen of de batterij wordt uitgenomen terwijl er gegevens op de kaart worden opgeslagen of aangesproken.
• De levensduur van de SD-geheugenkaart is eindig. Als de kaart lange tijd niet wordt gebruikt, kunnen de gegevens op de kaart onleesbaar worden. Sla regelmatig een reservekopie van belangrijke gegevens op een computer op.
• Gebruik of bewaar de kaart niet op plaatsen waar deze aan statische elektriciteit of elektrische storingen kan worden blootgesteld.
• Gebruik of bewaar de kaart niet op plaatsen waar deze wordt blootgesteld aan rechtstreeks zonlicht of aan snelle temperatuurschommelingen of condensatie.
• Wilt u informatie over SD-geheugenkaarten, bezoek dan de website van PENTAX of neem contact op met het dichtstbijzijnde PENTAX Service Center.
• Nieuwe SD-geheugenkaarten moeten worden geformatteerd. Dit geldt ook voor
SD-geheugenkaarten die in andere camera’s zijn gebruikt. 1 SD-geheugenkaart formatteren (blz. 162)
31
Opnamepixels en Kwaliteitsniveau
Kies het aantal pixels (grootte) en kwaliteitsniveau (gegevenscompressie) van opnamen op basis van het gebruiksdoel van de opnamen.
Opnamen met een groter opnameformaat of meer E worden scherper afgedrukt. Het aantal opnamen dat kan worden gemaakt (het aantal opnamen dat op een SD-geheugenkaart past) wordt lager wanneer de bestandsgrootte groter wordt gemaakt.
De kwaliteit van de opname of afdruk hangt af van het kwaliteitsniveau, de belichting, de resolutie van de printer en een aantal andere factoren. U hoeft dus niet meer dan het benodigde aantal pixels te selecteren. Wanneer u bijvoorbeeld op briefkaartformaat wilt afdrukken, is R (1536×1024) voldoende. Stel de gewenste opnamegrootte en kwaliteitsniveau in afhankelijk van uw doel.
Kies het gewenste aantal opnamepixels en het kwaliteitsniveau voor opnamen in het menu
[ A Opname].
1 Opnamepixels instellen (blz. 109)
1 Kwaliteitsniveau instellen (blz. 110)
Opnamepixels, kwaliteitsniveau en geschatte opslagcapaciteit voor opnamen
Kwaliteitsniveau
Opnamepixels
P
(3008×2008)
(3008×2000)
Q (2400×1600)
R (1536×1024)
RAW
11
—
—
—
C
Best
—
34
51
106
D
Beter
—
70
96
173
E
Goed
—
117
161
271
• Bovenstaande tabel geeft de geschatte opslagcapaciteit en opnametijd aan bij gebruik van een SD-geheugenkaart van 128 MB.
• Bovenstaande waarden kunnen variëren, al naar gelang het onderwerp, opnameomstandigheden, opnamefunctie, SD-geheugenkaart, enz.
2
32
De camera aan- en uitzetten
2
1
Zet de hoofdschakelaar op de stand aan [ON].
De camera wordt ingeschakeld.
Zet de hoofdschakelaar op de stand uit [OFF] om de camera uit te zetten.
• Zet de camera altijd uit wanneer deze niet in gebruik is.
• Wanneer gedurende een ingestelde tijd geen handelingen worden verricht, wordt de camera automatisch uitgeschakeld. (De standaardinstelling is 1 minuut.) (blz. 169)
Standaardinstellingen
33
De eerste keer dat de camera na aanschaf wordt aangezet, verschijnt het scherm voor de standaardinstellingen op de LCD-monitor. Volg de onderstaande procedure om de taal die wordt weergegeven op de LCD-monitor en de actuele datum en tijd in te stellen. Als deze instellingen eenmaal zijn verricht, hoeven ze niet opnieuw te worden uitgevoerd bij het aanzetten van de camera.
De weergavetaal instellen
U kunt de taal kiezen waarin menu’s, foutberichten, enz. worden weergegeven. U hebt de keus uit: Engels, Frans, Duits, Spaans, Italiaans, Zweeds, Nederlands, Russisch, Koreaans,
Chinees (traditioneel/vereenvoudigd) en Japans.
2
1
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Initial Settings
English
New York
DST
Cancel OK OK
2
Selecteer de gewenste taal met de vierwegbesturing ( 2345 ).
De standaardinstelling is Engels.
English
Français
Deutsch
Español
Italiano
Svenska
Nederlands
OK OK
3
Druk op de knop 4 .
34
2
4
Druk op de vierwegbesturing ( 3 ).
De cursor gaat naar [ W ].
5
Druk op de vierwegbesturing ( 45 ) om de plaats te selecteren.
6
Druk op de vierwegbesturing ( 3 ).
De cursor gaat naar [Zomertijd].
7
Selecteer O (aan) of P (uit) met de vierwegbesturing ( 45 ).
8
Druk op de knop 4 .
Het scherm voor instelling van de datum en tijd verschijnt.
35
Datum en tijd instellen
Stel de actuele datum en tijd en de weergavestijl in.
1
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Het kader gaat naar [MM/DD/JJ].
Datum instellen
DD weergave
DD/MM/JJ 24h
Datum
Tijd
Cancel
01 / 01 / 2005
00 : 00
OK OK
2
2
Gebruik de vierwegbesturing ( 23 ) om de datumstijl te kiezen.
3
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Het kader gaat naar [24h].
Datum instellen
DD weergave
DD/MM/JJ 24h
Datum
Tijd
Cancel
01 / 01 / 2005
00 : 00
OK OK
4
Selecteer 24h (24-uurs weergave) of 12h (12-uurs weergave) met de vierwegbesturing ( 23 ).
5
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Het kader gaat terug naar [DD weergave].
6
Druk op de vierwegbesturing ( 3 ).
Het kader gaat naar [Datum].
36
7
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Het kader gaat naar de maand.
Datum instellen
DD weergave
DD/MM/JJ 24h
Datum
Tijd
Cancel
01 / 01 / 2005
00 : 00
OK OK
2
8
Stel de maand in met de vierwegbesturing ( 23 ).
Stel de dag en het jaar op dezelfde wijze in.
Stel vervolgens de tijd in.
Als u [12h] selecteert bij stap 4, verandert de aanduiding in am (vóór de middag) of pm (na de middag), al naar gelang de tijd.
9
Druk op de knop 4 .
De camera is nu klaar om opnamen te maken. Als u de datum en tijd instelt met de menubesturing, gaat u terug naar het menu [ H Set-up]. Druk nogmaals op de 4 knop.
Wanneer het scherm [Initial Settings] (standaardinstellingen) of [Datum instellen] verschijnt, kunt u het instellen annuleren en overgaan op de opnamefunctie door op de knop 3 te drukken. In dat geval verschijnt het scherm [Initial Settings] de volgende keer dat u de camera aanzet.
• Wanneer u klaar bent met de instellingen en op de knop 4 drukt, wordt de klok van de camera teruggezet op 00 seconden. Om de exacte tijd in te stellen, drukt u op de knop 4 wanneer het tijdsignaal (op een tv, radio, enz.) precies 00 seconden aangeeft.
• U kunt de taal-, datum- en tijdinstellingen wijzigen met de menubesturing.
(blz. 163, blz. 167)
Het objectief bevestigen
37
Alle belichtingsfuncties van de camera zijn beschikbaar wanneer u gebruik maakt van DA-,
D FA-, FA J- of andere objectieven met een diafragmastand s (automatisch). Sommige functies zijn beperkt wanneer u het objectief niet instelt op s (automatisch). Zie ook
“Opmerkingen bij [gebruik van een diafragmaring]” (blz. 180). Andere objectieven en accessoires zijn niet beschikbaar bij de standaard fabrieksinstellingen. Via een aangepaste functie-instelling is ontspannen toch mogelijk bij gebruik van zo‘n objectief of accessoire.
(blz. 101)
2
Zet de camera uit alvorens het objectief te bevestigen of te verwijderen om onverwachte bewegingen van het objectief te voorkomen.
1
Controleer of de camera uit is.
2
Verwijder de bodydop ( 1 ) en de
( achterlensdop van het objectief
2 ).
Zet een los objectief altijd met de vatting omhoog neer om beschadiging van de het gebied rond het objectief te voorkomen.
1
2
3
Zorg dat de richttekens (de rode puntjes) op de camera en het objectief tegenover elkaar liggen.
Draai vervolgens het objectief met de klok mee tot het vastklikt.
Na het bevestigen van het objectief controleert u of het goed vastzit. Controleer ook of de rode puntjes van het objectief aan de bovenzijde zitten en of de objectiefbevestiging niet zijdelings kan bewegen.
38
4
Haal de frontdop van het objectief door de aangegeven delen naar binnen te duwen.
2
Als u het objectief wilt bevestigen, houdt u de ontgrendelknop voor het objectief ( 3 ) ingedrukt en draait u het objectief tegen de wijzers van de klok in.
3
• De bodydop ( 1 ) is een dop die krassen en stof voorkomt tijdens het transport.
“Bodydop K” wordt separaat verkocht en kan worden vergrendeld.
• Pentax kan niet aansprakelijk worden gesteld voor ongelukken, problemen en defecten die het gevolg zijn van het gebruik van objectieven van een ander merk.
• De camerabody en objectiefvatting zijn voorzien van informatiecontacten en een AFkoppeling. Vuil, stof of corrosie kunnen problemen met het elektronische systeem of een incorrecte werking veroorzaken. U kunt de contacten reinigen met een zachte, droge doek.
De zoekerdioptrie aanpassen
Pas de scherpte van het zoekerbeeld aan uw gezichtsvermogen aan.
Wanneer u de zoekerinformatie niet goed kunt zien, schuift u de hendel voor de dioptrieaanpassing opzij.
U kunt de dioptrie verschuiven van –2,5m
-1
tot +1,5m
-1
.
1
Kijk door de zoeker en richt de camera op een goed verlicht punt.
Verschuif vervolgens de dioptriecorrectieknop naar links of rechts.
Duw tegen de dioptriecorrectieknop tot het
AF-kader in de zoeker zo scherp mogelijk zichtbaar is.
39
2
De oogschelp is bevestigd op de zoeker wanneer de camera vanuit de fabriek wordt verzonden.
De dioptrie-instelling is beschikbaar met de oogschelp erop, maar is eenvoudiger wanneer u de oogschelp verwijdert zoals hierboven afgebeeld. Trek één kant van de oogschelp F N naar buiten en naar u toe, zoals rechts afgebeeld.
AF-kader
40
Memo
3
Basisbediening
In dit hoofdstuk wordt de basisbediening uitgelegd voor het opnemen.
Zet de functiekiezer op de Picture-functie (Auto Picture of Normale functie – Flitser uit (OFF)) om succesvol opnamen te maken.
Raadpleeg de hoofdstukken vanaf hoofdstuk 4 voor informatie over geavanceerde functies en instellingen voor opnamen.
Basishandelingen bij opnamen ...................................................... 42
De juiste opnamefunctie selecteren ............................................... 47
Het zoomobjectief gebruiken .......................................................... 48
De ingebouwde flitser gebruiken ................................................... 49
Andere opnamefuncties .................................................................. 53
Foto’s weergeven ............................................................................. 63
Camera aansluiten op audiovisuele apparatuur ........................... 70
Opnamen verwerken met filters ..................................................... 71
Opnamen wissen ............................................................................. 73
Afdrukservice instellen (DPOF) ...................................................... 79
Afdrukken met PictBridge ............................................................... 83
42
Basishandelingen bij opnamen
De camera vasthouden
Hoe u de camera vasthoudt, is van belang bij het maken van opnamen.
• Houd de camera stevig met beide handen vast.
• Druk de ontspanknop voorzichtig helemaal in wanneer u een opname maakt.
3
Horizontale positie Verticale positie
• Om te voorkomen dat de camera beweegt tijdens het maken van de opname, kunt u met de camera steun zoeken op of tegen een vast object (bijvoorbeeld een tafel, muur of boom).
• Hoewel er individuele verschillen tussen fotografen bestaan, is de sluitertijd voor een camera die in de hand wordt gehouden in de regel 1/(brandpuntsafstand × 1,5).
De sluitertijd is bijvoorbeeld 1/75 seconde bij een brandpuntsafstand van 50 mm en 1/
150 seconde bij een brandpuntsafstand van 100 mm. Gebruik bij langere sluitertijden een statief.
• Door bij het maken van een opname met een teleobjectief een statief te gebruiken dat zwaarder is dan het totale gewicht van de camera en het objectief, voorkomt u dat de camera beweegt.
De camera de optimale instellingen laten bepalen
De camera zodanig instellen dat deze de optimale instellingen kiest op basis van de belichting van het onderwerp, de afstand en de beweging.
1
Zet de functiekiezer op I .
De camera bepaalt de meest geschikte opnamefunctie voor het onderwerp.
1 De juiste opnamefunctie selecteren (blz. 47)
43
3
2
Zet de scherpstelfunctieknop op = .
Autofocus is ingesteld. (blz. 118)
44
3
Draai de zoomring om de grootte van het onderwerp te bepalen.
Bepaal de grootte van het onderwerp.
1 Het zoomobjectief gebruiken (blz. 48)
3
4
Breng het onderwerp binnen het autofocuskader en druk de ontspanknop tot halverwege in.
Het autofocussysteem treedt in werking.
De scherpstelindicatie ] verschijnt in de zoeker zodra het onderwerp is scherpgesteld.
De flitser klapt automatisch uit wanneer dit nodig is. (De flitser moet handmatig worden uitgeklapt wanneer de flitsfunctie niet op
[Auto] is ingesteld.)
1 DE ONTSPANKNOP BEDIENEN (blz. 45)
1 Onderwerpen waarop moeilijk automatisch is scherp te stellen (blz. 46)
1 De ingebouwde flitser gebruiken (blz. 49)
5
Druk de ontspanknop helemaal in.
De opname wordt gemaakt.
Scherpstelindicatie
45
6
Opnamen bekijken op de
LCD-monitor.
Na de opname wordt deze gedurende één seconde op de LCD-monitor weergegeven
(momentcontrole.)
Tijdens de momentcontrole kunt u de opname wissen door te drukken op de knop i .
1 Weergavetijd instellen (blz. 170)
1 Opnamen wissen (blz. 73)
1 Helderheidswaarschuwing weergeven (blz. 160)
DE ONTSPANKNOP BEDIENEN
De ontspanknop heeft twee standen.
Niet ingedrukt Half ingedrukt
(eerste positie)
Helemaal ingedrukt
(tweede positie)
Als u de ontspanknop tot halverwege indrukt (eerste positie), worden de indicaties in de zoeker en op het LCD ingeschakeld en werkt het autofocussysteem. Als u de ontspanknop volledig indrukt (tweede positie), wordt de opname gemaakt.
• Wanneer u een opname wilt maken, moet u de ontspanknop voorzichtig indrukken om camerabeweging te voorkomen.
• Oefen met het tot halverwege indrukken van de ontspanknop om te leren waar de eerste positie is.
• De zoekerindicaties blijven aan terwijl u de ontspanknop indrukt en ze blijven nog circa 10 seconden (standaardinstelling) zichtbaar nadat de knop is losgelaten.
(blz. 20)
3
46
3
Onderwerpen waarop moeilijk automatisch is scherp te stellen
Het autofocus-mechanisme is niet perfect. Scherpstellen kan moeilijk zijn bij het maken van opnamen onder de volgende omstandigheden (a tot f hieronder). Deze zijn ook van toepassing op handmatig scherpstellen met de scherpstelindicatie ] in de zoeker.
Wanneer niet automatisch kan worden scherpgesteld op het onderwerp, stelt u de scherpstelfunctieknop in op \ en gebruikt u de handmatige scherpstelfunctie om via het matglas in de zoeker scherp te stellen op het onderwerp. (blz. 126)
(a) Onderwerpen met een uitzonderlijk laag contrast, zoals een witte muur, binnen het scherpstelkader.
(b) Onderwerpen die weinig licht reflecteren binnen het binnen het scherpstelkader.
(c) Onderwerpen die snel bewegen.
(d) Sterk weerkaatst licht of sterk tegenlicht (lichte achtergrond).
(e) Verticale of horizontale lijnen die binnen het scherpstelkader vallen.
(f) Verscheidene onderwerpen op voor- en achtergrond binnen het scherpstelkader.
Wanneer (f) van toepassing is, is mogelijk niet scherpgesteld op het onderwerp, zelfs wanneer de ] (scherpstelindicatie) wordt weergegeven.
De juiste opnamefunctie selecteren
De camera selecteert de optimale functie wanneer I (Auto Picture) is ingesteld met de functiekiezer.
47
Functie-indicatie
Selecteer U (Normaal), = (Portret), s (Landschap), q (Macro), \ (Bewegend onderwerp), .
(Portretopname bij nacht), a (Flits UIT) met de functiekiezer wanneer de gewenste opname niet kan worden gemaakt.
De functies zijn als volgt.
I (Auto Picture)
U
(Normaal)
=
(Portret) s
(Landschap) q
(Macro)
\
(Bewegend onderwerp)
.
a
(Portretopname bij nacht)
(Flits UIT)
Selecteert automatisch een van de volgende functies: Normaal,
Portret, Landschap, Macro, of Bewegend onderwerp.
De basisfunctie voor het maken van opnamen
Optimaal voor het maken van portretfoto’s.
Verdiept het scherpstelbereik, benadrukt kleuren en verzadiging van bomen en lucht en zorgt voor scherpe opnamen.
Voor het maken van levendige dichtbijopnamen van bloemen.
Hiermee kunt u scherpe opnamen maken van een snel bewegend onderwerp, bijvoorbeeld bij een sportevenement.
Hiermee kunt u opnamen van mensen tegen een nachtelijke achtergrond of schemering.
De ingebouwde flitser is uitgeschakeld. Andere instellingen zijn gelijk aan Normaal ( U ).
3
48
Het zoomobjectief gebruiken
3
Vergroot het onderwerp (tele-opname) of leg een groter gebied vast (groothoek) met een zoomobjectief. Stel het in op de gewenste grootte en maak de opname.
1
Draai de zoomring rechtsom of linksom.
Draai de zoomring met de klok mee naar de telestand of tegen de klok in naar de groothoekstand.
• De beeldhoek wordt groter naarmate de brandpuntsafstand kleiner wordt. Hoe groter het getal, des te sterker het beeld wordt vergroot.
• Power Zoom-functies (Image Size Tracking, Zoom Clip en Auto Zoom Effect) zijn niet compatibel met deze camera.
Groothoek Tele
De ingebouwde flitser gebruiken
49
De ingebouwde flitser gebruiken
Maak als volgt een opname bij slecht licht of tegenlicht of wanneer u de ingebouwde flitser handmatig wilt gebruiken.
De ingebouwde flitser werkt optimaal bij een afstand van circa 0,7 m tot 4 m tot het onderwerp. Bij een afstand van minder dan 0,7 m wordt de belichting niet juist ingesteld en kan er vignettering optreden. (Deze afstand varieert enigszins, afhankelijk van het gebruikte objectief en de ingestelde gevoeligheid. (blz. 149))
Compatibiliteit van ingebouwde flitser en objectief
Afhankelijk van het gebruikte objectief en de opnamecondities kan vignettering optreden
(de hoeken van de opname worden zwart vanwege een gebrek aan licht).
Wij raden u aan een testopname te maken om dit te controleren.
1 Compatibiliteit objectieven DA, D FA, FA J, FA en F met de ingebouwde flitser (blz. 151)
• Verwijder de zonnekap wanneer u de ingebouwde flitser gebruikt.
• Bij objectieven die geen functie hebben voor het instellen van de diaframaring op het objectief op s (automatisch), flitst de ingebouwde flitser volledig.
3
B b
C
Automatisch flitsen
Handmatig flitsen
Auto + Anti Rode Ogen
D Manual + Anti Rode Ogen
De camera bepaalt automatisch het omgevingslicht en de ingebouwde flitser wordt uitgeklapt en gebruikt wanneer dit nodig is. (De flitser gaat niet af wanneer dit niet nodig is, ook niet als de flitser is uitgeklapt.)
Hiermee flitst u handmatig. De flitser werkt alleen wanneer deze is uitgeklapt.
Er wordt een voorflits gegeven (anti rode ogen) voordat de flitser automatisch afgaat.
De flitser wordt handmatig ingeschakeld. Er wordt een voorflits gegeven (anti rode ogen).
De handmatige flitsfunctie (Flits AAN) wordt gebruikt ongeacht de flitsfunctie-instelling wanneer u op de knop K drukt om de flitser handmatig uit te klappen.
50
De flitsfunctie selecteren
1
Druk op de knop { .
Het functiemenu verschijnt.
Fn
OK
3
2
Druk op de vierwegbesturing ( 3 ).
Het scherm voor flitseropties verschijnt.
Wanneer de functiekiezer is ingesteld op e , b , c , a of p , zijn B en C en kunnen deze functies niet worden geselecteerd.
3
Kies een flitsfunctie met de vierwegbesturing ( 45 ).
4
Druk twee keer op de knop 4 .
De camera is gereed voor het maken van een opname.
Automatisch flitsen gebruiken B , C
(automatisch uitklappen van de flitser)
1
Zet de functiekiezer op I , U , = , q of .
.
2
Druk de ontspanknop tot halverwege in.
De ingebouwde flitser klapt indien nodig uit en wordt opgeladen. Wanneer de flitser volledig is opgeladen, verschijnt b op het LCD en in de zoeker. (blz. 17, blz. 20, blz. 22)
OK
U schakelt tussen automatisch en handmatig flitsen (Flits AAN) door te drukken op de knop K terwijl de ingebouwde flitser is uitgeklapt. Als automatisch flitsen is ingesteld, verschijnt E op het LCD.
3
Druk de ontspanknop helemaal in.
De opname wordt gemaakt.
4
Druk op het afgebeelde deel van de flitser om deze in te klappen.
51
3
Handmatig flitsen gebruiken (Flits AAN) b , D
1
Druk op de K knop.
De ingebouwde flitser wordt uitgeklapt en wordt opgeladen. Handmatig flitsen (Flits
AAN) wordt gebruikt, ongeacht de flitsfunctieinstelling. Wanneer de flitser volledig is opgeladen, verschijnt b op het LCD en in de zoeker. (blz. 17, blz. 20, blz. 22)
U schakelt tussen automatisch en handmatig flitsen (Flits AAN) door te drukken op de knop
K terwijl de ingebouwde flitser is uitgeklapt en de opnamefunctie is ingesteld op I , U ,
= , s , q , \ of .
.
2
Druk de ontspanknop helemaal in.
De flitser gaat af en de opname wordt gemaakt.
3
Duw de flitser omlaag om deze in te klappen.
52
3
Anti rode ogen gebruiken Flitser
Wanneer in een donkere omgeving opnamen met de flitser worden gemaakt, kunnen de ogen van het onderwerp rood overkomen. Dit wordt veroorzaakt door de weerspiegeling van de elektronische flitser in het netvlies. Deze weerspiegeling treedt op doordat pupillen in het donker wijder zijn.
U kunt rode ogen niet voorkomen, maar met de volgende maatregelen kunt u er wel iets tegen doen.
• Maak de omgeving lichter voor de opname.
• Stel in op een grote hoek en maak de opname van dichterbij wanneer u een zoomobjectief gebruikt.
• Gebruik een flitser die anti rode ogen ondersteunt.
• Wanneer u een externe flitser gebruikt, zet u deze zo ver mogelijk weg van de camera.
De functie tegen rode ogen van deze camera vermindert het rode-ogeneffect door tweemaal te flitsen. Met anti rode ogen wordt er een voorflits gegeven net voordat de sluiter ontspant. Dit vermindert de verwijding van pupillen. De hoofdflits wordt vervolgens gegeven op het moment dat de pupillen kleiner zijn, waardoor het rode-ogeneffect wordt verminderd. U gebruikt deze functie door C
(Auto + anti rode ogen) in te stellen in de Picture-functie of D (Manual + anti rode ogen) in te stellen in andere functies.
Opnamen met daglichtsynchronisatie
Bij daglicht voorkomt de flitser schaduwen wanneer u een portretfoto maakt van iemand met schaduwen over het gezicht. Het gebruik van de flitser op deze manier wordt daglichtsynchronisatie genoemd. De flitser wordt bij daglichtsynchronisatie handmatig ingeschakeld.
Opnamen maken (Auto Picture)
1 Controleer of de flitser is uitgelapt en of de flitsfunctie is ingesteld op b
(handmatig flitsen). (blz. 51)
2 Controleer of de flitser volledig is opgeladen.
3 Maak de opname.
Als de achtergrond te helder is, kan de opname worden overbelicht.
Zonder daglichtsynchronisatie Met daglichtsynchronisatie
Andere opnamefuncties
53
Continuopnamen
U kunt diverse opnamen achter elkaar maken door de ontspanknop ingedrukt te houden.
1
Druk op de { knop.
3
Het functiemenu verschijnt.
Fn
OK
54
2
Druk op de vierwegbesturing ( 2 ).
3
Het scherm met opties voor de transportfunctie verschijnt.
3
Selecteer j met de vierwegbesturing ( 45 ).
OK
OK
4
Druk twee keer op de 4 knop.
De camera is gereed voor het maken van opnamen.
5
Druk de ontspanknop tot halverwege in.
Het autofocussysteem treedt in werking. De scherpstelindicatie ] verschijnt in de zoeker zodra het onderwerp is scherpgesteld.
55
Stel [2 (Resterend aant. cont.)] in bij [Resterend aantal opn] in het menu [ A Persoonlijke instellingen]. Het mogelijke aantal continuopnamen (buffergeheugen) wordt weergegeven wanneer u de ontspanknop tot halverwege indrukt. (blz. 100)
6
Druk de ontspanknop helemaal in.
Zolang de ontspanknop ingedrukt wordt gehouden, worden er achter elkaar opnamen gemaakt. Haal uw vinger van de ontspanknop om de continuopname te stoppen.
De instelling voor continuopnamen blijft bewaard wanneer de camera wordt uitgeschakeld. Open het functiemenu en stel de camera in op 9 (enkelbeeldopnamen) om de continuopname te stoppen.
• Wanneer de scherpstelfunctie is ingesteld op l (scherpstelling één opname), wordt de scherpstelling aangepast telkens wanneer de sluiter ontspant. (blz. 122)
• De scherpstelling is continu actief wanneer de functiekiezer is ingesteld op e , b , c of a en de scherpstelfunctie is ingesteld op k (continu scherpstellen), of wanneer de Picture-functie is ingesteld op \ (bewegend onderwerp). De sluiter ontspant altijd, ook als de scherpstelling niet gereed is.
• Bij gebruik van de ingebouwde flitser kan pas een opname worden gemaakt wanneer de flitser volledig is opgeladen. Als u de sluiter wilt kunnen ontspannen voordat de ingebouwde flitser gereed is, moet u een gebruikersfunctie instellen. (blz. 147)
3
Opnamen met de zelfontspanner
Deze camera heeft twee zelfontspannerfuncties: g en r .
g r
De sluiter ontspant na circa 12 seconden. Gebruik deze functie om als fotograaf ook op de foto te komen.
Onmiddellijk nadat de ontspanknop is ingedrukt, wordt de spiegel opgeklapt. De sluiter ontspant na circa twee seconden. Gebruik deze functie om te voorkomen dat de camera beweegt wanneer de ontspanknop wordt ingedrukt.
1
Bevestig de camera op een statief.
56
2
Druk op de { knop.
3
Het functiemenu verschijnt.
Fn
3
Druk op de vierwegbesturing ( 2 ).
OK
Het scherm met opties voor de transportfunctie verschijnt.
4
Selecteer g of r met de vierwegbesturing ( 45 ).
5
Druk twee keer op de 4 knop.
De camera is gereed voor het maken van opnamen.
6
Kijk in de zoeker of het onderwerp zichtbaar is en druk de ontspanknop tot halverwege in.
De scherpstelindicatie [ ] ] verschijnt in de zoeker wanneer op het onderwerp is scherpgesteld.
57
OK
3
OK
58
3
7
Druk de ontspanknop helemaal in.
Bij g : de eerste tien seconden knippert de zelfontspanner-LED langzaam en klinkt er een elektronisch geluidssignaal. Twee seconden voordat de opname wordt gemaakt, begint de LED sneller te knipperen en neemt de frequentie van het geluidssignaal toe. Ongeveer 12 seconden nadat de ontspanknop helemaal is ingedrukt, wordt de opname gemaakt.
Bij r : Ongeveer twee seconden nadat de ontspanknop helemaal is ingedrukt, wordt de opname gemaakt.
1 Het geluidssignaal kan worden uitgeschakeld. “Het geluidssignaal in- en uitschakelen” (blz. 163)
• Als er licht binnendringt in de zoeker, kan dit de belichting beïnvloeden. Bevestig het meegeleverde ME-zoekerkapje of gebruik de belichtingsgeheugenfunctie (blz. 142).
(U kunt het binnendringende licht negeren wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op a (handmatig) (blz. 138).)
• Verwijder oogschelp F
N
door één kant naar buiten en naar u toe te trekken bij gebruik van accessoires zoals het ME-zoekerkapje.
Oogschelp F N verwijderen
8
Zet de camera uit na de opname.
De volgende keer dat u de camera inschakelt, wordt de zelfontspanner geannuleerd en is de camera weer ingesteld op enkelbeeldopnamen
Het ME-zoekerkapje bevestigen
59
Opnamen via de afstandsbediening
(Afstandsbediening F: afzonderlijk verkrijgbaar)
De ontspanknop kan ook worden bediend via de optionele afstandsbediening. U kunt kiezen uit h (afstandsbediening) en i (drie seconden vertraging) bij opnamen via de afstandsbediening.
h i
De sluiter wordt onmiddellijk ontspannen nadat de ontspanknop op de afstandsbediening is ingedrukt.
De sluiter wordt ontspannen drie seconden nadat de ontspanknop op de afstandsbediening is ingedrukt.
1
Bevestig de camera op een statief.
3
2
Druk op de { knop.
Het functiemenu verschijnt.
Fn
OK
60
3
Druk op de vierwegbesturing ( 2 ).
Het scherm met opties voor de transportfunctie verschijnt.
3
4
Selecteer h of i met de vierwegbesturing ( 45 ).
De zelfontspanner-LED knippert, ten teken dat de camera zich in de wachtstand voor de afstandsbediening bevindt.
OK
5
Druk twee keer op de knop 4 .
De camera is gereed voor het maken van opnamen.
6
Druk de ontspanknop tot halverwege in.
Het autofocussysteem treedt in werking. De scherpstelindicatie ] verschijnt in de zoeker zodra het onderwerp is scherpgesteld.
• U kunt bij standaardinstellingen niet scherpstellen via de afstandsbediening. Stel eerst scherp op het onderwerp voordat u de afstandsbediening gebruikt. U kunt [Af met afstandbediening] inschakelen via de functie Persoonlijke instellingen. (blz. 100)
• Wanneer u de afstandsbediening gebruikt, klapt de flitser niet automatisch uit, zelfs wanneer de camera is ingesteld op B (automatisch flitsen). Klap eerst handmatig de flitser uit. (blz. 51)
61
7
Richt de afstandsbediening op de voorzijde van de camera en druk de ontspanknop van de afstandsbediening in.
5m
De afstandsbediening kan gebruikt worden tot een afstand van circa 5 m vanaf de voorzijde van de camera. De sluiter wordt onmiddellijk of circa drie seconden nadat de ontspanknop op de afstandsbediening is ingedrukt ontspannen, afhankelijk van de geselecteerde transportfunctie.
Wanneer de opname is gemaakt, brandt het lampje van de zelfontspanner twee seconden en gaat dan weer knipperen.
• Als er licht binnendringt in de zoeker, kan dit de belichting beïnvloeden. Bevestig het meegeleverde ME-zoekerkapje of gebruik de belichtingsgeheugenfunctie (blz. 142).
(U kunt het binnendringende licht negeren wanneer de belichtingsmodus is ingesteld op a (handmatig) (blz. 138).)
• Verwijder oogschelp F
N
door één kant naar buiten en naar u toe te trekken bij gebruik van accessoires zoals het ME-zoekerkapje.
3
Oogschelp F N verwijderen Het ME-zoekerkapje bevestigen
• Zet de camera uit om de afstandsbedieningsfunctie te annuleren nadat die is geactiveerd.
• De afstandsbediening werkt mogelijk niet bij tegenlicht.
• De afstandsbediening werkt niet wanneer de flitser bezig is op te laden.
• Als u gebruik wilt maken van de ingebouwde flitser, klap deze dan eerst uit.
• Wanneer de afstandsbediening vijf minuten niet wordt gebruikt, keert de camera automatisch terug naar de enkelbeeldopnamefunctie.
• De batterij van de afstandsbediening heeft capaciteit voor het verzenden van ongeveer
30.000 afstandsbedieningssignalen. Neem contact op met een PENTAX service center om de batterij te vervangen (hieraan zijn kosten verbonden).
62
Gebruik van de spiegelvergrendelingsfunctie om bewegingen van de camera te voorkomen
Gebruik de spiegelvergrendelingsfunctie wanneer de camera duidelijk beweegt, ook wanneer de draadontspanner (optioneel) of de afstandsbediening (optioneel) wordt gebruikt.
Wanneer de ontspanknop wordt ingedrukt, klapt de spiegel omhoog en wordt na twee seconden de sluiter ontspannen bij het gebruik van de 2 s-zelfontspanner. Deze methode voorkomt bewegingen van de camera.
Volg de onderstaande procedure om een opname te maken met spiegelvergrendeling:
3
1
Bevestig de camera op een statief.
2
Druk op de { knop en de vierwegbesturing ( 2 ) en selecteer
[ r (zelfontspanner met vertragingstijd van 2 sec.)]. (blz. 55)
3
Stel scherp op het onderwerp.
4
Druk de ontspanknop helemaal in.
De spiegel klapt op en de opname wordt twee seconden later gemaakt.
Het belichtingsgeheugen is ingeschakeld met de belichtingswaarde die onmiddellijk voorafgaand aan het opklappen van de spiegel is ingesteld.
Foto’s weergeven
63
Opnamen weergeven
U kunt opnamen weergeven op de camera.
Met de meegeleverde software PENTAX PHOTO Browser 2.1 kunt u opnamen weergeven op een computer. Raadpleeg de “Handleiding PENTAX PHOTO Browser 2.1/
PENTAX PHOTO Laboratory 2.1” voor meer informatie.
1
Druk na het maken van een opname op de Q knop.
De laatste opname (die met het hoogste bestandsnummer) wordt weergegeven op de LCD-monitor.
3
64
2
Druk op de vierwegbesturing
( 45 ).
4 : De vorige opname wordt weergegeven.
5 : De volgende opname wordt weergegeven.
3
Opnamen roteren
U kunt opnamen telkens 90° tegen de klok in roteren. Dit maakt het bekijken van verticaal gemaakte opnamen eenvoudiger.
OK
1
Druk na het maken van een opname op de Q knop.
De laatste opname (die met het hoogste bestandsnummer) wordt weergegeven op de LCD-monitor.
OK
2
Druk op de vierwegbesturing ( 3 ).
Bij elke druk op de knop wordt de opname
90° graden tegen de klok in gedraaid.
65
3
Druk op de knop 4 .
De rotatiegegevens van de opname worden bewaard.
Vergrote weergave Opnamen
U kunt opnamen tijdens de weergave tot maximaal 12 keer vergroten.
3
1
Druk op de Q knop en selecteer een opname met de vierwegbesturing ( 45 ).
De laatste opname (die met het hoogste bestandsnummer) wordt weergegeven op de
LCD-monitor.
66
2
Draai de e-knop naar rechts
(in de richting van y ).
Bij elke kalibratie wordt de opname vergroot, tot maximaal 12 keer de oorspronkelijke grootte. Draai naar links (in de richting van f ) om terug te gaan.
Druk nogmaals op de knop 4 om de oorspronkelijke weergave te herstellen.
Gebruik tijdens de zoomweergave de vierwegbesturing ( 2345 ) om het weergavegebied te wijzigen.
3
De eerste kalibratie op de e-knop is 1,2 keer. U kunt dit wijzigen in [Inzoomen op weergave] in het menu [ A Persoonlijke instellingen]. (blz. 101)
Weergave van negen opnamen tegelijk
U kunt negen opnamen tegelijk weergeven op de LCD-monitor.
67
1
Druk op de Q knop.
De laatste opname (die met het hoogste bestandsnummer) wordt weergegeven op de LCD-monitor.
2
Draai de e-knop naar links
(in de richting van f ).
Er kunnen maximaal negen miniatuuropnamen worden weergegeven. Druk op de vierwegbesturing ( 2345 ) om de opname te selecteren. Er verschijnt rechts op het scherm een schuifbalk. Als er een opname is geselecteerd op de onderste rij, worden bij een druk op de vierwegbesturing ( 3 ) de volgende negen opnamen weergegeven.
Wanneer een opname niet kan worden weergegeven, verschijnt er een [?].
Kader
Kiezen&wissen 100-0046
Schuifbalk
3
3
Draai de e-knop naar rechts
(in de richting van y ) of druk op de 4 knop.
Er verschijnt een volledige schermweergave van de geselecteerde opname.
68
Diavoorstelling
U kunt alle opgeslagen opnamen op de SD-geheugenkaart na elkaar weergeven.
Om de doorlopende weergave te starten, gebruikt u het menuscherm op de LCD-monitor.
3
1
Druk op de Q knop en selecteer de opname die u het eerst wilt weergeven met de vierwegbesturing ( 45 ).
De laatste opname (die met het hoogste bestandsnummer) wordt weergegeven op de LCD-monitor.
2
Druk op de { knop.
Het functiemenu verschijnt.
Fn
OK
69
3
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Het startscherm verschijnt en de diavoorstelling begint.
Druk op een willekeurige knop om de diavoorstelling te stoppen.
Wanneer u wilt terugkeren naar de opnamefunctie, drukt u op de ontspanknop of de Q knop of schuift u de hoofdschakelaar naar | (voorbeeld) of draait u aan de functiekiezer.
Stel de weergavetijd voor de diavoorstelling in het menu [ Q Weergeven] in. U kunt de diavoorstelling ook starten vanuit het menu [ Q Weergeven]. (blz. 161)
3
70
Camera aansluiten op audiovisuele apparatuur
Via de videokabel kunt u opnamen weergeven met een tv of andere apparatuur met een video-IN-aansluiting als monitor. Zorg dat zowel de tv als de camera uit staat alvorens de kabel aan te sluiten.
1 Het video-uitgangssignaal selecteren (blz. 168)
3
1
Sluit de videokabel aan op de USB/video-uitgang van de camera.
2
Sluit het andere uiteinde van de videokabel aan op de video-INaansluiting van de tv.
3
Zet de TV en de camera aan.
• Als u van plan bent de camera gedurende lange tijd intensief te gebruiken, verdient het aanbeveling een netvoedingsadapter (optioneel) te gebruiken. (blz. 28)
• Bij AV-apparatuur met meerdere video-IN-aansluitingen (zoals een tv), raadpleegt u de handleiding bij het AV-apparaat en selecteert u de video-IN-aansluiting waarop de camera wordt aangesloten.
Opnamen verwerken met filters
U kunt opnamen bewerken met digitale filters. De bewerkte opnamen worden onder een andere naam opgeslagen.
• RAW-opnamen kunnen niet via het digitale filter worden verwerkt.
• Stel digitale filters in via het menu [ Q Weergeven].
71
3
Digitaal filter
B&W
Sepia
Soft
Slim
Converteren naar zwart-witopname.
Geef uw foto’s een antiek uiterlijk door ze te converteren naar een sepiakleur.
Creëer een zachte opname door de gehele opname lichtjes te vervagen. U kunt kiezen uit drie niveaus.
Wijzig de horizontale en verticale verhouding van opnamen. De hoogte en breedte kunnen tot twee keer het oorspronkelijke formaat worden gewijzigd.
1
Druk op de knop { knop in de weergavestand.
Het functiemenu verschijnt.
Fn
OK
72
2
Druk op de vierwegbesturing ( 4 ).
Het scherm voor selectie van het filter verschijnt.
OK
3
3
Selecteer een opname met de vierwegbesturing ( 45 )
4
Selecteer een filter met de vierwegbesturing ( 23 ).
Selecteer een filter en bekijk de effecten ervan op de opname. Ga naar stap 6 wanneer u [Zwart-wit] of [Sepia] hebt geselecteerd.
5
Met de e-knop kunt u de verhouding aanpassen wanneer u het filter Vlak hebt geselecteerd, en de zachtheid wanneer u het filter Soft hebt geselecteerd.
Draai linksom voor een bredere opnamen en rechtsom voor een smallere opnamen als het filter Vlak is geselecteerd. Selecteer de zachtheid
(drie niveaus) als het filter Soft is geselecteerd.
OK
Gebruik de vierwegbesturing ( 45 ) om een opname te selecteren. De opname wordt weergegeven met de ingestelde verhouding of zachtheid.
6
Druk op de knop 4 .
Het bevestigingsscherm voor opslaan verschijnt.
7
Selecteer [Opslaan als] met de vierwegbesturing ( 2 ).
Opslaan als
OK
8
Druk op de knop 4 .
De gefilterde opname wordt opgeslagen onder een andere naam.
Opnamen wissen
Eén opname wissen
U kunt één opname per keer verwijderen.
• Gewiste opnamen kunnen niet meer worden teruggehaald.
• Beveiligde opnamen kunnen niet worden gewist.
1
Druk op de Q knop en selecteer de opname die u wilt wissen met de vierwegbesturing ( 45 ).
2
Druk op de knop i .
Het scherm voor het wissen van opnamen verschijnt.
3
Selecteer [Wissen] met de vierwegbesturing ( 2 ).
Wissen
OK
4
Druk op de knop 4 .
De opname wordt gewist.
73
3
74
Alle opnamen wissen
U kunt alle opgeslagen opnamen in één keer wissen.
• Gewiste opnamen kunnen niet meer worden teruggehaald.
• Beveiligde opnamen kunnen niet worden gewist.
3
1
Druk op de knop Q .
2
Druk twee maal op de knop i .
Het scherm voor het wissen van alle opnamen verschijnt.
3
Druk op de vierwegbesturing ( 2 ) om [Alles wissen] te selecteren en druk op de 4 knop.
Alle opnamen worden verwijderd.
Alles wissen
OK
75
Geselecteerde opnamen wissen
(uit de weergave met negen opnamen)
U kunt verscheidene opnamen tegelijk uit de weergave met negen opnamen wissen.
• Gewiste opnamen kunnen niet meer worden teruggehaald.
• Beveiligde opnamen kunnen niet worden gewist.
• U kunt alleen gelijktijdig bestanden selecteren wanneer deze in dezelfde map staan.
1
Druk op de Q knop.
De laatste opname (die met het hoogste bestandsnummer) wordt weergegeven op de
LCD-monitor.
3
2
Draai de e-knop naar links
(in de richting van f ).
Er worden negen opnamen getoond.
Kiezen&wissen 100-0046
76
3
Druk op de knop i .
Boven de opnamen verschijnt 9 .
3
4
Kies de te wissen opnamen met de vierwegbesturing ( 2345 ) en druk op de 4 knop.
De opname wordt geselecteerd en O verschijnt.
Druk op de knop { om alle opnamen te selecteren. (De selectie van opnamen kan enige tijd duren, afhankelijk van het aantal opnamen.)
5
Druk op de knop i .
Het scherm voor bevestiging van het wissen verschijnt.
6
Selecteer de optie
[Kiezen&wissen] met de vierwegbesturing ( 2 ).
Wissen OK
Kiezen&wissen
OK
7
Druk op de knop 4 .
De geselecteerde opnamen worden gewist.
77
Opnamen beveiligen tegen wissen(Protect)
U kunt opnamen beveiligen, zodat ze niet per ongeluk kunnen worden gewist.
Zelfs beveiligde opnamen worden gewist wanneer de SD-geheugenkaart wordt geformatteerd.
1
Druk op de Q knop en selecteer een opname met de vierwegbesturing ( 45 ).
De laatste opnamen (met het hoogste bestandsnummer) worden het eerst op de
LCD-monitor weergegeven.
2
Druk op de Z knop.
Het scherm voor beveiliging verschijnt.
3
3
Selecteer [Beveiligen] met de vierwegbesturing ( 2 ).
Beveiligen
OK
4
Druk op de knop 4 .
De geselecteerde opname wordt beveiligd.
• Om de beveiligingsinstellingen te annuleren, selecteert u [Beveiliging opheffen] bij stap 3.
• Bij de weergave van beveiligde opnamen verschijnt het symbool Y . (blz. 19)
78
Alle opnamen beveiligen
1
Druk op de knop Q .
2
Druk twee keer op de Z knop.
Het scherm voor beveiliging van alle opnamen verschijnt.
3
3
Druk op de vierwegbesturing ( 2 ) om [Protect] te selecteren en druk op de knop 4 .
Alle opnamen op de SD-geheugenkaart worden beveiligd.
Beveiligen
OK
Om de beveiligingsinstellingen voor alle opnamen te annuleren, selecteert u [Beveiliging opheffen] bij stap 3.
Afdrukservice instellen (DPOF)
U kunt conventionele foto-afdrukken bestellen door de SD-geheugenkaart met opgeslagen opnamen naar een zaak die foto’s afdrukt te brengen.
Met de DPOF-instellingen (Digital Print Order Format) kunt u het aantal kopieën opgeven en eventueel de datumgegevens laten afdrukken.
Op RAW-opnamen kunnen geen DPOF-instellingen worden toegepast.
79
3
Afzonderlijke opnamen afdrukken
Stel voor elke opname de volgende opties in.
Kopieën Kies het aantal afdrukken. U kunt tot maximaal 99 exemplaren afdrukken.
Datum Geef aan of de datum moet worden afgedrukt op de afdruk.
1
Druk op de Q knop en selecteer een opname met de vierwegbesturing ( 45 ).
2
Druk op de { knop.
Het functiemenu verschijnt.
Fn
OK
3
Druk op de vierwegbesturing ( 2 ).
Het DPOF-scherm verschijnt.
Als er reeds DPOF-instellingen zijn voor een opname, worden het vorig ingestelde aantal afdrukken en de instelling van de datumweergave ( O (aan) of P (uit)) weergegeven.
Fn
Kopieën 00
OK
80
3
4
Kies met de vierwegbesturing ( 45 ) het aantal kopieën en druk op de vierwegbesturing ( 3 ).
Het kader gaat naar [Datum].
5
Gebruik de vierwegbesturing
( 45 ) om aan te geven of de datum al ( O ) dan niet ( P ) moet worden afgedrukt.
O : De datum wordt afgedrukt.
P : De datum wordt niet afgedrukt.
Datum
Fn OK
6
Druk op de knop 4 .
De DPOF-instelling wordt opgeslagen en de camera keert terug naar de weergavestatus.
Afhankelijk van de printer of de afdrukapparatuur van het fotolab bestaat de kans dat de datum niet wordt afgedrukt op de opnamen, zelfs als de DPOF-instelling hiervoor is gekozen.
Als u de DPOF-instellingen wilt annuleren, stelt u het aantal kopieën in stap 4 in op [00] en drukt u op de knop 4 .
81
Instellingen voor alle opnamen
1
Druk op de knop { knop in de weergavestand.
Het functiemenu verschijnt.
Fn
OK
2
Druk op de vierwegbesturing ( 2 ).
Het DPOF-scherm verschijnt.
Fn
Kopieën 00
OK
3
Druk op de { knop.
Er verschijnt een scherm waar u voor alle opnamen DPOF-instellingen kunt invoeren.
Kopieën 02
OK
4
Gebruik de vierwegbesturing ( 45 ) om het aantal kopieën in te stellen en te bepalen of u de datum wilt afdrukken ( O ) of niet ( P ).
Zie stap 4 en 5 in “Afzonderlijke opnamen afdrukken” (blz. 80) voor nadere informatie over de instellingen.
3
82
5
Druk op de knop 4 .
De DPOF-instellingen voor alle opnamen worden opgeslagen en de camera keert terug naar de weergavestand.
Het aantal kopieën dat u opgeeft bij de instellingen, geldt voor alle opnamen. Controleer of het aantal correct is alvorens de opnamen af te drukken.
Wanneer er instellingen worden opgegeven voor alle opnamen, worden instellingen voor afzonderlijke opnamen geannuleerd.
3
Afdrukken met PictBridge
83
Met deze functie kunt u opnamen direct vanaf de camera afdrukken, zonder dat u daarvoor een computer nodig hebt (Rechtstreeks afdrukken).
Sluit de camera op de PictBridge-compatibele printer aan via de meegeleverde USB-kabel
(I-USB17) om rechtstreeks af te drukken.
Nadat u de camera op de printer hebt aangesloten selecteert u de opnamen die u wilt afdrukken, het aantal kopieën en of de datum moet worden afgedrukt.
Rechtstreeks afdrukken vindt als volgt plaats.
Stel [Transfer functie] op de camera in op [PictBridge] (blz. 84)
¶
Sluit de camera aan op de printer (blz. 85)
¶
Stel de afdrukopties in (blz. 79)
Afzonderlijke opnamen afdrukken (blz. 86)
Alle opnamen afdrukken (blz. 88)
Afdrukken met DPOF-instellingen (blz. 90)
¶
Maak de camera los van de printer (blz. 90)
3
• Wanneer u de camera aansluit op een printer, raden wij u aan de netvoedingsadapter te gebruiken. De printer werkt mogelijk niet goed, of de opnamegegevens kunnen verloren gaan wanneer de batterij leegraakt terwijl de camera op de printer is aangesloten.
• Maak de USB-kabel niet los tijdens de overdracht van gegevens.
• Al naar gelang het type printer zijn mogelijk niet alle op de camera gemaakte instellingen (zoals de afdruk- of DPOF-instellingen) geldig.
• Er kan een afdrukfout optreden als u meer dan 500 kopieën probeert af te drukken.
• U kunt de camera niet gebruiken om verscheidene opnamen op één vel af te drukken.
Maak deze instellingen op de printer. Raadpleeg voor meer informatie de gebruikshandleiding van uw printer.
• Raadpleeg de “Handleiding PENTAX PHOTO Browser 2.1/PENTAX PHOTO
Laboratory 2.1” wanneer u de camera aansluit op een computer.
84
Setting Transfer Modes
1
Druk op de 3 knop.
Het menu [ A Opname] verschijnt.
3
2
Selecteer met de vierwegbesturing
( 45 ) het menu [ H Set-up].
Set-up
Formatteren
Signaal
Datum instellen
Wereldtijd
Hulpdisplay
Einde
Nederlands
3
Selecteer met de vierwegbesturing ( 23 ) [Transfer functie].
4
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Er verschijnt een keuzemenu.
85
5
Selecteer [PictBridge] met de vierwegbesturing ( 23 ).
Set-up
Helderheid
Videosignaal
Transfer functie
Auto Uitsch.
Bestand
Sensor reinigen
Cancel
0
PAL
P C
PictBridge
P C - F
OK OK
6
Druk op de knop 4 .
De instelling wordt gewijzigd.
7
Druk op de 3 knop.
Camera op de printer aansluiten
1
Zet de camera uit.
2
Sluit de camera aan op de PictBridge-compatibele printer via de meegeleverde USB-kabel.
Op printers die compatibel zijn met PictBridge, is het PictBridge-logo afgedrukt.
3
86
3
Zet de printer aan.
4
Nadat de printer is geïnitialiseerd, zet u de camera aan.
Het PictBridge-menu verschijnt.
3
Print een beeld
Print alle beelden
DPOF AUTOPRINT
OK
Het PictBridge-menu wordt niet weergegeven wanneer [Transfer functie] is ingesteld op
[PC] of [PC-F].
Afzonderlijke opnamen afdrukken
1
Selecteer [Print een beeld] in het
PictBridge-menu met de vierwegbesturing ( 23 ).
Print een beeld
Print alle beelden
DPOF AUTOPRINT
OK
2
Druk op de knop 4 .
Het scherm Print een beeld verschijnt.
3
Kies met de vierwegbesturing ( 45 ) een opname die u wilt afdrukken.
Fn
OK
87
4
Kies het aantal kopieën met de vierwegbesturing ( 23 ).
U kunt maximaal 99 kopieën afdrukken.
5
Gebruik de knop { om te bepalen of de datum al ( O ) dan niet ( P ) moet worden afgedrukt.
O : De datum wordt afgedrukt.
P : De datum wordt niet afgedrukt.
6
Druk op de knop 4 .
Het bevestigingsscherm voor de afdrukinstellingen verschijnt.
Ga naar stap 12 om de opnamen af te drukken met de standaardinstellingen.
Ga naar stap 7 om de afdrukinstellingen te wijzigen.
Fn
Papierafm.
Papiertype
Kwaliteit
Randinstelling
Standaard
Std.
Std.
Std.
OK
7
Druk op de { knop.
Het scherm voor het wijzigen van de afdrukinstellingen verschijnt.
PictBridge
Papierafm.
Papiertype
Kwaliteit
Randinstelling
Standaard
Std.
Std.
Std.
Cancel OK OK
8
Selecteer [Papierafm.] en druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Het scherm voor het papierformaat verschijnt.
9
Kies het papierformaat met de vierwegbesturing ( 2345 ).
U kunt alleen een papierformaat kiezen dat door uw printer wordt ondersteund.
Wanneer het papierformaat wordt ingesteld op [Std.] (standaard), worden opnamen afgedrukt op basis van de printerinstellingen.
Papierafm.
Standaard
Kaart
L
1 0 0 × 1 5 0
Briefkaart
4 ” × 6 ”
Cancel
2 L
8 ” × 1 0 ”
A 4
Brief
11 ” × 1 7 ”
A 3
OK OK
3
88
3
10
Druk op de knop 4 .
11
Herhaal stap 8 t/m 10 om [Papiertype], [Kwaliteit] en [Randinstelling] in te stellen.
Na het instellen van elk item wordt het scherm voor het wijzigen van de afdrukinstellingen weergegeven.
Wanneer het papierformaat wordt ingesteld op [Std.] (standaard), worden opnamen afgedrukt op basis van de printerinstellingen.
Papiertypen met meer E ondersteunen papier van een hogere kwaliteit.
Hoe meer E , hoe hoger de afdrukkwaliteit.
12
Druk twee keer op de knop 4 .
De opname wordt afgedrukt op basis van de gekozen instellingen.
Druk op de knop 3 om het afdrukken te annuleren.
Alle opnamen afdrukken
1
Selecteer [Print alle beelden] in het PictBridge-menu met de vierwegbesturing ( 23 ).
Print een beeld
Print alle beelden
DPOF AUTOPRINT
OK
2
Druk op de knop 4 .
Het scherm [Print alle beelden] verschijnt.
3
Kies het aantal kopieën en geef aan of u de datum wilt afdrukken.
Bevestig de instellingen.
Het aantal kopieën en het al dan niet afdrukken van de datum zijn van toepassing op alle opnamen.
Zie “Afzonderlijke opnamen afdrukken” (blz.
86) voor meer informatie over de instellingen.
Fn
OK
4
Druk op de knop 4 .
Het bevestigingsscherm voor de afdrukinstellingen verschijnt.
5
Druk op de knop 4 in het bevestigingsvenster voor de afdrukinstellingen.
Alle opnamen worden afgedrukt op basis van de gekozen instellingen.
Druk op de knop 3 om het afdrukken te annuleren.
89
3
90
Opnamen laten afdrukken op basis van DPOF-instellingen
3
1
Selecteer [DPOF AUTOPRINT] in het PictBridge-menu met de vierwegbesturing ( 23 ).
2
Druk op de knop 4 .
Het scherm [Afdrukken met DPOFinstellingen] verschijnt. Gebruik de vierwegbesturing ( 45 ) om de opname en afdrukinstellingen te controleren. De afdrukinstellingen worden ingesteld met de afdrukservice (DPOF-instellingen). (blz. 79)
OK
3
Druk op de knop 4 .
Het bevestigingsscherm voor de afdrukinstellingen verschijnt.
4
Druk op de knop 4 in het bevestigingsvenster voor de afdrukinstellingen.
De opnamen worden afgedrukt op basis van de gekozen instellingen.
Druk op de knop 3 om het afdrukken te annuleren.
De kabel losmaken van de printer
Maak de kabel los van de printer wanneer u klaar bent met afdrukken.
1
Maak de USB-kabel los van de camera.
2
Maak de USB-kabel los van de printer.
4
Menu-referentie
Beschrijft de functies van de knoppen en menu’s van de L .
De knopfuncties gebruiken ............................................................. 92
Het menu gebruiken ........................................................................ 96
Het Fn-menu gebruiken ................................................................. 102
De functiekiezer gebruiken ........................................................... 104
Bij gebruik van de menu’s en het functiemenu zijn onderdelen die niet kunnen worden gewijzigd vanwege instellingen van de camera grijs en niet selecteerbaar.
92
De knopfuncties gebruiken
4
Opnamestand
Hieronder vindt u uitleg van de knoppen tijdens de opname.
1
2
4
3
10
5
6
7
8
9
11
12
13
14
15
1
2
3
4
Ontspanknop
Indrukken om opnamen te maken. (blz. 45)
Hoofdschakelaar
Bewegen om de camera aan/uit te zetten (blz. 32) en de scherptediepte visueel te controleren (blz. 129).
Ontgrendelknop voor het objectief
Indrukken om het objectief los te maken. (blz. 38)
Scherpstelfunctieknop
Schakelen tussen automatisch (blz. 118) en handmatig scherpstellen (blz. 125).
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
Functiekiezer
Gebruiken om de opnamefunctie te wijzigen. (blz. 104)
K knop
Indrukken om de ingebouwde flitser uit te klappen. (blz. 49)
3 knop
Geeft het menu [ A Opname] weer (blz. 98). Druk vervolgens op de vierwegbesturing
( 5 ) voor weergave van het menu [ Q Weergeven](blz. 98), [ H Set-up](blz. 99) en [ A Pers. inst.]. (blz. 100)
M knop
Indrukken om opnamegegevens weer te geven op de LCD-monitor. (blz. 17)
Q knop
Activeert de weergavefunctie. (blz. 63) m c knop
Indrukken om waarden voor het diafragma en de LW-correctie in te stellen.
(blz. 136, blz. 141)
L knop
De belichting registreren voordat de opname wordt gemaakt. (blz. 142)
Automatisch de juiste belichting instellen in de stand a (handmatig). (blz. 140) e-knop
Stel de sluitertijd, het diafragma en de LW-correctie in.
(blz. 134, blz. 136, blz. 141)
4 knop
Bevestig de in het menu geselecteerde instelling.
Vierwegbesturing ( 2345 )
Verplaats de cursor of wijzig onderdelen in menu’s en het functiemenu.
{ knop
Indrukken om het functiemenu weer te geven. Druk op de vierwegbesturing ( 2345 ) om de volgende handeling te kiezen. (blz. 102)
93
4
94
Weergave
Hieronder vindt u uitleg van de knoppen tijdens de weergave.
1
2
4
7
3
4
5
6
8
9
10
2
3
4
5
1 Ontspanknop
Indrukken om over te gaan naar de opnamefunctie.
Hoofdschakelaar
Bewegen om de camera uit en aan te zetten (blz. 32)
3 knop
Indrukken om het menu weergave [ Q Weergeven] te openen (blz. 98). Druk vervolgens op de vierwegbesturing ( 45 ) om de menu’s [ H Set-up] (blz. 99),
[ A Pers. inst.] (blz. 100) en [ A Opname] weer te geven (blz. 98).
i knop
Indrukken om opnamen te verwijderen. (blz. 73)
M knop
Indrukken om opnamegegevens weer te geven op de LCD-monitor. (blz. 18)
6
7
8
9
10
Q knop
Indrukken om over te gaan naar de opnamefunctie.
Z knop
Indrukken om opnamen te beveiligen tegen onbedoelde verwijdering. (blz. 77)
4 knop
Bevestig de in het menu of het weergavescherm geselecteerde instelling.
Vierwegbesturing ( 2345 )
Gebruiken om de cursor te verplaatsen of items in menu’s, het functiemenu en het weergavescherm te wijzigen.
{ knop
Indrukken om het functiemenu weer te geven. Druk op de vierwegbesturing ( 245 ) om de volgende handeling te kiezen. (blz. 102)
95
4
96
Het menu gebruiken
Bediening van het menu
In dit gedeelte wordt het gebruik uitgelegd van de menu’s [ A Opname], [ Q Weergeven],
[ H Set-up] en [ A Pers. inst.].
Het menuscherm weergeven
4
1
Druk op de knop 3 in de opnamefunctie.
Het menu [ A Opname] (opnamefunctie) verschijnt op de LCD-monitor.
Opname
Beeldtint
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Kleurverzadiging
Scherpte
Contrast
Einde
2
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Telkens wanneer u de vierwegbesturing indrukt, worden opeenvolgende de volgende menu’s weergegeven: [ Q Weergeven],
[ H Set-up] en [ A Pers. inst.].
Set-up
Formatteren
Signaal
Datum instellen
Wereldtijd
Hulpdisplay
Einde
Nederlands
97
Selecteer een menuonderdeel en stel het in.
Hierna wordt bij wijze van voorbeeld de procedure uitgelegd voor instelling van het kwaliteitsniveau in het menu [ A Opname].
3
Kies een onderdeel met de vierwegbesturing ( 23 ).
Opname
Beeldtint
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Kleurverzadiging
Scherpte
Contrast
Einde
4
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
De beschikbare opties voor het kwaliteitsniveau worden weergegeven.
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ) om naar het keuzemenu te gaan als er sprake is van een keuzemenu.
Opname
Beeldtint
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Kleurverzadiging
Scherpte
Contrast
Cancel OK OK
4
5
Selecteer een instelling met de vierwegbesturing ( 23 ).
6
Druk op de knop 4 .
De camera keert terug naar het menuscherm. Stel vervolgens andere items in.
Druk op de 3 -knop om terug te gaan naar het de opname- of weergavestand.
Als u op de 3 -knop drukt en het menuscherm sluit maar de camera wordt verkeerd uitgeschakeld (bijvoorbeeld doordat de batterijen worden uitgenomen terwijl de camera aan staat), worden de instellingen niet opgeslagen.
• Met de e-knop kunt u schakelen tussen de menu’s [ A Opname], [ Q Weergeven],
[ H Set-up] en [ A Pers. inst.] wanneer er geen keuzemenu wordt weergegeven.
• Als u in de opnamestand op de knop 3 drukt, verschijnt het menu [ A Opname].
Als u in de weergavestand op de knop 3 drukt, verschijnt het menu
[ Q Weergeven].
98
Onderdelen van menu [
A
Opname] instellen
4
Instellingen voor de opnamen maakt u in het menu [ A Opname].
Onderdeel
Beeldtint
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Kleurverzadiging
Scherpte
Contrast
Momentcontrole
Auto Bracket
Autobel.
AF-veld
Autofocus
Belichtingscomp.
Functie
Stel de kleurtoon van opnamen in.
Stel de opnamegrootte in.
Stel de opnamekwaliteit in.
Stel de kleurverzadiging in.
Maakt de contouren van een opname scherp of zacht.
Stel het contrast van de opname in.
Stel de tijd in voor de momentcontrole.
Stel de opnamefunctie in voor het automatische belichtingstrapje.
Bepaal welk deel van het scherm moet worden gebruikt voor het meten van de helderheid en het bepalen van de belichting.
Wijzig de zone waarbinnen de autofocus moet scherpstellen.
Kies de autofocus-functie.
Wijzig de hoeveelheid flitslicht.
Bladzijde blz. 108 blz. 109 blz. 110 blz. 111 blz. 111 blz. 111 blz. 170 blz. 145 blz. 130 blz. 121 blz. 122 blz. 146
Onderdelen van menu [
Q
Weergeven] instellen
Instellingen voor weergave en bewerking van opnamen maakt u in het menu
[ Q Weergeven].
Onderdeel
Weergave functie
Helderheid
Digitaal filter
Diavoorstelling
Functie
Stel in of de opnamegegevens moeten worden getoond tijdens de weergave.
Stel in of de helderheidswaarschuwing moet worden weergegeven tijdens de momentcontrole of weergave.
Bewerk opnamen naar zwart-wit of sepiatinten, of voeg verzachtende en versmallingseffecten toe.
Doorlopende weergave van opgeslagen opnamen.
Bladzijde blz. 160 blz. 160 blz. 71 blz. 68
99
Onderdelen van menu [
H
Set-up] instellen
Maak verschillende instellingen voor de camera in het menu [ H Set-up].
Formatteren
Signaal
Reset
Onderdeel
Datum instellen
Wereldtijd
Language/
Hulpdisplay
Helderheid
Videosignaal
Transfer functie*
Auto Uitsch.
Bestand
Sensor reinigen
Functie
Formatteer de SD-geheugenkaart.
Schakel het geluidssignaal in/uit.
Stel de datumindeling en de tijd in.
Stel in om de plaatselijke tijd weer te geven wanneer u naar het buitenland reist.
Wijzig van de taal waarin menu’s en berichten worden weergegeven.
Geef bedieningsaanwijzingen weer op de LCD-monitor.
Wijzig de helderheidsinstelling van de LCD-monitor.
Stel het uitgangssignaal in voor weergave op een televisie.
Stel de USB-kabelverbinding in (computer of printer).
Stel de tijd in waarna de camera automatisch wordt uitgeschakeld.
Stel de methode in voor het toevoegen van bestandsnummers.
Zet de spiegel vast in de omhooggeklapte stand om de CCD te kunnen reinigen.
Zet alle instellingen terug op hun standaardwaarden, behalve
Datum/tijd, Language/ , Videosignaal en Wereldtijd.
Bladzijde blz. 162 blz. 163 blz. 163 blz. 164 blz. 167 blz. 167 blz. 168 blz. 168 blz. 84 blz. 169 blz. 169 blz. 181 blz. 171
* Raadpleeg p. 13 van de “Handleiding PENTAX PHOTO Browser 2.1/PENTAX PHOTO Laboratory
2.1” voor informatie over aansluiting van de camera op een computer.
4
100
Onderdelen van menu [
A
Pers. inst.] instellen
4
Stel in het menu Pers. inst. aangepaste functies in om volledig gebruik te maken van de functionaliteit van de spiegelreflexcamera. In de standaardinstelling wordt het menu Pers. inst. niet gebruikt.
Instellingen in het menu [ A Pers. inst.] worden geactiveerd wanneer [Instellen], het eerste onderdeel, O (aan) is.
Instellen
Onderdeel
Ruisonderdrukking
Bel.inst.stappen
AUTO ISO correctie
Waarsch. ISO inst.
Koppelt belicht. + AF
Bedrijftijd lichtmtr
AE-L met AF lock
Resterend aantal opn
OK knop bij opname
AE-L knop op M opname
AF met afstandbed
FI bij gebr S lens
Functie
Instellen om het menu Persoonlijke instellingen te gebruiken.
Instellen om ruisonderdrukking te gebruiken bij opnamen met een lange sluitertijd.
Stel de aanpassingsstappen voor de belichting in.
Stel het gevoeligheidsbereik voor automatische correctie in wanneer Gevoeligheid is ingesteld op [AUTO].
Stel het maximale gevoeligheidsniveau in.
Wanneer dit niveau wordt overschreden wordt er een ISOgevoeligheidswaarschuwing gegeven.
Instellen om de automatische belichting en het scherpstelveld bij meervlaks lichtmeting op basis van AF-punt te wijzigen.
Stel de meettijd voor de belichting in.
Instellen om de belichtingswaarde vast te zetten wanneer er is scherpgesteld.
Om de weergave van het resterende aantal opnamen in LCD en zoeker te veranderen in het aantal mogelijke continuopnamen wanneer de ontspanknop tot halverwege wordt ingedrukt.
Stel de gewenste actie in voor de knop 4 wanneer deze tijdens de opname wordt ingedrukt.
Selecteer de belichtingscorrectiemethode wanneer op de knop
L wordt gedrukt in de stand a (handmatig).
Instellen om automatisch scherp te stellen bij opnamen via de afstandsbediening.
De sluiter ontspant nadat de autofocus actief is, wanneer de ontspanknop wordt bediend vanaf de afstandsbediening en deze aan staat. De sluiter kan niet worden ontspannen voordat er is scherpgesteld.
De autofocus wordt niet actief door het gebruik van de ontspanknop op de afstandsbediening wanneer deze uit staat.
Instellen om een scherpstelindicatie weer te geven wanneer er een schroefdraadobjectief wordt gebruikt.
Het objectief wordt herkend, ook al stond de camera niet aan toen het objectief werd bevestigd.
Bladzijde
—
— blz. 142 blz. 115 blz. 116 blz. 131 blz. 132 blz. 124
— blz. 120 blz. 121 blz. 140
—
—
Onderdeel
Gebruik diafr. ring
Ontspant bij opladen
Momentcontrolescherm
Inzoomen op weergave
Man. witbalans meting
Kleurgebied
Reset pers. inst.
Functie
Instellen om de ontspanknop uit te schakelen wanneer de diafragmaring in een andere positie staat dan s .
Instellen om de sluiter te ontspannen terwijl de ingebouwde flitser nog bezig is met opladen.
Instellen om een histogram weer te geven tijdens de momentcontrole.
Stel de aanvangsvergroting van de zoomweergave in.
Kies uit [1,2 keer], [2 keer], [4 keer],
[8 keer] en [12 keer]. De standaardinstelling is [1,2 keer].
Instellen om het gehele scherm of een spotgebied te meten wanneer handmatige witbalans is ingesteld.
Stel de kleurruimte in die u wilt gebruiken.
Zet alle instellingen in het menu Pers. inst. terug op hun standaardwaarde.
Bladzijde blz. 180 blz. 147 blz. 170
— blz. 113 blz. 117 blz. 172
101
4
102
Het Fn-menu gebruiken
4
Opnamestand
Druk tijdens het maken van een opname op de knop { .
Het menu Fn verschijnt.
Fn
OK
Druk op de vierwegbesturing ( 2345 ) om een handeling te kiezen.
Vierwegbesturing
2
3
4
5
Onderdeel
Transportfunctie
Flitsinstelling
Witbalans
Gevoeligheid
Functie
Selecteer Continue opname, Zelfontspanner,
Afstandsbediening of Auto Bracketing.
Wijzig de flitsfunctie.
Pas de kleur aan de kleur van de lichtbron aan die het onderwerp verlicht.
Stel de gevoeligheid in.
Bladzijde blz. 53, blz. 55, blz. 59, blz. 143 blz. 49 blz. 112 blz. 115
103
Weergave
Druk tijdens de weergave op de knop { .
Het menu Fn verschijnt.
Fn
Druk op de vierwegbesturing ( 245 ) om een handeling te kiezen.
OK
Vierwegbesturing
2
4
5
Onderdeel Functie
DPOF-instellingen Stel de DPOF-instellingen in.
Digitaal filter
Diavoorstelling
Bewerk opnamen naar zwart-wit of sepiatinten, of voeg verzachtende en versmallingseffecten toe.
Doorlopende weergave van opgeslagen opnamen.
Bladzijde blz. 79 blz. 71 blz. 68
4
104
De functiekiezer gebruiken
4
Functie-indicatie
U kunt de opnamefunctie wijzigen door een pictogram op de functiekiezer tegenover het indexstreepje te zetten.
Onderdeel
I (Auto Picture)
U
(normaal)
=
(portret) s
(landschap) q
(macro)
\
(bewegend onderwerp)
.
(portretopname bij nacht) a
(flits UIT)
Functie
Selecteert automatisch een van de functies Normaal,
Portret, Landschap, Macro of Bewegend onderwerp.
De basisfunctie voor het maken van opnamen
Optimaal voor het maken van portretfoto’s.
Verdiept het scherpstelbereik, benadrukt kleuren en verzadiging van bomen en lucht en zorgt voor een heldere opname.
Maak levendige dichtbijopnamen van bloemen.
Hiermee kunt u scherpe opnamen maken van een snel bewegend onderwerp, bijvoorbeeld bij een sportevenement.
Hiermee kunt u opnamen van mensen tegen een nachtelijke achtergrond of schemering.
De flitser wordt uitgeschakeld. Andere instellingen zijn hetzelfde als bij Normaal ( U ).
Bladzijde blz. 47
Onderdeel e (programma) b
(sluitertijdvoorkeuze) c
(diafragmavoorkeuze) a (handmatig) p (tijdopname)
Functie
De sluitertijd en de diafragmawaarde worden automatisch ingesteld voor het maken van opnamen met de juiste belichting.
Stel de sluitertijd in om de beweging van bewegende onderwerpen weer te geven. Maak foto’s van snelbewegende onderwerpen die lijken stil te staan of onderwerpen die lijken te bewegen.
Stel het diafragma in wanneer u de scherptediepte wilt aanpassen. Hiermee vervaagt u voor- en achtergrond of maakt ze juist scherp.
Hiermee combineert u de ingestelde sluitertijd en het diafragma om precies die opname te maken die u in gedachten hebt.
Hiermee maakt u opnamen waarvoor lange sluitertijden nodig zijn, zoals vuurwerk en nachtopnamen.
Bladzijde blz. 133 blz. 134 blz. 136 blz. 138 blz. 140
105
4
106
Memo
5
Functiereferentie
Geeft informatie over functies om de gebruikservaring van de L te verbeteren.
De opnamepixels en het kwaliteitsniveau instellen..................... 108
Scherpstellen ................................................................................. 118
Belichting instellen ........................................................................ 127
Ingebouwde flitser gebruiken ....................................................... 146
Instellingen tijdens de weergave .................................................. 160
Camera-instellingen ....................................................................... 162
Standaardinstellingen herstellen ................................................. 171
108
De opnamepixels en het kwaliteitsniveau instellen
5
Beeldtint instellen
Stel de basiskleurtint van opnamen in. De standaardinstelling is [ F (helder)].
F
G
Helder
Natuurlijk
Opnamen worden helderder gemaakt, met een hoog contrast en meer scherpte.
Opnamen krijgen een natuurlijke afwerking die geschikt is voor retoucheren.
Instellen in [Beeldtint] het menu [ A Opname]. (blz. 98)
Opname
Beeldtint
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Kleurverzadiging
Scherpte
Contrast
Cancel OK OK
De instellingen kunnen niet worden gewijzigd in de Picture-functie (blz. 47).
Beeldtint is vast ingesteld op F (helder).
109
Opnamepixels instellen
De opnamepixels kunnen worden ingesteld op P (3008×2008/3008×2000), Q
(2400×1600) en R (1536×1024). Hoe meer pixels, hoe groter de opname en hoe groter het bestand. De bestandsgrootte is ook afhankelijk van de instellingen van het kwaliteitsniveau.
De standaardinstelling is [ P 3008×2000 (JPEG)].
P
Q
R
3008×2008 (RAW)
3008×2000 (JPEG)
2400×1600
1536×1024
Geschikt voor afdrukken op A3-papier
Geschikt voor afdrukken op A4-papier.
Geschikt voor afdrukken op A5-papier.
Instellen in [Opnamepixels] het menu [ A Opname]. (blz. 98)
Opname
Beeldtint
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Kleurverzadiging
Scherpte
Contrast
Cancel OK OK
5
U kunt geen instelling voor de opnamepixels selecteren als het kwaliteitsniveau is ingesteld op RAW (vast aantal opnamepixels: 3008×2008).
110
Kwaliteitsniveau instellen
5
U kunt het kwaliteitsniveau van de opname instellen. De bestandsgrootte is ook afhankelijk van de opnamepixels. De standaardinstelling is [ C (Best)].
|
C
D
E
RAW
Best
Beter
Goed
RAW-gegevens zijn CCD-uitvoergegevens die worden opgeslagen zonder verdere bewerking.
Effecten zoals Witbalans, Contrast, Kleurverzadiging en Scherpte worden niet op de opname toegepast, maar deze informatie wordt wel opgeslagen.
Breng de opnamen over naar een computer, pas effecten toe via de meegeleverde software PENTAX PHOTO Laboratory 2.1 en maak hiermee
JPEG- en TIFF-bestanden.
Laagste mate van compressie, geschikt voor het afdrukken van grote opnamen op bijvoorbeeld A4-papier. De opname wordt opgeslagen in de indeling JPEG.
Standaardcompressie, geschikt voor de weergave van standaardfoto’s of voor weergave op het beeldscherm. De opname wordt opgeslagen in de indeling JPEG.
Hoogste compressiefactor, geschikt om als bijlage bij e-mailberichten te gebruiken of voor het maken van websites. De opname wordt opgeslagen in de indeling JPEG.
Instellen in [Kwaliteitsniveau] het menu [ A Opname]. (blz. 98)
Opname
Beeldtint
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Kleurverzadiging
Scherpte
Contrast
Cancel OK OK
111
Kleurverzadiging/Scherpte/Contrast instellen
U kunt kiezen uit vijf niveaus voor Kleurverzadiging, Scherpte en Contrast.
De standaardinstelling voor alle is [0 (standaard)].
Kleurverzadiging Stel de kleurverzadiging in.
Scherpte
Contrast
Maakt de contouren van een opname scherp of zacht.
Stel het contrast van de opname in.
Stel [Kleurverzadiging], [Scherpte] en [Contrast] in het menu [ A Opname] in. (blz. 98)
De instellingen kunnen niet worden gewijzigd in de Picture-functie (blz. 47).
In de richting van +: Hogere kleurverzadiging
In de richting van –: Lagere kleurverzadiging
Opname
Einde
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Kleurverzadiging
Scherpte
Contrast
Einde
Opname
Beeldtint
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Kleurverzadiging
Scherpte
Contrast
Einde
Opname
Beeldtint
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Kleurverzadiging
Scherpte
Contrast
Einde
In de richting van +: Scherper
In de richting van –: Minder scherp
In de richting van +: Hoger contrast
In de richting van –: Lager contrast
5
112
Witbalans instellen
5
De kleur van het onderwerp hangt mede af van de lichtbron. Een wit voorwerp heeft bijvoorbeeld bij daglicht een andere schakering wit dan onder een gloeilamp. In camera’s die werken met film, wordt dit aangepast door een andere film te nemen of filters te gebruiken.
Bij digitale camera’s wordt de witheid aangepast via de witbalans. De standaardinstelling is
[ F (auto)].
F Automatisch
Instellen om de witbalans automatisch aan te passen.
(Circa 4000 tot 8000K)
G Daglicht Instellen wanneer u opnamen maakt bij zonlicht. (Circa 5200K)
H Schaduw Instellen wanneer u opnamen maakt in de schaduw. (Circa 8000K)
^
J
I b
K
Bewolkt
Neonlicht
Lamplicht
Flitser
Handmatig
Instellen wanneer u opnamen maakt op bewolkte dagen. (Circa 6000K)
Gebruik deze functie bij het maken van opnamen onder TL-licht. Kies het type TL-licht: W (wit) (4200K), N (neutraal wit) (5000K), of D (daglicht)
(6500K).
Instellen wanneer u opnamen maakt onder een gloeilamp of andere kunstverlichting. (Circa 2850K)
Instellen om opnamen te maken met de ingebouwde flitser.
(Circa 5400K)
Instellen om opnamen te maken waarbij u de witbalans handmatig wilt instellen.
De kleurtemperatuur (K) is een benadering en vormt geen indicatie van de exacte kleuren.
Stel [Witbalans] in het menu Fn in. (blz. 102)
OK
• Zie blz. 113 voor handmatige aanpassing.
• De witbalans kan niet worden gewijzigd in de Picture-functie (blz. 47).
Kleurtemperatuur
De kleur van het licht krijgt een blauwachtige kleurzweem naarmate de kleurtemperatuur hoger wordt en een roodachtige kleurzweem naarmate de kleurtemperatuur lager wordt.
De kleurtemperatuur beschrijft deze verandering in lichtkleur in termen van absolute temperatuur (K: Kelvin). Bij deze camera kan de witbalans zodanig worden ingesteld dat u onder een groot aantal verschillende lichtomstandigheden opnamen met natuurlijke kleuren kunt maken.
2000
Roodtint
3000 4000 5000 6000
Blauwtint
8000 10000 12000 [ K ]
113
5
Witbalans handmatig aanpassen
U kunt de witbalans aanpassen op de lichtbron die aanwezig is tijdens het maken van opnamen. Met de handmatige witbalans kan de camera delicate kleurnuances vastleggen die niet precies kunnen worden ingesteld met de vooraf ingestelde waarden voor de witbalans van de camera zelf(blz. 112). Hierdoor stelt u de optimale witbalans in voor uw omgeving.
1
Zet de functiekiezer op e , b , c of a .
2
Druk op de knop { .
Het functiemenu verschijnt.
3
Druk op de vierwegbesturing ( 4 ).
Het scherm [Witbalans] verschijnt.
114
4
Druk op de vierwegbesturing ( 3 ) en selecteer [ K (handmatig)].
OK
5
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Het berichtenscherm verschijnt.
5
6
Richt de zoeker op een egaal wit of grijs vel papier onder een lichtbron om de witbalans in te stellen.
7
Druk de ontspanknop helemaal in.
Schuif de scherpstelfunctieknop naar \ wanneer de sluiter niet kan worden ontspannen.
Wanneer de instelling gereed is, verschijnt [OK] op de LCD-monitor.
[NG] verschijnt wanneer de instelling niet kon worden voltooid.
8
Druk op de knop 4 .
• Wanneer de ontspanknop wordt ingedrukt ter aanpassing van de witbalans, wordt er geen opname gemaakt.
• Wanneer u niet tevreden bent met de aanpassing, drukt u nogmaals op de knop { om de instelling te wijzigen.
• Wanneer u de witbalans handmatig instelt, kunt u het bereik voor het meten van de witbalans instellen. De witbalans wordt gemeten over het hele scherm door de meervlaksmeting (blz. 130) wanneer [Volledig scherm] is geselecteerd voor [Man. witbalans meting] in het menu [ A Pers. inst.] (blz. 101). De witbalans wordt alleen gemeten in het spotmeetgebied (blz. 131) wanneer [Spot meet gebied] is geselecteerd.
• Als een opname extreem over- of onderbelicht is, kan de witbalans mogelijk niet worden aangepast. Pas in dat geval de belichting aan en vervolgens de witbalans.
Gevoeligheid instellen
U kunt de gevoeligheid instellen op basis van het omgevingslicht.
De gevoeligheid kan worden ingesteld op [AUTO] of binnen een gevoeligheidsbereik dat overeenkomt met ISO 200 tot 3200. De standaardinstelling is [AUTO].
Stel [Gevoeligheid] in het menu Fn in. (blz. 102)
115
OK
Bij een hogere gevoeligheidsinstelling kunnen opnamen meer ruis vertonen.
Het bereik voor automatische correctie instellen bij AUTO
Stel het bereik in voor automatische correctie van de gevoeligheid wanneer Gevoeligheid is ingesteld op [AUTO]. De gevoeligheid wordt standaard automatisch gecorrigeerd binnen het bereik [ISO 200-400].
1
2
3
4
ISO 200-400
ISO 200-800
ISO 200-1600
ISO 200-3200
De gevoeligheid wordt automatisch aangepast binnen het bereik van
ISO 200 tot 400.
De gevoeligheid wordt automatisch aangepast binnen het bereik van
ISO 200 tot 800.
De gevoeligheid wordt automatisch aangepast binnen het bereik van
ISO 200 tot 1600.
De gevoeligheid wordt automatisch aangepast binnen het bereik van
ISO 200 tot 3200.
Stel [AUTO ISO correctie] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 100)
AUTO ISO correctie
ISO 200-400
ISO 200-800
ISO 200-1600
ISO 200-3200
Gevoeligheid automatisch gecorrigeerd in de range van 200-400 ISO
5
116
In de volgende gevallen wordt de gevoeligheid niet aangepast:
• De belichting is ingesteld op a (handmatig) of p (tijdopname)
• De flitser wordt geactiveerd
• Bij Auto Bracket (automatisch belichtingstrapje)
• Bij belichtingscorrectie
5
ISO-gevoeligheidswaarschuwing
De ISO-gevoeligheidswaarschuwing wordt weergegeven in de zoeker wanneer de ingestelde gevoeligheid wordt overschreden. Stel een gevoeligheid in die u niet regelmatig gebruikt, om te voorkomen dat u hem vergeet terug te zetten wanneer de gevoeligheid wordt verhoogd. De ISO-gevoeligheidswaarschuwing wordt standaard niet weergegeven.
1 Uit
2
3
4
5
ISO 400
ISO 800
ISO 1600
ISO 3200
ISO-gevoeligheidswaarschuwing wordt niet weergegeven.
De ISO-gevoeligheidswaarschuwing wordt weergegeven wanneer ISO
400 wordt ingesteld of overschreden.
De ISO-gevoeligheidswaarschuwing wordt weergegeven wanneer ISO
800 wordt ingesteld of overschreden.
De ISO-gevoeligheidswaarschuwing wordt weergegeven wanneer ISO
1600 wordt ingesteld of overschreden.
De ISO-gevoeligheidswaarschuwing wordt weergegeven wanneer ISO
3200 wordt ingesteld of overschreden.
Stel [Waarsch. ISO inst.] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 100)
Waarsch. ISO inst.
Uit
ISO 400
ISO 800
ISO 1600
ISO 3200
Waarsch. ISO inst.
niet in display
Wanneer de ingestelde gevoeligheid wordt ingesteld of overschreden, verschijnt
[ o (ISO-gevoeligheidswaarschuwing)] in de zoeker.
De ISO-gevoeligheidswaarschuwing wordt niet weergegeven wanneer de gevoeligheid automatisch wordt aangepast (blz. 115).
117
Kleurgebied instellen
U kunt het te gebruiken kleurgebied instellen. De standaardinstelling is [1 (sRGB)].
1
2 sRGB
AdobeRGB
Kleurgebied sRGB ingesteld.
Kleurgebied AdobeRGB ingesteld.
Stel [Kleurgebied] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 101)
Kleurgebied sRGB
AdobeRGB
Instellen op sRGB kleurgebied
Kleurruimte
Kleurbereiken voor verschillende invoer-/uitvoerapparaten, zoals digitale camera’s, monitoren en printers kunnen verschillen.
Dit kleurbereik wordt de kleurruimte genoemd.
Om de verschillen in kleurruimte tussen verschillende apparaten te overbruggen zijn er standaard kleurruimten bepaald. Deze camera ondersteunt sRGB en AdobeRGB.
sRGB wordt vooral gebruikt voor apparaten zoals computers.
AdobeRGB bestrijkt een groter gebied dan sRGB en wordt gebruikt voor beroepsmatig gebruik zoals industrieel drukwerk.
Een opname die is gemaakt in AdobeRGB kan er lichter uitzien dan een opname die is gemaakt in sRGB wanneer deze wordt uitgevoerd via een apparaat dat compatibel is met sRGB.
5
118
Scherpstellen
U kunt op de volgende manieren scherpstellen.
=
\
Autofocus
Handmatig scherpstellen
De camera stelt scherp wanneer de ontspanknop tot halverwege wordt ingedrukt.
Stel handmatig scherp.
De autofocus gebruiken
U kunt kiezen uit twee autofocus-zones: [Breed] en [Spot]. (blz. 121)
U kunt ook kiezen uit twee autofocus-functies: l (scherpstellen één opname), waarbij de ontspanknop tot halverwege wordt ingedrukt om scherp te stellen op het onderwerp en de scherpstelling op die stand wordt vastgehouden, en k (continu scherpstellen), waarbij continu wordt scherpgesteld op het onderwerp zolang de ontspanknop tot halverwege ingedrukt wordt gehouden. (blz. 122)
5
1
Zet de scherpstelfunctieknop op
= .
2
Kijk door de zoeker en druk de ontspanknop tot halverwege in.
119
Wanneer er is scherpgesteld, verschijnt de scherpstelindicatie ] in de zoeker.
(Als deze knippert, is er niet scherpgesteld op het onderwerp.)
1 Onderwerpen waarop moeilijk automatisch is scherp te stellen (blz. 46)
Scherpstelindicatie
• Bij l (scherpstellen één opname) is de scherpstelling vergrendeld terwijl ] brandt
(scherpstelvergrendeling). Om scherp te stellen op een ander onderwerp, haalt u eerst uw vinger van de ontspanknop.
• In de functie \ (bewegend onderwerp) of als de scherpstelfunctie is ingesteld op k
(continu scherpstellen) (blz. 122), wordt er continu scherpgesteld, waarbij het bewegende onderwerp wordt gevolgd as zolang de ontspanknop tot halverwege ingedrukt wordt gehouden.
• De sluiter kan pas ontspannen als er is scherpgesteld op het onderwerp in l
(scherpstellen één opname) (blz. 122). Als het onderwerp zich te dicht bij de camera bevindt, gaat u achteruit en maakt u de opname. Stel de scherpstelling handmatig in als er moeilijk op het onderwerp kan worden scherpgesteld (blz. 46). (blz. 125)
• Bij l (scherpstellen één opname) drukt u de ontspanknop tot halverwege in.
Wanneer de ingebouwde flitser is uitgeklapt, gaat deze automatisch verschillende keren af, zodat de autofocus makkelijker kan scherpstellen op een onderwerp in een donkere omgeving.
• Ongeacht de instelling van de camera op l (scherpstellen één opname) of k
(continu scherpstellen) volgt de camera het onderwerp automatisch als is vastgesteld dat het een bewegend onderwerp is.
5
120
Stel scherp op het onderwerp met de knop 4
U kunt ook instellen dat er niet wordt scherpgesteld wanneer de ontspanknop tot halverwege wordt ingedrukt, maar pas wanneer u op de knop 4 drukt. Dat is handig wanneer u tijdelijk automatisch wilt scherpstellen terwijl handmatig scherpstellen is ingeschakeld.
Stel [3 (Activeren AF)] in [OK knop bij opname] in het menu [ A Pers. inst.]. (blz. 100)
OK knop bij opname
Uit
Spot AF
Activeren AF
Cancel AF
AF met ontspanknop werkt niet, gebruik hiervoor OK knop
5
Gebruik deze functie alleen bij objectieven die Quick Shift Focus (scherpstelling met snelle verschuiving) ondersteunen.
• Selecteer [4 (Cancel AF)]. \ verschijnt in de zoeker wanneer de knop 4 wordt ingedrukt. De autofocus wordt niet geactiveerd wanneer de ontspanknop wordt ingedrukt. Dat is handig wanneer u tijdelijk handmatig wilt scherpstellen terwijl de autofocus is ingeschakeld.
• U kunt scherpstellen met de scherpstelring en de ontspanknop indrukken terwijl de knop 4 is ingedrukt wanneer u een objectief gebruikt dat compatibel is met Quick
Shift Focus. (Haal uw vinger van de knop 4 om direct terug te gaan naar de autofocus-functie.)
121
Het AF-veld instellen
U kunt kiezen op welke zone de autofocus scherpstelt. De standaardinstelling is
[ N (breed)].
N
6
Breed
Spot
De camera neemt het brede gebied in het midden van het scherm
(binnen het AF-veld) als uitgangspunt en stelt scherp op het dichtstbijzijnde voorwerp.
De camera verkleint het scherpstelvlak, zodat makkelijker kan worden scherpgesteld op een specifiek onderwerp.
Instellen in [AF-vlak] in het menu [ A Opname] (blz. 98).
Opname
Momentcontrole
Auto Bracket
Autobelicht.
AF-veld
Autofocus
Belichtingscomp.
Cancel
1 sec
0.0
OK OK
5
Als [2 (Spot AF)] is geselecteerd bij [OK knop bij opname] (blz. 120) in het menu
[ A Pers. inst.], schakelt de camera over op [ 6 (Spot)] zolang de knop 4 ingedrukt wordt gehouden terwijl het AF-veld is ingesteld op [ N (breed)].
122
5
De AF-functie instellen
U kunt kiezen uit de volgende twee autofocusfuncties. De standaardinstelling is
[ l (Eén opname)].
l k
Eén opname
Continu
Wanneer de ontspanknop tot halverwege wordt ingedrukt, wordt de scherpstelling in die stand vastgehouden.
Er wordt continu scherpgesteld op het onderwerp zolang de ontspanknop tot halverwege ingedrukt wordt gehouden.
Stel [Autofocus] in het menu [ A Opname] in(blz. 98).
Opname
Momentcontrole
Auto Bracket
Autobelicht.
AF-veld
Autofocus
Belichtingscomp.
Cancel
1 sec
AF.S
AF.C
OK OK
• De instellingen kunnen niet worden gewijzigd in de Picture-functie (blz. 47).
• k (continu) kan worden ingesteld wanneer de functiekiezer op e , b , c of a staat. De autofocus wordt ingesteld op k in de functie \ (bewegend onderwerp) of de Picture-functie.
Scherpstelling vastzetten (Scherpstelvergrendeling)
Als het onderwerp buiten het bereik van het scherpstelveld valt, kan de camera niet automatisch scherpstellen op het onderwerp. In deze situatie kunt u het scherpstelveld op het onderwerp richten, de scherpstelvergrendeling gebruiken en het onderwerp opnieuw uitkaderen.
1
Kader het onderwerp in de zoeker uit.
U kunt de scherpstelling niet vergrendelen wanneer het onderwerp waarop u wilt scherpstellen buiten het bereik van het scherpstelveld valt.
123
(Voorbeeld)
Er wordt scherpgesteld op de achtergrond in plaats van op de persoon.
5
2
Centreer het onderwerp in de zoeker en druk de ontspanknop tot halverwege in.
Wanneer op het onderwerp is scherpgesteld, verschijnt de scherpstelindicatie ] en klinkt er een geluidssignaal. (Als de indicatie knippert, is er niet scherpgesteld op het onderwerp.)
3
Vergrendel de scherpstelling.
Houd de ontspanknop tot halverwege ingedrukt. De scherpstelling wordt vastgehouden.
124
4
Houd de ontspanknop tot halverwege ingedrukt en kader het onderwerp opnieuw in.
• De scherpstelling is vergrendeld zolang ] brandt.
• Als u de zoomring van het objectief draait terwijl de scherpstelvergrendeling actief is, bestaat de kans dat het onderwerp niet meer scherp is.
• Het geluidssignaal kan worden uitgeschakeld. (blz. 163)
• U kunt de scherpstelvergrendeling niet gebruiken wanneer de scherpstelfunctie is ingesteld op k (Continu) of als de opnamefunctie is ingesteld op \ (Bewegend onderwerp). Bij k (Continu) of \ (Bewegend onderwerp) blijft de autofocus scherpstellen op het onderwerp tot de sluiter ontspant. (Continue autofocus)
5
Belichting vergrendelen wanneer scherpstelling is vergrendeld
Stel [AE-L met AF lock] in het menu [ A Pers. inst.] in (blz. 100) om de belichtingswaarde te vergrendelen wanneer de scherpstelling is vergrendeld. De belichting is standaard niet vergrendeld tijdens een scherpstelvergrendeling.
1
2
Uit
Aan
De belichting is niet vergrendeld wanneer de scherpstelling is vergrendeld
De belichting is vergrendeld wanneer de scherpstelling is vergrendeld
AE-L met AF lock
Uit
Aan
Auto belichting niet vergrendeld als de AF is vergrendeld
Handmatig scherpstelling wijzigen (Handmatig scherpstellen)
Bij handmatige aanpassing van de scherpstelling kunt u aan de hand van de scherpstelindicatie of het matglas in de zoeker vaststellen of op het onderwerp is scherpgesteld.
De scherpstelindicatie gebruiken
Met de scherpstelindicatie kunt u de scherpstelling handmatig aanpassen ] .
1
Zet de scherpstelfunctieknop op \ .
125
5
2
Kijk door de zoeker, druk de ontspanknop tot halverwege in en draai aan de scherpstelring.
Wanneer op het onderwerp is scherpgesteld, gaat de scherpstelindicatie ] branden en klinkt er een geluidssignaal.
Scherpstelindicatie
126
• Als er moeilijk op het onderwerp kan worden scherpgesteld (blz. 46) en de scherpstelindicatie niet blijft branden, gebruikt u het matglas in de zoeker.
• Het geluidssignaal kan worden uitgeschakeld. (blz. 163)
Het matglas in de zoeker gebruiken
U kunt handmatig scherpstellen met behulp van het matglas in de zoeker.
1
Zet de scherpstelfunctieknop op \ .
5
2
Kijk door de zoeker en draai de scherpstelring tot het onderwerp scherp is op het matglas.
Belichting instellen
127
Effect van diafragma en sluitertijd
De juiste belichting is een kwestie van de juiste combinatie sluitertijd-diafragma. Er zijn in elke situatie tal van correcte sluitertijd-diafragmacombinaties mogelijk, die telkens weer een ander resultaat opleveren.
Effect van sluitertijd
De sluitertijd bepaalt de belichtingstijd van de opname, m.a.w. de tijd dat de CCD aan licht wordt blootgesteld. U kunt daarmee de hoeveelheid licht instellen.
Een langere sluitertijd kiezen
Als het onderwerp beweegt, wordt de opname onscherp omdat de sluiter langer open blijft.
Het is mogelijk het effect van beweging (bijvoorbeeld een rivier, een waterval of golven) te verbeteren door met opzet een langere sluitertijd te kiezen.
5
Een kortere sluitertijd kiezen
Bij keuze van een kortere sluitertijd kan de actie van een bewegend onderwerp worden bevroren.
Een kortere sluitertijd helpt camerabeweging te voorkomen.
128
Effect van diafragma
Wijzig de hoeveelheid licht die op de CCD terechtkomt door het diafragma te wijzigen.
Het diafragma openen (diafragmawaarde verlagen)
Voorwerpen die dichter bij of verder weg zijn dan het onderwerp waarop is scherpgesteld, worden minder scherp. Als u bijvoorbeeld een opname maakt van een bloem tegen een landschapsachtergrond met een grote diafragmaopening, wordt het landschap voor en achter de bloem onscherp, waardoor alleen de bloem wordt geaccentueerd.
5
Het diafragma sluiten (diafragmawaarde verhogen)
Het scherptegebied neemt zowel dichtbij als veraf toe.
Als u bijvoorbeeld een opname maakt van een bloem tegen een landschapsachtergrond met een kleine diafragmaopening, is ook het landschap voor en achter de bloem scherp.
Scherptediepte
Wanneer u scherpstelt op een deel van het onderwerp, is er een gebied waarin voorwerpen die dichter bij en verder weg zijn, ook scherp zijn. Dit gebied wordt
‘scherptediepte’ genoemd.
• De scherptediepte van de L is afhankelijk van het objectief.
Maar vergeleken met een kleinbeeldcamera kunt u ongeveer één diafragmawaarde lager gebruiken (het scherpstelbereik wordt kleiner).
• Hoe korter de brandpuntsafstand en hoe verder weg het onderwerp is, hoe groter de scherptediepte. (Sommige zoomobjectieven hebben geen schaal voor de scherptediepte vanwege hun bouwwijze.)
Scherptediepte
Scherptegebied
Diafragma
Brandpuntsafstand objectief
Afstand tot onderwerp
Klein
Smal
Open
(Lagere waarde)
Langer
(Tele)
Dichtbij
Groot
Breed
Dicht
(Hogere waarde)
Korter
(Groothoek)
Veraf
De scherptediepte controleren
Wanneer u scherpstelt op een deel van het onderwerp, is er een gebied waarin voorwerpen dichterbij en verder weg ook scherp zijn. Dit gebied wordt ‘scherptediepte’ genoemd.
Wanneer u de functie scherptedieptecontrole gebruikt, kunt u de scherptediepte controleren in de zoeker alvorens een opname te maken.
1
Stel scherp op het onderwerp.
129
2
Zet de hoofdschakelaar op | terwijl u door de zoeker kijkt.
U kunt de scherptediepte in de zoeker controleren terwijl u de hoofdschakelaar ingedrukt houdt.
• Zolang de hoofdschakelaar op de stand scherptedieptecontrole ( | ) staat, worden er geen opnamegegevens weergegeven in de zoeker en kan er geen opname worden gemaakt.
• U kunt de scherptediepte controleren in alle belichtingsfuncties.
5
130
5
De lichtmeetmethode selecteren
U kunt kiezen welk deel van het matglas wordt gebruikt om het licht te meten en de belichting te bepalen. Bij deze camera hebt u de keus uit meervlaksmeting, lichtmeting met nadruk op het midden en spotmeting. De standaardinstelling is meervlaks lichtmeting [Multi-segment].
L
M
N
Meervlaksmeting
Meting met nadruk op het midden
Spotmeting
Het matglas wordt verdeeld in 16 delen, elk deel wordt gemeten en de juiste belichting wordt bepaald.
Het gehele matglas wordt gemeten, met nadruk op het midden en de belichting wordt bepaald.
Meting van uitsluitend het middelpunt van het matglas ter bepaling van de belichting.
Instellen in [Autobel.] het menu [ A Opname]. (blz. 98)
Opname
Momentcontrole
Auto Bracket
Autobelicht.
AF-veld
Autofocus
Belichtingscomp.
Cancel
1 sec
0.0
OK OK
Meervlaks lichtmeting gebruiken
Bij meervlaks lichtmeting wordt het beeld in de zoeker gemeten in 16 verschillende zones, zoals de afbeelding laat zien. Bij deze functie wordt automatisch bepaald welk helderheidsniveau elk gedeelte van het beeld heeft.
Lichtmeting met nadruk op het midden wordt automatisch ingesteld, zelfs wanneer u meervlaks lichtmeting selecteert bij gebruik van een ander objectief dan DA, D FA, FA J,
FA, F of A. (Zo’n objectief kan alleen worden gebruikt wanneer dit is toegestaan in
[Gebruik diafr. ring] via het menu [ A Pers. inst.](blz. 101).)
131
AF-punt koppelen aan de automatische belichting tijdens meervlaksmeting
Met [Koppelt belicht. + AE] (blz. 100) in het menu [ A Pers. inst.] kunt u de belichting koppelen aan het scherpstelpunt tijdens meervlaks lichtmeting. De standaardinstelling is [1 (Uit)].
1
2
Uit
Aan
De belichting wordt onafhankelijk van het scherpstelpunt ingesteld.
De belichting wordt ingesteld op basis van het scherpstelpunt.
Lichtmeting met nadruk op het midden gebruiken
De meting legt de nadruk op het midden van het matglas. Gebruik deze meting wanneer u de belichting wilt corrigeren op basis van ervaring, in plaats van dit over te laten aan de camera. In de afbeelding ziet u dat de gevoeligheid groter wordt wanneer het patroon hoger wordt (midden).
Deze functie corrigeert niet automatisch opnamen met tegenlicht.
Spotmeting gebruiken
Bij spotmeting wordt het licht slechts in een klein vak in het midden van het matglas gemeten, zoals de afbeelding laat zien. U kunt deze functie combineren met het belichtingsgeheugen (blz. 142) wanneer het onderwerp uitzonderlijk klein is en een correcte belichting moeilijk te realiseren is.
5
132
Meettijd instellen
Stel de meettijd in bij [Bedrijftijd lichtmtr] in het menu [ A Pers. inst.] (blz. 100).
De standaardinstelling is [1 (10 sec)].
1
2
3
10sec
3 s
30sec
Meettijd is ingesteld op 10 seconden.
Meettijd is ingesteld op 3 seconden.
Meettijd is ingesteld op 30 seconden.
De belichtingsfunctie wijzigen
5
Naast de Picture-functies heeft deze camera vijf belichtingsfuncties.
Gebruik de functiekiezer (blz. 104) om de belichtingsfunctie te wijzigen.
Belichtingsfunctie Beschrijving e b
(Programma)
(Sluitertijdvoorkeuze) c
(Diafragmavoorkeuze) a p
(Handmatig)
(Tijdopname)
De sluitertijd en de diafragmawaarde worden automatisch ingesteld voor het maken van opnamen met de juiste belichting.
Stel de sluitertijd in voor opnamen van bewegende onderwerpen. Maak opnamen van snelbewegende onderwerpen die lijken stil te staan of onderwerpen die lijken te bewegen.
Stel het diafragma in en gebruik de diafragmavoorkeuze als u de scherpte diepte wilt aanpassen. Zo kunt u instellen dat de achtergrond onscherp wordt of dat de hele opname van voor tot achter scherp is.
Combineer de ingestelde sluitertijd en het diafragma om precies die opname te maken die u in gedachten had.
Hiermee maakt u opnamen waarvoor lange sluitertijden nodig zijn, zoals vuurwerk en nachtopnamen.
Belichtingscorrectie
Sluitertijd wijzigen
Diafragma wijzigen
Ja
Ja
Ja
Nee
Nee
Nee
Ja
Nee
Ja
Nee
Nee
Nee
Ja
Ja
Ja
Gebruik van de functie e (Programma)
De sluitertijd en de diafragmawaarde worden automatisch ingesteld voor het maken van opnamen met de juiste belichting.
Wijzig de belichting als volgt.
1
Zet de functiekiezer op e .
133
2
Draai aan de e-knop terwijl u de knop m c indrukt en wijzig de belichting.
De belichtingscorrectie wordt weergegeven in de zoeker en op het LCD.
De sluitertijd en diafragmawaarde worden ook weergegeven terwijl u de belichting wijzigt.
Bij belichtingscorrectie
• Stel de LW-correctie in in stappen van 1/2 LW of 1/3 LW. Stel de belichtingsstap in
[Bel.inst.stappen] in het menu [ A Pers. inst.]. (blz. 142)
• Wanneer de juiste belichting niet kan worden ingesteld op basis van de geselecteerde criteria, kunt u de gevoeligheid automatisch aanpassen. Stel [Gevoeligheid] in op [AUTO] in het menu Fn. (blz. 115)
• Zet het diafragma op de stand s terwijl u de knop voor automatische vergrendeling ingedrukt houdt bij gebruik van een objectief met een diafragmaring.
5
134
Gebruik van de b (sluitertijdvoorkeuze)
Stel de sluitertijd in om opnamen te maken van bewegende onderwerpen. Wanneer u de sluitertijd korter instelt, kunt u opnamen maken van bewegende onderwerpen alsof deze stilstaan. Wanneer u de sluitertijd langer instelt, maakt u levendige opnamen. Op basis van de sluitertijd wordt de diafragmawaarde automatisch ingesteld op de juiste belichting.
1 Effect van diafragma en sluitertijd (blz. 127)
1
Zet de functiekiezer op b .
5 2
Draai aan de e-knop om de sluitertijd te wijzigen.
De sluitertijd en de diafragmawaarde worden weergegeven in de zoeker en op het LCD.
• Draai aan de e-knop terwijl u op de knop m c drukt en wijzig de belichtingscorrectiewaarde. (blz. 141)
• Stel de sluitertijd in stappen van 1/2 LW of 1/3 LW in. Stel [Bel.inst.stappen] in het menu
[ A Pers. inst.] in. (blz. 142)
• Wanneer de juiste belichting niet kan worden ingesteld op basis van de geselecteerde criteria, kunt u de gevoeligheid automatisch aanpassen. Stel [Gevoeligheid] in op
[AUTO] in het menu Fn. (blz. 115)
• Zet het diafragma op de stand s terwijl u de knop voor automatische vergrendeling ingedrukt houdt bij gebruik van een objectief met een diafragmaring.
135
Belichtingswaarschuwing
Als het onderwerp te licht of te donker is, begint de diafragmawaarde te knipperen in de zoeker en op het LCD. Is het onderwerp te licht, kies dan een kortere sluitertijd. Bij een te donker onderwerp kiest u een langere sluitertijd. Wanneer de diafragmawaarde ophoudt met knipperen, kunt u de opname maken met de juiste belichting.
Wanneer zowel de sluitertijd als de diafragmawaarde knipperen, geeft dit aan dat het onderwerp buiten het lichtmeetbereik valt. Een juiste belichting is dan niet mogelijk, zelfs niet als de sluitertijd wordt aangepast.
Gebruik een ND-filter (neutrale densiteit) als het onderwerp te licht is.
Gebruik de flitser als het te donker is.
5
136
Gebruik van de c (diafragmavoorkeuze)
Stel het diafragma in wanneer u de scherptediepte wilt aanpassen. De scherptediepte is groter (voorgrond en achtergrond zijn duidelijker) wanneer het diafragma op een hoge waarde wordt ingesteld. De scherptediepte is kleiner (voorgrond en achtergrond zijn vager) wanneer het diafragma op een lagere waarde wordt ingesteld.
Aan de hand van de diafragmawaarde wordt de sluitertijd automatisch op de juiste belichting ingesteld.
1 Effect van diafragma en sluitertijd (blz. 127)
1
Zet de functiekiezer op c .
5
2
Draai aan de e-knop en pas de diafragmawaarde aan.
De sluitertijd en de diafragmawaarde worden weergegeven in de zoeker en op het LCD.
• Draai aan de e-knop terwijl u op de knop m c drukt en wijzig de belichtingscorrectiewaarde. (blz. 141)
• Stel de diafragmawaarde in stappen van 1/2 LW of 1/3 LW in. Stel [Bel.inst.stappen] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 142)
• Wanneer de juiste belichting niet kan worden ingesteld op basis van de geselecteerde criteria, kunt u de gevoeligheid automatisch aanpassen. Stel [Gevoeligheid] in op
[AUTO] in het menu Fn. (blz. 115)
• Zet het diafragma op de stand s terwijl u de knop voor automatische vergrendeling ingedrukt houdt bij gebruik van een objectief met een diafragmaring.
137
Belichtingswaarschuwing
Als het onderwerp te licht of te donker is, knippert de sluitertijd in de zoeker en op het LCD. Is het onderwerp te licht, kies dan een kleiner diafragma
(hogere waarde). Is het onderwerp te donker, kies dan een groter diafragma (lagere waarde). Zodra het knipperen ophoudt, kunt u de opname maken.
Wanneer zowel de sluitertijd als de diafragmawaarde knipperen, geeft dit aan dat het onderwerp buiten het lichtmeetbereik valt. Een juiste belichting is dan niet mogelijk, zelfs niet als de sluitertijd wordt aangepast.
Gebruik een ND-filter (neutrale densiteit) als het onderwerp te licht is.
Gebruik de flitser als het te donker is.
5
138
Gebruik van a (Handmatige belichting)
U kunt de sluitertijd en de diafragmawaarde instellen. Dit is een geschikte belichtingsfunctie wanneer u diverse opnamen met dezelfde combinatie van sluitertijd en diafragma wilt maken of met opzet onderbelichte (donkerder) of overbelichte (lichtere) foto’s wilt maken.
1 Effect van diafragma en sluitertijd (blz. 127)
1
Zet de functiekiezer op a .
5
2
Draai aan de e-knop om de sluitertijd te wijzigen.
3
Draai aan de e-knop terwijl u de knop m c indrukt en wijzig het diafragma.
De sluitertijd en de diafragmawaarde worden in de zoeker en het LCD weergegeven. De waarde van sluitertijd en diafragma die wordt aangepast, is onderstreept in de zoeker. Terwijl u de sluitertijd of diafragmawaarde wijzigt, wordt het verschil met de juiste belichting (LW-waarde) in de rechter benedenhoek van de zoeker weergegeven. De juiste belichting is ingesteld wanneer [0.0] verschijnt.
Afwijking van de juiste belichting
• In de functie a (Handmatig) komt de gevoeligheid overeen met ISO 200 wanneer de gevoeligheid is ingesteld op [AUTO].
• Knippert wanneer het verschil met de juiste belichting meer dan ±3,0 is.
• Stel de sluitertijd- en diafragmawaarden in stappen van 1/2 LW of 1/3 LW in. Stel
[Bel.inst.stappen] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 142)
• Zet het diafragma op de stand s terwijl u de knop voor automatische vergrendeling ingedrukt houdt bij gebruik van een objectief met een diafragmaring.
139
5
Belichtingswaarschuwing
U bevindt zich buiten het meetbereik als de sluitertijd en het diafragma knipperen.
Gebruik een ND-filter (neutrale densiteit) als het onderwerp te licht is.
Gebruik de flitser als het te donker is.
140
De knop L
Het diafragma en de sluitertijd worden automatisch ingesteld op de juiste belichting wanneer u drukt op de knop L in de functie a (handmatig).
U kunt kiezen uit de volgende drie aanpassingsmethoden bij [AE-L knop op M opn.] in het menu [ A Pers. inst.].
1
2
3
Programmalijn Het diafragma en de sluitertijd worden automatisch aangepast.
Sluitertijd inst
Het diafragma wordt vergrendeld en de sluitertijd wordt automatisch aangepast.
Diafragma inst
De sluitertijd wordt vergrendeld en het diafragma wordt automatisch aangepast.
De sluitertijd wordt ingesteld op de juiste belichting, afhankelijk van het diafragma wanneer het diafragma niet is ingesteld op s .
1 Opmerkingen bij [gebruik van een diafragmaring] (blz. 180)
Gebruik van p (Tijdopname)
5 De tijdopnamefunctie gebruikt u voor lange belichtingstijden, bijvoorbeeld om ’s nachts te fotograferen of om foto’s van vuurwerk te maken.
1
Zet de functiekiezer op p .
• Draai aan de e-knop om de diafragmawaarde te wijzigen.
• Stel de diafragmawaarde in stappen van 1/2 LW of 1/3 LW in. Stel [Bel.inst.stappen] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 142)
• Gebruik een stevig statief en de optionele draadontspanner CS-205 om te voorkomen dat de camera beweegt bij het gebruik van p (Tijdopname). Sluit de draadontspanner aan op de aansluiting voor de draadontspanner (blz. 15).
• Tijdopname is beschikbaar bij de afstandsbedieningsfunctie (blz. 59). De sluiter blijft geopend zolang de ontspanknop van de optionele afstandsbediening ingedrukt wordt gehouden.
• Ruisonderdrukking is een procedure voor het verminderen van ruis (korrelige of ongelijkmatige opname) door een lange sluitertijd. Stel [Ruisonderdrukking] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 100)
• In de functie p (Tijdopname) komt de gevoeligheid overeen met ISO 200 wanneer de gevoeligheid is ingesteld op [AUTO].
De belichting instellen
Hiermee kunt met opzet overbelichte (lichte) of onderbelichte (donkere) opnamen maken.
U kunt de LW-correctie instellen tussen –2 tot +2 (LW) in stappen van 1/2 LW of 1/3LW.
Stel [Bel.inst.stappen] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 142)
1
Stel de correctie in via de e-knop terwijl u de knop m c indrukt.
m c knop
141
2
Controleer de correctiewaarde in de zoeker
Tijdens de correctie wordt m weergegeven.
m knippert wanneer de flitser is uitgeklapt indien de flitscorrectie is ingesteld.
Correctiewaarde
De belichtingscorrectie is niet beschikbaar wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op a (handmatige belichting) of p (tijdopname).
De belichtingscorrectie kan niet worden geannuleerd door de camera uit te zetten of door een andere belichtingsfunctie in te stellen.
5
142
Instellingstrappen voor de belichting wijzigen
Stel de belichtingstrappen in [Bel.inst.stappen] in het menu [ A Pers. inst.] in op stappen van
1/2 LW of 1/3 LW.
Bel.inst.stappen
1/2 EV Stap
1/3 EV Stap
Bel.inst.stappen
ingesteld op 1/2 EV
5
Belichting bepalen alvorens een opname te maken
(Belichtingsgeheugen)
Het belichtingsgeheugen is een functie die de belichting vasthoudt zoals die is vóór het maken van de opname. Gebruik deze functie wanneer het onderwerp te klein is of wanneer er sprake is van tegenlicht, waardoor een correcte belichting niet mogelijk is.
1
Druk op de knop L .
De camera houdt de belichting (helderheid) van dat moment vast in het geheugen.
Druk de knop nogmaals in om te ontgrendelen.
• @ staat aangegeven in de zoeker wanneer het belichtingsgeheugen is geactiveerd.
(blz. 20)
• De belichting wordt twee keer zo lang in het geheugen vastgehouden als de lichtmeettijd na het loslaten van de L -knop. De belichting wordt vastgehouden zolang de L -knop ingedrukt wordt gehouden of de ontspanknop tot halverwege ingedrukt wordt gehouden.
• Er klinkt een geluidssignaal wanneer de L -knop wordt ingedrukt.
Het geluidssignaal kan worden uitgeschakeld. (blz. 163)
• Het belichtingsgeheugen is niet beschikbaar wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op a (handmatige belichting) of p (tijdopname).
• Als de maximale diafragmawaarde van een zoomobjectief afhankelijk is van de brandpuntsafstand, is de combinatie van sluitertijd en diafragmawaarde zelfs bij een werkend belichtingsgeheugen afhankelijk van de zoompositie. De belichtingswaarde is echter stabiel, zodat opnamen worden gemaakt met het belichtingsniveau dat is ingesteld in het belichtingsgeheugen.
• Wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op a (handmatig), worden het diafragma en de sluitertijd automatisch aangepast om de juiste belichting in te stellen wanneer u op de knop L drukt.
• De belichting kan worden vergrendeld wanneer de scherpstelling is vergrendeld.
Stel [AE-L met AF lock] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 124)
Wijzigen van belichting en opname
(Auto Bracket)
U kunt continuopnamen maken met een verschillende belichting wanneer de ontspanknop wordt ingedrukt. De eerste opname wordt belicht zonder correctie, de tweede wordt onderbelicht (negatieve correctie) en de derde wordt overbelicht (positieve correctie).
143
Normale belichting Onderbelichting
1
Druk op de knop { in de opnamefunctie.
Het functiemenu verschijnt.
Fn
Overbelichting
OK
2
Druk op de vierwegbesturing ( 2 ).
Het scherm met opties voor de transportfunctie verschijnt.
3
Selecteer [ V (Auto Bracket)] met de vierwegbesturing ( 5 ).
5
OK
144
4
Druk twee keer op de 4 knop.
De opname is klaar en er wordt ] weergegeven op het LCD.
5
5
Druk de ontspanknop tot halverwege in.
Wanneer er is scherpgesteld, wordt de scherpstelindicatie ] in de zoeker weergegeven.
6
Druk de ontspanknop helemaal in.
Er worden achtereenvolgens drie opnamen gemaakt, de eerste zonder correctie, de tweede met een negatieve correctie en de derde met een positieve correctie.
• Wanneer de scherpstelfunctieknop op l (Eén opname) staat, wordt de scherpstelling vergrendeld bij de eerste opname en wordt deze gebruikt voor de volgende opnamen uit de reeks.
• De instelling voor de auto bracketing blijft twee keer zo lang actief als de timer-instelling voor de lichtmeting (de standaardinstelling is 20 seconden) (blz. 132) wanneer u uw vinger van de ontspanknop haalt tijdens de auto bracketing, kunt u de volgende opname maken met de volgende correctiestap. In dit geval werkt de autofocus voor elke opname. Na circa twee keer zo lang als de timer-instelling (de standaardinstelling is 20 seconden) gaat de camera terug naar de instellingen voor de eerste opname.
• U kunt Auto Bracket combineren met de ingebouwde flitser of een externe flitser (alleen automatische P-DDL-flitsers) om alleen de hoeveelheid flitslicht doorlopend te wijzigen.
Bij gebruik van een externe flitser bestaat echter de kans dat bij het ingedrukt houden van de ontspanknop voor het maken van drie opeenvolgende opnamen, de tweede en derde opname worden gemaakt voordat de flitser volledig is opgeladen. Maak altijd één opname tegelijk nadat u hebt gecontroleerd of de flitser is opgeladen.
• Auto Bracket is niet beschikbaar wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op p (tijdopname).
Automatisch belichtingstrapje instellen
Wijzig de opnamevolgorde en stappen van het automatisch belichtingstrapje.
Bracketng aantal
(trapinterval)
Opnames maken
1/2LW
1/3LW
±0,5, ±1,0, ±1,5, ±2,0
±0,3, ±0,7, ±1,0, ±1,3, ±1,7, ±2,0
0 ´ – ´ +, – ´ 0 ´ +, + ´ 0 ´ –
* Stel de interval van de trappen in [Bel.inst.stappen] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 142)
Instellen in [Auto Bracket] het menu [ A Opname]. (blz. 98)
145
Auto Bracket
Bracketng aantal
Opnames maken 0
0.5
5
Alleen overbelichte of onderbelichte opnamen maken
U kunt de functie voor auto bracketing combineren met de belichtingscorrectie
(blz. 141) om alleen onderbelichte of overbelichte opnamen te maken. In beide gevallen wordt de opgegeven belichtingscorrectiewaarde gebruikt voor de auto bracketing.
146
Ingebouwde flitser gebruiken
5
Flitsopbrengst corrigeren
U kunt de flits instellen in een bereik van –2,0 tot +1,0. De flitscorrectiewaarden zijn als volgt bij 1/3 LW en 1/2 LW.
Trapinterval
1/2LW
1/3LW
Flitscorrectie
––2,0, –1,5, –1,0, –0,5, 0,0, +0,5, +1,0
––2,0, –1,7, –1,3, –1,0, –0,7, –0,3, 0,0, +0,3, +0,7, +1,0
* Stel de interval van de trappen in [Bel.inst.stappen] in het menu [ A Pers. inst.] in. (blz. 142)
Instellen in [Belichtingscomp.] in het menu [ A Opname]. (blz. 98)
Opname
Momentcontrole
Auto Bracket
Autobelicht.
AF-veld
Autofocus
Belichtingscomp.
Cancel
1 sec
1.0
0.5
0.0
0.5
OK OK
• m knippert in de zoeker wanneer de flitser uitklapt tijdens de flitsercorrectie. (blz. 20)
• Wanneer de maximale flitsopbrengst wordt overschreden indien deze is gecorrigeerd in de plusrichting (+), wordt er geen correctie toegepast.
• Corrigeren in de minrichting (–) heeft mogelijk geen effect wanneer het onderwerp te dichtbij is, het diafragma klein is of de gevoeligheid hoog is.
Opnamen maken terwijl de flitser nog bezig is met opladen
U kunt opnamen maken terwijl de flitser nog wordt opgeladen.
Stel [2 (Aan)] in bij [Ontspant bij opladen] in het menu [ A Pers. inst.] (blz. 101).
U kunt standaard geen opnamen maken terwijl de flitser nog bezig is met opladen.
Ontspant bij opladen
Uit
Aan
147
Ontspannen mogelijk tijdens laden van ingebouwde flitser
Flitseigenschappen bij elke belichtingsfunctie
Gebruik van de flitser in b bij sluitertijdvoorkeuze
• Bij het fotograferen van een bewegend onderwerp kunt u de flitser gebruiken om het onscherpte-effect te veranderen.
• Voor het maken van flitsfoto’s kunt u een sluitertijd van 1/180 seconde of langer instellen.
• Het diafragma wordt automatisch aangepast aan het omgevingslicht.
• De sluitertijd staat vast op 1/180 s wanneer een ander objectief dan DA,
D FA, FA J, FA of F wordt gebruikt.
Gebruik van de flitser bij diafragmavoorkeuze
• Wanneer u de scherptediepte wilt wijzigen of een opname van grote afstand wilt maken, kunt u het gewenste diafragma instellen om een flitsfoto te maken.
• De sluitertijd wordt automatisch aangepast aan het omgevingslicht.
• De sluitertijd wordt automatisch aangepast tot 1/180 s of langer (blz. 42) waarbij minder camerabeweging wordt veroorzaakt. De langst mogelijke sluitertijd hangt af van de brandpuntsafstand van het gebruikte objectief.
• De sluitertijd staat vast op 1/180 s wanneer een ander objectief dan DA,
D FA, FA J, FA of F wordt gebruikt.
5
148
Lange-sluitertijdsynchronisatie gebruiken
U kunt lange-sluitertijdsynchronisatie gebruiken wanneer u portretopnamen maakt met een zonsondergang op de achtergrond. Zowel het portret als de achtergrond worden prachtig vastgelegd.
5
• Een lange-sluitertijdsynchronisatie verlengt de sluitertijd. Gebruik een statief om camerabeweging te voorkomen. De opname wordt ook onscherp wanneer het onderwerp beweegt.
• Lange-sluitertijdsynchronisatie is ook mogelijk met een externe flitser.
Gebruik van de functie
b
(sluitertijdvoorkeuze)
1 Zet de functiekiezer op b .
De functie b (sluitertijdvoorkeuze) wordt ingesteld.
2 Gebruik de e-knop om de gewenste sluitertijd in te stellen.
De achtergrond wordt niet juist gecorrigeerd wanneer de diafragmawaarde knippert tijdens het instellen van de sluitertijd. Wijzig de sluitertijd zodat de diafragmawaarde niet meer knippert.
3 Druk op K .
De flitser wordt uitgeklapt.
4 Maak de opname.
Gebruik van de functie
a
(handmatig)
1 Zet de functiekiezer op a .
a (handmatig) wordt ingesteld.
2 Stel de sluitertijd (langer dan 1/180 s) en de diafragmawaarde in voor een correcte belichting.
3 Druk op de knop K .
De flitser wordt uitgeklapt.
In de functie a (handmatig) kunt u de flitser op elk gewenst moment uitklappen.
4 Maak de opname.
Afstand en diafragma bij gebruik van de ingebouwde flitser
Wanneer u opnamen maakt met de flitser, moeten richtgetal, diafragma en afstand op elkaar zijn afgestemd.
Bereken de opnamecondities en pas deze aan wanneer de flitser onjuist is ingesteld.
Richtgetal van ingebouwde flitser
Gevoeligheid
ISO200
ISO400
ISO800
ISO1600
ISO3200
Richtgetal ingebouwde flitser
15.6
22
31
44
62
149
Berekenen van de opnameafstand op basis van de diafragmawaarde
Met de volgende formule berekent u de flitsafstand voor diafragmawaarden.
Maximale flitsafstand L1 = richtgetal ÷ gekozen diafragmawaarde
Minimale flitsafstand L2 = maximale flitsafstand ÷ 5*
* De waarde 5 in de bovenstaande formule is een vaste waarde die alleen geldt bij gebruik van de ingebouwde flitser.
Voorbeeld
Bij een gevoeligheid van [ISO200] en een diafragmawaarde van F4
L1 = 15,6 ÷ 4 = ca. 3,9 (m)
L2 = 3,9 ÷ 5 = ca. 0,8 (m)
De flitser kan dus worden gebruikt op een afstand van ca. 0,8 tot 3,9 m.
Wanneer de afstand tot het onderwerp minder dan 0,7 meter is, kan de flitser niet worden gebruikt. Gebruik van de flitser binnen deze afstand veroorzaakt vignettering in de hoeken van de opname, onevenwichtige lichtverdeling en mogelijk overbelichting.
5
150
Berekenen van de diafragmawaarde op basis van opnameafstand
Met de volgende formule berekent u de diafragmawaarde voor de opnameafstand.
Gebruikte diafragmawaarde F = richtgetal ÷ opnameafstand
Bij een gevoeligheid van [ISO200] en een opnameafstand van 5,2 m is de diafragmawaarde:
F = 15.6 ÷ 5.2 = 3
Wanneer de uitkomst (in bovenstaand voorbeeld 3) niet beschikbaar is als diafragmawaarde, wordt meestal het dichtstbijzijnde lagere getal (in bovenstaand voorbeeld 2,8) gebruikt.
5
151
Compatibiliteit objectieven DA, D FA, FA J, FA en F met de ingebouwde flitser
Hieronder vindt u de compatibiliteit van de ingebouwde flitser bij het gebruik van objectieven
DA, D FA, FA J, FA en F met de L zonder zonnekap.
Ja : beschikbaar
# : beschikbaar afhankelijk van andere factoren
No : niet-beschikbaar vanwege vignettering
De volgende waarden zijn geldig zonder gebruik van een zonnekap.
Type objectief
F Fish-eye
17-28 mm F3.5-4.5
DA16-45 mm F4ED AL
FA J18-35 mm F4-5.6 AL
#
#
#
Compatibiliteit
Als de brandpuntsafstand minder is dan
20 mm, kan vignettering optreden.
Als de brandpuntsafstand minder is dan
28 mm of als de brandpuntsafstand minder is dan 28 mm en de opnameafstand kleiner dan 1 m, kan vignettering optreden.
Als de brandpuntsafstand minder is dan
18 mm en de opnameafstand kleiner dan
1 m, kan vignettering optreden.
DA18-55 mm F3.5-5.6 AL
FA20-35 mm F4AL
FA24-90 mm F3.5-4.5AL (IF)
FA28-70 mm F4AL
Ja
Ja
Ja
Ja
FA * 28-70 mm F2.8AL
#
Als de brandpuntsafstand ligt tussen 28 en
35 mm is en de opnameafstand kleiner is dan 1 m, kan vignettering optreden.
FA J28-80 mm F3.5-5.6
FA28-80 mm F3.5-5.6
FA28-90 mm F3.5-5.6
FA28-105 mm F4-5.6
FA28-105 mm F4-5.6 (IF)
FA28-105 mm F3.2-4.5AL (IF)
FA28-200 mm F3.8-5.6AL (IF)
FA35-80 mm F4-5.6
FA70-200 mm F4-5.6
FA J75-300 mm F4.5-5.8AL
FA * 80-200 mm F2.8ED (IF)
FA80-320 mm F4.5-5.6
FA80-200 mm F4.7-5.6
FA100-300 mm F4.7-5.8
FA * 250-600 mm F5.6ED (IF)
DA14 mm F2.8ED (IF)
FA20 mm F2.8
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Nee
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
5
152
5
Type objectief
FA * 24 mm F2AL (IF)
FA28 mm F2.8AL
FA31 mm F1.8AL Limited
FA35 mm F2AL
DA40 mm F2.8 Limited
FA43 mm F1.9 Limited
FA50 mm F1.4
FA50 mm F1.7
FA77 mm F1.8 Limited
FA * 85 mm F1.4 (IF)
FA135 mm F2.8 (IF)
FA * 200 mm F2.8ED (IF)
FA * 300 mm F2.8ED (IF)
FA * 300 mm F4.5ED (IF)
FA * 400 mm F5.6ED (IF)
FA * 600 mm F4ED (IF)
D FA Macro 50 mm F2.8
D FA Macro 100 mm F2.8
FA Macro 50mm f/2.8
FA Macro 100 mm f/2.8
FA Macro 100 mm f/3.5
FA * Macro 200 mm F4ED (IF)
FA Soft 28 mm F2.8
FA Soft 85 mm F2.8
Compatibiliteit
Nee
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
#
#
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
De ingebouwde flitser ontlaadt altijd volledig.
De ingebouwde flitser ontlaadt altijd volledig.
153
Gebruik van een externe flitser (optioneel)
De optionele externe flitser AF360FGZ ondersteunt een aantal flitsfuncties, zoals automatisch P-DDL-flitsen, flitsen met korte-sluitertijdsynchronisatie en draadloos flitsen.
Zie het onderstaande schema voor details.
(Ja: beschikbaar #: Beperkt Nee: niet beschikbaar)
Flitser
Camerafunctie
Flitsen met anti rode ogen
Automatisch flitsen
Na het opladen wordt automatisch de flitssynchronisatietijd ingesteld
Het diafragma wordt automatisch ingesteld in de functie e (programma) en de functie b (sluitertijdvoorkeuze).
Automatisch controleren in de zoeker
Automatische P-DDL-flitser (geschikte gevoeligheid:
ISO 200-3200)
Lange-sluitertijdsynchronisatie
Flitsbelichtingscorrectie
AF-hulplicht
Flitsen met sluitergordijnsynchronisatie *2
Flitsen met contrastregelingssynchronisatie *2
Slave-flitsen
Stroboscoopflitsen
Flitsen met korte-sluitertijdsynchronisatie
Draadloos flitsen *5
Ingebouwde
flitser
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja *1
Ja
Ja
Ja
# *3
# *4
Nee
Nee
Nee
Nee
AF360FGZ
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja *1
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja
*1 Bij gebruik van een objectief DA, D FA, FA J, FA, F of A.
*2 Sluitertijd van 1/90 s of langer.
*3 Combineerbaar met de AF360FGZ voor flitsen met 2e-sluitergordijnsynchronisatie.
*4 Bij combinatie met de AF360FGZ kan 1/3 van het flitslicht worden geproduceerd door de ingebouwde flitser en 2/3 door de externe flitser.
*5 Twee of meer AF360FGZ flitsers zijn vereist.
5
154
Weergave op het LCD van de AF360FGZ
De AF360FGZ converteert automatisch het verschil in beeldhoek tussen kleinbeeld (35 mm) en het formaat van de L op basis van de brandpuntsafstand van het gebruikte objectief
(bij gebruik van een DA-, D FA-, FA J-, FA- of F-objectief).
De conversie-indicatie wordt weergegeven en de formaatindicatie verdwijnt wanneer de timer van de belichtingsmeting van de L aan is. (Deze keert terug naar kleinbeeldweergave
(35 mm) wanneer de timer van de belichtingsmeting wordt uitgeschakeld.)
Brandpuntsafstand objectief 85mm 77mm 50mm 35mm 28mm 24mm 20mm 18mm
LCD
AF360FGZ
Timer belichtingsmeter
Uit
Timer belichtingsmeter
Aan
85mm
58mm
70mm
48mm
50mm
34mm
35mm
24mm
28mm
19mm
24mm*
16mm*
* Bij gebruik van de groothoekdiffusor
5
Gebruik van de P-DDL automatische functie
Gebruik deze flitsfunctie bij de AF360FGZ. Wanneer de flitsfunctie is ingesteld op “P-DDL auto” geeft de flitser een voorflits net voordat de opname wordt gemaakt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van 16-segmentsmeting, waardoor meer controle mogelijk is. P-DDL is beschikbaar bij de draadloze flitsfunctie wanneer twee of meer AF360FGZ flitsers worden gebruikt.
1 Verwijder de flitsschoenbeschermer en bevestig de AF360FGZ.
2 Zet de AF360FGZ aan.
3 Stel de flitsfunctie van de AF360FGZ op P-DDL auto.
4 Controleer of de flitser volledig is opgeladen en maak de opname.
• Automatisch P-DDL-flitsen is alleen beschikbaar voor de flitser AF360FGZ.
• Wanneer de ingebouwde flitser gereed is (volledig opgeladen), brandt b in de zoeker.
• Gedetailleerde gegevens, zoals de bedieningsmethode en de effectieve flitsafstand zijn te vinden in de handleiding bij de externe flitser.
• Wanneer flitsfunctie B of C is geselecteerd gaat de flitser niet af wanneer het onderwerp licht genoeg is. Daarom kan de flitser in sommige gevallen ongeschikt zijn voor opnamen met daglichtsynchronisatie.
• Druk nooit op de knop voor uitklappen van de flitser wanneer er een externe flitser is bevestigd op de camera. De ingebouwde flitser botst dan tegen de externe flitser.
Als u beide flitsers tegelijk wilt gebruiken, zie dan blz. 157 voor de aansluitingsmethode.
155
Flitsen met korte-sluitertijdsynchronisatie
Met de AF360FGZ kunt u de flitser activeren om een opname te maken met een sluitertijd die korter is dan 1/180 s. Flitsen met korte-sluitertijdsynchronisatie kan ook worden gebruikt met de flitser aangesloten op de camera of bij draadloos flitsen.
De AF360FGZ op de camera aansluiten en gebruiken
1 Verwijder de flitsschoenbeschermer en bevestig de AF360FGZ.
2 Draai aan de functiekiezer en zet de belichtingsfunctie op a .
3 Zet de AF360FGZ aan.
4 Stel de synchronisatiefunctie van de AF360FGZ op HS b
(flitsen met korte-sluitertijdsynchronisatie).
5 Controleer of de AF360FGZ volledig is opgeladen en maak de opname.
• Wanneer de ingebouwde flitser gereed is (volledig opgeladen), brandt b in de zoeker.
• Flitsen met korte-sluitertijdsynchronisatie is alleen beschikbaar bij een sluitertijd die korter is dan 1/180 s.
• Flitsen met korte-sluitertijdsynchronisatie is niet beschikbaar wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op p (tijdopname).
5
Gebruik van Draadloos flitsen
Maak opnamen met de flitser zonder de camera aan te sluiten en flits via een draadverbinding door gebruik te maken van twee AF360FGZ flitsers. Flitsen met kortesluitertijdsynchronisatie is ook beschikbaar bij draadloos flitsen.
Zet de twee AF360FGZ flitsers op hetzelfde kanaal. Raadpleeg de handleiding van de
AF360FGZ voor meer informatie.
156
Draadloos flitsen
1 Stel de AF360FGZ op de gewenste plaats op.
2 Zet de aan/uit-knop van de AF360FGZ op [WIRELESS] (draadloos).
3 Stel de functie voor draadloze slave-bediening van de AF360FGZ in op S (Slave).
4 Draai aan de functiekiezer en stel de belichtingsfunctie in op e , b , c of a .
5 Zet de aan/uit-knop van de AF360FGZ op de camera op [WIRELESS].
6 Zet de draadloze functie van de AF360FGZ op de camera op a (Master) of A (Control).
• Draadloos flitsen is niet beschikbaar voor de ingebouwde flitser.
• Stel de functie voor draadloze slave-bediening van de AF360FGZ in op SLAVE1.
5
Draadloze bediening van de flitser (P-DDL flitsfunctie)
Bij gebruik van de AF360FGZ voor draadloos flitsen wordt de volgende informatie uitgewisseld tussen de twee AF360FGZ-flitsers voordat de flitser afgaat.
Druk de ontspanknop helemaal in.
1 De ingebouwde flitser geeft een voorflits.
(De flitsfunctie van de camera wordt doorgegeven).
2 De externe flitser geeft een voorflits af
(de lichtomstandigheden van het onderwerp worden gecontroleerd).
3 De ingebouwde flitser geeft een voorflits af.
(De vereiste hoeveelheid flitslicht wordt doorgegeven aan de externe flitser.)
* De ingebouwde flitser geeft nog een voorflits om de flitsduur door te geven als HS b (korte-sluitertijdsynchronisatie) is ingesteld.
4 Door de externe flitser gaat de hoofdflitser af.
Stel de functie voor draadloze slave-bediening van de AF360FGZ in op SLAVE1.
Anti rode ogen
Net als bij de ingebouwde flitser is ook voor een externe flitser anti rode ogen beschikbaar.
Voor sommige flitsers is deze functie mogelijk niet beschikbaar en er kunnen beperkingen gelden voor de gebruiksomstandigheden. Zie het schema op blz. 153.
• De functie voor anti rode ogen werkt ook wanneer alleen een externe flitser wordt gebruikt. (blz. 52)
• Bij gebruik van de AF360FGZ als slave-flitser of draadloze flitser zorgt de voorflits voor de anti rode ogen ervoor dat de externe flitser afgaat. Stel daarom bij gebruik van een slave-flitser geen anti rode ogen in.
157
Flitsen met 2e-sluitergordijnsynchronisatie
Wanneer de ingebouwde flitser wordt gebruikt in combinatie met een AF360FGZ die een functie voor 2e-sluitergordijnsynchronisatie heeft die is ingesteld, dan gebruikt ook de ingebouwde flitser deze functie. Controleer of beide flitsers volledig zijn opgeladen alvorens de opname te maken.
5
Gebruik van de ingebouwde flitser samen met de externe flitser
Zoals op de afbeelding hieronder te zien is, bevestigt u de optionele flitsschoenadapter
F
G
op de flitsschoen van de camera en een flitsschoenadapter F onder op de externe flitser.
Verbind deze met elkaar middels het optionele verlengsnoer F5P. De flitsschoenadapter
F wordt geleverd met een statiefschroef voor bevestiging op een statief.
Alleen de automatische P-DDL flitser kan worden gebruikt samen met de ingebouwde flitser.
Combinatie met de ingebouwde flitser
158
Diverse flitsers tegelijk gebruiken
U kunt twee of meer externe AF360FGZ flitsers tegelijk gebruiken of twee of meer externe
AF360FGZ flitsers gebruiken in combinatie met de ingebouwde flitser. Sluit de flitsers zoals hieronder afgebeeld aan: sluit een flitsschoenadapter F (optioneel) aan op de externe flitser en de flitsschoenadapter F (optioneel) en verbind deze met verlengsnoer F5P (optioneel) aan de flitsschoenadapter F op de andere externe flitser.
• Combineer geen accessoires met een afwijkend aantal contacten zoals een flitshandgreep, omdat hierdoor storingen kunnen optreden.
• Als u PENTAX flitsers combineert met flitsers van andere fabrikanten, kan dit de apparatuur beschadigen. We adviseren u alleen de AF360FGZ te gebruiken als flitser.
Twee of meer externe flitsers combineren
5
Wanneer u diverse AF360FGZ-flitsers of een AF360FGZ gebruikt samen met de ingebouwde flitser, wordt P-DDL gebruikt voor de flitserbesturing.
159
Flitsen met contrastregelingssynchronisatie
U kunt dubbel flitsen (met contrastregelingssynchronisatie) door de twee of meer AF360FGZ flitsers te combineren of de AF360FGZ te gebruiken in combinatie met de ingebouwde flitser.
De contrastregeling is gebaseerd op het verschil in de afgegeven lichthoeveelheid van de twee flitsers.
• Combineer geen accessoires met een afwijkend aantal contacten zoals een flitshandgreep, omdat hierdoor storingen kunnen optreden.
• Als u PENTAX flitsers combineert met flitsers van andere fabrikanten, kan dit de apparatuur beschadigen. We adviseren u alleen systeemgekoppelde automatische flitsers van PENTAX te gebruiken.
1 Sluit de externe flitser indirect aan op de camera. (blz. 157)
2 Stel de synchronisatiefunctie voor de AF360FGZ in op contrastregelingssynchronisatie.
3 Draai aan de functiekiezer en stel de belichtingsfunctie in op e , b , c of a .
4 Controleer of de externe flitser en de ingebouwde flitser volledig zijn opgeladen en maak de opname.
• Bij flitsen met contrastregelingssynchronisatie met twee externe flitsers wordt flitser 2 gebruikt voor de contrastregelingssynchronisatie en is flitser 1 de andere externe flitser.
Als u een externe flitser combineert met de ingebouwde flitser, is de ingebouwde flitser flitser 1 en is de externe flitser flitser 2.
• Wanneer u diverse AF360FGZ-flitsers of een AF360FGZ gebruikt samen met de ingebouwde flitser, wordt P-DDL gebruikt voor de flitserbesturing.
• Bij flitsen met contrastregelingssynchronisatie is de kortste flitssynchronisatietijd 1/90 s.
5
160
Instellingen tijdens de weergave
5
Weergavefunctie wijzigen
Stel in welke informatie tijdens de weergave moet worden getoond
De camera schakelt tussen de opties voor weergave wanneer u op de knop M drukt.
Alleen beelden
Beelden+grafieken
Beeld+Detail info
Laatste geheugen
Alleen opnamen worden weergegeven.
Opnamen en histogram worden weergegeven.
De opnamegegevens worden weergegeven, samen met een kleine afbeelding van de opname in de linker bovenhoek.
De weergave-instellingen worden bewaard van de vorige keer dat u ze gebruikte.
Stel [Weergave functie] in het menu [ Q Playback] in. (blz. 98)
Weergave functie
Alleen beelden
Beelden+grafieken
Beeld+detail info
Laatste geheugen
Cancel OK OK
Zie blz. 18 voor diverse informatie over weergave.
Helderheidswaarschuwing weergeven
Wanneer u [Helderheid] selecteert op de schermen voor momentcontrole en weergave, knipperen heldere delen in de opname.
De standaardinstelling is uit.
UIT
Momentcontrole
Momentctr+Weergeven
De helderheidswaarschuwing is uitgeschakeld.
De helderheidswaarschuwing wordt alleen tijdens de momentcontrole weergegeven.
De helderheidswaarschuwing wordt weergegeven tijdens de momentcontrole en de weergave.
161
Stel [Helderheid] in het menu [ Q Playback] in. (blz. 98)
Helderheid
Uit
Momentcontrole
Momentctr+Weergeven
Cancel OK OK
Weergave-interval diavoorstelling instellen
U kunt alle opnamen op de SD-geheugenkaart achter elkaar weergeven. (blz. 68)
Zet de weergave-interval op [3 sec], [5 sec], [10 sec] of [30 sec]. De standaardinstelling is [3 sec].
Stel [Diavoorstelling] in het menu [ Q Weergeven] in (blz. 98).
Weergeven
Weergave functie
Helderheid
Digitaal filter
Diavoorstelling
Cancel
3 sec
5 sec
10 sec
30 sec
OK OK
5
Na het instellen drukt u op de knop 4 om de diavoorstelling te starten.
162
Camera-instellingen
SD-geheugenkaart formatteren
Formatteer een nieuwe SD-geheugenkaart in de camera voordat u de kaart in gebruik neemt.
Bij formattering worden alle gegevens van de SD-geheugenkaart verwijderd.
• Open de klep voor de SD-geheugenkaart niet bij het formatteren van een SDgeheugenkaart. De kaart kan daardoor beschadigd raken en onbruikbaar worden.
• Let op: bij formatteren worden ook beveiligde opnamen gewist.
5
1
Selecteer [Formatteren] in het menu [ H Set-up](blz. 99).
2
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ) om het scherm Formatteren op te roepen.
3
Selecteer [Formatteren] met de vierwegbesturing ( 2 ).
Formatteren
Alle gegevens worden gewist
Formatteren
Onderbreken
OK OK
4
Druk op de knop 4 .
Het formatteren begint. Wanneer het formatteren voltooid is, kunt u opnamen maken met de camera.
Het geluidssignaal in- en uitschakelen
U kunt het geluidssignaal van de camera in of uitschakelen. De standaardinstelling is aan [Aan].
Instellen in [Signaal] in het menu [ H Set-up]. (blz. 99)
Set-up
Formatteren
Signaal
Datum instellen
Wereldtijd
Hulpdisplay
Einde
Nederlands
163
Datum/tijd en weergavestijl wijzigen
U kunt de datum- en tijdinstellingen wijzigen. U kunt ook de weergavestijl instellen. Kies
[mm/dd/jj], [dd/mm/jj] of [jj/mm/dd]. Selecteer [12h] of [24h] voor de tijdweergave.
1 Datum en tijd instellen (blz. 35)
Datum instellen
DD weergave
DD/MM/JJ 24h
Datum
Tijd
Cancel
01 / 01 / 2005
00 : 00
OK OK
5
164
Wereldtijd instellen
De datum en tijd die u selecteert in [Initial Settings] (blz. 33) zijn de datum en tijd van uw huidige locatie.
Door de wereldtijd in te stellen, kunt u de lokale datum en tijd weergeven op de LCD-monitor wanneer u in het buitenland bent.
1
Selecteer [Wereldtijd] in het menu [ H Set-up]. (blz. 99)
2
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Het scherm [Wereldtijd] verschijnt.
Wereldtijd
5
Amsterdam
Amsterdam
00:25
3
Selecteer O (aan) of P (uit) met de vierwegbesturing ( 45 ).
O
P
Stel de tijd in van de stad die is ingesteld in X (bestemmingstijd)
Stel de tijd in van de stad die is ingesteld in W (thuistijd)
4
Druk op de vierwegbesturing ( 3 ).
Het selectiekader wordt verplaatst naar X . De stad met X knippert.
5
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Het scherm voor het vergroten van de bestemmingsregio wordt weergegeven.
Wijzig de regio die u wilt vergroten met de vierwegbesturing ( 45 ).
6
Druk op de vierwegbesturing ( 3 ).
Het kader wordt verplaatst naar de stad.
165
7
Selecteer met de vierwegbesturing ( 45
) de plaats van bestemming.
Het huidige tijdstip, de plaats en het tijdsverschil van de gekozen stad verschijnt.
Bestemmingstijd
Londen
Zomertijd
Cancel OK OK
-1:00
23:25
8
Selecteer [Zomertijd] met de vierwegbesturing ( 3 ).
9
Selecteer O (aan) of P (uit) met de vierwegbesturing ( 45 ).
Selecteer O (Aan) als de stad van bestemming de zomertijd hanteert.
10
Druk op de knop 4 .
De wereldtijdinstelling wordt opgeslagen.
Druk op de 4 knop om verder te gaan met het instellen van de wereldtijd en terug te keren naar het [Wereldtijd] scherm.
Wereldtijd
Londen
Amsterdam
23:25
5
11
Druk twee keer op de knop 3 .
De camera is gereed voor het maken van opnamen.
• Zie “Lijst met steden voor wereldtijd” (blz. 166) voor steden die als bestemming kunnen worden opgegeven.
• Selecteer W in stap 4 om de stad en de zomertijdinstelling in te stellen.
• X verschijnt op het aanwijzingenscherm wanneer de wereldtijd is ingeschakeld ( O ).
(blz. 16)
166
Lijst met steden voor wereldtijd
5
Regio
Noord-Amerika
Midden- en
Zuid-Amerika
Europa
Afrika/
West-Azië
Plaats
Honolulu
Anchorage
Vancouver
San Francisco
Los Angeles
Calgary
Denver
Chicago
Miami
Toronto
New York
Halifax
Mexico-Stad
Lima
Santiago
Carácas
Buenos Aires
Sao Paulo
Rio de Janeiro
Madrid
Londen
Parijs
Amsterdam
Milaan
Rome
Berlijn
Stockholm
Athene
Helsinki
Moskou
Dakar
Algiers
Johannesburg
Istanbul
Caïro
Jeruzalem
Regio
Afrika/
West-Azië
Oost-Azië
Oceanië
Plaats
Nairobi
Jeddah
Teheran
Dubai
Karachi
Kaboel
Male
Delhi
Colombo
Kathmandu
Dacca
Yangon
Bangkok
Kuala Lumpur
Vientiane
Singapore
Phnom Penh
Ho Chi Minh-Stad
Jakarta
Hongkong
Peking
Shanghai
Manilla
Taipei
Seoel
Tokio
Guam
Perth
Adelaide
Sydney
Noumea
Wellington
Auckland
Pagopago
Weergavetaal instellen
U kunt de taal wijzigen waarin de menu’s, foutberichten, enz. worden weergegeven.
Stel [Language/ ] in het menu [ H Set-up] in. (blz. 99)
U kunt kiezen uit elf talen: Engels, Frans, Duits, Spaans, Italiaans, Zweeds, Nederlands,
Russisch, Koreaans, Chinees [traditioneel/vereenvoudigd] en Japans.
1 De weergavetaal instellen (blz. 33)
167
English
Français
Deutsch
Español
Italiano
Svenska
Nederlands
OK OK
De schermaanwijzingen aan en uitzetten
Instellen om aanwijzingen op de LCD-monitor weer te geven wanneer de hoofdschakelaar aan is of de belichtingsfunctie wordt gewijzigd. (blz. 16)
O
P
Bedieningsaanwijzingen aan
Bedieningsaanwijzingen uit
5
Instellen in [Hulpdisplay] in het menu [ H Set-up]. (blz. 99)
Set-up
Formatteren
Signaal
Datum instellen
Wereldtijd
Hulpdisplay
Einde
Nederlands
168
De helderheid van de LCD-monitor aanpassen
U kunt de helderheid van de LCD-monitor aanpassen. Wijzig de instellingen wanneer de
LCD-monitor moeilijk leesbaar is.
Instellen in [Helderheid] in het menu [ H Set-up]. (blz. 99)
Set-up
Helderheid
Videosignaal
Transfer functie
Auto Uitsch.
Bestand
Sensor reinigen
0
1 min
SerialNo
OK OK
Het video-uitgangssignaal selecteren
5
Wanneer u de camera aansluit op audiovisuele apparatuur zoals een televisie, kies dan het juiste video-uitgangssignaal (NTSC of PAL) voor het weergeven van opnamen.
Instellen in [Videosignaal] in het menu [ H Set-up]. (blz. 99)
1 Camera aansluiten op audiovisuele apparatuur (blz. 70)
Set-up
Helderheid
Videosignaal
Transfer functie
Auto Uitsch.
Bestand
Sensor reinigen
Cancel
0
NTSC
PAL
1 min
SerialNo
OK OK
Het video-uitgangssignaal varieert afhankelijk van uw regio. Het video-uitgangssignaal in
Noord-Amerika is NTSC.
169
Automatisch uitschakelen instellen
U kunt de camera zo instellen dat deze automatisch uitschakelt wanneer deze een bepaalde tijd niet gebruikt is. Selecteer [1 min], [3 min], [5 min], [10 min], [30 min] of uit [Uit].
De standaardinstelling is [1 min].
Instellen in [Auto Uitsch.] in het menu [ H Set-up]. (blz. 99)
Set-up
Helderheid
Videosignaal
Transfer functie
Auto Uitsch.
Bestand
Sensor reinigen
Cancel
1 min
3 min
5 min
10 min
30 min
Uit
OK OK
Automatisch uitschakelen werkt niet tijdens de weergave van diavoorstellingen, wanneer er een USB-verbinding bestaat, wanneer er opnamen worden gemaakt met de afstandsbediening of terwijl er een menu of functiemenu wordt weergegeven.
5
Het bestandsnummer opnieuw instellen
U kunt het bestandnummer voor opnamen bij het plaatsen van een nieuwe SDgeheugenkaart instellen. De standaardinstelling is serienr. [SerialNo].
Serial No
Reset
Het bestandsnummer voor de laatst opgeslagen opname wordt in het geheugen bewaard. Na het plaatsen van een nieuwe SD-geheugenkaart wordt het eerstvolgende bestandsnummer gebruikt.
Telkens wanneer er een nieuwe SD-geheugenkaart wordt geplaatst, is het bestandsnummer het laagste nummer. Wanneer er een SD-geheugenkaart met daarop opnamen wordt geplaatst, gaat de nummering door vanaf het laatst opgeslagen bestandnummer.
Instellen in [Bestand] in het menu [ H Set-up]. (blz. 99)
Set-up
Helderheid
Videosignaal
Transfer functie
Auto Uitsch.
Bestand
Sensor reinigen
Cancel
0
PAL
PC
1 min
SerialNo
Reset
OK OK
170
Momentcontrole instellen
Weergavetijd instellen
Selecteer [1 sec], [3 sec], [5 sec] of uit [Uit]. De standaardinstelling is [1 sec].
Instellen in [Momentcontrole] het menu [ A Opname]. (blz. 98)
Opname
Momentcontrole
Auto Bracket
Autobelicht.
AF-veld
Autofocus
Belichtingscomp.
Cancel
1 sec
3 sec
5 sec
Uit
AF.S
0.0
OK OK
5
Weergave van het histogram tijdens de momentcontrole
Instellen om een histogram weer te geven tijdens de momentcontrole.
Selecteer weergave met histogram [2 (Weergeven+grafiek) in [Momentcontrolescherm] in het menu [ A Pers. inst.]. (blz. 101) De standaardinstelling is dat het histogram niet wordt weergegeven.
Momentcontrolescherm
Normaal weergeven
Weergeven+grafiek
Weergave met grafiek is ingesteld
Standaardinstellingen herstellen
171
Menu Opname/Weergeven/Set-up herstellen
Instellingen in het menu [ A Opname], [ Q Weergeven] en [ H Set-up] worden hersteld naar de standaardinstellingen.
De instellingen voor Datum instellen, Language/ echter niet hersteld.
, Videosignaal en Wereldtijd worden
1
Selecteer [Reset] in het menu [ H Set-up].
2
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ) om het scherm [Reset] op te roepen.
3
Selecteer [Reset] met de vierwegbesturing ( 2 ).
Reset
Terug naar fabrieks instellingen
Reset
Onderbreken
OK OK
5
4
Druk op de knop 4 .
U kunt nu opnamen maken of weergeven met de camera.
172
Menu Pers. inst. herstellen
De instellingen in het menu [ A Pers. inst.] worden hersteld naar de standaardinstellingen.
De instellingen in de menu’s [ A Opname], [ Q Weergeven] en [ H Set-up] worden niet hersteld.
5
1
Selecteer [Reset] in het menu [ A Pers. inst.].
2
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ) om het scherm Reset pers. inst. op te roepen.
3
Selecteer [Reset] met de vierwegbesturing ( 2 ).
Reset pers.inst.
Van pers. Inst. Terug naar fabrieks instellingen
Reset
Onderbreken
OK OK
4
Druk op de knop 4 .
U kunt nu opnamen maken of weergeven met de camera.
6
Bijlage
Standaardinstellingen ................................................................... 174
Beschikbare functies bij verschillende objectiefcombinaties ... 178
Opmerkingen bij [gebruik van een diafragmaring] ..................... 180
De CCD schoonmaken .................................................................. 181
Optionele accessoires ................................................................... 183
Foutberichten ................................................................................. 186
Problemen oplossen ...................................................................... 188
Belangrijkste technische gegevens ............................................. 190
Verklarende woordenlijst .............................................................. 193
Index ................................................................................................ 198
GARANTIEBEPALINGEN ............................................................... 202
174
Standaardinstellingen
6
In onderstaande tabel staan de fabrieksinstellingen.
Gegevens in de tabel.
Laatste geheugeninstelling
Ja : De actieve instelling (laatste geheugen) wordt bewaard wanneer de camera wordt uitgezet.
Nee : De instelling gaat terug naar de standaardwaarde als de camera wordt uitgezet.
Reset instelling
Ja : De instelling gaat terug naar de standaard instelling met de reset-functie (blz. 171).
Nee : De instelling wordt bewaard, zelfs als de camera wordt gereset.
[
Menu
A Opname]
Onderdeel
Beeldtoon
Opnamepixels
Kwaliteitsniveau
Standaardinstelling
F (helder)
P (3008×2000)
C (Best)
Laatste geheugeninstelling
Ja
Ja
Ja
Reset instelling
Ja
Ja
Ja
Bladzijde blz. 108 blz. 109 blz. 110
Kleurverzadiging (0) Ja Ja blz. 111
Scherpte (0) Ja Ja blz. 111
Contrast
Momentcontrole
Auto Bracket
Autobelicht.
AF-veld
Autofocus
Belichtingscomp.
(0)
1 s
±0.5/0-+
L (Multi-segment)
N (breed) l
(één opname)
0.0
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja blz. 111 blz. 170 blz. 145 blz. 130 blz. 121 blz. 122 blz. 146
Menu [ Q Weergeven]
Onderdeel
Weergave functie
Helderheid
Digitaal filter
Diavoorstelling
Standaardinstelling
Alleen beelden
Uit
Zwart-wit
3 s
Laatste geheugeninstelling
Ja
Ja
Ja*
Ja
Reset instelling
Ja
Ja
Ja
Ja
Bladzijde blz. 160 blz. 160 blz. 71 blz. 68
* Alleen de verhoudingsinstelling en de verzachtingsinstelling voor de filters Vlak en Soft worden opgeslagen.
Menu [ H Set-up]
Onderdeel
Formatteren
Signaal
Datum instellen
Wereldtijdinstelling
Thuistijd (stad)
Wereldtijd
Language/
Hulpdisplay
Helderheid
Videosignaal
Transfer functie
Auto Uitsch.
Bestand
Sensor reinigen
Reset
Thuistijd (zomertijd)
Bestemmingstijd
(stad)
Bestemmingstijd
(zomertijd)
Standaardinstelling
—
O (aan)
Gelijk aan standaardinstelling
P (uit)
Gelijk aan standaardinstelling
Gelijk aan standaardinstelling
Gelijk aan Thuistijd
Gelijk aan Thuistijd
Gelijk aan standaardinstelling
O (aan)
0
Gelijk aan standaardinstelling
PC
1min.
SerialNo
—
—
Reset instelling
—
Ja
Nee
Ja
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja
Ja
—
—
Laatste geheugeninstelling
—
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
—
—
Bladzijde blz. 162 blz. 163 blz. 163 blz. 164 blz. 167 blz. 167 blz. 168 blz. 168 blz. 84 blz. 169 blz. 169 blz. 181 blz. 171
175
6
176
Menu [ A Pers. inst.]
6
Onderdeel Standaardinstelling
Instellingen
Ruisonderdrukking
Bel.inst.stappen
AUTO ISO correctie
Waarsch. ISO inst.
Koppelt belicht. + AF
Bedrijftijd lichtmtr
AE-L met AF lock
Resterend aantal opn.
P (uit)
Aan
Stappen van 1/2 LW
ISO 200-400
Uit
Uit
10sec
Uit
Resterende opslagcapaciteit
Uit OK knop bij opname
AE-L knop op M opn.
AF met afstandbed.
FI bij gebr. S lens
Gebruik diafr.ring
Ontspant bij opladen
Momentcontrolescherm
Inzoomen op weergave
Man. witbalans meting
Kleurruimte
Reset pers. inst.*
Programmalijn
Uit
Niet beschikbaar
Verboden
Uit
Normale weergave
1,2 keer
Gehele scherm sRGB
—
* Herstelt de instellingen in het menu [ A Pers. inst.].
Laatste geheugeninstelling
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
—
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
—
Reset instelling
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Bladzijde blz. 100 blz. 120, blz. 121 blz. 140 blz. 100 blz. 100 blz. 180 blz. 147 blz. 170 blz. 101 blz. 113 blz. 117 blz. 172 blz. 100 blz. 140 blz. 142 blz. 115 blz. 116 blz. 131 blz. 132 blz. 124
Fn-menu
Onderdeel Standaardinstelling
Laatste geheugeninstelling
Reset instelling
Bladzijde
Transportstand
9
(enkelbeeldopnamen)
Nee *1 Ja
Flitsinstelling
Witbalans
ISO-gevoeligheid
DPOF-instellingen
Digitaal filter
Diavoorstelling
B (automatisch)
F (automatisch)
AUTO
—
Zwart-wit
3 s
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja *2
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja
*1 Alleen de instellingen voor continuopnamen worden opgeslagen.
*2 Alleen de verhoudingsinstelling en de verzachtingsinstelling voor de filters Vlak en Soft worden opgeslagen.
blz. 53, blz. 55, blz. 59, blz. 143 blz. 49 blz. 112 blz. 115 blz. 79 blz. 71 blz. 68
177
6
178
Beschikbare functies bij verschillende objectiefcombinaties
Compatibele objectieven
Bij deze camera kunnen alleen DA en FA J objectieven en D FA/FA/F/A objectieven met een positie s op de diafragmaring worden gebruikt. Zie “Opmerkingen bij [gebruik van een diafragmaring]” (blz. 180) voor andere objectieven en D FA/FA/F/A objectieven met diafragmaring ingesteld op een andere positie dan s .
6
Objectief [type vatting]
Functie
Autofocus (alleen objectief)
(met AF-adapter 1,7x) *1
DA/D FA/
FA J/FA objectief
[KAF, KAF2] *3
Ja
—
F-objectief
[KAF]
*3
Ja
—
A-objectief
[KA]
—
Ja *5
Handmatig scherpstellen
(Met de scherpstelindicatie) *2
(met het matglas)
AF-veld omschakelen (breed/spot)
Power zoom
Automatische belichting met diafragmavoorkeuze
Automatische belichting met sluitertijdvoorkeuze
Handmatige belichting
Automatisch P-DDL-flitsen *4
Meervlaks lichtmeting (16 segmenten)
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
—
Ja
Ja
Ja : Functies zijn beschikbaar wanneer de diafragmaring is ingesteld op positie s .
Nee : Functies zijn niet beschikbaar.
Ja
Ja
Nee *5
—
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
*1 Objectieven met een maximaal diafragma van f/2,8 of groter. Alleen beschikbaar bij positie s .
*2 Objectieven met een maximaal diafragma van f/5,6 of groter.
*3 Als u een F/FA soft 85mm f/2.8 objectief of een FA soft 28 mm f/2.8 objectief wilt gebruiken, stelt u [Gebruik diafr.ring] in op [2 (toegestaan)] in het menu [ A Pers. inst.]
(blz. 100). Er kunnen opnamen worden gemaakt met de ingestelde diafragmawaarde, maar alleen binnen het bereik voor handmatige instelling van het diafragma.
*4 Bij gebruik van de ingebouwde flitser en de AF360FGZ.
*5 AF-veld is ingesteld op Spot.
Objectieven en vattingen
FA-objectieven met een vaste brandpuntsafstand (objectieven zonder zoom) en DA, D FA,
FA, FA J en F objectieven hebben de KAF-vatting. Van de FA-zoomobjectieven hebben de objectieven met power zoom de KAF2-vatting. Objectieven zonder power zoom hebben de
KAF-vatting. Raadpleeg de handleiding bij het objectief voor verdere gegevens.
Deze camera beschikt niet over een power zoom-functie.
Objectieven en toebehoren die niet geschikt zijn voor deze camera
Wanneer de diafragmaring is ingesteld op een andere positie dan s (Auto) of wanneer er een objectief zonder positie s (Auto) wordt gebruikt of accessoires zoals een autotussenringenset of autobalg worden gebruikt, werkt de camera niet, behalve wanneer
[Gebruik diafr. ring] is ingesteld op [2 (toegestaan)] in het menu [ A Gebruikersfuncties]
(blz. 101). Zie Opmerkingen bij [gebruik van een diafragmaring] (blz. 180) voor beperkingen die gelden wanneer [Gebruik diafr. ring] is ingesteld op [2 (toegestaan)] in het menu
[ A Gebruikersfuncties].
Alle belichtingsfuncties van de camera zijn beschikbaar bij het gebruik van DA/FA J of objectieven met een diafragma voorzien van een positie s (Auto) die op deze positie is ingesteld.
Objectief en ingebouwde flitser
De ingebouwde flitser kan niet worden geregeld en ontlaadt zich volledig wanneer pre Aobjectieven of SOFT-objectieven worden gebruikt.
Let op: de ingebouwde flitser kan niet als automatische flitser worden gebruikt.
179
6
180
Opmerkingen bij
[gebruik van een diafragmaring]
Diafragmaring gebruiken
Wanneer [Gebruik diafr. ring] is ingesteld op [2 (toegestaan)] in het menu [ A Pers. inst.]
(blz. 101), kan de sluiter ontspannen worden, zelfs wanneer de diafragmaring van het D FA,
FA, F of A objectief niet op de positie s staat of wanneer er een objectief zonder positie s wordt bevestigd. De functies zijn dan echter beperkt, zoals in onderstaande tabel weergegeven.
De camera werkt in de functie c (diafragmavoorkeuze), zelfs wanneer de functiekiezer op e of b staat wanneer het diafragma op een andere waarde dan s staat.
6
Gebruikt objectief
D FA, FA, F, A, M (alleen objectieven of accessoires met automatisch diafragma zoals auto-tussenringenset K) c
Belichtingsfunctie
(diafragmavoorkeuze)
Beperking
Het diafragma blijft open, onafhankelijk van de positie van de diafragmaring. De sluitertijd wordt gewijzigd op basis van de diafragmaopening, maar er kan een belichtingsfout optreden. Bij de diafragma-indicatie in de zoeker verschijnt [F--].
D FA, FA, F, A, M, S (met accessoires met automatisch diafragma zoals tussenringenset K)
Handmatig diafragmaobjectief zoals een reflexobjectief (alleen objectieven) c
(diafragmavoorkeuze) Er kunnen opnamen worden gemaakt met de opgegeven diafragmawaarde, maar er kan een belichtingsfout optreden. Bij de c
(diafragmavoorkeuze) diafragma-indicatie in de zoeker verschijnt [F-
-].
FA, F soft 85mm FA soft 28mm
(alleen objectieven) c
(diafragmavoorkeuze)
Alle objectieven a (handmatig)
In het handmatige diafragmabereik kunnen opnamen worden gemaakt met de opgegeven diafragmawaarde. Bij de diafragma-indicatie in de zoeker verschijnt [F--]. Wanneer de scherptediepte wordt gecontroleerd
(voorbeeld), wordt de lichtmeting ingeschakeld. De belichting kan worden gecontroleerd.
Er kunnen opnamen worden gemaakt met de ingestelde diafragmawaarde en sluitertijd. Bij de diafragma-indicatie in de zoeker verschijnt
[F--]. Wanneer de scherptediepte wordt gecontroleerd (voorbeeld), wordt de lichtmeting ingeschakeld. De belichting kan worden gecontroleerd.
De CCD schoonmaken
181
Wanneer de CCD vuil of stoffig wordt, kunnen er schaduwen ontstaan in de opname bij witte achtergronden of andere opnameomstandigheden. Dit wijst erop dat de CCD moet worden schoongemaakt. Neem contact op met het servicecentrum van PENTAX voor professionele reiniging, aangezien de CCD een precisie-onderdeel is.
• Gebruik nooit een spuitbus.
• Maak de CCD niet schoon wanneer de belichtingsfunctie is ingesteld op p
(tijdopname).
• Bevestig altijd een bodydop op de camera wanneer er geen objectief zit om te voorkomen dat zich vuil en stof verzamelt op de CCD.
• Het verdient aanbeveling de netvoedingsadapter te gebruiken bij het schoonmaken van de CCD.
• Wanneer de batterijen weinig stroom bevatten, verschijnt het bericht “Onvoldoende batterijvermogen om sensor te reinigen” op de LCD-monitor.
• Als u de netvoedingsadapter niet gebruikt, zorg dan dat de batterijen nog voldoende capaciteit hebben. Als de batterijcapaciteit te laag wordt tijdens het reinigen, klinkt er een waarschuwingssignaal. Onderbreek in dat geval het schoonmaken onmiddellijk.
• Kom niet met de punt van het blaasbalgje binnen het gebied van de objectiefvatting.
Als de camera is uitgeschakeld, kan hierdoor de sluiter of de CCD-sensor beschadigd raken.
• Gebruik van de (optionele) netvoedingsadapter aan te bevelen.
• Het lampje van de zelfontspanner knippert en er verschijnt [Cln] op het LCD tijdens het schoonmaken van de CCD.
6
1
Zet de camera uit en verwijder het objectief.
2
Zet de camera aan.
3
Selecteer [Sensor reinigen] in het menu [ H Set-up].
4
Druk op de vierwegbesturing ( 5 ).
Het scherm voor het reinigen van de sensor wordt weergegeven.
5
Druk op de vierwegbesturing ( 2 ) en selecteer [Spiegel omhoog].
Sensor reinigen
Spiegel op CCD reinigen
Uitschakelen om te stoppen
Spiegel omhoog
Onderbreken
OK OK
182
6
Druk op de knop 4 .
De spiegel wordt vastgezet in de opgeklapte stand.
7
Reinig de CCD.
Gebruik een blaasbalgje zonder kwastje om vuil en stof van de CCD te verwijderen. Bij gebruik van een blaaskwastje kan het kwastje krassen veroorzaken op de CCD. Veeg de
CCD nooit af met een doek.
6
8
Zet de camera uit.
9
Bevestig het objectief nadat de spiegel weer op zijn uitgangspositie is gezet.
Optionele accessoires
183
Voor deze camera zijn verschillende speciale accessoires verkrijgbaar. Neem contact op met onze verkoopafdeling voor nadere informatie over toebehoren.
Netvoedingsadapter D-AC10
Deze netvoedingsadapter voorziet de camera van stroom via een stopcontact.
Draadontspanner CS-205
Dit is een draadontspanner waarmee de ontspanknop op afstand kan worden bediend. De lengte van het snoer is 0,5 m.
Afstandsbediening F
U kunt opnamen maken binnen 5 m vanaf de voorzijde van de camera.
Flitsertoebehoren
Automatische flitser AF360FGZ
Dit is een automatische flitser met een maximaal richtgetal van 36 (ISO 100/m). De flitser heeft de volgende functies: slave-flitssynchronisatie, flitsen met contrastregelingsynchronisatie, AF-hulplicht, korte-sluitertijdsynchronisatie, draadloos flitsen en 1e of 2e sluitergordijnsynchronisatie.
6
184
Schoenklem CL-10 voor afstandsbediening
Klem voor gebruik van de AF360FGZ als draadloze slave-flitser.
Flitsschoenadapter F
G
Verlengsnoer F5P
Schoenadapter F
Gebruik de adapters en snoeren om de externe flitser op afstand van de camera te gebruiken.
Voor de zoeker
Zoekerloep FB
Zoekeraccessoire waarmee het centrale gebied van de zoeker wordt vergroot.
6
Hoekzoeker A
Accessoire waarmee het zoekerbeeld onder een hoek kan worden bekeken. Klikt in met stappen van 90°. De zoekervergroting kan worden ingesteld op 1× of 2×.
Dioptriecorrectielenzen M
Dit accessoire past de dioptrie aan en wordt op de zoeker bevestigd.
Als u moeite hebt om het beeld in de zoeker duidelijk te zien, hebt u de keus uit acht correctielensadapters M van –5 tot +3 m
-1
(per meter).
185
Cameratas
Cameratas O-CC34
Overige
Onderstaande accessoires zijn gelijk aan de bij de camera geleverde accessoires.
ME-zoekerkapje
Oogschelp F
N
Draagriem O-ST10 6
186
Foutberichten
6
Foutbericht
Geheugenkaart vol
Geen opname
Camera kan deze opname niet weergeven
Geen geheugenkaart in camera
Geheugenkaartfout
Geheugenkaart is niet geformatteerd
Beschrijving
De SD-geheugenkaart is vol en er kunnen geen opnamen meer worden opgeslagen. Plaats een nieuwe SDgeheugenkaart of verwijder niet-benodigde opnamen.
(blz. 29, blz. 73)
Mogelijk kunt u de opname opslaan door het kwaliteitsniveau of de opnamepixels te wijzigen. (blz. 109, blz. 110)
Er zijn geen opnamen opgeslagen op de SD-geheugenkaart.
U probeert een opname weer te geven met een indeling die niet wordt ondersteund door deze camera. Mogelijk kunt u de opname wel weergeven op een camera van een ander merk of op uw computer.
Er is geen SD-geheugenkaart in de camera geplaatst. (blz. 29)
Er is een probleem met de SD-geheugenkaart, waardoor het maken en weergeven van opnamen onmogelijk is. De opnamen kunnen mogelijk worden weergegeven op een computer, maar niet op de camera.
De SD-geheugenkaart die u gebruikt is niet geformatteerd of op een computer of ander apparaat geformatteerd en is niet compatibel met deze camera. Formatteer de kaart alvorens deze te gebruiken in de camera. (blz. 162)
Geheugenkaart beveiligd
Kaart is vergrendeld
Rotatie informatie kan niet worden opgeslagen
Beeld is beveiligd
Rotatie informatie kan niet worden opgeslagen
Kaart niet bruikbaar
Er is een vergrendelde SD-geheugenkaart in de camera geplaatst. Ontgrendel de SD-geheugenkaart. (blz. 30)
Batterij leeg
Onvoldoende batterijvermogen om sensor te reinigen
Beeldmap kon niet gemaakt worden
De opname is niet opgeslagen
Instellingen niet opgeslagen
RAW opnamen kunnen niet worden ingesteld
De geselecteerde gedraaide opname is beveiligd. Verwijder de beveiliging van de opname. (blz. 77)
De geplaatste kaart is onbruikbaar in een camera. Plaats een bruikbare kaart.
De batterijen zijn uitgeput. Plaats nieuwe batterijen in de camera. (blz. 25)
Dit bericht verschijnt tijdens het schoonmaken van de CCD wanneer de batterijen onvoldoende stroom hebben. Plaats nieuwe batterijen of gebruik een netvoedingsadapter
(optioneel). (blz. 28)
Het hoogste mapnummer (999) en bestandsnummer (9999) is gebruikt, er kunnen geen opnamen meer worden opgeslagen.
Plaats een nieuwe SD-geheugenkaart of formatteer de kaart.
(blz. 162)
De opname kan niet worden opgeslagen vanwege een fout met de SD-geheugenkaart.
Het DPOF-instellingenbestand kon niet worden opgeslagen omdat de SD-geheugenkaart vol is. Verwijder niet gewenste opnamen en stel DPOF opnieuw in. (blz. 73)
DPOF kan niet worden gebruikt voor RAW-opnamen.
Foutbericht
RAW-opnamen worden niet ondersteund
Geen beeld om te filteren
Deze opname kan niet worden gefilterd
Geen DPOF-bestanden
Printerfout
Geen papier in de printer
Geen inkt in de printer
Papier in printer vastgelopen
Gegevensfout
Beschrijving
RAW-opnamen kunnen niet via het digitale filter worden verwerkt.
Wanneer een digitaal filter wordt ingeschakeld vanuit het menu [ Q Weergeven], verschijnt deze melding wanneer alle opgeslagen opnamen RAW-bestanden zijn of opnamen die zijn gemaakt met een ander soort camera.
Deze melding verschijnt wanneer een digitaal filter wordt geactiveerd vanuit het functiemenu voor opnamen die zijn gemaakt met een ander soort camera.
Geen bestand ingesteld met DPOF. Stel DPOF in en druk af.
(blz. 79)
De printer meldt een fout en het bestand kan niet worden afgedrukt. Herstel de fout en druk af.
Het papier in de printer is op. Plaats papier in de printer en druk af.
De inkt in de printer is op. Vervang inkt en druk af.
Er is papier in de printer vastgelopen. Verwijder het vastgelopen papier en druk af.
Er is een gegevensfout opgetreden tijdens het afdrukken.
187
6
188
Problemen oplossen
6
We adviseren u te controleren of u het probleem aan de hand van de volgende tabel kunt oplossen voordat u contact opneemt met een servicecentrum.
Probleem
Camera gaat niet aan
De sluiter ontspant niet
De autofocus werkt niet
De autofocus werkt niet
Oorzaak
Batterijen niet geplaatst.
Batterijen zijn niet juist geplaatst.
Batterijen bijna uitgeput
De diafragmaring van het objectief staat op een andere stand dan s .
Oplossing
Controleer of de batterijen zijn geplaatst. Is dat niet het geval, plaats de batterijen dan.
Controleer of batterijen correct zijn geplaatst.
Plaats batterijen opnieuw volgens de poolaanduidingen + in het batterijcompartiment.
(blz. 25)
Vervang ze door opgeladen batterijen of gebruik de netvoedingsadapter. (blz. 28)
Zet de diafragmaring op positie s (blz. 133) of selecteer [2 (toegestaan)] in [Gebruik diafr. ring] in het menu [ A Gebruikersfuncties] (blz. 180).
Flitser wordt opgeladen Wacht tot het opladen gereed is.
Geen vrije ruimte op SDgeheugenkaart.
Er wordt een opname gemaakt.
Plaats een SD-geheugenkaart met voldoende vrije ruimte of wis overbodige opnamen. (blz. 29, blz. 73)
Wacht tot opslaan gereed is.
Het onderwerp kan moeilijk worden scherpgesteld.
Onderwerp bevindt zich niet in scherpstelveld.
Onderwerp is te dichtbij.
De autofocus kan niet goed scherpstellen op onderwerpen met een laag contrast (lucht, witte muren), donkere kleuren, ingewikkelde patronen, onderwerpen die snel bewegen of landschappen die door een raam of netpatroon worden gefotografeerd.
Stel scherp op een ander onderwerp op dezelfde afstand (druk de ontspanknop tot halverwege in), richt vervolgens op het onderwerp en druk de ontspanknop helemaal in. Gebruik anders de handmatige scherpstelling. (blz. 125)
Plaats onderwerp in scherpstelkader in de zoeker. Als het onderwerp buiten het scherpstelveld valt, richt u de camera op het onderwerp en vergrendelt u de scherpstelling (houd de ontspanknop tot halverwege ingedrukt). Kader het beeld vervolgens opnieuw uit en druk de ontspanknop helemaal in.
Neem meer afstand tot het onderwerp en maak een opname.
Scherpstelfunctie is ingesteld op \ .
Scherpstelfunctie is ingesteld op k
(continu).
De opnamefunctie is ingesteld op \
(bewegend onderwerp).
Zet de scherpstelfunctieknop op
Stel de Scherpstelfunctie in op
(blz. 122)
= l (één opname).
Stel de opnamefunctie in op een andere functie dan
\ (bewegend onderwerp). (blz. 47)
. (blz. 118)
189
Probleem
Het belichtingsgeheugen werkt niet
Flitser gaat niet af
Het powerzoomsysteem werkt niet
USB-aansluiting met computer werkt niet correct*
Oorzaak
Het belichtingsgeheugen is niet beschikbaar wanneer a
(handmatige belichting) of p
(tijdopname) is ingesteld.
Oplossing
Gebruik het belichtingsgeheugen bij een andere instelling dan a (handmatig) of p (tijdopname)
Wanneer de flitser is ingesteld op [Auto ontladen] of [Auto + anti rode ogen], gaat de flitser niet af wanneer het onderwerp licht is.
De flitsfunctie in de functiekiezer staat uit
[Flits UIT]
Zet de flitser op [Manual ontladen] of [Manual + anti rode ogen]. (blz. 49)
Zet de functiekiezer op een andere stand dan
[Flits UIT]. (blz. 47)
De camera heeft geen powerzoom-functie.
Transferfunctie staat op
[PictBridge].
Er is een fout opgetreden tijdens het verzenden van USBgegevens.
Zoom handmatig. (blz. 48)
Zet de transferfunctie op [PC].
Wijzig de transferfunctie in [PC-F].
USB-aansluiting met printer werkt niet correct
De transferfunctie staat op [PC] of [PC-F].
Zet de transferfunctie op [PictBridge]. (blz. 84)
In zeldzame gevallen werkt de camera mogelijk niet naar behoren door statische elektriciteit.
Dit kan worden opgelost door de batterijen uit te nemen en opnieuw te plaatsen. Wanneer de spiegel in de opgeklapte stand blijft staan, neemt u de batterijen uit en plaatst u ze opnieuw. Zet vervolgens de camera aan en schakel deze weer uit terwijl u de ontspanknop ingedrukt houdt. De spiegel gaat dan terug naar zijn uitgangspositie. Als de camera hierna weer naar behoren werkt, is reparatie niet nodig.
* Raadpleeg p. 13 van de “Handleiding PENTAX PHOTO Browser 2.1/PENTAX PHOTO
Laboratory 2.1” voor informatie over aansluiting van de camera op een computer.
6
190
Belangrijkste technische gegevens
6
Type
Effectief aantal pixels
Sensor
Opnamepixels
Gevoeligheid
Bestandsindelingen
Digitale spiegelreflexcamera met DDL-autofocus, automatische belichting en ingebouwde, uitklapbare P-DDL-flitser
6,10 megapixels
Totaal aantal pixels 6,31 megapixels, interline / interlace scan CCD met filter voor primaire kleuren
P (RAW: 3008×2008/JPEG: 3008×2000 pixels),
Q (2400×1600 pixels), R (1536×1024 pixels)
Auto, handmatig (200/400/800/1600/3200: standaardgevoeligheid)
RAW, JPEG (Exif 2.21), conform DCF, compatibel met DPOF en Print Image
Matching III
RAW, C (Best), D (Beter) en E (Goed)
SD-geheugenkaart
Kwaliteitsniveau
Opslagmedium
Aantal opnamen
Afmetingen (b x h x d) Kwaliteitsniveau
P
3008×2008
P
3008×2000
Q
2400×1600
R
1536×1029
1 GB voor opnamen
512 MB 256 MB 128 MB
RAW Ca. 90 Ca. 46 Ca. 22 Ca. 11
C
D
E
C
D
E
C
D
E
Ca. 330
Ca. 607
Ca. 966
Ca. 459
Ca. 807
Ca. 1397
Ca. 880
Ca. 1397
Ca. 2151
Ca. 167
Ca. 311
Ca. 498
Ca. 234
Ca. 415
Ca. 674
Ca. 453
Ca. 722
Ca. 1115
Ca. 78
Ca. 149
Ca. 242
Ca. 111
Ca. 201
Ca. 330
Ca. 220
Ca. 354
Ca. 549
Ca. 34
Ca. 70
Ca. 117
Ca. 51
Ca. 96
Ca. 161
Ca. 106
Ca. 173
Ca. 271
Compressie: C (Best) = 1/3, D (Beter) = 1/6, E (Goed) = 1/12
Witbalans
LCD-monitor
Weergavefuncties
Digitaal filter
Belichtingsfunctie
Sluiter
Objectiefvatting
Gebruikt objectief
Auto, Daglicht, Schaduw, Bewolkt, Neonlicht (D: Daglicht, N: Neutraal wit, W: Wit),
Lamplicht, Flitser, Handmatig
2,5 inch lage-temperatuur polysilicium TFT kleuren-LCD met circa 210.000 pixels en achtergrondverlichting
Eén opname, negen opnamen tegelijk, zoomweergave (max. 12 keer, schuiven mogelijk), roteren, diavoorstelling, histogram, helderheid
Zwart-wit, Sepia, Soft, Vlak (alleen voor bewerking na de opname) e Programma, b sluitertijdvoorkeuze, c diafragmavoorkeuze, a handmatige belichting, p tijdopnamefunctie
Picture-functie I Auto Picture, U Normaal, = Portret, s Landschap, q Macro, \ Bewegend onderwerp, .
Nachtportret, a Flits UIT
Elektronische, verticaal aflopende spleetsluiter. Elektromagnetische ontspanknop.
Sluitertijden:(1) automatisch: 1/4000-30 s (traploos); (2) handbediening: 1/4000-30 s (stappen van 1/2 LW of 1/3 LW); (3) tijdopname, sluitervergrendeling wanneer hoofdschakelaar uit staat.
Pentax KAF-bajonetvatting (K-vatting met AF-koppeling, objectiefinformatiecontacten).
Pentax objectieven met KAF2- (niet compatibel met powerzoom) KAF- en KA-vatting.
Autofocussysteem
Zoeker
Indicaties in de zoeker
LCD-weergave
Scherptedieptecontrole
Zelfontspanner
Spiegel
Auto Bracket
Belichtingsmeter /
Meetbereik
Bij belichtingscorrectie
Belichtingsgeheugen
Ingebouwde flitser
Synchronisatie met externe flitser
Persoonlijke instellingen
Tijdfunctie
Voeding
Uitgeputte batterijen
In-/uitgangen
Videosignaal
191
Fasevergelijkend DDL-autofocussysteem (SAFOX VIII). Effectief instelbereik:
LW –1 tot +18 (bij ISO100 en f/1,4-objectief). Scherpstelvergrendeling beschikbaar.
Scherpstelfuncties: l (één opname)/ k (continu)/ \ , omschakelbaar
AF-veld (breed/spot) beschikbaar
Pentaspiegelzoeker, Natural-Bright-Matte II matglas, beeldveld: 95%; vergroting
0,85× (met 50 mm f/1.4-objectief op ∞ ), zoekerdioptrie: –2,5m -1 tot +1,5m -1 .
(per meter)
De scherpstelinformatie: ] is verlicht wanneer er is scherpgesteld en knippert wanneer er niet kan worden scherpgesteld, b brandt=Ingebouwde flitser klaar, knippert=gebruik van flitser nodig of er wordt een niet-compatibel objectief gebruikt,
Sluitertijd, diafragmawaarde, indicatie instellen met e-knop, scherpstelpunt,
@ =belichtingsgeheugen, Resterende capaciteit en m =belichtingscorrectie,
K =handmatige witbalans, k =continuopnamen, pictogram Picture-functie,
\ =handmatig scherpstellen, o =ISO-waarschuwing b brandt=Ingebouwde flitser gereed, Knippert=gebruik van flitser nodig of er wordt een niet-compatibel objectief gebruikt, E =Automatisch flitsen,
E > =Automatisch flitsen met anti rode ogen, 9 =Enkelbeeldopnamen, j =Continuopnamen, g =Zelfontspanner, h =Opnamen via afstandsbediening,
?
=Batterij bijna leeg, ] =Auto Bracket (belichtingstrapje instelbaar in stappen van 1/2 LW of 1/3 LW), M =lichtmeting met nadruk op midden, N =spotmeting,
M =Spot AF, sluitertijd, diafragmawaarde, witbalans, resterende capaciteit en m =belichtingscorrectie, PC (massa-opslag)/ Pb (PictBridge) wordt weergegeven wanneer de USB-kabel is aangesloten.
Elektronisch gestuurd en bruikbaar voor alle belichtingsfuncties
Elektronisch gestuurd met vertragingstijd van 12 of 2 seconden
(met spiegelvergrendeling). Begint nadat op ontspanknop is gedrukt. Bevestiging werking: mogelijkheid om pieptoon in te stellen. Annuleerbaar na activering.
Vlug-terug-spiegel, spiegelvergrendelingsfunctie (beschikbaar bij zelfontspanner met vertragingstijd van 2 s)
Er worden drie opeenvolgende opnamen gemaakt met bracketing (belichtingstrapje instelbaar op 1/2 LW en 1/3 LW)
DDL meervlaks lichtmeting (16 segmenten). Meetbereik: LW 1 ~ 21,5 bij ISO 200 met 50 mm f/1.4-objectief. Lichtmeting met nadruk op midden en spotmeting beschikbaar.
±2.0 LW (belichtingsstappen instelbaar op 1/2 LW en 1/3 LW)
Knoptype (timertype standaard: 20 sec. of continu zolang ontspanknop tot halverwege ingedrukt wordt gehouden)
P-DDL ingebouwde flitser met seriebesturing, RG 15,6 (ISO 200 / m), flitsbereik: beeldhoek van 18 mm-objectief. Flitssyncronisatie mogelijk bij een sluitertijd van
1/180 s of langer, flitsen met daglichtsynchronisatie, flitsen met langesluitertijdsynchronisatie, flitsen met contrastregelingsynchronisatie
(ISO-bereik = P-DDL: 200-3200).
Flitsschoen met X-contact voor koppeling met PENTAX systeemflitsers.
ISO-bereik = P-DDL: 200-3200. Automatisch flitsen, flitsen met anti rode ogen.
Met PENTAX systeemflitsers is flitsen met korte-sluitertijdsynchronisatie en draadloos flitsen mogelijk.
Er kunnen 18 functies worden ingesteld.
Instelling wereldtijd voor 72 steden (28 tijdzones)
Twee CR-V3-batterijen, vier AA-lithiumbatterijen, vier AA Ni-MH oplaadbare batterijen of vier AA-alkalinebatterijen.
Indicatie voor uitgeputte batterijen ?
brandt. Als ?
knippert, is de sluiter vergrendeld en wordt er geen indicatie weergegeven in de zoeker.
USB/Video-aansluiting (USB2.0 (compatibel voor hoge snelheid)), gelijkstroomaansluiting, draadontspanneraansluiting
NTSC, PAL
6
192
PictBridge
Afmetingen en gewicht
Accessoires
Talen
Compatibele printer
Afdrukfuncties
PictBridge-compatibele printer
Eén opname afdrukken, alle opnamen afdrukken,
DPOF AUTOPRINT
125 mm × 92.5 mm × 67 mm (b x h x d)
470 g (alleen body, zonder batterijen)
Flitsschoenbeschermer FK, oogschelp FL, zoekerkapje ME, bodydop, USB-kabel I-
USB17, videokabel I-VC28, software (cd-rom) S-SW34, draagriem O-ST10, vier AA alkalinebatterijen, handleiding (dit boekje) en handleiding bij PENTAX PHOTO
Browser 2.1 / PENTAX PHOTO Laboratory 2.1
Engels, Frans, Duits, Spaans, Italiaans, Zweeds, Nederlands, Russisch, Koreaans,
Chinees (traditioneel/vereenvoudigd) en Japans
Specificaties van optionele afstandsbediening F
Afstandsbediening
Voeding
Afmetingen (b x h x d)
Gewicht
Infrarood afstandsbediening, opname ca. drie s nadat ontspanknop op afstandsbediening wordt ingedrukt of onmiddellijke opname bij druk op de knop, bereik = ca. 5 m vanaf voorzijde camera.
Eén lithiumbatterij (CR1620)
22 mm × 53 mm × 6.5 mm (b x h x d)
7 g (inclusief batterij)
6
Verklarende woordenlijst
193
AdobeRGB
Kleurruimte aanbevolen door Adobe Systems, Inc. voor commercieel afdrukken.
Breder bereik van kleurreproductie dan sRGB. Dekt het grootste kleurbereik zodat kleuren die alleen beschikbaar zijn tijdens afdrukken niet verloren gaan wanneer opnamen op een computer worden bewerkt. Wanneer opnamen worden geopend in niet-compatibele software, lijken de kleuren lichter.
Auto Bracket
Voor het automatisch wijzigen van de opname-instellingen. Wanneer de ontspanknop wordt ingedrukt, worden er drie opnamen gemaakt. De eerste zonder correctie, de tweede wordt onderbelicht en de derde overbelicht.
Autobelicht.
De helderheid van het onderwerp wordt gemeten om de belichting te bepalen. Kies op deze camera [Multi-segment] (meervlaksmeting), [Meting met nadruk op het midden] en
[Spotmeting].
Bij belichtingscorrectie
Proces van het instellen van de opnamehelderheid door de sluitertijd en diafragmawaarde te wijzigen.
Camerabeweging (waas/onscherpte)
Wanneer de camera beweegt terwijl de sluiter open is, ziet de gehele opname er vervloeid uit. Dit komt vaker voor bij een lange sluitertijd.
Voorkom camerabewegingen door de gevoeligheid te verhogen, de flitser te gebruiken en de sluitertijd te verkorten. U kunt ook een statief gebruiken om de camera te stabiliseren.
Gebruik de zelfontspanner, de afstandsbediening of de draadontspanner om beweging van de camera te voorkomen.
CCD (Charge Coupled Device)
Fotografisch element dat het licht dat door het objectief binnenkomt omzet in elektrische signalen.
DCF (Design Rule for Camera File System)
Standaard voor bestandssystemen op digitale camera’s, vastgelegd door de JEITA
(Japan Electronics and Information Technology Industries Association).
DPOF (digital print order format)
Regels voor het schrijven van informatie op een kaart met opgeslagen opnamen, met betrekking tot de specifieke opnamen die moeten worden afgedrukt en het aantal af te drukken exemplaren. U kunt heel eenvoudig afdrukken laten maken door de kaart naar een fotozaak te brengen die DPOF-afdrukken maakt.
Diafragma
Het diafragma vergroot of verkleint de lichtstraal (doorsnede) die het objectief passeert.
6
194
6
Exif (exchangeable image file format voor digitale fotocamera‘s)
Standaard voor bestandsindelingen op digitale camera’s, vastgelegd door de JEITA
(Japan Electronics and Information Technology Industries Association).
Gevoeligheid
De hoeveelheid licht. Met een hoge gevoeligheid kunnen opnamen zelfs op donkere plaatsen worden gemaakt met een korte sluitertijd, waardoor camerabewegingen worden verminderd. Opnamen met een hoge gevoeligheid zijn echter vatbaarder voor ruis.
Helderheid
Helder deel van de opname verliest contrast en wordt wit.
Histogram
Weergave in grafiekvorm van een gradatiereeks van het donkerste tot het lichtste punt in een opname. De horizontale as vertegenwoordigt de helderheid en de verticale as het aantal pixels.
Een histogram is handig wanneer u de belichtingsstatus van een opname wilt controleren.
JPEG
Methode voor beeldcompressie. Een opname wordt opgeslagen in de indeling JPEG wanneer het kwaliteitsniveau wordt ingesteld op C (best), D (beter) of E (goed).
Opnamen die zijn opgeslagen als JPEG, zijn geschikt voor weergave op een computer of om als bijlage bij een e-mailbericht te worden verstuurd.
Kleurruimte
Een bepaald kleurbereik uit het spectrum. Bij digitale camera’s wordt [sRGB] gedefinieerd als de standaard van Exif. Deze camera maakt ook gebruik van [AdobeRGB], omdat deze een rijkere kleuruitdrukking heeft dan sRGB.
Kleurtemperatuur
Beschrijving in getalswaarden van de kleur van de lichtbron die het onderwerp verlicht.
Aangegeven als absolute temperatuur in Kelvin (K). De kleur van het licht krijgt een blauwachtige kleurzweem naarmate de kleurtemperatuur hoger wordt, en een roodachtige kleurzweem naarmate de kleurtemperatuur lager wordt.
Kwaliteitsniveau
Heeft betrekking op de mate van compressie van een opname. Hoe minder compressie, des te gedetailleerder de opname wordt. De opname wordt grover naarmate de compressie toeneemt.
LW (belichtingswaarde)
De belichtingswaarde wordt bepaald door de combinatie van diafragmawaarde en sluitertijd.
ND (Neutral Density) filter
Filter met veel verzadigingsniveaus, dat de helderheid aanpast zonder dat dit invloed heeft op de opname zelf.
NTSC, PAL
Dit zijn video-uitgangssignalen. NTSC wordt voornamelijk gebruikt in Japan, Noord-Amerika en Zuid-Korea. PAL wordt voornamelijk gebruikt in Europa en China.
Opnamepixels
Drukt de grootte van de opname uit in het aantal pixels. Hoe hoger het aantal pixels waaruit de opname is opgebouwd, des te groter de opname wordt.
RAW-gegevens
Onbewerkte opnamegegevens vanuit de CCD. RAW-gegevens zijn nog niet intern door de camera verwerkt. Na het fotograferen moeten per opname individuele instellingen worden gekozen zoals witbalans, contrast, kleurtoon en scherpte. RAW-gegevens zijn 12 bits gegevens met 16 keer zoveel informatie als 8 bits JPEG- en TIFF-gegevens. Daardoor zijn rijke kleurschakeringen mogelijk. Breng RAW-gegevens over naar uw computer en gebruik de meegeleverde software om de beelden om te zetten naar een andere bestandsindeling
(JPEG / TIFF).
Ruisonderdrukking
Bewerking voor het verminderen van ruis (ruwheid of onregelmatigheid in opnamen), veroorzaakt door een lange sluitertijd.
Scherpstelpunt
Positie in de zoeker die de scherpstelling bepaalt.
Scherptediepte
Scherpstelgebied. Dit hangt af van het diafragma, de brandpuntsafstand van het objectief en de afstand tot het onderwerp. U kunt een kleiner diafragma kiezen voor meer scherptediepte, of een groter diafragma voor minder scherptediepte.
Sluitertijd
De tijd dat de sluiter open staat en er licht valt op de CCD. De hoeveelheid licht die op de
CCD valt kan worden gewijzigd door de sluitertijd aan te passen.
sRGB (standaard RGB)
Internationale standaard voor kleurruimte, vastgesteld door het IEC (International
Electrotechnical Commission). Deze definieert kleurruimte voor computerbeeldschermen en wordt ook gebruikt als standaard kleurruimte voor Exif.
Vignettering
Vignettering treedt op wanneer hoeken van opnamen zwart worden omdat het onderwerp is geblokkeerd door de zonnekap of een filter of wanneer de flitsbundel geblokkeerd was.
Witbalans
Tijdens opnamen wordt de kleurtemperatuur aangepast, zodat die overeenkomt met de lichtbron, om het onderwerp de juiste kleur te geven.
195
6
196
Memo
6
Memo
197
198
Index
6
[ A Opname] menu .................... 98; 174
[ Q Weergeven] menu ............... 98, 174
[ H Set-up] menu ......................... 99, 175
[ A Pers. inst.] menu .................. 100, 176
I Auto Picture ......................... 43, 47
U Normaal ......................................... 47
= Portret ............................................. 47 s Landschap ...................................... 47 q Macro .............................................. 47
\ Bewegend onderwerp .................... 47
.
Portretopname bij nacht ................. 47 a Flits UIT .......................................... 47
Q knop ........................................ 93, 95 i knop ................................................ 94
K knop ........................................... 93
Z knop .......................................... 95 m c knop .......................................... 93
| Preview ......................................... 129
A
Aan/uit ................................................. 32
AdobeRGB ........................................ 117
L knop ......................................... 93
AF360FGZ ........................................ 153 k (Continu) ................................. 122
Afdrukservice ...................................... 79
AF-functie .......................................... 122 l (Eén opname) .......................... 122
Afstandsbediening .............................. 59
AF-veld .............................................. 121 alkalinebatterijen ................................. 26
Alle opnamen wissen .......................... 74
Anti rode ogen ............................. 52, 157
Audiovisuele apparatuur ..................... 70
Auto Bracket ..................................... 143
= (Autofocus) ................................. 118
Autofocus = ................................... 118
Automatisch uitschakelen ................. 169 c (Diafragmavoorkeuze) ................. 136
B
Batterijen ............................................. 25 bedieningsaanwijzing .......................... 16
Beeldtint ............................................ 108
Belichting .......................................... 127
Belichtingscorrectie ........................... 141
Belichting vergrendelen .................... 124
Belichtingsfunctie .............................. 132
Belichtingsgeheugen ........................ 142
Belichtingswaarschuwing ....... 135, 137, 139
Bestandsnummer .............................. 169
Beveiligen ........................................... 77
Bewegend onderwerp \ .................... 47
Bewolkt (Witbalans) .......................... 112
C
CCD schoonmaken ........................... 181
Continu k .................................... 122
Continue autofocus ........................... 124
Continuopnamen ................................ 53
Contrast ............................................ 111
CR-V3 ................................................. 26
D
Daglicht (Witbalans) .......................... 112
Datum aanpassen ............................... 35
Datum toevoegen ............................... 79
Datum wijzigen ................................. 163
De schermaanwijzingen aan en uitzetten ................................ 167
Diafragma ......................................... 128
Diafragmaring gebruiken .................. 180
Diafragmavoorkeuze c .................... 136
Diavoorstelling ............................ 68, 161
Digitaal filter ........................................ 71
Dioptrie aanpassen ............................. 39
Diverse flitsers .................................. 158
DPOF AUTOPRINT ............................ 90
DPOF-instellingen ............................... 79
Draadloos flitsen ............................... 155
Draadontspanner .............................. 140
Draagriem ........................................... 24
E
Eén opname afdrukken ....................... 86
Eén opname l ............................ 122
Eén opname wissen ........................... 73 e-knop ................................................. 93
Externe flitser .................................... 153
F
Filter .................................................... 71
Flits UIT a .......................................... 47
Flitscorrectie ..................................... 146
Flitsen met 2esluitergordijnsynchronisatie .............. 157
Flitsen met
contrastregelingssynchronisatie ........ 159
Flitser .......................................... 49, 146
Flitser (Witbalans) ............................. 112
K (Flitser uitklappen) knop ............ 93
{ button ...................................... 93, 95
{ knop ......................................... 93, 95
Fn-menu ............................................ 102
Formatteren ...................................... 162
Foutbericht ........................................ 186
Functiekiezer ............................... 93, 104
G
Geluidssignaal .................................. 163
Gevoeligheid ..................................... 115
Breed ( = ) ....................................... 121
H
Half indrukken ..................................... 45
\ (Handmatig scherpstellen) ......... 125
Handmatig scherpstellen \ ........... 125
Handmatige witbalans ....................... 113
Helder ............................................... 108
Helderheid ......................................... 160
Helderheid van de LCD-monitor ....... 168
Helemaal indrukken ............................ 45
Herstellen .................................. 171, 172
Histogram .................................... 19, 170
Hoofdschakelaar ........................... 92, 94
I
Indicaties op LCD ................................ 22
M knop ................................... 93, 94
Ingebouwde flitser ....................... 49, 146
ISO-gevoeligheid .............................. 115
ISO-gevoeligheidswaarschuwing ....... 116
K
Kiezen&wissen .................................... 75
Kleurgebied ....................................... 117
Kleurtemperatuur .............................. 113
Kleurverzadiging ............................... 111
Korte-sluitertijdsynchronisatie ........... 155
Kwaliteitsniveau .......................... 31, 110
L
Laatste geheugen ............................. 174
Lamplicht (Witbalans) ....................... 112
Landschap s ...................................... 47
LCD ..................................................... 22
LCD-monitor ........................................ 16
LED voor lezen van/schrijven naar kaart ............................................ 15
Lichtmeting ........................................ 130 lithiumbatterijen ................................... 26 m c (LW-correctie/Av) knop .............. 93
M
Macro q .............................................. 47
Matglas ............................................. 126
Meervlaks ......................................... 130
Meettijd ............................................. 132
[ A Pers. inst.] menu .................. 100, 176
Menubediening ................................... 96
3 knop .................................. 93, 94
Momentcontrole ................................ 170
N
Nachtopname ................................... 140
Nadruk op het midden ...................... 131
Natuurlijk ........................................... 108
Neonlicht (Witbalans) ........................ 112
Netvoedingsadapter ............................ 28
Ni-MH .................................................. 26
Ni-MH oplaadbare batterij ................... 26
Normaal U ......................................... 47
NTSC ................................................ 168
O
Objectief ...................................... 37, 178
Objectiefontgrendelknop ..................... 38
4 knop ....................................... 93, 95
Ontgrendelknop objectief .................... 92
Ontspanknop .......................... 45, 92, 94
Opnamegegevens ........................ 17, 18
Opnamen met daglichtsynchronisatie ........................ 52
Opnamepixels ............................. 31, 109
Optionele accessoires ...................... 183
P
PAL ................................................... 168
PC-F ................................................. 189
P-DDL (Auto) .................................... 154
P-DDL (flitser) ................................... 156
Persoonlijke instellingen ................... 100 e (Programma) functie .................... 133
PictBridge ........................................... 83
Pixels ................................................ 109
Portret = ............................................. 47
Portretopname bij nacht .
................. 47
Preview | ........................................ 129
Print alle beelden ................................ 88
Printeraansluiting ................................ 85
Programmafunctie e ........................ 133
199
6
200
6
R
RAW .................................................. 110
Rechtstreeks afdrukken ...................... 83
Resterende opslagcapaciteit opnamen ............................................. 27
Roteren ............................................... 64
Ruisonderdrukking ............................ 140
S
Schaduw (Witbalans) ........................ 112
Schermaanwijzingen ......................... 167
Scherpstelfunctieknop ......................... 92
Scherpstelindicatie ............................ 125
Scherpstellen .................................... 118
Scherpstelling vastzetten .................. 123
Scherpstelpunt .................................. 131
Scherpstelvergrendeling ................... 123
Scherpte ............................................ 111
Scherptediepte .................................. 128
SD-geheugenkaart .............................. 29
Sepia (Digitaal filter) ............................ 71
[ H Set-up] Menu ................................. 99
Sluitertijd ........................................... 127
Sluitertijdvoorkeuze b ..................... 134
Soft (Digitaal filter) .............................. 71
Spiegel vergrendelen ........................ 181
Spiegelvergrendeling .......................... 62
Spot ( = ) ......................................... 121
Spotmeting ........................................ 131 sRGB ................................................ 117
Standaardinstelling ..................... 33, 174
T
Taal ..................................................... 33 p (Tijdopname) ................................. 140
Tijdopname p ................................... 140
Timer belichtingsmeter ...................... 144
Transfer Mode ..................................... 84
Transportfunctie ................................ 102
TV ....................................................... 70 b (Sluitertijdvoorkeuze) ................... 134
U
USB-kabel ........................................... 83
V
Videokabel .......................................... 70
Video-uitgangssignaal ....................... 168
Vierwegbesturing .......................... 93, 95
Vignettering ....................................... 195
Vlak (Digitaal filter) .............................. 71
Vuurwerk ........................................... 140
W
Weergave ..................................... 18, 63
Weergave van negen opnamen tegelijk ................................................. 66
Weergavestijl .................................... 160
Weergavetaal .................................... 167
Weergavetijd ....................................... 27
Wereldtijd .......................................... 164 i (Wissen) knop ................................ 94
Wissen ................................................ 73
Witbalans .......................................... 112
Z
Zelfontspanner .................................... 55
Zoeker ........................................... 20, 39
Zoomobjectief ..................................... 48
Zoomweergave ................................... 65
Zwart-wit (Digitaal filter) ...................... 71
MEMO
201
6
202
GARANTIEBEPALINGEN
6
Alle PENTAX-camera’s die via de erkende kanalen door de officiële importeur zijn ingevoerd en via de erkende handel worden gekocht, zijn tegen materiaal- en/of fabricagefouten gegarandeerd voor een tijdsduur van twaalf maanden na aankoopdatum. Tijdens die periode worden onderhoud en reparaties kosteloos uitgevoerd, op voorwaarde dat de apparatuur niet beschadigd is door vallen of stoten, ruwe behandeling, inwerking van zand of vloeistoffen, corrosie van batterijen of door chemische inwerking, gebruik in strijd met de bedieningsvoorschriften, of wijzigingen aangebracht door een niet-erkende reparateur. De fabrikant of zijn officiële vertegenwoordiger is niet aansprakelijk voor enige reparatie of verandering waarvoor geen schriftelijke toestemming is verleend en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade als gevolg van vertraging en gederfd gebruik voortvloeiend uit indirecte schade van welke aard dan ook, of deze nu veroorzaakt wordt door ondeugdelijk materiaal, slecht vakmanschap of enige andere oorzaak. Uitdrukkelijk wordt gesteld dat de verantwoordelijkheid van de fabrikant of zijn officiële vertegenwoordiger onder alle omstandigheden beperkt blijft tot het vervangen van onderdelen als hierboven beschreven. Kosten voortvloeiend uit reparaties die niet door een officieel PENTAXservicecentrum zijn uitgevoerd, worden niet vergoed.
Handelwijze tijdens de garantieperiode
Een PENTAX-apparaat dat defect raakt gedurende de garantieperiode van 12 maanden, moet worden geretourneerd aan de handelaar waar het toestel is gekocht, of aan de fabrikant. Als in uw land geen vertegenwoordiger van de fabrikant gevestigd is, zendt u het apparaat naar de fabriek met een internationale antwoordcoupon voor de kosten van de retourzending. In dit geval zal het vrij lang duren voordat het apparaat aan u kan worden geretourneerd, als gevolg van de ingewikkelde douaneformaliteiten.
Wanneer de garantie op het apparaat nog van kracht is, zal de reparatie kosteloos worden uitgevoerd, en zullen de onderdelen gratis worden vervangen, waarna het apparaat aan u wordt teruggezonden. Indien de garantie verlopen is, wordt het normale reparatietarief in rekening gebracht. De verzendkosten zijn voor rekening van de eigenaar. Indien uw PENTAX gekocht is in een ander land dan waarin u tijdens de garantieperiode de reparatie wilt laten verrichten, kunnen de normale kosten in rekening worden gebracht door de vertegenwoordigers van de fabrikant in dat land.
Indien u uw PENTAX in dat geval aan de fabriek terugzendt, wordt de reparatie desalniettemin uitgevoerd volgens de garantiebepalingen. De verzend- en inklaringskosten zijn echter altijd voor rekening van de eigenaar. Teneinde de aankoopdatum – indien nodig – te kunnen bewijzen, gelieve u het garantiebewijs en de aankoopnota van uw camera gedurende ten minste één jaar te bewaren. Voordat u uw apparatuur ter reparatie opstuurt, dient u zich ervan te vergewissen dat u de zending inderdaad heeft geadresseerd aan de bevoegde vertegenwoordiger van de fabrikant of een bevoegd reparatiecentrum, tenzij u deze rechtstreeks naar de fabrikant stuurt. Vraag altijd eerst een prijsopgave. Pas nadat u zich hiermee akkoord hebt verklaard, geeft u het servicecentrum toestemming de reparatie uit te voeren.
• Deze garantiebepalingen zijn niet van invloed op de wettelijke rechten van de klant.
• De plaatselijke garantiebepalingen van PENTAX-distributeurs in sommige landen kunnen afwijken van deze garantiebepalingen. Wij adviseren u daarom kennis te nemen van de garantiekaart die u hebt ontvangen bij uw product ten tijde van de aankoop, of contact op te nemen met de PENTAX-distributeur in uw land voor meer informatie en voor een kopie van de garantiebepalingen.
203
6
Batterijen horen niet bij afgedankte spullen in het huishouden.
Deponeer gebruikte batterijen bij een hiervoor bestemd inzamelpunt.
Ook oude of defecte camera’s horen niet bij afgedankte spullen in het huishouden.
Laat uw oude camera’s op een milieuvriendelijke manier tot afval verwerken of stuur ze naar ons terug.
Het CE-keurmerk is een keurmerk voor conformiteit met richtlijnen van de
Europese Unie.
204
MEMO
6
MEMO
205
6
PENTAX Corporation
PENTAX Europe GmbH
(European Headquarters)
PENTAX U.K. Limited
PENTAX France S.A.S.
PENTAX Canada Inc.
2-36-9, Maeno-cho, Itabashi-ku, Tokyo 174-8639, JAPAN
(http://www.pentax.co.jp/)
Julius-Vosseler-Strasse, 104, 22527 Hamburg,
GERMANY
(HQ - http://www.pentaxeurope.com)
(Germany - http://www.pentax.de)
PENTAX House, Heron Drive, Langley, Slough, Berks
SL3 8PN, U.K.
(http://www.pentax.co.uk)
12/14, rue Jean Poulmarch, 95106 Argenteuil Cedex,
FRANCE
PENTAX Benelux B.V.
PENTAX (Schweiz) AG
(for Netherlands)
Spinveld 25, 4815 HR Breda, NETHERLANDS
(http://www.pentax.nl)
(for Belgium & Luxembourg)
Weiveldlaan 3-5, 1930 Zaventem, BELGIUM
(http://www.pentax.be)
Widenholzstrasse 1 Postfach 367 8305 Dietlikon,
SWITZERLAND
(http://www.pentax.ch)
PENTAX Scandinavia AB P.O. Box 650, 75127 Uppsala, SWEDEN
(http://www.pentax.se)
PENTAX Imaging Company
A Division of PENTAX of America, Inc.
(Headquarters)
600 12th Street, Suite 300 Golden, Colorado 80401, U.S.A.
(Distribution & Service Center)
16163 West 45th Drive, Unit H Golden, Colorado 80403,
U.S.A. (http://www.pentaximaging.com)
1770 Argentia Road Mississauga, Ontario L5N 3S7,
CANADA
(http://www.pentax.ca)
De fabrikant behoudt zich het recht voor zonder voorafgaande berichtgeving wijzigingen in specificaties, ontwerp en beschikbaarheid aan te brengen.
AP011305/NL Copyright © PENTAX Corporation 2005
FOM 01.07.2005 Printed in Germany
SLR Digitale Camera
Handleiding
Lees voor optimale cameraprestaties eerst de handleiding door voordat u deze camera in gebruik neemt.
Stáhnout
Reklama